2-1387/1 (Senaat)
2189/1 (Kamer)

2-1387/1 (Senaat)
2189/1 (Kamer)

Belgische Senaat en Kamer van Volksvertegenwoordigers

ZITTING 2002-2003

12 DECEMBER 2002


De Europese Raad van Brussel van 24 en 25 oktober 2002


VERSLAG

NAMENS HET FEDERAAL ADVIESCOMITÉ VOOR DE EUROPESE AANGELEGENHEDEN (1)

UITGEBRACHT DOOR DE HEREN MAHOUX (S) EN DE CROO (K)


INHOUD

  1. Briefing betreffende de Europese Raad van Brussel
    1. Uiteenzetting van de eerste minister
      1. Inleiding
      2. Uitbreiding van de Europese Unie
      3. Kaliningrad
      4. Voortgangsverslag over de werkzaamheden van de Conventie
    2. Gedachtewisseling
    3. Antwoorden van de vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken
  2. Debriefing betreffende de Europese Raad van Brussel
    1. Uiteenzetting door de eerste minister
    2. Vragen en opmerkingen van de leden
    3. Repliek van de eerste minister
    Bijlagen
  1. Tussenkomst van de eerste minister
  2. Tabel landbouwuitgaven
  3. Tabellen stemmenweging in de Raad

Het Adviescomité heeft twee vergaderingen (op 22 oktober en 5 november 2002) gewijd aan de Europese Raad van Brussel van 24 en 25 oktober 2002. Onderliggend verslag is een bondig overzicht van de besprekingen die voor en na de Europese Raad plaatshadden met de eerste minister, de heer Guy Verhofstadt en met de vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken, de heer Louis Michel.

Het is inderdaad gebruikelijk dat het Adviescomité, voor en na iedere vergadering van de Europese Raad, een gedachtewisseling organiseert met de eerste minister en/of een ander lid van de Belgische regering betreffende de voorbereiding van de Europese Raad en het standpunt dat België hierin wenst te verdedigen evenals over de resultaten van deze Raad.

BRIEFING BETREFFENDE DE EUROPESE RAAD VAN BRUSSEL

Het hoofdthema van deze vergadering was de uitbreiding van de Europese Unie. Tijdens zijn uiteenzetting heeft de heer Verhofstadt toelichtingen gegeven bij de standpunten van de Belgische regering. De eerste minister heeft zijn betoog gebaseerd op de mededeling aan de Belgische Ministerraad betreffende de voorbereiding van de Europese Raad van Brussel van 24 en 25 oktober 2002.

A. Uiteenzetting van de eerste minister

i) Inleiding

Op de Europese Raad van Brussel van 24 en 25 oktober 2002 wenst het Deense Voorzitterschap de agenda te beperken tot de volgende punten :

­ De uitbreiding van de Europese Unie.

­ Kaliningrad.

­ De vooruitgang in de Conventie over de toekomst van de Europese Unie.

Voor wat betreft de keuze van de plaats (Brussel) en voor wat betreft de organisatie en het verloop van de werkzaamheden, is dit de eerste Europese Raad die de afspraken van Nice en van Sevilla over de hervorming van de Europese Raad in de praktijk zal omzetten.

De Top vindt plaats vijf dagen na de afloop van de tweede volksraadpleging in Ierland over de goedkeuring van het Verdrag van Nice.

ii) Uitbreiding van de Europese Unie

a) De keuze van de landen

De Europese Raad van 24 en 25 oktober zal verzocht worden om aan de hand van de rapportering en aanbevelingen van de Commissie een besluit te nemen over de kandidaat-landen die beantwoorden aan de politieke en economische criteria om lid te worden van de Europese Unie en waarmede de onderhandelingen kunnen worden afgesloten tegen de Europese Raad van Kopenhagen van 12 en 13 december 2002. Het toetredingsverdrag voor de nieuwe Lidstaten zou ondertekend worden in de lente van 2003.

De Europese Commissie is van oordeel dat de Europese Unie de uitbreidingsonderhandelingen kan afsluiten met de volgende tien landen : Estland, Letland, Litouwen, Polen, Hongarije, Tsjechië, Slowakije, Slovenië, Cyprus en Malta. Voor Cyprus wordt gehoopt dat er alsnog een akkoord komt onder VN-toezicht, over de hereniging van het eiland. De hereniging vormt evenwel geen voorwaarde voor toetreding tot de Europese Unie.

Genoemde tien landen zouden bijgevolg effectief lid kunnen worden in de loop van de eerste helft van 2004, dat wil zeggen na afloop van het ratificatie- en referendaproces in 25 landen.

Roemenië en Bulgarije moeten in beginsel wachten om effectief lid te worden tot minstens 2007 (indicatieve datum).

Het Deense Voorzitterschap en de Europese Commissie werken tegen de Europese Raad van Brussel alle onderhandelingsdossiers af die niets te maken hebben met de financiering en landbouw. Dit veronderstelt nog bijkomend werk vooral in de domeinen concurrentiebeleid, belastingbeleid en veterinair beleid.

Op de Europese Raad van Brussel wenst het Deens Voorzitterschap onder de vijftien EU-Lidstaten een akkoord te bereiken over de voorstellen die de Europese Unie aan de kandidaat Lidstaten zullen doen over de financiering en de landbouw. Dit laatste vraagstuk zal aan bod komen tijdens de Europese hoofdstedenreis van de Deense Premier Rasmussen en maakt het voorwerp uit van bilaterale gesprekken tussen Frankrijk en Duitsland.

Aangezien tegen einde 2002 de kandidaat-landen nog niet helemaal klaar zullen zijn voor het effectieve lidmaatschap, wil de Europese Commissie nog een permanente doorlichting (« monitoring ») afspreken voor de periode tot 2004, met mogelijkheid tot het inroepen van vrijwaringclausules, indien de kandidaat-landen de Europese normen niet naleven.

Elementen voor een Belgische standpuntbepaling :

­ België gaat akkoord met het voorstel van de Europese Commissie om de Europese Unie effectief uit te breiden met tien landen.

­ België wil zich niet laten vastzetten op de datum van 1 januari 2004 voor de effectieve toetreding van genoemde landen. De landen treden toe nadat het toetredingsverdrag zal zijn geratificeerd.

­ België steunt het monitoring-mechanisme voorgesteld door de Europese Commissie met als doel de administraties van de kandidaat-landen zich nog beter te laten voorbereiden op effectief lidmaatschap. Het is nodig om de effectieve toepassing van het communautair acquis door de kandidaat-lidstaten te blijven toetsen tot deze landen daadwerkelijk toetreden. De Belgische regering wenst van de Europese Commissie meer duidelijkheid te bekomen over wat dit mechanisme precies inhoudt, of dit mechanisme eventueel tot maatregelen of zelfs sancties zou kunnen leiden, en wat deze maatregelen of sancties zouden kunnen zijn.

­ België steunt de idee om een bijzondere inspanning te doen ten gunste van Bulgarije en Roemenië, met inbegrip van een toekenning van financiële hulp, met dien verstande dat deze twee landen slechts effectief lid kunnen worden vanaf 2007.

­ België is van oordeel dat het niet opportuun is om in dit stadium een datum vast te leggen voor het aanvatten van toetredingsonderhandelingen met Turkije, ook al wordt ten volle erkend dat het recente hervormingspakket een positieve stap vooruit is in de toenadering van Turkije tot de Europese Unie. De Commissievoorstellen inzake hulp en versterking van de pre-accessie strategie verdienen onderzoek.

­ België is van oordeel dat de Europese Unie werk moet maken van een gestructureerd beleid tegenover het grote aantal nieuwe buurlanden van een uitgebreide Europese Unie.

b) Financiering en landbouw

Op basis van het op de Europese Raad van Berlijn overeengekomen financieel kader, moet de Europese Raad van Brussel tot besluitvorming komen over een reeks hangende financiële en landbouwvraagstukken en dit met als doel begin november gemeenschappelijke posities te kunnen voorleggen aan de kandidaat-landen.

Deze hangende vraagstukken hebben betrekking op landbouw (globale enveloppe, plus de toekenning van rechtstreekse inkomenssteun aan elke kandidaat), de interne politieken (globale enveloppe plus de financiële enveloppe voor de ontmanteling van de nucleaire centrales van Ignolina en Bohunice), de mogelijke toekenning van een financiële enveloppe aan het zuidelijk Griekse gedeelte van Cyprus, de vorm en modaliteiten van toekenning van een begrotingscompensatie aan de kandidaat-landen die zich in een positie van nettobijdrager aan de Europese begroting bevinden.

Elementen voor een Belgische standpuntbepaling :

­ België heeft reeds begin 2002 aangegeven dat de Commissiebenadering inzake de budgettaire en financiële aspecten, met inbegrip van de graduele toekenning van directe inkomenssteun aan de kandidaat-landen, de toekenning van begrotingscompensaties en de dotatie voor de Europese structuurfondsen, gesteund wordt. Het voorgelegde financieringskader eerbiedigt voor de periode 2004-2006 de plafonds van het akkoord van Berlijn. Het nog vast te leggen globaal financieel pakket dient, rekening houdende met de hervormingen van het landbouwbeleid en de structuurpolitiek, een begrotingstechnisch beheersbaar geheel te bieden voor de bespreking van de nieuwe financiële vooruitzichten na 2006.

c) Institutionele vraagstukken

In Nice zijn schikkingen getroffen voor een Unie met 27 Lidstaten. Aangezien de Europese Raad zal beslissen over een uitgebreide Unie tot maximaal 25 Lidstaten, zijn er overgangsmaatregelen nodig.

De drempel voor de gekwalificeerde meerderheid van toepassing vanaf 1 januari 2005

De verklaring over de uitbreiding, in bijlage aan het Verdrag van Nice, voorziet dat, bij ontstentenis van toetreding van 12 kandidaat-landen op het ogenblik dat de nieuwe stemmenweging in werking treedt (1 januari 2005), de drempel voor de gekwalificeerde meerderheid zal evolueren, in functie van het ritme van de toetredingen, vanaf een percentage dat lager ligt dan het huidig percentage (71,26 %) tot een percentage van 73,9 % wanneer de Unie 27 Lidstaten zal omvatten.

Twee standpunten staan tegenover elkaar in de Raad :

­ Een minderheidspunt verdedigd door de Benelux en door Finland. Deze landen zijn van oordeel dat de drempel voor de gekwalificeerde meerderheid bij de eerste uitbreiding lager moet liggen dan de huidige drempel, in volledige overeenstemming met de Verklaring van Nice.

­ Een meerderheidspositie, verdedigd door de elf andere Lidstaten, die van oordeel zijn dat de drempel voor de gekwalificeerde meerderheid kan stijgen bij de eerstvolgende uitbreiding, aangezien Nice niet de hypothese had voorzien van een gelijktijdige uitbreiding tot tien landen.

De verdeling van de zetels voor het Europese Parlement voor de legislatuur 2004-2009

Het aantal leden van het Europees Parlement dat elke Lidstaat mag afvaardigen, werd door het Verdrag van Nice gewijzigd om rekening te houden met de uitbreiding. Zo werd het aantal voor België vastgelegd op 22, terwijl ons land vandaag over 25 zetels beschikt.

Het protocol dat deze zaak regelt, voorziet nochtans een correctiemechanisme voor de legislatuur 2004-2009, zodanig dat het totaal aantal Parlementsleden zo dicht mogelijk aansluit bij het getal 732. Aan deze rekenkundige oefening werd slechts één beperking opgelegd : geen enkele huidige Lidstaat mag voor de periode 2004-2009 over meer zetels in het Europees Parlement beschikken, dan vandaag het geval is.

Het maximum aantal van 732 zal niet bereikt worden in 2004 omdat de 50 zetels van Bulgarije en Roemenië niet aan die landen zullen worden toegekend bij de eerstvolgende verkiezing voor het Europees Parlement. Voor de verdeling van die 50 open zetels stelt het Voorzitterschap een berekeningswijze voor die voor België geen probleem stelt. Maar de precieze aantallen en ook de herverdelingswijze moeten nog het voorwerp uitmaken van onderhandelingen met de kandidaat-landen, zoals trouwens het geheel van de institutionele vraagstukken. In dat kader zullen onder meer Hongarije en Tsjechië eisen dat ze een aantal zetels bekomen in het Europees Parlement dat in verhouding staat tot hun bevolkingsaantal (22 zetels in de plaats van 20 zetels).

Overgangsmaatregelen

Overgangsmaatregelen zijn nodig voor de periode 2004 omwille van de toetreding van nieuwe landen vanaf het eerste semester van 2004. Het Verdrag van Nice maakt de nieuwe stemmenweging slechts van toepassing vanaf 1 januari 2005 en de verdeling van de zetels in het Europese Parlement geldt slechts vanaf juni 2004.

Wat betreft het eerste vraagstuk ­ de stemming met gekwalificeerde meerderheid ­ stelt het Voorzitterschap voor de periode 2004 een overgangsregeling voor, gebaseerd op een extrapolatie van het huidige systeem. Dit betekent concreet een drempel van 70,97 % (tegenover 71,26 % vandaag) en 88 stemmen op een totaal van 124 om de meerderheid te bereiken. Drie grote lidstaten kunnen geen blokkeringsminderheid vormen. Een vierde lidstaat is nodig. De premier merkt op dat het probleem werd opgelost op de vergadering van de Raad Algemene Zaken van 22 oktober 2002.

Voor wat betreft het tweede probleem ­ het aantal zetels in het Europese Parlement voor de kandidaat-landen die toetreden vóór juni 2004 ­ stelt het Voorzitterschap een overgangsregeling voor gebaseerd op een extrapolatie van het aan de huidige Lidstaten toegekende aantal. De huidige Lidstaten behouden uiteraard hun huidig aantal zetels in het Europese Parlement tot juni 2004.

De beurtrol voor het roterende Voorzitterschap in de Europese Unie

Het Voorzitterschap stelt voor om de huidige rotatie tussen de Lidstaten voort te zetten tot einde 2006, zonder dat de nieuwe Lidstaten participeren in de beurtrol. Een aanpassing van het huidige systeem zou als gevolg hebben dat bepaalde kandidaten reeds in de eerste jaren na hun toetreding het Voorzitterschap zouden moeten uitoefenen.

Elementen voor een Belgische standpuntbepaling :

­ België aanvaardt de voorstellen van het Deense Voorzitterschap voor wat betreft de beurtrol van het Voorzitterschap, de verdeling van de zetels voor het Europees Parlement voor de periode 2004-2009, alsook wat betreft de overgangsmaatregelen 2004.

­ Ten aanzien van het vraagstuk van de drempel van de gekwalificeerde meerderheid in een Unie met minder dan 27 landen, zal België overleggen met de Beneluxpartners. In ieder geval lijkt het niet opportuun om het minderheidsstandpunt op te geven vooraleer de uitslag van het tweede Ierse referendum bekend is.

­ België zal de vraag ondersteunen van Tsjechië en Hongarije ten gunste van een hoger aantal zetels in het Europees Parlement.

iii) Kaliningrad

De Europese Raad zal in het perspectief van de Top Rusland-Europese Unie van 11 november een standpunt bepalen met betrekking tot het vraagstuk van de transit tussen Kaliningrad en de andere delen van het grondgebied van de Russische Federatie. Rusland is inderdaad van oordeel dat de uitbreiding van de Europese Unie het vrije verkeer van personen zal bemoeilijken tussen Kaliningrad en de rest van het grondgebied ingevolge de verplichte visaregeling van het Schengenakkoord. President Putin hecht een groot belang aan deze aangelegenheid.

De Europese Unie is bereid over dit vraagstuk te onderhandelen maar zonder een rechtstreekse band te leggen met de uitbreiding en zonder toe te geven op het beginsel van de verplichtte overname door de nieuwe Lidstaten van het communautair acquis. De Commissie stelt voor een « Facilitated Transit Document » in te stellen voor Russische onderdanen die reizen tussen Kaliningrad en het Russische moederland. Met Litouwen zal de mogelijkheid van een haalbaarheidsstudie worden besproken over de idee om « non-stop » treinen te laten rijden tussen Kaliningrad en de Russische Federatie, met vrijstelling van visaplicht voor de passagiers. Het Russische voorstel om een visavrij regime in te stellen wordt door de Unie als een lange-termijn vraagstuk beschouwd en afzonderlijk van de discussie over Kaliningrad.

België heeft zich reeds akkoord verklaard met deze benadering die het evenwicht bewaart tussen de Schengenverplichtingen voor de kandidaat-landen en de behoefte aan een pragmatische lange-termijn regeling.

iv) Voortgangsverslag over de werkzaamheden van de Conventie

De Voorzitter van de Conventie, Valéry Giscard d'Estaing, zal een tussentijds verslag uitbrengen over de stand van de werkzaamheden in de Conventie over de toekomst van de Europese Unie.

In het kader van de komende uitbreiding, is de Conventie over de Toekomst van de Europese Unie en de Intergouvernementele Conferentie die daarop zal volgen, van cruciaal belang. We moeten vermijden dat het behoud van de huidige institutionele structuur ertoe zou leiden dat een Unie met meer partners niet meer daadkrachtig kan beslissen. De uitbreiding mag immers niet tot een verzwakking of een verwatering van de Europese Unie leiden. De Conventie moet resulteren in een versterking van de communautaire instellingen en methode. De Conventie moet uiterlijk in juni 2003 een ontwerp van grondwettelijk verdrag voorleggen, waarna de Intergouvernementele Conferentie zo vlug als mogelijk van start moet kunnen gaan.

Daarbij zijn volgende elementen voor de Belgische regering van groot belang :

­ Het behoud, en zelfs de versterking, van de centrale rol van de Europese Commissie wiens initiatiefrecht niet mag worden aangetast. Verder dient de Voorzitter van de Europese Commissie te worden verkozen door het Europees Parlement, wat zijn legitimiteit zal versterken.

­ De veralgemening van de besluitvorming met gekwalificeerde meerderheid met volledig medebeslissingsrecht van het Europees Parlement.

­ Het nieuwe Verdrag moet de sociale dimensie in de algemene beginselen voor het optreden van de Unie opnemen. Anderzijds dient de eigenheid van de sociale bescherming in het Verdrag erkend worden, in het licht van de toepassing van de interne markt- en concurrentieregels.

­ De ontwikkeling van de rol van de sociale partners in de Europese « economic governance ».

­ De volledige communautarisering van de samenwerking op het vlak van justitie en politie, door middel van de fusie van de eerste en de derde pijler, waardoor de communautaire methode voor al deze beleidsdomeinen zal gelden.

­ De bredere toepassing van de communautaire methode in het Gemeenschappelijk Veiligheids- en Defensiebeleid.

­ De mogelijkheid voor een beperkte groep landen om door middel van het instrument van de vernauwde samenwerking verder te gaan inzake de Europese integratie en als dusdanig de motor te vormen van de verdere eenwording.

De Europese Raden van Brussel en Kopenhagen moeten voldoende aandacht besteden aan de stand van zaken binnen de Conventie en moeten de gelegenheid bieden om een ernstige discussie te voeren over de hierboven geschetste elementen.

B. Gedachtewisseling

De heer Ferdy Willems, volksvertegenwoordiger, vraagt of de Europese Commissie dan wel België initiatieven hebben genomen om de Turks-Cypriotische gemeenschap bij de toetredingsonderhandelingen te betrekken. Zal de toetreding van het Griekse deel van het eiland de onderhandelingen die tussen de twee gemeenschappen aan de gang zijn niet bemoeilijken ? Dreigt het Noorden geen harder standpunt in te nemen ? Dreigt Turkije niet nog meer verbitterd te zijn over het verloop van de toetredingsonderhandelingen met Cyprus ?

De spreker vraagt ook of men vanwege de Grieks-Cypriotische regering nog veel inspanningen moet verwachten in het kader van de huidige onderhandelingen over de hereniging van het eiland, aangezien de toetreding tot de Europese Unie vaststaat, zonder dat tezelfdertijd de hereniging van het eiland moet zijn verwezenlijkt.

Hoe waarborgt de toetreding van Cyprus de verkregen rechten van Griekenland en Turkije zoals die bij herhaling zijn aangegeven in de vorige akkoorden ?

Gelet op het isolement van het noordelijk deel van het eiland wijst de spreker op de valsheid van het argument dat er tussen het Noorden en het Zuiden van het eiland een te groot economisch verschil bestaat, en dat zulks de toetreding van het Noorden verhindert. Is het denkbaar dat de regering van het zuidelijk deel van het eiland optreedt als wettelijk vertegenwoordiger van de Turkse bevolking van het Noorden (15 à 20 %) zonder dat die laatste wordt geraadpleegd ?

De heer Willems vreest ook dat de angst van de Turkse bevolking om opnieuw te worden onderdrukt, zal toenemen als gevolg van de toetreding van Cyprus. Hij herinnert aan de gebeurtenissen van de jaren '60 (enosis, de Griekse junta onder leiding van Sampson, de dreiging van etnische zuivering, de EOKA-beweging). Uit Turks oogpunt worden die gebeurtenissen beschouwd als de oorzaak en de rechtvaardiging van de invasie van het eiland door het Turkse leger in 1974.

De spreker vraagt welke rol België zou kunnen spelen in het herenigingsproces van het eiland en in de erkenning van het grondrecht van de Turks-Cypriotische gemeenschap te worden betrokken bij de toetreding van Cyprus tot de Europese Unie.

Wat de toetreding van Turkije tot de EU betreft, attendeert de heer Willems erop dat dat land openlijk pro-Europees is en dat het er al sinds 1923 naar streeft om bij Europa te horen. Hij herinnert eraan dat Turkije reeds in 1959 een band had met de EEG door een samenwerkingsakkoord.

Hij merkt op dat het om een voor de Europese Unie zeer belangrijk land gaat omdat het op geografisch vlak een stabiliteitspool is. Turkije heeft het voorbije anderhalf jaar meer vooruitgang gemaakt dan de jongste 30 jaar; Spanje kan ons als voorbeeld dienen.

De Koerden voeren voorts aan dat de toetreding van Turkije, dat in 2025 het grootste land van Europa zal zijn, voor hen gunstig zou zijn. De spreker betreurt dat voor de toetreding van Turkije geen datum werd vooropgesteld en wijst erop dat ook de heer Papandreou, de Griekse minister van Buitenlandse Zaken, er voorstander van is dat voor dat land een toetredingsdatum wordt vastgesteld. De Europese Raad van Kopenhagen van december 2002 zou terzake een standpunt moeten innemen.

De heer Willems attendeert er weliswaar op dat men een aantal problemen inzake de eerbiediging van de mensenrechten niet kan doodzwijgen. Hij geeft het voorbeeld van de foltering, de religieuze onverdraagzaamheid, de pesterijen ten aanzien van de Koerden en de opsluiting van journalisten.

De heer Francis Van den Eynde, volksvertegenwoordiger, merkt op dat het niet correct is te beweren dat de Grieks-Cyprioten alles hebben verkregen : een deel van hun eiland is nog steeds bezet. Hij verwijst in dat opzicht naar de resoluties van de Europese Unie, de Raad van Europa en de Verenigde Naties.

De spreker verwijst naar het rapport 2001 van de International Council for monuments and sites en attendeert erop dat alle Griekse namen systematisch worden gewijzigd, dat vandalisme wordt gepleegd op de kerken en dat er een verboden handel in kunstwerken bestaat.

Hij herinnert er ook aan dat de EOKA-beweging tot doel had zich te verzetten tegen het Brits bestuur van het eiland.

Wat de toetreding van Turkije tot de Europese Unie betreft, stipt de heer Van den Eynde aan dat het regime van Atatürk geen toonbeeld van democratie was. Hij herinnert in dat opzicht aan de anti-Griekse pogroms en weerlegt het argument dat dit land zo snel mogelijk tot de Europese Unie moet toetreden omdat het een stabiliserende factor is in de regio. Andere landen die dicht bij de Europese Unie gelegen zijn, zijn in dat opzicht even belangrijk en zouden dus, als men dezelfde redenering volgt, eveneens tot de Unie moeten toetreden. Geografisch maakt Turkije trouwens geen deel uit van Europa.

De heer Daniel Bacquelaine, volksvertegenwoordiger, merkt op dat men zich in de communautaire geschiedenis het Deense voorzitterschap zal herinneren omdat het de onderhandelingen over het laatste hoofdstuk in verband met de uitbreiding van de Europese Unie tot een goed einde heeft gebracht.

De Unie wordt tegelijkertijd uitgediept, dankzij de werkzaamheden van de Conventie, en uitgebreid. Die uitbreiding overtreft in omvang en moeilijkheden de vorige. Een van de moeilijkheden is zopas overwonnen door de bekrachtiging van het Verdrag van Nice door Ierland.

Zelfs als die uitbreiding, in een optimistische veronderstelling, er pas zou komen net vóór de Europese verkiezingen van juni 2004, moeten de meest ingewikkelde besprekingen nog worden afgerond vóór de Top van Kopenhagen van december en moet dat plan ook worden voorgelegd aan de publieke opinies, die vaak terughoudend zijn of ver van de Europese werkelijkheid af staan. Zoals mevrouw Neyts er in de pers aan herinnerd heeft, moeten de twee facetten van de uitbreiding dringend aan de bevolking worden uitgelegd : het politiek en historisch aspect en het technisch aspect dat altijd onvolmaakt zal zijn.

De spreker heeft inzake de financiering van die uitgebreide Unie vragen over de situatie op korte en middellange termijn. De Commissie gaat ervan uit dat op korte termijn de enveloppe waarin voorzien is door het begrotingskader 2000-2006 (40 miljard euro) toereikend is tot 31 december 2006, aangezien de uitbreiding beperkter is dan gepland en met twee jaar wordt uitgesteld. Zal men uit die enveloppe putten om de financiële steun te verhogen voor Bulgarije, Roemenië en Turkije, of zal men de laatste onontbeerlijke hervormingen financieren die nog moeten worden doorgevoerd om de gebreken weg te werken waarop de Commissie in haar rapport heeft gewezen ?

Op middellange termijn, voor de periode 2007-2013, zullen nieuwe taken en een nieuwe organisatie van de Unie tot stand komen als gevolg van het sluiten van een constitutioneel verdrag : moet men geen aandacht besteden aan de financieringswijzen van de Unie (komt het trouwens de Conventie toe dat te doen ?) en meer bepaald aan de budgettaire dotaties (maximum 1,27 % van het BBP, maar in werkelijkheid 1 %) door de Staten ? De eerste minister heeft opnieuw de idee geopperd van een eigen financiering. Die idee werd tijdens ons voorzitterschap afgewezen.

De toekomstige leden van de Unie zijn de tweede exportmarkt van de Vijftien en hun groei ligt hoger dan de onze : wat mag men inzake economische groei verwachten van die uitbreiding ?

Wat zijn de vooruitzichten van de toetreding tot de euro van die tien nieuwe leden, en legt die situatie niet de nadruk op de noodzaak om de eurogroep te institutionaliseren door een versterking van zijn bevoegdheden ?

De heer Bacquelaine geeft aan dat vier van de kandidaat-lidstaten bijzondere kenmerken vertonen : Cyprus, Bulgarije, Roemenië en Turkije.

De onderhandelingen met het oog op de hereniging van het eiland zijn zopas onderbroken en er is vastgesteld dat ze mislukt zijn. Nochtans hebben de Cyprioten van het Turkse deel bij de gemeenteraadsverkiezingen massaal gestemd voor de kandidaten die voorstander zijn van een snelle hereniging van het eiland.

De heer Bacquelaine wenst preciseringen over de struikelblokken in die onderhandelingen en over de haalbaarheid van het standpunt van de Unie ingeval het diplomatiek proces mislukt : welk verband wordt gelegd tussen het toetredingsproces en het herenigingsproces van het eiland ?

Voor Bulgarije en Roemenië zal een op maat gesneden en versterkt programma worden uitgewerkt, aangevuld met een verhoogde financiering : welke concrete acties kan de Unie ondernemen om in die twee landen de vaste wil om te hervormen en om toe te treden in stand te houden ?

Turkije zou begin 2003 de volgende fase van zijn toetredingsproces kunnen aanvatten : wat is de inhoud van die fase en wat zijn de garanties van politieke ontwikkeling die zullen gepaard gaan met die vooruitgang in de toetredingsonderhandelingen ?

Hoe kan men voorkomen dat de Top van Brussel contraproductief werkt bij de Turkse verkiezingen van 3 november 2002 ?

Tot slot vraagt de spreker in verband met die drie landen of het niet opportuun zou zijn dat de Raad van Kopenhagen herhaalt dat de wil bestaat om de Unie ruimer open te stellen dan de tien eerste toetredingen.

De Europese Unie wenst een duidelijke boodschap te geven aan de landen die geen deel zullen uitmaken van de uitbreidingsgolf van 2004, maar ook aan de landen rond dat Europa met 25 : Rusland, Oekraïne, Wit-Rusland en Moldavië. Ook de mediterrane landen wachten op een hernieuwde belangstelling. Dit jaar is evenwel meer sprake geweest van de toepassing van het Schengen-acquis, van de bescherming van de grenzen en van de controle ervan door gemeenschappelijke grenswachters, dan van hulp- en uitwisselingsprogramma's. Zijn de Commissie en de lidstaten bij machte om een politieke strategie te bepalen ten aanzien van die landen, een strategie die verder gaat dan loutere verklaringen ?

Een laatste werkelijk conflictueus punt betreft de directe steun inzake landbouw, ten dele omdat sommige landen dat punt linken aan de tussentijdse aanpassing van het GLB. Wat is terzake het precieze standpunt van de Belgische regering : moet een definitieve beslissing worden genomen over de « mid-term review » van het GLB teneinde het gemeenschappelijk standpunt van de Unie inzake landbouw te bepalen, en is dat mogelijk vóór begin november ?

Ten slotte is de uitbreiding voor de Unie een politieke daad met een aanzienlijke dimensie, waarop al 12 jaar wordt gewacht. Hoe beoordeelt de eerste minister die nieuwe stap in de Europese eenwording ?

Mevrouw Fientje Moerman, volksvertegenwoordiger, merkt op dat de eerste minister in zijn uiteenzetting lang heeft stilgestaan bij de institutionele kwesties, in tegenstelling tot de twee andere punten van de agenda van de Europese Raad : de uitbreiding en de Conventie. Het is juist dat als de institutionele kwesties geregeld zijn, men over meer tijd zal beschikken om de andere agendapunten te bespreken.

Wat de uitbreiding betreft, is mevrouw Moerman verheugd over het standpunt van België, dat het voorstel van de Europese Commissie steunt om de Europese Unie daadwerkelijk met tien landen uit te breiden. Er is een « big bang » nodig want die Staten doen al zo lang aanzienlijke inspanningen en elke vertraging zou ernstige moeilijkheden veroorzaken.

Een fundamenteel probleem moet nog worden opgelost : de financiering van de EU en de hervorming van het GLB. Het is weliswaar niet gepast de uitbreiding te koppelen aan de hervorming van het GLB, maar die laatste zal naar alle waarschijnlijkheid toch noodzakelijk zijn via andere internationale fora. De spreekster vraagt dan ook of de hervorming van het GLB zal worden besproken tijdens de Europese Raad van Brussel. Zal men zich houden aan het standpunt van de Commissie terzake of zal men een grondige discussie aanvatten ?

Mevrouw Moerman merkt in verband met de Conventie op dat de uitdieping van de Unie niet langer wordt beschouwd als een absolute voorwaarde voor de uitbreiding. Ze herinnert er ook aan dat blijkbaar werd afgezien van de oprichting van een vierde instelling van de Unie, maar ze vraagt zich derhalve af waarom een dergelijk voorstel is opgenomen in een informeel verslag van een werkgroep van de Conventie, waarin gewag wordt gemaakt van de creatie van een ad hoc-instelling.

De heer Guido Tastenhoye, volksvertegenwoordiger, verwijst naar de eurobarometer en onderstreept dat de helft van de Europese burgers tegen de uitbreiding van de Europese Unie zijn. Ze krijgen slechts zelden antwoorden op hun vragen en stellen geen belang in de institutionele vraagstukken die mijlenver van hun dagelijkse zorgen verwijderd zijn. De spreker attendeert er ook op dat volgens vice-eerste minister en minister van Begroting Vande Lanotte, Europa niet sociaal genoeg is en overheerst wordt door het dogma van de mededinging en van de vrije markt te allen prijze.

Alvorens over te gaan tot wat voor uitbreiding ook, moeten tevens nieuwe regels inzake besluitvorming worden vastgesteld. De heer Tastenhoye citeert ook de heer Willy Claes, die vindt dat de uitbreiding zeker een goede zaak is maar dat ze, ondanks de vooropgestelde overgangsperiodes, te vroeg plaatsvindt gelet op de budgettaire mogelijkheden van de Unie.

Het valt te vrezen dat de uitbreiding van het type « big bang » die op stapel staat een reeks van problemen met zich brengt zoals volksverhuizingen naar het Westen en delokalisering van bedrijven naar de oostelijke landen. Die dreigen nieuwe kolonies van het Westen te worden.

Volgens de heer Tastenhoye voldoen maar drie kandidaat-lidstaten, die samen slechts 3,2 miljoen inwoners tellen, daadwerkelijk aan de toetredingscriteria (Cyprus, Malta en Slovenië). Men zal om loutere politieke redenen het licht op groen zetten voor een uitbreiding met tien landen (75 miljoen inwoners), waaronder Polen (40 miljoen inwoners), dat niet klaar is om toe te treden. Een vierde van de Poolse bevolking werkt in de landbouwsector. Volgens de spreker wenst een derde van de actieve bevolking in Polen uit te wijken naar het Westen. De kosten voor de uitbreiding kunnen worden geraamd op 40 miljard euro : welke weerslag zal dat hebben op Belgische begroting ?

De heer Tastenhoye heeft ook vragen over de kwaliteit, wat de voedselveiligheid betreft, van de landbouwproducten die zullen worden uitgevoerd naar de Staten die thans lid zijn van de Europese Unie : zal de EU garanties eisen ?

Moet ook niet worden gevreesd voor migraties van oost naar west onder de vorm van een « brain drain » (artsen, ingenieurs, verplegend personeel) ?

Zullen (inzake politiële en justitiële samenwerking) maatregelen worden genomen om de criminaliteit te bestrijden die afkomstig is van het Oosten en de massale instroom van illegalen, gelet onder meer op de nieuwe buitengrenzen van de Unie na de uitbreiding ?

De heer Mark Eyskens, volksvertegenwoordiger, wijst erop dat de uitbreiding politiek een absolute prioriteit is maar dat ze economisch zo goed als onmogelijk is. Die paradox is echter niet onoplosbaar. In de politiek moet men dat soort tegenstrijdigheden wegwerken. Er moet dus worden voorzien in voldoende lange overgangsperiodes. Hoewel de economische verschillen tussen landen zoals België en bijvoorbeeld Polen aanzienlijk zijn, moet men de kandidaat-lidstaten niet de indruk geven dat ze tweedeklasreizigers zijn in de Europese trein.

De heer Eyskens merkt in verband met de institutionele vraagstukken op dat de Conventie over de toekomst van de Unie en de intergouvernementele conferentie die erop zal volgen, de mogelijkheid zouden moeten onderzoeken om de aanvullende samenwerking in te voeren (naast de consolidatie van het bestaande instrument van de versterkte samenwerking), wat sommige Staten die in een overgangsfase verkeren de mogelijkheid zou bieden te worden betrokken bij de totstandkoming van de besluiten (« decision shaping ») maar niet bij de besluitvorming zelf (« decision making »).

De spreker is weliswaar geen voorstander van een tweede kamer op Europees niveau, maar vindt toch dat een gemengd orgaan samengesteld uit vertegenwoordigers van de nationale parlementen en van het Europees Parlement zou kunnen worden belast met het toezicht op de intergouvernementele bevoegdheden van de Unie.

Tot slot verwerpt de heer Eyskens de voorstellen die beogen de Raden van de Europese ministers open te stellen voor delegaties van nationale parlementsleden. Hoe zouden die delegaties worden samengesteld (oppositie ­ meerderheid) ? Een dergelijke formule zou in strijd zijn met het beginsel van de scheiding der machten. De Raad van ministers moet veeleer een minder wetgevende functie krijgen en de wetgevende bevoegdheden van het Europees Parlement moeten worden versterkt.

Wat het financieel en budgettair aspect betreft, haalt de spreker het adagium « no representation without taxation » aan. Hij suggereert dat het financieel kader van de Unie wordt aangepast : het Europees Parlement zou een Europese belasting moeten kunnen heffen, bijvoorbeeld op de benzine, wat een aanzienlijke bron van inkomsten zou zijn.

In verband met het stemmen met gekwalificeerde meerderheid en de blokkerende minderheid in de Raad, verhinderen de voorgestelde oplossingen weliswaar dat drie grote Staten op om het even welk ogenblik een blokkerende minderheid hebben (er is een vierde Staat nodig), maar de heer Eyskens is toch voorstander van de afschaffing van de demografische toetsing want als die wordt toegepast zouden drie Staten het vereiste percentage kunnen hebben (ten aanzien van de totale bevolking van de Unie) om een met gekwalificeerde meerderheid genomen beslissing te blokkeren.

De spreker is, evenmin als de eerste minister, voorstander van de benoeming van een voorzitter van de Raad. Die idee vindt echter meer en meer ingang bij de Conventie. De voorzitter van de Commissie dreigt in de schaduw te komen van de voorzitter van de Raad. Indien men opteert voor een verkozen voorzitter van de Raad moet die op voet van gelijkheid staan met de voorzitter van de Commissie.

Voor de controle van de subsidiariteit zou kunnen worden gedacht aan een oplossing waarbij de nationale parlementen een controle uitvoeren ex ante, indien 1/3 van hen beslist een dossier naar de Commissie te verwijzen.

De heer Eyskens attendeert er ook op dat men niet uit het oog mag verliezen dat er naast de « neerwaartse » subsidiariteit ook een « opwaartse » subsidiariteit bestaat (van de lidstaten naar het Europees niveau).

Mevrouw Marie Nagy, senator, brengt een aantal problemen te berde die zouden kunnen verergeren als gevolg van de uitbreiding van de Europese Unie vanaf 2004.

Het is weliswaar niet wenselijk de toetreding uit te stellen van de tien kandidaat-lidstaten die klaar zijn voor de toetreding in 2004, maar men moet er zich toch van bewust zijn dat een aantal problemen nog moeten worden opgelost. Zo worden voor de Europol-overeenkomst de beslissingen eenparig genomen, wat een oorzaak is van onmacht en ondoeltreffendheid in het kader van een Europees politioneel beleid. Er is in dit stadium nog geen duidelijke wil om het besluitvormingsproces in Europol te wijzigen (vervanging van de stemming bij eenparigheid door de stemming met gekwalificeerde meerderheid bijvoorbeeld). De uitbreiding van de EU vanaf 2004 dreigt ook de moeilijkheden te verergeren in verband met het fiscaal beleid van de Unie (waarvoor de eenparigheid eveneens vereist is).

De spreekster vraagt zich ook af hoe de Conventie, de IGC, de verkiezingen voor het Europees Parlement in 2004, het toetredingsproces van de nieuwe lidstaten en de bekrachtiging van de toetredingsverdragen zich tegenover elkaar verhouden.

Wat het budgettair aspect van de uitbreiding betreft, zijn bijkomende financiële middelen nodig, wat wellicht de aanwending van eigen middelen zal vereisen. Thans telt elke lidstaat na wat hij aan de EU geeft en wat hij van de EU krijgt. Zo wenst Duitsland een grondige wijziging van de financiering van het GLB omdat het niet langer een land met een netto-betaler van het GLB wenst te zijn.

Mevrouw Nagy heeft ook vragen over de kwaliteit van de landbouw in Europa en over de zelfvoorziening van de EU inzake levensmiddelen.

De spreekster neemt als plaatsvervangend lid van de Belgische Senaat deel aan de werkzaamheden van de Conventie over de toekomst van Europa en merkt in dat verband op dat ze niet de indruk heeft dat men evolueert naar een meer communautair en minder intergouvernementeel Europa, noch naar meer samenhang op institutioneel vlak. De voorstanders van een intergouvernementeel Europa hebben thans blijkbaar de bovenhand op de, meer verspreide, voorstanders van een meer communautair Europa. Is de voorzitter van de Conventie, de heer Giscard d'Estaing, de heimelijke pleitbezorger van de intergouvernementele methode ?

De heer Dirk Van der Maelen, volksvertegenwoordiger, pleit voor een politieke Unie en een sociaal Europa, dat minder zou worden beheerst door het principe van de mededinging, dat thans tot een echt dogma wordt verheven. De werkzaamheden van de Conventie zullen in dat opzicht beslissend zijn.

In de kandidaat-lidstaten neemt de armoede toe. In het uitgebreide Europa zullen meer mensen onder de armoedegrens leven. De ouderen en de gepensioneerden lijden het meest omdat de meeste van hun dagelijkse behoeften niet meer ten laste worden genomen zoals voorheen. Het huidig BNP van Polen, Hongarije en Slovenië is hetzelfde als dat van vóór 1989. Het Europees sociaal model zal moeten worden uitgebreid tot de tien en vervolgens twaalf nieuwe Staten die zullen toetreden tot de Unie.

Indien de werkzaamheden van de Conventie niet uitmonden in een echte verdieping van de Europese Unie, moet worden gevreesd dat die niet kan functioneren en dat ze niet op een doeltreffende wijze beslissingen zal kunnen nemen als ze 25 leden zal tellen. Dat zou een echte institutionele verzwakking van de Unie zijn. Die mag zich in geen geval beperken tot een grote interne markt op grond van de intergouvernementele samenwerking. Dat is niet het Europa dat de Vlaamse socialisten wensen.

Er is nog steeds geen oplossing voor belangrijke problemen in verband met de veterinaire en fytosanitaire controle, de staatssteun en de latere financiering van de EU.

De Europese Raden van Brussel en van Kopenhagen zijn kansen die moeten worden gegrepen om Europa te remodelleren in de door de Vlaamse socialisten gewenste zin.

Inzake de door de Europese Commissie gewenste permanente monitoring van de kandidaat-lidstaten voor de toetreding in 2004, merkt de heer Van der Maelen op dat die monitoring strikt moet worden toegepast en dat die geenszins mag leiden tot een afremming van het uitbreidingsproces. Hij vraagt zich dan ook af hoe de Commissie die regeling denkt toe te passen en welke sancties ze eventueel gaat opleggen.

Wat ten slotte de financiering van de EU betreft, onderstreept de spreker dat men verder moet kijken dan het jaar 2006. De landbouw slorpt nu reeds een onevenredig groot deel van de Europese begroting op. Ofwel moeten die budgettaire middelen worden opgevoerd, ofwel moet men in nieuwe marges binnen de bestaande begroting voorzien.

Ook de heer Danny Pieters, volksvertegenwoordiger, verheugt zich over de nakende uitbreiding van de Europese Unie, maar onderstreept daarbij wel dat de Europese instellingen klaar moeten zijn om met de nieuwe lidstaten te werken. De grote politieke bewegingen zouden terzake duidelijke standpunten moeten innemen.

In verband met de vraag van Tsjechië en Hongarije om hun aantal zetels in het Europees Parlement te doen overeenstemmen met hun bevolking (22 zetels in plaats van 20), preciseert de spreker dat het Verdrag van Nice daarvoor niet hoeft te worden gewijzigd. Men kan die wijziging in de toetredingsverdragen opnemen. Omzichtigheid blijft evenwel geboden als men wil ingrijpen in de bestaande evenwichten waartoe in Nice werd beslist.

De heer Pieters went tevens dat men zich soepeler zou opstellen ten opzichte van de evolutie van de drempel voor de gekwalificeerde meerderheid. De overgangsmaatregelen terzake zijn immers gebaseerd op de toetreding van telkens tien landen. Een groot aantal van die landen zal evenwel referenda over hun toetreding tot de EU organiseren.

Wat het pijnpunt van de Russische enclave Kaliningrad betreft, onderstreept de heer Pieters dat de beste oplossing erin bestaat de toestand op grond van de opgedane ervaring te reëvalueren. Het is dus zaak pragmatisch te handelen en ook rekening te houden met de situatie waarin de Litouwers zich bevinden.

Inzake de overgangsperiodes met betrekking tot het vrij verkeer van uit de nieuwe lidstaten afkomstige personen, vraagt de heer Pieters zich af in welke mate iedere lidstaat die dat wenst, de duur van de overgangsperiodes zal kunnen verlengen. Zo wenst België de overgangsperiode met twee jaar te verlengen en Nederland niet. Quid met de Poolse of Hongaarse werknemers die na zich vrij te hebben kunnen verplaatsen in Nederland aan de Belgische grens tot staan worden gebracht ?

De spreker gaat vervolgens in op het taalgebruik in de Europese Unie, waarover hij een bijdrage heeft ingediend bij de Conventie over de toekomst van Europa. Hij wenst dat België terzake een initiatief zou nemen.

Hij vraagt de eerste minister tevens een aantal preciseringen over de wens van ons land om de rol van de sociale partners op Europees vlak te versterken.

Ten slotte vraagt de heer Pieters zich af of de Belgische regering de door de vice-eerste minister en minister van Begroting Vande Lanotte geopperde twijfel deelt omtrent de huidige evolutie van de Europese Unie, die onvoldoende rekening houdt met de sociale dimensie, maar al te zeer zou zijn beheerst door de vrije markt en door het dogma van de keiharde concurrentie. Deelt de regering dat standpunt en betreft het een voorwaarde die voorafgaand aan enige uitbreiding vervuld moet zijn ?

Mevrouw Fauzaya Talhaoui, volksvertegenwoordiger, merkt op dat de Agalev-Ecolofractie onverkort achter het uitbreidingsproces van de Unie staat. Zij verklaart ronduit optimistisch gestemd te zijn omtrent de door een van de vorige sprekers geformuleerde vrees inzake de migraties tussen Oost en West. Ze vraagt zich af of de Europese Commissie, in het perspectief van de integratie, een evaluatierapport over de migratiestromen heeft uitgewerkt. Een soortgelijk rapport zou het mogelijk maken om op een objectieve manier aan te tonen dat wie die oncontroleerbare migratiebewegingen in uitzicht stelt, zich vergist. De terzake opgedane ervaring na de uitbreiding van de EU met landen als Spanje, Portugal of Griekenland bijvoorbeeld, leert ons het tegenovergestelde.

Roemenië, Bulgarije maar ook Turkije zouden een grotere financiële steun moeten ontvangen in het raam van het pretoetredingsfonds. Bulgarije en Roemenië moeten worden geholpen om de aan hun toetreding gekoppelde criteria (de criteria van Kopenhagen) optimaal te vervullen. Met Turkije zijn de toetredingsonderhandelingen nog niet opgestart, maar mevrouw Talhaoui vraagt zich toch af wat België op bilateraal vlak zou kunnen doen om dat land te helpen om die criteria na te komen.

De heer Herman De Croo, Kamervoorzitter, wijst erop dat de Europese eenmaking in de eerste plaats een bron is van vrede, veiligheid en gedeelde welvaart.

De uitbreiding met tien nieuwe landen in 2004 moet tegen die achtergrond worden bekeken. De parlementaire aanpak van de Europese eenmaking brengt soms een vrij verrassende paradox aan het licht : de bevoegdheden van de goed bij het publiek bekende nationale parlementen slinken almaar, terwijl die van het Europees Parlement, dat de burgers minder goed kennen, in tal van domeinen worden versterkt. De burgers pleiten evenwel almaar meer voor een meer zichtbaar Europa, dat dichter bij de dagdagelijkse leefwereld van haar burgers staat. Als de kloof tussen de burgers en de politiek almaar groter wordt, is dat inzonderheid te wijten aan het feit dat de politieke actie op Europees vlak minder in beeld komt.

In verband met de vraag tot toetreding van Turkije tot de EU, merkt de Kamervoorzitter op dat dit land zich op een dubbele grenslijn bevindt : een geografische (tussen Europa en het Oosten) en een religieuze : de EU is immers doordrongen van de joods-christelijke traditie, terwijl dat voor Turkije niet het geval is. De EU zou evenwel aan geloofwaardigheid inboeten, mocht zij Turkije niet op dezelfde manier behandelen als de overige kandidaat-lidstaten.

C. Antwoorden van vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken, de heer L. Michel

Aangezien eerste minister Verhofstadt de vergadering moest verlaten, beantwoordde vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken Michel de vragen en opmerkingen van de leden.

Met betrekking tot de Conventie merkt de vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken op dat hij eerlang bij het parlement verslag zal uitbrengen over de werkzaamheden van de Conventie. Er mag zo weinig mogelijk tijd worden gelaten tussen het einde van de werkzaamheden van de Conventie en de start van de IGC. De IGC moet de voorstellen van de Conventie snel bespreken, zoniet gaat het creatief en dynamisch « psychologisch » voordeel van de Conventie verloren. Zulks zou de teleurstelling onder eurofielen aanwakkeren, en de eurosceptici een aanleiding verschaffen voor achterhoedegevechten.

In verband met de uitbreiding herinnert hij eraan dat er geen sprake van kan zijn het lidmaatschap van Cyprus te laten afhangen van de hereniging van het eiland, want dat zou erop neerkomen dat Turkije een vetorecht krijgt. Niettemin leeft de hoop dat onder het toezicht van de Verenigde Naties een akkoord wordt bereikt over de hereniging van het eiland.

Geen enkele datum werd vooropgesteld inzake de aanvang van de onderhandelingen over de Turkse toetreding, maar dat land moet wel worden aangemoedigd en gesteund. Het COREPER heeft op zijn jongste vergadering niet nagelaten de door Turkije geboekte vooruitgang te onderstrepen.

De uitbreiding brengt weliswaar kosten mee, maar ze moeten worden vergeleken met wat het zou kosten ­ onder meer op sociaal vlak ­ mocht geen uitbreiding plaatsvinden. De uitbreiding is dus een bij uitstek sociaal gebeuren, dat zonder twijfel de welvaart zal verhogen.

Het is fout te beweren dat de uitbreiding meer armoede zou kunnen veroorzaken. De bezorgdheid terzake is natuurlijk wel gewettigd, maar de ervaring met bijvoorbeeld Griekenland en Spanje toont het tegendeel aan. Het sociaal beleid zal ook in de nieuwe Lidstaten tot ontwikkeling komen, dankzij hetgeen minister Michel bestempelt als « contamination culturelle et de proximité » (een soort opwaarderingseffect ingevolge culturele affiniteiten en samenhorigheid).

De toetreding van tien nieuwe leden kan worden gefinancierd in het kader van de in Berlijn bepaalde enveloppe, ten minste toch in een eerste fase. België steunt het voorstel van de Commissie terzake. Het is duidelijk dat snel een oplossing moet worden gevonden voor de financiering na 2006. De meest realistische manier daartoe is zonder twijfel eerst het GLB hervormen en vervolgens het financieringsvraagstuk regelen. Indien de ontvangsten worden verhoogd door bijvoorbeeld nieuwe financieringsmethoden in te stellen, dreigt het GLB gewoonweg niet te worden hervormd. Sommige Staten zouden dan ook geneigd kunnen zijn het GLB opnieuw te nationaliseren, zulks met het subsidiariteitsbeginsel als argument.

Gelet op de twijfels bij een deel van de bevolking omtrent de uitbreiding van de EU, zowel in de Vijftien als in de kandidaat-lidstaten, zal de nodige informatie moeten worden verstrekt, waarbij de monitoring-werkzaamheden van de Europese Commissie de volle steun krijgen. In Europa is geen sprake van een echt democratisch deficit, maar wel van een deficit inzake opinievorming, pedagogische aanpak en engagement.

De Europese Commissie heeft een raming gemaakt van de impact van de uitbreiding op de immigratie. Het is duidelijk dat die impact niet heel groot zal zijn (ten hoogste 350 000 mensen), en dat hij des te beperkter zal zijn omdat de bevolking van de nieuwe lidstaten de vooruitzichten in eigen land ziet verbeteren.

Minister Michel is het eens met het standpunt van de heer Eyskens, met name dat de nationale parlementen, in voorkomend geval bijgestaan door juristen, het subsidiariteitsbeginsel in acht moeten nemen en het nodige toezicht moeten uitoefenen. Hij onderstreept in dat verband dat een minimumgrens van één derde instellen tot mislukking zal leiden, aangezien zulks erop zou neerkomen dat « filibusteren » wordt geïnstitutionaliseerd.

Met betrekking tot de institutionele vraagstukken is de heer Michel niet te vinden voor de verkiezing van een voorzitter van de Raad met een grotere legitimiteit dan de voorzitter van de Europese Commissie. Die verkiezing geniet binnen de Conventie steeds ruimere steun en zou Europa een gezicht verschaffen, maar zou er uiteraard ook toe leiden dat een bijkomende invloedrijke intergouvernementele werkstructuur wordt opgericht en dat de macht van de Commissie verzwakt. Inzake de hervorming van de besluitvormingsprocedures onderstreept de vice-eerste minister dat over meer materies bij gekwalificeerde meerderheid dient te worden gestemd, en dat vaker een beroep moet worden gedaan op versterkte samenwerking, vooral nu een Europa met 25 leden in het verschiet ligt.

Tot besluit merkt minister Michel op dat de uitbreiding een kennelijk veelbelovende evolutie is, die een nieuwe stimulans vormt om te bouwen aan een politiek én sociaal Europa.

Voor het overige is het onontbeerlijk het Europees model te promoten; dat model is immers het meest geschikte om tegemoet te komen aan de bezorgdheid die de mondialisering wekt.

Het is overigens jammer dat op EU-niveau geen « Sociale Top » bestaat, anders gesteld een topontmoeting waarop de ministers van Sociale Zaken op gelijke voet met de ministers van Buitenlandse Zaken en van Financiën zouden deelnemen aan de werkzaamheden van de staats- en regeringsleiders. Op dit ogenblik is de politieke invloed van de Ecofin-raad te groot.

DEBRIEFING OVER DE EUROPESE RAAD VAN BRUSSEL

A. Uiteenzetting door de heer Guy Verhofstadt, eerste minister

De Europese Raad heeft een mondeling verslag gehoord over de werkzaamheden van de Conventie van de heer Giscard d'Estaing, die eveneens een schema van grondwettelijk verdrag heeft voorgesteld. Vanaf 2003 zal de Conventie zich buigen over de inhoud van dit verdrag. Over een aantal punten stelde de heer Giscard d'Estaing een consensus vast in de Conventie : rechtspersoonlijkheid voor de Unie, afschaffen van het pijlersysteem, de rol van de nationale parlementen (met name instelling van een « early warning » mechanisme in het kader van de subsidiariteitscontrole).

Wat betreft het voorstel voor de oprichting van een Congres, dat zou zijn samengesteld uit nationale en Europese parlementsleden, was de eerste minister van mening dat eerst moet gewerkt worden aan een versterking van het Europees Parlement (door middel van een uitbreiding van het medebeslissingsrecht). Over de Conventie heeft de premier in de Europese Raad een gezamenlijk Benelux-standpunt voorgesteld (1). De Benelux-lidstaten wensen de communautaire methode te versterken. Ook werd aangegeven op welke vlakken nog verdere vooruitgang moet worden geboekt (versterking van de legitimiteit van de Commissie, uitbreiding van de stemming bij gekwalificeerde meerderheid, veralgemening van het medebeslissingsrecht van het Europees Parlement, communautarisering van de derde pijler (JBZ), ontwikkeling van een echt sociaal beleid, intensivering van het buitenlands en veiligheidsbeleid).

Wat het institutionele debat betreft, moet vermeden worden dat dit wordt toegespitst op een debat alleen over de voorzitter van de Europese Unie (cfr. de voorstellen van de heren Aznar, Blair en Chirac voor een sterke, verkozen voorzitter van de Europese Raad). Belangrijk is niet te weten wie de boodschap brengt, maar wat de inhoud van de boodschap is. Toch heeft het institutionele debat belang en de Benelux zal op dat vlak voorstellen doen die het debat nieuwe impulsen moet geven.

De uitbreiding van de Unie was het tweede grote thema van de Europese Raad. Opdat tijdens de volgende Europese Raad (12-13 december te Kopenhagen) een beslissing zou kunnen worden genomen over de toetreding van 10 nieuwe lidstaten, was het noodzakelijk dat in Brussel overeenkomst zou worden bereikt onder de 15 huidige lidstaten over het financiële kader. Positief is dat een vermenging van de discussie over de financiering van de uitbreiding en de noodzakelijke hervorming van het landbouwbeleid is vermeden. Wat dat laatste betreft moeten volgens de premier vooral de Europese exportsubsidies verdwijnen omdat ze uiterst nadelig zijn voor de plaatselijke landbouwmarkten in de landen van de derde wereld.

Belangrijk was dat men tot een financieringsmechanisme voor de landbouw zou komen dat na de uitbreiding niet zou leiden tot een explosie van de landbouwuitgaven. Concreet betekent dit dat de landbouwers van de nieuwe lidstaten zullen kunnen genieten van rechtstreekse inkomenssteun die in 2004 25 % zal bedragen van de geldende regeling voor de huidige lidstaten. Die steun zal oplopen tot 30 % in 2005, tot 35 % in 2006 en tot 40 % in 2007.

De volgende jaren zal de steun toenemen met 10 % per jaar zodat de nieuwe lidstaten in 2013 dezelfde steun kunnen genieten als de huidige lidstaten. Daarnaast komt er een algemene rem op de landbouwuitgaven van de Unie. Tot 2006 zal het financiële kader zoals afgesproken in Berlijn in 1999 strikt worden nageleefd. Van 2007 tot 2013 zullen de nominale landbouwuitgaven met niet meer dan 1 % per jaar mogen toenemen (2). Dit neemt echter niet weg dat het landbouwbeleid op zich grondig moet worden hervormd. In dit verband werd ook door de heer Giscard d'Estaing het Belgische idee van directe financiering van de EU aangehaald. Dit zou het mogelijk maken om de politieke discussie tussen netto-betalers en netto-ontvangers te vermijden. Terloops merkte de heer Verhofstadt op dat België vanaf 2004 netto-betaler zal worden.

De Europese Raad heeft zich eveneens over de problematiek van Kaliningrad gebogen. Er zal op 11 november een top EU-Rusland plaatshebben die dit onderwerp zal aansnijden. Er liggen een aantal oplossingen op tafel om de transit voor Russische staatsburgers tussen de Kaliningrad-enclave en Rusland te vergemakkelijken.

Voorts werden de betrekkingen tussen de EU en de NAVO in het kader van de uitvoering van een Europese veiligheids- en defensiebeleid besproken. Er is een globaal akkoord bereikt over het gebruik door de EU van NAVO-middelen. De secretaris-generaal/hoge vertegenwoordiger van de EU werd gemandateerd om een akkoord te bereiken over de laatste details. Dit moet snel gebeuren zodat de EU in december, bij het aflopen van het NAVO-mandaat inzake Macedonië (Amber fox), deze operatie kan overnemen. Indien geen akkoord met de NAVO kan worden bereikt, is de Belgische regering van mening dat de EU alleszins deze operatie moet overnemen.

Tot slot verwijst de premier naar een bijlage bij de Conclusies van het voorzitterschap (3) dat een concrete oplossing biedt voor een aantal institutionele vraagstukken die in het Verdrag van Nice aan bod kwamen (zetelverdeling in het Europees Parlement en stemmengewicht van de lidstaten in de Raad).

B. Vragen en opmerkingen van de leden

De heer Mahoux, voorzitter van het Federaal Adviescomité voor de Europese Aangelegenheden, is verheugd over het feit dat de Benelux de communautaire methode wenst te versterken. De voorzitter haalt hierbij twee thema's aan die uitgebreid in de pers aan bod zijn gekomen : de voorzitter van de Raad en het Congres. Wie de voorzitter is van de Raad, is niet enkel een vormelijke kwestie. Zaak is niet zozeer te weten « wie er aan de telefoon hangt met president Bush », maar wel het institutionele evenwicht te bewaren tussen het Europees Parlement, de Commissie en de Raad.

Wat het Congres betreft, moet men beseffen dat de meeste lidstaten gekant zijn tegen de oprichting van bijkomende instellingen. Toch lijkt het vanzelfsprekend dat een systeem gevonden moet worden om na te gaan of de Unie het subsidairiteitsbeginsel naleeft. Het is niet absoluut nodig daarvoor het Congres op te richten. Er bestaan trouwens al structuren waarbinnen de nationale parlementen en het Europees parlement elkaar geregeld ontmoeten.

De heer Mahoux heeft duidelijk gemerkt dat de politieke wil bestaat om de uitbreiding tot een goed einde te brengen. Door de uitbreiding los te koppelen van de financiële problemen en de landbouwkwesties, werd een patstelling vermeden. Toch blijven de begroting en de hervorming van het landbouwbeleid uiterst belangrijk.

Bij de uitbreiding moet de door de Commissie voorgestelde methode gevolgd worden, net als bij de monitoring van de nieuwe lidstaten na hun toetreding.

De heer Mahoux vraagt dat Bulgarije en Roemenië niet zouden worden onderworpen aan nieuwe toetredingsvoorwaarden en dat de hulp vóór de toetreding wordt verhoogd, zodat deze twee landen niet te veel achterstand op de tien andere kandidaten oplopen.

De heer Eyskens, kamerlid, waarschuwt voor de idee van de heer Giscard d'Estaing om een voorzitter voor de Europese Raad in te stellen. Die voorzitter zal zich ongetwijfeld gedragen als de president van de Unie, mede geholpen door de hoge visibiliteit die deze functie zal hebben. Dit zal nefast zijn voor de evenwichten in de Unie. Hoe kunnen deze evenwichten behouden worden ? De heer Eyskens acht het belangrijk dat de dualiteit van de Unie (communautair ­ intergouvernementeel) wordt overstegen door bijvoorbeeld de voorzitter van de Commissie en de secretaris-generaal/hoge vertegenwoordiger van de Raad elk gedurende een bepaalde periode (bijvoorbeeld gedurende een halve Europese legislatuur) de Raad te laten voorzitten. Daarnaast mag het voorzitterschap van de lidstaten niet uitgesloten worden. Het zesmaandelijks voorzitterschap kan vervangen worden door een trojka-formule waardoor de lidstaat gedurende 18 maanden Raadsvoorzitter is, onder leiding van een coördinator. Verder is het heel belangrijk dat het principe van de scheiding der machten wordt gerespecteerd. Het Europees Parlement moet op termijn de volledige wetgevende macht krijgen. Dit kan bereikt worden door nu reeds een dynamiek te creëren waarbij het Europees Parlement in bepaalde materies over een evocatierecht beschikt wanneer een dossier in de Raad geblokkeerd is.

Wat het landbouwbeleid betreft, heeft de heer Eyskens twijfels over de haalbaarheid van de voorgestelde cijfers, die hij beschouwt als zijnde minima. Wordt zo niet de poort geopend naar een hernationalisering van het GLB ?

Verder heeft het lid nog vragen bij de uitbouw van het Europees veiligheids- en defensiebeleid en bij de toekomstige relaties tussen de EU en Turkije.

De heer Danny Pieters, kamerlid, steunt de idee van de Premier om een derde weg inzake de toekomst van de Unie te zoeken en aldus de stem van de euro-enthousiasten te doen horen. Nu er in de Conventie een skelet van nieuw verdrag ter tafel ligt, moet alle aandacht gaan naar de inhoud van het verdrag. We mogen ons niet laten afleiden door de discussie over een voorzitter van de Unie. De heer Pieters vraagt met name aandacht voor de opname van het Handvest van de Grondrechten van de Unie in het verdrag en voor de structuur van het verdrag (wordt het een verdrag uit één geheel of zal het verdrag bestaan uit 2 delen waarbij het meer technische deel, dat gemakkelijker wijzigbaar zal zijn, gescheiden wordt van het meer fundamentele deel ?). Inzake de uitbreiding meent het lid te begrijpen dat er wat betreft het vrij verkeer een overgangsfase van drie jaar voor alle lidstaten wordt ingelast na toetreding. Nadien kan die overgangsfase per lidstaat verlengd worden. De heer Pieters waarschuwt voor moeilijkheden mocht deze getrapte aanpak realiteit worden.

De heer Dehousse, Europees parlementslid, is verheugd over de resultaten van de top, maar vraagt zich af of zij volstaan om de burger gerust te stellen en om het hoofd te bieden aan de onrustwekkende internationale toestand.

Hij meent dat er, in plaats van over de voorzitter, beter meer kan worden gesproken over « het voorzitterschap ». Dankzij het begrip trojka kan de discussie onttrokken worden aan het persoonsgebonden aspect en kan een oplossing worden gevonden. Het is zorgwekkend dat de begroting na het jaar 2006 een vage zaak blijft. De Commissie meent dat de instellingen van de Unie sterk genoeg zijn om het hoofd te bieden aan de corruptie die in de kandidaat-lidstaten bestaat. Is dit vertrouwen gegrond ?

Naast de huidige kandidaat-lidstaten bereiden ook andere landen zich voor om zich kandidaat te stellen voor het lidmaatschap van de EU. De Conventie schijnt echter niet te beseffen dat men het nu reeds heeft over een Unie van 40 lidstaten. Zij blijft bij haar voorstellen voor de hervorming van de Unie uitgaan van 25 tot 27 lidstaten.

De heer Lozie, senator, vraagt of er inzake Turkije scenario's zijn uitgewerkt die toelaten dat de Unie de toestand op het vlak van de toetreding en op het vlak van de evaluatie van de binnenlandse politieke toestand op de voet kan volgen ?

De senator hoopt dat het landbouwbeleid niet enkel besproken wordt in budgettaire termen en dat de financiële moeilijkheden aanleiding zullen zijn om het landbouwbeleid fundamenteel te herzien. Er moet gezorgd worden voor de afbouw van de overschotten en er moet meer aandacht komen voor ecologisch verantwoorde productie die de volksgezondheid vrijwaart. Is er voldoende politieke wil aanwezig in de Europese Raad om het financieel aspect te overstijgen en ook te praten over inhoudelijke en structurele veranderingen in het landbouwbeleid ?

De heer Goris, kamerlid, vraagt of na de recente verkiezingen in Turkije, dat land zich constructiever zal opstellen in de besprekingen tussen de EU en de NAVO waar, in het kader van de operationalisering van het Europees veiligheids- en defensiebeleid, afspraken moeten worden gemaakt over het gebruik door de EU van NAVO-middelen. Wat de overname door de EU van de NAVO « Amber Fox » operatie in Macedonië betreft, vraagt het lid of de EU zal kunnen rekenen op NAVO-steun op het vlak van Command, Control en Intelligence. Wie zal de leiding nemen in deze operatie (het Verenigd Koninkrijk wordt genoemd) en zal België een bijdrage leveren ?

De heer Willems, kamerlid, vraagt aandacht voor de toestand van de Noord-Cypriotische gemeenschap. Verder is hij van mening dat de toetreding van Turkije tot de EU de beste waarborg biedt opdat dat land een positieve ontwikkeling zou kennen op vlak van respect van mensenrechten, bescherming van minderheden en de economische toestand mits dat land zijn goedgekeurde wetgeving ook daadwerkelijk toepast.

C. Repliek van de eerste minister

Inzake de Conventie werkt de premier samen met de heer Dehaene, vice-voorzitter van de Conventie en de minister van Buitenlandse Zaken aan een « derde weg ». Er zal daarover ook overleg zijn binnen de schoot van de regering en met de Belgische leden van de Conventie. Begin december zou dan ook overleg met het parlement daarover plaatshebben. Bilaterale contacten (Duitsland, Benelux, Portugal) staan ook op stapel. Het moet mogelijk zijn om een logisch institutioneel kader uit te tekenen dat de basisevenwichten respecteert, waarin de Commissie een grote rol speelt, en dat werkbaar is voor een Unie van zowel 25 als 40 lidstaten. De premier verwijst naar zijn eerdere opmerkingen over het Congres en herhaalt zijn twijfels daarover.

Naar aanleiding van de opmerkingen over het landbouwbeleid stelt de eerste minister dat in 2007 niet alleen over het landbouwbeleid zal worden gesproken maar ook over de structuurfondsen, de bijdragen van de lidstaten, de directe financiering van de Unie, ... Er zal met andere woorden een geheel van maatregelen op de onderhandelingstafel liggen. Op de Europese Raad werd alleen voorkomen dat de uitbreiding tot een explosie zou leiden van de uitgaven voor één element in dat geheel.

Voor de premier is het evident dat België een bijdrage zal leveren aan de EU-inspanningen voor de overname van de Amber Fox operatie. Recent werd door de ministerraad beslist om de Belgische deelname aan de internationale operaties opwaarts te herzien (Congo, Soedan, Afghanistan, Macedonië). België zal trouwens de oprichting van een NAVO-interventiemacht (21 000 troepen) slechts goedkeuren als deze manschappen eveneens in aanmerking komen voor de interventiemacht in het kader van het Europees veiligheids- en defensiebeleid. De volgende 5 à 10 jaar zal defensie trouwens een van de topprioriteiten van de Unie worden. Belangrijk is niet zozeer een verhoging van de nationale middelen die aan defensie worden besteed, maar eerder een beter gebruik van die middelen. De defensiebudgetten van de EU-lidstaten bedragen 60 % van het VS-defensiebudget. De « output » bedraagt echter maar 10 %. Het is belangrijk dat deze verhouding wordt verbeterd.

Inzake Turkije zal de toestand van nabij worden opgevolgd. Turkije moet aangemoedigd worden om verdere hervormingen door te voeren en de toenadering tot de EU te versterken. Voor Bulgarije en Roemenië werd op vraag van België 2007 als indicatieve datum van toetreding vastgelegd. De toetreding van Cyprus staat los van de evolutie van de toestand tussen de twee gemeenschappen van dat land.

Op de vraag van de heer Pieters bevestigt de premier dat er eerst een gezamenlijke overgangsfase is van 2 jaar; daarna kan elke lidstaat die verlengen met 3 jaar en nadien nogmaals met 2 jaar. Dit is een compromis dat na druk van Duitsland en Oostenrijk reeds begin dit jaar werd bereikt. Hij is het met het lid eens dat deze problematiek internationaal moet worden bekeken en dat na de eerste twee jaar tussen buurlanden (en in het bijzonder in het hart van Europa : Duitsland, Frankrijk, Benelux) afspraken moeten worden gemaakt om negatieve afgeleide effecten tussen landen binnen de Unie te vermijden.

De voorzitters-rapporteurs, Les présidents-rapporteurs,
Philippe MAHOUX (S)
Herman DE CROO (Ch)

BIJLAGE 1


CONVENTIE OVER DE TOEKOMST VAN EUROPA

TUSSENKOMST VAN EERSTE MINISTER
GUY VERHOFSTADT NAMENS DE BENELUX

Ik dank Voorzitter Giscard d'Estaing voor zijn verslag over de stand van de werkzaamheden van de Europese Conventie.

Ik houd deze tussenkomst vanavond namens de drie Beneluxlanden.

De Europese Conventie en de daaropvolgende IGC zullen uiteraard een groot belang en een grote verantwoordelijkheid hebben in het licht van de uitbreiding, wat het middelpunt is van onze agenda.

Zij zullen erover moeten waken dat de uitbreiding op termijn niet leidt tot een verzwakking of verwatering van het Europese project, maar dat ze daarentegen de samenhang van het continent verstrekt.

Deze doelstelling maakt het voor de Benelux noodzakelijk dat de communautaire methode niet alleen gevrijwaard, maar nog verstrekt wordt. Deze methode lijkt immers de beste garantie opdat een Unie van 25 of meer lidstaten in staat blijft om efficiënt en resoluut te beslissen.

De legitimiteit van de Commissie moet in dit opzicht versterkt worden. Inzake wetgevende aangelegenheden zouden de stemming bij gekwalificeerde meerderheid en de medebeslissingsprocedure moeten veralgemeend worden. De politionele en strafrechtelijke samenwerking zouden moeten vergemeenschappelijkt worden. De opdrachten van de Europese Unie zouden moeten worden verduidelijkt en de sociale dimensie zou erin moeten geïntegreerd worden. Het buitenlands, veiligheids- en defensiebeleid zou door middel van de gemeenschappelijke actie verder moeten worden uitgewerkt.

Een aantal van deze vragen werden, samen met andere, reeds besproken binnen de Conventie. Een diepgaandere analyse werd aangevat door de werkgroepen. Wij wachten met belangstelling hun conclusies af. De voorstelling, volgende week, van een eerste structuur van grondwettelijk verdrag zal de werkzaamheden ongetwijfeld doen versnellen.

Wij zijn voorstander van een sterke communautaire oriëntatie voor dit grondwettelijk verdrag.

Deze oriëntatie vormt één van de tastbare bewijzen van de gegrondheid van de methode die werd overeengekomen op de Europese Raad van Laken. Een ontwerp van grondwettelijk verdrag zal echter maar relevant zijn als het de Unie ook leefbare en doeltreffende oplossingen biedt. Het institutionele vraagstuk is in dit verband van cruciaal belang. Het zal van de Conventie en van het presidium een doorslaggevende handigheid vereisen om tot voorstellen te komen die instaan voor de doelmatigheid en de legitimiteit van en het noodzakelijk evenwicht tussen de instellingen.

Mijnheer de Voorzitter,

Het komt me voor dat de hele huidige discussie zich toespitst op de vraag « Wie zal in naam van de Unie met president Bush telefoneren ? ». Anders gezegd, we zijn allen de noodzaak voor de Unie aan het bespreken om haar een gezicht te geven. Het lijkt me nochtans nuttiger om eerst de inhoud van de boodschap die deze persoon zou moeten overmaken, te bespreken. Onze Unie heeft zeker nood aan een gezicht, maar ze heeft nog meer nood aan een stem en een boodschap. En het is daarover dat er eerst en vooral moet worden gepraat.

Tenslotte moeten de werkzaamheden een strak ritme aanhouden. De Conventie zou, naar onze mening, zijn ontwerp van grondwettelijk verdrag ten laatste in juni 2003 moeten voorleggen en nadien zou de Intergouvernementele Conferentie zo snel mogelijk aan het werk moeten gaan.

Ik kan de Voorzitter van de Conventie slechts aanmoedigen om in dit perspectief te werken en hem bedanken voor zijn vastberadenheid om van de Conventie een echt succes te maken.


BIJLAGE 2


Heading 1A EU-25 current prices (with indexation of 1 % from 2006)

(MIO EURO)

2004 2005 2006 2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013
Headings 1A EU-15 (Berlin ceilings until 2006) 42 408 42 310 42 834 43 262 43 695 44 132 44 573 45 019 45 469 45 924
Heading 1A Candidate Countries-10 (Commission proposal) 570 2 164 2 472
­ of which direct aids 0 1 321 1 629 2 012 2 300 2 874 3 449 4 029 4 599 5 174
TOTAL Ceiling EU ­ 25 42 979 44 474 45 306 45 759 46 217 46 679 47 146 47 617 48 093 48 574

BIJLAGE 3


STEMMENWEGING IN DE RAAD VOOR DE PERIODE TUSSEN DE TOETREDING EN 31 DECEMBER 2004

LIDSTATEN STEMMEN
Duitsland
Verenigd Koninkrijk
Frankrijk
Italië
Spanje
Polen
Nederland
Griekenland
Tsjechië
België
Hongarije
Portugal
Zweden
Oostenrijk
Slowakije
Denemarken
Finland
Ierland
Litouwen
Letland
Slovenië
Estland
Cyprus
Luxemburg
Malta

TOTAAL
10
10
10
10
8
8
5
5
5
5
5
5
4
4
3
3
3
3
3
3
3
3
2
2
2
­­­
124

STEMMENWEGING IN DE RAAD VANAF 1 JANUARI 2005

LIDSTATEN STEMMEN
Duitsland
Verenigd Koninkrijk
Frankrijk
Italië
Spanje
Polen
Nederland
Griekenland
Tsjechië
België
Hongarije
Portugal
Zweden
Oostenrijk
Slowakije
Denemarken
Finland
Ierland
Litouwen
Letland
Slovenië
Estland
Cyprus
Luxemburg
Malta
­­­
TOTAAL
29
29
29
29
27
27
13
12
12
12
12
12
10
10
7
7
7
7
7
4
4
4
4
4
3
­­­
321

(1) Zie bijlage 1.

(2) Zie tabel in bijlage 2.

(3) Zie bijlage 3.