3-1254/3

3-1254/3

Belgische Senaat

ZITTING 2004-2005

28 JUNI 2005


Ontwerp van programmawet


Evocatieprocedure


VERSLAG

NAMENS DE COMMISSIE VOOR DE SOCIALE AANGELEGENHEDEN UITGEBRACHT DOOR

DE HEER CORNIL EN MEVROUW DE SCHAMPHELAERE


I. INLEIDING

Dit optioneel bicameraal wetsontwerp werd in de Kamer van volksvertegenwoordigers oorspronkelijk ingediend als een wetsontwerp van de regering (stuk Kamer, nr. 51-1820/1). Het werd op 23 juni 2005 aangenomen door de Kamer van volksvertegenwoordigers, met 78 tegen 39 stemmen bij 4 onthoudingen. Het werd op 24 juni 2005 overgezonden aan de Senaat en op diezelfde dag geëvoceerd. De commissie heeft dit wetsontwerp besproken tijdens haar vergaderingen van 28 juni 2005.

II. INLEIDENDE UITEENZETTINGEN

1. Inleidende uiteenzetting door de minister van Werk en Consumentenzaken

Mevrouw Van den Bossche, minister van Werk en Consumentenzaken, wijst erop dat de voorgestelde wijzigingen aan de arbeidsongevallenwetgeving aansluiten aan bij de maatregelen die zijn beslist in de Ministerraad in Oostende. Daar werd voorzien dat het loonplafond diende te worden afgestemd op dat van de ziekteverzekering.

Door de programmawet van 9 juli 2004 werd in de arbeidsongevallenwet een artikel 39bis ingevoerd dat toestaat de premiekosten die ontstaan door de verhoging van het plafond te compenseren.

De Nationale Arbeidsraad bracht op 24 maart een advies uit over de manier waarop kosten voor de werkgever kunnen worden gecompenseerd.

In de Ministerraad van 22 april 2005 heeft men, met oog op de compensatie, beslist het vakantiegeld niet langer op te nemen in de berekeningsbasis van de vergoedingen voor tijdelijke ongeschiktheid voor de slachtoffers van een arbeidsongeval. Hierdoor ontstaat een compensatie die het mogelijk maakt het loonplafond te verhogen.

De totale meerkost van de plafondverhoging ten belope van 45 miljoen euro per jaar wordt dus enerzijds gecompenseerd doordat de kosten voor aanvullende arbeidsongevallenverzekering dalen (doordat het wettelijk plafond is verhoogd en men dus minder extra legaal moet bij verzekeren) voor een globaal bedrag van 26 miljoen en anderzijds door het wegwerken van een anomalie die voortvloeit uit de samenloop van 2 wetgevingen (gelijkstelling tijdelijke ongeschiktheid voor het vakantiegeld voor duurtijd tijdelijke ongeschiktheid én een vergoeding — voor alle arbeidsdagen van het jaar — gebaseerd op een basisloon waarin het enkel en dubbel vakantiegeld vervat zit voor regeling arbeidsongevallen) voor een bedrag van 18 miljoen.

Het principe dat het vakantiegeld inbegrepen is in het basisloon voor de vergoeding van arbeidsongevallen blijft bestaan voor de jaarlijkse vergoedingen en renten.

Tijdens de arbeidsongeschiktheid geniet het slachtoffer van een gelijkstelling (met gewerkte dagen) zodat hij kan genieten van jaarlijks vakantiegeld ten laste van de Rijksdienst, een vakantiekas, of de werkgever (naargelang zijn statuut).

Maar door de combinatie van beide regelingen, namelijk :

1) deze inzake jaarlijkse vakantie die een gelijkstelling voor de berekening van het vakantiegeld voor het slachtoffer van een arbeidsongeval voorziet

2) en deze inzake arbeidsongevallen die maakt dat het vakantiegeld wordt opgenomen in het basisloon voor de berekening van de vergoedingen en renten, die op hun beurt toegekend worden voor alle dagen — ook deze die normaal gedekt zijn door het vakantiegeld

blijkt nu dat een slachtoffer dat wordt vergoed voor tijdelijke algehele ongeschiktheid méér verdient dan voor het ongeval. Dit is niet rechtvaardig en zet een rem op herinschakeling.

Bij beëindiging van het contract van een bediende zal het vakantiegeld wél in de berekeningsbasis worden opgenomen (geen schuldenaar meer om vakantiegeld te betalen).

Met betrekking tot de problematiek van de studentenarbeid, verwijst de minister naar de bespreking van het wetsvoorstel nr. 3-360, dat door de Senaat werd goedgekeurd, en naar de memorie van toelichting bij het ontwerp van programmawet zoals het in de Kamer van volksvertegenwoordigers werd ingediend.

Hoofdstuk III van Titel II van dit wetsontwerp beoogt, in uitvoering van de beslissing van de Ministerraad van 15 april 2005, de mogelijkheid te creëren om bij koninklijk besluit te kunnen voorzien in een verschillend werkbonus-regime voor verschillende werknemerscategorieën.

Het is immers mogelijk dat een lineaire aanpassing van de loongrenzen en van de verminderingen van de persoonlijke bijdragen niet de meest opportune besteding van de beschikbare middelen is.

Dit wetsontwerp creëert een efficiënt middel om snel te reageren op socio-economische veranderingen en maakt een meer gedifferentieerd beleid ten aanzien van de verschillende werknemerscategorieën mogelijk.

2. Inleidende uiteenzetting van de minister van Leefmilieu en Pensioenen

De heer Tobback, minister van Leefmilieu en Pensioenen, licht de artikelen 10 tot en met 14 van het ontwerp toe.

Artikel 10 en 11 : Controle op de toegestane arbeid

Deze artikelen kaderen in de objectieven van de federale regering om administratieve verplichtingen, waar mogelijk, te vereenvoudigen.

Volgens de huidige wetgeving moet iedere beroepsactiviteit door de pensioengerechtigde en door zijn werkgever vooraf aangegeven worden, zelfs indien de inkomsten de toegelaten grens niet overschrijden. Niet aangegeven arbeid wordt evenwel op die manier niet gedetecteerd en dus niet gecontroleerd op het vlak van het respecteren van de inkomensgrenzen.

Die controle zou evenwel kunnen geschieden door de beschikbare gegevens bij de Rijksdienst voor pensioenen en de administratie der Pensioenen enerzijds, en de gegevens van de Rijksdienst voor sociale zekerheid (RSZ) via de Kruispuntbank van de sociale zekerheid (DMFA-gegevens) anderzijds, aan elkaar te koppelen.

Indien wordt gekozen voor een stelselmatige controle op grond van de inhoud van databanken zal de aangifteplicht op termijn verdwijnen, zowel voor de werknemer als voor de werkgever.

— Voor de formulieren 75 b en c (respectievelijk de aangifte door de werknemer aan de werkgever en die door de werkgever aan de Rijksdienst voor pensioenen) zal de afschaffingsdatum afhangen van de implementatie van de gegevensstromen. Het is immers noodzakelijk de vereiste machtigingen te verkrijgen om toegang tot het netwerk van de sociale zekerheid te krijgen en om de benodigde informaticatoepassingen te ontwikkelen teneinde de gegevensstromen van de Kruispuntbank bruikbaar te maken voor controles.

Er werden reeds stappen in die zin ondernomen.

Het aangifteformulier dat de werknemer aan de Rijksdienst voor pensioenen moet bezorgen (model 74 a), zal nog een tijd moeten behouden blijven. Dit formulier dekt immers ook een aantal activiteiten die momenteel nog niet geregistreerd worden in de DMFA-databank, met name werkzaamheden door vastbenoemden bij de overheidsdiensten of de uitoefening van politieke mandaten dan wel mandaten bij publiekrechtelijke instanties. De afschaffing van het aangifteformulier model 74 a zou immers tot gevolg hebben dat deze activiteiten niet langer kunnen worden gecontroleerd.

Voorts ontstaat er ook een probleem wanneer het pensioen in de loop van het kalenderjaar ingaat. Gelet op het feit dat de aangiften in DMFA per kwartaal gebeuren, is de kans reëel dat de gepensioneerde werknemer de maximale toegestane grens overschrijdt zonder er zich bewust van te zijn.

Artikelen 12 tot en met 14 : Betaling van het pensioen van de maand van overlijden

De regering beoogt bij het pensioenstelsel voor de openbare sector dezelfde regel te hanteren als die welke bestaat voor de werknemers met betrekking tot de betaling (dan wel niet-betaling) van het pensioen van de maand van overlijden van de betrokkene.

De uitbetaling van het pensioen aan de langstlevende echtgeno(o)t(e) zal voortaan enkel nog geschieden wanneer het pensioen nog niet werd uitbetaald op de dag van het overlijden van de titularis van het pensioen. Indien er geen langstlevende echtgeno(o)t(e) is, wordt het pensioen uitgekeerd aan de eventuele wezen die aanspraak kunnen maken op een overlevingspensioen.

Onder meer op aandringen van de Raad van State, Afdeling Wetgeving, wijst de minister erop dat ervoor gezorgd is dat de wetgever niet de bevoegdheid van een andere overheid zou doorkruisen. De minister geeft ter informatie aan dat in artikel 6, § 1, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen is bepaald dat de gewesten bevoegd zijn voor de provinciale en gemeentelijke instellingen, met uitzondering van de « pensioenstelsels van het personeel en de mandatarissen ».

3. Inleidende uiteenzetting van de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid

De heer Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, verklaart dat de bepalingen van de programmawet die hij aan de commissie ter bespreking voorlegt, betrekking hebben op de volgende vijf onderwerpen :

1. alternatieve financiering van de sociale zekerheid;

2. Staatsbijdrage en sociale zekerheid;

3. een tijdelijke verhoging van de werkgeversbijdrage bestemd voor de sector beroepsziekten;

4. de algemene voorwaarden die de werkgever moet vervullen om aanspraak te maken op de vrijstelling of op de vermindering van sociale zekerheidsbijdragen en om aanspraak te maken of forfaitaire of verlaagde bijdragen en ten slotte;

5. kinderbijslag;

6. wijzigingen van de wet betreffende de verplichte verzekering geneeskundige verzorging en uitkeringen;

7. financiering van BSE-testen.

1. Alternatieve financiering van de sociale zekerheid

In dit hoofdstuk worden een aantal maatregelen betreffende de alternatieve financiering van de sociale zekerheid ingevoerd of aangepast. Die zijn vervat in twee artikelen.

Het eerste artikel, art. 15, is een toepassing van de geldende wetgeving betreffende de alternatieve financiering van zelfstandigen. Na verschillende maatregelen waaronder de verhoging van de alternatieve BTW financiering, kent het stelsel van de zelfstandige werknemers momenteel een overschot. De wetgeving voorziet in het artikel 66, § 3, van de hier gewijzigde wet, dat het stelsel geen overschot mag geven. Indien nodig, moet het overschot gebruikt worden voor de terugbetaling van de schuld van het stelsel ten aanzien van de Staat. Men zal dus met dit artikel de overschot verminderen en de terugbetaling van de schuld van het stelsel versnellen.

Een woordje uitleg : de minister herinnert eraan dat de Staat in 2001 de schuld heeft overgenomen van beide stelsels, zowel zelfstandigen als loontrekkenden, door de alternatieve financieringen van beide stelsels tegelijker tijd van het bedrag van de schuld in mindering te brengen. Hoewel deze verrichting voor het stelsel van de loontrekkenden in « ONE SHOT 2001 » is uitgevoerd, werd voor het stelsel van de zelfstandigen voorzien in een minder omvangrijke jaarlijkse vermindering, die echter loopt van 2001 tot 2009.

Om de boni van het stelsel van de zelfstandigen te verminderen en de begroting toch in evenwicht te houden, wil dit artikel de terugbetaling voor 2005 verhogen met 40 miljoen euro, en bijgevolg de terugbetalingen voor 2006 tot 2009 jaarlijks verminderen met 10 miljoen euro.

Het tweede artikel van dit hoofdstuk, artikel 16, is bedoeld om een technische fout te herstellen. Tijdens het conclaaf is besloten de alternatieve financiering van de gezondheidszorg, element « ligdagprijs », te verhogen met 1 334 miljoen euro. In de tekst van de programmawet van 27 december 2004 stond 1 344 miljoen euro. Huidig artikel van de programmawet voert het juiste bedrag in.

2. De staatstoelage en de sociale zekerheid

De minister bespreekt nu artikel 17, dat via een regeringsamendement ingelast werd in dit ontwerp van programmawet. Dit artikel is bedoeld om het bedrag van de Staatstoelage aan de sociale zekerheid van het werknemersstelsel te wijzigen. Deze toelage is in onze wetgeving op twee plaatsen gedefinieerd. Ten eerste in de « begroting van de primaire uitgaven » waarin elk jaar het bedrag ervan wordt bepaald. Ten tweede in de wet houdende sociale bepalingen van 29 december 1990 waarin men de formule vastlegt die het mogelijk maakt de toelage te berekenen.

Artikel 17 strekt ertoe die wet van 1990 te wijzigen zodat de « formule » overeenstemt met de beslissing van het begrotingsconclaaf en met het bedrag dat in de « begroting van de primaire uitgaven » is opgenomen. Dat is nodig omdat tijdens de begrotingscontrole 2005 is besloten die toelage met 4 897 000 euro te verlagen. Die verlaging stemt overeen met de verlaging van de kosten die door de sociale zekerheid ten laste worden genomen, vooral dan bepaalde RIZIV-uitgaven. In het verleden was immers overeengekomen dat het RIZIV in zijn begroting ook de uitgaven met betrekking tot de geïnterneerden zou opnemen en wel ten belope van 32,5 miljoen euro. Geïnterneerden zijn mensen die gevangen zouden moeten zitten, maar van wie de gezondheidstoestand een verblijf in een « klassieke » gevangenis onmogelijk maakt. De kosten die zouden worden gedekt door de reeds genoemde 4,897 miljoen euro (de verlaging), betroffen echter veeleer uitgaven voor de veiligheid met betrekking tot de geïnterneerden. Zij beantwoordden dus niet echt aan de definitie van kosten voor « gezondheidszorg » en kunnen dus moeilijk door het RIZIV ten laste worden genomen. Het is dus niet meer dan logisch dat die specifieke kosten niet meer door het RIZIV worden gedragen.

Daarom wordt de « Rijkstoelage voor de sociale zekerheid » ten laste van de FOD Sociale Zekerheid met dat bedrag verlaagd overeenkomstig de aanpassing die is opgenomen in de « Eerste aanpassing van de algemene uitgavenbegroting van het begrotingsjaar 2005 ».

Een ander artikel uit deze programmawet betreft de verlaging van de kosten die voor rekening komen van het RIZIV.

De herziening van de wettelijke basis van de « formule » voor de berekening van de Rijkstoelage voor de sociale zekerheid was echter nog niet gewijzigd. Een amendement zet die omissie recht. Er moet echter een technische opmerking worden gemaakt. In het amendement is sprake van een vermindering met 4 288 027 euro, en niet met 4 897 000 euro, het door de minister vermelde bedrag. Voor dat verschil is een eenvoudige uitleg : de wettekst voorziet in een indexering van de bedragen vanaf 1 januari 1998. Dat betekent dat de in de wet vermelde bedragen moeten worden uitgedrukt in « euro van 1998 ». 4,288 miljoen euro « van 1998 » stemmen overeen met 4,897 miljoen euro « van 2005 ».

3. Tijdelijke verhoging van de bijdrage « Beroepsziekten »

Bij het opmaken van de begroting 2005 werd voorzien dat de werkgevers de sociale zekerheidsbijdragen zouden betalen op het dubbel uitdiensttredingsverlofgeld van de bedienden. De uitbetaling van de bijdragen zou geschieden op het ogenblik dat deze vergoeding uitbetaald worden. Thans bij de bedienden zijn deze bijdragen niet geïnd bijvoorbeeld indien een bediende ontslagen is en nog altijd werkloos is bij de opname van de verlofdagen. Hetzelfde geldt in geval van pensionering of brugpensionering. Het budgettair rendement werd op 10 miljoen geraamd.

Gelet op de discussies over het werkelijk rendement van de maatregel en op technische aspecten, kan deze niet tegen 1 juli 2005 worden uitgevoerd. De regering stelt een compenserende maatregel voor om het verwachte rendement van 10 miljoen te bereiken. Het gaat om de verhoging enkel voor het 3e trimester 2005 van de werkgeversbijdrage bestemd voor de sector beroepsziekten. Deze bijdrage werd vanaf 1 januari 2005 verminderd. Zij bedraagt thans 1,02 % en zou voor het derde kwartaal 2005 op 1,08 % gebracht worden. De tijdelijke verhoging zal dus 0,06 % bedragen.

4. Algemene voorwaarden waaraan de werkgever moet voldoen om de vermindering inzake sociale zekerheidsbijdragen te genieten

Sedert talloze jaren hebben de opeenvolgende regeringen afwijkingen ingevoerd op de basisregels inzake de inning van de werkgeversbijdragen inzake sociale zekerheid voor het overgrote deel maar ook voor de persoonlijke bijdragen. Het gaat onder meer om maatregelen tot vermindering van de bijdragen zoals de structurele vermindering of de maatregelen voor bepaalde doelgroepen. Ook bestaan er maatregelen inzake vrijstelling van sociale bijdragen. Dat is in hoofdzaak het geval voor de sector van de koopvaardij, sleepdiensten en baggerdiensten. Die vrijstellingen worden toegepast binnen de grenzen die de Europese regelgeving toestaat.

Tot slot geniet een aantal sectoren zoals de HORECA een aantal afwijkende regels voor de berekening van de sociale zekerheidsbijdragen. Zij passen onder meer een forfaitaire regeling toe. Tot op heden heeft geen enkele wetsbepaling de algemene voorwaarden duidelijk vastgesteld waaraan de werkgever moet voldoen om al die afwijkende regelingen te kunnen genieten. Het ontworpen artikel 19 wil die algemene voorwaarden vaststellen.

In de huidige stand van zaken is de voorgestelde bepaling niet toepasselijk op de Hulp- en Voorzorgkas voor Zeevarenden (HVKZ). Dit wordt later geregeld. Deze toestand spruit uit technische problemen voort.

Men moet gelijkwaardige voorwaarden kunnen bepalen. De betrokken werkgevers zijn niet aan DIMONA (onmiddellijke aangifte van tewerkstelling) onderworpen. Er zijn nog andere specifieke toestanden die een specifieke opsomming van voorwaarden noodzakelijk maken. De voorziene voorwaarden in de bepaling die thans wordt voorgelegd berusten op drie elementen :

— in de eerste plaats : het geval van de werkgever die zijn aangifte voor de sociale zekerheid niet opstelt of niet verbetert. Uiteindelijk wordt die aangifte opgesteld of rechtgezet ten koste van de werkgever door de inningorganismes van de sociale zekerheidsbijdragen;

— ten tweede wordt verwezen naar de 3 overtredingen die als bijzonder zwaar worden beschouwd in het kader van het sociaal handhavingsbeleid. Het gaat in feite om 3 situaties waaruit een duidelijke wil van tewerkstelling van werknemers in het zwart blijkt;

— ten derde, zal er rekening worden gehouden met het niet betalen van verschuldigde bijdragen.

Het ontworpen artikel bepaalt dat de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en na advies van de Nationale Arbeidsraad bepaalt wat volgt :

— de uitvoeringswijze van de bepaling;

—  alsook de periode tijdens welke de werkgever die een van de 5 voormelde overtredingen heeft begaan, de vrijstelling of de vermindering van sociale zekerheidbijdragen niet geniet; die periode van uitsluiting wordt vastgesteld tussen een minimum en een maximum dat de wet bepaalt en dat rekening houdt met een eventuele herhaling in hoofde van dezelfde werkgever.

Ten slotte kan de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en na advies van de Nationale Arbeidsraad, bepalen dat de werkgever eveneens het voordeel van de vrijstelling van bijdragen verliest, van beperkte bijdragen en forfaitaire bijdragen indien hij zonder enige vorm van verantwoording zijn verplichtingen inzake de betaling van de sociale zekerheidbijdragen niet nakomt.

De tweede bepaling van dit hoofdstuk heft artikel 327 van de programmawet van 24 december 2002 op.

Dit artikel bepaalde dat de structurele vermindering van werkgeversbijdragen van sociale zekerheid geheel of gedeeltelijk kon worden ingehouden voor de werkgever die :

— zonder rechtvaardiging, zijn verplichtingen niet nakwam inzake de betaling van sociale zekerheidsbijdragen;

— arbeid liet verrichten door een werknemer, waarvoor geen bijdragen werd betaald.

Deze bepaling werd nooit uitgevoerd, gelet op de praktische problemen die deze uitvoering stelde. De situaties bedoeld in artikel 327 waarvan de minister de opheffing voorstelt zijn opgenomen in de bepaling waarin de algemene voorwaarden zijn vastgelegd om aanspraak te maken op de voordelen bedoeld in het Hoofdstuk dat uw Commissie is voorgelegd.

5. Kinderbijslag

Inzake kinderbijslag bevat het ontwerp twee bepalingen.

De eerste wil tot eenvormigheid komen over het tijdstip vanaf wanneer en tot wanneer de kinderbijslag wordt toegekend en over de wijziging van het bedrag ervan.

Volgens de ontwerpbepalingen vangt de toekenning van de kinderbijslag aan vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin het recht op kinderbijslag is ontstaan. Dat geldt eveneens wanneer een gebeurtenis plaatsheeft die leidt tot een wijziging van het bedrag van de verschuldigde kinderbijslag.

De toekenning van de kinderbijslag eindigt aan het einde van de maand waarin dat recht een einde neemt.

De tweede bepaling vormt een bijsturing van de tekst via de eerste voorgestelde bepaling.

6. Wijzigingen van de wet betreffende de verplichte verzekering geneeskundige verzorging en uitkeringen

De minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid onderstreept dat artikel 25 ertoe strekt de tekst van artikel 56 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd op 14 juli 1994, aan te passen. Deze — door de programmawet van 27 december 2004 ingevoegde — bepaling beperkt de tegemoetkoming van het RIZIV tot de gezondheidszorg verstrekt aan de geïnterneerden in de ziekenhuizen of in de psychiatrische verzorgingshuizen. Bijgevolg is het conform de vigerende bepaling onmogelijk in te staan voor de gezondheidszorg, verstrekt aan de geïnterneerden die, omdat ze een minder groot gevaarrisico vertonen, door de commissies voor sociaal verweer in een revalidatiecentrum, een rusthuis, of een rust- en verzorgingstehuis (RVT) worden geplaatst.

De ontworpen bepaling strekt er bovendien toe een beslissing voortvloeiend uit de begrotingscontrole om de bijdrage inzake de ziekteverzekering tot 27 659 000 euro terug te brengen, wettelijk te onderbouwen. Deze vermindering vloeit voort uit het feit dat een reeks kosten, die verband houden met de beveiliging van de psychiatrische instellingen, ten laste vallen van de begroting Justitie en niet van de FOD Volksgezondheid. Een bedrag van 4 897 000 euro wordt dus overgedragen naar de FOD Justitie om die overheidsdienst in staat te stellen die taak te vervullen.

De minister merkt op dat de ontworpen bepaling beoogt een wettelijk kader in het leven te roepen teneinde de wachtdiensten voor huisartsen te financieren in vijf grote steden (Brussel, Gent, Charleroi, Antwerpen en Luik). Die diensten zullen moeten worden opgericht in partnerschap met de huisartsenkringen, de plaatselijke overheden en de betrokken ziekenhuizen. Als alles goed verloopt, is het niet uitgesloten dat de financiering tot andere gemeenten wordt uitgebreid. De ontworpen maatregel strekt er onder meer toe in te spelen op de kritieken die werden geformuleerd bij de invoering van een forfaitaire bijdrage ten laste van patiënten die nodeloos een beroep doen op de urgentiediensten.

De minister onderstreept dat de ter bespreking voorliggende bepaling deel uitmaakt van de uitbreiding van de referentieterugbetalingsregeling en de bevoegde minister machtigt de lijst van specialiteiten maandelijks aan te passen, zodat onmiddellijk rekening wordt gehouden met de specialiteiten met een therapeutische meerwaarde.

De minister verklaart dat artikel 27 het de Dienst voor geneeskundige verzorging mogelijk zal maken de totale omzet ambtshalve te laten vaststellen, als de aanvrager zulks zou hebben nagelaten. Dit artikel strekt er bovendien toe de data van de instelling en de eventuele storting van een aanvullende heffing te verdagen naar respectievelijk 31 december 2005 en 1 april 2006; vanaf 2004 is een deelbudget vastgesteld voor de statines, waardoor het nodig is de uitgaven per specialiteit te kennen om de overschrijding te bepalen. Ten slotte had het 3º moeten worden ingevoegd in de wet van 27 april 2005 betreffende de beheersing van de begroting van de gezondheidszorg en houdende diverse bepalingen inzake gezondheid. Deze bepaling zet die vergetelheid recht.

7. Financiering van BSE-testen

De BSE-testen dienen verplicht uitgevoerd te worden op runderen ouder dan 30 maanden die in de slachthuizen worden geslacht. Sinds 1 januari 2002 worden deze BSE-testen niet meer gefinancierd door de Schatkist. Initieel werden deze testen geprefinancierd door het BIRB (Belgisch Interventie- en restititutiebureau) in afwachting van een structurele oplossing. Het FAVV (Federaal Agentschap voor de veiligheid van de Voedselketen) heeft deze prefinanciering op zich genomen sinds juli 2004.

Onder impuls van de minister werd de kostprijs van deze BSE-testen aanzienlijk gereduceerd. In 2003 bedroeg de kostprijs nog meer dan 90 euro/test, sinds 2004 bedraagt de kostprijs slechts 44,08 euro/test.

Na jarenlange onderhandelingen met de sector (tijdens de vorige legislatuur), heeft de minister in maart 2004 een compromis afgesloten met de sector, dat werd goedgekeurd door de Ministerraad. Dit compromis is als volgt :

1. Per getest rund wordt een bedrag van 10,7 euro betaald in het slachthuis. Het slachthuis stort dit bedrag door aan het FAVV. Op jaarbasis betekent dit een bedrag van 3,852 miljoen euro (voor 360 000 geteste runderen).

Deze maatregel is reeds van toepassing via het koninklijk besluit van 15 oktober 2004 betreffende de financiering van de opsporing van overdraagbare spongiforme encephalopathieën bij dieren.

2. Het overige bedrag van 33,38 euro per getest rund wordt gefinancierd via de algemene heffingen in het nieuwe financieringssysteem van het Voedselagentschap. Op jaarbasis betekent dit een bedrag van 12 miljoen euro (voor 360 000 geteste runderen).

Het nieuwe financieringsstelsel van het FAVV, waaronder het systeem van de heffingen, is nog niet in voege getreden, maar zit in een vergevorderde fase :

— De wet betreffende de financiering van het FAVV werd gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 17 januari 2005;

— De twee uitvoeringsbesluiten (waaronder het koninklijk besluit hefingen) hebben reeds alle nationale procedures doorlopen sinds januari 2005. Sindsdien liggen deze koninklijk besluiten ter beoordeling bij de Europese Commissie. Verwacht wordt dat de Commissie haar definitief advies zal geven begin juli 2005. Vervolgens kunnen deze koninklijke besluiten ondertekend en gepubliceerd worden.

Zolang het koninklijk besluit betreffende de heffingen nog niet in voege is getreden, moet het Voedselagentschap voor een jaarlijks bedrag van 12 miljoen euro van haar reserves gebruiken om de BSE-testen te prefinancieren. Deze reserves raken uitgeput, en zijn nochtans strikt noodzakelijk voor het opvangen van crisissen, opdat op heel korte termijn de nodige maatregelen kunnen getroffen worden.

Om die reden werd bij de begrotingsopmaak 2005 beslist dat de Thesaurie in 2005 de prefinanciering van de BSE-testen zal dragen tot op het ogenblik dat het nieuwe financieringsstelsel in voege treedt.

De modaliteiten voor de terugbetaling aan de Thesaurie worden vastgelegd in een protocol tussenbeide partijen.

Het bedrag van 10,7 euro per getest rund, dat geïnd wordt in het slachthuis, is vastgelegd in het koninklijk besluit van 15 oktober 2004 betreffende de financiering van de opsporing van overdraagbare spongiforme encephalopathieën bij dieren. De wettelijke basis voor dit koninklijk besluit is artikel 7 van de wet van 5 september 1952 betreffende de vleeskeuring en de vleeshandel. Dit artikel 7 voorziet echter dat het koninklijk besluit binnen het jaar moet bekrachtigd worden.

III. BESPREKING

1. Werk

Mevrouw Van de Casteele herinnert de minister eraan dat de nieuwe regeling inzake de studentenarbeid ook een aanpassing van de sociale zekerheidsbijdragen op de studentenarbeid vergt. Is het koninklijk besluit daartoe in voorbereiding ? De Senaat nam immers reeds een geamendeerd wetsvoorstel aan dat de nodige wijziging aanbracht in het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders. De Kamer van volksvertegenwoordigers nam evenwel de tekst van het oorspronkelijke wetsvoorstel in het ontwerp van programmawet op, zonder rekening te houden met het amendement dat voorzag in de wijziging van het koninklijk besluit van 28 november 1969.

Mevrouw Van den Bossche, minister van Werk en Consumentenzaken antwoordt dat dit koninklijk besluit inderdaad in voorbereiding is en bezorgt de tekst van het ontwerp aan de leden van de commissie.

Mevrouw De Schamphelaere betreurt dat de noodzakelijke beslissingen inzake de arbeidsongevallen niet zijn voorzien geweest op de top van Raversijde. Het is een compensatie van hetgeen men reeds had kunnen uitrekenen of voorzien. De maatregelen hebben een dubbel communicatief effect : één voor de verkiezingen (de werknemers krijgen immers een sociaal cadeau) en één na de verkiezingen . Kan men een antwoord geven op de terechte bekommernissen van de werkgevers ?

Graag had zij willen weten wat de meerwaarde is van deze twee tegengestelde bewegingen en wie hier een voordeel heeft aan gedaan. Wat is de concrete impact van de nieuwe regeling ?

Spreekster herhaalt nogmaals dat zij ten zeerste betreurt dat de terechte compensatie die door de werkgevers wordt gevraagd niet kon worden voorzien op de top van Raversijde.

De minister benadrukt dat deze compensatie altijd is beloofd, men wist alleen niet op welke manier ze zou worden toegepast. Wel is er altijd gezegd dat er een regeling zou worden nagestreefd waarbij de werkgevers geen extra kosten zouden ondervinden.

Mevrouw Van de Casteele wenst een verduidelijking over het verschil dat wordt gemaakt tussen de arbeiders en de bedienden.

Een andere vraag betreft de inwerkingtreding : de artikelen 2 en 3 treden in werking op 1 juli 2005 terwijl de artikelen 1 en 5 uitwerking hebben met ingang van 1 september 2004. Is dit administratief mogelijk ?

De minister stelt dat het verschil tussen arbeiders en bedienden op de volgende grondslag berust. Het vakantiegeld voor arbeiders wordt gesolidariseerd. In de arbeidsongevallenwetgeving en in de vakantiewerking is voorzien dat dagen van tijdelijke ongeschiktheid, wat betreft het vakantiegeld, gelijkgesteld worden met arbeidsprestaties en dit voor de ganse duur van de tijdelijke ongeschiktheid. Ook al is de arbeider niet meer in dienst bij zijn werkgever, hij krijgt desondanks nog steeds vakantiegeld, hetzij van de vakantiekas, hetzij van de Rijksdienst.

Voor de bedienden is dit niet zo : de wet zegt wel dat de periode van tijdelijke ongeschiktheid wordt gelijkgesteld met arbeidsprestaties maar van zodra de bediende uit dienst treedt van zijn werkgever (bijvoorbeeld ontslag na 6 maanden op grond van artikel 78 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten) is er geen opbouw meer van vakantierechten in hoofde van de bediende. Bij de bediende stopt de uitbetaling van het vakantiegeld bijgevolg vanaf het ogenblik dat hij uit dienst treedt, quod non voor de arbeider.

De voorgestelde maatregelen trachten deze ongelijkheid bijgevolg te herstellen in de arbeidsongevallenwetgeving.

Aangaande de termijnen van inwerkingtreding is men momenteel bezig met het opstellen van koninklijk besluit om een plafondsverhoging te voorzien. Met de verzekeraars, die akkoord zijn met een integrale compensatie van de meerkost, is immers afgesproken dat de plafonds voor de premieinning per 1 juli 2005 kunnen verhoogd worden.

Mevrouw De Schamphelaere kan aanvaarden dat de wijzing aan het werkbonus-systeem een mogelijke optie kan zijn om flexibeler beleid te kunnen voeren. Toch is zij van oordeel dat er een belangrijke kritiek bestaat : de verschillende categorieën zouden immers een wettelijke basis moeten hebben.

Een andere opmerking betreft het koninklijk besluit dat wordt voorzien : over welke categorieën van werknemers gaat het in eerste instantie ? Betreft het aanpassingen voor personen die door afschaffing van het belastingskrediet en de invoering van de werkbonus op één of andere manier benadeeld worden ?

Hoe staat het met de werkbonus voor het overheidspersoneel, zowel de contractuelen als de vastbenoemden ?

De minister wijst erop dat in het kader van de besprekingen rond de werkbonus werd geconstateerd dat ook voor de ambtenaren het belastingskrediet is afgeschaft maar dat zij geen recht hadden op de werkbonus omdat zij amper sociale bijdragen betalen. De invoering van een werkbonus louter voor de contractuelen zou tot gevolg hebben dat laagbetaalde contractuelen netto meer zouden verdienen dan laagbetaalde statutairen. Hieruit zou uiteraard een onrechtvaardige discriminatie op de werkvloer voortvloeien.

Om die reden heeft de minister van Ambtenarenzaken toegezegd om te onderzoeken op welke manier hij een oplossing kan vinden die enerzijds het verlies aan belastingskrediet compenseert en die anderzijds een gelijke verloning tussen contractuelen en statutairen garandeert. Het is dus duidelijk dat, ook al is de werkbonus niet toepasbaar op de ambtenaren, er een gelijkwaardige oplossing moet worden gezocht.

Mevrouw Van de Casteele wenst de gevolgen te kennen voor de deeltijdse werknemers. Ten tweede wilt zij vernemen hoeveel mensen onder deze regeling zullen vallen en welke de budgettaire impact is.

Tot slot stelt zij vast dat ook hier een inwerkingtreding vanaf 1 april 2005 werd voorzien. Betekent dit dat de betrokken personen voor de 3 laatste maanden een extra vergoeding of compensatie zullen krijgen ?

De minister stelt dat een groot aantal werkgevers en sociaal secretariaten de werkbonus reeds uitbetalen. Het merendeel van werknemers ontvangt dus reeds een werkbonus. Sommige werkgevers hebben ervoor gekozen om de werkbonus pas uit te betalen vanaf de officiële totstandkoming van de wet. Zij zullen dus de achterstallige bijdragen vanaf april 2005 dienen uit te betalen aan hun werknemers. De keuze wordt dus gelaten aan elke werkgever of sociaal secretariaat.

Wat betreft de kostprijs verwijst de minister naar de simulatie van de RSZ. Voor 2005 bedraagt de kost van de werkbonus voor de privé sector, met uitsluiting van de contractuelen, 246 500 000 euro. Indien de maatregel ook wordt genomen voor de contractuelen, betekent dit een extra bedrag van 1 300 000 euro. Voor 2006 betekent de verdere stijging van de werkbonus voor de privé sector, met uitsluiting van de contractuelen, een kost van 527 600 000 euro. Als een verder stijging van de werkbonus ook aan de contractuelen zou worden toegekend vertegenwoordigd dit een meerprijs van 29 300 000 euro.

De minister antwoordt ten slotte dat, wat de deeltijdse werknemers betreft, deze berekening pro rata wordt uitgevoerd.

2. Pensioenen

Mevrouw Van de Casteele en mevrouw De Schamphelaere verheugen er zich over dat de regering deze keer een beknopte programmawet in het parlement heeft ingediend die enkel de nodige aanpassingen bevat ter begeleiding van de begroting.

Mevrouw Van de Casteele juicht de administratieve vereenvoudigingen die worden voorgesteld in de artikelen 10 en 11 toe maar onderlijnt dat de VLD-fractie, waarvan zij deel uitmaakt, voorstander blijft van de afschaffing van elk verbod op cumul van pensioen en arbeid. Zij is dan ook van oordeel dat de controle slechts een tijdelijk gegeven mag zijn. De afschaffing van het cumulverbod is immers met zoveel woorden voorzien in het regeerakkoord.

Mevrouw De Schamphelaere wijst erop dat de nieuwe regeling ruimer is dan hetgeen vroeger bestond. In artikel 10 van het wetsontwerp wordt immers gesproken over « controle » en « verplichtingen ». Dit terwijl de ontworpen regeling de facto enkel een aanpassing betreft inzake de aangifte door gepensioneerden en werkgevers. Zij wenst dan ook te onderlijnen dat artikel 10 van het wetsontwerp enkel betrekking heeft op het doorgeven via elektronische weg van dezelfde informatie als voorheen.

De heer Tobback, minister van Leefmilieu en Pensioenen, repliceert dat de aangifte tot doel heeft de controle mogelijk te maken. Het is volgens hem dan ook logisch dat het begrip « controle » in de tekst wordt opgenomen. Maar de minister benadrukt wél dat het niet de bedoeling is om, op basis van het ontworpen artikel, nieuwe controles in te voeren. Hij is het dan ook eens met de analyse van mevrouw De Schamphelaere. De minister wijst er ten slotte op dat het wel mogelijk is dat met het nieuwe systeem feiten aan het licht zouden kunnen komen die tot nog toe niet gekend waren.

Mevrouw De Schamphelaere wijst erop dat uit de memorie van toelichting bij artikel 12 van het ontwerp van programmawet zou moeten blijken dat de ontworpen regeling voorgelegd werd aan de sociale partners binnen het Comité A voor sociaal overleg.

De minister bevestigt dat de ontworpen regeling aan de sociale partners binnen het Comité A werd voorgelegd. Het Comité A verklaarde zich eenparig akkoord.

Mevrouw De Schamphelaere wenst van de minister te vernemen wat er gebeurt met de gelden die niet tijdig zouden zijn opgeëist.

De minister antwoordt dat, aangezien het ambtenarenpensioenen betreft, deze gelden in de schatkist blijven.

Mevrouw Van de Casteele wenst meer duidelijkheid bij de ontworpen regeling : wordt er uitbetaald a rato van het aantal dagen dat het pensioen niet uitbetaald is dat iemand sterft of wordt er voor een volledige maand uitbetaald. Zij wenst tevens te vernemen over welke bedragen men in globo spreekt.

De minister antwoordt dat de ontworpen maatregel enkel tot doel heeft duidelijk te bepalen aan wie het pensioen van de laatste levensmaand van de titularis toekomt. Dit is in feite een maatregel die de Schatkist slechts een klein bedrag zal opleveren.

3. Sociale Zaken en Volksgezondheid

De heer Beke stelt vast dat volgens de memorie van toelichting, de tijdelijke verhoging van de bijdrage « beroepsziekten » verantwoord wordt door de onmogelijkheid om op tijd de maatregel uit te voeren die was aangenomen tijdens het opmaken van de begroting 2005, namelijk het innen van de socialezekerheidsbijdragen op het loutere uittredingsverlofgeld. Het lid wenst te weten welke problemen daarbij opgedoken zijn.

Mevrouw Van de Casteele vraagt hoeveel de verlaging van de bijdrage vanaf 1 januari 2005 bedroeg. Het bedrag van de bijdrage wordt tijdelijk verhoogd met 0,06 % voor het derde trimester en zal teruggebracht worden tot 1,02 % op 1 januari 2006. Wat gebeurt er tijdens het vierde trimester ? Hoe zullen bovendien diezelfde uitgaven in de toekomst worden gefinancierd, aangezien de maatregel slechts tijdelijk is ? Het lid vreest bovendien dat die oplossing een precedent zal vormen om een tijdelijke verhoging van een of andere bijdrage te verantwoorden telkens als de regering een bepaald probleem moet oplossen.

De heer Demotte, minister van Volksgezondheid en Sociale Zaken, antwoordt dat de bijdrage « beroepsziekten » op 1 januari 2005 met 0,10 % verlaagd werd, en daarmee 1,2 % bedraagt. Alleen van 1 juli tot 30 september zal zij met 0,06 % verhoogd worden, om op 1 oktober opnieuw 1,2 % te bedragen. De opbrengst van deze maatregel wordt geraamd op 10,220 miljoen euro.

Wat de maatregel inning van de bijdrage op het enkele uittredingsverlofgeld op het ogenblik van de betaling betreft, waren de problemen tweevoudig. Ten eerste kon de opbrengst van de inning van het uittredingsverlofgeld niet met voldoende zekerheid geraamd worden. De minister van Begroting had die opbrengst op 10 miljoen euro geraamd, op basis van de bedragen die het Fonds Sluiting van Ondernemingen als enkel uittredingsverlofgeld heeft betaald enerzijds, en op de correcties van de uittredingsverlofgelden ten gevolge van de acties van de Sociale Inspectie van de FOD Sociale Zekerheid. Het VBO heeft die opbrengst echter op 350 miljoen euro geraamd, een deel « one shot » en een deel structureel.

Men heeft dus aan de Unie van sociale secretariaten gevraagd om concrete gegevens te verstrekken. Het uittredingsverlofgeld wordt immers slechts aangegeven wanneer de werknemer opnieuw werk heeft gevonden, op het ogenblik dat hij verlof neemt bij zijn nieuwe werkgever.

Ten tweede heeft het beheerscomité van de RSZ tijdens de bespreking van het ontwerp-koninklijk besluit ter uitvoering van de budgettaire beslissingen betreffende deze inning, gevraagd dat men de gevolgen ervan onderzoekt in de verschillende sectoren van de sociale zekerheid. De vraag is of men het verlofgeld in één keer mag aangeven, dan wel of het gesplitst moet worden, met een deel dat betrekking heeft op de verrichte arbeid van het lopende jaar en een deel dat betrekking heeft op verlofdagen die het gevolg zijn van de verrichte arbeid van het voorgaande jaar. Als men het in één keer aangeeft, heeft dat blijkbaar gevolgen in bepaalde sectoren van de sociale zekerheid, in het bijzonder de pensioenen. Om dat probleem op te lossen, zal bepaald worden dat het uittredingsverlofgeld gesplitst aangegeven moet worden, volgens het jaar waarop het betrekking heeft.

De heer Beke vraagt of men ondertussen nieuwe ramingen heeft kunnen opstellen. Heeft men ook een idee van de administratieve kosten van de maatregel die men tijdens één trimester zal uitvoeren ? Ook is er een enorm verschil tussen de raming van het VBO en die van de minister. Hoe valt dat te verklaren ?

De minister antwoordt dat hij niet over nauwkeurige gegevens beschikt om de raming te verantwoorden, en dat de regering daarom een alternatieve maatregel heeft uitgewerkt.

Ondertussen werden andere gegevens verstrekt door de Unie van de Sociale Secretariaten, die echter het onderscheid tussen het deel van het uittredingsverlofgeld voor het lopende jaar en dat van het voorgaande jaar niet kan maken. Tweede vraag : hoeveel werknemers hebben een ander baan gevonden ?

Voor hen wordt de bijdrage betaald door de nieuwe werkgever en wordt de last dus enkel verplaatst. Ten slotte schatten de sociale secretariaten dat zij beschikken over de gegevens van slechts 75 % van hun leden, en over ongeveer 70 % van het totaal van het uitdiensttredingsverlofgeld. De gegevens moeten dus worden bijgesteld en geëvalueerd.

De tijdelijke verhoging van de bijdrage komt eigenlijk neer op het vervangen van het ene percentage door het andere. De basis blijft dezelfde. Dat vraagt dus weinig aanpassingen aan de programmatie.

De schatting van het VBO is gebaseerd op gegevens als zouden jaarlijks X % werknemers van werkgever veranderen en Y % werknemers de arbeidsmarkt verlaten. Deze gegevens beginnen binnen te lopen. Bovendien strookt de raming van het VBO — die door de regering is aanvaard — over de bedrijfswagens niet met de werkelijkheid. De discussie moet dus bij voorkeur met de sociale partners worden gevoerd om overeenstemming te bereiken over de ramingen.

Op een vraag van mevrouw Van de Casteele antwoordt de minister geruststellend dat de sociale partners geraadpleegd werden en akkoord gingen met de alternatieve oplossing.

In verband met artikel 15 van het ontwerp vindt mevrouw de Schamphelaere het vreemd dat de boni van het stelsel van zelfstandigen niet mogen worden gebruikt voor nieuwe initiatieven terwijl de regering tal van ontwerpen heeft om het statuut van de zelfstandigen te verbeteren.

Mevrouw Van de Casteele vindt het ook vreemd dat het bedrag van 70 miljoen euro per jaar van 2005 tot 2009 wordt vervangen door 110 miljoen euro voor 2005 en vervolgens een bedrag lager dan 70 miljoen voor de volgende jaren. Dat lijkt een gemakkelijkheidsoplossing : we nemen het geld nu omdat we het nu nodig hebben. Maar zullen we deze middelen de komende jaren niet meer nodig hebben ?

Er werden heel wat verbeteringen beloofd voor het statuut van de zelfstandigen. Zullen de geplande bedragen volstaan om de aangekondigde maatregelen uit te voeren ?

Door artikel 15 lijkt het alsof men met twee maten werkt voor werknemers en zelfstandigen. Moeten de eventuele boni uit het stelsel van de werknemers ook gebruikt worden voor de schuldaflossing ?

De minister antwoordt dat een vergelijkbare maatregel geldt voor het stelsel van de werknemers. Voor de volgende jaren zorgt een versnelde afbouw van de overheidsschuld voor manoeuvreerruimte zodat middelen vrijkomen voor de financiering van de nieuwe maatregelen. De regering wenst de stelsels voor werknemers en zelfstandigen beter op elkaar af te stemmen, maar er bestaat nog geen consensus met de sociale partners over de organisatie van de nieuwe financiering van de maatregelen. De bedoeling is de sociale bijdragen voor werknemers en zelfstandigen gelijk te behandelen door de plafonds voor zelfstandigen te wijzigen. De vraag is dan of dat plafond moet worden afgeschaft of enkel moet worden opgetrokken. Er bestaat al een consensus over het feit dat het moet worden verhoogd, maar nog niet over de mate waarin dat moet gebeuren.

Mevrouw De Schamphelaere benadrukt dat over de artikelen 19 e.v. meerdere amendementen van de CD&V werden goedgekeurd in de Kamer. Deze artikelen treden in werking in het derde trimester. Hoe kan men er zeker van zijn dat alle belanghebbenden op tijd over deze nieuwe maatregelen zullen worden ingelicht ?

Mevrouw Van de Casteele vindt het positief dat voortaan sancties mogelijk worden tegen lakse werkgevers maar vraagt zich af hoe die concreet zullen worden toegepast : als wordt vastgesteld dat een werkgever die vrijgesteld is van bijdragen voor bepaalde werknemers, werknemers in het zwart tewerkstelt, zullen dan de vrijstellingen voor alle werknemers worden ingetrokken ? Of verhoudingsgewijs met het aantal illegale werknemers ? En hoe lang zal de sanctie lopen ?

De minister legt uit dat de inwerkingtreding van de maatregel in het derde kwartaal een aangifte betekent op het einde van de maand oktober of november. De procedure voor de uitvoering van deze maatregel is als volgt : na informeel overleg met de sociale partners en de RSZ, wordt het ontwerp van koninklijk besluit voorgelegd aan de Ministerraad, als het kan vóór het reces, zodat het advies van de Nationale Arbeidsraad na de vakantie gevraagd kan worden.

Wat betreft de informatie voor de werkgevers, merkt de minister op dat de algemene voorwaarden die het ontwerp bepaalt om een uitzonderingsmaatregel inzake socialezekerheidsbijdrage te kunnen genieten, gegrond zijn op drie gevallen : het niet naleven van de basisverplichtingen inzake sociale zekerheid die voor iedere werknemer gelden (aangiften indienen en de verschuldigde bedragen betalen), de gevallen die door de regering in het raam van het sociale criminaliteitsbeleid omschreven worden als zeer ernstige overtredingen (zwartwerk en mensenhandel), en de welbekende toestanden in het raam van de registratie van werkgevers en de hoopfdelijke aansprakelijkheid.

Naar aanleiding van de opmerking van mevrouw Van de Casteele benadrukt de minister dat het ontwerp geen sancties inhoudt voor bepaalde werkgevers, maar algemene voorwaarden vastlegt waaraan de werkgevers moeten voldoen om gebruik te kunnen maken van afwijkende regels inzake de sociale zekerheidsbijdragen (verminderingen, forfaitaire bijdragen, vrijstelling van bijdragen, vrijstelling van storting van ingehouden bijdragen).

Als aan een van de voorwaarden niet wordt voldaan, verliest de werkgever het voordeel van de afwijkende regels voor al zijn werknemers.

Momenteel is er nog niets definitiefs beslist over hoe lang hij dat voordeel zal verliezen. In de huidige stand van zaken wordt overwogen ambtshalve de langste uitsluiting toe te passen voor situaties van « ambtshalve opstelling of rechtzetting van de aangifte op kosten van de werkgever » in gevallen van mensenhandel en in de drie gevallen die gebaseerd zijn op de regelgeving inzake registratie van ondernemers en hoofdelijke aansprakelijkheid.

Wat de niet-uitgevoerde DIMONA betreft wijst de minister erop dat aanvankelijk alleen gedoeld wordt op de niet-uitvoering van DIMONA IN. Hij merkt op dat de uitsluiting alleen dan geldt indien DIMONA IN niet is uitgevoerd voor het eind van het kwartaal alsook ingeval DIMONA IN met terugwerking wordt uitgevoerd na een voorlopig advies vanwege de inspectiediensten. De periode van uitsluiting is langer wanneer de werkgever DIMONA IN niet heeft uitgevoerd en de werknemer niet heeft opgenomen in zijn driemaandelijkse aangifte.

Wat de tewerkstelling betreft van buitenlandse werknemers die geen houder zijn van een verblijfsdocument noch van een arbeidskaart, zal de uitsluitingsperiode langer zijn wanneer de werkgever een of meer werknemers zonder verblijfsdocument in dienst heeft dan wanneer de werkgever een of meer buitenlandse werknemers in dienst heeft die houder zijn van een geldig verblijfsdocument maar niet van een arbeidskaart.

De minister beklemtoont dat aangezien niet alle officieus overleg voorafgaand aan het opstellen van het ontwerp is afgewerkt, de gegevens die hij heeft bekendgemaakt over de looptijd van de uitsluiting uit de afwijkende regelingen nog niet vaststaan. De gedachtegang achter het besluit dat hij zal voorstellen zal echter aan voormelde gegevens beantwoorden.

De heer Beke verklaart dat momenteel in Deurne een proefproject loopt betreffende de wachtposten in huisartsengeneeskunde. Wat is de kostprijs van dit project ?

Andere centrumsteden wensen ook een dergelijk proefproject te starten, maar beweren dat dit op een heel wat goedkopere wijze kan dan in Deurne. Kunnen toekomstige projecten niet op een rationelere wijze worden aangepakt ?

Mevrouw Geerts vraagt waarom de posten in het Vlaamse en het Waalse Gewest alleen zullen gesitueerd zijn in gemeenten met meer dan 150 000 inwoners. Waarom werd voor dit criterium geopteerd ? Houdt dat verband met de rendabiliteit en het rationele beheer van de projecten ? Dit criterium heeft alvast als gevolg dat de meeste centrumsteden niet voor een post in aanmerking komen.

De heer Germeaux vraagt welke vergoeding de wachtposten zullen krijgen. Volgens welke criteria zullen zij worden gefinancierd ? Waarom moeten niet alleen huisartsenkringen, maar ook lokale overheden en ziekenhuizen deze posten kunnen organiseren ? Waarom wordt dit niet zonder meer aan de huisartsenkringen overgelaten ?

De minister antwoordt dat de medewerking van de ziekenhuizen noodzakelijk is omdat het met de wachtposten ook de bedoeling is de spoeddiensten van de ziekenhuizen te ontlasten. Wat de autoriteiten betreft is de medewerking vooral pragmatisch.

De meeste lokale overheden hebben verklaard aan die projecten te willen meewerken. Bovendien is hun medewerking logistiek gezien heel nuttig, omdat ze panden beschikbaar stellen en voor de veiligheid zorgen. Er is echter geen sprake van dat de overheid zich gaat mengen in het management van het project of van de geneeskundige verzorging. De hoeksteen van het systeem blijven de huisartsenkringen, die de plaatselijke wacht organiseren.

In een eerste fase blijven de projecten beperkt tot de grote stedelijke centra. Daar zijn de veiligheidsproblemen voor de wacht en de problemen inzake overbelasting van de spoeddiensten het grootst. Daarmee is niet gezegd dat er geen problemen zijn in de andere steden, maar ze zijn wel minder ernstig.

De proefprojecten worden in 2007 geëvalueerd. Het is niet onmogelijk dat ze zullen worden verlengd of dat ze onder het toepassingsgebied van de wet worden gebracht, na een uitbreiding van de wettelijke basis.

De heer Germeaux erkent de specifieke problematiek van de grootsteden. De problemen van de centrumsteden zijn echter ook niet onaanzienlijk. Het Ziekenhuis Oost-Limburg, bijvoorbeeld, stelt 2 400 mensen tewerk en bedient een groot geografisch gebied. Dit ziekenhuis komt echter niet aanmerking voor de wachtposten, louter doordat het gevestigd is in Genk. De werklast van een spoedgevallendienst houdt echter niet alleen verband met het inwonersaantal van de stad waarin het ziekenhuis gevestigd is, maar met de hele zone die het bedient.

Als men de spoedgevallendienst ontlast, mag men ook niet voorbijgaan aan de uiteenlopende situaties in de betrokken stad en de omliggende gemeenten. Bovendien geven sommige huisartsenkringen de voorkeur aan een ander systeem dan de wachtposten. Als dit een degelijk alternatief is, moet de overheid zich bereid tonen ook dergelijke systemen te financieren. De minister mag dan niet halsstarrig vasthouden aan de wachtposten. Er moet ruimte blijven voor het eigen initiatief van de lokale huisartsenkringen. Zo kan men veel gepaster inspelen op de lokale noden.

De heer Beke stelt vast dat het systeem van de wachtposten voornamelijk wordt ingegeven door overwegingen die verband houden met beveiliging en rationalisering. Er zou echter nog een derde doelstelling moeten zijn : het nastreven van een grotere kostenefficiëntie en kwaliteitsbewaking. De spreker draagt het voorstel een warm hart toe, maar vraagt meer aandacht voor die derde doelstelling, die complementair is met de andere twee.

Wat de financieringswijze van de wachtposten betreft, vraagt de spreker of de wachtposten een forfaitair bedrag zullen ontvangen, dan wel een bedrag per inwoner die door de wachtpost kan worden bediend.

Mevrouw Van de Casteele acht het zeer belangrijk dat patiënten geen onnodig beroep doen op de spoeddiensten van de ziekenhuizen. Dat vormt immers een zware budgettaire last en ondergraaft de kwaliteit van die diensten. Vijftien jaar geleden financierde het Brussels Hoofdstedelijk Gewest reeds het secretariaatswerk van de wachtposten van huisartsen. Welke kosten zullen worden gefinancierd door de overeenkomsten die de minister kan sluiten met wachtposten ?

Voorts vraagt zij zich af wat in de ontworpen tekst wordt bedoeld met « ziekenhuizen die dringend zorg in huisartsengeneeskunde verstrekken ». Is dat geen contradictio in terminis ?

Het criterium van 150 000 inwoners moet in ieder geval snel worden geëvalueerd. Mocht blijken dat men besparingen kan realiseren of de kwaliteit van de dienstverlening kan verbeteren door dit criterium te schrappen, dan mag men dat niet laten.

De minister verduidelijkt dat voorliggend initiatief geen tegenstelling vormt met de bestaande initiatieven. Deze initiatieven zijn dus ook niet bedreigd.

Hij verklaart vervolgens dat de keuze voor een prioritaire werking in de grote steden is gegroeid vanuit de vaststelling dat de grootste problemen, een gebrek aan visibiliteit, met de wachtdiensten zich daar situeren. Momenteel zijn voor deze projecten de financiële middelen forfaitair bepaald. De exacte methodologie echter, voor de latere financiering, moet nog worden gedefinieerd.

Op termijn is het de bedoeling om te leren uit voorvermelde projecten en om, wanneer men een uitbreiding voorziet, ook de kleinere, kleinste steden en de dorpen bij het geheel te betrekken. Immers, op het platteland is er momenteel een probleem met het aanbod van huisartsen en met de organisatie van wachtdiensten. Ook hiervoor zullen dus financiële middelen worden vrijgemaakt, echter niet onmiddellijk.

Wat vervolgens de artsenkringen betreft, geeft de minister aan dat deze nu reeds over bepaalde financiële middelen beschikken om bijvoorbeeld wachtdiensten te organiseren.

De heer Beke verwijst naar het voorbeeld van Hasselt, dat verklaart met een budget van 0,25 euro per inwoner een project, dat zich binnen de hier gestelde filosofie situeert, te kunnen operationaliseren en bemannen. Zou een budgettering per inwoner in de toekomst geen mooie kostenefficiënte financieringswijze vormen ? Bovendien merkt het lid op dat investeren geld kost maar dat degelijke investeringen ook een terugverdieneffect kunnen opbrengen.

Mevrouw De Schamphelaere is verheugd over de vooruitgang die in verband met de geïnterneerden wordt geboekt. Immers, zowel de beslissing van de minister van Justitie om nieuwe instellingen op te richten om mensen met zware psychische ziekten uit de gevangenissfeer te houden, als het gegeven dat de verzorging van deze personen ten laste komt van het RIZIV en niet langer meer van Justitie, dragen de goedkeuring van de spreekster weg.

Wel is het lid verwonderd over de schijnbare tegenstelling waarbij men enerzijds de categorieën van geïnterneerden uitbreidt die ziekteverzekeringsbijstand kunnen genieten, maar men anderzijds de begroting vermindert die de RIZIV-tegemoetkoming moet dekken, namelijk een daling van de gebudgetteerde middelen van 32,5 miljoen euro naar 27,6 miljoen euro.

Mevrouw Van de Casteele wenst aansluitend te vernemen of het inderdaad de bedoeling is dat bepaalde geïnterneerden in rustoorden verblijven en of deze de beste plaats zijn om hen te behandelen.

De minister antwoordt dat bij de oorspronkelijk voorziene 32 miljoen euro er 5 miljoen voor veiligheidsmaatregelen was voorzien. Aangezien de beveiliging werd overgedragen naar de FOD Justitie is het ook de bedoeling dat de ermee gepaard gaande budgettering wordt overgedragen.

In verband met de nieuwe kosten, bijvoorbeeld zij die voortvloeien uit de bouw van nieuwe instellingen, verklaart de minister dat het logisch zou zijn dat deze gedekt worden door nieuwe middelen.

Wat de problematiek van de verschillende plaatsen waar geïnterneerden kunnen worden opgenomen betreft, stelt de minister dat deze plaatsen nog moeten gedefinieerd worden door specialisten. Echter, ziekenhuizen, rustoorden, psychiatrische instellingen zullen hier wel toe behoren. Een meer gedetailleerd overzicht kan worden verstrekt en daarbij kan de minister nu reeds meedelen dat in rustoorden er momenteel een 30-tal geïnterneerden verblijven.

In verband met de bepalingen die betrekking hebben op de geneesmiddelen, vraagt mevrouw Van de Casteele dat de minister zou rekening houden met de dualiteit die bestaat uit enerzijds een vraag naar soepelheid om zo snel te kunnen inspelen op de veranderingen in de markt en anderzijds een pleidooi voor iets meer stabiliteit aangezien er na wijzigingen telkens tijd nodig is voor de informatieoverdracht en de implementatie bij de voorschrijvers en de distributiekanalen.

Wat de financiering van de BSE-testen betreft, vraagt de spreker of het momenteel duidelijk is, wie wat moet betalen en wat er mag worden doorgerekend. Is het bovendien mogelijk dat de kostprijs van deze testen nog verder daalt en is het de bedoeling dat deze testen ooit nog worden afgeschaft ? Wie voert er momenteel deze testen uit ?

De minister bevestigt het oorspronkelijk tijdelijk aspect van deze testen. Hij stelt dat momenteel alle testen door privé laboratoria worden uitgevoerd omdat deze tegen een lagere kostprijs kunnen werken. Verder verklaart de minister dat het voorzichtigheidsprincipe niet pleit voor de afschaffing van de testen maar wel voor een blijvende supplementaire, ook financiële, inspanning. Daarbij is het de bedoeling dat de overheid de testen niet financiert maar wel de normen ervan kan bepalen.

Wat ten slotte de kostprijs betreft, is het de bedoeling dat er nog inspanningen worden geleverd om de kosten te verminderen. Daarbij is het belangrijk dat er een goede prijs-kwaliteitverhouding wordt nagestreefd. De minister is van oordeel dat deze prijs-kwaliteitverhouding in België goed is en dat ze moet worden behouden en verdedigd.

IV. STEMMINGEN

De commissie stemt met 8 stemmen bij 1 onthouding in met het wetsontwerp nr. 3-1254 in zijn geheel, zoals het door de Kamer van volksvertegenwoordigers werd overgezonden.

Vertrouwen werd geschonken aan de rapporteurs voor het uitbrengen dit verslag.

De rapporteurs, De voorzitter,
Jean CORNIL.
Mia DE SCHAMPHELAERE.
Annemie VAN de CASTEELE.

De door de commissie aangenomen tekst is dezelfde als het door de Kamer van volksvertegenwoordigers overgezonden ontwerp (zie stuk Kamer, nr. 51-1820/18)