2-554/4

2-554/4

Belgische Senaat

ZITTING 2001-2002

16 APRIL 2002


Wetsvoorstel tot wijziging van verschillende bepalingen over het recht van minderjarigen om door de rechter te worden gehoord


AMENDEMENTEN


Nr. 28 VAN MEVROUW NYSSENS

(Subamendement op amendement nr. 2 van de regering)

Art. 2

Dit artikel wijzigen als volgt :

A. In het 5º, eerste lid, van de voorgestelde § 3, de woorden « de minderjarige die de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt » vervangen door de woorden « de minderjarige die in staat is zijn mening te uiten ».

B. In het 5º, het derde lid van de voorgestelde § 3 doen vervallen.

Verantwoording

A. Het amendement wil een hoorrecht invoeren voor alle jongeren die de leeftijd bereikt hebben waarop zij hun mening onder woorden kunnen brengen, of, als bepaald in artikel 12 van het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind, de leeftijd waarop jongeren in staat zijn hun mening te uiten, ongeacht of ze blijk geven van onderscheidingsvermogen.

Dit amendement moet samen gelezen worden met de andere amendementen die de verplichting willen invoeren om de minderjarige op de hoogte te brengen van zijn recht om door de rechter gehoord te worden, in tegenstelling tot amendement nr. 2 van de regering, dat een hoorplicht of zelfs een verschijningsplicht invoert. Dit laatste lijkt ons niet wenselijk. Indien het kind niet wenst te verschijnen, behoort het het recht te hebben om geen gevolg te geven aan een oproeping : er is dus geen verschijnings- en hoorplicht, maar wel een verplichting om jongeren op de hoogte te brengen van hun rechten (in dit geval, het recht om door de rechter gehoord te worden), en wel vanaf de leeftijd waarop de minderjarige in staat is een eigen mening te vormen over zaken die hem persoonlijk aanbelangen.

B. Aangezien de informatieplicht algemeen geldt vanaf de leeftijd waarop een minderjarige zich een mening kan vormen, wordt het derde lid overbodig.

Nr. 29 VAN MEVROUW NYSSENS

(Subamendement op amendement nr. 2 van de regering)

Art. 2

In het 5º, eerste lid, van de voorgestelde § 3, de woorden « wordt de minderjarige die de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt, door de rechter gehoord » vervangen door de woorden « wordt de minderjarige die de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt, met een gewone brief op de hoogte gebracht van de mogelijkheid om te worden gehoord ».

Verantwoording

Zowel het idee van de plicht minderjarigen te horen als de verschijningsplicht van minderjarigen is strijdig met het rechtsbegrip.

Indien jongeren immers beschouwd worden als rechtssubject, dan staat het opleggen van een verschijningsdatum reeds gelijk met het opleggen van het uitoefenen van zijn recht te worden gehoord en erkent men hen dus niet als rechtssubject.

De keuze om het hoorrecht uit te oefenen, moet bij de jongeren blijven. Ze mogen niet op een vaste datum worden opgeroepen, maar behoren te worden gewezen op de mogelijkheid om op hun verzoek door de rechter te worden gehoord.

Het doel van de « oproeping » moet erin bestaan jongeren mee te delen dat zij een « hoorrecht » kunnen uitoefenen. Die oproeping moet niet automatisch leiden tot het verschijnen van de jongeren. Ze hebben niet alleen het recht te zwijgen, maar ook het recht geen gebruik te maken van hun hoorrecht en dus niet naar de rechter te gaan.

Nr. 30 VAN MEVROUW NYSSENS

(Subamendement op amendement nr. 3 van mevrouw Nyssens)

Art. 2

De voorgestelde bepaling aanvullen als volgt : « of tenzij de partijen overeengekomen zijn dat het beter is de minderjarige niet te horen ».

Verantwoording

In het eerste geval, waarin de rechter geen bericht moet sturen aan de minderjarige, zijn de partijen het eens over de maatregelen die de minderjarige aanbelangen en waarborgt de instemming van de partijen dat de belangen van de minderjarige voldoende beschermd zijn.

Dit eerste geval kan ons inziens aangevuld worden met een tweede geval, waarin beide ouders van het kind weliswaar niet tot een akkoord gekomen zijn, maar het er wel over eens zijn dat het beter is dat hun kind niet gehoord wordt. De ouders zijn verantwoordelijk voor de opvoeding van hun kinderen. Indien zij alle twee menen dat hun kind niet voor de rechter hoeft te « verschijnen » en hun kind liever buiten hun eigen geschillen houden, mag de rechter zich niet inlaten met deze gemeenschappelijke beslissing die een aspect vormt van de ouderlijke verantwoordelijkheid. Er is geen reden om, tegen en buiten de wil van beide ouders om, kinderen te laten verschijnen in een rechtszaak tussen de ouders. Het kind heeft immers in de eerste plaats nood aan een zekere afstand en sereniteit wanneer zijn ouders geschillen uitvechten. Iedere gemeenschappelijke poging van de ouders in die zin verdient steun.

Nr. 31 VAN MEVROUW NYSSENS

(Subamendement op amendement nr. 2 van de regering)

Art. 2

In het 5º, het derde lid van de voorgestelde § 3 doen vervallen.

Verantwoording

Een maatschappelijk onderzoek instellen voor alle minderjarigen van jonger dan twaalf jaar om na te gaan of de minderjarige zijn mening kan uiten, lijkt ons moeilijk te realiseren. Het vergt maanden om een dergelijk maatschappelijk onderzoek tot een goed einde te brengen.

Overigens valt een maatschappelijk onderzoek vaak niet in goede aarde bij de ouders van het kind, die er een inmenging in zien in wat tot hun ouderlijke verantwoordelijkheid behoort. Bovendien dreigt een dergelijk onderzoek zeer jonge kinderen van streek te brengen.

Nr. 32 VAN MEVROUW NYSSENS

(Subsidiair amendement op amendement nr. 31 van mevrouw Nyssens)

Art. 2

In het 5º, in het derde lid van de voorgestelde § 3 de woorden « wordt op dezelfde wijze gehoord » vervangen door de woorden « wordt met een gewone brief op de hoogte gebracht van de mogelijkheid om door de rechter te worden gehoord in elke zaak die hem betreft of aanbelangt ».

Verantwoording

Zie amendement nr. 29.

Nr. 33 VAN MEVROUW NYSSENS

(Subamendement op amendement nr. 23 van mevrouw de Bethune)

Art. 2

De voorgestelde bepaling doen voorafgaan door een nieuw lid, luidende :

« De minderjarige die gehoord wenst te worden, zendt het door hem ondertekende oproepingsbericht terug naar de griffie van de rechtbank, met de vermelding of hij rechtstreeks door de rechter of door de door laatstgenoemde aangewezen persoon wenst te worden gehoord. »

Verantwoording

Het komt ons voor dat subamendement nr. 23 moet worden gesteund omdat dit zowel het idee van de verplichting minderjarigen te horen als het idee van een verschijningsplicht van minderjarigen verwerpt. Beide ideeën zijn immers strijdig met het rechtsbegrip.

Het voorstel behoort te bepalen dat het verplicht is minderjarigen erop te wijzen dat ze het recht hebben door de rechter gehoord te worden, maar de minderjarige kan steeds weigeren dat recht uit te oefenen.

Het amendement vermeldt echter niet welke procedure moet worden gevolgd indien de minderjarige gehoord wenst te worden.

Bovendien komt het ons voor dat de minderjarige steeds moet kunnen kiezen te worden gehoord door de rechter of door een andere door de rechter aan te wijzen persoon.

Nr. 34 VAN MEVROUW NYSSENS

(Subamendement op amendement nr. 2 van de regering)

Art. 2

In het 5º, het vierde lid van de voorgestelde § 3 vervangen als volgt :

« De minderjarige die gehoord wenst te worden, zendt het in het eerste lid bedoelde en door hem ondertekende oproepingsbericht terug naar de griffie van de rechtbank en vermeldt of hij rechtstreeks door de rechter of door de door laatstgenoemde aangewezen persoon wenst te worden gehoord.

De minderjarige kan weigeren gehoord te worden. In dat geval vermeldt hij uitdrukkelijk zijn weigering op het oproepingsbericht dat hij ondertekend terugzendt naar de griffie van de rechtbank.

De weigering van de minderjarige wordt ook vermeld op het afschrift van het oproepingsbericht dat de advocaat van de minderjarige terugzendt naar de griffie van de rechtbank.

De minderjarige die weigert gehoord te worden, kan zich laten vertegenwoordigen door een advocaat. »

Verantwoording

Dit amendement sluit aan bij amendement nr. 23. Uit de hoorzittingen blijkt duidelijk dat noch het verplichte horen van de minderjarige noch een verplichte verschijning van de minderjarige wenselijk is. Beide ideeën zijn immers strijdig met het rechtsbegrip. Het voorstel moet bepalen dat het verplicht is de minderjarige erop te wijzen dat hij het recht heeft door de rechter gehoord te worden maar de minderjarige kan steeds weigeren dat recht uit te oefenen.

Anders dan amendement nr. 23 schrijft dit amendement de te volgen procedure voor, wanneer de minderjarige gehoord wenst te worden en wanneer de minderjarige weigert gehoord te worden. Daar de minderjarige immers geen officiële oproepingsbrief ontvangt maar een bericht waarin hij wordt geïnformeerd over zijn recht om gehoord te worden, is het belangrijk dat hij de rechter meedeelt of hij al dan niet gehoord wil worden. Wil hij gehoord worden, dan moet immers een officiële oproeping volgen. Weigert hij, dan moet die weigering door de minderjarige worden vermeld op het origineel van het ontvangen bericht en door de advocaat op het afschrift van dit bericht. Zowel het origineel als het afschrift van het bericht worden teruggezonden naar de griffie van de rechtbank. Dit is een eenvoudig middel om er zich van te vergewissen dat de minderjarige goed werd ingelicht over zijn rechten. De minderjarige die weigert gehoord te worden, kan zich laten vertegenwoordigen door zijn advocaat.

Daarenboven zijn wij de mening toegedaan dat de minderjarige steeds moet kunnen kiezen of hij gehoord wordt door de rechter of door een andere persoon die door de rechter wordt aangewezen. Artikel 12 van het Verdrag inzake de rechten van het kind zegt immers het volgende : « Hiertoe wordt het kind met name in de gelegenheid gesteld te worden gehoord in iedere gerechtelijke en bestuurlijke procedure die het kind betreft, hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenkomst van een vertegenwoordiger of een daarvoor geschikte instelling, op een wijze die verenigbaar is met de procedureregels van het nationale recht. »

Nr. 35 VAN MEVROUW NYSSENS

(Subamendement op amendement nr. 2 van de regering)

Art. 2

In het 5º, eerste lid van de voorgestelde § 3 aanvullen als volgt :

« De tekst van dit bericht bevat de bepalingen van dit artikel en vermeldt de volledige informatie over de permanenties van jeugdadvocaten, waartoe minderjarigen zich kunnen wenden. Een afschrift van dit bericht wordt naar de advocaat van de minderjarige gezonden. »

Verantwoording

Dit amendement moet worden gelezen samen met amendementen nrs. 28 en 29 van dezelfde indiener en met het wetsvoorstel tot instelling van jeugdadvocaten voor minderjarigen, dat bepaalt dat de minderjarige door een jeugdadvocaat of door een advocaat naar keuze wordt bijgestaan wanneer hij wordt gehoord, tenzij hij er uitdrukkelijk van afziet. De mogelijkheid dat een minderjarige zich door een advocaat laat bijstaan, is ook opgenomen in de eerste- en tweedelijnsrechtshulp.

Zodra de minderjarige een advocaat heeft, ontvangt die advocaat een afschrift van het bericht dat de minderjarige ervan op de hoogte brengt dat hij kan worden gehoord indien hij dat wenst. Weigert de jongere te worden gehoord, dan wordt die weigering vermeld op het bericht dat de minderjarige naar de rechtbank terugstuurt en op het afschrift van het bericht dat de advocaat terugstuurt naar de rechtbank. Met een dergelijke regeling kan men er zich zo soepel mogelijk en zonder al te veel formaliteiten van vergewissen of de minderjarige op de hoogte werd gebracht van zijn recht te worden gehoord en of hij met kennis van zaken heeft beslist er al dan niet gebruik van te maken.

Het bericht dat de minderjarige ontvangt, moet hem in staat stellen te weten dat hij kan worden gehoord en dat hij kan worden geholpen bij het uitoefenen van dit recht. Het amendement stelt hiertoe voor in het bericht de bepalingen te vermelden van het nieuwe artikel 931 van het Gerechtelijk Wetboek en de gegevens van de dichtstbijzijnde permanentie van jeugdadvocaten.

Clotilde NYSSENS.

Nr. 36 VAN MEVROUW TAELMAN

(Subamendement op amendement nr. 2 van de regering)

Art. 2

In het 5º, § 3, eerste lid, het woord « hem » vervangen door de woorden « zijn persoon » en de woorden « of aanbelangt » doen vervallen.

Verantwoording

Hoewel het principe van de opsporings- en verschijningsplicht volledig kan worden bijgetreden omdat het de last van de beslissing om al dan niet gehoord te worden van de schouders van de minderjarige haalt, zal dit systeem een enorme administratieve werklast voor de griffiers en rechters en dito papierberg met zich meebrengen. Daarenboven is een verplichte verschijning en oproeping een verbetering ten overstaan van het huidige systeem omdat het een stuk rechtszekerheid en uniformiteit in de toepassing van het hoorrecht met zich meebrengt.

Het opleggen van een dergelijk systeem met de hoge administratieve inspanningen lijkt echter enkel verantwoord in de gevallen waar het horen van de minderjarige een echte meerwaarde voor de minderjarige en de rechtbank met zich meebrengt. Dit is vooral zo wanneer de betwisting « de persoon » van de minderjarige rechtstreeks raakt, zoals in geval van betwistingen over het ouderlijk gezag, het omgangsrecht, betwistingen tussen ouders over schoolkeuze, ... In andere gevallen (denken we bijvoorbeeld aan betwistingen in het kader van een echtscheiding die enkel nog gaan over de afbetalingen van leningen voor de woning of de wagen) is de verschijning van de minderjarige dikwijls totaal zinloos. Het subamendement nr. 38 voorziet wel dat het horen van de minderjarige in deze gevallen enkel op verzoek van de minderjarige of bij beslissing van de rechter zelf gebeurt.

Nr. 37 VAN MEVROUW TAELMAN

(Subamendement op amendement nr. 2 van de regering)

Art. 2

In het 5º, § 3, derde lid, het woord « hem » schrappen en vervangen door de woorden « zijn persoon » en de woorden « of aanbelangt » doen vervallen.

Verantwoording

Zie het vorige subamendement.

Nr. 38 VAN MEVROUW TAELMAN

(Subamendement op amendement nr. 2 van de regering)

Art. 2

In het 5º, § 3, tussen het derde lid en het vierde lid, de volgende leden invoegen :

« De minderjarige die de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt wordt, op zijn verzoek of bij beslissing van de rechter, gehoord in elke zaak die hem betreft of hem aanbelangt.

De minderjarige die de leeftijd van twaalf jaar niet heeft bereikt wordt eveneens gehoord op zijn verzoek of bij beslissing van de rechter wanneer uit een door de rechter bevolen maatschappelijk onderzoek blijkt dat de minderjarige in staat is zijn eigen mening te kunnen vormen over de zaak die hem betreft of hem aanbelangt. Blijkt uit het gevoerde onderzoek dat dit niet het geval is, dan beschikt de minderjarige over vijftien werkdagen om de rechter schriftelijk te verzoeken hem op te roepen opdat de rechter zelf over deze bekwaamheid zou kunnen oordelen. De termijn wordt gerekend vanaf de dag na die waarop de minderjarige persoonlijk door de zorg van het openbaar ministerie tegen ontvangstbewijs in kennis is gesteld van het resultaat van het onderzoek. Oordeelt de rechter dat de minderjarige in staat is zijn mening te kunnen vormen, dan hoort hij hem. De beoordeling door de rechter over de bekwaamheid van de minderjarige is niet vatbaar voor verzet, noch hoger beroep. »

Verantwoording

Wanneer de rechter oordeelt dat het horen van de minderjarige noodzakelijk is of nuttig voor het oplossen van de betwisting hoewel het geschil niet strikt genomen zijn persoon betreft, of indien de minderjarige zelf uitdrukkelijk wenst te worden gehoord, mag dit geenszins worden uitgesloten. Dit amendement wenst dit facultatief hoorrecht in te voegen.

Martine TAELMAN.

Nr. 39 VAN MEVROUW de T' SERCLAES EN DE HEER MAHOUX

(Subamendement op amendement nr. 2 van de regering)

Art. 2

Dit artikel wijzingen als volgt :

A. In het 4º, de woorden « derde tot en met het zevende » vervangen door de woorden « het zesde en het zevende ».

B. In het 5º, vóór de voorgestelde bepaling, de twee volgende leden invoegen :

« Onverminderd de wettelijke bepalingen betreffende zijn vrijwillige tussenkomst en zijn toestemming, wordt de minderjarige die de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt met een gewone brief op de hoogte gebracht van zijn recht om door de rechter te worden gehoord in elke zaak die hem betreft of aanbelangt. Deze brief stelt hem ook op de hoogte van zijn recht om zich te laten bijstaan door een advocaat.

Bij deze brief wordt een gefrankeerd afschrift gevoegd. De minderjarige moet het door hem ondertekende afschrift terugzenden naar de griffie van de rechtbank en vermeldt of hij al dan niet wenst te worden gehoord. »

C. In het 5º, het eerste tot en met het vierde lid van de voorgestelde § 3 vervangen door de thans geldende tekst van het derde tot en met het vijfde lid van artikel 931 van het Gerechtelijk Wetboek.

D. In het 5º, in het vijfde lid van de voorgestelde § 3, de woorden « uitgezonderd, gehoord, behalve wanneer de rechter in het belang van de minderjarige beslist dat een door hem daartoe aangewezen persoon de minderjarige moet vergezellen, dan wel bijstaan. » vervangen door de woorden « en zijn advocaat uitgezonderd, gehoord. Indien hij afziet van de mogelijkheid om zich door een advocaat te laten bijstaan, kan hij zich laten bijstaan door een vertrouwenspersoon die onafhankelijk is van de partijen in het geding. In voorkomend geval kan de rechter in het belang van de minderjarige een persoon aanwijzen om hem te vergezellen, dan wel bij te staan ».

Verantwoording

De indieners van het amendement menen dat het niet opportuun is een hoorplicht in te stellen voor alle minderjarigen, of het nu vanaf zeven jaar of twaalf jaar geldt. Deze procedure zou voor de minderjarige bezwarend kunnen zijn. Bovendien zou ze geen invloed hebben op de gerechtelijke achterstand, aangezien zelfs kinderen die niets te zeggen hebben, gehoord zouden moeten worden, bijvoorbeeld bij echtscheidingsprocedures ...

Volgens de indieners heeft het kind recht gehoord te worden. Om het kind volledig op de hoogte te brengen van zijn rechten en het die te laten uitoefenen, moet het kind vernemen dat hij het recht heeft om te worden gehoord indien hij dat wenst, vergezeld van zijn advocaat of, indien hij de bijstand van een advocaat afwijst, van een onafhankelijke vertrouwenspersoon. Onder onafhankelijke persoon verstaan de indieners iemand die niet tot de familie- of kennissenkring behoort, zoals bijvoorbeeld een psycholoog waarmee de minderjarige te maken heeft gehad in het kader van de echtscheiding van zijn ouders, of een persoon met wie hij geen nauwe banden heeft ...

In samenspraak met actoren in het veld is de keuze gevallen op het meedelen van het hoorrecht vanaf twaalf jaar omdat blijkt dat op de verbaliseringsleeftijd of de leeftijd van zeven jaar het voor een kind te bezwarend zou zijn om een beslissing te treffen inzake zijn verhoor en het te verplichten een brief terug te zenden naar de griffie.

Aangezien bovendien de leden van artikel 931 van het Gerechtelijk Wetboek betreffende de mogelijkheid voor het kind om op zijn verzoek te worden gehoord, behouden blijven, kan een kind onder de twaalf jaar op zijn verzoek nog steeds gehoord worden. Door alweer te verwijzen naar artikel 931 van het Gerechtelijk Wetboek, raakt het amendement al evenmin aan de mogelijkheid voor de rechter om te vragen het kind te horen wanneer hij oordeelt dat de omstandigheden dit vereisen, waarbij de minderjarige dit kan weigeren.

De indieners zijn de mening toegedaan dat de rechter buiten de advocaat of de vertrouwenspersoon een persoon moet kunnen aanwijzen die de minderjarige begeleidt. Het kan immers noodzakelijk zijn dat het kind vergezeld wordt van een psychiater, een psycholoog, een sociaal assistent of een gebarentaaltolk.

Nr. 40 VAN MEVROUW de T' SERCLAES EN DE HEER MAHOUX

Art. 3bis (nieuw)

Een artikel 3bis (nieuw) invoegen, luidende :

« Art. 3bis. ­ In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 931ter ingevoegd, luidende :

« Art. 931ter. ­ De Koning stelt een standaardbrief op om de minderjarige op de hoogte te brengen van het recht gehoord te worden. Hij ziet erop toe dat die brief leesbaar is gelet op de leeftijd van de minderjarige. »

Verantwoording

Het is belangrijk standaardbrieven op te stellen die ter informatie naar de minderjarige worden gestuurd. Het taalgebruik van die standaardbrieven wordt aangepast aan de leeftijd van het kind opdat ze zo begrijpelijk mogelijk zijn.

Nr. 41 VAN MEVROUW de T' SERCLAES EN DE HEER MAHOUX

(Subamendement op amendement nr. 2 van de regering)

Art. 2

In het vijfde lid van de voorgestelde § 3 van het 5º, de woorden « , behalve wanneer de rechter in het belang van de minderjarige beslist dat een door hem daartoe aangewezen persoon de minderjarige moet vergezellen, dan wel bijstaan. » vervangen door de woorden « Wanneer de minderjarige afziet van de mogelijkheid om zich te laten bijstaan door een advocaat, kan hij worden bijgestaan door een vertrouwenspersoon die onafhankelijk is van de partijen in het geding. In voorkomend geval kan de rechter, in het belang van de minderjarige, een persoon aanwijzen om de minderjarige te vergezellen, dan wel bij te staan. »

Verantwoording

Indien amendement nr. 24 van mevrouw de Bethune, volgens hetwelk de hoorzitting plaatsvindt in aanwezigheid van de advocaat van de minderjarige, wordt aangenomen, dient men de voorwaarden te wijzigen waaronder de rechter de persoon aanwijst die de minderjarige zal vergezellen. Zoals de tekst thans luidt, zou de beslissing van de rechter (om een persoon aan te wijzen) immers voorgaan op de beslissing van het kind (om een advocaat te nemen).

Wat de vertrouwenspersoon betreft verwijzen de indieners naar amendement nr. 36.

Nathalie de T' SERCLAES.
Philippe MAHOUX.

Nr. 42 VAN MEVROUW TAELMAN

(Subamendement op amendement nr. 38)

Art. 2

De voorgestelde bepaling doen voorafgaan door de woorden « Onverminderd de wettelijke bepalingen betreffende zijn vrijwillige tussenkomst en zijn toestemming, wordt » en het woord « wordt » in de eerste zin doen vervallen.

Martine TAELMAN.

Nr. 43 VAN DE DAMES de BETHUNE EN KAÇAR

(Subamendement op amendement nr. 2 van de regering)

Art. 2

A. In het 5º, § 3, eerste lid, de woorden « de zaak die hem » vervangen door de woorden « geding dat zijn persoon ».

B. In hetzelfde lid, de woorden « of aanbelangt » vervangen door de woorden « en op zijn verzoek of bij beslissing van de rechter in elk geding dat hem aanbelangt ».

C. In het 5º, § 3, derde lid, na het woord « gehoord », de woorden « in elk geding dat zijn persoon betreft of op zijn verzoek of bij beslissing van de rechter in elk geding dat hem aanbelangt » invoegen en de woorden « de zaak die hem betreft of aanbelangt » vervangen door de woorden « het geding dat zijn persoon betreft of hem aanbelangt ».

Verantwoording

Cf. Bespreking in commissie.

Sabine de BETHUNE.
Meryem KAÇAR.


Nr. 44 VAN MEVROUW de BETHUNE

(Subamendement op amendement nr. 2 van de regering)

Art. 2

In het 5º, de voorgestelde § 3, vierde lid, vervangen door volgende bepaling :

« De minderjarige wordt opgeroepen bij oproepingsbericht zoals bedoeld in artikel 931ter.

De minderjarige kan weigeren aan de oproeping van de rechter gevolg te geven. Deze weigering moet worden meegedeeld door de minderjarige door terugzending van het door hem ondertekende oproepingsbericht aan de griffie van de rechtbank. Het oproepingsbericht vermeldt de bepalingen van dit lid en de coördinaten van de jeugdadvocatenpermanentie waar de minderjarige zich kan wenden.

De advocaat van de minderjarige ontvangt in elk geval een afschrift van het oproepingsbericht. Indien de minderjarige weigert aan de oproeping van de rechter gevolg te geven, ziet de advocaat na of deze weigering vrijwillig is gedaan en deelt het resultaat van dit nazicht eveneens mee aan de griffie van de rechtbank. »

Verantwoording

1. Gedurende de besprekingen in de commissie dienen zich verschillende pistes aan teneinde het spreekrecht van de minderjarige te waarborgen :

­ een verplichte oproeping met verplichte verschijning van de minderjarige (zoals voorzien in het oorspronkelijk voorstel van de indienster van huidig amendement);

­ een eenvoudige informatieplicht van de rechtbank ten aanzien van de minderjarige dat hij kan gehoord worden indien hij dit wenst (zie amendement nr. 39 van mevrouw de T' Serclaes en amendement nr. 34 van mevrouw Nyssens);

­ een verplichte oproeping zonder verplichte verschijning van de minderjarige.

De indienster van huidig amendement is van oordeel dat minderjarigen steeds de kans moeten krijgen te worden gehoord. De enige wijze om dit spreekrecht ook effectief te maken en de optimale waarborg te verlenen dat de minderjarige van dit recht gebruik maakt, bestaat voor indienster in een oproepingsplicht, maar zonder een verschijningsplicht.

Op deze wijze wordt ook aan artikel 12 van het Kinderrechtenverdrag effectief uitvoering verleend.

Dit werd ook zo bevestigd in de diverse hoorzittingen. De hoorzittingen wezen uit dat de verschijningsplicht soms een ongewenste belasting kan uitmaken voor de minderjarige. Een oproepingsplicht kan derhalve volstaan.

Het oproepingsbericht dient echter wel in een kindvriendelijke taal te worden opgesteld. Een nieuw artikel 931ter (geïnspireerd op amendement nr. 40 van mevrouw de T' Serclaes) draagt daartoe de Koning op om dergelijk model uit te werken.

Om evenwel te vermijden dat de minderjarige onder externe druk zou weigeren aan de oproeping van de rechter gevolg te geven en te garanderen dat de minderjarige wel degelijk geïnformeerd werd nopens zijn recht om te worden gehoord, wordt voorzien dat de minderjarige zijn weigering om te verschijnen enkel kan meedelen door terugzending van het door hem ondertekende oproepingsbericht aan de griffie van de rechtbank.

Het amendement dient te worden samengelezen met het wetsvoorstel tot instelling van jeugdadvocaten voor minderjarigen van mevrouw Lindekens (stuk Senaat, nr. 2-256/1). Dit wetsvoorstel voorziet dat elke minderjarige in elk geding dat hem aanbelangt wordt bijgestaan door een advocaat, die ambtshalve kan worden aangeduid ingeval de minderjarige zelf geen jeugdadvocaat heeft gekozen.

Deze toevoeging van de advocaat voor de minderjarige creëert een bijkomende waarborg in het kader van de effectiviteit van de oproepingsplicht van de minderjarige en de informatieplicht van de rechtbank hieromtrent.

Deze advocaat dient immers steeds een afschrift van het oproepingsbericht te ontvangen. Zo de advocaat van de minderjarige verneemt dat hij niet wenst te verschijnen, dient deze advocaat na te zien of deze weigering vrijwillig is gebeurd en brengt hij de griffie van de rechtbank van dit nazicht op de hoogte.

Nr. 45 VAN MEVROUW de BETHUNE

Art. 3bis (nieuw)

In hetzelfde wetboek wordt een artikel 931ter ingevoegd, luidende :

« Art. 931ter. ­ De Koning bepaalt een model van oproepingsbericht dat de minderjarige op een kindvriendelijke en verstaanbare manier duidelijk maakt dat hij voor de rechtbank wordt opgeroepen, dat hij een advocaat kan raadplegen en dat hij zijn verschijning kan weigeren zoals voorzien in artikel 931. »

Verantwoording

Dit amendement is geïnspireerd op amendement nr. 40 van mevrouw de T' Serclaes en dient te worden samengelezen met amendement nr. 44 van mevrouw de Bethune, dat een in oproepingsplicht (maar in geen verschijningsplicht) voorziet voor de minderjarige.

Sabine de BETHUNE.

Nr. 46 VAN MEVROUW NYSSENS

(Subamendement op amendement nr. 2 van de regering)

Art. 2

In het 5º, het voorgestelde eerste lid van § 3 vervangen als volgt :

« § 3. Onverminderd de wettelijke bepalingen betreffende de vrijwillige tussenkomst van de minderjarige en zijn toestemming, en onverminderd het recht van elke minderjarige [die in staat is zijn mening te uiten] om gehoord te worden op zijn verzoek of na een beslissing door de rechter, kan elke minderjarige die de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt, worden uitgenodigd om voor de rechter te verschijnen [of voor de door de rechter daartoe aangewezen persoon] in elke zaak die hem aanbelangt. »

Clotilde NYSSENS.

Nr. 47 VAN MEVROUW de BETHUNE

(Subamendement op het amendement nr. 2 van de regering)

Art. 20

Aan de voorgestelde bepaling, volgende wijzigingen aanbrengen :

A. Het 2º doen vervallen.

B. Het 5º, § 3, eerste tot vierde lid, vervangen als volgt :

« § 3. Onverminderd de wettelijke bepalingen betreffende zijn vrijwillige tussenkomst en zijn toestemming, wordt de minderjarige die de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt, door de rechter gehoord in elk geding dat zijn persoon betreft.

Op zijn verzoek of bij beslissing van de rechter wordt de minderjarige die de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt tevens gehoord in elk geding dat hem aanbelangt.

§ 4. Onverminderd de wettelijke bepalingen betreffende zijn vrijwillige tussenkomst en zijn toestemming, wordt de minderjarige die de leeftijd van twaalf jaar niet heeft bereikt, door de rechter gehoord in elk geding dat zijn persoon betreft, wanneer uit een door de rechter bevolen maatschappelijk onderzoek blijkt dat de minderjarige in staat is zijn eigen mening te kunnen vormen met betrekking tot dit geding.

Op zijn verzoek of bij beslissing van de rechter kan de minderjarige die de leeftijd van twaalf jaar niet heeft bereikt, tevens door de rechter worden gehoord in elk geding dat hem aanbelangt, wanneer uit een door de rechter bevolen maatschappelijk onderzoek blijkt dat de minderjarige in staat is zijn eigen mening te kunnen vormen met betrekking tot dit geding.

Blijkt uit het maatschappelijk onderzoek dat de minderjarige niet in staat is zich een eigen mening te kunnen vormen, dan beschikt de minderjarige over vijftien werkdagen om de rechter schriftelijk te verzoeken hem op te roepen opdat de rechter zelf over deze bekwaamheid zou kunnen oordelen. De termijn wordt gerekend vanaf de dag na die waarop de minderjarige persoonlijk door de zorg van het openbaar ministerie tegen ontvangstbewijs in kennis is gesteld van het resultaat van het onderzoek. Oordeelt de rechter dat de minderjarige in staat is zijn mening te kunnen vormen, dan hoort hij hem. De beoordeling door de rechter over de bekwaamheid van de minderjarige is niet vatbaar voor verzet, noch hoger beroep.

§ 5. Indien het geding de persoon van de minderjarige betreft, wordt de minderjarige opgeroepen bij oproepingsbericht zoals bedoeld in artikel 931ter.

De minderjarige kan weigeren aan de oproeping van de rechter gevolg te geven. Deze weigering moet worden medegedeeld door de minderjarige door terugzending van het door hem ondertekende oproepingsbericht aan de griffie van de rechtbank.

Indien de minderjarige over een advocaat beschikt, wordt tevens een afschrift van het oproepingsbericht aan de advocaat verzonden. Indien de minderjarige weigert aan de oproeping van de rechter gevolg te geven, ziet de advocaat na of deze weigering vrijwillig is gedaan en deelt hij het resultaat van dit nazicht eveneens mee aan de griffie van de rechtbank. »

C. Het 5º, § 3, vijfde tot zesde lid, vernummeren tot § 6 tot § 8.

Verantwoording

A. Het 2º in het regeringsamendement strekt ertoe om de leeftijd van « vijftien » jaar te verlagen naar « twaalf » jaar, zodat artikel 931 van het Gerechtelijk Wetboek, eerste lid, voortaan enkel nog zou verbieden dat minderjarigen beneden de leeftijd van twaalf jaar onder ede worden gehoord. Er is geen reden waarom de huidige leeftijd van vijftien jaar hier zou moeten verlaagd worden. Men kan het onder ede verhoren immers niet zomaar gelijkstellen met een hoorrecht : ook al is een minderjarige vanaf twaalf jaar weliswaar in staat om zich een eigen mening te vormen (en precies daarom voorziet het huidig wetsvoorstel in een oproepingsplicht voor hen), dit betekent nog niet dat deze steeds de draagwijdte van een verklaring onder ede en de gevolgen hiervan kan inschatten.

Het is dus wenselijk artikel 931, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek niet te wijzigen : daarom moet het 2º in het regeringsamendement vervallen.

B. Dit amendement houdt rekening met de verschillende opmerkingen geuit in de commissiebespreking van 27 maart 2002, waarbij een aantal algemene krachtlijnen tussen de commissieleden op instemming konden rekenen.

Deze krachtlijnen kunnen als volgt worden samengevat :

1. Een onderscheid wordt ingesteld op de leeftijd van twaalf jaar.

2. Voor de minderjarigen onder de leeftijd van twaalf jaar is het relevant criterium om te worden gehoord of de minderjarige « in staat is zijn of haar eigen mening te kunnen vormen ». Dit criterium stemt beter overeen met artikel 12.1 van het Kinderrechtenverdrag, en vervangt het criterium van het « vereiste onderscheidingsvermogen » dat op heden wordt gehanteerd in artikel 931, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek.

3. In beide categorieën (boven twaalf jaar/onder twaalf jaar) wordt vervolgens een onderscheid gemaakt tussen gedingen die de persoon van de minderjarige betreffen en andere gedingen die hem aanbelangen.

In het geval van gedingen die de persoon van de minderjarige betreffen, wordt een verplichte oproeping voorzien : evenwel betekent dit niet dat de minderjarige dan ook verplicht dient te verschijnen, nu hij hiervan kan afzien. Met betrekking tot min-twaalfjarigen dient een maatschappelijk onderzoek echter vooreerst uit te wijzen of de minderjarige in staat is zich een eigen mening te kunnen vormen.

In geval van gedingen die niet de persoon van de minderjarige als dusdanig betreffen, wordt een facultatief hoorrecht voorzien, met name enkel op verzoek van de minderjarige of bij beslissing van de rechter. Met betrekking tot min-twaalfjarigen geldt ook hier dat een maatschappelijk ondezoek moet uitwijzen of de minderjarige in staat is zich een eigen mening te kunnen vormen.

4. Tenslotte wordt de libellering van de tekst aangepast zodat de tussenkomst van de advocaat ter nazicht van de vrijwilligheid van het weigeren gevolg te geven aan een oproeping uiteraard enkel van toepassing is eenmaal de minderjarige over een advocaat beschikt (desgevallend volgens de modaliteiten van het wetsvoorstel nopens de jeugdadvocaten).

Op deze wijze worden in dit amendement de opmerkingen van de verschillende commissieleden en de regering geïntegreerd.

Voor een goed overzicht werd de voorgestelde wijziging opgesplitst in meerdere §§. Aldus handelt de voorgestelde § 3 over minderjarigen boven 12 jaar, § 4 over minderjarigen onder 12 jaar en bevat § 5 een specifieke regeling met betrekking tot de oproepingsberichten die verzonden dienen te worden in alle hypotheses van § 3 en § 4 waarbij een minderjarige het recht heeft om gehoord te worden nopens een geding met betrekking tot zijn persoon.

Schematisch :

­ minderjarige ouder dan 12 jaar :

* geding betreffende zijn persoon

verplichte oproeping ­ geen verplichte verschijning (weigeringsrecht, zie § 5)

* geding dat hem aanbelangt

facultatief : op zijn verzoek of bij beslissing van de rechter

­ minderjarige jonger dan 12 jaar :

* geding betreffende de persoon

verplichte oproeping indien in staat eigen mening te vormen volgens maatschappelijk onderzoek ­ indien ja, geen verplichte verschijning (weigeringsrecht zie § 5)

· indien neen, beroepsmogelijkheid

* geding dat hem aanbelangt

facultatief : op zijn verzoek of bij beslissing van de rechter, indien in staat eigen mening te vormen volgens maatschappelijk onderzoek

· indien neen, beroepsmogelijkheid

C. Technische aanpassing voor de leesbaarheid.

Nr. 48 VAN MEVROUW de BETHUNE

Art. 3bis (nieuw)

Een artikel 3bis (nieuw) invoegen luidende :

« Art. 3bis. ­ In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 96ter ingevoegd, luidende :

Art. 931ter. ­ De Koning bepaalt een model van oproepingsbericht dat de minderjarige op een kindvriendelijke en verstaanbare manier duidelijk maakt dat hij voor de rechtbank wordt opgeroepen, dat hij een advocaat kan raadplegen en dat hij zijn verschijning kan weigeren zoals voorzien in artikel 931, § 5.

Het bericht vermeldt tevens de coördinaten van de jeugdadvocatenpermanentie waarheen de minderjarige zich kan wenden. »

Verantwoording

Dit amendement bundelt amendement nr. 40 van mevrouw de T' Serclaes en van de heer Mahoux en amendement nr. 35 van mevrouw Nyssens.

Nr. 49 VAN MEVROUW de BETHUNE

Art. 5

Dit artikel doen vervallen.

Verantwoording

Het artikel 5 van het oorspronkelijke wetsvoorstel voorziet dat artikel 56bis van de jeugdbeschermingswet van 8 april 1965 wordt opgeheven.

Deze opheffing was ingegeven door de oorspronkelijke doelstelling van het wetsvoorstel om de wetgeving coherent te maken en een algemene regeling in te stellen, geïnspireerd op de bijzondere wetten. Gezien de commissie bewust afstand doet van deze doelstelling, is het niet langer wenselijk dit artikel op te heffen.

Op deze manier gaat de algemene regel door het geamendeerde wetsvoorstel een stap vooruit en blijven de bijzondere wetten uiteraard gelden waar zij in gunstiger bepalingen voorzien.

Sabine de BETHUNE.