2-39
Belgische
Senaat
Gewone Zitting 1999-2000
Plenaire vergaderingen
Donderdag 6 april 2000
Namiddagvergadering
Beknopt Verslag
BERICHT
VOOR DE ABONNEES VAN HET BEKNOPT VERSLAG VAN DE SENAAT
In het raam
van de modernisering en rationalisering van zijn verslaggeving heeft de Senaat
beslist dat er vanaf Pasen nog slechts één enkele publicatie zal zijn, nl. de
Handelingen, met een integrale transcriptie in de taal van de spreker en een
samenvatting in de andere taal.
Deze
Handelingen verschijnen op Internet en op papier binnen de week.
In
afwachting van deze publicatie wordt de dag na de vergadering een voorlopig
verslag op internet geplaatst en op papier rondgedeeld binnen het parlementsgebouw.
Dit voorlopig verslag is nog niet goedgekeurd door de sprekers en nog niet
vertaald. Er mag hieruit derhalve enkel geciteerd worden onder voorbehoud en
met vermelding van de bron.
Hierbij
willen wij u dan ook meedelen dat het Beknopt Verslag vanaf Pasen 2000 niet
meer zal verschijnen. In de plaats daarvan kan u de dag na de vergadering
kennis nemen van een voorlopig verslag op het internet en zal u binnen de week
de definitieve en grotendeels vertaalde Handelingen ontvangen.
De Quaestoren,
G. MOENS
J. DEVOLDER
J. DUBIE
Inoverwegingneming
van voorstellen
Benoeming
van de leden niet‑notarissen van de Benoemingscommissies voor het notariaat
(Stuk 2‑374)
Benoeming
van de leden niet‑notarissen van de Benoemingscommissies voor het
notariaat (Stuk 2‑374)
Uitslag van de geheime stemming over
de benoeming van de effectieve leden
Benoeming
van de leden niet‑notarissen van de Benoemingscommissies voor het
notariaat (Stuk 2‑374)
Uitslag van de geheime stemming over
de benoeming van de plaatsvervangende leden
In
overweging genomen voorstellen
Arbitragehof
– Prejudiciële vragen
Commissariaat-generaal
voor de vluchtelingen en de staatlozen.
Federale
Raad voor Duurzame Ontwikkeling
Voorzitter:
de heer Armand De Decker
(De vergadering wordt geopend om 15.05 uur.)
De voorzitter. – De lijst van de in overweging te nemen
voorstellen werd rondgedeeld.
Leden die opmerkingen mochten hebben, kunnen die vóór het einde van de vergadering mededelen.
Tenzij er afwijkende suggesties zijn, neem ik aan dat die voorstellen in overweging zijn genomen en verzonden naar de commissies die door het Bureau zijn aangewezen. (Instemming)
(De lijst van de in overweging genomen voorstellen wordt in de bijlage opgenomen.)
De voorzitter. – Ik stel voor deze mondelinge vragen samen te voegen. (Instemming)
Mevrouw Magda Aelvoet, minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu, antwoordt namens de heer Guy Verhofstadt, eerste minister.
De heer Ludwig Caluwé (CVP). –Door de regeringstop, uitgebreid met de voorzitters van de Interparlementaire en intergouvernementele conferentie voor institutionele en democratische vernieuwing, werd op 5 april jongsleden een akkoord bereikt dat nadien werd omgezet in een beslissing van de ministerraad. Het roept een aantal vragen op.
Oorspronkelijk had de eerste minister aangekondigd dat er vóór Pasen ook beslissingen zouden worden genomen over andere bevoegdheden dan landbouw en buitenlandse handel. Waarom is dat niet gebeurd?
Hoe moet inzake landbouw het voorbehoud met betrekking tot de gezondheidsaspecten gelezen worden? Gaat het enkel over wat uitdrukkelijk met volksgezondheid, dus met de kwaliteit van de producten, te maken heeft? Worden dierenbescherming en het dierenwelzijn overgeheveld? De minister van Landbouw stelde nochtans zelf voor om deze twee laatste materies te regionaliseren. Waarom wordt er voorbehoud gemaakt voor de vervroegde uittreding uit de landbouw? Dit was nochtans eveneens door de minister van landbouw uitdrukkelijk aangestipt om in aanmerking te komen voor regionalisering.
Er bestaat tegenspraak tussen wat er over het akkoord her en der medegedeeld wordt aan de media en wat er concreet in de notificatie van de ministerraad werd opgenomen. In die notificatie wordt er uitdrukkelijk voorbehoud gemaakt met betrekking tot de inhoud van hoofdstuk zes van de gewestbevoegdheden in de bijzondere wet. Het zou betekenen dat het globale prijs- markt- en inkomensbeleid federaal wordt gehouden. Is deze interpretatie juist? Welke federale minister zal deze bevoegdheden dan uitoefenen?
Men wil de overdracht van bevoegdheden financieren met dotaties op basis van uitgaven. Dit betekent een terugkeer naar het vroegere consumptiefederalisme. Sinds de goedkeuring van de financieringswet in 1989 gebeurde het financieren van bijkomende bevoegdheden telkenmale door de toename van de belastingen die geristorneerd worden. Waarom wordt van dit principe afgeweken? Hoelang zal de voorlopige fase duren? Wat doet men met de fondsen die gefinancierd worden op basis van de inbreng van de bedrijven? Gaat men ze verdelen op basis van de uitgaven van de voorbije periode of op basis van de inbreng die in het verleden door de bedrijven gebeurd zijn, of zal geen enkel van deze fondsen worden opgesplitst en dus federaal worden gehouden?
De gewesten zullen op Europees vlak worden vertegenwoordigd door een federale staatssecretaris. Is dit uitsluitend voor de geregionaliseerde landbouwaangelegenheden, of zal deze staatssecretaris de gewesten voor alle gewestelijke bevoegdheden vertegenwoordigen?
Wat verandert er eigenlijk op het vlak van buitenlandse handel, behalve het feit dat de Belgische Dienst voor Buitenlandse Handel voortaan Federaal Agentschap voor Buitenlandse Handel wordt genoemd?
De heer Patrik Vankrunkelsven (VU-ID). – Ik heb mij laten inschrijven om een vraag te stellen omdat dit de enige manier is om hier eventueel het woord te kunnen voeren, daar het rigide reglement en de iets minder rigide voorzitter van de Senaat mij anders die kans niet zouden bieden. Ik verwachtte ook dat de heer Caluwé zijn pijlen niet alleen op de ministers zou richten, maar eventueel ook op anderen. Misschien komt dat later nog. Toch heb ik een vraagje.
De heer Hugo Vandenberghe (CVP). – U was er altijd bij, en toch hebt u een vraag. Was het dan zo onduidelijk? Of voert u gewoon een show op?
De heer Patrik Vankrunkelsven (VU-ID). – Is dat voor u een probleem dat ik er altijd bij was? En wat die show betreft, dat is om te reageren op uw show!
Op welke manier wordt die administratie gesplitst, wordt er een werkgroep opgericht, en zo ja, op welke wijze wordt die samengesteld? Binnen welk tijdsbestek zal dit alles voltooid zijn?
De heer Joris Van Hauthem (VL. BLOK). – Wat we juist hoorden is hallucinant. Dat is een vraag indienen om er geen te stellen. (Protest van de heer Vankrunkelsven)
De heer Vankrunkelsven heeft over het akkoord mee onderhandelt, maar is er blijkbaar niet gerust in. Hij is zelfs naar de persconferentie van de eerste minister gaan luisteren.
Gisteren werd een principeakkoord bereikt over de overheveling van landbouw en buitenlandse handel naar de gewesten. Er bestaat daarover grote onduidelijkheid. Een aantal aspecten van landbouw wordt geregionaliseerd, maar de federale overheid blijft bevoegd voor enkele cruciale zaken. Wij kregen graag duidelijkheid over het marktprijsbeleid. Blijft dit federaal?
Waarom moet de federale overheid een gewestelijk beleid vertolken? Dat is uniek. Voor cultuur bestaat dat niet.
Hoe zal het akkoord in verband met landbouw worden gefinancierd? Er zal naar de financiering van het verleden worden gekeken om dan een gemiddelde te maken. Kan dat worden verduidelijkt?
De BDBH wordt afgeschaft, maar wordt vervangen door een federaal agentschap dat toeziet op de coördinatie van de gewestelijke activiteiten. De Delcrederedienst en de leningen van staat tot staat blijven federaal. Als ik de bijzondere wet van 1980 bekijk, verandert er inzake bevoegdheden in feite niets. Kan de regering duidelijk maken waar de bevoegdheidsherverdeling zit?
Kan men in dit akkoord wel spreken van homogene bevoedheidspakketten? Het was toch de bedoeling om die te realiseren.
Kan de regering uitsluitsel geven of er nog voor de gemeenteraadsverkiezingen een initiatief komt inzake de gewaarborgde Vlaamse vertegenwoordiging in de Brusselse gemeenteraden?
De heer Frans Lozie (AGALEV). – Ik vind het een positieve vaststelling dat er naar aanleiding van dit akkoord eindelijk een breuk komt in de nauwe relatie tussen de CVP en de Boerenbond en er een verzelfstandiging van beide organisaties op gang is gekomen.
De heer Hugo Vandenberghe (CVP). – De heer Lozie bekommert zich best om zijn eigen partij. Wij zorgen wel voor de CVP.
De heer Frans Lozie (AGALEV). – Ik verheug mij over die evolutie. Ik zie niet waarover de CVP zich zorgen zou moeten maken.
Men zegde dat de
COSTA een doekje voor het bloeden was, maar vandaag hebben we een eerste
resultaat.(Protesten bij de CVP)
Het akkoord is natuurlijk niet wat de CVP wenste. Zij wenst nog Vlaamser te zijn dan het Vlaams Blok. Ik ben blij dat we deze stap hebben gezet. Voor ons is essentieel dat het Federaal Agentschap voor de Voedselveiligheid wordt gevrijwaard. Dit is niet het einde van het proces. Hoe zal de COSTA dit akkoord verder afhandelen? Welke timing is er voorzien? Wij zullen constructief blijven meewerken.
Mevrouw Magdeleine
Willame-Boonen (PSC). – Ik betreur de afwezigheid van de eerste minister, die op reis is
naar Rwanda om er een symbolisch gebaar te stellen ten aanzien van het Rwandese
volk. Waarom moest dit akkoord in allerijl worden afgesloten? De eerste
minister wist dat hij afwezig zou zijn en dat er geen gevaar dreigde. Toch
heeft hij zijn voornaamste ministers naar het front gestuurd.
Ik wil de Volksunie gelukwensen, want met dit akkoord
komt ze weer een stap dichter bij de ontmanteling van ons land. De federale
regering heeft al haar eisen ingewilligd en we zullen met een confederaal
systeem eindigen, omdat Vlaanderen separatisme te duur vindt.
Kan dit akkoord de goedkeuring van de betrokken sectoren
wegdragen? Op het Europese en internationale niveau is het een ramp. De
landbouworganisaties werden zelfs niet geraadpleegd. Tijdens de vorige legislatuur
was er een technisch akkoord met het oog op een vlottere
bevoegdheidsuitoefening maar geen rush naar regionalisering. Zal het imago van
ons land hier niet onder lijden?
Prins Filip zal, als boegbeeld van onze buitenlandse
handel, voortaan nog het enige bindmiddel zijn. Voor hoelang nog? Sommige
Vlaamse partijen hebben onlangs de eerste minister geïnterpelleerd over de
vraag of het wel nodig was om 200 miljoen te besteden aan de promotie van ons
imago in het buitenland omdat zij niet langer geloven in de federale Staat.
Geachte ministers, gelooft u daar nog in?
Wat gebeurt er met de Costa? Na een partijtje blufpoker
zal ze zich voortaan beperken tot het goedkeuren van de regeringsakkoorden. Ik
betreur dat haar beide voorzitters het spel van de meerderheid door hun
aanwezigheid die bewuste nacht hebben meegespeeld. De PSC zal verduidelijking
vragen over de nieuwe werkorganisatie. De verantwoordelijkheid van de
Franstaligen in deze zaak is zeer groot. Heeft de Costa nog enige reden van
bestaan?
Tijdens de nacht van dinsdag op woensdag, toen een
regeringscrisis in de lucht hing, was er sprake van de regionalisering van de
landbouw en de buitenlandse handel, zonder evenwel rekening te houden met het
imago van België en de wensen van de bedrijven. Klopt het dat er ook gepraat is
over de structurele herfinanciering van de gemeenschappen? Is uw
financieringswet dus tijdelijk? Werd er ook gepraat over fiscale autonomie en
over de gemeentewet?
Uw antwoord is bepalend voor de geloofwaardigheid van de
Costa, van de Senaat en van de Franstaligen in de meerderheid. Ik betreur in
elk geval dat het verenigd front van de Franstaligen tot het verleden behoort.
De heer Philippe
Moureaux (PS). – De regering heeft gedaan wat ze moest doen, en ik dank haar
daarvoor. Wij hadden de eerste aanzet gegeven tot een voorakkoord, maar de
herschikking van de bevoegdheden van Landbouw deed een probleem rijzen. De
regering is erin geslaagd dit dossier te bespoedigen. Ik zou graag hebben dat
ze de Costa voort laat werken zodat die de dossiers kan voorbereiden en indien
mogelijk kan afronden. Ik wens ook dat de regering tussenbeide kan komen als
moeilijkheden rijzen.
Kritiek op het feit dat de regering tussenbeide kan komen
is dan ook niet terecht. Er is nog geen wetsontwerp ondertekend, er zijn alleen
krijtlijnen getekend. De dossiers moeten verder in de Costa worden behandeld.
Vervolgens zal het klassieke parlementaire werk kunnen
beginnen.
Mevrouw Magdeleine
Willame-Boonen (PSC). – Zoals voor de Sint-Elooisakkoorden...
De heer Philippe Moureaux
(PS). – Of u
dat nu bevalt of niet, ik vertegenwoordig hier de meerderheid en zonder
complexen dank ik de regering.
Zijn de ministers bereid ons te helpen bij het vinden van
en oplossing voor de financiering van de gewesten en de gemeenschappen? De
regering wil nadenken over een structurele hervorming. Zou u eventueel
overwegen budgettaire ruimte vrij te maken om in die zin te kunnen verder
werken? Dit is een fundamentele vraag.
Mevrouw Magda Aelvoet, minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu. – Namens de eerste minister bevestig ik dat het hier gaat over de vastlegging van een aantal principes. Het is de bedoeling van de regering om de gesprekken in de schoot van de Costa verder te zetten. De regering kan geen bemoeizucht worden verweten vermits in het verleden de regeringen altijd bij communautaire dossiers zijn opgetreden om de toestand te deblokkeren. Bovendien hadden we ons heel wat kritiek op de hals gehaald indien we vóór Pasen niets hadden ondernomen.
Het is duidelijk dat inzake landbouw en zeevisserij de gewesten bevoegd worden. Er wordt een uitzondering gemaakt voor de normering van de controle in het raam van het federaal agentschap voor de controle op de voedselketen, voor de terugbetaling van de vervroegde uittreding en voor de interventies en de restituties tussen ons land en de Europese Unie.
De staatssecretaris wordt geen mini-minister van landbouw. De gewesten nemen standpunten in en de federale overheid zal die standpunten verdedigen bij de EU.
Gewestelijke ambtenaren zullen worden toegevoegd aan de permanente vertegenwoordiging. Ze zullen zorgen voor de voorbereiding en de politieke omschrijving van dat standpunt.
De verdediging en de inname van de standpunten op de EU-Ministerraden en in de 33 landbouwcomités op Europees vlak behoort tot de taak van een federale staatssecretaris. De voedselveiligheid blijft immers een federale materie. Er zal dus een federale materie blijven met normerende gevolgen inzake landbouw.
Het eigenlijke economisch beleid is een federale bevoegdheid.
Maar het is de Europese Raad van ministers die de landbouwprijzen bepaalt. De
gewesten moeten dus het standpunt terzake van de staatssecretaris voorbereiden.
De Boerenbond herinnert eraan dat in Europese debatten andere stellingnamen
mogelijk zijn. We zullen ons daaraan aanpassen.
Het akkoord zegt niet wanneer de overgangsperiode ten
einde loopt. Dat zal afhangen van hoe alles evolueert. De Costa zal daar
alleszins rekening moeten mee houden.
Het probleem van de fondsen is nog niet geregeld. Het akkoord legt de principes vast, maar de Costa heeft nog werk voor de boeg.
Wat hier werd vastgelegd heeft geholpen om de hele zaak te deblokkeren.
Wij blijven in staat om campagnes te organiseren ter
verbetering van het imago van België; het welslagen ervan hangt af van de
samenwerking tussen de gewesten.
Buitenlandse handel is een bevoegdheid van de gewesten.
De financiële diensten, de Delcredere, de leningen van Staat tot Staat en de
multilaterale samenwerking blijven federale bevoegdheden. Het lot van FINEXPO
werd niet beslecht.
De BDBH zal worden vervangen door een agentschap waarin
de rol van de gewesten zal worden versterkt. De gewesten, de federale overheid
en de privé-sector zullen erin vertegenwoordigd zijn en zullen verzoeken kunnen
indienen. Een wijziging van de bijzondere wet maakt het sluiten van
samenwerkingsakkoorden tussen de betrokken overheden noodzakelijk. De
verandering is reëel, zij het niet spectaculair.
Wat de financiering betreft, zullen wij de gemiddelde
uitgaven en middelen berekenen over de vijf jongste jaren. Dat is de basis.
Zodoende eerbiedigen wij de realiteit. Er werd geen beslissing genomen over de
fondsen die door de sector worden gestijfd.
De regering legt geen verband tussen wat ze aan de ene geeft en wat ze voor de andere waarborgt. Dat is geen goede werkwijze.
Ik bevestig dat de regering wel degelijk een structurele
aanpassing van de financieringswet overweegt. Maar ze moet de tijd nemen om
alle gevolgen ervan te onderzoeken en om rekening te houden met de behoeften
van alle deelgebieden en van de Federale Staat. Dat is trouwens een verbintenis
in het regeerakkoord.
De heer Ludwig Caluwé (CVP). – Ik heb goed geluisterd naar de vice-premier en naar de heer Moureaux. Ik zal mevrouw Aelvoet in de toekomst ook minister van Landbouw noemen. Een heleboel uitzonderingen op het akkoord - dierengezondheid, dierenbescherming, dierenwelzijn, de uitstapregeling, de financiering - blijven immers federaal. Inzake buitenlandse handel gebeurt er in feite niets. Alleen de naam verandert en aan de bevoegdheden verandert er niets.
We kunnen dit akkoord best vergelijken met een mooi maar leeg paasei met een mooie strik er rond. Alleen de VU-voorzitter Bourgeois had onmiddellijk door dat het akkoord een lege doos is. Om hem te sussen heeft men dan de minister van Landbouw afgeschaft en zijn bevoegdheden over een aantal departementen verdeeld. Daardoor is er voor de boeren geen sprake van een paasei, maar van een splinterbom. De versplintering van de bevoegdheden zorgt ervoor dat de individuele boer niet meer weet waar hij terecht kan.
Mevrouw Magdeleine
Willame-Boonen (PSC). – Wanneer de strijd moeilijk wordt, stuurt men vrouwen! Het antwoord
van de vice-eerste minister was moedig, maar we hebben er niets uit geleerd. De
heer Moureaux heeft ons een beetje meer bijgebracht.
Alles is dus in principe beslist, maar de rest is nog onduidelijk. Er zal een echte verandering zijn, maar geen spectaculaire. Een herziening van de financieringswet wordt in het vooruitzicht gesteld. Gelet op de wensen van onze Vlaamse vrienden, heb ik begrepen dat we in de richting van fiscale autonomie gaan.
De heer Joris Van Hauthem (VL. BLOK). – De minister heeft geantwoord zoals verwacht. Het antwoord geeft een zekere duidelijkheid behalve over de landbouw. Waarom moet de standpuntbepaling van de gewesten door een federale staatssecretaris gebeuren? Wat is dan het verschil met andere gewestelijke en gemeenschapsmateries?
Wat Buitenlandse Handel betreft heeft de minister bevestigd dat er niet zoveel veranderd is ten opzichte van de huidige toestand. Het akkoord voert in feite enkel een naamsverandering door.
Dit akkoord staat mijlenver verwijderd van de resolutie van het Vlaams parlement. De heer Vankrunkelsven neemt genoegen met een dode mus. De enige bedoeling van de regering was om vóór Pasen een politiek akkoord te bereiken. Het is uiteindelijk een communautair schaamlapje geworden.
De heer Patrik Vankrunkelsven (VU-ID). – Ik dank de minister voor haar antwoord dat van moed getuigt en bovendien correct is. Het akkoord is inderdaad een goede weerspiegeling van het akkoord dat werd bereikt in de Costa.
De heer Caluwé beweert dat dit akkoord een leeg ei is maar het bevat honderdmaal meer dan de holle slogans die de CVP gedurende vier jaar heeft afgekondigd in het Vlaams parlement. In vier jaar tijd werd geen enkele stap inzake staatshervorming gezet. Vandaag wordt terzake een belangrijke stap gezet zonder dat daarvoor wordt betaald.
De heer Hugo Vandenberghe (CVP). – In het zittingsjaar 1993-1994 werd het Sint-Michielsakkoord afgesloten mede dankzij de medewerking van de Volksunie. Dat akkoord werd uitgevoerd in juli 1995. Het feit dat men in september 1995 nog niet was begonnen met een hervorming van de pas gecreëerde instellingen, is nog geen bewijs van immobilisme. Er is immers eerst een periode van reflectie nodig.
De heer Patrik Vankrunkelsven (VU-ID). – Op het gebied van landbouw en buitenlandse handel was het niet nodig om de instellingen onveranderd te laten. Met het huidig akkoord wordt de landbouw volledig gedefederaliseerd, behalve wat de voedselveiligheid betreft. Iedereen ging ermee akkoord om dat aspect federaal te laten.
Wat betreft het moeilijke punt van de vertegenwoordiging van de landbouwministers op Europees niveau, herinner ik eraan dat ook de CVP verklaard heeft niet akkoord te kunnen gaan met een beurtrol van ministers. De huidige regeling doet geen afbreuk aan de regionalisering.
De heer Ludwig Caluwé (CVP). – Men kiest voor het slechtst mogelijke systeem. De vertegenwoordiging komt niet toe aan de gewesten, maar de beslissingsbevoegdheid wel. Indien de gewesten tegengestelde standpunten innemen, moet de staatssecretaris zwijgen.
De heer Patrik Vankrunkelsven (VU-ID). – Ook voor vele andere bevoegdheden moet er overleg worden gepleegd. De delegatieleider is inderdaad één persoon maar dat betekent niet dat hij moet zwijgen als er verschillende standpunten zijn.
De heer Patrik Vankrunkelsven (VU-ID). – Op het gebied van buitenlandse handel werden een aantal principes gesteld die een hele stap vooruit betekenen. De bevoegdheden komen nu bij de gewesten. In het akkoord staat vermeld dat eventuele onduidelijkheden in de tekst later zullen worden aangepast. Dit zal gebeuren bij volgende onderhandelingen binnen de COSTA. Het gaat inderdaad niet om een afgewerkt akkoord.
Wat de financiering betreft, ben ik gelukkig met het feit dat vandaag ook van Franstalige zijde de wens uitdrukkelijk wordt geuit om de financieringswet te wijzigen.
De heer Frans Lozie (AGALEV). – Dit debat heeft mij twee dingen bijgebracht.
Ten eerste, stel ik vast dat er een grote eensgezindheid bestaat bij de beide voorzitters van de COSTA en bij de regering over de invulling van beider rollen en over hun onderlinge relatie. Dat is heel belangrijk in de huidige context.
Ten tweede, verheugt het me te vernemen dat de heer Caluwé eindelijk heeft begrepen dat landbouw ook iets met volksgezondheid te maken heeft.
Mevrouw Magda Aelvoet, minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu. – Ik heb geen enkele opmerking te maken op de replieken.
Wel wil ik een correctie of precisering aanbrengen. Toen ik de sécurité of de veiligheid heb aangehaald, als voorbeeld van het inschatten van de behoeften van de verschillende overheden in het licht van de structurele herziening van de financieringswet, bedoelde ik eigenlijk de sécurité sociale. Het federale karakter van de sociale zekerheid ligt mij immers heel na aan het hart.
Mevrouw Magdeleine
Willame-Boonen (PSC). – De defederalisering van de sociale zekerheid zal de volgende keer
in gang worden gezet, mevrouw de minister.
De voorzitter. – Ik verheug me over de procedure van het actualiteitendebat, die we voor de tweede keer hebben toegepast en die heel efficiënt is gebleken.
De heer Michiel Maertens (AGALEV). – Sinds een paar weken wijzen grote Greenpeace-affiches in de belangrijkste spoorwegstations op de schade van de genetisch gemodificeerde organismen, ggo’s, voor het milieu en de biodiversiteit. Het is nochtans algemeen bekend dat onze voeding deels uit ggo’s bestaat.
Recent onderzoek leerde dat in België 37% van de Franstaligen en 55% van de Nederlandstaligen nog nooit van ggo’s hebben gehoord. Een degelijke voorlichting is derhalve belangrijk met het oog op de volksgezondheid.
Volgens de Europese regelgeving moet het gebruik van ggo’s in voedingswaren op de verpakking worden vermeld. Dit werd reeds in het Belgisch recht omgezet, maar in de praktijk is daarvan weinig of niets te merken. Er is derhalve op dat stuk heel veel werk aan de winkel.
Op welke wijze licht de minister de bevolking over het gebruik van ggo’s voor? Hoe wordt de controle op het gebruik van ggo’s in voedingswaren georganiseerd ? Op welke wijze wordt de controle op de vermelding van ggo’s op de verpakking van voedingswaren georganiseerd ? Welke resultaten werden behaald en wat zijn de verdere beleidsopties terzake?
(Voorzitter: mevrouw Sabine de Bethune, eerste ondervoorzitter.)
Mevrouw Magda Aelvoet, minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu. – De etiketteringsnormering is een Europese aangelegenheid. Die heeft in het verleden inzake genetisch gewijzigde organismen veel problemen gegeven. Pas einde 1999 is er een sluitende Europese regelgeving gekomen.
De ggo’s op velden worden gecontroleerd door landbouw. De controle terzake op de voeding gebeurt door de eetwareninspectie. Die nam in 1998 en 1999 een dertigtal monsters van zoveel mogelijk voedselgroepen van diverse merken en distributieketens. Er werd geen enkel geval van ggo gevonden. Onlangs werden in monsters met soja-ingrediënten drie gevallen met ggo gevonden warvan er één als dusdanig was geëtiketteerd. Twee waren dus in overtreding met de wetgeving en kregen een waarschuwing. Soms is controle onmogelijk. Etikettering is niet verplicht wanneer geen genetisch gewijzigd DNA kan worden gevonden in het labo. De analyses zijn nog duur en tijdrovend. Daarin wordt verbetering verwacht. In 2000 zullen de controleinspanningen worden opgevoerd. De verordening 49/2000 die van toepassing is vanaf 11 april 2000, houdt in dat een eindproduct moet geëtiketteerd zijn, indien genetisch gewijzigd DNA detecteerbaar is in het ingrediënt. Naast de eindproducten kunnen we nu dus ook ingrediënten bemonsteren. De inspectie zal onderrichtingen krijgen.
Volgende week is er een belangrijk debat in het Europees Parlement. De belangrijke richtlijn 90/220 zal worden herzien. Het wordt duidelijk dat zowel in de VS als in Europa de waakzaamheid en voorzichtigheid groeien. Dat geldt ook voor Groot-Brittannië dat altijd een groot voorstander van ggo’s was.
De heer Michiel Maertens (AGALEV). – Ik dank de minister voor haar uitvoerig en hoopgevend antwoord. Ik wijs haar echter op de problematiek van richtlijn 95/2 in verband met de voorverpakte voedingsmiddelen. Brood is in ons land in de meeste gevallen niet voorverpakt. De ingrediënten zijn moeilijk controleerbaar, zelfs door de bakkers. Zowel in ons land als in de ons omringende landen zijn daarover al grote debatten gevoerd. Ik dring er op aan om het brood, dat toch ons dagelijks voedsel is, op zeer strenge wijze te controleren. Dat is inderdaad nodig, want op drie van de vijftien stalen die op 3 april genomen werden, zijn duidelijk DNA-sporen gevonden. Dit kan een grote invloed hebben op onze voeding en op ons erfelijk materiaal. Vandaar het belang van een zeer strenge controle.
De heer
Johan Malcorps (AGALEV). – Politiemannen en brandweerlui die 9 jaar
geleden insprongen bij de brand in de pesticidenfabriek Protex te Deurne,
hebben nog altijd te kampen met chronische gezondheidsproblemen. Dat geldt
blijkbaar ook voor werknemers die bij de opkuis betrokken waren. Officieel
kregen ze geen inzage van onderzochte bloed- en urinestalen. Cynisch genoeg
werden deze gegevens wel al in 1993 gepubliceerd in een Amerikaans
wetenschappelijk tijdschrift. Daaruit bleek dat drie vierde van de
hulpverleners tien keer de normale waarde voor de kankerverwekkende stof pentachloorfenol
of PCP in hun bloed hadden.
In
wetenschappelijke kringen wordt ruim aanvaard dat een chronische blootstelling
aan PCP ernstige gevolgen heeft voor de gezondheid en mogelijk ook
kankerverwekkend is. Over de gevolgen van een eenmalige acute blootstelling
zijn voorlopig weinig onderzoeksgegevens beschikbaar. Het Protex-incident is
wat dat betreft redelijk uniek. Het lijkt wel gepast om nader epidemiologisch
onderzoek te doen van de groep die negen jaar geleden werd blootgesteld.
Daarmee zou men ook gevolg geven aan de ongerustheid bij veel van deze mensen.
Zal de
minister erop toezien dat de slachtoffers volledig inzage krijgen in de
medische gegevens die hen betreffen? Wat zal men in de toekomst doen om een
herhaling van dergelijke pijnlijke incidenten te voorkomen? Komt er verder
onderzoek naar de ziektegeschiedenis van de mensen die in 1991 acuut in
aanraking kwamen met die stof? Men weet immers over welke mensen het gaat.
PCP werd vroeger algemeen gebruikt als houtverduurzamer ook in woningen. Ook daar is het een sluipend gif gebleken. Door voortdurende inademing van PCP werd de gezondheid van bewoners ondergraven. PCP werd nadien steeds meer geweerd als plantenbeschermings- en houtverduurzamingsmiddel. Sinds 1986 is dit middel zo goed als verboden, behalve in de industrie en sinds 1990 werden er geen erkenningen meer voor gegeven. Kan een totaalverbod worden uitgevaardigd? Laat de Europese richtlijn 1991/173 dit toe en zal België op Europees niveau ook pleiten voor een totaalverbod?
Mevrouw Magda Aelvoet, minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu. – Krachtens de wet van 11 december 1998 heeft eenieder het recht inzage te krijgen in zijn medisch dossier. De gegevens moeten opgesteld zijn in een begrijpelijke vorm en moeten de oorsprong vermelden. In het verleden zijn er immers al enkele problemen geweest op dat vlak. Samen met de minister van Sociale Voorzorg heb ik de nodige richtlijnen gegeven in het raam van de besprekingen in de Medicomut.
In de toekomst zullen problemen trouwens worden voorkomen. Bij de EU-richtlijn van 1991 werd het gebruik van pantachloorfenol beperkt tot houtbescherming in industriële installaties. In 1993 werd de laatste uitzondering voor het gebruik van dit product in België ingetrokken. De EU-richtlijn 99 schaft het gebruik volledig af. Dit verbod gaat uitzonderlijk in het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk, Ierland, Spanje en Portugal slechts in op 31 december 2008. Die richtlijn wordt thans omgezet. De interministeriële commissie voor leefmilieu heeft het ontwerp-KB reeds goedgekeurd. Het ligt nu voor advies bij de Hoge Raad voor de Gezondheid. Ik vermoed dat de richtlijn in september 2000 omgezet zal zijn. Uitzonderingen zullen dan zeker uitgesloten zijn.
De heer Johan Malcorps (AGALEV). – De minister heeft wel geantwoord dat de slachtoffers recht hebben op deze gegevens, maar het lijkt mij ook belangrijk dat Volksgezondheid een initiatief neemt om erop toe te zien dat een en ander correct verloopt.
Acht de minister het niet nodig om deze gevallen nog een tijd van nabij te volgen? Er bestaan immers weinig wetenschappelijke gegevens over de gevolgen van een acute blootstelling aan deze producten. Het zou bijgevolg interessant zijn te onderzoeken of de getroffenen al dan niet een gelijklopend ziekteverloop kennen en of er inderdaad reden is tot ongerustheid en verdere maatregelen.
De heer Jacques Devolder (VLD). – De opeenvolgende ministeriële besluiten van 16 maart 2000 (BS 21 maart 2000) en van 21 februari 2000 (BS 26 februari 2000) ter vernietiging van het ministerieel besluit van 26 januari 2000, dat een gelijke prijsdaling bepaalde op basis van te moeilijk interpreteerbare criteria, hebben een chaotische toestand doen ontstaan. De speciale geneesmiddelen, waarvan de naam en de bijbehorende prijs in dit ministerieel besluit worden vermeld, werden achteraf soms gewijzigd. Hierdoor diende er ook nog eens een daling van 4,3% te worden toegepast op de kleine referentieverpakking.
Uiteindelijk werd de correcte prijs door Sociale Zaken gepubliceerd in het ministerieel besluit van 16 maart 2000 (BS 21 maart 2000). Diverse fabrikanten gingen hiermee niet akkoord en dreigden ermee de grote verpakkingen vanaf 15 maart 2000 niet meer aan te bieden. Sommige hielden het bij dit dreigement, andere voegden de daad bij het woord. De gesprekken die Minister Vandenbroucke in het kader van de pax farmaceutica met de fabrikanten voerde, mondden uit in een nieuw ministerieel besluit van Economische Zaken. Als aanvulling op het ministerieel besluit van 21 februari 2000 kunnen er krachtens dit nieuwe besluit van 22 maart 2000 (BS 25 maart 2000) uitzonderingen op de prijsverlaging worden aangevraagd.
Deze handelwijze druist in tegen het ministerieel besluit van17 december 1998 (BS 19.12.98), waarin wordt bepaald dat de lijst van dergelijke prijsdalingen minstens een maand vóór de toepassing ervan moet worden gepubliceerd. Welnu, het nieuwe besluit werd gepubliceerd op 21 maart 2000 en reeds een tiental dagen later, op 1 april 2000, werd het reeds toegepast.
Bovendien is het onduidelijk of het geneesmiddel Premarin al dan niet wordt terugbetaald en of de prijs ervan zal stijgen of niet.
Is het verantwoord dat een drietal ministeries afzonderlijke initiatieven moeten nemen vooraleer er een correcte lijst wordt gepubliceerd? Kunnen fabrikanten zomaar beslissen om geen grote verpakkingen meer aan te bieden, waardoor patiënten worden benadeeld en de tarifering wordt bemoeilijkt door de administratieve chaos ? Zullen de betrokken ministeries er voortaan rekening mee houden dat de lijst van de prijsdalingen minstens een maand vooraf in het Belgisch Staatsblad moet worden gepubliceerd?
De heer Frank Vandenbroucke, minister van Sociale Zaken en Pensioenen. – De prijs van producten waarvan het actieve bestanddeel reeds meer dan 15 jaar wordt terugbetaald werd met 12% verlaagd. De prijs van grote verpakkingen is met 20% gedaald. Uitzonderingen zijn mogelijk maar werden tot dusver nog niet toegestaan.
Het behoort tot de bevoegdheid van het ministerie van Economische Zaken om de prijsvermindering vast te leggen in een ministerieel besluit. Het RIZIV gebruikt dit dan als basis voor een lijst die op zijn beurt door het ministerie van sociale zaken wordt gepubliceerd. Elk farmaceutisch bedrijf dat een product in de handel brengt dat terugbetaalbaar is verbindt er zich toe dat product ter beschikking te stellen. Wanneer het uit de handel wordt genomen moet het RIZIV worden verwittigd. Pas na de publicatie in het staatsblad wordt de terugbetaling stopgezet. Het is niet waar dat de terugtrekking van de grote verpakkingen aanleiding heeft gegeven tot een wijziging in het standpunt van de regering. Na enig overleg werd de machtiging van een leidend ambtenaar om uitzonderingen toe te staan, ingetrokken. In elk geval hebben de ministers van economische zaken, van sociale zaken en van volksgezondheid beslist om permanent overleg te plegen ten einde misverstanden te voorkomen.
De heer Jacques Devolder (VLD). – Ook wij betreuren het dat de patiënten het slachtoffer zijn. Maar bepaalde grote verpakkingen, van het geneesmiddel Lipitor bijvoorbeeld, worden nog altijd niet geleverd. Apotekers, die de tarificatie hebben geïnformatiseerd, moeten een groot model tarifiëren als de dokter een groot model voorschrijft, hoewel ze alleen maar kleine verpakkingen kunnen afleveren.
De heer Frank Vandenbroucke, minister van Sociale Zaken en Pensioenen. – Dat is pure chantage. De bedrijven zijn wettelijk verplicht om te leveren.
De heer Jacques Devolder (VLD). –De leverancier van het geneesmiddel Premarin kondigde een prijsverhoging aan en deelt tegelijkertijd mee dat het geneesmiddel niet meer terugbetaald zal worden. Wat moet een apotheker nu doen? De hogere prijs aanrekenen? Wettelijk mag het niet want het KB dat in de terugbetaling voorziet is nog niet gepubliceerd.
De apothekers willen meewerken met de regering. Maar ik dring erop aan dat wijzigingen tijdig worden meegedeeld, zodat de softwarehuizen de nodige aanpassingen kunnen doen.
De heer Frank Vandenbroucke, minister van Sociale Zaken en Pensioenen. – De vorige minister van Economische Zaken had voor Premarin een prijsverhoging toegestaan zonder de normale procedure te volgen. Wij passen de terugbetaling niet zomaar aan. Maar het toppunt is dat het bedrijf in kwestie de Staat om die reden voor de rechtbank daagt, zodat ze de prijsverhoging toch kunnen doorvoeren. Ik concludeer daaruit dat we ons beter moeten wapenen tegen dat soort bedrijven.
(Voorzitter: de heer Guy Moens.)
Mevrouw Sabine de Bethune (CVP). – Artikel 7 van de nieuwe privacywet verbiedt de verwerking van persoonsgegevens die de gezondheid betreffen. Niettemin is volgens § 2 van dat artikel het verbod om de bedoelde persoonsgegevens te verwerken niet van toepassing wanneer de verwerking noodzakelijk is voor de bevordering en de bescherming van de volksgezondheid met inbegrip van het bevolkingsonderzoek. Volgens artikel.7, §3, legt de Koning bij een in Ministerraad overlegd besluit en na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer de bijzondere voorwaarden vast waaraan de verwerking van de bedoelde persoonsgegevens moet voldoen.
Voor zover ik weet zijn deze uitvoeringsbesluiten nog steeds niet uitgevaardigd. Hierdoor kunnen belangrijke bevolkingsonderzoeken met betrekking tot de volksgezondheid nog steeds niet uitgevoerd worden. Ondanks de provinciale initiatieven terzake, kunnen bijvoorbeeld ruimere wetenschappelijke baarmoederhalskankeronderzoeken niet uitgevoerd worden of althans niet in de vereiste omstandigheden. Gelet op het belang van dergelijke preventieve onderzoeken voor de bestrijding van deze en andere ziektes, moeten deze uitvoeringsbesluiten dringend uitgevaardigd worden. Dit geldt trouwens niet enkel voor preventief gezondheidsonderzoek, maar voor het wetenschappelijk onderzoek in het algemeen.
Kan de minister uitsluitsel geven over deze kwestie? Waarom werden de uitvoeringsbesluiten nog altijd niet genomen? Heeft hij hieromtrent reeds een advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer gekregen? Wanneer mogen wij de vereiste uitvoeringsbesluiten verwachten?
De heer Marc Verwilghen, minister van Justitie. – De wet van 8 december 1992 over de bescherming van de persoonlijke levenssfeer is op 11 december 1998 gewijzigd om te beantwoorden aan de vereisten van de Europese richtlijn van 25 oktober 1995 over de bescherming van gegevens van persoonlijke aard.
De nieuwe wet is nog niet in werking getreden. Dit zal gebeuren bij een koninklijk besluit dat ten laatste op 1 maart 2001 moet zijn genomen. Artikel 7, paragraaf 3, van de wet is dus nog niet in werking getreden.
Het ontwerp-KB wordt momenteel voorbereid. De vorige regering had twee adviezen gevraagd aan de Commissie voor de Bescherming van de Persoonlijke Levenssfeer. De Raad van State verklaarde zich onbevoegd om over het ontwerp-KB te statueren omdat de toezending aan de commissie was gebeurd zonder dat het verslag aan de Koning was bijgevoegd.
Het huidige ontwerp is herschreven rekening houdend met de twee adviezen van de commissie en het is voorgelegd aan de bevolking via de website van het ministerie van Justitie. De aanmerkingen die werden ontvangen, worden momenteel geïntegreerd in één geheel dat binnenkort aan de Raad van State zal worden voorgelegd.
De Commissie voor de Bescherming van de Persoonlijke Levenssfeer werd nog niet verzocht commentaar te leveren op artikel 7. Ze heeft ook geen gebruik gemaakt van haar initiatiefrecht. De verwerking van de persoonsgegevens over de gezondheid blijft dus toegelaten.
Pas als we over het advies van de Raad van State beschikken, kunnen we de laatste hand leggen aan het KB. Ik hoop dat het KB over enkele weken kan worden gepubliceerd.
Mevrouw Sabine de Bethune (CVP). – Ik hoop inderdaad dat we niet zullen moeten wachten tot maart 2001. Vandaag moeten de onderzoekers volgens de wet aan alle betrokkenen een handtekening vragen om hun gegevens te mogen verwerken. Dit is niet alleen administratief een zeer zware procedure, maar het is ook nadelig voor de privacy.
Ik hoop dat de politieke wil bestaat om de wet zo spoedig mogelijk uit te voeren.
De heer Marc Verwilghen, minister van Justitie. – Ik ben het ermee eens dat de huidige procedure bijzonder log is. Maar de politieke wil om de wet in werking te doen treden is zeker aanwezig. Ik betreur alleen dat we wegens een technisch probleem wat tijd hebben verloren.
Mevrouw Marie Nagy (ECOLO). – De kamers van de regularisatiecommissies bedoeld in artikel 3 van de wet
betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van
vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk zijn nog niet
samengesteld. Dit veroorzaakt bijkomende vertragingen in het verloop van de
regularisatieprocedure . De regering had aangekondigd dat de
regularisatiecommissie haar werk zou aanvatten in de loop van de maand maart.
Vorige week heb ik hierover een vraag gesteld
aan de ministers van Binnenlandse zaken en van Justitie, want wij hadden
aanwijzingen dat de benoeming van de magistraten hiervan de oorzaak zou zijn.
Artikel 4 van het besluit bepaalt dat de
minister van Binnenlandse zaken en de minister van Justitie een rol spelen bij
de benoeming van de leden van de kamers van de commissie.
De minister van Binnenlandse zaken heeft vorige
week geantwoord dat hij aan de Ministerraad de lijst met de leden van die
commissies heeft voorgelegd en dat de Ministerraad het besluit tot benoeming
van de verschillende leden had goedgekeurd. Wat hem betrof was er dus geen
enkel probleem met betrekking tot de ondertekening van het besluit. Hij nodigde
ons ten slotte uit ons tot de minister van Justitie te wenden.
Kan de minister ons zeggen hoe het met de
procedure staat en wat de redenen zijn van de vastgestelde vertraging?
Waardoor kan de samenstelling van de commissie
worden vertraagd of bespoedigd?
Welke waarborgen kunt u bieden dat de procedure
zonder verder verwijl van start kan gaan zodat een eind kan worden gemaakt aan
de geruchten over opzettelijke vertraging - onder meer door dit probleem van de
benoemingsbesluiten - van de regularisatieprocedure?
De heer Marc Verwilghen, minister van Justitie. – Het
tekort aan magistraten noopt mij ertoe enkel magistraten emeriti voor te stellen
alsook magistraten uit rechtsgebieden waar er voldoende personeel is. Ik wil
niet dat men mij ervan beschuldigt magistraten regularisatiekamers te hebben
laten voorzitten ten nadele van hun gebruikelijke opdrachten. Wij werken dag en
nacht opdat die benoemingen zo vroeg mogelijk kunnen gebeuren.
Mevrouw Marie Nagy
(ECOLO). –
Ik dank de minister voor zijn antwoorden. Ik heb begrepen dat hij zo snel
mogelijk magistraten wil benoemen, maar dat het besluit nog opnieuw in de
Ministerraad moet worden besproken, tenzij men ervan uitgaat dat het besluit,
zoals het werd goedgekeurd, met de namen van de magistraten, door de minister
kan worden ondertekend. Dit is een probleem want het betekent een bijkomend
uitstel.
Ik begrijp dat de minister geen magistraten kan halen uit
rechtbanken die nu al overbelast zijn. Het probleem is dat deze voorwaarde in
de wet nergens voorkomt. De minister legt dus een bijkomende voorwaarde op om
in de regularisatiecommissies te kunnen worden benoemd.
Het zou goed zijn dat snel een efficiënte oplossing kan
worden gevonden zodat de Ministerraad, de minister van Binnenlandse Zaken en de
minister van Justitie het eens kunnen worden over een lijst van personen die
moeten worden benoemd. Ik wil echter niet dat op deze wijze een nieuwe voorwaarde
wordt ingevoerd om in de regularisatiecommissies te kunnen zitten. Deze
mogelijkheid komt noch in de regularisatiewet, noch in de uitvoeringsbesluiten
voor.
De heer Marc Verwilghen, minister van Justitie. – Ik
wens twee punten toe te verduidelijken.
Ten
eerste geef ik toe dat nieuwe voorwaarden zouden worden gecreëerd als er een
gebrek aan kandidaten zou bestaan, maar dat is niet het geval. Integendeel, er
worden veel personen voor deze taak naar voren geschoven.
Ten
tweede is het koninklijk besluit klaar. Alleen de namen van de kandidaten
moeten er nog aan worden toegevoegd. Het koninklijk besluit zal worden
gepubliceerd zodra een akkoord is bereikt, dus ik hoop zo spoedig mogelijk. Het
zal dus niet meer door de Ministerraad worden besproken.
Mevrouw Anne-Marie Lizin (PS). –
Is de minister het ermee eens dat de leden van de BOB niet op een
billijke wijze toegang krijgen tot de leidinggevende ambten bij de nieuwe
algemene directie van de gerechtelijke politie, tenminste niet op een niveau
dat vergelijkbaar is met dat van hun huidige functie?
Kan de minister ons
een organogram bezorgen waaruit blijkt op welk niveau de huidige
onderofficieren van de BOB zich zullen bevinden in vergelijking tot de
inspecteurs en commissarissen van de gerechtelijke politie? Bestaan dergelijke
organogrammen trouwens al?
In de voorbereidende
werkzaamheden van de wet op de politiehervorming nam men aan dat zowel voor de
gerechtelijke politie als de BOB een bezoldiging volstond om het functieniveau
te handhaven. Bent u van plan om in te gaan op de eisen van het federaal comité
van de BOB?
Zullen de functievergoedingen die deel uitmaken van de bezoldigingsregeling van het CBO, de zogenaamde stafvergoedingen, van toepassing zijn voor al het politiepersoneel, voor de leden van de algemene directie van de federale politie en dus ook voor de leden van het CBO?
De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse
Zaken. – Tot de hervorming werd besloten om een einde te maken aan de
politieoorlog en om meer veiligheid voor de burger te verzekeren. Het is niet
eenvoudig om verschillende politieculturen en graden met elkaar te verzoenen.
Uit solidariteit hebben we oplossingen gezocht voor de bijna 40.000
politieagenten en rijkswachters. De Staat doet een inspanning van meer dan 8
miljard. De inschakeling vormt het hoofdprobleem. Wie voorheen een
verantwoordelijke functie had, aanvaardt maar moeilijk dat die wordt afgenomen.
Verantwoordelijke posten zullen worden verdeeld over de leden van de
verschillende korpsen op basis van een evaluatie van het korps van oorsprong.
Wij kunnen evenwel geen leidinggevende functies uitvinden.
(Voorzitter: de heer Armand De Decker.)
Op dit ogenblik is er
geen organogram. De nieuwe federale politie zal zelf haar diensten organiseren.
De stafvergoedingen zullen van toepassing blijven voor wie echt conceptueel
werk verricht, wat het geval lijkt te zijn voor de leden van het CBO.
Mevrouw Anne-Marie
Lizin (PS).
– Ik ben blij dat de minister begrijpt dat de BOB ongerust is. Het is
ongetwijfeld te vroeg voor een organigram, maar ik denk dat de betrokken
onderofficieren pas gerustgesteld zullen zijn als zij hun functie zullen
kennen. Wij moeten het paard niet achter de wagen spannen, maar de boer
bijtijds aangeven welke richting hij moet inslaan. De betrokkenen moeten worden
gerustgesteld, want deze aanstelling houdt voor hen nog steeds een risico in.
Er is dan wel geen sprake van een examen, maar sommigen dreigen toch nog uit de
boot te vallen. Het gaat evenwel niet om een grote groep. Met een beetje goede
wil moeten de huidige problemen dus kunnen worden opgelost.
De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse
Zaken. – De woorden van mevrouw Lizin bevestigen dat we nu geen pas op de
plaats moeten maken. De daad moet bij het woord worden gevoegd. De nieuwe
politiestructuur bevat een gloednieuw element. Het gaat om het principe van de
functieverantwoordelijkheid, los van niveau of graad. Uit de onderhandelingen
is er voor het basis- en middenkader trouwens één enkele graad uit de bus
gekomen. De enige echte verantwoordelijkheid houdt dus enkel verband met de
functie en niet met de graad. Uiteraard zullen de betrokkenen hun mentaliteit
enigszins moeten wijzigen en dienen te aanvaarden dat bijleren onvermijdelijk
is.
De voorzitter. – Aan de orde is de benoeming van 8 effectieve leden en 8 plaatsvervangende leden “niet-notaris” van de Benoemingscommissies voor het notariaat.
Overeenkomstig artikel 38 van de wet van 25 ventôse jaar XI op het notarisambt, moet de Senaat, met een meerderheid van twee derden van de uitgebrachte stemmen, de leden “niet-notaris” van de Nederlandstalige Benoemingscommissie en de Franstalige Benoemingscommissie voor het notariaat benoemen voor een periode van vier jaar.
Elke commissie bestaat uit acht werkende leden waaronder vier leden aangesteld in hoedanigheid van notaris en vier als “niet-notaris”. Voor elk effectief lid wordt een plaatsvervanger aangewezen die aan dezelfde voorwaarden voldoet.
Voor elke Benoemingscommissie bestaat de groep van “niet-notarissen” uit :
1° één
magistraat in functie gekozen uit de zittende magistraten van de hoven en
rechtbanken en de magistraten bij het openbaar ministerie;
2° één
docent of hoogleraar in de rechten aan een faculteit voor rechtsgeleerdheid van
een Belgische universiteit, die geen notaris, kandidaat-notaris of geassocieerde
notaris is;
3° twee
externe leden met een voor de opdracht relevante beroepservaring.
De kandidatenlijst werd rondgedeeld onder het nr. 2-374/1.
Ondanks herinneringsbrieven heeft de heer Daniel François, kandidaat als extern lid voor de Franstalige Benoemingscommissie, zijn dossier niet vervolledigd.
Bijgevolg stel ik voor deze kandidatuur als onontvankelijk te verklaren en deze kandidaat te schrappen op de rondgedeelde lijst.
Alle senatoren hebben kennis kunnen nemen van het curriculum vitae van de kandidaten.
Dientengevolge
dienen de senatoren zich thans, bij geheime stemming, uit te spreken over de
respectieve verdiensten van de verschillende kandidaten. (Instemming)
Er moeten minimum twee stembeurten worden gehouden, respectievelijk voor de aanwijzing van de effectieve leden en voor de aanwijzing van de plaatsvervangende leden. U heeft dus twee stembrieven ontvangen :
– Enerzijds een groene stembrief voor de
aanwijzing van de effectieve leden;
– Anderzijds een roze stembrief voor de
aanwijzing van de plaatsvervangende leden.
Op deze twee stembrieven staat de lijst van alle kandidaten voor elk van beide Benoemingscommissies, ingedeeld in de drie categorieën : “magistraten”, “hoogleraars” en “externe leden”.
Na elk naam volgt een stemvakje.
Wij dienen thans over te gaan tot de stemming voor de aanwijzing van de effectieve leden.
Voor de aanwijzing van de effectieve leden beschikt u over maximaal 4 stemmen voor de Nederlandstalige Benoemingscommisie (maximum 1 kandidaat-magistraat, 1 kandidaat-hoogleraar en 2 externe kandidaten) en maximaal 4 stemmen voor de Franstalige Benoemingscommissie (maximum 1 kandidaat-magistraat, 1 kandidaat-hoogleraar en 2 externe kandidaten). In totaal kunt u voor de aanwijzing van de effectieve leden dus maximaal 8 voorkeurstemmen uitbrengen.
Ik herinner U eraan dat U geen voorkeurstem kunt uitbrengen voor de heer Daniel François. Zijn kandidatuur werd onontvankelijk verklaard.
De heer Patrik Vankrunkelsven (VU-ID). – Ik hoop dat de minister de adviezen van de commissie zal volgen. Ik heb het gevoel dat adviezen de jongste tijd niet altijd correct worden gevolgd.
Ik betreur dat er geen overleg is geweest om de aanduiding van de leden op een objectieve manier te laten gebeuren. Er is geen poging gedaan om de kandidaten te rangschikken. Ik vraag me dan ook af hoe we gaan stemmen. Statistisch zijn er een honderdtal stemmingen nodig om de vereiste meerderheid te bereiken. Ik vermoed dan ook dat er een geheim akkoord bestaat tussen de partijen. Waarom nam de voorzitter geen initiatief om een rangschikking volgens objectieve criteria op te stellen? Ik betreur ten zeerste dat dit niet gebeurde.
De voorzitter. – Het lot wijst de heren Geens en Cheron aan om de functie van stemopnemer te vervullen.
Ik verzoek elk lid bij het afroepen van zijn naam zijn groene stembrief in de stembus te komen deponeren.
De stemming begint met de naam van de heer Galand.
(Tot de geheime stemming wordt overgegaan.)
De heer Guy Moens (SP), rapporteur. – Deze wijziging van het reglement betreft een vernieuwing van onze verslaggeving. Die is reeds in oktober 1999 gestart. We hebben het Beknopt Verslag aan de kant geschoven en gezorgd voor een snellere bezorging van de Handelingen. Er werd daarover in het Bureau al een principebeslissing genomen in januari van dit jaar. Dit is de formele verwerking daarvan. Er waren formele wijzigingen nodig om overal in de tekst van ons Reglement de woorden “Beknopt Verslag” te schrappen. Artikel 37 anderzijds verwoordt op globale wijze de vernieuwing.
Omdat het Beknopt
Verslag wordt afgeschaft, spreekt artikel 23-7 van het Reglement van de Senaat,
dat handelt over de redactie van een beknopt verslag of een integraal verslag
van een vergadering of commissie, voortaan nog slechts over een integraal
verslag.
Voor bepaalde commissies kan de voorzitter voor
een belangrijke bespreking een integraal verslag eisen, maar niet meer een
beknopt verslag.
Hetzelfde geldt voor
artikel 35, dat betrekking heeft op de vermelding van de leden die gevraagd
hebben zich te excuseren. Die zullen enkel nog in de Handelingen worden
vermeld. De vermelding van het Beknopt Verslag in artikel 51 wordt eveneens
geschrapt.
In artikel 37 worden dus de vernieuwingen
ingeschreven. De debatten worden voortaan in extenso in de taal van de spreker
en in samenvatting in de andere taal in de Handelingen opgenomen. De correctie
moet gebeuren binnen de twee dagen. Bij amendement werd verduidelijkt dat dit
betekent de tweede dag om zeventien uur. Na het verstrijken van die termijn
wordt iedereen geacht in te stemmen met de tekst die door de dienst
Verslaggeving is uitgeschreven, voor zover geen wijzigingen werden aangebracht.
De geamendeerde
artikelen 23, 35 en 37 werden eenparig aangenomen. Een lid verklaarde dat hij
zich bij de stemming over het geheel wenste te onthouden omdat niet alle
fracties voor de stemming over het voorstel waren uitgenodigd.
De tekst die in het Reglement wordt
ingeschreven, is die van het rondgestuurde gedrukte verslag en niet die van de
tekst zoals die door het Bureau werd aangenomen. In artikel 37 staat er een
klein tekstverschil.
– De algemene bespreking is gesloten.
– De artikelen worden zonder opmerking aangenomen.
– Over het voorstel in zijn geheel wordt later gestemd.
Mevrouw Jeannine Leduc (VLD), rapporteur. – Het gaat hier om een voorstel van collega Lizin. Het is de bedoeling om de principes van het verdrag van Den Haag in te schrijven in het Burgerlijk Wetboek. Een kind uit een gemengd huwelijk moet aldus binnen de drie weken na de aanvraag teruggestuurd worden naar het land van de ouder die het hoederecht heeft. België heeft in mei 1999 het verdrag ondertekend. Het preventief en het informatiegedeelte ontbrak. Dit voorstel wil dit nu verhelpen. Bij amendement stelde de CVP voor de bepalingen uit te breiden tot homogene Belgische huwelijken en uitdrukkelijk te voorzien dat ook daar ontvoering van kinderen uit den boze is. Bij de huwelijksplechtigheid moet de ambtenaar van de burgerlijke stand er voortaan op wijzen dat bij een eventuele scheiding geen van de beide echtelingen een kind naar een ander land mogen ontvoeren.
De heer Georges
Dallemagne (PSC). – Het wetsvoorstel van mevrouw Lizin stipt aan dat als ten minste een
van de echtgenoten bij een huwelijk niet de Belgische nationaliteit heeft, de
ambtenaar van de burgerlijke stand hen erop moet wijzen dat België de Conventie
van Den Haag over de burgerlijke aspecten van de internationale ontvoering van
kinderen heeft ondertekend. Daardoor ontstaat er een discriminatie tussen
Belgische en gemengde koppels. Nochtans kunnen alle koppels met ontvoering van
kinderen in aanraking komen. Sommigen zijn van oordeel dat hierdoor de
niet-Belgische bevolking wordt gestigmatiseerd. Bovendien worden alleen gehuwde
koppels geviseerd. Dat is een tweede discriminatie. Deze regeling is bovendien
zuiver symbolisch, vermits ze niet in een sanctie voorziet als de ambtenaar van
de burgerlijke stand nalaat de gehuwden in te lichten.
Er rijzen dus vragen over de legistieke kwaliteit van dit
voorstel. Het zal zeker aan het Arbitragehof worden voorgelegd. Het principe
dat alle Belgen gelijk zijn voor de wet is ook van toepassing op de
vreemdelingen die op ons grondgebied verblijven.
Mijn fractie zal dit ondoeltreffende en discriminatoire voorstel niet goedkeuren. De noden inzake kinderbescherming liggen elders, zowel internationaal als wat België betreft.
– De algemene bespreking is gesloten.
(Voor de tekst aangenomen door de commissie voor de Binnenlandse Zaken en de Administratieve Aangelegenheden, zie stuk 2-239/3.)
– De artikelen 1 tot 2 worden zonder opmerking
aangenomen.
– Over het wetsvoorstel in zijn geheel wordt later
gestemd.
De heer Olivier de
Clippele (PRL-FDF-MCC), rapporteur. – Dit ontwerp, dat werd goedgekeurd met 7 stemmen tegen 1
stem, beoogt de personeelsformatie van de Raad van State uit te breiden zodat
hij het hoofd kan bieden aan de te voorspellen toevloed aan annulatieberoepen
tegen de verwerping van regularisatie-aanvragen.
Ik verduidelijk dat de minister het in zijn uiteenzetting
had over de termijn van de verkorte of vereenvoudigde beroepsprocedures. In de
laatste zin van wat de minister zegt, moet men niet “annulatieberoep” maar
“versnelde annulatieprocedure” lezen.
– De algemene bespreking is gesloten.
(Voor de tekst aangenomen door de commissie voor de Binnenlandse Zaken en de Administratieve Aangelegenheden, zie stuk 2-373/3.)
– De artikelen 1 tot 7 worden zonder opmerking
aangenomen.
– Over het wetsontwerp in zijn geheel wordt later
gestemd.
De heer André Geens (VLD), rapporteur. – Ik verwijs naar mijn verslag.
– De algemene bespreking is gesloten.
(Voor de tekst aangenomen door de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en de Landsverdediging, zie stuk 2-359/3.)
– De artikelen 1 tot 3 worden zonder opmerking
aangenomen.
– Over het wetsontwerp in zijn geheel wordt later
gestemd.
De heer André Geens (VLD), rapporteur. – Ik verwijs naar mijn verslag.
– De algemene bespreking is gesloten.
(Voor de tekst aangenomen door de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en de Landsverdediging, zie stuk 2-360/3.)
– De artikelen 1 tot 2 worden zonder opmerking
aangenomen.
– Over het wetsontwerp in zijn geheel wordt later
gestemd.
De heer André Geens (VLD), rapporteur. – Ik verwijs naar mijn verslag.
– De algemene bespreking is gesloten.
(Voor de tekst aangenomen door de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en de Landsverdediging, zie stuk 2-364/3.)
– De artikelen 1 tot 2 worden zonder opmerking
aangenomen.
– Over het wetsontwerp in zijn geheel wordt later
gestemd.
De heer Jacques Devolder (VLD), rapporteur. – Ik verwijs naar mijn verslag.
– De algemene bespreking is gesloten.
(Voor de tekst aangenomen door de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en de Landsverdediging, zie stuk 2-366/3.)
– De artikelen 1 tot 3 worden zonder opmerking
aangenomen.
– Over het wetsontwerp in zijn geheel wordt later
gestemd.
De voorzitter. – Hier volgt de uitslag van de geheime stemming over de benoeming van de effectieve leden ‘niet-notaris’ van de Benoemingscommissies voor het notariaat.
Aantal stemmenden : 54
Blanco of ongeldige stembriefjes : 2
Geldige stemmen : 52
Tweederde meerderheid : 35
De volgende
voorkeurstemmen werden geteld :
Voor de Franstalige benoemingscommissie :
1. In de hoedanigheid
van magistraat
de h. Gutt behaalt 52 stemmen
2. In de
hoedanigheid van hoogleraar
de h. Verwilghen behaalt 52 stemmen
3. In de
hoedanigheid van extern lid
de h. Faucon behaalt 52 stemmen
mevrouw Lagae behaalt 51 stemmen.
Voor de
Nederlandstalige Benoemingscommissie :
1. In de
hoedanigheid van magistraat
mevrouw Van Isterdael behaalt 50 stemmen
de h. Van Orshoven behaalt 1 stem
2. In de
hoedanigheid van hoogleraar
de h. Boes behaalt 51 stemmen
3. In de
hoedanigheid van extern lid
de h. Grillet behaalt 51 stemmen
mevrouw Vens behaalt 51 stemmen.
De
volledige lijst van de voorkeurstemmen zal in de Handelingen opgenomen worden.
Derhalve
worden tot effectieve leden van de Benoemingscommissies voor het notariaat
verkozen verklaard :
– voor de Franstalige Benoemingscommissie :
1. In de
hoedanigheid van magistraat
de h. Gutt
2. In de
hoedanigheid van hoogleraar
de h. Verwilghen
3. In de
hoedanigheid van extern lid
de h. Faucon
mevrouw Lagae
– voor de Nederlandstalige
Benoemingscommissie:
1. In de
hoedanigheid van magistraat
mevrouw Van Isterdael
2. In de
hoedanigheid van hoogleraar
de h. Boes
3. In de
hoedanigheid van extern lid
de h. Grillet
mevrouw Vens.
Wij gaan nu
over tot de stemming voor de aanwijzing van de 8 plaatsvervangende leden.
Voor wat
betreft de categorie “hoogleraren”, blijven er, zowel voor de Nederlandstalige
als voor de Franstalige Benoemingscommissie, niet meer kandidaten over dan te
vervullen plaatsen. Ik stel voor, overeenkomstig artikel 82, vijfde lid, van
het Reglement, de enige resterende kandidaat voor de categorie “hoogleraar”
zonder verdere formaliteiten als plaatsvervangend lid verkozen te verklaren
voor de respectieve benoemingscommissies. (Instemming)
Voor de
aanstelling van de plaatsvervangende leden beschikt u over maximaal 3 stemmen
voor de Nederlandstalige Benoemingscommissie (maximum 1 kandidaat-magistraat en
2 externe kandidaten) en maximaal 3 stemmen voor de Franstalige
Benoemingscommissie (maximum 1 kandidaat-magistraat en 2 externe kandidaten).
In totaal kunt u voor de aanstelling van de plaatsvervangende leden dus
maximaal 6 voorkeurstemmen uitbrengen.
Ik herinner
u eraan dat het niet meer mogelijk is een voorkeurstem uit te brengen voor een
kandidaat die reeds als effectief lid verkozen werd bij de eerste stemming. Een
lijst met de personen die tot effectief lid werden benoemd, wordt te uwer
beschikking gesteld.
Wij dienen
thans over te gaan tot de stemming voor de aanwijzing van de plaatsvervangende
leden.
Ik verzoek
elk lid bij het afroepen van zijn naam zijn roze stembrief in de stembus te
komen deponeren.
(Tot de geheime stemming wordt overgegaan.)
(De naamlijsten worden in de bijlage opgenomen.)
Stemming nr. 1
Aanwezig: 55
Voor: 50
Tegen: 0
Onthoudingen: 5
– Het voorstel tot wijziging van het reglement is aangenomen.
De heer Wim Verreycken (VL. BLOK). – Ik heb mij geenszins onthouden omdat ik moeite heb met het feit dat het reglement wordt aangepast aan de nieuwe werkelijkheid en aan de nieuwe manier waarop verslag wordt uitgebracht. Mijn onthouding is een reactie op de schutkring waarvan de ondertekenaars van het voorstel blijk gaven. Deze schutkring is helemaal geen uiting van de gekoesterde politieke vernieuwing, maar staat voor de versuffing van de Belgische democratie. Deze versuffing zal ongetwijfeld nog voor de nodige problemen zorgen en dat is de schuld van die schutkring.
Stemming nr. 2
Aanwezig: 55
Voor: 42
Tegen: 4
Onthoudingen: 9
– Het wetsvoorstel is aangenomen.
– Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.
Mevrouw Sabine de Bethune (CVP). – Wij staan volledig achter de geest van dit wetsvoorstel. Wij vinden het echter jammer dat het voorstel op technisch-juridisch vlak niet goed is afgewerkt. Er werd geen rekening gehouden met diverse aanmerkingen die in de commissie werden gemaakt. Via deze onthouding willen wij de Senaat er dan ook toe oproepen een juridisch correcte wetgeving te maken.
Stemming nr. 3
Aanwezig: 57
Voor: 45
Tegen: 5
Onthoudingen: 7
– Het wetsontwerp is aangenomen.
– Het zal aan de Koning ter bekrachtiging worden voorgelegd.
Mevrouw Mia De Schamphelaere (CVP). – Onze fractie is uiteraard ook voor de best mogelijke rechtsbescherming van de burgers in ons land. Een goede werking en toegankelijkheid van de Raad van State vinden wij eveneens belangrijk. De allereerste vereiste voor een degelijke rechtsbescherming is uiteraard een degelijke wetgeving. Wij hebben ons dan ook altijd verzet tegen de wet betreffende de regularisatie. Wij vonden dat deze wet aanleiding gaf tot talrijke juridische ongelijkheden en tot onwerkbare procedures. Thans verantwoordt de regering de uitbreiding van de personeelsformatie van de Raad van State door te verwijzen naar deze krakkemikkige wet. Dit is voor ons het bewijs dat het met de beleidsprioriteiten fout zit. Via onze onthouding willen wij aangeven dat er zonder degelijke wetgeving geen goede rechtsbescherming mogelijk is.
Stemming nr. 4
Aanwezig: 56
Voor: 56
Tegen: 0
Onthoudingen: 0
– Het wetsontwerp is aangenomen.
– Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.
Stemming nr. 5
Aanwezig: 56
Voor: 56
Tegen: 0
Onthoudingen: 0
– Het wetsontwerp is aangenomen.
– Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.
Stemming nr. 6
Aanwezig: 56
Voor: 56
Tegen: 0
Onthoudingen: 0
– Het wetsontwerp is aangenomen.
– Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.
Stemming nr. 7
Aanwezig: 56
Voor: 56
Tegen: 0
Onthoudingen: 0
– Het wetsontwerp is aangenomen.
– Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.
De voorzitter. – Gaat de Senaat akkoord om vertrouwen te geven aan zijn voorzitter om de agenda van de volgende plenaire vergadering te bepalen? (Instemming)
De heer René Thissen (PSC). – Verscheidene medeburgers
hebben mijn aandacht gevraagd voor een brief van 23 februari jongstleden van
de Centrale Dienst voor vaste uitgaven, sector Pensioenen, betreffende het
belasten van inkomens uit renten van arbeidsongevallen.
In die
brief zegt uw administratie dat deze inkomens niet langer belastbaar zijn en
dus niet langer op de belastingaangifte dienen te worden vermeld.
In het arrest 132/98 van 9 december 1998 zegt
het Arbitragehof immers dat artikel 34, § 1, 1°, van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992 strijdig is met artikel 10 van de Grondwet omdat het
vergoedingen belastbaar maakt die met toepassing van de arbeidsongevallenwet
worden gestort ter vergoeding van een blijvende ongeschiktheid zonder dat het
slachtoffer inkomsten derft.
In de brief stelt het bestuur, wat de vóór 1999
betaalde vergoedingen betreft, dat indien de belastingplichtige een
aanslagbiljet heeft gekregen voor de aanslagjaren 1999 en vorige (inkomsten
1998 en vorige), hij een bezwaarschrift kan indienen (…) binnen de termijn
vermeld op het aanslagbiljet. Na het verstrijken van die termijn kan hij geen
herziening meer krijgen.
Kunt u mij zeggen, aangezien de meeste
belastingplichtigen een aanslagbiljet hebben gekregen voor die aanslagjaren en
de daarin vermelde termijn al lang verstreken is, waarom die
belastingplichtigen de door het Arbitragehof ongrondwettelijk verklaarde en dus
ten onrechte geheven belasting niet kunnen terugvorderen?
Ik veronderstel dat u zich bewust bent van het
feit dat die inkomsten bijzonder laag zijn en dat door de heffing van de
belasting, die in de huidige stand van zaken niet kan worden teruggevorderd,
die vergoedingen wegens arbeidsongeschiktheid zowat gehalveerd werden.
De heer Didier Reynders, minister van Financiën. –
Tengevolge het arrest van het Arbitragehof heeft de regering ingestemd met mijn
voorstel om deze renten, die geen beroepsinkomsten vervangen, niet te belasten.
Het bedrag van de rente zal in overeenstemming met een dergelijk inkomen
forfaitair worden vastgelegd.
(Voorzitter: de heer Jean-Marie Happart,
ondervoorzitter.)
Anderzijds kunnen de
belastingplichtigen de ten onrechte geïnde belastingen niet via fiscale weg
recupereren. Als de bezwaartermijn is verlopen, heeft de belastingplichtige nog
drie jaar om een belastingverlichting van ambtswege te vragen.
De regering heeft mijn voorstel aanvaard om de termijnen
voor het indienen van bezwaarschriften voor de 400.000 betrokkenen, tenminste
voor de drie jongste aanslagjaren, te heropenen.
Er zal dus geen enkel probleem zijn bij de toepassing van
het nieuwe systeem vanaf het lopende aanslagjaar en de volgende jaren en bij de
terugvordering van de ten onrechte betaalde bedragen.
De heer René
Thissen (PSC). – Mijnheer de minister, ik dank u voor uw duidelijke en
gedetailleerde uiteenzetting. Ik denk dat ze tegemoetkomt aan de bezorgdheid
van sommige belastingplichtigen. Die zullen tevreden zijn.
De heer Johan Malcorps (AGALEV). – In de wet op de ecotaksen, gewijzigd door de wet van 7 maart 1996 worden bij wijze van overgangsmaatregel bedrijven die een zeker recyclagepercentage halen, vrijgesteld van de ecotaks. Voor drankkartons is dit percentage voor het jaar 1998 vastgesteld op 43%. Fost Plus meldt in zijn jaarverslag dat een recyclagepercentage van 38,3% wordt gehaald. De sector geeft dus zelf toe dat de wettelijke doelstelling niet wordt gehaald. De rapportering van Fost Plus heeft geen officieel karakter. Het zijn de gewesten die verslag moeten uitbrengen aan de federale administratie van Douane en Accijnzen in verband met de gehaalde recyclagepercentages. Dit is nog niet gebeurd, noch voor 1997, noch voor 1998.
In een antwoord op mijn schriftelijke vraag heeft de minister van Financiën meegedeeld dat hij aan de directie van Douane en Accijnzen heeft gevraagd om de inning van de ecotaks op te schorten zolang de cijfers met betrekking tot recyclagepercentages niet zijn meegedeeld door de gewesten.
Dat is een discriminatie ten opzichte van de bedrijven die deze norm wel halen, dankzij investeringen. Zij ondervinden nu een concurrentienadeel. Sommige bedrijven overwegen zelfs stappen bij de handelrechtbank.
Heeft de minister voldoende rechtsgrond om de schorsing van de toepassing van de wet te vragen? Welke stappen heeft de minister gezet om de gewesten voor hun verantwoordelijkheid te plaatsen? Kunnen de gewesten door de benadeelde bedrijven aansprakelijk worden gesteld? Zal de ecotaks met terugwerkende kracht worden gevorderd zodra de rapportering door de gewesten is gebeurd? Wat gebeurt er indien slechts één of twee gewesten rapporteren?
Ik stel me ook vragen over de toekomst van de ecotakswet. De uitzonderingsbepalingen waren van kracht tot 31 december 2000. De commissie heeft meegedeeld dat er gewerkt wordt aan een voorstel om de wet te wijzigen. Het zou niet de bedoeling zijn de wet af te schaffen. Ik veronderstel dat het instrument van de ecotaksen zal gehandhaafd worden om aan afvalpreventie te werken. Dat de recyclagepercentages haalbaar zijn, wordt bewezen door de resultaten van sommige bedrijven. Het argument dat men met de ecotaks overvallen wordt, kan men nu niet meer gebruiken. Bovendien blijven ook ecoboni mogelijk voor bedrijven die de norm wel halen.
Het wordt tijd dat de federale regeling wordt afgestemd op de bepalingen vervat in het samenwerkingsakkoord betreffende het verpakkingsafval tussen de gewesten. Deelt de minister deze mening? Is de minister voorstander van ecotaksen, eventueel aangevuld met ecoboni?
De heer Didier Reynders, minister van Financiën. – Ik bevestig mijn schriftelijk antwoord dat er een schorsing is van de inning van de milieutaks voor de jaren ‘97 en ‘98. Wellicht is een overleg met de gewesten nodig over de rapportering over recyclagepercentages.
Er is een werkgroep opgericht onder voorzitterschap van de eerste minister met de precieze opdracht aanpassingen aan de ecotakswet voor te bereiden. Ik moet wachten op de besluiten van die werkgroep. Ik overweeg geen afschaffing van de ecotakswet en wil ook andere fiscale milieumaatregelen, zoals ecoboni, overwegen. Over die twee punten moet in de regering een bespreking worden gevoerd.
De heer Johan Malcorps (AGALEV). – Het verheugt mij dat de minister in de ecotaks, eventueel met andere systemen aangevuld, blijft geloven en dat er over de ecofiscaliteit allerlei discussies worden gevoerd.
Ik heb erop gewezen dat heel wat bedrijven zware investeringen hebben gedaan om de wet na te leven. Zal de minister de wet ook effectief toepassen nadat hij de recycleringspercentages van de gewesten heeft ontvangen?
De heer Didier Reynders, minister van Financiën. – Ik heb van de gewesten nog geen recyclagerapportering ontvangen. Ik moet dus in de eerste plaats met de gewesten overleg plegen. Nadien zullen we conclusies trekken.
– Het
incident is gesloten.
De voorzitter. – Hier volgt de uitslag van de geheime stemming over de benoeming van de plaatsvervangende leden ‘niet-notaris’ van de Benoemingscommissies voor het notariaat.
Aantal stemmenden : 51
Blanco of ongeldige stembriefjes : 7
Geldige stemmen : 44
Tweederde meerderheid : 30
De volgende
voorkeurstemmen werden geteld :
Voor de Franstalige benoemingscommissie :
1. In de
hoedanigheid van magistraat
de h. de Brabant behaalt 43 stemmen
2. In de
hoedanigheid van extern lid
mevrouw Godefroid behaalt 44 stemmen
de h. Leclercq behaalt 44 stemmen
Voor de
Nederlandstalige Benoemingscommissie :
1. In de hoedanigheid
van magistraat
de h. Verslype behaalt 42 stemmen
2. In de
hoedanigheid van extern lid
de h. Desmet behaalt 43 stemmen
de h. Meulemans behaalt 42 stemmen
de h. Taelman behaalt 1 stem.
De
volledige lijst van de voorkeurstemmen zal in de Handelingen opgenomen worden.
Derhalve
worden tot plaatsvervangende leden van de Benoemingscommissies voor het
notariaat verkozen verklaard :
– voor de Franstalige Benoemingscommissie :
1. In de
hoedanigheid van magistraat
de h. de Brabant
2. In de
hoedanigheid van hoogleraar
de h. De Page
3. In de
hoedanigheid van extern lid
mevrouw Godefroid
de h. Leclercq
– voor de Nederlandstalige
Benoemingscommissie :
1. In de
hoedanigheid van magistraat
de h. Verslype
2. In de
hoedanigheid van hoogleraar
de h. Taelman
3. In de
hoedanigheid van extern lid
de h. Desmet
de h. Meulemans.
Van deze
benoemingen zal kennis gegeven worden aan de minister van Justitie.
De heer Georges
Dallemagne (PSC). – De minister van Buitenlandse Zaken en de parlementaire afvaardiging
hebben een bezoek gebracht aan de installaties van Malta Forrest in Lubumbashi.
Op 10 maart jongstleden heeft de directeur van dat bedrijf verklaard dat het
voor één van zijn projecten door de Delcrederedienst is gesteund. In 1997
beschuldigde Human Rights Watch dit bedrijf er evenwel van het embargo tegen
Burundi te hebben geschonden. Er was ook sprake van wapen- en diamantsmokkel.
Op 22 maart oordeelde de Delcrederedienst dat de export
naar Congo als uiterst risicovol moest worden beschouwd en dat de uitvoer naar
dit land geenszins kon worden gewaarborgd. Bovendien stond de dienst niet te
trappelen om ginds investeringen te verzekeren omwille van de dreigende
burgeroorlog, onteigeningen, gevallen van overmacht en transfers in verband met
de uitbetaling van de dividenden of met de repatriëring van kapitaal.
Ondertussen is Malta Forrest een bloeiend bedrijf en
vormt het een heus raadsel in de huidige Congolese economische context die
gekenmerkt wordt door de beperkingen van de oorlog en door de eisen van de
regering Kabila. Ik denk in het bijzonder aan het beruchte decreet 177.
Is het waar dat de Delcrederedienst een investering van deze firma heeft verzekerd? Zo ja, hoe kunt u dit verantwoorden? Hebben nog andere Belgische firma’s zich tot de Delcrederedienst gewend om hun uitvoer of investeringen te laten verzekeren en wat was hiervan het resultaat? Wat is uw standpunt ter zake?
De heer Didier Reynders, minister van Financiën. – De
regering wil weer contacten met Centraal-Afrika aanknopen en de projecten
opnieuw onderzoeken.
Ik ken
Malta Forrest niet. Een mogelijke tussenkomst van de Delcrederedienst in het
voordeel van dit bedrijf is me niet bekend. Wel werd er verleden jaar een vraag
voor verzekering ingediend voor de dekking van een lening die werd verstrekt
door een Belgische bank aan de groep George Forrest voor de ontginning van
kobalt. De vraag werd ingewilligd maar de precieze modaliteiten staan nog
altijd ter discussie. De vraag kon slechts worden ingewilligd op grond van
bijzondere garanties en het gebruik van een techniek die de risico’s
vermindert. Bij mijn weten heeft geen enkele andere Belgische onderneming een
vraag ingediend om export of investeringen in Congo te waarborgen.
Om een
verzekeringspolis af te leveren, steunt de Delcrederedienst op de aard van de
transactie en de te dekken risico’s. Congo is inderdaad ingedeeld in categorie
7. In dat geval geeft de Delcrederedienst geen risicodekking, al kunnen
bepaalde transacties wel in aanmerking worden genomen. Het bestaan van de
Delcrederedienst vindt juist zijn rechtvaardiging in de mogelijkheid om
risico’s te kunnen dekken die niet zouden gedekt zijn zonder de staatswaarborg.
Dat evenwicht tussen de voorzichtigheid van de verzekeraar en de wil tot
openheid tegenover een land in moeilijkheden werd gerespecteerd bij het
toestaan van de verzekering die door de groep Forrest werd gevraagd. Na een
eerste annulering van mijn kant, heb ik de goedkeuring van de minister van
Buitenlandse Zaken gevraagd voor de politieke risico’s alsook bijkomende
waarborgen, maar het dossier is nog niet afgesloten.
De heer Georges
Dallemagne (PSC). – U bevestigt dus dat er voor het bedrijf in kwestie een
verzekeringspolis bestaat. Ik begrijp niettemin nog steeds niet waarom een
positieve beslissing werd genomen, temeer omdat het bedrijf zich met zeer
speciale activiteiten heeft beziggehouden.
– Het
incident is gesloten.
Mevrouw Nathalie de
T’ Serclaes (PRL-FDF-MCC). – Het vrouwelijke personeel heeft nog maar net zijn intrede gedaan
bij de politiekorpsen. De vrouwen zijn goed voor 4% van het personeel van de
drie korpsen samen. België behoort tot de landen met het laagste percentage
vrouwelijke politieagenten. Dat weerspiegelt zich in een gebrek aan evenwicht,
zowel op het terrein als bij het kader. In zijn advies van 24 mei 1996
laat de Raad voor gelijkheid van kansen zich zeer kritisch uit over de
salarissen van de vrouwen bij de politie.
De problemen die door het advies op de korrel worden genomen, zouden dankzij de lopende hervorming een oplossing moeten krijgen. Ze doen zich voor bij de rekrutering, de selectie en de arbeidsomstandigheden.
Het advies legt ook de
nadruk op ongewenste intimiteiten. Volgens een studie uit 1995 van het IPSOC
verklaart 38% van de vrouwelijke politieagenten dat ze slachtoffer zijn van
ongewenste intimiteiten. Die zijn verbonden met de cultuur van de
politieorganisatie. Er zijn talrijke risicofactoren. Vrouwelijke politieagenten
durven zich nu meer te uiten, maar in de meeste gevallen bewaren ze de stilte
uit angst niet te worden gehoord of hun werk te verliezen.
Wordt bij de
hervorming rekening gehouden met de positie van de vrouwen in het nieuwe
politiekorps of niet? Zo ja, hoe?
Zijn er precieze
cijfers beschikbaar over de werving en de bevordering van het personeel van de
verschillende politiekorpsen, ingedeeld per geslacht? Indien dat niet het geval
is, hoe zult u dit verhelpen in het nieuwe geïntegreerde politiekorps? Wordt
bijzondere aandacht besteed aan kinderopvang voor alle personeelsleden, vaders
en moeders, wier dienstregeling niet overeenkomt met de conventionele
opvangmogelijkheden? Zullen er maatregelen worden genomen om ongewenste
intimiteiten te bestrijden?
De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse
Zaken. – Net als u wens ik een volstrekte gelijkheid tussen mannen en vrouwen.
Er zijn evenwel objectieve verschillen die verband houden met het feit dat
bepaalde opdrachten enige fysieke kracht vereisen. Dat is geen discriminatie op
grond van het geslacht.
Bij de
organisatie van de nieuwe politie hebben wij geen enkele bepaling opgenomen die
een bijzondere behandeling voor vrouwen invoert. Artikel 129 van de wet van 9
december 1999 waarborgt evenwel de gelijkheid van kansen tussen mannen en
vrouwen binnen de federale en de lokale politie. Voor vrouwelijke
personeelsleden gelden dezelfde arbeidsvoorwaarden als voor hun mannelijke
collega’s.
De
statistieken moeten in belangrijke mate verbeterd worden. Het is momenteel
immers niet mogelijk om voor de politie cijfers te geven volgens het geslacht.
Dat is wel mogelijk bij de rijkswacht. In 1994 waren 20% van de geworven
rijkswachters vrouwen. Dit percentage is dit jaar gestegen tot 32%. Wij hebben
geen statistieken over de GP.
De
sociale maatregelen die u vraagt, zullen zeer waarschijnlijk behandeld worden
tijdens de komende onderhandelingen met de vakbondsdelegaties.
Het ontwerp van
koninklijk besluit over het statuut van de geïntegreerde politie bevat specifieke
artikelen over ongewenste intimiteiten. Over dit statuut moet nog met de
vakbonden worden overlegd.
Mevrouw Nathalie de
T’ Serclaes (PRL-FDF-MCC). – De cijfers die u aanhaalt, tonen aan dat er vooruitgang is geboekt,
maar de vrouwen blijven sterk in de minderheid. Ik zou graag hebben dat u oog
hebt voor artikel 129 van de wet, want er zijn personeelsleden nodig die
slachtoffers van gezinsdrama’s en verkrachting kunnen opvangen. Er moeten dus
vrouwen in dienst worden genomen.
Het verheugt mij dat ernstige procedures in het vooruitzicht worden gesteld om ongewenste intimiteiten te bestrijden.
– Het
incident is gesloten.
De heer Michiel Maertens (AGALEV). – In juni 1999 besloten de landbouwministers van de EU de legbatterijen voor kippen te verbieden vanaf 1 januari 2012. Tegelijkertijd werd in de richtlijn ook de mogelijkheid van zogenaamde verrijkte kooien ingeschreven, waarin elke kip over 600 cm² beschikt in plaats van over 450 cm². Op die manier wordt de richtlijn uitgehold en wordt de sector nodeloos op kosten gejaagd. De richtlijn zet de sector immers aan om zeer geleidelijk over te schakelen naar het alternatieve en diervriendelijke volièresysteem. Dit vraagt een kapitaalsinvestering die ongeveer even groot is als voor de overschakeling op verrijkte kooien.
Elk land kan bij de omzetting in nationaal recht de verrijkte kooien gewoon schrappen.
Als lid van het Europees Parlement was de
minister een groot tegenstander van legbatterijen, verrijkt of niet. Het zou
dus logisch zijn moest zij nu de verrijkte kooien schrappen. Toch vernam ik dat
dit in het ontwerp-KB niet het geval is. Dit gebeurde op vraag van de
kippenindustrie zonder dat daarover een tegensprekelijk debat werd gevoerd.
Werden de verrijkte kooien in het KB al dan niet geschrapt?
Voldoet de stellingname van de kippenindustrie
aan de eisen van duurzame ontwikkeling en houdt zij voldoende rekening met het
dierenwelzijn? Werd hierover een tegensprekelijk intern debat gevoerd? Heeft de
ministerraad zich hierover al uitgesproken en zo ja, in welke zin?
Mevrouw Magda Aelvoet, minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu. – De omzetting van de EG-richtlijn gebeurde conform de tekst, zoals hij in juni 1999 werd goedgekeurd door de Europese Ministerraad. Deze beslissing werd toendertijd door de dierenwelzijnbeweging gewaardeerd. Het parlement had 2012 vooropgesteld. De ministerraad heeft dit verlengd tot 2016. De wezenlijke verbetering van deze richtlijn is dat er een afschaffing van de legbatterij komt.
De richtlijn is gebaseerd op een verslag van het Wetenschappelijk Veterinair Comité dat tot het besluit was gekomen dat de klassieke batterijkooien de kippen beletten een aantal essentiële gedragingen uit te voeren, met name het nestgedrag, het scharrelen en het rusten op een zitstok. Dit werd terecht beschouwd als een ethologisch probleem met ernstige repercussies op het welzijn van de dieren.
De vraag is nu: wat gebeurt er in de periode tussen 2012 en 2016? In alle landen, misschien uitgezonderd Italië, is er geopteerd voor de zogenaamde verrijkte legbatterijen.
Men is niet van oordeel dat het systeem van de verrijkte legbatterijen ideaal is, maar men is wel van oordeel dat het systeem van de legbatterijen te veel nadelen heeft. De dieren zitten er in het donker, hun bek wordt gebrand en ze hebben meer last van parasieten. De verrijkte legbatterijen zouden een gevoelige verbetering voor het welzijn van de dieren moeten inhouden.
In ieder geval zal in 2005 het Wetenschappelijk Veterinair Comité moeten aantonen of de verrijkte kooien inderdaad deze verwachtingen kunnen inlossen. Indien reeds vroeger ontegensprekelijk kan worden aangetoond dat er geen gevoelige welzijnsverbetering optreedt en men voor de andere alternatieven een oplossing heeft gevonden voor de actuele problemen, dan zal ik niet aarzelen om het beleid ter zake zo snel mogelijk bij te sturen.
De kosten voor verrijkte kooien zijn laag en niet in verhouding tot de voordelen van het verlaten van het systeem van legbatterijen.
Gelet op het gebrek aan ervaring in ons land met deze nieuwe vorm van kippenhuisvesting, acht ik het niet echt zinvol om op dit moment hierover overleg te organiseren. Zodra er informatie is uit andere landen, ben ik bereid om dit te gaan bekijken.
Er is geen overleg
geweest met vertegenwoordigers van de kippenindustrie. Het onderwerp staat op
dit ogenblik niet op de agenda van de ministerraad.
De heer Michiel Maertens (AGALEV). – Ik dank de minister voor haar zeer uitvoerig en hoopvol antwoord.
Ik begrijp dat er in België te weinig geïndustrialiseerde bio-eierenproducenten zijn om als voorbeeld te kunnen dienen.
Ik zal de problematiek op de voet blijven volgen en de minister aan haar woord houden. Wat men nu de verrijkte kooien noemt, is immers slechts een minieme vooruitgang, die ons amper een stap dichter brengt naar het dierenwelzijn.
– Het
incident is gesloten.
De voorzitter. – De vraag om uitleg van de heer Ludwig Caluwé aan de minister van Economie en Wetenschappelijk Onderzoek over «de prijsaanduiding per meeteenheid in de kleine handelszaken» wordt tot een latere datum uitgesteld.
De voorzitter. – De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken, antwoordt namens de heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken.
De heer Georges
Dallemagne (PSC). – De onmenselijke praktijken in de filtratiekampen in Tsjetsjenië
zouden nog altijd verdergaan. Daarvan getuigt een verpletterend rapport van de
Internationale Federatie van liga’s voor de mensenrechten. Dat rapport spreekt
over misdaden tegen de menselijkheid. De Russische regering weigert een
internationale enquête. Mevrouw Robinson kreeg geen toegang tot de
filtratiekampen.
Welke initiatieven heeft de regering genomen tijdens de
Raad Algemene Zaken van 20 maart? Hebt u kennis genomen van de rapporten van
Amnesty International, de Internationale Federatie van de liga’s voor
mensenrechten en van de Raad van Europa? Zijn die geloofwaardig? Steunt u hun
aanbevelingen, met name de vraag van mevrouw Robinson om een internationale
enquêtecommissie in te stellen? Waarom heeft België nog altijd geen klacht
ingediend bij de Commissie voor de rechten van de mens te Genève? Wat zult u
doen om Rusland te dwingen het humanitair recht en de rechten van de mens na te
leven?
Denkt u niet dat de aarzelingen van de Europese
diplomatie het discours van onze regeringen over de grondwaarden van onze
samenleving verzwakt? Schept een dergelijk niveau van permissiviteit geen
gevaarlijk precedent?
De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse
Zaken. – Mevrouw Robinson heeft mij betrouwbare informatie gegeven over de
situatie in Tsjetsjenië. Volgens veel mensenrechtenorganisaties hebben er
inderdaad schendingen van de mensenrechten plaats. De gevangenen zouden
folteringen en mishandelingen ondergaan.
De heer
Kofi Annan steunt de vraag van mevrouw Robinson om een transparant onderzoek te
houden. Ik heb Belgische steun voor elk VN-initiatief toegezegd. België heeft
actief deelgenomen aan de uitwerking van de conclusies over Tsjetsjenië binnen
de Raad Algemene Zaken van 20 maart. De EU roept Rusland op om een politieke
oplossing voor het conflict te zoeken, een einde te maken aan het buitensporig
geweld en de toegang van humanitaire hulp op het terrein te garanderen. Binnen
de Raad van Europa heeft België erop aangedrongen dat een
mensenrechtenorganisatie in alle onafhankelijkheid in Rusland zou kunnen
werken.
Vladimir
Poetin kan nu een ander beleid te voeren. Rusland zou zijn middelen beter
aanwenden om de levensstandaard van zijn bevolking te verhogen. Ik zal geen
moeite sparen om het ervan te overtuigen dat een verandering van de politiek in
Tsjetsjenië noodzakelijk is.
De heer Georges
Dallemagne (PSC). – De minister bevestigt dus de beschuldigingen aan het adres van de
Russische strijdkrachten. Ik betreur desalniettemin dat de voorstellen zo zwak
zijn. België zou een klacht kunnen indienen bij de Commissie voor de rechten
van de mens in Genève. Er moet doeltreffender worden opgetreden om een einde te
maken aan de schendingen van de mensenrechten in Tsjetsjenië.
– Het
incident is gesloten.
Mevrouw Clotilde
Nyssens (PSC). –De wet van 7 december 1998 heeft de politieraad en het
politiecollege opgericht in de meergemeentezones en onderwerpt de beslissingen
van die organen aan een specifiek toezicht. Dat geldt ook voor de beslissingen
die door de colleges van burgemeester en schepenen en de gemeenteraden in de
ééngemeentezones genomen worden inzake de organisatie en het beheer van de
politiediensten.
Het specifieke toezicht slaat niet op alle controles.. De
gelijkvormigheidscontrole wordt onverminderd uitgevoerd door de gewestelijke
overheden.
De bepalingen van de bijzondere wetten, waardoor de
gewesten de hoedanigheid van gewone toezichthoudende overheid krijgen, hebben
enkel betrekking op de door de gemeentelijke instellingen gestelde daden.
Aangezien de meergemeentepolitiezones geen gemeentelijke instellingen en de
politieraden en –colleges geen gemeentelijke organen zijn, wordt niet
gecontroleerd of hun beslissingen overeenstemmen met het algemeen belang of met
wettelijke bepalingen, behalve deze van de wet van 7 december 1998. Erger nog,
onervaren personeel zal instaan voor het bestuur van deze zones. Het risico op
fouten is groot, terwijl de geschillen niet onderschat mogen worden en de
veroordelingen financieel zwaar kunnen doorwegen. De gemeenten zullen hiervan
de gevolgen dragen.
Wat is het standpunt van de minister? Bestaat er ter zake een juridisch vacuüm? Zo ja, hoe zal hij daaraan verhelpen?
De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse
Zaken. – De octopusakkoorden en de federale wetgever hebben het toezicht op de
meergemeentezones niet geregeld omdat dit onder de bevoegdheid van de gewesten
valt.
In zijn
advies over de wet van 7 december 1998 maakte de Raad van State geen enkele
opmerking over het feit dat het voorstel het algemene toezicht op de gemeenten
en op de meergemeentezones niet regelde. Dat kan geïnterpreteerd worden als de
erkenning van de bevoegdheid van de gewesten voor de uitoefening van het gewone
toezicht op de handelingen van de meergemeentezones. De wet van 7 december 1998
veroorzaakte dus geen juridisch vacuüm. Het toezicht op politieaangelegenheden
wordt geregeld door dezelfde wet. Het residuaire toezicht wordt uitgeoefend
krachtens de voorschriften van de bijzondere wet tot hervorming van de
instellingen.
Men kan
verwijzen naar de analoge situatie van de plaatselijke
werkgelegenheidsagentschappen die door een groep gemeenten kunnen worden
opgericht en die een eigen rechtspersoonlijkheid hebben. In zijn arrest 58/95
van 12 juli 1995 heeft het Arbitragehof duidelijk gesteld dat deze bijzondere
situatie niet tot gevolg kan hebben dat de gemeentelijke instellingen niet
langer onderworpen zouden zijn aan het gewone administratieve toezicht van de
gewesten.
Mevrouw Clotilde
Nyssens (PSC). – Ik dank de minister voor zijn antwoord. Ik noteer de interpretatie
die hij aan de wet geeft. In feite zijn inderdaad verschillende interpretaties
mogelijk. Ikzelf zal de beslissingen van deze politieorganen en eventueel ook
het toezicht met aandacht volgen. Indien nodig zal ik hier later op terugkomen.
– Het
incident is gesloten.
De voorzitter. – Ik wens u een zalig Paasfeest en een prettige vakantie.
– De Senaat gaat tot nadere bijeenroeping uiteen.
(De vergadering wordt gesloten om 19.25 uur.)
Afwezig met bericht van verhindering: mevrouw Thijs, de heren Monfils, Barbeaux, Daif, Ceder, Wille en Van Quickenborne, met opdracht in het buitenland; de heer Colla, wegens andere plichten.
– Voor
kennisgeving aangenomen.
|
Votes nominatifs |
Naamstemmingen |
|
Vote nº 1 |
Stemming nr. 1 |
|
Présents: 55 |
Aanwezig: 55 |
|
|
|
|
Marcel Cheron, Christine Cornet d'Elzius, Georges Dallemagne, Sabine de Bethune, Olivier de Clippele, Armand De Decker, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Alain Destexhe, Jacques Devolder, Josy Dubié, André Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Mimi Kestelijn-Sierens, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Kathy Lindekens, Frans Lozie, Michiel Maertens, Chokri Mahassine, Philippe Mahoux, Johan Malcorps, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Jacky Morael, Philippe Moureaux, Marie Nagy, Clotilde Nyssens, Francis Poty, Didier Ramoudt, Jan Remans, Jacques Santkin, Louis Siquet, Martine Taelman, René Thissen, Louis Tobback, Hugo Vandenberghe, Luc Van den Brande, Chris Vandenbroeke, Ingrid van Kessel, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, Iris Van Riet, Magdeleine Willame-Boonen, Paul Wille, Alain Zenner. |
|
|
|
|
|
N. |
|
|
|
|
|
Frank Creyelman, Nathalie de T' Serclaes, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Joris Van Hauthem, Wim Verreycken. |
|
|
Vote nº 2 |
Stemming nr. 2 |
|
Présents: 55 |
Aanwezig: 55 |
|
|
|
|
Marcel Cheron, Christine Cornet d'Elzius, Olivier de Clippele, Armand De Decker, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Josy Dubié, André Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Mimi Kestelijn-Sierens, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Kathy Lindekens, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Michiel Maertens, Chokri Mahassine, Philippe Mahoux, Johan Malcorps, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Jacky Morael, Philippe Moureaux, Marie Nagy, Francis Poty, Didier Ramoudt, Jan Remans, Jacques Santkin, Louis Siquet, Louis Tobback, Chris Vandenbroeke, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, Iris Van Riet, Paul Wille, Alain Zenner. |
|
|
|
|
|
Georges Dallemagne, Clotilde Nyssens, René Thissen, Magdeleine Willame-Boonen. |
|
|
|
|
|
Frank Creyelman, Sabine de Bethune, Mia De Schamphelaere, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Hugo Vandenberghe, Luc Van den Brande, Joris Van Hauthem, Ingrid van Kessel, Wim Verreycken. |
|
|
Vote nº 3 |
Stemming nr. 3 |
|
Présents: 57 |
Aanwezig: 57 |
|
|
|
|
Marcel Cheron, Christine Cornet d'Elzius, Georges Dallemagne, Olivier de Clippele, Armand De Decker, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Josy Dubié, André Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Mimi Kestelijn-Sierens, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Kathy Lindekens, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Michiel Maertens, Chokri Mahassine, Philippe Mahoux, Johan Malcorps, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Jacky Morael, Philippe Moureaux, Marie Nagy, Clotilde Nyssens, Francis Poty, Didier Ramoudt, Jan Remans, Jacques Santkin, Louis Siquet, Martine Taelman, René Thissen, Louis Tobback, Myriam Vanlerberghe, Iris Van Riet, Magdeleine Willame-Boonen, Paul Wille, Alain Zenner. |
|
|
|
|
|
Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Joris Van Hauthem, Wim Verreycken. |
|
|
|
|
|
Sabine de Bethune, Mia De Schamphelaere, Hugo Vandenberghe, Luc Van den Brande, Chris Vandenbroeke, Ingrid van Kessel, Patrik Vankrunkelsven. |
|
|
Vote nº 4 |
Stemming nr. 4 |
|
Présents: 56 |
Aanwezig: 56 |
|
|
|
|
Marcel Cheron, Christine Cornet d'Elzius, Frank Creyelman, Georges Dallemagne, Sabine de Bethune, Olivier de Clippele, Armand De Decker, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Josy Dubié, André Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Mimi Kestelijn-Sierens, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Kathy Lindekens, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Michiel Maertens, Chokri Mahassine, Philippe Mahoux, Johan Malcorps, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Jacky Morael, Philippe Moureaux, Marie Nagy, Clotilde Nyssens, Francis Poty, Didier Ramoudt, Jan Remans, Jacques Santkin, Louis Siquet, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Martine Taelman, René Thissen, Louis Tobback, Hugo Vandenberghe, Luc Van den Brande, Chris Vandenbroeke, Joris Van Hauthem, Ingrid van Kessel, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, Iris Van Riet, Wim Verreycken, Magdeleine Willame-Boonen, Paul Wille, Alain Zenner. |
|
|
|
|
|
N. |
|
|
|
|
|
N. |
|
|
Vote nº 5 |
Stemming nr. 5 |
|
Présents: 56 |
Aanwezig: 56 |
|
|
|
|
Marcel Cheron, Christine Cornet d'Elzius, Frank Creyelman, Georges Dallemagne, Sabine de Bethune, Olivier de Clippele, Armand De Decker, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Josy Dubié, André Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Mimi Kestelijn-Sierens, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Kathy Lindekens, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Michiel Maertens, Chokri Mahassine, Philippe Mahoux, Johan Malcorps, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Jacky Morael, Philippe Moureaux, Marie Nagy, Clotilde Nyssens, Francis Poty, Didier Ramoudt, Jan Remans, Jacques Santkin, Louis Siquet, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Martine Taelman, René Thissen, Louis Tobback, Hugo Vandenberghe, Luc Van den Brande, Chris Vandenbroeke, Joris Van Hauthem, Ingrid van Kessel, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, Iris Van Riet, Wim Verreycken, Magdeleine Willame-Boonen, Paul Wille, Alain Zenner. |
|
|
|
|
|
N. |
|
|
|
|
|
N. |
|
|
Vote nº 6 |
Stemming nr. 6 |
|
Présents: 56 |
Aanwezig: 56 |
|
|
|
|
Marcel Cheron, Christine Cornet d'Elzius, Frank Creyelman, Georges Dallemagne, Sabine de Bethune, Olivier de Clippele, Armand De Decker, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Josy Dubié, André Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Mimi Kestelijn-Sierens, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Kathy Lindekens, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Michiel Maertens, Chokri Mahassine, Philippe Mahoux, Johan Malcorps, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Jacky Morael, Philippe Moureaux, Marie Nagy, Clotilde Nyssens, Francis Poty, Didier Ramoudt, Jan Remans, Jacques Santkin, Louis Siquet, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Martine Taelman, René Thissen, Louis Tobback, Hugo Vandenberghe, Luc Van den Brande, Chris Vandenbroeke, Joris Van Hauthem, Ingrid van Kessel, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, Iris Van Riet, Wim Verreycken, Magdeleine Willame-Boonen, Paul Wille, Alain Zenner. |
|
|
|
|
|
N. |
|
|
|
|
|
N. |
|
|
Vote nº 7 |
Stemming nr. 7 |
|
Présents: 56 |
Aanwezig: 56 |
|
|
|
|
Marcel Cheron, Christine Cornet d'Elzius, Frank Creyelman, Georges Dallemagne, Sabine de Bethune, Olivier de Clippele, Armand De Decker, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Josy Dubié, André Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Mimi Kestelijn-Sierens, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Kathy Lindekens, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Michiel Maertens, Chokri Mahassine, Philippe Mahoux, Johan Malcorps, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Jacky Morael, Philippe Moureaux, Marie Nagy, Clotilde Nyssens, Francis Poty, Didier Ramoudt, Jan Remans, Jacques Santkin, Louis Siquet, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Martine Taelman, René Thissen, Louis Tobback, Hugo Vandenberghe, Luc Van den Brande, Chris Vandenbroeke, Joris Van Hauthem, Ingrid van Kessel, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, Iris Van Riet, Wim Verreycken, Magdeleine Willame-Boonen, Paul Wille, Alain Zenner. |
|
|
|
|
|
N. |
|
|
|
|
|
N. |
|
Wetsvoorstellen
Artikel 77 van de Grondwet
Wetsvoorstel tot wijziging van de procedures voor het verlenen van vrijstelling van de sociale bijdragen voor zelfstandigen (van de heer Philippe Mahoux; St. 2-398/1).
Artikel 81 van de Grondwet
Wetsvoorstel tot wijziging van de gemeentekieswet van 4 augustus 1932 en van de nieuwe gemeentewet om de strijd tegen extreem-rechts op te voeren (van de heer Georges Dallemagne; St. 2-394/1).
Wetsvoorstel ter verbetering van het sociaal statuut der zelfstandigen (van de heer Philippe Mahoux; St. 2-396/1).
Wetsvoorstel strekkende om beginnende zelfstandigen aan te moedigen en te stimuleren (van de heer Philippe Mahoux; St. 2-397/1).
Wetsvoorstel tot wijziging, wat de verkoop van alcoholhoudende dranken betreft, van artikel 4, § 1, van de wet van 24 juli 1973 tot instelling van een verplichte avondsluiting in handel, ambacht en dienstverlening (van mevrouw Clotilde Nyssens; St. 2-399/1).
Wetsvoorstel tot wijziging van de artikelen 9 en 12.6 van de pachtwet (van de heer Jean-Marie Happart; St. 2-401/1).
Wetsvoorstel strekkende om het recht op palliatieve zorgen in te voeren en de palliatieve zorgverlening te verbeteren (van mevrouw Ingrid van Kessel c.s.; St. 2-402/1).
– Deze voorstellen zullen worden vertaald, gedrukt en rondgedeeld.
– Er zal later over de inoverwegingneming worden beslist.
Voorstellen
van resolutie
Voorstel van resolutie over internationale ontvoeringen van kinderen door hun ouders (van de heer Philippe Monfils; St. 2-395/1).
Voorstel van resolutie over de berechting bij verstek van generaal Pinochet (van de heer Georges Dallemagne; St. 2-400/1).
– Deze voorstellen zullen worden vertaald, gedrukt en rondgedeeld.
– Er zal later over de inoverwegingneming worden beslist.
Wetsvoorstellen
Artikel 77 van de Grondwet
Wetsvoorstel tot wijziging van de nieuwe gemeentewet en van de provinciewet teneinde kandidaten die niet aan de eisen van de democratie voldoen, te verbieden het ambt van burgemeester, schepen of lid van de bestendige deputatie uit te oefenen (van de heer Philippe Monfils; St. 2-346/1).
– Verzonden naar de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden.
Wetsvoorstel tot bevordering van gelijke kansen voor vrouwen en mannen bij verkiezingen (van de heer Frans Lozie c.s.; St. 2-354/1).
– Verzonden naar de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden.
Wetsvoorstel tot wijziging van de procedures voor het verlenen van vrijstelling van de sociale bijdragen voor zelfstandigen (van de heer Philippe Mahoux; St. 2-398/1).
– Verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.
Artikel 81 van de Grondwet
Wetsvoorstel tot aanvulling van artikel 119.1 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, wat de gecontroleerde opvangmoeders betreft (van mevrouw Anne-Marie Lizin en de heer Jean-Pierre Malmendier c.s.; St. 2-266/1).
– Verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.
Wetsvoorstel houdende wijziging van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, en van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, met het oog op het verbeteren van de moederschapsbescherming (van de heer Georges Dallemagne; Gedr. St. 2-351/1).
– Verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.
Wetsvoorstel tot toekenning van 10 dagen verlof om persoonlijke redenen aan zwangere vrouwen (van de heer Georges Dallemagne; St. 2-352/1).
– Verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.
Wetsvoorstel houdende wijziging van de arbeidswet van 16 maart 1971 met het oog op het verbeteren van de moederschapsbescherming (van de heer Georges Dallemagne; St. 2-353/1).
– Verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.
Wetsvoorstel ter verbetering van het sociaal statuut der zelfstandigen (van de heer Philippe Mahoux; St. 2-396/1).
– Verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.
Wetsvoorstel strekkende om beginnende zelfstandigen aan te moedigen en te stimuleren (van de heer Philippe Mahoux; St. 2-397/1).
– Verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.
Voorstel
tot herziening van het Reglement
Voorstel tot aanvulling van artikel 22 van het Reglement van de Senaat teneinde de follow-up van de jurisprudentie van het Arbitragehof te organiseren (van mevrouw Clotilde Nyssens; St. 2-367/1).
– Verzonden naar het Bureau.
Het Bureau heeft volgende vragen om uitleg ontvangen:
van de heer Josy DUBIÉ aan de Vice-Eerste Minister en Minister van Buitenlandse Zaken over «de schending van de mensenrechten in Saudi-Arabië» (nr. 2-120)
van Mevrouw Erika THIJS aan de Minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu over «het toenemend gebruik van het geneesmiddel Rilatine» (nr. 2-121)
van de heer Georges DALLEMAGNE aan de Staatssecretaris voor Ontwikkelingssamenwerking over «de vermindering van de Belgische bijdrage voor het Ontwikkelingsprogramma van de Verenigde Naties (UNDP)» (nr. 2-122)
– Deze vragen worden naar de plenaire vergadering verzonden .
Bij boodschappen van 4 april 2000 heeft de Senaat aan de Kamer van volksvertegenwoordigers terugbezorgd, met het oog op de koninklijke bekrachtiging, de volgende niet geëvoceerde wetsontwerpen :
Wetsontwerp tot instelling van de vrijwillige arbeidsregeling van de vierdagenweek en de regeling van de halftijdse vervroegde uitstap voor sommige militairen en tot wijziging van het statuut van de militairen met het oog op de instelling van de tijdelijke ambtsontheffing wegens loopbaanonderbreking (St. 2-369/1).
Wetsontwerp betreffende de personeelsenveloppe van militairen (St. 2-370/1).
Wetsontwerp betreffende het indisponibiliteitstellen van bepaalde militairen van het actief kader van de krijgsmacht (St. 2-371/1).
Wetsontwerp tot wijziging van artikel 232 van het Burgerlijk Wetboek en van de artikelen 1270bis, 1309 en 1310 van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot echtscheiding op grond van feitelijke scheiding (St. 2-372/1).
– Voor kennisgeving aangenomen
Bij boodschappen van 30 maart 2000 heeft de Kamer van volksvertegenwoordigers aan de Senaat overgezonden, zoals ze ter vergadering van die dag werden aangenomen:
Artikel 78 van de Grondwet
Wetsontwerp inzake informaticacriminaliteit (St. 2-392/1).
– Het wetsontwerp werd ontvangen op 31 maart 2000; de uiterste datum voor evocatie is dinsdag 2 mei 2000.
– De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 30 maart 2000.
Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 21 juni 1985 betreffende het onderwijs en de wet van 4 augustus 1986 tot regeling van de oppensioenstelling van de leden van het onderwijzend personeel van het universitair onderwijs en tot wijziging van andere bepalingen van de onderwijswetgeving (St. 2-393/1).
– Het ontwerp werd ontvangen op 31 maart 2000; de uiterste datum voor evocatie is dinsdag 2 mei 2000.
– De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 30 maart 2000.
Met toepassing van artikel 113 van de
bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van
het Arbitragehof kennis aan de voorzitter van de Senaat van :
- het arrest nr. 33/2000, uitgesproken op 29
maart 2000, inzake de prejudiciële vraag betreffende artikel 126, derde lid, littera c, van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1964, gesteld door het Hof van Beroep te Gent (rolnummer
1582);
- het arrest nr. 34/2000, uitgesproken op 29
maart 2000, inzake het beroep tot vernietiging van de artikelen 126 en 149 van
het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 14 juli 1998 houdende diverse
maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het
decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs, ingesteld door M.
Vanhouteghem en anderen (rolnummer 1592);
- het arrest nr. 35/2000, uitgesproken op 29
maart 2000, inzake de prejudiciële vraag betreffende de artikelen 24 en 27bis van de arbeidsongevallenwet van 10
april 1971, gesteld door de Arbeidsrechtbank te Doornik (rolnummer 1621);
- het arrest nr. 36/2000, uitgesproken op 29
maart 2000, inzake het beroep tot vernietiging van de artikelen 9 en 15, 1°,
van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 14 juli 1998 betreffende het
onderwijs IX, ingesteld door L. Demuynck (rolnummer 1624);
- het arrest nr. 37/2000, uitgesproken op 29
maart 2000, inzake het beroep tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van de
artikelen 1, 2, 6, 9, 14, 15 en 16 van het decreet van de Franse Gemeenschap
van 30 juni 1998 tot instelling van het hoger onderwijs van het lange type in
de kinesitherapie binnen de door de Franse Gemeenschap georganiseerde of
gesubsidieerde hogescholen, ingesteld door de VZW Nationale Federatie der
Doctors en Licentiaten in de Kinesitherapie en anderen (rolnummer 1630);
- het arrest nr. 38/2000, uitgesproken op 29
maart 2000, inzake de prejudiciële vraag betreffende de artikelen 1 en 2 van
het koninklijk besluit van 3 april 1953 tot samenordening van de wetsbepalingen
inzake de slijterijen van gegiste dranken, vervangen door de artikelen 1 en 2
van de wet van 6 juli 1967 tot wijziging van de wetsbepalingen inzake de
slijterijen van gegiste dranken, gecoördineerd op 3 april 1953, gesteld door de
Correctionele Rechtbank te Charleroi (rolnummer 1661).
– Voor kennisgeving aangenomen.
Met toepassing van artikel 77 van de
bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van
het Arbitragehof aan de voorzitter van de Senaat kennis van :
- de prejudiciële vragen betreffende artikel 1,
§§ 1 tot 4, van de wet van 22 juni 1960 tot invoering van een wekelijkse
rustdag in nering en ambacht, en artikelen 1, 2 en 4, § 1, f, van de wet van 24
juli 1973 tot instelling van een verplichte avondsluiting in handel, ambacht en
dienstverlening, gesteld door de Correctionele Rechtbank te Luik (rolnummer
1866, samengevoegde zaak met rolnummer 1857);
- de prejudiciële vraag over artikel 63 van de
wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, gesteld door de arbeidsrechtbank
te Verviers (rolnummer 1869);
- de prejudiciële vraag over de wet van 3 juli
1967 betreffende de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op
de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector (zoals
van kracht vóór 25 november 1998), gesteld door de Arbeidsrechtbank van Brugge
(rolnummer 1887).
– Voor kennisgeving aangenomen.
Met toepassing van artikel 76 van de
bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van
het Arbitragehof aan de voorzitter van de Senaat kennis van :
- het beroep tot gedeeltelijke vernietiging van
artikel 25 van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 18 mei 1999
betreffende het onderwijs XI, ingesteld door het Gemeenschapsonderwijs (rolnummer
1897).
– Voor kennisgeving aangenomen.
Bij brief van 4 april 2000 heeft de minister van Binnenlandse Zaken, overeenkomstig artikel 57/28 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, aan de Senaat overgezonden, het elfde jaarverslag van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen (activiteitenjaar 1998).
– Neergelegd ter Griffie.
Bij brief van 23 maart 2000 heeft de voorzitter van de Federale Raad voor Duurzame Ontwikkeling, overeenkomstig artikel 11, § 5, van de wet van 5 mei 1997 betreffende de coördinatie van het federale beleid inzake duurzame ontwikkeling, aan de Senaat overgezonden, het rapport over de werkzaamheden van het jaar 1999. Dit rapport werd goedgekeurd tijdens de algemene vergadering van 15 februari 2000.
– Neergelegd ter Griffie.
Bij brief van 20 maart 2000 zendt de Ombudsman bij de NMBS aan de Senaat, overeenkomstig artikel 46 van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, het activiteitenverslag voor het jaar 1999.
– Neergelegd ter Griffie.
Bij verzoekschrift uit St-Joost-ten-Node zendt
de burgemeester van deze gemeente aan de Senaat een motie betreffende de
deelname van een extreem-rechtse partij aan de Oostenrijkse regering,
aangenomen door het college van burgemeester en schepenen op 23 februari 2000.
– Verzonden naar de commissie voor de Binnenlandse en Administratieve Aangelegenheden.
Bij brief van 29 maart 2000 heeft de
voorzitter van het Europees Parlement aan de Senaat overgezonden :
- een wetgevingsresolutie over het voorstel voor
een besluit van de Raad betreffende het standpunt van de Gemeenschap in de
Gezamelijke Raad EG-Mexico inzake de tenuitvoerlegging van de artikelen 3, 4,
5, 6 en 12 van de interimovereenkomst betreffende de handel en aanverwante
zaken;
- een resolutie over het programma van de
wetgevende werkzaamheden van de Commissie voor 2000;
- een resolutie over de opstelling van een
handvest van de grondrechten van de Europese Unie;
- een resolutie over de steun aan de Verdragen van
Genève van 12 augustus 1949 en het internationaal humanitair recht;
- een resolutie over de internationale
mensenrechten en het beleid inzake de mensenrechten van de Europese Unie 1999;
- een resolutie over de eerbieding van de
rechten van de mens in de Europese Unie (1998-1999);
- een resolutie over de overstromingen in
Mozambique;
- een resolutie over schendingen van de
mensenrechten en het humanitaire recht in Tsjetsjenië;
- een resolutie over persvrijheid in de Federale
Republiek Joegoslavië;
- een resolutie over de bestrijding van racisme
en vreemdelingenhaat in de Europese Unie;
- een resolutie over «Europe. Een
informatiemaatschappij voor iedereen. Mededeling over een initiatief van de
Commissie voor de buitengewone Europese Raad van Lissabon op 23 en 24 maart
2000».
aangenomen tijdens de vergaderperiode van 13 tot en met 17 maart 2000.
– Verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.