2-239

2-239

Belgische Senaat

2-239

Handelingen - Nederlandse versie

DONDERDAG 7 NOVEMBER 2002 - NAMIDDAGVERGADERING


Waarschuwing: de blauwe kleur geeft aan dat het gaat om uit het Frans vertaalde samenvattingen.


Overlijden van een oud-senator

Verzoekschrift

Inoverwegingneming van voorstellen

Regeling van de werkzaamheden

Mondelinge vragen

Vraag om uitleg van mevrouw Sabine de Bethune aan de minister van Justitie over «de erkenning van een levenloos geboren kind door de ongehuwde vader» (nr. 2-890)

Wetsontwerp houdende verschillende wijzigingen van de kieswetgeving (Stuk 2-1280)

Wetsontwerp tot wijziging van het Kieswetboek (Stuk 2-1281) (Evocatieprocedure)

Wetsvoorstel tot wijziging van verschillende kieswetten teneinde de bestraffing van kiezersbedrog mogelijk te maken (van de heer Wim Verreycken, Stuk 2-49)

Wetsvoorstel tot wijziging, wat de kieskringen voor de verkiezingen voor de Kamer van volksvertegenwoordigers betreft, van het Kieswetboek (van de heer Frans Lozie, Stuk 2-449)

Berichten van verhindering


Voorzitter: de heer Armand De Decker

(De vergadering wordt geopend om 15.10 uur.)

Overlijden van een oud-senator

De voorzitter. - De Senaat heeft met groot leedwezen kennis gekregen van het overlijden van professor doctor emeritus Herman Deleeck, gewezen provinciaal senator voor Antwerpen en gewezen senator voor het arrondissement Antwerpen.

Uw voorzitter heeft het rouwbeklag van de Vergadering aan de familie van ons betreurd gewezen medelid betuigd.

Verzoekschrift

De voorzitter. - Bij brief van 30 oktober 2002 heeft de gouverneur van de provincie Luik aan de Senaat overgezonden een motie van de provincieraad betreffende de omvorming van het stelsel van ecotaksen in ecoboni.

-Verzonden naar de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden.

Inoverwegingneming van voorstellen

De voorzitter. - De lijst van de in overweging te nemen voorstellen werd rondgedeeld.

Leden die opmerkingen mochten hebben, kunnen die vóór het einde van de vergadering mededelen.

Tenzij er afwijkende suggesties zijn, neem ik aan dat die voorstellen in overweging zijn genomen en verzonden naar de commissies die door het Bureau zijn aangewezen. (Instemming)

(De lijst van de in overweging genomen voorstellen wordt in de bijlage opgenomen.)

Regeling van de werkzaamheden

De heer Ludwig Caluwé (CD&V). - Vanmorgen heb ik een mondelinge vraag ingediend met betrekking tot de bereidheid van de Belgische regering om het nieuwe Belgisch-Nederlandse belastingverdrag nog vóór 15 december 2002 goed te keuren. Ik stel vast dat mijn vraag niet is geagendeerd en vraag me af waarom.

De voorzitter. - De verklaring is zeer eenvoudig. De regering heeft ter zake een wetsontwerp ingediend, waarover de Senaat moet stemmen. Het ontwerp zal morgen worden gedrukt en zal worden besproken tijdens de volgende vergadering van de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging. De stemming over het ontwerp moet uiteraard vóór het einde van het jaar plaatsvinden zodat de wet vanaf 1 januari 2003 in werking kan treden.

De heer Ludwig Caluwé (CD&V). - De Nederlanders blijken te twijfelen aan de politieke wil van de regering met betrekking tot de goedkeuring van het belastingverdrag. De Nederlandse staatssecretaris van Financiën heeft dienaangaande een brief naar de Belgische minister van Financiën gestuurd. De Belgische regering heeft het ontwerp pas begin oktober in het parlement ingediend terwijl de Nederlandse regering dat al begin juni heeft gedaan. Ik begrijp niet waarom we daarover geen vragen mogen stellen.

De voorzitter. - Ik kan u geruststellen. De regering heeft mij een brief gestuurd met het verzoek zo vlug mogelijk over het ontwerp te stemmen.

De heer Ludwig Caluwé (CD&V). - Die brief is een gevolg van de brief van de Nederlandse regering aan de Belgische minister van Financiën.

De voorzitter. - De brief dateert van 31 oktober en is ondertekend door minister Reynders.

De heer Ludwig Caluwé (CD&V). - Het is mij nog steeds niet duidelijk op grond waarvan u mijn vraag onontvankelijk verklaart.

De voorzitter. - Het is een bevoegdheidskwestie.

De heer Ludwig Caluwé (CD&V). - Dat heeft er niets mee te maken. Het behoort tot de bevoegdheid van de Senaat de regering te ondervragen om te weten of ze aandringt op goedkeuring.

De voorzitter. - Op grond van de brief van de regering kan ik weten dat het stellen van die vraag weinig zin heeft.

De heer Ludwig Caluwé (CD&V). - Vanmorgen heb ik mijn vraag ingediend en nu is plots een verbeterde drukproef van het wetsontwerp beschikbaar.

De voorzitter. - Ik zal u onmiddellijk een kopie van de brief van de minister van Financiën bezorgen.

Mondelinge vragen

Mondelinge vraag van de heer Philippe Monfils aan de vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken over «de verklaringen van de Belgische ambassadeur in Israël» (nr. 2-1103)

De voorzitter. - De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken, antwoordt namens de heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken.

De heer Philippe Monfils (MR). - Ik dank de minister van Binnenlandse Zaken om te antwoorden op een vraag aan de minister van Buitenlandse Zaken.

Alle mediakanalen hebben melding gemaakt van de verklaringen van de Belgische ambassadeur in Israël. Hij zou zware beschuldigingen hebben geuit tegen een minister van de Israëlische regering en hij zou de toestand in de Palestijnse gebieden hebben voorgesteld als bijna dezelfde als in een interneringskamp.

De uitleg van de ambassadeur is nauwelijks overtuigend en heeft bovendien grote opschudding verwekt in Israël.

Heeft de ambassadeur een bevredigende uitleg gegeven aan de minister van Buitenlandse Zaken over zijn uitlatingen?

Is het overigens normaal dat een ambassadeur, vooral op een delicate diplomatieke post, zich laat gaan in het uiten van persoonlijke meningen, die bovendien beledigend zijn?

Heeft de minister de Israëlische regering ervan overtuigd dat België een objectieve en onpartijdige houding wil aannemen ten aanzien van de verschillende partijen in dit conflict?

De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken. - Ik kan de heer Monfils verzekeren, in naam van de minister van Buitenlandse Zaken, dat onze ambassadeur in Israël, de heer Wilfried Geens, niet gezegd heeft wat de media beweren. Onze ambassadeur heeft een interview toegestaan aan de Arabische Israëlische krant Kul Al-Arab over de relaties tussen België en Israël, maar zijn woorden werden verdraaid en gemanipuleerd. De betrokken journalist heeft alle nuances uit het meer dan twee uur durende interview weggelaten. De uitspraken werden uit hun context gerukt. De journalist sprak geen Engels. De vertaling werd gemaakt door een niet-professionele vertaler van de krant. In tegenstelling tot wat uitdrukkelijk was overeengekomen, werd de tekst van het interview niet vóór de publicatie voorgelegd aan de ambassadeur.

De heer Geens werd uitgenodigd op het ministerie van Buitenlandse Zaken van Israël om zich te verantwoorden voor de uitlatingen die hem werden toegeschreven door de krant. Dat is een gangbare stap in dit soort misverstanden. Onze ambassadeur heeft zich verantwoord en heeft de eigenaardige afwikkeling van het interview uitgelegd. Hij heeft zijn excuses aangeboden voor het ongemak dat kon zijn veroorzaakt door de manier waarop de pers zijn verklaringen heeft weergegeven. Elk misverstand daarover werd uit de weg geruimd.

Mondelinge vraag van de heer François Roelants du Vivier aan de vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken over «het verslag van Human Rights Watch over de zelfmoordaanslagen in Israël en dat van Amnesty International waarin het optreden van het Israëlisch leger als oorlogsmisdaden bestempeld worden» (nr. 2-1104)

De voorzitter. - De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken, antwoordt namens de heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken.

De heer François Roelants du Vivier (MR). - Volgens het recente, 170 badzijden tellende rapport van Human Rights Watch maken daders van zelfmoordaanslagen tegen Israëlische burgers zich schuldig aan misdaden tegen de menselijkheid en doet Yasser Arafat niets om dat te verhinderen. De mensenrechtenorganisatie eist een gerechtelijke vervolging van de verantwoordelijken voor die aanslagen en stelt dat ze door geen enkele Israëlische militaire actie of schending van de internationale regels kunnen worden gerechtvaardigd.

De organisatie onderzocht de zelfmoordaanslagen gepleegd door Hamas, de islamitische Jihad, de Al-Aksa-martelarenbrigade en het Volksfront voor de bevrijding van Palestina. Human Rights Watch zegt dat sjeik Achmed Yassin, de geestelijke leider van Hamas en Jihad-leider Ramadan Abdullah Shallah moeten vervolgd worden voor hun rol in die aanslagen.

Human Rights Watch zegt geen bewijs te hebben gevonden dat Yasser Arafat of de Palestijnse Autoriteit ooit zouden hebben deelgenomen aan de uitvoering van dergelijke aanslagen, maar onderstreept dat ze te weinig inspanningen geleverd hebben om de daders te vervolgen.

Volgens het rapport is de grootste mislukking van Arafat en de Palestijnse Autoriteit hun terughoudendheid om een gerechtelijk apparaat te ontwikkelen om de aanslagen te voorkomen. Ze zouden niet in staat zijn enige controle uit te oefenen op de acties van die bewegingen.

Heeft de minister kennis genomen van het rapport van Human Rights Watch? Heeft hij uitleg gevraagd aan de vertegenwoordiger van de Palestijnse Autoriteit in Brussel?

Op 4 november beschuldigde Amnesty International in een rapport het Israëlische leger van oorlogsmisdaden tijdens operaties in Nabloes en Djenin. Heeft de minister, net als ik, kennis genomen van dit rapport van 14 bladzijden? Vindt hij de inhoud ervan pertinent?

Welke lessen trekt België uit deze rapporten voor zijn Midden-Oostenbeleid?

De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken. - Ik heb de rapporten van Human Rights Watch en van Amnesty International goed ontvangen. Ze worden nu aandachtig bestudeerd. Het zijn belangrijke stukken die staven wat wij al weten over de trieste realiteit in het Midden-Oosten. De zogenaamde helse spiraal van geweld verwijst precies naar de feitelijke band die blijkbaar bestaat tussen de bezetting, de zelfmoordaanslagen en de repressie door de Israëlische strijdkrachten.

Onder het Belgische voorzitterschap heeft de Europese Raad zich in december 2001 de moeite getroost om alle voor en tegens af te wegen. Ik herinner u eraan dat de Raad de Palestijnse Autoriteit heeft verzocht om de terroristische netwerken van Hamas en van de islamitische Jihad te ontmantelen, alle verdachten aan te houden en te vervolgen en een publieke oproep te doen in het Arabisch om de gewapende Intifada te staken.

Aan de Israëlische regering heeft de Raad gevraagd om haar strijdkrachten terug te trekken, een einde te maken aan de standrechtelijke executies, de blokkades op te heffen, evenals alle beperkingen op de bewegingsvrijheid van het Palestijnse volk, het nederzettingenbeleid te bevriezen en de operaties tegen de Palestijnse infrastructuren te stoppen.

De Europese Raad heeft erop gewezen dat er alleen een oplossing kan komen als beide antagonisten het duidelijk politieke vooruitzicht krijgen om ten volle in dat gebied te worden aanvaard. Dat betekent binnen erkende grenzen voor Israël en met het vooruitzicht op zelfbeschikking en op een onafhankelijke Staat voor de Palestijnen.

De publicaties van organisaties als Human Rights Watch en Amnesty International tonen aan dat het verzoek en de stellingname van de Europese Raad en van België nog steeds actueel zijn.

De Europese Unie en België moeten de Palestijnse terreurdaden krachtig blijven veroordelen. Ze zijn onaanvaardbaar en bovendien contraproductief voor de goede zaak. De gewapende vleugel van Hamas, de Islamitische Jihad en de Al-Aksa-brigades werden trouwens op de Europese lijst van terroristische organisaties geplaatst.

Tegelijkertijd moeten de Europese Unie en België de buitensporige vergeldingsacties van de Israëlische bezettingsmacht afkeuren, want zonder vooruitzicht op een politiek oplossing kunnen die de vrede niet herstellen.

Het kwartet, de Europese Unie, de Verenigde Staten, Rusland en de Verenigde Naties, werkt nu internationaal samen om de betrokken partijen tot dezelfde inzichten en conclusies te bewegen in een conflict dat blijkbaar volledig aan hun controle ontsnapt.

Human Rights Watch en Amnesty International roepen alle partijen in het conflict terecht op tot meer verantwoordelijkheidszin.

De heer François Roelants du Vivier (MR). - Ik ben zeer tevreden met uw antwoord. Het Belgische standpunt is evenwichtig en onpartijdig. Er bestaat immers geen goed geweld. België blijft een evenwichtig standpunt verdedigen en vervult zodoende een nuttige rol.

Mondelinge vraag van mevrouw Anne-Marie Lizin aan de vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken en aan de minister van Binnenlandse Zaken over «de aanwezigheid in België van de heer Hani Ramadan» (nr. 2-1106)

Mevrouw Anne-Marie Lizin (PS). - De minister weet wellicht dat de heer Hani Ramadan - broer van Tariq Ramadan, kleinzoon van de stichter van de moslimbroeders en Zwitsers burger - uitspraken heeft gedaan als gevolg waarvan in Zwitserland zijn opdracht als leraar werd ingetrokken. Het ging om uitspraken ten gunste van de Sharia en de steniging en waarbij aids werd voorgesteld als een straf van God.

Is het waar dat de heer Hani Ramadan toegang tot België heeft gevraagd en gekregen om aanwezig te zijn bij de opening van een moskee in Luik, waarbij hij de komende dagen uiteraard ook een rondreis in België zal maken?

De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken. - De heer Hani Ramadan is een Zwitsers voordrachtgever die de Europese landen doorkruist. Op 1, 2 en 3 november heeft hij voordrachten gehouden in Luik, in het islamitisch en cultureel centrum, namelijk de radicale moskee Al-I'tisam, rue de Porto, over het thema Palestina, de stem van het geweten.

Ik heb ook vernomen dat hij in Genève, waar hij leraar Frans was, geen les meer mag geven nadat hij in Le Monde artikelen had geschreven waarin hij zich gunstig uitliet over steniging. De heer Hani Ramadan is evenwel een Zwitsers onderdaan. Hij mag zich dus vrij bewegen en heeft geen visum nodig.

Een beslissing inzake toegang tot het Belgisch grondgebied moet worden gemotiveerd door elementen inzake openbare orde en openbare veiligheid, zoals ze worden geïnterpreteerd in de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, dat terzake zeer veeleisend is.

In principe zou dus tegen de betrokkene een bevel om het grondgebied te verlaten kunnen worden uitgevaardigd op basis van artikel 43, ten tweede, en artikel 7, ten derde, van de wet van 15 december 1980.

De vraag van mevrouw Lizin lijkt te zijn ingegeven door ongerustheid over de leemten die onze wetgeving vertoont ten opzichte van subversieve dreigingen. De heer Moriau heeft mij in de Kamer een even interessante vraag gesteld over een ander geval. Als die vragen erop wijzen dat er hoop bestaat dat het parlement ons betere juridische instrumenten zal geven om die dreigingen te bestrijden, zeg ik duidelijk dat parlementsleden die terzake initiatieven zouden nemen, op mijn steun kunnen rekenen.

Ik heb gezegd welke mogelijkheden er bestaan in verband met de toegang tot het grondgebied. U weet over welke mogelijkheden een burgemeester beschikt om een manifestatie op de openbare weg te verbieden. Wanneer een vergadering op particulier terrein wordt georganiseerd, bijvoorbeeld door sympathisanten van Al Qaeda die T-shirts dragen met de opdruk `I love Ben Laden' kunnen wij niets ondernemen op het vlak van de administratieve politie of van het gerecht.

In Europa, en dus ook in België, zijn er een aantal subversieve organisaties die al dan niet verwant zijn met terroristische kringen. Wij hebben geen enkele mogelijkheid om die te verbieden. Welke mogelijkheid hebben we op strafrechtelijk gebied om verklaringen te beteugelen die worden uitgezonden op de lokale radio's en die oproepen tot geweld en subversief gedrag? Vrijwel geen enkele, behalve de zeer algemene formuleringen betreffende bendevorming in de wetgeving tot beteugeling van racisme of vreemdelingenhaat.

De voorzitter. - Is een oproep tot geweld niet voldoende?

De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken. - Neen.

De voorzitter. - Is dat misdrijf niet opgenomen?

De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken. - Neen. Het feit dat die oproep via de pers gebeurt, is zelfs nog een bijkomende beperking. Het gaat hier om een bevoegdheid van de gemeenschappen, en dus hebben wij weinig mogelijkheden om via administratieve weg op te treden met betrekking tot de vergunningen die deze radiostations krijgen.

Het is hoog tijd dat we, met de nodige omzichtigheid, zorgen voor doeltreffende instrumenten om te kunnen optreden. Die instrumenten zouden helemaal geen gevaar betekenen voor de democratie, ook al zeggen nationale en Europese parlementsleden dat ze een bedreiging zouden vormen voor de uitoefening van de rechten en vrijheden. De echte dreiging komt immers van die bewegingen die de grondslag en de waarden van onze democratie proberen te ondermijnen.

Mevrouw Anne-Marie Lizin (PS). - De definitie van een misdrijf is nog altijd niet uitgebreid tot proselitisme. Daarom heb ik een wetsvoorstel ingediend dat nog altijd hangende is bij Justitie. Ondertussen heeft Zwitserland toch een oplossing gevonden om op te reden tegen de heer Ramadan. We zouden in de toekomst beter het Zwitsers voorbeeld volgen om spreekverbod op te leggen als we de toegang tot ons grondgebied niet kunnen verbieden. Ik ben er overigens van overtuigd dat we veel verder moeten gaan, maar dan moet het begrip terrorisme gekoppeld worden aan een aantal ideologische elementen. Zo ver staan we nog niet. Ik begrijp dat het voor de minister niet gemakkelijk is, maar de heer Ramadan laten spreken in het milieu waar hij dat nu doet, draagt bij tot de verslechtering van de situatie binnen de islamgemeenschap.

De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken. - Ik heb al duidelijk mijn ongerustheid geuit over bepaalde gedragingen op ons grondgebied. Ik gebruik alle wettelijke middelen waarover ik beschik. Ik wijs de minister van Justitie geregeld op feiten die volgens mij een gerechtelijk optreden verantwoorden. Op basis van dit geval en het geval dat de heer Moriau mij ter kennis bracht, zal ik verder nadenken en de mogelijkheid onderzoeken om een aantal aanbevelingen te doen waarmee we verder kunnen gaan. Ik ben overigens verheugd over de steun van bepaalde parlementsleden.

De voorzitter. - De commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden en de Commissie belast met de begeleiding van de inlichtingendiensten zouden zich over deze zaak kunnen buigen, eventueel met de medewerking van deskundigen en juristen van de departementen Binnenlandse Zaken en Justitie.

De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken. - Inderdaad. Er zijn echt redenen om ongerust te zijn over het gedrag van bepaalde personen.

Mondelinge vraag van de heer Josy Dubié aan de vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken over «de arrestatie van de heer Achmed Zakaev» (nr. 2-1113)

De voorzitter. - De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken, antwoordt namens de heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken.

De heer Josy Dubié (ECOLO). - De heer Achmed Zakaev, bijzondere gezant van de Tsjetsjeense president Maschadov voor de vredesonderhandelingen en vice-eerste minister van de Tsjetsjeense regering, werd in Kopenhagen aangehouden, blijkbaar op uitdrukkelijk verzoek van de Russische president, Vladimir Poetin. De heer Zakaev zou beschuldigd worden van deelname aan de voorbereiding van de gijzelneming in Moskou die is geëindigd op een bloedbad.

De heer Maschadov heeft, evenals de heer Zakaev, die gijzelneming zeer formeel veroordeeld. De heer Maschadov is nog steeds de enige Tsjetsjeense politieke leider die een vorm van democratische legitimiteit geniet, omdat de OVSE de Tsjetsjeense presidentsverkiezingen als geldig heeft erkend.

De heer Maschadov heeft trouwens meermaals afstand genomen van de radicale islamisten die de Russische troepen bestrijden. Ik denk aan de heer Sjamil' Basaev. De jongste bloedige gebeurtenissen tonen aan dat dit conflict alleen langs politieke weg kan worden opgelost.

De heer Maschadov en zijn bijzondere gezant Zakaev, die overigens net als de vertegenwoordiger van Poetin voor de mensenrechten in Tsjetsjenië door de Raad van Europa zijn ontvangen, zullen in de toekomst een belangrijke rol spelen bij het zoeken naar een politieke oplossing voor het conflict.

Hoe beoordeelt de minister in het licht hiervan de arrestatie van de bijzondere gezant in Denemarken?

(Voorzitter: de heer Jean-Marie Happart, ondervoorzitter.)

De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken. - De Tsjetsjeense vertegenwoordiger Achmed Zakaev werd op 30 oktober in Kopenhagen aangehouden op grond van een Interpolsignalement dat werd opgesteld in de Russische Federale Republiek.

De Deense regering onderzoekt op dit ogenblik het dossier van het verzoek tot uitlevering van de Russen. Het verzoek steunt op de veronderstelling dat Zakaev de fatale gijzelneming in een theater van Moskou mee zou hebben voorbereid.

Het gaat om een gebruikelijke procedure tussen beide landen. België mag mijns inziens geen voorbarig oordeel vellen over de houding van de autoriteiten die met het onderzoek zijn belast. Ik wens nochtans te herhalen dat ons land geweld - en terreurdaden volstrekt veroordeelt. Geen enkel politiek doel kan rechtvaardigen dat men zich vergrijpt aan burgers, mannen en vrouwen, die een volkomen normaal leven leiden.

De Europese Unie en België zijn van mening dat voor het Tsjetsjeense conflict een politieke oplossing moet worden gevonden. Dat is de boodschap die systematisch in elke dialoog met Rusland moet worden herhaald.

De heer Josy Dubié (ECOLO). - Mijnheer de minister, ik ben het met u eens, maar ik wens toch te beklemtonen dat de heren Maschadov en Zakaev allebei de gijzelneming in de meest formele bewoordingen hebben veroordeeld. Uw antwoord ontgoochelt mij dus een beetje, want de Europese Unie staat een politieke oplossing voor en de heer Maschadov, de enige Tsjetsjeense leider die democratische legitimiteit geniet, is samen met de heer Zakaev een geprivilegieerde gesprekspartner voor de onderhandelingen die noodzakelijk aan zo'n politieke oplossing moeten voorafgaan.

De heer Zakaev moet op 11 en 12 november aanstaande deelnemen aan een vergadering van de Europese groenen in Brussel. Wij zouden graag hebben dat hij effectief deelneemt, want op deze vergadering wil men het terrein effenen voor het uitwerken van een politiek compromis. Mijnheer de minister, mag ik u verzoeken om in die zin tussenbeide te komen. Ik herinner eraan dat de heer Zakaev elke vorm van geweld en van terrorisme heel expliciet veroordeelt.

Mondelinge vraag van mevrouw Sfia Bouarfa aan de minister van Binnenlandse Zaken over «de problematiek van de visa voor gezinshereniging» (nr. 2-1105)

Mevrouw Sfia Bouarfa (PS). - Wie in onze diplomatiek posten een visum wil bekomen, moet een echte lijdensweg gaan, vooral dan in de landen waaruit vele Belgen en vreemdelingen die zich in ons land gevestigd hebben, afkomstig zijn; ik denk aan de Maghreblanden, aan Turkije en de buurlanden.

Om die visumproblemen te omzeilen dienen de vreemdelingen, Belgen van vreemde afkomst, maar ook Belgen die verwanten hebben in die landen een verzoek tot gezinshereniging in, vooral dan voor hun ouders waarmee zij lief en leed wil delen.

Tijdens de discussie over het visumbeleid en over de administratieve gebruiken ten aanzien van de bevolking van vreemde afkomst in de commissie voor de Binnenlandse Aangelegenheden heeft de heer Schewebach, administrateur-generaal van de Dienst voor Vreemdelingenzaken, gewezen op het bestaan van een visum voor een lang verblijf van drie jaar.

Kan de minister mij over deze praktijk informeren? Met welk beleid denkt hij te voorkomen dat zo maar een beroep wordt gedaan op de procedure van gezinshereniging?

De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken. - Vooraleer op de vraag van mevrouw Bouarfa te antwoorden, zou ik haar willen melden dat de dienst Vreemdelingenzaken de visumaanvragen de jongste maanden veel sneller behandelt. Voor een kort verblijf geldt nu een gemiddelde termijn van vier à zes weken, voor een visum voor gezinshereniging twee maanden en voor visa die worden aangevraagd door studenten, twee weken.

Er werden heel wat inspanningen gedaan om de achterstand bij de behandeling van de visumaanvragen weg te werken. Er werd bijkomend personeel ter beschikking gesteld van de visumdiensten en dat personeel wordt flexibel ingezet om het hoofd te kunnen bieden aan piekperiodes. Deze maatregelen hebben al vruchten afgeworpen en de inspanningen worden dus voortgezet.

Bovendien werd het nijpende probleem verholpen van de toegankelijkheid van de visumdiensten. In september 2002 werd een helpdesk opgericht en sinds begin 2002 kan men op de website van de dienst Vreemdelingenzaken nagaan hoe ver het staat met de behandeling van een visumdossier. Bovendien wordt de helpdesk bijgestaan door een call centre. In oktober 2002 heeft het call centre 8000 oproepen geregistreerd.

Dank zij de oproepdoorschakeling naar deze helpdesk kunnen de visumdiensten zich toeleggen op de behandeling van de dossiers. Een en ander heeft een gunstige weerslag gehad op de termijn waarbinnen de aanvragen werden behandeld, op de kwaliteit van het werk en op de toegankelijkheid voor de klanten.

Op uw vraag zelf kan ik antwoorden dat er inderdaad een visum van drie jaar bestaat. Het gaat echter niet om een visum voor langdurig verblijf, maar om een visum voor een kort verblijf, een zogenaamd circulatievisum De houder van dit laatste visum kan gedurende een periode van drie jaar verschillende keren over en weer reizen, maar mag niet langer dan 90 dagen per halfjaar in ons land verblijven. Deze beperking vloeit voort uit de Schengenreglementering en is dus van toepassing op elk verblijf in de Schengenzone.

Zowel de dienst Vreemdelingenzaken als de diplomatieke posten kunnen dat type visum uitreiken.

Deze mogelijkheid staat open voor de naaste familieleden van buitenlandse ingezetenen of van Belgische onderdanen, evenals voor zakenlui, maar er wordt zelden een beroep op gedaan.

Ik zal er de aandacht van mijn collega van Buitenlandse Zaken op vestigen dat het wenselijk is de aanvragers van visa beter voor te lichten.

Mevrouw Sfia Bouarfa (PS). - Ik dank de minister voor zijn antwoord. Ik ben ervan overtuigd dat de visumdiensten vooral gedurende deze zittingperiode heel wat inspanningen hebben gedaan.

Ongelukkig genoeg zijn er talrijke voorbeelden die ons het tegendeel doen denken. De moeilijkheden zijn misschien niet onmiddellijk te wijten aan de diplomatieke posten, maar aan andere schakels in de procedure. Zo duurt het soms lang vooraleer de gemeenten de vereiste documenten afleveren en opzenden naar de betrokkenen die dikwijls ver van een diplomatieke post wonen.

Veel mensen doen dus een beroep op de procedure tot gezinshereniging voor hun bejaarde ouders die in het zuiden van Marokko of in Turkije wonen.

Wij moeten een standpunt bepalen ten aanzien van dit beleid. Als België zijn demografische ontwikkeling wil bijspringen via de gezinshereniging, dan moet dat met zoveel woorden worden gezegd. Het zou spijtig zijn een situatie te laten ontaarden die enkel is ontstaan omdat het zo moeilijk is om een visum te bekomen.

Als bejaarde ouders tijdens hun verblijf in België met hun gezondheid beginnen te sukkelen en behoeftig worden, zullen ze een beroep moeten doen op sociale bijstand, wat niet altijd wenselijk is.

Mondelinge vraag van de heer Theo Kelchtermans aan de minister van Binnenlandse Zaken over «de politiehervorming en de dienstverlening» (nr. 2-1110)

De heer Theo Kelchtermans (CD&V). - In een brief zegt de zonechef van de politiezone Hasselt-Zonhoven-Diepenbeek dat de lokale politie steeds meer bevraagd wordt, dat de personeelsversterkingen geruime tijd op zich laten wachten en dat met de nieuwe wetgeving de politiezone niet zelf personeel kan aanwerven, ook al hebben de aangesloten gemeenten daartoe in de nodige middelen. De oplossing is zelf te bepalen welke taken de lokale politie aanvaardt. Hij kondigt dan ook dat in overleg met de bestuurlijke en gerechtelijke overheden de politiezone Hasselt-Zonhoven-Diepenbeek niet langer klachten of aangiften die niet aan drie voorwaarden voldoen, zal opnemen.

Ik vind dit merkwaardig. Na de toenemende willekeur bij de financiering van de politiezones, wordt nu ook de universele dienstverlening in de politiezones op de helling wordt gezet. Ik vind dat de minister daarover een standpunt moet innemen. Ik vraag me af wat de gevolgen zullen zijn als de zonechefs in alle politiezones zelf gaan bepalen wat ze doen en niet doen.

De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken. - Ik kan me alleen baseren op de gegevens van uw vraag, vermits ik de details van de toestand in de politiezone Hasselt-Zonhoven-Diepenbeek nog niet in mijn bezit heb.

Als u zegt dat het initiatief is genomen in overleg met de bestuurlijke en gerechtelijke overheden, vermoed ik dat sommige nuances ons ontgaan. Dat de lokale politie, met instemming van de overheden, radicaal zou weigeren een aangifte of klacht te behandelen, is onwettelijk en dus onwaarschijnlijk. Artikel 29 van het Wetboek van strafvordering maakt immers geen onderscheid naargelang de woonplaats van het slachtoffer. Men kan zich voorstellen dat er gevallen zijn waarin een verwijzing naar een andere politiedienst gerechtvaardigd is. Een politiedienst mag echter nooit werk of verantwoordelijkheid afschuiven of zijn wettelijke verplichtingen verzaken.

De federale wetgeving bepaalt nergens dat de zones geen personeel mogen aanwerven. Een groot deel van de middelen daartoe bestaat trouwens uit een federale dotatie.

Voorts moedig ik vormen van verantwoorde samenwerking tussen zones aan, ook inzake onthaal.

Ik zal me nader informeren over de brief van de zone Hasselt-Zonhoven-Diepenbeek.

Mondelinge vraag van de heer Joris Van Hauthem aan de vice-eerste minister en minister van Begroting, Maatschappelijke Integratie en Sociale Economie over «de interpretatie inzake taalaanhorigheid van een aantal bepalingen van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen en de zogenaamde Brusselwet» (nr. 2-1107)

De voorzitter. - De heer Olivier Deleuze, staatssecretaris voor Energie en Duurzame Ontwikkeling, antwoordt namens de heer Johan Vande Lanotte, vice-eerste minister en minister van Begroting, Maatschappelijke Integratie en Sociale Economie.

De heer Joris Van Hauthem (VL. BLOK). - Mijn vraag is absoluut niet polemisch bedoeld.

De Lambermont- en Lombardakkoorden hebben ervoor gezorgd dat vanaf de verkiezingen van 2004 voor de Raden de zes Brusselse Vlamingen die zitting hebben in het Vlaams Parlement rechtstreeks verkozen worden. Voortaan zullen de eerste zes Nederlandstalige verkozenen van de Brusselse Hoofdstedelijke Raad niet meer automatisch deel uitmaken van het Vlaams Parlement.

Wat hun taalaanhorigheid betreft, wordt in artikel 30 van de bijzondere wet verwezen naar artikel 17 van de Brusselwet. Dat bepaalt dat de taalaanhorigheid voor de verkiezing van de Brusselse Hoofdstedelijke Raad wordt bewezen aan de hand van de taal waarin de identiteitskaart is gesteld en dat die taalaanhorigheid geldt voor alle volgende verkiezingen.

De veranderde Brusselwet stelt dat de Vlaamse Gemeenschapscommissie wordt aangevuld met vijf leden, te verdelen over de Vlaamse lijsten, volgens de resultaten van de verkiezingen voor het Vlaams Parlement. De bijzondere wet noch de Brusselwet bevatten bepalingen met betrekking tot de taalaanhorigheid en de woonplaats van deze vijf leden.

Gelet op het feit dat artikel 17 van de Brusselwet bepaalt dat de taalaanhorigheid voor de verkiezing van de Brusselse Hoofdstedelijke Raad geldt voor alle volgende verkiezingen van die Brusselse Hoofdstedelijke Raad, maar tevens aangezien in 2004 de Brusselse leden van het Vlaams Parlement voor de eerste keer rechtstreeks worden verkozen, is het mogelijk dat iemand die in het verleden kandideerde voor de Brusselse Hoofdstedelijke Raad op een Franstalige lijst kandidaat kan zijn op een lijst voor de eerste rechtstreekse verkiezing van de Brusselse leden van het Vlaams Parlement?

Is het mogelijk dat verenigingen lijsten indienen voor de rechtstreekse verkiezing van de zes Brusselse leden van het Vlaams Parlement, en niet tegelijkertijd lijsten indienen voor de verkiezing van de Brusselse Hoofdstedelijke Raad?

Met betrekking tot de vijf toegevoegde leden van de Vlaamse Gemeenschapscommissie had ik graag geweten of het mogelijk is dat iemand die in het verleden kandidaat was voor de Brusselse Hoofdstedelijke Raad op een Franstalige lijst, door een lijst aangeduid wordt als één van de vijf toegevoegde leden van de VGC, gelet op de afwezigheid van welke bepaling dan ook inzake taalaanhorigheid? Is het mogelijk dat een of meerdere leden van deze groep van vijf toegevoegde leden aan de VGC zijn woonplaats niet in Brussel heeft?

De heer Olivier Deleuze, staatssecretaris voor Energie en Duurzame Ontwikkeling. - Senator Van Hauthem stelt een vraag over de interpretatie van het Lombardakkoord en meer bepaald over de taalaanhorigheid van de Brusselse leden van het Vlaamse Parlement en de vijf bijkomende leden van de VGC. Uit de schriftelijke vraag die de regering kreeg, is niet goed af te leiden waar senator Van Hauthem naartoe wil, maar blijkbaar is hij van oordeel dat de taalaanhorigheid moeilijk vast te stellen is, dat wil zeggen dat het theoretisch mogelijk is dat Franstaligen als Brussels lid naar het Vlaams Parlement worden gestuurd. Daarom zal ik, namens collega Vande Lanotte, het systeem van taalaanhorigheid voor deze twee categorieën van verkozenen nogmaals uiteenzetten.

Overeenkomstig artikel 24, paragraaf 1, ten tweede van de Bijzondere wet tot hervorming van de instellingen zitten in het Vlaamse Parlement zes leden die hun woonplaats op het grondgebied van het Brussel Hoofdstedelijke Gewest hebben en in die hoedanigheid rechtstreeks verkozen zijn overeenkomstig artikel 30, paragraaf 1, eerste lid. Artikel 30, paragraaf 1, eerste lid bepaalt dat de artikelen 13 tot 19 en 21 van de Bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen - of BBW - mits de nodige aanpassingen, van toepassing zijn bij de verkiezing van de leden van het Vlaams Parlement bedoeld in artikel 24, paragraaf 1, eerste lid, ten tweede. Dat betekent dat de garanties inzake taalaanhorigheid van een Brussels lid van het Vlaams Parlement dezelfde zijn als de garanties inzake taalaanhorigheid die gelden voor een lid van de Nederlandse taalgroep van de Brusselse Hoofdstedelijke Raad.

Samengevat zijn die garanties, zowel voor kandidaten als kiezers, de volgende en ik begin met de kandidaten.

Een Brusselse kandidaat voor het Vlaams Parlement moet in zijn verklaring van bewilliging de taalgroep vermelden waartoe hij behoort. Hij blijft tot deze taalgroep behoren bij elke volgende verkiezing, dat wil zeggen elke verkiezing van zowel de Brusselse Hoofdstedelijke Raad als van het Vlaams Parlement. Hoe dan ook wordt de taalgroep van een kandidaat bepaald door de taal van zijn of haar identiteitskaart, of in geval van tweetaligheid, door de taal van de specifieke vermeldingen op de identiteitskaart.

Voor de kiezers geldt het volgende. De verkiezingen voor het Vlaams Parlement en de Brusselse Hoofdstedelijke Raad vinden, overeenkomstig artikel 117 van de Grondwet en artikel 11 BBW steeds op hetzelfde ogenblik plaats, namelijk elke vijf jaar en op dezelfde dag als de verkiezingen voor het Europees Parlement. Overeenkomstig artikel 14, tweede lid BBW kunnen alleen de kiezers die hun stem niet uitbrengen op een lijst van kandidaten die overeenkomstig artikel 17 tot de Franse taalgroep in de Brusselse Hoofdstedelijke Raad behoren, eveneens de Brusselse leden van het Vlaams Parlement verkiezen. Het is dus uitgesloten dat een kiezer zowel voor een kandidaat voor de Franse taalgroep van de Brusselse Hoofdstedelijke Raad als voor een Brusselse kandidaat voor het Vlaams Parlement kan kiezen. Enkel een kiezer die voor een kandidaat voor de Nederlandse taalgroep kiest kan ook voor een Brusselse kandidaat voor het Vlaams Parlement kiezen.

Overeenkomstig artikel 60, tweede lid BBW heeft de Vlaamse Gemeenschapscommissie als organen de Nederlandse taalgroep van de Raad van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en een college bestaande uit de leden van de Brusselse Hoofdstedelijke regering en de staatssecretarissen die tot de Nederlandse taalgroep behoren. Artikel 60, vijfde lid BBW voegt daaraan toe: "Voor de bevoegdheden die de Vlaamse Gemeenschapscommissie alleen uitoefent omvat de in het tweede lid bedoelde taalgroep bovendien vijf leden die overeenkomstig artikel 60bis worden verkozen." Overeenkomstig artikel 60bis wijst het gewestbureau voor de aanwijzing van de leden bedoeld in artikel 60, vijfde lid zetels toe "aan de lijsten die tot de Nederlandse taalgroep behoren en voor de verkiezing van de Raad zijn voorgedragen".

De garanties inzake taalaanhorigheid van de vijf bijkomende leden van de VGC zijn met andere woorden dezelfde als de hierboven reeds opgesomde garanties die gelden voor de taalaanhorigheid van de leden van de Nederlandse taalgroep van de Brusselse Hoofdstedelijke Raad, dat wil zeggen van de overige leden van de VGC.

De heer Joris Van Hauthem (VL. BLOK). - Een paar vragen werden niet beantwoord. Het was niet mijn bedoeling te polemiseren, ik ben zo concreet mogelijk gebleven.

Ik kreeg geen antwoord op de vraag of het mogelijk is dat verenigingen lijsten indienen voor de rechtstreekse verkiezing van de zes Brusselse Vlamingen van het Vlaams parlement zonder dat tegelijkertijd lijsten worden ingediend voor de verkiezing van de Brusselse Hoofdstedelijke Raad.

Het eerste deel van het antwoord was duidelijk, hoewel er eventueel interpretatieproblemen hadden kunnen rijzen. Voor iemand die wordt voorgedragen op de lijst van de zes rechtstreeks te verkiezen leden van het Vlaams parlement geldt dezelfde taalaanhorigheid als voor de kandidaten voor de Brusselse Hoofdstedelijke Raad.

Ik heb evenwel twijfels bij het laatste deel van het antwoord. In de Brusselwet staat geen enkele bepaling over de taalaanhorigheid van de vijf leden die aangeduid worden. De CD&V is bijvoorbeeld gemachtigd om twee van die vijf bijkomende leden aan te duiden op basis van de verkiezingsresultaten voor het Vlaams parlement. Ze kunnen iemand aanduiden die nog nooit op een lijst heeft gestaan. Hoe zal men die taalaanhorigheid bepalen? Volgens de staatssecretaris zou dit op dezelfde manier geregeld worden als de kandidaten en de leden van de Brusselse Hoofdstedelijke Raad. Op dat vlak is de zaak dus nog helemaal niet uitgeklaard.

Mondelinge vraag van mevrouw Martine Taelman aan de vice-eerste minister en minister van Mobiliteit en Vervoer over «de IJzeren Rijn» (nr. 2-1114)

De voorzitter. - De heer Olivier Deleuze, staatssecretaris voor Energie en Duurzame Ontwikkeling, antwoordt namens mevrouw Isabelle Durant, vice-eerste minister en minister van Mobiliteit en Vervoer.

Mevrouw Martine Taelman (VLD). - Ik las in een krant dat de NMBS hoopt het historisch tracé van de IJzeren Rijn in 2003 te heropenen. Om te beginnen zouden er 15 goederentreinen per dag rijden.

Als de slagbomen van een overweg voor de doorgang van een trein gemiddeld 4 minuten naar beneden blijven, wordt het andere verkeer dagelijks aan iedere overweg een uur onderbroken, met de nodige files en een hoge economische kost tot gevolg. U zal me niet horen zeggen dat het historisch tracé niet moet worden gebruikt, want de IJzeren Rijn is belangrijk voor de havenactiviteiten en zal de verkeerslast op de wegen gedeeltelijk verlichten.

De Kempen is een kwetsbare regio. De NMBS zou een milieueffectrapport hebben laten uitvoeren en momenteel zouden de plannen worden bijgestuurd. Volgens Agalev-Kempen zouden de trillingen en het lawaai voor een aanzienlijke overlast zorgen bij de omwonenden.

De gemeenten langs het tracé zijn tot op heden niet eens gecontacteerd, terwijl ze toch nu al middelen in hun begroting moeten vastleggen om de overlast voor hun burgers in te perken. Bovendien moeten de gemeenten hun burgers op een objectieve manier kunnen informeren.

Is het milieueffectrapport afgerond? Zo ja, wat zijn de resultaten?

Wat zijn de plannen van de NMBS voor het historisch tracé van de IJzeren Rijn? Op welke termijn worden ze uitgevoerd?

Wat is de te verwachten overlast? Welke middelen trekt de NMBS en/of de federale overheid uit om een mogelijke overlast te voorkomen of te verhelpen?

Waarom werden de gemeenten langsheen het tracé tot op heden niet gecontacteerd? Zullen ze nog worden gecontacteerd?

De heer Olivier Deleuze, staatssecretaris voor Energie en Duurzame Ontwikkeling. - De IJzeren Rijn loopt van Antwerpen-Noord via Lier, Herentals, Mol en Neerpelt naar Weert in Nederland. Het is belangrijk een onderscheid te maken tussen het deel over Belgisch grondgebied en het deel in Nederland.

De IJzeren Rijn loopt in België over een bestaande spoorlijn, die nog altijd in dienst is. Tussen Antwerpen en Mol is er dagelijks reizigersverkeer en goederenverkeer is er zelfs tot in Budel.

Over het stuk in Nederland worden nog onderhandelingen gevoerd. Die liepen aanvankelijk erg moeilijk, omdat toen de verkiezingen van mei in aantocht waren. Momenteel is de Nederlandse regering demissionair en behandelt ze enkel nog lopende zaken, waardoor het dossier van de IJzeren Rijn opnieuw vertraging oploopt. De volgende verkiezingen in Nederland vinden plaats in januari 2003.

Als de onderhandelingen tot een goed einde komen, zal de toename van het verkeer zich vooral voordoen op het vak Neerpelt-Weert. Daarom werd een studie opgezet om de milieueffecten op het vogelrichtlijngebied nummer 21 en het habitatgebied nummer 32 in Neerpelt en in Hamont-Achel te bestuderen. Men verwacht dat de milieu-invloed maar heel beperkt zal zijn. De NMBS plant geen uitbreidingswerken op Belgisch grondgebied vóór 2012. Het verkeer zal over de huidige infrastructuur verlopen.

Als we met Nederland tot een overeenkomst komen, worden twee fasen van ingebruikneming gepland, gedurende welke respectievelijk twee en vijftien treinen per dag in de twee richtingen samen zullen rijden. De NMBS verwacht geen bijzondere overlast.

Mevrouw Martine Taelman (VLD). - Het antwoord van de minister lijkt me heel sterk in tegenspraak met wat de NMBS aan Gazet van Antwerpen heeft verklaard. Daar lees ik dat er wel degelijk een milieueffectrapport is en dat daarin heel concreet wordt ingegaan op de mogelijke hinder. Dat rapport gaat niet enkel over het vogelrichtlijngebied en het habitatgebied, maar ook over de hinder voor de omwonenden.

Wat mij in deze geschiedenis nog het meeste stoort, is dat gemeentebesturen niet over de informatie beschikken waar sommige politieke partijen via hun geprivilegieerde relaties met de kabinetten wel aan geraken. Ze spelen die informatie bovendien door aan de kranten, waarna de NMBS ze bevestigt. Als een senator een minister over de zaak ondervraagt, krijgt hij een antwoord dat voor het grootste deel naast de kwestie is.

Mondelinge vraag van de heer Michiel Maertens aan de minister van Justitie over «het niet-vervolgen van de diamantmaffia» (nr. 2-1109)

De heer Michiel Maertens (AGALEV). - Al meer dan tien jaar bespreekt het ene VN-panel na het andere de problematiek van de bloeddiamanten en verwijst daarbij naar Belgische bedrijven en criminele netwerken. De Hoge Raad voor Diamant vraagt al jaren om de maffiose netwerken voor Afrikaanse bloeddiamanten te bestrijden.

Vandaag verklaart professor Wauters in een krant dat de VN-lidstaten alle mogelijke administratieve en juridische inspanningen moeten leveren om de VN-sancties uit te voeren.

De Senaatscommissie voor onderzoek naar de georganiseerde criminaliteit en de opvolgingscommissie deden ter zake al vele voorstellen, en experts berekenden dat via dit fraudecircuit enorme bedragen worden witgewassen, zelfs voor terroristische netwerken.

Desalniettemin heeft het Antwerpse parket onlangs aan de regering laten weten dat het over onvoldoende personeel beschikt om deze dossiers te behandelen. Overigens schrijft het Netwerk Georganiseerde Misdaad dat de beschikbare informatie inzake conflictdiamant niet kan worden onderzocht en verklaarde Procureur-generaal Deckers op 28 oktober laatstleden dat bloeddiamanten geen prioriteit meer zijn voor het Antwerpse parket!

Het is opmerkelijk dat de aanhoudingen die in dit verband hebben plaatsgehad door het Brusselse parket, zijn behandeld op grond van inlichtingen van het Centrum voor Financiële Informatie, maar niet in het Antwerpse waar het probleem nochtans het scherpst is.

Steunt de minister de verklaring van de procureur-generaal en gaat die niet in tegen de aanbevelingen van het VN-panel? Hoe lost de minister dit op? Wij zitten daarmee toch in de illegaliteit.

Welke capaciteit had de onderzoekscel diamant de voorbije zeven jaar en hoe verhoudt die cel zich kwantitatief ten opzichte van de cel kleine criminaliteit zowel wat betreft de personeelsbezetting als de dossierlast?

Hoeveel onderzoeken werden er de voorbije zeven jaar in Antwerpen opgestart en hoeveel werden er afgerond? Wij weten dat de Hoge Raad voor Diamant al meer dan honderd dossiers heeft overgezonden.

Welke beleidsbeslissingen werden de voorbije drie jaar genomen en uitgevoerd en in welke wordt er de eerstkomende maanden voorzien?

Hoe ver staat de realisatie van de aanbevelingen van de onderzoekscommissie georganiseerde criminaliteit om de verschillende diensten efficiënt te laten samenwerken onder meer via koppeling van de databestanden?

Volgens de informatie die ik nog maar net van de fiscale cel diamant heb ontvangen, staat dit nog nergens. Daar rijst toch een ernstig probleem waarmee wij ons belachelijk maken in de ogen van de hele wereld.

De heer Marc Verwilghen, minister van Justitie. - In de eerste plaats wil ik zeggen dat de uitspraken van de procureur-generaal van het Hof van Beroep te Antwerpen, waaraan wordt gerefereerd, werden afgelegd tijdens een hoorzitting met gesloten deuren in de opvolgingscommissie Georganiseerde Criminaliteit van de Senaat. Inmiddels heeft diezelfde opvolgingscommissie de procureur-generaal gelast met het zwaar banditisme, zijnde de portefeuillehouder te Gent, en de federale procureur gehoord. De neerslag van die hoorzittingen is gekend. Mijns inziens heeft de voorzitter de juiste beslissing genomen door mij uit te nodigen voor een onderhoud.

De Antwerpse procureur-generaal heeft op geen enkel ogenblik gesteld dat deze onderzoeken niet meer prioritair zijn.

Er is enerzijds alleen gewezen op een politioneel, dus niet in het kader van het Antwerpse parket, capaciteitsprobleem in de zone Antwerpen, waardoor er op korte termijn keuzes zullen moeten worden gemaakt inzake het behandelen van de voorliggende dossiers. Het gaat trouwens niet om een uitzonderlijk hoog aantal dossiers, maar over de inhoud kan ik uiteraard niets zeggen.

Anderzijds is ter sprake gekomen dat er in het in afwerking zijnde Nationaal Politioneel Veiligheidsbeeld een herschikking is gebeurd van de prioritaire materies. Dat betekent echter niet dat de diamantproblematiek uit het beeld verdwijnt, alleen dat dit probleem thans wordt gevoegd bij wat we de aanpak van de georganiseerde criminaliteit noemen, waar het thuishoort.

Door het korte tijdsbestek tussen het indienen van uw vraag en het opstellen van mijn antwoord was het niet mogelijk om gedetailleerd in te gaan op de tweede en de derde vraag. Indien de procureur-generaal mij de nodige inlichtingen bezorgd heeft, zal ik daarover uitsluitsel geven in de gedachtewisseling in de opvolgingscommissie. De huidige capaciteit van de politionele onderzoekscel diamant bedraagt vier personen. Deze cel werd opgericht in april 2001 binnen de gerechtelijke dienst Antwerpen en bestond aanvankelijk uit twee personen. Ze werd vrij vlug, meer bepaald in oktober 2001, uitgebreid tot het huidige aantal van 4 personen. De cel is sinds zijn oprichting dus zeker niet ingekrompen, ze is integendeel uitgebreid.

Het Antwerpse gerechtelijke niveau heeft het probleem van een eventuele uitbreiding van die capaciteit recentelijk aangekaart bij de federale procureur, die thans in het kader van de arbitrage en in overleg met de directeur generaal van de gerechtelijke diensten van de federale politie een oplossing zal proberen uit te werken. Dat was een doelstelling van de politiehervorming.

Tot slot nog een woord over het beleidsmatig aspect en de aanbevelingen. De opvolging van de hele diamantproblematiek wordt verzekerd door een task force diamant, onder auspiciën van de minister van Buitenlandse Zaken. Deze task force heeft vanmorgen overigens nog vergaderd, onder meer voor de bespreking van het Antwerpse capaciteitsprobleem.

Wij hebben de ter zake geldende procedure dus gevolgd en ik kan alleen maar hopen dat er op korte termijn een oplossing komt. De heer Maertens heeft gelijk dat wij moeten tonen dat wij de aanbevelingen van de verschillende parlementaire onderzoekscommissies, onder meer die over de georganiseerde criminaliteit, opvolgen.

Het spreekt voor zich dat wij deze prioritaire materie op de voet zullen blijven volgen.

De heer Michiel Maertens (AGALEV). - Ik dank de minister voor zijn duidelijk antwoord en zijn goede voornemens. Hij zal het wel met mij eens zijn dat de maatregelen op dit vlak tergend langzaam worden genomen.

Hij refereert aan de task force diamant die al vele jaren werkzaam is. Toch beperken de concrete resultaten zich nog altijd tot enkele voorstellen. Ik heb verwezen naar de Senaatscommissie inzake de georganiseerde criminaliteit die duidelijk heeft gesteld dat de verschillende databases over netwerken aan elkaar moeten worden gelinkt, maar dat is nog nergens gerealiseerd. Dat kan toch niet zo moeilijk zijn vermits al deze diensten geïnformatiseerd zijn. Op een bepaald ogenblik moet de vaste politieke wil aanwezig zijn om dat te realiseren. Anders kan niet efficiënt worden gewerkt.

We hebben met een internationaal probleem te maken dat we als klein land niet kunnen negeren. In de VN-rapporten wordt ons land telkens genoemd. Dat doet pijn. Ook de Hoge raad voor Diamant dringt erop aan dat er zo snel mogelijk vooruitgang wordt geboekt. Het is onaanvaardbaar dat iemand als Sanjivan Ruprah, die internationaal wordt gezocht, telkens opnieuw wordt vrijgelaten. Volgens de laatste berichten loopt hij opnieuw als een vrij man in Brussel rond na onlangs in Italië te zijn gearresteerd. Ook Victor Bout kon midden in de zomer in Antwerpen rustig een glas gaan drinken hoewel hij jaren voordien door Interpol werd gesignaleerd.

Ons rechtssysteem vertoont ernstige lacunes. Ik hoop dat we de bezigheidstherapie nu eindelijk stopzetten en tot actie overgaan.

De heer Marc Verwilghen, minister van Justitie. - We moeten een duidelijk onderscheid maken tussen de twee elementen. Enerzijds moeten de aanbevelingen van de parlementaire onderzoekscommissie op verscheidene niveaus worden uitgevoerd. De heer Maertens is van oordeel dat het toekennen van de task force aan Buitenlandse Zaken tergend langzaam verloopt.

Anderzijds wil ik erop wijzen dat er een federale procureur is benoemd, die zich met deze materie bezighoudt en een oplossing probeert uit te werken voor het capaciteitsprobleem. Op justitieel en politieel vlak zijn de nodige middelen ter beschikking om vooruitgang te kunnen boeken. Ik zal blijven aandringen op de oplossing van dit probleem.

Mondelinge vraag van mevrouw Magdeleine Willame-Boonen aan de minister van Justitie over «de mogelijke verjaring van een dossier» (nr. 2-1112)

Mevrouw Magdeleine Willame-Boonen (CDH). - Half juni 2002 maakten Franstalige journalisten melding van de ondervraging van verschillende ambtenaren van de dienst protocol van Buitenlandse Zaken door de onderzoeksrechter van Ieper, de heer Paul De Vloo. Die is belast met het dossier-Lebbe, een gewezen ambtenaar van het protocol die valse speciale en diplomatieke paspoorten afleverde die bij mensenhandel werden gebruikt. Hij werd op 5 november 1997 aangehouden en verbleef een zestal weken in de gevangenis. Hoe ver staat de gerechtelijke procedure nu? Zal de betrokkene niet kunnen profiteren van de verjaring?

Ik slaag er niet in de minister van Buitenlandse Zaken te ondervragen. Die verwijst systematisch naar het feit dat het gerechtelijk onderzoek nog aan de gang is.

De vraag naar de verantwoordelijkheid en medeplichtigheid blijft. Het is duidelijk dat in dit dossier verschillende hiërarchische oversten van de in verdenking gestelde ambtenaar nalatig waren en lichtzinnig handelden. Dat heeft hun beroepscarrière geenszins geschaad. Dat irriteert me.

Ik herhaal dus mijn mondelinge vraag van 19 juli 2001 over de onaanvaardbare traagheid van een procedure die, zelfs als een internationale rogatoire commissie en bijkomende onderzoeksdaden nodig waren, wel erg verdacht en abnormaal lang aansleept. Dit dossier vraagt meer tijd dan de zaak-Dutroux.

Heeft de minister onlangs bij de procureur-generaal geïnformeerd naar de stand van zaken of vindt hij de situatie normaal? Kan hij me gerust stellen inzake de verjaring?

De heer Marc Verwilghen, minister van Justitie. - Volgens de onlangs bij de procureur des Konings van Ieper verkregen inlichtingen zou de onderzoeksrechter zeer binnenkort het desbetreffende onderzoek afsluiten. Het dossier zal dan door de procureur aan de raadkamer voor regeling van de procedure worden voorgelegd.

De procureur verzekerde mij dat er geen enkel gevaar voor verjaring is. Het gerecht moet nu oordelen over de regeling van de procedure. Ik kan daarin niet tussenkomen. Het gerecht treedt hier volkomen onafhankelijk op.

Mevrouw Magdeleine Willame-Boonen (CDH). - Het antwoord stelt me slechts ten dele gerust. Juristen hebben me verzekerd dat er waarschijnlijk geen verjaring na vijf jaar mogelijk is. Anderzijds vind ik de omschrijving `zeer binnenkort' verontrustend. Ik hoop dat de minister het me niet kwalijk neemt als ik mijn vraag over drie maanden opnieuw stel.

De heer Marc Verwilghen, minister van Justitie. - Door de woorden `zeer binnenkort' heeft de procureur willen zeggen dat de onderzoeksrechter hem weldra het dossier zal overhandigen. Hij zal de zaak dan zo snel mogelijk voor de raadkamer brengen. Ik ben dus gerust.

Mondelinge vraag van de heer Patrik Vankrunkelsven aan de staatssecretaris voor Energie en Duurzame Ontwikkeling over «het gebruik van ELIA voor de financiering van diverse noden» (nr. 2-1115)

De heer Patrik Vankrunkelsven (VU-ID). - ELIA, de nieuwe organisatie die instaat voor het transport van elektriciteit via de hoogspanningskabels, is blijkbaar een soort melkkoe geworden, die zal worden gebruikt voor de financiering van diverse noden, namelijk de berging van radioactief afval van de NIRAS, de sociale elektriciteitstarieven en de compensatie van het verlies dat de gemeenten zullen lijden ingevolge de vrijmaking van de energiemarkt, dat op 300 miljoen euro wordt geraamd.

Hoever staat het met de realisatie van die financieringsmechanismen? Wanneer zullen de gemeenten met zekerheid weten dat ze de compensatie zullen ontvangen en om welke bedragen gaat het? Hoe groot zullen de fondsen zijn die door ELIA worden gesponsord? Wat zal het gevolg van de operatie zijn voor de prijs voor de gebruikers? ELIA zal de te betalen sommen ongetwijfeld aan de gebruikers doorrekenen. Het is niet ondenkbaar dat de verlaging van de energiekosten door het vrijmaken van de markt daardoor volledig wordt tenietgedaan.

De gemeenten zullen op basis van het aantal inwoners worden gesponsord. Zou het niet beter zijn de verdoken belastingen die de gemeente nu via de dividenden innen, te vervangen door een systeem waarbij het stroomverbruik rechtstreeks wordt belast? Op die manier zou grote gebruikers per kilowattuur meer worden aangerekend. Een dergelijk systeem kan een instrument zijn om zuinig energieverbruik aan te moedigen. ELIA betekent een nieuwe verdoken belasting op het transport, dat geen sturingsmogelijkheden biedt en het stroomverbruik niet beïnvloedt.

De heer Olivier Deleuze, staatssecretaris voor Energie en Duurzame Ontwikkeling. - De eerste minister verklaarde op 8 oktober in de Kamer dat de netbeheerder ELIA aan alle gemeenten een vergoeding zal betalen voor het gebruik van het territorium. Die vergoeding zal in overleg met de gewesten worden vastgesteld. Hij verklaarde verder dat de regering zich ook volgend jaar resoluut blijft engageren in de internationale gemeenschap. Zij richt een Kyotofonds op om tegemoet te komen aan de verplichtingen van het klimaatverdrag.

Dat alles heeft geleid tot verschillende artikelen in de programmawet. De laatste lezing daarvan zal waarschijnlijk morgen in de Ministerraad plaatshebben. Over de inkomsten van de gemeenten zegt de programmawet dat "onverminderd de bepalingen van artikel 12 van de wet van april 1999 - dat betreft de tariefstructuur - zal de netbeheerder jaarlijks aan de gemeenten een bedrag storten. Bij een in ministerraad overlegd besluit en na overleg met de gewesten, bepaalt de Koning de verdeling over de gemeenten, het bedrag en de modaliteiten en de wijze waarop de netbeheerder de kost ervan in de tarieven dient op te nemen".

Anderzijds werd besloten een federale bijdrage te heffen op de transporttarieven. Die bijdrage moet ten goede komen aan het sociale fonds dat werd verhoogd van 170 miljoen tot 1 miljard Belgische frank en aan het Kyotofonds dat wordt verhoogd van 760 miljoen tot 1 miljard Belgische frank. Daarnaast is er de financiering van de CREG en de verschillende regulatoractiviteiten. Die financiering wordt verhoogd tot 300 miljoen. Dan zijn er de twee financieringen van de nucleaire passiva. Het gaat om een bedrag van 1,2 miljard Belgische frank. Er komen dan nog bijdragen voor de sociale fondsen, die in een open markt moeten worden verzekerd. Dat gaat over 640 miljoen frank. Ten slotte is er de groene elektriciteit. De schatting daarvoor bedraagt een miljard frank.

Vele van die bedragen werden reeds in de vorige elektriciteitsprijzen verrekend. Ingevolge de nieuwe berekeningsmethodes voor het transporttarief, dat nu gereguleerd is, zullen die tarieven dalen, ondanks het bestaan van al die fondsen. Bij het begin van de zittingsperiode konden zij worden geschat op 43,72 centiem in Belgische frank per kilowattuur. Nu zullen ze 33,26 centiem bedragen en dat ondanks de fondsen voor de sociale en milieumaatregelen. Die daling is het gevolg van de regulering door de CREG.

De heer Patrik Vankrunkelsven (VU-ID). - De staatssecretaris gaf ons inzage in de structuur van de transportkosten. De transportkosten zullen veeleer dalen dan stijgen. Er wordt echter geen rekening gehouden met de betoelaging van de gemeenten. Dat bedrag, dat op 300 miljoen euro wordt geraamd, moet er dus aan worden toegevoegd. Dat is toch correct?

De heer Olivier Deleuze, staatssecretaris voor Energie en Duurzame Ontwikkeling. - Het immateriële dividend van de gemeenten is inderdaad niet in de tabel opgenomen, noch voor het begin, noch voor het einde van de regeerperiode. De verhouding wordt hierdoor bijgevolg niet gewijzigd. De komende programmawet bepaalt dat het bedrag ervan zal worden vastgesteld bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit.

De heer Patrik Vankrunkelsven (VU-ID). - Dat zorgt evenwel voor enorme bijkomende kosten die op de een of andere manier verhaald zullen moeten worden. De transportkosten blijven op 33,26 centiem per kilowattuur. Maar als er nog 300 miljoen bijkomt voor de gemeenten, moet dat op de een of andere manier worden doorgerekend. Anderzijds vraag ik me af wanneer de gemeenten zullen weten wat ze zullen krijgen.

De heer Olivier Deleuze, staatssecretaris voor Energie en Duurzame Ontwikkeling. - U hebt gelijk. Maar voor alle duidelijkheid: de transportkosten van elektriciteit stijgen niet.

Vraag om uitleg van mevrouw Sabine de Bethune aan de minister van Justitie over «de erkenning van een levenloos geboren kind door de ongehuwde vader» (nr. 2-890)

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Volgens de huidige wetgeving kan een ongehuwde vader zijn levenloos geboren kind niet erkennen. De erkenning door de vader wordt geregeld in het Burgerlijk Wetboek. Artikel 319 bepaalt dat wanneer het vaderschap niet vaststaat krachtens het vermoeden van vaderschap bij huwelijk, de vader het kind kan erkennen. Indien het kind minderjarig en niet ontvoogd is, is de erkenning alleen ontvankelijk wanneer de moeder vooraf toestemt. Volgens artikel 327 kan de erkenning geschieden in de akte van geboorte of bij authentieke akte, met uitsluiting van het testament. Artikel 328 bepaalt dat de erkenning kan geschieden ten gunste van een verwekt kind dan wel van een overleden kind indien dit afstammelingen heeft nagelaten. Wanneer een kind overleden is zonder afstammelingen na te laten, kan de vader het dus niet meer erkennen.

De rechtspraak heeft nochtans in een beperkt aantal gevallen contra legem de erkenning toegestaan van een kort na de geboorte overleden kind op grond van het morele belang van de erkenner. Ik verwijs naar een uitspraak van de rechtbank van Gent van 13 februari 1992 en een uitspraak van de rechtbank van Leuven van 28 september 1998.

Voor levenloos geboren kinderen wordt tot op heden de erkenning niet aanvaard. Ook de prenatale erkenning, die wettelijk geregeld is, heeft maar uitwerking wanneer het kind levend en levensvatbaar wordt geboren. Indien bij een prenatale erkenning het kind levenloos wordt geboren, vervalt de erkenning door de ongehuwde vader. Dat blijkt uit het antwoord op de schriftelijke vragen van collega De Loor in 1991.

Wanneer de ouders niet gehuwd zijn, kan de vader zijn levenloos geboren kind dus niet erkennen. Deze regeling is strijdig met het huidige rechtsgevoelen en houdt tal van ongelijkheden in, waarvan ik er twee wil aanhalen.

Als het kind levend wordt geboren, kan de vader het kind ook na de geboorte erkennen en kan het koppel het kind de naam van de vader laten dragen. Indien het kind in levensgevaar is, moet de erkenning in alle spoed gebeuren, dus voor het kind overlijdt.

Bij mijn bezoek aan de dienst neonatologie van de universiteit van Leuven heeft de hoofdverpleegster me meegedeeld dat de ambtenaar van de burgerlijke stand naar het ziekenhuis wordt geroepen als een prematuur kind geboren wordt waarvan men weet dat het niet kan overleven, teneinde de vader de gelegenheid te geven zijn kind te erkennen voor het overlijdt. Al het mogelijke wordt gedaan om het kind in leven te houden, opdat het door de ongehuwde vader kan worden erkend. De erkenning door de vader van een kind, dat toch bestaan heeft en alleszins gewenst is, vormt immers niet alleen een recht, maar tevens een belangrijke factor in het rouwproces. Ik verzeker u dat zulke situaties geregeld voorkomen. Dat blijkt althans uit de verhalen die me bij mijn bezoek werden verteld.

De tweede ongelijkheid betreft het verschil in behandeling tussen gehuwde en ongehuwde ouders van een levenloos geboren kind. Principieel zijn er geen rechten of plichten verbonden aan de vermelding als vader of moeder van een levenloos geboren kind. De erkenning heeft voor de ouders echter een grote morele waarde en moet dus als recht worden beschouwd.

De huidige reglementering loopt achter op de samenlevingsvormen en het huidig rechtsgevoel. Alleen vaders die met de moeder van een levenloos geboren kind gehuwd zijn, worden erkend als vader van dat kind. Niet alle koppels die samen kiezen voor kinderen, gaan echter een huwelijksverbintenis aan. De ongelijkheid geldt voor alle ongehuwde koppels, dus ook voor koppels die een samenlevingscontract hebben gesloten.

Onlangs heb ik met de steun van mijn fractie ter zake een wetsvoorstel ingediend. Een van de maatregelen die ik voorstel, betreft de aanpassing van artikel 328, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek door het schrappen van de voorwaarde dat een overleden kind afstammelingen moet nalaten om te worden erkend. Hierdoor kunnen volgens mij de problemen juridisch worden opgelost, maar misschien heeft de minister een betere oplossing of kan het probleem worden verholpen via rechtspraak en de interpretatie van de wet.

Het wetsvoorstel kan immers niet op de agenda van de commissie voor de Justitie worden geplaatst, gelet op de drukke bezigheden op het einde van deze legislatuur. Mijn wetsvoorstel omvat een zevental aspecten van de situatie van levenloos geboren kinderen, maar de maatregel die ik in deze vraag om uitleg naar voren breng, is eenvoudig te nemen en werkt een schrijnend onrecht weg.

Sta me toe te verwijzen naar een geval dat onlangs aandacht heeft gekregen in de media. Jonge ongehuwde ouders die al een eerste gezond kindje hebben, maar wier tweede zoontje kort na de geboorte en vóór de erkenning door de vader overleed, stootten op deze tekortkoming in de wetgeving en kloppen nu aan alle deuren opdat de vader zijn kind alsnog kan erkennen. Hun verhaal verscheen in de pers op 15 oktober, de dag die wereldwijd word erkend als de dag van de doodgeboren kinderen en de kinderen die overleden in de eerste weken van hun bestaan.

Die mensen hebben ook informatie gevraagd aan het kabinet van het ministerie van Justitie, dat hen niet heeft kunnen helpen. Ik zal de minister een kopie bezorgen van de mail die zij hebben gekregen, zodat hij kan nagaan op welke wijze op dergelijke vragen door zijn kabinet wordt geantwoord.

Graag kreeg ik van de minister een antwoord op volgende vragen.

Wie kan ouders in deze situatie wegwijs maken? Is dat een taak voor de justitiehuizen of voor andere diensten van het ministerie van Justitie? Wie staat in voor de hulpverlening aan de ouders. Ik weet wel dat het departement Justitie geen sociale taak heeft, maar op dit punt botst het rechtsgevoel toch met de wetgeving.

Mag een ambtenaar van de burgerlijke stand de erkenning van een kort na de geboorte overleden kind door de ongehuwde vader toestaan, rekening houdend met de bestaande rechtspraak contra legem? Dat zou het probleem voor heel veel mensen in de praktijk kunnen oplossen.

Mag een ambtenaar van de burgerlijke stand de erkenning van een levenloos geboren kind door de ongehuwde vader toestaan? Voor zover ik weet bestaat er op dit punt nog geen rechtspraak contra legem.

Persoonlijk ben ik voorstander van een snelle wijziging van het Burgerlijk Wetboek, in de zin van mijn wetsvoorstel. Over deze zaak bestaan geen ideologische verschillen en een snelle technische oplossing kan het leed van vele mensen een beetje verlichten.

De heer Marc Verwilghen, minister van Justitie. - De wetgever is nooit in staat voor alle gevallen die in de praktijk kunnen voorkomen, een pasklaar antwoord te bieden. Met mevrouw de Bethune deel ik het gevoel dat geen recht is geschied in het concrete geval dat ze aanhaalt.

Op de vier vragen kan ik een antwoord geven, ook al is dat niet altijd volledig en afdoende en brengt het jammer genoeg voor de aangehaalde zaak geen echte oplossing. Ik ben bereid de nota die ik van mijn administratie en meer bepaald de dienst Familierecht kreeg, door te geven, want ze is zeer gedetailleerd en verwijst ook naar de rechtsleer en de rechtspraak. Daaruit blijkt dat de problematiek niet in een handomdraai kan worden opgelost, maar dat mag niet beletten dat we inspanningen doen.

De eerste vraag is nog relatief makkelijk te beantwoorden. De ambtenaar van de burgerlijke stand komt het eerst en het vaakst in aanraking met de ouders die een kind willen erkennen. De ambtenaar van de burgerlijke stand ontvangt en onderzoekt de verzoeken tot erkenning en stelt de akten van erkenning op. Hierbij dient hij de rechtzoekende zo nodig bijkomende informatie en uitleg te verschaffen betreffende de voorwaarden en het verdere verloop van de procedure. Dat is zijn essentiële taak. De justitiehuizen hebben een eerstelijnsfunctie. Vaak verwijzen ze de mensen naar de juiste persoon. In dit geval zal dit naar de ambtenaar van de burgerlijke stand zijn.

De tweede vraag was of de ambtenaar van de burgerlijke stand een erkenning door de ongehuwde vader van een kort na de geboorte overleden kind kan toestaan, rekening houdend met de rechtspraak contra legem. Hier moeten we natuurlijk het echte uitgangspunt voor ogen houden: de ambtenaar van de burgerlijke stand handelt "namens de wet". Hij mag dan ook niet van de wet afwijken. Wanneer aan de bij de wet gestelde eisen wordt voldaan, mag de ambtenaar van de burgerlijke stand zijn ambt niet weigeren, maar hij gaat daarbij volkomen zelfstandig te werk. Alleen de rechtbanken kunnen bevelen geven aan de ambtenaar van de burgerlijke stand.

Graag breng ik ook enkele belangrijke juridische spelregels in herinnering. De rechtspraak - laat staan de rechtspraak contra legem - is geen bindende bron van recht en situeert zich in de hiërarchie der normen onder de wet. Elke interpretatie van de wet contra legem dient principieel te worden afgekeurd.

Het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Gent van 13 februari 1992 betreft een sterk bekritiseerd en nagenoeg alleenstaand geval. De rechtbank stond contra legem de erkenning van een zonder afstammelingen overleden kind toe op grond van artikel 320 van het Burgerlijk Wetboek omdat de erkenning gebeurde onder toezicht van de rechtbank en omdat geenszins bleek dat de erkenning werd gedaan met oneerlijke bedoelingen of met het motief de erfenis van het kind na te jagen. In de noot onder het arrest staat evenwel: "Het is zeer de vraag of het louter morele belang van de erkenner een dergelijke afwijking van een duidelijke wettekst rechtvaardigt." We kunnen ons inderdaad afvragen hoe de rechtbank de goede bedoelingen van de erkenner met zekerheid heeft kunnen doorgronden.

Het concrete geval waarnaar mevrouw de Bethune verwijst, betreft een kind dat vlak na de geboorte is overleden. Het onderscheid tussen een levenloos geboren kind en een kind dat vlak na de geboorte is overleden, is niet onbelangrijk. In geval van een levenloos geboren kind wordt enkel een akte van vertoning van een levenloos geboren kind opgemaakt, terwijl in het geval van een vlak na de geboorte overleden kind zowel een geboorteakte als een overlijdensakte dienen te worden opgemaakt.

Het onderscheid tussen beide gevallen is ook voor de erkenning belangrijk. Een levenloos geboren kind kan per definitie niet worden erkend, aangezien het geen afstammelingen heeft nagelaten en niet levend en niet levensvatbaar ter wereld is gekomen. Een levend en levensvatbaar geboren kind daarentegen kan tussen het tijdstip van geboorte en het tijdstip van overlijden wel rechtsgeldig worden erkend, en ook na het overlijden indien het afstammelingen heeft nagelaten. Een kind dat levend en levensvatbaar ter wereld komt, heeft persoonlijkheid. Hoe kort het ook moge geleefd hebben, het is in het genot van burgerlijke rechten en plichten geweest, die na zijn overlijden weer op anderen kunnen overgaan.

Bepalend voor het al dan niet opstellen van een geboorteakte is de verklaring bij de geboorte van een door de ambtenaar van de burgerlijke stand toegelaten geneesheer of gediplomeerde vroedvrouw en niet het tijdstip van de aangifte van de geboorte en het opstellen van de akte.

De regel inzake vervat in artikel 328, alinea 2, van het Burgerlijk Wetboek steunt op twee basisideeën. Ten eerste, de natuurlijke persoonlijkheid eindigt met de dood; door het overlijden gaan de rechten en plichten van de betrokkene teniet. Ten tweede, de erkenning van een kind dat overleden is zonder afstammelingen na te laten, zou kunnen ingegeven zijn door het verlangen de nalatenschap van dit kind op te strijken zonder de nadelen van het ouderschap te moeten ondervinden.

Het door mevrouw de Bethune aangehaalde geval is natuurlijk delicaat. Het feit dat de biologische vader dreigt niet als vader van het kort na de geboorte gestorven kind te worden aanvaard, is pijnlijk. Er is dus een spanningsveld tussen de terechte ratio legis van het Burgerlijk Wetboek en de feiten.

Daarom moet een onderscheid worden gemaakt tussen een kind van een ongehuwd paar dat overlijdt enige dagen na de geboorte en een kind van een ongehuwd paar dat overlijdt in de maanden of jaren volgend op zijn geboorte. Ingeval dit onderscheid niet wordt gemaakt, bestaat het gevaar dat een biologische vader zich pas na het overlijden van de moeder of zelfs jaren nadien kenbaar maakt om het vaderschap op te eisen, hoofdzakelijk met het oog op de erfopvolging.

Ik heb mijn administratie gevraagd om hiervoor oplossingen uit te denken.

Deze wetswijziging kan echter geen terugwerkende kracht hebben. Dit is zoals u weet juridisch niet te rechtvaardigen.

Het antwoord is niet volledig, maar het zou de wetgever kunnen inspireren initiatieven te nemen.

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - De minister maakt op zijn beurt duidelijk dat dit probleem enkel door een wetswijziging kan worden opgelost. Vandaar ook mijn pleidooi om deze kwestie zo spoedig mogelijk op de agenda van de commissie voor de Justitie te zetten en snel tot een juiste juridische oplossing te komen. Ik heb zelf al een ruim wetsvoorstel ingediend, maar ik ben bereid om met om het even welke tekst als basis enkele aspecten van dit probleem op te lossen, liefst te beginnen met de punten waarrond we snel tot een consensus kunnen komen.

Sinds ik met deze problematiek bezig ben, krijg ik tal van reacties van ouders die daarmee te maken krijgen. Ze zeggen mij: "Als u het probleem niet meer voor ons in orde kan krijgen, los het dan ten minste op voor hen die er in de toekomst mee zullen worden geconfronteerd". De rechtsonzekerheid moeten we toch snel kunnen wegwerken, aangezien we het over de grond van de zaak blijkbaar wel eens zijn en het er enkel nog op aankomt juridisch-technisch de juiste formule te vinden.

De heer Marc Verwilghen, minister van Justitie. - Ik wil nog op wijzen dat zowel in Kamer als Senaat mensen van verschillende politieke strekkingen me over de kwestie hebben aangesproken. Daarom ben ik ervan overtuigd dat een gezamenlijk initiatief mogelijk is en dat we binnen de kortste keren een oplossing kunnen vinden. Ik ben alleszins bereid mevrouw de Bethune of elk ander parlementslid de technische nota van mijn administratie te bezorgen, zodat we snel vooruitgang kunnen maken.

-Het incident is gesloten.

Wetsontwerp houdende verschillende wijzigingen van de kieswetgeving (Stuk 2-1280)

Wetsontwerp tot wijziging van het Kieswetboek (Stuk 2-1281) (Evocatieprocedure)

Wetsvoorstel tot wijziging van verschillende kieswetten teneinde de bestraffing van kiezersbedrog mogelijk te maken (van de heer Wim Verreycken, Stuk 2-49)

Wetsvoorstel tot wijziging, wat de kieskringen voor de verkiezingen voor de Kamer van volksvertegenwoordigers betreft, van het Kieswetboek (van de heer Frans Lozie, Stuk 2-449)

Voortzetting van de algemene bespreking

Mevrouw Erika Thijs (CD&V). - Heel lang geleden werd in het federale parlement de idee geopperd de hoofden bij elkaar te steken om op een volwassen manier te overleggen waar we naartoe wilden met de kieshervorming. Directe verkiezingen, vertegenwoordigende verkiezingen, de deontologie... een groot aantal thema's passeerde de revue. We kregen ze allemaal te zien in onze nieuwe Commissie voor politieke vernieuwing. Een korps van professoren werd aangesteld, de besten van het land. Ze moesten betaald worden en elke week kwamen ze vertellen wat zij van de hervorming vonden. Vooral moesten ze ons komen begeleiden. Maar politici begeleiden, dat is geen sinecure. Vooral omdat vanaf de eerste vergadering de leden - veelal Chinese vrijwilligers zoals mevrouw De Schamphelaere, mevrouw Van Riet... - konden vaststellen dat het met deze commissie compleet misliep. We wisten in feite niet wat we wilden. Was het wel nodig om het hele systeem op de helling te zetten? Was dat zo slecht dat we alles moesten veranderen? En vooral, was de hervorming die we wel wilden, echt wel een middel om de kiezer die we allemaal zo graag zien, dichter bij de politiek te brengen. Vergadering na vergadering werd er gezocht naar de beste methodologie om de kieshervorming aan te pakken.

Het resultaat hiervan was dat er na een jaar nog steeds geen methodologie voorhanden was. De meerderheidspartijen lieten het afweten en het leukst van al was dat onze werkzaamheden voortdurend werden doorkruist door de hersenspinsels van onze eerste minister. Moest de aandacht van de een of andere pijnlijke toestand worden afgeleid, dan was de kieshervorming het daartoe welgekomen middel.

Door geen enkele parlementaire commissie ben ik zo in het ootje genomen als door de commissie voor de Politieke Hernieuwing. Elke maandagnamiddag naar Brussel komen om bijna een robbertje te vechten of nog eens te komen luisteren naar de standpunten van de verschillende partijen, die we al allemaal op papier hadden gekregen. De regering wilde de indruk wekken dat zij voorstellen voor de kieshervorming inwachtte die werden gedragen door de meeste partijen, ook door die van de oppositie. De wortel die aan de ezel werd voorgehouden, werd uiteindelijk door de ezeldrijver opgegeten.

Op 19 mei 2000 verklaart de eerste minister dat hij de provinciale kieskringen wil invoeren in West-Vlaanderen, Oost-Vlaanderen en Antwerpen. Over de Waalse provincies wordt niet gesproken. Dat is toch een duidelijk teken van de onenigheid die daarover bestond.

Over een oplossing voor Brussel-Halle-Vilvoorde wordt met geen woord gerept. Een eerste minister die voorstellen lanceert, mag zich natuurlijk verwachten aan vragen in het Parlement. Op die vragen in Kamer en Senaat heeft de eerste minister telkens geantwoord dat er snel een wetsontwerp zou worden ingediend. In die tijd bestreed hij ook dat de kieskringen in de provincies Henegouwen en Luik zouden moeten worden samengevoegd met als argument dat er thans twee provinciale kieskringen zijn in Wallonië en slechts één in Vlaanderen. Over de kieskring Brussel-Halle-Vilvoorde rept hij met geen woord.

Ondertussen werkt de commissie voor de Politieke Vernieuwing langzaam voort en begint het jaar 2001. In zijn beleidsverklaring spreekt de eerste minister zich uit voor provinciale kieskringen en voor nationale kandidaten voor de Kamer. Iedereen moet uiteraard worden bediend. Elk parlementslid heeft een vraag, elke minister heeft een vraag, en allemaal moeten ze worden bediend.

In april 2002 worden in heel het land provinciale kieskringen ingevoerd, behalve voor Brussel-Halle-Vilvoorde. Er is niet langer sprake van nationale kandidaten voor de Kamer, maar de gelijktijdige kandidatuur voor Kamer en Senaat wordt mogelijk in de kieskring van de woonplaats. Dit alles wellicht onder het motto "Hoe minder kandidaten, hoe beter de kansen." De meerderheid wil natuurlijk veilig spelen en interne concurrentie voorkomen.

Wie de kieshervorming een beetje gevolgd heeft, voelt aan dat iedereen `à la tête du client' wordt bediend. De meerderheidspartijen hebben zo veel mogelijk voordeel trachten putten uit de hervorming en hebben elkaar daarbij als vrienden ontzien.

Het beste voorbeeld is de regeling voor de gelijktijdige kandidaatstelling voor Kamer en Senaat. Voor de Kamer moet ieder boegbeeld in zijn eigen wingewest blijven. Hoe ontroerend toch hoe deze meerderheid voor zich zelf zorgt. Dat wetten goed moeten worden overdacht omdat ze moeten gelden voor een lange periode en voor iedereen, is een illusie gebleken.

Ik wil eerst nagaan of deze hervorming wel degelijk zo dringend was. Ik zou nu ook nog kunnen onderzoeken wie vragende partij was voor deze hervorming. Zijn hiervoor horden mensen door de Wetstraat getrokken? Is hierover met de bevolking gedebatteerd? Ik kan mij niet herinneren dat iemand mij daarover op de markt heeft aangesproken. U wel collega's?

Zelfs in het regeerakkoord en de verkiezingsprogramma's van de Vlaamse meerderheidspartijen vind ik niets terug over de verschrikkelijke onrechtvaardigheid van het huidige apparenteringsysteem. Er wordt nochtans altijd beweerd dat wat niet in het regeerakkoord staat, niet belangrijk is. Niemand was hiervoor vragende partij. De SP.A heeft in het begin van de regeerperiode een wetsvoorstel ingediend om de kieskringen in West-Vlaanderen tot één provinciale kieskring om te vormen. Minister Vande Lanotte had toen wellicht al bepaalde concrete ideeën.

We kunnen natuurlijk eens onderzoeken of de eerste minister vragende partij was voor provinciale kieskringen en de afschaffing van de apparentering. In de toenmalige Burgermanifesten staan ideeën over de neutralisering of afschaffing van de lijststem, de invoering van een bindend referendum, de rechtstreekse verkiezing van de eerste minister, maar niet over provinciale kieskringen. Heeft de eerste minister ooit laten blijken dat hij voorstander was van kleine kieskringen en van een combinatie van een meerderheidsstelsel met een stelsel van evenredige vertegenwoordiging? Aan de toenmalige Spiritisten wil ik zeggen dat de eerste minister zelfs gekant was tegen de invoering van een kiesdrempel. Omdat hij zag dat er nieuw politieke personeel op de loer lag, heeft hij ervoor gezorgd dat die zichzelf zouden opheffen.

We gaan weer eens te ver. We maken in het parlement wetten waar niemand om vraagt, die geen enkele zin hebben, behalve misschien de bediening van het politieke personeel van de meerderheid.

Deze meerderheid moet immers, koste wat het kost, voortgezet worden. Hoe lang zal de regering het na vandaag echter nog volhouden?

Ik vraag mij ook af of de apparentering zo onrechtvaardig en onvoorspelbaar was als sommigen willen doen geloven. Ik geef toe dat ze onvoorspelbaar is, maar niet dat ze onrechtvaardig is. Ons kiesstelsel is immers gebaseerd op politieke partijen en niet op individuele kandidaten. De personencultus past niet in een democratische verkiezingsstrijd. In ons kiesstelsel krijgen de partijen de zetels waar ze recht op hebben. Als de apparentering onrechtvaardig zou zijn, kan ik nog andere onrechtvaardigheden van het kiesstelsel blootleggen. Vlaamse partijen hebben bijvoorbeeld gemiddeld meer stemmen nodig om een zetel te behalen dan Franstalige partijen omdat de zetels over de kieskringen worden verdeeld volgens het aantal inwoners van de kieskringen en niet volgens het aantal kiezers. De geautomatiseerde stemming bewijst dat ons kiesstelsel gebaseerd is op politieke partijen. De kiezers moeten immers eerst op een partij stemmen en nadien pas op kandidaten. Door de apparentering verliezen de partijen geen zetels waar ze recht op hebben en de onvoorspelbaarheid is na het Sint-Michielsakkoord grotendeels verdwenen. Het quorum vormt bovendien geen kiesdrempel, wel een voorwaarde voor de lijstverbinding en de apparentering. Die apparentering werd destijds trouwens ingevoerd op vraag van de liberale partijen. Het effect van het quorum werd in het Sint-Michielsakkoord afgezwakt door het te verlagen van 0,66 naar 0,33% en door het vergroten van de kieskringen.

Ik zal vervolgens even de slinkse wegen tot herverkaveling van het politieke landschap toelichten. De eerste opdracht van de regering bestond in het vormen van een regering zonder christen-democraten, want die moesten de macht na veertig jaar maar eens afstaan. Dat was en is het bindmiddel tussen de partijen van de huidige meerderheid.

De tweede opdracht bestond erin via het Sint-Elooisakkoord en het Lambermontakkoord de Volksunie uit elkaar te doen spatten.

Derde opdracht: destabilisering van de CD&V op alle mogelijke slinkse wijzen.

Vierde opdracht: het akkoord van de partijbonzen en de chefs in de regering voor de hervorming van de kieswet. De morrende leden van de meerderheidspartijen wordt het zwijgen opgelegd. Heel wat parlementsleden van de meerderheidspartijen geven in de wandelgangen toe dat ze eigenlijk geen kieshervorming willen, maar in het halfrond zullen ze de hervorming gedwee goedkeuren. Eigenlijk is dat spijtig. Men beweert dat de leden van de verschillende fracties in ethische dossiers in alle vrijheid mogen stemmen. Als we niet oppassen, wordt de hervorming van de kieswetgeving een ethisch dossier! Ik ben van oordeel dat alle leden in dit dossier vrij hun stem moeten kunnen uitbrengen.

Vijfde opdracht: de kiezers bedriegen. Iedereen wordt voor de kar gespannen, zelfs de minister-president of de ministers van de Vlaamse regering. Ze worden op de lijst van de Kamer of van de Senaat geplaatst, maar kunnen geen zitting nemen in het parlement. Op die manier wordt de bevolking een rad voor ogen gedraaid. Waar gaan we naartoe?

Mevrouw Jeannine Leduc (VLD). - In het verleden stonden mensen van uw partij - als u dat wenst, kan ik hun namen noemen - tegelijkertijd op de lijst van het Europees parlement, van de Kamer en van het Vlaams parlement. Ook toen was het niet mogelijk op meer dan een plaats zitting te nemen. Toen was er dus ook al sprake van kiezersbedrog. U moet niet doen alsof u katholieker bent dan de paus. U hebt altijd uw beste troeven uitgespeeld. Dat mag u deze regering dus evenmin kwalijk nemen.

Mevrouw Erika Thijs (CD&V). - Toen konden we alleszins ergens worden verkozen. Met deze hervorming zullen sommigen zich kandidaat stellen hoewel ze nergens effectief zitting kunnen nemen omdat ze minister-president of minister in de Vlaamse regering zijn.

Mevrouw Jeannine Leduc (VLD). - Wie heeft er destijds voor gezorgd dat ministers in de Kamer, in de Senaat of in een ander parlement konden worden vervangen? Het was uw partij die dat heeft voorgesteld.

Mevrouw Erika Thijs (CD&V). - Iedereen was het daarmee eens omdat men het dubbelmandaat beu was.

Volgende argument: er wordt niet echt aandacht geschonken aan de problemen die de bevolking bezighouden. Iedereen weet dat de ontevredenheid van de bevolking over de politiek niets te maken heeft met het kiesstelsel en de politieke instellingen. De burger is ontevreden omdat hij zich onveilig voelt en omdat hij maanden op een document of een dienst moet wachten. De CD&V is van oordeel dat een ander en beter beleid meer zal oplossen dan een wijziging van de kieswetgeving. Zowel in de Senaat als in de Kamer is er al uren aan de kieswet gesleuteld. Ik besef dat men ons verwijt het debat te hebben gerekt. Als deze wet zo belangrijk wordt geacht, dan willen we er een degelijk debat over voeren. Vandaag hebben de mensen andere prioriteiten dan de kieswetgeving. Ze zijn bezorgd om de stijgende werkloosheid, de dalende concurrentiekracht van onze ondernemingen, de verkeersonveiligheid en de criminaliteit. Door onze manier van werken brengen we de politiek niet dichter bij de bevolking, integendeel.

De kiezer krijgt niet meer, maar minder invloed. De afzonderlijke lijst van opvolgers, die met veel tamtam werd afgeschaft, wordt thans opnieuw ingevoerd. Ik zal daar bij de verdediging van de amendementen verder op ingaan.

Als we eerlijk zijn, weten we allemaal dat deze hervorming de huidige meerderheid bevoordeelt. Zij wil dit beleid nog eens vier jaar voortzetten. Dat is haar goed recht, als zij de meerderheid behoudt. Het probleem is echter dat zij op alle mogelijke manieren probeert die meerderheid te behouden. Moet voor die reden de hele kieswetgeving worden veranderd? Wij zullen deze hervorming niet goedkeuren.

De heer Frans Lozie (AGALEV). - Mijn fractie is al jaren voorstander van een wijziging van de kieswet, voor een deel in de zin zoals vandaag wordt voorgesteld. Zo is het grillige spel van de apparentering niet rechtvaardig. Het behoud van zeer kleine kiesomschrijvingen is geen goed systeem. Ik ben het ermee eens dat bij grotere kiesomschrijvingen en bij afschaffing van de apparentering de invloed van de politieke partijen op de lijstvorming kan toenemen. Er komt immers een grotere zekerheid over wie verkozen zal worden. Op zich vind ik dat echter geen probleem, omdat ik ervan overtuigd ben dat de meeste partijen intern democratisch zijn georganiseerd. Van partijen kan in een democratie een positieve invloed uitgaan.

Wij wensten ook aan de kieswet te sleutelen omdat grotere lijsten, gecombineerd met de halvering van de lijststem, meer invloed van de kiezer op het kiesresultaat mogelijk maken. In kleine kiesomschrijvingen, zoals Brugge, is alleen de eerste plaats een verkiesbare plaats. Die plaats wordt door de partijen meestal in consensus toegewezen. Het is voor de kiezer bijzonder moeilijk om de eerste op de lijst te verdringen. Pas wanneer meerdere kandidaten verkozen zijn met de halvering van de lijststem, kan de kiezer met zijn voorkeurstem bepalen wie echt wordt verkozen.

Wij zijn ook voorstander van de hervorming omdat de Kamer, die de eerste politieke kamer is, waar de regering wordt gevormd, gecontroleerd en eventueel naar huis wordt gestuurd en waar het gevecht wordt gevoerd over het beleid, wordt verkozen op basis van kleine kiesomschrijvingen. Het gevolg was dat de Senaatslijst werd misbruikt door de grote tenoren om zich via de grote Nederlandse of Franse kiesomschrijvingen te laten verkiezen. Zij wensten echter het grote politieke werk niet in de Senaat te doen, maar wensten via de regering de Senaat te verlaten.

Indien dat niet lukte, stelde men vast dat die personen de Senaat gewoon verlieten. Ex-premier Dehaene is daarvan het mooiste voorbeeld.

Mijn eigen voorstel probeerde ook voor die discussie een oplossing aan te reiken. Ik stelde voor niet de Senaat te hervormen, maar integendeel via de verkiezingen de rol van de Kamer als eerste politieke kamer te versterken. Onze fractie is dus al sedert jaren voorstander van een wijziging van de kieswet. Het is dus niet juist dat wij deze kieswet nodig hebben om onze positie te versterken en opnieuw aan de regering te kunnen deelnemen.

De regering sloot een politieke akkoord over het wetsontwerp dat vandaag ter bespreking ligt. Dit akkoord is ingebed in een visie op de toekomst van onze instellingen en dus ook van de Senaat. Persoonlijk ben ik het niet eens met de voorgestelde hervorming van de Senaat, de afschaffing van het initiatiefrecht en van het onderzoeksrecht, een paritaire Senaat. Dit wordt vandaag echter niet geregeld, op één uitzondering na.

Toen de regering het erover eens werd om deze kieshervorming in te schrijven in de hervorming van de Senaat, leefden we in een land waarin langs weerszijden van de taalgrens iedereen het erover eens was dat Franstaligen en Nederlandstaligen twee belangrijke taalgemeenschappen vormden die op federaal niveau gelijkwaardig behandeld moesten worden. Onze Grondwet en al de bijzondere wetten gaan ervan uit dat we twee evenwaardige gemeenschappen zijn. Dat is een achterhaalde visie. Met de discussie over het rapport Nabholz-Haidegger zijn we in een nieuw tijdperk beland. Nu de Franstalige Gemeenschap van dit land zichzelf als een minderheid beschouwt en de bescherming inroept van het Europees Verdrag ter bescherming van de Minderheden, is er een nieuwe situatie ontstaan. De discussie over de paritaire Senaat moet dus worden overgedaan.

De dubbele kandidatuurstelling voor Kamer en Senaat - voor die hervorming zijn een bijzondere meerderheid en een Grondwetsherziening vereist en moeten er verkiezingen worden gehouden - is volgens mij een vergissing.

Een ander aspect dat ik wil belichten is de regeling voor Brussel-Halle-Vilvoorde en Leuven-Nijvel. Ze vormt een schitterend voorbeeld van het principe van de bescherming van de minderheden. De Nederlandstaligen kunnen in Brussel-Halle-Vilvoorde maximum 22 zetels behalen en in Leuven 7, of in totaal 29 zetels. Voor hen wordt het principe toegepast dat men niet meer kandidaten indient dat het aantal te begeven zetels. De Franstaligen kunnen in Brussel-Halle-Vilvoorde eveneens 22 zetels behalen en in Nijvel maximum 5, of in totaal 27 zetels. Zij mogen 34 kandidaten indienen: 29 in Brussel-Halle-Vilvoorde en 5 in Nijvel.

Indien deze regeling geïnspireerd zou zijn door het principe van de bescherming van de minderheden, zou ik er geen bezwaar tegen hebben, want ik ben steeds bereid minderheden te versterken. In Brussel-Halle-Vilvoorde zijn de Franstaligen echter het sterkst vertegenwoordigd. Bovendien vormt dit de enige uitzondering in de kieswetgeving voor de federale instellingen waar meer kandidaten op de lijst kunnen voorkomen dan het aantal te begeven zetels, meer in het bijzonder voor een taalgemeenschap die feitelijk een grote meerderheid vormt. Daar heb ik bedenkingen bij.

Sta me toe ook even te blijven stilstaan bij de kiesdrempels. Als middelkleine partij is Agalev geen voorstander van kiesdrempels. We zijn dan ook niet enthousiast over de voorgestelde maatregelen, maar in een coalitie moet men nu eenmaal geven en nemen, zoals collega Leduc vanochtend terecht heeft opgemerkt. Het is dan ook geen geheim dat wij in deze hebben gestreefd naar een zo weinig mogelijk belastende regeling.

De huidige 5%-regeling in een provinciale kiesomschrijving is een minimale kiesdrempel waarmee wij kunnen leven. Het maakt een `opstartregio' mogelijk. Dat wil zeggen dat een nieuwe partij door het bereiken van de 5%-drempel in een bepaalde provincie, waar ze ontstaat en een groot elan heeft, in het Parlement kan komen, zonder dat ze meteen over het hele taalgebied 5% moet behalen. Dit systeem is voor ons verdedigbaar, al hadden we natuurlijk liever geen enkele kiesdrempel.

Ik kom nu bij de problematiek van de opvolgers. Bij voldoende grote lijsten - dat is het voordeel van provinciale kiesomschrijvingen - en meerdere verkozenen, krijgt de kiezer een grotere invloed op het resultaat. Het herinvoeren van het onderscheid tussen effectieve verkozenen en opvolgers heeft als voordeel dat men het principe kan verlaten dat er maar evenveel kandidaten kunnen zijn als effectief te begeven plaatsen, want opvolgers komen in surplus. Dankzij de opvolgers, die meestal zeer actieve mensen zijn, kunnen meer kandidaten in de kiesstrijd worden ingezet en elke kandidaat die op de lijst staat, betekent een versterking van de dynamiek van de partij. Dat is een andere optie dan die van collega Istasse, wiens voorstel we eerder al hebben besproken. Toen liepen we het risico dat we te weinig kandidaten zouden hebben en dat de opvolging in de problemen kwam. Het voorstel was dan ook om met de effectieve leden een iets langere lijst te vormen, maar dat wordt nu verlaten. We hebben gekozen voor grotere lijsten met de provinciale kiesomschrijving en voegen de opvolgers toe om het aantal kandidaten hoger te brengen dan het aantal te begeven plaatsen. Beide opties waren waardevol en ik weet niet welke van beide het beste was, maar we kunnen in elk geval achter de huidige keuze staan.

Met de uitspraken van de kamervoorzitter dat hij een federale kamer van plaatsvervangers en dus jaknikkers zal hebben, ben ik het niet eens. De invloed van de politieke partijen blijft in dit kiessysteem beperkt tot de eerste plaats - de effectief verkozene en de opvolger - en misschien een beetje de tweede, maar dat is al twijfelachtig. Zeker voor de grotere partijen kan dat geen enkel probleem geven, want ze hebben meerdere verkozenen per lijst. Dat wil zeggen dat behalve voor de eerste plaats de kiezer zal bepalen wie er uiteindelijk in het Parlement komt. Ik heb er geen probleem mee dat de partij de eerste plaats invult, want partijen zijn niet per definitie ondemocratisch. Politieke partijen vormen een positief instrument in de organisatie van de verkiezingen en ik vind dat er op de lijst nog plaatsen moeten voorkomen waarvan men met zekerheid kan zeggen dat het verkiesbare plaatsen zijn. Zo kan een politieke partij precies op bepaalde plaatsen een kans geven aan mensen die inhoudelijk waardevol zijn, die als jongere of vernieuwer een kans moeten krijgen, zonder dat ze op dat ogenblik al bekende mediafiguren zijn of grote stemkanonnen. We hebben dus een vrij goed evenwicht bereikt en het probleem van de opvolgers zal niet per definitie leiden tot een dictaat van de partijen. Hun invloed zal beperkt blijven tot de eerste plaats.

Mevrouw Mia De Schamphelaere (CD&V). - Er is al aangekondigd dat een aantal ministers zal opkomen voor Kamer en Senaat. Door de kandidaatstelling van een Vlaamse excellentie op de lijst van Kamer en Senaat komen twee personen in het parlement waar de kiezer geen vat op heeft.

De heer Frans Lozie (AGALEV). - Eén, geen twee.

Mevrouw Mia De Schamphelaere (CD&V). - Twee, de dubbele kandidaatstelling is mogelijk en er zijn twee opvolgers aangeduid. Dat zal het geval zijn voor bijna elke Vlaamse minister. Er zullen dus twee opvolgers zijn waarop de kiezer geen vat heeft.

De heer Frans Lozie (AGALEV). - Het gaat om één opvolger, want de kandidaat die effectief op de eerste plaats staat wordt door de partij aangeduid. Dat kan iemand zijn die een andere functie heeft omdat het bijvoorbeeld een zwaargewicht is binnen die politieke groep. Stel dat hij omwille van een andere functie die plaats niet inneemt, dan komt er een opvolger. Het is dus de eerste opvolger die in de plaats zal komen.

De heer Wim Verreycken (VL. BLOK). - Dezelfde minister staat zowel op de lijst voor de Senaat als voor de Kamer. In dat geval komen er twee opvolgers.

De heer Frans Lozie (AGALEV). - Ik heb zopas gezegd dat ik, net als een aantal leden van mijn partij, niet gelukkig ben met de gemeenschappelijke kandidatuur voor Kamer en Senaat. Dat is trouwens bij Agalev momenteel niet het geval.

De heer Ludwig Caluwé (CD&V). - Zal mevrouw Vogels niet zowel de Senaatslijst als de Kamerlijst in Antwerpen trekken?

De heer Frans Lozie (AGALEV). - Er is terzake nog geen enkele beslissing.

De heer Ludwig Caluwé (CD&V). - U vindt dus eenzelfde persoon op de eerste plaats voor de Senaat en voor de Kamer geen goede zaak?

De heer Frans Lozie (AGALEV). - Neen, maar dat doet niets ter zake, want ik ben maar één lid van mijn partij.

Een ander belangrijk aspect is de positie van de vrouwen op de lijst: de rits. Vrouwen moeten de helft van de kandidaten uitmaken. Daar kan niemand tegen zijn. Bij de volgende verkiezingen moet één van de eerste drie kandidaten op de lijst een vrouw zijn. Na deze verkiezingen moet één van de eerste twee kandidaten een vrouw zijn.

Agalev heeft een dergelijke regeling niet nodig, want er is bij ons al een goede man-vrouw-verdeling. Het is evenwel een goede wettelijke regeling, want ze biedt voldoende garanties voor het evenwicht man-vrouw. Grotere kiesomschrijvingen met meerdere verkozenen per lijst geeft, zoals mevrouw Leduc al zei, een grote diversiteit bij de kiesresultaten.

Het systeem is niet rigide. Ik ben ook geen voorstander om bijvoorbeeld de eerste, derde, vijfde, zevende plaats voor vrouwen te reserveren. De samenstelling van de lijst hangt overigens niet alleen af van het geslacht. Ook andere elementen mogen een rol spelen, onder meer de spreiding over het kiesdistrict, een spreiding naar leeftijd en naar specialismen van de kandidaten.

Wel garanderen we dat de verhouding tussen mannen en vrouwen onder de bevolking ook op de kandidatenlijsten tot uiting komt. Aan de top moeten beide geslachten vertegenwoordigd zijn zodat er ook gegarandeerd mensen van beider kunnen verkozen worden. Aan de andere kant willen wij de wet niet zo rigide maken dat de volgorde op de lijst echt afwisselend man/vrouw moet zijn. In de rits moet het niet per se altijd een/een zijn, maar mag het ook wel een twee/twee worden. Ik ben altijd voorstander geweest van een matige flexibiliteit zonder aan rechtmatige eisen afbreuk te doen. Samenvattend moet ik zeggen dat ik niet echt enthousiast ben over deze kieswet. Bescheiden als ik ben, vond ik mijn eigen voorstel nog altijd iets beter.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - U kunt het nog altijd als amendement indienen, mijnheer Lozie.

De heer Frans Lozie (AGALEV). - Ik zal met plezier dergelijke amendementen steunen.

De provinciale kiesomschrijvingen, landelijke figuren voor de Kamer... dat stond er allemaal in, zonder dat het voorstel vooruitliep op de hervorming van de Senaat. Er stonden ook minder goede punten in, maar op deze punten vond ik mijn voorstel iets beter. Maar politiek is ook de kwestie van het haalbare, zodat we ons nogal eens tevreden moeten stellen met minder perfecte voorstellen.

Ik ben ook niet helemaal gerustgesteld omtrent de grondwettigheid. De heer Vandenberghe heeft deze kwestie ter sprake gebracht en de ministers hebben daarop geantwoord. Ik geef de ministers en de regering in deze kwestie het voordeel van de twijfel. In hun antwoorden vond ik heel wat elementen waar ik achter kan staan. Maar honderd procent gerustgesteld kan ik mij evenwel niet noemen. De twee ministers met bevoegdheid voor Institutionele zaken zijn van oordeel dat ze de bezwaren die de Raad van State bij hun ontwerp had gemaakt, voldoende hebben weerlegd en dat de grondwettigheid voldoende gegarandeerd is. De regering is daarvan overtuigd en op basis van de antwoorden van de twee ministers vind ik geen aanwijzingen dat ze ongelijk heeft. Ik wil de regering in deze dus volgen, ook al ben ik maar voor 95 procent overtuigd. Bovendien zijn er bij het Arbitragehof procedures ingesteld om de grondwettigheid van de hervorming te toetsen...

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - U loopt wat snel, mijnheer Lozie. Dat is nog niet gebeurd.

De heer Frans Lozie (AGALEV). - Het is alvast de bedoeling dat ze er komen. Ik ben er alleszins gerust in dat onze juridische instellingen de nodige toetsingen zullen doen.

Toch wil ik hier heel duidelijk zeggen dat de positieve stem die ik straks als voorzitter van de Agalev-fractie zal uitbrengen, niet mag worden begrepen als een stem over de hervorming van de instellingen, behalve over dat kleine onderdeel ervan, namelijk de dubbele kandidaatsstelling voor Kamer en Senaat. Dit ontwerp heeft verder niets van doen met de samenstelling van de Senaat, laat staan over de afschaffing ervan. Daar wordt pas over gestemd bij een eventuele verklaring tot herziening van de grondwet en uiteindelijk bepaalt toch de kiezer welke hervormingen hij wilt.

Waarschijnlijk zal de Agalev-fractie niet unaniem de kieswetswijziging steunen. Als fractievoorzitter doe ik dat wel, ondanks mijn bezorgdheden die ik in alle eerlijkheid heb geformuleerd. Deze stemming zegt echter niets over de toekomstige hervorming van de Senaat. Deze kieswet loopt daar inderdaad wat op vooruit. Dat vind ik fout, maar die fout is onvoldoende zwaar tegenover de vele positieve elementen in dit ontwerp.

De heer Wim Verreycken (VL. BLOK). - Ik heb de laatste toespraak aandachtig beluisterd en mijns inziens dringt er zich een vraag op aan de minister. De collega, lid van de meerderheid, bevestigt dat er in Brabant meer Franstalige kandidaten op de lijst zullen staan dan er mandaten te begeven zijn. Wat zal de minister in dit verband adviseren aan de controlecommissie betreffende de verkiezingsuitgaven? Zullen de Franstalige kandidaten en opvolgers in hun verkiezingscampagnes zeven maal meer onkosten mogen maken? Krijgen zij met andere woorden een onterecht campagnevoordeel? Zal de minister de verkiezingsuitgaven beperken op grond van het aantal te begeven mandaten, of zullen de Franstalige kandidaten enkele miljoenen franken meer in hun campagne mogen investeren dan de Vlaamse kandidaten in Brabant?

De heer Frans Lozie (AGALEV). - Dat wordt niet in deze kieswet geregeld. Deze vraag is tot de minister gericht. Ik moet daarop niet antwoorden.

De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken. - De minister moet het Parlement niet adviseren over de manier waarop één van zijn commissies wettelijke bepalingen interpreteert en toezicht uitoefent op de verkiezingsuitgaven. Het Parlement is in dezen volkomen soeverein.

De heer Wim Verreycken (VL. BLOK). - Dus is er een onterecht campagnevoordeel voor de Franstalige kandidaten.

De voorzitter. - Dat heeft de minister niet gezegd.

De heer Wim Verreycken (VL. BLOK). - Maar dat is wel het gevolg van het ontwerp.

De heer René Thissen (CDH). - Gedurende de jongste drie jaar hebben de regering en de paarsgroene meerderheid zich vermeid met uitdrukkingen als `nieuwe politieke cultuur' of `politieke vernieuwing'. Vandaag staan we ver van de verklaringen van de eerste minister van juli 1999. Ik citeer: "De burgers moeten het centrum van het beslissingsproces zijn. Om hun greep op de politiek te versterken, nodigt de regering het parlement uit een bijzondere commissie in zijn schoot op te richten. Die zal debatteren over een grondige vernieuwing van het kiessysteem, de grootte van de kiesomschrijvingen en nieuwe vormen van participatie."

In zijn toespraak van 17 januari 2000 spreekt de eerste minister opnieuw de wil uit dat de commissie voor de politieke vernieuwing zich over die problematiek buigt. Hij zegt: "Is het nodig om ons kiessysteem te herzien en zo ja, hoe? Moet de grootte van de kiesomschrijvingen worden herzien? Moeten de mechanismen om de stemmen om te zetten in zetels worden herzien? Moeten kiesdrempels worden ingevoerd?" Die vragen bleven zonder antwoord omdat die debatten, zoals zovele andere, nooit plaatsvonden bij gebrek aan deelnemers.

Vóór de verkiezingen hadden de Franstaligen van de meerderheid zich er trouwens toe verbonden om zich krachtig op te stellen tegenover de Vlaamse eisen. Zij maakten deel uit van een Frans front, samen met wat toen nog de PSC was.

Nu wordt de balans opgemaakt. Daarbij moet worden vastgesteld dat in de voorgestelde teksten de democratie erop achteruitgaat en de Franstaligen hebben gecapituleerd. Ik zal dat trachten aan te tonen.

De teksten betekenen een achteruitgang voor de democratie, omdat ze de rechtsstaat aantasten alsook het recht van de burgers om hun vertegenwoordigers te kiezen. Ze betekenen ook een achteruitgang voor de Franstaligen, omdat ze een onderdeel zijn van een ruil waarvan enkel de voor de Vlamingen gunstige elementen nu worden uitgevoerd. Ze tasten tevens de rechten van de Franstaligen in de rand aan.

Er wordt onmiskenbaar een aanslag gepleegd op de rechtsstaat. Een democratie steunt op een aantal regels die met name in de Grondwet staan ingeschreven. De eerbiediging ervan is dus essentieel voor de democratie. De voorgelegde teksten schenden echter de grondwettelijke regels en treden de rechtsstaat en de democratie met voeten. Op dat vlak kan het advies van de Raad van State niet duidelijker zijn. Het bevestigt onze kritiek die wij hebben geuit bij het afsluiten van de akkoorden van de heilige Cletus. De Raad ziet inderdaad belangrijke grondwettigheidsproblemen. Ten eerste wordt artikel 64 van de Grondwet geschonden. Dat verbiedt bijkomende verkiesbaarheidsvereisten voor de Kamerverkiezingen, in tegenstelling tot artikel 69 dat betrekking heeft op de verkiezingen voor de Senaat.

In artikel 8 van het ontwerp worden echter twee nieuwe verkiesbaarheidsvereisten ingevoerd. Zo moeten de kandidaten in Brussel-Halle-Vilvoorde een taalverklaring afleggen en worden de kandidaten voor de Kamer verplicht op te komen in het arrondissement waar ze hun woonplaats hebben. Artikel 64 van de Grondwet wordt dus miskend.

De meerderheid heeft getracht haar tekst te amenderen om rekening te houden met het advies van de Raad van State. De Raad bevestigde in zijn tweede advies echter de in zijn eerste advies geformuleerde kritieken. Hij meende dat de amendementen de grondwettigheidsproblemen niet wegnamen, noch voor de kieskringen Leuven en Brussel-Halle-Vilvoorde, noch voor degenen die tegelijk kandidaat zijn voor Kamer en Senaat.

Ten tweede schendt het voorgestelde systeem voor de kieskringen Brussel-Halle-Vilvoorde en Leuven artikel 63 van de Grondwet. Dat legt een strikte verdeling van de zetels per kieskring op. Wat nu voor Brussel en Vlaams-Brabant wordt voorgesteld, komt niet tegemoet aan die vereiste. Volgens de Raad van State schendt dit artikel 63. De amendementen van de meerderheid nemen de bezwaren van de Raad van State dus niet weg.

Ten derde voert het nieuwe systeem een verschil van behandeling in tussen Franstalige en Nederlandstalige kiezers van Brussel-Halle-Vilvoorde. De eersten kunnen enkel kiezen voor kandidaten in hun kieskring, de anderen kunnen voor kandidaten in twee kieskringen kiezen. Er wordt ook een verschillende behandeling tussen Franstalige en Nederlandstalige kandidaten ingesteld, aangezien de Franstaligen slechts stemmen uit de kieskring Brussel-Halle-Vilvoorde kunnen krijgen. Voor dat verschil wordt geen enkele verantwoording gegeven. Dat is dus een schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, die elke discriminatie verbieden. Het advies van de Raad van State bevestigt dit. Ook op dit vlak nemen de amendementen van de meerderheid de grondwettelijke bezwaren niet weg.

Ten vierde moet men zich met de Raad van State afvragen of een kiesdrempel van 5% verenigbaar is met artikel 62, alinea 2 van de Grondwet dat de evenredige vertegenwoordiging oplegt. Voor ons en voor de Raad van State schenden de voorgestelde teksten op grove wijze de Grondwet. De uitdrukkelijke wens van de meerderheidspartijen om geen rekening te houden met het advies van de Raad van State brengt de rechtsstaat en dus de democratie in gevaar.

Er bestaan uiteraard rechtsmiddelen om de Grondwet te doen respecteren. Iedereen die van een belang kan doen blijken, kan naar het Arbitragehof stappen, maar hier rijst een bijkomende onzekerheid. Het valt te betwijfelen of een effectief beroep mogelijk is, aangezien deze hervorming er net voor de verkiezingen komt. Het Arbitragehof zal onmogelijk de ongrondwettige bepalingen van de wet vóór de verkiezingen kunnen vernietigen en zal ze tijdens die periode moeilijk kunnen schorsen. Door de meerderheid werd alles in het werk gesteld opdat de slachtoffers van de ongrondwettige bepalingen geen enkele beroepsmogelijkheid zouden hebben. Ook dat is een ernstige miskenning van de rechtsstaat.

Het recht van de burgers om hun vertegenwoordigers te kiezen wordt eveneens geschonden. De herinvoering van de opvolgers verkleint in dat opzicht de invloed van de kiezers. Dit systeem werd afgeschaft door de wet van 27 december 2000 - die tegelijk het belang van de lijststem halveerde - om de keuze van de kiezers te vergroten. De motivering van de meerderheid toen was de gelijkheid tussen de kandidaten te vergroten en rekening te houden met de door de kiezers uitgesproken voorkeur. Die logica werd bevestigd door de wetten-Istasse, -Monfils en -Lizin, die zes maanden geleden werden aangenomen. Die beogen de kans te verkleinen op tussentijdse verkiezingen om vacante plaatsen op te vullen in het geval de reserve aan opvolgers, dat wil zeggen niet verkozen kandidaten, is uitgeput.

Dat de meerderheid terugkomt op haar standpunt, zonder dat het nieuwe systeem ook maar één keer werd toegepast, illustreert het gebrek aan samenhang in haar keuzen, alsook haar wil om met één hand terug te nemen wat met de andere werd gegeven. Het imago van de politiek en de democratie zal er daardoor in de ogen van de publieke opinie niet beter op worden.

De verbreding van de kieskringen betekent voor ons een democratische achteruitgang. Het zal leiden tot een verwijdering tussen kiezers en gekozenen, terwijl de burgers er steeds meer behoefte aan hebben dat die gekozenen dicht bij hen staan. Het zal ook leiden tot de vervlakking van de door de burgers beleefde verschillen. De uniformering zal ten nadele van de landelijke en ten voordele van de stedelijke gebieden gaan.

Ten slotte is de mogelijkheid om zich tegelijk voor Kamer en Senaat kandidaat te stellen niet te verantwoorden. Als dit een verbetering is, waarom het dan beperken tot één verkiezing? Dat is onbegrijpelijk, tenzij dit vooruitloopt op de afschaffing van de Senaat. Dat zou werkelijk een schande zijn.

De voorzitter. - Dat zou onaanvaardbaar zijn!

De heer René Thissen (CDH). - In elk geval gaat de democratie er daardoor op achteruit. Het is een bevordering van de vedettencultus in de politiek. Dat is niet goed. Het brengt de kiezers ook in verwarring, aangezien ze niet meer weten of ze hun vertegenwoordigers naar de Kamer of de Senaat sturen. Gelukkig zal dat systeem slechts éénmaal kunnen worden toegepast. Maar is dat geen bekentenis dat dit systeem enkel het probleem van bepaalde personen wil oplossen?

Het zijn niet zij die het systeem gebruiken die met de vinger moeten worden gewezen, wel degenen die het hebben ontworpen. Kritiek erop moet ons niet beletten het te gebruiken. Als één partij electorale wapens in stelling brengt, is het gebruik ervan door de andere partij een vorm van wettige zelfverdediging.

De voorgestelde teksten passen in een breder akkoord waarvan wij het onevenwichtig karakter reeds beklemtoonden. De beperkte verworvenheden voor de Franstaligen, zoals de paritaire Senaat en de decretale bevoegdheid en de constitutieve autonomie voor het Brusselse Gewest, worden uitgesteld tot de volgende zittingsperiode, terwijl de Vlaams verworvenheden aangaande de kieskringen tijdens de huidige zittingsperiode worden binnengehaald.

Als het verleden zich herhaalt - het kaderverdrag over de bescherming van de minderheden is nog altijd niet geratificeerd, terwijl de gemeente- en provinciewetten reeds geregionaliseerd werden - is het weinig waarschijnlijk dat de Franstalige verworvenheden realiteit worden zonder dat daarvoor een tweede maal een prijs moet worden betaald. Daarom begrijpt de CDH niet dat de decretale bevoegdheid voor het Brusselse Gewest niet tijdens deze zittingsperiode kan worden goedgekeurd door het huidige wetsvoorstel te koppelen aan het gelijkaardige wetsvoorstel van de CDH. Er is immers geen grondwetsherziening nodig om Brussel een decretale bevoegdheid te geven. Alleen de wet van 12 januari 1989 moet worden gewijzigd. De weigering van de meerderheidspartijen toont nog maar eens dat de spreiding in de tijd van de uitvoering van het akkoord een Vlaamse overwinning verbergt. Wat niet tijdens deze zittingsperiode wordt uitgevoerd, zal nooit worden uitgevoerd of zal hard wordt onderhandeld.

De teksten zijn trouwens rampzalig voor de Franstaligen in de Brusselse rand. De Franstaligen hebben aanvaard om over de splitsing van het kiesarrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde te spreken, terwijl zij altijd hebben gezegd dat dit onbespreekbaar was. Zij hebben zich aldus op een gevaarlijk pad begeven.

Door die voorstellen wordt de sterke band tussen Brussel en Halle-Vilvoorde, dat haar culturele, sociologische en economische hinterland vormt, definitief verzwakt. Het akkoord bevat de kiemen van de definitieve splitsing van het arrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde. Door die ontwerpen en voorstellen verdrinken de Franstaligen van de rand in een homogener Nederlandstalig geheel. Tegelijkertijd versterken ze politiek en qua aantal het gewicht van de Vlamingen in Brussel. De nieuwe zetelverdeling zal bovendien nog meer het failliet bevestigen van de Brusselse utopie van één enkel kiezerskorps van Franstaligen en Nederlandstaligen van Brussel die dezelfde doeleinden zouden verdedigen in het belang van Brussel en niet van hun eigen gemeenschap.

Met die teksten wordt tevens een discriminatie in het leven geroepen tussen de Franstaligen en Nederlandstaligen van Vlaams-Brabant, omdat een Nederlandstalige uit Tervuren in het arrondissement Leuven voortaan voor een Nederlandstalige Brusselaar zal kunnen stemmen, terwijl een Franstalige van dezelfde kieskring niet voor een Franstalige Brusselaar kan kiezen.

Cultureel gezien versterkt het akkoord dus de band tussen Nederlandstaligen van Brussel en Vlaams-Brabant, terwijl de bestaande banden tussen Franstaligen uit Brussel en uit de rand worden losgemaakt. Die onaanvaardbare discriminatie schendt het gelijkheidsprincipe en lijkt ongrondwettig te zijn.

Door die ontwerpen en voorstellen worden ten slotte nieuwe en verdachte banden gesmeed tussen het Brusselse Gewest en de provincie Vlaams-Brabant. Dat sluit het Brusselse Gewest nog wat meer op in een Vlaams carcan en bevestigt het loslaten van Brussel door Wallonië.

Indien de huidige meerderheid zou worden voortgezet, twijfel ik er niet aan dat het kiesarrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde integraal zal worden gesplitst. Het systeem dat voor Leuven en Brussel-Halle-Vilvoorde wordt ingevoerd, loopt mank en zal het verantwoord doen voorkomen dat daarop na de verkiezingen wordt teruggekomen met de gevolgen die men kan raden.

Wij kunnen ons enkel verzetten tegen die verdere verslechtering van het statuut van de Franstaligen in de rand na onder meer de regionalisering van de gemeentewet, het behoud en de toepassing van de omzendbrieven-Peeters en anderen, de integratie van de gemeente Wemmel in een exclusief Vlaamse politiezone, de reactivering van de taalinspectie in het onderwijs, de weigering om Franstalige leraars te benoemen en de weigering het kaderverdrag voor de bescherming van de minderheden te ratificeren ondanks de goedkeuring van het rapport-Nabholz door de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa dat België buiten de Europese naties plaatst inzake de bescherming van de mensenrechten. Op dat resultaat moet men niet fier zijn.

De CDH kan geen hervorming goedkeuren die verschillende belangrijke grondwettelijke bepalingen schendt, een achteruitgang voor de democratie betekent en het confisqueren van de keuze van de kiezers door de partijapparaten versterkt. Dat alles kadert bovendien in een voor de Franstaligen ongunstig globaal akkoord.

Mevrouw Mia De Schamphelaere (CD&V). - De toespraak van collega Lozie was bijzonder interessant. Hij bracht kritiek uit op de paritaire Senaat, op het overaanbod van Franstalige kandidaten in Brussel-Halle-Vilvoorde, op de dubbele kandidaatstelling en hij sprak zijn twijfel uit over de grondwettelijkheid. Dit alles klonk zeer aangenaam in onze oren. We dachten dat het debat echt op gang zou komen en dat de leden van de meerderheid hun eigen visie zouden verdedigen.

We kijken ernaar uit hoe de leden van de fractie van de heer Lozie over onze amendementen en het ontwerp zullen stemmen. In een democratie is het immers nooit te laat om zijn verantwoordelijkheid als parlementslid op zich te nemen.

Deze kieshervorming gaat precies over de inhoud van onze parlementaire democratie. Aan het delicate evenwicht dat door de jaren heen in ons land is opgebouwd, mag pas worden gesleuteld als men er zeker van is dat de kiezer, de politici of de politieke partijen er beter van worden.

Wie wordt nu van deze kieswethervorming beter? De initiatiefnemers beweren dat de kiezer meer invloed zal krijgen. Het is zeer de vraag of dat wel zo is en of dat het democratisch gehalte van onze instellingen erdoor verhoogt. Er zijn gegronde redenen om daaraan te twijfelen.

Het grootste nadeel van de provinciale kieskringen is dat de afstand tussen de kiezers en de verkozenen groter wordt. Vier van de vijf kieskringen in Vlaanderen tellen meer dan één miljoen inwoners. Door die aanzienlijke schaalvergroting wordt het voor de politiek mandatarissen moeilijk om dichter bij hun electoraat te komen. Integendeel, de vervreemding zal toenemen. Wie zal nog de polsslag kunnen voelen van de streek die hij of zij vertegenwoordigt als die een hele provincie beslaat?

De provinciale kieskringen werden ingevoerd met het Sint-Michielsakkoord, waarbij het aantal Kamerzetels werd verminderd van 212 tot 150. Het was de bedoeling de representativiteit te vrijwaren, maar de kieskringen kunnen niet met elkaar worden vergeleken. Het aantal kiezers loopt sterk uiteen. De drie provinciale kieskringen Limburg, Namen en Luxemburg tellen samen nog geen miljoen kiezers.

Limburg telt 580.000 kiezers, iets meer dan de grootstad Antwerpen, Luxemburg 180.000 en de nieuwe kieskring Antwerpen zal 1,2 miljoen kiezers tellen.

Collega's parlementsleden getuigen hoe moeilijk het nu al is, met de huidige kleinere provinciale kieskringen, om het directe contact met de kiezers in stand te houden. De politici moeten bereikbaar en aanspreekbaar blijven. Nabijheid van instellingen en verantwoordelijken is volgens ons het middel om de vervreemding tegen te gaan en om de opgang van extremistische partijen te stuiten.

We vrezen ook dat er na deze kieshervorming een ander type politicus zal ontstaan dat uitsluitend op basis van rapporten en studies kennis zal nemen van de problemen van de samenleving. In Nederland wordt sinds de vorige parlementsverkiezingen algemeen erkend dat de grote afstand tussen de kiezers en de politici in Den Haag één van de belangrijkste oorzaken was van het ongenoegen dat tot uiting kwam bij de parlementsverkiezingen. Andere Europese landen nemen nu allerlei initiatieven om de afstand tussen de politici en de kiezers te verkleinen en streven een kieswetgeving na die het omgekeerde effect beoogt van voorliggende kieshervorming, namelijk schaalverkleining en rechtstreeks contact tussen de kiezers en de gekozenen. De beperkte mogelijkheid tot rechtstreeks contact tussen de kiezers en de gekozenen zal de personalisering en de mediatisering van de politiek nog in de hand werken. In grote kieskringen kunnen de bevolkingsgroepen samen alleen nog worden bereikt via de media of zeer dure campagnes. Mediavedetten zullen dus belangrijker worden dan partijen, programma's en ideeën. Op een ogenblik dat de vervaging van de ideologische verschillen tussen de politieke partijen als een belangrijke oorzaak van de verminderde belangstelling voor de politiek wordt aangewezen, willen de voorstanders van de hervorming de vedettencultus nog stimuleren. Wij vrezen dat de hervorming de politieke partijen zal reduceren tot kiesverenigingen, terwijl er nu meer dan ooit nood is aan politici die een visie op mens en maatschappij vertolken.

Dat is een betreurenswaardige evolutie want het is precies via het onderscheid tussen politieke programma's en opvattingen over kandidaten dat de kiezers hun keuze moeten kunnen maken. De geschiedenis heeft voldoende bewezen dat de vergrijzing van de ideologie kan leiden tot de verbruining van de maatschappij.

Dan is er de dubbele kandidaatstelling voor Kamer en Senaat. Volgens de heer Lozie is dat een `voorafname' op de hervorming van de Senaat zoals die uit het politieke akkoord naar voren is gekomen en waar hij niet achter staat. Waarom wil men die dan handhaven? Waarom wil men voor de volgende parlementsverkiezingen de afzonderlijke lijst van opvolgers, die nog meer kiezersbedrog tot gevolg zal hebben, opnieuw invoeren? Door de combinatie van de dubbele kandidaatstelling en het opnieuw invoeren van de opvolgers zal de kiezer twee gekozenen zien aantreden waar hij helemaal niet heeft voor gekozen. Het is immers mogelijk dat de gekozene die dubbel kandideerde, geen enkel mandaat opneemt en bijgevolg twee keer wordt vervangen. Het lijdt niet de minste twijfel dat de partijen al hun electorale troeven zullen uitspelen. Politici zullen worden verkozen en onmiddellijk daarna aan hun mandaat verzaken terwijl een niet onbelangrijk aantal politici in het parlement zullen zitten met de stemmen die ze zelf niet behaalden, vaak ten nadele van andere kandidaten die wel een mandaat als opvolger verdienen.

Dit bewijst hoe de voorstanders van de hervorming het democratisch deficit aanzienlijk vergroten.

Op een cynische manier bewijst de hervorming ook dat de meerderheid niets anders dan het eigen belang voor ogen heeft. De algemene Vlaamse belangen worden opgeofferd aan de persoonlijke belangen van de meerderheid, met de volledige medewerking van minister-president Dewael, die het akkoord mee onderhandelde, en van de andere kopstukken van paarsgroen.

Wat alle Vlaamse eerste ministers altijd hebben geweigerd, maken Verhofstadt en de Vlaamse meerderheidspartijen vandaag mogelijk. Het onder voogdij plaatsen van de Vlaamse meerderheid wordt het best geïllustreerd met de hervorming van de Senaat. De paritaire Senaat geeft de Franstaligen een grendel op de Vlaamse meerderheid. De enige opdracht van de hervormde Senaat zal erin bestaan de Vlaamse meerderheid te kortwieken. De Senaat zal niet langer een ontmoetingsplaats zijn tussen de gemeenschappen en de gewesten.

Wij zullen zeker geen stemmen leveren voor een tweederde meerderheid voor de hervorming van de Senaat. Ik heb begrepen dat Agalev dat evenmin van plan is.

De heer Joris Van Hauthem (VL. BLOK). - Dat zullen we onthouden!

Mevrouw Mia De Schamphelaere (CD&V). - In tegenstelling tot het Vlaamse regeerakkoord pleiten de federale regering en de Vlaamse meerderheidspartijen met deze hervorming voor het behoud van de kieskring Brussel-Halle-Vilvoorde. Wat door sommigen als een Vlaamse overwinning wordt voorgesteld, namelijk de vorming van een Nederlandstalige provinciale kieskring Vlaams-Brabant, is in feite een zware Vlaamse nederlaag die resulteert in het verlies van twee Vlaamse kamerzetels in Brussel-Halle-Vilvoorde. Alle senatoren werden hierover uitvoerig ingelicht door middel van de interessante nota van de heer Luc De Coninck van het Halle-Vilvoorde Komitee. Zijn nota is wel zeer technisch, maar ze is beslist het lezen waard. Hij toont aan waartoe de hervorming in Vlaams-Brabant en in Leuven leidt. De Franstalige Brusselse kiezers zullen immers mee kunnen bepalen wie Leuven vertegenwoordigt in de federale Kamer. Na veertig jaar keren we terug naar `Leuven Frans'. Het verlies van de twee Vlaamse zetels is het gevolg van de poolvorming in het arrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde, waardoor de grote Franstalige partijen de stemmen die thans verloren gaan, bij de zetelverdeling zullen kunnen recupereren.

De grote vraag blijft hoe het parlement sterker uit de hervorming zal komen. Het is ons een raadsel. De invoering van provinciale kieskringen zal ongetwijfeld de greep van de hoofdkwartieren van de politieke partijen op de samenstelling van de kandidatenlijsten doen toenemen. Bij de partijtop in Brussel op een goed blaadje staan zal belangrijker worden dan de inzet op lokaal en arrondissementeel vlak. Eenmaal verkozen, zal de afhankelijkheid van de partijbonzen toenemen en zal de bewegingsvrijheid in het parlement verminderen. Dat geldt des te meer voor de opvolgers. Ze hebben hun zetel immers niet aan de kiezer te danken. De herziening van de kieswet zal de reële macht en de autonomie van het parlement verzwakken.

De parlementaire behandeling van deze belangrijke kieshervorming zou wel eens een voorafspiegeling kunnen zijn van het functioneren van het parlement in de nabije toekomst: gebrek aan tegensprekelijk debat, parlementsleden die onder elkaar de kritiek niet sparen, maar die in het openbaar geen weerstand durven bieden tegen de politieke top van hun partij, zelfs als ze zeker zijn van hun herverkiezing; ministers die, meer nog dan nu het geval is, het parlementaire debat zullen beschouwen als een noodzakelijke, maar in feite overbodige fase van het wetgevingsproces.

Ten slotte getuigt het van weinig politiek fatsoen om de fundamentele aspecten van de kieswetgeving op minder dan een jaar vóór de verkiezingen te wijzigen, zeker wanneer het gaat over wijzigingen die bij de regeringsvorming werden bedisseld en die niet openlijk in het parlement werden besproken over de grenzen van minderheid en meerderheid heen. Het ligt er vingerdik op: de hervormers hadden niet de wil van de kiezer, maar het eigen belang voor ogen. De kiezer noch de democratie zullen met de hervorming gebaat zijn. De waarheid is dat de hervorming in hoofdzaak wordt nagestreefd door enkele meerdere goden, voor wie verkiezingen een populariteitstest betekenen die hen moet toelaten hun macht in partij, regering en parlement te versterken. Ze vergeten evenwel dat glorie vergaat. Ons uitgangspunt blijft dat verkiezingen in de eerste plaats dienen om de vertegenwoordigers van het volk aan te wijzen, mensen in wie de kiezers zich kunnen herkennen en tot wie ze zich met hun vragen en problemen kunnen wenden. Politici zijn er voor de mensen en niet omgekeerd.

De heer Louis Siquet (PS). - De Raad van de Duitstalige Gemeenschap heeft in haar resolutie van 10 juni 2002 aan het federale parlement en aan de regering zijn mening te kennen gegeven over de nieuwe kieskringen voor de Kamer. Als lid van deze raad werd ik gemandateerd om u deze resolutie voor te lezen: De Raad vraagt een wettelijke of grondwettelijke gewaarborgde vertegenwoordiging van de bevolking van het Duitstalig gebied in de Kamer van volksvertegenwoordigers, rekening houdend met het stelsel van evenredige vertegenwoordiging.

In onderhavige wet tot wijziging van het Kieswetboek wordt geen rekening gehouden met die resolutie, die door een ruime meerderheid in de Raad van de Duitstalige Gemeenschap werd goedgekeurd. Deze gemeenschap wordt erkend als een nationale minderheid, die niet dient te worden vertegenwoordigd op basis van haar aantal inwoners, maar wel van haar Duitstaligheid.

Ofwel wordt deze minderheid erkend, ofwel wordt ze dat niet, maar in het laatste geval begaat men wel een zwaarwichtige fout.

Op dit ogenblik wordt ze niet erkend. Noch in de Kamer, noch in de Senaat werd de resolutie in overweging genomen of aangehaald. Als lid van de Duitstalige Raad ben ik ten zeerste ontgoocheld. Een wetsontwerp dat ingaat tegen de opvatting van het orgaan dat mij als woordvoerder heeft aangewezen, kan ik niet goedkeuren.

In de resolutie worden de argumenten voor een gewaarborgde vertegenwoordiging van de Duitstaligen in de Kamer uitvoerig uiteengezet. Ik zal niet blijven aandringen. Wie geïnteresseerd is, kan de tekst lezen. Wij maken ons geen illusies over het lot dat die resolutie wacht. Mijn ontgoocheling over het uitblijven van een meer constructieve discussie kan ik alleen nog uiten door mij bij de stemming te onthouden.

De heer Philippe Mahoux (PS). - Ik denk dat de heer Siquet ten volle zijn rol van gemeenschapssenator vervult. Hij is de woordvoerder van een gemeenschap en stelt ze tegenover de andere gemeenschappen in dit gremium dat de deelstaten weldra nog concreter zal vertegenwoordigen.

De eerbiediging van de minderheden - en de uitdrukking is misschien zwak - is een belangrijk onderdeel van het democratisch gedachtegoed. Het debat moet dus worden voortgezet.

De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken. - Ik sluit mij aan bij het betoog van de heer Mahoux. Aan de heer Siquet - die ik niet in de commissie heb ontmoet - wil ik alleen zeggen dat daarover een interessant debat heeft plaatsgevonden. De heer Istasse kan dat bevestigen.

Een minimale vertegenwoordiging van één vertegenwoordiger stoot momenteel op grondwettelijke obstakels, want wij kennen een stelsel van evenredige vertegenwoordiging.

Ik denk dat het debat inderdaad moet worden voortgezet.

De voorzitter. - Van mijn kant heb ik enkele maanden geleden een bezoek gebracht aan de Duitstalige Raad. Ik heb er mijn ambtsgenoot ontmoet, evenals de minister - president. Als een afvaardiging van de Duitstalige Raad haar standpunt wil komen toelichten in de Commissie voor de Institutionele Aangelegenheden, dan sta ik volledig te harer beschikking. Op die manier vervult de Senaat zijn rol van ontmoetingskamer voor de gemeenschappen en de gewesten.

De heer Louis Siquet (PS). - Bij mijn weten werd een soortgelijk verzoek afgewezen door de voorzitter van de Kamer.

De voorzitter. - Ik hoef geen commentaar te geven op de houding van mijn ambtsgenoot in de Kamer.

De heer Ludwig Caluwé (CD&V). - We maken hier weer een merkwaardig schouwspel mee. We debatteren over de kieswet wat toch wel een bijzonder belangrijke aangelegenheid is omdat daarbij de spelregels van onze democratie worden vastgelegd. Het viel mij evenwel op dat de tussenkomsten van de leden van de meerderheid erg koel waren. Ik heb het zelden meegemaakt dat de verdediging van een regeringsontwerp zo lauw, op een zo verdoken kritische wijze, gebeurt. Ik verwijs naar wat de heer Lozie zei. Als men naar de tekst kijkt, is dat ook niet verwonderlijk. Het ontwerp is eigenlijk niet verdedigbaar. Het omvat een amalgaam van vijf zaken: de invoering van een kiesdrempel, de invoering van provinciale kieskringen, de herinvoering van een lijst van opvolgers die pas was afgeschaft, de mogelijkheid van een dubbele kandidatuur voor Kamer en Senaat en de niet-splitsing van het kiesarrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde waardoor de Franstaligen twee kamerzetels zullen winnen. Het ontwerp wordt dus niet verdedigd. Het wordt echter ook niet neergesabeld, omdat er voor iedereen iets inzit.

De enige reden waarom de kiesdrempel wordt ingevoerd, is dat dit de gelegenheid geeft aan de particratische strategen van in de eerste plaats de VLD, maar ook van de SP.A, om een partij te doen versplinteren en ervoor te zorgen dat die partij niet meer aan mandatarissen geraakt met als resultaat dat de restanten in eigen huis kunnen worden opgenomen. Dat is puur utilitair en opportunistisch redeneren.

De provinciale kieskringen werden vooral door Agalev gevraagd en ook door de SP.A, meer bepaald voor West-Vlaanderen ter meerdere eer en glorie van de keizer van Oostende en voor Vlaams-Brabant waar de SP.A zo klein is geworden dat ze de provinciale kieskring nodig heeft. Om die reden alleen al wordt al de rest geslikt. De woorden van de heer Lozie waren duidelijk. Agalev slikt de jongste weken en maanden trouwens zo veel omdat zij de kieswet nodig heeft om te overleven.

De herinvoering van de lijst van opvolgers samen met de dubbele kandidatuur is in de eerste plaats bedoeld voor de vedetten.

Die kunnen voortaan op zoveel mogelijk plaatsen kandideren tot hun meerdere eer en glorie en hun machtsbasissen uitbreiden. Om die machtsbasis te kunnen behouden, willen ze niet dat interne concurrenten allerlei mandaten uitoefenen. Daarom willen ze dat de plaatsen, die ze dankzij hun voorkeurstemmen veroverd hebben, worden ingenomen door vertrouwelingen die blindelings uitvoeren wat hun voedstervaders opdragen. Ze hebben dus handlangers in de diverse parlementen, op wie ze als vazallen kunnen rekenen. De feodaliteit wordt dus opnieuw in ons politiek systeem ingevoerd.

Tenslotte is er de specifieke regeling voor Brussel, waardoor alle Franstalige partijen, die niet overtuigd waren van die provinciale kieskringen, de garantie krijgen dat ze in de Kamer twee zetels zullen winnen, in de toekomst mogelijk nog meer. Daarom staan alle Franstalige partijen volmondig achter dit ontwerp. Ze verdedigen die regeling echter niet met veel overtuiging, omdat het eigenlijk om een amalgaam gaat. Ze kunnen eigenlijk niet fier zijn op de utilitaire wijze waarop dit alles gebeurt.

Komt deze hervorming er omdat de bevolking erom vraagt, omdat er verzoekschriften voor worden ingediend, omdat er betogingen voor worden georganiseerd? Neen, vorige week hebben De Standaard en de VRT een enquête gehouden waarin gevraagd werd welke thema's de burgers politiek belangrijk vinden. Het thema politieke vernieuwing staat daar helemaal onderaan. De burgers liggen dus niet wakker van deze hervorming. Ze zullen het trouwens heel moeilijk hebben om iets te begrijpen van het kluwen dat in Vlaams-Brabant wordt ingevoerd.

Stond die hervorming in de politieke programma's van de partijen waarvoor de burgers hebben gekozen? Neen, helemaal niet. De meest extreme voorbeelden zijn het partijprogramma van de VLD, alsook de burgermanifesten die de eerste minister destijds heeft geschreven. Daarin staat niets van wat nu wordt voorgesteld. Een kiesdrempel werd door de schrijver van het Burgermanifest beschouwd als antidemocratisch. Er was ook geen sprake van de vergroting van de kieskringen, maar veeleer van de verkleining ervan om de politiek dichter bij de burgers te brengen. Er mochten geen opvolgers meer op de lijsten staan zodat de kiezers meer mogelijkheden zouden krijgen om rechtstreeks hun kandidaten aan te wijzen. Dat werd in eerste instantie wel uitgevoerd, maar met de herinvoering van de lijst van opvolgers komt men daar gedeeltelijk op terug. Ik ben het wat dat betreft niet eens met de eerste minister, maar hij doet nu het tegenovergestelde van wat hij eerder had voorgesteld, louter om utilitaire redenen.

Waartoe zal dat nieuwe kiessysteem leiden? Wie worden onze gekozenen in de toekomst?

We gaan naar provinciale en nationale kieskringen die verderaf staan van de burger, er komen weer opvolgers, de nationaal gekozen senatoren worden kamerleden. Omdat de grote kieskringen de afstand tot de burger vergroten en de voorkeurstemmen zo zwaar doorwegen zullen er in de toekomst nog slechts drie soorten parlementsleden bestaan: de gevestigde parlementsleden die als partijvoorzitter, als minister geregeld in de media komen; de kapitaalkrachtigen die zich grote campagnes ook buiten de sperperiode kunnen veroorloven; en ten slotte de televisievedetten. Jonge kandidaten zullen ondanks hun inzet voor de lokale gemeenschap, niet de kans krijgen voldoende bekendheid op te bouwen om op het niveau van de provinciale kieskringen voldoende stemmen te verwerven. We zullen terechtkomen in de televisiedemocratie. De jongste dagen zie ik geregeld de politicus met loopbaanonderbreking Bert Anciaux in de media verschijnen. Hij stelt boeken voor, wordt met zijn papa bij Titaantjes geïnterviewd, overal is Bert Anciaux aanwezig. Ik heb grote vragen over de belangen die daarachter zitten en die ervoor zorgen dat hij telkens opnieuw wordt `geplugd'. Het doet me inderdaad denken aan de muziekindustrie. Iemand die een hit wil scoren, moet geen goede muziek maken, maar moet ervoor zorgen dat zijn cd geplugd wordt. Ook in de politiek komt het er niet meer op aan goede politiek te bedrijven en goede ideeën te hebben. Het komt erop aan geplugd te worden, voldoende in de kijker te lopen om bovenaan de hitparade te prijken. Dit ontwerp ondersteunt die evolutie. Ik heb grote vragen over de richting die onze democratie uitgaat.

Natuurlijk kunnen die vedetten niet overal zitting nemen en moeten ze worden opgevolgd door vazallen die hen blindelings volgen. Sommige vedetten zullen op vier plaatsen worden vervangen zodat ze over vier vazallen beschikken: de viervuldigheid. De heer Stevaert zal de Kamerlijst en de Senaatslijst trekken, hij was lijsttrekker bij de verkiezingen voor het Vlaams Parlement en hij is verkozen als burgemeester van Hasselt. Voor die vier mandaten zal iemand anders zijn plaats innemen. Ik heb grote vragen bij het democratische karakter van dergelijke constructies.

Wij beweren niet dat het huidige kiessysteem perfect is. Er kan altijd aan alternatieven worden gedacht. Wij zijn zeker bereid na te denken over een hervorming die gaat in de richting van het Duitse kiesstelsel. Dat combineert twee zaken; enerzijds is er de lokale vertegenwoordiging door de lokale politicus die dicht bij de burger staat, anderzijds kunnen de kiezers ook een stem uitbrengen op een nationale lijst zodat ze kunnen aangeven wie hun voorkeur wegdraagt voor het kanseliersschap. In het Duits systeem is de helft van het Parlement samengesteld uit vertegenwoordigers van de kiesarrondissementen, terwijl de andere helft wordt samengesteld op basis van nationale lijsten. Hierbij kunnen garanties worden ingebouwd dat de grote partijen niet worden bevoordeeld en dat stemmen uit kleine kiesarrondissementen kunnen worden overgeheveld zodat alle politieke stromingen evenredig worden vertegenwoordigd. Dit systeem sluit nauwer aan bij onze ideeën over de democratie en zou de politieke werking ten goede komen.

Ik betreur dat de regering ons vandaag een amalgaam zonder enige filosofische basis voorlegt. Er worden enkel zuiver utilitaire keuzes gemaakt. De meerderheid heeft een enorme kans gemist.

De heer Joris Van Hauthem (VL. BLOK). - Over de hervorming van de kieswetgeving is al veel gezegd, maar ze valt samen te vatten in drie woorden, namelijk `Red de SP.A'.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Dat zal niet lukken!

De heer Joris Van Hauthem (VL. BLOK). - Dat zullen de verkiezingen uitwijzen.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - De SP.A moet kunnen vertrouwen op de spiritisten.

De heer Joris Van Hauthem (VL. BLOK). - Dat is het probleem van de SP.A, niet het uwe noch het onze.

De hervorming is een hold-up op de kieswetgeving vanuit de redenering dat de SP.A het als partij niet zo goed doet bij de publieke opinie in Vlaanderen, maar de SP.A-ministers wel. Daarom moeten vooral de SP.A-ministers worden ingeschakeld in de verkiezingsstrijd. Op die manier kan paarsgroen worden gered.

Ook over de invoering van kiesdrempel is al heel wat gezegd. De heer Lozie zal zich misschien nog herinneren dat zijn partij bij de eerste verkiezingen in Antwerpen geen 5% haalde. Vandaag zien we dat de invoering van een kiesdrempel van 5% verkocht wordt met het argument van herverkaveling van het politieke landschap om een bepaald doel te bereiken, namelijk het uiteenspatten van eerst de Volksunie en daarna van Spirit. De operatie kiesdrempel is geslaagd: de VLD en de SP.A hebben de vetste brokken van VU-ID binnengehaald onder het mom van een herverkaveling van de politiek.

De hervorming van de kieswetgeving is een absoluut gemiste kans om het kiesarrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde te splitsen. Uiteraard zullen sommigen het Vlaams Blok als de splitsingspartij bestempelen. Mij niet gelaten, maar ik blijf het eigenaardig vinden dat sommigen het doodnormaal vinden dat er een kieskring bestaat uit een tweetalig gebied Brussel plus een eentalig Nederlandstalig gebied. Voor de Senaat wordt een kieskring Wallonië-Brussel-Halle-Vilvoorde voorgesteld. Een kieskring Vlaanderen-Brussel-Nijvel zouden de Franstaligen echter nooit aanvaarden, overigens terecht en ik zal zo dadelijk met een voorbeeld aantonen waarom.

De eis naar de splitsing van het kiesarrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde bestaat al sinds 1974.

Vanuit Brussel-Halle-Vilvoorde was apparentering zowel met Leuven als Nijvel mogelijk. Men kon het met dat systeem oneens zijn, maar er zat wel een bepaalde logica in. Door dit spel van apparentering kwam de heer Van Overstraeten in het Waals gewest terecht, waar hij door de militaire politie uit het parlement werd geweerd. Iets wat we ons alleen in dictaturen kunnen voorstellen, kon dus ook bij ons. Het gevolg was dat de kieswetgeving onmiddellijk en zonder probleem werd veranderd. Voortaan konden Vlaamse lijsten niet meer apparenteren met Nijvel en Franstalige lijsten van Brussel-Halle-Vilvoorde konden niet meer met Leuven apparenteren. Als het in de Franstalige kraam past, kan de kieswetgeving worden gewijzigd; als het aan de Vlamingen uitkomt, kan het niet.

Nu is een kans gemist om werk te maken van de splitsing van het kiesarrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde en kunnen Franstaligen zowel voor Europa als voor Kamer en Senaat stemmen blijven ronselen tot in Galmaarden, Pepingen, Lennik enzovoort. Het vreemde is dat de splitsing van het kiesarrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde nochtans in het Vlaams regeerakkoord staat. Ik weet wel dat de federale regering daarvoor niet verantwoordelijk is, maar het staat er wel in en dan kan toch worden verwacht dat de Vlaamse regering alles doet om die eis ingewilligd te krijgen. Niets daarvan. De VLD wringt zich sinds enkele maanden in allerlei bochten om aan te tonen dat het niet splitsen van het kiesarrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde eigenlijk een goede zaak is, voor de Vlamingen in het algemeen en voor de Brusselse Vlamingen in het bijzonder.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Vooral kamerlid Goris.

De heer Joris Van Hauthem (VL. BLOK). - U neemt me de woorden uit de mond. De heer Goris heeft zich inderdaad zeer actief getoond. In de Senaat is dat iets minder. Alleen mevrouw Leduc heeft het erover gehad, maar enkel om erop te wijzen dat de nieuwe kieswet zo goed als een feit is waarover we niet veel meer moeten debatteren. De heer Goris heeft inderdaad niet alleen in de Kamer, maar ook in een vrije tribune uitvoerig uiteengezet dat de Vlamingen door een splitsing van het kiesarrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde ten minste drie tot vier zetels zouden verliezen. Wat een aberratie! Ik wil niet de heer Goris, maar de VLD in het algemeen toch even van antwoord dienen. Het is eigenaardig dat de VLD de splitsing nu afwijst, hoewel ze in het Vlaamse regeerakkoord staat, op grond van een beweerd verlies van enkele kamerzetels, terwijl diezelfde VLD in dezelfde kieshervorming zonder verpinken en zonder tegenprestatie voorstelt de Senaat in de toekomst paritair samen te stellen. Laten we toch niet vergeten dat dit punt deel uitmaakt van het akkoord, ook al is het nog niet gerealiseerd. Dat betekent dat in de toekomst van de 70 senaatszetels er slechts 35 naar Vlaanderen zullen gaan, in de plaats van de 41 waarop het volgens zijn bevolkingsaantal recht heeft. Het prijsgeven van zes senaatszetels komt verhoudingsgewijs overeen met het opgeven van twaalf kamerzetels.

Het argument dat de splitsing van de kieskring Brussel-Halle-Vilvoorde twee Vlaamse kamerzetels kan kosten klinkt dan ook een beetje hol en zelfs bijzonder cynisch.

De redenering van heer Goris inzake de splitsing van Brussel-Halle-Vilvoorde klopt niet. Die kieskring kan op verschillende manieren worden gesplitst. Een horizontale splitsing kan ons misschien één zetel kosten. Bij een ander soort splitsing kan voor de Brusselse Vlamingen in de federale kamer een gewaarborgde vertegenwoordiging worden geëist. Zulk voorstel wordt door de heer Goris resoluut afgewimpeld omdat het op Franstalig hoongelach zou worden onthaald. Eigenaardig dat de heer Goris en de VLD er wel vrede mee kunnen nemen dat vier miljoen Franstaligen evenveel senatoren krijgen als zes miljoen Vlamingen!

Zelfs zonder de gewaarborgde vertegenwoordiging in Brussel hebben de Vlaamse lijsten volgens hun proportioneel aandeel in de Brusselse stemmen altijd recht op twee volksvertegenwoordigers. Daartoe volstaat het dat het systeem van de poolvorming van de stemmen in Brussel wordt toegepast. Dat systeem van poolvorming wordt trouwens nog altijd voor de Brusselse Gewestraad toegepast en zal nu door de paarse partijen worden ingevoerd in de niet-gesplitste kieskring Brussel-Halle-Vilvoorde.

Ook met het behoud van de apparentering tussen de Vlaamse lijsten in Brussel-Halle-Vilvoorde en Leuven zouden er in Brussel minstens twee, meestal zelfs drie Vlaamse volksvertegenwoordigers verkozen zijn.

Conclusie. Op de negenentwintig zetels die nu in Vlaams-Brabant en Brussel te begeven zijn, zou een gesplitste kieskring het volgende resultaat geven: in alle geval vijftien Vlaamse zetels in Vlaams-Brabant en naargelang het gekozen systeem gewaarborgde vertegenwoordiging of poolvorming, drie of twee Vlaamse zetels in Brussel. Dus in de meest ongunstige rekening zouden er vijftien Vlaamse zetels zijn, in het beste geval zelfs zeventien of achttien. Met het systeem dat wordt voorgesteld, verliezen we er hoe dan ook zeker twee.

Die beslissing om het arrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde niet te splitsen staat wel in schril contrast met de bedoeling van de regering om een paritaire Senaat te creëren, samengesteld uit leden van de gemeenschapsraden. De vijftig rechtstreeks verkozen en gecoöpteerde senatoren zouden worden overgeheveld naar de Kamer en bij een volgende verkiezing zouden vijftig kamerleden rechtstreeks verkozen worden op basis van de verkiezingen van 2003. Conclusie. Bij de eerstvolgende verkiezingen verliezen de Vlamingen twee zetels en in 2007 nog eens twee.

Ik moet de dames en heren van de Vlaamse meerderheid proficiat wensen met dit resultaat.

De splitsing werd gevraagd omdat Vlamingen institutioneel en electoraal de band tussen de Franstaligen in de rand en in Brussel-Halle-Vilvoorde wensten door te knippen. Als er geen Franstalige lijsten meer kunnen worden ingediend in Halle-Vilvoorde, dan heeft dat zo zijn gevolgen. Dat blijkt uit twee cijfers voor de verkiezingen van 1999. Het eerste is dat van het aantal stemmen dat toen in Halle-Vilvoorde is uitgebracht op Franstalige lijsten voor de Kamer. Dat bedroeg toen afgerond 67.000 stemmen. Voor het Vlaamse parlement stemden op diezelfde dag in Halle-Vilvoorde op de Franstalige eenheidslijst Union francofone ongeveer de helft: 33.000 kiezers. Die twee cijfers bewijzen dat de splitsing van het arrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde - wat de Vlamingen geen zetels moet kosten als goed wordt onderhandeld - wel zijn effecten heeft. Los van alle mogelijke andere beschouwingen over die kieshervorming bewijst dit element alleen al dat de Vlamingen hier een historische kans laten liggen om iets te realiseren dat in feite niet meer dan normaal is, namelijk dat kieskringen het beste samenvallen met de taalgebieden. Ik heb het aan het begin van mijn uiteenzetting al gezegd: als het de Franstaligen goed uitkomt, dan kan de kieswet wel heel snel en efficiënt worden gewijzigd. Toon Van Overstraeten mocht er niet in. Moeten wij Vlamingen tot een volgende regeringsvorming wachten om deze kwestie opnieuw ter sprake te brengen? Een tweederde meerderheid is hiervoor niet vereist, een gewone meerderheid volstaat. Als alle Vlaamse senatoren ons amendement goedkeuren, dan is de splitsing een feit. Dat de meerderheid dat niet wil bewijst dat de kieshervorming is aangevraagd door de SP. A. De Franstaligen doen er hun voordeel mee. Daarom wordt Brussel-Halle-Vilvoorde niet gesplitst en wordt een systeem van poolvorming ingevoerd, waardoor de Vlamingen op korte termijn twee en op lange termijn vier zetels weggeven aan de Franstaligen. Een reden te meer om de kieshervorming af te keuren.

De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken. - Ik wil nogmaals kort herinneren aan de steun van de regering voor de wetsvoorstellen die hier worden besproken.

Ik heb vanochtend met belangstelling naar de heer Vandenberghe geluisterd, die zijn betoog doorspekte met humor. Hij heeft weliswaar argumenten aangebracht, maar ze zijn niet sterk genoeg om de initiatiefnemers van deze hervorming aan het twijfelen te brengen. Er werd meermaals naar principes verwezen waaraan ik sterk gehecht ben. Ik herinner me dat een CVP-collega er ooit - terecht - op heeft gewezen dat we moeten opletten voor degenen die te veel verwijzen naar principes, vooral als ze deel uitmaken van de oppositie. Men moet zijn principes zo hoog houden dat men eronder door kan, zei hij.

Ikzelf ben sterk gehecht aan principes en ik denk dus dat men er zuinig moet mee omspringen. Door al te veel over democratie te praten, worden een aantal dagelijkse praktijken - die alle politieke formaties gemeen hebben - verhuld en zweemt men naar een ongehoorde hypocrisie.

In het verslag van de Kamer en in het uitstekende verslag van de heer Wille worden de antwoorden die de minister van Institutionele Hervormingen en ikzelf hebben gegeven op de grondwettelijke bezwaren uitstekend weergegeven. Ik ga daar dus niet verder op in.

De Raad van State heeft een aantal adviezen geformuleerd, maar tot nader order is het geen Grondwettelijk Hof. We hebben geprobeerd passende antwoorden te vinden op die aanbevelingen. De charme van de juristen bestaat erin dat ze veelvuldig de rechtsleer, de rechtspraak en rechtskundige werken raadplegen. De seminaries die ze organiseren, wijzen op hun groot vermogen om argumenten te ontwikkelen, elkeen in de overtuiging dat hij de waarheid in pacht heeft. Wij hebben ernstig geantwoord op de bezwaren.

Ik zie hier geen politiek manoeuvre in.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Hoe naïef!

De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken. - U bent misschien bepaalde praktijken gewoon, die u nu doen twijfelen... De politieke fracties hebben uitvoerig overleg gepleegd. De regeringsleden hebben samen de zaak besproken. Wie kan dat abnormaal vinden? Er zijn keuzes gemaakt. Er werd advies gevraagd aan de Raad van State. In het parlement werd langdurig, diepgaand en ernstig gedebatteerd.

De heer René Thissen (CDH). - Langdurig maar zinloos.

De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken. - Dit debat wordt al verscheidene maanden gevoerd. Wie zou durven beweren dat er in de werking van een democratie goede en slechte momenten zijn om beslissingen te nemen en dat alleen de beslissingen die in het eerste jaar van de regeerperiode genomen worden gegrond zijn? De macht van de parlementaire assemblees begint de dag na de verkiezingen en eindigt bij de ontbinding van de kamers.

De heer René Thissen (CDH). - Er zijn goede en slechte momenten omdat sommige grondwetsartikelen voor herziening vatbaar zijn en andere niet.

De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken. - Laat mij uitspreken. Soms wordt de spreker onderbroken omdat zijn argumenten storend zijn!

De heer René Thissen (CDH). - Helemaal niet! U dicht mij bepaalde bedoelingen toe.

De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken. - Ik vraag alleen wat hoffelijkheid. Ik ben hier sinds vanochtend. Ik heb geduldig en beleefd geluisterd naar de verschillende uiteenzettingen, ook als er onaangename dingen werden gezegd. In de Senaat wordt geluisterd naar de spreker op de tribune, ook als hij minister is.

De heer René Thissen (CDH). - Niets belet een parlementslid de minister een vraag te stellen of een opmerking te maken. Het is helemaal niet onbeleefd om tussen te komen in een debat.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Wij hebben geen blijk gegeven van kwaadaardigheid in de woorden die we hebben gebruikt.

De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken. - Natuurlijk niet, toch niet ten opzichte van mij. U was ook aanwezig in de commissie en ik heb met genoegen met u over een aantal punten geargumenteerd.

We mogen niet uit het oog verliezen dat onze besprekingen over een beperkt onderwerp gaan. Wie gelooft dat we vandaag de politieke vernieuwing kunnen regelen? Wie durft te denken dat een wijziging van de kieswetten daarvoor zou volstaan? In bepaalde uiteenzettingen werd gepolst naar de problemen rond de politieke vernieuwing. Er moeten duidelijke programma's worden voorgesteld die tegemoetkomen aan de bekommernissen van de burgers en die, wars van verkiezingstechnieken, zoveel mogelijk vertegenwoordigers kunnen verzamelen rond projecten zodat doeltreffende meerderheden worden gevonden die een echt beleid kunnen voeren. Dat is een fundamenteel probleem dat de verkiezingstechnieken overstijgt. Die zijn er nodig als zaken die fundamenteel zijn niet natuurlijk en spontaan gebeuren.

Een ander probleem van de politieke vernieuwing is de opleiding van de burger. We moeten uitleggen hoe de instellingen werken en ervoor zorgen dat de kiezers niet het slachtoffer worden van bepaalde praktijken die hier vandaag terecht aan de kaak werden gesteld, inzonderheid het feit dat de aanwezigheid in de media als argument of belangrijkste element kan dienen in een politieke keuze. Daarvoor is politieke informatie en communicatie nodig.

Toen ik twintig jaar was, dacht ik dat we de komende jaren een verrijking van de democratie zouden meemaken. Op het gebied van de opvoeding is er vooruitgang geboekt. We hebben nooit zoveel doeltreffende communicatie- en informatiekanalen gehad als nu. Toch is het resultaat soms rampzalig en de clown uithangen is soms een beter politiek argument dan het ernstige werk van zij die bescheiden pogen vooruitgang te boeken in een dossier, zonder de aanwezigheid van de camera's op te zoeken.

Dat zijn essentiële problemen waarvoor oprechte mensen, waartoe de meeste leden van deze assemblee behoren, oplossingen proberen te vinden om de werking van de democratie een nieuw elan te geven.

De tekst die we nu bespreken is inderdaad een compromis. Sedert het begin van deze regeerperiode heb ik aan een aantal debatten over verkiezingstechniek kunnen deelnemen. Ik geef graag toe dat in de argumenten die werden aangehaald er toch altijd minstens een relevant element te bespeuren was.

Vooraleer een keuze te maken, moeten voordelen en nadelen worden afgewogen.

Zo betekent de afschaffing van de devolutieve kracht van de lijststem een versterking van de democratie omdat de kiezer rechtstreeks kan kiezen. Jongeren en nieuwe kandidaten krijgen de kans bekendheid te verwerven.

Veel van de argumenten die ik hoorde, zijn voor een stuk pertinent. We hebben een keuze gemaakt en het is correct dat dit wetsontwerp het resultaat is van een aantal compromissen.

Provinciale kieskringen zijn niet nieuw. In mijn geliefde Luxemburg bestaat dat al lang en dat heeft me nooit verhinderd mijn kiezers te ontmoeten en te weten wat hen bezighoudt.

Provinciale kieskringen vangen de nadelige gevolgen op van de apparentering en zorgen voor een meer evenwichtige belangenvertegenwoordiging van de stedelijke en de landelijke gebieden, de mannen, de vrouwen, de jongeren, de sociale en beroepscategorieën en zo voort. Onder meer omwille van de verruiming van de kieskringen moesten de kandidaat-opvolgers opnieuw worden ingevoerd.

Sommige senatoren, waaronder mevrouw Lizin, hebben er vandaag nog op gewezen dat de provinciale kieskring de evenredige vertegenwoordiging kan verbeteren. In sommige kleine omschrijvingen kan de evenredige vertegenwoordiging immers moeilijk worden toegepast.

Ik merk op dat de parlementsleden de natie vertegenwoordigen. Het is goed dat ze zich verbonden voelen met een bepaalde streek, maar ze zijn geen gemeenteraadsleden, provincieraadsleden of gewestelijke parlementsleden; ze vertegenwoordigen de natie en moeten het algemeen belang voor ogen hebben.

Het argument van de grootte van de kieskring is zeker niet doorslaggevend. Ik zou ook het voorbeeld van Limburg kunnen aanhalen. Alles hangt af van de inspanningen die een kandidaat wenst op te brengen om te weten wat leeft bij de burgers die hij wil vertegenwoordigen.

Men schijnt ook de rol van de partijen bij de lijstvorming over het hoofd te zien. In onze vertegenwoordigende democratie zijn de politieke partijen belangrijk omdat ze de samenhang van de politieke vertegenwoordiging organiseren.

Politieke spelletjes zijn inderdaad niet uitgesloten. Er was veel te doen over de zogenaamde virtuele kandidaturen: kandidaten die opkomen, zonder de wens ooit hun mandaat op te nemen.

Allereerst hoop ik dat de kiezer zich laat leiden door het programma. De kiezers voelen zich gesteund als ze vaststellen dat de personaliteiten die ze vertrouwen, hun ideeën uitdragen. Wie, in deze assemblee, kan de leidersrol ontkennen van bepaalde personaliteiten, uit welke kieskring ze ook komen? Bovendien kunnen alle kandidaten, van de eerste tot de laatste, de kiezer in zijn mening sterken. De kiezer is tenslotte soeverein. Hij heeft het laatste woord. Wie zal hem dat recht betwisten?

Over Brussel-Halle-Vilvoorde hoorde ik vele tegenstrijdige verklaringen. Op institutioneel vlak is ons land sinds lang tot compromissen gedoemd. Voor het centrum van België, meer nog dan voor de rest van het land, moet blijk worden gegeven van verbeelding en moeten originele oplossingen sui generis worden gevonden die naar buiten uit niet altijd coherent overkomen. Compromissen geven ons land, ons Koninkrijk, de nodige zuurstof.

Kiesdrempels gaan in tegen politieke versnippering, die een samenhangend politiek beleid belemmert. De gemaakte keuze is coherent en niet arbitrair. Soortgelijke mechanismen bestaan in andere grote landen waarvan niemand in twijfel trekt dat het echte democratieën zijn.

In een bepaald geval ligt het huidige kiesquotiënt, dat nodig is om aan de zetelverdeling te kunnen deelnemen, heel wat hoger dan 5 procent. In de provincie Luxemburg, bijvoorbeeld, is dat 20 procent. De voorgestelde regeling geeft dus blijk van voorzichtigheid en belet niemand zijn kans te wagen, zijn opvattingen kenbaar te maken, deel te nemen aan de verkiezingsstrijd en uit te testen of zijn project voldoende steun krijgt van de kiezer.

Dat kandidaten zowel voor de Kamer als voor Senaat kunnen opkomen, is in de geest van de indieners van het voorstel, een voorafbeelding van wat morgen, na een meer fundamentele hervorming, zou kunnen gebeuren. Dat is een keuze.

Ik ben zelf senator geweest. Door een verklaring tot herziening van de Grondwet kunnen de huidige kamers hun voornemens terzake kenbaar maken. De indieners van het voorstel geven blijk van coherentie. Het zijn echter de volgende assemblees die over de hervorming van de Senaat moeten beslissen. Het debat is alleszins open.

De Senaat heeft er alle belang bij orde op zaken te stellen, meer bepaald wat zijn bevoegdheden betreft. Als men deze assemblee wil versterken, moet men een einde maken aan de huidige dubbelzinnige situatie en de Senaat integendeel moderniseren en opwaarderen. Ik heb daarover ook mijn opvattingen, maar als minister kan ik die hier niet uiteenzetten. Ik zal dat te gelegener tijd doen. Ik ben ervan overtuigd dat, als de Senaat dat wil, er voor de nieuwe Senaat een uiterst belangrijke rol in de werking van de Belgische democratie is weggelegd.

Dat zijn de redenen waarom de regering deze wetsontwerpen steunt.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - De minister was zo vriendelijk bij het begin van zijn antwoord mij enkele bloemen toe te werpen. Hij voegde er echter aan toe dat wie zijn argumenten met enige zin voor humor of met ironie naar voren brengt, de zwakheid van zijn argumenten tracht te verbergen. Dat heeft mij werkelijk niet kunnen overtuigen. Toen hij dat zei, moest ik onmiddellijk denken aan professor Erasmus. U weet wel, die universiteitsprofessor die ooit het boek De lof der zotheid heeft geschreven. In dat boek zet Erasmus de lezer voortdurend aan tot lachen, maar tegelijk brengt hij ernstige argumenten aan, die men wellicht beter toen al in overweging had genomen. Humor is een middel om de tegenstander in een democratisch debat niet te kwetsen. Iedereen heeft het recht om te argumenteren; daarvoor heb ik respect.

De structuur van een kieswetgeving die al meer dan honderd jaar bestaat, mag niet vlak vóór de verkiezingen worden gewijzigd, zeker niet alleen met de steun van de meerderheid. Wanneer dat toch gebeurt, moet ten minste het gelijkheidsbeginsel in acht worden genomen en moet de stem van iedere kiezer hetzelfde gewicht hebben. Dat is een punt van fundamentele kritiek

Het systeem dat nu in het leven wordt geroepen, respecteert het gelijkheidsbeginsel niet. Er zijn immers provincies en provincies. De minister beweert dat elke provincie één kieskring wordt. Behalve dan Vlaams-Brabant, waar 1,8 miljoenen mensen wonen, dus bijna 20 procent van de kiezers! Het kiesstelsel van de mooie provincie Luxemburg met 180.000 inwoners volgens dezelfde criteria beoordelen als dat van Brussel-Halle-Vilvoorde-Leuven, waar bijna 2 miljoen mensen wonen, is natuurlijk niet juist.

Het is ook niet aanvaardbaar dat de verkiezingsuitslag in Brussel-Halle-Vilvoorde het gewicht van de stemmen in Leuven bepaalt. Na alle argumenten die ik vanochtend heb ontwikkeld, wil ik nog één vrij technisch voorbeeld geven van het schenden van het gelijkheidsbeginsel. De Raad van State heeft deze anomalie in twee adviezen ongrondwettig genoemd. In Brussel - Halle - Vilvoorde - Leuven wordt namelijk één Vlaamse lijst gevormd die echter niet in aanmerking komt voor apparentering, terwijl de Franse lijst in Brussel - Halle - Vilvoorde wel in aanmerking komt voor apparentering met Nijvel. Het gevolg hiervan is dat het kantelmoment voor de verschuiving van een Vlaamse zetel naar een Franse verschilt. Op basis van de verkiezingsuitslagen van 1999 is er een verschuiving van 8.519 stemmen nodig voor de overgang van een Vlaamse naar een Franse zetel en een verschuiving van 22.500 stemmen voor de overgang van een Franse naar een Vlaamse zetel. Dat is de werkelijke draagwijdte: de Vlaamse stemmen in Vlaams-Brabant wegen minder en de Franstaligen kunnen met minder stemmen meer zetels behalen. Die scheeftrekking zullen wij daar waar we dat kunnen, betwisten.

Indien professor Erasmus zou terugkomen en een nieuwe editie van zijn Lof der Zotheid zou schrijven, zou hij aan deze kieswet zeker een hoofdstuk wijden met als titel `De spookkandidaten'. In het nieuwe kiessysteem kan iemand immers kandidaat zijn zonder kandidaat te zijn. De heer Caluwé illustreerde dat met het voorbeeld van de heer Stevaert. Wanneer iemand voor een spookkandidaat stemt, weet hij niet wat het gevolg is van zijn stem. Hij weet niet wie er in het parlement zitting zal hebben. Dat is ondemocratisch.

De minister zegt dat er wordt gestemd voor beginselen, voor een ideologie, maar ook dat is niet meer zo duidelijk. We zagen in de loop van deze regeerperiode tal van transfers tussen verschillende partijen. Vroeger werd dat een Zuid-Amerikaanse democratie genoemd. De kiezer weet bijgevolg ook niet meer voor welk beginsel de politicus staat als er van de ene naar de andere partij wordt overgestapt, alsof het om voetbaltransfers gaat.

Ik besluit in de stijl van Erasmus, die het in zijn boek Lof der Zotheid meer dan eens had over oneigenlijke argumenten om een resultaat te bereiken dat niet oorbaar is. Hij noemde dat het gebruik van de deus ex machina. Als hij zou terugkomen en dat nieuwe hoofdstuk zou schrijven, zou hij het niet meer hebben over de deus ex machina, maar over de deux ex cinema, want dat is het wetsontwerp.

De heer Joris Van Hauthem (VL. BLOK). - Minister Duquesne is een zeer minzaam man; iedereen weet dat. Op een gegeven ogenblik gaf hij bijna filosofische beschouwingen over een aantal aspecten van deze kieshervorming. Hij kon echter niet echt overtuigen en ik denk dat ik weet waarom. Hij heeft als een Franstalig en Waals minister geantwoord en dat is zeker niet minachtend bedoeld.

De minister zegt niet dat hij dit een slechte hervorming vindt, maar uit zijn antwoord concludeer ik wel dat hij er ook niet helemaal achter staat en dat de Franstalige partijen voor deze kieshervorming geen vragende partij waren.

Van wie kwam dan de vraag om de provinciale kieskringen te wijzigen, een kiesdrempel in te voeren en een dubbele kandidaatstelling mogelijk te maken? Als de minister eerlijk is, moet hij antwoorden dat dit allemaal ideeën zijn van de heer Vande Lanotte om de SP.A en in Vlaanderen paarsgroen mathematisch te redden. Dat is volgens mij de kern van de zaak.

Vooral aan Vlaamse kant rees de kritiek dat de verkiezingen gemediatiseerd worden. Dat is in Vlaanderen inderdaad het geval; in Wallonië minder.

Steeds meer zien we politici in infotainmentprogramma's, waar niet de politiek, maar wel het spel op de voorgrond staat. Wellicht beseft de minister niet hoever dat fenomeen in Vlaanderen is doorgedrongen. Dat neem ik hem overigens niet kwalijk. Als overtuigde Vlaamsnationalist geef ik eerlijk toe dat het er in Vlaanderen op dat gebied zeker niet beter aan toe gaat. In alle mogelijke programma's duiken de Stevaerten, Vande Lanottes en Anciaux' op, zelfs in kookprogramma's.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Om hun tegenstrevers te vergiftigen.

De heer Joris Van Hauthem (VL. BLOK). - Persoonlijk kan ik me niet inbeelden dat Louis Michel in een kookprogramma optreedt.

We mogen dus niet vergeten dat vooral de SP.A op deze hervorming heeft aangedrongen.

Wat de minister over de splitsing van het kiesarrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde zegt, is typerend voor een Franstalige minister. Volgens hem is het een kwestie van het respecteren van de evenwichten. Een splitsing van het kiesarrondissement zou volgens hem tot een verstoring van de evenwichten leiden. Daarmee ben ik het niet eens. We zouden van een evenwicht kunnen spreken als er een kiesarrondissement Vlaanderen-Brussel-Halle-Vilvoorde-Nijvel zou zijn, gecombineerd met een kiesarrondissement Wallonië-Brussel-Halle-Vilvoorde. Ik zou het daarmee evenmin eens zijn, maar daar zou een zekere logica in zitten. Iedereen blijft het blijkbaar normaal vinden dat een kandidaat van in Luxemburg tot in Galmaarden stemmen kan halen, maar niet omgekeerd. Dat aspect kenmerkt de hele kieshervorming. De niet-splitsing heeft bovendien op korte termijn een verlies van twee zetels en op lange termijn een verlies van vier zetels tot gevolg.

De heer René Thissen (CDH). - Mijnheer de minister, dit debat duurt al enkele maanden, maar men stelt duidelijk alles in het werk opdat het zou aanslepen tot vlak vóór de verkiezingen zodat er beslissingen op maat kunnen worden genomen. Het komt erop aan een oplossing te vinden voor het probleem van enkele meerderheidspartijen.

Het probleem van de SP kennen we. Zoals altijd heeft men geprobeerd een systeem van compensaties uit te werken.

Er heeft geen debat plaatsgehad; er werden verklaringen afgelegd. In de commissie heeft een partijgenoot hierover een vraag gesteld, maar u hebt er niet echt op geantwoord. De lengte van de discussies kan de beslissingen niet rechtvaardigen. U hebt op het spreekgestoelte algemeenheden - om niet te zeggen gemeenplaatsen - gereciteerd, maar u hebt niet op onze vragen geantwoord.

De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken. - U was niet aanwezig in de commissie en bovendien hebt u niet eens de 400 bladzijden verslagen gelezen.

De heer René Thissen (CDH). - Ik ben het erover eens dat we een aantal vragen in de plenaire vergadering hebben hernomen. Het is uw rol om daarop te antwoorden, mijnheer de minister. Ik wijs erop dat u in zeer algemene bewoordingen en zonder enige precisering hebt geantwoord.

De standpunten kennen we. Het zijn dezelfde als in de Kamer. Een debat als dit is in zekere zin nutteloos en leidt tot niets. Misschien moeten we toch onze manier van werken eens herzien.

-De algemene bespreking is gesloten.

De voorzitter. - We zetten onze werkzaamheden voort vanavond om 20.45 uur.

(De vergadering wordt gesloten om 19.55 uur.)

Berichten van verhindering

Afwezig met bericht van verhindering: mevrouw Cornet d'Elzius en de heer Galand, om gezondheidsredenen, mevrouw Nagy, wegens andere plichten, de heren Dedecker, Remans en Van Quickenborne, in het buitenland.

-Voor kennisgeving aangenomen.