2-121

2-121

Belgische Senaat

2-121

Handelingen - Nederlandse versie

DONDERDAG 7 JUNI 2001 - OCHTENDVERGADERING


Waarschuwing: de blauwe kleur geeft aan dat het gaat om uit het Frans vertaalde samenvattingen.


Wetsontwerp tot wijziging, met betrekking tot de structuren van de balie, van het Gerechtelijk Wetboek en van de wet van 13 maart 1973 betreffende de vergoeding voor onwerkzame voorlopige hechtenis (Stuk 2-619)

Wetsontwerp tot wijziging van de artikelen 190, 194, 259bis-9, 259bis-10, 259octies en 371 van het Gerechtelijk Wetboek, tot invoeging van artikel 191bis in het Gerechtelijk Wetboek en tot wijziging van artikel 21 van de wet van 18 juli 1991 tot wijziging van de voorschriften van het Gerechtelijk Wetboek die betrekking hebben op de opleiding en werving van magistraten (Stuk 2-639)

Wetsontwerp tot wijziging van sommige bepalingen van het Wetboek van strafvordering en tot wijziging van de wet van 19 februari 2001 betreffende de proceduregebonden bemiddeling in familiezaken (Stuk 2-672) (Evocatieprocedure)

Wetsontwerp tot wijziging van artikel 357 van het Gerechtelijk Wetboek (Stuk 2-702)

Wetsontwerp tot wijziging van artikel 447 van het Strafwetboek (Stuk 2-712) (Evocatieprocedure)

Wetsontwerp tot wijziging van artikel 633 van het Gerechtelijk Wetboek (Stuk 2-723)

Wetsontwerp tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek ten einde de indeling van de vredegerechten in klassen af te schaffen en de wedde van sommige hoofdgriffiers en hoofdsecretarissen van parketten aan te passen (Stuk 2-733)

Vraag om uitleg van de heer Wim Verreycken aan de minister van Justitie over «het uitlekken van het jaarverslag van het Comité I en het mogelijk destabiliseren van het Westers bondgenootschap door SVR-agenten» (nr. 2-479)

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de minister van Binnenlandse Zaken over «de moord op een agent van de federale politie in Rotselaar» (nr. 2-474)

Vraag om uitleg van de heer Wim Verreycken aan de vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken, aan de minister van Binnenlandse Zaken en aan de minister van Justitie over «de aanwezigheid van vertegenwoordigers van terroristische organisaties in Brussel, tijdens een congres van 2 tot 4 mei 2001» (nr. 2-475)

Berichten van verhindering


Voorzitter: mevrouw Sabine de Bethune, eerste ondervoorzitter

(De vergadering wordt geopend om 10.20 uur.)

Wetsontwerp tot wijziging, met betrekking tot de structuren van de balie, van het Gerechtelijk Wetboek en van de wet van 13 maart 1973 betreffende de vergoeding voor onwerkzame voorlopige hechtenis (Stuk 2-619)

Voorstel tot verdaging

De voorzitter. - Ik stel voor de bespreking van dit wetsontwerp uit te stellen tot een latere datum. (Instemming)

Wetsontwerp tot wijziging van de artikelen 190, 194, 259bis-9, 259bis-10, 259octies en 371 van het Gerechtelijk Wetboek, tot invoeging van artikel 191bis in het Gerechtelijk Wetboek en tot wijziging van artikel 21 van de wet van 18 juli 1991 tot wijziging van de voorschriften van het Gerechtelijk Wetboek die betrekking hebben op de opleiding en werving van magistraten (Stuk 2-639)

Algemene bespreking

De voorzitter. - De heer Istasse, rapporteur, verwijst naar zijn schriftelijk verslag.

De heer Hugo Vandenberghe (CVP). - Dit ontwerp werd nadat de Senaat het grondig had geamendeerd, teruggezonden naar de Kamer die het eveneens heeft geamendeerd, zodat het nu voor eindbehandeling in de Senaat voorligt.

De Kamer heeft het ontwerp op drie punten geamendeerd. Merkwaardig is niet dat de Kamer het ontwerp heeft geamendeerd, merkwaardig is wel dat ze dat heeft gedaan op basis van de amendementen van de heer Erdman, die inhoudelijk precies dezelfde zijn als diegene die ik in de Senaat had ingediend, maar hier door de meerderheid werden verworpen. Met andere woorden, mijn argumenten hebben blijkbaar meer de Kamer overtuigd dan de Senaat. Uiteindelijk ben ik in de tweede zittijd geslaagd. In tegenstelling tot mijn studententijd heb ik nu geregeld tweede zittijd. Dat leert mij niet alleen bescheiden te blijven, maar bovendien zie ik er door de positieve kanten van.

De CVP zal het ontwerp goedkeuren.

De heer Marc Verwilghen, minister van Justitie. - Niet zonder schroom stel ik vast dat professor Vandenberghe in sommige gevallen een tweede zittijd kan appreciëren. Het klopt dat zijn amendementen die de Senaat niet hadden overtuigd, in de Kamer werden aangenomen. Ze zijn alleszins een substantiële bijdrage tot de wet.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(De tekst aangenomen door de commissie voor de Justitie is dezelfde als de tekst van het door de Kamer van volksvertegenwoordigers overgezonden ontwerp. Zie stuk Kamer 50-703/19.)

-De artikelen 1 tot 12 worden zonder opmerking aangenomen.

-Over het wetsontwerp in zijn geheel wordt later gestemd.

Wetsontwerp tot wijziging van sommige bepalingen van het Wetboek van strafvordering en tot wijziging van de wet van 19 februari 2001 betreffende de proceduregebonden bemiddeling in familiezaken (Stuk 2-672) (Evocatieprocedure)

Voortzetting van de algemene bespreking

De heer Hugo Vandenberghe (CVP). - Aangezien de minister hier vorige week niet aanwezig was, kon hij op de vragen die ik toen gesteld heb, niet antwoorden. Ik hoop dan ook dat hij dat vandaag zal doen.

De heer Marc Verwilghen, minister van Justitie. - Vorige week was ik in Den Haag op het congres over de strijd tegen corruptie, waar België als intredend EU-voorzitter zijn stem moest laten horen en daarom heb ik me hier laten vertegenwoordigen door collega Daems.

De door de heer Vandenberghe ingediende amendementen roepen bij mij een reactie op. De wet van 12 maart 1998 tot verbetering van de strafrechtspleging in het stadium van het opsporingsonderzoek en van het gerechtelijk onderzoek, de zogenaamde wet-Franchimont, regelt de zuivering van de nietigheden in de procedure. Artikel 131 betreft de zuivering van de nietigheden voor de raadkamer. Artikel 235bis betreft de zuivering van nietigheden voor de kamer van inbeschuldigingstelling.

De voorafgaande zuivering op het niveau van de onderzoeksgerechten is ingegeven door een dubbel oogmerk. Enerzijds vermijden dat de vonnisrechter zich bij de vorming van zijn overtuiging ongewild zou laten beïnvloeden door de inhoudelijke kennis van de nietige stukken. Anderzijds de mogelijkheid bieden de sanctionering van de inbreuken op de regelmatigheid van het onderzoek op het niveau van de onderzoeksgerechten te laten plaatsgrijpen. De zuivering op het niveau van de onderzoeksgerechten biedt het voordeel van een tijdige en efficiënte werkwijze en dus de mogelijkheid om de nietige onderzoekshandelingen op een regelmatige wijze te kunnen herstellen of te laten overdoen.

De artikelen 131 en 235bis zijn duidelijk over het lot van nietig verklaarde stukken. De nietigverklaring impliceert de verwijdering van die stukken uit het dossier na het verstrijken van de beroepstermijn of de termijn van cassatieberoep. De wetgever heeft hiermee het gevaar voor beïnvloeding van het eindvonnis door nietige stukken willen uitsluiten.

Door een cassatiearrest van 3 november 1999 is er onduidelijkheid ontstaan over de draagwijdte van de gevolgen van de nietigverklaring van de bewijselementen en over de waarborgen van gelijke behandeling van de procespartijen die niet bij de zuiveringsprocedure waren betrokken. Het huidige wetsontwerp biedt daarvoor een oplossing. Met het oog op de rechtszekerheid is geopteerd voor een eenduidige oplossing die alle betrokkenen op een gelijke wijze behandelt. Er wordt vastgehouden aan de principes van de wet van 12 maart 1998, met name de zuivering van de nietigheden op het niveau van het vooronderzoek en de beoordeling van de bewijsverkrijging en de bewijswaardering door twee verschillenden instanties, respectievelijk de onderzoeksrechters en de bodemrechters.

Deze fundamentele keuze van de wetgever heeft onmiskenbare voordelen. In de artikelen 131 en 235bis wordt verankerd dat de definitief nietig verklaarde stukken niet meer kunnen worden ingezien en niet meer kunnen worden aangewend in een latere procedure. Daardoor wordt vermeden dat de reeds door het onderzoeksgerecht gevoerde procedures die aanleiding hebben gegeven tot de nietigverklaring, zuivering en verwijdering van stukken, opnieuw zouden worden gevoerd met een belemmering van de procesgang tot gevolg. Door die volledige zuivering van de nietigheden wordt de volledige gelijkheid tussen de procespartijen behouden.

Ik voeg er aan toe dat de amendementen 10 en 11 die de heer Vandenberghe in de senaatscommissie heeft ingediend, daar zijn verworpen. Voor de twee nieuwe amendementen die hij heeft ingediend, heeft hij zich blijkbaar laten inspireren door een document van de heer Minnaert.

(Voorzitter: de heer Jean-Marie Happart, ondervoorzitter.)

De stelling die ik zonet heb toegelicht volgens dewelke de nietig verklaarde stukken door niemand meer kunnen worden ingezien en gebruikt, biedt een sluitende oplossing zowel voor de procespartijen of ze nu direct of indirect bij de stukken betrokken zijn, als voor de rechter die zich daarover moet uitlaten. Ik vraag dan ook de verwerping van de twee bijkomend ingediende amendementen van de heer Vandenberghe.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(Voor de tekst aangenomen door de commissie voor de Justitie zie stuk 2-672/5.)

De voorzitter. - Artikel 6 luidt:

De heer Vandenberghe stelt voor dit artikel te schrappen (amendement nr. 21, zie stuk 2-672/6).

Artikel 8 luidt:

De heer Vandenberghe stelt voor dit artikel te schrappen (amendement nr. 22, zie stuk 2-672/6).

Op hetzelfde artikel heeft de heer Vandenberghe eveneens amendement nr. 10 ingediend (zie stuk 2-672/2) dat luidt:

Op amendement nr. 10 heeft de heer Vandenberghe het subsidiair amendement nr. 11 ingediend (zie stuk 2-672/2) dat luidt:

-De stemming over de amendementen wordt aangehouden.

-De aangehouden stemmingen en de stemming over het wetsontwerp in zijn geheel hebben later plaats.

Wetsontwerp tot wijziging van artikel 357 van het Gerechtelijk Wetboek (Stuk 2-702)

Algemene bespreking

Mevrouw Meryem Kaçar (AGALEV), rapporteur. - De commissie heeft zich gebogen over het wetsontwerp dat de weddebijslag voor de substituten gespecialiseerd in fiscale aangelegenheden verhoogt. Die financiële impuls is nodig om voldoende kandidaten voor deze functies aan te trekken.

De basisweddebijslag van 105.000 frank die nu wordt toegekend aan de substituut-procureur des Konings gespecialiseerd in fiscale aangelegenheden, wordt behouden. Het ontwerp verhoogt dit bedrag tot 264.000 frank na twee jaar dienst. Dat bedrag wordt onmiddellijk toegekend aan de substituut-procureur des Konings gespecialiseerd in fiscale aangelegenheden die een diploma heeft waaruit een gespecialiseerde opleiding in het fiscaal recht blijkt.

Het ontwerp wijzigt ook de regeling voor de toekenning van premies voor nacht- en weekendprestaties. De vergoeding zal voortaan per prestatie gebeuren en 9.500 frank per nacht- of weekendprestatie bedragen. Op het ogenblik wordt de vergoeding betaald per pakket van een 18-tal nacht- of weekendprestaties gespreid over het hele jaar.

Tijdens de bespreking in de commissie is de vraag gerezen of deze maatregel overeenstemt met het grondwettelijke beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. De minister antwoordde hierop dat deze maatregel geen discriminatie inhoudt, omdat we te maken hebben met een specifieke categorie van substituten. De afwijkende wedde is verantwoord wegens de noodzaak om een oplossing te vinden voor de problemen bij de werving. Dit werd beaamd door de commissieleden. Verder verduidelijkte de minister dat het premiestelsel voor nacht- en weekendprestaties niet geldt voor stagiairs.

Op het ontwerp werd één amendement ingediend dat voorstelt een andere weddebijslag voor tweetaligheid in te voeren. Dat amendement werd niet goedgekeurd omdat de budgettaire gevolgen ervan niet werden onderzocht. Het wetsontwerp is aangenomen met 10 stemmen bij 1 onthouding.

De Agalev-fractie steunt het ontwerp volkomen en zal het goedkeuren. De herwaardering van de wedde van de leden van het gerechtelijk apparaat is meer dan nodig en maakt het beroep aantrekkelijker voor gespecialiseerde juristen.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(De tekst aangenomen door de commissie voor de Justitie is dezelfde als de tekst van het door de Kamer van volksvertegenwoordigers overgezonden ontwerp. Zie stuk Kamer 50-1078/5.)

-De artikelen 1 tot 4 worden zonder opmerking aangenomen.

-Over het wetsontwerp in zijn geheel wordt later gestemd.

Wetsontwerp tot wijziging van artikel 447 van het Strafwetboek (Stuk 2-712) (Evocatieprocedure)

Algemene bespreking

Mevrouw Mia De Schamphelaere (CVP), rapporteur. - Ik verwijs naar het schriftelijk verslag.

Sta me toe hieraan toe te voegen dat het ons tevreden stemt dat de wijsheid blijkbaar toch soms zegeviert in de commissie voor de Justitie en dat onze zeven amendementen werden goedgekeurd. Ze brengen immers zowel een legistieke als een inhoudelijke verbetering aan.

Artikel 24 van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering moest immers worden aangepast aan de wijzigingsvoorstellen. Dit artikel somt de gevallen op waarin de verjaring van de strafvordering wordt geschorst.

Bovendien moest worden belet dat door de in de Kamer aanvaarde tekst "overeenkomstig het eerste lid van artikel 447" de regeling met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer werd uitgehold. Een wetsontwerp dat tot doel heeft de rechtstoestand van de belaster te versterken, kan niet als neveneffect hebben dat de positie van de lastdrager wordt versterkt wanneer het gaat om feiten uit het privé-leven. Daarnaast moest ook een regeling worden uitgewerkt voor vervallen tuchtvorderingen.

De heer Marc Verwilghen, minister van Justitie. - Geef de keizer wat de keizer toekomt. De amendementen van de CVP hielden inderdaad een wezenlijke verbetering in van het oorspronkelijk wetsvoorstel. Met andere woorden, de Senaat heeft in deze een wezenlijke bijdrage geleverd in de verbetering van de teksten.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(Voor de tekst aangenomen door de commissie voor de Justitie, zie stuk 2-712/4.)

De voorzitter. - Ik herinner eraan dat de commissie een nieuw opschrift voorstelt: Wetsontwerp tot wijziging van artikel 447 van het Strafwetboek en tot wijziging van artikel 24, 3°, van de wet van 17 april 1878 houdende de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering.

-De stemming over het wetsontwerp in zijn geheel heeft later plaats.

Wetsontwerp tot wijziging van artikel 633 van het Gerechtelijk Wetboek (Stuk 2-723)

Algemene bespreking

De voorzitter. - Mevrouw Nyssens, rapporteur, verwijst naar het verslag.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(Voor de tekst aangenomen door de commissie voor de Justitie, zie stuk 2-723/4.)

-De artikelen 1 en 2 worden zonder opmerking aangenomen.

-Over het wetsontwerp in zijn geheel wordt later gestemd.

Wetsontwerp tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek ten einde de indeling van de vredegerechten in klassen af te schaffen en de wedde van sommige hoofdgriffiers en hoofdsecretarissen van parketten aan te passen (Stuk 2-733)

Algemene bespreking

Mevrouw Meryem Kaçar (AGALEV), rapporteur. - Dit wetsontwerp bestaat uit twee delen. Het eerste deel is het wetsontwerp tot wijziging van de artikelen 366, 369, eerste lid, 3º, 372 en 374, eerste lid, 3º, van het Gerechtelijk Wetboek, dat tot doel heeft een einde te maken aan de discriminatie van griffiers en parketsecretarissen die is ontstaan bij de inwerkingtreding van de wet van 29 april 1999 betreffende de geldelijke loopbaan van de magistraten. Voor de vaststelling van de wedden van de korpschefs verlaagde deze wet het aantal inwoners dat het rechtsgebied van een gerecht moet tellen om tot de eerste klasse te behoren van 500.000 tot 250.000. Het criterium van 500.000 inwoners bleef echter wel gelden voor de berekening van de wedden van de hoofdgriffiers en de hoofdsecretarissen van dezelfde gerechten. Het ontwerp wil dit verschil wegwerken.

Het tweede deel van het wetsontwerp is het wetsvoorstel tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek teneinde de indeling van de vredegerechten in klassen af te schaffen.

Er werden geen amendementen ingediend en het wetsontwerp werd eenparig goedgekeurd.

De heer Hugo Vandenberghe (CVP). - Het spreekt vanzelf dat we dit ontwerp steunen. Het is ook positief dat het oorspronkelijke ontwerp van de minister, dat zich beperkte tot een gelijkschakeling voor de hoofdgriffiers en hoofdsecretarissen, werd uitgebreid naar de vredegerechten, onder meer door toedoen van diverse suggesties en amendementen van collega Van Parys in de Kamer.

Graag kreeg ik van de minister verduidelijking over het volgende punt. Artikel 5 en 6 van het ontwerp passen artikel 360 en 360bis van het Gerechtelijk Wetboek aan ingevolge het opheffen van de klassen in de vredegerechten. Door de in artikel 360 van het Gerechtelijk Wetboek voorgestelde regeling wordt de verhoging voor de vrederechters eerste klasse na 15 jaar dienst bepaald op 194.978 frank. De huidige vrederechters tweede klasse boeten door de wijziging echter in. Nu hebben ze een verhoging van 224.978 frank die ingevolge het ontwerp wordt teruggebracht tot 194.978 frank. Graag vernam ik van de minister hoe hij dit ziet.

De voorgestelde regeling in artikel 360bis van het Gerechtelijk Wetboek schrapt de verhoging na 21 jaar anciënniteit voor toegevoegde rechters in de tweede klasse. Als ik me niet vergis werd geen alternatieve bepaling ingevoegd die deze toegevoegde vrederechters na 21 jaar anciënniteit een verhoging zou toekennen. Enkel na 24 jaar kunnen ze een verhoging ontvangen. Wat is dus de precieze situatie van deze magistraten?

De heer Marc Verwilghen, minister van Justitie. - Bij wat men noemt de "vrederechters van de tweede klasse" gaat het eigenlijk om de toegevoegde vrederechters en politierechters die een enigszins speciaal statuut hebben. In de toekomst wil ik de bestaande verschillen wegwerken. Dat zal worden ingeschreven in een andere wet die momenteel eveneens wordt gewijzigd naar aanleiding van de problemen te Brussel. Er is nu dus wel een verhoging toegekend, maar het verschil is nog niet weggewerkt. Dat leidt inderdaad tot een nieuwe discriminatie. De toegevoegde magistraten in eerste aanleg die aan een ressort worden toevertrouwd, krijgen eigenlijk een weddenbijslag. Dit is te verantwoorden omdat ze zich binnen het ressort vaak moeten verplaatsen en dus geen vaste standplaats hebben. Dat is eigenlijk niet het geval voor de toegevoegde vrederechters en politierechters, die aan een arrondissement zijn toegewezen. De huidige discriminatie zal dus volledig worden weggewerkt, maar daarvoor is een aanpassing van een andere wet nodig.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(De tekst aangenomen door de commissie voor de Justitie is dezelfde als de tekst van het door de Kamer van volksvertegenwoordigers overgezonden ontwerp. Zie stuk Kamer 50-1071/11.)

-De artikelen 1 tot 11 worden zonder opmerking aangenomen.

-Over het wetsontwerp in zijn geheel wordt later gestemd.

Vraag om uitleg van de heer Wim Verreycken aan de minister van Justitie over «het uitlekken van het jaarverslag van het Comité I en het mogelijk destabiliseren van het Westers bondgenootschap door SVR-agenten» (nr. 2-479)

De heer Wim Verreycken (VL. BLOK). - Op 18 april 2001 publiceerde een krant uittreksels uit het jaarverslag van het Comité I. Ik vernam ondertussen dat het bewuste verslag op die datum nog niet eens door het parlement was goedgekeurd.

Bij het begin van de legislatuur bleek dat op grond van de proportionaliteitsregel een lid van het Vlaams Blok in de begeleidingscommissie moest zetelen. De Senaat besliste dan onmiddellijk om het aantal leden van de commissie te verminderen, zodat dit niet meer nodig was. Het bleek een nuloperatie te zijn want uit het bewuste krantenartikel blijkt dat de zogenaamde betrouwbaren verantwoordelijk zijn voor het lek. De mandatarissen van mijn partij zijn "maar" senator en vertegenwoordigen "maar" 600.000 Vlamingen. Zij moeten afgaan op wat in de kranten wordt gepubliceerd, hoewel een krant geen enkele democratische legitimiteit heeft om een integraal verslag te publiceren.

Blijkbaar poogde de voormalige KGB de publieke opinie te beïnvloeden. "Daarvoor deden ze een beroep op schrijvers of journalisten die in hun boeken of artikelen, eventueel in ruil voor een vergoeding, vooraf bepaalde standpunten verdedigden waarmee de KGB de publieke opinie probeerde te manipuleren, meestal door op subtiele wijze het Westerse bondgenootschap aan te vallen."

Kan de minister mij zeggen over welke journalisten het gaat? Aan welke media waren zij verbonden? Zijn sommigen onder hen nog steeds actief? En zo ja, bij welke media? Over welke nog actieve journalisten gaat het?

De opvolger van de KGB, de SVR, kreeg de belangstelling van de Staatsveiligheid toen de archieven van de Russische overloper Mitrochin, waaraan honderden pagina's werden gewijd op het internet, leiden tot de ontdekking van een opslagplaats in het Zoniënwoud en tot drie opslagplaatsen van spionageapparatuur in een kring van vijftien kilometer rond Brussel. Volgens een bericht van Associated Press ging het om Groenendaal, Halle en Heverlee.

Zijn er aanwijzingen dat de SVR dezelfde systemen gebruikt als de KGB? Worden ook door de SVR pogingen ondernomen om "op subtiele wijze het Westerse bondgenootschap te destabiliseren"? Dit kan bijvoorbeeld door argeloze vredesmilitanten te manipuleren en hen te laten inbreken in Kleine Brogel. Worden ook hiervoor door de SVR vergoedingen uitbetaald aan schrijvers, journalisten en politici?

Het rapport stelt ook nog "dat er opnieuw voorrang zou worden gegeven aan de strijd tegen de activiteiten van de SVR, vooral in het kader van de bescherming van het economische en wetenschappelijke potentieel van het land". Wil dit zeggen dat de bescherming van het zelfverdedigingsarsenaal van het Westerse bondgenootschap geen voorrang krijgt of minder belangrijk is? Dat zou een succes betekenen voor de subtiele destabilisatiepogingen van de SVR.

De heer Marc Verwilghen, minister van Justitie. - Net als de heer Verreycken betreur ik dat een verslag van het Comité I uitlekt op een wijze die vooral veel vragen oproept over de manier waarop vertrouwelijke informatie in ons land wordt behandeld. Dat neemt niet weg dat zijn vraag in feite thuishoort in de daarvoor bij wet opgerichte commissie. Een lid van zijn partij zetelt trouwens in de begeleidingscommissie van de Kamer, waar deze kwestie normaal aan bod moet komen.

Over het gebeurlijke lek kan ik het volgende zeggen. Het verslag van het Comité I is op 20 maart 2001 in het Frans en op 26 maart 2001 in het Nederlands verzonden aan de voorzitter van de Senaat, aan de vijf leden van de begeleidingscommissie en aan de ministers van Justitie en van Landsverdediging. In een tweede fase, op 3 april 2001, is dat verslag opgenomen in het ontwerp van jaarverslag dat als zodanig aan de voorzitters van Kamer en Senaat en aan de ministers van Justitie en Landsverdediging werd overhandigd. Die data zijn belangrijk omdat ze een aanwijzing kunnen zijn wanneer het verslag een andere weg heeft ingeslagen dan de normaal te volgen weg.

Dieper ingaan op de inhoud van dat verslag, dat op het ogenblik nog door de bevoegde commissies wordt besproken en dat daar pas volgende week zal worden goedgekeurd, zou voorbarig zijn en het lek op onnodige wijze uitvergroten. Ik wil daarom wachten tot de procedure helemaal is afgewerkt. Ik ben ervan overtuigd dat alle leden van de begeleidingscommissie, onder wie dus ook een lid van de partij van de heer Verreycken, daar hun bijdrage zullen leveren.

Op het ogenblik lijkt het me niet opportuun in te gaan op de kwestie van de journalisten, omdat ik van oordeel ben dat we de wettelijke procedures die het Parlement zelf heeft uitgewerkt, moeten respecteren. Het is niet omdat sommigen dat niet doen en lekken organiseren, dat de minister van Justitie commentaar mag geven op een verslag dat in de begeleidingscommissie nog niet is goedgekeurd. Terzijde wijs ik er wel op dat het verslag zelf over deze journalisten geen details geeft. Wellicht komt deze kwestie ook aan bod bij de bespreking van het verslag in de bevoegde commissies.

Er zijn op het ogenblik ook geen aanwijzingen dat de SVR de systemen van de vroegere KGB heeft overgenomen of dat ze pogingen tot destabilisatie of manipulatie zou ondernemen.

De vraag over de prioritaire bescherming van het zelfverdedigingsarsenaal gaat niet over materies waarvoor het ministerie van Justitie bevoegd is en moet veeleer worden gericht tot de minister van Landsverdediging. Ik wens niet uit te weiden over een techniek inzake een materie waarvoor ik niet bevoegd ben.

De heer Wim Verreycken (VL. BLOK). - Ik denk niet dat de prerogatieven van de senatoren op enigerlei wijze worden ingeperkt door het lidmaatschap van een partijgenoot in een kamercommissie. Indien het aantal commissieleden in de Senaat niet brutaal en plotseling zou zijn verminderd, nadat het tijdens de vorige legislatuur werd verhoogd om een SP-lid toegang te geven, zou ik voor deze vraag de geëigende kanalen in de senaatscommissie hebben gevolgd. Ik voel me goed in de Senaat en werk ik met veel plezier mee in de commissies.

In verband met deze vraag heb ik met de voorzitter overleg gepleegd. Hij stelde me voor ze in de commissie te stellen, maar aangezien die niet openbaar vergadert, heb ik zelf beslist ze in de plenaire vergadering naar voren te brengen. Ik blijf erbij dat wij hier in de Senaat, ongeacht de discussies tussen kamerleden, onze verschillende visies moeten kunnen uiteenzetten. Zoals de minister voorstelt, zal ik niet nalaten zijn collega van Landsverdediging over dit onderwerp te ondervragen.

-Het incident is gesloten.

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de minister van Binnenlandse Zaken over «de moord op een agent van de federale politie in Rotselaar» (nr. 2-474)

De heer Hugo Vandenberghe (CVP). - Op zaterdag 21 april laatstleden werd in Rotselaar federaal politieman, Marc Munten, vermoord bij de achtervolging van vermoedelijk Oost-Europese misdadigers die net daarvoor twee carjackings hadden gepleegd. Hij werd koelbloedig neergeschoten toen de politiewagen de afrit van Rotselaar opreed en de misdadigers in het midden van de weg postvatten.

Reeds in 1998 bleek uit het verslag van de onderzoekscommissie dat de Oost-Europese maffia een belangrijke rol speelt bij autodiefstallen en het versassen van gestolen auto's. De carjackingplaag in Brabant moet ook aan dat milieu worden toegeschreven.

Deze tragedie illustreert nogmaals op een ondraaglijke wijze de urgentie van de strijd tegen de georganiseerde criminaliteit in ons land. Zowel de vorige als de huidige regering hebben voorstellen uitgewerkt om die strijd op te voeren. De CVP heeft reeds meermaals aangekondigd dat ze de voorstellen van de regering zal steunen.

Als CVP- gemeenteraadslid van Rotselaar ben ik op de plaats van de tragedie geweest. Ik heb vastgesteld dat de communicatie tussen de verschillende diensten en de leiding van de operaties te wensen overlaat.

Een van de twee agenten was doodgeschoten, de andere agent verkeerde in shocktoestand. Hij was niet meer in staat om aan de nooddiensten een juiste beschrijving van de feiten te geven. Degenen die het bericht kregen, maakten daardoor een verkeerde inschatting van het gebeurde. Wanneer vervolgens de gemeentelijke overheid ter plaatse kwam, was de lijn van de 101-dienst voortdurend bezet. Na één uur konden uiteindelijk vier patrouilles worden gemobiliseerd. Daarna werd een peloton uit Brussel opgeroepen, dat in de loop van het tweede uur na de feiten per helikopter ter plaatse is gekomen. Zij startten een speuractie naar de gangsters, die ondertussen met een andere wagen waren gevlucht in de zogenaamde Kesselse Bergen. Volgens mijn informatie werd bij het vallen van de avond de zoekactie gestaakt. Er was dus een ernstig communicatieprobleem.

Een tweede probleem betreft de eenheid van gezag. In dergelijke situaties, waar coördinatie noodzakelijk is om snel op de bal te kunnen spelen, moet er een structuur zijn met eenheid van gezag. Er zijn verschillende betrokkenen: de burgemeester, de onderzoeksrechter, de federale officier.

Voor dergelijke gebeurtenissen zouden we over een actieplan moeten beschikken; een scenario waarin elke actie precies wordt omschreven met een tijdsschema volgens hetwelk de opeenvolgende acties moeten gebeuren, zodat na 10 minuten de daders effectief kunnen worden vervolgd. Een snel politieoptreden is immers van essentieel belang. Zonder dit plan wordt er kostbare tijd verloren en geven we de daders alle kans om te ontkomen. Had de oprichting van de federale politie overigens niet tot doel een meer gecoördineerd optreden mogelijk te maken?

De Leuvense regio werd de afgelopen weken herhaaldelijk door gewelddadige carjackings geplaagd. Tijdens een carjacking in Keerbergen enkele weken na de moord op de politieagent, konden twee andere personen op het nippertje aan de dood ontsnappen. Gelukkig zou een van de daders zijn opgepakt.

Twee jaar geleden heb ik de minister al vragen gesteld over de carjackings in Brussel en in Vlaams-Brabant. Deze streek is voor de gangsters bijzonder aantrekkelijk door de talrijke afritten van autowegen. De gemeenten vlakbij die afritten zijn bijzonder kwetsbaar: ze worden niet alleen geconfronteerd met carjackings op de weg, maar ook met homejackings. Dat geeft de inwoners een verschrikkelijk gevoel van onveiligheid. Het is bijzonder traumatisch wakker te worden met een revolver tegen de slaap gedrukt. Er zijn aangenamer manieren om te ontwaken.

Ik weet dat er heel wat initiatieven worden genomen ter beteugeling van deze vorm van criminaliteit.

Bestaat er bij de federale politie een specifiek actieplan om snel tussenbeide te kunnen komen? Waarom kon er op 21 april jongstleden niet snel genoeg worden gereageerd? Heeft de federale politie gespecialiseerde eenheden die in staat zijn om bij zware criminaliteit snel en efficiënt op te treden? Wie neemt de coördinatie van dergelijke optredens op zich en volgens welk plan gebeurt dat? Welke maatregelen kan de minister nemen om de carjackings in het Leuvense, in Waals-Brabant en in Brussel te bestrijden?

De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken. - Ik deel de bezorgdheid van de heer Vandenberghe. Inzake geweld, en meer bepaald georganiseerde criminaliteit, kunnen we jammer genoeg niet alles voorzien. Deze vorm van criminaliteit wordt overigens steeds performanter, en het is hoogtijd dat een modernere en efficiëntere organisatie wordt opgezet om ze te bestrijden.

Ik geloof in preventie, maar ik maak mij geen illusies. Zelfs met een dynamisch preventiebeleid blijven politie-interventie en reactiecapaciteit nodig.

De georganiseerde criminaliteit neemt verschillende vormen aan, waaronder carjacking, die dikwijls vanuit het buitenland wordt georganiseerd. Dan gaat het om grensoverschrijdende georganiseerde criminaliteit, gericht op bepaalde voertuigen, die zeer snel de grens overgaan. Het is een zeer winstgevende handel, want wie zich erop toelegt, gaat tot het uiterste. Het gerechtelijk arrondissement Charleroi is het ergst getroffen.

Ik heb dan ook gereageerd bij de oprichting van de nieuwe federale politie. Als de Octopushervorming beperkt blijft tot een verandering van structuur en van naam, dan hebben we onze doelstelling niet bereikt. Ik wil de personeelsleden optimaal inzetten en heb beslist een audit te laten uitvoeren over de invoering van de nieuwe politiestructuur. Er moeten immers positieve voorstellen komen, anders zou de verleiding groot zijn om bestaande modellen gewoon te kopiëren. We moeten veel verder gaan dan dat.

Ik heb in de Kamer al uitleg gegeven over het ongelukkige incident waarnaar de heer Vandenberghe verwijst. Er loopt een gerechtelijk onderzoek. De vier interventieteams van de verkeerspolitie waren beschikbaar, één daarvan bevond zich in de buurt van de plaats van de feiten zodat ze bijna onmiddellijk kon reageren. Het team was normaal uitgerust, maar beschikte op dat ogenblik niet over een helikopter.

Thans worden de operaties inderdaad gecoördineerd. Ik heb dat bij andere gelegenheden al meegemaakt, vooral bij voetbalmatchen, en meer bepaald in het kader van Euro 2000. Ik ben ervan overtuigd dat we meer en beter kunnen inzake communicatie. Er moet performante apparatuur worden ingezet en er moet een planning beschikbaar zijn van het soort reactie dat vereist is, zoals de heer Vandenberghe in zijn betoog opmerkte.

Op nationaal vlak bestaat er een specifiek actieplan dat het mogelijk maakt om op dergelijke vormen van zware criminaliteit snel en gecoördineerd te reageren, namelijk het politiealarm. De bevoegdheid om het politiealarm af te kondigen berust bij de federale permanentieofficier van de algemene directie van de administratieve politie, directie van de operaties en de informatie inzake bestuurlijke politie.

Het politiealarm is geregeld door omzendbrief nr. 13/87 van 15 mei 1987 van de procureur-generaal van het Hof van Beroep van Brussel. Daarin staan de principes, de regels voor de afkondiging, de werking en de weerslag in aangrenzende landen.

De federale permanentieofficier kondigde onmiddellijk na de feiten in Rotselaar het politiealarm af. Het geldt zowel voor de federale als voor de lokale politie. Er bestaat eveneens een actieplan op arrondissementeel vlak. De operationele leiding daarvan berust bij de bestuurlijke directeur-coördinator.

De onmiddellijke achtervolging van de daders - amper enkele ogenblikken na de carjacking - door een ploeg van de Provinciale Verkeerseenheid Brabant en de onmiddellijke afkondiging van het politiealarm na de schietpartij, bewijzen de snelle politionele reactie.

In eerste instantie wordt er opgetreden door de plaatselijke lokale of federale interventieploegen. Deze ploegen zijn geoefend in specifieke vaardigheden inzake interventietechnieken en geweldbeheersing. In een tweede tijd kan er, op vraag van de plaatselijke politiediensten, ook een beroep worden gedaan op het speciale interventie-eskadron van de federale politie.

Zoals reeds vermeld in het antwoord op de eerste vraag van de heer Vandenberghe, kan de federale permanentieofficier van de algemene directie van de administratieve politie, maatregelen nemen door het politiealarm af te kondigen. De federale permanentieofficier kan tevens oordelen of er speciale federale middelen moeten worden ingezet. De uiteindelijke beslissing wordt uiteraard genomen in samenspraak met de lokale politiediensten. Binnenkort verschijnt er een omzendbrief van het college van procureurs-generaal betreffende de gerechtelijke aanpak van car- en homejackings en garagediefstallen. In de dienst voertuigenzwendel van de directie voor de bestrijding van de criminaliteit tegen eigendom wordt een team opgericht belast met de federale ondersteuning inzake car- en homejackings en garagediefstallen. In de verschillende gedecentraliseerde gerechtelijke diensten zijn er gespecialiseerde teams die zich bezig houden met het fenomeen car- en homejackings, nadat er feiten zijn gepleegd. In Leuven werd er in november 2000 al een actieplan opgesteld om deze vorm van criminaliteit te bestrijden. Dit actieplan werd door het parket van Leuven goedgekeurd en is nog steeds van toepassing.

Op het gebied van de organisatie van de diensten en de communicatiemiddelen, ook op materieel vlak, willen we nu de operationele fase starten voor "Astrid". Met betrekking tot de verdeling van het personeel over het grondgebied en de instructies die aan alle diensten moeten worden medegedeeld over de manier van reageren in noodsituaties, kunnen we nog altijd beter doen dan nu het geval is.

Bij crimineel gedrag is altijd de factor onvoorspelbaarheid aanwezig. Daardoor kunnen dramatische situaties ontstaan zoals in Rotselaar, waar de politie onmiddellijk en met veel moed heeft gereageerd, wat aan één van de agenten het leven heeft gekost.

De heer Hugo Vandenberghe (CVP). - Ik heb in de politieraad van de sector Begijnendijk-Rotselaar-Tremelo gevraagd of er een specifiek actieplan bestaat ingeval zich dergelijke gebeurtenissen voordoen. Uit het antwoord bleek dat men zich niet ten volle bewust is van de problemen.

Er zijn uiteraard allerlei gebeurtenissen die aanleiding geven tot politiealarm, maar we moeten ons afvragen of hierbij geen zekere gradatie moet worden in acht genomen. Voor feiten als het doden van een politieagent moet een speciaal actieprogramma voorzien worden.

Voorts is er nood aan een beter communicatiesysteem. De 101-lijn is te vaak bezet, met als gevolg dat er kostbare minuten verloren gaan.

De minister verwijst naar een plan in Leuven dat erop gericht is carjackings en homejackings te voorkomen. Ik twijfel niet aan het bestaan van dergelijke plannen. De vraag is of ze concreet worden uitgevoerd. Het aantal carjackings en homejackings is de jongste tijd in de streek waarnaar ik heb verwezen, enorm toegenomen. Dit is in hoofdzaak te wijten aan het gebrek aan permanente politiecontrole. Niet enkel in onze politiezone, maar ook elders wordt er 's nachts te weinig gepatrouilleerd.

We moeten ons bezinnen over de uitvoering van de plannen. Het parket-generaal heeft nieuwe instructies gegeven om dit probleem aan te pakken. Ik hoop dat de maatregelen succes zullen hebben. De veiligheid van de burgers staat immers op het spel.

Ik dring erop aan dat de minister bijzondere aandacht aan dit probleem schenkt. Wij zullen elk initiatief steunen dat aan onze bezorgdheid tegemoetkomt.

De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken. - Ik ben het eens met alles wat de heer Vandenberghe zonet heeft gezegd. Ik voeg eraan toe dan men zich vragen kan stellen bij de informatiestroom. Er bestaat immers een kwalijke neiging om het bij de bestaande gewoonten te houden.

We zouden dus best de hervorming van de politiediensten aangrijpen om de vigerende procedures kritisch te evalueren en na te gaan hoe we ze kunnen verbeteren. De suggesties van de heer Vandenberghe zullen zorgvuldig worden bestudeerd. Dat ik een audit heb gevraagd, mag niet als een uiting van wantrouwen worden beschouwd. Mijn bedoeling is hulp te bieden, zodat iedereen kan bijdragen tot de modernisering van de diensten, om ze efficiënter te maken.

Binnenkort beschikken wij, op lokaal en nationaal niveau, over zonale veiligheidsplannen die de prioriteiten vastleggen, de doelstellingen bepalen en de middelen toewijzen. Die plannen zullen geregeld worden geëvalueerd en ter discussie gesteld. De periode van de uitwerking van de structuur, de besluiten, de reglementen, de statuten en de middelen is voorbij. Nu moeten we nadenken over de dienstverlening aan de bevolking, zoals ik voortdurend zeg aan de commissaris-generaal van de federale politie. Ik zou hetzelfde kunnen zeggen aan de burgemeesters die ik ontmoet. Dit vereist een modernisering van de diensten, alsook de vaste wil van de betrokkenen om ze efficiënt te laten werken. Ik heb met genoegen het personeelsstatuut geherwaardeerd. We mogen nu hogere eisen stellen. De genomen maatregelen moeten worden geconcretiseerd en wat dat betreft wil ik doorzetten. Ik heb de commissaris-generaal gezegd dat we de efficiëntie van de hervorming en zijn capaciteiten om ze toe te passen zullen beoordelen op basis van de misdaadstatistieken. De resultaten moeten merkbaar zijn. De federale politie wordt ontlast van een aantal opdrachten en de personeelsbezetting wordt verhoogd. Ze zal nu dus de georganiseerde criminaliteit moeten aanpakken, zoals het eerste nationaal veiligheidsplan voorschrijft. Dat impliceert dat de nieuwe structuur de bijdrage van elke politieagent tot die doelstelling in kaart brengt. Het volstaat niet te zeggen dat 23 van de 10.000 agenten van de federale politie zich specifiek met dat verschijnsel bezighouden. Alle politiediensten moeten samenwerken om de doelstellingen te bereiken.

-Het incident is gesloten.

Vraag om uitleg van de heer Wim Verreycken aan de vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken, aan de minister van Binnenlandse Zaken en aan de minister van Justitie over «de aanwezigheid van vertegenwoordigers van terroristische organisaties in Brussel, tijdens een congres van 2 tot 4 mei 2001» (nr. 2-475)

De heer Wim Verreycken (VL. BLOK). - Mijn vraag om uitleg was oorspronkelijk alleen gericht tot de minister van Buitenlandse Zaken, maar ik heb er geen probleem mee mijn vraag aan de minister van Binnenlandse Zaken te stellen.

Van 2 tot 4 mei werd in Brussel het International Communist Seminar georganiseerd. Het ging om een bijeenkomst van maoïsten. Uit de aanwezigheidslijst, die te vinden is op de website van de PVDA, blijkt dat één van de aanwezigen een vertegenwoordiger was van het FARC, een moorddadige groep uit Columbia die zijn oorlog financiert met drugshandel.

Een andere schokkende aanwezigheid was die van José María Sison, de oprichter van de Communistische Partij van de Filippijnen en van het daarmee samenwerkende New People's Army. Het NPA zet zonder enige restrictie kindsoldaten in. In zijn toespraak in Brussel riep Sison op tot het lanceren van de gewapende revolutie. De tekst is eveneens te vinden op de PVDA-website.

Het NPA brengt zijn oproep tot revolutie in praktijk. Vorig jaar werden twaalf soldaten en een officier in een hinderlaag vermoord door het NPA, op een ogenblik dat ze een medisch team begeleidden. Volgens een van de weduwen op een andere website is de schuldige duidelijk José María Sison.

Sison is ook een goede vriend van andere terroristen. Zo kunnen het Lichtend Pad in Peru en de gearresteerde leider van die organisatie, Abimael Guzman, op zijn steun rekenen.

Het NPA van Sison begaat op grote schaal grove schendingen van de mensenrechten. Volgens het Asia Report 2000 van Amnesty International, gebaseerd op vaststellingen van het Internationaal Comité voor de rechten van kinderen, zet het NPA op grote schaal kindsoldaten tussen 13 en 17 jaar in. In augustus 1999 nam het Filippijnse leger 5 NPA-soldaten gevangen, twee meisjes en drie jongens tussen 13 en 17 jaar. In februari 1999 werden bij een schietpartij negen NPA-strijders gedood. De meesten waren jonger dan 18 jaar. Een 17-jarig meisje werd gewond.

Enkele jaren geleden ontstond grote opschudding toen België toegang verleende aan de Arabische terrorist Khaled, maar in vergelijking met Sison is Khaled een schoothondje. Sison heeft echter blijkbaar nog altijd geen moeilijkheden om hier oproepen tot de gewapende revolutie te lanceren.

Moet dit soort van bijeenkomsten in Brussel mogelijk zijn? Kan de leider van een buitenlandse terroristengroep, verantwoordelijk voor tientallen moorden en voor het inzetten van kindsoldaten, welkom zijn in België? Op welke locatie had dit seminarie plaats? Op basis van welke documenten werd toegang tot het grondgebied verleend aan de vertegenwoordiger van het FARC en aan Sison? Mag iemand in een toespraak te Brussel oproepen tot de gewapende revolutie, ook al gaat het om een ander land? Is dat geen aanzetten tot geweld, verboden door de wet van 25 maart 1891 houdende bestraffing van de aanzetting tot het plegen van misdaden en wanbedrijven? Is het toelaten van dit soort terroristenbijeenkomsten conform de internationale verplichtingen van België om terrorisme te bestrijden? Zal de minister dulden dat dit soort terroristenbijeenkomsten nog plaatshebben te Brussel?

Voor alle duidelijkheid: het gaat hier niet over twee oude mannen met een vlag. Het gaat hier over een man die op het ogenblik politiek asiel geniet in Utrecht. Hij mag bijgevolg dergelijke politieke oproepen niet in Nederland doen. Hij komt dan maar naar België om dat te doen. Op 29 maart van dit jaar was er van hem nog een oproep te lezen om de aanvallen op te voeren. Ik zal ook aan uw Nederlandse ambtsgenoot een brief sturen om te vragen of het conform de regels van het politiek asiel is dat iemand in een buurland van het land waar hij asiel krijgt, oproept tot de gewapende revolutie of gewoon via het internet verder bevelen voor de gewapende strijd geeft.

De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken. - Ik antwoord mede namens de ministers van Justitie en van Buitenlandse Zaken.

Het seminarie waarnaar senator Verreycken verwijst, vond plaats in het kader van de feestelijkheden die elk jaar georganiseerd worden ter gelegenheid van 1 mei. Het had als thema "De socialistische wereldrevolutie in het raam van het imperialistische globalisatie".

De vergadering had plaats in zeer beperkte kring en kan als een privé-vergadering worden beschouwd. Een dergelijke vergadering is beschermd door artikel 15 van de Grondwet, zodat reglementering op het vlak van bestuurlijke politie niet mogelijk is.

Ook voor een openbare vergadering, die niet in openlucht plaatsvindt, is artikel 26 van de Grondwet formeel: er mag in geen geval een voorafgaande vergunning geëist worden.

De huidige wet op het politieambt en de nieuwe wet op de geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, machtigt de administratieve politiediensten zowel op het federale als op het lokale niveau om informatie te verzamelen en te behandelen, als er een terroristische of subversieve dreiging, en in het algemeen een bedreiging voor de openbare orde of de openbare veiligheid kan bestaan, met dien verstande dat het daartoe vereiste onderzoek niet kan geschieden in omstandigheden die strijdig zouden zijn met de grondwet.

Na de vergadering werden op een website teksten verspreid van sprekers die op het seminarie aanwezig zouden zijn geweest. Dat bewijst evenwel niet dat ze effectief aanwezig waren.

Volgens de gegevens waarover mijn diensten beschikken, bevatte het programma van deze vergadering geen onderwerpen met terroristische inslag. De vaststelling van een eventuele oproep tot gewapende revolutie kan maar post factum gebeuren. Uit een analyse van de tekst van José María Sison die verschenen is op het Internet, blijkt dat er weliswaar sprake is van gewapende strijd, maar veeleer als een doctrine-uitspraak en niet als een concrete oproep tot gewapend verzet.

Het is niet omdat bepaalde groeperingen in een land verboden zijn, dat dit daarom ook in België het geval is. Tegen de heer José María Sison zijn er in ons land geen maatregelen van kracht. Gelet op het privé-karakter van de vergadering kan ik noch bevestigen noch ontkennen dat betrokkene werkelijk in ons land is geweest. Ons land heeft in elk geval geen visum uitgereikt voor José María Sison.

De vraag rijst of een oproep tot gewapende revolutie kan worden vervolgd op basis van de wet van 25 maart 1891, als die oproep in België door vreemdelingen wordt gedaan.

Voor de bestraffing van de aanzetting tot het plegen van een misdaad of de dreiging om een misdaad te plegen, bestaan in België twee specifieke wetten, een van 1875 en een van 1891, die evenwel slechts uitzonderlijk kunnen worden toegepast. Er is slechts sprake van een misdrijf als wordt aangezet tot het plegen van wanbedrijven. Dan moet ook worden gezegd welke misdaden en welke misdrijven in aanmerking komen.

Wat het aanzetten tot het plegen van een misdrijf betreft op basis van het enige artikel van de wet van 7 juli 1875, kan een vervolging worden ingesteld tegen al wie rechtstreeks aanbiedt of voorstelt een met de dood of met dwangarbeid strafbare misdaad te plegen of aan dergelijke misdaad deel te nemen, alsook tegen al wie dusdanig aanbod of voorstel aanneemt.

Om die bepaling haar werkelijke draagwijdte te geven, moet men er de regels op toepassen van de wet van 10 juli 1996 tot afschaffing van de doodstraf en tot wijziging van de criminele straffen. Op basis van die regels wordt de doodstraf vervangen door een levenslange opsluiting of hechtenis en wordt dwangarbeid vervangen door opsluiting van twintig of dertig jaar, naar gelang van het geval.

Ongeacht of ze in België of in het buitenland worden gepleegd, moeten de feiten waarbij sprake is van aanzetting, op het ogenblik dat ze gepleegd werden, een misdaad zijn in de zin van het Belgisch strafrecht en strafbaar zijn met de strengste straffen waarin het strafrecht voorziet. Het gaat om een misdrijf, ook als er geen gevolg is. Naast de aanzetting wordt geen enkel misdrijf gepleegd als dusdanig. De mondelinge aanzetting en aanneming zijn evenwel niet strafbaar, tenzij de aanzetting gepaard gaat met of ondergeschikt is aan giften of beloften.

Het misdrijf kan worden bestraft met een gevangenisstraf van drie maanden tot vijf jaar. Die straf is gebaseerd op een misdrijf. Bijgevolg zijn de pogingen tot aanzetting niet strafbaar.

Overigens voorzien de twee eerste paragrafen van artikel 1 van de wet van 25 maart 1891 in de mogelijkheid om personen te vervolgen die rechtstreeks en kwaadwillig aangezet hebben tot het plegen van feiten door de wet misdaden genoemd of van bepaalde als misdrijven omschreven feiten, die exhaustief zijn opgesomd in paragraaf 2 van artikel 1. Het aantal misdrijven dat aanleiding kan geven tot een straf wegens de aanzetting om er een te plegen, is dus veel hoger dan in de voornoemde wet van 1875. De wet van 1891 zegt ook dat de aanzetting niet noodzakelijk gevolgen moet hebben om strafbaar te zijn. Net als in de wet van 1875 moet de aanzetting betrekking hebben op een feit dat in het Belgisch strafrecht als een misdrijf of een wanbedrijf wordt beschouwd.

Om strafbaar te zijn, moet de aanzetting tenminste "geconcretiseerd" zijn door woorden, in openbare bijeenkomsten of plaatsen uitgesproken, of door geschriften, drukwerken, prenten of zinnebeelden die werden aangeplakt, rondgedeeld, verkocht, te koop aangeboden of openlijk ten toon gesteld voor het publiek.

De aanzetting tot het plegen van een als misdaad aangemerkt feit kan worden bestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot drie jaar. De aanzetting tot het plegen van een als misdrijf aangemerkt feit kan worden bestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden. Deze straffen zijn gebaseerd op een misdrijf. De pogingen tot aanzetting zijn bijgevolg niet strafbaar. Artikel 4 van de wet bepaalt overigens dat de strafvordering en de burgerlijke rechtsvordering verjaren door verloop van drie maanden, te rekenen van de dag waarop het misdrijf is gepleegd.

Naast de misdrijven van gemeen recht die kunnen worden gepleegd door een terroristische groepering, zoals moord of gijzelneming, die volgens het Belgisch recht criminele straffen zijn, kan krachtens de wet van 20 december 1852 ook de belediging van het hoofd van een vreemd staatsbestuur als een misdrijf worden beschouwd.

Volgens de wet van 12 maart 1858 betreffende de misdaden en de wanbedrijven die afbreuk doen aan de internationale betrekkingen, worden de aanslagen op hoofden van een vreemd staatsbestuur eveneens beschouwd als misdaden. Nog volgens die wet wordt een complot dat tot oogmerk heeft "hetzij de vorm van een vreemd staatsbestuur te vernietigen of te veranderen, hetzij de inwoners van een ander land aan te zetten om tegen het gezag van het hoofd van het staatsbestuur van dat land de wapens op te nemen" beschouwd als een misdrijf.

Op de vraag of het toelaten van dit soort ontmoetingen verenigbaar is met de internationale verplichtingen van België om het terrorisme te bestrijden, kan ik alleen antwoorden dat er geen algemeen internationaal verdrag betreffende de bestrijding van het terrorisme bestaat. Onder de auspiciën van de VN worden thans onderhandelingen gevoerd over een ontwerp van verdrag. Er bestaan evenwel een dozijn sectorale verdragen, bijvoorbeeld over luchtpiraterij, die specifieke daden veroordelen.

De heer Wim Verreycken (VL. BLOK). - Ik dank de minister voor zijn uitgebreid en duidelijk antwoord.

Ik begrijp niet dat de mensen die informatie over dergelijke kwesties moeten verzamelen, beweren niet te kunnen aantonen dat de betrokkene aanwezig was. Op het internet lees ik in de persmededeling van de inrichtende organisatie immers dat de heer Sison iets te laat kwam op het seminarie, omdat hij deelnam aan een andere onderhandeling in Oslo. Als de inrichtende organisatie dit in een persmededeling meedeelt, moeten onze informatiediensten zijn aanwezigheid toch ook hebben kunnen vaststellen.

Dergelijke uitspraken zijn inderdaad pas strafbaar wanneer ze publiek worden gedaan. In privé-vergaderingen mag iedereen vertellen wat hij wil. In de huidige situatie hebben uitspraken gepubliceerd op het internet volgens mij een publiek karakter. De betrokken uitspraken roepen duidelijk op tot een gewapende revolutie en zijn op Belgische websites te vinden.

Ik zal de Nederlandse autoriteiten vragen hoe het daar gesteld is met het politiek asiel en het misbruik ervan. Ik besef evenwel dat ze niet verplicht zijn op mijn verzoek in te gaan

De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken. - Ik verzeker u dat ik de grootste waakzaamheid aan de dag leg tegenover elke subversieve of terroristische dreiging die een gevaar vormt voor de openbare orde. Ik doe dit met respect voor de grondwet en voor de wet en op grond van de door mijn diensten verstrekte informatie.

-Het incident is gesloten.

De voorzitter. - We zetten onze werkzaamheden voort vanmiddag om 15 uur.

(De vergadering wordt gesloten om 11.45 uur.)

Berichten van verhindering

Afwezig met bericht van verhindering: de heer Van den Brande, in het buitenland.

-Voor kennisgeving aangenomen.