Tweetalige printerversie Eentalige printerversie

Schriftelijke vraag nr. 5-8132

van Yoeri Vastersavendts (Open Vld) d.d. 14 februari 2013

aan de vice-eersteminister en minister van Economie, Consumenten en Noordzee

Sabam - Arrest van het Europees Hof van Justitie SCF tegen M. Del Corso (C-135/10) - Stopzetten van het innen van de billijke vergoeding in tandartspraktijken, inclusief hun wachtruimten

tandarts
auteursrecht
arrest van het Hof (EU)

Chronologie

14/2/2013 Verzending vraag
22/3/2013 Antwoord

Vraag nr. 5-8132 d.d. 14 februari 2013 : (Vraag gesteld in het Nederlands)

Het Hof van Justitie van de EU heeft in arrest SCF tegen M. Del Corso (C-135/10) van 15 maart 2012 gesteld dat er geen mededeling aan het publiek plaatsvindt in het geval van het spelen van muziek in een tandartspraktijk.

De analyse van het Hof leidt tot de vaststelling dat de Italiaanse tandarts in casu er weliswaar welbewust voor koos om beschermde werken uit te zenden, maar dat zijn patiŽnten geen publiek vormen volgens de hierboven omschreven criteria. De patiŽnten van de tandarts vormen een beperkte, besloten, groep die bovendien erg klein is.

Bovendien is het Hof van mening dat de uitzending van muziekwerken in een tandartspraktijk geen winstoogmerk vertoont omdat de gebruikte muziek weinig of geen invloed zal hebben op het zakencijfer van de tandarts in kwestie. Wanneer er geen winstoogmerk is, hebben de houders van naburige rechten geen recht op een vergoeding.

Een gezamenlijke lezing van het arrest en het advies van de advocaat-generaal in deze zaak leert ons dat zowel de praktijkruimte van de tandarts als de wachtzaal beoogd worden. Daarmee wordt aldus definitief klare wijn geschonken.

Het Hof heeft in dit arrest een interpretatie gegeven van het begrip mededeling aan het publiek zoals bepaald in artikel 8(2) van richtlijn 92/100/EG, zijnde de bepaling van EU-recht die aan de lidstaten oplegt te voorzien in een billijke vergoeding die verschuldigd is aan uitvoerende kunstenaars en producenten van fonogrammen. Het betreft dus de zogenaamde naburige rechten.

Graag had ik dan ook volgende vragen voorgelegd aan de geachte minister:

1. In welke mate spoort deze Europese uitspraak van het Hof met de Belgische wetgeving ? Dient de Belgische wetgeving te worden aangepast aan de Europese regelgeving en zo ja, op welke punten?

2. Zal, nu het Europees Hof klare wijn heeft geschonken, het innen van de "billijke vergoeding" in een tandartsenpraktijk (behandelkamer en wachtzaal) door Sabam worden stopgezet? Zo neen, waarom niet? Zo ja, quid met de reeds geÔnde rechten?

3. Gezien sprake is van een foutieve inning in het verleden had ik graag vernomen welke stappen de Controlediensten concreet gaan ondernemen om de onterecht geÔnde bedragen van Sabam terug te vorderen.

4. Wanneer en hoe zullen de beroepsverenigingen van tandartsen (en eventuele andere zorgverleners) correct geÔnformeerd worden door de FOD Economie over wat inzake Sabam wel mag en wat niet?

Antwoord ontvangen op 22 maart 2013 :

1. Wat de billijke vergoeding betreft, onderwerp van het arrest, worden de tarieven en de inningsmodaliteiten bepaalt door de “Commissie billijke vergoeding” voorzien in artikel 42 van de wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten (Belgisch Staatsblad 27 juli 1994), hierna de Auteurswet genoemd. De Commissie is samengesteld uit, enerzijds, vertegenwoordigers van de vennootschappen voor het beheer van de rechten van uitvoerende kunstenaars en producenten en, anderzijds, vertegenwoordigers van hen die de vergoeding moeten betalen. Ze wordt voorgezeten door een vertegenwoordiger van de Minister van Economie. De beslissingen van deze Commissie worden bij koninklijk besluit bindend verklaard ten aanzien van derden. In februari van dit jaar is deze commissie gestart met zich te buigen over de gevolgen die in de praktijk in België moeten gegeven worden aan het arrest van het Hof van Justitie in de zaak C-135/10 “Del Corso”. Een van de mogelijkheden zou zijn om de overeenkomst van 10 september 1999 inzake de billijke vergoeding verschuldigd door de uitbatingspunten gebruikt voor de promotie, de verkoop of de verhuur van goederen en diensten (Belgisch Staatsblad 23 december 1999), waaronder een tandartsenpraktijk valt, aan te passen. Het is dus niet nodig om de auteurswet aan te passen.

2. Op muziek gelden er meerdere rechten: het auteursrecht van de componist en de tekstschrijver, het naburig recht van de uitvoerende kunstenaars zoals zangers en musici en ook het naburig recht van de producent van de muziek. Bij het hoorbaar maken van muziek aan een publiek, moet men een onderscheid maken tussen deze verschillende rechten en de daarbij behorende rechthebbenden.

Wat de auteurs betreft moet men hen een voorafgaande toestemming vragen, op grond van hun exclusief recht. Dikwijls kan men zich hiervoor tot SABAM richten.

Wat de uitvoerende kunstenaars en de producenten betreft, moet men hen geen voorafgaande toestemming vragen, daar zij, overeenkomstig de Auteurswet (art. 41 en 42), niet kunnen verhinderen dat hun muziekstuk wordt gespeeld in het openbaar. Als tegenprestatie hebben zij wel recht op een zogenaamde “billijke vergoeding”. In België is deze billijke vergoeding onderworpen aan een verplicht collectief beheer, waarbij deze vergoeding wordt geïnd door de beheervennootschappen PlayRight en Simim.

Het arrest waarvan sprake heeft enkel betrekking op de zogenaamde billijke vergoeding – die gezamenlijk geïnd wordt door Playright en Simim - en niet op het exclusief recht van de auteur (overweging 74 en 75 van het arrest), die geïnd wordt door SABAM. Zo stelt het Hof in haar arrest dat het begrip “mededeling aan het publiek” niet altijd op dezelfde wijze geïnterpreteerd wordt in het auteursrecht en m.b.t. de naburige rechten. Het Hof verduidelijkte dat het begrip “mededeling aan het publiek” in het auteursrecht en de naburige rechten in een verschillende context wordt gebruikt, hoewel het begrip weliswaar gelijksoortige, maar gedeeltelijk uiteenlopende doelstellingen beoogt (overweging 74 van het arrest). Het Hof zou nogmaals moeten gevat worden via een prejudiciële vraag over het auteursrecht door een nationale rechter opdat men afdoende kan antwoorden of de redenering van het Hof m.b.t. de billijke vergoeding ook betrekking heeft op het auteursrecht, geïnd door SABAM.

3. Zoals in het voorafgaand antwoord aangegeven is het niet duidelijk of de auteursrechten geïnd door SABAM, al dan niet onterecht gebeurt. Het Hof zou nogmaals moeten gevat worden via een prejudiciële vraag over het auteursrecht door een nationale rechter opdat men afdoende kan antwoorden of de redenering van het Hof m.b.t. de billijke vergoeding ook betrekking heeft op het exclusief recht van de auteur, geïnd door SABAM.

Voor wat betreft de retroactieve toepassing zal de bovengenoemde Commissie billijke vergoeding voorzien in artikel 42 van de Auteurswet dit aspect aankaarten tijdens zijn besprekingen over de gevolgen die in de praktijk in België moeten gegeven worden aan het voornoemd arrest.

PlayRight en Simim hebben meegedeeld dat sedert het arrest de inning bij dit beroep werd opgeschort. Indien een tandarts of orthodontist nog een factuur in de bus krijgt, die dateert van na het arrest, is dit een vergissing. Indien een tandarts of orthodontist echter vrijwillig zijn aangifte voor de betaling van de billijke vergoeding nog opstuurt, zal hij uiteraard wel een factuur hiervoor krijgen. De tandarts of orthodontist staat dan zelf in om het betaalde bedrag van de beheersvennootschappen terug te vorderen.

In het geval dat de Commissie billijke vergoeding de overeenkomst van 10 september 1999 aanpast, zal de Controledienst van de Beheersvennootschappen van de Federale Overheidsdienst (FOD) Economie toezicht uitoefenen op de naleving van deze overeenkomst door de beheersvennootschappen SIMIM en PlayRight. Indien vereist, kan de Controledienst een administratieve, dan wel gerechtelijke procedure opstarten, om de naleving ervan af te dwingen.

4. Nadat de besprekingen van de betrokken milieus binnen de Commissie billijke vergoeding afgerond zijn en er conclusies uit getrokken worden, zullen de betrokken partijen, die overeenkomstig het ministerieel besluit van 11 januari 2006 tot aanwijzing van de vennootschappen voor het beheer van de rechten en de organisaties van hen die de vergoeding verschuldigd zijn bepaald in artikel 42 van de wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten, geen lid zijn van deze commissie, of waarvan hun overkoepelende of vertegenwoordigende organisatie geen lid is van deze commissie, op hun vraag op de hoogte worden gebracht van een eventuele (gewijzigde) beslissing van de commissie of van de eventuele andere stappen die ik in verband met dit arrest zal ondernemen.