3-1105/1 | 3-1105/1 |
22 MAART 2005
Het ontwikkelingsbeleid van de Europese Unie heeft als doel de duurzame ontwikkeling aan te moedigen die het terugdringen van de armoede in de ontwikkelingslanden beoogt, alsook de integratie van die landen in de wereldeconomie. Deze economische en sociale doelstellingen gaan ook nog gepaard met een politiek doel, namelijk bij te dragen tot de consolidatie van de democratie en de rechtsstaat en tot de eerbiediging van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden (1) . Het ontwikkelingsbeleid van de EU strekt er dus toe « een duidelijke en samenhangende strategie [vast te stellen] voor het beleid inzake ontwikkelingssamenwerking van de Europese Gemeenschap, teneinde de door de Gemeenschap op dit gebied toegevoegde waarde te maximaliseren, de kwaliteit en impact van haar steunmaatregelen te verbeteren en het beleid af te stemmen op de nieuwe wereldproblemen. » (2) .
De ontwikkelingssamenwerking is ontstaan uit de associatie van landen en gebieden overzee bij de oprichting van de Europese Unie in 1957. Zij vormt een van de essentiële activiteiten van de Europese Unie op het vlak van de buitenlandse betrekkingen en maakt natuurlijk deel uit van het communautair acquis.
Er hoeft niet aan herinnerd te worden dat ontwikkelingssamenwerking werkelijk essentieel is, als men schat dat in Azië en Afrika bijvoorbeeld, meer dan 40 % van de bevolking onder de armoedegrens leeft.
De Europese Unie is altijd zeer actief geweest op het gebied van de ontwikkelingssamenwerking en besteedt er jaarlijks bijna 30 miljoen euro aan, een bijdrage die tot de meest vrijgevige hoort (3) .
Hoewel het ontwikkelingsbeleid van de Europese Unie een aanvang nam in 1957, bij de ondertekening van het Verdrag van Rome, heeft de ontwikkelingssamenwerking pas sinds de goedkeuring van het Verdrag van Maastricht een specifieke wettelijke grondslag. Deze houdt verband met de doelen die worden nagestreefd op het gebied van de ontwikkelingssamenwerking, met de manier waarop dit beleid ten uitvoer wordt gelegd en met het besluitvormingsproces dat hierop van toepassing is (4) .
Zo bepaalt artikel 177 van het EG-verdrag dat « het beleid van de Gemeenschap op het gebied van ontwikkelingssamenwerking, (...), is gericht op de bevordering van :
— de duurzame economische en sociale ontwikkeling van de ontwikkelingslanden en meer in het bijzonder van de armste ontwikkelingslanden;
— de harmonische en geleidelijke integratie van de ontwikkelingslanden in de wereldeconomie;
— de strijd tegen de armoede in de ontwikkelingslanden.
[Bovendien draagt] het beleid van de Gemeenschap op dit gebied bij tot de algemene doelstelling van ontwikkeling en consolidatie van de democratie en van de rechtsstaat, alsmede tot de doelstelling van eerbiediging van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden. ».
Sedert 1 mei 2004 zijn tien nieuwe landen, voornamelijk uit Centraal- en Oost-Europa, tot de Europese Unie toegetreden. De Unie telt dus voortaan 25 lidstaten. Deze historische uitbreiding schept de mogelijkheid om de voordelen van de democratie, de rechtsstaat en de Europese waarden verder te verspreiden in al die nieuwe lidstaten.
Zoals vele Europese NGO's opmerken, mag de uitbreiding echter niet gezien worden als een eenvoudig logisch gevolg van een proces dat de Europese Unie reeds op gang had gebracht. Men moet zich goed rekenschap geven van de verschillende zaken die hier spelen, meer bepaald op het vlak van het Europees beleid inzake ontwikkelingssamenwerking (5) . De nieuwe lidstaten moeten immers het gehele acquis communautaire integreren, ook dat wat de ontwikkelingssamenwerking betreft, alhoewel dit onderwerp niet aan bod is gekomen tijdens de toetredingsonderhandelingen.
De nieuwe lidstaten hebben dus, door hun toetreding tot de Europese Unie, de algemene doelstellingen onderschreven van de Europese hulpverlening, zoals de armoedebestrijding en de sociale ontwikkeling.
En daar wringt het schoentje !
Vele NGO's stellen zich immers vragen over het budget dat deze landen aan de ontwikkelingssamenwerking besteden, alsook over hun vermogen om deel te nemen aan het beleid van de Europese Unie inzake ontwikkelingssamenwerking (6) . De internationale solidariteit van de meeste van deze nieuwe lidstaten bleef namelijk totnogtoe beperkt tot geografisch nabij gelegen landen zoals de Balkan, Moldavië, enz.
Door de ineenstorting van het communistisch systeem is de hulp die eerder was voorbestemd voor gelijkgezinde landen in de geopolitieke invloedssfeer van de Sovjetunie, zoals Cuba, afgevoerd van de prioritaire uitgavenlijst, omdat deze landen zich steeds meer zijn beginnen inspannen om bij de Europese Unie te kunnen horen (7) .
Op dit ogenblik stelt de officiële ontwikkelingshulp nog steeds niet veel voor. Zo bedroeg het percentage van het BNP dat besteed werd aan officiële ontwikkelingshulp in Polen in 2001 0,02 %, in Tsjechië 0,05 %, in Cyprus 0,02 %, in Hongarije 0,02 % en in Slovenië 0,13 % (8) .
Men schat dat in 2002, de nieuwe lidstaten samen amper 0,03 % van hun BNI aan ontwikkelingshulp hebben besteed (9) . Dit terwijl « de landen van de Europese Unie hun officiële ontwikkelingshulp (ODA) in 2002 [en ondanks de moeilijke begrotingssituatie in talrijke lidstaten], (...) met 5,8 % in reële waarde [hebben] verhoogd vergeleken met 2001, en 0,35 % van hun gezamenlijk bruto nationaal inkomen (BNI) daaraan hebben besteed (10) .
Bovendien beschikken sommige van de nieuwe lidstaten, zoals Malta en Slovenië bijvoorbeeld, niet eens over een beginselverklaring inzake ontwikkelingssamenwerking (« development policy statement »).
Table 1 -- Development Policy Frameworks in New Member States
Country | Development Policy Statements | Gov't Commitment | Broad based consultation | Comments |
Cyprus | No policy framework | Low | -- | |
Czech Republic | Principles for Providing Foreign Aid approved by the Czech Government decision no. 153 of March 15, 1995 | Medium | No | |
Concept of the Czech Republic Foreign Aid Program for the 2002-2007 Period | The Government has discussed the Concept, but has not adopted it formally. | |||
Estonia | Principles of Development Cooperation and Aid of January 15,2003 | Medium | Yes | |
Hungary | Concept of the International Development Cooperation of the Republic of Hungary, approved by Government in 2001 | Low | No | It has been made public only recently |
Latvia | Concept of Latvian Development Cooperation | Medium | Yes | |
Lithuania | No policy framework | Low | -- | The « Concept of Lithuanian development policy » has recently been presented to the government by the Ministry of Foreign Affairs |
Malta | No policy framework | Low | -- | The Ministry of Foreign Affairs has prepared a draft « Development Policy » paper. |
Poland | No policy framework | Low | -- | |
Slovak Republic | Concept of Development Assistance approved by the Government on 7 July 1999 | Medium | No | |
Slovenia | No policy framework | Medium | -- | |
Table 2 -- ODA Objectives Contained in Development Policy Statements
Key ODA Objectives | Cyprus | Czech | Estonia | Hungary | Latvia | Lithuania | Malta | Poland | Slovak | Slovenia | Total |
Democracy and the rule of law | X | X | X | X | X | X | X | 7 | |||
Regional security | X | X | X | X | X | X | 6 | ||||
Sustainable development/ environment | X | X | X | X | X | X | 6 | ||||
Poverty reduction | X | X | X | 3 | |||||||
Assistance to the New Member State's communities abroad | X | X | X | 2 | |||||||
Smooth and gradual integration in the world economy | X | X | 2 | ||||||||
Trade | X | 1 | |||||||||
The objectives of EC aid as stated in the EC Treaty are in grey cells. | |||||||||||
(Final report, « The consequences of enlargement for development policy », Vol. I, 31 augustus 2003, in http://europa.eu.int/comm/development/body/publications/descript/pub7_8en.cfm).
In de studie met betrekking tot de gevolgen van de uitbreiding voor de ontwikkelingssamenwerking, vindt men een aantal karakteristieke kenmerken van de officiële ontwikkelingshulp :
— het kader van het gevoerde beleid en de geboden hulp is toegespitst op de « cross-cutting » (of transversale) thema's als mensenrechten en milieu, maar ook op de politieke stabiliteit en de regionale veiligheid, veeleer dan op de armoedebestrijding;
— de nieuwe lidstaten en hun NGO's focussen sterk op hun buurlanden en hebben op dat gebied een zeer belangrijke expertise opgebouwd;
— er is een groter draagvlak bij het publiek voor de humanitaire hulp dan voor de ontwikkelingssamenwerking; ook het engagement van de regering voor buitenlandse hulpverlening is gewoonlijk vrij zwak;
— de financiële middelen die aan de ontwikkelingshulp worden besteed zijn beperkt wegens budgettaire beperkingen en een zwakke politieke wil;
— de institutionele mogelijkheden om een belangrijke aanvoer van ontwikkelingshulp te verzorgen en om een grotere selectiviteit aan de dag te leggen is beperkt; er is echter wel goede wil om de multilaterale kanalen te gebruiken en er zijn aanwijzingen dat er publieke steun te vinden is voor de « gekanaliseerde hulp », via het budget van de Europese gemeenschap.
Tijdens de Europese top van Barcelona heeft de Europese Unie zich ertoe verbonden om in 2006 0,39 % van het BNP aan ontwikkelingshulp te besteden. Elke lidstaat heeft van zijn kant beloofd om, ook voor 2006, 0,33 % van zijn BNP aan ontwikkelingshulp te besteden. De lidstaten moeten ook de doelstellingen van Monterrey in acht nemen, waarin gestreefd wordt naar de besteding van 0,7 % van het BNI in 2010, alhoewel de nieuwe lidstaten niet aan deze onderhandelingen hebben deelgenomen (11) .
Artikel 177, § 3, van het EG-Verdrag bepaalt overigens duidelijk dat « de Gemeenschap en de lidstaten [zich houden] aan de verbintenissen en de doelstellingen die zij in het kader van de Verenigde Naties en andere bevoegde internationale organisaties hebben onderschreven. » Deze verbintenissen lijken echter moeilijk haalbaar voor de nieuwe lidstaten. Ex-Europese commissaris Paul Nielsen zegt hierover in een werkdocument : « De stijging van de ontwikkelingshulp vormt een belangrijke uitdaging voor de meeste nieuwe lidstaten. Het zou niet redelijk zijn van hen te verwachten dat ze tegen 2006 de 0,39 %bereiken. De beste raad die wij hun kunnen geven is om de begroting van het EOF te steunen. » (12) Het Europees Ontwikkelingsfonds wordt immers niet opgevoerd op de begroting van de Gemeenschap, maar wordt rechtstreeks door de lidstaten gefinancierd, met vooraf bepaalde bijdragen.
Het is duidelijk dat men niet van de ene dag op de andere de status van ontvangend land inruilt voor de status van donorland en dat dit vraagt om een bewustmaking van de publieke opinie (13) .
Dit voorstel van resolutie wil dus de nieuwe lidstaten aanmoedigen in het kader van de ontwikkelingssamenwerking in de Europese Unie.
Men mag niet uit het oog verliezen dat, ten gevolge van de uitbreiding van de Unie, het aantal stemmen dat in de internationale organisaties voorbehouden is aan lidstaten van de Europese Unie, zal stijgen. Hetzelfde geldt voor de instellingen van de Europese Unie, waar de nieuwe lidstaten bijvoorbeeld over 25 % van de stemmen in de Raad beschikken.
De huidige evenwichten zullen dus veranderen, zowel op het niveau van de Raad als van de Commissie en het Europees Parlement. De overheden van de nieuwe lidstaten zullen voortaan de formulering en de uitvoering van het ontwikkelingsbeleid kunnen beïnvloeden, via hun vertegenwoordigers in het Europees Parlement, de Commissie, of de Raad.
Hoe dan ook zal 4,6 % van de bijdragen van de nieuwe lidstaten aan het budget van de Unie, aangewend worden voor ontwikkeling.
Volgens de ex-commissaris voor Ontwikkeling Paul Nielson zal men pas vanaf 2008 de bijdragen van de nieuwe lidstaten aan het EOF bepalen, om het nieuwe programma te kunnen opstellen (14) .
François ROELANTS du VIVIER. |
De Senaat,
A. Overwegende dat de ontwikkelingssamenwerking werkelijk essentieel is als men weet dat bijna 40 % van de bevolking in Afrika en Azië onder de armoedegrens leeft;
B. Met het oog op de recente natuurramp in Zuidoost-Azië, ten gevolge waarvan bijna 150 000 personen om het leven kwamen;
C. Rekening houdend met het voorstel van resolutie inzake de Europese ontwikkelingssamenwerking ingediend door mevrouw Sabine de Béthune c.s. (Stuk 3-963/1);
D. Overwegende dat de Europese Unie er zich op de Europese top van Barcelona toe verbonden heeft in 2006 gemiddeld 0,39 % van het BNP aan ontwikkelingshulp te besteden;
E. Overwegende dat op dezelfde top, de lidstaten van de Europese Unie er zich ook toe verbonden hebben om in 2006 0,33 % van hun BNP aan de officiële ontwikkelingshulp te besteden;
F. Overwegende dat de Europese Unie eveneens de doelstellingen van Monterrey heeft onderschreven, dat wil zeggen dat ze 0,7 % van het BNP aan ontwikkelingshulp wil besteden;
G. Overwegende dat deze doelstellingen voor de tien nieuwe lidstaten op korte termijn moeilijk haalbaar lijken;
H. Overwegende dat het niveau van de officiële ontwikkelingshulp vanwege de nieuwe lidstaten zeer laag blijft en dat al deze landen samen in 2003 slechts 0,03 % aan ontwikkelingshulp hebben besteed;
I. Overwegende dat, om de millenniumdoelstellingen te halen met betrekking tot het halveren van de armoede tegen 2015, een belangrijker bijdrage vanwege de nieuwe lidstaten meer dan welkom zou zijn;
J. Overwegende dat die nieuwe lidstaten vaak geen enkele traditie op het gebied van ontwikkelingshulp hebben;
K. Overwegende dat de meeste van deze landen, wat ontwikkelingshulp betreft, de status van ontvanger inwisselen voor die van donor;
L. Overwegende dat de tien nieuwe lidstaten, door tot de Europese Unie toe te treden, de doelstellingen van de Unie in hun geheel hebben aanvaard, met inbegrip van de doelstellingen inzake ontwikkelingshulp;
M. Overwegende dat de ontwikkelingssamenwerking deel uitmaakt van het acquis communautaire;
N. Overwegende dat de toetreding van de nieuwe lidstaten de huidige evenwichten binnen de instellingen van de Europese Unie heeft veranderd;
O. Overwegende dat de nieuwe lidstaten de mogelijkheid zullen hebben om de formulering en de uitvoering van het ontwikkelingsbeleid te beïnvloeden, via hun vertegenwoordigers in het Europees Parlement, de Commissie en de Raad;
P. Zich verheugend over het initiatief van België om in mei 2005 een conferentie te houden over de bewustmaking van de publieke opinie met betrekking tot de Noord-Zuid-problematiek;
vraagt de regering :
1. om er met haar hele gewicht bij de Raad van de Europese Unie op aan te dringen dat de ontwikkelingssamenwerking wordt opgenomen bij de prioritaire agendapunten van de Raad Algemene Zaken en Buitenlandse Betrekkingen;
2. erop toe te zien dat de uitbreiding niet verloopt ten koste van het partnerschap tussen de Unie en de ontwikkelingslanden en niet tot een vermindering leidt van de middelen die aan ontwikkelingshulp worden besteed;
3. de kandidaat-lidstaten van de Unie, zoals Bulgarije en Roemenië, in staat te stellen deel te nemen aan de ontwikkelingsprojecten die door de Europese Unie worden opgezet, zoals dit gebeurde tijdens het Nederlands voorzitterschap van de Europese Unie, dat de steun die aan de nieuwe lidstaten werd gegeven op het vlak van de ontwikkelingssamenwerking als een prioriteit beschouwde;
4. er tijdens de onderhandelingen over het nieuwe financiële kader van de Europese Unie voor te zorgen dat het budget dat voor ontwikkelingssamenwerking is bestemd de Unie ook in staat stelt om de verbintenissen die zij is aangegaan, waar te maken;
5. alles in het werk te stellen opdat de nieuwe lidstaten zo snel mogelijk de doelstellingen van de Europese Unie inzake ontwikkelingssamenwerking kunnen onderschrijven, in het bijzonder wat het percentage van hun officiële ontwikkelingshulp betreft;
6. om, in navolging van wat plaatsheeft op initiatief van het Groothertogdom Luxemburg, steun te verlenen aan projecten van Noord-Noord-Zuidsamenwerking zodat de nieuwe lidstaten ervaring kunnen opdoen op het vlak van ontwikkelingssamenwerking;
7. de uitvoering van een Europese ontwikkelingsstrategie te steunen.
28 januari 2005.
François ROELANTS du VIVIER.
|
(1) Franse tekst, zie http://www.europa.eu.int/scadplus/leg/fr/lvb/r12000.htm.
(2) http://www.europa.eu.int/scadplus/leg/nl/lvb/r12001.htm.
(3) Artikel op www.euractiv.com.
(4) Artikelen 177 tot 181 van het EG-verdrag; DG DEV, EG, final report « The consequences of enlargement for development policy », Vol. I, 31 augustus 2003, in www.europa.eu.int/comm/development/body/publications/descript/pub7_8en.cfm, blz. 37.
(5) www.europa.eu.int. enlargement/; www.clong-trialog.at.
(6) Sam Biesemans, L'élargissement de l'Union européenne, Le Journal de la Coopération belge, maart 2004, blz. 14.
(7) Sam Biesemans, L'élargissement de l'Union européenne, Le Journal de la Coopération belge, maart 2004, blz. 14.
(8) Parlementaire vraag nr. 3-1694, Bull. 3-31 van 4 januari 2005.
(9) www.europa.eu.int/scadplus/printversion/nl/lvb/r12527.htm.
(10) Ibidem.
(11) Dorothy Morrissey, « Alexandroupolis : élargissement et développement », le Courrier ACP-UE nr. 198, mei-juni 2003, blz. 7.
(12) Simon Maxwell en Paul Engel, « La coopération au développement de l'UE à l'horizon 2010 », document de travail 219, mei 2003, op http://www.ecdpm.org/
(13) Dorothy Morrissey, op. cit., blz. 7.
(14) http://apf.pcf.be/ROOT/apf/repertoire_assemblees/ delemenont_2003, blz. 8.