Tweetalige printerversie Eentalige printerversie

Schriftelijke vraag nr. 6-456

van Petra De Sutter (Ecolo-Groen) d.d. 2 maart 2015

aan de minister van Energie, Leefmilieu en Duurzame Ontwikkeling

Klimaatbeleid - Klimaatconventie van de Verenigde Naties (VN) - Klimaatinspanningen van BelgiŽ - Kennisgeving - Emissierechten - Verdeling tussen de federale overheid en de deelstaten - Vermindering van de CO2 uitstoot - Maatregelen

beleid inzake klimaatverandering
opwarming van het klimaat
emissiehandel
EU-regeling voor de emissiehandel
vermindering van gasemissie

Chronologie

2/3/2015Verzending vraag (Einde van de antwoordtermijn: 2/4/2015)
20/3/2015Antwoord

Vraag nr. 6-456 d.d. 2 maart 2015 : (Vraag gesteld in het Nederlands)

Op 14 februari 2015 verklaarde u in een interview met tijdschrift MO* dat de klimaatinspanningen geblokkeerd zitten, omdat er verdeeldheid is onder de drie Gewesten en het federale niveau. Ik citeer u : " Men raakt het niet eens over de verdeling van het geld. De veiling van de emissierechten heeft intussen al de niet onaardige som van 212 miljoen euro opgeleverd. Dat bedrag staat op een geblokkeerde rekening en moet verdeeld worden onder de vier entiteiten die rond de tafel zitten."

Nochtans is BelgiŽ - zoals alle andere landen en ondanks de verdeeldheid - verplicht om zijn geplande klimaatinspanningen kenbaar te maken bij de Klimaatconventie van de Verenigde Naties (VN) vůůr Parijs 2015.

De discussie over de verdeeldheid van bevoegdheden sleept al aan sinds 2010. Uw poging om het door te schuiven naar een Interkabinettenwerkgroep (IKW) is respectabel, maar helpt ons geen stap vooruit. Als de verschillende politieke partijen vertegenwoordigd zijn in die werkgroep, zowel federaal als op het niveau van de Gewesten, waarom blijft het hele klimaatbeleid dan geblokkeerd ?

Zou u mij kunnen uitleggen :

1) Hoe u de geplande klimaatinspanningen precies kenbaar zult maken bij de VN-Klimaatconventie ? En wanneer precies ? Zal dit nog lukken voor Parijs 2015 ?

2) Wat gedaan zal worden met het geld voor emissierechten (Kyotoprotocol 2008-2012) dat vaststaat op de geblokkeerde rekening wegens het communautair getouwtrek ? En hoe dat geld precies verdeeld moet worden over de federale en de deelregeringen ?

3) Welk traject er volgens u moet zijn - in heel BelgiŽ, dus zowel federaal als in de Gewesten - om de CO2 uitstoot te verminderen ?

Antwoord ontvangen op 20 maart 2015 :

1) De Europese Unie diende voor einde maart 2015 aan de Verenigde Naties (VN) te communiceren welke klimaat-bijdrage ze voor de periode na 2020 voor ogen heeft en dit met het oog op het inschrijven van een doelstelling in een nieuw internationaal klimaatakkoord dat moet worden afgesloten tijdens de top van Parijs eind 2015. De Europese Raad Milieu besliste over deze bijdrage (ook INDC, Intended Nationally Determined Contribution), op 6 maart 2015, zich hierbij baserend op de conclusies van de Europese Raad van 24 oktober 2014.

In deze conclusies engageerden de Europese Staatshoofden en regeringsleiders zich tot een bindende Europese doelstelling van emissiereducties op haar grondgebied van minstens 40 % tegen 2030 ten opzichte van 1990. De verdeling van de inspanningen die onder de verantwoordelijkheid van de Lidstaten vallen (minstens 30 % ten opzichte van 2005), zal daarna nog dienen te gebeuren. Hoe we deze Belgische 2030-doelstelling in die context zullen verdelen tussen de federale en gewestelijke overheden, is op dit moment niet aan de orde.

De Europese 2030 doelstellingen en hun bijdrage aan het Akkoord van Parijs hebben formeel geen uitstaans met de aanslepende discussies betreffende de verdeling van de inspanningen tussen de Federale Staat en de Gewesten in het kader van het energie-klimaatpakket, dat over de periode 2013-2020 gaat. Zoals het regeerakkoord aangeeft is het afronden van een samenwerkingsakkoord over deze 2020-doelstellingen en de CO2-veilingsopbrengsten een prioriteit. België werd hierover met de vinger gewezen, met name naar aanleiding van de aanbevelingen van de Europese Raad aan ons land in het kader van het Europees Semester.

De interkabinettenwerkgroep waarvan sprake in het interview heeft op 13 maart 2015 een akkoord bereikt over het federaal mandaat in deze onderhandelingen, behalve over mijn voorstel om minstens 10 % van de CO2-veilinginkomsten toe te wijzen aan het ondersteunen van klimaatmaatregelen in ontwikkelingslanden. Daarover zal ik zelf nog bijkomend overleg moeten plegen met mijn collega’s in de Ministerraad.

2) Alle emissiehandelsrechten, die niet gratis toegewezen worden aan industriële installaties die daar recht op hebben, worden sinds 2013 geveild. De gecumuleerde Belgische inkomsten hieruit zijn eind februari 2015 al opgelopen tot 234 miljoen euro. Overeenkomstig de beslissing van de Adviesraad van 11 december 2012 blijven deze inkomsten op een geblokkeerde bankrekening staan tot er een samenwerkingsakkoord ondertekend is over hun verdeling.

De verdeling van de CO2-veilinginkomsten is één van de grote knelpunten in het lastenverdelingsakkoord, hoofdzakelijk omdat er er een delicaat evenwicht dient gevonden te worden tussen enerzijds de inspanningen die de betrokken partijen dienen te leveren (emissiereducties, hernieuwbare energie en internationale klimaatfinanciering) en anderzijds de ontvangen baten, in de vorm van die veilinginkomsten.

In het kader van het huidige federaal regeerakkoord werd afgesproken dat, door het voeren van een flankerend beleid op het gebied van fiscaliteit, biobrandstoffen, fietsen, productnormen, federale energie-efficiënte overheidsgebouwen en spoorwegen, de federale regering de Gewesten zal ondersteunen bij het uitvoeren van hun klimaatbeleid alsmede hun luchtkwaliteitsbeleid en dat samen met de feeraal ontwikkelingsbeleid van offshore windenergie dat deel uitmaakt van de federale bijdrage aan de realisatie van de Belgische doelstelling in het kader van het energie-klimaatpakket 2020 van de Europese Unie.

De federale interkabinettenwerkgroep (IKW) heeft op 13 maart 2015 beslist dat de federale overheid dient aan te sturen op een aandeel van 25 % in de CO2-veilinginkomsten.

3) België engageerde zich om tegen 2020 haar emissies in sectoren die niet onderworpen zijn aan emissiehandel (non-ETS) te verminderen met 13 % ten opzichte van 2005 en dit volgens een lineair traject. Gezien de Federale Staat, buiten het Belgische deel van de Noordzee, geen eigen grondgebied heeft, komt de Belgische uitstoot overeen met de som van de emissies op de grondgebieden van de Gewesten. De Gewesten hebben dan ook de verantwoordelijkheid om maatregelen te nemen waardoor ze hun doelstellingen kunnen behalen volgens het in de samenwerkingsovereenkomst vastgelegde traject. Zoals hierboven beschreven engageert de federale regering zich echter om de Gewesten bij te staan en te helpen in het behalen van hun doelstellingen door zelf ook beleidsmaatregelen te nemen.

De interkabinettenwerkgroep van 13 maart 2015 heeft beslist om de beslissing te behouden van de vorige regering om een middelenverbintenis aan te gaan van 15 250 kton CO2 emissiereductie door de voortzetting van bestaande maatregelen en nieuwe beleidsmaatregelen in te voeren voor een bijkomende emissiereductie van 7 000 tot 10 000 kton CO2. Dergelijke inspanning stemt ongeveer overeen met 30 % van de non-ETS Belgische doelstelling in 2020 tegenover 2005.

Het spreekt voor zich dat de opvolging van de uitvoering van deze maatregelen en het meten van hun impact moet gebeuren volgens een door de Nationale Klimaatcommissie goedgekeurde methode.

Inzake hernieuwbare energie valideert de interkabinettenwerkgroep de positie die de vorige federale regering had ondersteund :

– de afwerking van de zeven offshore windmolenparken verder te faciliteren voor een equivalent van 2,2 GW geïnstalleerd vermogen in 2020 ;

– alle begeleidende maatregelen te nemen om het aandeel hernieuwbare energie in het bruto eindverbruik van energie in 2020 te brengen op minstens 2 % van de 13 % doelstelling. (dit stemt overeen met 16 % van de benodigde totale Belgische inspanning inzake hernieuwbare energie, wat rekening houdende met de bijdrage met het federaal beleid inzake biobrandstoffen neerkomt op ongeveer een kwart van de voorspelde Belgische consumptie van hernieuwbare energie in 2020) ;

– over de Europese doelstelling inzake hernieuwbare energie in de transportsector, namelijk 10 %, sprak de interkabinettewerkgroep zich niet uit. Maar ook daar vraag ik de collega’s het mandaat van de vorige regering te bevestigen, evenwel rekening houdend met de technologische vooruitgang, en de vigerende Europese besluitvorming aangaande de nieuwe generatie biobrandstoffen, waartoe een clausule in het samenwerkingsakkoord dient ingewerkt te worden, om te anticiperen op een eventuele herziening van de Europese regelgeving hieromtrent. Verder is het belangrijk dat de gewesten zich te engageren tot het voortzetten of versterken van hun transportbeleidsmaatregelen om deze doelstelling haalbaar te maken ;

– tenslotte wordt op België, als ontwikkeld industrieland, ook gerekend om een significante bijdrage te leveren aan internationale klimaatfinanciering voor de ondersteuning van klimaatactie in ontwikkelingslanden. De vorige federale regering was alvast bereid om 10 % van haar veilinginkomsten te reserveren voor internationale klimaatfinanciering. In de interkabinettenwerkgroep kon echter geen overeenstemming gevonden worden om deze doelstelling in het samenwerkingsakkoord in te schrijven. Ik leg deze kwestie dus zo snel mogelijk voor op de Ministerraad ;

– dat een structurele oplossing voor België’s bijdrage aan internationale klilmaatfinanciering nodig is, moge duidelijk zijn. Op COP 20 van Lima eind 2014 heeft België op de valreep een bijdrage van 51,6 miljoen euro aan het Green Climate Fund aangekondigd. Het federale aandeel in deze bijdrage bedraagt 50 miljoen euro uit het budget ontwikkelingssamenwerking, waarvan 40 miljoen reeds eind 2014 werd overgemaakt. Het Brusselse Gewest heeft zijn aangekondigde bijdrage van 600 000 euro ook al overgemaakt. Het Waals Gewest heeft een bijdrage van 1 miljoen euro aangekondigd, maar wil dit engagement niet nakomen, alvorens de interne lastenverdeling is overeengekomen. Het Vlaams Gewest wenste geen bijdrage te leveren aan het Green Climate Fund. En in Warschau in december 2014 heeft mijn voorganger (toenmalig hoofd van de Belgische delegatie) na overleg met zijn collega’s van de Gewesten, een Belgische bijdrage van 3,25 miljoen euro aan het VN-Adaptatiefonds aangekondigd. De Gewesten hebben hun aandeel inmiddels overgemaakt, maar het overeengekomen federale aandeel van 1,5 miljoen euro is nog niet gestort. Zoals u weet ben ik in overleg met mijn collega’s binnen de federale regering om dit engagement zo spoedig mogelijk te kunnen honoreren.