3-2462/1

3-2462/1

Belgische Senaat

ZITTING 2006-2007

30 APRIL 2007


Wetsvoorstel tot aanvulling van artikel 387 van het Strafwetboek met het oog op de versterking van de bescherming van minderjarigen tegen afbeeldingen die schadelijk voor hen te achten zijn

(Ingediend door mevrouw Mia De Schamphelaere)


TOELICHTING


Onze samenleving werd recent herhaaldelijk opgeschrikt door trieste incidenten waarbij mensen in de openbare ruimte werden neergeschoten of gestoken. De handelingen van de daders lijken soms een imitatie van de personages in de grote keuze aan first-person- shooter — games waarbij men op jacht trekt en punten verdient naarmate men meer mensen kan doden.

We wensen uiteraard geen directe causale verbanden te leggen tussen deze gewelddadige videospelletjes en de concrete gevallen. Het toont wel aan dat het steeds evidenter lijkt te worden om naar geweld te grijpen.

Over de potentiėle schadelijkheid van geweld in tv-programma's, films en games werden reeds vele onderzoeken gedaan. Het is niet eenvoudig om daaruit harde algemeen geldende conclusies te trekken. Zo moet een onderscheid worden gemaakt in effecten op lange en korte termijn en tussen beļnvloeding van de cognitieve dan wel de affectieve aspecten van de persoonlijkheid.

Zo wordt veel nadruk gelegd op de verschillen in beļnvloeding in functie van de persoonlijke gevoeligheid, de frequentie, het soort geweld — met of zonder het tonen van de gevolgen ervan en de context van de thuisomgeving. In dit verband maakt het bijvoorbeeld een groot verschil of kinderen al dan niet urenlang in isolement naar dergelijke beelden kijken.

Als algemeen beeld wordt wel steeds meer de stelling bevestigd dat bepaalde beelden voor sommige kijkers negatieve gevolgen hebben. Daarom dus niet voor iedereen en niet altijd.

Dit is voor ons evenwel voldoende om op basis van het voorzichtigheidsprincipe een minimumnorm wettelijk afdwingbaar te maken.

We beweren uiteraard niet dat dit wetsvoorstel als bij toverslag alle geweld uit onze maatschappij zal bannen, wel sluiten we hiermee één van de toegangspoorten tot extreem geweld. Bovendien kunnen we als wetgever krachtig stelling nemen tegen de gedachte dat het normaal en onvermijdelijk is dat dergelijk extreem geweld deel uitmaakt van de dagelijkse leefomgeving van onze kinderen.

Verwijzingen naar messentrekkerij, zoals dat vroeger ook bestond, lijken ons niet pertinent. Cultuur, beschaving en de ontwikkeling van de maatschappij zouden ons net geweldlozer moeten maken, in de mate van het mogelijke.

Hiertoe stellen we geen onrealistische normen voor. We richten ons integendeel slechts op de mediabestanden die door de producenten zelf, omwille van hun gewelddadige karakter, worden beschouwd als niet geschikt voor jeugdige kijkers.

Hierbij wordt verwezen naar de leeftijdsquotering die op basis van het pan-Europese PEGI systeem aan mediabestanden wordt gegeven. Deze quotering komt tot stand op basis van de indicaties van de industrie zelf, die worden geverifieerd, en kan dus niet worden beschouwd als een te vergaande beperking. Er wordt namelijk slechts voorgesteld om te verbieden dat gegevensdragers die door de makers zelf worden beschouwd als niet geschikt voor kijkers beneden een bepaalde leeftijd, aan personen beneden deze leeftijd wordt verkocht. In Nederland bestaat trouwens reeds geruime tijd dezelfde bepaling in het strafrecht.

Op dit moment beschikken de verkopers van audiovisuele media niet over een grond om de verkoop van games of films te weigeren aan kopers die zij hier te jong voor achten. Diegene die dit uit eigen beweging doen, lijden een verlies aan concurrentiepositie ten opzichte van andere handelszaken. Ook ouders hebben het steeds moeilijker hun kinderen te overtuigen dat bepaalde beelden voor hen niet geschikt zijn.

Een wettelijke verbod op de verkoop van audiovisuele dragers met een leeftijdsquotering boven zestien jaar aan minderjarigen onder deze leeftijd geeft aan zowel verkopers als ouders de nodige middelen in handen.

Tot slot dient het verband te worden geduid met de jeugdbescherming, die een bevoegdheid is van de gemeenschappen. De Raad van State heeft in haar arrest nr. 137.762 van 18 november 2004, in lijn met eerdere adviezen van de afdeling wetgeving, gesteld dat de aangelegenheid « filmkeuring » niet onder de gemeenschapsbevoegdheden « jeugdbescherming » en « schone kunsten » valt. Er bestaan voorstellen om deze bevoegdheid uitdrukkelijk aan de gemeenschappen toe te kennen maar vooralsnog behoort het tot de residuaire bevoegdheid van de federale overheid om een algemene regeling van leeftijdsquotering uit te werken.

We achten het niet nuttig in deze materie stil te blijven zitten tot over een eventuele bevoegdheidsoverdracht is beslist. Het is vandaag mogelijk een strafrechtelijk gevolg te verbinden aan de leeftijdsquotering vastgelegd door het PEGI — systeem, los van het antwoord op deze vraag. Dit is bovendien eveneens inpasbaar in een potentieel toekomstig algemeen leeftijdsquoteringssysteem door de respectievelijke gemeenschappen.

Mia DE SCHAMPHELAERE.

WETSVOORSTEL


Artikel 1

Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

Art. 2

Artikel 387 van het Strafwetboek, laatst gewijzigd bij de wet van 28 november 2000, wordt aangevuld met het volgende lid :

« Met dezelfde straffen wordt gestraft hij die een afbeelding, een voorwerp of een gegevensdrager, bevattende een afbeelding waarvan de vertoning schadelijk is te achten voor personen beneden de leeftijd van zestien jaar, verstrekt, aanbiedt of vertoont aan een minderjarige van wie hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, dat deze jonger is dan zestien jaar. »

8 maart 2007.

Mia DE SCHAMPHELAERE.