2-1157/4

2-1157/4

Belgische Senaat

ZITTING 2002-2003

18 MAART 2003


Wetsontwerp tot wijziging van sommige bepalingen van het Burgerlijk Wetboek in verband met het erfrecht van de langstlevende echtgenoot


Evocatieprocedure


AMENDEMENTEN


Nr. 12 VAN MEVROUW NYSSENS

Art. 5

In het voorgestelde lid, na het woord huwelijk , de woorden of afstammelingen van de geadopteerden invoegen.

Verantwoording

Er moet ook expliciet worden verwezen naar de afstammelingen van de voor het huwelijk geadopteerde kinderen (cf. advies van de Raad van State, stuk Senaat, nr. 1157/3).

Nr. 13 VAN MEVROUW NYSSENS

Art. 5

Het voorgestelde lid aanvullen met de woorden volgens de voorwaarden bepaald in artikel 915bis, 2 tot 4 .

Verantwoording

Amendement nr. 10 strekt ertoe de overlevende echtgenoot het voordeel van de concrete reserve te laten behouden.

Om billijk te blijven tegenover de tweede echtgenote en om geen onderscheid te maken tussen de overlevende echtgenoten naargelang het gaat om een eerste dan wel om een later huwelijk, is het beter om de echtgenoten toe te staan om met onderlinge overeenstemming af te zien van de gevolgen die nadelig zijn voor de kinderen uit het vorig huwelijk, zonder evenwel te raken aan het vruchtgebruik van de langstlevende echtgenoot van het nieuwe huwelijk op het onroerend goed dat het gezin tot voornaamste woning diende en van de daarin aanwezige huisraad.

Er moet evenwel uitdrukkelijk worden bepaald dat de bestaande wettelijke beperkingen met betrekking tot de concrete reserve van toepassing blijven (artikel 915bis, 2 tot 4, van het Burgerlijk Wetboek), aangezien artikel 3 van dit ontwerp artikel 915bis wil wijzigen door te bepalen dat er in het geval bedoeld in artikel 1388, tweede lid, (artikel 5 van het ontwerp) van mag worden afgeweken. De wetgever moet vaststellen hoe ver die afwijking mag gaan.

Clotilde NYSSENS.

Nr. 14 VAN DE HEER VANDENBERGHE

Art. 5

Dit artikel doen vervallen.

Verantwoording

De Raad van State stelde in haar advies dat het bepalen van aparte erfrechtstelsels voor huwelijken met en zonder vooraf bestaande afstammelingen zeer waarschijnlijk strijdig is met het gelijkheidsbeginsel. Voor zover men dus niet de discussie voert over een aanpassing van het erfrecht van de langstlevende echtgenoot in alle gevallen, dient het voorliggende artikel integraal geschrapt.

Nr. 15 VAN DE HEER VANDENBERGHE

(Subsidiair amendement op amendement nr. 14)

Art. 5

In het voorgestelde nieuwe lid de volgende wijzigingen aanbrengen :

A) het woord gebruik vervangen door de woorden kosteloos recht van bewoning ;

B) de woorden en van het daarin aanwezige huisraad vervangen door de woorden alsook het kosteloos recht van gebruik van het daarin aanwezige huisraad ;

C) na het voorgestelde lid een nieuw lid invoegen, luidend als volgt :

Ten aanzien van de in vorig lid bedoelde rechten van bewoning en gebruik kan geen borgstelling worden gevraagd. Evenwel kan, niettegenstaande elk andersluidend beding, ieder die de blote eigendom verkrijgt, eisen dat op zijn kosten voor alle met deze rechten belaste goederen een boedelbeschrijving van de roerende en een staat van het onroerend goed wordt gemaakt. Bij gebreke van deze eis, heeft de langstlevende het genot van deze goederen zonder staat en boedelbeschrijving.

Verantwoording

A en B) Uit de voorbereidende werken (meer bepaald het amendement nr. 13 van de heer Valkeniers) en uit het advies van de Raad van State blijkt duidelijk dat er de grootst mogelijke verwarring bestaat betreffende de aard van de toegekende rechten. Het toekennen van een vruchtgebruik kan evenwel niet de bedoeling zijn, vermits dit de verhuring mogelijk maakt, wat geheel in strijd zou zijn met de ratio legis. Daarom wordt beroep gedaan op bestaande rechten, namelijk die van gebruik en bewoning (artikel 625 tot 636 van het Burgerlijk Wetboek). De discussie over de omzetbaarheid wordt aldus vermeden, en de gebruiker en bewoner is aldus onderworpen aan de gemeenrechtelijke regeling, behoudens wat betreft het hierna bepaalde.

C) Het recht van gebruik en bewoning veronderstelt evenwel een voorafgaande borgstelling en opmaak van staat en boedelbeschrijving (artikel 626 van het Burgerlijk Wetboek). Dit is ook zo voor gemeenrechtelijk vruchtgebruik, maar niet voor het vruchtgebruik van de langstlevende. Bovendien zou bij borgstelling het recht niet meer kosteloos zijn. Wat betreft het vruchtgebruik van de langstlevende stelt artikel 745ter van het Burgerlijk Wetboek wel dat een staat en boedelbeschrijving kan gevraagd worden door de blote eigenaar. Naar analogie met de regeling van het vruchtgebruik van de langstlevende wordt dan ook de voorwaarde van borgstelling niet van toepassing geacht, en wordt wat betreft de staat en boedelbeschrijving het regime van artikel 745ter van het Burgerlijk Wetboek overgenomen. In afwijking van artikel 626 van het Burgerlijk Wetboek wordt uitdrukkelijk gesteld dat bij gebreke van vraag tot boedelbeschrijving of opmaak van staat, de langstlevende zonder voorafgaande staat, boedelbeschrijving of borgstelling in het genot treedt.

Hugo VANDENBERGHE.

Nr. 16 VAN MEVROUW TAELMAN

Art. 5

In het voorgestelde nieuwe lid, de woorden voor het geval vervangen door de woorden wanneer op dat tijdstip .

Verantwoording

Deze verbetering strekt er toe duidelijk aan te geven op welk moment voldaan moet zijn aan de voorwaarde van het hebben van afstammelingen. Het is aangewezen om te preciseren dat op het tijdstip van het treffen van de regeling, er afstammelingen moeten zijn.

Martine TAELMAN.