Tweetalige printerversie Eentalige printerversie

Schriftelijke vraag nr. 5-1182

van Karl Vanlouwe (N-VA) d.d. 3 februari 2011

aan de vice-eersteminister en minister van Buitenlandse Zaken en Institutionele Hervormingen

De verkiezing van LibiŽ in de Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties

LibiŽ
rechten van de mens
gespecialiseerde instelling van de VN
Mensenrechtenraad van de VN

Chronologie

3/2/2011Verzending vraag
18/2/2011Antwoord

Herkwalificatie van : vraag om uitleg 5-308

Vraag nr. 5-1182 d.d. 3 februari 2011 : (Vraag gesteld in het Nederlands)

Dit weekend berichtte De Morgen dat BelgiŽ in mei 2010 steun verleende aan de kandidatuur van LibiŽ voor de VN-Mensenrechtenraad. Dat blijkt uit diplomatieke documenten die de krant mocht inkijken.

De minister ging aanvankelijk akkoord met het negatieve advies van zijn eigen administratie.

LibiŽ wordt al sinds 1969 geleid door kolonel Khaddafi. Het land wordt bestuurd door een autoritair regime dat zelf de mensenrechten schendt. De rechterlijke macht wordt georganiseerd door de staat en er bestaat geen eerlijk openbaar proces.

Khaddafi zelf verklaarde tijdens de recente onrusten in TunesiŽ dat het Tunesische volk een groot verlies lijdt door Ben Ali aan de kant te schuiven: "Er is niemand beter dan Zine om TunesiŽ te regeren".

In 2009 zei hij over de Veiligheidsraad van de VN : "It should not be called the Security Council. It should be called the terror council."

Mijn vraag aan de minister is:

1. Welke beweegredenen hebben u ertoe aangezet de kandidatuur van LibiŽ voor de VN-Mensenrechtenraad alsnog te steunen?

2. Waarom bent u tegen het advies van uw administratie ingegaan?

3. Beseft u dat het lekken van interne documenten de interne werking van de FOD Buitenlandse Zaken onder druk zet?

4. Wat is de tegenprestatie die LibiŽ levert voor uw steun aan zijn kandidatuur? Zijn er investeringen beloofd? Is er steun in andere politieke dossiers beloofd? Werd er een lucratief gascontract ondertekend?

Antwoord ontvangen op 18 februari 2011 :

Ik verwijs het geachte lid naar het verslag van de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen van de Kamer van volksvertegenwoordigers van dinsdag 25 januari jongstleden, waar ik een uitvoerig antwoord heb gegeven op verschillende vragen omtrent dit onderwerp.