1-169

1-169

Sénat de Belgique

Belgische Senaat

Annales parlementaires

Parlementaire handelingen

SÉANCES DU JEUDI 5 MARS 1998

VERGADERINGEN VAN DONDERDAG 5 MAART 1998

(Vervolg-Suite)

VRAAG OM UITLEG VAN DE HEER VAN HAUTHEM AAN DE EERSTE MINISTER OVER « HET VOORNEMEN VAN DE REGERING HET GEMEENTELIJK STEMRECHT VOOR EU-ONDERDANEN TE REGELEN ZONDER GRONDWETSHERZIENING »

VRAAG OM UITLEG VAN DE HEER LOONES AAN DE EERSTE MINISTER OVER « HET GEMEENTELIJK STEMRECHT VOOR EU-ONDERDANEN »

MONDELINGE VRAAG VAN DE HEER GOOVAERTS AAN DE EERSTE MINISTER OVER « HET STEMRECHT VOOR EU-ONDERDANEN EN HET VERDRAG VAN AMSTERDAM »

DEMANDE D'EXPLICATIONS DE M. VAN HAUTHEM AU PREMIER MINISTRE SUR « LE PROJET DU GOUVERNEMENT DE RÉGLER LE DROIT DE VOTE DES RESSORTISSANTS DE L'UNION EUROPÉENNE AUX ÉLECTIONS COMMUNALES SANS RÉVISER LA CONSTITUTION »

DEMANDE D'EXPLICATIONS DE M. LOONES AU PREMIER MINISTRE SUR « LE DROIT DE VOTE DES RESSORTISSANTS DE L'UNION EUROPÉENNE »

QUESTION ORALE DE M. GOOVAERTS AU PREMIER MINISTRE SUR « LE DROIT DE VOTE POUR LES RESSORTISSANTS DE L'U.E. ET LE TRAITÉ D'AMSTERDAM »

De voorzitter. ­ Dames en heren, ik stel voor de vragen om uitleg van de heren Van Hauthem en Loones en de mondelinge vraag van de heer Goovaerts aan de eerste minister samen te behandelen aangezien ze hetzelfde onderwerp hebben.

Het woord is aan de heer Van Hauthem.

De heer Van Hauthem (Vl. Bl.). ­ Mijnheer de voorzitter, het adagium waarmee de eerste minister het land bestuurt en dat we allemaal kennen, luidt : « Ik los de problemen op als ze zich voordoen. » Zou het niet beter zijn een ander principe te hanteren, namelijk « regeren is vooruitzien » ? Deze keer wil ik het niet hebben over de puinhoop die de politie en de justitie zijn, maar over de problemen om de Europese regelgeving rond het « eurostemrecht » in Belgische wetten om te zetten.

In juni van vorig jaar werd het FDF-voorstel om artikel 8 van de Grondwet te wijzigen ­ wat nodig is om mensen die onze nationaliteit niet bezitten, stemrecht te geven ­ wegens procedurefouten getorpedeerd. De eerste minister beloofde toen dat hij na het zomerreces een eigen voorstel zou indienen. Het heeft wat langer geduurd, maar het voorstel is er nu en het is ons allen bekend. Er zou een grondwetswijziging komen, maar als de eerste minister geen tweederde meerderheid haalt, gebeurt het met een gewone wet en wordt met andere woorden de Grondwet verkracht.

Zoals ik al zei, is regeren vooruitzien en de eerste minister had kunnen vooruitzien. Reeds in 1992, naar aanleiding van de ratificatie van het Verdrag van Maastricht, signaleerde de Raad van State dat het toenmalige artikel 4 van de Grondwet eerst moest worden herzien. De eerste minister vond dat toen allemaal geen probleem. Hij zou dat later wel regelen. Hij heeft dus meer dan vijf jaar de tijd gehad om de nationale wetgeving aan de Europese regelgeving aan te passen.

Hij heeft dat echter vertikt en nu zit hij met een ernstig probleem. Hoe lost de heer Dehaene het op ? Hij vraagt een tweederde meerderheid, maar als dat niet lukt dan doet hij het met een gewone meerderheid en gooit hij de Grondwet in de vuilnisbak. Deze manier van regeren kan alleen maar als een staatsgreep op de parlementaire instellingen en-procedures worden beschouwd. Ik weet ook wel dat de rechtsgeleerden het er niet helemaal over eens zijn of de Grondwet al dan niet moet worden gewijzigd.

De minister van Binnenlandse Zaken, weliswaar in zijn hoedanigheid van professor grondwettelijk recht aan de Universiteit van Gent, schrijft echter in zijn overzicht van het publiek recht het volgende : « Voor zover het verdrag inhoudelijk de Grondwet zou schenden moet eerst of in elk geval voor de inwerkingtreding van het Verdrag de Grondwet worden gewijzigd. » Welnu, ik zou wel eens graag de visie van professor Vande Lanotte als minister van Binnenlandse Zaken kennen.

De perverse redenering dat Europa ons dat oplegt is onzin, want zo wordt Europa voorgesteld als een soort vreemde mogendheid die ons van alles oplegt. De regering heeft toch het Parlement gevraagd een verdrag te ratificeren waarin bepaalde principes van het stemrecht staan, zonder dat de Grondwet vooraf werd gewijzigd. De richtlijn is eigenlijk de uitwerking van een principe. De premier beweert nu dat de richtlijn ons verplicht het gemeentelijk stemrecht voor EU-onderdanen te regelen. Als het niet via een grondwetswijziging gaat, dan moet het volgens hem maar met een gewone wet. Ook dat is een verkeerde voorstelling van zaken. De regering heeft immers zelf de richtlijn opgesteld en goedgekeurd. Op dat ogenblik wist de eerste minister toch ook wel dat er een grondwettelijk probleem was. Hij had dus eerst de Grondwet moeten laten wijzigen en pas daarna de richtlijn laten goedkeuren.

De redenering van de eerste minister kan leiden tot een bijzonder gevaarlijke situatie. Een grondwetswijziging gaat gepaard met een omslachtige procedure. Eerst moeten artikelen voor herziening vatbaar worden verklaard, de Kamers worden ontbonden, verkiezingen plaats vinden en pas dan kan de Grondwet worden gewijzigd. Door de richtlijn zonder grondwetswijziging te laten goedkeuren, creëert de regering een precedent. Op basis van die handelwijze kan in de toekomst een Belgisch minister met één handtekening op de Europese Raad van ministers de Belgische Grondwet wijzigen precies zoals de regering vandaag met één pennentrek de facto de Grondwet wijzigt. Dit kan niet. Ik blijf erbij dat eerst de Grondwet moet worden gewijzigd. Bovendien kan de Europese Commissie alleen sancties treffen als de nationale regelgeving niet is aangepast aan de Europese.

Het gemeentelijk stemrecht voor EU-onderdanen regelen zonder grondwetsherziening is een « staatsgreep » op de parlementaire procedures van dit land.

Bovendien houdt de eerste minister absoluut geen rekening met de voorwaarden die het Vlaams Parlement heeft gekoppeld aan het toekennen van het stemrecht voor EU-onderdanen. Ook hier beweert de premier dat de richtlijn belet dat die voorwaarden worden toegepast. Nochtans heeft hij over die richtlijn, die op 19 december 1994 werd aangenomen, onderhandeld. Nog voor die datum had het Vlaams Parlement tot twee keer toe een aantal voorwaarden gesteld waarvan de premier perfect op de hoogte was.

Als het gemeentelijk stemrecht voor EU-onderdanen zonder grondwetsherziening wordt geregeld, bestaat de kans dat de gemeenteraadsverkiezingen nietig worden verklaard. De regering riskeert procedures bij de Raad van State, misschien zelfs bij het Arbitragehof.

Tot slot, heb ik nog twee vragen voor de eerste minister. Is hij van plan om, als hij geen tweederde meerderheid vindt, het gemeentelijk stemrecht voor EU-onderdanen bij gewone wet te regelen ? Dat zou de grootste aanslag zijn op de Grondwet sinds men een paar jaar geleden wijlen Koning Boudewijn drie dagen « krankzinnig » verklaarde om de abortuswet te kunnen uitvaardigen. Is de eerste minister van plan op dezelfde weg door te gaan ?

Waarom heeft de eerste minister wetens en willens de voorwaarden opzij geschoven die het Vlaamse Parlement haast unaniem koppelde aan het invoeren van het Euro-stemrecht ?

Andermaal demonstreert de eerste minister de machtswellust die hem kenmerkt. In feite zet hij het pistool tegen het hoofd van het Parlement, daarbij zeggende : « Lever mij een tweederde meerderheid of ik verkracht de Grondwet. » Het wordt stilaan tijd dat we deze regering niet langer een regering noemen maar een junta.

De voorzitter. ­ Het woord is aan de heer Loones.

De heer Loones (VU). ­ Mijnheer de voorzitter, ik neem gerust aan dat de eerste minister het niet prettig vindt om na dinsdag in de Kamer vandaag in de Senaat over hetzelfde onderwerp te moeten discussiëren. Nochtans is dit echt noodzakelijk. De Senaat is immers bij uitstek een Kamer die andere principes dan louter politieke naar voren kan schuiven. Bovendien kunnen we er nu al van uitgaan dat er over dit dossier ook in de Senaat een meningsverschil bestaat.

De zaak is ondertussen uitgegroeid tot een echt politiek dossier. Ik ga ervan uit dat de eerste minister op de eerste vraag van de heer Van Hauthem in volle ernst zal antwoorden dat hij het stemrecht bij wet zal realiseren indien hij geen tweederde meerderheid vindt voor een grondwetswijziging. Zoniet is er voor ons reeds één reden tot protest minder.

Tegen dit standpunt is in Vlaanderen een storm van verontwaardiging opgestoken. Ik verwijs hiervoor naar de bespreking in het Vlaams Parlement op 25 juni 1997 over de resolutie betreffende de Vlaamse garanties bij het toekennen van stemrecht. De heer Van Grembergen, de voorzitter van de VU-Kamerfractie zei daarbij : « We beschouwen de verklaring van de heer Suykerbuyk afgelegd namens zijn groep en namens de SP en de VLD ­ hij was immers voor dit dossier ook de woordvoerder van het hele Vlaamse Parlement ­ als een engagement van het Vlaams Parlement. Dit kan niet anders betekenen dan dat er een zwaar politiek incident zou ontstaan met deze, naar ik begrepen heb, bijna unaniem aangenomen resolutie ­ want onder deze voorwaarden keuren we ze ook goed ­ tussen de inzichten die in het Vlaams Parlement vertolkt worden en eventuele, met de onze tegenstrijdige keuzen op het federale vlak. Dit is de vuurproef in verband met wat men noemt de federale loyauteit. Ik prijs me gelukkig dat de voorzitter van de grootste partij in dit land, maar ook van de grootste partij in Vlaanderen, mee in dit halfrond zit en dus deelneemt aan de stemming. »

Vandaag zijn we zover : er is een tegenstelling tussen de resolutie goedgekeurd in het Vlaams Parlement en wat de federale regering vandaag doet. Het is dan ook volkomen normaal dat we de eerste minister hierover om uitleg vragen in de Senaat.

We willen in de eerste plaats meer uitleg over de juridische aspecten. De deskundigen verschillen terzake van mening. Met verontschuldiging voor mijn indiscretie, maar daarnet zag ik de eerste minister een artikel uit De Standaard van vandaag doornemen waarin een licentiaat in Europees recht het Arbitragehof op ongeveer dezelfde voet behandelt als een vredegerecht. Een standpunt van zo iemand kan onmogelijk opwegen tegen dat van specialisten als de professoren Van Orshoven en Storme. Ik hoop voor de eerste minister dat hij zich in zijn antwoord niet zal moeten baseren op het artikel uit De Standaard .

Mijn eerste vraag is hoe de eerste minister de door hem verdedigde primauteit kan verantwoorden. Heeft hij daarover adviezen ingewonnen ? Indien hij zich baseert op adviezen van constitutionalisten, wil hij die dan aan ons bezorgen ? Indien dit nog niet het geval is, wil hij dan Kamer en Senaat de kans geven om de verschillende deskundigen met elkaar te confronteren ? Het dossier zit juridisch zo complex in mekaar dat dit echt noodzakelijk is. We kunnen toch de hele wereld van deskundige constitutionalisten niet passeren en dit dossier laten beslechten door een dictaat van de regering, ook al wordt ze hierbij door haar meerderheid gevolgd. Is de eerste minister bereid rekening te houden met adviezen van het Parlement ook als die ingaan tegen zijn eigen houding ?

Op politiek vlak verheffen de premier en de regering het pragmatisme tot allesoverheersende norm. Oordeelt de eerste minister dat het oplossen van problemen belangrijker is dan het respect voor de Grondwet, de federale instellingen en het stelsel van de bijzondere meerderheden ? Voor dat stelsel is hard gestreden. Niet iedereen was er immers gelukkig mee, ook de Volksunie niet, maar aangezien het nu bestaat moet het worden gerespecteerd. Anders speelt men met vuur.

Dat risico bestaat vandaag en zet het federale België op het spel. Uit diverse moties en resoluties van het Vlaamse Parlement blijkt dat er bij de Vlaamse politici nagenoeg unanimiteit bestaat om voorwaarden te koppelen aan het gemeentelijk stemrecht van EU-onderdanen. De Vlamingen vragen ook bijna unaniem garanties voor de vertegenwoordiging van de Vlamingen in Brussel. De premier zou daarvoor niet ongevoelig mogen zijn, maar gaat blijkbaar aan deze eisen voorbij.

Beseft de eerste minister niet dat hij door zijn handelwijze het argument bij uitstek verschaft aan degenen die vinden dat het Belgisch kader niet meer volstaat om de Vlaamse belangen te verdedigen op internationaal vlak en dat Vlaanderen bijgevolg zelf als staat aan de Europese besluitvorming moet deelnemen ?

De voorzitter. ­ Het woord is aan de heer Goovaerts.

De heer Goovaerts (VLD). ­ Mijnheer de voorzitter, de laatste keer dat ik de eerste minister een vraag heb gesteld heeft hij mij geantwoord dat hij mijn volgende vraag al tegemoet zag. Ik heb mij daar dus op voorbereid. Omdat ik pragmatisch wil zijn, hoewel ik daarin nooit zo sterk zal zijn als de eerste minister, had ik een mondelinge vraag opgesteld. Zo een vraag is steeds kort. De eerste minister kan er bijgevolg een gebald antwoord op geven waarop ik dan eventueel nog een gebalde repliek kan geven. Spijtig genoeg komt er vandaag niets terecht van mijn colloque singulier met de eerste minister. Ik werd namelijk verslagen door twee collega's die twee vragen om uitleg hebben over hetzelfde onderwerp als mijn vraag.

De heer Dehaene, eerste minister. ­ Dan moet u ook niets meer zeggen.

De heer Goovaerts (VLD). ­ Ik heb weliswaar niet veel meer te zeggen, maar wil alleen nog twee concrete vragen stellen. De eerste minister wil het probleem van het gemeentestemrecht voor de Europese onderdanen op zijn manier regelen, zonder rekening te houden met de Grondwet. Gaat hij de problemen die hij heeft met de uitvoering van het Verdrag van Amsterdam op dezelfde manier aanpakken ?

Zoals mijn collega's las ik het artikel van de licentiaat in Europees recht dat vandaag in De Standaard verscheen en dat de eerste minister daarnet nog bestudeerde tijdens de eerste vraag om uitleg. Wellicht baseert de eerste minister zijn antwoord op dit artikel. Ik wil echter doen opmerken dat sommige hoogleraren ­ waaronder de heer Van Orshoven ­ de juridische theorieën van de eerste minister als « onhoudbaar » kwalificeren.

Waarop baseert de eerste minister zich om deze onhoudbare houding aan te nemen ? Zal hij deze hoogleraren terechtwijzen ?

In het Vlaams Parlement is een resolutie goedgekeurd waarin een aantal voorwaarden zijn opgenomen voor het toekennen van gemeentelijk stemrecht aan EU-onderdanen, waarop ook de heer Loones heeft gealludeerd. Zal of wil de eerste minister rekening houden met deze resolutie van het Vlaams Parlement ?

M. le président. ­ La parole est à Mme Willame.

Mme Willame-Boonen (PSC). ­ Monsieur le président, c'est en 1992 que la Belgique a ratifié le Traité de Maastricht, dont l'article 8 accorde aux citoyens de l'Union européenne les droits de vote et d'éligibilité aux élections communales dans l'État membre où ils résident et dont ils ne sont pas ressortissants.

La directive du 19 décembre 1994 est venue fixer les modalités de l'exercice du droit de vote et d'éligibilité aux élections communales pour les citoyens de l'Union résidant dans un autre État membre dont ils n'ont pas la nationalité.

La Belgique n'a toujours pas adapté son droit national pour le mettre en conformité avec le droit européen. On connaît les craintes de certains néerlandophones qui ont peur de voir ainsi se consolider des majorités francophones dans certaines communes. Ces craintes ont encore été exprimées maintenant.

Je suis sidérée de constater à quel point certains membres de notre assemblée qui n'ont pas vraiment le sens démocratique parlent de « Constitution à la poubelle », de « Constitution violée », de « coup d'État sur les institutions parlementaires », de « junte » pour le gouvernement. C'est assez violent à mon sens!

Comme le souligne Francis Delperée dans son ouvrage La démarche citoyenne , l'élargissement du droit de vote a toujours soulevé des supputations alarmistes. Ce fut le cas voici 50 ans lorsqu'il s'est agi d'ouvrir le suffrage universel aux femmes. Ce fut encore le cas lorsqu'il a été question d'élargir le droit de vote aux jeunes de 18 ans.

En toute hypothèse, un pays qui se prétend le grand défenseur de l'Europe, sur le territoire duquel sont implantées de nombreuses institutions européennes, qui s'est battu pour que Bruxelles soit également le siège du Parlement européen, doit de toute urgence mettre son droit national en conformité avec les normes européennes.

Nous sommes déjà en 1998 et rien n'a encore été fait. La menace d'une condamnation par la Cour de justice européenne pèse sur nous.

Nous ne pouvons être ridicules, monsieur le Premier ministre, il est grand temps d'adopter notre droit national au droit européen.

De voorzitter. ­ Het woord is aan de heer Anciaux.

De heer Anciaux (VU). ­ Mijnheer de voorzitter, ik sluit mij aan bij dit thema, niet op basis van de juridische argumenten die hier naar voor werden gebracht, maar met volgende overwegingen.

Heeft de eerste minister al nagedacht over het democratische deficit van zijn oplossing ? In België wordt de Grondwet gewijzigd met een speciale meerderheid en daarvoor is er een hele procedure uitgewerkt. Het is misschien wel mogelijk dat het Europese recht primeert op het nationale recht, maar dat essentiële zaken worden geregeld zonder dat een democratisch verkozen meerderheid het daarmee eens is, is toch onvoorstelbaar. Hoe kan de eerste minister op een vrij arrogante manier verklaren dat alles in dit land ondergeschikt kan worden gemaakt aan de Europese besluitvorming wanneer die Europese besluitvorming zelf niet op een democratische wijze tot stand komt ?

Op Europees vlak beslissen vaak enkele personen in besloten kring over zaken die een paar honderd miljoen mensen aangaan. Er is nog heel wat werk aan de winkel om de Europese instellingen democratischer te maken. De eerste minister wil deze ondemocratische instellingen gebruiken om de Belgische democratische spelregels te omzeilen en fundamenteel in een samenlevingsprobleem in te grijpen. Hij houdt hierbij geen rekening met de gevoeligheden van de bevolking. Het gaat niet zozeer om de vraag of er al dan niet stemrecht moet werden verleend, maar wel om de mogelijke discriminatie tussen EU-onderdanen en niet-EU-onderdanen. Hij weigert een democratische oplossing te zoeken, hoewel hij tot het jaar 2000 tijd heeft. Eventueel zou men na de volgende parlementsverkiezingen een rondetafeloverleg over wat men in dit verband allemaal wenst te verwezenlijken kunnen houden.

De arrogantie waarmee de eerste minister in deze zaak optreedt, stoort mij nog het meest. Ze is een uiting van minachting voor de bevolking en de democratie in haar geheel. Ik aanvaard dit niet langer van iemand die zich eerste minister noemt.

De voorzitter. ­ Het woord is aan de heer Boutmans.

De heer Boutmans (Agalev). ­ Mijnheer de voorzitter, iedereen weet dat er een probleem is. De Raad van State heeft vroeger reeds opgemerkt dat het Verdrag van Maastricht destijds zonder grondwetswijziging werd goedgekeurd. Agalev heeft een voorstel ingediend om over verdragen waarin een soevereiniteitsoverdracht ligt vervat, eerst een referendum te houden. Zo weet men wat de bevolking ervan vindt.

Meent de eerste minister niet dat ons voorstel een oplossing biedt voor de juridische kwellingen die ons vandaag bezighouden. Het standpunt van de Agalev-fractie over het stemrecht is evenals mijn persoonlijk standpunt genoeg bekend. Ik hoop dat een eventuele grondwetswijziging geen nieuwe discriminatie in het leven zal roepen. Aan degenen die het communautaire aspect van het kiesrecht voor EU-onderdanen benadrukken, zeg ik dat in de Voerstreek veel Nederlanders wonen.

De voorzitter. ­ Het woord is aan de eerste minister.

De heer Dehaene, eerste minister. ­ Mijnheer de voorzitter, vorige dinsdag heb ik in de bevoegde kamercommissie naar aanleiding van een aantal interpellaties erop gewezen dat de regering de voorkeur geeft aan een wijziging van artikel 8 van de Grondwet boven de goedkeuring van een wetsontwerp dat de Europese richtlijn betreffende het stemrecht voor EU-onderdanen in het Belgisch recht omzet.

Het beste bewijs hiervan is dat de regering, toen het wetsontwerp werd goedgekeurd, een tekst van grondwetswijziging heeft voorgelegd aan de kamercommissie. Volgende dinsdag zullen de besprekingen daarover in de kamercommissie voor de Herziening van de Grondwet worden aangevat. Het is de bedoeling dat de werkzaamheden van de kamercommissie zullen resulteren in een voorstel tot wijziging van artikel 8, dat aan de Kamer zal worden voorgelegd.

Gezien de goedkeuring door Kamer en Senaat van het Verdrag van Maastricht, dat voorzag in de omzetting voor 1 januari 1996 en gezien er bij het Europees Hof procedures aanhangig zijn, moeten we, indien er geen tweederde meerderheid kan worden bereikt, de voorrang van het Europees recht inroepen om tot de omzetting te kunnen overgaan. De regering zal dit slechts in het uiterste geval doen en hoopt dat een herziening van de Grondwet zal worden goedgekeurd. Hiertoe werden voorstellen geformuleerd. Aangezien het Verdrag van Maastricht met een ruime meerderheid werd goedgekeurd, is het logisch dat het Parlement het eens is met een herziening van de Grondwet. Ook dit is democratie.

De heer Loones (VU). ­ Het Parlement heeft het Verdrag goedgekeurd omdat het werd gepaaid met beloften.

De heer Dehaene, eerste minister. ­ De regering doet een voorstel en we zullen onze beloften ook nakomen. Ik wil er echter op wijzen dat zowel het Europees Hof als de Belgische gerechtelijke instellingen het erover eens zijn dat het Europees recht primeert op het nationaal recht. De vrije tribune van vandaag in De Standaard is voor mij slechts een bijkomend stuk in mijn dossier. Ik beschik over adviezen van professoren en rechtsgeleerden, die minstens even gewichtig zijn als de auteur waarnaar de heer Loones verwijst. Wat dit betreft, helt de weegschaal ongetwijfeld over naar mijn kant.

Ik benadruk nogmaals dat ik pleit voor een voorafgaande wijziging van de Grondwet. De regering zal alles in het werk stellen om deze doelstelling te bereiken. We doen reeds geruime tijd inspanningen om in de kamercommissie een consensus te bereiken rond artikel 8 om de Grondwet te kunnen wijzigen. De regering heeft beloofd dat ze, vooraleer het debat over artikel 8 wordt voortgezet, zou aangeven hoe de richtlijn in een wettekst zal worden omgezet.

Aangezien er geen parlementair initiatief is genomen heeft de regering zelf een initiatief genomen. De tekst werd aan de kamercommissie overgemaakt om deze te informeren over hoe de regering, zich houdend aan de Europese richtlijn, de omzetting van de Europese regel wenst te realiseren. Wij kunnen de voorwaarden die door de Vlaamse Raad werden opgelegd niet naleven. Ik denk hier aan de voorwaarde omtrent de verblijfplaats. De Europese richtlijn laat ons niet toe EU-onderdanen specifieke voorwaarden op te leggen. Dat kan wel voor niet EU-onderdanen. Men kan hier gewag maken van discriminatie, maar het Europees Verdrag maakt nu eenmaal het onderscheid tussen beiden.

Het Vlaams Parlement eist dat de personen waaraan stemrecht wordt gegeven een aantal jaren op ons grondgebied verblijven. Die maatregel kan worden veralgemeend. Voor Belgen is echter juist het omgekeerde gebeurd. De vereiste duur van het verblijf in de gemeente om er te kunnen stemmen werd systematisch ingekort. Het lijkt dus niet zinvol om Belgen naar aanleiding van dit verdrag terug een langere verblijfsduur op te leggen alvorens ze in hun gemeente mogen stemmen. Het probleem lijkt me niet van zo'n omvang om de Belgische situatie om te keren.

Conform de Europese richtlijn zullen we de Europese onderdanen dezelfde voorwaarden inzake verblijfsduur opleggen als de Belgen. Hiermee illustreer ik duidelijk in welke mate de regering op bepaalde eisen kan ingaan en op andere niet. Ik geef grif toe dat dit voor discussie vatbaar is en desgevallend wil ik de discussie daarover ook aangaan. Persoonlijk vind ik het echter weinig zinvol om naar aanleiding van het toekennen van stemrecht aan EU-onderdanen langere verblijfsduren op te leggen aan de Belgen en ze te doen stemmen in gemeenten waarmee ze geen enkele band meer hebben.

De heer Anciaux (VU). ­ Wil de eerste minister, deze benadering ook eens op fiscaal vlak illustreren ?

De heer Dehaene, eerste minister. ­ Ook fiscale wetten dienen eenvormig te worden toegepast. Wanneer fiscale maatregelen worden genomen ten aanzien van EU-onderdanen, moeten gelijklopende fiscale maatregelen ten aanzien van de Belgen worden genomen. Gezien de beperkte omvang van het probleem vind ik dat het debat onnodig hoog wordt opgeklopt. Ik herhaal dat de regering inmiddels een informeel wetsontwerp tot omzetting van de Europese richtlijn heeft overgezonden aan de kamercommissie voor de Justitie. Zodra de Grondwet zal zijn herzien, hoop ik dat dit informele ontwerp kan worden besproken.

Tot slot wil ik nog twee bedenkingen kwijt.

De regering heeft geopteerd voor een positieve en offensieve opstelling ten aanzien van de EU-onderdanen. Ik vind het verkeerd een tegenovergestelde indruk te wekken. Hierdoor kan het door sommigen gevreesde effect op de stemresultaten worden uitgelokt. Hun profetieën zijn immers zelfvervullend. Door het stemrecht voor Europeanen positief te onthalen, zal het effect ervan op de verkiezingen dezelfde gunstige ontwikkeling kennen als in landen die zelfs een ruimer stemrecht hebben toegekend. Het stemgedrag van de autochtone en de Europese onderdanen loopt uiteindelijk niet ver uit elkaar.

De regering heeft een tekst tot open herziening van de Grondwet in twee fasen neergelegd. Al degenen die gewonnen zijn voor een algehele toekenning van het stemrecht aan buitenlanders, wil ik toch waarschuwen en aanzetten tot enige reflectie. Ook in dat geval is er immers een tweederde meerderheid nodig om de Grondwet te herzien en in deze speelt dan niet langer een supranationale verplichting. Door vandaag het onderste uit de kan te willen en tegen een gefaseerde aanpak te stemmen, zou de tweederde meerderheid voor het toekennen van stemrecht aan EU-onderdanen wel eens in het gedrang kunnen komen. In dat geval staan we verder van huis dan voordien.

De regering heeft zich er uitdrukkelijk toe verbonden de Europese gedragsrechtelijke verplichtingen na te komen en wenst daartoe een aangepaste grondwetsherziening te realiseren. (Applaus.)

De voorzitter. ­ Het woord is aan de heer Van Hauthem.

De heer Van Hauthem (Vl. Bl.). ­ Mijnheer de voorzitter, de eerste minister heeft in elk geval duidelijk gemaakt dat het eurostemrecht bij gewone wet wordt toegekend als er geen tweederde meerderheid wordt gevonden. De regering heeft dit aan zichzelf te wijten. Vijf jaar lang heeft ze niets gedaan en nu de tijd dringt moet de procedure om de Grondwet te wijzigen maar zwichten om aan de internationale verplichtingen te kunnen voldoen. Dit is bijzonder gevaarlijk. Morgen kan in elke Europese Raad van ministers een Belgische minister met één handtekening elk grondwetsartikel dat hij wil, wijzigen. Dat is het perspectief dat men ons vandaag biedt.

De eerste minister heeft aangegeven dat volgens de Europese richtlijn niet kan worden tegemoetgekomen aan de voorwaarden van het Vlaams Parlement. Ik herhaal dat hij over deze richtlijn mee heeft onderhandeld en dat hij de voorwaarden kende. Het gaat hier niet alleen om belastingplicht, de handhaving van de taalwetgeving, de verblijfsduur en dergelijke meer.

In zijn resolutie van 25 juni van vorig jaar koppelt het Vlaams Parlement het verlenen van stemrecht aan onderdanen van de Europese Unie aan de overheveling van de organieke wetgeving inzake gemeenten en provincies, zoals bij het Sint-Michielsakkoord werd afgesproken, en aan een gewaarborgde vertegenwoordiging van de Vlamingen in Brussel, zowel op gewestelijk als op lokaal vlak. Dat heeft niets met de Europese richtlijn te maken. Aan deze voorwaarden kan de eerste minister gerust tegemoetkomen, indien hij dit tenminste wil, zonder rekening te houden met het Verdrag van Maastricht en de richtlijn van 1994. Deze voorwaarden staan daarvan volkomen los, maar zijn zeker niet onbelangrijk. De eerste minister zei hierbij dat hij in deze legislatuur geen staatshervorming wil. De overheveling van de organieke wetgeving van gemeenten en provincies is echter een politiek akkoord dat tijdens de vorige legislatuur werd gesloten, maar niet kon worden uitgevoerd, omdat eerst de grondwetsartikelen voor herziening vatbaar moesten worden verklaard. Het akkoord kon dus pas gedurende deze legislatuur worden uitgevoerd. Indien de eerste minister zijn belofte aan de Sint-Michielspartijen houdt, dan kan hij geen bezwaar hebben tegen deze overheveling.

Rond het verlenen van stemrecht aan onderdanen van buiten de Europese Unie speelt de eerste minister een perfide spel. Tegen hen die dit stemrecht nu reeds willen doordrukken zegt hij dat het in twee fasen moet gebeuren. Partijen die wel de internationale verplichtingen willen nakomen, plaatst hij nu reeds voor hun verantwoordelijkheid om een tweederde meerderheid te leveren, zodat de eerste stap alvast wordt bereikt. Tegelijkertijd laat hij de deur open om na het jaar 2000 het andere stemrecht bij gewone wet te regelen. Dit is perfide.

Tot slot wil ik mevrouw Willame vragen of de Grondwet volgens haar moet worden gewijzigd om het eurostemrecht toe te kennen. Als ze hierop negatief antwoordt, dan moet ze ophouden het Vlaams Blok een gevaar voor de democratie te noemen. In elk geval zal ik een gemotiveerde motie indienen waarin ik de voorwaarden opgenomen in de resolutie van 25 juni 1997 van het Vlaams Parlement herneem.

De voorzitter. ­ Het woord is aan de heer Loones.

De heer Loones (VU). ­ Mijnheer de voorzitter, we stellen vast dat de premier opnieuw de intentie van de regering bevestigt om aan een tweederde meerderheid te geraken. Hij kan echter alleen maar vaststellen dat dit op het ogenblik politiek niet haalbaar is. De PRL wil niet weten van een open grondwetsherziening en de VLD vraagt ten minste garanties voor de Vlamingen. De premier heeft dus andere partners nodig, maar ik kan alleen maar vaststellen dat hij daarvoor geen enkele inspanning levert. Er werd gesuggereerd dat er ooit een Sint-Michielsmeerderheid heeft bestaan. De Volksunie maakte daarvan deel uit. Misschien is deze meerderheid opnieuw haalbaar, maar dan moet de regering ten minste een andere belofte nakomen, namelijk de defederalisering van de gemeentewet en de gemeentekieswet. Daarmee zou automatisch het probleem van de gegarandeerde vertegenwoordiging van de Vlamingen in Brussel aan bod komen. Men kan die twee dossiers niet scheiden, maar de regering neemt geen enkel initiatief.

Verder stel ik in het antwoord van de premier wel een evolutie vast. Aanvankelijk werd gezegd dat de richtlijn absoluut niet toelaat dat bijkomende voorwaarden worden ingeschreven. Nu beweert de premier dat dit wel kan wanneer die voorwaarden geen discriminatie tot gevolg hebben. De eerste minister haalt één maatregel, met name die van de verblijfsduur aan. Ik vraag mij af waarom andere maatregelen, zoals deze in verband met de belastingplicht en de kennis van de streektaal, niet bijkomend kunnen worden opgelegd zonder te discrimineren.

De heer Dehaene, eerste minister. ­ Mijnheer de voorzitter, wat de kennis van de taal betreft is er geen enkel probleem, want de verplichting is voor iedereen dezelfde.

De heer Loones (VU). ­ Op dat vlak is er dus geen probleem. Met de gegarandeerde vertegenwoordiging voor de Vlamingen heeft Europa niets te maken, zoals de heer Van Hauthem ook heeft gezegd. Dit punt hangt alleen af van wat de regering wil opleggen en wat ze met de huidige meerderheid kan bereiken. We weten echter al lang dat de premier wars is van iedere communautaire beweging en alleen de regering wil laten voortbestaan.

Er is ook het argument van het ongrondwettig handelen. Zo kan één Belgisch minister op de Europese Raad van ministers de Belgische Grondwet wijzigen en kan de regering ons desnoods, via een ministerieel besluit, een anti-grondwettelijke regeling opleggen. Waarom zou men nog rekening houden met een wet, wanneer zelfs geen rekening wordt gehouden met de Grondwet ?

Een aantal onder ons, de voorzitter van deze assemblee heeft mij er nog voor terechtgewezen, spreken bij de eedaflegging in plaats van de woorden « Ik zweer de Grondwet na te leven » de woorden « Ik zweer de Grondwet na te lezen » uit. We zullen erop moeten toezien dat de premier wanneer hij zich opnieuw kandidaat stelt, ook niet die formule gebruikt. (Applaus.)

De voorzitter. ­ Tot besluit van deze vraag om uitleg heb ik drie moties ontvangen.

De eerste, ingediend door de heer Van Hauthem, luidt :

« De Senaat,

Gehoord de vragen om uitleg over het Euro-stemrecht;

Gehoord het antwoord van de regering;

Overwegende dat de uitvoering van het Sint-Michielsakkoord over de regionalisering van de organieke gemeente- en provinciewetgeving bij de thans in bespreking zijnde grondwetswijziging voor het kiesrecht van EU-onderdanen, een coherente regeling zou toelaten, conform de hierna vermelde voorwaarden;

Gelet op artikel 8B, eerste lid, van het Verdrag betreffende de Europese Unie;

Gelet op de richtlijn 94/80/EG van 19 december 1994 tot vaststelling van de wijze van uitoefening van het actieve en passieve kiesrecht bij gemeenteraadsverkiezingen ten behoeve van de burgers van de Unie die verblijven in een Lid-Staat waarvan zij de nationaliteit niet bezitten;

Is van oordeel dat het voornoemde stemrecht alleen kan ingevoerd worden middels een grondwetswijziging;

Is van oordeel dat het kiesrecht van onderdanen van de Europese Unie bij gemeenteraadsverkiezingen gekoppeld is aan volgende voorwaarden :

a) de onderworpenheid aan de gemeentelijke fiscaliteit op dezelfde wijze als de Belgische kiesgerechtigden;

b) de handhaving van de taalwetgeving zowel voor de organisatie van de kiesverrichtingen als voor de verkozenen;

c) het voorbehouden aan de Belgische onderdanen van de ambten van burgemeester en schepen en van lid van het vast bureau en voorzitter van de OCMW-raad;

d) een verblijfsduur die voldoende lang is om te kunnen spreken van een binding met de gemeente waar het kiesrecht wordt uitgeoefend;

Overwegende dat deze voorwaarden niet noodzakelijk in eenzelfde wet- of regelgeving moeten worden opgenomen, maar wel gelijklopend gewaarborgd moeten worden;

Overwegende dat de regeling voor Brussel federaal getroffen moet worden, rekening houdende met het belang van de grondwettelijke tweetaligheid en de hoofdstedelijke functie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest en met de noodzaak van een gewaarborgde Vlaamse vertegenwoordiging op het gewestelijke en lokale beleidsniveau, zowel in raden als in uitvoerende organen;

Vraagt de regering onverwijld :

1. het politieke akkoord inzake de regionalisering van de organieke wetgeving inzake gemeenten en provincies uit te voeren;

2. rekening te houden met de hoger geformuleerde voorwaarden, onder meer wat de vertegenwoordiging van de Brusselse Vlamingen betreft. »

De tweede, ingediend door de heren Loones, Anciaux en Vandenbroeke, luidt :

« De Senaat,

Gehoord de vragen om uitleg van de senatoren Van Hauthem en Loones;

Gehoord de tussenkomsten van de senatoren Goovaerts, Willame en Anciaux;

Gehoord het antwoord van eerste minister Dehaene;

Bevestigt zijn overtuiging dat het stemrecht voor EU-burgers slechts kan verleend worden mits aanpassing van de Grondwet;

Vraagt dat daarbij voldoende garanties voor de Vlamingen zouden worden ingeschreven. »

De derde, ingediend door de heren Vandenberghe, Lallemand, Mahoux, Moens en mevrouw Willame, luidt :

« De Senaat,

Gehoord de vragen om uitleg van de heren Goovaerts, Loones en Van Hauthem en het antwoord van de eerste minister,

Gaat over tot de orde van de dag. »

« Le Sénat,

Ayant entendu les demandes d'explications de MM. Goovaerts, Loones et Van Hauthem et la réponse du Premier ministre,

Passe à l'ordre du jour. »

We stemmen later over de gewone motie die de voorrang heeft.

Nous procéderons ultérieurement au vote sur la motion pure et simple qui bénéficie de la priorité.

De voorzitter. ­ Het incident is gesloten.

L'incident est clos.