5-1563/4

5-1563/4

Belgische Senaat

ZITTING 2011-2012

18 JUNI 2012


Wetsvoorstel tot wijziging van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973

Voorstel tot herziening van artikel 160 van de Grondwet

Voorstel van bijzondere wet houdende wijziging van de zogenaamde « pacificatiewet » van 9 augustus 1988 en van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, wat de benoeming van de burgemeesters van de randgemeenten betreft

Voorstel van bijzondere wet houdende wijziging van artikel 16bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen en van artikel 5bis van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse Instellingen


VERSLAG

NAMENS DE COMMISSIE VOOR DE INSTITUTIONELE AANGELEGENHEDEN UITGEBRACHT DOOR

DE HEREN DE DECKER EN BEKE


I. INLEIDING

De commissie voor de Institutionele Aangelegenheden heeft de vier bovenvermelde voorstellen besproken tijdens haar vergaderingen van 10 en 15 mei, 5 en 18 juni 2012, in aanwezigheid van de heren Servais Verherstraeten en Melchior Wathelet, beiden staatssecretaris voor Staatshervorming.

Deze voorstellen zijn thematisch met elkaar verbonden doordat ze allemaal de randgemeenten behelzen, inzonderheid de administratieve geschillen met betrekking tot die gemeenten, de benoeming van hun burgemeesters en het optreden van de Raad van State dienaangaande.

Zij maken deel uit van een brede hervorming die haar grondslag vindt in het Institutioneel akkoord voor de Zesde Staatshervorming van 11 oktober 2011. Met het oog op de uitvoering van vier onderdelen van dat akkoord werden er op 4 april 2012 in de Senaat dertien wetsvoorstellen, voorstellen van bijzondere wet en voorstellen tot herziening van de Grondwet ingediend (stukken Senaat, nrs. 5-1560/1 tot 5-1572/1).

Nadere informatie over de onderlinge samenhang tussen die voorstellen en hun procedurele en inhoudelijke behandeling in de commissie voor de Institutionele Aangelegenheden is ook terug te vinden in :

— het commissieverslag van de heren Swennen en Bousetta over de voorstellen betreffende de splitsing van de kieskring Brussel-Halle-Vilvoorde (stuk Senaat, nr. 5-1560/4). In dit verslag wordt uitvoerig ingegaan op alle procedurekwesties die zich bij de behandeling van de dertien voorstellen hebben voorgedaan;

— het commissieverslag van mevrouw Targnion en de heer Beke over de voorstellen met betrekking tot Brussel, de hoofdstedelijke gemeenschap van Brussel en de financiering van de Brusselse instellingen (stuk Senaat, nr. 5-1567/4);

— het commissieverslag van de heren De Croo en Deprez over de voorstellen met betrekking tot de politieke vernieuwing (stuk Senaat, nr. 5-1570/4).

II. INLEIDENDE UITEENZETTINGEN

A. Wetsvoorstel tot wijziging van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 (van de heren Philippe Moureaux en Dirk Claes, mevrouw Christine Defraigne, de heren Bert Anciaux, Marcel Cheron, Bart Tommelein en Francis Delpérée en mevrouw Freya Piryns) (stuk Senaat, nr. 5-1563/1)

De heer Philippe Mahoux herinnert eraan dat het institutionele akkoord van 11 oktober 2011 er onder meer in voorziet dat alle administratieve geschillen met betrekking tot de zes randgemeenten en de natuurlijke personen of rechtspersonen die er gevestigd zijn, voortaan onder de bevoegdheid van de algemene vergadering van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vallen. Het voorliggende wetsvoorstel heeft tot doel dit punt van het akkoord uitvoering te geven.

Personen, zowel rechtspersonen als natuurlijke personen, en zowel publieke personen als private personen, die op het grondgebied van de randgemeenten zijn gevestigd, kunnen rekening houdend met het gevoelige taalkarakter van de administratieve geschillen die in deze gemeenten kunnen ontstaan, verzoeken dat hun zaken worden behandeld door een rechtscollege dat taalkundig paritair is samengesteld.

Vandaag worden de procedures inzake de herziening of vernietiging wegens machtsafwending en inzake de eenheid van de rechtspraak overeenkomstig de artikelen 91 en 92 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State verwezen naar de algemene vergadering. Door de invoeging van een nieuw artikel 93 zullen voortaan ook alle procedures die onder het toepassingsgebied van onderhavig voorstel vallen, naar de algemene vergadering verwezen worden.

Als bepaald in het institutioneel akkoord van 11 oktober 2011 zullen de geschillen volgens de volgende nadere regels worden behandeld :

De bevoegdheid van de algemene vergadering van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft betrekking op de administratieve geschillen met betrekking tot de zes randgemeenten die vandaag door de Raad van State worden behandeld en die de natuurlijke personen en rechtspersonen die daar gevestigd zijn betreffen (rechtstreekse aanhangigmaking met het oog op, schorsing/vernietiging, administratieve cassatie, schadeloosstelling en volle rechtsmacht). Het betreft de administratieve regelgevingen en handelingen van zowel deze gemeenten als de andere beleidsniveaus en toezichthoudende overheden, beroepen tegen tuchtrechtelijke beslissingen, enz. Wat de bevoegdheid van de algemene vergadering betreft, zijn er twee voorwaarden. De natuurlijke en rechtspersonen moeten gevestigd zijn in de zes gemeenten en de toestand moet in deze gemeenten in het geding zijn. Het aanhangig maken bij de algemene vergadering is voor de Raad van State een vrij zware procedure om te organiseren. Daarom is het gerechtvaardigd dat dit alleen mogelijk wordt gemaakt voor geschillen met een dubbele territoriale band met de betreffende gemeenten : rationae personae en rationae materiae. Beide voorwaarden moeten samen vervuld zijn.

De eerste voorzitter en de voorzitter van de Raad van State oefenen het voorzitterschap van de algemene vergadering alternerend uit, per zaak volgens de inschrijving op de rol. Bij staking van stemmen geeft de stem van de voorzitter van de zitting de doorslag. Wat het auditoraat betreft, zal het onderzoek geschieden door twee auditeurs die tot een verschillende taalrol behoren.

Door de inleiding van het verzoekschrift bij de Raad van State kan de verzoekende partij de zaak onmiddellijk bij de algemene vergadering aanhangig maken. In het verzoekschrift verwijst de eisende partij (eenvoudige formele vermelding) naar de waarborgen, rechtsstelsels en taalrechten die in de randgemeenten gelden. In het geval van een dergelijk verzoek, wordt het beroep van rechtswege door de algemene vergadering behandeld, zonder appreciatiemogelijkheid.

Een tegenpartij of een tussenkomende partij die in de zes gemeenten gevestigd is, kan, indien de taalwetgeving in het geding is, verkrijgen dat de zaak van rechtswege naar de algemene vergadering wordt verwezen, zonder appreciatiemogelijkheid.

De « filter »-procedure waarin de gecoördineerde wetten momenteel voorzien voor de cassatieberoepen zal gezamenlijk door de eerste voorzitter en de voorzitter worden uitgeoefend. Het is uitsluitend in de veronderstelling dat ze beiden menen dat het beroep niet toelaatbaar is dat de zaak niet aan de algemene vergadering toekomt.

Onderhavig voorstel raakt niet aan de materiële en territoriale bevoegdheid van de bestaande administratieve rechtscolleges, zoals bijvoorbeeld de « Raad voor Vergunningsbetwistingen » opgericht door het Vlaamse Gewest. De administratieve cassatieberoepen tegen de beslissingen van deze administratieve rechtscolleges kunnen voor de algemene vergadering van de Raad van State worden ingeleid, wanneer de voorwaarden voorzien in dit voorstel vervuld zijn.

Er wordt ook in bijzondere regels voorzien voor de schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid, aangezien die noodzakelijkheid soms van zodanige aard is dat de algemene vergadering niet kan worden samengeroepen voordat het moeilijk te herstellen ernstig nadeel zich voordoet.

Samen met de wijzigingen voorzien in dit wetsvoorstel wordt artikel 160 van de Grondwet gewijzigd om erin te voorzien dat de nieuwe bevoegdheden en beraadslagingswijzen van de algemene vergadering van de Raad van State slechts door een wet aangenomen met een bijzondere meerderheid kunnen worden gewijzigd. Deze nieuwe grondwetsbepaling zal tegelijkertijd met het onderhavige wetsvoorstel in werking treden (stuk Senaat, nr. 5-1564/1 - 2011/2012).

De inhoud van de « stand still » bedoeld in artikel 16bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming van de instellingen wordt ook aangepast aan de waarborgen die op de datum van de hervorming van kracht zijn, inzonderheid de specifieke oplossing voor de administratieve geschillen in de zes randgemeenten (Voorstel van bijzondere wet houdende wijziging van artikel 16bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen en van artikel 5bis van de bijzondere wet van 12 januari 1989 tot de Brusselse Instellingen (stuk Senaat, nr. 5-1566/1 - 2011/2012)).

Behoudens wanneer onderhavig voorstel hiervan afwijkt, zijn alle procedureregels en -termijnen integraal van toepassing.

B. Voorstel tot herziening van artikel 160 van de Grondwet (van de heren Francis Delpérée, Dirk Claes, Philippe Moureaux en Bert Anciaux, mevrouw Christine Defraigne, de heren Bart Tommelein en Marcel Cheron en mevrouw Freya Piryns) (stuk Senaat, nr. 5-1564/1)

De heer Francis Delpérée verklaart dat het voorstel tot herziening van de Grondwet in het verlengde ligt van het institutioneel akkoord van 11 oktober 2011, dat door acht politieke partijen werd gesloten. Het voorziet in een wijziging van de bevoegdheden en de beraadslagingswijzen van de algemene vergadering van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Die wijziging moet de beraadslagingswijze van de Raad van State regelen wanneer hij zich moet uitspreken over geschillen die kunnen rijzen in de randgemeenten.

De nieuwe bevoegdheden en de nieuwe beraadslagingswijzen van de Raad van State zullen uiteraard concreet vorm krijgen in een wetsvoorstel. Dat werd tegelijk met het voorstel tot herziening van de grondwet ingediend (stuk Senaat, nr. 5-1563/1 - 2011/2012). De principes moeten evenwel in de Grondwet worden opgenomen.

Grondwet en wet moeten in hetzelfde perspectief worden gelezen. Om die reden zullen ook de grondwettelijke en wettelijke regels op dezelfde dag in werking treden. Om dezelfde reden zullen de nieuwe wettelijke regels in de toekomst slechts kunnen worden gewijzigd bij een bijzondere wet. Elke bijzondere wet moet echter een constitutionele basis hebben en daartoe strekt het nieuwe artikel 160 van de Grondwet.

Aldus kunnen de opties van de grondwetgevende macht en de wetgever op elkaar worden afgestemd. Er zal tevens worden gezorgd voor de harmonisatie van de andere grondwettelijke beginselen (zie het arrest van het Arbitragehof van 15 december 2004, nr. 201/2004, met name in zijn overwegingen B.7.2 tot B.8.3).

Het hoeft niet te worden onderstreept dat de voorgestelde hervorming strekt om de communautaire vrede in ons land te verzekeren. Dat verantwoordt — naar analogie van wat in andere bepalingen van de Grondwet (bijvoorbeeld in artikel 129, § 2) staat — het feit dat de regels ter zake het gezamenlijke optreden vergen van de grondwetgevende macht, de wetgevende macht en, vervolgens van de wetgevende macht die beslist met een gekwalificeerde meerderheid.

C. Voorstel van bijzondere wet houdende wijziging van de zogenaamde « pacificatiewet » van 9 augustus 1988 en van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, wat de benoeming van de burgemeesters van de randgemeenten betreft (van de heren Francis Delpérée, Dirk Claes, Philippe Moureaux en Bert Anciaux, mevrouw Christine Defraigne, de heren Bart Tommelein en Marcel Cheron en mevrouw Freya Piryns) (stuk Senaat, nr. 5-1565/1)

De heer Francis Delpérée legt uit dat het institutioneel akkoord van 11 oktober 2011 voorziet in het instellen van een nieuwe procedure voor de benoeming van de burgemeesters van de zes Vlaamse randgemeenten. Het wetsvoorstel strekt om dat punt van het akkoord uit te voeren.

Het is de bedoeling dat de nieuwe procedure evenwichtig is. Er moet een evenwicht worden gevonden tussen de belangen van de diverse gemeenschappen en gewesten van de Belgische Staat. Het is ook de bedoeling voor procedures te zorgen waardoor in de toekomst communautaire confrontaties kunnen worden voorkomen. Het Grondwettelijk Hof heeft al herhaaldelijk op het belang gewezen van dergelijke maatregelen voor het evenwicht in de staat en de communautaire vrede, in het bijzonder in het centrum van het land.

De nieuwe procedures gelden enkel voor wat men « de zes randgemeenten » noemt en niet voor de gemeenten Komen-Waasten en Voeren, noch voor de andere gemeenten met een speciaal statuut. De bijzondere situatie van die randgemeenten, de plaats die ze innemen in het federale evenwicht en de zorg om de communautaire vrede te behouden of te verzekeren, wettigen die specifieke regeling.

De nieuwe procedure moet worden ingeschreven in de zogenaamde « pacificatiewet » van 9 augustus 1988, waarnaar wordt verwezen in de artikelen 6, § 1, VIII en 7, § 1, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen.

In werkelijkheid moet de omvang van de uitzonderingen op de bevoegdheden van de gewesten inzake « ondergeschikte besturen » — ze worden bepaald in de artikelen 6, § 1, VIII en 7, § 1, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 — nader worden bepaald. Daartoe is een bijzondere wet nodig. In een arrest 28 oktober 1986 (nr. 28/86, overweging 4.B.2.c) heeft het Arbitragehof bepaald dat in dat soort gevallen slechts wijzigingen aangebracht kunnen worden via bijzondere wet.

Nu moeten we de hoofdlijnen vermelden van de nieuwe procedure die wordt vooropgesteld voor de benoeming van de burgemeesters in de zes randgemeenten.

Er wordt een voordrachtsakte opgesteld. Ze wordt bevestigd door de gemeenteraad, die beslist bij stemming. Vanaf die stemming is de betrokkene aangewezen-burgemeester en voert hij bijgevolg de titel van aangewezen-burgemeester. De aangewezen-burgemeester oefent de functies uit die aan de burgemeester worden opgedragen. Hij wordt niet vervangen als schepen, als hij inmiddels tot schepen verkozen was.

Dit voorstel van bijzondere wet doet geen afbreuk aan de bevoegdheid van het Vlaamse Gewest om de modaliteiten van de voordrachtsakte te regelen. De eventuele aanpassingen aan de regels betreffende die voordrachtsakte kunnen uiteraard geen afbreuk doen aan de procedure die bij de bijzondere wet wordt ingesteld — we hebben hier te maken met een garantie in de zin van artikel 16bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen.

Wanneer de voordrachtsakte opgesteld en bevestigd is, wordt ze aan de Vlaamse regering overgezonden. Die controleert er de wettigheid van in het raam van haar bevoegdheid inzake benoeming. Ze beschikt over een termijn van zestig dagen (zodra ze de bevestiging van de voordrachtsakte door de gemeenteraad ontvangt).

Hier zijn er twee mogelijkheden.

Eerste mogelijkheid : de Vlaamse regering benoemt de aangewezen-burgemeester tot burgemeester of spreekt zich niet uit binnen de haar toegewezen termijn. In dat geval is de aangewezen-burgemeester definitief tot burgemeester benoemd. Indien hij inmiddels tot schepen werd verkozen, wordt hij in het college vervangen.

Tweede mogelijkheid : de Vlaamse regering weigert de definitieve benoeming van de betrokkene. Ze neemt een met redenen omklede beslissing. Ze betekent ze aan de aangewezen-burgemeester, aan de gouverneur en de adjunct van de gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant, aan de gemeentesecretaris van de betrokken gemeente en aan de algemene vergadering van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De betekening aan de aangewezen-burgemeester vermeldt eveneens waar het administratief dossier kan worden geraadpleegd.

De beslissing moet naar vorm en inhoud worden gemotiveerd. Een eventuele weigering tot benoeming door de Vlaamse regering moet worden gemotiveerd. Dit betekent inzonderheid dat het louter bestaan van een benoemingsweigering voorafgaand aan de inwerkingtreding van de bijzondere wet niet als argument kan worden aangevoerd. Dit principe staat in een overgangsbepaling. Deze overgangsbepaling heeft enkel betrekking op de benoemingsweigeringen voorafgaand aan de inwerkingtreding ervan.

Welk gevolg moet worden gegeven aan de betekening van de beslissing tot weigering ? De aangewezen-burgemeester, die echter niet benoemd is, beschikt over een termijn van dertig dagen om een memorie bij de algemene vergadering van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in te dienen. De inschrijving op de algemene rol van de Raad van State vindt plaats op de dag zelf waarop de memorie wordt ingediend.

De Raad van State spreekt zich binnen negentig dagen uit.

Bij gebrek aan indiening van een memorie door de burgemeester binnen dertig dagen, is de weigering tot benoemen definitief.

De voorgestelde hervorming voert ook nieuwe beraadslagingswijzes bij de algemene vergadering van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in. De regeling voorziet in een taalkundig alternerend voorzitterschap per zaak. In geval van staking van stemmen is de stem van de voorzitter doorslaggevend. Wat het auditoraat betreft, zal het onderzoek geschieden door twee auditeurs die tot een verschillende taalrol behoren.

Indien de algemene vergadering de beslissing van de Vlaamse regering bevestigt, is de beslissing tot weigering van de benoeming definitief. Er wordt een nieuwe voordrachtsakte ingediend en de gemeenteraad bevestigt ze binnen dertig dagen door een stemming.

Indien de algemene vergadering de beslissing van de Vlaamse regering tenietdoet, is de aangewezen-burgemeester definitief benoemd. Hij wordt als schepen vervangen indien hij inmiddels in die functie werd verkozen. Het arrest van de algemene vergadering geldt dus als benoeming.

De procedure waarin de bijzondere wet voorziet, treedt in werking bij de volgende gemeenteraadsverkiezingen.

D. Voorstel van bijzondere wet houdende wijziging van artikel 16bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen en van artikel 5bis van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse Instellingen (van de heren Marcel Cheron, Dirk Claes, Philippe Moureaux en Bert Anciaux, mevrouw Christine Defraigne, de heren Bart Tommelein en Francis Delpérée en mevrouw Freya Piryns) (stuk Senaat, nr. 5-1566/1)

De heer Marcel Cheron herinnert aan de nieuwe waarborgen waarin het institutioneel akkoord van 11 oktober 2011 voorziet, namelijk :

— door een wijziging van de Pacificatiewet van 9 augustus 1988 wordt een specifieke procedure uitgewerkt met betrekking tot de benoeming van de burgemeesters in de zes randgemeenten (stuk Senaat, nr. 5-1565/1 - 2011/2012);

— door een wijziging van de gecoördineerde wetten op de Raad van State van 12 januari 1973 wordt voorzien in een recht om de administratieve geschillen met betrekking tot de zes randgemeenten door de algemene vergadering van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te laten beslechten wanneer voldaan is aan de door die wet gestelde voorwaarden (stuk Senaat, nr. 5-1563/1 - 2011/2012).

Overeenkomstig het institutioneel akkoord over de zesde staatshervorming, vereisen deze bijkomende garanties een bijwerking van de « standstill ». Onderhavig wetsvoorstel wil het akkoord op dat punt uitvoeren.

Wat de wijziging van de Pacificatiewet van 9 augustus 1988 betreft, leidt de uitbreiding van de « standstill » ertoe dat geen afbreuk kan worden gedaan aan de in deze wet vervatte garanties.

Wat de wijziging van de gecoördineerde wetten op de Raad van State betreft, leidt de uitbreiding van de « standstill » ertoe dat geen afbreuk kan worden gedaan aan de in de gecoördineerde wetten op de Raad van State vervatte garanties. De « standstill » moet samengelezen worden met artikel 160 van de Grondwet dat erin zal voorzien dat deze bepalingen slechts kunnen worden gewijzigd via een bijzondere meerderheid (stuk Senaat nr. 5-1564/1 - 2011/2012). De drie voorstellen gaan inderdaad uit van eenzelfde intentie.

Wat de bevoegdheid van de algemene vergadering van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in de zes randgemeenten betreft, heeft de « standstill » zowel betrekking op vorderingen tot schorsing en vernietiging, geschillen waarin de Raad van State uitspraak doet met volle rechtsmacht als op de administratieve cassatieberoepen. De administratieve cassatieberoepen tegen de beslissingen van administratieve rechtscolleges die betrekking hebben op de zes randgemeenten kunnen dus voor de algemene vergadering van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State worden ingeleid. De « standstill » doet in elk geval geen afbreuk aan de op 11 oktober 2011 bestaande administratieve rechtscolleges van de gemeenschappen en gewesten, inzonderheid op het vlak van hun bevoegdheid ratione loci. De « standstill » verzet er zich evenmin tegen dat de gemeenschappen en gewesten in de toekomst nieuwe administratieve rechtscolleges oprichten of de bevoegdheden van de bestaande administratieve rechtscolleges uitbreiden op grond van hun impliciete bevoegdheden binnen de voorwaarden gesteld door artikel 10 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen. Wat de bevoegdheid ratione loci van deze administratieve rechtscolleges betreft in de zes randgemeenten, zal geval per geval in concreto nagegaan moeten worden of de uitoefening van deze bevoegdheid afbreuk doet aan de « standstill ».

Aangezien deze wetten ten laatste in werking treden op 14 oktober 2012 is het aangewezen om de « standstill » uit te breiden tot de garanties die op die datum zullen bestaan. De « standstill » heeft zodoende enkel betrekking op de garanties van voor die datum en heeft geen betrekking op eventuele garanties van na 14 oktober 2012.

Om het parallellisme tussen artikel 16bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 en artikel 5bis van de bijzondere wet van 12 januari 1989 te behouden, is het aangewezen ook artikel 5bis in dezelfde zin aan te passen.

Verder maakt het voorstel de « standstill »verplichting van artikel 16bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 en artikel 5bis van de bijzondere wet van 12 januari 1989 ook van toepassing op de plaatselijke besturen. Dit is bedoeld om een einde te maken aan de discussies en aarzelingen van de jurisprudentie en de rechtsleer op dit punt. Het begrip plaatselijke besturen moet ruim opgevat worden : het gaat in elk geval om de provincies, de gemeenten, de intercommunales, intergemeentelijke samenwerkingsverbanden, de OCMW's, de kerkfabrieken en de instellingen die hiervan afhangen.

Tot slot bevestigt het voorstel de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof en de Raad van State volgens dewelke de « standstill » niet alleen geldt ten aanzien van de gewesten, maar ook ten aanzien van de gemeenschappen. Wat de gemeenten van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest betreft, is de « standstill » van toepassing op het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, de Franse Gemeenschapscommissie, de Vlaamse Gemeenschapscommissie, de Brusselse agglomeratie en de plaatselijke besturen.

Behoudens die aanpassingen, wordt er aan de « standstill » niets gewijzigd.

III. ALGEMENE BESPREKING

A. Wetsvoorstel tot wijziging van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 (stuk Senaat, nr. 5-1563/1)

1. Interventies van de leden

De heer Broers verklaart dat wetsvoorstel nr. 5-1563/1 ertoe strekt om erin te voorzien dat alle administratieve geschillen met betrekking tot de zes randgemeenten en de natuurlijke personen of rechtspersonen die er gevestigd zijn, voortaan onder de bevoegdheid van de algemene vergadering van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vallen.

De specifieke procedure waarin dit voorstel voorziet, heeft uitsluitend tot doel dat zowel de rechtspersonen als de natuurlijke personen, en zowel publieke personen als private personen, die op het grondgebied van de randgemeenten zijn gevestigd, kunnen verzoeken tot behandeling van hun zaak door de tweetalige algemene vergadering van de Raad van State. Het gaat om een mogelijkheid, een recht.

Het is duidelijk dat men met dit voorstel geen klachten van Nederlandstaligen beoogt, maar wel een ruime waaier aan mogelijkheden wil geven aan de Franstaligen. Degene die het tegenovergestelde beweert, maakt het voorstel nog belachelijker.

Het wetsvoorstel geeft de facto faciliteiten aan de bestuurders, iets wat de wetgever uitsloot, zoals de Nederlandstalige kamer van de Raad van State bevestigde. Het is die kamer die de Franstaligen terzijde willen schuiven. De Vlaamse meerderheidspartijen werken daaraan mee. Ze gaan er dus mee akkoord dat deze Nederlandstalige kamer geen deugdelijke en eerlijke uitspraken zou hebben gedaan. Ze laten zich dus liever leiden door rechtspraak van een burgerlijke rechtbank uit Namen. Senator Broers vindt dit een kaakslag van de zwaarste soort, erger dan Joe Frazier ooit uitdeelde aan Mohammed Ali.

Het wetsvoorstel verbergt de bestuurders achter de natuurlijke en de rechtspersonen. Faciliteiten voor bestuurders zijn ongehoord. Dit zet aan tot nog meer ongehoorzaamheid tegenover de toezichthoudende overheid en de Vlaamse overheid.

De eerste voorzitter en de voorzitter zullen het voorzitterschap alternerend uitoefenen en hebben dan een beslissende stem. Een goede timing is dus bijzonder belangrijk. In plaats van de deur naar wantoestanden te sluiten, opent dit wetsvoorstel een poort.

Het verleden heeft immers bewezen dat de op dit ogenblik drie balorige burgemeesters in dit voorstel hun gading zullen vinden in hun strijd tegen de Vlaamse overheid. Het zal echter niet bij drie blijven. Ook in de andere drie gemeenten zal er worden aangedrongen op verzet. De schijnmanoeuvres van het FDF doen sommige Vlaamse partijen ten onrechte verklaren dat dit een goed wetsvoorstel is. Het zal enkel tot meer moeilijkheden leiden.

Het recht om een zaak voor de algemene vergadering te brengen wordt als volgt geregeld. Voor de verzoeker, gevestigd in een van de randgemeenten, gelden de volgende cumulatieve voorwaarden :

1. het voorwerp van de aanvraag is gelegen in een van de randgemeenten;

2. de persoon vraagt in zijn schrijven de behandeling door de algemene vergadering;

3. dit schrijven bevat een formele verwijzing naar de garanties, rechtsstelsels en taalrechten in die gemeenten.

Men wekt de indruk dat dit zware voorwaarden zijn, maar het is duidelijk dat het hier in wezen slechts gaat om kleine formaliteiten. Het is dan ook bijna grappig dat het wetsvoorstel bepaalt dat, indien niet aan deze voorwaarden voldaan is, de algemene vergadering de zaak naar een kamer verwijst. Het blijft wel de algemene vergadering die oordeelt of aan deze voorwaarden is voldaan. Er zullen dus ook op dit vlak tegenstellingen tussen de raadsheren kunnen ontstaan. Er kan een staking van stemmen ontstaan. Welke stem is dan beslissend ?

Een schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan op de gewone manier worden behandeld, maar moet binnen 15 dagen door de algemene vergadering worden bevestigd.

Voor de verweerder of tussenkomende partij, gevestigd in een van de randgemeenten, gelden de volgende cumulatieve voorwaarden :

1. het voorwerp van de aanvraag is gelegen in een van de randgemeenten;

2. hij verzoekt reeds in het eerste procedurestuk om een behandeling door de algemene vergadering;

3. de taalwetgeving is in het geding.

Twee auditeurs worden aangewezen — één Nederlandstalige en één Franstalige — van wie niet duidelijkt of ze een gezamenlijk dan wel elk een afzonderlijk verslag maken.

Verder rijzen nog verschillende vragen. Waarom oordeelt bij de verzoeker de algemene vergadering of er voldaan is aan de voorwaarden, terwijl bij de verweerder of tussenkomende partij de kamer waarbij de zaak aanhangig werd gemaakt, zelf bij bevelschrift kan vaststellen dat niet voldaan is aan de voorwaarden ? Dit bevelschrift wordt onmiddellijk meegedeeld aan de eerste voorzitter en de voorzitter, die elk de zaak naar de algemene vergadering kunnen verwijzen.

Waarom wordt het onderzoek naar de toelaatbaarheid van een cassatieberoep ingesteld door de verzoeker, uitgevoerd door de eerste voorzitter en de voorzitter ?

Waarom wordt de algemene vergadering afwisselend voorgezeten, met beslissende stem, door de eerste voorzitter en de voorzitter ?

Wellicht wil men dit voorstellen als een bijzondere modaliteit in de zin van de modaliteiten die het Grondwettelijk Hof mogelijk achtte inzake de kiesomschrijving van Brussel-Halle-Vilvoorde. Dit voorstel wordt dan ook gekoppeld aan een uitbreiding van de communautaire standstill.

Hoewel dit voorstel een neutrale inhoud lijkt te hebben, kan het recht enkel worden uitgeoefend door verzoekers, verweerders en tussenkomende personen uit een van de gemeenten bedoeld in artikel 7 van de wet op het taalgebruik in bestuurszaken.

De communautaire standstill wordt in artikel 16bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der Instellingen als volgt geformuleerd :

« De decreten, reglementen en administratieve handelingen mogen geen afbreuk doen aan de op het ogenblik van de inwerkingtreding van deze bepaling bestaande garanties die de Franstaligen genieten in de gemeenten genoemd in artikel 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, en de Nederlandstaligen, respectievelijk Franstaligen en Duitstaligen genieten in de gemeenten genoemd in artikel 8 van diezelfde wetten. »

Vermits het hier enkel gaat om de zes randgemeenten, bepaalt de wet dus dat dit een garantie voor de Franstaligen is. De inhoud van dit wetsvoorstel is dus allerminst neutraal.

Het betreft hier derhalve geen bijzondere modaliteit die het Grondwettelijk Hof gedoogt in het kader van de kiesomschrijving Brussel-Halle-Vilvoorde, maar wel een bijkomend voorrecht voor Franstaligen dat dubbel wordt gebetonneerd. Vooreerst wordt er een bijzondere meerderheid opgelegd om deze regeling in de toekomst nog te wijzigen. Voorts wordt door dit wetsvoorstel gekoppeld aan de standstill-bepaling uit artikel 16bis BWHI.

De toelichting bij het wetsvoorstel maakt duidelijk dat er geen sprake is van enige appreciatiebevoegdheid. Noch bij een vraag door verzoeker, noch bij een vraag door een verweerder of een tussenkomende partij kan de Raad van State zelf een verwijzing naar de algemene vergadering beletten. Men beperkt de Raad dus in zijn basisrecht om te oordelen.

Daarenboven is de verwijzing naar de garanties, rechtsstelsels en taalrechten een zuiver formele aangelegenheid. Zelfs indien blijkt dat deze niet in het gedrang zijn, zal de zaak niet naar een gewone kamer worden terugverwezen. Niettemin bestaat er een tweetalige kamer bij de afdeling bestuursrechtspraak, waarbij de terugverwijzing wel wordt bevolen indien tijdens de behandeling blijkt dat de zaak niet aan de voorwaarden voldoet.

Een zaak komt dus op eenvoudig verzoek, zonder onderzoek van de gegrondheid van de vraag, bij de algemene vergadering terecht. Eenmaal de zaak daar behandeld wordt, zal ze in feite niet meer terugverwezen worden naar een gewone kamer.

De algemene vergadering zetelt met ten minste acht leden. In beginsel buigt zij zich enkel over de gevallen van machtsafwending en wanneer men dit van belang acht voor de eenheid van rechtspraak. Het spreekt voor zich dat, nu het voorstel de algemene vergadering bevoegd maakt voor alle rechtsplegingen voor de Raad, zelfs voor de bevestiging van een schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, dit een zware belasting zal betekenen.

Heeft men zicht op het aantal zaken dat mogelijk voor de algemene vergadering zal komen met deze nieuwe procedure ? Hoeveel zaken komen momenteel voor de algemene vergadering ? Voorziet men in een uitbreiding van het kader of een inperking van de samenstelling van de algemene vergadering ?

In de regel spreken enkel of hoofdzakelijk Nederlandstalige staatsraden zich uit over de toepassing van Vlaamse regelgeving. Voor gedingen betreffende de zes randgemeenten zullen evenwel systematisch Franstalige staatsraden kunnen worden toegevoegd. Een groot aantal staatsraden zal dus kennismaken met een gloednieuwe materie. In welke mate is in opleidingen voorzien ? Gaan deze Franstalige staatsraden bij gebrek aan kennis niet al te gemakkelijk oordelen op basis van Franstalige normen, zoals dit ook gebeurt in het College van Gouverneurs ?

Enkele jaren geleden werd de wet gewijzigd en werd de omkadering uitgebreid om de achterstand bij de Raad van State weg te werken. Bij de Nederlandstalige kamers is deze in bijna alle materies ook daadwerkelijk weggewerkt. In welke mate zal dit voorstel die inspanningen teniet doen ?

Een ander punt betreft de taal van de rechtspleging en de samenstelling van de Kamer. Beide punten moeten van elkaar onderscheiden worden. Indien bijvoorbeeld twee overheden, elk gebonden aan een verschillend en onverenigbaar taalstatuut, tegenover elkaar komen te staan voor de Raad van State, wordt de tweetalige kamer ingeschakeld. Deze mogelijkheid bestaat nu al. Zelfs indien een zaak voor een eentalige kamer komt, kan worden voorzien in een (kosteloze) tolk. De taalregeling is wat ze is en biedt oplossingen voor de brede waaier van combinaties die dit land telt.

Het voorliggende wetsvoorstel betreft echter geen probleem van anderstaligheid. Het houdt wel verband met « het gevoelige taalkarakter van administratieve geschillen » in deze zes randgemeenten. Dat wil zeggen dat, wegens de gevoelige aard van het geschil, de algemene vergadering zich zal moeten uitspreken over de weigering van een bouwvergunning voor een kippenhok.

In welke mate biedt dit voorstel de mogelijkheid af te wijken van de bestaande taalregeling van de rechtspleging voor de Raad ? Heeft een Franstalige inwoner van een randgemeente die beroep instelt tegen een beslissing van de Vlaamse overheid nu andere mogelijkheden op het vlak van het taalgebruik ? In welke taal zullen de gemeentebesturen van de randgemeenten beslissingen van diezelfde Vlaamse overheid moeten aanvechten voor de Raad ? Is een aangewezen-burgemeester net als een burgemeester onderworpen aan de taalwet bestuurszaken ?

In wezen gaat het niet om de taal, maar om de samenstelling van de rechtbank. Vroegere Nederlandstalige kamers velden uitspraken die niet in de smaak vielen van Franstalige politici, in de eerste plaats van een aantal burgemeesters. Om die reden voert men nu een taalpariteit in.

Dit komt neer op een motie van wantrouwen vanwege de politiek tegen de Raad van State, zelfs als een wantrouwen van de Vlaamse meerderheidspartijen tegenover de Nederlandstalige kamers van de Raad. De Franstaligen hanteren daarentegen het wapen van « eigen volk eerst » tot in de hoogste organen van de Raad van State. Het compromis in deze bestaat dan ook niet in het zoeken naar een oplossing voor de problemen, maar in het doorschuiven ervan. Men maakt immers gewoon een andere rechter bevoegd.

Daarmee zal het wetsvoorstel de Raad van State nu ook openlijk politiseren en meetrekken in de communautaire problemen.

Wat artikel 2 betreft, rijst de vraag wanneer een persoon moet worden beschouwd als zijnde « gevestigd » in één van de randgemeenten. Gaat het om een effectieve verblijfplaats, een domicilieadres, een maatschappelijke zetel, een bedrijfszetel, een hoofdzetel, ...

Wat wordt bedoeld met de formele verwijzing naar de garanties, de rechtsstelsels en taalrechten die in die gemeenten van toepassing zijn ? Deze formele garantie hoeft niet in een memorie te worden uitgewerkt, maar hoe dan wel ? Volstaat het dat men de bewoordingen van de wet overneemt ? Of moet men toch naar een concrete rechtsregel verwijzen ? Waarom kan niet worden getoetst of deze garantie ook echt in het geding is ? De Raad bewijst in andere procedures dat een dergelijk oordeel mogelijk is, waarom mag het hier dan niet ?

Hoeveel verslagen stellen de auditeurs op ? Elk één of gezamenlijk één ? Wat indien de auditeurs tot een verschillende conclusie komen ? Indien de verslagen een tegengestelde oplossing voorstellen, is het dan niet nuttig en in het belang van het taalkarakter van de geschillen dat deze adviezen openbaar worden gemaakt (eventueel anoniem), zodat over de problematiek meer duidelijkheid ontstaat ?

Hoe zal de « filter » bij cassatieberoepen werken indien de eerste voorzitter of de voorzitter verhinderd zijn ? Waarom een alternerend voorzitterschap volgens inschrijving op de rol ? Er is immers reeds een pariteit in de Raad en de eerste voorzitter en voorzitter wisselen reeds jaarlijks.

De voorzitter van de algemene vergadering krijgt een beslissende stem bij de geschillen die volgens dit voorstel voor de Raad komen. Artikel 97 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bepaalt nu dat de vordering verworpen is bij staking van stemmen in de algemene vergadering. Die beslissing is dan in feite niet gemotiveerd. Nochtans gaat het hier niet om kippenhokken, maar om gevallen van machtsafwending en gevallen waarin de eenheid van rechtspraak in het geding is. In dit wetsvoorstel wordt wel een beslissende stem toegekend, hoewel het over zeer banale geschillen kan en zal gaan. In welke mate zijn beide systemen verenigbaar ?

De heer Moureaux vraagt zich af waarop de vrees voor een tweetalige kamer is gegrond. Er geldt toch een eenheid van rechtspraak.

Dat het wetsvoorstel voorziet in een afwisselend voorzitterschap tussen de eerste voorzitter en de voorzitter, met beslissende stem, is enkel gemotiveerd door het feit dat er op een gegeven ogenblik een beslissing moet worden genomen.

De heer Laeremans wenst enkele opmerkingen te formuleren in verband met de voorziene procedure voor de Raad van State. De voorbereidende werken zijn zeer belangrijk voor de interpretatie van de regels die hier worden vastgelegd. In het verleden hebben dergelijke interpretaties voortdurend voor problemen geleid en het is belangrijk dat ditmaal te vermijden. Daarom is een grondig debat nodig, zonder tijdsdruk en begeleid door de nodige deskundigen.

Spreker vraagt dat de personen uit de praktijk zouden gehoord worden door de commissie. In de commissie Justitie bijvoorbeeld is dit de gewoonte telkens wanneer bevoegdheden grondig gewijzigd worden.

Het is voor spreker evident dat de Raad van State zou gehoord worden over de gevolgen van deze wetgeving. Die kunnen immers verregaand zijn : alle mogelijke detailzaken zouden voor een tweetalige kamer kunnen komen. Dit gaat zorgen voor een omvangrijke bijkomende werklast en zal tot een organisatorische wijziging van de Raad van State nopen.

De heer Laeremans zou graag van de eerste voorzitter en de voorzitter van de Raad van State vernemen hoe de procedures momenteel verlopen, waar zich de noden bevinden, of het noodzakelijk is om grote wijzigingen aan te brengen ? Het is verder nuttig om de vergelijking te kunnen maken tussen de procedures voor Brusselaars uit een tweetalig gebied en verzoekers uit faciliteitengemeenten. Via amendementen kan er dan, indien nodig, nog ingegrepen worden.

Spreker stelt voor om ook de heer Edgar Boydens uit te nodigen voor een hoorzitting, de voorzitter van de Orde van Vlaamse balies, die gewaarschuwd heeft voor organisatorische problemen bij de Raad van State. De heer Jan Walraet, fractieleider in Wezembeek-Oppem, en de heer Luk Van Biesen, fractieleider in Kraainem, zouden zeker ook een nuttige bijdrage kunnen leveren.

Senator Vanlouwe is het eens met het voorstel om zowel de voorzitter als de eerste voorzitter van de Raad van State te horen, alsook de voorzitter van de Orde van Vlaamse balies. De tekst die hier nu op tafel ligt voert immers een nieuwe procedure in bij de Raad van State, die niet enkel buitengewoon is, maar ook buitengewoon slecht omdat er wordt afgeweken van de gebruikelijke procedure. De nieuwe procedure wordt gecreëerd voor de benoeming van drie burgemeesters in de Rand, maar spreker is ervan overtuigd dat het bestaan ervan zal leiden tot meer problemen, en dat de zes burgemeesters van de Rand bij de Raad op de stoep zullen staan. Net daarom is de mening van de Raad zelf bijzonder belangrijk. Ook de Vlaamse, Franstalige en Duitstalige balies zouden gehoord kunnen worden, wat zal aantonen dat er in de verschillende landsdelen tegenstrijdige visies bestaan.

De heer Delpérée, voorzitter, legt de vraag om over te gaan tot hoorzittingen ter stemming voor aan de commissie. De commissie verwerpt deze vraag met 11 stemmen tegen 4.

De heer Laeremans vervolgt zijn inhoudelijke uiteenzetting. De voorliggende tekst is een expliciete toegeving aan de Franstaligen inzake de zes faciliteitengemeenten. Hij wijst er op dat over Vlaams grondgebied wordt gesproken, terwijl er nergens wordt onderhandeld over faciliteitengemeenten op Waals grondgebied. Blijkbaar is daar nooit een probleem. De enige problemen doen zich blijkbaar voor in de zes faciliteitengemeenten rond Brussel. Nochtans zijn dit precies de gemeenten waar de faciliteiten vandaag al maximaal gebruikt en zelfs misbruikt worden. Franstaligen hebben er zelfs het beheer van de gemeenten in handen. In de Waalse gemeenten hebben de Vlamingen nauwelijks wat in de pap te brokken en het is vooral daar dat zich eerder het probleem stelt van een te beperkte interpretatie van de faciliteiten. Het is dus zeker niet correct zich enkel toe te spitsen op de zes faciliteitengemeenten rond Brussel zonder oog te hebben voor de andere faciliteitengemeenten.

Senator Laeremans reageert vervolgens op de heer Moureaux, die niet inzag waarom een tweetalige kamer van de Raad van State een ander oordeel zou vellen dan een Vlaamse kamer. Spreker wijst er op dat de heer Moureaux ooit verklaarde : « Tous les juristes sont des comédiens ». De heer Moureaux is dan wel geen jurist, maar hij kan zeker goed komedie spelen. Het is immers evident dat er achter het voorstel tot wijziging van de procedure bij de Raad van State een verborgen agenda steekt die lijnrecht staat tegenover wat de heer Moureaux zonet heeft beweerd.

De heer Laeremans heeft overigens vastgesteld dat er tot op heden vanuit de zes faciliteitengemeenten geen enkel probleem gesignaleerd wordt over de werking van de Raad van State, behoudens de saga rond de rondzendbrieven waar Vlamingen en Franstaligen lijnrecht tegenover elkaar staan. Waarom moeten de bevoegdheden van de Raad van State uitgebreid worden naar alle mogelijke dossiers, die niets te maken hebben met het communautaire ? Moet een bouwtoelating voor een duivenkot het voorrecht genieten om behandeld te worden door de algemene vergadering van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State enkel en alleen omdat het zich in een faciliteitengemeente bevindt ? Dit is een regelrechte verspilling van middelen die niet te verantwoorden is en ook nergens verantwoord wordt.

De inwoners van de faciliteitengemeenten krijgen een soort supervoorrecht dat zelfs de inwoners van Brussel niet hebben. Een Brusselaar kan immers niet vragen wat een inwoner van een faciliteitengemeente zal kunnen vragen. Kan de staatssecretaris zeggen of een Brusselaar die naar de Raad van State gaat momenteel het recht heeft om te vragen of zijn dossier, als er ergens een communautaire link kan aangetoond worden, behandeld zal worden door een tweetalige kamer ? Kan de taal gekozen worden in elk dossier ?

De heer Deprez wenst te weten of de heer Laeremans aandringt op een volledig parallellisme tussen de Franstaligen van de randgemeenten en de Brusselaars.

De heer Laeremans wenst enkel aan te tonen dat de Franstaligen uit de faciliteitengemeenten door voorliggende tekst meer rechten zullen krijgen dan de Brusselaars, namelijk het voorrecht om hun dossier behandeld te zien door de algemene vergadering van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De heer Wathelet, staatssecretaris voor Staatshervorming, merkt op dat de Raad van State in zijn advies over de bepalingen geen enkele opmerking heeft gemaakt. Wat de taal betreft, wordt er niets gewijzigd aan de taalwetgeving. De mogelijkheid om naar de algemene vergadering te gaan is enkel een mogelijkheid, en dus niet verplicht. Er moet aan twee voorwaarden voldaan zijn om naar de algemene vergadering te mogen gaan, namelijk de persoon moet gevestigd zijn in een faciliteitengemeente en het voorwerp van de vraag moet in een van de zes gemeenten gelegen zijn. Ten slotte wijst de staatssecretaris er op dat de dossiers niet door een tweetalige kamer van de Raad van State zullen behandeld worden, die bestaat uit drie rechters, maar door de algemene vergadering van de afdeling bestuursrechtspraak, die paritair is samengesteld.

De heer Vanlouwe merkt op dat de Raad van State in zijn advies heeft gezegd : « Met toepassing van artikel 84, § 3, eerste lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, heeft de afdeling Wetgeving zich toegespitst op het onderzoek van de bevoegdheid van de steller van de handeling, van de rechtsgrond, alsmede van de vraag of aan de te vervullen vormvereisten is voldaan. Daarnaast bevat dit advies ook opmerkingen over andere punten. Daaruit mag echter niet worden afgeleid dat de afdeling Wetgeving binnen de haar toegemeten termijn een exhaustief onderzoek van het voorstel heeft kunnen verrichten. » (zie stuk Senaat, nr. 5-1563/2). Het is, aldus de heer Vanlouwe, een stap te ver om te zeggen dat de Raad van State over alles heeft geoordeeld en een volledig advies heeft gegeven. Het gaat om een beperkt advies over de bevoegdheid, de rechtsgrond en de vormvereisten.

Staatssecretaris Wathelet stelt dat de Raad wel degelijk verschillende vragen heeft opgeworpen, en er werden ook antwoorden geformuleerd op de vragen van de Raad. Deze antwoorden bevinden zich in de amendementen van de meerderheid. De Raad had echter geen principieel bezwaar ten opzichte van dit voorstel, niet op praktisch gebied, en ook niet ten opzichte van de Grondwet en de internationale verdragen.

De heer Laeremans dankt de staatssecretaris voor de verduidelijking dat het gaat om de algemene vergadering van de afdeling bestuursrechtspraak. Deze vergadering is echter ook tweetalig, aangezien zowel de Nederlandstalige als Franstalige staatsraden er zitting in hebben. Deze algemene vergadering komt normaliter slechts uitzonderlijk bij mekaar, maar zal dat nu ook moeten doen voor detaildossiers.

Volgens de staatssecretaris wijzigt de taalwetgeving niet, maar hoe zal het verloop van een dossier in de praktijk zijn als er verzending naar de algemene vergadering wordt gevraagd ? Welke taal wordt er gebruikt in de procedure, bijvoorbeeld voor het verzoekschrift, de beraadslaging en het verslag van de auditeur ? Zal het arrest tweetalig zijn of afwisselend in Nederlands en Frans opgesteld worden ?

Uiteraard gaat dit voorstel vooral over de fameuze omzendbrieven. De Vlaamse kamers van de Raad van State passen de taalwetgeving op een correcte manier toe, wat tot enige frustratie bij de Franstaligen leidt. Zij hebben misbruik gemaakt van dit dossier over BHV om een nieuwe procedure te ontwikkelen voor de faciliteitengemeenten.

Over het lot van de Vlaamse omzendbrieven bestaan sterk uiteenlopende interpretaties tussen Nederlandstaligen en Franstaligen.

Terwijl het CD&V-pamflet uitdrukkelijk vermeldde dat de Vlaamse decreten, waaronder de omzendbrief-Peeters, op iedereen van toepassing waren, werd op het hetzelfde moment — zo merkt spreker op — op de website van de MR het tegenovergestelde gesteld :

« Mag Vlaanderen u ongestraft allerlei administratieve rompslomp blijven opleggen, meer bepaald via de omzendbrief-Peeters ? Neen. De wettelijke verankering van de omzendbrief-Peeters waarin oorspronkelijk was voorzien, is door de MR verhinderd. De huidige wet en de recente jurisprudentie — die in het voordeel zijn van de Franstaligen — zijn dan ook van toepassing. Als het misbruik van Vlaamse kant doorgaat, is er een beroepsmogelijkheid bij de algemene vergadering van de Raad van State. »

Voor de heer Laeremans is het duidelijk dat de Franstaligen opnieuw een uitspraak verwachten van de Raad van State met betrekking tot een hele reeks administratieve procedures en met als doel de bestaande omzendbrieven te versoepelen. De nota's van de heren De Wever en Van de Lanotte anticipeerden hier al op, door te vermelden dat de Franstaligen de aanvraag om hun documenten in het Frans te krijgen om de drie jaar konden indienen. Men stelt echter vast dat het uiteindelijke doel van de Franstaligen de opheffing van de omzendbrieven in kwestie is.

De heer Laeremans bewijst dit met de analyse van de heer Hugues Dumont, hoogleraar constitutioneel recht aan de Facultés Saint-Louis in Brussel, die beweert dat de bron van de zogenaamde administratieve pesterijen die de Franstaligen in de faciliteitengemeenten moeten ondergaan de militante jurisprudentie is van de eentalige Vlaamse kamers van de Raad van State, die sedert 1973 vastligt met een radicale interpretatie van territoriale taalhomogeniteit. Die interpretatie ligt aan de basis van de omzendbrief-Peeters én van de niet-benoeming van de drie burgemeesters. De Franstalige onderhandelaars rekenen op een nieuw element : in geval van betwisting zal de algemene vergadering van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, die taalkundig paritair is samengesteld, uitspraak doen. Hierdoor kan de jurisprudentie worden omgebogen. Volgens spreker toont dit heel goed het echte doel aan van de Franstaligen en het feit dat de zes faciliteitengemeenten uiteindelijk Brusselse gemeenten zullen worden.

Om het gevaar te onderstrepen dat de hervorming inhoudt voor de Vlamingen, citeert de heer Laeremans vervolgens de woorden van dokter Jan Walraet, voorzitter van de Conferentie van Vlaamse Mandatarissen van de Zes (faciliteitengemeenten) :

« Het afschaffen van het bijzonder arrondissement (de landing) in 1970 was een stap in de goede richting en een signaal voor de Franstaligen dat de Zes niet als een rijpe appel in het Brussels Gewest zouden vallen. Later bouwde de Raad van State hierop verder en ontwikkelde een indrukwekkende rechtspraak die uiteindelijk leidde tot de pacificatieregeling met de rechtstreekse verkiezing van de schepenen en van de OCMW-raadsleden. Deze mandatarissen konden gevraagd worden hun kennis van het Nederlands met alle middelen van recht te bewijzen wat nu niet meer het geval is. Ze hebben nu een onweerlegbaar vermoeden van kennis van het Nederlands. Dit was de eerste duidelijke stap achteruit. Als compensatie hadden de Nederlandstalige lijsten dan de mogelijkheid schepenen te hebben met het recht beslissingen van het college naar de gemeenteraad te verwijzen. Dit heeft in een eerste fase geleid tot enkele schepenen maar door de achteruitgang van de Nederlandstalige lijsten zijn er nu enkel in Sint-Genesius-Rode en Wemmel nog Vlaamse zogenaamde oppositieschepenen. Er is ongeveer een vierde van de stemmen nodig om een schepenzetel te behalen. De constante rechtspraak van de Raad van State heeft wel tot gevolg gehad dat in de gemeenteraden van de Zes enkel het Nederlands gebruikt wordt. »

(...)

« Inzake de benoeming van de burgemeesters maar ook in andere materies, wordt de rol van de Raad van State als beroepscollege afgebouwd. De Vlaamse kamer van de Raad van State wordt in de meeste gevallen vervangen door het (paritair samengestelde) Grondwettelijk Hof. Dit is een zeer gevaarlijke evolutie in het licht van eerdere uitspraken van het Grondwettelijk Hof ondermeer over de tweetaligheid in de gemeenteraden van de faciliteitengemeenten. We zijn ervan overtuigd dat dit op termijn leidt naar de herinvoering van de tweetaligheid in onze gemeenteraden en daaruit voortvloeiend van een deel van de administratie (...). »

Spreker onderstreept dus dat het dankzij die rechtspraak van de Raad van State is dat men de gemeenteraden ertoe heeft kunnen verplichten het Nederlands te gebruiken en heeft kunnen voorkomen dat die faciliteitengemeenten zuiver tweetalige gemeenten werden.

Hij besluit opnieuw met een citaat van dokter Walraet :

« We zijn blij onbetwistbaar tot Vlaanderen te behoren. We zijn wel niet moeders mooiste maar horen toch zonder de minste twijfel tot de familie. En als er iets is dat men van deze avond moet onthouden is het feit dat het beschavingspeil van een moderne maatschappij afgemeten wordt aan de aandacht voor haar zwakkere leden. Wij doen in ieder geval ons best en hopen dat Vlaanderen dit niet vergeten is. ».

We moeten de Vlamingen van die gemeenten dus helpen in plaats van ze nog meer te marginaliseren.

Inhoudelijk heeft de heer Laeremans vragen bij de volgende aspecten :

— Uit hoeveel leden zal de algemene vergadering bestaan ?

— Zal die assemblee altijd paritair samengesteld zijn ?

— Wat bij wraking ?

— Wat zal de werklast van die assemblee zijn ? Zal hij bevoegd zijn voor alle dossiers met een band met de faciliteitengemeenten ?

— Hoeveel dossiers komen in aanmerking ?

— De Orde van Vlaamse Balies ten slotte vraagt met aandrang dat de werkgroep « Justitie » rekening zou houden met de opmerkingen van de mensen uit de praktijk. Heeft die dialoog plaatsgevonden ? Met welk resultaat ?

De heer Laeremans verwijst naar de toelichting bij voorstel nr. 5-1563/1, waar men kan lezen : « Onderhavig voorstel stelt de materiële en territoriale bevoegdheid van de bestaande administratieve rechtscolleges, zoals bijvoorbeeld de « Raad voor Vergunningsbetwistingen » opgericht door het Vlaamse Gewest, niet in vraag. De administratieve cassatieberoepen tegen de beslissingen van deze administratieve rechtscolleges zullen voor de algemene vergadering van de Raad van State kunnen worden ingeleid, wanneer de voorwaarden voorzien in dit voorstel vervuld zijn. ». (Stuk Senaat, nr. 5-1563/1, blz. 2.)

Dat is een op zijn minst dubieuze situatie, waarin men eerst voor een specifiek rechtscollege verschijnt dat door de Vlaamse overheid is opgericht en waarin men vervolgens overgaat naar een tweetalige procedure. Dat is een volstrekt nieuwe situatie. Zal het arrest dat wordt uitgesproken tweetalig zijn of eentalig met een vertaling, welke ta(a)l(en) zal/zullen authenticiteitswaarde hebben ... ? Wat zal er gebeuren bij verschillen tussen beide versies of bij interpretatieproblemen ?

Het is een belangrijk probleem, dat het hele akkoord bijna heeft doen kapseizen. Misschien konden dankzij het optreden van de heer Beke bij de onderhandelingen ten minste enkele punten worden opgehelderd.

Spreker wenst in elk geval nadere informatie, ook voor de toekomst. Wat indien de Vlaamse overheid haar eigen algemene administratieve rechtbanken opricht ? Zullen die rechtbanken ook onder de controle van de algemene vergadering van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vallen ?

Spreker vindt het problematisch dat men beslissingen van de Vlaamse overheid voorlegt aan een tweetalige algemene vergadering van de Raad van State en dat Franstalige magistraten zich met dergelijke beslissingen moeien. Dat gaat veel verder dan te voorzien in een — overigens ongewettigde — uitzondering voor de zes faciliteitengemeenten van de rand. Het schendt de beginselen van federale loyauteit en territorialiteit en de Nederlandstaligheid van Vlaanderen. Het is een bocht van 180 graden, in een context waarin men de neiging heeft steeds meer autonomie te geven aan de deelgebieden en waarin de faciliteiten er gekomen zijn voor de burgers en niet voor de besturende overheid.

Spreker voegt eraan toe dat zijn partij zich zal blijven verzetten tegen het voorgestelde systeem, dat veel verder gaat en onaanvaardbaar is.

De heer Vanlouwe vraagt waarom de algemene Vergadering van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een beslissing moet nemen over de benoeming van de burgemeesters in de zes faciliteitengemeenten. Men schept een volledig nieuwe en vereenvoudigde procedure, die volstrekt afwijkt van de procedure op verzoekschrift die momenteel voor de Raad van State wordt gevolgd.

Wanneer drie burgemeesters van die gemeenten in het verleden de wetgeving op het gebruik der talen hebben overtreden, heeft de Vlaamse regering diverse beslissingen genomen waardoor de drie betreffende burgemeesters na advies van de gouverneur van Vlaams-Brabant niet werden benoemd.

Die drie personen hadden een rechtsmiddel tegen die beslissingen voor de Vlaamse Kamer van de Raad van State. Ze hebben daar nooit gebruik van gemaakt. Spreker stelt zich vragen over de reden voor dat wantrouwen voor de Raad van State. Heeft de heer Moureaux zonet niet gezegd dat de Raad van State één is en zijn rechtspraak ondeelbaar ?

Waarom moet men vandaag voorzien in een vereenvoudigde en versnelde procedure en waarom moet dat voor de algemene Vergadering van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State ? Is het omdat men geen vertrouwen heeft in zijn Nederlandse kamer ?

Dat kan erop wijzen dat ondanks alles een verschil in rechtspraak niet valt uit te sluiten.

Iedereen weet dat de Vlaamse kamer van de Raad van State zich verscheidene keren heeft moeten uitspreken over de omzendbrieven-Peeters, en dat ze er steeds de wettigheid van heeft bevestigd.

Waarom voorziet men dan in een andere procedure, voor een anders samengesteld rechtscollege, terwijl de drie burgemeesters geen gebruik hebben gemaakt van hun recht op beroep ?

Het is veelbetekenend dat men geen vertrouwen heeft in de huidige rechtspraak van Nederlandstalige magistraten.

Men rekent erop dat de algemene Vergadering in de toekomst, dankzij het alternerend voorzitterschap op het gepaste moment kan worden voorgezeten door een Franstalige.

Spreker herhaalt zijn vraag : waarom hebben de drie niet benoemde burgemeester geen vertrouwen gehad in de Raad van State en hebben ze nooit het rechtsmiddel gebruikt tegen de diverse beslissingen van weigering tot benoeming die de Vlaamse overheid heeft genomen ?

In de vooropgestelde nieuwe procedure, waarin twee auditeurs van verschillende taalrol zullen worden aangewezen, is het mogelijk dat de twee auditeurs een verschillend advies geven. Het is juist dat het slechts om adviezen gaat.

Zal men in de arresten ook « dissenting opinions » vinden ? Zal een arrest vaststellen dat de Franstalige magistraten een bepaalde mening hebben en de Nederlandstalige de tegengestelde, en dat de stem van de voorzitter het verschil heeft gemaakt ? Het vermelden van « dissenting opinions » in arresten bestaat overigens in andere systemen, zoals dat van het Supreme Court in de Verenigde Staten.

De heer Anciaux verklaart dat hij in het verleden herhaaldelijk met de Raad van State geconfronteerd werd en dat er in bepaalde materies soms verschillen in rechtspraak bestaan tussen de Franstalige en de Nederlandstalige kamers. Spreker kon dat bijvoorbeeld vaststellen toen hij minister van Mobiliteit was, naargelang een verzoekschrift werd ingediend door een Franstalige of een Nederlandstalige vereniging, hoewel de motivering steeds op dezelfde gegevens gebaseerd was. Spreker wacht in die zin met belangstelling af hoe de zaken zich zullen ontwikkelen. Vandaag is er geen enkel argument om te stellen dat de algemene Vergadering van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State over communautaire zaken anders zal oordelen dan de eentalige kamers. De Raad van State heeft er integendeel alle belang bij in de algemene Vergadering een onpartijdige rechtspraak te ontwikkelen.

De heer Anciaux wijst er op dat de Vlaamse regering, inzake de zaak rond de burgemeesters en de Raad van State, unaniem heeft verklaard dat de voorstellen die uitgewerkt zijn in het kader van het institutioneel akkoord volgens hen geen beperking inhouden van de bevoegdheden van de Vlaamse regering en niet tegenstrijdig zijn met het Vlaamse regeerakkoord. Voor zover hij weet, maakt ook de N-VA deel uit van de Vlaamse regering.

Het antwoord op de vraag waarom de Franstalige burgemeesters niet naar de Raad van State zijn gegaan is volgens de heer Anciaux simpel : om de zaak zo lang mogelijk te rekken. Deze zaak was hun kapitaal, hun zekerheid om opnieuw verkozen te worden. Er is momenteel immers geen beperking om steeds opnieuw een nieuwe voordracht te doen. Het grote voordeel van de nieuwe procedure is dat er in elk geval snel een einde komt en er geen carrousel meer mogelijk is. Voor de rest blijft het inderdaad afwachten, maar de heer Anciaux is ervan overtuigd dat alle leden van de algemene vergadering een zeer degelijke en consistente regelgeving willen opbouwen. De keuze die de onderhandelaars hebben gemaakt is een eerlijke poging om in zeer delicate omstandigheden tot een oplossing te komen.

De heer Moureaux stelt dat eventuele tegenstellingen in rechtspraak binnen de Raad van State niet noodzakelijk enkel tussen Franstalige en Nederlandstalige kamers voorvallen. Ook binnen eenzelfde taalrol kunnen er soms tegenstellingen zijn. Het belangrijkste is om over een gezamenlijk en onbetwistbaar standpunt te beschikken waar iedereen, ook de burgemeesters, zich aan moet houden.

2. Antwoorden van de heer Wathelet, staatssecretaris voor Staatshervorming, toegevoegd aan de eerste minister

De heer Wathelet, staatssecretaris voor Staatshervorming, merkt op dat er verschillende amendementen werden neergelegd, die ongetwijfeld reeds een antwoord bieden op enkele van de vragen die hier opgeworpen werden. Zo had de heer Broers het over de mogelijke afwezigheid van de voorzitter van de Raad van State en de procedure die in dergelijk geval moet gevolgd worden. Één van de ingediende amendementen voorziet in een oplossing voor deze situatie.

Het is moeilijk, zo niet onmogelijk te voorspellen hoeveel zaken er voor de algemene vergadering zullen worden gebracht, vooral omdat de procedure facultatief is. Een verzoeker mag vragen om naar de algemene vergadering te gaan maar is daartoe niet verplicht. Bovendien worden twee cumulatieve voorwaarden gesteld om naar de algemene vergadering te gaan : de partij moet in een van de zes gemeenten gevestigd zijn en het voorwerp van de aanvraag moet in een van de zes gemeenten gelegen zijn. Beide voorwaarden moeten vervuld worden om de bevoegdheid van de algemene vergadering te creëren volgens de voorliggende procedure.

Er werd een vraag gesteld over de exacte betekenis van de omschrijving « gevestigd zijn ». Ook de Raad van State had hierover een vraag. Een partij moet steeds aantonen dat zijn « vestiging » in één van de zes randgemeenten een voldoende zeker, voortdurend en standvastig karakter vertoont.

Onder « gevestigd » moet in ieder geval worden begrepen : woonplaats, maatschappelijke zetel, exploitatiezetel, plaats waar een beroepsactiviteit wordt uitgeoefend.

In de memorie van toelichting staan verschillende voorbeelden die meer duidelijkheid geven over of een persoon in al dan niet in een van de zes randgemeenten gevestigd is.

Er wordt ook expliciet vermeld dat beide voorwaarden cumulatief zijn.

In de inleidende akte moet een formele referentie staan naar de garanties, rechtsstelsels en taalrechten die in de gemeenten bedoeld in artikel 7 van de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken van toepassing zijn. Het is voldoende dat er in de akte van rechtsingang een generieke vermelding is opgenomen van de garanties, wettelijke regelingen, en taalrechten die in de betrokken gemeenten gelden, zondere verdere verduidelijking..

Inzake het verslag van het auditoraat bevestigt de heer Wathelet dat het de bedoeling is dat de twee auditeurs samen een verslag opstellen, dat zij in dialoog gaan en een gemeenschappelijk standpunt zoeken. Het voorstel sluit echter niet uit dat beide auditeurs het in hun verslag niet met mekaar eens zijn over de aan het geschil te geven oplossing. Indien de suggestie van de afdeling wetgeving wordt gevolgd, zou geen enkele bepaling de auditeurs aanzetten tot dialoog.

Wat het arrest betreft is het zo dat, behoudens wanneer onderhavig voorstel hiervan afwijkt, alle procedureregels en termijnen integraal van toepassing zijn. Het feit dat er in arresten van de Raad van State geen « dissenting opinion » opgenomen kan worden, geldt ook voor deze procedure. De normale procedure is van toepassing.

Over het aantal deelnemers aan de algemene vergadering stelt de heer Wathelet dat artikel 94 van de organieke wetten op de Raad van State van toepassing is. Dit artikel stelt : « De algemene vergadering bestaat uit de leden van de Raad van State vermeld in artikel 89, eerste lid. Ze houdt zitting in even getal en met ten minste acht leden, de voorzitter daaronder begrepen. Zij bestaat uit een gelijk aantal leden van de Raad van State die door hun diploma bewezen hebben dat zij het examen van doctor of licentiaat in de rechten enerzijds in het Nederlands en anderzijds in het Frans hebben afgelegd. In voorkomend geval wordt artikel 89, tweede lid, toegepast. »

De algemene vergadering is dus steeds paritair samengesteld en bestaat steeds uit een even aantal leden. Er moeten minimum acht leden aanwezig zijn, maar het kunnen er meer zijn. De normale wet op de Raad van State is hier dus ook van toepassing.

Arresten die worden geveld door de algemene vergadering vallen onder de toepassing van artikel 63 van de gecoördineerde wetten.

Artikel 63 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bepaalt : « De arresten (...) worden gesteld in de taal waarin de zaak behandeld werd en

« (...) De arresten worden vertaald in de gevallen bepaald door de Koning. (...) ».

De arresten van de algemene vergadering moeten bijgevolg vertaald worden in overeenstemming met de wet.

Een indiener die een procedure indient en die niet onderworpen is aan de wetgeving op het gebruik van de talen in bestuurszaken, mag voor zijn akten en verklaringen de taal gebruiken welke hij verkiest (art. 66). Dit is eens te meer de normale procedure.

Over de toekomstige nieuwe administratieve jurisdicties stelt de staatssecretaris dat de standstill clausule er niet in de weg staat dat de Gemeenschappen en de Gewesten nieuw administratieve jurisdicties in het leven roepen of de bevoegdheden van bestaande administratieve rechtscolleges uitbreiden in het kader van de impliciete bevoegdheden onder de in artikel 10 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, voorziene voorwaarden. Hij wijst er echter ook op dat er in verband met de bevoegdheid ratione loci van die administratieve rechtscolleges in de zes randgemeenten zal moeten worden uitgemaakt of die bevoegdheid afbreuk doet aan de standstill clausule.

Verder verwijst de staatssecretaris naar de opmerkingen van de Raad van State over de benoeming van de burgemeesters (advies 51.216/AG, nr. 13, Stuk Senaat, nr. 5-1563/2) : « De Raad van State vestigt er de aandacht op dat de voorgestelde bepaling ertoe kan leiden dat, zelfs wanneer het arrest van de algemene vergadering waarbij de weigering van de benoeming tot burgemeester wordt « tenietgedaan » zijn grondslag vindt in een vormgebrek, die benoeming definitief wordt.

Vraag is of dit werkelijk de bedoeling is. »

De staatssecretaris bevestigt dat zulks wel degelijk de bedoeling is.

In dat opzicht moet worden gepreciseerd dat de Raad van State een uitspraak zal doen over de wettigheid van de beslissingen tot weigering onder identieke voorwaarden als die die van toepassing zijn op het vernietigingscontentieux, op grond van de gecoördineerde wetten en zijn jurisprudentie.

Het gaat onder meer om de gevallen waarin de Raad van State beslist om een vormfout al dan niet te sanctioneren.

Ten laatste komt hij terug op de opmerking van de Raad van State in advies 51.217/AV over artikel 16bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen. De staatssecretaris stelt dat het onderscheid tussen Nederlandstaligen en Franstaligen met betrekking tot het toepassingsgebied van de standstill in de zes randgemeenten zijn oorzaak vindt in het feit dat de zes randgemeenten in het Nederlandse taalgebied gelegen zijn, wat verklaart dat de standstill bedoeld in artikel 16bis enkel van toepassing is ten aanzien van de Franstaligen, zoals het al het geval is.

Er wordt dan ook geen gevolg gegeven aan de suggestie van de Raad van State.

Bovendien, zelfs indien de algemene vergadering van de Raad van State toegankelijk is voor Franstaligen zowel als Nederlandstaligen, herhaalt hij dat « een recht om de administratieve geschillen met betrekking tot de zes randgemeenten door de algemene vergadering van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te laten beslechten wanneer voldaan is aan de door [de gecoördineerde wetten op de Raad van State] gestelde voorwaarden » (Toelichting bij het voorstel van bijzondere wet 5-1566/1) een waarborg inhoudt die de Franstaligen, krachtens artikel 16bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, in de in artikel 7 van de wetten op het gebruik der talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, bedoelde gemeenten genieten.

3. Aanvullende vragen van de leden

De heer Laeremans komt terug op de taalproblematiek. De antwoorden van de staatssecretaris over het aantal magistraten bij de Raad van State vond hij zeer duidelijk, maar niet de problematiek van de taalwetgeving. Men stelt dat aan de taalwetgeving geen wijzigingen worden gebracht : de indiener die naar de Raad van State trekt kan zijn taal kiezen in zijn verzoekschrift. Spreker ziet wel een verandering ten opzichte van de huidige situatie. Als een particulier vanuit Kraainem of Wezembeek vandaag een beslissing krijgt van zijn gemeente en daartegen in beroep wenst te gaan bij de Raad van State, wordt dit in de Nederlandstalige kamer behandeld en verloopt de hele procedure in het Nederlands.

De staatssecretaris stelt dat de indiener het zowel vandaag als na de stemming van het wetsvoorstel zal doen zoals het nu in de wet ingeschreven staat. Er wordt immers niets gewijzigd aan het gebruik der talen in de procedure bij de Raad van State. Behoudens wanneer onderhavig voorstel hiervan afwijkt zijn alle procedureregels en termijnen integraal van toepassing.

De heer Laeremans is wel van oordeel dat, doordat de particulier in de toekomst kan kiezen voor de eentalige kamer of de algemene vergadering, er sowieso een wijziging is van de procedure. Als iemand vanuit de faciliteitengemeenten naar de Raad van State trekt tegen zijn gemeentebestuur, kan die indiener dat nu, op grond van de wet, in het Frans doen ?

Bijkomend wenst hij te vernemen in welke taal het verslag van het auditoraat wordt gegeven, evenals het arrest.

De heer Wathelet, staatssecretaris voor Staatshervorming, verwijst naar artikel 66 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State : « De partijen die niet onderworpen zijn aan de wetgeving op het gebruik van de talen in bestuurszaken, mogen voor hun akten en verklaringen de taal gebruiken welke zij verkiezen. Zo nodig, en inzonderheid op verzoek van een der partijen, wordt beroep gedaan op een vertaler; de kosten van vertaling zijn ten laste van de Staat.(...) ».

Artikel 64 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bepaalt :« De partijen die onderworpen zijn aan de wetgeving op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gebruiken voor hun akten en verklaringen de taal welke hun opgelegd is door die wetgeving in hun binnendiensten. (...) ».

Deze twee artikelen blijven bijgevolg integraal van toepassing, aangezien het voorstel van bijzondere wet geen uitzondering invoert.

De heer Laeremans stelt nog steeds geen duidelijk antwoord te hebben gekregen op zijn vraag of een inwoner uit de faciliteitengemeenten die in beroep gaat tegen een beslissing van zijn gemeentebestuur de procedure in het Frans kan aanspannen. Wat is de situatie op dit moment ?

Als het antwoord hierop is dat hij dit op vandaag enkel in het Nederlands kan en dat hij dat in de toekomst in de tweetalige kamer kan laten behandelen, is er wel degelijk een verandering. Dit zou dan een extra faciliteit zijn.

Als die inwoner de procedure in het Frans kan aanspannen, in welke taal zijn dan het arrest en het verslag van het auditoraat ? In welke taal wordt er gepleit ?

De staatssecretaris antwoordt dat wat nu kan zal blijven kunnen en dit geldt ook voor wat niet kon. Het is niet de bedoeling om de procedure van de Raad van State te herzien.

De heer Laeremans is van oordeel dat dit het nut aantoont van een hoorzitting met een vertegenwoordiger van de Raad van State. Hij wil meer duidelijkheid over de huidige procedure bij de Raad van State wanneer deze betrekking heeft op een geschil in één van de randgemeenten.

Het lijkt hem zeer raar dat een Franstalig verzoekschrift kan worden gericht aan een Nederlandstalige kamer en dat deze kamer een Franstalig arrest velt. Of wordt het een tweetalig arrest ?

De staatssecretaris verduidelijkt nogmaals dat er niets gewijzigd wordt aan het gebruik van de talen in de huidige procedure. Artikel 64 en 66 blijven integraal van toepassing. Over de taal van het arrest verwijst hij naar artikel 63 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State :

« [[...]De arresten uitgesproken bij toepassing van [de artikelen 11, 12, 13, 14, 16, 1/tot 6/, 17 en 18] worden gesteld in de taal waarin de zaak behandeld werd, overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk. [De arresten worden vertaald in de gevallen bepaald door de Koning.] (...) ».

Als de heer Laeremans deze beginselen wil wijzigen moet hij zelf maar een wetsvoorstel indienen.

De heer Laeremans komt terug op de procedures bij de specifieke rechtbanken die door de Vlaamse regering in het leven zijn geroepen (bijvoorbeeld de raad voor vergunningsbetwistingen). Deze procedures worden waarschijnlijk in het Nederlands behandeld, ook al betreft het een persoon uit de faciliteitengemeenten. Quid als men tegen dergelijke beslissing in beroep gaat bij de verenigde kamers van de Raad van State en dit, op grond van een Franstalig verzoekschrift ? Wordt dergelijk verzoekschrift ontvankelijk verklaard en kan de procedure in het Frans verdergezet worden ?

De heer Anciaux antwoordt dat alleen de verwijzing naar de verenigde kamers verandert. De procedure om het verzoekschrift in te dienen wijzigt niet.

Daarenboven stelt de staatssecretaris dat de taal van het verzoekschrift niet noodzakelijkerwijze de taal van de procedure en van het arrest bepaalt.

Een gemeente valt onder de toepassing van artikel 64 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State.

De heer Broers heeft een vraag over het statuut van de aangewezen-burgemeester : valt hij onder het statuut van artikel 66 of van artikel 64 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State ? Is hij een privépersoon of een functionaris van de gemeente ? Dit staat nergens in gemeentedecreten of in de gemeentewet. De heren Anciaux en Deprez antwoorden dat hij een functionaris is.

De heer Vanlouwe wenst enkele algemene en technische verduidelijkingen.

Vooreerst heeft hij een algemene vraag : waarom bestaat er geen vertrouwen meer in de Nederlandstalige kamer van de Raad van State en moet er bijgevolg een uitbreiding worden voorzien naar de algemene kamer ?

Een tweede algemene vraag betreft wat volgt : de staatssecretaris heeft verklaard dat er niet wordt afgeweken van de gemene procedure bij de Raad van State. Spreker stemt hier niet mee in : er wordt in een versnelde en vereenvoudigde procedure voorzien, zonder verzoekschrift aangezien de weigeringsbeslissing van de burgemeester automatisch naar de Raad van State gaat. Dergelijke automatische controle bestaat voor geen enkele andere overheid. Waarom wijken we in dit geval totaal af van de procedure voor de Raad van State ?

Een derde vraag luidt als volgt : er zijn opmerkingen gemaakt door de Raad van State over de vage bewoordingen « woonachtig » en « gevestigd zijn ». Volgens de staatssecretaris wordt « gevestigd zijn » zeer ruim geïnterpreteerd aangezien hij verwijst naar een domicilie, een maatschappelijke zetel of een uitbatingszetel. Blokker, bijvoorbeeld, heeft zijn maatschappelijke zetel in Antwerpen maar ook uitbatingszetels in de faciliteitengemeenten. Indien een conflict rijst over een verbouwing van één van deze winkels in de faciliteitengemeenten, is de algemene vergadering van de Raad van State bevoegd ? Of is het de Nederlandstalige kamer gelet op de maatschappelijke zetel van het bedrijf in het Vlaams Gewest ? De terminologie is volgens spreker te algemeen. De Raad van State vraagt trouwens ook verduidelijking.

Een vierde vraag betreft de procedure : in de toekomst wordt er met twee auditeurs gewerkt. De Raad van State stelt uitdrukkelijk in zijn advies (zie stuk Senaat nr. 5-1563/2) :

« (...) Het voorgestelde artikel 93, § 5, eerste lid, bepaalt onder meer : « de twee aldus aangewezen leden van het auditoraat stellen samen een verslag op ». Aangezien in het tweede lid van deze bepaling uitdrukkelijk wordt gesteld dat de twee auditeurs tot verschillende conclusies kunnen komen, rijst de vraag of het niet logischer zou zijn om voor te schrijven dat er twee afzonderlijke verslagen worden opgesteld die gelijktijdig ter kennis zouden worden gebracht.

De formulering « en geven elk hun advies tijdens de openbare zitting op het einde van de debatten » moet worden verkozen boven die welke wordt vermeld in het voorgestelde artikel 93, § 5, eerste lid, in fine. (...) ».

Via amendement hebben de indieners deze suggestie overgenomen maar iedereen weet dat het advies van de Raad van State effectief op een zitting wordt toegelicht door de auditeur. Hij neemt aan dat er in de toekomst twee auditeurs aanwezig zullen zijn op deze zitting : zij zullen elk op hun beurt hun advies geven. Maar conform de wet wordt het advies ook op voorhand ter kennis gebracht en verzonden naar de verzoekende partijen. Hoe gaat dit concreet opgelost worden ? Gaan er twee verslagen verzonden worden ? Of slechts één enkel ?

Door het instellen van een systeem met twee auditeurs van verschillende taalrollen wordt de procedure wel gewijzigd. Gaan zij elk een advies uitbrengen in hun eigen taal ? Of in de taal van het verzoekschrift ? De wet op het taalgebruik komt dus mogelijk wel in het gedrang.

Het amendement van de regering komt aan deze moeilijkheid niet tegemoet.

De heer Laeremans verwondert zich erover dat de meerderheid geen amendement indient om tegemoet te komen aan opmerking nr. 11 van de Raad van State (zie stuk nr. 5-1563/2, blz. 7). Volgens de Raad wordt in het voorgestelde artikel 93, § 1, eerste lid, 3º, als voorwaarde voor de toewijzing van een zaak aan de algemene vergadering van de afdeling bestuursrechtspraak gesteld dat het schrijven waarmee de persoon vraagt dat zijn zaak door de algemene vergadering wordt behandeld « een formele verwijzing [bevat] naar de garanties, rechtsstelsels en taalrechten die in die gemeenten van toepassing zijn ». Noch de draagwijdte van dit formeel vereiste, noch het nut ervan zijn voor de Raad van State duidelijk. De moeilijkheid vloeit meer bepaald hieruit voort dat de uitdrukking « garanties, rechtsstelsels en taalrechten » een zeer algemeen karakter vertoont en in feite verwijst naar welke rechtsregel dan ook.

Indien de wetgever deze bepaling wenst te handhaven, komt het aan de wetgevende Kamers toe de betekenis van dit vereiste te preciseren. Dat gebeurde tot dusverre evenwel niet.

Wat de problematiek van de niet-benoemde burgemeesters betreft, begrijpt spreker niet waarom het wetsvoorstel een procedure invoert die in geen enkele andere gemeente in het land geldt. De aangewezen burgemeester moet bijvoorbeeld geen eed afleggen. Dat is nochtans niet zomaar een formaliteit. Wat moet men hieruit afleiden voor het belang van de eed die de andere burgemeesters wel moeten afleggen ? Hoe verantwoordt men dit in het licht van het gelijkheidsbeginsel ? Wat vervangt de eedaflegging voor de burgemeesters in de randgemeenten ?

Bovendien is het niet de burgemeester die in beroep moet gaan tegen een weigering van zijn benoeming, maar moet de Vlaamse regering zelf de beslissing meedelen aan de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Vlaamse regering moet als het ware zelf het beroep tegen haar eigen weigeringsbeslissing organiseren. Dit is het omgekeerde van de normale gang van zaken.

De heer Broers veronderstelt dat de aangewezen burgemeester in functie treedt op 1 januari, en niet bijvoorbeeld reeds op 1 december. Ook hij zal een eed moeten afleggen, wellicht na een arrest van de Raad van State.

Volgens het ontworpen artikel 13/1 van de nieuwe gemeentewet wordt de voordrachtsakte bevestigd door een stemming in de gemeenteraad. Dat zal de politieke impact ervan vergroten en niet bijdragen tot de pacificatie. In de verdere procedure wordt de discretionaire bevoegdheid van de Vlaamse regering ingeperkt. Bovendien gelden er stringente termijnen.

Normaal geeft de vernietiging van een weigeringsbeslissing aanleiding tot een nieuwe beslissing. In dit geval geldt de vernietiging van de weigeringsbeslissing evenwel als een positieve beslissing. De aangewezen burgemeester wordt definitief burgemeester.

Hoe kan men dit verantwoorden ten aanzien van het beginsel van de scheiding der machten ? De bevoegdheid van de Vlaamse regering wordt beknot.

Tegen spreker liep in 2001 een klachtprocedure bij de burgerlijke rechtbank, de Raad van State en het College van Gouverneurs. Daardoor kon hij op 30 januari slechts waarnemend burgemeester worden. In Voeren worden de schepenen rechtstreeks verkozen. Spreker nam ontslag als schepen, met het risico dat hij die functie niet terug zou kunnen opnemen wanneer de Raad van State hem als burgemeester zou afzetten. In de voorliggende regeling kan de aangewezen burgemeester nooit het recht worden ontzegd om toch terug schepen te worden, ook al stelt de Raad van State hem in het ongelijk. De burgemeesters van Voeren en Komen-Waasten worden derhalve gediscrimineerd.

Spreker wenst dat Voeren en Komen-Waasten uit de pacificatiewet zouden worden gelicht.

Wat de tussenkomst van de Raad van State betreft, verwijst spreker naar een uitspraak van de heer Delpérée : « De Raad wiedt, maar zaait en plant niet. » Voortaan zal hij echter wieden en onmiddellijk zaaien.

De heer Anciaux verklaart dat het evident is dat het vertrouwen in de Nederlandstalige kamer van de Raad van State niet ter discussie staat. In casu gaat het evenwel om een bijzonder delicaat probleem dat men, over de taalgrens heen, poogt op te lossen op een wijze die voor eenieder aanvaardbaar is. Het is helemaal niet zo dat de geschillen stelselmatig ten nadele van dezelfde gemeenschap zullen worden opgelost, integendeel. De vraag waarom men de Nederlandstalige kamer zou wantrouwen, is even retorisch als de vraag waarom men de algemene vergadering zou wantrouwen.

De automatische aanhangigmaking van een weigeringsbeslissing bij de Raad van State is precies een antwoord op de waarschuwing van vele Nederlandstaligen dat men opnieuw in een voortdurende carrousel zou terechtkomen. Nu heeft men na een vernietigingsbeslissing door de Vlaamse regering telkens een nieuwe voordracht. Uitgerekend de Vlaamse regering en de Vlaamse partijen willen die carrousel een halt toeroepen.

De heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Staatshervorming, antwoordt dat dit een aangelegenheid is die tot de bevoegdheid van het Vlaams Gewest behoort. Voorliggend voorstel van bijzondere wet doet geenszins afbreuk aan de bestaande bevoegdheid van het Vlaams Gewest om de voordrachtakte te regelen. Hij verwijst naar de memorie van toelichting die ter zake geen enkele twijfel laat bestaan.

De heer Broers verwijst naar de wijze waarop vroeger reeds de ministers Martens, Dehaene en Nothomb de benoemingscarrousel hebben doen stoppen. Zij lagen aan de oorsprong van een wetgeving volgens dewelke een persoon, die zich liet verleiden om een dergelijke benoemingscarrousel op te starten, nooit nog benoemd kan worden tot burgemeester. Dit is het geval geweest met de heer Happart in de jaren 80. Zo had men het vandaag ook kunnen doen.

De heer Wathelet, staatssecretaris voor Staatshervorming, meent dat er helemaal geen sprake is van enig wantrouwen ten aanzien van de Raad van State. Het tegendeel is waar.

Wat de adiëring van de algemene vergadering van de Raad van State betreft, verwijst de staatssecretaris naar de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel nr. 5-1563 en naar zijn eerder antwoord op deze vraag.

De staatssecretaris preciseert vervolgens dat de twee betrokken auditeurs één verslag dienen op te stellen. In dit verslag kunnen de twee verschillende adviezen worden vermeld. Alle andere elementen van de procedure worden niet gewijzigd en blijven van toepassing.

Wat het opschrift betreft, verwijst de staatssecretaris naar amendement nr. 1 (stuk Senaat, nr. 1563/3) dat een en ander verduidelijkt, zoals de Raad van State heeft gevraagd (advies 51.216/AG, nr. 9, Stuk Senaat, nr. 5-1563/2).

Ten slotte bevestigt de staatssecretaris dat het volstaat in de inleidende akte een formele verwijzing op te nemen naar de garanties, rechtsstelsels en taalrechten die in de gemeenten, bedoeld in artikel 7 van de gecoördineerde wetten op het gebruik van talen in bestuurszaken, van toepassing zijn, zonder verdere precisering.

De heer Vanlouwe komt terug op de term « gevestigd » die wordt gehanteerd in het voorgestelde artikel 93 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. Hij herhaalt het voorbeeld van een onderneming die haar maatschappelijke zetel in Antwerpen, maar een exploitatiezetel in een van de faciliteitengemeenten heeft. Wanneer er een conflict zou ontstaan met deze gemeente over, bijvoorbeeld, een bouw- of een milieuvergunning voor een pand dat in een van de faciliteitengemeenten gelegen is, in welke taal zal de procedure voor de Raad van State dan plaatsvinden ? Het gaat hier om een rechtspersoon, een vennootschap, en deze situatie is niet te vergelijken met een natuurlijk persoon die in een bepaalde gemeente gedomicilieerd is.

De heer Wathelet, staatssecretaris voor Staatshervorming, antwoordt dat dit niets te maken heeft met de taal. De personen die in deze gemeenten gevestigd zijn kunnen naar de algemene vergadering van de Raad van State voor zover het voorwerp van de vordering gelokaliseerd is of kan worden in één van deze zes faciliteitengemeenten. Het gaat hier dus om twee voorwaarden die cumulatief zijn. Wat het begrip « gevestigd » betreft, verwijst de staatssecretaris naar zijn eerder antwoord.

De heer Anciaux meent dat, in het voorbeeld van de vorige spreker, de procedure in het Nederlands zal verlopen.

B. Voorstel tot herziening van artikel 160 van de Grondwet (stuk Senaat, nr. 5-1564/1)

Hierover worden geen specifieke opmerkingen gemaakt.

C. Voorstel van bijzondere wet houdende wijziging van de zogenaamde « pacificatiewet » van 9 augustus 1988 en van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, wat de benoeming van de burgemeesters van de randgemeenten betreft (stuk Senaat, nr. 5-1565/1)

Voor de heer Laeremans is de problematiek van de eedaflegging nog zeer onduidelijk. De normale gang van zaken is dat men burgemeester wordt via de voordrachtakte, die het fiat krijgt van de Vlaamse regering, en dat men vervolgens de eed aflegt bij de gouverneur van de betrokken provincie. Deze procedure bestaat evenwel niet voor de aanduiding van de burgemeesters van de zes faciliteitengemeenten. Bestaat zij niet langer ? Wordt de Vlaamse regering ertoe verplicht een ander moment in te bouwen in de ganse procedure en, zo ja, valt dit moment nog binnen de termijn om beroep aan te tekenen bij de Raad van State ? Welke betekenis heeft een dergelijke eedaflegging nog voor alle andere burgemeesters, wanneer men weet dat deze voor de zes burgemeesters geen betekenis meer heeft ? Op deze wijze devalueert men immers een dergelijke eedaflegging vermits men ook burgemeester kan worden zonder eedaflegging.

De heer Wathelet, staatssecretaris voor Staatshervorming, begrijpt niet waarom de heer Laeremans dit alles wil geregeld zien in de bijzondere wet. Wat niet wordt bepaald in de bijzondere wet, blijft immers tot de bevoegdheid van de gewesten behoren. Hoe de eedaflegging van de betrokken burgemeesters dient te geschieden, kan men derhalve lezen in de Vlaamse decreten die deze aangelegenheid regelen. De federale overheid komt hierin niet tussen.

De heer Laeremans stelt vast dat voorliggend wetsvoorstel interfereert in de procedure die vandaag bestaat en die inhoudt dat een burgemeester de eed aflegt voorafgaandelijk aan de eerste zitting van de vernieuwde gemeenteraad. Wat de zes burgemeesters van de faciliteitengemeenten betreft, wenst voorliggend voorstel eerst een stemming in de gemeenteraad in te voeren om vervolgens de uitslag ervan aan de Vlaamse regering te laten bezorgen. De vraag is echter op welk tijdstip deze gemeenteraad moet plaatsvinden : kan deze stemming bijvoorbeeld gebeuren door de uittredende gemeenteraad zoals hij is samengesteld in de legislatuur die ten einde loopt ? Wat verhindert bijvoorbeeld de gemeenteraad die tot 31 december 2012 vergadert om deze stemming te organiseren na de gemeenteraadsverkiezingen van 14 oktober 2012 om de voordracht van de burgemeester die vanaf 1 januari 2013 in functie treedt te regelen ? De thans besproken tekst verhindert zulks geenszins. Men organiseert hier de chaos en dwingt de Vlaamse regering om een nieuwe datum voor de eedaflegging te zoeken.

De heer Anciaux meent dat men het antwoord op deze vraag terugvindt in het Vlaamse decreet dat deze aangelegenheid regelt.

D. Voorstel van bijzondere wet houdende wijziging van artikel 16bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen en van artikel 5bis van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse Instellingen (stuk Senaat, nr. 5-1566/1

De heer Vanlouwe verwijst naar de wetenschappelijke bijdrage van de heer Jürgen Vanpraet, wetenschappelijk onderzoeker aan de Universiteit Antwerpen en auteur van een doctoraal proefschrift omtrent de bevoegdheidsverdeling in het Belgisch federaal bestel.

Dit voorstel van bijzondere wet voorziet erin dat de inhoud van de « standstill » bedoeld in artikel 16bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen en in artikel 5bis van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse Instellingen wordt bijgewerkt met de garanties die op 14 oktober 2012 van kracht zijn. Daarbij wordt uitdrukkelijk gesteld dat de bevoegdheid van de algemene vergadering van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in de zes randgemeenten betrekking heeft op zowel vorderingen tot schorsing en vernietiging, geschillen waarin de Raad van State uitspraak doet met volle rechtsmacht als op de administratieve cassatieberoepen. De administratieve cassatieberoepen tegen de beslissingen van administratieve rechtscolleges die betrekking hebben op de zes randgemeenten kunnen dus voor de algemene vergadering van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State worden ingeleid.

Verder maakt het voorstel de « standstill »-verplichting van artikel 16bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 en artikel 5bis van de bijzondere wet van 12 januari 1989 ook van toepassing op de plaatselijke besturen. Tot slot bevestigt het voorstel de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof en de Raad van State volgens dewelke de « standstill » niet alleen geldt ten aanzien van de gewesten, maar ook ten aanzien van de gemeenschappen.

Opnieuw komt de uitleg van dit alles uit de memorie van toelichting, wat een amendering ervan niet mogelijk maakt. De wettekst zélf is bijzonder vaag en onduidelijk. De vraag is of dit wel volstaat. De rechtspraak en de rechtsleer zullen mettertijd immers wel een bepaalde interpretatie geven aan deze bijzonder belangrijke bepalingen van de bijzondere wet. Spreker vreest dat er opnieuw problemen zullen opduiken wanneer het Grondwettelijk Hof of de Raad van State hieraan een bepaalde visie zullen geven. Het risico bestaat dus dat men met deze bepalingen geen stap verder zal zetten.

In het verleden werd de « standstill » ingevoerd, samen met de overheveling van de bevoegdheden over lokale besturen naar de gewesten. Blijkbaar is er, ondanks de toenmalige uitleg en toelichting, toch een andere rechtspraak ontstaan. De heer Vanlouwe herinnert eraan dat de « standstill » de bedoeling had om de garantie voor bepaalde rechten in te voeren middels het zogenaamde « Lambermont-akkoord ». Intussen is men 10 jaar verder en men kan niet zeggen dat er veel duidelijkheid werd gecreëerd door artikel 16bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen en door artikel 5bis van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse Instellingen.

De vraag is of, bijvoorbeeld, de interpretatie van de Vlaamse regering van de taalwetgeving, die werd bevestigd door de Raad van State in zijn rechtspraak omtrent de zogenaamde « omzendbrief-Peeters », ook valt onder de « standstill » zoals voorwoord in het voorstel van bijzondere wet.

Men gaat nu in artikel 16bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen expliciet inschrijven dat ook gemeenschappen en lokale besturen zich aan de « standstill » moeten houden. De datum tot wanneer de garanties gerekend worden is 14 oktober 2012. Deze bepaling werd dus volledig geënt op de uitslag van de gemeenteraadsverkiezingen die op deze datum zullen plaatsvinden. Dit is ook het geval met artikel 5bis van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse Instellingen, zoals het wordt gewijzigd door voorliggend voorstel van bijzondere wet.

Spreker is overigens van oordeel dat het hier gaat om een bijzonder onduidelijke tekst : als inwoner van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest stelt hij immers dagelijks vast dat het pover gesteld is met de rechten van de Nederlandstaligen in Brussel, die niet worden toegepast. Eigenlijk wil men dat de bestaande taalwetgeving in Brussel niét wordt toegepast. Dit zal niet veranderen met de « standstill » die bepaalde rechten garandeert in de wetenschap dat ze niet worden toegepast.

Bovendien spreekt het voorgestelde artikel 16bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen enkel over garanties voor Franstaligen in de faciliteitengemeenten. Over modaliteiten in functie van de Nederlandstaligen is nergens sprake. In de memorie van toelichting koppelt men enkel de voorstellen inzake de benoeming van de burgemeesters van de zes faciliteitengemeenten en de bevoegdheid van de algemene vergadering van de Raad van State. Artikel 16bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen wordt tegenover artikel 5bis van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse Instellingen geplaatst maar er is geen enkele garantie voor de rechten van de Nederlandstaligen in Brussel.

De heer Vanlouwe wenst dan ook een duidelijk antwoord te krijgen op de volgende vragen :

— Hoe moeten deze bepalingen geïnterpreteerd worden ? In het verleden was hierover reeds twijfel, vandaar dat de Franstaligen deze aanpassingen wilden en vooral de nadruk leggen op artikel 16bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen. Valt hier enkel onder wat de toelichting verduidelijkt of zijn er ook nog andere garanties ?

— Welke garanties voor Nederlandstaligen in Brussel worden concreet toegevoegd door deze wijziging ? Hoe kan de taalwetgeving in Brussel op een correcte manier worden afgedwongen ? In het hele pakket zit hierover helemaal niets en ook de toelichting vermeldt niets.

— Wordt de « pre-Lombard meerderheid » opnieuw ingevoerd vóór 14 oktober 2012 in functie van de Nederlandstaligen in Brussel ? Spreker herinnert eraan dat vóór het afsluiten van dit akkoord in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest een « dubbele meerderheid » bestond, zijnde een meerderheid in elk van de taalgroepen. Het « Lombard-akkoord » heeft dit destijds afgezwakt. Zal dit opnieuw worden ingevoerd ? Maakt dit deel uit van de zogenaamde « standstill-garanties » ?

— De « omzendbrief-Peeters » is door de Raad van State conform de bestaande regels en conform de bestaande « standstill » bevonden. Men mag aannemen dat, aangezien meer overheden expliciet gevat worden en het kader wordt uitgebreid, dit zo blijft. Of is de « standstill » niet van toepassing op de « omzendbrief-Peeters » ?

— Houdt dit ook in dat impliciete bevoegdheden, zoals ze vandaag worden erkend, eveneens bestendigd worden ?

— Gemeenschappen, gewesten, plaatselijke besturen en de Brusselse agglomeratie worden gevat. Wat echter met de federale normen ? Moeten deze ook de garanties voor de Nederlandstaligen en de Franstaligen eerbiedigen ?

Spreker kondigt de indiening aan van amendementen over deze aangelegenheden. Het dispositief van het voorstel van bijzondere wet is immers zeer summier en men moet zich voor de interpretatie baseren op de memorie van toelichting. De heer Vanlouwe is ervan overtuigd dat niemand van de indieners van het voorstel van bijzondere wet een antwoord kan geven op de gestelde vragen. Zelf kon spreker bij een eerste lezing van het dispositief immers ook niet bevatten wat de draagwijdte ervan was.

De heer Laeremans sluit zich aan bij de punctuele vragen die de vorige spreker heeft gesteld en herinnert eraan dat het standpunt van de Raad van State zeer expliciet is. In artikel 2 van voorliggend voorstel van bijzondere wet inzake de « standstill » worden de bestaande waarborgen uitgebreid die door artikel 16bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen worden gegeven aan de Franstaligen in de zes faciliteitengemeenten. Dit gebeurt evenwel enkel voor de Franstaligen en niet voor de Nederlandstaligen. De Raad van State is van mening dat het onduidelijk is waarom dit onderscheid behouden blijft in het voorliggend voorstel van bijzondere wet.

Hij citeert uit het advies van de Raad van State (zie stuk Senaat, nr. 5-1566/2) :

« Bij de uitgebreide garanties van het gewijzigde artikel 16bis worden met name de nieuwe procedures inzake bestuursrechtspraak betreffende de zes randgemeenten vermeld, vastgesteld bij het voorstel van wet tot wijziging van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, waarover heden advies 51.215/AV is uitgebracht. In deze procedures wordt geen onderscheid gemaakt tussen Franstalige en Nederlandstalige inwoners van de zes randgemeenten. Het is de Raad van State dan ook niet duidelijk waarom dit onderscheid wordt behouden in het voorliggende voorstel van bijzondere wet.

Tevens gelet op de uitbreiding van de waarborgen waarin het voorstel voorziet, zowel betreffende de bedoelde handelingen als betreffende de overheden die deze handelingen verrichten, inzonderheid de handelingen van de lagere besturen, zou de werkingssfeer van het voorstel moeten worden uitgebreid tot de Nederlandstaligen van de zes randgemeenten. »

Deze opmerking is niet onbelangrijk. Het gaat immers om het beleid van lokale besturen, inzonderheid van de zes faciliteitengemeenten, waar de Franstaligen domineren en waar tal van zaken waartoe het Vlaams Gewest of de Vlaamse Gemeenschap heeft beslist niet worden uitgevoerd op het terrein. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om de werking van de jeugdraad of de inrichting van een bibliotheek. Nederlandstalige verenigingen die bijvoorbeeld een subsidie wordt geweigerd, zullen zich niet kunnen baseren op de verworvenheden van de « standstill » terwijl de Franstaligen dit wél kunnen doen.

Aldus voert men opnieuw een discriminatie in ten gunste van Franstaligen en ten nadele van de Nederlandstaligen, en dit nog wel op een grondgebied dat tot het Vlaams Gewest behoort. De Raad van State geeft aan de wetgever het uitdrukkelijk advies om hieraan iets te doen. Waarom doet men dit niet ? Welk argument voert men aan om in Vlaanderen de Franstaligen te bevoordelen en de Nederlandstaligen te benadelen ?

De heer Cheron kondigt aan dat de indieners van het voorstel van bijzondere wet een amendement zullen indienen dat tegemoetkomt aan de vraag van de Raad van State om uniformiteit te brengen in de terminologie die wordt gehanteerd in, enerzijds, artikel 16bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen en, anderzijds, artikel 5bis van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse Instellingen. In de Nederlandse tekst van het geciteerde artikel 16bis zal het woord « garanties » worden vervangen door het woord « waarborgen ».

Wat de andere opmerking van de Raad van State betreft, herinnert de heer Cheron eraan dat het verschil tussen Nederlandstaligen en Franstaligen met betrekking tot het toepassingsgebied van de standstill in de zes randgemeenten te verklaren valt door het feit dat de zes randgemeenten zich in het Nederlandse taalgebied bevinden. Dit heeft tot gevolg dat de standstill bedoeld in artikel 16bis enkel van toepassing is ten aanzien van de Franstaligen, zoals reeds vandaag het geval is.

De indieners geven dan ook geen gevolg aan de suggestie van de Raad van State.

Ook al is de algemene vergadering van de Raad van State toegankelijk voor zowel Franstaligen als Nederlandstaligen, ze herinneren aan hun verklaring dat het « recht om de administratieve geschillen met betrekking tot de zes randgemeenten door de algemene vergadering van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te laten beslechten wanneer voldaan is aan de door [de gecoördineerde wetten op de Raad van State] gestelde voorwaarden » (toelichting van het voorstel van bijzondere wet nr. 5-1566/1) een garantie vormt die de Franstaligen in de gemeenten genoemd in artikel 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, genieten krachtens artikel 16bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen.

De staatssecretaris voor staatshervorming, de heer Wathelet, voegt daaraan toe dat de voorgestelde regeling discriminerend zou zijn als, bijvoorbeeld, een Nederlandstalige geen procedure zou mogen inleiden voor de algemene vergadering van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Dat is uiteraard niet de bedoeling. Wel veronderstelt hij dat er waarschijnlijk meer Franstaligen dan Nederlandstaligen die stap zullen zetten.

Het voorstel van bijzondere wet nr. 5-1566/1 voorziet erin dat de inhoud van de « standstill » bedoeld in artikel 16bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen en in artikel 5bis van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse Instellingen wordt uitgebreid met de bijkomende garanties die op 14 oktober 2012 van kracht zullen zijn, namelijk de specifieke procedure met betrekking tot de benoeming van de burgemeesters in de zes randgemeenten (stuk Senaat, nr. 5-1565/1) en het recht om de administratieve geschillen met betrekking tot de zes randgemeenten door de algemene vergadering van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te laten beslechten.

Het voorstel maakt ook een einde aan de twijfel, waarop de heer Vanlouwe heeft gealludeerd, over de toepassing van de « standstill »-verplichting op de plaatselijke besturen. Voorts wordt gepreciseerd dat de verplichting ook geldt voor de gemeenschappen.

De uitbreiding van de bescherming in artikel 5bis van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse Instellingen geldt ook voor de Nederlandstaligen in Brussel. Op die manier wordt geantwoord op de opmerking van de Raad van State.

De heer Laeremans is het niet eens met die uitleg omdat er niet wordt ingegaan op de bezwaren van de Raad van State. Spreker verwijst in dat verband naar het advies van de Raad van State over het onderhavige voorstel van bijzondere wet (stuk Senaat, nr. 5-1566/2).

Artikel 16bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen luidt als volgt : « De decreten, reglementen en administratieve handelingen mogen geen afbreuk doen aan de op het ogenblik van de inwerkingtreding van deze bepaling bestaande garanties die de Franstaligen genieten in de gemeenten genoemd in artikel 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, en de Nederlandstaligen, respectievelijk Franstaligen en Duitstaligen genieten in de gemeenten genoemd in artikel 8 van diezelfde wetten. »

Het is vanzelfsprekend dat dit ook zou moeten gelden voor de Nederlandstaligen van de rand. De Raad van State wijst hier trouwens zelf op : « Bij de uitgebreide garanties van het gewijzigde artikel 16bis worden met name de nieuwe procedures inzake bestuursrechtspraak betreffende de zes randgemeenten vermeld, vastgesteld bij het voorstel van wet tot wijziging van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, waarover heden advies 51.215/AV is uitgebracht. In deze procedures wordt geen onderscheid gemaakt tussen Franstalige en Nederlandstalige inwoners van de zes randgemeenten. Het is de Raad van State dan ook niet duidelijk waarom dit onderscheid wordt behouden in het voorliggende voorstel van bijzondere wet. Tevens gelet op de uitbreiding van de waarborgen waarin het voorstel voorziet, zowel betreffende de bedoelde handelingen als betreffende de overheden die deze handelingen verrichten, inzonderheid de handelingen van de lagere besturen, zou de werkingssfeer van het voorstel moeten worden uitgebreid tot de Nederlandstaligen van de zes randgemeenten. » (stuk Senaat, nr. 5-1566/2).

Binnen vijf van die zes gemeenten heerst een Franstalige meerderheid. Het is dus perfect mogelijk dat Nederlandstaligen in Vlaanderen door hun lokaal bestuur gediscrimineerd worden. Het is dan ook maar een kleine moeite om in artikel 16bis eveneens een verwijzing naar de rechten van de Nederlandstaligen op te nemen.

De heer Wathelet wijst erop dat het Vlaams Gewest het administratief toezicht uitoefent op de Vlaamse gemeenten, dus ook op die in de rand.

De heer Laeremans werpt tegen dat de Vlaamse overheid in een aantal domeinen niets aan die gemeenten kan opleggen (bibliotheken, jeugdwerk, sport, ...).

De heer Anciaux repliceert dat de Vlaamse regering desnoods een regeringscommissaris kan afvaardigen naar die gemeenten wanneer zij de wet overtreden.

IV. ARTIKELSGEWIJZE BESPREKING EN STEMMINGEN

A. Wetsvoorstel nr. 5-1563/1

Opschrift

Amendement nr. 1

De heer Mahoux c.s. dient amendement nr. 1 in (stuk Senaat, nr. 5-1563/3) dat ertoe strekt het opschrift van het wetsvoorstel aan te vullen met de woorden « wat de behandeling van geschillen betreft door de algemene vergadering van de afdeling Bestuursrechtspraak, op verzoek van personen gevestigd in de randgemeenten ».

De heer Bousetta wijst erop dat het amendement gevolg geeft aan het advies van de Raad van State.

Amendement nr. 1 wordt aangenomen met 11 tegen 5 stemmen.

Artikel 1

Over dit artikel worden geen opmerkingen gemaakt.

Het wordt aangenomen met 11 tegen 5 stemmen.

Artikel 2

Amendement nr. 2

De heer Mahoux c.s. dient amendement nr. 2 in (stuk Senaat, nr. 5-1563/3) dat ertoe strekt diverse wijzigingen aan te brengen in het voorgestelde artikel 93.

De heer Bousetta benadrukt dat de in het 1 tot 8 voorgestelde wijzigingen gevolg geven aan de opmerkingen van de Raad van State. Het betreft een wettechnische wijziging die geen inhoudelijke wijziging impliceert.

Amendement nr. 2 wordt aangenomen met 11 tegen 5 stemmen.

Amendement nr. 5

De heer Laeremans dient amendement nr. 5 in (stuk Senaat, nr. 5-1563/3) dat er onder andere toe strekt in het voorgestelde artikel 93 de woorden « de algemene vergadering » telkens te vervangen door de woorden « een Nederlandstalige kamer ».

De indiener van het amendement meent dat het huidige systeem perfect functioneert en dat er geen enkele reden is om de algemene vergadering bevoegd te maken voor de administratieve geschillenbeslechting met betrekking tot de zes randgemeenten. De voorgestelde maatregel zal extra kosten met zich meebrengen. De invoering van een uitzonderingsregeling voor de zes randgemeenten valt niet objectief te verantwoorden.

De heer Laeremans is ervan overtuigd dat de voorgestelde wijziging tot misbruik zal leiden. Op termijn zal deze wijziging het mogelijk maken een andere taal dan het Nederlands te gebruiken tijdens de besprekingen van de gemeenteraden in de randgemeenten.

De heer Anciaux oordeelt dat deze conclusie te ver gaat.

Amendement nr. 5 wordt verworpen met 11 tegen 5 stemmen.

Amendement nr. 6

De heer Laeremans dient amendement nr. 6 in (stuk Senaat, nr. 5-1563/3) dat ertoe strekt de criteria te wijzigen op grond waarvan de gemeenten waarop de nieuwe regeling van toepassing zal zijn, worden geselecteerd. De indiener begrijpt niet waarom de toekenning van bevoegdheden aan de algemene vergadering van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State enkel betrekking heeft op de randgemeenten. Deze selectie van gemeenten is willekeurig en valt met geen enkele rationele beweegreden te verantwoorden. Het amendement stelt voor om de nieuwe regeling over de administratieve geschillenbeslechting toe te passen op de gemeenten behorend tot het Franse taalgebied bedoeld in artikel 8 van de wetten van 18 juli 1966 op het gebruik der talen in bestuurszaken.

De heer Laeremans verwijst verder naar de schriftelijke verantwoording van zijn amendement.

Amendement nr. 6 wordt verworpen met 11 stemmen tegen 1 stem bij 4 onthoudingen.

Amendement nr. 7

De heer Laeremans dient amendement nr. 7 in (stuk Senaat, nr. 5-1563/3) dat ertoe strekt in het voorgestelde artikel 93, § 1, eerste lid, het 3º te vervangen door wat volgt : « 3º de taalwetgeving is in het geding, waarbij in een met redenen omkleed schrijven gemotiveerd wordt waarom dat het geval zou zijn. ». Het amendement strekt ertoe de draagwijdte van de nieuwe bevoegdheidsregeling van de algemene vergadering van de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State te beperken. De algemene vergadering zou enkel bevoegd zijn voor de geschillen met betrekking tot het gebruik van de talen.

Spreker verwijst naar het advies van de Raad van State, die zich vragen stelde over de voorwaarde in het 3º. Hierover staat in het advies : « Noch de draagwijdte van dit formeel vereiste, noch het nut ervan zijn voor de Raad van State duidelijk. (...). Indien de wetgever deze bepaling wenst te handhaven, komt het aan de wetgevende Kamers toe de betekenis van dit vereiste te preciseren. ». Er is echter geen enkel amendement ingediend om de draagwijdte van deze bepaling te verduidelijken. Spreker vraagt wat het standpunt van de regering over de opmerking van de Raad van State is.

De heer Wathelet, staatssecretaris voor Staatshervorming, verwijst naar zijn vorige verklaringen in dit verband. Hij denkt bovendien dat de amendementen die de indieners van het wetsvoorstel hebben ingediend, tegemoetkomen aan de opmerking van de Raad van State.

Amendement nr. 7 wordt verworpen met 11 tegen 5 stemmen.

Amendement nr. 8

De heer Laeremans dient amendement nr. 8 in (stuk Senaat, nr. 5-1563/3) dat ertoe strekt het voorgestelde artikel 93, § 1, eerste lid, aan te vullen met een 4º, luidende : « 4º zowel de verzoekers als de verweerders stemmen vooraf uitdrukkelijk in met de behandeling door de algemene vergadering. ». Het gebruik van deze procedure moet een uitzondering blijven. Men dient te voorkomen dat onbelangrijke geschillen worden voorgelegd aan de algemene vergadering, aangezien dit een zware en dure procedure is.

Amendement nr. 8 wordt verworpen met 11 tegen 5 stemmen.

Amendement nr. 9

De heer Laeremans dient amendement nr. 9 in (stuk Senaat, nr. 5-1563/3) dat ertoe strekt in het voorgestelde artikel 93, § 1, tussen het eerste en het tweede lid een lid in te voegen, luidende : « De bepalingen van het vorige lid zijn niet van toepassing op de materiële en territoriale bevoegdheid van de Vlaamse administratieve rechtscolleges, ook niet in beroep. »

Voor de volledige toelichting verwijst de indiener naar de verantwoording van zijn amendement. Wel vestigt hij er de aandacht op dat het eerste lid de bevoegdheid van de Vlaamse administratieve rechtscolleges (bijvoorbeeld de Raad voor Vergunningsbetwistingen) onrechtstreeks fnuikt en uitholt.

Het risico bestaat dat door Franstaligen gedomineerde rechtscolleges hun zeg zullen doen over domeinen die tot de exclusieve bevoegdheid van de Vlaamse overheid behoren. In geval van beroep bij de Raad van State zal immers in de helft van de gevallen de voorzitter een Franstalige zijn als het gaat om een administratieve aangelegenheid uit de rand. Op die manier zullen Franstalige magistraten beslissingen nemen in dossiers die volledig tot de bevoegdheid van de Vlaamse overheid behoren. Naar willekeur zullen zij dus beslissingen van de Vlaamse overheid kunnen vernietigen als die, sensu lato, iets met taalregelingen te maken hebben. Zal de bevoegdheid van de algemene vergadering, wanneer het een zaak betreft die voor een deel met taalregeling te maken heeft, zich uitstrekken over het geheel van de zaak ?

Van de indieners wenst spreker duidelijkheid over die vraag.

Als een beroep wordt ingediend tegen een beslissing van de Vlaamse Raad voor Vergunningsbetwistingen, worden dan alle procedurestukken in het Nederlands opgesteld ? Wordt het arrest in het Nederlands opgesteld ? Wordt de zaak alleen in het Nederlands gepleit ?

Staatssecretaris Wathelet verwijst naar zijn vroegere antwoorden die voldoende klaarheid scheppen.

De heer Laeremans antwoordt dat de voorgaande verklaringen van de staatssecretaris geen sluitend antwoord bieden op zijn vragen. Hij betreurt het dat er over dit punt geen deskundigen of vertegenwoordigers van de Raad van State konden worden gehoord.

De heer Delpérée herinnert eraan dat de commissie het verzoek om hoorzittingen heeft verworpen.

Amendement nr. 9 wordt verworpen met 11 tegen 5 stemmen.

Amendement nr. 10

De heer Laeremans dient amendement nr. 10 in (stuk Senaat, nr. 5-1563/3) dat ertoe strekt het voorgestelde artikel 93, § 3, zo te wijzigen dat, indien er bij het onderzoek omtrent de toelaatbaarheid van een cassatieverzoek tussen de eerste voorzitter en de voorzitter onenigheid rijst, de zaak niet naar de algemene vergadering wordt verwezen.

Amendement nr. 10 wordt verworpen met 11 tegen 5 stemmen.

Amendement nr. 11

De heer Laeremans dient amendement nr. 11 in (stuk Senaat, nr. 5-1563/3) dat er onder meer toe strekt in het voorgestelde artikel 93, § 4, eerste lid, de woorden « de algemene vergadering » te vervangen door de woorden « een Nederlandstalige kamer ».

Dit amendement vormt een logische aanvulling op amendement nr. 5.

Amendement nr. 11 wordt verworpen met 11 tegen 5 stemmen.

Amendement nr. 12

De heer Laeremans dient amendement nr. 12 in (stuk Senaat, nr. 5-1563/3) dat ertoe strekt in het voorgestelde artikel 93, § 4, tweede lid, het woord « elk » te vervangen door het woord « gezamenlijk ». In de voorgestelde regeling kunnen de eerste voorzitter en de voorzitter elk afzonderlijk beslissen om de zaak toch nog naar de algemene vergadering te verwijzen. Met dit amendement wordt voorgesteld dat dit alleen mogelijk is wanneer de eerste voorzitter en de voorzitter daar gezamenlijk over beslissen.

Amendement nr. 12 wordt verworpen met 11 tegen 5 stemmen.

Amendement nr. 13

De heer Laeremans dient amendement nr. 13 in (stuk Senaat, nr. 5-1563/3) dat ertoe strekt het voorgestelde artikel 93, § 5, te vervangen door wat volgt : « § 5. De auditeur-generaal wijst een lid van het auditoraat behorend tot de Nederlandse taalrol aan dat het onderzoek van de zaak zal voeren die door de algemene vergadering wordt behandeld overeenkomstig dit artikel. »

In de voorgestelde tekst van § 5 wijzen zowel de auditeur-generaal als de adjunct-auditeur-generaal, ieder binnen zijn taalrol, een auditeur aan die de zaak zal onderzoeken. Zij stellen samen een verslag op, maar kunnen elk hun advies geven tijdens de openbare zitting op het einde van de debatten.

De heer Laeremans wijst op de aberratie van deze regeling. De auditeurs kunnen in hun mondeling advies dus afwijken van hun schriftelijk verslag. Wat zal dan doorwegen in deze procedure ? Het vooraf meegedeeld verslag van de auditeurs of het mondeling advies dat zij elk apart geven tijdens de zitting ?

In de procedure voor de Raad van State geeft de auditeur zijn verslag vooraf aan de betrokken partijen. Meestal volgt de Raad van State het advies van de auditeur. Ter zitting kunnen de partijen hun argumenten en replieken ontwikkelen op basis van het verslag van de auditeur.

In de voorgestelde procedure is er weliswaar één verslag maar kunnen de Nederlandstalige en Franstalige auditeur een verschillend advies geven. Uiteraard kunnen de partijen zich daar niet op voorbereiden. Welk beeld geeft dat van de Justitie in het land ? Het auditoraat van de Raad van State kan immers twee verschillende adviezen geven. Dat is zonder voorgaande in ons rechtssysteem. Kan men zich inbeelden dat een parket twee verschillende standpunten verdedigt in een strafzaak ? Hoe kan men dat verantwoorden ? Dit is een aanfluiting van de rechtsstaat.

Amendement nr. 13 wordt verworpen met 11 tegen 5 stemmen.

Amendement nr. 14

De heer Laeremans dient amendement nr. 14 in (stuk Senaat, nr. 5-1563/3) dat ertoe strekt in het voorgestelde artikel 93, § 5, tweede lid, de woorden « beide leden van het auditoraat besluiten » te vervangen door de woorden « één van beide leden van het auditoraat besluit ». Dit amendement is enkel subsidiair op amendement nr. 13.

Amendement nr. 14 wordt verworpen met 11 tegen 5 stemmen.

Amendement nr. 15

De heer Laeremans dient amendement nr. 15 in (stuk Senaat, nr. 5-1563/3) dat ertoe strekt in het voorgestelde artikel 93, § 6, de volgende wijzigingen aan te brengen :

1º de woorden « door de eerste voorzitter en de voorzitter gezamenlijk » vervangen door de woorden « door de eerste voorzitter of de voorzitter »;

2º het lid aanvullen met de volgende zin : « De zaak hangende voor de algemene vergadering wordt in dat geval verwezen naar de kamer waar de andere zaak hangende is. »

Met dit amendement wordt de logica van voorgestelde § 6 omgedraaid. Op die manier wordt het aantal zaken dat door de algemene vergadering moet worden beslecht zo veel mogelijk beperkt.

Amendement nr. 15 wordt verworpen met 11 tegen 5 stemmen.

Het aldus geamendeerde artikel 2 wordt aangenomen met 11 tegen 5 stemmen.

Artikel 3

Amendement nr. 3

De heer Mahoux c.s. dient amendement nr. 3 in (stuk Senaat, nr. 5-1563/3) dat ertoe strekt verschillende wijzigingen aan te brengen aan het voorgestelde artikel 95.

De heer Bousetta verduidelijkt dat het amendement gevolg geeft aan het advies van de Raad van State door enkele technische wijzigingen aan te brengen.

Amendement nr. 3 wordt aangenomen met 11 tegen 5 stemmen.

Amendement nr. 16

De heer Laeremans dient amendement nr. 16 in (stuk Senaat, nr. 5-1563/3) dat ertoe strekt artikel 3 te doen vervallen. Dit amendement hangt samen met amendement nr. 5. Kan men zich inbeelden dat in een Waalse gemeente, Edingen bijvoorbeeld, de procedure voor de algemene vergadering van de afdeling bestuursrechtspraak in het Nederlands zou worden gevoerd en dat een meerderheid van Nederlandstalige staatsraden een beslissing zou nemen, tegen de wil in van de Waalse regering ?

Amendement nr. 16 wordt verworpen met 11 tegen 5 stemmen.

Amendement nr. 17

De heer Laeremans dient amendement nr. 17 in (subsidiair op amendement nr. 16, stuk Senaat, nr. 5-1563/3) dat ertoe strekt artikel 3 te vervangen door wat volgt :

« Art. 3. Artikel 95 van dezelfde wetten, vervangen bij de wet van 16 juni 1989, waarvan de bestaande tekst paragraaf 1 zal vormen, wordt aangevuld met een tweede paragraaf, luidende als volgt :

« § 2. Echter, wanneer een zaak bij de algemene vergadering aanhangig wordt gemaakt met toepassing van artikel 93, wordt het voorzitterschap waargenomen door een ambtsdrager van de Nederlandse taalrol. ». »

Amendement nr. 17 wordt verworpen met 11 tegen 5 stemmen.

Het aldus geamendeerde artikel 3 wordt aangenomen met 11 tegen 5 stemmen.

Artikel 4

Amendement nr. 4

De heer Mahoux c.s dient amendement nr. 4 in (stuk Senaat, nr. 5-1563/3) dat ertoe strekt in het voorgestelde artikel 97, derde lid, de woorden « artikel 95, §§ 2 en 3 » te vervangen door de woorden « artikel 95, §§ 2 tot 4 ».

De heer Bousetta verduidelijkt dat het amendement uit het advies van de Raad van State volgt.

Amendement nr. 4 wordt aangenomen met 11 tegen 5 stemmen.

Amendement nr. 18

De heer Laeremans dient amendement nr. 18 in (stuk Senaat, nr. 5-1563/3) dat ertoe strekt artikel 4 te doen vervallen. Dit amendement vloeit logisch voort uit amendement nr. 5.

Amendement nr. 18 wordt verworpen met 11 tegen 5 stemmen.

Het aldus geamendeerde artikel 4 wordt aangenomen met 11 tegen 5 stemmen.

Artikel 5

Dit artikel geeft geen aanleiding tot specifieke opmerkingen en wordt aangenomen met 11 tegen 5 stemmen.

Artikel 6

Dit artikel geeft geen aanleiding tot specifieke opmerkingen en wordt aangenomen met 11 tegen 5 stemmen.

B. Voorstel tot herziening van artikel 160 van de Grondwet (stuk Senaat, nr. 5-1564/1)

Enig artikel

Amendement nr. 1

De heer Laeremans dient amendement nr. 1 in (stuk Senaat, nr. 5-1564/2) dat ertoe strekt het voorgestelde artikel 160, derde lid, van de Grondwet te doen vervallen.

De indiener stelt dat de voorgestelde herziening van artikel 160, net zoals die van artikel 63, op ondemocratische wijze gebeurt omdat ook dit artikel niet voor herziening vatbaar werd verklaard. Via de kunstgreep van de overgangsbepaling in artikel 195 van de Grondwet wordt er nu ongrondwettig gehandeld.

Voor het overige stelt hij vast dat het voorgestelde artikel de belangen van de Vlamingen allerminst dient, wel integendeel. Er worden nieuwe faciliteiten en voorrechten ingevoerd voor de zes randgemeenten. Dat creëert een categorie « superburgers ». Als men dat vergelijkt met de manier waarop de Vlamingen in Brussel worden behandeld, is het zelfs tergend.

Zijn fractie weigert deze herziening in de Grondwet te laten betonneren want dat betekent dat dit in de toekomst ook niet door de Vlaamse meerderheid ongedaan kan worden gemaakt.

Amendement nr. 1 wordt verworpen met 11 tegen 5 stemmen.

Amendement nr. 2 (subsidiair op amendement nr. 1)

In zijn subsidiair amendement nr. 2 (stuk Senaat, nr. 5-1564/2) stelt de heer Laeremans voor om het voorgestelde artikel 160, derde lid, van de Grondwet te vervangen door wat volgt : « De bepalingen betreffende de algemene vergadering van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State die op dezelfde dag als dit lid in werking treden, kunnen bij gewone meerderheid worden gewijzigd. »

De indiener wenst dat, wanneer de Vlamingen tot de vaststelling komen dat de nieuwe bepalingen discriminerend zijn, de wijziging ervan met gewone meerderheid kan worden aangenomen.

Amendement nr. 2 wordt verworpen met 11 tegen 5 stemmen.

Het enig artikel wordt aangenomen met 11 tegen 5 stemmen.

C. Voorstel van bijzondere wet nr. 5-1565/1

Amendement nr. 7

In de lijn van zijn vroegere opmerkingen dient de heer Laeremans amendement nr. 7 in (stuk Senaat, nr. 5-1565/3) dat ertoe strekt het voorstel van bijzondere wet in zijn geheel te vervangen door een voorstel van bijzondere wet tot wijziging van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, wat de burgemeesters betreft.

Indien men de meerderheid volgt, dan betekent dat dat de Franstalige burgemeesters van de rand tot superburgemeesters worden gepromoveerd, die zich bijna boven de wet verheven mogen voelen, de taalwetgeving nooit zullen respecteren en zich niets aan de Vlaamse regering gelegen zullen laten liggen. Eigenlijk treedt de Raad van State, wat de benoeming van die burgemeesters betreft, in de plaats van de Vlaamse regering en is er zelfs geen akte van benoeming meer nodig. Hetzelfde geldt voor de betrokken « aangewezen-burgemeester », want als er binnen de 60 dagen geen weigeringsbeslissing van de Vlaamse regering komt, dan is die definitief benoemd. Het zou voor die burgemeester ook niet langer noodzakelijk zijn de eed te gaan afleggen. Hierdoor acht spreker het bewezen dat men de zes faciliteitengemeenten onttrekt aan het gezag van de Vlaamse regering.

De pacificatiewet verbiedt Vlaanderen wetgeving uit te vaardigen die specifiek op de zes faciliteitengemeenten van toepassing zou zijn. Als men het systeem van deelgemeenteraden invoert of gemeentelijke referenda organiseert, dan zou een afzonderlijke regeling voor de faciliteitengemeenten niet mogelijk zijn, want dat zou een schending zijn van het gelijkheidsbeginsel. Nu roept de meerderheid een omgekeerde discriminatie in het leven en beloont zij het incivisme van de betrokken burgemeesters.

Amendement nr. 7 wordt verworpen met 11 tegen 5 stemmen.

Opschrift

Amendement nr. 8

De heer Laeremans dient amendement nr. 8 in (subsidiair op amendement nr. 7, stuk Senaat, nr. 5-1565/2) dat ertoe strekt het opschrift te vervangen door wat volgt : « Wetsvoorstel tot wijziging van de Nieuwe Gemeentewet, wat de benoeming van de burgemeesters van de randgemeenten betreft ».

Hij stipt aan dat dit amendement samen moet worden gelezen met zijn amendementen nrs. 9 tot 13.

Amendement nr. 8 wordt verworpen met 11 tegen 5 stemmen.

Artikel 1

Amendement nr. 9

De heer Laeremans dient amendement nr. 9 in (subsidiair op amendement nr. 7, stuk Senaat, nr. 5-1565/3) dat ertoe strekt het cijfer « 77 » te vervangen door het cijfer « 78 ».

De heer Laeremans stipt aan dat dit amendement samen moet worden gelezen met de amendementen nrs. 8 en 10.

Amendement nr. 9 wordt verworpen met 11 tegen 5 stemmen.

Artikel 1 wordt aangenomen met 11 tegen 5 stemmen.

Opschrift van hoofdstuk II

Amendement nr. 10

De heer Laeremans dient amendement nr. 10 in (subsidiair op amendement nr. 7, stuk Senaat, nr. 5-1565/3) dat er, omwille van efficiency en leesbaarheid, toe strekt het opschrift van hoofdstuk II te vervangen door wat volgt : « Wijzigingen van de Nieuwe Gemeentewet ».

Amendement nr. 10 wordt verworpen met 11 tegen 5 stemmen.

Artikel 2

Amendement nr. 11

De heer Laeremans dient amendement nr. 11 in (subsidiair op amendement nr. 7, stuk Senaat, nr. 5-1565/3) dat ertoe strekt artikel 2 te doen vervallen.

Amendement nr. 11 wordt verworpen met 11 tegen 5 stemmen.

Artikel 2 wordt aangenomen met 11 tegen 5 stemmen.

Artikel 3

Amendement nr. 12

De heer Laeremans dient amendement nr. 12 in (subsidiair op amendement nr. 7, stuk Senaat, nr. 5-1565/3) dat ertoe strekt artikel 3 te doen vervallen.

Amendement nr. 12 wordt verworpen met 11 tegen 5 stemmen.

Artikel 3 wordt aangenomen met 11 tegen 5 stemmen.

Artikel 4

Amendement nr. 1

De heer Delpérée c.s. dient amendement nr. 1 in (stuk Senaat nr. 5-1565/3), dat strekt om verscheidene wetgevingstechnische wijzigingen aan te brengen, daar hij een nieuwe nummering voorstelt voor het hoofdstuk dat bij artikel 4 van het voorstel van bijzondere wet moet worden ingevoegd.

De heer Delpérée verklaart dat het amendement gevolg geeft aan het advies van de Raad van State.

Amendement nr. 1 wordt aangenomen met 11 tegen 5 stemmen.

Amendement nr. 3

De heer Vanlouwe c.s. dient amendement nr. 3 in (stuk Senaat, nr. 5-1565/3) dat ertoe strekt in het voorgestelde artikel 13/1, § 1, derde zin, de woorden « evenwel niet » te doen vervallen.

De heer Broers, mede-indiener, verwijst naar de verantwoording van het amendement.

Amendement nr. 3 wordt verworpen met 11 tegen 5 stemmen.

Amendement nr. 4

De heer Vanlouwe c.s. dient amendement nr. 4 in (stuk Senaat, nr. 5-1565/3) dat ertoe strekt in het voorgestelde artikel 13/1, § 6, de woorden « de Raad van State de beslissing tot weigering bevestigt » te vervangen door de woorden « de Raad van State de beslissing tot weigering bevestigt of geen uitspraak doet in de haar toegewezen termijn bedoeld in § 5, tweede lid ».

De heer Broers, mede-indiener, verwijst naar de verantwoording van het amendement.

Amendement nr. 4 wordt verworpen met 11 tegen 5 stemmen.

Amendement nr. 5

De heer Vanlouwe c.s. dient amendement nr. 5 in (stuk Senaat, nr. 5-1565/3) dat ertoe strekt het voorgestelde artikel 13/1, § 6, aan te vullen met de volgende zin : « Een definitief geweigerde aangewezen-burgemeester kan niet opnieuw worden voorgedragen. ».

De heer Broers, mede-indiener, verwijst naar de verantwoording van het amendement.

Amendement nr. 5 wordt verworpen met 11 tegen 5 stemmen.

Amendement nr. 6

De heer Vanlouwe c.s. dient amendement nr. 6 in (stuk Senaat, nr. 5-1565/3) dat ertoe strekt in het voorgestelde artikel 13/1, § 7, de woorden « leidt haar arrest tot de definitieve benoeming van de aangewezen-burgemeester en tot zijn vervanging als schepen overeenkomstig de procedure bepaald in artikel 15, § 2, indien hij als schepen werd verkozen » te vervangen door de woorden « verwijst zij het dossier naar de Vlaamse regering ».

De heer Broers, mede-indiener, verwijst naar de verantwoording van het amendement.

Amendement nr. 6 wordt verworpen met 11 tegen 5 stemmen.

Amendement nr. 13

De heer Laeremans dient amendement nr. 13 in (subsidiair op amendement nr. 7, stuk Senaat, nr. 5-1565/3) dat ertoe strekt de woorden « In hoofdstuk IIbis, ingevoegd bij artikel 3, wordt een artikel 10/1 ingevoegd, luidende : « Art. 10/1. » te doen vervallen.

Amendement nr. 13 wordt verworpen met 11 tegen 5 stemmen.

Amendement nr. 14

De heer Laeremans dient amendement nr. 14 in (subsidiair op amendement nr. 7, stuk Senaat, nr. 5-1565/3) dat ertoe strekt in het voorgestelde artikel 13/1 de volgende wijzigingen aan te brengen :

1º in § 1 de laatste twee zinnen doen vervallen;

2º in de §§ 2 tot en met 7 de woorden « aangewezen-burgemeester » telkens vervangen door de woorden « kandidaat-burgemeester ».

De heer Laeremans verwerpt het rechtsbegrip van de « aangewezen-burgemeester » omdat men volgens hem hiermee een nieuwe categorie van burgemeesters in het leven roept, zonder dat hier enig debat aan voorafgaat. Er is op dit moment een discussie over de functie van « dienstdoende » burgemeester in de zes faciliteitengemeenten. Hij wenst te weten hoe men de term « aangewezen » moet interpreteren. Mag de betrokkene documenten, zoals bijvoorbeeld zijn informatieblad, ondertekenen met de titel « burgemeester » en wat is zijn aanspreektitel ? Is hij op dat vlak een volwaardige burgemeester ?

De heer Wathelet, staatssecretaris voor Staatshervorming, antwoordt dat betrokkene als « aangewezen-burgemeester » moet worden aangesproken en documenten met die titel moet ondertekenen.

Amendement nr. 14 wordt verworpen met 11 tegen 5 stemmen.

Amendement nr. 15

De heer Laeremans dient amendement nr. 15 in (subsidiair op amendement nr. 7, stuk Senaat, nr. 5-1565/3) dat ertoe strekt in het voorgestelde artikel 13/1 de volgende wijzigingen aan te brengen :

1º in § 1 tussen de eerste en de tweede zin een nieuwe zin invoegen, luidende : « Elke voordrachtsakte moet, op straffe van niet ontvankelijkheid, vergezeld zijn van een schriftelijke verklaring waarin de voorgedragen kandidaat-burgemeester zich ertoe verbindt de taalwetten te zullen naleven. »;

2º in § 5, vierde lid, een 3 invoegen, luidende : « 3º zij niet vergezeld is van de bij de voordrachtsakte gevoegde schriftelijke verklaring waarin de voorgedragen kandidaat-burgemeester zich ertoe verbindt de taalwetten te zullen naleven, zoals bedoeld in paragraaf 1; ».

De heer Laeremans stipt aan dat het eerste deel van zijn amendement nr. 15 gebaseerd is op de onderhandelingsnota inzake de Zesde Staatshervorming van 3 januari 2011 van de heer Johan Vande Lanotte. Bijgevolg zal zijn amendement op brede steun kunnen rekenen.

Amendement nr. 15 wordt verworpen met 11 tegen 5 stemmen.

Amendement nr. 16

De heer Laeremans dient amendement nr. 16 in (subsidiair op amendement nr. 7, stuk Senaat, nr. 5-1565/3) dat ertoe strekt in het voorgestelde artikel 13/1 de volgende wijzigingen aan te brengen :

1º paragraaf 2 vervangen door wat volgt : « § 2. Wanneer de Vlaamse regering deze voordrachtsakte die werd bevestigd door een stemming van de gemeenteraad ontvangt, doet zij de nodige onderzoeken om over te gaan tot de benoeming van de kandidaat-burgemeester of tot de weigering ervan. »;

2º in § 3 de woorden « of indien zij geen beslissing meedeelt binnen de haar toegewezen termijn » doen vervallen.

De heer Laeremans verklaart dat de wijziging in § 3 erop gericht is te vermijden dat de kandidaat-burgemeesters automatisch burgemeester zouden worden. Ook dit amendement is geïnspireerd op de onderhandelingsnota inzake de Zesde Staatshervorming van 3 januari 2011 van de heer Johan Vande Lanotte.

Amendement nr. 16 wordt verworpen met 11 tegen 5 stemmen.

Amendement nr. 17

De heer Laeremans dient amendement nr. 17 in (subsidiair op amendement nr. 7, stuk Senaat, nr. 5-1565/3) dat ertoe strekt het voorgestelde artikel 13/1, § 2, aan te vullen met de volgende zin : « Indien de aangewezen-burgemeester in het verleden reeds het ambt van burgemeester of schepen heeft vervuld en in een van deze hoedanigheden in zijn hoofde of op zijn instructie de taalwetgeving bewust niet werd nageleefd, dan is dit te beschouwen als een grove nalatigheid in de zin van artikel 82 en een reden om de benoeming te weigeren. »

Het bewust niet naleven van de taalwetgeving vormt aldus een weigeringsgrond voor de benoeming tot burgemeester. Hiermee wordt, volgens spreker, een garantie ingebouwd dat de taalwetgeving in de toekomst zal worden nageleefd. De kandidaat-burgemeesters van de faciliteitengemeenten hebben in dezen een voorbeeldfunctie.

Spreker stipt aan dat de federale taalwetgeving een geheel van rechtsregels is van openbare orde, die bijgevolg een hogere rangorde hebben dan de gewone wetgeving.

Amendement nr. 17 wordt verworpen met 11 tegen 5 stemmen.

Amendement nr. 18

In de lijn van zijn vroegere opmerkingen (zie amendement nr. 16 op het voorstel nr. 5-1563/1) dient de heer Laeremans amendement nr. 18 in (subsidiair op amendement nr. 7, stuk Senaat, nr. 5-1565/3) dat er in hoofdzaak toe strekt in het voorgestelde artikel 13/1 een aantal wijzigingen aan te brengen waardoor niet langer de algemene vergadering van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevoegd is voor de procedure inzake de burgemeesters van de zes randgemeenten, maar een Nederlandstalige kamer.

Amendement nr. 18 wordt verworpen met 11 tegen 5 stemmen.

Amendement nr. 19

De heer Laeremans dient amendement nr. 19 in (subsidiair op amendement nr. 7, stuk Senaat, nr. 5-1565/3) dat ertoe strekt in het voorgestelde artikel 13/1, § 6, tussen de eerste en de tweede zin een nieuwe zin in te voegen, luidende : « Indien de weigering tot benoeming van de aangewezen-burgemeester door de Vlaamse regering gebaseerd is op kennelijk wangedrag als gevolg van de duidelijke niet-naleving van de in de randgemeenten toepasselijke taalwetgeving krachtens artikel 129 van de Grondwet, kan de Raad van State ook een uitspraak doen over de uitsluiting van de aangewezen-burgemeester van een nieuwe kandidaatstelling als burgemeester gedurende een periode die maximaal tot de volgende gemeenteraadsverkiezingen kan lopen. »

De heer Laeremans verklaart dat dit amendement gebaseerd is op de voorstellen, onder meer over de benoeming van de burgemeesters, in het eindrapport van 12 mei 2011 van de heer Beke, toentertijd koninklijk onderhandelaar.

Amendement nr. 19 wordt verworpen met 11 tegen 5 stemmen.

Amendement nr. 20

De heer Laeremans dient amendement nr. 20 in (subsidiair op amendement nr. 7, stuk Senaat, nr. 5-1565/3) dat ertoe strekt in het voorgestelde artikel 13/1 na § 7 een nieuwe paragraaf in te voegen, luidende : « § 8. De procedure zoals bepaald in de paragrafen 4 tot en met 7 zijn niet van toepassing wanneer de taalwetgeving, rechtstreeks of onrechtstreeks, mee het voorwerp uitmaakt van het geding. ».

De heer Laeremans verklaart dat dit amendement erop gericht is de toepassing uit te sluiten van de in de §§ 4 en 7 bepaalde uitzonderingsprocedure waarbij de algemene vergadering van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State tussenkomt.

Tevens wil het amendement vermijden dat de omzendbrief-Peeters op het taalgebruik in gemeentebesturen van het Nederlandse taalgebied (A 97/22) van 16 december 1997 en de omzendbrief inzake taalgebruik in de Openbare Centra voor Maatschappelijk Welzijn van het Nederlandse taalgebied (WEL-98/01) van 3 februari 1998 onderuit zouden worden gehaald.

Amendement nr. 20 wordt verworpen met 11 tegen 5 stemmen.

Het aldus geamendeerde artikel 4 wordt aangenomen met 11 tegen 5 stemmen.

Artikel 5

Amendement nr. 21

De heer Laeremans dient amendement nr. 21 in (subsidiair op amendement nr. 7, stuk Senaat, nr. 5-1565/3) dat ertoe strekt om artikel 5 te vervangen door wat volgt : « Art. 5. In de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen worden de volgende bepalingen opgeheven :

— artikel 5, § 1, II, 2, d);

— artikel 6, § 1, VIII, eerste lid, 1, eerste streepje;

— artikel 6, § 1, VIII, eerste lid, 4, eerste lid, a);

— artikel 7, § 1, voor wat de uitzonderingsbepaling in het eerste lid betreft. ».

Voor nadere informatie wordt naar de verantwoording van het amendement verwezen.

Amendement nr. 21 wordt verworpen met 11 tegen 5 stemmen.

Artikel 5 wordt aangenomen met 11 tegen 5 stemmen.

Artikel 5/1 (nieuw)

Amendement nr. 2

De heer Delpérée c.s. dient amendement nr. 2 in (stuk Senaat, nr. 5-1565/3), dat strekt om een nieuw artikel 5/1 in te voegen, luidende :

« Art. 5/1. In de artikelen 6, § 1, VIII, eerste lid, 1, eerste streepje, 6, § 1, VIII, eerste lid, 4, eerste lid, a), en 7, § 1, van dezelfde bijzondere wet worden de woorden « de nieuwe gemeentewet, » telkens ingevoegd tussen de woorden « in de gemeentewet; » en de woorden « de gemeentekieswet ». ».

De heer Delpérée legt uit dat het om een wetgevingstechnische aanpassing gaat na een opmerking van de Raad van State (advies van de Raad van State nr. 51.216/AV van 2 mei 2012) (stuk Senaat nr. 5-1565/2).

Amendement nr. 2 wordt aangenomen als nieuw artikel 6 met 11 tegen 5 stemmen.

Artikel 6 (nieuw art. 7)

Amendement nr. 22

De heer Laeremans dient amendement nr. 22 in (subsidiair op amendement nr. 7, stuk Senaat, nr. 5-1565/3) dat ertoe strekt in het voorgestelde artikel 6 het woord « niet » te doen vervallen.

Dit amendement hangt samen met zijn amendementen nrs. 17 en 19. Spreker is er immers van overtuigd dat een bestaande beslissing tot weigering van een benoeming wel degelijk kan worden aangevoerd om de weigering te verantwoorden.

Amendement nr. 22 wordt verworpen met 11 tegen 5 stemmen.

Amendement nr. 23

De heer Laeremans dient amendement nr. 23 in (subsidiair op amendement nr. 7, stuk Senaat, nr. 5-1565/3) dat ertoe strekt in het voorgestelde artikel 6 het woord « aangewezen-burgemeester » te vervangen door het woord « kandidaat-burgemeester ».

De indiener verwijst naar zijn amendement nr. 14.

Amendement nr. 23 wordt verworpen met 11 tegen 5 stemmen.

Artikel 6 wordt als artikel 7 aangenomen met 11 tegen 5 stemmen.

Artikel 7 (nieuw art. 8)

Dit artikel geeft geen aanleiding tot opmerkingen en wordt als artikel 8 aangenomen met 11 tegen 5 stemmen.

D. Voorstel van bijzondere wet nr. 5-1566/1

Artikel 1

Dit artikel geeft geen aanleiding tot opmerkingen en wordt aangenomen met 11 tegen 5 stemmen.

Artikel 2

Amendement nr. 1

De heer Cheron dient amendement nr. 1 in (stuk Senaat nr. 5-1566/3), dat strekt om gevolg te geven aan een opmerking van de Raad van State.

Dat amendement strekt om artikel 2 aan te vullen met een punt 3, luidende :

« 3 het woord « garanties » wordt in de Nederlandse tekst vervangen door het woord « waarborgen ». ».

Amendement nr. 1 wordt aangenomen met 11 tegen 5 stemmen.

Aansluitend bij zijn bijdragen tot de algemene bespreking, dient de heer Laeremans de amendementen nr. 2 tot 5 in.

Amendement nr. 2

De heer Laeremans dient amendement nr. 2 in (stuk Senaat nr; 5-1566/3) dat ertoe strekt artikel 2 te vervangen als volgt : « Artikel 16bis, ingevoegd bij de wet van 13 juli 2001, en artikel 16ter, ingevoegd bij de wet van 13 juli 2001 en gewijzigd bij wet van 21 februari 2010, worden opgeheven. »

De indiener verwijst naar de verantwoording van zijn amendement. Het is de bedoeling de « standstill » voor de rand- en taalgrensgemeenten zowel aan Nederlandstalige als aan Franstalige kant op te heffen.

Amendement nr. 2 wordt verworpen met 11 tegen 5 stemmen.

Amendement nr. 3

De heer Laeremans dient amendement nr. 3 in (subsidair amendement op amendement nr. 2, Stuk Senaat, nr. 3-1566/2) om het 1º van dit artikel te vervangen als volgt :« 1º de woorden « De decreten, reglementen en administratieve handelingen mogen geen afbreuk doen aan de op het ogenblik van de inwerkingtreding van deze bepaling bestaande garanties die de Franstaligen genieten in de gemeenten genoemd in artikel 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken » worden vervangen door de woorden « De reglementen en verordeningen van de plaatselijke besturen mogen geen afbreuk doen aan de op het ogenblik van de inwerkingtreding van deze bepaling bestaande garanties die de Nederlandstaligen genieten in de gemeenten genoemd in artikel 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken ». »

De « standstill » moet worden gehandhaafd voor de Nederlandstaligen voor de lokale besturen.

Amendement nr. 3 wordt verworpen met 11 tegen 5 stemmen.

Amendement nr. 4

De heer Laeremans dient amendement nr. 4 in (subsidair amendement op amendement nr. 2, Stuk Senaat, nr. 3-1566/2) om het 2 van dit artikel te vervangen opdat de « standstill » niet kan worden uitgebreid en in werking treden.

Amendement nr. 4 wordt verworpen met 11 tegen 5 stemmen.

Amendement nr. 5

De heer Laeremans dient amendement nr. 5 in (subsidiair amendement op amendement nr. 2, Stuk Senaat nr. 5-1566/3), dat strekt om dat artikel aan te vullen met een 3, luidende : « 3 de woorden « en Nederlandstaligen » worden ingevoegd tussen het woord « Franstaligen » en het woord « genieten ».

Amendement nr. 5 wordt verworpen met 11 tegen 5 stemmen.

Het aldus geamendeerde artikel 2 wordt aangenomen met 11 tegen 5 stemmen.

Artikel 3

Amendement nr. 6

De heer Laeremans dient amendement nr. 6 in (subsidiair amendement op amendement nr. 2, Stuk Senaat nr. 5-1566/3) dat strekt om in het 1º, na de woorden « de overige plaatselijke besturen » de woorden « alsook de wetten, reglementen en administratieve handelingen van de federale overheid « toe te voegen ».

De indiener verwijst naar de verantwoording van zijn amendement.

Amendement nr. 6 wordt verworpen met 11 tegen 5 stemmen.

Artikel 3 wordt aangenomen met 11 tegen 5 stemmen.

Artikel 4

Over dit artikel worden geen opmerkingen gemaakt.

Het wordt aangenomen met 11 tegen 5 stemmen.

V. STEMMINGEN OVER HET GEHEEL

— Het wetsvoorstel nr. 5-1563/1, zoals geamendeerd, wordt in zijn geheel aangenomen met 11 tegen 5 stemmen.

— Het voorstel tot herziening van de Grondwet nr. 5-1564/1 wordt in zijn geheel aangenomen met 11 tegen 5 stemmen.

— Het voorstel van bijzondere wet nr. 5-1565/1, zoals geamendeerd, wordt in zijn geheel aangenomen met 11 tegen 5 stemmen.

— Het voorstel van bijzondere wet nr. 5-1566/1, zoals geamendeerd, wordt in zijn geheel aangenomen met 11 tegen 5 stemmen.


Dit verslag werd goedgekeurd met 11 stemmen bij 1 onthouding.

De rapporteurs, De voorzitster,
Armand DE DECKER.Wouter BEKE. Sabine de BETHUNE.