2-83 | Belgische Senaat | 2-83 |
Waarschuwing: de blauwe kleur geeft aan dat het gaat om uit het Frans vertaalde samenvattingen.
Inoverwegingneming van voorstellen
Voorzitter: de heer Armand De Decker
(De vergadering wordt geopend om 15.10 uur.)
De voorzitter. - Met toepassing van artikel 21-4, tweede zin, van het Reglement werden de volgende wijzigingen in de samenstelling van bepaalde commissies aangebracht:
1° Commissie voor de Justitie:
2° Commissie voor de Sociale Aangelegenheden:
(Instemming)
De voorzitter. - De lijst van de in overweging te nemen voorstellen werd rondgedeeld.
Leden die opmerkingen mochten hebben, kunnen die vóór het einde van de vergadering mededelen.
Tenzij er afwijkende suggesties zijn, neem ik aan dat die voorstellen in overweging zijn genomen en verzonden naar de commissies die door het Bureau zijn aangewezen. (Instemming)
(De lijst van de in overweging genomen voorstellen wordt in de bijlage opgenomen.)
De heer Michel Barbeaux (PSC). - Van de PSC-fractieleider verneem ik dat sommige leden van het Bureau mijn vraag liever niet op de agenda hadden gezet. Aangezien het over een verklaring gaat die gisteren in Le Soir is verschenen, gaat mijn vraag wel degelijk een actueel onderwerp. Ik heb daarentegen mijn twijfels over de mondelinge vraag over de controle op VZW's, want dat onderwerp wordt besproken in een werkgroep van een commissie.
In Le Soir kon men krasse uitspraken lezen van de secretaris-generaal van het ministerie van Tewerkstelling en Arbeid over de plannen van de regering om in het kader van het Copernicusplan mandaten voor bestuursmanagers in te voeren. Hij stelde onder meer dat de manager met handen en voeten gebonden zal zijn aan de politieke overheid, dat dit het einde betekent van het statuut dat onafhankelijkheid en neutraliteit waarborgde en dat dit zou leiden tot overdreven politisering.
Zoals de vorige regering reeds in haar KB van 20 april 1999 besliste, wil de huidige regering een systeem van mandaten invoeren voor de uitoefening van managementfuncties binnen de federale administratie.
Het mandatensysteem is een belangrijk onderdeel van de modernisering van de administratie omdat het de leidende ambtenaren verantwoordelijk maakt. Wij zijn daar voorstander van op voorwaarde dat de managers over de nodige autonomie en middelen beschikken om de hun toevertrouwde taak uit te voeren. Ik weet dat dit ook de bedoeling is van de minister.
De huidige regering heeft het KB van 20 april 1999 geschorst en een nieuw mandatensysteem gecreëerd dat op een zeer belangrijk punt afwijkt van het vorige: de leidinggevende functie is niet langer statutair maar wordt contractueel. Niet alleen kunnen mensen uit de privé-sector worden aangetrokken voor de twee hoogste bestuursfuncties, maar bovendien moeten de ambtenaren die een dergelijk mandaat willen uitoefenen, ontslag nemen en gedurende 4 of 6 jaar, naargelang het geval, contractueel worden.
Hoe denkt de regering deze "privatisering" van de hoogste bestuursfuncties te verzoenen met de wil tot depolitisering en met de onafhankelijkheid en onpartijdigheid die vereist zijn voor de uitoefening van het openbaar ambt?
Het statuut-Camus werd in 1937 ingevoerd om komaf te maken met de willekeur van de overheid. Men mag die willekeur niet opnieuw mogelijk maken. Dit valt nochtans te vrezen, want in de motivering van de contractualisering staat te lezen dat wanneer het vertrouwen tussen politici en manager is aangetast, de partijen de mogelijkheid moeten hebben om het contract te beëindigen.
Ik weet dat de minister de autonomie van de leidinggevende ambtenaren wil vergroten, maar misschien denken niet alle ministers er zo over en betekent de mogelijkheid om het contract te beëindigen een gevaar voor de onafhankelijkheid van de bestuursmanagers.
De heer Luc Van den Bossche, minister van Ambtenarenzaken en Modernisering van de openbare besturen. - Ik heb net als de heer Barbeaux het artikel gelezen. De uitspraak van de heer Jadot over overdreven politisering vond ik zeer vermakelijk. De heer Jadot is zijn loopbaan begonnen bij de FGTB en was meermaals kabinetschef, maar werd natuurlijk nooit politiek benoemd. Sommigen hebben dat misschien gedacht, ik nooit!
Ik vind de heer Jadot een verstandig en moedig man en ik zal nooit reageren op verklaringen van een secretaris-generaal aan de pers. Als hij mij iets te zeggen heeft, zijn daar geëigende kanalen voor.
Het is juist dat de mandaten vroeger waren voorbehouden aan statutaire ambtenaren. Nu kan een dergelijk mandaat worden uitgeoefend door een voormalig statutair ambtenaar of door een persoon uit de privé-sector.
Zo komen we tot een vrij moeilijke en technische discussie. Als men ervan uitgaat dat het pensioen voor de ambtenaar een vorm van uitgesteld loon is en dit ook zo blijft tijdens de uitoefening van het mandaat, dan moet de manager uit de privé-sector die een mandaat uitoefent een hoger salaris ontvangen, indien men hem op voet van gelijkheid wil behandelen. Dat is evenwel niet mogelijk en daarom vind ik het redelijk dat beiden voor de duur van hun mandaat een contract afsluiten. Als het mandaat bij de afloop niet wordt vernieuwd, is er een nieuwe ongelijkheid: de voormalige ambtenaar keert terug naar zijn statuut en het contract van de persoon uit de privé-sector wordt gewoon beëindigd.
Dit alles heeft niets te maken met politisering. Wat is het belangrijkste: een contractueel of statutair dienstverband of een wetenschappelijke en objectieve selectie?
Volgens mij is dit laatste aspect het belangrijkste bij de analyse van het proces van depolitisering. Als het contractueel verband het belangrijkste element was, dan zouden de statutaire ambtenaren de gevolgen ondergaan van de depolitisering, maar zouden de contractuelen die objectief werden geselecteerd en die manager werden de facto gepolitiseerd zijn door hun contract. Er is geen verband tussen politisering en contractualisering, maar wel tussen een mogelijke politisering en de selectie.
De heer Michel Barbeaux (PSC). - Er zijn in het verleden inderdaad ook problemen geweest als gevolg van politisering, maar ik denk dat er een zekere mate van vertrouwen moet heersen tussen de politici en de mandatarissen. In dit geval is er veeleer een probleem van afhankelijkheid: de contractuele manager is afhankelijk van de minister omdat zijn contract na jaarlijkse evaluatie kan worden verbroken.
De heer Luc Van den Bossche, minister van Ambtenarenzaken en Modernisering van de openbare besturen. - Ik zal op dat punt terugkomen.
Wordt onpartijdigheid en neutraliteit beter gewaarborgd binnen een statutair dan wel binnen een contractueel verband? De statutaire benoemingen zijn ontstaan bij het begin van de 19de eeuw. Ze moesten de administratie de nodige onafhankelijkheid garanderen opdat ze niet langer zou doen wat de uitvoerende macht haar opdroeg, maar de burger zou bejegenen met inachtneming van de beginselen van gelijkheid en wettelijkheid.
Onafhankelijkheid is inderdaad een essentieel element. Hoe ze wordt verzekerd, is een andere zaak. Dit kan ook gebeuren via een contract. De heer Barbeaux vermeldde twee sleutelbegrippen: het contract en de middelen. In het managementcontract staat welke doelstellingen moeten worden bereikt en welke middelen daarvoor ter beschikking worden gesteld. Dit contract verleent de manager zijn macht, zijn verantwoordelijkheid en zijn autonomie. Het is duidelijk dat sedert het begin van de 19de eeuw de toestand enorm veranderd is en dat er nu andere methodes zijn om na te gaan of de onafhankelijkheid wel gewaarborgd is.
Tot slot haalde de heer Barbeaux een passage aan uit de regeringstekst, over de mogelijkheid om het contract te beëindigen wanneer het vertrouwen tussen de politici en de bestuursmanager is aangetast. Ik denk dat hij wat dit betreft gelijk heeft en dat het raadzaam is deze zinsnede te schrappen.
Mevrouw Marie Nagy (ECOLO). - De kranten maakten de jongste dagen gewag van een incident dat zich boven de gemeente Sint-Pieters-Woluwe heeft voorgedaan, in het verlengde van baan 25 van de luchthaven van Zaventem. Een piloot van Sabena heeft aan de journalisten verklaard dat zulke situaties zich op de luchthaven Brussel-Nationaal driemaal per maand zouden voordoen.
De kranten maakten ook gewag van een onderzoek dat door de diensten van de minister zou zijn uitgevoerd en van dringende maatregelen die de minister zou hebben genomen als reactie op deze gebeurtenissen, waaronder de verplichting om op 2.000 voet te vliegen in de plaats van op 1.700 nu, alvorens een bocht naar links te maken.
Volgens de omwonenden en de verenigingen die zich zorgen maken over het overvliegen van een hoofdstad met een miljoen inwoners kan deze maatregel als gevolg hebben dat de toestellen doorvliegen tot de dichtbevolkte gemeenten van het Brussels Gewest. Dit kan een gevaar betekenen voor de inwoners en het veroorzaakt bovendien lawaaihinder.
Wat zijn de resultaten van het onderzoek en hoe groot was het risico voor de personen die zich toen in Brussel bevonden?
Kan de minister ons zeggen wat de precieze aard en draagwijdte zijn van de beslissingen die zij heeft genomen? Denkt ze niet dat alleen een totaal verbod om een agglomeratie als Brussel te overvliegen het risico van een grote ramp kan uitschakelen?
Meent ze niet dat het gebrek aan transparantie en informatie in verband met dit soort gebeurtenissen de ongerustheid van de bevolking vergroot en dat het dus belangrijk is een kanaal te vinden dat correcte informatie geeft over de toestand?
Mevrouw Isabelle Durant, vice-eerste minister en minister van Mobiliteit en Vervoer. - Ik zal eerst uitleggen wat enkele dagen geleden werkelijk gebeurd is boven Sint-Pieters-Woluwe. Volgens een communiqué van Belgocontrol was een Sabena-vliegtuig net opgestegen van baan 25R, met een bocht naar links, en heeft een vliegtuig van Lufthansa, dat toestemming had gekregen om op de parallelle baan 25L te landen, plotseling moeten versnellen. Volgens de geldende procedures heeft de piloot de controletoren, die het onverwachte manoeuvre had opgemerkt, verwittigd en heeft de piloot instructies gekregen om zo snel mogelijk de standaardafstand tussen twee toestellen te herstellen.
Er is dus geen gevaarlijke situatie ontstaan die kon leiden tot een botsing. Bovendien was er steeds visuele controle. In tegenstelling tot bepaalde beelden in de pers en montages die de indruk wekten dat de vleugels van beide vliegtuigen mekaar gingen raken, heeft Belgocontrol via de controletoren onmiddellijk ingegrepen om de verplichte afstand tussen beide vliegtuigen te herstellen.
Belgocontrol heeft onmiddellijk interne maatregelen genomen om de coördinatie tussen de luchtverkeersleiders nog te verbeteren en de herhaling van dergelijke incidenten te voorkomen. Bovendien werden de procedures die worden gepubliceerd ter attentie van de piloten lichtjes aangepast.
Naast die dringende maatregelen is ook een onderzoek gevraagd om te weten te komen wat de echte problemen zijn. Dat onderzoek is toevertrouwd aan een onafhankelijke cel, die zijn conclusies moet bezorgen aan het bestuur van de luchtvaart. Deze instantie heeft Belgocontrol gevraagd de procedures te herzien teneinde alle risico's uit te schakelen.
Ik ben het ermee eens dat een gebrek aan informatie, en zeker verkeerde informatie, het angstgevoel van de omwonenden aanwakkert. In het kader van de opvolging van de overeenkomsten van 11 februari 2000 zal dan ook een informatie- en overlegkantoor worden geopend. Daar kunnen omwonenden, gemeenten en de betrokken plaatselijke overheden informatie krijgen van Belgocontrol en BIAC, en kunnen ze uiting geven aan hun vrees en feiten melden die ze hebben waargenomen. Dat zal niet alle problemen oplossen, maar het bevordert wel de wederzijdse informatie, wat absoluut noodzakelijk is.
Eveneens in het kader van de opvolging van de overeenkomst van 11 februari is begonnen met de herziening van de opstijg- en landingsprocedures. Een groep deskundigen, Probru genoemd, werd opgericht.
De absolute prioriteit van Probru is uiteraard het voorkomen van botsingen of bijna-ongevallen tussen vliegtuigen.
Vervolgens moet, eveneens uit veiligheidsoverwegingen, voorrang worden gegeven aan vliegroutes en opstijgprocedures waarmee het overvliegen van dichtbevolkte zones kan worden vermeden.
Ten slotte moeten routes en procedures worden gezocht waarbij, enerzijds, het aantal aan vliegtuighinder blootgestelde personen wordt verminderd en, anderzijds, de omvang van de hinder zelf wordt afneemt.
De door Belgocontrol voorgestelde wijziging van de opstijgprocedure van baan 25R werd aan die drie criteria getoetst en ze lijkt me het best mogelijke compromis. Ik heb nagegaan of die nieuwe bepaling het de vliegtuigen niet belet de kern van de Brusselse agglomeratie te ontwijken. Gegeven het huidige luchtverkeer beperkt het eerste criterium niettemin de mogelijkheden voor vliegtuigen die op Brussel-Nationaal opstijgen om een bocht naar links of naar rechts te maken en zodoende de hoofdstad volledig te ontwijken.
Boven alles rijst echter de vraag naar de groei of de verzadiging van de luchthaven en, in ieder geval, naar het aantal vluchten in Brussel-Nationaal.
In het kader van de overeenkomst van 11 februari is een studie gevraagd om na te gaan wat het statuut is van de luchthaven, hoeveel vluchten in Brussel-Nationaal plaatshebben en wat, uit economisch oogpunt en rekening houdend met de hinder en de veiligheidsrisico's, de vooruitzichten zijn voor de ontwikkeling van deze luchthaven of de verplaatsing van een gedeelte van de activiteiten op een termijn van twintig jaar. Die studie is nog aan de gang en de conclusies ervan zullen aan de federale regering worden meegedeeld.
Ik heb al voorstellen uitgewerkt voor de wijziging van de opstijg- en landingsprocedures en ik zal die binnenkort bespreken met mijn collega's in de regering. Het gaat over de naleving van de veiligheidsvoorschriften en de doelstellingen van de overeenkomst van 11 februari, namelijk zo weinig mogelijk mensen blootstellen aan lawaaihinder. Ik hoop dat we dit probleem zo spoedig mogelijk kunnen oplossen, op basis van de voorstellen van die groep.
Ik hoop dus dat vóór het einde van het jaar onze doelstelling van 11 februari kan worden nageleefd wat de opstijg- en landingsprocedures betreft, dat nooit wordt afgeweken van de veiligheidsvoorschriften en dat de inwoners worden geïnformeerd. Dat is zeer belangrijk, want er kan grote ongerustheid ontstaan als onvolledige of verkeerde informatie wordt gegeven.
Mevrouw Marie Nagy (ECOLO). - Ik dank de minister voor haar objectieve informatie.
Ik heb een dubbel verzoek. Zou het mogelijk zijn een evaluatie te krijgen van de nieuwe opstijgprocedure? Het tweede criterium, het overvliegen van dichtbevolkte zones, woog immer blijkbaar minder zwaar dan de twee andere.
Collega Galand en ikzelf zouden heel graag weten of de minister in het bezit is van het verslag dat is opgesteld naar aanleiding van het onderzoek en dat bestemd is voor Belgocontrol en voor het ministerie. We zouden ook willen weten of ze over alle beoordelingselementen beschikt.
De voorzitter. - De heer Luc Van den Bossche, minister van Ambtenarenzaken en Modernisering van de openbare besturen, antwoordt namens de heer Didier Reynders, minister van Financiën.
De heer Philippe Mahoux (PS). - In Le Soir van maandag 4 december 2000 werd melding gemaakt van vertraging bij het verzenden van de aanslagbiljetten aan de belastingplichtigen. De laattijdige versturing zou gevolgen hebben voor de belastinginning, ten belope van 3 tot 5 miljard.
Kan de minister deze informatie in Le Soir bevestigen, vooral de vermelde bedragen? Welke gevolgen zal deze situatie hebben voor de gemeentelijke financiën?
De ontvangsten van de gemeenten worden immers berekend als opcentiemen op de effectief geïnde federale belasting. Dit is één van de belangrijkste inkomstenbronnen van de gemeenten. Elke vertraging leidt onvermijdelijk tot beheersproblemen voor de gemeentelijke financiën.
De gemeenten stellen al enkele maanden een aanzienlijke daling vast van de inkomsten voor het aanslagjaar 2000. In de provincie Namen alleen zouden nog meer dan 180.000 artikelen moeten worden ingekohierd.
Een spoedige verbetering van de toestand wordt niet verwacht, want de informaticaproblemen zouden nog altijd niet zijn opgelost.
Welke maatregelen zal de minister nemen om die vertraging weg te werken en te voorkomen dat het opnieuw gebeurt?
De heer Luc Van den Bossche, minister van Ambtenarenzaken en Modernisering van de openbare besturen. - Ik lees het antwoord van mijn ambtgenoot.
"Het samenvallen van de voorbereiding van het jaar 2000 en de invoering van de euro noopte tot een keuze inzake informatisering. Daardoor is vertraging opgetreden in de behandeling van de aangiften voor het aanslagjaar 2000.
Voor de begroting betekent dit een verschuiving van vier miljard frank ontvangsten naar de begroting van 2001. Er is dus geen verlies van ontvangsten.
Voor de gemeentefinanciën werd, bij de berekening van de vooruitzichten voor 2000, rekening gehouden met het inkohieringsniveau van 1999.
Het inkohieringsniveau voor het aanslagjaar 2000 dat de belastingadministratie in 2000 bereikt, is echter niet gelijk aan het niveau dat in 1999 werd vastgesteld voor het aanslagjaar 1999. Hiervan ondervinden de 586 gemeenten, die opcentiemen heffen op de personenbelasting, een negatieve budgettaire weerslag. Deze is beperkt tot 1.076 miljoen frank vastgestelde rechten en 103 miljoen gerealiseerde ontvangsten.
Bij de bovengenoemde vooruitzichten is echter geen rekening gehouden met de totale aanzuivering van de achterstallige gemeentebelastingen. Ik heb zelf in september 2000 tot die aanzuivering beslist.
Op mijn verzoek is een bijzondere inspanning geleverd inzake de gemeentelijke opcentiemen op de personenbelasting om de enorme achterstallige bedragen die de federale Staat nog moest storten aan de gemeenten aan te zuiveren tegen uiterlijk eind januari 2001, in plaats van de betaling te spreiden over verschillende jaren.
Het probleem zegt veel over de stand van informatisering in het departement van Financiën. Gedurende enkele jaren waren de begrotingen amper voldoende om het materieel te onderhouden en enigszins te vernieuwen.
Zodra ik minister werd, heb ik mij ingezet om een substantiële verhoging van de informaticabegroting van het departement te krijgen. Dankzij het informaticaplan 2001-2005 dat ik bij de Ministerraad heb ingediend, stijgen de beschikbare middelen in 2001 met 540 miljoen ten opzichte van het jaar 2000. Die verhoging zal het mogelijk maken de uitrusting op peil te brengen en nieuwe projecten te ontwikkelen op basis van de moderne informatica- en communicatietechnologieën."
De heer Philippe Mahoux (PS). - Ik zal niet verder aandringen omdat minister Van den Bossche al zo vriendelijk was te antwoorden namens zijn ambtgenoot, de heer Reynders. Er wordt nu wel een versnelde terugbetaling van de achterstallige bedragen in het vooruitzicht wordt gesteld, maar het toch beter zou zijn die vertragingen te voorkomen!
Ik hoop dat de informaticasystemen gewijzigd worden zodat de gemeenten tijdig hun geld ontvangen.
De voorzitter. - De heer Luc Van den Bossche, minister van Ambtenarenzaken en Modernisering van de openbare besturen, antwoordt namens de heer Didier Reynders, minister van Financiën.
De heer Olivier de Clippele (PRL-FDF-MCC). - Ik steun ten volle de overeenkomst die in de Europese Raad van ministers bereikt is om op termijn een uniforme belasting van financiële beleggingen in de EU in te voeren.
Als ik het goed begrepen heb, hangt die overeenkomst af van bepaalde voorwaarden waaraan niet noodzakelijk vlug zal zijn voldaan.
Er komt geen eenvormige aanslagvoet, maar de lidstaten zullen informatie uitwisselen om fiscale fraude te bestrijden.
Die nieuwe regeling zal echter maar gelden voor de leningen die worden uitgegeven vanaf 1 maart 2001.
Wat zal gebeuren met de beleggingen in het buitenland die thans niet worden aangegeven door de Belgische fiscale ingezetenen?
Logisch gezien blijft de huidige wet van toepassing, zodat die beleggingen nog altijd in de personenbelasting in België moeten worden aangegeven, aangezien de begunstigde van die buitenlandse inkomsten een Belgische fiscale onderdaan is.
Denkt de minister niet dat het nuttig zou zijn die "onregelmatige" beleggingen te regulariseren? Het zou niet gaan om een amnestie die het verleden zou uitwissen, maar om de mogelijkheid voor spaarders, die de laatste vijf jaar de roerende voorheffing van 15% niet hebben betaald, een eenmalige regularisatiebelasting te betalen die gelijk is aan de belasting die ze hadden moeten betalen.
Wat is het standpunt van de minister daarover?
De heer Luc Van den Bossche, minister van Ambtenarenzaken en Modernisering van de openbare besturen. - Als uitvloeisel van de overeenkomst die de raad van ministers van Financiën en Economische Zaken van de Europese Unie op 27 november 2000 bereikt heeft, zou de "spaarrichtlijn" uiterlijk op 31 december 2002 in werking moeten treden.
Concreet betekent dit dat de Belgische fiscale overheid wordt ingelicht over de inkomsten van sommige rentegevende beleggingen van Belgische onderdanen in de andere lidstaten van de Europese Unie.
Tussen 1 januari 2003 en 31 december 2009 zullen de lidstaten van de Europese Unie, behalve Luxemburg en Oostenrijk, België informeren over de aan Belgische onderdanen uitbetaalde intresten, behalve de intresten op effecten van uitgiften waarvan de prospectussen door de bevoegde controleoverheid geviseerd zijn vóór 1 maart 2001 en, als er geen prospectus is, op uitgiften van vóór die datum.
Vanaf 1 januari 2010 informeren alle lidstaten van de Europese Unie België over alle inkomsten die tot de toepassingssfeer van de richtlijn behoren.
Deze inlichtingen zullen België in staat stellen de bepalingen van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen inzake sancties, aanslagtermijnen, enzovoort, adequaat toe te passen.
Er wordt ook een regularisatie voorgesteld voor de onregelmatige beleggingen in het buitenland. Een dergelijke fiscale amnestie is in het verleden ook al overwogen. Toen was het een aanmoediging om spontaan kapitalen terug naar ons land te brengen, omdat er geen dwingende internationale regels bestonden. Er lijkt nu geen reden meer te zijn om het te doen.
De heer Olivier de Clippele (PRL-FDF-MCC). - Het is moeilijk deze vraag te stellen terwijl de minister van Financiën niet aanwezig is. De overeenkomst heeft in feite betrekking op beleggingen vanaf 1 maart 2001. Daarmee is het probleem van de beleggingen van vóór die datum nog niet opgelost. Daarover ging mijn vraag. Blijkbaar is ze niet zo begrepen. Ik zal er dus op terugkomen.
(Voorzitter: mevrouw Sabine de Bethune, eerste ondervoorzitter.)
Mevrouw Myriam Vanlerberghe (SP). - Via de krant Het Laatste Nieuws vernam ik gisteren dat een bedrijf start met een zogenaamde "autologe" navelstrengbloedbank, een primeur voor België. Het bedrijf heeft dienaangaande een bestaande Amerikaanse licentie overgenomen.
In tegenstelling tot de navelstrengbloedbanken van de universiteiten die anonieme stamcellen bewaren ter beschikking van iedereen, bewaart het Mechelse laboratorium stamcellen uit het navelstrengbloed van baby's op naam voor een periode van minstens 20 jaar.
Het voordeel van een "autologe" bloedbank is dat bij eventuele transplantaties elk risico op afstoting wordt uitgesloten, het nadeel is de ongelijke toegang.
Kan de minister mij meedelen of er een wettelijk kader is voor die praktijken?
Kan de minister mij tevens meedelen wat haar houding is ten opzichte van dergelijke initiatieven en wat ze zal ondernemen om te voorkomen dat stamcellen enkel voor de "eigenaars" kunnen en zullen worden gebruikt?
De praktijk kan grote voordelen opleveren voor ouders en grootouders. Niet alle ouders of grootouders zullen er evenwel aan denken stamcellen te laten bewaren of zullen dit kunnen doen, want het kost minstens 40.000 frank. In het kader van de gelijke toegang tot de gezondheidszorg vraag ik aan de minister die praktijk van zeer nabij te volgen om te zien wat er kan worden gedaan vanuit het standpunt van de solidariteit bij ziekte.
Mevrouw Magda Aelvoet, minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu. - De wet van 5 juli 1994 betreffende bloed en bloedderivaten van menselijke oorsprong is van toepassing op menselijk bloed en bloedderivaten welke ook de bron moge zijn, dus ook op navelstrengbloed. Bijgevolg moet worden nagegaan of de activiteiten van genoemde firma in overeenstemming zijn met de voorwaarden van de wet van 1994. Op het eerste gezicht lijkt dat niet het geval te zijn.
Het verzamelen van menselijke stoffen zoals bloed, weefsels en organen is strikt door de wet geregeld. Wat bloed en bloedderivaten betreft, bepaalt de wet van 5 juli 1994 dat deze stoffen slechts door goedgekeurde instellingen verzameld mogen worden, dat de prijs door de minister vastgesteld wordt en dat alle reclame in verband met de distributie, de verstrekking en de aflevering van bloed verboden is. Bovendien bepaalt de wet dat de anonimiteit van de donor gewaarborgd moet worden, behalve in het geval van uiterste medische noodzaak en met dien verstaande dat de opspoorbaarheid van de producten wordt gewaarborgd.
Ik zal mijn inspectiediensten laten onderzoeken of de bestaande wettelijke voorschriften door CRYOCELL worden nageleefd. Als daar problemen zijn, zal elke inbreuk op de wettelijke bepalingen overeenkomstig de wet worden gestraft.
Een kleine factor van onzekerheid vloeit voort uit het feit dat toen de wet van 1994 werd goedgekeurd, nog geen navelstrengbloed werd verzameld. Met het oog op een gelijke toegang tot de gezondheidszorg, zal ik overwegen om voorstellen te formuleren om de wet aan deze nieuwe situatie aan te passen, mocht dit nodig blijken. In geen geval zal worden aanvaard dat deze praktijk in stilte wordt voortgezet.
Mevrouw Myriam Vanlerberghe (SP). - Ik ben blij dat de minister mijn bezorgdheid deelt en ik hoop dat een eventuele aanpassing van de wet ervoor zal zorgen dat niet alleen wie genoeg geld heeft, recht op bloed zal hebben.
Mevrouw Christine Cornet d'Elzius (PRL-FDF-MCC). - Twee weken geleden maakten de kranten melding van een ontdekking door AMDL, een Amerikaans biotechnologisch bedrijf uit Californië.
Met een eenvoudige bloedproef en een specifieke test kunnen dertien van de meest voorkomende soorten kanker worden opgespoord: borstkanker, dikkedarmkanker, longkanker, maagkanker, eierstokkanker, pancreaskanker, enzovoorts. De test detecteert een markeerstof in de bloedbaan, gekend onder de codenaam DR-70, die wijst op de aanwezigheid van een tumor.
Deze techniek is zeer interessant, zowel voor een grootschalige medische screening als voor patiënten met kankerantecedenten in de familie. Ze zal bijdragen tot het vroegtijdig opsporen van tumoren en kan jaarlijks duizenden mensenlevens redden. De test zou hooguit 5.000 frank kosten en de resultaten zouden voor 84% betrouwbaar zijn.
De Canadese overheid heeft deze techniek reeds goedgekeurd. De Amerikanen en de Britten zullen volgen. België heeft echter nog geen termijn bepaald.
Ik zou graag van mevrouw de minister vernemen welk belang zij hecht aan deze nieuw techniek en wat zij denkt te ondernemen om de ontwikkeling ervan in ons land aan te moedigen en te verzekeren.
Mevrouw Magda Aelvoet, minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu. - Dit soort van biologische markeerstof zou van groot belang kunnen zijn voor de volksgezondheid en voor de preventie. De firma heeft evenwel nog geen aanvraag tot erkenning ervan ingediend in België.
Een opsporingstest - en niet een diagnosetest - moet echter voor meer dan 95% betrouwbaar zijn, dit wil zeggen dat een negatieve uitslag met zeer grote waarschijnlijkheid moet aangeven dat de patiënt niet ziek is. Met zo een gevoelige test zijn veel valse positieve uitslagen mogelijk. Daarom moet deze test gecombineerd worden met een tweede test of met een zeer specifiek onderzoek.
Het komt er dus op aan te weten of men een systematische dan wel een gerichte opsporing wil organiseren. Er moet ook zekerheid bestaan over de intrinsieke waarde van de test. Bovendien is een kosten-batenanalyse nodig.
Vanzelfsprekend zullen mijn diensten de publicaties over de resultaten van deze nieuwe test aandachtig volgen.
Mevrouw Christine Cornet d'Elzius (PRL-FDF-MCC). - Ik dank u, mevrouw de minister, maar u hebt mij niet verteld of er in dit stadium al meer informatie werd ingewonnen.
Mevrouw Magda Aelvoet, minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu. - Het gaat om een zeer recente publicatie en de firma heeft in België nog geen aanvraag tot erkenning ingediend. Mijn diensten zullen uiteraard de publicaties over de resultaten van deze nieuwe test volgen en er de nodige besluiten uit trekken.
De voorzitter. - Mevrouw Magda Aelvoet, minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu, antwoordt namens de heer Frank Vandenbroucke, minister van Sociale Zaken en Pensioenen.
Mevrouw Mia De Schamphelaere (CVP). - In het voorjaar van 2000 werd veel gesproken over de wijze waarop de hoge Maribel-vermindering zou worden teruggevorderd van de ondernemingen die in de periode van 1 juli 1993 tot 30 juni 1997 deze vermindering van bijdragen hebben genoten.
Ondernemingen die in de bedoelde periode maximaal 50 werknemers tewerkstelden, moesten niets terugbetalen. Ook werkgevers voor wie het verschil tussen de hoge Maribel-vermindering en de gewone Maribel-vermindering minder dan 100.000 Euro bedroeg, werden van terugbetaling vrijgesteld. Dit hield in dat het voordeel dat ingevolge de toekenning van de hoge Maribel-vermindering over de bedoelde periode was ontstaan, meer dan 5,3 miljoen frank moest bedragen om tot terugbetaling gehouden te zijn.
Er is altijd gesteld dat er bijzondere regels van terugbetaling of zelfs van vrijstelling van terugbetaling kunnen worden toegepast voor ondernemingen voor wie de terugbetaling tot moeilijkheden of herstructurering zou kunnen leiden. In deze mogelijkheid is uitdrukkelijk voorzien in artikel 37bis van de wet van 29 juni 1981 houdende algemene beginselen inzake sociale zekerheid. Nu blijkt dat de RSZ de ondernemingen die hierover een vraag stellen, antwoordt dat er helemaal geen koninklijk besluit komt en dat bedrijven die moeilijkheden ondervinden, geen enkele tegemoetkoming zullen krijgen.
Kan de minister het standpunt van de RSZ bevestigen? Welke uitleg kan worden gegeven aan de ondernemingen die hierdoor dreigen in ernstige financiële problemen te komen?
Mevrouw Magda Aelvoet, minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu. - Het geachte lid verwijst naar de terugvordering van de steun die in het kader van Maribel bis en ter werd verleend vanaf het derde trimester van 1993 tot en met het tweede trimester van 1997.
De Europese Commissie heeft op 4 december 1996 geoordeeld dat deze steun niet in overeenstemming was met de vigerende Europese regels. Dit oordeel werd bevestigd door een arrest van het Europese Hof van Justitie van 17 juni 1999. In de wet van 24 december 1999 werd de terugvorderingsprocedure waarnaar het geachte lid verwijst, geregeld.
Van de 745 betrokken werkgevers hebben er 569 voor een eenmalige terugbetaling geopteerd. Van een totaal verschuldigd bedrag van 11,11 miljard frank aan eenmalige terugstortingen werd tot op vandaag reeds 10,9 miljard betaald.
176 bedrijven hebben geopteerd voor een betaling per trimester, gespreid over 12 trimesters. Van een totaal verschuldigd bedrag van 3 miljard frank aan trimesteriële terugbetalingen werd reeds 494 miljoen betaald.
Artikel 103, §4, bepaalt inderdaad dat de Koning bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit bijzondere terugbetalingswijzen kan uitwerken voor de bedrijven die door de terugbetaling in moeilijkheden zouden komen, of hen kan vrijstellen van terugbetaling.
De vertegenwoordigers van de Europese Commissie hebben echter gemeld dat de overheid geen koninklijk besluit mag uitvaardigen waardoor op een algemene wijze betalingsvoorwaarden worden verleend aan bedrijven die ingevolge de terugbetaling van de steun in het kader van de Maribel bis en/of ter tot herstructurering zouden moeten overgaan. De Europese Commissie staat enkel algemene maatregelen toe die gelden voor alle bedrijven in moeilijkheden en die uiteraard conform de Europese richtsnoeren terzake moeten zijn.
De houding van de Europese Commissie is dus dat de ten onrechte ontvangen steun alleszins moet worden terugbetaald. Nadien kan, geval per geval, worden onderzocht of steunmaatregelen kunnen uitgewerkt worden conform de Europese richtsnoeren inzake steun aan bedrijven in moeilijkheden. In die zin is de minister het volledig met de RSZ eens.
De RSZ beschikt niet over de bevoegdheid om algemeen geldende maatregelen te nemen voor bedrijven in moeilijkheden. Specifieke maatregelen zijn, gelet op de houding van de Europese Commissie, uiteraard helemaal onaanvaardbaar.
De minister van Sociale Zaken heeft niet de bevoegdheid om maatregelen voor bedrijven in moeilijkheden te nemen. Bedrijven die van oordeel zijn dat zij ingevolge de terugbetaling tot herstructurering moeten overgaan of failliet dreigen te gaan, kunnen hierover een dossier indienen bij de minister van Werkgelegenheid. Elk dossier zal, zoals reeds gezegd, geval per geval moeten worden voorgelegd aan en worden onderzocht door de Europese Commissie.
Mevrouw Mia De Schamphelaere (CVP). - Ik dank de minister voor het antwoord, maar betreur wel dat met de aankondiging van het koninklijk besluit verwachtingen werden geschapen.
De voorzitter. - Dames en heren, er resten nog twee mondelinge vragen. Ik ben evenwel verplicht de vergadering te schorsen, vermits de minister van Justitie weerhouden is in de Kamer waar wordt gedebatteerd over een aantal regeringsontwerpen met betrekking tot Justitie en andere regeringsleden al evenmin beschikbaar zijn om te antwoorden op de geagendeerde vragen om uitleg.
(De vergadering wordt geschorst om 16.05 uur. Ze wordt hervat om 16.10 uur.)
De voorzitter. - Mevrouw Magda Aelvoet, minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu, antwoordt namens de heer Marc Verwilghen, minister van Justitie.
Mevrouw Meryem Kaçar (AGALEV). - De voorbije dagen lazen we in de kranten dat sommige VZW's bij de politie als gevaarlijk of verdacht gecatalogeerd staan. In het Gentse spreekt men zelfs van een tachtigtal verdachte VZW's. Blijkbaar gaat het vooral om VZW's van migranten en die worden dan ook strenger gecontroleerd. Het gaat hier om echte razzia's. Navraag bij de politie leert dat de basis voor deze razzia's erg dunnetjes is. Men viseert Turkse en Marokkaanse VZW's omdat die sneller het etiket "helers", "dealers", "druggebruikers" of "gokkers" opgekleefd krijgen.
De migrantenverenigingen vragen een adequate controle door de overheid op alle vlakken, financieel, fiscaal, strafrechtelijk, maar zonder machtsvertoon zodat migrantenverenigingen niet worden gecriminaliseerd. Ik betreur dat Turkse en Marokkaanse VZW's geviseerd worden, temeer omdat ze mee het minderhedenbeleid van de gemeenschappen uitvoeren.
In de senaatscommissie voor de Justitie werken we op het ogenblik aan een hervorming van de wet op de VZW's. Wettelijke middelen zijn belangrijk om alle nepverenigingen te kunnen aanpakken, maar effectiever is het de controles op alle VZW's op te voeren en dus niet alleen op de VZW's die door migranten zijn opgericht.
Kan de minister mij meedelen of er criteria bestaan om een VZW als verdacht of gevaarlijk te bestempelen en zo ja welke? Kunnen de controles niet doelgerichter uitgevoerd worden zonder de migrantenverenigingen te viseren? Worden er op vooraf vastgestelde tijdstippen en regelmatig controles uitgevoerd?
Mevrouw Magda Aelvoet, minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu. - De wet van 27 juni 1927 inzake de VZW's eiste dat drie vijfde van de effectieve leden van een VZW de Belgische nationaliteit moesten bezitten en voerde op die manier inderdaad een nationaliteitscriterium in. Ik vestig er de aandacht op dat deze discriminatie geen racistisch oogmerk had. Bovendien werd deze nationaliteitsvoorwaarde afgeschaft door de wet van 30 juni 2000.
De huidige hervorming van de wet op de VZW's tornt nergens aan het grondwettelijk principe van de vrijheid van vereniging.
Mevrouw Meryem Kaçar (AGALEV). - Ik betreur dat de minister van Justitie niet zelf op mijn vraag kon antwoorden, omdat dit probleem toch een belangrijke maatschappelijke weerslag heeft, vooral dan via bijdragen in de pers. Daarin wordt immers het beeld geschetst als zouden alle migrantenverenigingen in de criminele sfeer zitten. Ik had dus graag vernomen welke de aanpak van de minister van Justitie is. Het zijn toch de parketten die de VZW's op grond van strafbare feiten vervolgen. Ik zal mijn vraag dan ook opnieuw aan de minister persoonlijk stellen.
De voorzitter. - Mevrouw Magda Aelvoet, minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu, antwoordt namens de heer Marc Verwilghen, minister van Justitie.
De heer Mohamed Daif (PS). - De islamitische gemeenschap telt meer dan 300.000 leden. De islamitische eredienst is de tweede grootste van ons land. Onze Grondwet erkent de godsdienstvrijheid en de verschillende levensbeschouwelijke stromingen. De islamitische eredienst werd erkend door de wet van 19 juli 1974. Het Executief, dat de temporalia van de eredienst beheert, werd geïnstalleerd bij het koninklijk besluit van 3 mei 1999. Dat gebeurde nadat op 13 december 1998 democratische verkiezingen waren gehouden, een unicum in de islamitische wereld en in Europa in het bijzonder. Dit orgaan moest er komen omdat de islamitische gemeenschap met veel problemen wordt geconfronteerd zoals de totstandbrenging en organisatie van een administratie, de benoeming en opleiding van imams, de benoeming van leerkrachten godsdienst, aalmoezeniers, enzovoort.
Van de 17 leden waaruit het Executief zou moeten bestaan, zijn er momenteel 16 aangewezen. Hoewel het Executief meer dan anderhalf jaar geleden is geïnstalleerd, is het zeventiende lid nog altijd niet aangewezen. Op de voorzitter na zijn alle leden vrijwilligers. Het hoofdorgaan van de eredienst moet voldoende middelen krijgen om zijn opdracht te kunnen vervullen. Hoewel het Executief 65 miljoen had gevraagd, kreeg het in 2000 22 miljoen, veel minder dan nodig is om zijn vele opdrachten te vervullen. Er bestond grote hoop dat dit bedrag zou worden opgetrokken, maar die werd de kop ingedrukt toen bleek dat de islamitische eredienst in de begroting 2001 slechts 24,2 miljoen toegewezen krijgt.
De middelen voor de islamitische eredienst moeten worden verhoogd als we willen dat het Executief zijn opdrachten vervult. Als dit niet gebeurt, zal het orgaan in de ogen van de moslims niet langer geloofwaardig zijn. Deze situatie zou tot collectief ontslag kunnen leiden, wat voor de islamitische gemeenschap een grote teleurstelling zou zijn. Is de minister van Justitie van plan het budget voor de islamitische eredienst te verhogen? Waarom is het zeventiende lid van het Executief nog niet aangewezen?
Mevrouw Magda Aelvoet, minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu. - Vóór de verkiezing van de leden van het representatieve orgaan van de islamitische eredienst werd de verhouding tussen de verschillende nationaliteiten binnen het Executief vastgelegd. Van de 17 leden zouden er 7 Marokkanen, 4 Turken, 3 bekeerde Belgen en 3 vertegenwoordigers van andere nationaliteiten zijn. Bovendien werd bepaald dat de kandidaten moesten voldoen aan algemene voorwaarden inzake verkiesbaarheid en minstens houder moesten zijn van een diploma van hoger secundair onderwijs of een gelijkgesteld diploma. Ten slotte werd overeengekomen dat de kandidaten aan een veiligheidsonderzoek zouden worden onderworpen.
Na de verkiezingen en genoemd onderzoek bleek dat slechts zes Marokkaanse kandidaten aan alle voorwaarden voldeden. Er werden dus maar 16 personen voorgedragen. Dit voorstel werd overgenomen in het koninklijk besluit van 3 mei 1999 houdende erkenning van het Executief van de Moslims van België.
De samenstelling van het Executief is een interne kwestie. Artikel 2 van genoemd koninklijk besluit bepaalt dat "de Koning de op basis van de verkiezingsprocedure aan de Minister van Justitie voorgestelde leden van het Executief erkent". Bijgevolg moet het Executief een zeventiende lid voordragen met inachtneming van de destijds gestelde voorwaarden. Tot op heden is er nog geen voorstel gekomen.
Ter toepassing van het koninklijk besluit ontvangt het Executief van de Moslims van België een jaarlijkse subsidie uit de begroting van het ministerie van Justitie, die de werkingskosten moet dekken. Voor 2001 bedraagt deze subsidie 24 miljoen. Dit bedrag dekt de werkingskosten en is een tijdelijke regeling in afwachting van de complete installatie van de lokale gemeenschappen.
Bij de vaststelling van dit bedrag werd rekening gehouden met de activiteiten van het Executief. De minister heeft pas op 1 december 2000 een voorlopig reglement van inwendige orde ontvangen. Streefdoel is dat de islamitische eredienst vanaf de begroting 2002 volwaardig kan werken. Dit houdt in dat bepaalde lokale gemeenschappen worden erkend waarvan de imams door het ministerie van Justitie zullen worden betaald. Er wordt nog altijd onderhandeld over een lijst van gemeenschappen die moeten worden erkend.
Hierbij zal rekening worden gehouden met een verdeling op basis van nationaliteit en grondgebied. Voor sommige gemeenschappen zal de erkenning over de volgende jaren worden gespreid. Momenteel zijn 129 gemeenschappen voorgedragen voor erkenning door het Executief van de Moslims van België. Deze erkenning zal een aanzienlijke stijging van de financiële middelen van de islamitische gemeenschappen met zich meebrengen.
De heer Mohamed Daif (PS). - Het antwoord van de minister met betrekking tot de aanstelling van het zeventiende lid heeft verbaast mij enigszins.
Ik heb de indruk dat de Marokkaanse gemeenschap geen zeventiende lid heeft kunnen voordragen. Uit het antwoord heb ik begrepen dat het Executief voorstellen moet doen aan de minister.
De minister stelt trouwens dat hij niet bevoegd is voor de aanstelling. Krachtens het akkoord dat vóór de verkiezingen werd gesloten, moet hij zijn goedkeuring verlenen.
Ik heb begrepen dat de huidige middelen de kosten dekken, maar dat het Executief voor zijn opdracht bijkomende middelen nodig heeft omdat het moet kunnen beschikken over een administratie die het bijstaat bij de opstelling van de teksten en van de overeenkomsten die met de gemeenschappen moeten worden gesloten.
(Voorzitter: de heer Armand De Decker.)
De voorzitter. - Wij dienen thans over te gaan tot de geheime stemming voor de voordracht van twee kandidaten voor het ambt van Nederlandstalig rechter in het Arbitragehof dat thans vacant is.
Het lot wijst de dames de T' Serclaes en Willame-Boonen aan om de functie van stemopnemers te vervullen.
Er moeten twee stembeurten worden gehouden, respectievelijk voor de voordracht van de eerste kandidaat en voor de voordracht van de tweede kandidaat.
De heer Patrik Vankrunkelsven (VU-ID). - Ik zou het even willen hebben over de nieuwe meerderheid en de nieuwe politieke cultuur. Het Arbitragehof is samengesteld uit twaalf rechters, zes Franstalige en zes Nederlandstalige. Er komen twee plaatsen vrij. Ik hoor in de wandelgangen dat er een afspraak is tussen de meerderheid en de CVP om vandaag voor de heer Lavrijsen te stemmen en om de Kamer het voorrecht te geven bij een volgende stemming de heer Alen aan te wijzen. Ik vraag me af waar die nieuwe politieke cultuur is. Waar is de bereidheid vrouwen in belangrijke overleg- of beslissingsorganen een plaats te geven? Nu zetelt één vrouwelijke Franstalige rechter, die trouwens binnen het jaar ontslag zal nemen, in het Arbitragehof.
Ik vraag de meerderheid vandaag de kans te geven aan een vrouwelijke kandidaat, die overigens dezelfde staat van dienst kan voorleggen als de heer Lavrijsen. Waarop baseert de meerderheid zich overigens om de heer Lavrijsen, die een half jaar geleden van het Arbitragehof naar de Raad van State werd gestuurd, nu bij voorrang aan te stellen bij het Arbitragehof? Elke logica is hier zoek. Ik meende dat Agalev en Ecolo zich hadden voorgenomen voorrang te geven aan vrouwelijke kandidaten wanneer vrouwen en mannen op gelijke voet kandidaat zijn voor eenzelfde post. Vandaag hebben we hier de kans. Waarom krijgt een mannelijke kandidaat voorrang op een even bekwame kandidate die momenteel actief is in het Arbitragehof?
Mevrouw Jeannine Leduc (VLD). - De heer Lavrijsen was de beste kandidaat. Wij hebben geoordeeld op basis van zijn dossier en op grond van de hoorzittingen.
De heer Vincent Van Quickenborne (VU-ID). - Ik dacht dat de stemming geheim was.
De voorzitter. - Wij stemmen eerst over de voordracht van de eerste kandidaat.
De stemming begint met de naam van de heer De Grauwe.
(Tot de geheime stemming wordt overgegaan.)
(De naamlijsten worden in de bijlage opgenomen.)
De heer Vincent Van Quickenborne (VU-ID). - De VU-ID-fractie heeft jammer genoeg niet kunnen deelnemen aan het belangrijke debat van vanochtend over deze resolutie. We zullen ze goedkeuren om twee redenen.
Ten eerste moeten we leren uit het verleden. We hebben al zware financiële crisissen gekend en enkele landen zijn al in ellende gestort door blinde speculatie. Een taks kan die helpen bestrijden. Ten tweede moeten we ook inzake belastingen oog hebben voor rechtvaardigheid. Arbeid wordt nu te zwaar belast, zowel in de nationale als in de internationale context, inkomsten uit kapitaal daarentegen te weinig. Daarom zijn wij voorstander van de Spahnvariant van wat algemeen de Tobintaks wordt genoemd.
We richten hierbij een uitdrukkelijke oproep aan al onze collega's en in het bijzonder aan de heer Bodson van de PRL om de goede discussie in de commissie voor te zetten en respect op te brengen voor de gematigde houding van de collega's in de commissie, liefst door een stem voor, op zijn minst door een onthouding. Een tegenstem zou een slecht signaal zijn voor al diegenen die zich voor deze taks inzetten.
De voorzitter. - De heer Bodson heeft mij laten weten dat hij amendement nr. 11 op het opschrift intrekt.
We stemmen nu over amendement nr. 13 van de heer Caluwé.
Stemming nr. 1
Aanwezig: 58
Voor: 11
Tegen: 47
Onthoudingen: 0
-Het amendement is niet aangenomen.
De voorzitter. - We stemmen over amendement nr. 12 van de heer Bodson.
De heer Philippe Bodson (PRL-FDF-MCC). - Ik wil het uitvoerige debat van vanochtend in de commissie niet overdoen. Ik zou alleen willen zeggen dat ons voorstel van resolutie mijns inziens in tegenspraak is met wat wij hadden vooropgesteld. In de titel stellen wij voor de destabiliserende kapitaalstromen te verminderen en in de tekst zelf onderzoeken wij hoe een belasting op alle kapitaalstromen kan worden ingevoerd in de hoop aldus de destabiliserende kapitaalstromen te verminderen.
Ik denk dat dit een tegenspraak is. Als de belasting op alle kapitaalstromen bescheiden blijft, zal ze geen effect hebben op de destabiliserende kapitaalstromen. Als die belasting zwaar is, dan zal ze zware averechtse en negatieve gevolgen hebben waarmee geen enkel commissielid gelukkig zal zijn. Om die reden geef ik er in mijn amendement de voorkeur aan dat men zich ertoe beperkt te onderzoeken hoe een belasting op de destabiliserende en speculatieve kapitaalstromen kan worden ingevoerd.
De heer Jacky Morael (ECOLO). - Voor de collega's die vanochtend niet aanwezig waren, merk ik op dat de heer Bodson zichzelf tegenspreekt. Hij verzet zich tegen een belasting van alle kapitaalstromen maar zegt wel dat het onmogelijk is de speculatieve en destabiliserende kapitaalstromen te identificeren. We moeten dus wel een algemene maatregel nemen en de averechtse gevolgen ervan trachten op te vangen.
Stemming nr. 2
Aanwezig: 61
Voor: 10
Tegen: 37
Onthoudingen: 14
-Het amendement is niet aangenomen.
De voorzitter. - We stemmen nu over het voorstel van resolutie in zijn geheel.
Stemming nr. 3
Aanwezig: 62
Voor: 53
Tegen: 1
Onthoudingen: 8
-Het voorstel van resolutie is aangenomen.
-Het zal aan de minister van Financiën worden overgezonden.
Stemming nr. 4
Aanwezig: 62
Voor: 55
Tegen: 6
Onthoudingen: 1
-Het wetsontwerp is aangenomen.
-Het zal aan de Koning ter bekrachtiging worden voorgelegd.
Mevrouw Marie Nagy (ECOLO). - Wij kregen al de gelegenheid om ons ongenoegen over dit wetsvoorstel uit te drukken, alsook onze grondige onenigheid met de koers die de meerderheid voor de tweede keer kiest - in de commissie kwam deze strekking al naar voren. In de verklaring van de meerderheid en in de verklaringen aan de verschillende instanties heet het dat de cumulatie zal worden beperkt en dat een poging zal worden ondernomen om de gekozen mandaten zo goed mogelijk te verdelen, zodat de houders ervan ze ook echt kunnen uitoefenen. In naam van de ongelijkheid die enerzijds zou bestaan tussen de gemeenschapssenatoren en de andere parlementsleden, en anderzijds tussen de Europese afgevaardigden en de andere parlementsleden - en de heer Monfils is een voorvechter van deze ongelijkheid -, zetten sommigen onder ons een serieuze stap terug en in plaats van de cumulatie te beperken, stellen zij voor ze toe te staan voor mandaten in de schepencolleges.
Ik heb al beklemtoond dat dit in tegenspraak is met de verklaring van de meerderheid en met de nieuwe politieke cultuur. Wij zullen dus tegen dit voorstel stemmen. Ik denk dat het geenszins de goede richting uitgaat. (Applaus van de PSC)
De heer Frans Lozie (AGALEV). - De Agalev-fractie is uiteraard voorstander van het wegwerken van elke discriminatie onder parlementsleden in verband met de cumulregeling. Het voorstel gaat daar echter regelrecht tegenin. Wij verdedigen een algemeen cumulverbod tussen een parlementair en een uitvoerend mandaat op gemeentelijk niveau, zeker wanneer het gaat om gemeenten van meer dan 50.000 inwoners. Om deze redenen en om de redenen die mevrouw Nagy heeft verdedigd, zullen wij tegen het voorstel stemmen.
Mevrouw Magdeleine Willame-Boonen (PSC). - Ik ben verbaasd over de houding van een aantal fracties die het wetsvoorstel steunen waarover we straks stemmen.
De meeste partijen vroegen in februari 2000 dat de cumulatiebeperking en de onverenigbaarheden op de agenda van de commissie voor de politieke vernieuwing zouden worden geplaatst. Op 13 november vergaderde de commissie over de deontologie van het politiek mandaat. De commissieleden hebben toen opnieuw van gedachten gewisseld over cumulatie en decumulatie, verenigbaarheid en onverenigbaarheid van politieke mandaten.
Ecolo heeft daarover een standpunt ingenomen. Op 13 november stelde de PRL een moratorium voor in afwachting van een evaluatie van de nieuwe regeling over decumulatie die op 31 januari 2001 in werking treedt.
Het wetsvoorstel verwijst naar een vergissing en trekt nogal snel conclusies over de wil van de wetgever in 1999. Rekening houdend met de tijd die verliep vooraleer over de wet van 4 mei 1999 kon worden gestemd, klinkt het argument van een simpele vergissing weinig geloofwaardig.
De wet die op 15 mei 1998 werd ingediend, werd door de Senaat op 25 maart 1999 aangenomen. Ze werd tweemaal door de Senaat en één keer door de Kamer behandeld. De Kamer, de Senaat en hun respectieve commissies hebben artikel 42, eerste alinea, verschillende keren gelezen, terwijl één enkele lezing van de tweede alinea had kunnen volstaan om de vergissing te vermijden.
Het was dus niet de bedoeling van de wetgever om de onverenigbaarheid tussen een Europees parlementair mandaat en een uitvoerend gemeentelijk mandaat op te heffen. Het gaat dus niet op vandaag te beweren dat men verstrooid was. Ik vind dat de staten-generaal-Langendries maar een stap waren, zij het een belangrijke en fundamentele, in de richting van de versterking van de politieke deontologie.
Ik maak mij ongerust over de reactie van de burger als hij zal vernemen dat het Parlement gelegenheidswetten goedkeurt om de posities van mandatarissen veilig te stellen.
Het is de derde keer in deze zittingsperiode dat men onverenigbaarheden en cumulatiebeperkingen opheft. Een eerste keer ging het om ministers, oud-ministers, ministers van Staat en om leden en oud-leden van de wetgevende Kamers. De tweede opheffing had betrekking op de cumulatie van een politiek mandaat met dat van gemeenteontvanger. Vanmiddag is het de derde keer. Mijn fractie zal tegen dit voorstel stemmen.
De heer Vincent Van Quickenborne (VU-ID). - De fractie van VU-ID zal het voorstel niet goedkeuren.
Ten eerste, weigeren we onze medewerking te verlenen aan wetsvoorstellen die geschreven zijn op maat van individuen. Als wetgevers moeten wij het algemeen belang dienen en niet dat van enkele personen, laat staan dat van één persoon. Ten tweede, gaat de tendens in de politiek en hopelijk ook in de nieuwe meerderheid, in de richting van decumulatie als uiting van een nieuwe politieke cultuur. Dit voorstel gaat echter in de omgekeerde richting.
Ten derde, lijkt ons het cumuleren van een mandaat van Europees parlementslid en dat van burgemeester bijzonder moeilijk, niet alleen omwille van de locatie, maar ook omwille van het belang van de functie van Europees parlementslid.
Mevrouw Clotilde Nyssens (PSC). - Ik spreek in de hoedanigheid van Schaarbeeks gemeenteraadslid. Ik heb een hekel aan gelegenheidswetten. Deze wet regelt het probleem van een of twee personen. Het schepenambt in een gemeente van 105.000 inwoners is een belangrijk mandaat, dat volgens mij moeilijk combineerbaar is met een Europees parlementair mandaat. Het is beledigend zowel voor Europa als voor een gemeente met 105.000 inwoners. Ik verzet mij uit alle kracht tegen een dergelijk voorstel. Er mogen geen gelegenheidswetten worden gemaakt voor iemand die te veel mandaten bekleedt.
De heer Philippe Monfils (PRL-FDF-MCC). - Ik stel vast dat collega's die anders altijd bijzonder gevoelig zijn voor ongelijkheid, oordelen dat de ongelijkheid die hier wordt voorgesteld, gerechtvaardigd is. Ik begrijp niet waarom een volksvertegenwoordiger of senator wel schepen mag zijn in een gemeente met 50.000 inwoners, maar een Europees parlementslid niet. Het gaat hier niet om mij. Als gewezen Europees parlementslid, heb ik niet de indruk dat ik, omdat ik drie dagen in Straatsburg verbleef, minder aanwezig zou geweest zijn in Brussel dan een kamerlid of een senator. Iedereen moet op dezelfde manier worden behandeld en dat heeft niets te maken met de cumulatie van welk parlementair mandaat ook, met een ander mandaat. Dit debat moet worden voorgezet in de commissie voor de politieke vernieuwing.
De heer Jacky Morael (ECOLO). - De PRL en vooral zijn voorzitter, spannen zich al geruime tijd in om de partij een zeer links profiel aan te meten. Er is heel wat te doen rond de 32-urige werkweek, de vierdagenweek en de loopbaanonderbreking, maar ik heb nog nooit gehoord van de driedagenmaand. De PRL holt zichzelf voorbij! (Applaus bij Ecolo en de PSC)
De voorzitter. - We stemmen nu over het wetsvoorstel in zijn geheel.
Stemming nr. 5
Aanwezig: 57
Voor: 32
Tegen: 24
Onthoudingen: 1
-Het wetsvoorstel is aangenomen.
-Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.
De voorzitter. - Het Bureau stelt voor volgende week deze agenda voor:
Donderdag 14 december 2000 te 15 uur
Inoverwegingneming van voorstellen.
Mondelinge vragen.
Evocatieprocedure
Wetsontwerp tot wijziging van diverse bepalingen betreffende de regeling inzake automatische vergoeding van de schade, geleden door zwakke weggebruikers en passagiers van motorrijtuigen; Stuk 2-478/1 tot 3.
Wetsvoorstel tot regeling van de debetrente op zichtrekeningen (van de heer Francis Poty c.s.); Stuk 2-345/1 tot 5.
Wetsontwerp tot goedkeuring van het Protocol tot wijziging van het Verdrag van 9 februari 1994 inzake de heffing van rechten voor het gebruik van bepaalde wegen door zware vrachtwagens, ter voldoening aan Richtlijn 1999/62/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 17 juni 1999 betreffende het in rekening brengen van het gebruik van bepaalde infrastructuurvoorzieningen aan zware vrachtvoertuigen ondertekend te Brussel op 22 maart 2000 door de regeringen van het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Zweden, en tot wijziging van de wet van 27 december 1994 tot goedkeuring van voormeld Verdrag en tot invoering van een Eurovignet overeenkomstig Richtlijn 93/89/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 oktober 1993; Stuk 2-583/1 tot 3. (Pro memorie)
Voorstel van resolutie betreffende het recht op terugkeer voor de Palestijnse vluchtelingen (van de heer Michiel Maertens c.s.); Stuk 2-507/1 tot 8. (Pro memorie)
Vanaf 17.00 uur: Naamstemmingen over de afgehandelde agendapunten in hun geheel.
Vragen om uitleg:
-De Senaat is het eens met deze regeling van de werkzaamheden.
De voorzitter. - Hier volgt de uitslag van de stemming over de voordracht van de eerste kandidaat voor het ambt van rechter in het Arbitragehof:
Aantal stemmenden: 60.
Blanco of ongeldige stembriefjes: 1.
Geldige stemmen: 59.
Tweederde meerderheid: 40.
De heer Luc Lavrijsen behaalt 43 stemmen.
Mevrouw Rita Leysen behaalt 10 stemmen.
De heer André Alen behaalt 6 stemmen.
Bijgevolg wordt de heer Luc Lavrijsen, die de tweederde meerderheid der stemmen behaald heeft, tot eerste kandidaat uitgeroepen.
We gaan nu stemmen over de voordracht van de tweede kandidaat.
Ik herinner er u aan dat u niet geldig meer kunt stemmen voor de heer Lavrijsen die uitgeroepen werd tot eerste kandidaat.
(Tot de geheime stemming wordt overgegaan.)
Mevrouw Sabine de Bethune (CVP). - Ik verneem dat er grote ongerustheid is over de continuïteit van een epidemiologisch onderzoek met betrekking tot de preventie van baarmoederhalskanker.
Er zou reeds verschillende jaren door het Wetenschappelijk Instituut voor volksgezondheid een kwaliteitsvol epidemiologisch onderzoek gevoerd worden dat enkel gericht is op de Vlaamse bevolking en dat voor een groot deel wordt gefinancierd door de Vlaamse Gemeenschap. Nu blijkt echter dat er tot op vandaag - tenzij er vorige week verandering in is gekomen - nog steeds geen garanties zijn voor de verdere financiering in het jaar 2001.
De minister kan tegenwerpen dat het om een gemeenschapsprobleem gaat, vermits het onderzoek door de Vlaamse Gemeenschap wordt gefinancierd, te maken heeft met preventie en gericht is op de Vlaamse bevolking. Toch wil ik deze vraag aan de minister stellen. Het onderzoeksteam behoort immers tot het federale Wetenschappelijk Instituut voor volksgezondheid, dat nauw samenwerkt met een Europees netwerk en in die Europese context een coördinerende opdracht heeft gekregen. Door deze Europese dimensie overstijgt het dossier de gemeenschapsmaterie.
De problematiek sluit bovendien ook aan bij de bevoegdheden van de federale overheid. Eigenlijk loopt dit dossier parallel met het dossier van de systematische opsporing van borstkanker, dat ook gedeeltelijk gemeenschapmaterie is, maar waarin de minister wel verantwoordelijkheden heeft opgenomen. Kan de minister niet, in samenwerking met de gemeenschappen, hetzelfde engagement opnemen ten aanzien van de problematiek van de opsporing van baarmoederhalskanker? Dit is mogelijk als er een goed afgesproken taakverdeling is, waarbij een deel wordt gefinancierd door de gemeenschappen en waarbij de coördinatie federaal gebeurt. De minister zou kunnen aansturen op een gelijke behandeling van heel de Belgische bevolking, een terugbetaling door het RIZIV, enzovoort. Op die manier kunnen de Europese kwaliteitsnormen, waaraan het onderzoek bij de Vlaamse bevolking nu reeds zou voldoen, worden gegarandeerd.
Kent de minister dit onderzoeksproject en kan hij het belang van dit project duiden?
Zal de minister op korte termijn overleggen met de Vlaamse Gemeenschap opdat dit onderzoek niet abrupt wordt beëindigd zonder mogelijkheid tot kwaliteitsvolle opvolging? Het zou jammer zijn dat de doelgroep die jarenlang wordt begeleid, plots niet verder wordt gevolgd en dat jarenlang preventief onderzoek verloren gaat.
Hoe zal de minister op federaal niveau zijn beleid uitbouwen op dit vlak van preventieve gezondheidszorg en een optimale samenwerking tot stand brengen tussen federale en gemeenschapsoverheden?
Kan dit onderzoek worden gekoppeld aan de actie ter opsporing van borstkanker? Onder meer de oproepingen tot onderzoek zouden op dezelfde manier kunnen worden georganiseerd. Is dit haalbaar?
De heer Frank Vandenbroucke, minister van Sociale Zaken en Pensioenen. - Op de eerste vraag van mevrouw de Bethune kan ik antwoorden dat ik het epidemiologisch onderzoek inzake de preventie van baarmoederhalskanker ken en het belang ervan onderschrijf.
De problematiek waarnaar zij verwijst, betreft in wezen een probleem van financiering door de Vlaamse Gemeenschap. Ik kan natuurlijk niet oordelen over de beweegredenen van de Vlaamse regering om de financiering van dit epidemiologisch onderzoek al dan niet verder te zetten. Ik kan daarover geen enkele uitspraak doen. Ik zou mevrouw de Bethune aanraden een Vlaams volksvertegenwoordiger aan te spreken die daarover de Vlaamse regering kan ondervragen.
Krachtens de bijzondere wet op de hervorming van de instellingen van 8 augustus 1980 behoort de preventie tot de bevoegdheid van de gemeenschappen. De federale overheid ontving tot op heden nog geen vraag van de Vlaamse regering tot medewerking aan het opstarten en/of het voortzetten van een dergelijk preventief onderzoek. Indien de gemeenschappen, de Vlaamse of een andere overleg wensen met betrekking tot preventieve activiteiten zoals cervixkankerscreening, dan is de federale overheid uiteraard bereid aan dit overleg mee te werken. Het vrijmaken van de nodige middelen door de diverse bevoegde overheden zal in geval van een dergelijk overleg in de toekomst ongetwijfeld één van de belangrijke discussiepunten zijn.
Maar ook daarover zou zij misschien een vraag moeten laten stellen aan de Vlaamse regering.
In geval een dergelijk overleg zou worden gestart, kunnen inderdaad aanknopingspunten worden gevonden in het op 25 oktober ondertekend protocolakkoord inzake borstkankerscreening. Het lijkt evident dat de ervaringen die inzake borstkankerscreening worden opgedaan en nog zullen worden opgedaan, nuttig kunnen zijn voor eventueel andere screeningactiviteiten.
Daarin heeft mevrouw de Bethune volkomen gelijk.
Mijnheer de voorzitter, ik wil er wel op wijzen dat de uitvoering van de systematische borstkankerscreening waarover het protocolakkoord gaat, toch nog een aantal stappen veronderstelt. Het is misschien beter om eerst een en ander uit te werken, zodat het goed werkt en er een zeker enthousiasme voor bestaat, vooraleer we daaraan allerhande andere dossiers gaan verbinden.
Mevrouw Sabine de Bethune (CVP). - Het verheugt mij dat de minister het mogelijk en wenselijk acht dat cervixkanker- en borstkankerscreening aan elkaar worden gekoppeld.
De minister stelt me wel teleur omdat hij niet proactief optreedt en dit punt niet zelf op de agenda van de interministeriële conferentie plaatst.
Het betreft uiteraard een bevoegdheid van de gemeenschappen, maar als hij overleg pleegt over de volksgezondheid, dan mag de minister toch wel een initiatief nemen om in het verlengde van wat reeds gebeurt, het debat te openen.
Ik heb uiteraard al overleg gepleegd met collega's in het Vlaams Parlement om de problematiek aan te kaarten. Toch zal ik er ook op federaal niveau blijven op aansturen.
-Het incident is gesloten.
De voorzitter. - Hier volgt de uitslag van de stemming over de voordracht van de tweede kandidaat voor het ambt van rechter in het Arbitragehof:
Aantal stemmenden: 59.
Blanco of ongeldige stembriefjes: 2.
Geldige stemmen: 57.
Volstrekte meerderheid: 38.
De heer André Alen behaalt 45 stemmen.
Mevrouw Rita Leysen behaalt 11 stemmen.
De heer Étienne Goethals behaalt 1 stem.
Bijgevolg wordt de heer André Alen, die de twee derde meerderheid der stemmen behaald heeft, tot tweede kandidaat uitgeroepen.
Van deze voordrachten zal kennis worden gegeven aan de eerste minister en aan de eerste voorzitter van het Arbitragehof.
De voorzitter. - De heer Charles Picqué, minister van Economie en Wetenschappelijk Onderzoek, antwoordt namens de heer Guy Verhofstadt, eerste minister.
De heer Wim Verreycken (VL. BLOK). - Het is hallucinant dat de regeringsleden hier zelf moeten antwoorden op vragen over hun eigen opmerkingen. Het lijkt me nogal evident dat minister Picqué zijn eigen uitspraken niet zal tegenspreken. Maar goed, ik laat deze werkwijze voor rekening van de regering.
Alle politici van alle partijen moeten tegen een stootje kunnen, zelfs tegen een serieuze duw. In alle mogelijke teksten, pamfletten en artikelen worden zij geviseerd en met alle mogelijke scheldwoorden bedacht. Dat geldt niet alleen voor alledaagse politici, maar ook voor ministers.
Ik hoef er niet op te wijzen dat de eerste minister door politieke tegenstrevers soms de politieke myxomatose word toegewenst, dat sommigen hier de eerste minister Caligula hebben genoemd, dat in de gemeenteraad van Antwerpen een schepen `kazakdraaier' wordt genoemd.
Scheldwoorden zeggen alles over het niveau van de schelder, maar niets over de uitgescholdene.
Dat politieke dissidenten zoals wij het doelwit zijn van scheldwoorden, deert ons niet. De woorden "geus" en "brigand" waren oorspronkelijk immers scheldwoorden en hebben een lange weg afgelegd tot ze uiteindelijk in van Dale zijn terechtgekomen en inmiddels bijna als eretitels kunnen worden beschouwd.
Erger wordt het wanneer de scheldwoorden niet meer doen denken aan "cafétermen", maar de basisrechten van de burger aantasten.
Een minister heeft in dat opzicht een belangrijker functie dan de opsteller van een pamflet dat in de periode vóór de verkiezingen wordt verspreid. Hij moet een voorbeeldfunctie vervullen omdat hij geacht wordt de Grondwet te belichamen en omdat hij de verdediger moet zijn van het recht dat de burger aan de Grondwet ontleent. Het recht op de vrijheid van vereniging en het recht om zich in een politieke formatie thuis te voelen, mag door een minister geenszins worden beknot.
Op 26 november 2000 verklaarde de minister voor de RTBF dat het Vlaams Blok moet worden verboden. Die verklaring sluit nauw aan bij de uitspraak van zijn collega staatssecretaris Deleuze die op 31 oktober 2000 in Humo zei dat er een vuile strijd moet worden geleverd. Zijn woorden luidden: "Het is niet genoeg om met de rode vlag op de barricaden te staan zwaaien. Neen, er moet een vuile strijd tegen hen worden geleverd, met processen". Het zwaaien met rode vlaggen op barricaden, doet denken aan een staat die zich vroeger ook democratisch noemde. Ook in de DDR stond men ooit met rode vlaggen op barricaden te zwaaien om een vuile strijd te voeren tegen politieke tegenstrevers. Desondanks is de muur gevallen.
Nadat de Raad van State onze rechtsmiddelen had aanvaard en een regeringsbesluit had geschorst, merkte minister Onkelinx op dat de Raad van State kan worden verdacht van "fascistoïde tendensen".
Wat wil men nu eigenlijk? Volgens staatssecretaris Deleuze moeten er processen worden gevoerd, maar wanneer de rechter het Vlaams Blok gelijk geeft, moet hij het ontgelden.
Het gaat zelfs nog verder. Minister Duquesne verklaarde in de commissie voor de Binnenlandse Zaken en de Administratieve Aangelegenheden van de Senaat dat "de Raad van State reageerde zoals een gebuisde student in de rechten".
Waar gaat het naartoe wanneer wij twijfelen aan onze eigen rechters en ze in de ogen van de burger ongeloofwaardig maken omdat ze een uitspraak doen die niet bevalt?
Het gaat duidelijk om een campagne van Franstaligen, zelfs van Franstalige ministers, tegen Vlaamse kiezers.
Ik besef dat minister Picqué niets anders kan doen dan het antwoord van de eerste minister voorlezen. Ik had graag van de eerste minister vernomen of hij wil voortleven met echte democratische beginselen dan wel of hij opteert voor een "betuttelingstotalitarisme" dat herinneringen oproept aan de voormalige DDR.
Een kiezer moet de kans krijgen iemand terecht te wijzen. Daartoe heeft hij slechts één gelegenheid: in het kieshokje.
De kiezer heeft maar één mogelijkheid om dat te doen en dat is in het kieshokje. Alleen daar kan de kiezer om de zoveel jaar tonen het niet eens te zijn met de situatie. Wanneer hem dat verboden wordt door een politieke partij monddood te maken, dan gebruik ik inderdaad het woord totalitair niet ijdel. Het geeft de indruk dat na de processen, - denk maar aan het proces van gisteren waarbij wij ook weer gelijk kregen - wanneer een rechter zich niet voor een politieke kar laat spannen, de regering meent ineens de beschuldigde te moeten monddood maken. Dit is een foute invulling van de grondwettelijke rechten en vrijheden. De rechtsstaat moet worden gerespecteerd, ook door ministers.
Meent de eerste minister dat minister Picqué, die in zijn plaats zal antwoorden, in persoonlijke naam die reacties aan de RTBF gaf, net zoals de eerste minister dat verklaarde over de voorgaande opmerkingen? Of is dit een regeringsstandpunt? Dat zou wel eens kunnen, want ik heb reeds vier tot vijf ministers opgesomd die hetzelfde standpunt vertolken. Meent hij dat een politieke partij kan worden verboden omdat zij dissident is? Meent de eerste minister dat de vrije meningsuiting en de vrijheid om zich in een politieke partij te verenigen afgeschaft kan worden of eenzijdig worden beperkt door het verbod op een politieke partij? Het is geen tendentieuze vraag, maar een vraag naar de wijze waarop wij onze instellingen laten werken. Ik kan de minister verzekeren dat, als ik hier zou staan als minister en hier in een extreem linkse fractie zou zitten, ik nooit zou vragen die te verbieden. In een discussie tussen mezelf en de toenmalige voorzitter van het Vlaams Parlement, citeerde de heer Vanvelthoven Voltaire. Hij stelde het volledig oneens te zijn met wat ik zegde maar er alles aan te willen doen dat ik het zou kunnen blijven zeggen. Ik ben het daarmee eens. Ik zou er nooit voor pleiten een politieke partij te verbieden. Dat gaat me te ver en overstijgt de pamflettaire stijl van een verkiezing. Het is misschien goed dat ik rechtstreeks aan minister Picqué kan vragen of hij meent dat een politieke partij kan worden verboden. Ging het om een strikt persoonlijke reactie die de regering niet bindt? In dat geval moet de regering aan de geviseerde politieke partij op een of andere wijze laten weten dat zij de democratische beginselen genegen is en er niet aan denkt initiatieven te nemen om een politieke partij te verbieden.
De heer Charles Picqué, minister van Economie en Wetenschappelijk Onderzoek. - Ministers zijn politici en hebben als dusdanig het recht hun mening te zeggen, en dus niet alleen in het kader van hun ministeriële bevoegdheid. Het is altijd mijn standpunt geweest dat extreem-rechts moet worden verboden.
Ik ben ervan overtuigd dat de verklaringen van de staatssecretaris Deleuze, minister Onkelinx en anderen geen onderdeel zijn van een Franstalige campagne tegen de Vlaamse kiezers. Hun verklaringen zijn geen teken van ostracisme ten aanzien van de Vlaamse kiezers, want hetzelfde debat werd gevoerd in Franstalige politieke kringen.
In heb in een interview inderdaad gezegd dat de mogelijkheid om extreem-rechts te verbieden zou moeten worden onderzocht. Ik blijf ervan overtuigd dat dit spoor moet worden bestudeerd. Ik ben ook niet de eerste die zich in die zin uitspreekt.
Als extremisme, en dus ook het Vlaams Blok, een bedreiging vormt voor de democratie, moeten de democraten de oorzaken wegnemen die mensen ertoe aanzetten voor het extremisme te stemmen en moeten ze de ontplooiing verbieden van politieke bewegingen die op termijn de werking van onze instellingen dreigen te blokkeren. Wij onderzoeken de mogelijkheid om eventueel maatregelen te nemen die het probleem kunnen regelen, zij het gedeeltelijk. Ik denk daarbij aan het niet-financieren van sommige partijen of aan wettelijke bepalingen om de verspreiding te verhinderen van berichten of van propaganda die als onaanvaardbaar worden beoordeeld.
De verklaringen waarover het hier gaat, heb ik afgelegd in het kader van een VRT-debat over stemrecht van niet-Europeanen en moeten dan ook in de context van dat debat worden gezien. In dat debat waarbij stemrecht in verband werd gebracht met burgerlijkheid, sociale cohesie en symboliek hebben we ons afgezet tegen het Vlaams Blok. Belgen en Europeanen moeten in staat zijn het succes van het extremisme te stuiten. We mogen ons niet overgeven. Dat was de teneur van mijn uitspraken.
We moeten de oorzaken bestrijden die het succes van het extremisme in de hand werken en het debat daarover overschrijdt het bestaan van het Vlaams Blok. Die oorzaken zijn drieërlei.
Het simplisme en de miskenning van de burgers moet worden tegengegaan door informatie en opleiding.
Het egoïsme moet worden bestreden door een sociaal beleid en solidariteit ten bate van de minstbedeelden voor wie de democratie te vaak een beeld van tegenslag en mislukking oproept.
Ook de laksheid moet worden bestreden, want die schendt het vertrouwen in het openbaar gezag. Een gebrek aan openbaar gezag brengt bij de burger angst en verwarring teweeg.
Ook overdreven nationalisme kan een oorzaak zijn. Ik ken het argument volgens hetwelk de democratie de uitdrukking is van een pluralistische opinie. Democratie is echter ook breekbaar, ze mag in haar schoot niet de kiemen van haar eigen vernietiging voeden.
Dat zijn de overwegingen van iemand die niet anti-Vlaming is, ik denk dat ik dat heb bewezen, en die zich ook bewust is van de sociale problemen als veiligheid en immigratie. Als Brusselaar en als burgemeester van een van de armste gemeenten van het land, weet ik waarover ik spreek. Ik zou niet willen dat onze instellingen op korte termijn of op middellange termijn verlamd worden door het bestaan van extremisten.
Mijn bijdrage tot het debat was de democraten ertoe aan te sporen formules te ontwikkelen die de extremisten bestrijden. Ik heb daar niet namens de regering gesproken, maar een persoonlijk standpunt verdedigd. Ik ben vastberaden die strijd voort te zetten, maar dat veronderstelt dat wij de oorzaken van de opkomst of de groei van extreem-rechts aanpakken.
De heer Wim Verreycken (VL. BLOK). - Ik apprecieer het antwoord van de minister. Misschien was het goed de vraag rechtstreeks tot hem te richten en niet via een omweg langs de eerste minister. Ik moet hem toch op enkele tegenstrijdigheden wijzen. Zo is er de opmerking dat het Vlaams Blok in staat zou zijn om de instellingen te verlammen. In enkele gemeenten rond Antwerpen en in Antwerpen zelf zijn de instellingen verlamd door het cordon sanitaire. Die instellingen worden helemaal niet verlamd door het Vlaams Blok, integendeel. Wij zijn een onverbrekelijk deel van "de essentie van democratie". Er is geen macht zonder tegenmacht. Er is geen meerderheid zonder oppositie. Er zijn geen werknemers en werkgevers zonder vakbonden. Indien iedereen zich bekent tot het grote heilige gelijk van het midden, dan is er geen tegenmacht meer. Er zullen dus altijd uitersten zijn, die uitersten zijn de tegenmacht. Dissidentie op zich is uiteraard een uiterste. Daar kunnen we niet buiten. Ik heb er respect voor dat de minister de term extreem-rechts gebruikt, maar ik heb er problemen mee omdat deze nooit gekozen werd door de betrokkenen zelf. Hij wordt gebruikt als een gemakkelijk alibi dat iedereen die hem in de mond neemt, ontslaat van argumenteren. Men zegt bijvoorbeeld van iemand dat hij extreem-rechts is en men moet niet meer argumenteren, want zelf is men heilig en onaantastbaar. Dat is intellectueel niet eerlijk, men moet minstens durven argumenteren.
Een tweetal maanden geleden werd ik uitgenodigd voor een voordracht in de landdag van Baden-Württemberg. Daar merkten enkele parlementsleden bijvoorbeeld op dat de rechtse partijen een meetbare ventielfunctie vervullen. In het voormalige Oost-Duitsland, waar er geen rechtse partijen zijn en waar via een stem niet kan worden gezegd wat men wil en waartegen men protesteert, vinden de meeste brandstichtingen en geweldplegingen tegen asielzoekers plaats. In de Länder waar een ventiel is, waar een partij is die kan verwoorden wat de burger wil zeggen, namelijk dat hij boos is, dat hij anders wil stemmen, ligt het aantal brandstichtingen en geweldplegingen veel lager. Ik heb geen enkel probleem met een ventielfunctie als tegenmacht van een partij. Dat is de essentie van een samenspel. Daarom heb ik zo uitgehaald naar het gebruiken van scheldwoorden. De minister heeft er hier geen gebruikt, maar ik wil er wel op wijzen dat wij opgezadeld worden met alle mogelijke scheldnamen: van fascisten en nazi's tot zwarten en noem maar op. Het stoort mij niet, zolang ik weet dat wij een deel zijn van het samenspel tussen macht en tegenmacht. Dat was de zin van mijn vraag om uitleg en daarom verheugt het mij dat de minister daarop iets dieper is ingegaan. Dat geeft mij ook de gelegenheid hem mijn visie kenbaar te maken. Misschien kunnen wij dan ooit nog eens debatteren over "de essentie van democratie", namelijk dat de oppositie de kans moet krijgen om de kiezer voor haar te laten stemmen.
-Het incident is gesloten.
De heer Didier Ramoudt (VLD). - De voorzitter van de commissie voor de Justitie heeft van de stafhouder van de Franstalige balie van Brussel een uitnodiging ontvangen waarin de commissie wordt uitgenodigd om zich ter plaatse te vergewissen van de blijkbaar belabberde toestand van het Brusselse Justitiepaleis en de werkomstandigheden waarin de magistraten moeten werken. Deze uitnodiging vormt de aanleiding voor deze vraag om uitleg.
Heel wat gebouwen van de federale overheid bevinden zich in een belabberde staat. Dit is niet alleen demotiverend voor het personeel dat in die gebouwen moet werken: aangezien vele van deze gebouwen een historische waarde hebben, is een dergelijke afbrokkeling van ons cultuurhistorisch patrimonium ook nefast voor het imago van onze instellingen en ons land.
De kranten De Morgen en Financieel Economische Tijd van respectievelijk 19 en 20 oktober 2000 maken gewag van het feit dat de minister van plan zou zijn om de federale gebouwen over te hevelen naar een op de beurs genoteerde bevak. Een deel van de opbrengst hiervan zou worden aangewend voor de dringende renovatie van de kantoorgebouwen van de federale overheid en het cultuurhistorisch patrimonium, dat zou worden omgedoopt tot nationaal erfgoed.
De commissie is niet op de uitnodiging van de stafhouder ingegaan. Ze kan niet alle gebouwen in België die zich in een belabberde toestand bevinden, bezoeken. Om die reden had ik graag een antwoord gekregen op de volgende vragen. Ten eerste, klopt deze informatie en, zo ja, wat is de reden van de vooropgestelde operatie? Ten tweede, wat is desgevallend de stand van zaken in dit dossier en in welke mate heeft de regering hierover reeds een beslissing genomen? Ten derde, wat is de omvang van het bedoelde patrimonium? Ten vierde, op welke manier wordt dat patrimonium momenteel beheerd en op welke manier zal dat desgevallend in de toekomst gebeuren, zowel op financieel als organisatorisch vlak?
De heer Rik Daems, minister van Telecommunicatie en Overheidsbedrijven en Participaties. - Dankzij de vraag van de heer Ramoudt kan ik de Senaat inzicht geven in de wijze waarop het vastgoed dat voor de ambtenaren is bestemd, wordt beheerd.
De Regie der gebouwen beheert een portefeuille van 1.875 gebouwen, goed voor 6,2 miljoen m². De boekwaarde van dit patrimonium, gebaseerd op de vervangingswaarde min een residuwaarde, bedraagt 164 miljard. Dit is natuurlijk niet de marktwaarde. In sommige gevallen zal de boekwaarde hoger zijn dan de marktwaarde, in andere lager.
Het grote probleem bij het beheer van het vastgoedpatrimonium ten behoeve van de ambtenaren is dat er onvoldoende financiële middelen voorhanden zijn om dat patrimonium fatsoenlijk te onderhouden. De waarde van een gebouw dat niet wordt onderhouden, daalt zeer snel. Voor een goed onderhoud hebben we 400 frank per jaar per m² nodig, maar we beschikken maar over 100 frank.
Dat heeft geleid tot een aanzienlijke waardevermindering van het patrimonium. Daarom hebben we gezocht naar een manier om de waardevermindering tegen te gaan en tegelijkertijd de kwaliteit van de huisvesting van de ambtenaren te verhogen.
De regering heeft daarop het principe aanvaard om gebouwen die gewoon als kantoor worden gebruikt, niet langer door de overheid te laten bouwen en onderhouden, maar over te dragen aan de NV Sopima. Doordat wij de gebouwen aan Sopima verkopen en ze weer op lange termijn huren, verwerft de NV vaststaande inkomsten op lange termijn en kan ze bovendien vastgoedcertificaten uitgeven. De winst die wordt gerealiseerd, zal Sopima in staat stellen de gebouwen fatsoenlijk te onderhouden. Er is dus een dubbel effect: de waarde blijft behouden en de ambtenaar is goed gehuisvest.
Dit principe geldt voor eenvoudige kantoorgebouwen waarover geen discussie bestaat. Maar daarnaast zijn er gebouwen die geen eenvoudige kantoorgebouwen zijn, zoals een gevangenis of zoals een justitiepaleis, dat een zeker prestige heeft. Dergelijke gebouwen blijven beheerd door de Regie der gebouwen. De derde categorie van gebouwen bestaat uit monumenten, zoals de Congreskolom, die ook niet worden overgedragen en vallen onder het nationaal erfgoed.
In die hele operatie kadert het overdragen van kantoorgebouwen ten belope van ongeveer 60 miljard aan de NV Sopima. In een eerste fase, die in de begroting van 2001 is ingeschreven, gaat het om gebouwen ten belope van 12 miljard.
Momenteel heeft Sopima, naargelang van de waardering die wordt toegepast, tussen 14 en 16 miljard in portefeuille. Concreet betekent dit dat Sopima in een eerste fase over bijna 30 miljard actief beschikt. Dat is de massa die nodig is om een bevak te kunnen oprichten. Het is eerder aan de lage kant, maar daaraan kunnen bijna 50 miljard worden toegevoegd, waardoor op termijn een bevak van 75 tot 80 miljard zou ontstaan, of ongeveer het gemiddelde van Europa.
Als die gebouwen in een bevak ter waarde van 60 miljard terechtkomen en we ons daarmee niet moeten bezighouden, zullen de middelen, zowel voor personeel als inzake werking, kunnen worden besteed aan de overige gebouwen, zoals gerechtshoven, justitiepaleizen, gevangenissen, enerzijds, en monumenten of nationaal erfgoed, anderzijds, die op die manier behoorlijk kunnen worden beheerd.
De heer Didier Ramoudt (VLD). - Ik dank de minister voor zijn antwoord, maar graag kreeg ik een iets concreter beeld van de timing. De minister zegt dat ongeveer een vierde van de financiële middelen die nodig zijn om de gebouwen deftig te onderhouden, vandaag beschikbaar zijn. Heeft de minister een idee wanneer het volledige bedrag bereikt zal zijn? Ik denk trouwens dat er inzake onderhoud ook prioriteiten zullen moeten worden vastgelegd.
Wanneer het patrimonium enigszins wordt onttrokken aan de Regie der gebouwen, ontstaat er waarschijnlijk ook een personeelsoverschot. Zijn daar al oplossingen voor gevonden of is dat niet in de bespreking opgenomen?
De heer Rik Daems, minister van Telecommunicatie en Overheidsbedrijven en Participaties. - Er zijn eigenlijk drie categorieën van gebouwen. Voor de monumenten moeten we geen budget meer uittrekken, omdat de Nationale Loterij daarvoor een jaarbudget van 400 miljoen opzij zet. De kosten voor monumenten komen dus niet meer voor op de begroting van de Regie. Het budget van 60 miljard gaat naar Sopima. Dat is een besparing. Voor de rest, gerechtshoven, gevangenissen en dergelijke, komen we, zeer ruim geschat, op een kost van 400 frank per m². Dat lost het probleem globaal meteen op.
We kunnen hieruit niet zomaar meteen besluiten dat we minder personeel nodig zullen hebben. Er blijven mensen nodig om de contracten te beheren. In de Regie der gebouwen zal er dus een omschakeling in de specialisatie nodig zijn. Er komt een afdeling die gespecialiseerd is in het onderhouden van monumenten, een afdeling die het werk van vandaag blijft doen en een afdeling die gespecialiseerd is in contractbeheer voor het huisvesten van overheidsfunctionarissen. In het totaal zullen we inderdaad minder personeelsleden nodig hebben, maar het lijkt me logisch de natuurlijke afvloeiing haar werk te laten doen. Jobs die overbodig zijn geworden, moeten we inderdaad niet in stand houden.
De heer Didier Ramoudt (VLD). - Ik hoop dat de minister de prioriteiten zal leggen waar ze moeten worden gelegd. Ik denk hier meer bepaald aan alle gebouwen die met justitie te maken hebben.
De heer Rik Daems, minister van Telecommunicatie en Overheidsbedrijven en Participaties. - Ik kan hiermee alleen maar akkoord gaan. In Luik, Antwerpen en Gent worden er op het ogenblik nieuwe gerechtshoven opgetrokken. Zonder de prioriteiten van de heer Ramoudt te kennen, ben ik er dus al op ingegaan. Als dat geen anticipatief overheidsmanagement is...
-Het incident is gesloten.
De heer Jacques Santkin (PS). - De heer Juncker, de eerste minister van het Groothertogdom Luxemburg, verklaarde begin oktober in een interview in L'Avenir du Luxembourg dat de spoorlijn Brussel-Luxemburg erbarmelijk slecht is. Hij vergeleek ze met de lijn die Peking verbindt met Ulan-Bator. Ik ben nog nooit in Mongolië geweest, maar rijd al jaren op de lijn in kwestie en moet bekennen dat de kritiek van de eerste minister van het Groothertogdom terecht is.
Het is nochtans niet de eerste de beste lijn, want ze verbindt de drie steden die men vaak als Europese hoofdsteden betitelt, namelijk Straatsburg, Luxemburg en Brussel. Spijtig genoeg kan deze spoorlijn haar rol als Europese as niet naar behoren vervullen. De - soms aanzienlijke - vertragingen zijn de regel geworden en van stiptheid is maar zelden sprake.
Deze lijn moet dringend worden gemoderniseerd. Gelet op het belang van deze lijn voor Europa, moet men een Europese cofinanciering overwegen. Dit is ook voor andere spoorlijnen gebeurd. Geen enkel land kan de hoge kosten voor de aanpassing van de lijn alleen betalen. We hebben steeds een zeer goede relatie gehad met het Groothertogdom Luxemburg. Ik verwijs onder meer naar de spoorlijn Luxemburg-Gouvy-Luik. De overheid van het Groothertogdom is bereid een financiële bijdrage te leveren in het perspectief van een Europese cofinanciering.
Heeft België de Europese instanties reeds om financiële hulp gevraagd? Dit is de eerste stap die men moet doen om dit dossier tot een goed einde te brengen. Hoever staat het in België met de voorbereidende studies? De jongste jaren is hierover al heel wat studiewerk verricht en men heeft bijkomende studies aangekondigd. Hoever staat het hiermee? Dit is immers een werk dat jaren zal duren. Hoe zal men de werkzaamheden aanpakken om de hinder voor de reizigers zoveel mogelijk te beperken? De beperkte werkzaamheden die momenteel worden uitgevoerd, zorgen immers al voor grote vertragingen. Een aantal baanvakken moet volledig opnieuw worden aangelegd. Welke gevolgen zal dit hebben op organisatorisch vlak? Men kan zich inbeelden welke bijkomende vertragingen dit zal opleveren. Ten slotte is er nog een ander probleem. De nieuwe rijtuigen op de lijn Luxemburg-Brussel zijn werkelijk zeer mooi. Volgens de specialisten terzake zijn ze echter te licht, met als gevolg dat de trein in de winter bij de geringste oneffenheid tot stilstand komt.
Bovendien kan de trein daarna niet opnieuw vertrekken. Dit is erger dan in de tijd van de stoomtrein. Het toppunt is dat de trein door een locomotief van hetzelfde type moet worden voortgesleept omdat hij niet aan een ander type locomotief kan worden vastgekoppeld.
Men weet wanneer men vertrekt, maar niet wanneer men aankomt. Men moet dit hebben meegemaakt om te begrijpen dat de mensen het op een bepaald moment beu worden. Wat zal de NMBS doen om haar verkeerde keuze recht te zetten?
De heer Louis Siquet (PS). - Onlangs heb ik een interparlementaire vergadering bijgewoond van de Euregio Saarland-Lotharingen-Luxemburg. Lijn 162, die de drie steden verbindt waar de Europese instellingen zijn gevestigd, is er uiteraard ter sprake gekomen.
Ik sluit mij aan bij de heer Santkin. De aanwezige parlementsleden die het traject tussen Brussel en Luxemburg per trein hadden afgelegd, waren het eens over de slechte dienstverlening op deze lijn. Velen vroegen zich af hoe men deze belangrijke as kan moderniseren. De Luxemburgse parlementsleden stelden zelfs een cofinanciering voor.
Als Brussel de hoofdstad van Europa wil blijven, moeten we in de grote verkeersassen investeren. Lijn 162 is op dit vlak onbetwistbaar van prioritair belang.
Mevrouw de minister, ik hoop dat u alles in het werk zult stellen opdat er vlug een beslissing wordt genomen inzake de modernisering van deze verbinding. Wanneer zullen de werken worden aangevat?
Hebben de onderhandelingen met onze buurlanden, in het bijzonder met Luxemburg, en met de Europese instanties over een eventuele cofinanciering iets opgeleverd?
Mevrouw Isabelle Durant, vice-eerste minister en minister van Mobiliteit en Vervoer. - U hebt met enige humor de problemen van de treinreizigers op de lijn Brussel-Luxemburg geschetst.
Ik ondervind deze problemen ook persoonlijk omdat ik regelmatig de trein neem om de vergaderingen van de Raad in Luxemburg bij te wonen.
Ik wil dit probleem zeker niet ontkennen. De dienstverlening op de lijn is op zijn zachtst gezegd middelmatig. Een werkgroep, samengesteld uit vertegenwoordigers van de Luxemburgse, Franse en Belgische spoorwegen, is al verschillende malen bijeengekomen om een programma voor de verbetering van deze lijn uit te werken. Dit programma bestaat uit twee elementen: ten eerste, maatregelen op korte en middellange termijn met betrekking tot de kwaliteit van het rollend materieel en de duur van de reis; ten tweede, oplossingen op lange termijn voor de infrastructuur en de exploitatie van de lijn.
In de eerste plaats wil men de snelheid op de hele lijn verhogen, in het bijzonder vanaf Namen. Voorts zal de totstandbrenging van het GEN tussen Brussel en Ottignies voor een tijdwinst zorgen op het eerste gedeelte van de lijn.
Er zijn al heel wat nationale en internationale studies uitgevoerd over de verhoging van de snelheid op de lijn Brussel-Namen-Luxemburg. Momenteel wil men verbeterings- en moderniseringswerkzaamheden uitvoeren om de afstand tussen de stations Brussel-Luxemburg en Luxemburg in twee uur te kunnen afleggen met klassieke treinen. Na deze werkzaamheden zal men kantelbaktreinstellen kunnen gebruiken. Er moet worden onderzocht of deze treinstellen in internationaal verband kunnen worden ingezet, namelijk tussen Brussel, Luxemburg, Straatsburg en Bazel.
De tot op heden door de NMBS geraamde bedragen zijn nog niet opgenomen in het tienjarenplan. Wat dit investeringsplan betreft, wacht ik op een duidelijk voorstel van de NMBS. Dit voorstel moet in de loop van de volgende weken worden ingediend en moet de plannen, de bedragen en de timing van mogelijke projecten bevatten. Volgens de berekeningen zouden de kosten voor 1999 ongeveer 11 miljard bedragen. Dit bedrag zal waarschijnlijk lichtjes worden verhoogd omdat we inmiddels een jaar verder zijn. Twee derde van dit bedrag van 11 miljard zal worden besteed aan het onderhoud van de lijn. De rest zal worden gebruikt voor de financiering van de werkzaamheden om de capaciteit te verhogen. Dit is noodzakelijk om de snelheid te kunnen opdrijven.
Er moet nog een gedetailleerd tijdschema worden opgesteld. De eerste minister heeft in de regeringsverklaring van 17 oktober 2000 bevestigd dat de modernisering van deze lijn een van de prioriteiten van ons beleid is. Het ligt voor de hand dat deze modernisering niet vóór het einde van deze regeerperiode zal zijn afgerond, maar de eerste stappen moeten nu al worden gedaan. Wij hebben de doelstelling geformuleerd. De NMBS moet bepalen hoe zij deze verbeteringen wil realiseren in het kader van het tienjarenplan.
Op het eerste deel van de lijn zal, in het kader van de totstandbrenging van het GEN, tussen Brussel en Ottignies de capaciteit worden verhoogd door de lijn op vier sporen te brengen of door een aparte lijn aan te leggen om de bestaande lijn te ontlasten. Dat is de beruchte kwestie van de Waalse hogesnelheidslijn. De NMBS heeft de mogelijkheid geopperd om een nieuwe lijn aan te leggen langs de autosnelweg tussen Brussel en Daussoulx en een verbinding naar Gosselies. Ik sta positief tegenover dit plan, maar beschik nog niet over een gedetailleerde studie inzake bedragen en mogelijkheden. Mijn vragen over de risico's die een dergelijke lijn met zich mee kan brengen, werden nog niet beantwoord. Indien deze lijn er komt, zal de duur van de reis tussen Brussel en Namen nog maar twintig minuten bedragen, wat een aanzienlijke tijdwinst betekent.
De begroting van de NMBS omvat een bedrag van 65 miljard voor het GEN en dus voor het eerste deel van de lijn Brussel-Ottignies. Dit is het bedrag dat nodig wordt geacht om het baanvak tussen Brussel en Ottignies op vier sporen te brengen.
Er werd geen enkel officieel verzoek gericht aan de Europese Unie om bij te dragen in de kosten. De eerder genoemde werkgroep heeft de kwestie op zijn laatste vergadering evenwel besproken, zodat een verzoek om financiële steun bij de Europese Unie kan worden ingediend.
Ondanks de inmiddels aangebrachte verbeteringen hebben de reizigers het nog steeds over "middeleeuwse" toestanden. Nochtans werd er nieuw en comfortabel materieel op de lijn ingezet, dat helaas voor een aantal problemen zorgt. Volgens de NMBS is het nieuwe materieel niet lichter dan de stellen die vóór mei 2000 werden gebruikt. Anderzijds vergt het slepen van een AM96 - indien dit noodzakelijk is - andere middelen. De reisduur van de Eurocity Jean Monet werd reeds met 24 minuten verminderd. Het nieuwe materieel biedt heel wat voordelen voor de reizigers en maakt het Zuid-Oost-Frankrijk, Italië en Zwitserland gemakkelijker bereikbaar.
Dit zijn de punten die momenteel worden onderzocht. Het nieuwe materieel wordt verbeterd en men onderzoekt de mogelijkheid om steun te vragen aan de Europese Unie. In de marge van elke vergadering van de Raad overleg ik met de Luxemburgse minister van vervoer welke maatregelen wij moeten nemen om ervoor te zorgen dat onze plannen ook worden uitgevoerd.
Ten slotte neemt de verbetering van de lijn een belangrijke plaats in het tienjarenplan in. Deze aangelegenheid behoort tot de prioriteiten van de regering. De lijn moet niet alleen worden verbeterd omdat ze een belangrijke Europese as vormt, maar ook omdat ze een provincie doorkruist waar het openbaar vervoer weinig is ontwikkeld. Ik heb overigens reeds herhaaldelijk contact gehad met bewoners van deze streek, die een verbetering van de lijn eisen en voor een heropening van de lijn naar Bastogne pleiten.
De heer Jacques Santkin (PS). - Het ontbreken van een tijdschema verontrust ons. Dit is wellicht een teken dat de toestand nog jaren zal aanslepen.
Nu de Senaat een belangrijk debat voert over de verbetering van de mobiliteit, lijkt het paradoxaal dat men niet meer details kan geven.
Ik weet dat u afhankelijk bent van het tienjarenplan van de NMBS. Aangezien de regering de modernisering als een prioriteit beschouwt, hoop ik dat de NMBS daarmee rekening zal houden. De heer Siquet heeft er terecht op gewezen dat deze toestand veel schade berokkent aan de reputatie van België in het algemeen en van Brussel als hoofdstad van Europa. Als men het treinvervoer niet snel moderniseert, zal er geen oplossing komen voor de oververzadiging van het wegennet. Ik dring erop aan dat men deze aangelegenheid effectief als een prioriteit beschouwt en dat men een tijdschema opstelt waarbij met alle moeilijkheden rekening wordt gehouden.
-Het incident is gesloten.
De voorzitter. - Mevrouw de vice-eerste minister, op onze agenda staan vijf vragen om uitleg aan de minister van Justitie, die om 18.15 uur het debat over de politiewet in de plenaire vergadering van de Kamer moet bijwonen.
Bent u het ermee eens dat nu ik het woord geef aan mevrouw de T' Serclaes voor haar vraag om uitleg aan de minister van Justitie? (Instemming)
Mevrouw Nathalie de T' Serclaes (PRL-FDF-MCC). - Het Rekenhof wees er in een recent verslag op dat de financiële steunverlening door de overheid aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden, waarin de wet van 1 augustus 1985 voorziet, zeer stroef verloopt. Hetzelfde geldt voor de termijnen van schadeloosstelling.
In 1993 al gaf de Kamer uiting aan haar ongerustheid over het grote aantal hangende dossiers. In 1997 werd een hervorming doorgevoerd.
De belangrijkste wijzigingen hadden betrekking op de verruiming van de commissie, de versoepeling van een aantal voorwaarden inzake ontvankelijkheid en toekenning van steun, de uitbreiding van het aantal gedekte schadegevallen. Het secretariaat van de commissie werd versterkt en er kwam een sensibiliseringscampagne voor het grote publiek. Wij hadden gehoopt dat dit wetsontwerp de bestaande problemen zou oplossen. Niettemin duurde het tot mei 1998 vooraleer het aantal kamers van de commissie van twee tot zes kon worden optrokken. Bovendien konden deze vier bijkomende kamers pas in 1999 aan het werk.
Het Rekenhof stipt aan dat de commissie nu meer dossiers kan behandelen, maar dat het niet uitgesloten is dat nog andere maatregelen nodig zijn om de opgelopen achterstand in te halen. De commissie kan nu jaarlijks ongeveer 720 dossiers behandelen waarvan ze er 654 kan afwerken. In 1999 werden 715 aanvragen ingediend. Als alles bij het oude blijft zal de wachtlijst dus minstens onveranderd blijven en kan de toestand opnieuw verslechteren.
Het Rekenhof stelt voor het huisreglement aan te passen aan de nieuwe organisatie van de commissie en de kamers bijeen te roepen rekening houdend met de evolutie van de opgelopen achterstand en de nieuwe aanvragen. Het reglement moet ook doelstellingen bepalen zoals het aantal jaarlijks te nemen beslissingen en de termijn waarbinnen de achterstand moet zijn ingelopen.
Het Rekenhof raamt de termijn die theoretisch nodig is voor de behandeling van een dossier, op 17 maanden. In werkelijkheid bedraagt die termijn nu 32 maanden. Het Rekenhof schat dat er een periode van 5,5 jaar verloopt tussen het ogenblik van de gewelddaad en de schadeloosstelling van het slachtoffer. Dat komt omdat de strafrechtelijke procedure beëindigd moet zijn vooraleer het slachtoffer een aanvraag kan indienen.
De hervorming van 1997 heeft de procedure voor de behandeling van de dossiers niet gewijzigd, hoewel de Kamer in 1993 al gevraagd had deze in te korten en de toenmalige minister van Justitie de noodzaak ervan in zijn toelichting bij het ontwerp had onderstreept. Het Rekenhof beklemtoont eveneens dat de Europese overeenkomst voor de schadeloosstelling van slachtoffers van gewelddaden het mogelijk maakt dat de Staat tot schadeloosstelling overgaat nog vóór de gerechtelijke procedure is beëindigd. Het Hof stelt dan ook voor te onderzoeken of deze regel behouden moet blijven, temeer omdat dit in Frankrijk, Nederland of Zwitserland evenmin het geval is. De spoedprocedure waarin de wet voorziet, verloopt in feite niet sneller dan de normale procedure.
Het Hof stelt voor voorschotten toe te kennen of een echt systeem van spoedhulp in te voeren via een op het kort geding geïnspireerde, sterk vereenvoudigde procedure, die het mogelijk maakt na enkele weken de steun toe te kennen.
Het is goed dat dit 64 pagina's tellende verslag van het Rekenhof bestaat. We zouden de wetten die we stemmen vaker moeten evalueren en nagaan hoe ze worden toegepast.
We hebben ook kunnen vaststellen dat het fonds in 2000 een overschot van 881 miljoen zal hebben. Het is vreemd dat een dergelijk fonds zo'n grote spaarpot heeft, terwijl rechthebbenden zo lang op schadeloosstelling moeten wachten.
Mijnheer de minister, wat zal u met het verslag doen? Ik neem aan dat uw diensten er besluiten uit getrokken hebben. Welke maatregelen zal u nemen om de achterstand in te lopen en een nieuwe verslechtering van de toestand te voorkomen? In 1999 is het aantal ingediende dossiers immers fors toegenomen, nadat nogal wat publiciteit werd gemaakt rond het bestaan van dit fonds.
Welke maatregelen zal u nemen om de spoedprocedure ook te laten werken?
De heer Marc Verwilghen, minister van Justitie. - Mevrouw Brepoels interpelleerde mij in de Kamer over hetzelfde onderwerp. In mijn antwoord gaf ik heel wat cijfers over de evolutie van dit dossier.
Het verslag van het Rekenhof vat de toestand goed samen. Niettemin is de toestand sindsdien gunstig geëvolueerd. Door de aanwerving van bijkomend personeel en de verhoging van het aantal commissieleden, konden in het jaar 2000 vierenzestig zittingen worden gehouden. Het aantal beslissingen steeg spectaculair. In 1998 werden 193 beslissingen genomen, in 1999 waren dat er 530 en eind oktober 2000 623.
Het aantal beslissingen in 1999 en 2000, vertegenwoordigt ruim de helft van de beslissingen die de commissie ooit nam.
Het aantal beslissingen in de eerste helft van dit jaar overstijgt het aantal aanvragen dat in dezelfde periode werd ingediend. Spijtig genoeg wijzen de jongste cijfers erop dat het aantal nieuwe aanvragen in 2000 lichtjes hoger zal liggen dan het aantal beslissingen. Niettemin is het verschil met 1999 groot en hopen we dat de balans eind dit jaar positief zal uitvallen.
De gemiddelde tijd die nodig is per dossier is ook verbeterd. Voor de dossiers waarover tussen januari en september 2000 een beslissing werd genomen, bedroeg de gemiddelde behandelingstijd 16 maanden in gevallen van dringende hulp en 26 maanden als de normale procedure werd gevolgd.
De gewone steun kan dus vijf maanden vroeger worden toegekend dan dit het geval was toen het Rekenhof zijn onderzoek deed. Deze positieve resultaten werden mogelijk gemaakt dank zij de inzet van alle betrokkenen.
Toch heeft de commissie nog altijd te kampen met een achterstand omwille van personeelsgebrek, zowel in de commissies als op het secretariaat waar op het ogenblik twee personen ontbreken.
Bovendien waren in 1999 vier leden van het secretariaat met zwangerschapsverlof. Zij werden vervangen door één persoon en dan nog alleen tijdelijk.
Naast de aanwerving van competent personeel en de aanstellling van nieuwe leden, moet ook de procedure voor de commissie worden gewijzigd.
De administratie heeft de voorzitster van de commissie gevraagd welke aanpassingen nodig zijn. Zij heeft geantwoord dat ze alle leden van de commissie zou bijeenroepen om dat te bespreken en zij hoopt in de loop van december een nota te kunnen voorleggen. De administratie wacht op dat advies om een reeks wijzigingen voor te stellen. Het is niet de bedoeling de principes van de wet te veranderen, maar wel via de reglementering de doeltreffendheid te vergroten. We hebben al heel wat vooruitgang geboekt, maar er zijn nog meer inspanningen nodig om de toestand te verbeteren.
Mevrouw Nathalie de T' Serclaes (PRL-FDF-MCC). - Ik verheug mij over de cijfers die de minister heeft gegeven. Dat de Kamer de primeur had, heeft te maken met het feit dat de minister vorige keer niet aanwezig was.
Het zou interessant zijn het advies van de voorzitster met de minister te bespreken, teneinde na te gaan of het toch niet nodig is de wet aan te passen, meer bepaald om tegemoet te komen aan de kritiek van het Rekenhof dat eerst de gerechtelijke beslissingen moeten worden afgewacht. Een dergelijke regeling bestaat niet in andere wetgevingen en een wijziging zou er misschien kunnen voor zorgen dat de betrokkenen sneller worden uitbetaald.
-Het incident is gesloten.
De voorzitter. - Mijnheer de minister, hebt u nog tijd om op de vraag om uitleg van mevrouw Lizin te antwoorden?
De heer Marc Verwilghen, minister van Justitie. - Ik vrees van niet, mijnheer de voorzitter. Ik zou al in de Kamer moeten zijn. Bovendien beslaat mijn antwoord aan mevrouw Lizin tien pagina's.
De voorzitter. - Alle vragen om uitleg gericht aan de minister van Justitie zijn dus uitgesteld.
De voorzitter. - Mevrouw Isabelle Durant, vice-eerste minister en minister van Mobiliteit en Vervoer, antwoordt namens de heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken.
Mevrouw Martine Taelman (VLD). - Enkele weken geleden stelde ik reeds een vraag om uitleg aan de minister van Justitie om te weten te komen of de Belgische burgerlijke wetgeving sedert 1995 is veranderd wat de vorm- en grondvoorwaarden voor adoptie betreft. Op het eerste gezicht lijkt dit een overbodige vraag, aangezien de wetgeving nog niet is gewijzigd. Toch blijken er zich op het terrein zeer grote problemen van rechtszekerheid voor te doen over de interpretatie van het Vlaams decreet en de wisselwerking met de federale wetgeving. Daarom achtte ik het nodig ook aan de minister van Buitenlandse Zaken meer uitleg te vragen.
De Raad van State heeft reeds tot tweemaal toe geoordeeld dat het afleveren van een getuigschrift van bekwaamheid en geschiktheid tot adopteren behoort tot de bevoegdheid van de federale wetgever en niet tot die van de Vlaamse of Franse gemeenschap. Het is dan ook overduidelijk dat het systeem dat door het decreet van de Vlaamse gemeenschap van 15 juli 1997 werd ingesteld, gebaseerd is op vrijwilligheid. Artikel 3 zegt immers: "Dit decreet is van toepassing op alle interlandelijke adopties waarbij de kandidaat-adoptant de wens heeft uitgedrukt te willen adopteren, hetzij door bemiddeling van een erkende adoptiedienst, hetzij op zelfstandige wijze, maar toch een beginseltoestemming van de Vlaamse centrale autoriteit wenst te verkrijgen."
De jure kan er dus geen betwisting over bestaan dat, zolang er geen federale wetgeving bestaat die het verkrijgen van een beginseltoestemming voorafgaandelijk aan de adoptie zou opleggen, Vlaamse kandidaat-adoptanten ervoor kunnen opteren om niet de procedure via Kind en Gezin te volgen. De facto echter blijken voor bepaalde landen Vlaamse en federale administraties ervoor te zorgen dat de vrijwilligheid van de Belgische regelgeving een verplichting wordt. De burger weet daardoor niet meer wat zijn rechten en plichten zijn.
Voor Vietnam bijvoorbeeld is de situatie de volgende. Op 21 december 1998 is er aangaande adopties door Belgen in het buitenland overleg geweest tussen het ministerie van Buitenlandse Zaken en de gemeenschappen; Daar werd beweerd dat na de datum van 21 december 1998, attesten aangaande adoptiebekwaamheid enkel worden gegeven door ACAI en door Kind en Gezin en dat uitspraken van notarissen of procureurs geen juridische waarde hebben. Tot die datum werden ook door het ministerie van Buitenlandse Zaken attesten gegeven ter bevestiging dat kandidaat-adoptanten voldoen aan de grond- en vormvoorwaarden van het Burgerlijk Wetboek om te adopteren.
De heer Luc Martens, destijds Vlaams minister van Gezin en Welzijn, schreef in een brief van 23 april 1999: "Ingevolge een beslissing van het ministerie van Buitenlandse Zaken d.d. 21 december 1998 worden geen attesten meer verleend houdende een verklaring dat de kandidaat-adoptanten beantwoorden aan de Belgische vereisten tot adoptie."
Vietnam eist, minstens sinds 1995, dus ruim voor het systeem zoals bepaald in het Vlaamse decreet in werking trad, het volgende: "A certificate, not more than 6 months old of the authorised State institution of the country of which the applicant is a citizen, that the person concerned is qualified to bring up an adoptive child in accordance with the laws of that country, and that the adoption of Vietnamese children is recognised by that country."
(Voorzitter: mevrouw Sabine de Bethune, eerste ondervoorzitter.)
In een brief van 2 februari 1999 van de Belgische ambassade in Hanoi aan het Vietnamese ministerie van Justitie wordt bevestigd dat de Vietnamezen hiermee bedoelen: "Lorsqu'une procédure d'adoption au Vietnam est entamée, les candidats à l'adoption belges ont à présenter une attestation faisant état de leur capacité à adopter selon les dispositions du Code civil belge, en particulier les articles 345 et 346." De beginseltoestemming van ACAI of Kind en Gezin kan mijns inziens niet voldoen aan de hoger vermelde vereiste, omdat de federale wet de grond- en vormvoorwaarden voor adoptie bepaalt. De Vlaamse beginseltoestemming is veeleer een beoordeling over de geschiktheid tot opvoeding van een adoptiekind. Hoe kan immers een Vlaamse instelling controle uitoefenen over de Belgische federale wetgeving?
Toch schrijft de Belgische ambassade in Hanoi in de hoger vermelde brief van 2 februari 1999 aan het Vietnamese ministerie van Justitie: "... il a été décidé que les seules Autorités Communautaires pour l'Adoption Internationale - dus ACAI en Kind en Gezin - peuvent désormais délivrer des attestations aux adoptants, qu'ils aient ou non recours à un organisme agréé. Cette mesure est d'application immédiate. Les deux seuls types de formulaires d'attestation de capacité dont les modèles se trouvent en annexe sont destinés aux autorités vietnamiennes en vue d'une adoption par des adoptants résidant en Belgique." Dan komt het meest verbazingwekkende: "La loi belge ne reconnaît aucun autre type d'attestation. En conséquence, l'ambassade de Belgique à Hanoi prie le ministère de la Justice de la République socialiste du Vietnam de bien vouloir l'informer des cas où des adoptants belges se présenteraient munis d'autres attestations émanant d'autres instances que les précitées, de préférence par la communication à l'ambassade d'une copie desdites attestations ainsi que l'identité des adoptants en question. De tels candidats à l'adoption ne peuvent donc pas adopter au Vietnam aux termes des dispositions légales actuellement en vigueur en Belgique."
Argumenteren dat de Vietnamese autoriteiten de beginselverklaring afgeleverd door de Gemeenschappen eisen, en dat de Belgische autoriteiten met de huidige toestand geen uitstaans hebben is, gelet op de genoemde brief van de ambassade in Hanoi, een loopje nemen met de waarheid. Wanneer Vlaamse kandidaat-adoptanten informatie vragen over adoptie in Vietnam, wordt hun door de consul gewoonweg meegedeeld dat vrije adoptie in Vlaanderen niet meer kan. Op welke teksten baseert de consul zich?
Het Verdrag van Den Haag op de internationale adoptie geeft als principe aan dat het land van het adoptiekind autonoom over de adopteerbaarheid van het kind oordeelt. Het land van herkomst van de kandidaat-adoptant, in casu België, geeft aan welke de vorm- en grondvereisten zijn die wettelijk zijn vereist en geeft aan welke nationaliteit het geadopteerde kind zal verkrijgen. Het huldigt tevens als principe dat beide staten alles zullen doen om de procedure zo snel en vlot mogelijk te doen verlopen. Dit laatste is zeer belangrijk omdat de mogelijkheid tot hechting van een jong kind blijkbaar slechts gedurende een zeer korte periode kan gebeuren. Thans blijkt dat dossiers die voor de Vietnamese autoriteiten zijn afgehandeld, opnieuw worden gecontroleerd op de Belgische ambassade en dat systematisch wordt geweigerd een paspoort af te leveren aan kinderen die door Belgen geadopteerd zijn in Vietnam indien geen beginseltoestemming van Kind en Gezin of ACAI bij het dossier is gevoegd. Het gaat zelfs zo ver dat Vietnamese onderdanen worden geconvoceerd om verklaringen over deze dossiers af te leggen. De federale wetgeving spreekt nochtans nergens over een beginseltoestemming en het Vlaamse decreet geeft duidelijk aan dat het een vrijwillig systeem is. Het spreekt voor zich dat deze toestand de rechtszekerheid van de Vlaamse burger niet ten goede komt. De vraag is of een dergelijke interpretatie van de Belgische regelgeving de toets van een onafhankelijke rechter kan doorstaan. Dit geldt des te meer daar ik verneem in de pers dat de regering inderdaad erkent dat het afleveren van een beginseltoestemming een federale bevoegdheid is, en dat in het neer te leggen ontwerp van adoptiewetgeving deze bevoegdheid aan een federale autoriteit, namelijk de vrederechter, wordt toegekend.
Kan een Vlaamse administratie op rechtsgeldige wijze een uitspraak doen over het al dan niet voldoen aan de vorm- en grondvoorwaarden tot adoptie, zoals vervat in de artikelen 345 en 346 van het Burgerlijk Wetboek, en hierover attesten afleveren?
Kan een federaal bestuur, in de huidige stand van zaken, zonder wettelijke basis, een dergelijke bevoegdheid overdragen aan een gemeenschapsinstelling? Kan een ambassade aan een buitenlands ministerie meedelen dat Belgische kandidaat-adoptanten, uit hoofde van de huidige Belgische wetten, enkel kunnen adopteren met een attest van Kind en Gezin of ACAI? Zo ja, kan de minister mij dan de exacte wetsbepalingen aanduiden waaruit zou blijken dat voor internationale adoptie de Belgische regelgeving verplicht aan kandidaat-adoptanten oplegt dat voorafgaand een beginseltoestemming wordt verkregen?
Indien deze regelgeving niet zou bestaan, kunnen de ministers dan duidelijkheid scheppen in deze materie en, in afwachting van federale wetgeving, een federale instantie de bevoegdheid geven te attesteren over het voldoen aan de vereisten van het Burgerlijk Wetboek?
Is het logisch dat in strijd met het Verdrag van Den Haag op de internationale adoptie, dat in artikel 35 bepaalt dat de staten er alles moeten aan doen de procedure zo vlot mogelijk te laten verlopen - de gebruikte term is "expeditiously" - en in de artikelen 4 en 16 bepaalt dat het land van herkomst van het kind autonoom over de adopteerbaarheid oordeelt, Belgische ambassades het onderzoek naar de adoptievoorwaarden overdoen?
Mevrouw Gerda Staveaux-Van Steenberge (VL. BLOK). - Mevrouw de voorzitter, de vraag van mevrouw Taelman biedt mij de gelegenheid om een vraag te stellen over uitspraken van de minister van Justitie inzake adoptie in de Kamercommissie. Ik begrijp dat mevrouw Durant niet zo maar een antwoord uit haar mouw kan schudden. Na mijn uiteenzetting zal ik mijn vragen gewoon afgeven, in de hoop een schriftelijk antwoord te krijgen van de minister van Justitie.
Vorige week heeft minister Verwilghen in de Kamercommissie aangekondigd dat hij ten laatste begin volgend jaar een wetsontwerp zal indienen waardoor homokoppels het recht zullen krijgen om kinderen te adopteren.
Het zou uitsluitend gaan om de adoptie van Belgische kinderen aangezien het Verdrag van Den Haag niet voorziet in adoptie van buitenlandse kinderen door homokoppels. De minister wil het huidige ontwerp wijzigen om tegemoet te komen aan het advies van de Raad van State hieromtrent.
Kan de minister mij meedelen wat de Raad van State terzake juist heeft geadviseerd?
Verschillende psychologen hebben erop gewezen dat adoptie door homokoppels niet in het belang is van de kinderen zelf, maar enkel tegemoetkomt aan de kinderwens van homokoppels die deze wens niet zelf kunnen realiseren. Dat is nu eenmaal een natuurwet.
Vindt de minister niet dat het belang van het kind moet primeren op de kinderwens van homokoppels?
Zal het nieuw wetsontwerp geen nieuwe discriminatie in het leven roepen, namelijk een verschil in behandeling tussen Belgische en buitenlandse kinderen? Zijn kinderen van politieke vluchtelingen die in België verblijven, ook Belgische kinderen? Kan de minister meedelen of het Verdrag van Den Haag directe uitwerking heeft in België? Als het Verdrag van Den Haag niet voorziet in adoptie door homokoppels, is dat verdrag dan niet discriminerend? Zo ja, moet België het Verdrag van Den Haag dan niet afwijzen?
Mevrouw Isabelle Durant, vice-eerste minister en minister van Mobiliteit en Vervoer. - Mevrouw de voorzitter, ik zal het antwoord voorlezen van minister Michel over de Vietnamese adopties. Ik ben echter niet bevoegd om te antwoorden op de vraag over de adoptie door homokoppels.
Zoals de vraagsteller voorafgaandelijk zelf heeft gezegd, behoort deze materie tot de bevoegdheid van de minister van Justitie. Over het aandeel van het departement Buitenlandse Zaken heeft er overleg plaatsgevonden tussen de Belgische overheid en de Vietnamese regering ten einde zekerheid te bekomen over de juridische context waarin de adoptie van uit Vietnam afkomstige kinderen dient te verlopen.
Van Vietnamese zijde werd gewezen op de verplichting een attest voor te leggen waaruit niet alleen de juridische bekwaamheid van de Belgische adoptant blijkt, maar tevens de feitelijke bekwaamheid om een geadopteerd kind op te vangen en op te voeden. De juridische bekwaamheid van een adoptant wordt bepaald in het Burgerlijk Wetboek en kan dus enkel worden bevestigd door de federale overheid.
De certificatie van de feitelijke bekwaamheid is ingewikkelder. Ik stel vast dat de Gemeenschappen een aantal decretale bepalingen hebben ingevoerd, waaruit blijkt dat hun diensten bevoegd zijn voor een aantal aspecten van de adoptie. Ik verwijs hierbij naar de decreten van 3 mei 1989 en van 15 juli 1997 van de Vlaamse Gemeenschap, het decreet van 4 maart 1991 van de Franstalige Gemeenschap en het decreet van 20 maart 1995 van de Duitstalige Gemeenschap. Het komt niet aan de minister van Buitenlandse Zaken toe te oordelen of deze decreten al dan niet een grondwettelijke bepaling zouden schenden en daardoor geen uitwerking zouden hebben. Belanghebbenden kunnen zich tot de rechterlijke macht wenden ten einde hun eventuele grieven tegen deze decreten te uiten.
Wat de adoptie in Vietnam zelf betreft, bepaalt de Vietnamese regelgeving dat de kandidaat-adoptanten ondermeer een bewijs moeten voorleggen van hun feitelijke bekwaamheid om een kind te adopteren. Deze verplichting wordt dus niet door de Belgische wetgeving opgelegd maar door de wetgeving van het land van oorsprong van de kinderen.
Tenslotte vestig ik uw aandacht op het feit dat onze ambassades in het buitenland de regelmatigheid van de voorgelegde buitenlandse stukken moeten controleren alvorens ze te legaliseren of er juridische gevolgen aan te verbinden. In het geval van een adoptie zal de ambassade, als eerste Belgische overheid aan wie de beslissing wordt voorgelegd, nagaan of aan de voorwaarden tot erkenning van een vreemde adoptie, zoals vastgelegd in het Burgerlijk Wetboek, is voldaan. In bevestigend geval kan het Belgische paspoort aan de geadopteerde worden uitgereikt of kan er een visum voor gezinshereniging worden afgegeven.
Mevrouw Martine Taelman (VLD). - Uit het antwoord dat de minister namens de minister van Buitenlandse Zaken heeft voorgelezen blijkt dat uitsluitend de federale overheid kan attesteren over de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek. De huidige toestand, waarbij er één enkel attest over de bekwaamheid door een gemeenschapsparastatale wordt afgeleverd, is onaanvaardbaar. Ik acht het niet meer dan logisch dat er maatregelen zullen worden genomen om het huidige feitelijke verbod tot attesteren door de federale overheid op te heffen.
Voorts wordt de bevoegdheid van de Belgische ambassade op het vlak van de controle duidelijk omschreven: ze moet de formele regelmatigheid van de buitenlandse adoptie controleren. De inhoudelijke controle - het opnieuw controleren van de achtergrond van het buitenlandse kind, het convoceren van de moeder op de ambassade, het wegnemen en kopiëren van documenten uit de dossiers van een buitenlandse adoptieorganisatie - valt buiten de bevoegdheid van de ambassade.
Men mag de correctheid van de buitenlandse documenten niet automatisch in twijfel trekken wanneer de beginseltoestemming of de documenten van de adoptieorganisatie die van Kind en Gezin het monopolie heeft gekregen ontbreken. Indien de procedure volgens de Vietnamese wetgeving correct is verlopen, heeft België enkel de taak om na te gaan of aan de formele vereisten is voldaan. Er moet niet worden gecontroleerd of de adoptant over een beginseltoestemming van Kind en Gezin of van ACAI beschikt aangezien de Belgische regelgeving dit niet vereist. De ambassade mag enkel controleren of aan de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek is voldaan.
De minister zegt niet welke maatregelen hij zal nemen om de Belgische ambassade te Hanoi, die deze principes met voeten treedt, op haar plichten te wijzen.
Voorts betreur ik dat de minister in zijn antwoord niets vermeldt over de inhoud van het schrijven van 2 februari 1999 van de Belgische ambassade van Hanoi aan het Vietnamese ministerie van justitie. Dit schrijven bevat verklaringen die volledig in tegenspraak zijn met het antwoord dat de minister mij thans heeft gegeven. Tot driemaal toe wordt er gezegd dat de Belgische regelgeving het voorleggen van een beginseltoestemming verplicht en dat elke attestatie van een federale overheid van geen enkele waarde is. Zal de minister het Vietnamese ministerie van justitie contacteren om de brief van de Belgische ambassade te herroepen?
Mevrouw Isabelle Durant, vice-eerste minister en minister van Mobiliteit en Vervoer. - Ik ben niet bevoegd om de vragen van mevrouw Taelman te beantwoorden. Ik zal haar repliek en haar bijkomende vragen bezorgen aan minister Michel die momenteel de top in Nice bijwoont.
-Het incident is gesloten.
De heer Vincent Van Quickenborne (VU-ID). - Deze vraag loopt vooruit op een fundamentele discussie die wij weldra in het Parlement zullen aanvatten. Dit belangrijke thema beroert het Europees Parlement reeds een tiental jaren. Sedert 1988 bediscussieert men daar de biotechnologie. Op 12 mei 1998 werd beslist een richtlijn uit te vaardigen over de octrooieerbaarheid van biotechnologische uitvindingen. Ik merk dat de minister op een interactieve manier met het publiek over de omzetting van die richtlijn in het Belgisch recht wil communiceren. De minister zet het voorontwerp van wet tot wijziging van de wet van 28 maart 1984 op de website om de discussie aan te gaan met de betrokken actoren en erop toe te zien dat er een goede democratische regeling tot stand komt. De biotechnologie kan het menselijk wezen fundamenteel wijzigen in goede of in slechte zin. Daarom is een fundamenteel debat noodzakelijk. De ethische materie moet met de grootste omzichtigheid worden benaderd.
Een bepaald deel van de samenleving heeft veel schrik voor dit thema. Zo stellen de PSC-collega's voor een moratorium te zetten op de omzetting van de richtlijn 98/44, omdat zij menen dat onze gemeenschap daar niet klaar voor is. Ook andere partijen, zoals de groene, hebben problemen met deze discussie. Toch merken we dat deze discussie in onder meer de VS, Japan en Groot-Brittannië, opschiet en men daar beslissingen neemt. Wij blijven achter. Ik wil vandaag het fundamentele debat niet aangaan, wel enkele concrete vragen stellen over het voorontwerp van wet.
In het voorontwerp werden een aantal voorbehouden inzake de omzetting van de richtlijn opgenomen. Dat wijst op een aarzeling van de regering. Zo bepaalt artikel 4 expliciet dat er geen octrooi kan worden verleend, indien de uitvinding in strijd is met de openbare orde en de goede zeden. Er worden ook voorbeelden gegeven. Op zich heb ik daar geen problemen mee, maar ik vraag me af hoe dan aan de richtlijn wordt tegemoetgekomen, omdat deze geen enkele van deze voorwaarden vermeldt. Vindt de minister het niet riskant om een algemene notie als "openbare orde en goede zeden" met voorwaarden te bezwaren, aangezien die notie evolueert.
Ik stel ook vast dat in considerans 26 van de richtlijn wordt bepaald dat "als een uitvinding betrekking heeft op biologisch materiaal van menselijke oorsprong of gebruik maakt van dergelijk materiaal, in het raam van het indienen van een octrooiaanvraag, de persoon die als donor optreedt, de gelegenheid moet hebben gehad, overeenkomstig het nationale recht, zijn geïnformeerde en vrije instemming daarmee te betuigen". De minister neemt dit op als een dwingende voorwaarde voor octrooieerbaarheid. Is het niet zo dat door de invoering van die expliciete voorwaarde wetenschappelijk onderzoek wordt bemoeilijkt? Wat zullen artsen moeten doen als er na een chirurgische ingreep nog menselijk materiaal overblijft? Wat als het bekomen materiaal ook nuttig blijkt te zijn voor zogenaamd nader gebruik?
Biobanken zijn verzamelingen van menselijk materiaal die van onmetelijke betekenis zijn voor de wetenschap. Hoe gaat de minister de banken behandelen aan de hand van de nieuwe tekst waarbij het "informed consent" van de patiënt centraal staat en wetende dat vele donoren reeds gestorven of verhuisd zijn?
Zou het niet eenvoudiger en raadzamer zijn om de richtlijn 98/44 gewoon in te voeren en de ethische aspecten van deze kwestie op een andere plaats te regelen? Of verwacht de minister dat met deze voorzichtigheid deze Europese richtlijn zou kunnen worden vernietigd of worden gewijzigd door een aantal lidstaten van de EU?
De heer Charles Picqué, minister van Economie en Wetenschappelijk Onderzoek. - Bij de eerste vraag van de heer Van Quickenborne wil ik graag enkele algemene bedenkingen maken. Het begrip openbare orde en goede zeden is een rechtsbegrip dat van nature evolueert met de evolutie van de zeden en gewoonten in de samenleving, teneinde deze te behoeden voor gevaren of ethische dwalingen die haar schade zouden kunnen berokkenen.
Dat de richtlijn geen melding maakt van de voorbeelden die in het nieuwe lid 4 van artikel 4 van het wetsontwerp worden aangehaald, is op zich geen probleem. De richtlijn verbiedt inderdaad niet een lijst met voorbeelden te geven. Geen enkele wet van een lidstaat en zeker niet de richtlijn, legt een lidstaat het verbod op een indicatieve lijst op te stellen van voorbeelden, die de lidstaat als tegenstrijdig met de openbare orde en de goede zeden beschouwt en dus als onwettelijk en bijgevolg als niet-octrooieerbaar.
De tweede vraag in verband met de vrije en geïnformeerde instemming en de openbare raadpleging van de betrokken actoren via internet, kan beter worden voorgelegd aan de minister van Volksgezondheid, die momenteel een ontwerp over die problematiek voorbereidt. Die bepaling zou dan in de memorie van toelichting en niet meer in de tekst zelf worden opgenomen, uiteraard met verwijzing naar de tekst van de minister van Volksgezondheid.
De derde vraag houdt verband met de tweede. Het probleem van donoren die gestorven of verhuisd zijn mag inderdaad niet worden onderschat. Ik denk dat die zaak moet worden behandeld in het raam van de teksten die mevrouw Aelvoet voorbereidt.
Ik kom nu tot de vierde vraag. De Belgische Staat moet deze richtlijn inderdaad omzetten. Het beroep bij het Gerechtshof waarop de heer Van Quickenborne zinspeelt, moet in principe worden verworpen omdat het niet gefundeerd is. Wij maken van de omzetting van die richtlijn wel gebruik om rekening te houden met ethische principes, zoals de niet-commercialisering van het menselijk lichaam, de vrije en geïnformeerde instemming van de donor van biologisch materiaal, met verwijzing naar de teksten van mevrouw Aelvoet en het principe van het niet-octrooieerbaar zijn van het menselijk genoom.
Het debat wordt hier niet worden afgerond. We zullen nog de gelegenheid hebben om dit boeiende debat over de toekomst van het wetenschappelijk onderzoek, in het parlement voort te zetten. Ik vraag dus nog wat geduld. De voorbereidende werkzaamheden starten in januari. Ik reken daarbij overigens op de waakzaamheid en de inbreng van de heer Van Quickenborne. De vragen die hij hier heeft gesteld, raken vele aspecten van mijn ontwerp en de omzetting van de richtlijn.
-Het incident is gesloten.
De voorzitter. - De agenda van deze vergadering is afgewerkt.
De volgende vergadering vindt plaats donderdag 14 december 2000 om 15 uur.
(De vergadering wordt gesloten om 18.55 uur.)
Afwezig met bericht van verhindering: de heren Geens, Dubié, Van den Brande en Happart, in het buitenland.
-Voor kennisgeving aangenomen.
Stemming nr. 1
Aanwezig: 58
Voor: 11
Tegen: 47
Onthoudingen: 0
Voor
Michel Barbeaux, Ludwig Caluwé, Sabine de Bethune, Mia De Schamphelaere, Theo Kelchtermans, Clotilde Nyssens, Erika Thijs, René Thissen, Hugo Vandenberghe, Ingrid van Kessel, Magdeleine Willame-Boonen.
Tegen
Philippe Bodson, Jurgen Ceder, Christine Cornet d'Elzius, Frank Creyelman, Mohamed Daif, Olivier de Clippele, Armand De Decker, Jean-Marie Dedecker, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Jacques Devolder, Paul Galand, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Mimi Kestelijn-Sierens, Jeannine Leduc, Kathy Lindekens, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Michiel Maertens, Chokri Mahassine, Philippe Mahoux, Johan Malcorps, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Philippe Monfils, Jacky Morael, Philippe Moureaux, Marie Nagy, Francis Poty, Roeland Raes, Didier Ramoudt, Jan Remans, François Roelants du Vivier, Jacques Santkin, Louis Siquet, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Martine Taelman, Louis Tobback, Joris Van Hauthem, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, Vincent Van Quickenborne, Iris Van Riet, Wim Verreycken, Paul Wille.
Onthoudingen
N.
Stemming nr. 2
Aanwezig: 61
Voor: 10
Tegen: 37
Onthoudingen: 14
Voor
Philippe Bodson, Jurgen Ceder, Christine Cornet d'Elzius, Olivier de Clippele, Armand De Decker, Alain Destexhe, Jean-Pierre Malmendier, Philippe Monfils, François Roelants du Vivier, Joris Van Hauthem.
Tegen
Michel Barbeaux, Ludwig Caluwé, Marcel Cheron, Mohamed Daif, Georges Dallemagne, Sabine de Bethune, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Paul Galand, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Theo Kelchtermans, Kathy Lindekens, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Michiel Maertens, Chokri Mahassine, Philippe Mahoux, Johan Malcorps, Guy Moens, Jacky Morael, Philippe Moureaux, Marie Nagy, Clotilde Nyssens, Francis Poty, Jacques Santkin, Louis Siquet, Erika Thijs, René Thissen, Louis Tobback, Hugo Vandenberghe, Ingrid van Kessel, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, Vincent Van Quickenborne, Magdeleine Willame-Boonen.
Onthoudingen
Frank Creyelman, Jean-Marie Dedecker, Paul De Grauwe, Jacques Devolder, Mimi Kestelijn-Sierens, Jeannine Leduc, Roeland Raes, Didier Ramoudt, Jan Remans, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Martine Taelman, Iris Van Riet, Wim Verreycken, Paul Wille.
Stemming nr. 3
Aanwezig: 62
Voor: 53
Tegen: 1
Onthoudingen: 8
Voor
Michel Barbeaux, Ludwig Caluwé, Marcel Cheron, Frank Creyelman, Mohamed Daif, Georges Dallemagne, Sabine de Bethune, Jean-Marie Dedecker, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Jacques Devolder, Paul Galand, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Theo Kelchtermans, Mimi Kestelijn-Sierens, Jeannine Leduc, Kathy Lindekens, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Michiel Maertens, Chokri Mahassine, Philippe Mahoux, Johan Malcorps, Guy Moens, Jacky Morael, Philippe Moureaux, Marie Nagy, Clotilde Nyssens, Francis Poty, Roeland Raes, Didier Ramoudt, Jan Remans, Jacques Santkin, Louis Siquet, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Martine Taelman, Erika Thijs, René Thissen, Louis Tobback, Hugo Vandenberghe, Chris Vandenbroeke, Joris Van Hauthem, Ingrid van Kessel, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, Vincent Van Quickenborne, Iris Van Riet, Wim Verreycken, Magdeleine Willame-Boonen, Paul Wille.
Tegen
Philippe Bodson.
Onthoudingen
Jurgen Ceder, Christine Cornet d'Elzius, Olivier de Clippele, Armand De Decker, Alain Destexhe, Jean-Pierre Malmendier, Philippe Monfils, François Roelants du Vivier.
Stemming nr. 4
Aanwezig: 62
Voor: 55
Tegen: 6
Onthoudingen: 1
Voor
Michel Barbeaux, Philippe Bodson, Ludwig Caluwé, Marcel Cheron, Christine Cornet d'Elzius, Mohamed Daif, Georges Dallemagne, Sabine de Bethune, Olivier de Clippele, Armand De Decker, Jean-Marie Dedecker, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Alain Destexhe, Jacques Devolder, Paul Galand, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Theo Kelchtermans, Mimi Kestelijn-Sierens, Jeannine Leduc, Kathy Lindekens, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Michiel Maertens, Chokri Mahassine, Philippe Mahoux, Johan Malcorps, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Philippe Monfils, Jacky Morael, Marie Nagy, Clotilde Nyssens, Francis Poty, Didier Ramoudt, Jan Remans, François Roelants du Vivier, Jacques Santkin, Louis Siquet, Martine Taelman, Erika Thijs, René Thissen, Louis Tobback, Hugo Vandenberghe, Chris Vandenbroeke, Ingrid van Kessel, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, Vincent Van Quickenborne, Iris Van Riet, Magdeleine Willame-Boonen, Paul Wille.
Tegen
Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Roeland Raes, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Joris Van Hauthem, Wim Verreycken.
Onthoudingen
Philippe Moureaux.
Stemming nr. 5
Aanwezig: 57
Voor: 32
Tegen: 24
Onthoudingen: 1
Voor
Ludwig Caluwé, Christine Cornet d'Elzius, Mohamed Daif, Sabine de Bethune, Olivier de Clippele, Paul De Grauwe, Mia De Schamphelaere, Alain Destexhe, Jacques Devolder, Jean-François Istasse, Theo Kelchtermans, Mimi Kestelijn-Sierens, Jeannine Leduc, Kathy Lindekens, Anne-Marie Lizin, Chokri Mahassine, Philippe Mahoux, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Philippe Monfils, Philippe Moureaux, Francis Poty, Didier Ramoudt, Jan Remans, Louis Siquet, Erika Thijs, Louis Tobback, Hugo Vandenberghe, Ingrid van Kessel, Myriam Vanlerberghe, Iris Van Riet, Paul Wille.
Tegen
Michel Barbeaux, Jurgen Ceder, Marcel Cheron, Frank Creyelman, Georges Dallemagne, Jacinta De Roeck, Paul Galand, Marc Hordies, Meryem Kaçar, Frans Lozie, Michiel Maertens, Johan Malcorps, Jacky Morael, Marie Nagy, Clotilde Nyssens, Roeland Raes, Gerda Staveaux-Van Steenberge, René Thissen, Chris Vandenbroeke, Joris Van Hauthem, Patrik Vankrunkelsven, Vincent Van Quickenborne, Wim Verreycken, Magdeleine Willame-Boonen.
Onthoudingen
François Roelants du Vivier.
Het volgende voorstel werd ingediend:
Wetsvoorstel
Artikel 81 van de Grondwet
Wetsvoorstel tot toekenning van het actief en passief kiesrecht bij de gemeente- en provincieraadsverkiezingen aan de buitenlandse onderdanen (van de heer Philippe Mahoux c.s.; Stuk 2-587/1).
Wetsvoorstel
Artikel 81 van de Grondwet
Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 4 van de programmawet van 10 februari 1998 tot bevordering van het zelfstandig ondernemerschap (van de heer Olivier de Clippele c.s.; Stuk 2-557/1).
-Verzonden naar de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden.
Voorstel van resolutie
Voorstel van resolutie inzake de bestrijding van aids (van mevrouw Jacinta De Roeck c.s.; Stuk 2-586/1).
-Verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.
Het Bureau heeft volgende vragen om uitleg ontvangen:
van de heer Johan Malcorps aan de Minister van Landbouw en Middenstand over "de vervanging van dierenmeel voor veevoeder door genetisch gemodificeerde soja" (nr. 2-288)
van de heer François Roelants du Vivier aan de Minister van Economie en Wetenschappelijk Onderzoek over "het behoud van het mechanisme van de "tabel" en het probleem van de e-commerce in boeken" (nr. 2-289)
van de heer Michel Barbeaux aan de Minister van Ambtenarenzaken en Modernisering van de openbare besturen over "de modernisering van het federaal openbaar ambt" (nr. 2-290)
van mevrouw Sabine de Bethune aan de Minister van Binnenlandse Zaken over "de gelijkheid tussen mannen en vrouwen bij de politiediensten en de hervorming van de politiediensten" (nr. 2-291)
van de heer Georges Dallemagne aan de Eerste Minister en aan de Vice-Eerste Minister en Minister van Buitenlandse Zaken over "het Belgisch beleid ten aanzien van Rusland en het volgend bezoek van de eerste minister aan Moskou" (nr. 2-292)
-Deze vragen worden naar de plenaire vergadering verzonden.
Bij boodschappen van 5 en 7 december 2000 heeft de Senaat aan de Kamer van volksvertegenwoordigers terugbezorgd, met het oog op de koninklijke bekrachtiging, de volgende niet geëvoceerde wetsontwerpen:
Wetsontwerp tot wijziging van de benaming van het Vast Wervingssecretariaat (Stuk 2-577/1).
Wetsontwerp tot vaststelling van bepaalde aspecten van de organisatie van de arbeidstijd in de overheidssector (Stuk 2-578/1).
Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 25 februari 1991 betreffende de aansprakelijkheid voor producten met gebreken (Stuk 2-591/1).
-Voor kennisgeving aangenomen.
Bij boodschappen van 30 november 2000 heeft de Kamer van volksvertegenwoordigers aan de Senaat overgezonden, zoals ze ter vergadering van dezelfde dag werden aangenomen:
Artikel 78 van de Grondwet
Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 19 februari 1965 betreffende de uitoefening van de zelfstandige beroepsactiviteiten der vreemdelingen (Stuk 2-588/1).
-Het wetsontwerp werd ontvangen op 1 december 2000; de uiterste datum voor evocatie is maandag 18 december 2000.
Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 11 april 1999 betreffende de overeenkomsten inzake de verkrijging van een recht van deeltijds gebruik van onroerende goederen (Stuk 2-589/1).
-Het wetsontwerp werd ontvangen op 1 december 2000; de uiterste datum voor evocatie is maandag 18 december 2000.
Wetsontwerp tot wijziging van artikel 71, eerste lid, 4°, van de nieuwe gemeentewet (Stuk 2-590/1).
-Het ontwerp werd ontvangen op 1 december 2000; de uiterste datum voor evocatie is maandag 18 december 2000.
Artikel 80 van de Grondwet
Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 25 februari 1991 betreffende de aansprakelijkheid voor producten met gebreken (Stuk 2-591/1).
-Het wetsontwerp werd ontvangen op 1 december 2000; de uiterste datum voor evocatie is woensdag 6 december 2000.
De Regering heeft volgende wetsontwerpen ingediend:
Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst tussen de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie en de Republiek Gabon inzake de wederzijdse bevordering en bescherming van investeringen, ondertekend te Brussel op 27 mei 1998 (Stuk 2-593/1).
-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.
Wetsontwerp houdende instemming met het Aanvullend Protocol nr. 6 bij de Herziene Rijnvaartakte, gedaan te Straatsburg op 21 oktober 1999 (Stuk 2-594/1).
-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.
Met toepassing van artikel 113 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van het Arbitragehof kennis aan de voorzitter van de Senaat van:
-Voor kennisgeving aangenomen.
Met toepassing van artikel 77 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van het Arbitragehof aan de voorzitter van de Senaat kennis van:
-Voor kennisgeving aangenomen.
Bij brief van 22 november 2000 heeft de voorzitter van het Toezichtscomité bij de Kruispuntbank van de sociale zekerheid, overeenkomstig artikel 46, eerste lid, 9°, van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid, aan de Senaat overgezonden, het activiteitenverslag van het Toezichtscomité voor 2000.
-Verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.