2-877/6

2-877/6

Belgische Senaat

ZITTING 2001-2002

20 FEBRUARI 2002


Wetsontwerp tot wijziging van de faillissementswet van 8 augustus 1997, het Gerechtelijk Wetboek en het Wetboek van vennootschappen


Evocatieprocedure


AMENDEMENTEN


Nr. 55 VAN DE HEREN STEVERLYNCK EN VANDENBERGHE

(Subamendement op amendement nr. 9 van de heren Steverlynck en Vandenberghe)

Art. 26bis (nieuw)

Het voorgestelde lid aanvullen als volgt :

« De rechter-commissaris roept de vergadering bijeen indien hiertoe wordt verzocht door schuldeisers die meer dan een derde van de schulden vertegenwoordigen. »

Verantwoording

De bijeenroeping vanaf het derde jaar wordt een verplichting indien schuldeisers die een belangrijk deel van de schulden vertegenwoordigen hierom verzoeken.

Jan STEVERLYNCK.
Hugo VANDENBERGHE.

Nr. 56 VAN MEVROUW TAELMAN

Art. 5bis (nieuw)

Een artikel 5bis (nieuw) invoegen, luidende :

« Art. 5bis. ­ In artikel 10, tweede lid, van dezelfde wet worden na de woorden « een tabel van de uitgaven » de woorden « , een lijst houdende naam en adressen van de schuldeisers en mogelijke schuldeisers » ingevoegd.

Verantwoording

De lijst moet de curator toelaten de schuldeisers en mogelijke schuldeisers, zoals voorzien door artikel 62, tweede lid, van de faillissementswet onmiddellijk te verwittigen.

Onder mogelijke schuldeisers wordt begrepen, zij die ten gevolge van het ingetreden faillissement een vordering zouden kunnen doen gelden, dan wel verkrijgen of zij die voorhielden een vordering te hebben op de gefailleerde, zelfs wanneer deze voorafgaandelijk aan het faillissement werden betwist.

Het is niet noodzakelijk dat deze lijst wordt neergelegd met vermelding van de verschuldigde of mogelijks verschuldigde bedragen, daar deze bedragen immers moeten blijken uit de neergelegde boekhoudkundige stukken en de curator overigens zal geconfronteerd worden met de bedragen die de schuldeisers zullen voorhouden in hun aangifte van schuldvordering.

Nr. 57 VAN MEVROUW TAELMAN

Art. 6bis (nieuw)

Een artikel 6bis (nieuw) invoegen, luidende :

« Art. 6bis. ­ In artikel 11 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :

A. In het eerste lid wordt de derde zin geschrapt;

B. Het tweede lid wordt vervangen als volgt :

« Hetzelfde vonnis bepaalt de datum waarop het eerste proces-verbaal van verificatie van de schuldvorderingen ter griffie zal worden neergelegd. Dit tijdstip wordt zo gekozen dat er ten minste vijf en ten hoogste dertig dagen verlopen tussen het verstrijken van de termijn van aangifte van de schuldvorderingen en de neerlegging van het eerste proces-verbaal van verificatie. »

Verantwoording

A. Het artikel voorziet dat de rechtbank van koophandel in voorkomend geval een plaatsopneming door de rechter-commissaris, de curators en de griffier kan bevelen.

Uit de tekst blijkt dat de bedoelde plaatsopneming niet verplicht wordt bevolen, terwijl, anderzijds, het opstellen van de inventaris van de goederen van de gefailleerde wèl een dwingende verplichting is. Het behoort tot de evidentie te veronderstellen dat de rechter-commissaris en de curator ter plaatse gaan in een faillissement van enige betekenis, mogelijk zelfs meerdere malen, mede in het kader van de opstelling van de voormelde inventaris. Het is evenzo duidelijk dat de rechter-commissaris andere gelegenheden heeft om met de gefailleerde en personeelsleden te spreken (vergelijk artikel 53 en artikel 55 van de faillissementswet).

Een stelselmatige toepassing van dit artikel kent zijn weerslag op de werkzaamheden van het griffiepersoneel bij stelselmatig bevolen plaatsbezoeken. De hoofdgriffier van de rechtbank van koophandel te Antwerpen had er in de hoorzittingen van de Kamer reeds op gewezen dat zijn rechtbank van koophandel bij 4 faillissementen per dag 4 griffiers gedurende een namiddag met een plaatsbezoek zou moeten belasten.

Het artikel kan verdedigd worden op grond van de vaststelling dat de rechtbank de toepassing ervan op heden als uitzonderlijk kan beschouwen. De realiteit leert inmiddels dat het uitzonderlijk is.

B. De 2e paragraaf bepaalt dat het vonnis plaats, dag en uur aanwijst waarop het proces-verbaal van verificatie van schuldvorderingen zal worden afgesloten.

De aangiften en verificatie van de schuldvorderingen wordt behandeld in hoofdstuk IV van de wet en verwezen dient te worden naar de amendementen en hun verantwoording bij de artikelen aldaar.

De filosofie van de wet van 1851 werd door de wet van 1997 niet gewijzigd.

Er wordt verondersteld dat de schuldeisers een aangifte van schuldvordering doen, dat de curator een proces-verbaal van verificatie van schuldvorderingen opstelt, en dat de daarbij betwiste schuldvorderingen naar de rechtbank worden verwezen voor de beslechting. Daarenboven zullen schuldeisers, die hun vordering niet tijdig hebben ingediend, verplicht worden tot het doen van een vrijwillige verschijning om de betwisting voor de rechtbank aanhangig te maken (de curator zal daarmee akkoord gaan omdat hij anders moet gedagvaard worden en voor de kosten daarvan zal moeten opdraaien).

Daarbij de bedenking dat wanneer de schuldeiser een tijdige aangifte doet, de curator de vordering, ongeacht het bedrag, kan beslechten door gewone opname ervan in zijn proces-verbaal van verificatie. De schuldeiser daarentegen, die een laattijdige vordering in het passief nastreeft, voor een luttel bedrag van enkele honderden franken, is verplicht daarvoor te dagvaarden (of vrijwillig te verschijnen), waarbij opname in het passief door een vonnis van de rechtbank van koophandel dient te worden bevolen.

Men zou kunnen voorhouden dat terwijl de tijdige aangifte kosteloos is, de niet-tijdige aangifte gesanctioneerd wordt door de door de schuldeiser te stellen gerechtskosten, en dat dit een aanmoediging betekent opdat de vordering tijdig zou worden neergelegd. Nuttig opdat de curator zich zo spoedig mogelijk een totaal beeld zou kunnen vormen inzake de vereffening van het faillissement.

Dit doel kan op andere wijzen worden bereikt.

Luidens artikel 68 wordt het proces-verbaal van verificatie afgesloten op een zitting, waarop iedere belanghebbende kennis kan nemen van elke aangegeven schuldvordering en van elke betwisting. Ook de wet van 1851 voorzag soortgelijke werkwijzen, maar de praktijk had geleerd dat deze zittingen niet nuttig voorkwamen, en de gewone neerlegging van het proces-verbaal van verificatie ter griffie op de bepaalde datum volstond voor alle nuttige rechtsgevolgen.

Het artikel 70 voorziet, zoals voorheen het oude artikel 504, dat de vorderingen die in het proces-verbaal van verificatie werden betwist (de betwistingen) door de rechtbank zo mogelijk bij één enkel vonnis worden beslecht en dat dit vonnis wordt gewezen nadat de curatoren, de gefailleerde en de schuldeisers die bezwaren hebben ingebracht en zij die aangifte hebben gedaan, indien zij verschijnen, worden gehoord. Ook deze voorziening sluit niet meer aan op de praktijk omdat de betwistingen niet bij één enkel vonnis worden beslecht en omdat de schuldeisers niet verschijnen of tussenkomen in de beslechting van de onderscheiden betwistingen.

Een economische en op de realiteit afgestemde werkwijze inzake de aangifte en verificatie van de schuldvorderingen, leidt dan ook tot de wijzigingen van de artikelen in hoofdstuk IV, zoals hierna artikelsgewijze besproken (zie verantwoording amendementen infra).

Nr. 58 VAN MEVROUW TAELMAN

Art. 5

Dit artikel vervangen als volgt :

« Art. 5. ­ In artikel 9 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :

A. In het eerste lid worden de woorden « bedoeld in artikel 3, §§ 1 en 2 » vervangen door de woorden « bedoeld in artikel 3, eerste lid ».

B. Na het eerste lid wordt een nieuw lid ingevoegd, luidende :

« Wanneer de koopman aangifte doet van een overeenkomstig artikel 631, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek ratione loci onbevoegde rechtbank, brengt de griffier onmiddellijk de dienst handelsonderzoeken van de bevoegde rechtbanken op de hoogte. »

Verantwoording

In het kader van de fraudebestrijding bij de malafide faillissementen is deze bepaling het pendant bij de « vrijwillige » aangifte van staking van hetgeen bij faillissement op dagvaarding staat bepaald in amendement nr. 13 ­ voorgestelde wijziging van artikel 631, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek.

Een malafide handelaar zou net voor hij op dagvaarding failliet wordt verklaard zelf aangifte kunnen doen in een arrondissement dat niet bevoegd is en waar hij nog niet gekend is bij de dienst handelsonderzoeken.

Dit ontwijkingsmanoeuver wordt tegengegaan door de voorgestelde tekst.

Nr. 59 VAN MEVROUW TAELMAN

Art. 7

Dit artikel vervangen als volgt :

« Art. 7. ­ In artikel 13, tweede lid, van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :

A. Dit lid wordt aangevuld als volgt :

« Het exploot van betekening bevat eveneens de tekst van artikel 53 en de aanmaning om kennis te nemen van de processen-verbaal van verificatie van de schuldvorderingen. »

B. De zinsnede « en er, in voorkomend geval, te vernemen op welke dag of dagen de rechter-commissaris de debatten over de betwiste schuldvorderingen vaststelt » wordt geschrapt.

Verantwoording

A. Het is van het grootste belang voor de correcte afhandeling van de aangiftes der schuldvorderingen dat de gefailleerde zijn medewerking verleent en ter beschikking is van de curator voor verdere uitleg. Door deze aanmaning in de betekening van het faillissementsvonnis zelf op te nemen wordt de gefailleerde daar van bij het begin in een officiële betekening nogmaals aan herinnerd.

B. Dit is een noodzakelijke coördinatie met artikel 22 van het ontwerp zoals door de Kamer goedgekeurd. Er is daar immers niet langer voorzien dat de rechter-commissaris de betwistingen verwijst naar een bepaalde rechtsdag voor de debatten.

Nr. 60 VAN MEVROUW TAELMAN

Art. 7bis (nieuw)

Een artikel 7bis (nieuw) invoegen, luidende :

« Art. 7bis. ­ Artikel 15 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :

« Art. 15. ­ Verzet, derdenverzet of hoger beroep tegen het vonnis van faillietverklaring of tegen het vonnis dat de faillietverklaring afwijst wordt zonder verwijl in staat gesteld. De rechter bepaalt op de inleidende zitting de termijnen om conclusie te nemen en de rechtsdag, die binnen twee maand na de inleiding plaatsvindt. Tegen deze beschikking staat geen enkel rechtsmiddel open. Onverminderd de toepassing van de uitzonderingen bedoeld in artikel 748, §§ 1 en 2, worden de conclusies die zijn overgelegd na het verstrijken van de vastgestelde termijnen ambtshalve uit de debatten geweerd. Op de rechtsdag kan de meest gerede partij een op tegenspraak gewezen vonnis vorderen. »

Verantwoording

De bedoeling van de wetgever het hoger beroep, verzet of derdenverzet tegen het vonnis van faillietverklaring of tegen het vonnis dat de faillietverklaring afwijst zonder verwijl in staat te stellen laat onverlet de datum waarop de rechtsdag zal worden aangevraagd.

Dit is met de huidige tekst van de wet niet het geval.

Wanneer op de inleidende zitting niet de meest gerede partij doch wel de rechter niet alleen de pleitdatum vaststelt in een nabije toekomst maar ook de termijnen om te concluderen zal de zaak pas echt vooruitgaan.

De regeling zoals hier voorgesteld is geïnspireerd op de toepassing van artikel 747, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek door expeditieve rechters. Zoals de tekst thans is voorgesteld past het deze in de bijzondere procedure van de faillissementswet op te nemen.

Nr. 61 VAN MEVROUW TAELMAN

Art. 7ter (nieuw)

Een artikel 7ter (nieuw) invoegen, luidende :

« Art. 7ter. ­ In artikel 27 van dezelfde wet wordt het laatste lid vervangen als volgt :

« De Koning bepaalt het aantal curatoren per rechtbank van koophandel, de procedure van voordracht van de kandidaten bij de rechtbank, de termijnen die moeten worden nageleefd bij het onderzoek van de sollicitaties en de procedure van aanvaarding door de algemene vergadering van de rechtbank van koophandel. »

Verantwoording

Luidens het eerste lid worden de curatoren verkozen door de algemene vergadering van de rechtbank van koophandel en luidens artikel 28 is beroep mogelijk tegen elke beslissing waarbij inschrijving op een lijst van curatoren wordt geweigerd.

A. De beslissing van de algemene vergadering van de rechtbank van koophandel, houdende weigering, dient gemotiveerd te worden. Dit houdt een meerderheidsbeslissing in van de algemene vergadering bij wijze van stemming. Indien vervolgens uit de stemming blijkt dat de kandidaat wordt geweigerd, dan dient een motivatie te worden « gevonden » om de stemming te verantwoorden.

Deze werkwijze is minstens bevreemdend. Stemmingen worden bij meerderheid genomen en dienen niet gemotiveerd te zijn.

B. De wet heeft geen voorziening getroffen met betrekking tot het aantal curatoren per rechtbank van koophandel.

In acht genomen artikel 28, volgens hetwelk een beslissing waarbij inschrijving op een lijst wordt geweigerd, vatbaar is voor hoger beroep, is de rechtbank van koophandel zelf niet in de mogelijkheid het aantal curatoren zelf te bepalen, in functie van de noden van het rechtsgebied.

Enerzijds biedt een onevenwicht tussen het aantal curatoren en het aantal faillissementen per rechtsgebied een onzekerheid inzake het aantal toebedelingen per curator, hetwelk de specialisatie van de advocaten-curatorenkantoren niet ten goede komt. Anderzijds, houdt de benoeming op de lijst niet in dat effectief faillissementen zullen worden toebedeeld.

Mogelijk zal de rechtbank van koophandel, bij overtal van kandidaturen, de beste kandidaten dienen te weerhouden in functies van het aantal te begeven plaatsen. Niets belet de rechtbank reeds een reservelijst te voorzien voor de toekomstige vacatures.

Nr. 62 VAN MEVROUW TAELMAN

Art. 8

In het 2º van dit artikel de volgende wijzigingen aanbrengen :

A. In het tweede lid de woorden « aan de rechtbank » vervangen door de woorden « aan de voorzitter van de rechtbank ».

B. Het voorlaatste lid vervangen als volgt :

« De verklaringen van de curator worden bij het faillissementsdossier gevoegd. »

Verantwoording

A. De door artikel 8 van het wetsontwerp gewijzigde tekst van artikel 30 voorziet dat de curator elke vorm van tegenstrijdigheid van belangen of schijn van partijdigheid aan de rechtbank moet meedelen. De curator wendt zich niet tot de rechtbank. In voorkomende hypothese zou dan nog dienen te worden voorzien op welke wijze de curator zich tot de rechtbank dient te wenden (verzoekschrift ?) en of de rechtbank voorrang geeft aan de behandeling boven alle andere zaken, en met de vraag of tegen de te verlenen beschikking hoger beroep mogelijk is.

De curator dient zich te wenden tot de voorzitter die hij over het gestelde probleem onmiddellijk kan inlichten en die zal oordelen welk gevolg dient te worden gegeven.

B. Niet alleen op het ogenblik dat de curator zijn ambt aanvaardt zal hij dienen te oordelen of er reeds mogelijke tegenstrijdigheden van belangen zijn of een schijn van partijdigheid wordt gewekt, maar hij zal dit permanent dienen op te volgen in de loop van de vereffening. Wat dus aanleiding zal (kunnen) geven tot meerdere verklaringen.

Nr. 63 VAN MEVROUW TAELMAN

Art. 8

In het 2º, het voorgestelde derde lid doen vervallen.

Verantwoording

Dit lid is overbodig.

Wanneer het geviseerde feit van aard is een vorm van tegenstrijdigheid van belangen in te houden dan wel van aard is een schijn van partijdigheid te wekken, dan is de verplichting tot melding reeds besloten in artikel 8, 2º, eerste lid.

Nr. 64 VAN MEVROUW TAELMAN

Art. 14

Dit artikel doen vervallen.

Verantwoording

De curator kan mogelijk op basis van de opgestelde inventaris oordelen dat de vermoedelijke beheers- en werkingskosten van het faillissement kunnen worden gedekt, maar hij kan op basis daarvan niet beoordelen dat de bedoelde kosten niet kunnen worden gedekt.

Het actief van een faillissement bestaat immers nauwelijks (en in sommige faillissementen zelfs helemaal niet) uit de in de inventaris opgenomen goederen maar evenzo uit schuldvorderingen, hangende of te stellen vorderingen van crediteuren, terugvorderingen mede op basis van de artikelen 17, 18 en 20 van de faillissementswet en mogelijks al evenzo uit faillissementsvorderingen tegen de gefailleerde dan wel tegen de oprichters of vroegere, huidige en feitelijke bestuurders.

Het door het artikel 14 van het wetsontwerp voorziene tijdstip, zijnde 15 dagen na het neerleggen van de inventaris, laat (nog) niet toe tot de kennelijke ontoereikendheid van de activa te besluiten.

Het artikel is totaal overbodig gelet op artikel 73 van de faillissementswet.

Nr. 65 VAN MEVROUW TAELMAN

Art. 19

Dit artikel vervangen als volgt :

« Art. 19. ­ De laatste zin van artikel 54 van dezelfde wet wordt aangevuld met de woorden « en de balans te verifiëren ».

Verantwoording

1) Het opstellen van een balans veronderstelt :

­ Dat bij het begin van het boekjaar een beginbalans werd (wordt) opgesteld, hetgeen dan tevens veronderstelt dat de eindbalans van het vorig boekjaar werd (wordt) afgesloten en, in deze, dan nog veronderstelt dat die balans van het vorig boekjaar een betrouwenswaardig document is.

­ Dat de basisdocumenten van iedere transactie aanwezig zijn; (facturen, creditnota's, discontoborderellen, en dergelijke meer).

­ Dat iedere transactie evenals de beginsituatie werd (wordt) opgetekend in een dagboek of journaal, en dat dit dagboek of journaal beschikbaar is.

­ Dat elke transactie, alsmede de beginsituatie werd (wordt) opgetekend op rekeningen.

­ Dat op basis van deze rekeningen totaaltellingen werden (worden) gemaakt, leidend tot de proefbalans.

­ Dat voor elke rekening het verschil werd (wordt) gemaakt tussen het debet- en het credittotaal, zijnde het saldo, waar de staat van alle saldi der rekeningen leidt tot het opstellen van de saldibalans.

­ Dat op basis van de saldibalans een vergelijking wordt gemaakt met de extracomptabele inventaris.

­ Dat vervolgens de resultatenrekening en de eindbalans worden opgesteld.

Wanneer deze grondbeginselen van de financiële bedrijfseconomie niet worden toegepast kan niet verondersteld worden dat het einddocument als een « balans » in de juiste zin van het woord kan worden opgesteld, en het is zonder meer totaal onwaarschijnlijk dat, vertrekkende van de hypothese dat geen balans door de gefailleerde werd neergelegd in toepassing van artikel 10 faillissementswet, en zoals het wetsontwerp vooropstelt, de voormelde documenten voorhanden zullen zijn om tot een effectieve en betrouwenswaardige balansopstelling te kunnen overgaan. Men mag rustig stellen dat het opgestelde document onder de benaming « balans » binnen de normen van de financiële bedrijfseconomie waardeloos zal zijn vermits het onmogelijk de juiste toestand van de onderneming kan weergeven op het moment van het faillissement.

2) Daarenboven is een balans een instrument dat de onderneming « going concern » waardeert en schat, op basis van de boekwaarde en de afschrijvingen van de gedane investeringen en wat deze investeringen voor opbrengst kunnen genereren.

Bij een faillissement is er echter geen going concern meer en wordt alles gewaardeerd op basis van marktwaarden die zonder uitzondering veel lager liggen dan de boekwaarden en de waarde van de goederen voor de onderneming.

3) De zeer omvangrijke taak die het opstellen van een (voorheen niet bestaande) balans met zich brengt, verzwaard door het al dan niet ter beschikking zijn van alle dienstige documenten, minstens, de vaststelling dat de curator al deze documenten ter beschikking dient te hebben in een bedrijf waarin hij, ten gevolge van het faillissement, niet meer de hulp zal kennen van het administratief personeel, is een meer dan tijdrovende en in feite van realiteitszin vervreemde opdracht.

Daarbij veronderstelt het wetsontwerp dat de curator zich onmiddellijk met deze taak dient te gelasten, waar hij, bij aanvang van het faillissement talrijke andere dringende plichten dient te vervullen.

4) De omvang van de door het wetsontwerp voorgeschreven werkzaamheden is niet dienend voor het beoogde resultaat. Vaststellen dat de door de boekhouding van de gefailleerde voorgehouden resultaten niet waarachtig zijn veronderstelt niet de noodzaak tot het opstellen van de bedoelde balans die, en om redenen als voormeld, geen bewijskrachtig document zal kunnen vormen voor een rechtbank die geconfronteerd wordt met fraude in hoofde van de gefailleerde.

5) Men kan en mag niet voorbijgaan aan de vaststelling dat omzeggens 80 % van de faillissementen pro deo faillissementen zijn, derwijze de activa totaal ontoereikend zullen zijn om de tussenkomst te vragen van een accountant. Het is vervolgens maar de vraag of, door bijkomende procedures en waarbij de bestuurders en zaakvoerders van de failliete rechtspersoon dienen gedagvaard, recuperatie van de gestelde kosten mogelijk zal zijn.

6) Om een deskundige accountant te gelasten dient de curator zich te wenden tot zijn rechter-commissaris en deze een bevelschrift vragen om tot opdracht te kunnen overgaan. Zal de accountant bereid zijn de opdracht te aanvaarden en aan te vatten wanneer hij dient te venemen dat de curator niet over voldoende activa beschikt om hem te betalen en « verhoopt » de kosten te kunnen verhalen op de bestuurders of zaakvoerders van de gefailleerde rechtspersoon ? Mogelijk verdacht van fraude, en waarbij die bestuurders en zaakvoerders zich alsdan waarschijnlijk persoonlijk al evenzo onvermogend gemaakt hebben zodat executie van het hen veroordelend vonnis niet mogelijk zal zijn ?

Is er werkelijkheidszin in de veronderstelling dat de bestuurders en zaakvoerders van de gefailleerde rechtspersoon vermogend genoeg zijn om de bedoelde kosten van de deskundige accountant te dragen, uitgaande van de vaststelling dat 80 % van de faillissementen pro deo zijn, en, dat deze bestuurders en zaakvoerders, voornamelijk in de familiale ondernemingen, zich borg hebben gesteld voor verbintenissen van de rechtspersoon, derwijze elke uitvoering tegenover hen een samenloop zal kennen met andere schuldeisers ?

7) Natuurlijk gaan de curatoren, als evident en vast deel van de uitvoering van hun opdracht over tot het onderzoek van de boekhouding van de gefailleerde, en, aldus ook van verificatie van de balans als deze werd neergelegd. Deze voorziening is hen trouwens voorgeschreven door het bestaande artikel 54, en men kan daar, als in het amendement voorgehouden aan toevoegen « ... en de balans verifiëren » ten titel van volledigheid.

Nr. 66 VAN MEVROUW TAELMAN

Art. 20bis (nieuw)

Een artikel 20bis (nieuw) invoegen, luidende :

« Art. 20bis. ­ Artikel 63 van dezelfde wet wordt gewijzigd als volgt :

A. het eerste lid wordt aangevuld als volgt : « bij gebreke waarvan de curatoren de vordering vermogen te verwerpen, of ze beschouwen als chirografair; »

B. het tweede lid wordt geschrapt. »

Verantwoording

Door de wetgever werd gesteld dat de ondertekening door de schuldeiser zelf, samen met de eed, een « effectief » middel is om het « fenomeen » van de « valse aangifte » te kunnen bestrijden en de « waarachtigheid » van de aangifte te verzekeren.

1. Efficiëntie gebiedt dat de aangiften van schuldvordering volledig zijn en inzonderheid dat de schuldeiser de daaraan verbonden voorrechten, hypotheek- of pandrechten en de titels waarop zij berusten effectief zouden vermelden.

Dit is ook de wens van de wetgever zoals verwoord in artikel 63.

Teneinde de curator (en de boedel) te beschermen tegen de bezwaren die tegen het proces-verbaal van verificatie zouden worden ingediend, op grond van artikel 69 wegens miskenning van het ingeroepen voorrecht, de hypotheek, het pandrecht of de titel, lijkt het aangewezen het gebrek aan vermelding van het voorrecht te sanctioneren zoals voorgesteld in dit amendement : de curator mag de schuldvordering beschouwen als niet-bevoorrecht.

2. Als een advocaat in een burgerlijk geding, op grond van de stukken en informatie hem door zijn cliënt verschaft, een partij dagvaardt in betaling wordt nochtans niet voorgehouden dat de schuldeiser, naast de dagvaarding, een onder eed bevestigde verklaring zou afleggen dat zijn vordering « waar en oprecht is ».

Het gebruik van de eedformule bij de aangifte van een schuldvordering in een vereffening is geenszins evident. Diezelfde voorziening is bijvoorbeeld onbestaande bij de aangifte van de schuldvorderingen in het gerechtelijk akkoord.

De internationalisering van de handel heeft mede tot gevolg dat in vele faillissementen buitenlandse schuldeisers zijn betrokken, dewelke voor een aanmelding van hun vordering geen eedformule vermelden ­ omdat dit bijvoorbeeld volgens de wetgeving van hun land niet hoeft. De afwijzing, negering of betwisting van deze aangiften, louter omwille van het ontbreken van de eedformule is weinig rationeel.

Het feit dat de schuldeiser zijn verklaring zou dienen af te leggen onder eed belet geenszins dat zijn vordering kan betwist worden en dat zij later door de rechtbank zou worden verworpen. Toch geeft dit geen aanleiding tot enige vervolging wegens meineed. Valse aangiften zouden trouwens evenzo vervolgbaar blijven op grond van een valsheid in geschriften, indien daartoe aanleiding zou zijn.

Het lijkt derhalve de voorkeur te verdienen om de eedformule eenvoudig te schrappen.

Het door de vertegenwoordiger van de minister verstrekt antwoord in de Kamercommissie heeft slechts betrekking op het onderdeeltje van de EU-regeling in het Belgisch recht en behandelt niet de andere elementen.

Het amendement werd ten onrechte ingetrokken voor de Kamer.

Nr. 67 VAN MEVROUW TAELMAN

Art. 21

In het voorgestelde artikel 63bis, eerste lid, tussen de woorden « Alle gedingen » en de woorden « aanhangig op datum van het faillissement » de woorden « voor de rechter ten gronde » invoegen.

Verantwoording

Dit is een betere verwoording van de bedoeling van de indiener van amendement nr. 36.

Nr. 68 VAN MEVROUW TAELMAN

Art. 22bis (nieuw)

Een artikel 22bis (nieuw) invoegen, luidende :

« Art. 22bis. ­ Artikel 69 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :

Art. 69. ­ De gefailleerde en de schuldeisers kunnen tegen de verrichte verificaties bezwaren inbrengen door de curatoren, en de schuldeisers wiens vordering wordt tegengesproken, te dagvaarden voor de rechtbank van koophandel binnen de maand na de datum van de sluiting van het eerste proces-verbaal van verificatie, of binnen de maand na de neerlegging van de daaropvolgende processen-verbaal van verificatie indien de schuldvordering, waartegen bezwaar, het voorwerp is geweest van een verificatie in een later proces-verbaal. »

Verantwoording

1. Zie amendement hierboven.

2. het uitgangspunt is derhalve dat de curator, zoals thans onder de bestaande wet, het proces-verbaal van sculdvorderingen neerlegt op de datum als voorzien in het faillietverklarend vonnis, en zoals verder meer gespecificeerd bij de bespreking en amendering van artikel 72, maandelijks, aanvullende processen-verbaal van verificatie neerlegt, indien daartoe aanleiding is.

Nr. 69 VAN MEVROUW TAELMAN

Art. 22

In het voorgestelde artikel 68 de volgende wijzigingen aanbrengen :

A. In het eerste lid, de woorden « sluiten van het proces-verbaal van verificatie » vervangen door « sluiten van het eerste proces-verbaal van verificatie ».

B. Tussen het derde en het laatste lid, een nieuw lid invoegen, luidende :

« Driemaandelijks, te rekenen vanaf de datum van de neerlegging van het eerste proces-verbaal van verificatie en gedurende de eerste vijftien maanden van het faillissement legt de curator een aanvullend proces-verbaal van verificatie neer en waarbij hij de eerder in betwisting gehouden vorderingen verder verifieert, alsmede de schuldvorderingen die sedertdien ter griffie werden ingediend. De schuldvorderingen die na het laatste aanvullend proces-verbaal nog niet zijn aanvaard zullen worden beslecht in toepassing van artikel 70. »

Verantwoording

Zie volgende amendementen.

Nr. 70 VAN MEVROUW TAELMAN

Art. 22bis (nieuw)

Een artikel 22bis (nieuw) invoegen, luidende :

« Art. 22bis. ­ Artikel 69 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :

« Art. 69. ­ De gefailleerde en de schuldeisers kunnen tegen de verrichte en te verrichten verificaties bezwaren inbrengen binnen de maand na de neerlegging van het proces-verbaal van verificatie waarin de schuldvordering werd opgenomen. Het bezwaar moet aan de curator en aan de schuldeiser wiens vordering wordt tegengesproken betekend worden bij een gerechtsdeurwaardersexploot waarbij de curator en de schuldeiser, alsmede de gefailleerde voor de rechtbank gedaagd worden teneinde uitspraak te horen doen over de schuldvordering waartegen bezwaar is ingebracht. De gefailleerde wordt verwittigd door de curator met uitnodiging om te verschijnen. »

Verantwoording

1) De tekst diende aangepast om hem in overeenstemming te brengen met de geamendeerde artikels 68 en 72.

2) De tekst van artikel 69 voorzag voorheen dat de ingebrachte bezwaren betekend dienden te worden bij gerechtsdeurwaardersexploot aan de curator en de schuldeiser wiens vordering wordt tegengesproken, en verder dat door dit exploot de curator en de schuldeisers voor de rechtbank gedaagd worden, samen met de gefailleerde. Wat zou doen veronderstellen dat het exploot dan eveneens aan de gefailleerde diende te worden betekent ?

Tegen dit laatste is bezwaar : de gefailleerde rechtspersoon is meestal niet meer te bereiken op de maatschappelijke zetel of de utbatingszetel omdat die tengevolge van het faillissement is ontruimd en verlaten.

Anderzijds wordt de curator verondersteld het adres te kennen van de bestuurders en zaakvoerders van de gefailleerde rechtspersoon, als in toepassing van artikel 53, tweede lid. Dat de gefailleerde dient opgeroepen voor de behandeling van de betwisting op tegenspraak is in overeenstemming met artikel 65. Ook immers voor de verificatie van de ingediende schuldvorderingen diende de gefailleerde opgeroepen door de curator. Dus logischerwijze ook voor de tegenspraak die op de verificatie zou volgen.

De rechtsgang wordt niet vertraagd wanneer de gefailleerde niet verschijnt. De curator dient enkel aan te tonen dat hij de gefailleerde heeft verwittigd.

Nr. 71 VAN MEVROUW TAELMAN

Art. 24

Dit artikel vervangen als volgt :

« Art. 24. ­ Artikel 72 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :

« Art. 72. ­ Tot de vergadering voorzien in artikel 79 hebben de schuldeisers die in gebreke zijn gebleven hun schuldvorderingen aan te geven of te bevestigen binnen de termijn bij het vonnis van faillietverklaring bepaald, nog het recht aangifte te doen van hun schuldvordering zonder dat hun vordering reeds bevolen uitkeringen kan opschorten. Zij hebben slechts recht op een dividend berekend op het nog niet verdeeld actief en dragen zelf de kosten en uitgaven waartoe de verificatie en de opname van hun schuldvorderingen aanleiding geven.

Het recht om nog aangifte te doen van hun schuldvordering verjaart na verloop van één jaar te rekenen vanaf het faillietverklarend vonnis, behalve voor die schuldvorderingen die vastgesteld worden in een procedure tot tussenkomst en vrijwaring, vervolgd of ingesteld tijdens de vereffening.

Het recht nog aangifte te doen van een schuldvordering tijdens de vereffening vastgesteld door een andere rechtbank dan de rechtbank die het faillissement heeft uitgesproken verjaart na verloop van zes maanden te rekenen van de dag waarop het eindvonnis kracht van rechterlijk gewijsde heeft verkregen.

De schuldeisers die nog aangifte wensen te doen van hun schuldvordering buiten de termijn bij het vonnis van faillietverklaring bepaald zijn gehouden deze neer te leggen op de griffie van de rechtbank van koophandel, samen met hun titels. Op verzoek levert de griffier een ontvangstbewijs af. De aangifte wordt ingeschreven overeenkomstig artikel 71 na betaling van het rolrecht. »

Verantwoording

1. Onder de wet van 18 april 1851 en evenzo onder de wet van 8 augustus 1997 werden de schuldvorderingen die in het proces-verbaal van verificatie door de curator werden betwist verwezen naar de rechtbank, om aldaar, nadat de betwisting in staat was gesteld, te worden behandeld en gevonnist.

Evenzo was de schuldeiser, die zijn aangifte van schuldvordering niet had ingediend binnen de termijn bepaald in het faillietverklarend vonnis verplicht de curator te dagvaarden voor opname in het passief. Ook deze schuldvorderingen dienden derhalve voor de rechtbank behandeld en gevonnist.

Het is duidelijk dat deze werkwijze een onnodige overbelasting uitmaakt van de rechtbank. Duizenden betwistingen worden aldus voor de rechtbank opgeroepen en maken het voorwerp uit van (zeer dikwijls pro forma) behandeling en van een vonnis.

2. De amendering strekt ertoe deze onnodige overbelasting ongedaan te maken, en de opvolging van de behandeling van de betwiste vorderingen door de curator overzichtelijk te maken met een daaruit voortvloeiende eenvoudige controle door de rechter-commissaris en de rechtbank.

3. De nieuwe en aldus voorgehouden werkwijze is de volgende :

a) De schuldvorderingen worden ingediend als voorheen, en de schuldeisers hebben er belang bij dit te doen binnen de termijn als bepaald in het failllietverklarend vonnis.

b) In toepassing van artikel 68 zal de curator het resultaat van de verificatie der schuldvorderingen neerleggen ter griffie op de dag in het faillietverklarend vonnis bepaald voor het sluiten van het proces-verbaal van verificatie. Dit proces-verbaal van verificatie, wordt voortaan genoemd « eerste proces-verbaal van verificatie ». Als verder in artikel 68 bepaald zal de verificatie aanleiding geven tot aanvaarding van vorderingen, en, tot het in betwisting houden van vorderingen. De schuldeisers worden per brief verwittigd van de aanvaarding of betwisting van hun vordering.

c) De in betwisting gehouden schuldvorderingen worden nu door de curator verder in staat gesteld. Dit leidt in werkelijkheid en in een zeer groot aantal gevallen reeds tot de minnelijke oplossing of beslechting louter ingevolge de briefwisseling die de curator met de schuldeiser of diens advocaat daarbij zal voeren :

­ vorderingen werden betwist omwille van een verkeerd of onterecht ingeroepen voorrecht,

­ de gevorderde bedragen stemden niet overeen met de boekhouding van de gefailleerde,

­ er was in de vordering geen rekening gehouden met een betaling door de gefailleerde of met een creditnota,

­ de intresten op de vordering waren verkeerd berekend of konden niet worden aanvaard,

­ de overtuigingsstukken waren door de schuldeiser niet bij de aangifte gevoegd,

­ een probleem diende in rechte te worden onderzocht,

­ de aangifte was slechts provisioneel en diende door de schuldeiser nog verder begroot,

­ er is een betwisting nopens de tussen partijen overeengekomen aankoop- of verkoopsvoorwaarden,

­ en dergelijke meer.

d) De betwiste vorderingen die aldus, na uitwisseling van gegevens en bespreking tussen partijen konden worden opgelost, of waarover minnelijke regelingen konden worden afgesloten, gaven dan in het verleden aanleiding tot een akkoordverklaring of een akkoordconclusie die, na neerlegging ter griffie nog altijd het voorwerp dienden uit te maken van een vonnis, al dan niet na voorafgaandelijke oproeping en verschijning van partijen ter zitting.

e) Deze onnodige overbelasting van de rechtbank en haar griffie diensten wordt nu vermeden. De curator zal, driemaandeliijks te rekenen vanaf het eerste proces-verbaal van verificatie, een aanvullend proces-verbaal van verificatie neerleggen, en waarin hij voorheen in betwisting gehouden schuldvorderingen als aldus verder geverifieerd zal kunnen aanvaarden. Daarbij handelt de curator met niet meer of minder machten als voorheen : immes in de eerste termijn voorafgaandelijk aan het sluiten van het eerste proces-verbaal van schuldvorderingen was hij het die op zijn verantwoordelijkheid vorderingen aanvaardde, ongeacht de grootte van het gevorderde bedrag. Er was en is geen gegronde reden te stellen dat de vorderingen die oorspronkelijk dienden betwist vervolgens nog uitsluitend zouden kunnen aanvaard worden in het passief op grond van een vonnis.

f) De aanvullende processen-verbaal zullen dus noodzakelijk de evolutie tonen van de verdere verificatie werkzaamheden van de curator en opgevolgd worden door de rechter-commissaris die, als voorheen en bij gelegenheid van het eerste proces-verbaal van verificatie het document mede zal ondertekenen, gebeurlijk zijn opmerkingen doen gelden. Weigert de rechter-commissaris het proces-verbaal goed te keuren, dan zal de curator ofwel zijn oordeel dienen te herzien, ofwel toepassing dienen te maken van artikel 35 vijfde lid en daartegen beroep aantekenen bij de rechtbank, ofwel de betwisting voor de rechtbank brengen in toepassing van artikel 70. De volledige controle van de rechtbank blijft dus behouden.

g) Evenzo zal de curator verder kennis nemen van de aangiften van schuldvordering die laattijdig, dit wil zeggen na de termijn bepaald in het faillietverklarend vonnis worden neergelegd en waartoe de schuldeisers gerechtigd zijn in toepassing van artikel 72. Maar anders dan voorheen dienen deze schuldeisers niet meer te dagvaarden in opname, dient de zaak niet meer opgeroepen voor de rechtbank, aldaar behandeld en beslecht door een vonnis. Ook deze laattijdige vorderingen zullen immers door de curator worden geverifieerd en het resultaat zal blijken uit het driemaandelijks aanvullend proces-verbaal van verificatie dat opeenvolgend wordt neergelegd.

h) De neerleggingsdata van deze aanvullende processen-verbaal is bepaald op drie maanden te rekenen vanaf de neerlegging van het eerste proces-verbaal van verificatie.

(Eerste proces-verbaal neer te leggen op 16 januari, tweede op 16 april, derde op 16 juli, vierde op 16 oktober, vijfde op 16 januari, laatste op 16 april. Gebeurlijk op de eerstvolgende werkdag overeenkomstig de normale voorzieningen van het Gerechtelijk Wetboek).

Naast de verwittiging aan de schuldeiser van het resultaat van de verificatie, als bepaald in artikel 68 kent de schuldeiser derhalve van bij aanvang de data vanaf wanneer hij ervan kennis kan nemen ter griffie. De toepassing van artikel 68 eerste lid blijft dus ongewijzigd gelden. De mogelijkheid voor tegenspraak tegen de verificatie, als bedoeld in artikel 69 blijft eveneens voor deze laattijdige aangiften en hun verdere verificatie van toepassing.

i) Overeenkomstig het geamendeerde artikel 72 verloopt het recht opname te vorderen na verloop van één jaar te rekenen vanaf het faillietverklarend vonnis. Het laatste aanvullend proces-verbaal van verificatie zal derhalve dienen neergelegd drie maanden later, en waarbij de curator de behandeling van de verificatie afsluit, alle vorderingen (zie verder) ingediend zijnde. De alsdan nog niet beslechte betwistingen zullen slechts aanvaard kunnen worden in toepassing van artikel 70. Dit geldt ook voor de « laattijdige » vorderingen bedoeld in artikel 72 voorlaatste lid. (Opname van een vordering vastgesteld tijdens de vereffening door een andere rechtbank dan deze die het faillissement heeft uitgesproken.) Het is niet opportuun voor deze uitzonderlijke gevallen nog extra termijnen voor aanvullende processen-verbaal van verificatie te voorzien.

j) De rechtbank zal dus nog enkel die schuldvorderingen dienen te behandelen en daarover vonnis te verlenen dewelke,na oorspronkelijk te zijn betwist, niet geleid hebben tot minnelijke oplossing van het geschil. Deze vorderingen (én deze voorkomend uit de toepassing van artikel 72 voorlaatste lid) zullen de voorziening kennen van artikel 70. Dit betekent niet dat de curator vijftien maanden moet wachten, tot na de neerlegging van het laatste aanvullend proces-verbaal van verificatie om de betwiste schuldvorderingen voor de rechtbank te doen behandelen. Vaststellend in de loop van de vereffening dat vorderingen niet vatbaar kunnen zijn voor een minnelijke regeling zal hij deze reeds in staat stellen en een rechtsdag vragen voor de behandeling.

k) Deze nieuwe voorziening in de behandeling van de betwiste en laattijdig ingediende vorderingen is ook een aansporing voor de curator tot afhandeling van dit wezenlijk onderdeel van de vereffening. De rechter-commissaris zal zonder meer in de opeenvolgende processen-verbaal de vooruitgang van deze afhandeling kunnen opvolgen. Daarenboven moet de curator er rekening mee houden dat de rechtbank, die in toepassing van artikel 70 de « resterende » betwistingen dient te beslechten kennis zal nemen van het resultaat van de verificatiewerkzaamheden over de voorbije periode en van de aard en de hoeveelheid van die resterende vorderingen.

l) De schuldeisers behouden het belang hun vordering tijdig, dit wil zeggen binnen de termijn in het faillietverklarend vonnis bepaald, in te dienen. Dit heeft ook zijn belang voor de vereffening, waarbij het aangewezen blijft dat de curator zo spoedig mogelijk zicht heeft op de totaliteit van de schuldvorderingen die het passief van het faillissement bezwaren en van de voorrechten die daarbij worden voorgehouden. Vooreerst verliezen de schuldeisers die laattijdig vorderen hun deel op de reeds bevolen uitkeringen (het geamendeerde artikel 72, eerste lid). Vervolgens zijn ze gehouden tot betaling van een rolrecht. Tenslotte zijn ze gehouden tot betaling van de kosten en uitgaven waartoe de verificatie en de opname van de vordering aanleiding geven, en derhalve niet gerechtigd op de rechtspleging- en uitgavenvergoeding indien de vordering uiteindelijk door de rechtbank dient te worden beslecht en zij daarbij door een advocaat worden bijgestaan.

Nr. 72 VAN MEVROUW TAELMAN

Art. 26

De eerste zin van het voorgestelde artikel 75, § 1, vervangen als volgt :

« Vanaf het vonnis van faillissement of vanaf elke latere datum, gaan de curators over tot de vereffening van het faillissement. »

Verantwoording

De wet van 1851 voorzag twee fasen in het faillissementsverloop : de eerste, waarin de goederen van de gefailleerde door de curator werden beheerd, maar ook bewaard, in afwachting van de uitslag van de vergadering van schuldeisers die zich zouden uitspreken over het akkoord na faillissement (zogenaamde concordaat). De tweede fase, bij verwerping van het akkoord, betrof dan de werkelijke vereffening (overeenkomstig het oude artikel 528).

Het akkoord na faillissement is niet langer voorzien. Er is dus geen enkele reden waarom de curator zou dienen te wachten met de vereffening van het faillissement, mede in acht genomen de vaststelling dat het faillissementsvonnis uitvoerbaar is bij voorraad, niettegenstaande verzet of hoger beroep.

Integendeel, door de opgelegde wachttijd is de curator verplicht kosten te maken voor bewaring en verzekering van goederen die in ieder geval nadelig zijn voor de massa, en dus voor de schuldeisers. Daarenboven is de curator gehinderd in onmiddellijke realisaties die wellicht, kort na het intreden van het faillissement, tot de mogelijkheden behoren maar dient hij kandidaten kopers enkele maanden voor zich uit te schuiven. Indien realisaties nog de inzet of tussenkomst veronderstellen van personeel van de gefailleerde wordt deze mogelijkheid weggenomen door de opgelegde wachttijd. De curator kan zich immers niet permitteren deze personeelsleden nog gedurende de wachttijd in dienst te houden.

Kortom, de voorziening van een wachttijd stamt uit de filosofie van de wet van 1851 en heeft geen reden meer van bestaan.

Natuurlijk is het mogelijk dat de curator de vereffening niet onmiddellijk zal aanvatten : mogelijk verkiest hij de activiteiten nog even verder te zetten, of wenst hij het resultaat af te wachten van een verzetprocedure of van een hoger beroep tegen het vonnis van faillietverklaring. Of nog, zal hij voor bepaalde goederen een afwachtende houding aannemen in acht genomen de eventualiteit van een terugvordering in het kader van het eigendomsvoorbehoud.

Maar dat is de zorg en verantwoordelijkheid van de curator in de strategie van zijn beleid en waarover hij met zijn rechter-commissaris en met de gefailleerde overleg heeft gepleegd (en dient te plegen). Het is niet aan de wetgever hierin, en dan nog in algemene termen, een beleidsoptie te bevelen.

Nr. 73 VAN MEVROUW TAELMAN

Art. 30

Het tweede, derde en vierde lid van het voorgestelde artikel 82 doen vervallen.

Verantwoording

1) Het zou hoe dan ook beter en coherenter zijn de filosofie van de « clean start » uit te werken in een toepassing van de wet op de collectieve schuldenregeling, dan hier door de faillissementswet in haar bepalingen met betrekking tot de verschoonbaarheid.

2) Burgers worden verondersteld volwassen te zijn en hun eigen verantwoordelijkheden te nemen. Wie zich borg stelt kent het risico. Het is een verkeerd maatschappelijk signaal het verantwoordelijkheidsbesef te ondermijnen door een maatregel die ertoe leidt aan de gevolgen van zijn handelingen te kunnen ontsnappen, ten nadele van derden die terecht op het verantwoordelijkheidsbesef hebben mogen rekenen.

3) Er is een totaal gebrek aan evenwicht tussen de voorziening in algemene termen met betrekking tot « bepaalde of alle schulden, geheel of gedeeltelijk » enerzijds en « het recht om individueel zijn rechtsvordering tegen de goederen van de gefailleerde uit te oefenen ». De vaagheid van de wettelijke bepaling moet leiden tot de meest uiteenlopende rechtspraak in de verschillende rechtbanken en met alle ongelijkheid in de resultaten daarvan voor de onderscheiden schuldeisers.

4) De « borg uit vrijgevigheid » die dreigt aangesproken te worden door de schuldeiser en gehouden zal worden tot betaling, heeft belang bij het faillissement van de schuldenaar, ook als deze nog niet in staat van faillissement verkeert, omdat hij als borg op die manier aan zijn verplichtingen kan hopen te ontsnappen.

5) Ten gevolge van de rechtsonzekerheid op het vlak van de verschoonbaarheid van de borg na de wet van 8 augustus 1997 is de figuur van de « borg » in vele financieringscontracten al vervangen door de figuur van de « (hoofdelijke) medeschuldenaar ». Waarvoor geen gevolg na verschoning van de gefailleerde is voorzien. De « sociale » ingreep door de wetgever is nu reeds achterhaald en zal, ook in de door de Kamer voorgestelde tekst, geen enkel gevolg ressorteren.

6) De vrijstelling, geheel of gedeeltelijk, van de borg uit vrijgevigheid biedt niet de veronderstelde oplossing. Indien de schoonouders van de gefailleerde een lening hebben aangegaan om met de aldus verkregen gelden hun schoonzoon te financieren, zal de verschoning van de gefailleerde schoonzoon geen enkele invloed hebben op de verplichting van de schoonouders tegenover hun eigen schuldeiser.

7) De rechtszekerheid inzake financiering met borgstelling wordt ondermijnd in het nadeel van alle handelaars. Kredietverkrijging wordt aangetast door die onzekerheid.

8) Voorbeeld : Man, handelaar, en vrouw, niet-handelaar. Hun ouders langs beide zijden stellen zich borg voor de schulden van respectievelijk hun eigen kind. De aldus door de kinderen verkregen kredieten worden gezamenlijk door deze kinderen besteed. De man gaat in faillissement en wordt verschoonbaar verklaard. Zijn ouders, als borgen uit vrijgevigheid worden bevrijd. De vrouw, niet-handelaar wordt niet in faillissement verklaard, maar kan de lening niet (meer) terugbetalen wegens zwaardere gezinslasten ten gevolge van het faillissement van haar man. Haar ouders worden niet bevrijd. Is het te verkiezen dat de vrouw dringend een handelsregister neemt ten einde zich ook failliet te verklaren samen met haar man, opdat ook zijzelf en haar ouders eveneens zouden kunnen worden bevrijd ? Het onwerkbare van de tekst door de Kamer voorgesteld wordt hiermee afdoende aangetoond.

9) De gefailleerde wordt verschoonbaar verklaard. De borg uit vrijgevigheid wordt bevrijd voor het nog resterende gedeelte van zijn schuld, maar mag zich voor het reeds betaalde verhalen op de verschoonbaar verklaarde gefailleerde. Dat is mogelijk goed voor de borg, vermits hij, althans op dat ogenblik, geen samenloop kent met andere schuldeisers van de gefailleerde, gelet op diens verschoning. Maar wat nu met de « clean start » van de gefailleerde die gehouden blijft de borg te betalen ? In feite zou men hier kunnen stellen dat het de borg is die het meest geniet van de verschoonbaarheid. Waarom ?

Nr. 74 VAN MEVROUW TAELMAN

Art. 22bis (nieuw)

Een artikel 22bis (nieuw) invoegen, luidende :

« Art. 22bis. ­ Artikel 69 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :

« De gefailleerde en de schuldeisers kunnen tegen de verrichte en te verrichten verificaties bezwaren inbrengen binnen de maand na de neerlegging van het proces-verbaal van verificatie waarin de schuldvordering werd opgenomen.

Het bezwaar moet aan de curator en aan de schuldeiser wiens vordering wordt tegengesproken betekend worden bij een gerechtsdeurwaardersexploot waarbij de curator en de schuldeiser wiens vordering wordt tegengesproken voor de rechtbank gedaagd worden teneinde uitspraak te horen doen over de schuldvordering waartegen bezwaar is ingebracht. De gefailleerde wordt verwittigd door de curator met uitnodiging te verschijnen. »

Verantwoording

1) De tekst diende aangepast om hem in overeenstemming te brengen met het de geamendeerde artikelen 68 en 72.

2) De tekst van artikel 69 voorzag voorheen dat de ingebrachte bezwaren betekend dienden te worden bij gerechtsdeurwaardersexploot aan de curator en de schuldeiser wiens vordering wordt tegengesproken, en verder dat door dit exploot de curator en de schuldeisers voor de rechtbank gedaagd worden, samen met de gefailleerde. Wat zou doen veronderstellen dat het exploot dan eveneens aan de gefailleerde diende te worden betekend ?

Tegen dit laatste is bezwaar : de gefailleerde rechtspersoon is meestal niet meer te bereiken op de maatschappelijke zetel of de uitbatingzetel omdat die tengevolge van het faillissement is ontruimd en verlaten.

Anderzijds wordt de curator verondersteld het adres te kennen van de bestuurders en zaakvoerders van de gefailleerde rechtspersoon, als in toepassing van artikel 53, tweede lid. Dat de gefailleerde dient opgeroepen voor de behandeling van de betwisting op tegenspraak is in overeenstemming met artikel 65. Ook immers voor de verificatie van de ingediende schuldvorderingen diende de gefailleerde opgeroepen door de curator. Dus logischerwijze ook voor de tegenspraak die op de verificatie zou volgen.

De rechtsgang wordt niet vertraagd wanneer de gefailleerde niet verschijnt. De curator dient enkel aan te tonen dat hij de gefailleerde heeft verwittigd.

Nr. 75 VAN MEVROUW TAELMAN

Art. 6ter (nieuw)

Een artikel 6ter (nieuw) invoegen, luidende :

« Art. 6ter. ­ Het eerste lid van artikel 12 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :

« De gefailleerde wordt geacht op te houden te betalen op de dag van de aangifte van het faillissement, of op de dag van zijn overlijden wanneer de faillietverklaring nadien is uitgesproken, of op de datum van de betekening van het inleidend exploot houdende vordering tot faillietverklaring, tenzij de omstandigheid van staking van betaling zich slechts voordoet in de loop van de behandeling van de zaak ».

Verantwoording

Het eerste lid bepaalt dat de gefailleerde wordt geacht op te houden te betalen vanaf het vonnis van faillietverklaring.

Dit is niet logisch.

­ Volgens artikel 7 van de faillissementswet kan de rechtbank zowel in geval van aangifte van faillissement als in geval van vordering tot faillietverklaring, haar beslissing opschorten voor een termijn van 15 dagen (met het oog op het eventueel aanvragen van het concordaat). Indien de onderneming ondanks dit uitstel toch failliet zou verklaard worden, zou het ophouden te betalen, of de zogenaamde datum van staking van betaling, toch geacht moeten worden samen te vallen met de datum van de aangifte van het faillissement omdat dit de datum is waarop de onderneming heeft geoordeeld dat de voorwaarden om « de boeken neer te leggen » aanwezig waren. Nochtans wordt de officiële datum van staking van betaling in dit geval verschillende weken vooruitgeschoven ...

­ Hetzelfde probleem rijst in geval van dagvaarding in faillissement. De rechtbank zal zich immers, in haar (per definitie) later vonnis, moeten uitspreken over de vraag of de faillissementsvoorwaarden, die in het inleidend exploot van dagvaarding worden voorgehouden aanwezig te zijn, op die datum al dan niet waren vervuld. De behandeling van de zaak op basis van het inleidend exploot van dagvaarding, en de tijdsperiode die dit vervolgens in beslag zal nemen, kan immers geen aanleiding zijn de datum van staking van betaling zoals in de dagvaarding gesteld, te verlaten.

In dit amendement wordt er rekening mee gehouden dat de rechtbank uitzonderlijk zou vaststellen dat de toestand van staking van betaling zich niet heeft voorgedaan op het ogenblik van de betekening van het inleidend exploot houdende de vordering tot faillietverklaring, maar zich slechts heeft voorgedaan in de loop van het daarbij aangevatte geding door feitelijkheden die alsdan hebben plaatsgevonden en bijkomend aan de rechtbank ter kennis worden gebracht.

De rechtbank kan inderdaad steeds afwijken van de initiële regel wanneer zij op een gemotiveerde wijze zou vaststellen dat de staking van betaling zich niet heeft voorgedaan op datum van de aangifte of op datum van de betekening van de initiële dagvaarding.

Nr. 76 VAN MEVROUW TAELMAN

(Subamendement op amendement nr. 63)

Art. 8

Het 2º van dit artikel vervangen als volgt :

« 2º Het artikel wordt aangevuld met de volgende leden :

« Zij bevestigen dat zij hun ambt aanvaarden door onverwijld ter griffie het proces-verbaal van aanstelling te ondertekenen.

De curator meldt elke vorm van tegenstrijdigheid van belangen of schijn van partijdigheid aan de voorzitter van de rechtbank.

De verklaringen van de curator wordt bij het faillissementsdossier gevoegd.

In geval de curator vaststelt dat één van zijn vennoten of rechtstreekse medewerkers, behalve in de hoedanigheid van curator, prestaties heeft verricht voor de gefailleerde of de bestuurders en zaakvoerders van de gefailleerde vennootschap, of voor een schuldeiser, tot twaalf maanden voor het vonnis van faillietverklaring geeft hij daarvan dadelijk kennis aan zijn tuchtoverheid die daarvan de voorzitter van de rechtbank van koophandel zal informeren.

De mededelingen van de tuchtoverheid worden bij het faillissementsdossier gevoegd. »

Verantwoording

A. 1) De verplichtingen van de curator persoonlijk zijn reeds afdoende vermeld in het eerste lid van bedoeld artikel zodat ze in het tweede lid niet moeten worden herhaald. Daarbij dient een duidelijk onderscheid gemaakt te worden tussen de verplichtingen opgelegd aan de curator, en deze die wegen op de vennoten en medewerkers.

De curator kan immers enkel voor zichzelf de afweging maken tussen de strijdigheid van de belangen of een schijn van partijdigheid die zou kunnen voortvloeien uit vroegere handelingen. Niet alleen trouwens op grond van vroegere handelingen. Vele andere elementen worden door hem in aanmerking genomen, mede op grond van de deontologische voorschriften van de advocatuur, en waaraan de wetgever (gelet op het bestaan van die deontologische voorschriften) wijselijk voorbijgaat.

Denk daarbij maar aan de familierelaties, hetzij tussen de curator en diens echtgenote enerzijds en de gefailleerde, de bestuurders en zaakvoerders van de gefailleerde vennootschap, hun echtgenotes en aanverwanten anderzijds. En al evenzo de familiale banden tussen deze laatste en de kantoorgenoten en personeel van de curator. Dit alles is niet nieuw. Ook in het verleden leert de praktijk dat de curator, op grond daarvan, het mandaat van curator over bepaalde faillissementen verkoos te weigeren of, minstens, daarover overleg pleegde met de voorzitter van de rechtbank.

Terecht en overigens niet gespeend van een zeker eigenbelang. Men dient zich immers goed te realiseren dat een opduikende tegenstrijdigheid van belangen, of een feitelijkheid die vragen deed rijzen over de onpartijdigheid van de curator, en dewelke niet aan de voorzitter van de rechtbank was meegedeeld, door diezelfde voorzitter en de rechters van de rechtbank, inbegrepen de consulaire rechters niet in dank werden afgenomen wanneer ze daarmee onaangekondigd werden geconfronteerd. De curator riskeert zijn eigen reputatie en de onzekerheid in de toekomst nog als curator te worden benoemd, minstens in faillissementen van enige omvang die niet verstoken zijn of blijven van enige mediabelangstelling.

Daarbij zal de curator al evenzo persoonlijk kunnen afwegen of de mededeling aan de voorzitter van de rechtbank over zijn prestaties aan de gefailleerde, de bestuurders of de zaakvoerders of een schuldeiser (of hun familieleden) een schending veronderstelt van het beroepsgeheim, in acht genomen dat de mededeling, wil zij naar waarde worden geschat, ook releverend zal zijn nopens de aard van de prestatie.

2) Voor de vennoten of medewerkers ligt de toestand duidelijk anders. Ook als men mag aannemen dat zij al evenzo belang hebben bij de ongestoorde reputatie van hun kantoor en goede verstandhouding met hun kantoorgenoot-curator.

Echter doet de door de wetgever in artikel 8, 2º, tweede lid, voorziene regeling vragen stellen met betrekking tot de vertrouwenssfeer waarbinnen iedere rechtzoekende zich moet kunnen wenden tot de advocaat van zijn keuze en het beroepsgeheim daaraan verbonden.

Voorbeeld : de heer A raadpleegt advocaat M, zijnde een algemeen gekende specialist in echtscheidingen.

Advocaat M is vennoot of medewerker van curator C. (of wordt vennoot of medewerker van curator C) Naar aanleiding van het faillissement van een van zijn debiteurs, doet de heer A aangifte van schuldvordering. De aangestelde curator C laat de voorzitter weten dat zijn vennoot M, voorheen geraadpleegd werd door de heer A.

Indien deze verklaring bij het faillissementsdossier dient te worden gevoegd, kunnen alle schuldeisers vernemen dat de heer A enige tijd geleden een specialist in echtscheidingen heeft geraadpleegd. Ook de echtgenote van de heer A kan aldus deze informatie verkrijgen, en begrijpelijkerwijze zal zij zich de vraag stellen waarom haar echtgenoot een aantal maanden geleden over dit onderwerp informatie behoefde.

Is de curator overigens gerechtigd informatie te verstrekken over de werkzaamheden van een andere advocaat, waarvan hij binnen de vertrouwenssfeer van het kantoor en in tempore non suspecto kennis heeft gekregen. Omgekeerd, dient een advocaat te aanvaarden dat zijn kantoorgenoot-curator informatie vrijgeeft over zijn werkzaamheden met betrekking tot zijn cliënten ? En, als reeds gesteld, moet de rechtzoekende aanvaarden dat een kantoorgenoot-curator informatie vrijgeeft dewelke de rechtzoekende uitsluitend had bestemd voor de door hem gekozen vertrouwensman-advocaat ?

Anders is het echter gesteld in de verhouding tussen de advocaat(-curator) en zijn tuchtoverheid, met name zijn stafhouder. De advocaat verbreekt zijn beroepsgeheim niet wanneer hij zijn stafhouder mededeling doet nopens dergelijke zaken. Integendeel wordt de stafhouder, louter reeds op grond van die mededeling, deelgenoot aan het beroepsgeheim van de advocaat.

Door de mededeling, als in het amendement voorgesteld, zal de advocaat-curator, naast het toezicht van de rechtbank op de mogelijke tegenstrijdigheid van belangen en de onpartijdigheid die van hem in eigen hoofde in de uitoefening van het mandaat mag worden verwacht (en waarbij hij persoonlijk al evenzo onderworpen is en blijft aan de eveneens hierbij toepasselijke deontologische regels van zijn beroep) onderworpen zijn (en voor wat het mandaat betreft onderworpen blijven) aan de specifieke deontologische regels van het beroep inzake associaties, advocatenvennootschappen, samenwerkingsverbanden, gezamenlijk optreden voor dezelfde cliënt en daarmee verband houdende problemen als hierbij geviseerd.

Het is duidelijk dat daardoor een veel breder gamma van probleemstellingen wordt gedekt dan deze in de oorspronkelijke tekst voorgehouden en dat de onderwerping van het gegeven aan de tuchtoverheid de nodige waarborgen biedt.

De voorziening dat de tuchtoverheid de voorzitter van de rechtbank vervolgens zal informeren behoeft geen verdere specifieke regeling door de wetgever. Het is onmiddellijk duidelijk dat wanneer de tuchtoverheid (stafhouder) van oordeel is dat de deontologie in deze bedreigd wordt, hij in die termen de voorzitter zal verwittigen en dat deze de overeenkomstige maatregelen zal nemen als voorzien in de artikelen 30, 31 en 32 van de faillissementswet zoals die artikelen werden gewijzigd door artikel 9 en 10 van het wetsontwerp. En dat wanneer hij meent dat dit niet het geval is, de verwittigingplicht al evenzo blijft bestaan, omdat het uiteindelijk de voorzitter is die, samen met de rechtbank, het toezicht houdt op de curatoren en derhalve de eindbeslissing neemt.

4) Een termijn van twaalf maanden is meer dan verantwoord wat betreft de controle op de geviseerde handelingen.

Verantwoording laatste lid.

De verklaring van de curator heeft betrekking op zijn eigen toestand. De mededeling van de tuchtoverheid heeft betrekking op andere advocaten die met de curator een bepaalde professionele relatie onderhouden of hebben onderhouden.

Martine TAELMAN.

Nr. 77 VAN DE REGERING

Art. 30

Dit artikel vervangen als volgt :

« De verschoonbaarheid doet de schulden van de gefailleerde teniet. De echtgenoot van de gefailleerde die zich mede verbonden heeft voor diens schulden wordt door de verschoonbaarheid bevrijd van deze verbintenis. Degene die zich beroepsmatig borg heeft gesteld voor een verbintenis van de gefailleerde wordt niet door de verschoonbaarheid bevrijd van deze verbintenis.

De verschoonbaarheid heeft geen gevolgen voor de onderhoudsschulden van de gefailleerde en voor deze die voortvloeien uit een verbintenis tot herstel van door hem veroorzaakte lichamelijke schade. »

Verantwoording

Dit amendement is een herformulering van het ontworpen artikel 82, rekening houdend met recent bekendgemaakte commentaren in Belgische juridische vakbladen naar aanleiding van de gevolgen van de verschoonbaarheid.

De belangrijkste doelstellingen die ter zake door dit wetsontwerp worden nagestreefd, worden fundamenteel niet gewijzigd (stuk Kamer, nr. 1132/1, blz. 16-18).

Om de nodige juridische zekerheid te waarborgen, is de regering niet ongevoelig gebleven voor de door de rechtsleer ontwikkelde argumenten wat betreft de complexiteit en de mogelijke onzekerheid van de bepalingen vastgesteld in het huidige artikel 30 van het ontwerp. De enige nieuwigheid bestaat in de toevoeging van de toestand van de echtgenoot van de gefailleerde.

Het eerste gevolg van de verschoonbaarheid is de uitdovende aard van de schulden van de gefailleerde. Er wordt evenwel bepaald dat de echtgenoot van de gefailleerde die zich mede verbonden heeft voor diens schulden wordt bevrijd van deze verbintenis door de verschoonbaarheid. In afwijking van de ondergeschikte aard van de borgstelling, worden degenen die zich beroepsmatig borg hebben gesteld niet bevrijd door de verschoonbaarheid die de gewaarborgde hoofdverbintenis doet uitdoven.

De verbintenissen van de gefailleerde die buiten de gevolgen van de verschoonbaarheid vallen, worden thans uitdrukkelijk aangegeven.

Nr. 78 VAN DE REGERING

Art. 21

In het eerste lid, eerste zin van het voorgestelde artikel 63bis, tussen het woord « gedingen » en het woord « , aanhangig » de woorden « met betrekking tot de boedel » invoegen.

Verantwoording

Dit amendement strekt ertoe uitdrukkelijk te bepalen dat de opschorting van rechtswege van de procedures slechts slaat op die welke betrekking hebben op de met beslag bezwaarde goederen. Daarentegen slaat de opschorting niet op louter persoonlijke vorderingen of op vorderingen uitsluitend verbonden aan de persoon van de gefailleerde.

De minister van Justitie,

Marc VERWILGHEN.


Nr. 79 VAN MEVROUW TAELMAN

Art. 6bis (nieuw)

Een artikel 6bis (nieuw) invoegen, luidende :

« Art. 6bis. ­ In artikel 11, laatste lid van dezelfde wet worden de woorden, « proces-verbaal van verificatie » vervangen door de woorden « eerste proces-verbaal van verificatie ».

Nr. 80 VAN MEVROUW TAELMAN

(Subamendement op amendement nr. 59)

Art. 7

De voorgestelde bepaling aanvullen met een C), luidende :

« C) In artikel 13, tweede lid van dezelfde wet worden de woorden, « proces-verbaal van verificatie » vervangen door de woorden « eerste proces-verbaal van verificatie ».

Nr. 81 VAN MEVROUW TAELMAN

Art. 7quater (nieuw)

Een artikel 7quater (nieuw) invoegen, luidende :

« Art. 7quater. ­ In artikel 26, eerste lid van dezelfde wet worden de woorden, « proces-verbaal van verificatie » vervangen door de woorden « eerste proces-verbaal van verificatie ».

Nr. 82 VAN MEVROUW TAELMAN

Art. 12bis (nieuw)

Een artikel 12bis (nieuw) invoegen, luidende :

« Art. 12bis. ­ In artikel 38, tweede lid van dezelfde wet worden de woorden, « proces-verbaal van verificatie » vervangen door de woorden « eerste proces-verbaal van verificatie ».

Nr. 83 VAN MEVROUW TAELMAN

Art. 16bis (nieuw)

Een artikel 16bis (nieuw) invoegen, luidende :

« Art. 16bis. ­ In artikel 50, tweede lid van dezelfde wet worden de woorden, « proces-verbaal van verificatie » vervangen door de woorden « eerste proces-verbaal van verificatie ».

Nr. 84 VAN MEVROUW TAELMAN

Art. 20ter (nieuw)

Een artikel 20ter (nieuw) invoegen, luidende :

« Art. 20ter. ­ In artikel 62, eerste lid van dezelfde wet worden de woorden, « proces-verbaal van verificatie » vervangen door de woorden « eerste proces-verbaal van verificatie ».

Nr. 85 VAN MEVROUW TAELMAN

Art. 22bis (nieuw)

Een artikel 22bis (nieuw) invoegen, luidende :

« Art. 22bis. ­ In artikel 69, eerste en derde lid van dezelfde wet worden de woorden, « proces-verbaal van verificatie » vervangen door de woorden « eerste proces-verbaal van verificatie ».

Nr. 86 VAN MEVROUW TAELMAN

Art. 31bis (nieuw)

Een artikel 31bis (nieuw) invoegen, luidende :

« Art. 31bis. ­ In artikel 100, tweede lid van dezelfde wet worden de woorden, « proces-verbaal van verificatie » vervangen door de woorden « eerste proces-verbaal van verificatie ».

Nr. 87 VAN MEVROUW TAELMAN

Art. 32

Dit artikel aanvullen met een 3º, luidende :

« 3º In het derde lid worden de woorden, « proces-verbaal van verificatie » vervangen door de woorden « eerste proces-verbaal van verificatie ».

Nr. 88 VAN MEVROUW TAELMAN

Art. 12ter (nieuw)

Een artikel 12ter (nieuw) invoegen, luidende :

« Art. 12ter. ­ In artikel 39, 5º, van dezelfde wet worden de woorden, « proces-verbaal van verificatie » vervangen door de woorden « eerste proces-verbaal van verificatie ».

Martine TAELMAN.

Nr. 89 VAN MEVROUW NYSSENS

(Subamendement op amendement nr. 77 van de regering)

Art. 30

In de voorgestelde bepaling de woorden « De echtgenoot van de gefailleerde die zich mede verbonden heeft voor diens schulden wordt door de verschoonbaarheid bevrijd van deze verbintenis » vervangen door de woorden « De echtgenoot van de gefailleerde kan door de schuldeisers van de gefailleerde niet vervolgd worden op het gemeenschappelijke vermogen van de echtgenoten. »

Verantwoording

De term « mede verbonden » is ambigu, temeer daar het niet correct is dat het artikel alleen op de echtgenoot van de gefailleerde van toepassing is die zich verbonden heeft, en niet op de echtgenoot die zich niet persoonlijk verbonden heeft, maar louter vanwege het huwelijksvermogenstelsel moet instaan voor de schulden.

Nr. 90 VAN MEVROUW NYSSENS

(Subamendement op amendement nr. 27 van mevrouw Nyssens)

Art. 32

In de voorgestelde bepaling, de woorden « kan de curator eisen » vervangen door de woorden « eist de curator ».

Verantwoording

Het betreft een tekstverbetering. Zie verantwoording van amendement nr. 27. Het woord « moet » is overbodig.

Clothilde NYSSENS.

Nr. 91 VAN MEVROUW TAELMAN

Art. 19bis (nieuw)

Een artikel 19bis (nieuw) invoegen, luidende :

« Art. 19bis. ­ In dezelfde wet wordt een artikel 57bis ingevoegd, luidende :

« Art. 57bis. ­ Mits machtiging van de rechter-commissaris kunnen de curatoren een bewarend beslag leggen op de roerende en onroerende goederen van de zaakvoerders of bestuurders van de failliete rechtspersoon of van diegenen die daarin schijnbaar een feitelijk gezag uitoefenden op grond van aanwijsbare vermoedens die voldoende bezwaren vormen van onregelmatigheid.

De vordering wordt op verzoekschrift gebracht voor de beslagrechter van de plaats van het faillissement en bepaalt het bedrag tot beloop van hetwelk het beslag wordt gevorderd.

De maatregel vervalt van rechtswege indien de curator niet binnen de termijn van negen maanden, gerekend van de dag van het faillissement, de beslagenen heeft gedagvaard voor de beslagrechter teneinde er te horen oordelen over de gronden van het beslag. De dagvaarding wordt aangezegd aan de heer procureur des Konings.

De beslagrechter kan de curators een bijkomende termijn verlenen tot bewijsvoering alvorens zich uit te spreken ten gronde. Het beslag wordt inmiddels gehandhaafd. »

Verantwoording

1. De gronden van het bewarend beslag zijn voldoende aanwezig wanneer de curators aan de beslagrechter kunnen aantonen dat er aanwijzingen of aanwijsbare vermoedens zijn van onregelmatigheden, zonder dat ze in dat stadium van hun onderzoek reeds tot precieze omschrijving of bewijsvoering kunnen gehouden zijn, en uiteraard zonder dat er een vaststaande en opeisbare vordering, geëigende grond voor het gewone bewarend beslag dient voorgehouden. Het ontbreken van een boekhouding of een balans, in de mate dat de wet op de jaarrekeningen die voor de gefailleerde rechtspersoon voorzag, onregelmatigheden in de boekhouding, het ontbreken van kasgelden of voorraden, of de onttrekking van activa kunnen hieronder worden begrepen.

2. De term « aanwijsbare vermoedens die voldoende bezwaren vormen » is in rechte bekend. De term kan vergeleken worden met de norm te hanteren door de raadkamer en de kamer van inbeschuldigingstelling in strafzaken.

3. Er is een dubbele rechterlijke controle : vooreerst deze van de rechter-commissaris die gevraagd zal worden de machtiging te verlenen op basis van een gemotiveerd verzoekschrift en vervolgens van de beslagrechter die in volle onafhankelijkheid eveneens zal oordelen op basis van een gemotiveerd verzoekschrift en de overgelegde stukken.

4. De bevoegde beslagrechter is deze van de plaats van het faillissement. Mogelijk immers wonen de betrokken zaakvoerders, bestuurders of feitelijke bestuurders in verschillende arrondissementen wat een te vermijden veelvuldigheid van procedures veronderstelt.

5. Het bedrag waarvoor beslag wordt gelegd dient verantwoord en kan door de beslagrechter worden beoordeeld.

6. De dagvaarding wordt aangezegd aan de procureur des Konings. Van een procedure ten gronde en waarin de curator zijn bewarend beslag wil zien bestendigen op grond van aangevoerde onregelmatigheden in hoofd van de betrokkenen dient de procureur des Konings verwittigd.

7. Het aldus verkregen bewarend beslag wordt in de tijd beperkt; het wordt verondersteld een maatregel te zijn die de curatoren vorderen in de aanvangsperiode van de vereffening terwijl het onderzoek nog dient verdergezet. Wordt de maatregel gevraagd na vijf maanden dan mag verondersteld worden dat bewijsvoering, gelet op de reeds verstreken periode, mogelijk moet zijn binnen de vier komende maanden. Duidelijk dat de maatregel niet meer kan gevorderd worden na verloop van negen maanden.

8. Mogelijk is de bewijsvoering afhankelijk van het onderzoek van het parket of van het verslag van een deskundige, en beschikt de curator nog niet over de stukken. Om die reden kan de beslagrechter een bijkomende termijn toestaan.

9. De beslagenen houden in deze procedure de mogelijkheden van verzet en hoger beroep.

Bij de totstandkoming van de wet van 1997 werd in de Senaat een artikel 57bis voorgesteld waardoor het de curatoren mogelijk zou worden om, op grond van aanwijzingen of aanwijsbare vermoedens van onregelmatigheid een bewarend beslag te vorderen op de roerende en onroerende goederen van de zaakvoerders of bestuurders van de failliete rechtspersoon. Of zelfs van diegenen die daarin schijnbaar een feitelijk gezag uitoefenen.

Men kan inderdaad niet in ernst voorbijgaan aan de vaststelling dat, in faillissementen van malafide kooplieden, de curatoren achter het net vissen wanneer ze, als resultaat van hun onderzoekingen, tenslotte de verantwoordelijke vervolgen, hetzij voor een burgerlijke rechtbank, hetzij dit geschiedt door de procureur des Konings voor de strafrechtbank en waarbij de curatoren zich burgerlijke partij stellen.

Meer concreet dient daarbij gewezen op de verantwoordelijkheidsvorderingen tegen de zaakvoerders of bestuurders, gebeurlijk de zogenaamde achterman, die zich persoonlijk op kosten van de rechtspersoon ­ en dus van diens schuldeisers bij faillissement ­ onrechtmatig hebben verrijkt.

Dat is helaas logisch. De betrokkenen kunnen er doorgaans op rekenen dat het een geruime tijd zal duren voor de curatoren het mechanisme van hun frauduleus systeem zullen hebben doorgrond, en waarna het nodige bewijsmateriaal zal dienen geproduceerd. Vervolgens dient de procedure dan nog te worden gevoerd voor de rechtbank.

De malafide betrokkenen hebben dus ruim de tijd gehad om het gevaar dat hen zou bedreigen te evalueren en de nodige maatregelen te treffen. De curatoren mogen dan uiteindelijk wel beschikken over veroordelende vonnissen, de uitvoering zelf zal doorgaans eindigen op een « niets-bevinding ».

Het feit dat de diensten van het parket en van de gerechtelijk politie overbelast zijn, versterkt natuurlijk dit fenomeen, omdat ook op het strafrechtelijke vlak niet spoedig genoeg kan worden ingegrepen.

Men kan voorhouden dat de curatoren het rechtsmiddel van het « bewarend beslag » meer gepast en veelvuldiger dienen te hanteren. Dit veronderstelt echter nog altijd dat ze daarbij dan snel over de nodige bewijselementen kunnen beschikken om hun beslagvordering te kunnen staven en dat ze daarbij dan kunnen voorhouden dat ze over een « zekere en vaststaande schuldvordering » beschikken.

Dit is, in het licht van het voorgaande, doorgaans eenvoudig niet mogelijk. Hoe gewiekster het bedrog, des te moeilijker precies de bewijsvoering.

Bepleit werd een rechtsbewarende maatregel in het belang van de massa, geldend tijdens het eerste onderzoek van de curator, en waarbij deze een tijdelijk bewarend beslag zou kunnen leggen op de goederen van de zaakvoerders, de bestuurders, en diegenen die een feitelijk gezag hebben uitgeoefend in de rechtspersoon op grond van de eerste vermoedens van onregelmatigheid en zonder dat, althans op dat ogenblik, verdere bewijslast van hen kon worden gevraagd.

De gronden van het beslag zouden derhalve voldoende aanwezig zijn wanneer de curator aan de rechter zou kunnen aantonen dat er aanwijzingen of te omschrijven vermoedens waren van onregelmatigheden, zonder dat verwacht kon worden dat ze reeds tot precieze omschrijvingen of bewijsvoering zouden zijn gehouden. Het ontbreken van een dienstige boekhouding, het ontbreken van de volgens boekhouding als aanwezig veronderstelde kasgelden of voorraden kon hieronder worden begrepen.

De rechter van de plaats van het faillissement zou bevoegd zijn, omdat mogelijk immers de betrokken zaakvoerders, bestuurders of feitelijke bestuurders in de verschillende arrondissementen woonachtig waren, wat een te vermijden veelvuldigheid van procedures zou veronderstellen.

De aldus aan de curatoren gegeven mogelijkheid tot het verkrijgen van deze bewarende maatregel werd als beperkt in de tijd voorgesteld : de curatoren konden aldus handelen in de aanvangsperiode van het faillissement waarin ze nog niet de gelegenheid hadden tot verder onderzoek. De maatregel zou vervallen van rechtswege indien de curator niet binnen de termijn van negen maanden, gerekend van de dag van het faillissement, de beslagene had opgeroepen teneinde er te horen oordelen over de gronden van het beslag. Werd de maatregel gevraagd na vijf maanden dan mocht verondersteld worden dat de bewijsvoering, gelet op de reeds verstreken periode, mogelijk zou zijn binnen de vier komende maanden.

Een gedurfd amendement, dat moest gezien worden in het kader van de door de regering nagestreefde fraudebestrijding.

De minister stond niet gunstig tegenover dit voorstel en meende dat in de huidige stand van de wetgeving het gemeen recht de curator reeds alle mogelijkheden biedt om een dergelijk bewarend beslag te vorderen. Waarop de toenmalige indiener aan zijn amendement verzaakte.

Het antwoord van de minister was nochtans niet bevredigend en gaat voorbij aan een essentieel gedeelte van het betoog : het probleem van de onmiddellijke bewijslevering, inbegrepen het feit dat een bewarend beslag slechts kan worden verleend dan wegens een schuldvordering die zeker en opeisbaar is, en die vaststaand is of vatbaar voor voorlopige raming.

Men vergelijke de voorgehouden filosofie met de macht van de onderzoeksrechter om, in het kader van een gerechtelijk onderzoek, beslag te leggen op goederen, voorwerpen of gelden, en waartegen, onder de huidige wetgeving, zelfs geen werkelijk verweer mogelijk is.

Om deze redenen wordt het amendement thans hernomen. In de strijd tegen frauduleuze faillissementen zou dit een geducht wapen betekenen.

Martine TAELMAN.

Nr. 92 VAN DE REGERING

Art. 30

Dit artikel vervangen als volgt :

« Art. 30. ­ De verschoonbaarheid doet de schulden van de gefailleerde teniet en ontslaat de natuurlijke personen die zich kosteloos borg hebben gesteld voor een verbintenis van de gefailleerde van hun verplichtingen.

De echtgenoot van de gefailleerde die zich persoonlijk aansprakelijk heeft gesteld voor de schuld van deze laatste, wordt ingevolge de verschoonbaarheid bevrijd van die verplichting.

De verschoonbaarheid heeft noch gevolgen voor de onderhoudsschulden, noch voor de schulden voortvloeiend uit de verplichting tot herstel van de schade verbonden aan het overlijden of aan de aantasting van de lichamelijke integriteit van een persoon waaraan de gefailleerde schuld heeft. »

Verantwoording

Dit amendement is een nieuwe formulering van ontwerp-artikel 82 waarbij rekening wordt gehouden met het commentaar dat onlangs in Belgische rechtskundige bladen is gepubliceerd met betrekking tot de bepalingen inzake de gevolgen van de verschoonbaarheid.

De regering streeft ernaar ter zake voor de gewenste rechtszekerheid te zorgen en is dan ook niet ongevoelig gebleven voor de argumenten die in de rechtsleer zijn aangevoerd in verband met de complexiteit en de onzekerheid van de regels gesteld in het huidige artikel 30 van het ontwerp.

De voornaamste doelstellingen van dit ontwerp van wet worden hierdoor niet fundamenteel gewijzigd (stuk Kamer, nr. 50-1132/1, blz. 16-18).

De enige nieuwigheid bestaat erin dat de situatie van de echtgenoot van de gefailleerde in aanmerking wordt genomen.

De verschoonbaarheid heeft nog steeds vooreerst tot gevolg dat de schulden van de gefailleerde teniet worden gedaan. Voortaan wordt bepaald dat de echtgenoot van de gefailleerde ingevolge de verschoonbaarheid wordt bevrijd van zijn verplichtingen. In afwijking van de regeling inzake vrijstellingen in ondergeschikt verband ten opzichte van de hoofdverbintenis waarop de borg betrekking heeft, wordt niet voorzien in een ontlasting van de professionele borgen.

De verplichtingen van de gefailleerde die door de verschoonbaarheid worden opgeheven, zijn thans duidelijk omschreven.

De minister van Justitie,

Marc VERWILGHEN.