BELGISCHE SENAAT
________
Zitting 2009-2010
________
27 januari 2010
________
SENAAT Schriftelijke vraag nr. 4-6591

de Ann Somers (Open Vld)

aan de minister van KMO's, Zelfstandigen, Landbouw en Wetenschapsbeleid
________
Kwekerijen - Vorstperiode - Schade - Erkenning als extreme koudeperiode en als ramp
________
tuinbouw
weer en wind
verloren gaan van de oogst
landbouwcatastrofe
________
27/1/2010Verzending vraag
25/2/2010Antwoord
________
________
SENAAT Schriftelijke vraag nr. 4-6591 d.d. 27 januari 2010 : (Vraag gesteld in het Nederlands)

De extreme koude tijdens de nieuwjaarsperiode heeft vorstschade aangericht in kwekerijen van siertelers en groenvoorzieners. Onder meer in Limburg, waar temperaturen tot -20 įC aan de grond werden opgetekend, is er behoorlijk wat schade. Vandaar de vraag om bij het Koninklijk Meteorologisch Instituut (KMI) de uitzonderlijke hevigheid van deze vorstperiode te laten vaststellen, zodat kan worden onderzocht of het dossier een officiŽle erkenning als ramp kan krijgen en de getroffen telers vergoed zouden kunnen worden.

1. Zal de minister het KMI vragen om de extreme koudeperiode te laten vaststellen?

2. Zal zij op basis van die resultaten overwegen om deze vorstperiode te erkennen als ramp voor de siertelers en groenvoorzieners?

Antwoord ontvangen op 25 februari 2010 :

1) Het Koninklijk Meteorologisch Instituut werd gevraagd de terugkeerperiode van de vastgestelde temperaturen te berekenen. Voor bepaalde parameters en bepaalde weerstations werd de terugkeerperiode uitzonderlijk met andere woorden groter dan 20 jaar.

2) Om erkend te worden als landbouwramp moet een meteorologisch verschijnsel gelijktijdig voldoen aan de volgende drie criteria:

  • terugkeerperiode groter dan 20 jaar

  • totale schade hoger dan 1,24 miljoen euro

  • gemiddelde schade per dossier groter dan 5 580 euro.

Bovendien legt de verordening (EG) nr. 1857/2006 van de Commissie van 15 december 2006 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag op staatssteun voor kleine en middelgrote ondernemingen die landbouwproducten produceren een vernieling van meer dan 30 % van de gemiddelde jaarlijkse productie op.

Artikel 4 van de wet van 12 juli 1976 sluit voorts goederen uit waarvan het bewezen is dat hun aanwezigheid, op het ogenblik van het schadelijke feit, op de plaats waar zij geteisterd werden, in hoofde van geteisterde, een schuld, een nalatigheid of een onvoorzichtigheid uitmaakt.

Bij voorbeeld, voor de gelijkaardig voorval, leidde de toepassing van alle voorwaarden en beperkingen leidt tot de conclusie dat de vorst van januari 2009 niet beantwoordt aan het geëiste minimum voor de totale schade om erkend te worden als landbouwramp.