5-609/2

5-609/2

Belgische Senaat

ZITTING 2010-2011

22 DECEMBER 2010


Wetsontwerp houdende diverse bepalingen (I)


Evocatieprocedure


AMENDEMENTEN


Nr. 1 VAN DE HEER IDE

Art. 118

Het voorgestelde artikel 195, § 1, 2º vervangen als volgt :

« Het bedrag van de administratiekosten van de vijf landsbonden wordt vastgelegd op 766 483 000 EUR voor 2003, 802 661 000 EUR voor 2004, 832 359 000 EUR voor 2005, 863 156 000 EUR voor 2006, 895 524 000 EUR voor 2007, 929 160 000 EUR voor 2008, 972 546 000 EUR voor 2009, 1 012 057 000 EUR voor 2010 en 1 031 286 083 EUR voor 2011. Voor de Kas voor geneeskundige verzorging van de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen wordt dit bedrag vastgesteld op 13 195 000 EUR voor 2003, 13 818 000 EUR voor 2004, 14 329 000 EUR voor 2005, 14 859 000 EUR voor 2006, 15 416 000 EUR voor 2007, 15 995 000 EUR voor 2008, 16 690 000 EUR voor 2009, 17 368 000 EUR voor 2010 en 17 697 992 EUR voor 2011. »

Verantwoording

In de tekst van het voorontwerp nemen de administratiekosten voor de verzekeringsinstellingen toe met 2,2324829 %. Dit is meer dan de inflatievoet die werd gebruikt bij het vastleggen van het budget van de verplichte verzekering voor 2011 (1,9 %).

De administratiekosten van de verzekeringsinstellingen mogen in 2011 maximum 1,9 % hoger liggen dan in 2010. Immers, iedereen zal inspanningen moeten leveren om de overheidsfinanciën terug op de rails te brengen, het is niet meer dan normaal dat ook de verzekeringsinstellingen hun verantwoordelijkheid opnemen.

Louis IDE.

Nr. 2 VAN DE HEER DELPÉRÉE C.S.

Onder het opschrift « Werk : Verlenging van de anticrisismaatregelen », een Titel 20 invoegen, dat de artikelen 193 tot 207 omvat, luidend als volgt :

« Titel 20

Werk : Verlenging van de anticrisismaatregelen

Hoofdstuk 1 : Werk

Artikel 193

In artikel 13 van de wet van 19 juni 2009 houdende diverse bepalingen over tewerkstelling in tijden van crisis worden de volgende wijzigingen aangebracht :

1º de woorden « 1 oktober 2010 » worden vervangen door de woorden « 1 februari 2011 »,

2º het laatste lid wordt opgeheven.

Artikel 194

In artikel 14bis, § 1, 1º en 2º, en § 2, 1º, ingevoegd bij de wet van 30 december 2009 worden de woorden « 31 december 2009 » vervangen door de woorden « 31 december 2010 ».

Artikel 195

In artikel 28 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :

1º de woorden « 1 oktober 2010 » worden vervangen door de woorden « 1 februari 2011 »,

2º het tweede lid wordt opgeheven.

Artikel 196

In artikel 31 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :

1º de woorden « 30 september 2010 » worden vervangen door de woorden « 31 januari 2011 »,

2º de woorden « De Koning kan bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en na advies van de Nationale Arbeidsraad de toepassing van deze titel verlengen tot uiterlijk 31 december 2010 indien de economische toestand het rechtvaardigt » worden geschrapt.

Artikel 197

Artikel 153 van de wet houdende diverse bepalingen van 30 december 2009 wordt als volgt gewijzigd :

In § 1 worden na 4º een nieuw 5º, 6º en 7º ingevoegd, luidend als volgt :

« 5º ten aanzien van de werkman werd, indien de kennisgeving van het ontslag valt in de periode van 1 juni 2010 tot 30 september 2010, door deze werkgever in de periode van 1 april 2010 tot de dag vóór de kennisgeving van het ontslag, een maatregel van collectieve vermindering of individuele vermindering van de arbeidsduur toegepast zoals voorzien door titel I of titel II, hoofdstuk 2, van de wet van 19 juni 2009 houdende diverse bepalingen over tewerkstelling in tijden van crisis;

6º ten aanzien van de werkman werd, indien de kennisgeving van het ontslag valt in de periode van 1 oktober 2010 tot 31 december 2010, door deze werkgever in de periode van 1 juli 2010 tot de dag vóór de kennisgeving van het ontslag, een maatregel van collectieve vermindering of individuele vermindering van de arbeidsduur toegepast zoals voorzien door titel I of titel II, hoofdstuk 2 van de wet van 19 juni 2009 houdende diverse bepalingen over tewerkstelling in tijden van crisis;

7º ten aanzien van de werkman werd, indien de kennisgeving van het ontslag valt in de periode van 1 januari 2011 tot 31 januari 2011, door deze werkgever in de periode van 1 oktober 2010 tot de dag vóór de kennisgeving van het ontslag, een maatregel van collectieve vermindering of individuele vermindering van de arbeidsduur toegepast zoals voorzien door titel I of titel II, hoofdstuk 2, van de wet van 19 juni 2009 houdende diverse bepalingen over tewerkstelling in tijden van crisis; »

In dezelfde paragraaf worden de huidige 5º en 6º hernummerd tot 8º en 9º;

In dezelfde paragraaf worden een nieuw 10º, 11º en 12º ingevoegd, luidend als volgt :

« 10º ten aanzien van de werkman werd, indien de kennisgeving van het ontslag valt in de periode van 1 juli 2010 tot 30 september 2010, de uitvoering van de arbeidsovereenkomst voor werklieden door deze werkgever in de periode van 1 april 2010 tot de dag vóór de kennisgeving van het ontslag geschorst in toepassing van artikel 51 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten gedurende een aantal dagen, in functie van zijn arbeidsregeling, gelijk aan vier weken zo de werkman minder dan twintig jaar anciënniteit telt in de onderneming op het tijdstip van de kennisgeving van zijn ontslag en aan acht weken zo de werkman ten minste twintig jaar anciënniteit telt in de onderneming op het tijdstip van de kennisgeving van zijn ontslag;

11º ten aanzien van de werkman werd, indien de kennisgeving van het ontslag valt in de periode van 1 oktober 2010 tot 31 december 2010, de uitvoering van de arbeidsovereenkomst voor werklieden door deze werkgever in de periode van 1 juli 2010 tot de dag vóór de kennisgeving van het ontslag geschorst in toepassing van artikel 51 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten gedurende een aantal dagen, in functie van zijn arbeidsregeling, gelijk aan vier weken zo de werkman minder dan twintig jaar anciënniteit telt in de onderneming op het tijdstip van de kennisgeving van zijn ontslag en aan acht weken zo de werkman ten minste twintig jaar anciënniteit telt in de onderneming op het tijdstip van de kennisgeving van zijn ontslag;

12º ten aanzien van de werkman werd, indien de kennisgeving van het ontslag valt in de periode van 1 januari 2011 tot 31 januari 2011, de uitvoering van de arbeidsovereenkomst voor werklieden door deze werkgever in de periode van 1 oktober 2010 tot de dag vóór de kennisgeving van het ontslag geschorst in toepassing van artikel 51 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten gedurende een aantal dagen, in functie van zijn arbeidsregeling, gelijk aan vier weken zo de werkman minder dan twintig jaar anciënniteit telt in de onderneming op het tijdstip van de kennisgeving van zijn ontslag en aan acht weken zo de werkman ten minste twintig jaar anciënniteit telt in de onderneming op het tijdstip van de kennisgeving van zijn ontslag. »

Artikel 198

In artikel 155 van de wet van 30 december 2009 houdende diverse bepalingen worden de volgende wijzigingen aangebracht :

1º de woorden « 30 september 2010 » worden vervangen door de woorden « 31 januari 2011 »,

2º het tweede lid wordt geschrapt.

Artikel 199

In artikel 1, 4º van het koninklijk besluit van 11 februari 2010 houdende uitvoering van artikel 153,§ 2 van de wet van 30 december 2009 houdende diverse bepalingen betreffende de erkenning als onderneming in moeilijkheden voor ondernemingen met minder dan 10 werknemers, zoals gewijzigd door de wet van 19 mei 2010, worden de woorden : « vierde trimester 2008 » vervangen door de woorden « vierde trimester 2009 » en de woorden « derde trimester 2009 » worden vervangen door de woorden « derde trimester 2010 ».

Artikel 200

Dit hoofdstuk treedt in werking op 31 december 2010

Hoofdstuk 2 : Zelfstandigen

Artikel 201

In artikel 40, tweede lid, van de wet van 19 mei 2010 houdende fiscale en diverse bepalingen worden de woorden « 31 december 2010 » vervangen door de woorden « 31 januari 2011 ».

Artikel 202

In artikel 42, tweede lid van dezelfde wet worden de woorden « 31 december 2010 » vervangen door de woorden « 31 januari 2011 ».

Artikel 203

In artikel 45, tweede lid van dezelfde wet worden de woorden « 31 december 2010 » vervangen door de woorden « 31 januari 2011 ».

Artikel 204

In artikel 1 van het koninklijk besluit van 10 oktober 2010 houdende uitvoering van de artikelen 40, 42 en 45 van de wet van 19 mei 2010 houdende fiscale en diverse bepalingen worden de volgende wijzigingen aangebracht :

In het eerste lid worden de woorden « 31 december 2010 » vervangen door de woorden « 31 januari 2011 »;

In het tweede lid worden de woorden « 31 december 2010, artikel 34, §§ 1 en 2 » vervangen door de woorden « 31 januari 2011, artikel 34, §§ 1 en 2 ».

Artikel 205

In artikel 2 van hetzelfde besluit worden de woorden« 31 december 2010 » vervangen door de woorden « 31 januari 2011 ».

Artikel 206

In artikel 3, eerste lid, van hetzelfde besluit worden de woorden « 31 december 2010 » vervangen door de woorden « 31 januari 2011 ».

Artikel 207

Dit hoofdstuk treedt in werking op 31 december 2010 ».

Verantwoording

Voor de artikelen van hoofdstuk 1 : Werk

De anticrisismaatregelen hebben duidelijk hun nut bewezen. Dankzij deze maatregelen is men er in België in geslaagd de impact van de wereldwijde crisis op de tewerkstelling te beperken. In België is de werkloosheid dankzij deze anticrisismaatregelen dan ook maar in beperkte mate toegenomen. Dit wordt bevestigd door de OESO en door de Europese Commissie die de Belgische aanpak als voorbeeld stellen.

De anticrisismaatregelen werden reeds een aantal keren verlengd en lopen nu af op 31 december 2010.

Op uitdrukkelijke vraag van de sociale partners, die op dit ogenblik in volle onderhandelingen zijn met betrekking tot het sluiten van een interprofessioneel akkoord voor de periode 2011-2012, wordt de rechtsbasis gecreëerd om de anticrisismaatregelen te verlengen voor een zeer beperkte periode, namelijk tot 31 januari 2011.

Deze korte verlenging moet toelaten dat de sociale partners in een sereen klimaat en met continuïteit van de anticrisismaatregelen hun onderhandelingen voort zetten om het dossier inzake de uitwerking van een eenheidsstatuut voor arbeiders en bedienden op zeer korte termijn succesvol af te ronden.

Uiteraard wordt voorzien in de verlenging van alle anticrisismaatregelen, met name de collectieve arbeidsduurvermindering, het crisistijdskrediet, de tijdelijke schorsing van de arbeidsovereenkomsten van bedienden, de activering van werkloosheidsuitkeringen en toekenning van RSZ verminderingen aan werknemers uit failliete ondernemingen die worden aangeworven, de crisispremie voor ontslagen arbeiders en de maatregelen met betrekking tot de zelfstandigen in moeilijkheden.

Voor de artikelen van het hoofdstuk 2 : Zelfstandigen

Met dit hoofdstuk wordt voorgesteld de bestaande crisismaatregelen ten gunste van de zelfstandigen in moeilijkheden ten gevolge van de economische crisis te verlengen.

De met dit amendement beoogde maatregel beoogt de verlenging van de uitbreiding van de bestaande verzekering in geval van faillissement en gelijkgestelde gevallen tot gevallen waarin de zelfstandigen hun inkomsten zien dalen ten gevolge van de economische crisis en daardoor zelf in moeilijkheden komen.

Het doel is te vermijden dat de betrokken zelfstandigen failliet zouden gaan.

Concreet wordt voorzien in een uitkering voor deze zelfstandigen gedurende een periode van maximum zes maanden. Het bedrag van de uitkering is hetzelfde als dat van de bestaande sociale verzekering in geval van faillissement

Daarnaast wordt voorzien in een verbetering van de aanvraagprocedure van de sociale verzekering in geval van faillissement door een verlenging van de termijn met één kwartaal om de aanvraag in te dienen.

Francis DELPÉRÉE.
Philippe MAHOUX.
Sabine de BETHUNE.
François BELLOT.
Bart TOMMELEIN.

Nr. 3 VAN DE HEER BROERS

Art. 164

Dit artikel doen vervallen.

Verantwoording

Met de bepaling in artikel 164 maakt de regering het voor asielzoekers in de praktijk veel moeilijker om in aanmerking te komen voor maatschappelijke dienstverlening indien aan hen geen opvangplaats werd toegewezen. Doordat deze mensen niet over een adres beschikken is hun plaats van inschrijving in de praktijk vrijwel steeds het adres van de Dienst Vreemdelingenzaken. Vaak zijn deze mensen onvermogend en beschikken zij niet over een netwerk, waardoor het voor hen in de praktijk onmogelijk is om op eigen houtje een plaats van inschrijving te vinden. Het voorstel beoogt de praktijk van het Brusselse OCMW, dat — tegen de wet in — deze asielzoekers nu al maanden weigert, te legitimeren.

Via juridisch formalisme wordt de niet-toegewezen asielzoeker die niet over de middelen beschikt om zelfstandig een adres te zoeken elke assistentie door het OCMW (dringende medische hulp uitgezonderd) ontnomen, en dit terwijl de regering er niet eens in slaagt om de opvangcapaciteit voor te behouden voor de asielzoekers zelf. Tot op vandaag wordt 16 % van de opvangcapaciteit ingenomen door vreemdelingen die geen asielzoeker zijn. Nochtans is het garanderen van opvang aan asielzoekers een Belgische en Europeesrechtelijke wettelijke verplichting. Om deze redenen dient artikel 164 te worden geschrapt.

Nr. 4 VAN DE HEER BROERS

Art. 187

In het voorgestelde artikel 9ter de volgende wijzigingen aanbrengen :

1º in § 1, eerste lid, de woorden « die zijn identiteit aantoont overeenkomstig § 2 » vervangen door de woorden « die beschikt over een identiteitsdocument »;

2º § 1 aanvullen met een lid, luidende :

« De machtiging tot verblijf wordt niet toegekend aan de vreemdeling die een andere verblijfsprocedure of asielaanvraag lopende heeft. »;

3º in § 2, het eerste en het tweede lid vervangen door een enkel lid, luidende :

« Bij zijn aanvraag toont de vreemdeling zijn identiteit voorzien in § 1, eerste lid, aan door middel van een identiteitsdocument. »

4º § 2, derde lid, doen vervallen.

5º in § 3, 2º de woorden « of wanneer de aanvraag het bewijs voorzien in § 2, derde lid niet bevat » doen vervallen.

6º § 3, eerste lid, aanvullen met een 5º, luidende :

« 5º indien de in § 1 vermelde ambtenaar-geneesheer of geneesheer aangeduid door de minister of zijn gemachtigde in een advies vaststelt dat de aanvraag kennelijk ongegrond is, omdat de ziekte kennelijk niet beantwoordt aan een ziekte zoals voorzien in § 1, eerste lid en die aanleiding kan geven tot het bekomen van een machtiging tot verblijf in het Rijk op grond van onderhavige bepaling. ».

Verantwoording

Verantwoording van 1º, 3º en 5º

Migratie staat vandaag in het centrum van het politieke spectrum. Het non-beleid van de laatste jaren zorgt ervoor dat het maatschappelijk draagvlak voor een positief vreemdelingenbeleid verdampt. Iedereen smeekt om een overheid die werkt en die een genuanceerd antwoord biedt op de reële noden van alle burgers.

De voorstellen in het wetsontwerp houdende diverse bepalingen komen dan ook niets te vroeg. Het arrest 2009/193 van het Grondwettelijk Hof over de medische regularisatieprocedure is reeds meer dan een jaar oud, de opvang- en asielcrisis sleept al maanden en jaren aan, de wachtrijen zijn eindeloos, velen leven in onzekerheid, in een grijze zone, op straat.

De in het wetsontwerp voorgestelde wijzigingen bieden een interessante eerste stap, maar negeren tegelijk de kern van het probleem. Het is de taak van het parlement om hierover een grondige discussie te voeren. Een discussie waarin niet enkel geopteerd wordt voor tijdelijke symptoombestrijding, maar integendeel voor een aanpak die een kordaat optreden tegen proceduremisbruiken garandeert. Tegelijk dient onze samenleving open te blijven staan om ernstig zieke vreemdelingen zekerheid te bieden op een degelijke medische behandeling.

— Doelstelling : Wegwerken proceduremisbruik

Eerste slachtoffers van de proceduremisbruiken zijn immers de vreemdelingen die te goeder trouw en op een correcte wijze verblijf wensen te verkrijgen. De dossiers van zwaar zieke vreemdelingen die onze steun meer dan verdienen, verzuipen vandaag echter in de massa oneigenlijke aanvragen.

Bewijs van het misbruik van de procedure tot medische regularisatie kan bovendien letterlijk nagelezen worden in de memorie van toelichting bij het wetsontwerp houdende diverse bepalingen. Hierin wordt vermeldt dat « in 2009 de aanvragen om medische redenen goed waren voor 33 % van de totale regularisatieaanvragen en dit terwijl de medische regularisatie bedoeld was als een absoluut uitzonderlijke procedure. Bovendien konden in 2008 slechts in minder dan 6 % van de aanvragen de ingeroepen medische redenen uiteindelijk ten gronde worden weerhouden, in 2009 was dit 8 % (met name 754 gunstige beslissingen op 8 575 aanvragen) ».

Niemand kan dan ook ontkennen dat de procedure van artikel 9ter massaal wordt misbruikt. In het bijzonder omdat de vreemdelingen op deze manier makkelijk toegang krijgen tot een voorlopig verblijf (attest van immatriculatie) en een verlengd verblijf in de opvang (fedasil).

Resultaat is dat ernstig zieke vreemdelingen maanden moeten wachten op een verblijfsbeslissing omdat hun dossier terecht komt in het algemene pakket aanvragen waarvan 92 % (cijfers 2009) uiteindelijk negatief zullen worden beoordeeld.

— Het wetsontwerp gaat voorbij aan de kern van de discussie

De voorstellen die in het wetsontwerp houdende diverse bepalingen worden geformuleerd, zijn een stap in de goede richting. Zij gaan echter voorbij aan de kernvraag die iedereen zich zou dienen te stellen.

De memorie van toelichting bij artikel 187 geeft aan dat deze wetswijziging wordt doorgevoerd om een antwoord uit te werken op het arrest 2009/193 van het Grondwettelijk Hof dd. 26 november 2009. Dit arrest vermeldt dat, in het kader van de aanvragen op grond van artikel 9ter, een ruimere interpretatie op het vlak van de identificatieplicht noodzakelijk zou zijn. Er zou, volgens het arrest, niet langer alleen verwezen kunnen worden naar het beschikken over een « identiteitsdocument », maar het zou ook mogelijk moeten zijn andere documenten waaruit de identiteit afdoend blijkt, in rekening te brengen.

Belangrijk is het niet enkel oog te hebben voor de uitspraak van het Hof, maar vooral ook voor de redenering die achter deze uitspraak schuil gaat. Zo komt het Hof tot deze conclusie omdat het de medische regularisatieprocedure kwalificeert als een vorm van subsidiaire bescherming.

De vraag die we ons hierbij moeten stellen is echter niet : « Hoe kunnen we de identificatieplicht afzwakken zodat deze op hetzelfde niveau komt te staan als voor vreemdelingen die subsidiaire bescherming aanvragen ? » De kernvraag dient integendeel te zijn : « Is de medische regularisatieprocedure een vorm van subsidiaire bescherming of is de medische regularisatie integendeel een interne Belgische procedure ? »

Deze tweede vraag raakt immers aan de grond van de discussie. Vandaag beoordeelt het Grondwettelijk Hof de identificatieverplichting als te strikt omdat deze verschilt van de verplichting bij subsidiaire bescherming. Het Hof zal, in dezelfde redenering, echter moeten vaststellen dat ook vreemdelingen die nog niet op het Belgisch grondgebied verblijven in aanmerking moeten komen voor medisch verblijf. Een aanvraag tot subsidiaire bescherming kan immers ook ingediend worden door vreemdelingen die hier nog geen verblijfplaats hebben.

En wat te denken van de recente discussies op het niveau van de Europese Unie wat de afhandeling van aanvragen subsidiaire bescherming betreft ? Gaan we werkelijk ernstig zieke vreemdelingen onderwerpen aan de Dublin-toets, net zoals bij de subsidiaire beschermingsprocedures het geval zal zijn ? Zullen we hen aan het ziekbed verplichtingen tot afname van vingerafdrukken ?

België kan echter onmogelijk de rol opnemen van « ziekenhuis van de wereld ». Het is dan ook om praktische en juridische redenen uitermate belangrijk dat de onterechte koppeling die in ons land (als énige land in Europa !) gemaakt wordt tussen medische regularisatie en subsidiaire bescherming wordt doorbroken.

— Europa biedt het antwoord

Uit de Europese regelgeving en uit de acties van de andere lidstaten blijkt echter duidelijk dat medische regularisatie geen vorm van subsidiaire bescherming is.

In 2006 heeft de Belgische wetgever een specifieke procedure voor medische verblijfsregularisaties gecreëerd en heeft zij artikel 15b van de richtlijn 2004/83/EG zo ruime en op oneigenlijke wijze geïnterpreteerd dat zij deze procedure voor medische verblijfsregularisatie heeft gelijkgesteld met subsidiaire bescherming.

Het betreft inderdaad een oneigenlijke Belgische invulling van het subsidiair beschermingsstatuut. Deze ruime Belgische interpretatie wijkt bijvoorbeeld af van wat in overweging 9 van richtlijn 2004/83/EG wordt gesteld : « Onderdanen van derde landen of staatlozen die op het grondgebied van de lidstaten mogen blijven om redenen die geen verband houden met een behoefte aan internationale bescherming, maar op discretionaire basis, uit mededogen of op humanitaire gronden, vallen niet onder deze richtlijn ».

Deze ruime Belgische interpretatie vindt evenmin navolging in andere lidstaten. Tal van lidstaten hebben weliswaar in hun nationale wetgeving mogelijkheden/procedures voorzien voor het toekennen van (tijdelijk) verblijf omwille van humanitaire/medische redenen maar hebben (in tegenstelling tot België) die procedures niet onder de toepassing van de richtlijn 2004/83/EG geplaatst.

— Gevolgen van de loskoppeling

Wanneer, in volledige navolging van de EU verplichtingen, wettelijk verankerd wordt dat artikel 9ter geen vorm van subsidiaire bescherming is, vervalt dan ook de bestaansreden van het arrest 2009/193 van het Grondwettelijk Hof. En bijgevolg kan de identificatieverplichting in artikel 9ter strikter zijn dan in de procedure om het statuut van de subsidiaire bescherming te krijgen.

Het is immers cruciaal dat, om identiteitsfraude te vermijden, maximaal wordt ingezet op de identificatie van vreemdelingen, door middel van echte identiteitsdocumenten. Ook dit is volledig in lijn met nieuwe en geplande initiatieven in vele EU lidstaten en door de Europese commissie.

Verantwoording van 2º en 4º

De procedure om een medische regularisatie te verkrijgen, dient te worden teruggebracht tot de uitzonderingsprocedure die de wetgever voor ogen had. Een té soepele toegang tot deze procedure, zoals vandaag het geval is, zorgt ervoor dat deze procedure een groot aanzuigeffect heeft, waardoor de echt zieken in de kou blijven staan omdat hun dossier verzuipt in de massa oneigenlijke aanvragen.

— Proceduremisbruiken kunnen niet worden ontkend

De memorie van toelichting bij het wetsontwerp houdende diverse bepalingen vermeldt zelf dat « in 2009 de aanvragen om medische redenen goed waren voor 33 % van de totale regularisatieaanvragen en dit terwijl de medische regularisatie bedoeld was als een absoluut uitzonderlijke procedure. Bovendien konden in 2008 slechts in minder dan 6 % van de aanvragen de ingeroepen medische redenen uiteindelijk ten gronde worden weerhouden, in 2009 was dit 8 % (met name 754 gunstige beslissingen op 8 575 aanvragen) ».

Hieruit blijkt opnieuw dat massaal, oneigenlijk gebruik gemaakt wordt van deze procedure. Bijgevolg moeten ernstig zieke vreemdelingen maanden wachten op een verblijfsbeslissing omdat hun dossier terecht komt in het algemene pakket 9ter-aanvragen waarvan 92 % (cijfers 2009) uiteindelijk negatief zullen worden beoordeeld.

— Cumuleren van procedures : achterpoortje moet worden gesloten

Vastgesteld wordt dat talloze vreemdelingen een asielprocedure opstarten en, nét voor het afsluiten van deze procedure, een aanvraag tot medische regularisatie indienen. Één van de hoofdredenen hiervoor is dat zij, als kandidaat-vluchtelingen, vrijgesteld zijn van de identificatieverplichting die geldt bij de medische verblijfsaanvragen.

Door in de wet expliciet te voorzien dat de vreemdeling een keuze dient te maken tussen de procedure die hij wenst te volgen, wordt procedure-shopping uitgesloten. Concreet zal dus slechts uitspraak kunnen worden gedaan over de medische regularisatie wanneer alle andere procedures, inclusief de asielprocedure, zijn afgerond. Tegelijk blijft het recht op een indviduele behandeling van elk dossier gegarandeerd.

Verantwoording van 6º

De procedure om een medische regularisatie te verkrijgen, dient te worden teruggebracht tot de uitzonderingsprocedure die de wetgever voor ogen had. Een té soepele toegang tot deze procedure, zoals vandaag het geval is, zorgt ervoor dat deze procedure een groot aanzuigeffect heeft, waardoor de echt zieken in de kou blijven staan omdat hun dossier verzuipt in de massa oneigenlijke aanvragen.

— Proceduremisbruiken kunnen niet worden ontkend

De memorie van toelichting bij het wetsontwerp houdende diverse bepalingen vermeldt zelf dat « in 2009 de aanvragen om medische redenen goed waren voor 33 % van de totale regularisatieaanvragen en dit terwijl de medische regularisatie bedoeld was als een absoluut uitzonderlijke procedure. Bovendien konden in 2008 slechts in minder dan 6 % van de aanvragen de ingeroepen medische redenen uiteindelijk ten gronde worden weerhouden, in 2009 was dit 8 % (met name 754 gunstige beslissingen op 8 575 aanvragen) ».

Hieruit blijkt opnieuw dat massaal, oneigenlijk gebruik gemaakt wordt van deze procedure. Bijgevolg moeten ernstig zieke vreemdelingen maanden wachten op een verblijfsbeslissing omdat hun dossier terecht komt in het algemene pakket 9ter-aanvragen waarvan 92 % (cijfers 2009) uiteindelijk negatief zullen worden beoordeeld.

— Het onmiddellijk wegwerken van manifest ongegronde aanvragen

Met dit amendement wordt de procedure zo aangepast dat de aanvragen die overduidelijk nooit tot een medische regularisatie kunnen leiden snel door de geneesheer kunnen worden afgeblokt. Op basis van het voor te leggen standaard medisch attest zal de geneesheer makkelijk en administratief eenvoudig kunnen vaststellen dat de ziekte niet voldoende ernstig is en absoluut nooit aanleiding kan geven tot een medisch verblijfsstatuut (vb. wie een griep of een gebroken been inroept, kan op die basis niet worden geregulariseerd).

Met de formulering op basis van een « kennelijke ongegrondheid » wordt bovendien geen volledig nieuwe juridische constructie uitgewerkt. Integendeel wordt hiermee verder gebouwd op wat verschillende partijen hebben voorgesteld in het kader van de parlementaire discussies tot wijziging van de gezinsherenigingsprocedure (voorstellen om een § 3/1 in te voegen in art. 12bis van de wet van 15 december 1980). Meer concreet wordt hier dan ook dezelfde logica gekopieerd die deze partijen voorstellen om voor de verblijfsaanvragen bij partnerschapsrelaties, een ontvankelijkheidsprocedure in te voeren en om in die context ook « kennelijk ongegronde » aanvragen onontvankelijk te verklaren.

Belangrijk daarbij is dat het amendement tegelijk zekerheid biedt aan de betrokken vreemdeling. Het voorstel garandeert dat de medische beoordeling gebeurt door een geneesheer (en niet door bijvoorbeeld een daartoe niet opgeleide ambtenaar). Bovendien verzekert de voorgestelde wijziging dat elk dossier op indiviuele basis zal worden afgehandeld.

Wat de verdere praktische uitvoering betreft, zal het om tot eenduidige en coherente beslissingen te komen, wenselijk zijn dat een lijst met ernstige ziekten wordt uitgewerkt binnen de Dienst Vreemdelingenzaken, in overleg met de beleidsverantwoordelijken.

Huub BROERS.

Nr. 5 VAN DE HEER MOUREAUX C.S.

Art. 187/1

Een artikel 187/1 invoegen, luidende :

« Art. 187/1. In artikel 12bis, § 4, tweede lid, van dezelfde wet, woorden de woorden « aangeduid overeenkomstig artikel 9ter, § 2 » vervangen door de woorden « aangeduid overeenkomstig artikel 9ter, § 5 ».

Verantwoording

Dit technische amendement is een gevolg van de wijziging van artikel 9ter van de wet van 15 december 1980, zoals voorzien door artikel 187 van dit wetsontwerp houdende diverse bepalingen.

Aangezien de wijze van aanduiding van deskundigen door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad voortaan vermeld staat in artikel 9ter, § 5, dient artikel 12bis ook in die zin te worden aangepast.

Philippe MOUREAUX
Vanessa MATZ
Gérard DEPREZ
Jan DURNEZ.