1-250

BELGISCHE SENAAT


GEWONE ZITTING 1998-1999
____


BEKNOPT VERSLAG


PLENAIRE VERGADERING

Namiddag - Donderdag 4 maart 1999

________



INHOUD



INOVERWEGINGNEMING

MONDELINGE VRAGEN
van de heer Paul Hatry (het in aanmerking nemen van de militaire dienst in Afrika voor de berekening van het pensioen);
van de heer Jacques Devolder (het afvaardigen van een lid van de Permanente Vertegenwoordiging naar een commissie van het Vlaams Parlement);
van de heer Chris Vandenbroeke (het personeelstekort bij het Algemeen Rijksarchief);
van mevrouw Anne-Marie Lizin (de Moslimexecutieve van België);
van de heer Philippe Charlier (de controle op het naleven van de kwaliteitscriteria door De Post in 1998);
van de heer Marc Olivier (de organisatie van het examen voor de functie van controleur-teamcoach bij De Post);
van mevrouw Anne-Marie Lizin (de wenselijkheid van een overeenkomst tussen het Centrum voor gelijkheid van kansen en De Post);
van de heer Stephan Goris (het lidmaatschap van politieambtenaren bij politieke partijen);
van mevrouw Sabine de Bethune (de fiscale behandeling van de tak-23 levensverzekeringen).

WETSONTWERP TOT WIJZIGING VAN HET KONINKLIJK BESLUIT nr. 499 VAN 31 DECEMBER 1986 TOT REGELING VAN DE SOCIALE ZEKERHEID VAN SOMMIGE KANSARME JONGEREN (Gedr. St. 1-1051)
Algemene bespreking. (Spreker : mevrouw Cantillon, verslaggever.)

REGELING VAN DE WERKZAAMHEDEN

INWERKINGTREDING VAN HET VERDRAG VAN OTTAWA BETREFFENDE HET VERBOD OP ANTIPERSOONSMIJNEN

HERZIENING VAN ARTIKEL 41 VAN DE GRONDWET : ONTWERP VAN TEKST (Gedr. St. 1-1068)
Aangehouden stemming. Aanneming

NAAMSTEMMINGEN
over het voorstel van tekst tot herziening van artikel 120 van de Grondwet (van de heer Chris Vandenbroeke cs., Gedr. St. 1-1104);

VERWERPING
over het wetsontwerp betreffende de overeenkomsten inzake de verkrijging van een recht van deeltijds gebruik van onroerende goederen (Gedr. St. 1-1224) (Evocatieprocedure);
over het wetsontwerp aangaande de vordering tot staking van de inbreuken op de wet betreffende de overeenkomsten inzake de verkrijging van een recht van deeltijds gebruik van onroerende goederen (Gedr. St. 1-1225);
over het wetsontwerp aangaande de vordering tot staking van de inbreuken op de wet van 9 maart 1993 ertoe strekkende de exploitatie van huwelijksbureaus te regelen en te controleren (Gedr. St. 1-1232);
over het wetsontwerp houdende wijziging van de wet van 9 maart 1993 ertoe strekkende de exploitatie van huwelijksbureaus te regelen en te controleren (Gedr. St. 1-1233) (Evocatieprocedure);
over het wetsontwerp tot wijziging van de wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd op 16 maart 1968 (Gedr. St. 1-1241) (Evocatieprocedure);
over het wetsontwerp tot wijziging van sommige bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek en tot overplaatsing van sommige personeelsleden in dienst bij de parketten of verbonden aan een probatiecommissie (Gedr. St. 1-1202);
over het wetsvoorstel met betrekking tot de parketjuristen en de referendarissen en tot aanvulling en wijziging van sommige bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek en van de wet van 22 december 1998 tot wijziging van sommige bepalingen van deel II van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot de Hoge Raad voor de Justitie, de benoeming en aanwijzing van magistraten en tot invoeging van een evaluatiesysteem voor magistraten (van de heer Claude Desmedt cs., Gedr. St. 1-1235);
over het wetsontwerp houdende goedkeuring van de resolutie aangaande de elfde algemene herziening van de quota van de leden van het Internationaal Monetair Fonds (Gedr. St. 1-1206) (Evocatieprocedure).

WETSONTWERP TOT WIJZIGING VAN HET KONINKLIJK BESLUIT nr. 499 VAN 31 DECEMBER 1986 TOT REGELING VAN DE SOCIALE ZEKERHEID VAN SOMMIGE KANSARME JONGEREN (Gedr. St. 1-1051)
Aanneming van de conclusies

MONDELINGE VRAAG
van de heer Patrick Hostekint (de controles uitgevoerd door de diensten van het ministerie van landbouw in 1998 inzake het gebruik van verboden producten in de veeteelt)

VRAAG OM UITLEG
van de heer Hugo Coveliers aan de vice-eerste minister en minister van binnenlandse zaken, over « de malaise bij het Vast Secretariaat voor het Preventiebeleid ». (Sprekers : de heren Coveliers en Van den Bossche, vice-eerste minister en minister van binnenlandse zaken);
van mevrouw Jeannine Leduc aan de minister van landbouw en de kleine en middelgrote ondernemingen, over « het instellen van het verbod op de handel in peren ». (Sprekers : mevrouw Leduc en de heer Pinxten, minister van landbouw en kleine en middelgrote ondernemingen.)

INDIENING VAN WETSONTWERPEN

INDIENING VAN VOORSTELLEN

INOVERWEGINGNEMING

EVOCATIES

NIET-EVOCATIES

ARBITRAGEHOF

BOODSCHAPPEN VAN DE KAMER




_____________






VOORZITTER : DE HEER PHILIPPE MAHOUX,
EERSTE ONDERVOORZITTER


____


De vergadering wordt om 15.10 u. geopend.





INOVERWEGINGNEMING



De Voorzitter. - Aan de orde is thans de inoverwegingneming van voorstellen.

U hebt de lijst van de verschillende in overweging te nemen voorstellen ontvangen met opgave van de commissies waarnaar het Bureau voornemens is ze te verwijzen.

Ik verzoek de leden die opmerkingen mochten willen maken, mij daarvan vóór het einde van de vergadering kennis te geven.

Indien intussen van geen bezwaren blijkt, worden die voorstellen in overweging genomen en verwezen naar de commissies die door het Bureau zijn aangeduid. (Instemming.)





MONDELINGE VRAGEN

Het in aanmerking nemen van de militaire dienst in Afrika
voor de berekening van het pensioen


De heer Hatry (PRL-FDF) (in het Frans). - Ik had mijn vraag aan de minister van landsverdediging gesteld en niet aan de minister van pensioenen, want de wet van 1960 ging uit van het ministerie van landsverdediging.

De dienstplichtigen die hun dienst in Afrika hebben vervuld, kunnen volgens de wet van 14 maart 1960 voor deze periode een rustpensioen ontvangen. Sommigen krijgen dit pensioen echter niet. Waarom ? En hoe kan dit probleem worden opgelost ?

De heer Derycke, minister van buitenlandse zaken (in het Frans). - Ik antwoord namens mijn collega, de minister van volksgezondheid en pensioenen. Het antwoord zal volledig hetzelfde zijn als dat op de schriftelijke vragen van de heer Hatry van 23 mei en 8 juli 1997.

Opdat de militaire dienstplicht in aanmerking zou worden genomen voor de berekening van het pensioen van bezoldigd werknemer, moet de dienstplichtige bezoldigd geweest zijn vóór zijn dienstplicht of gedurende tenminste één jaar binnen een periode van drie jaar volgend op die dienstplicht. Zelfstandigen moeten dat statuut gehad hebben vóór hun dienstplicht of het binnen 180 dagen na hun afzwaaien verkrijgen. De DOSZ neemt enkel pensioenen voor zijn rekening die door Congo of Rwanda-Urundi ten laste moesten worden genomen. De periodes van Belgische militaire dienstplicht in Congo geven geen recht op een pensioen ten laste van deze gewezen kolonies en kunnen niet door de DOSZ ten laste worden genomen.

De heer Hatry (PRL-FDF) (in het Frans). - Ik betreur dit bekrompen en formalistische antwoord. Als de wet van 14 maart 1960 zo kon worden geïnterpreteerd, meen ik dat men de betrokkenen daarover veel vroeger had moeten inlichten in plaats van hun oppensioenstelling af te wachten. Ik dring erop aan dat de minister van sociale zaken de verbintenissen nakomt die de regering destijds heeft aangegaan en dat zij de militaire dienstplicht in Afrika in aanmerking neemt.

Bovendien vervullen de betrokken personen de door de minister aangehaalde voorwaarden.



Het afvaardigen van een lid van de Permanente Vertegenwoordiging naar een commissie van het Vlaams Parlement
De heer Devolder (VLD). - Op 26 februari 1999 vroeg de voorzitter van de commissie voor leefmilieu en natuurbehoud van het Vlaams Parlement, op verzoek van de commissie, aan de minister om een expert, lid van de Permanente Vertegenwoordiging, af te vaardigen naar die commissie om gehoord te worden over de lopende onderzoeksprocedure, ingeleid door de Europese Commissie, over het uitbetalen van een financiële vergoeding aan landbouwers in kwetsbare gebieden ter compensatie van de strengere bemestingsnormen. De minister verleende daarvoor op 3 maart 1999 toestemming maar daaraan werden voorwaarden gekoppeld. De afgevaardigde van de Permanente Vertegenwoordiging kan slechts het woord nemen met het akkoord en onder controle van de bevoegde Vlaamse minister Kelchtermans en dat om louter technische informatie te verstrekken.

In hoever zal de betrokken ambtenaar kunnen meedelen onder welke voorwaarden deze vergoedingen al dan niet uitbetaald worden aan Belgische landbouwers of wordt het Europese antwoord gecensureerd door minister Kelchtermans ?

Heeft deze vertegenwoordiger niet de plicht om objectief verslag uit te brengen over de volledige stand van zaken aan een Vlaamse parlementaire commissie ?

De heer Derycke, minister van buitenlandse zaken. - Mijnheer de voorzitter, de vraag van senator Devolder is niet van belang ontbloot. Toch wil ik eerst het volgende opmerken.

In mijn antwoord aan de heer Van Mechelen zal hij ongetwijfeld ook gelezen hebben dat het me zeer vreemd voorkwam dat een voorzitter van een Vlaamse parlementaire commissie zich rechtstreeks tot een federaal minister richt met het verzoek een federaal ambtenaar, in casu een diplomaat uitleg te komen laten verschaffen bij een bespreking van een ontwerpdecreet in het Vlaams Parlement. Volgens de normale spelregels van een federale Staat moet zulk verzoek via de Vlaamse regering passeren, want alleen deze is ten overstaan van het Vlaams Parlement politiek verantwoordelijk om tekst en uitleg te verschaffen. Nog vreemder is dat ik als federaal minister in de Senaat wordt ondervraagd over de manier waarop een Vlaams minister zich in het Vlaams Parlement, met bijstand van onze experts die hij wenselijk acht van zijn politieke verantwoordelijkheid zal kwijten. Dat is op zijn zacht gezegd een eigenaardige constructie. Ik ben er niet van overtuigd dat deze, laat ons zeggen liberale, interpretatie van de werking der instellingen wel overeenstemt met de basisprincipes van ons grondwettelijk bestel. Ik wil de belangrijkste ervan even in herinnering brengen.

Federale ministers zijn politiek verantwoordelijk ten overstaan van het federaal Parlement, Vlaamse ministers ten opzichte van het Vlaams Parlement. Ambtenaren daarentegen, inzonderheid federale ambtenaren, zijn niet verantwoordelijk ten overstaan van het federaal Parlement en nog minder tegenover het Vlaams Parlement. Op verzoek van de bevoegde minister kunnen ze hem wel technische bijstand verlenen bij de bespreking van dossiers waarvoor de betrokken minister politiek verantwoordelijk is. Het is evenwel in de eerste plaats de taak van de bevoegde minister om tijdens de normale legislatieve werkzaamheden van een commissie tekst en uitleg te verschaffen. Wanneer een ambtenaar in zo een bespreking het woord neemt, gebeurt dit doorgaans om technische uitleg te verschaffen en kan hij dit enkel doen met het akkoord en onder de politieke verantwoordelijkheid van de bevoegde minister.

Deze elementaire regels gelden mutatis mutandis ook voor de werking van het Vlaams Parlement. Belgische diplomaten staan wel ten dienste van België « in al zijn geledingen » zoals men dat zegt en kunnen dus ook, op verzoek van een minister van een deelstaat, technische bijstand verlenen bij dossiers waarin hun expertise relevant is en waar hun hulp bijgevolg nuttig en nodig is. Dit alles doet echter geen afbreuk aan de genoemde elementaire regels.

De heer Derycke, minister van buitenlandse zaken. - Ik vind het inderdaad ongewoon dat een commissievoorzitter van het Vlaams parlement aan de federale minister van buitenlandse zaken vraagt dat een diplomaat uitleg komt geven. Hij zou dit eerst aan de Vlaamse regering moeten vragen. Nog vreemder is dat een senator mij daarover ondervraagt. Deze liberale interpretatie van de werking van de instellingen stemt niet overeen met de basisprincipes van ons institutioneel bestel.

Een federaal minister is verantwoordelijk tegenover het federale parlement. Een federaal ambtenaar is niet verantwoordelijk tegenover het federale parlement en zeker niet tegenover het Vlaamse parlement. Een ambtenaar kan alleen uitleg geven in een parlementaire commissie onder de verantwoordelijkheid van zijn minister. Deze regels gelden mutatis mutandis ook voor het Vlaams parlement.

Een federaal ambtenaar kan met technische uitleg een Vlaams minister bijstaan. Dit doet geen afbreuk aan de algemene regel. Ik heb geen voorwaarden gekoppeld aan de afvaardiging van een diplomaat om uitleg te geven aan een Vlaams minister. Hij moet daar als expert het woord voeren, onder de verantwoordelijkheid van de minister.

Ik betwijfel of het de bedoeling van minister Kelchtermans het Europese stellingname te censureren. Het lid zal minister Kelchtermans daarover zelf aan de tand moeten voelen.

De heer Devolder (VLD). - Als gemeenschapssenator is het normaal dat ik deze vraag stel.

De reden waarom de Vlaamse regering niet werd ingeschakeld moet gezocht worden in tijdsgebrek.

De bedoeling was objectieve informatie te krijgen zodat het Vlaams parlement met kennis van zaken een beslissing kon nemen.



Het personeelstekort
bij het Algemeen Rijksarchief


De heer Vandenbroeke (VU). - De onderbezetting van het personeelskader bij het Rijksarchief zorgt voor onrust bij het personeel. Van de 208 personeelsleden die het Rijksarchief in 1993 nog telde, blijven er nog 98 over. Daarenboven werden bijkomende archiefdepots opgericht.

Mijn vraag handelt over de acute onderbezetting van het wetenschappelijk personeel in het rijksarchief van Kortrijk-Ronse. Is de minister daarvan op de hoogte ? Weet hij dat daar dringend een afdelingshoofd moet worden aangesteld ? Wanneer zal dat gebeuren ?

De heer Ylieff, minister van wetenschapsbeleid. - Het Algemeen Rijksarchief heeft geen personeelskader. In afwachting van de wijziging van de archiefwet van 1955 werd beslist geen personeelsformatie vast te leggen.

Het ontwerp-archiefwet ligt nu voor advies bij de Raad van State.

Het Algemeen Rijksarchief en de Rijksarchieven in de provincies telden op 1 januari 1993 106 statutaire en 35 contractuele personeelsleden. Op 31 juli 1994 was dit 98 statutairen. Vermits deze bevriezing niet houdbaar was, ben ik erin geslaagd het aantal statutairen tot 140 te verhogen. Ik hoop deze beslissing zo snel mogelijk te kunnen uitvoeren.

Wat de zetel Kortrijk-Ronse betreft, heb ik het « klaar voor publicatie » op 11 januari ondertekend. De oproep tot kandidaten is op 26 november 1998 in het Belgisch Staatsblad verschenen. De Wetenschappelijke Raad heeft de sollicitatiedossiers op 11 januari en 9 februari 1998 onderzocht. Ik zal het benoemingsbesluit dan aan de Koning kunnen voorleggen.

De heer Vandenbroeke (VU). - De penibele situatie in Kortrijk zal blijkbaar snel opgelost raken, waarvoor dank aan de minister.

Daarmee is de kous echter niet af. Tijdens de vorige legislatuur is er een manifeste afbouw geweest van het personeel. Het personeelsbestand werd ondertussen aangepast, maar als we de cijfers vergelijken met het buitenland dan zien we dat ons land inzake archiefbeheer ver achterop hinkt. Daarom zal ik de minister weldra een vraag om uitleg voorleggen over deze kwestie.



De Moslimexecutieve van België


Mevrouw Lizin (PS) (in het Frans). - Mijnheer de minister, bent u op de hoogte van de moeilijkheden waarmee de Moslimexecutieve te maken heeft ? Een groep van tot de Islam bekeerde Belgen die van oordeel zijn dat hun kandidaat niet goed is behandeld, zou ervoor gekozen hebben een reeks praktijken aan het licht te brengen die het mogelijk hebben gemaakt kandidaten aan te wijzen die niet over het vereiste diploma beschikken, die kennelijk geen voldoende talenkennis bezitten en van wie er een zelfs niet zou voldoen aan de voorwaarden inzake verblijf in België.

Daarnaast zou in februari een brief zijn ondertekend waarin een aantal gekozenen ambtshalve worden ontslagen. Mijnheer de minister, die brief, die op uw aanraden is ingetrokken, zou opnieuw op de agenda zijn gezet.

In die omstandigheden lijkt u mijns inziens te optimistisch. De praktijken die tot de samenstelling van de Moslimexecutieve hebben geleid, boezemen mij het grootste wantrouwen in. Ik hoop dat u mij voldoende verduidelijkingen zult kunnen geven, aangezien ik u over deze aangelegenheid vragen zal blijven stellen.

De heer Van Parys, minister van justitie (in het Frans). - Op basis van de objectieve gegevens van het dossier kan ik optimistisch blijven. De verkiezingen hebben plaatsgehad met eerbiediging van de verbintenissen. Alle moeilijkheden zijn afgevlakt.

Op 25 februari jongstleden heeft Dr. Baeyens, de voorzitter van de Moslimexecutieve, tijdens een persconferentie reeds duidelijke uitleg verstrekt over de naleving van de vereisten inzake diploma's en talenkennis van de leden van de Executieve. Ik heb geen enkele reden om te twijfelen aan de bewoordingen van de brief die hij mij toen heeft gestuurd.

Hij stelde voor een kandidaat die niet aan de verkiesbaarheidsvereisten voldeed te vervangen. Voorts is een afwijking van het vereiste inzake talenkennis gevraagd voor een Marokkaanse kandidaat, aangezien het orgaan een zeer bekwame theoloog moet kunnen raadplegen.

Men heeft mij bevestigd dat een collectieve ontslagbrief ingetrokken en vernietigd is. De voorzitter van de Executieve heeft aan de heer Leman geschreven dat hij zou voorstellen te bevestigen dat de leden van de Executieve de eerste vijf jaar in geen enkel geval zullen worden ontslagen. Aangezien de leden van het orgaan voor de bedienaren van de Islamitische eredienst bij ministerieel besluit worden aangewezen, zou de vervanging van een van hen in geval van ontslag in ieder geval alleen bij ministerieel besluit en dus na een nieuwe filtrering kunnen gebeuren.

In een dermate delicate aangelegenheid moet een sfeer van vertrouwen worden geschapen, al was het maar om degenen die de operatie willen laten mislukken niet in de kaart te spelen.

Mevrouw Lizin (PS) (in het Frans). - Ik dank de minister voor zijn enthousiast antwoord. Ik denk dat hij voor voldoende waarborgen gezorgd heeft. Ikzelf zou maar na een lange proefperiode vertrouwen hebben.

Men lijkt zich echter te oriënteren naar werkcommissies waar ook experts aan deelnemen die uitgesloten zijn van de huidige regeling en eigenlijk marionetten zijn van de fractie van de moslimbroeders.

Vertrouwen is misschien een goede politieke houding, maar het is zeker dat de moslimbroeders willen infiltreren.

De heer Van Parys, minister van justitie (in het Frans). - Men mag niet uit het oog verliezen dat het Parlement een wet moet aannemen die het representatief orgaan erkent en dat vervolgens een koninklijk besluit moet worden genomen. We hebben dus alle tijd om de nodige voorzorgen te nemen. De Moslimexecutieve zal het enige representatief orgaan van de moslims zijn, zoals de wet het voorschrijft. Uiteraard moet men de zaken blijven nagaan en evalueren.



De controle op het naleven
van de kwaliteitscriteria door De Post in 1988


De heer Ph. Charlier (PSC) (in het Frans). - Het beheerscontract bepaalt dat de Staat elk jaar de naleving van de kwaliteitscriteria voor de genormaliseerde post in de normale omstandigheden door een van De Post onafhankelijke instantie laat nagaan.

De Post verbindt zich ertoe binnen een termijn van D+1 minstens 90 % van de binnenlandse post en binnen een termijn van D+2 minstens 97 % uit te reiken. Het BIPT is in 1998 belast met een studie. Thans wordt een volledige en betrouwbare controle uitgevoerd.

Wat zijn de resultaten van die studie, en zijn ze in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt ? Welke maatregelen zouden worden genomen om te beantwoorden aan de voorwaarden van het beheerscontract als het vereiste percentage niet werd bereikt ? Werd bepaald dat de Staat De Post een financiële sanctie kan opleggen, en hoe staat het met de verantwoordelijkheid van de managers ?

De heer Ylieff, minister van wetenschapsbeleid (in het Frans). - Ik geef u het antwoord van de heer Di Rupo. Het BIPT werd belast met een studie om na te gaan of de kwaliteitscriteria bij de postbedeling worden nageleefd.

Die studie werd toevertrouwd aan Research International en toont aan De Post de doelstelling van 90 % voor het criterium D+1 niet heeft bereikt. De doelstelling 97 % voor het criterium D+2 is daarentegen wel bereikt. Rekening houdend met deze resultaten heeft de minister het BIPT belast met een informatie-uitwisseling met de hogere ambtenaren van De Posten en na te gaan welke maatregelen kunnen worden genomen om de doelstellingen van het beheerscontract te bereiken.

Volgens De Post zijn de belangrijkste oorzaken van tijdelijke aard en zijn ze te wijten aan de ingebruikneming van het nieuwe geautomatiseerde centrum Brussel X, de sluiting van het sorteercentrum Leuven X, de volledige reorganisatie van de Brusselse agglomeratie en de ingebruikneming van nieuwe transportverbindingen vanuit Brussel X.

Er zijn maatregelen genomen op organisatorisch gebied. Die lijken nu resultaten op te leveren. Volgens het BIPT tonen de controlesystemen aan dat de kwaliteit opnieuw verbeterd is sedert medio november 1998. In 1999 worden nieuwe controles uitgevoerd, die het mogelijk zullen maken na te gaan of de genomen maatregelen toereikend zijn.



De organisatie van het examen
voor de functie van controleur-teamcoach bij De Post


De heer Olivier (CVP). - De Post zal 150 controleurs-teamcoaches aanwerven die begin juli hun taak moeten aanvatten. De teamcoaches staan aan het hoofd van een ploeg postmannen en zullen de medewerkers moeten begeleiden en motiveren.

Het examen zal uit een schriftelijke en een computergestuurde proef bestaan. Voor deze jobs hebben zich 4 000 kandidaten gemeld. De Post vreest niet tijdig te zullen klaarkomen met de selectieproeven en zou dan ook overwegen de schriftelijke proef af te schaffen. Toen het VWS destijds de examens organiseerde waren er zelfs meer kandidaten. Het is gevaarlijk de procedure van een examen te wijzigen nadat de kandidaten zich reeds hebben ingeschreven. Dit kan willekeur doen vermoeden en de ongeldigheid van de examens tot gevolg hebben.

Zijn de berichten over de examens juist ? Waarom werd het VWS niet ingeschakeld ? Bestaat er een gevaar dat de kandidaten worden gediscrimineerd ?

Kan de wijziging van de procedure geen aanleiding vormen om het examen ongeldig te verklaren ?

De heer Ylieff, minister van wetenschapsbeleid. - Namens collega Di Rupo deel ik u mede dat de berichten over het examen juist zijn. Het eerste gedeelte van het examen werd om praktische redenen afgeschaft. Het VWS werd niet ingeschakeld omdat De Post zelf de examens organiseert naar gelang van de specifieke personeelsbehoeften. Geen enkele kandidaat zal worden gediscrimineerd, omdat alle kandidaten tot de tweede proef zullen worden toegelaten. Daar geen enkele kandidaat benadeeld werd en de gelijkheid van loon wordt gewaarborgd heeft niemand er belang bij de afschaffing van het examen te vragen. Alle kandidaten werden op de hoogte gebracht van het examenreglement overeenkomstig de nieuwe procedure. Aan de hand van psychotechnische tests zorgt de Post ervoor dat de objectiviteit en de controle op het verloop van de proeven wordt gewaarborgd.

De heer Olivier (CVP). - De minister maakt er zich gemakkelijk vanaf. Zijn antwoord zal tot veel hilariteit in de betrokken kringen leiden.



De wenselijkheid van een overeenkomst
tussen het Centrum voor gelijkheid van kansen en De Post


Mevrouw Lizin (PS) (in het Frans). - Wij hebben aan de minister van economie vragen gesteld over het feit dat De Post een reclamefolder heeft verdeeld voor een catalogus met erotische objecten. De minister heeft ons geantwoord dat hij zou vragen dat het Centrum voor gelijkheid van kansen en racismebestrijding met De Post een overeenkomst zou sluiten. Het Centrum voor gelijkheid van kansen heeft geantwoord dat het niet bevoegd was voor publicaties met een erotische inslag. Zou men de federale dienst voor gelijke kansen voor mannen en vrouwen niet moeten vragen zulk een overeenkomst te sluiten ? Zou men ook geen contacten moeten leggen met de diensten van de gemeenschappen voor gelijkheid van kansen om eenzelfde strategie te voeren ?

Mevrouw Smet, minister van tewerkstelling en arbeid, belast met het beleid van gelijke kansen voor mannen en vrouwen (in het Frans). - Het Centrum voor gelijkheid van kansen en racismebestrijding heeft zich inderdaad onbevoegd verklaard. Ik zal het Centrum voor gelijke kansen voor mannen en vrouwen de instructie geven met De Post contact op te nemen om een overeenkomst op te stellen. Bij dezelfde gelegenheid zal ik mij tot de diensten van de gemeenschappen richten.

Mevrouw Lizin (PS) (in het Frans). - Uw antwoord is duidelijk. Ik zou graag hebben dat u de minister van Binnenlandse Zaken op de hoogte brengt. Volgens mij staan zulke publicaties gelijk aan racistische publicaties en zijn zij sociaal onaanvaardbaar. Ik dank u namens mijn fractie en namens de Franstalige Vrouwenraad.



Het lidmaatschap van politieambtenaren
bij politieke partijen


De heer Goris (VLD). - Artikel 127, § 3, van de wet van 7 december 1998 bepaalt dat politieambtenaren er zich in alle omstandigheden moeten van onthouden in het openbaar uiting te geven aan hun politieke overtuiging of zich in te laten met politieke activiteiten. Zij mogen geen kandidaat zijn voor een politiek mandaat.

Mag een politieambtenaar lid zijn van een politieke partij, indien hij niet actief is in de partijwerking ? Zo neen, hoe wordt dit bestraft ? Mag hij of zij een bestuursfunctie binnen een partij waarnemen op lokaal, arrondissementeel of nationaal vlak voor zover dit enkel besloten vergaderingen betreft ? Mag hij in burger op politieke activiteiten openbaar aanwezig zijn ? Mag hij aanwezig zijn op een activiteit met politieke inslag ? Mag hij op een dergelijke activiteit als burger een helpende hand toesteken ?

Kan een politieambtenaar niet geloofwaardig functioneren indien hij zich na zijn diensturen als burger voor politiek interesseert ? Geldt niet hetzelfde voor andere ambtenaren, die b.v. instaan voor bouwvergunningen, pensioendossiers of toebedeling van sociale woningen ?

De heer Van Den Bossche, vice-eerste minister en minister van binnenlandse zaken. - Kan een politieambtenaar lid zijn van een politieke partij ? Ja. Kan hij een bestuursfunctie waarnemen ? Ja. Mag hij in burger op politieke activiteiten aanwezig zijn ? Ja, indien hij de nodige discretie in acht neemt. Mag hij aanwezig zijn op een activiteit met politieke inslag ? Ja. Mag hij op een dergelijke activiteit een helpende hand toesteken ? Neen, omdat dit getuigt van een publiek optreden. Kan een politieambtenaar geloofwaardig functioneren indien hij zich voor politiek interesseert ? Ja, maar het is wel aangewezen dat hij een grotere terughoudendheid dan andere ambtenaren aan de dag legt.

De heer Goris (VLD). - Dit antwoord van de minister zal duidelijkheid scheppen. Er lopen op dit ogenblik over die kwesties nog heel wat betwistingen en zelfs tuchtprocedures.

De heer Van Den Bossche, vice-eerste minister en minister van binnenlandse zaken. - Politieambtenaren kunnen politieke bestuursfuncties waarnemen indien dit niet gepaard gaat met publiciteit. Het verbaast me dat er op dit ogenblik nog tuchtstraffen zouden worden geëist tegen gemeentelijke politieambtenaren voor dergelijke zaken. Bij de rijkswacht kan dat wel zolang het nieuwe tuchtstatuut niet ingevoerd is.



De fiscale bebandeling
van de tak-23 levensverzekeringen


Mevrouw de Bethune (CVP). - Sinds 1992 bestaan de zogenaamde TAK-23 levensverzekeringen. Omwille van de onzekere opbrengst van dit langetermijnsparen moet de behandeling anders zijn dan bij de verzekeringen TAK-21. In de praktijk blijven hierover onduidelijkheden bestaan, wat geen der partijen ten goede komt. Aangezien de situatie voor de TAK-21 duidelijk is, rijst de vraag hoe men voor de TAK-23 een berekening kan maken om een maximumgrens te respecteren. Sommigen hanteren een hypothetisch rendement van 7 %.

Zijn de premies die betaald werden door een onderneming aan een verzekeringsmaatschappij voor een groepsverzekering of een bedrijfsleiderverzekering, afgesloten in TAK-23, op dezelfde manier fiscaal aftrekbaar als in TAK-21 ?

Welke interestvoet geldt bij de omrekening van het kapitaal « leven » naar de overeenstemmende premies ?

De heer Viseur, minister van financiën. - Zonder mij uit te spreken over het al dan niet aftrekbaar karakter van de levensverzekeringspremies van TAK-23 deel ik mee dat dit soort verzekeringsproduct een reeks andere vragen oproept, inzonderheid op het fiscale vlak. Deze problematiek maakt momenteel het voorwerp uit van besprekingen tussen de fiscale administratie, de verzekeringssector en de Controledienst der verzekeringen. Die besprekingen moeten zeker worden uitgebreid tot de banksector wegens de gelijkheid tussen de bank- en verzekeringsproducten die verbonden zijn met de investeringsfondsen. Ik vrees dat alleen een wettelijke maatregel de problemen zal kunnen oplossen.

Mevrouw de Bethune (CVP). - Betekent dit dat men op dit ogenblik vrij kan interpreteren over de al dan niet fiscale aftrekbaarheid en dat er op dit punt een vacuum bestaat ?

De heer Viseur, minister van financiën. - Mijn antwoord zal u misschien geen voldoening schenken aangezien mijn bestuur moeilijkheden ondervindt bij de kwalificatie van tak-23. Mijn bestuur komt tot het besluit dat het om een spaarproduct gaat, terwijl het juridisch gesproken om een verzekeringsproduct gaat. De wet waarbij de producten van tak-23 worden gekwalificeerd, moet dan ook worden gewijzigd. Daarvoor is echter een discussie met alle betrokkenen vereist. Een oplossing zal alleen dan kunnen worden aanvaard als ze het resultaat is van onderhandelingen met de banksector en de sector van de verzekeringen.





WETSONTWERP TOT WIJZIGING VAN HET KONINKLIJK BESLUIT NR. 499 VAN 31 DECEMBER 1986 TOT REGELING VAN DE SOCIALE ZEKERHEID VAN SOMMIGE KANSARME JONGEREN (Gedr. St. 1-1051)

Algemene bespreking


Mevrouw Cantillon (CVP), verslaggever. - De commissie voor de sociale aangelegenheden heeft geen bezwaar tegen de wijziging die door de Kamer aan het wetsontwerp werd aangebracht.

- De algemene bespreking is gesloten.

- Over het geheel zal later worden gestemd.





REGELING VAN DE WERKZAAMHEDEN



De Voorzitter. - Het bureau stelt voor volgende week de volgende agenda voor :

Donderdag 11 maart 1999, 's ochtends te 9 uur :

Wetsvoorstel tot invoeging van een artikel 309bis in het Gerechtelijk Wetboek en wijziging van artikel 20 van de wet van 5 augustus 1991 tot bescherming van de economische mededinging, van de heren Hugo Vandenberghe en Fred Erdman (Gedr. St. 1-417/1 tot 15). (Pro memorie.)

Wetsvoorstel tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek en van de wet van 5 augustus 1991 tot bescherming van de economische mededinging, van de heer Jacques D'Hooghe c.s. (Gedr. St. 1-614/1 tot 13). (Pro memorie.)

Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 1 van het decreet van 4 juli 1806 aangaande de manier van opstelling van de akte waarbij de ambtenaar van de burgerlijke stand constateert dat hem een levenloos kind werd vertoond, van mevrouw Joëlle Milquet (Gedr. St. 1-623/1 tot 5).

Wetsvoorstel tot wijziging van het decreet van 4 juli 1806 aangaande de manier van opstelling van de akte waarbij de ambtenaar van de burgerlijke stand constateert dat hem een levenloos kind werd vertoond, van de heer Bert Anciaux cs. (Gedr. St. 1-711/1 tot 3).

Wetsvoorstel tot wijziging van het decreet van 4 juli 1806 aangaande de manier van opstelling van de akte waarbij de ambtenaar van de burgerlijke stand constateert dat hem een levenloos kind werd vertoond, van de heer Alain Destexhe (Gedr. St. 1-892/1 en 2).

Wetsontwerp betreffende de hervorming van de gerechtelijke kantons (Gedr. St. 1-1139/8 tot 10).

Art. 81, derde lid, en art. 79, eerste lid, van de Grondwet :

Wetsontwerp tot opheffing van artikel 1056, 1°, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek (Gedr. St. 1-1063/6 tot 8). (Pro memorie.)

Wetsvoorstel tot invoering van de strafrechtelijke aansprakelijkheid van rechtspersonen, van de heer Hugo Vandenberghe cs. (Gedr. St. 1-1217/1 tot 7). (Pro memorie.)

Wetsontwerp houdende wijziging van artikel 70, § 1, van de wetten op de Raad van State, gecöordineerd op 12 januari 1973 (Gedr. St. 1-879/1 tot 3).

Evocatieprocedure :

Wetsontwerp tot wijziging van de artikelen 318 tot 323 van de nieuwe gemeentewet betreffende de gemeentelijke volksraadpleging (Gedr. St. 1-1133/1 tot 6).

Evocatieprocedure :

Wetsontwerp tot wijziging van de artikelen 140-1 tot 140-6 van de provinciewet betreffende de provinciale volksraadpleging (Gedr. St. 1-1134/1 tot 5).

Wetsontwerp tot wijziging van de gemeentekieswet, gecoördineerd op 4 augustus 1932 en van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (Gedr. St. 1-1275/1 tot 3).

Voorstel van bijzondere wet tot wijziging van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, van de heer Fred Erdman cs. (Gedr. St. 1-1262/1 tot 4).

Ontwerp van bijzondere wet tot beperking van de cumulatie van het mandaat van lid van de Vlaamse Raad, van de Franse Gemeenschapsraad, van de Waalse Gewestraad en van de Brusselse Hoofdstedelijke Raad met andere ambten (Gedr. St. 1-984/8). (Pro memorie.)

Wetsontwerp tot beperking van de cumulatie van het mandaat van federaal parlementslid en Europees parlementslid met andere ambten (Gedr. St. 1-985/8). (Pro memorie.)

Art. 81, derde lid, en art. 79, eerste lid, van de Grondwet

Wetsontwerp tot beperking van de cumulatie van het ambt van bestendig afgevaardigde met andere ambten en tot harmonisering van het financieel en fiscaal statuut van de bestendig afgevaardigde (Gedr. St. 1-986/7). (Pro memorie.)

Art. 81, derde lid, en art. 79, eerste lid, van de Grondwet

Wetsontwerp betreffende de burgerrechtelijke aansprakelijkheid en de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van burgemeesters, schepenen en leden van de bestendige deputatie (Gedr. St. 1-987/8). (Pro memorie.)

Art. 81, derde lid, en art. 79, eerste lid, van de Grondwet

Wetsontwerp tot verbetering van het stelsel van politiek verlof voor provincie- en gemeenteraadsleden, leden van de raad voor maatschappelijk welzijn, burgemeesters, schepenen en voorzitters van de raad voor maatschappelijk welzijn in de openbare en de particuliere sector (Gedr. St. 1-988/6). (Pro memorie.)

Art. 81, derde lid, en art. 79, eerste lid, van de Grondwet

Wetsontwerp tot verbetering van de bezoldigingsregeling en van het sociaal statuut van de lokale verkozenen (Gedr. St. 1-989/7). (Pro memorie.)

Art. 81, derde lid, en art. 79, eerste lid, van de Grondwet

Wetsontwerp tot beperking van de cumulatie van het mandaat van burgemeester en schepen met andere ambten (Gedr. St. 1-1041/6). (Pro memorie.)

's namiddags te 15 uur :

Inoverwegingneming van voorstellen.

Mondelinge vragen.

Vanaf 16 uur :

Naamstemmingen over het geheel van de afgehandelde wetsontwerpen en -voorstellen.

Naamstemming over het voorstel van bijzondere wet tot wijziging van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen (Gedr. St. 1-1262/1 en 2). (Stemming met de meerderheid bepaald in artikel 4, laatste lid, van de Grondwet.)

Naamstemming over het ontwerp van bijzondere wet tot beperking van de cumulatie van het mandaat van lid van de Vlaamse Raad, van de Franse Gemeenschapsraad, van de Waalse Gewestraad en van de Brusselse Hoofdstedelijke Raad met andere ambten (Gedr. St. 1-984/8). (Stemming met de meerderheid bepaald in artikel 4, laatste lid, van de Grondwet).

Stemming over de moties ingediend tot besluit van de vraag om uitleg van de heer Loones aan de minister van buitenlandse zaken gesteld in de plenaire vergadering op 4 maart 1999.

's Namiddags te 17 uur :

Buitengewone vergadering.

Huldebetoon aan de heer Marc Olivier voor zijn vijfentwintigjarig ambtsjubileum, evenals aan mevrouw Jacqueline Mayence-Goossens en aan de heren Roger Lallemand en Philippe Busquin naar aanleiding van hun twintigjarig ambtsjubileum.

Stemt de Senaat hiermee in ? (Instemming.)





INWERKINGTREDING VAN HET VERDRAG VAN OTTAWA BETREFFENDE HET VERBOD OP ANTIPERSOONSMIJNEN

De Voorzitter. - Op 1 maart is het Verdrag van Ottawa betreffende het verbod op antipersoonsmijnen in werking getreden. Dit is een keerpunt in de strijd tegen deze plaag. Nu al hebben 134 Staten het Verdrag ondertekend en voor 65 van die Staten is de ratificatieprocedure afgerond. België heeft het Verdrag op 4 september 1998 geratificeerd.



(Verder in het Nederlands.)

Ons land is een pionier in de strijd tegen de antipersoonsmijnen aangezien België als eerste land ter wereld een wet heeft aangenomen die landmijnen verbiedt.



(Verder in het Frans.)

De Senaat neemt deze gelegenheid te baat om de talloze slachtoffers van de landmijnen te gedenken. Jaarlijks worden immers 26 000 personen, van wie 90 % burgers, door die mijnen gedood of verminkt.



(Verder in het Nederlands.)

Onze assemblee kan trots zijn op de voortrekkersrol die zij in 1994 heeft gespeeld bij het opstellen van deze wetgeving.





HERZIENING VAN ARTIKEL 41 VAN DE GRONDWET : ONTWERP VAN TEKST (Gedr. St. 1-1068)

Aangehouden stemming


De Voorzitter. - Wij stemmen nu over het amendement van de heer Desmedt.

Mevrouw Smet, minister van tewerkstelling en arbeid, belast met het beleid van gelijke kansen voor mannen en vrouwen (in het Frans). - Met de herziening van artikel 41 wil men de gemeentelijke en provinciale volksraadplegingen van een grondwettelijke basis voorzien. De tekst tot herziening van dit artikel is aangenomen in de Kamer maar in de Senaatscommissie voor de Institutionele Aangelegenheden gewijzigd door een amendement van de heer Nothomb. Dat amendement is aangenomen met 2 stemmen tegen 1 stem bij 5 onthoudingen, maar bevat geen enkel nieuw element. Als wij de geamendeerde tekst aannemen, zal die naar de Kamer moeten worden teruggezonden. Mijn amendement strekt ertoe de tekst te herstellen in de door de Kamer aangenomen versie en aldus een einde te maken aan het wetgevend parcours van de tekst opdat hij voor het einde van deze zittingsperiode kan worden afgekondigd.

De heer Nothomb (PSC) (in het Frans). - De tekst die in de Commissie voor de Institutionele Aangelegenheden is aangenomen, is beter dan die van de Kamer. In die tekst wordt immers bepaald dat de volksraadplegingen alleen over aangelegenheden van zuiver gemeentelijk of provinciaal belang kunnen handelen. Voorts zal een gemeente of een provincie alleen over haar eigen bevoegdheden een volksraadpleging organiseren. Tenslotte hebben wij in de tekst de plaats van de binnengemeentelijke organen bepaald. De tekst van de Senaat is dus duidelijker.

Het argument van de heer Desmedt is gevaarlijk omdat hij veronderstelt dat de Senaat geen verbeteringen meer zou mogen aanbrengen in teksten die door de Kamer zijn aangenomen. Wij verwerpen dat amendement dan ook. Als het amendement echter mocht worden aangenomen, zullen wij de tekst uiteraard goedkeuren.

De heer Daras (Ecolo) (in het Frans). - Wij betreuren dat naar aanleiding van de bespreking van deze twee teksten de gelegenheid niet te baat is genomen om een echte raadplegingsprocedure in te voeren. Wij zullen het amendement van de heer Desmedt dan ook niet goedkeuren, hoewel we vinden dat zijn tekst beter is dan de tekst die in de commissie is aangenomen.

De Voorzitter. - Ziehier de uitslag van de stemming : 43 leden hebben ja gestemd, 10 leden hebben neen gestemd, 5 leden hebben zich onthouden. (Stemming nr. 1)

Het quorum en de meerderheid, zoals artikel 195, laatste lid, van de Grondwet vereist, zijn bereikt.

Voor hebben gestemd :

Bert Anciaux, André Bourgeois, Ludwig Caluwé, Bea Cantillon, Luc Coene, Christine Cornet d'Elzius, Hugo Coveliers, Sabine de Bethune, Armand De Decker, Claude Desmedt, Alain Destexhe, Jacques Devolder, Fred Erdman, Michel Foret, Stephan Goris, Jean-Marie Happart, Paul Hatry, Pierre Hazette, Patrick Hostekint, Robert Hotyat, Jean-François Istasse, Roger Lallemand, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Jan Loones, Philippe Mahoux, Jacqueline Mayence-Goossens, Nadia Merchiers, Guy Moens, Lisette Nelis-Van Liedekerke, Eric Pinoie, Francis Poty, Jacques Santkin, Paula Sémer, Paul Staes, Erika Thijs, Louis Tobback, Robert Urbain, Hugo Vandenberghe, Chris Vandenbroeke, Francy Van der Wildt, Fons Vergote, Johan Weyts.

Tegen hebben gestemd :

Eddy Boutmans, Hubert Chantraine, Philippe Charlier, José Daras, Martine Dardenne, Andrée Delcourt-Pêtre, Pierre Jonckheer, Joëlle Milquet, Charles-Ferdinand Nothomb, Magdeleine Willame-Boonen.

Onthouden hebben zich :

Door Buelens, Jurgen Ceder, Roeland Raes, Joris Van Hauthem, Wim Verreycken.

De Voorzitter. - Het ontwerp zal aan de Koning ter bekrachtiging worden voorgelegd.

Door deze stemming vervalt het voorstel van tekst tot herziening van artikel 41 van de Grondwet (van de heer Jan Loones cs., Gedr. St. 1-595).





NAAMSTEMMINGEN

Herziening van artikel 120 van de Grondwet : voorstel van tekst van de heer Chris Vandenbroeke cs. (Gedr. St. 1-1104)
De Voorzitter. - Wij stemmen over de conclusies van de commissie die voorstelt dit voorstel te verwerpen.

- De conclusies worden aangenomen met 43 stemmen tegen 14. (Stemming nr. 2)

Voor hebben gestemd :

André Bourgeois, Eddy Boutmans, Ludwig Caluwé, Bea Cantillon, Hubert Chantraine, Guy Charlier, Philippe Charlier, Christine Cornet d'Elzius, José Daras, Martine Dardenne, Sabine de Bethune, Armand De Decker, Andrée Delcourt-Pêtre, Claude Desmedt, Alain Destexhe, Fred Erdman, Michel Foret, Jean-Marie Happart, Paul Hatry, Pierre Hazette, Patrick Hostekint, Robert Hotyat, Jean-François Istasse, Pierre Jonckheer, Roger Lallemand, AnneMarie Lizin, Philippe Mahoux, Nadia Merchiers, Joëlle Milquet, Guy Moens, Charles-Ferdinand Nothomb, Eric Pinoie, Francis Poty, Jacques Santkin, Paula Sémer, Paul Staes, Erika Thijs, Louis Tobback, Robert Urbain, Hugo Vandenberghe, Francy Van der Wildt, Johan Weyts, Magdeleine Willame-Boonen.

Tegen hebben gestemd :

Bert Anciaux, Door Buelens, Jurgen Ceder, Luc Coene, Jacques Devolder, Stophan Goris, Jeannine Leduc, Jan Loones, Lisette Nelis-Van Liedekerke, Roeland Raes, Chris Vandenbroeke, Joris Van Hauthem, Fons Vergote, Wim Verreycken.



Wetsontwerp betreffende de overeenkomsten inzake de verkrijging van een recht van deeltijds gebruik van onroerende goederen (Gedr. St 1-1224) (Evocatieprocedure)

Wetsontwerp aangaande de vordering tot staking van de inbreuken op de wet betreffende de overeenkomsten inzake de verkrijging van een recht van deeltijds gebruik van onroerende goederen (Gedr. St. 1-1225)
- De ontwerpen worden in een enkele stemming eenparig aangenomen door de 58 aanwezige leden. (Stemming nr. 3)

Voor hebben gestemd :

Bert Anciaux, André Bourgeois, Eddy Boutmans, Door Buelens, Ludwig Caluwé, Bea Cantillon, Jurgen Ceder, Hubert Chantraine, Guy Charlier, Philippe Charlier, Luc Coene, Christine Cornet d'Elzius, José Daras, Martine Dardenne, Sabine de Bethune, Armand De Decker, Andrée Delcourt-Pêtre, Claude Desmedt, Alain Destexhe, Jacques Devolder, Fred Erdman, Michel Foret, Stephan Goris, Jean-Marie Happart, Paul Hatry, Pierre Hazette, Patrick Hostekint, Robert Hotyat, Jean-François Istasse, Pierre Jonckheer, Roger Lallemand, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Jan Loones, Philippe Mahoux, Nadia Merchiers, Joëlle Milquet, Guy Moens, Lisette Nelis-Van Liedekerke, Charles-Ferdinand Nothomb, Marc OIivier, Eric Pinoie, Francis Poty, Roeland Raes, Jacques Santkin, Paula Sémer, Paul Staes, Erika Thijs, Louis Tobback, Robert Urbain, Hugo Vandenberghe, Chris Vandenbroeke, Francy Van der Wildt, Joris Van Hauthem, Fons Vergote, Wim Verreycken, Johan Weyts, Magdeleine Willame-Boonen.

De Voorzitter. - Aangezien wij het eerstgenoemde ontwerp ongewijzigd hebben aangenomen, wordt de Senaat geacht beslist te hebben dit wetsontwerp niet te amenderen.

Dit ontwerp zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden met het oog op de koninklijke bekrachtiging.

Het tweede ontwerp zal aan de Koning ter bekrachtiging worden voorgelegd.



Wetsontwerp aangaande de vordering tot staking van de inbreuken op de wet van 9 maart 1993 ertoe strekkende de exploitatie van huwelijksbureaus te regelen en te controleren (Gedr. St. 1-1232)
- Het ontwerp wordt eenparig aangenomen door de 53 aan de stemming deelnemende leden; 5 leden hebben zich onthouden. (Stemming nr. 4)

Voor hebben gestemd :

Bert Anciaux, André Bourgeois, Eddy Boutmans, Ludwig Caluwé, Bea Cantillon, Hubert Chantraine, Guy Charlier, Philippe Charlier, Luc Coene, Christine Cornet d'Elzius, José Daras, Martine Dardenne, Sabine de Bethune, Andrée Delcourt-Pêtre, Leo Delcroix, Claude Desmedt, Alain Destexhe, Jacques Devolder, Fred Erdman, Michel Foret, Stephan Goris, Jean-Marie Happart, Paul Hatry, Pierre Hazette, Patrick Hostekint, Robert Hotyat, Jean-François Istasse, Pierre Jonckheer, Roger Lallemand, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Jan Loones, Philippe Mahoux, Nadia Merchiers, Joëlle Milquet, Guy Moens, Lisette Nelis-Van Liedekerke, Charles-Ferdinand Nothomb, Marc Olivier, Eric Pinoie, Francis Poty, Jacques Santkin, Paula Sémer, Paul Staes, Erika Thijs, Louis Tobback, Robert Urbain, Hugo Vandenberghe, Chris Vandenbroeke, Francy Van der Wildt, Fons Vergote, Johan Weyts, Magdeleine Willame-Boonen.

Onthouden hebben zich :

Door Buelens, Jurgen Ceder, Roeland Raes, Joris Van Hauthem, Wim Verreycken.

De Voorzitter. - Het ontwerp zal aan de Koning ter bekrachtiging worden voorgelegd.



Wetsontwerp houdende wijziging van de wet van 9 maart 1993 ertoe strekkende de exploitatie van huwelijksbureaus te regelen en te controleren (Gedr. St. 1-1233) (Evocatieprocedure)
- Het ontwerp wordt eenparig aangenomen door de 58 aanwezige leden. (Stemming nr. 5)

Voor hebben gestemd :

Bert Anciaux, André Bourgeois, Eddy Boutmans, Door Buelens, Ludwig Caluwé, Bea Cantillon, Jurgen Ceder, Hubert Chantraine, Guy Charlier, Philippe Charlier, Luc Coene, Christine Cornet d'Elzius, José Daras, Martine Dardenne, Sabine de Bethune, Andrée Delcourt-Pêtre, Leo Delcroix, Claude Desmedt, Alain Destexhe, Jacques Devolder, Fred Erdman, Michel Foret, Stephan Goris, Jean-Marie Happart, Paul Hatry, Pierre Hazette, Patrick Hostekint, Robert Hotyat, Jean-François Istasse, Pierre Jonckheer, Roger Lallemand, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Jan Loones, Philippe Mahoux, Nadia Merchiers, Joëlle Milquet, Guy Moens, Lisette Nelis-Van Liedekerke, Charles-Ferdinand Nothomb, Marc Olivier, Eric Pinoie, Francis Poty, Roeland Raes, Jacques Santkin, Paula Sémer, Paul Staes, Erika Thijs, Louis Tobback, Robert Urbain, Hugo Vandenberghe, Chris Vandenbroeke, Francy Van der Wildt, Joris Van Hauthem, Fons Vergote, Wim Verreycken, Johan Weyts, Magdeleine Willame-Boonen.

De Voorzitter. - Aangezien wij dit ontwerp ongewijzigd hebben aangenomen, wordt de Senaat geacht beslist te hebben het wetsontwerp niet te amanderen.

Het ontwerp zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden met het oog op de koninklijke bekrachtiging.



Wetsontwerp tot wijziging van de wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd op 16 maart 1968 (Gedr. St. 1-1241) (Evocatieprocedure)
Het ontwerp wordt eenparig anngenomen door de 57 aan de stemming deelnemende leden; 1 lid heeft zich onthouden. (Stemming nr. 6)

Voor hebben gestemd :

André Bourgeois, Eddy Boutmans, Door Buelens, Ludwig Caluwé, Bea Cantillon, Jurgen Ceder, Hubert Chantraine, Guy Charlier, Philippe Charlier, Luc Coene, Christine Cornet d'Elzius, José Daras, Martine Dardenne, Sabine de Bethune, Andrce Delcourt-Pêtre, Leo Delcroix, Claude Desmedt, Alain Destexhe, Jacques Devolder, Fred Erdman, Michel Foret, Stephan Goris, Jean-Marie Happart, Paul Hatry, Pierre Hazette, Patrick Hostekint, Robert Hotyat, Jean-François Istasse, Pierre Jonckheer, Roger Lallemand, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Jan Loones, Philippe Mahoux, Nadia Merchiers, Joëlle Milquet, Guy Moens, Lisette Nelis-Van Liedekerke, Charles Ferdinand Nothomb, Marc Olivier, Eric Pinoie, Francis Poty, Roeland Raes, Jacques Santkin, Paula Sémer, Paul Staes, Erika Thijs, Louis Tobback, Robert Urbain, Hugo Vandenberghe, Chris Vandenbroeke, Francy Van der Wildt, Joris Van Hauthem, Fons Vergote, Wim Verreycken, Johan Weyts, Magdeleine Willame-Boonen.

Onthouden heeft zich :

Bert Anciaux.

De Voorzitter. - Aangezien wij dit ontwerp ongewijzigd hebben aangenomen, wordt de Senaat geacht beslist te hebben het wetsontwerp niet te amenderen.

Het ontwerp zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden met het oog op de koninklijke bekrachtiging.



Wetsontwerp tot wijziging van sommige bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek en tot overplaatsing van sommige personeelsleden in dienst bij de parketten of verbonden aan een probatiecommissie (Gedr. St 1-1202)

Wetsvoorstel met betrekking tot de parketjuristen en de referendarissen (van de heer Claude Desmedt cs., Gedr. St. 1-1235)
De Voorzitter. - De commissie stelt voor het wetsvoorstel volgend nieuw opschrift voor : Wetsvoorstel met betrekking tot de parketjuristen en de referendarissen en tot aanvulling en wijziging van sommige bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek en van de wet van 22 december 1998 tot wijziging van sommige bepalingen van deel II van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot de Hoge Raad voor de Justitie, de benoeming en aanwijzing van magistraten en tot invoering van een evaluatiesysteem voor magistraten. (Instemming.)

- Het ontwerp en het voorstel worden in een enkele stemming eenparig aangenomen door de 59 aanwezige leden. (Stemming nr. 7)

Voor hebben gestemd :

Bert Anciaux, André Bourgeois, Eddy Boutmans, Door Buelens, Philippe Busquin, Ludwig Caluwé, Bea Cantillon, Jurgen Ceder, Hubert Chantraine, Guy Charlier, Philippe Charlier, Luc Coene, Christine Cornet d'Elzius, José Daras, Martine Dardenne, Sabine de Bethune, Andrée Delcourt-Pêtre, Leo Delcroix, Claude Desmedt, Alain Destexhe, Jacques Devolder, Fred Erdman, Michel Foret, Stephan Goris, Jean-Marie Happart, Paul Hatry, Pierre Hazette, Patrick Hostekint, Robert Hotyat, Jean-François Istasse, Pierre Jonckheer, Roger Lallemand, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Jan Loones, Philippe Mahoux, Nadia Merchiers, Joëlle Milquet, Guy Moens, Lisette Nelis-Van Liedekerke, Charles-Ferdinand Nothomb, Marc Olivier, Eric Pinoie, Francis Poty, Roeland Raes, Jacques Santkin, Paula Sémer, Paul Staes, Erika Thijs, Louis Tobback, Robert Urbain, Hugo Vandenberghe, Chris Vandenbroeke, Francy Van der Wildt, Joris Van Hauthem, Fons Vergote, Wim Verreycken, Johan Weyts, Magdeleine Willame-Boonen.

De Voorzitter. - De ontwerpen zullen aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.



Wetsontwerp houdende goedkeuring van de resolutie aangaande de elfde algemene herziening van de quota van de leden van het Internationaal Monetair Fonds (Gedr. St 1-1206) (Evocatieprocedure)
- Het ontwerp wordt eenparig aangenomen door de 49 aan de stemming deelnemende leden; 10 leden hebben zich onthouden. (Stemming nr. 8)

Voor hebben gestemd :

André Bourgeois, Philippe Busquin, Ludwig Caluwé, Bea Cantillon, Hubert Chantraine, Guy Charlier, Philippe Charlier, Luc Coene, Christine Cornet d'Elzius, José Daras, Sabine de Bethune, Andrée Delcourt-Pêtre, Leo Delcroix, Claude Desmedt, Alain Destexhe, Jacques Devolder, Fred Erdman, Michel Foret, Stephan Goris, Jean-Marie Happart, Paul Hatry, Pierre Hazette, Patrick Hostekint, Robert Hotyat, Jean-François Istasse, Pierre Jonckheer, Roger Lallemand, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Nadia Merchiers, Joëlle Milquet, Guy Moens, Lisette Nelis-Van Liedekerke, Charles-Ferdinand Nothomb, Marc Olivier, Eric Pinoie, Francis Poty, Jacques Santkin, Paula Sémer, Paul Staes, Erika Thijs, Louis Tobback, Robert Urbain, Hugo Vandenberghe, Francy Van der Wildt, Fons Vergote, Johan Weyts, Magdeleine Willame-Boonen.

Onthouden hebben zich :

Bert Anciaux, Eddy Boutmans, Door Buelens, Jurgen Ceder, Martine Dardenne, Jan Loones, Roeland Raes, Chris Vandenbroeke, Joris Van Hauthem, Wim Verreycken.

De Voorzitter. - Aangezien wij dit ontwerp ongewijzigd hebben aangenomen, wordt de Senaat geacht beslist te hebben het wetsontwerp niet te amenderen.

Het ontwerp zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden met het oog op de koninklijke bekrachtiging.



Wetsontwerp tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 499 van 31 december 1986 tot regeling van de sociale zekerheid van sommige kansarme jongeren (Gedr. St. 1-1051)
- De conclusies van de commissie worden aangenomen.

De Voorzitter. - Vermits de Senaat beslist heeft in te stemmen met het ontwerp, zal het aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden met het oog op de koninklijke bekrachtiging.





MONDELINGE VRAAG

De controles uitgevoerd door de diensten van het ministerie van Landbouw in 1998 inzake het gebruik van verboden producten in de veeteelt
De heer Hostekint (SP). - De pers maakte onlangs bekend dat het IVK bij onaangekondigde controles in 1998 geen met verboden hormonen behandelde runderen had gevonden. Toch werden negentien karkassen gevonden met resten van corticosteroïden. De strenge hormonenwetgeving begint dus zijn vruchten af te werpen.

Daar het hier enkel over controles in de slachthuizen gaat, betekent dit nog niet dat er voordien geen hormonen werden toegediend. Vele vetmesters trekken intussen naar omliggende landen om de strenge controles te ontlopen. Zijn er reeds cijfers bekend over de controles in 1998 ? Wordt de dalende tendens in het gebruik van verboden middelen bevestigd ?

De heer Pinxten, minister van landbouw en de kleine en middelgrote ondernemingen. - Zowel bij de controles in landbouwbedrijven als in de slachthuizen wordt een dalende tendens in het gebruik van verboden stoffen genoteerd. De steekproefsgewijze controles in rundveebedrijven werden opgevoerd van 393 in 1992 tot 1085 in 1998. Het aantal positief bevonden dieren is in dezelfde periode van 32,5 % tot 0,46 % gedaald. De gerichte controles hadden betrekking op bedrijven waarop reeds verdenking berustte. In 1992 was 30 % van de bedrijven niet in orde met de wetgeving op het gebruik van de hormonen en in 1998 nog 2,5 %.

In 1998 werden in ons land 47 inbreuken op de hormonenwet vastgesteld door parketten, door politiediensten of door de inspectiediensten van volksgezondheid of landbouw. De inbreuken gaan van positieve dieren, de aanwezigheid van spuiten, flesjes en spuiten met verboden stoffen, positief gevonden veevoeder tot de aanwezigheid van geneesmiddelen met in het buitenland geregistreerde corticosteroïden.

In tegenstelling tot andere EU-landen worden corticosteroïden onder bepaalde omstandigheden in België als verboden groeibevorderaars beschouwd. Dientengevolge wordt niet alleen de slachting, maar ook de vetmesting gedelocaliseerd. Ik heb mijn EU-collega's op die toestand gewezen. Binnenkort zullen we meer vernemen over de evolutie van de hormonensituatie in het jaarlijks rapport van de « multidisciplinaire hormonencel ».

De heer Hostekint (SP). - Ik dank de minister voor zijn uitgebreid antwoord. De daling van het hormonengebruik is onder meer het resultaat van de inspanningen van het parlement en van de regering. Sinds de wetgeving strenger werd gemaakt is het aantal overtredingen sterk teruggelopen. In de pers las ik onlangs dat de corticosteroïden in één bedrijf of vijf worden gevonden. We moeten dus op onze hoede blijven.





VRAAG OM UITLEG VAN DE HEER HUGO COVELIERS AAN DE VICE-EERSTE MINISTER EN MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN,
over « de malaise bij het Vast Secretariaat voor het Preventiebeleid »

De heer Coveliers (VLD). - Het VSPB werd in 1994 opgericht als een federale dienst voor het criminaliteitspreventiebeleid bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken. Tot zijn taken behoren de analyse van de criminaliteit in België, de organisatie van initiatieven voor criminaliteitspreventie en de ondersteuning van lokale preventieinitiatieven. Het personeelsbestand bestaat uit contractuelen die door de gemeenten worden gedetacheerd en uit contractuelen die direct bij Binnenlandse Zaken zijn tewerkgesteld.

Sinds een jaar verloopt de werking van de dienst niet meer optimaal. De Vaste Secretaris is geschorst en de Nederlandstalige adjunct vertrok en werd nog niet vervangen. De leiding van voertig personeelsleden wordt waargenomen door de Franstalige adjunct.

Door de moeilijke werkomstandigheden is het personeelsverloop erg groot. Recent werd beslist de gedetacheerde personeelsleden niet meer te vervangen. Dit heeft zware organisatorische gevolgen.

De groeiende ongerustheid bij het personeel over de huidige situatie en de toekomst heeft ernstige gevolgen voor het functioneren van de dienst. Het personeel moest in de pers vernemen dat er plannen bestaan om het VSPB te integreren in de Algemene Rijkspolitie. Gezien de verschillende uitgangspunten en opdrachten van de twee diensten lijkt die integratie niet aangewezen. Is de ARP wel de geschikte dienst om op nationaal en lokaal vlak de niet-politionele en sociale preventie te coördineren en te ondersteunen ?

Zijn er plannen om op korte termijn de Nederlandstalige adjunct-secretaris van het VSPB te vervangen ? Het is ontoelaatbaar dat een federale dienst wordt geleid door een persoon die geen Nederlands kent.

Hoe wordt er op toegezien dat de taalverhoudingen in het VSPB worden gerespecteerd ?

Worden maatregelen overwogen om het takenpakket van het VSPB te beperken of de werkdruk te verlichten ?

Welke toekomstplannen worden gepland ? Is de integratie binnen de ARP een mogelijke optie en wordt voldoende rekening gehouden met de gevolgen van een dergelijke keuze ?

Wordt in de toekomst blijvend aandacht geschonken aan het belang van niet-politionele preventie ?

De heer Van Den Bossche, vice-eerste minister en minister van binnenlandse zaken. - Het VSPB heeft een groot personeelsverloop omdat de personeelsformatie oorspronkelijk enkel uit contractuelen werd samengesteld. Nu wordt eraan gewerkt om dit om te zetten in statutaire ambten. Het kader bestaat uit 25 personen, 14 Nederlandstaligen en 11 Franstaligen. Er zijn 22 personen effectief aan het werk, 13 Nederlandstaligen en 9 Franstaligen.

De Vaste Secretaris had een merkwaardige wijze van optreden. Bij elk veiligheidscontract bedong hij bij de gemeente een aantal gedetacheerde ambtenaren. De gemeenten zijn daarover gaan klagen en mijn voorganger heeft terecht aan die praktijk een einde gesteld. Dat verklaart waarom er naar de buitenwereld schijnbaar sprake is van een personeelsvermindering, maar dat is dus niet juist. De werklast is ook niet verhoogd omdat de gedetacheerden nu hun taak op lokaal vlak uitoefenen.

De Vaste Secretaris is geschorst. De Secretaris-generaal van het Ministerie van Binnenlandse Zaken heeft met hem afgesproken dat hij midden van dit jaar ontslag zal nemen. Dan kan zijn vervanging worden geregeld. De Nederlandstalige adjunct is vrijwillig opgestapt. De Franstalige adjunct-secretaris zal waarschijnlijk ook verdwijnen zodat weldra twee nieuwe adjuncten kunnen worden aangesteld.

Zelf ben ik voorstander van een integratie van de VSPB in de ARP. Ik heb daarover een studie gevraagd. In samenspraak met de nieuwe adjunct-secretarissen zal die integratie worden besproken.

De heer Coveliers (VLD). - Vroeg of laat zal de discussie over de opportuniteit van de integratie van de VSPB in de ARP moeten worden gevoerd. Er bestaat immers een tegenstelling tussen de opdrachten van preventie en politionele taken. De opdracht van de ARP moet trouwens worden herschreven in het licht van de nieuwe wet op de politiestructuren. Ik hoop dat die discussie nog zal kunnen plaatsvinden vooraleer de integratie wordt doorgevoerd.

- Het incident is gesloten.





VRAAG OM UITLEG VAN MEVROUW JEANNINE LEDUC AAN DE MINISTER VAN LANDBOUW EN DE KLEINE EN MIDDELGROTE ONDERNEMINGEN,
over « het instellen van het verbod op de handel in peren »

Mevrouw Leduc (VLD). - De minister heeft onlangs het imago van de Belgische fruitsector een enorme klap toegebracht. Het vertrouwen van de consument werd ernstig geschaad toen hij enkele weken geleden een perenblokkade instelde. Vijftig miljoen kilo peren werd waardeloos omdat de kopers angst werd aangejaagd en de buitenlandse afnemers werden verontrust. Zij oordeelden dat dergelijke monsterblokkade moest berusten op aantoonbare bewijzen voor nadelige invloeden op de gezondheid. Volgens deskundige bronnen is daarvan echter geen enkel bewijs geleverd. De minister heeft zich vergist en heeft zich waarschijnlijk verkeerd geïnformeerd. Hij draagt de gevolgen van zijn onbezonnen beslissing niet. De Belgische perenteler zit met de « gebakken peren ». De sector kijkt aan tegen een verlies van 1 miljard. De minister vernietigde de overlevingskans van ontelbare fruitbedrijven. Hijzelf duidde de perentelers als schuldigen aan wegens onverantwoord spuitgedrag. Zij zouden te veel en te lang het reeds dertig jaar toegelaten product CCC gebruiken.

Ik beschik over voldoende gegevens om aan te tonen dat de telers geen schuld treft. Zij hebben te goeder trouw gehandeld. Het Ministerie van Landbouw is evenwel zwaar uit de bocht gegaan.

Het ministerie leverde in 1979 een erkenningsakte af voor chloormequat. In 1988 werden zowel het aantal toegelaten bespuitingen als de dosis verdubbeld. Vanaf 1996 mogen de perentelers het product gebruiken tot eind juli. Eind 1998 wordt de erkenningsakte nogmaals afgeleverd. De perentelers dachten dus in orde te zijn met de reglementering.

Kan de minister mij de resultaten van de metingen van het residugehalte voorleggen vanaf 1979 ? Pas eind oktober werd een methode die ontwikkeld werd in Gembloux, officieel goedgekeurd. Waar konden de fruittelers tot 1999 terecht om een analyse te laten uitvoeren ? Had de minister zijn ministerie niet moeten verplichten tijdig een correcte methode te ontwikkelen ? Had het ministerie van Landbouw niet sinds het gebruik van CCC, jaarlijks stalen moeten nemen en onderzoeken en als gevolg hiervan de gebruiksaanwijzing bijsturen of het product verbieden ?

Ook de producenten treft schuld, vermits zij op het etiket en de bijsluiter te hoge dosissen voorschrijven. Door dit goed te keuren is landbouw opnieuw zwaar in de fout gegaan. Hoe verklaart de minister dit ?

Is de minister het ermee eens dat de fruittelers niet aansprakelijk gesteld kunnen worden voor hetgeen gebeurde ? Zal hij een schaderegeling uitwerken en wanneer zullen de fruittelers het geld krijgen ?

De analyses verlopen zeer moeizaam. Dit heeft de schade nog vergroot. Had de minister dit probleem voorzien ? Het was niet verantwoord in een paniekreactie de hele perenhandel stil te leggen, zonder dat men in staat was het probleem daadwerkelijk aan te pakken.

Er bestaan grote verschillen tussen metingen van monsters van hetzelfde staal. Hoe kan de minister zorgen voor meer betrouwbare metingen ?

Het Nederlandse ministerie raadt slechts twee bespuitingen per jaar aan, tegen 4 tot 5 in België. Wie heeft zich vergist ?

Welke maatregelen zal de minister nemen om de eventuele fout te herstellen ? Wie en met welke middelen zal de geleden schade worden hersteld ?

Wie uitte de klachten over het te hoge residugehalte in Belgische peren ? Werden in ons land of in andere Europese landen ziekteverschijnselen gemeld ? Door wie ? Welke ziekteverschijnselen ? Werden ze grondig onderzocht ?

Waarom worden ook exotische fruitsoorten niet op schadelijke stoffen onderzocht ?

In Zuid-Limburg staan 200 tot 250 fruittelers op de rand van het failliet. Ik verwacht een duidelijk antwoord van de minister.

De heer Pinxten, minister van landbouw en de kleine en middelgrote ondernemingen. - Klachten vanuit het Verenigd Koninkrijk en Nederland bereikten mij eind januari. Blijkbaar was het probleem ontdekt op het niveau van de distributie. Mijn departement stelde vast dat de helft van de ontlede stalen duidelijk niet in orde was.

Drie dagen na de eerste melding werd een koninklijk besluit van kracht waardoor bij elke verhandeling van peren een extragarantie wordt gevraagd. Er werd dus geen blokkade ingesteld.

Toen chloormequat voor het eerst erkend werd, moest de indienende firma nog geen routineanalysemethode voor residuën voorleggen. Het is onjuist dat het toegelaten aantal bespuitingen en de dosis in 1988 werd verdubbeld. Integendeel, in 1987 werden zowel het aantal toegelaten behandelingen als de dosis beperkt.

De in Gembloux ontwikkelde analysemethode is sinds het najaar 1998 operationeel. Voordien werden geen routineanalyses op peren uitgevoerd omdat het erkenningsdossier geen melding maakte van een eventuecl residuprobleem.

Er zijn geen wetenschappelijke gegevens die erop wijzen dat chloormequat in de erkende dosis aanleiding zou geven tot residu-overschrijdingen. De verlenging van de gebruiksperiode tot 31 juli werd afgeleverd op advies van een onderzoeksinstelling en na akkoord in het Erkenningscomité.

Het is niet uitzonderlijk dat het erkend gebruik in twee landen verschillend is. Het getuigt integendeel van verantwoordelijkheidszin dat men rekening houdt met de specificke toestand in elke land.

Een ander gebruik van een pesticide dan beschreven in de erkenningsakte is niet toegelaten. Mijn diensten hebben 36 handelsproducten van chloormequat gecontroleerd. Het etiket van één product vermeldde een te hoge dosis. Er werd een proces-verbaal opgesteld en het product werd in beslag genomen.

Uit onderzoek blijkt dat de overtredingen in kwestie deels te verklaren zijn door overmatig gebruik van chloormequat en deels door het uitzonderlijke weer van het afgelopen jaar. Daarom heb ik een tolerantiemarge tot 10 ppm ingesteld. Na overleg heb ik besloten tot financiële tegemoetkoming voor telers die in overtreding zijn maar binnen die marge blijven. Zware overtreders kunnen niet van deze tijdelijke en gedeeltelijke maatregel genieten. De praktische organisatie van de prefinanciering moet nog concreet uitgewerkt worden, maar het gaat om een bedrag van 10 frank per kilo. De terugbetaling zal op termijn echter wel terugbetaald moeten worden door de sector zelf.

Wetenschappelijk onderzoek heeft uitgewezen dat chloormequat schadelijk kan zijn voor de mens bij het overdadig éénmalig gebruik of door langdurig gebruik van kleinere dosissen. Bij testen op proefdieren nam de vruchtbaarheid van mannetjes af en bij de vrouwtjes had het een effect op de foetus.

Wat de controle op geïmporteerd fruit betreft, wil ik benadrukken dat de controle op dezelfde manier gebeurt als voor inlands fruit. Bij buitenlandse peren werden het afgelopen jaar geen overtredingen vastgesteld. Ook bij de controles door het departement volksgezondheid werden geen problemen vastgesteld. Wat andere fruitsoorten betreft, konden mijn diensten drie overtredingen vaststellen op een totaal van 109 steekproeven.

Mevrouw Leduc (VLD). - Zijn er meldingen van mensen die ziek geworden zijn door peren te eten ? Naar verluidt zou een uurtje zwemmen meer chloor in het organisme brengen dan het eten van kilo's overdreven bespoten peren. Uit mijn gegevens blijkt ook dat andere onderzoeken hebben uitgewezen dat het risico voor de gezondheid miniem is.

Indien het inderdaad zo is dat het product nefast bleek voor de vruchtbaarheid van proefdieren, waarom heeft de minister dan niet eerder maatregelen genomen ? Indien dat was gebeurd bij het begin van de bloeiperiode, dan zouden de telers niet zo zwaar getroffen zijn. De maatregelen van de minister hebben het vertrouwen van de consument geschonden.

Bovendien wordt de norm in Nederland ook overschreden zonder dat daar tegen opgetreden wordt. En tenslotte : waarom nemen wij een norm in acht die veel strenger is dan de norm van de Wereldgezondheidsorganisatie ?

De heer Pinxten, minister van landbouw en de kleine en middelgrote ondernemingen. - Ik baseer mij op de beste wetenschappelijk bevindingen die beschikbaar zijn. Ik heb die slechts openbaar gemaakt omdat u erom vroeg, al vrees ik dat ze het imago van de sector verder kunnen schaden. Mevrouw Leduc mag daar anders over denken, maar ik laat de volksgezondheid primeren.

In Nederland gelden trouwens exact dezelfde maatregelen als in ons land. Ik heb ze namelijk opgesteld in overleg met mijn Nederlandse collega.

Ik nodig mevrouw Leduc uit om het dossier opnieuw te bekijken.

Mevrouw Leduc (VLD). - Ook ik ben voorstander van gezonde voeding, maar ik blijf erbij dat een hele sector getroffen wordt door de fout van enkelen.

- Het incident is gesloten.





INDIENING VAN WETSONTWERPEN



De regering heeft volgende wetsontwerpen ingediend :

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en Argentijnse Republiek tot het vermijden van dubbele belasting en tot het voorkomen van het ontgaan van belasting inzake belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, en met het Protocol, gedaan te Brussel op 12 juni 1996 (Gedr. St. 1-1295/1).

Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de buitenlandse aangelegenheden.

Wetsontwerp houdende instemming met het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, aangenomen te New York op 10 december 1984 (Gedr. St. 1-1296/1).

Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Aangelegenheden.





INDIENING VAN VOORSTELLEN



De Voorzitter. - De volgende voorstellen werden ingediend :

A. Wetsvoorstellen :

Artikel 81 :

Wetsvoorstel betreffende het eigendoms- en exploitatierecht van apotheken, van de heer Marc Olivier (Gedr. St. 1-1281/1).

Dit voorstel zal worden vertaald, gedrukt en rondgedeeld.

Er zal later over de inoverwegingneming worden beslist.

B. Voorstellen van resolutie :

Voorstel van resolutie betreffende het BTW-tarief op arbeidsintensieve diensten, van de heer Paul Hatry (Gedr. St. 1-1294/1).

Dit voorstel zal worden vertaald, gedrukt en rondgedeeld.

Er zal later over de inoverwegingneming worden beslist.

C. Voorstellen van verklaring tot herziening van de Grondwet :

Voorstel van verklaring tot herziening van de Grondwet, van mevrouw Magdeleine Willame-Boonen en de heer Charles-Ferdinand Nothomb (Gedr. St. 1-1293/1).

Dit voorstel zal worden vertaald, gedrukt en rondgedeeld.

Er zal later over de inoverwegingneming worden beslist.





INOVERWEGING

In overwegingg te nemen voorstellen


Wetsvoorstellen:

Artikel 81 :

Wetsvoorstel houdende instelling van een adoptieverlof voor werknemers, van mevrouw Sabine de Bethune (Gedr. St. 11259/1).

- Te verzenden naar de Commissie voor de sociale aangelegenheden.

Wetsvoorstel houdende afschaffing van de korting van 3 procent die de Staat inhoudt op de inkomsten uit de aanvullende belastingen op de personenbelasting, van mevrouw Anne Marie Lizin cs. (Gedr. St. 1-1278/1).

- Te verzenden naar de Commissie voor de financiën en de economische aangelegenheden.

Wetsvoorstel betreffende het eigendoms- en exploitatierecht van apotheken, van de heer Marc Olivier (Gedr. St. 1-1281/1).

- Te verzenden naar de Commissie voor de sociale Aangelegenheden.





EVOCATIE



De Voorzitter. - De Senaat heeft bij boodschap van 26 februari 1999 aan de Kamer van volksvertegenwoordigers ter kennis gebracht dat tot evocatie is overgegaan, op die datum, van :

Wetsontwerp betreffende het Belgisch actieplan voor de werkgelegenheid 1998 en houdende diverse bepalingen (Gedr. St. 1-1282/1).

Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.





NON-EVOCATIES



De Voorzitter. - Bij boodschappen van 2 en 4 maart 1999 heeft de Senaat aan de Kamer van volksvertegenwoordigers terugbezorgd, met het oog op de koninklijke bekrachtiging, de volgende niet geëvoceerde wetsontwerpen:

Wetsontwerp tot instelling van een Adviesraad van de magistratuur (Gedr. St. 1-1170/1).

Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 2 augustus 1974 betreffende de wedden van de titularissen van sommige openbare ambten en van de bedienaars van de erediensten (Gedr. St. 1-1264/1).

Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 5 april 1962 houdende erkenning van de wijzigingen aan het aartsbisdom Mechelen en van de oprichting van het bisdom Antwerpen, de wet van 4 maart 1870 op de temporaliën van de erediensten en het keizerlijk decreet van 30 december 1809 op de kerkfabrieken (Gedr. St. 1-1265/1).

Wetsontwerp tot omzetting van de richtlijn 95/26/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 juni 1995 over de financiële instellingen (Gedr. St. 1-1266/1).

Wetsontwerp tot bekrachtiging en tot wijziging van de koninklijke besluiten genomen met toepassing van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels (Gedr. St. 1-1284/1).

Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 6 april 1995 inzake de secundaire markten, het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen, de bemiddelaars en beleggingsadviseurs, tot regeling van de verrichtingen van lening van aandelen en houdende diverse andere bepalingen (Gedr. St. 1-1285/1).

- Voor kennisgeving aangenomen.





ARBITRAGEHOF



De Voorzitter. - Met toepassing van artikel 76 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, heeft de griffier van het Arbitragehof aan de voorzitter van de Senaat kennis gegeven van:

- het beroep tot vernietiging van de wet van 23 november 1998 tot invoering van de wettelijke samenwoning, ingesteld door P. Beliën en anderen (rolnummer 1616).

Met toepassing van artikel 77 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, heeft de griffier van het Arbitragehof eveneens aan de Voorzitter van de Senaat kennis gegeven van :

- de prejudiciële vragen over artikel 20, § 2, van de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie, over artikel 41 van het koninklijk besluit van 3 april 1953 tot samenordening van de wetsbepalingen inzake de slijterijen van gegiste dranken en over artikel 30 van de wet van 28 december 1983 betreffende het verstrekken van sterke drank en het vergunningsrecht, gesteld door het Hof van Beroep te Bergen (rolnummer 1577).

Tenslotte, met toepassing van artikel 113 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, heeft de griffier van het Arbitragehof kennis gegeven aan de Voorzitter van de Senaat van :

- het arrest nr. 22/99, uitgesproken op 24 februari 1999, inzake de prejudiciële vragen betreffende de artikelen 70 en 84, tweede lid, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Hasselt (rolnummer 1279);

- het arrest nr. 23/99, uitgesproken op 24 februari 1999, inzake het beroep tot vernietiging van artikel 175 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 24 juli 1997 dat het statuut bepaalt van het bestuurs- en onderwijzend personeel en van het opvoedend hulppersoneel van de hogescholen ingericht of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap, ingesteld door de Bond der bedienden, technici en kaders van België en anderen (rolnummer 1334).

- Voor kennisgeving aangenomen.





BOODSCHAPPEN KAMER



De Voorzitter. - Bij boodschappen van 25 februari 1999 heeft de Kamer van volksvertegenwoordigers aan de Senaat overgezonden, zoals ze ter vergadering van 25 februari 1999 werden aangenomen:

Artikel 77 :

Ontwerp van bijzondere wet tot beperking van de cumulatie van het mandaat van lid van de Vlaamse Raad, van de Franse Gemeenschapsraad, van de Waalse Gewestraad en van de Brusselse Hoofdstedelijke Raad met andere ambten, van de heer Philippe Busquin cs. (Gedr. St. 1-984/1).

- Het wetsontwerp werd verzonden naar de Commissie voor de binnenlandse en de administratieve aangelegenheden.

Wetsontwerp tot beperking van de cumulatie van het mandaat van federaal parlementslid en Europees parlementslid met andere ambten, van de heer Philippe Busquin cs. (Gedr. St. 1985/1).

- Het wetsontwerp werd verzonden naar de Commissie voor de binnenlandse en de administratieve Aangelegenheden.

Wetsontwerp betreffende de hervorming van de gerechtelijke kantons (Gedr. St. 1-1139/1).

- Het wetsontwerp werd verzonden naar de Commissie voor de justitie.

Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 14 februari 1961 voor economische expansie, sociale vooruitgang en financieel herstel (Gedr. St. 1-1283/1).

- Het wetsontwerp werd verzonden naar de Commissie voor de sociale aangelegenheden.

Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 6 april 1995 inzake de secundaire markten, het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen, de bemiddelaars en de beleggingsadviseurs wat betreft de administratieve geldboeten die kunnen worden opgelegd door de tuchtcommissie van de markt en de marktautoriteiten (Gedr. St. 1-1286/1).

- Het wetsontwerp werd verzonden naar de Commissie voor de financiën en de economische aangelegenheden.

Wetsontwerp betreffende de exclusieve economische zone van België in de Noordzee (Gedr. St. 1-1292/1).

- Het wetsontwerp werd verzonden naar de Commissie voor de buitenlandse aangelegenheden.

Artikel 78 :

Wetsontwerp houdende bekrachtiging van het koninklijk besluit van 20 mei 1997 tot wijziging van het KB/WIB 92, voorzover het betrekking heeft op de bedrijfsvoorheffing, en van het koninklijk besluit van 5 december 1997 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de bedrijfsvoorheffing (Gedr. St. 1-1287/1).

- Het wetsontwerp werd ontvangen op 26 februari 1999; de uiterste datum voor evocatie is maandag 15 maart 1999.

Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie (Gedr. St. 1-1288/1).

- Het wetsontwerp werd ontvangen op 26 februari 1999; de uiterste datum voor evocatie is maandag 15 maart 1999.

Wetsontwerp betreffende de identificatieprocedure via DNA-onderzoek in strafzaken (Gedr. St. 1-1289/1).

- Het wetsontwerp werd ontvangen op 26 februari 1999; de uiterste datum voor evocatie is maandag 15 maart 1999.

Wetsontwerp tot wijzing van de wet van 30 juli 1938 betreffende het gebruik der talen bij het leger (Gedr. St. 1-1290/1).

Het wetsontwerp werd ontvangen op 26 februari 1999; de uiterste datum voor evocatie is maandag 15 maart 1999.

Wetsontwerp tot wijziging van de artikelen 12, en 19, § 1, van de nieuwe gemeentewet (Gedr. St. 1-1291/1).

Het wetsontwerp werd ontvangen op 26 februari 1999; de uiterste datum voor evocatie is maandag 15 maart 1999.

Artikel 80 :

Wetsontwerp betreffende het Belgisch actieplan voor de werkgelegenheid 1998 en houdende diverse bepalingen (Gedr. St. 1-1282/1).

Het wetsontwerp werd ontvangen op 26 februari 1999; de uiterste datum voor evocatie is woensdag 3 maart 1999.

Wetsontwerp tot bekrachtiging en tot wijziging van de koninklijke besluiten genomen met toepassing van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels (Gedr. St. 1-1284/1).

Het wetsontwerp werd ontvangen op 26 februari 1999; de uiterste datum voor evocatie is woensdag 3 maart 1999.

Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 6 april 1995 inzake de secundaire markten, het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen, de bemiddelaars en beleggingsadviseurs, tot regeling van de verrichtingen van lening van aandelen en houdende diverse andere bepalingen (Gedr. St. 1-1285/1).

Het wetsontwerp werd ontvangen op 26 februari 1999; de uiterste datum voor evocatie is woensdag 3 maart 1999.

Artikel 81 :

Wetsontwerp tot beperking van de cumulatie van het ambt van bestendig afgevaardigde met andere ambten en tot harmonisering van het financieel en fiscaal statuut van de bestendig afgevaardigde, van de heer Philippe Busquin cs. (Gedr. St. 1-986/1).

Het wetsontwerp werd ontvangen op 26 februari 1999; de onderzoekstermijn, die overeenkomstig artikel 79, eerste lid, van de Grondwet 15 dagen bedraagt, verstrijkt op maandag 15 maart 1999.

De Kamer heeft de tekst geamendeerd aangenomen op 25 februari 1999.

Wetsontwerp betreffende de burgerrechtelijke aansprakelijkheid en de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van burgemeesters, schepenen en leden van de bestendige deputatie, van de heer Philippe Busquin cs. (Gedr. St. 1987/1).

Het wetsontwerp werd ontvangen op 26 februari 1999; de onderzoekstermijn, die overeenkomstig artikel 79, eerste lid, van de Grondwet 15 dagen bedraagt, verstrijkt op maandag 15 maart 1999.

De Kamer heeft de tekst geamendeerd aangenomen op 25 februari 1999.

Wetsontwerp tot verbetering van het stelsel van politiek verlof voor provincie- en gemeenteraadsleden, leden van de raad voor maatschappelijk welzijn, burgemeesters, schepenen en voorzitters van de raad voor maatschappelijk welzijn in de openbare en de particuliere sector, van de heer Philippe Busquin cs. (Gedr. St. 1-988/1).

Het wetsontwerp werd ontvangen op 26 februari 1999; de onderzoekstermijn, die overeenkomstig artikel 79, eerste lid, van de Grondwet 15 dagen bedraagt, verstrijkt op maandag 15 maart 1999.

De Kamer heeft de tekst geamendeerd aangenomen op 25 februari 1999.

Wetsontwerp tot verbetering van de bezoldingingsregeling en van het sociaal statuut van de lokale verkozenen, van de heer Philippe Busquin cs. (Gedr. St. 989/1).

- Het wetsontwerp werd ontvangen op 26 februari 1999; de onderzoekstermijn, die overeenkomstig artikel 79, eerste lid, van de Grondwet 15 dagen bedraagt, verstrijkt op maandag 15 maart 1999.

- De Kamer heeft de tekst geamendeerd aangenomen op 25 februari 1999.

Wetsontwerp tot beperking van de cumulatie van het mandaat van burgemeester en schepen met andere ambten, van de heer Philippe Busquin cs. (Gedr. St. 11041/1).

- Het wetsontwerp werd ontvangen op 26 februari 1999; de onderzoekstermijn, die overeenkomstig artikel 79, eerste lid, van de Grondwet 15 dagen bedraagt, verstrijkt op maandag 15 maart 1999.

- De Kamer heeft de tekst geamendeerd aangenomen op 25 februari 1999.

Wetsontwerp tot opheffing van artikel 1056, 1°, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, van de heer Fred Erdman (Gedr. St. 1-1063/1).

- Het wetsontwerp werd ontvangen op 26 februari 1999; de onderzoekstermijn, die overeenkomstig artikel 79, eerste lid, van de Grondwet 15 dagen bedraagt, verstrijkt op maandag 15 maart 1999.

- De Kamer heeft de tekst geamendeerd aangenomen op 25 februari 1999.



Kennisgeving


Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en de Tunesische Republiek betreffende wederzijdse rechtshulp in burgerlijke zaken en in handelszaken, ondertekend te Tunis op 27 april 1989, en houdende wijziging van het Gerechtelijk Wetboek (Gedr. St. 1-716/1).

- De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 25 februari 1999 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.

Ontwerp van bijzondere wet tot wijziging van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, van de heer Fred Erdman cs. (Gedr. St. 1-906/1).

- De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 25 februari 1999 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.

Wetsontwerp tot wijziging van de nieuwe gemeentewet, de gemeentekieswet, de wet van 19 oktober 1921 tot regeling van de provincieraadsverkiezingen, de wet van 11 april 1994 tot organisatie van de geautomatiseerde stemming en de wet van 7 juli 1994 betreffende de beperking en de controle van de verkiezingsuitgaven voor de verkiezing van de provincieraden en de gemeenteraden en voor de rechtstreekse verkiezing van de raden voor maatschappelijk welzijn, strekkende tot de oprichting van districten en de organisatie van de rechtstreekse verkiezing van hun raden, van de heer Ludwig Caluwé cs. (Gedr. St. 1-907/1).

- De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 25 februari 1999 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst tussen de Regeringen van de Franse Republiek, de Bondsrepubliek Duitsland, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, het Koninkrijk Spanje en het Koninkrijk België betreffende het programma AIRBUS A330/A340, en met de Bijlagen 1 en 2, ondertekend te Madrid op 26 juli 1995 (Gedr. St. 1-1106/1).

- De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 25 februari 1999 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.

Wetsontwerp houdende instemming met de Europese overeenkomst inzake de belangrijke internationale spoorlijnen (AGC), en met de Bijlagen I en II, gedaan te Genève op 31 mei 1985 (Gedr. St. 1-1143/1).

- De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 25 februari 1999 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.

Wetsontwerp houdende instemming met de Europese overeenkomst inzake belangrijke lijnen voor het internationaal gecombineerd vervoer en bijbehorende voorzieningen (AGTC), en met de bijlagen I, II, III en IV, gedaan te Geneve op 1 februari 1991 (Gedr. St. 1-1144/1).

De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 25 februari 1999 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.

Wetsontwerp tot wijziging van artikel 75 van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming (Gedr. St. 1-1152/1).

De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 25 februari 1999 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.

Wetsontwerp houdende instemming met het Protocol bij de Overeenkomst tot instelling van samenwerking en een douane-unie tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Republiek San Marino naar aanleiding van de toetreding van de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden tot de Europese Unie, en met de Slotakte, gedaan te Brussel op 30 oktober 1997 (Gedr. St. 11159/1).

De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 25 februari 1999 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.

Wetsontwerp houdende instemming met het Memorandum van Overeenkomst over de Ontwikkelingssamenwerking tussen het Koninkrijk België en de Republiek Zuid-Afrika, ondertekend te Brussel op 16 maart 1995 (Gedr. St. 1-1168/1).

De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 25 februari 1999 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst tussen de regering van het Koninkrijk België en de regering van de Democratische Volksrepubliek Algerije betreffende het internationale wegvervoer en het transitvervoer van personen en goederen en het Protocol, ondertekend te Brussel op 29 maart 1994 (Gedr. St. 1-1179/1).

De Kamer heeft het Ontwerp aangenomen op 25 februari 1999 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst tussen de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie en de Republiek Litouwen inzake de wederzijdse bevordering en bescherming van investeringen, ondertekend te Brussel op 15 oktober 1997 (Gebr. St. 1186/1).

De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 25 februari 1999 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.

Wetsontwerp houdende instemming met het Protocol tot bestrijding van wederrechtelijke daden van geweld op luchthavens voor de internationale burgerluchtvaart bij het op 23 september 1971 te Montreal tot stand gekomen Verdrag tot bestrijding van wederrechtelijke gedragingen tegen de veiligheid van de burgerluchtvaart, gedaan te Montreal op 24 februari 1988 (Gedr. St. 1-1200/1).

De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 25 februari 1999 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.

Wetsontwerp houdende instemming met het Protocol bij het Verdrag van 1979 betreffende grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand inzake de beheersing van emissies van stikstofoxiden of van de grensoverschrijdende stromen van deze stikstofverbindingen, en met de Technische Bijlage, gedaan te Sofia op 31 oktober 1988 (Gedr. St. 1-1214/1).

De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 25 februari 1999 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en het Koninkrijk Marokko inzake bijstand aan gedetineerde personen en overbrenging van gevonniste personen, ondertekend te Brussel op 7 juli 1997 (Gedr. St. 1-1236/1).

De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 25 februari 1999 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.

Wetsontwerp tot wijziging van artikel 75 van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming (Gedr. St. 1-981/1).

Het ontwerp vervalt op 25 februari 1999 tengevolge van de aanneming van het wetsontwerp nr. 49-1468.

- De vergadering wordt om 17.45 uur gesloten.

- Donderdag 11 maart, om 9 en 15 uur, openbare vergadering.





VERHINDERD



Mevrouw Dua, wegens ambtsplichten; mevrouw Jeanmoye, mevrouw Sémer en de heer Vautmans, met opdracht in het buitenland; de heren Bock en D'Hooghe, om persoonlijke redenen.





Het Beknopt Verslag geeft een samenvatting van de debatten

Het volledig verslag verschijnt in de Parlementaire Handelingen