2-119 | Belgische Senaat | 2-119 |
Waarschuwing: de blauwe kleur geeft aan dat het gaat om uit het Frans vertaalde samenvattingen.
Militair bevelhebber van het Paleis der Natie - Opruststelling
Inoverwegingneming van voorstellen
Verwelkoming van een buitenlandse delegatie
In overweging genomen voorstellen
Arbitragehof - Prejudiciële vragen
Belgische technische coöperatie
Voorzitter: de heer Armand De Decker
(De vergadering wordt geopend om 15.10 uur.)
De voorzitter. - Bij brief van 28 maart jongsleden heeft generaal-majoor Duchâtelet, militair bevelhebber van het Paleis der Natie sinds 1 oktober 1996, mij meegedeeld dat hij op het einde van het jaar 2001 in ruste wenst te worden gesteld en bijgevolg van zijn mandaat van bevelhebber van het Paleis der Natie wenst te worden ontheven.
Na het advies van het Bureau te hebben ingewonnen, heb ik, in overleg met de voorzitter van de Kamer van volksvertegenwoordigers, het verzoek van de militair bevelhebber van het Paleis der Natie ingewilligd.
Ik stel voor om hem op het einde van het jaar in plenaire vergadering een huldebetoon te brengen.
De voorzitter. - De lijst van de in overweging te nemen voorstellen werd rondgedeeld.
Leden die opmerkingen mochten hebben, kunnen die vóór het einde van de vergadering mededelen.
Tenzij er afwijkende suggesties zijn, neem ik aan dat die voorstellen in overweging zijn genomen en verzonden naar de commissies die door het Bureau zijn aangewezen. (Instemming)
(De lijst van de in overweging genomen voorstellen wordt in de bijlage opgenomen.)
De voorzitter. - Ik stel voor deze mondelinge vragen samen te voegen. (Instemming)
Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Werkgelegenheid, antwoordt ook namens de heer Guy Verhofstadt, eerste minister.
Mevrouw Clotilde Nyssens (PSC). - Ik heb de minister al in februari ondervraagd over het Centrum voor de gelijkheid van kansen en de racismebestrijding. Ik kom daar even op terug naar aanleiding van een recent artikel met als titel: Un centre moins libre?
In de wet tot oprichting van het Centrum staat uitdrukkelijk dat het een onafhankelijk orgaan is. Deze onafhankelijkheid werd tot nog toe altijd gerespecteerd en dit Centrum functioneert goed en komt op voor behartigenswaardige idealen.
Is de regering klaar met het koninklijk besluit tot wijziging van de samenstelling van de raad van bestuur en van de directie van het Centrum? Wat is de stand van zaken? Is de regering van plan dit koninklijk besluit te publiceren nog voor de Senaat de gelegenheid heeft gehad zich te buigen over het wetsvoorstel van de heer Mahoux dat de opdrachten van dit Centrum uitbreidt? Het lijkt mij logisch dat gewacht wordt tot deze tekst door de beide kamers is behandeld vooraleer de samenstelling van het Centrum wordt gewijzigd.
Wat de onafhankelijkheid van het Centrum betreft, worden in het persartikel al de naam en de beroepsbekwaamheid vermeld van personen die in de nieuwe structuur deel zouden kunnen uitmaken van de raad van bestuur of een directiefunctie zouden kunnen uitoefenen. Daarbij werd aangegeven dat die mensen momenteel kabinetsmedewerkers zijn van federale ministers. De onafhankelijkheid van het Centrum lijkt mij niet gebaat bij de benoeming van kabinetsmedewerkers die nu overigens in dienst van de ministers blijven.
Ten slotte zou ik willen weten wat het lot zal zijn van de cel armoede binnen het Centrum, die uitbreiding neemt en goed werk levert. Volgens het wetsvoorstel dat in de Senaat wordt besproken, moet armoede niet als criterium voor discriminatie worden opgenomen in de nieuwe antidiscriminatiewet. Ik vraag mij dus af of deze cel in het vernieuwde Centrum voor gelijkheid van kansen en racismebestrijding blijft bestaan, dan wel of ze naar een autonome structuur wordt verplaatst onder de bevoegdheid van de minister van Maatschappelijke Integratie.
De heer Jacques D'Hooghe (CVP). - Aansluitend bij de vragen van mevrouw Nyssens zou ik van de minister willen vernemen of het koninklijk besluit inzake de organieke regeling van het centrum-Leman voorziet in onverenigbaarheden. Er doen geruchten de ronde dat kabinetsmedewerkers deel zouden uitmaken van het bestuur van het centrum-Leman.
Volgens de Raad van State is de antidiscriminatiewet zo opgesteld dat de wetgever de burgers kan verplichten in alle handelingen van hun maatschappelijk leven en bij het uiten van hun mening de ideeën van de overheid inzake bestrijding van discriminatie over te nemen.
Volgens de Raad van State komt het principe van de vrije meningsuiting in het gedrang. Zal de regering met dat principe rekening houden bij de aanpassing van de wettekst? U begrijpt dat deze kritiek van de Raad van State versterkt wordt als kabinetsmedewerkers het bestuur van het Centrum gaan uitmaken.
De Raad van State kan "de onnauwkeurigheid van het voorstel niet aanvaarden, gezien het voorstel burgerrechtelijke en strafrechtelijke bepalingen bevat die rechtstreeks op particulieren van toepassing zouden zijn". De Raad van State stelt zich dus vragen over de rechtszekerheid met betrekking tot de wettekst. Zal de regering het antidiscriminatievoorstel aanpassen?
Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Werkgelegenheid. - Mijn antwoord zal kort zijn. De bevoegde Senaatscommissie die momenteel de antidiscriminatiewet bespreekt, zal beslissen wat er moet gebeuren. Mevrouw Nyssens zat de laatste vergadering van de commissie voor en ik hoop dat de Senaat snel een beslissing zal nemen.
In onze maatschappij zijn er nog veel gevallen van discriminaties. We moeten niet langer zoeken hoe we ze kunnen wegwerken, maar wel hoe ze werkelijk kunnen voorkomen worden.
Voorts is mijn antwoord op de vraag van mevrouw Nyssens hetzelfde als twee maanden geleden: het koninklijk besluit werd door de regering uitgevaardigd, wordt nu voorgelegd aan de Raad van State en zal vóór de aanneming van de antidiscriminatiewet gepubliceerd worden, omdat het is afgestemd op de huidige doelstellingen van het Centrum en op het grote werkvolume dat aan het Centrum werd toevertrouwd zonder verhoging van personeel of middelen.
Het Centrum voor gelijkheid van kansen verricht op dit ogenblik belangrijk werk in het raam van de bestrijding van de mensenhandel. De heer Leman en zijn medewerkers zetten zich enorm in voor dit dossier. Wij zullen niet alleen de financiële middelen van het Centrum verhogen maar ook de personeelsformatie uitbreiden.
Wat de benoemingen betreft, zullen zowel in verband met de uitbreiding van het personeel als de verruiming van de raad van bestuur, precies dezelfde regels gehanteerd worden die voorheen golden. De beide senatoren kennen die regels.
Mevrouw Clotilde Nyssens (PSC). - Ik had een derde vraag over de toekomst van de cel armoede. Zal deze cel binnen het Centrum voor gelijkheid van kansen gehandhaafd worden of wil men de structuur wijzigen? Zal de cel voortaan onder de minister van Maatschappelijke Integratie ressorteren?
Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Werkgelegenheid. - Ik zal dit wellicht volgende week met mevrouw Nyssens kunnen bespreken. Ook binnen het Centrum wordt daar momenteel over gediscussieerd. De strekking van de algemene antidiscriminatienota was dat de cel zou worden overgeplaatst, zodat ze kon worden ingepast in het bestaande maatschappelijk integratiebeleid. We zullen dit in de commissie nog uitvoeriger kunnen bespreken.
De heer Jacques D'Hooghe (CVP). - Het eerste deel van het antwoord van de vice-eerste minister, in verband met de grondrechten, verrast me enigszins. De minister zegt dat de Senaat het wetsvoorstel eventueel kan aanpassen. Ik wijs erop dat een lid van de Senaat een voorstel had ingediend dat op verschillende punten door de regering werd geamendeerd. Wat is het huidig standpunt van de regering over het voorstel?
In verband met de publicatie van het koninklijk besluit zegt de minister dat het bestuursorgaan aangepast wordt aan de huidige taken van het centrum-Leman en aan het huidige werkvolume. Betekent dit dat binnenkort een koninklijk besluit mag worden verwacht dat rekening houdt met de nieuwe taken?
Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Werkgelegenheid. - We zullen zien of dat nodig zal blijken. Momenteel is dat zo niet voorzien. Ik nodig u uit om volgende week de commissievergadering bij te wonen voor de bespreking van de antidiscriminatiewet. Dan kunnen wij een grondig debat voeren over deze wet en de weerslag ervan op het Centrum voor gelijkheid van kansen.
De heer Vincent Van Quickenborne (VU-ID). - De vice-eerste minister zal gemerkt hebben dat het er in de VN-veiligheidsraad bovenarms op zit. De vijf permanente leden moeten hun beleid ten opzichte van Irak vóór volgende zondag opnieuw afstemmen, maar er heerst daarover grote onenigheid.
Tijdens een privé-bezoek aan Irak, waarbij ik door drie Vlaamse artsen werd begeleid, kon ik met eigen ogen vaststellen in welke schrijnende toestand de bevolking zich bevindt. Onthutsend is het uitzonderlijk hoge aantal gevallen van anoftalmie, kinderen die zonder ogen geboren worden, en van kinderen die geheel of gedeeltelijk verminkt geboren worden. De toegang tot drinkbaar water is slecht en het land - dat destijds tot de beter ontwikkelde landen behoorde - is "gedegradeerd" tot het niveau van Ethiopië.
Na de antwoorden van de vice-eerste minister op vragen van collega's begin maart 2001 is er een belangrijk nieuw feit waarover ons land zich nog niet heeft uitgesproken. Midden mei stelden de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk voor het huidige olie-voor-voedselprogramma te ruilen voor de zogeheten smart sanctions. Met het oog op een meer fundamentele oplossing verkiest Rusland echter een verlenging van het huidige olie-voor-voedsel-programma met zes maanden.
Onze parlementsleden zitten evenmin stil. In de Kamer dienden niet minder dan zes partijen op 18 mei jongstleden een voorstel van resolutie in tot gewone opheffing van het embargo. Voorts heeft een meerderheidspartij in de Kamer het voorstel ondertekend om de ontwapening van het land te bespoedigen.
Heeft de vice-eerste minster een schriftelijke uitnodiging ontvangen van de heer Tarek Aziz, vice-premier van Irak? Overweegt hij het land tijdens deze regeerperiode te bezoeken? Is België van plan om tijdens het voorzitterschap van de Europese Unie ten aanzien van Irak speciale stappen te doen? Steunt de Belgische regering het voorstel van de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk tot snelle invoering van de zogeheten smart sanctions of schaart ze zich achter de Russische aanpak? Blijft de Belgische regering de opheffing of versoepeling van het embargo afhankelijk stellen van nieuwe wapeninspecties of steunt ze de Kamerresolutie?
(Voorzitter: de heer Moens.)
De heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken. - Ik heb in april 2000 inderdaad een uitnodiging ontvangen van de heer Tarek Aziz. Ik sluit niet uit dat ik mij nog tijdens deze regeerperiode naar Bagdad zal begeven.
De Europese Unie heeft inzake Irak een beperkte rol omdat de sancties een bevoegdheid zijn van de VN-veiligheidsraad. België is op het ogenblik trouwens geen lid van de Veiligheidsraad. Bovendien bestaat er inzake Irak geen gemeenschappelijk Europees standpunt omdat de posities van sommige lidstaten niet helemaal gelijklopend zijn. Het is voor de voorzitter van de Unie dus bijzonder moeilijk een Europese consensus te vertolken. Dit neemt echter niet weg dat ik geen gelegenheid voorbij zal laten gaan om een toenadering tussen Irak en de internationale gemeenschap, in het bijzonder de Verenigde Naties, te bewerkstelligen. Dit veronderstelt onder meer dat Irak elke samenwerking met de VN niet categorisch blijft afwijzen.
De Belgische regering is voorstander van elke maatregel die gericht is op de verbetering van de humanitaire toestand in Irak. Gelet op de situatie is dit erg belangrijk. Op korte termijn lijkt het Britse voorstel hiertoe goede kansen te bieden. België kan zich dan ook akkoord verklaren met deze benadering, zolang het hoofddoel, namelijk de opschorting vervat in resolutie 1284 van de Veiligheidsraad en de definitieve opheffing van de sancties, niet uit het oog wordt verloren. Beide elementen zijn voor ons land van gelijk belang.
Ik beklemtoon dat er inzake de wapeninspecties geen fundamentele meningsverschillen bestaan tussen de leden van de internationale gemeenschap. Ook landen die zich kritisch hebben opgesteld tegenover resolutie 1284 van de Veiligheidsraad, zijn van oordeel dat in eerste instantie een zekere vorm van controle gehandhaafd dient te worden. Zo zijn ook Frankrijk en Rusland op het ogenblik geen voorstander van een opheffing zonder meer, zonder de minste toezegging van Irak. Het blijft zeer belangrijk om zich ervan te vergewissen dat Irak niet langer de middelen heeft om een gevaar te vormen voor de regio of voor zijn burgerbevolking.
Het Britse voorstel vraagt een onvoorwaardelijke versoepeling van het embargo. Ik wens in dit verband op te merken dat het voorstel van resolutie 1258, sectie IIIa, van de Kamer van volksvertegenwoordigers op een belangrijk punt overeenkomt met het Britse voorstel. Er wordt op een eenzijdige opheffing van het economische embargo aangedrongen, maar niettemin wordt gevraagd het embargo op de levering van wapens en militaire technologie te handhaven. Het Britse voorstel beoogt precies een liberalisering van de handel met Irak, zodat de toestemming van het sanctiecomité niet langer vereist is. Een uitzondering wordt gemaakt voor goederen die bestemd zijn voor militair gebruik of die daarvoor in aanmerking kunnen komen.
De heer Wim Verreycken (VL. BLOK). - Niet via de parlementaire kanalen, zoals de commissie, maar via de media vernamen we dat de minister van Volksgezondheid een infobrochure klaar heeft over de drugswet. Volgens de krant zal de brochure op 600 000 exemplaren verschijnen en zullen de politiediensten geen proces-verbaal meer opstellen wanneer ze cannabis aantreffen die voor eigen gebruik bestemd is. Op bladzijde 17 van de brochure staat dat er geen proces-verbaal wordt opgesteld wanneer volwassenen een hoeveelheid cannabis in hun bezit hebben. Ze zullen dus ook niet meer worden vervolgd. Deze maatregel is in strijd met het wetboek van Strafvordering. Wanneer een misdrijf wordt vastgesteld, moet er altijd een proces-verbaal worden opgesteld. Niet de regering, maar het parket moet beslissen of er al dan niet wordt vervolgd. In de brochure wordt het principe van de scheiding der machten meer dan eens geweld aangedaan.
Meent de minister niet dat zij met haar opmerkingen tijdens de persconferentie de indruk heeft gewekt dat de parlementaire werking niets meer is dan een goedbetaalde bezigheidstherapie? In de brochure staat immers: "De regering zal de wet van 1921 aanpassen". Sedert wanneer houdt de regering zich daarmee bezig? Dat is de taak van het parlement. Waartoe dient het parlement dan? De regering kan een wetsontwerp indienen, maar de aanpassing van de wet behoort tot de bevoegdheid van de wetgevende macht.
Er is nog geen nieuwe drugswet en het is helemaal niet zeker dat die er zal komen. Het behoort tot de prerogatieven van het parlement om een wetsontwerp van de regering te aanvaarden of te verwerpen. Toch geeft de minister nu reeds een infobrochure uit alsof de nieuwe regeling al van toepassing is. De ministers van Volksgezondheid en van Justitie hebben in het verleden onduidelijkheid gecreëerd, die door deze brochure nog wordt vergroot.
Graag had ik vernomen wat de kostprijs is van deze brochure. Is er afgesproken dat de meerderheid het regeringsontwerp hoe dan ook moet goedkeuren ten einde geen crisis uit te lokken? Er rijzen een heleboel vragen, die dringend moeten worden opgehelderd omdat ze strijdig zijn met het principe van de scheiding der machten.
Mevrouw Magda Aelvoet, minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu. - Tijdens het parlementair debat over de drugsnota en het daarin voor de volgende jaren uitgestippelde beleid is vanuit vele fracties de vraag gekomen daaromtrent de nodige informatie te verspreiden. Toen al hebben wij een informatiebrochure over het beleidsplan aangekondigd. Die weerspiegelt wat in de beleidsnota die reeds in de Kamer werd bediscussieerd en goedgekeurd, staat.
In de brochure wordt uiteengezet wat er moet gebeuren inzake preventie, zorgverlening en de organisatie van de samenwerking tussen de verschillende diensten. Het is normaal dat de bevolking wordt geïnformeerd. Het Vlaams Blok weet blijkbaar niet wat het wil. In maart van dit jaar vraagt de heer De Man waar die brochure blijft. Als die er dan is, protesteert het Blok dat we met een brochure durven komen vooraleer er een wetswijziging is.
De te verwachten veranderingen in het strafrecht zijn in de brochure duidelijk aangegeven onder het hoofdpunt Wat zal in de toekomst nog strafbaar zijn en wat niet? Het is dus duidelijk dat wat wordt voorgesteld niet onmiddellijk van toepassing is. Uiteraard zal het Parlement beslissen. We zullen dan zien of dat bepaald onderdeel van het beleidsplan dat, zoals werd opgemerkt, veel meer inhoudt dan een kleine wijziging van de Strafwet, de steun krijgt van het Parlement. Ik twijfel daar niet aan, maar wens niet vooruit te lopen op de gebeurtenissen. Wordt een wijziging goedgekeurd, dan is er nog de tijd om het nodige te doen. In de meeste landen van Europa worden beleidsnota's naar het publiek verspreid, ook over zaken die gespreid in de tijd worden gerealiseerd, juist omdat dit gevoelig ligt bij de bevolking.
In de beleidsnota werd duidelijk aangekondigd dat er heel wat aandacht zou gaan naar informatie. Die moet ook een ontradend karakter hebben. Daarvoor moet een deel van de vrijgemaakte middelen worden gebruikt. Ik ken momenteel niet de juiste kostprijs, maar de eindafrekening voor de brochure wordt geraamd op 7 miljoen. De budgettaire middelen zijn er in elk geval. Ik zie dus geen probleem. In het verleden hebben we 1,7 miljoen uitgegeven voor een reeks krantenadvertenties om een aantal groteske vertekeningen over de inhoud van ons beleid bij te stellen.
De brochure beantwoordt aan een reële informatienood. Er is een grote bereidheid van de gemeenschappen en de gewesten om mee te helpen aan de verspreiding ervan. Ik heb dus niet geraakt aan de prerogatieven van het Parlement. In de beleidsnota staan de intenties van de regering en wij hebben de verantwoordelijkheid om de publieke opinie correct te informeren.
De heer Wim Verreycken (VL. BLOK). - Er vallen mij enkele eigenaardigheden op. Mevrouw de minister verwijst geregeld naar de drugsnota van de heer De Ruyver. Ze verwart de brochure die de drugnota-De Ruyver moest verduidelijken met wat ze nu schrijft: "De regering zal de drugswet aanpassen.". Er staat niet dat de regering aan het Parlement zal voorstellen de drugswet aan te passen, wel dat de regering de wet zal aanpassen. Er wordt hier geen rekening gehouden met de scheiding van de bevoegdheden.
De minister verwijst naar de titel van een bepaald hoofdstuk waaruit moet blijken dat het over de toekomst gaat. De brochure gebruikt nochtans de tegenwoordige tijd. De titel op bladzijde 19 luidt: Is de nieuwe regeling van cannabisgebruik al van toepassing? Daarop volgt dan het antwoord: "De nieuwe regeling is alleen van toepassing op meerderjarigen" en niet "zal misschien van toepassing zijn als de wet wordt gewijzigd". In de brochure staan dus fouten en tegenstrijdigheden die de onduidelijkheid voor de burgers groter maakt.
In verband met het antwoord over de kostprijs wil ik doen opmerken dat voor een dergelijke grote uitgave een offerte moet worden gevraagd. Het antwoord van de minister dat ze niet weet hoeveel het zal kosten en de uitgaven op zo'n 7 miljoen raamt, lijkt me dus geen uiting van goed bestuur. Ik vraag dan ook zo vlug mogelijk de correcte prijs te krijgen.
Ik heb de indruk dat de partijpolitieke gedrevenheid de uitvoerende macht voorbij steekt. De partijpolitieke gedrevenheid naar de legalisering van drugs en de uitvoering van de nota van "minister" De Ruyver gaat voorbij aan de parlementaire prerogatieven. Een uitvoerder die geen wetgevende macht aanvaardt, wordt een dictator genoemd. Ik heb daarmee een problemen.
De voorzitter. - De heer André Flahaut, minister van Landsverdediging, antwoordt namens de heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken.
Mevrouw Fatma Pehlivan (SP). - In de jaren '80 kwam er in Europa een discussie op gang over het vrij verkeer van personen. Dat resulteerde enkele jaren later in de Schengenakkoorden. De grenscontroles tussen de deelnemende staten verdwenen en het vrij verkeer van personen binnen de Schengenruimte werd mogelijk gemaakt. De akkoorden mondden echter ook uit in de intentie een gecoördineerd beleid van toelating aan de buitengrenzen te voeren: wie de Schengenruimte wenst te betreden, moet voldoen aan een aantal criteria en heeft, afhankelijk van de nationaliteit, al dan niet een visum nodig.
Zwitserland behoort niet tot de Schengenruimte. Toch is een visum voor wie de Zwitserse nationaliteit bezit binnenkort niet meer nodig als gevolg van de overeenkomst tussen Zwitserland en de Europese Unie. Voor allochtonen die in Zwitserland wonen, maar de Zwitserse nationaliteit niet hebben, blijft een visum meestal een vereiste.
In een Turkse krant van vorige week lazen we dat de uitreiking van visa elk jaar opnieuw een probleem vormt. Dat geldt ook voor de Turkse gemeenschap in Zwitserland. Elk jaar vragen Turken een visum voor een kort verblijf. Zij wensen tijdens de zomervakantie vrienden of familie te bezoeken in een van de Schengenlanden of in Turkije, waarvoor zij dan een van de Schengenlanden moeten doorkruisen. In beide gevallen is een visum vereist. Tussen de aanvraag en het verkrijgen van een visum verlopen minimaal drie maanden. Wanneer de zomervakantie nadert staan er ellenlange files aan de ambassades.
Is de minister van dit onderscheid op de hoogte? Moeten de criteria voor een visum voor kort verblijf niet veeleer bepaald worden op basis van het verblijf, dan op basis van nationaliteit?
Hoe staat hij tegenover dit onderscheid? Is hij bereid dit probleem aan te kaarten wanneer hij zijn collega's ontmoet tijdens het Belgisch voorzitterschap van de Europese Unie? Zal hij dit ook bespreken met onze minister van Buitenlandse Zaken?
De heer André Flahaut, minister van Landsverdediging. - Ik lees het antwoord van mijn collega voor.
De voorschriften met betrekking tot de visa voor verblijven van maximum drie maanden worden geregeld door artikel 62, punt 2, b) van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en maken dus voortaan deel uit van het communautair domein. Dit impliceert dat elke beslissing betreffende de lijsten met landen waarvan de onderhorigen onderworpen zijn aan of vrijgesteld van visumverplichting ressorteert onder communautaire regels en procedures.
Dienaangaande is op 10 april 2001 het reglement van kracht geworden tot vaststelling van de lijst met derde landen waarvan de onderhorigen onderworpen zijn aan de visumverplichting voor het overschrijden van de buitengrenzen van de lidstaten en van de lijst met de landen waarvan de onderhorigen van die verplichting zijn vrijgesteld.
De vaststelling van landen waarvan de onderhorigen zijn onderworpen aan de visumverplichting en van landen waarvan de onderhorigen ervan vrijgesteld zijn, geschiedt via een afgewogen evaluatie, geval per geval, van verschillende criteria die gekoppeld zijn aan de clandestiene immigratie, de openbare orde en de veiligheid, evenals aan de externe betrekkingen van de Unie met derde landen, rekening houdend met de implicaties van de gewestelijke coherentie en de wederkerigheid.
De evaluatie van de criteria die ik zopas heb opgesomd, kan slechts gebeuren ten opzichte van landen en niet van soorten visa. Dit betekent eveneens dat de onderhorigen die buiten hun land gehuisvest zijn buiten de Schengenzone, een visum moeten vragen om de Unie binnen te komen.
Het spreekt vanzelf dat bij de behandeling van de visumaanvragen het ingeroepen motief voor het verkrijgen van het visum doorslaggevend is. Een aanvraag met als doel een familiebezoek, bijvoorbeeld van een moeder die haar kinderen in België wenst te bezoeken, wordt anders behandeld dan een aanvraag voor een toeristisch bezoek, al was het maar door de aard van de gevraagde bewijsstukken. Bijgevolg krijgt elke visumaanvraag een eigen behandeling, rekening houdend met de naar voren gebrachte motieven voor het verkrijgen ervan.
Het punt aangaande ons voorzitterschap staat niet aan de agenda.
Ter informatie deel ik nog mee dat de Zwitsers sedert talrijke jaren vrijgesteld zijn van de visumplicht.
Mevrouw Fatma Pehlivan (SP). - Ik heb een probleem met het feit dat inzake visa een onderscheid wordt gemaakt tussen groepen van mensen die in de Europese Unie wonen, al dan niet in de Schengenlanden, of in Zwitserland. Ik vind dat allochtonen die al geruime tijd wettelijk in die landen verblijven op dezelfde manier mogen worden behandeld als de EU-onderdanen.
De heer André Flahaut, minister van Landsverdediging. - Ik zal uw verzoek om bijkomende informatie aan mijn collega meedelen.
Mevrouw Fatma Pehlivan (SP). - Ik hoop dat aan dit dossier de nodige aandacht zal worden besteed.
De heer Ludwig Caluwé (CVP). - Eerstdaags, als ik me niet vergis dinsdag 5 juni, zal het nieuwe dubbelbelastingverdrag tussen België en Nederland worden ondertekend.
Meer en meer rijst de vraag of dit voor België en de Belgen wel zo'n goede zaak is. Over de concrete bepalingen konden we in België tot nog toe niet veel vernemen, terwijl in Nederland over de gevolgen voor de Nederlandse grensarbeiders wel uitgebreide informatie gegeven en ingewonnen werd. De Nederlandse commissie-Linschoten is meer dan een jaar aan het werk geweest.
Dankzij die commissiewerkzaamheden en enkele andere indiscreties hebben we over de inhoud toch wat meer vernomen en wat we vernomen hebben, verontrust ons. De fiscale en sociale heffingen op hetzelfde inkomen uit arbeid zullen volgens de regelgeving van hetzelfde land gebeuren. Dat is een goede zaak. De vraag is echter of daarbij de juiste landkeuze is gemaakt. Er is geopteerd voor het werkland. Dit maakt het interessanter om te werken in Nederland, omdat de heffingen op inkomen uit arbeid daar lager uitvallen, terwijl het interessanter is om te wonen in België, omdat de huisvestingskosten en de indirecte en lokale belastingen hier lager zijn.
Dit zal dus aanleiding geven tot een aantal fricties, waarvan we de eerste nu reeds vaststellen. Het zal voor de Vlaamse industrie moeilijker worden om op een krappe arbeidsmarkt goede werkkrachten te vinden. De werkgeversorganisaties hebben hiervoor reeds uitdrukkelijk gewaarschuwd. Vlaamse werknemers zullen liever in Nederland gaan werken, terwijl Nederlandse werknemers niet meer naar Vlaanderen zullen komen. Het rapport van de commissie-Linschoten zorgt weliswaar voor een integrale compensatie van de Nederlandse grensarbeiders in België, maar enkel voor degenen die vandaag al in België werken, niet voor eventuele nieuwe.
De Belgische grensgemeenten zullen af te rekenen krijgen met een nog grotere stroom aan inwijkelingen uit het noorden. Het dubbelbelastingverdrag voorziet weliswaar in een fiscale compensatie voor de grensgemeenten - ook al tasten we nog altijd in het duister over de concrete inhoud daarvan -, maar dit lost voor de grensgemeenten maar een deel van het probleem op. De druk op de woningmarkt zal hoe dan ook blijven bestaan.
Is het niet beter te kiezen voor het woonlandbeginsel en de Belgische grensarbeiders die daar nadeel van ondervinden, integraal te compenseren, zoals Nederland nu voor de Nederlandse grensarbeiders in België voorstelt? Acht de minister het nog opportuun om het nieuwe dubbelbelastingverdrag zoals het nu is te ondertekenen?
De heer Didier Reynders, minister van Financiën. - Het is niet de eerste keer dat ik op een vraag hierover moet antwoorden.
Het op 10 november 1999 geparafeerde nieuwe Belgisch-Nederlandse dubbelbelastingverdrag omvat, in tegenstelling tot het bestaande verdrag van 19 oktober 1970, geen regeling die het recht op het heffen van belastingen op het arbeidsinkomen van grensarbeiders in principe aan de woonplaatsstaat toewijst. In het nieuwe dubbelbelastingverdrag wordt het recht op het heffen van belastingen op het arbeidsinkomen inderdaad principieel aan de werkstaat toegekend.
Ik vestig de aandacht van de heer Caluwé erop dat het model van fiscaal verdrag van de OESO het recht op het heffen van belastingen op het arbeidsinkomen principieel aan de werkstaat toewijst. Dit komt bovendien overeen met de Europese basisregeling inzake sociale zekerheid, meer bepaald de EEG verordening 1408/71, die stipuleert dat de sociale bijdragen in principe in de werkstaat verschuldigd zijn.
De vervanging van het beginsel van de woonplaatsstaat door het werkland gaat natuurlijk gepaard met passende begeleidingsmaatregelen in het nieuwe verdrag. Bovendien heb ik reeds herhaalde malen bevestigd dat, indien in de toekomst mocht blijken dat er negatieve gevolgen zijn voor de Belgische grensarbeiders, mijn departement samen met de diensten van het ministerie van Sociale Zaken in het kader van een werkgroep ad hoc daarvoor een oplossing zal trachten te vinden.
Ik acht het bijgevolg niet opportuun in te gaan op het voorstel de discussie te heropenen en te opteren voor het woonlandbeginsel. Ik ben dan ook niet van plan de ondertekening van het nieuwe bilaterale verdrag uit te stellen. Volgende week zullen we het verdrag ondertekenen en misschien kan in een werkgroep samen met collega Vandenbroucke een oplossing worden gezocht voor sommige problemen van Belgische grensarbeiders. We blijven echter vasthouden aan de toepassing van een algemeen principe dat door de OESO en de Europese Unie is goedgekeurd.
De heer Ludwig Caluwé (CVP). - Ik dank de minister voor zijn consequent antwoord, dat zijn eerdere verklaringen bevestigt.
Ik wijs er nogmaals op dat de internationale regels bij het dubbelbelastingverdrag tussen België en Frankrijk niet werden gevolgd. Ze hoeven dus blijkbaar niet altijd zo absoluut en consequent te worden toegepast.
Bovendien zal het grote probleem niet zozeer bij de Belgische grensarbeiders in Nederland liggen, maar bij de Belgische werkgevers, die geen goede werkkrachten meer zullen vinden. Dit moet ook Europees worden bekeken. Het is altijd aangewezen alle belastingen in eenzelfde land te betalen. Indien de indirecte en lokale belastingen in het ene land en belastingen op het inkomen in het andere land wordt betaald, ontstaan er onvermijdelijk fricties en groeit het beleid scheef. Indien de minister het verdrag toch wil ondertekenen, dan ben ik van mening dat de Senaat er - in weerwil van de geplogenheden - toch een fundamenteel debat over moet voeren en het niet automatisch moet goedkeuren.
De heer Didier Reynders, minister van Financiën. - Het klopt dat het verdrag nog door het Parlement moet worden goedgekeurd en het is normaal dat we hierover een grondig debat voeren.
Misschien is dit eerder een probleem van fiscale concurrentie tussen twee Europese lidstaten en moeten we dus niet zozeer een ander verdrag sluiten, maar wel werken aan een vermindering van de fiscale en sociale lasten. Dat gebeurde al met de verlaging van de sociale bijdragen in 2000 en ook de verlaging van 2002 zal daartoe bijdragen. We werken bovendien ook aan een verlaging van de personenbelasting. Volgende week bespreekt de Kamer mijn fiscale hervorming. Ik hoop dat deze verschillende maatregelen die de sociale en fiscale lasten verminderen, zullen leiden tot een betere concurrentiepositie voor de Belgische werkgevers.
De heer Ludwig Caluwé (CVP). - Een harmonisatie van de sociale en fiscale regelgeving in Europa en zeker tussen buurlanden is natuurlijk de ideale oplossing. Het is echter ook de langste en moeilijkste weg en ik vrees dat de jaren tussenin bijzonder moeilijk zullen worden.
De voorzitter. - De heer André Flahaut, minister van Landsverdediging, antwoordt namens de heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken.
De heer Alain Destexhe (PRL-FDF-MCC). - Er lopen een vijftiental gerechtelijke onderzoeken tegen Rwandezen die zich vermoedelijk schuldig hebben gemaakt aan genocide en die in België verblijven. Sommigen onder hen, aan wie het statuut van politiek vluchteling door het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen werd geweigerd, hebben een regularisatie aangevraagd. Werden de nodige maatregelen genomen of gepland om te voorkomen dat de verdachten het voor de regularisatie vereiste administratieve document zouden krijgen?
Ook andere Rwandezen die in ons land verblijven, maar tegen wie geen gerechtelijk onderzoek loopt, worden genoemd door mensenrechtenorganisaties als daders van misdaden tegen de menselijkheid. Kan hun regularisatie voorkomen worden?
Ik verwijs naar het onaanvaardbare geval van Augustin Ndindiliyimana die ondanks de aanvankelijke weigering van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen, als politiek vluchteling werd aanvaard door de Vaste Beroepscommissie en die nadien op vraag van de procureur van het Internationaal Arushatribunaal werd aangehouden en naar Arusha gebracht om er te worden berecht.
Volgens sommige bronnen zou Vincent Ntezimana, die momenteel voor het Hof van Assisen te Brussel terechtstaat en van wie de asielaanvraag door het CGVS werd geweigerd op basis van de uitsluitingsclausule van de Conventie van Genève van 1951, in het kader van de regularisatieprocedure het vereiste document gekregen hebben? Klopt deze bewering? Zo ja, kan de minister dit uitleggen?
De heer André Flahaut, minister van Landsverdediging. - Ik deel u het antwoord mee van de minister van Binnenlandse Zaken.
Volgens artikel 5 van de wet van 22 december 1999 kunnen mensen die een gevaar betekenen voor de openbare orde of de nationale veiligheid van regularisatie worden uitgesloten.
De minister baseert zich hiervoor op het verslag van de Dienst Vreemdelingenzaken dat onder meer steunt op gegevensbanken aangaande het strafblad. Als de Staatsveiligheid over gegevens beschikt met betrekking tot de aanvrager, wordt dit gemeld.
Zodra de Dienst Vreemdelingenzaken weet heeft van gedragingen die laten vermoeden dat de aanvrager in de toekomst een bedreiging kan vormen voor de openbare orde en de nationale veiligheid, wordt aan de minister voorgesteld om de betrokkene van regularisatie uit te sluiten. De minister moet evenwel met alle elementen van het dossier rekening houden. De gevolgen van de uitsluiting moeten in verhouding staan tot de bestaande vermoedens, opdat de beslissing later niet zou worden vernietigd door de Raad van State.
De minister verwijst naar de bespreking van het wetsontwerp in de Senaat en in de Kamer. Hij heeft toen de in acht te nemen elementen in verband met de openbare orde en de nationale veiligheid uitdrukkelijk toegelicht.
Wat de regularisatieaanvraag van de heer Ntezimana betreft, voldeed de betrokkene aan de criteria van de wet van 22 december 1999. Volgens het wachtregister verblijft betrokkene sinds 1994 in België samen met zijn echtgenote en drie minderjarige kinderen. De aanvraag was gebaseerd op het criterium van een asielprocedure die, naargelang het geval er al dan niet schoolplichtige kinderen zijn, langer heeft geduurd dan vier of drie jaar. Deze voorwaarde is vervuld. Het asiel wordt nu behandeld door de Vaste Beroepscommissie.
(Voorzitter: mevrouw Sabine de Bethune, eerste ondervoorzitter.)
Volgens het secretariaat van de commissie was er geen enkel element om een regularisatie te weigeren. Er werd op 10 juli 2000 dan ook een gunstig advies verleend.
De Dienst Vreemdelingenzaken heeft de minister op 17 november 2000 laten weten dat er geen problemen waren voor de openbare orde en nationale veiligheid. De betrokkene werd niet gezocht en er was dus geen reden om hem van regularisatie uit te sluiten. In een nota van 4 februari 2000 aan de Dienst Vreemdelingenzaken, verwees de minister naar inbreuken op het internationaal strafrecht, met name genocide en oorlogsmisdaden, die in elk dossier moeten worden onderzocht. Op dat ogenblik was de betrokkene niet veroordeeld en waren er geen aanwijzigen om hem van regularisatie uit te sluiten. Om die reden werd op 4 december 2000 opdracht gegeven om hem in te schrijven in het vreemdelingenregister, wat op 13 december 2000 gebeurde.
Aan de directeur-generaal van de Dienst Vreemdelingenzaken werd nog een bijkomende nota gevraagd ter verduidelijking van het positief advies in verband met de openbare orde en de nationale veiligheid. De minister kan altijd een beslissing tot terugdrijving nemen om een einde te maken aan het verblijf van een persoon die voorheen in het kader van de regularisatieprocedure een verblijfsvergunning heeft gekregen.
Als de geregulariseerde veroordeeld wordt en er wordt vermoed dat hij een gevaar betekent voor de openbare orde en de nationale veiligheid kan hij altijd van het grondgebied worden verwijderd. Dat geldt ook voor de heer Ntezimana. Daarbij moet wel rekening gehouden worden met de rechtspraak van de Raad van State, wat inhoudt dat betrokkene in de toekomst een gevaar moet vormen voor de openbare orde of de nationale veiligheid. Dit geval illustreert de inhoudelijke moeilijkheden die zich naar aanleiding van de regularisatiecampagne kunnen voordoen.
De heer Alain Destexhe (PRL-FDF-MCC). - Ik dank u voor het uitgebreide antwoord. Ik ben verbijsterd door het feit dat de heer Ntezimana eind december 2000 kon worden geregulariseerd, terwijl hij nu in mei terechtstaat voor het Hof van Assisen te Brussel.
Tienduizenden wachten op hun regularisatie, er worden parlementaire vragen gesteld over de opgelopen vertraging, en iemand die verdacht wordt van genocide kan zo snel worden geregulariseerd. Dat is onbegrijpelijk en absoluut onaanvaardbaar.
Wij hebben allen gezien dat deze meneer over een buitengewoon netwerk van beschermheren beschikt, ondanks de zware beschuldigingen aan zijn adres. Wellicht heeft hij ook steun genoten binnen de Commissie zelf. Sommige migranten die hier al jarenlang verblijven, wachten nog steeds op regularisatie.
Ik verzoek de heer Flahaut toch mijn protest mee te delen aan minister Duquesne. Ik vraag een intern onderzoek om na te gaan waarom de heer Ntezimana werd geregulariseerd, of hij een voorkeursbehandeling heeft gekregen en waarom niet werd gewacht heeft op de uitspraak in het lopende Assisenproces. De heer Flahaut zou over deze zaak ook iets kunnen zeggen, zelfs als ze zijn departement niet betreft, aangezien ze toch geen enkele democraat onberoerd laat.
De heer André Flahaut, minister van Landsverdediging. - Ik zal het standpunt van de heer Destexhe aan de minister van Binnenlandse Zaken meedelen. Om deontologische redenen zal ik mij niet in dit debat mengen.
De voorzitter. - De heer André Flahaut, minister van Landsverdediging, antwoordt namens de heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken.
Mevrouw Meryem Kaçar (AGALEV). - Ons land is opgenomen in het jaarverslag van Amnesty International. Amnesty International heeft onder meer opmerkingen bij de gedwongen repatriëringen en deportaties. De opmerkingen van Amnesty International dienen au sérieux te worden genomen. De regelgeving omtrent gedwongen repatriëring ligt vast en verbiedt elke vorm van mishandeling, ook tijdens gedwongen repatriëringen. Toch gebeurt dat, jammer genoeg, nog altijd. Ook deportaties kunnen niet worden ontkend. Denk maar aan de Gentse Roma-zigeuners die in 1999 massaal zijn opgepakt en op het vliegtuig gezet.
Ik wil hier geen klaagzang houden. Zoals Amnesty International zelf zegt, is het beter een kaars aan te steken dan te klagen over hoe donker het wel is. Wel verwacht ik van de minister antwoord op volgende vragen.
Wat is de regelgeving omtrent de gedwongen repatriëringen? Ze moeten objectief en doorzichtig zijn om de naleving ervan te kunnen controleren.
Welke maatregelen zal hij nemen om mishandelingen door het veiligheidspersoneel objectief te kunnen onderzoeken?
De heer André Flahaut, minister van Landsverdediging. - Minister Duquesne maakt bezwaar tegen het woord "deportatie" omdat het volgens hem een anglicisme is. In het Engels gebruikt men dit woord inderdaad als een neutrale en administratieve term voor de uitwijzing van een vreemdeling. In het verslag van Amnesty vermijdt men dit woord te gebruiken. Het is niet de bedoeling van de minister de beweringen of getuigenissen die Amnesty aanhaalt, te relativeren of te minimaliseren. Amnesty heeft overigens gelijk voorzichtig te zijn. De organisatie heeft immers geen contact opgenomen met het kabinet van Binnenlandse Zaken om de informatie te toetsen. Het is niet de eerste en wellicht ook niet de laatste keer dat België in een verslag van Amnesty genoemd wordt. Het verheugt de minister dat de organisatie evenveel aandacht besteedt aan de toestand in de ontwikkelde westerse landen als in de andere landen.
De minister verklaart dat hij alle getuigenissen omtrent misbruiken van politiediensten ernstig neemt en daarvoor niet op het verslag heeft gewacht. Hij vermeldt de maatregelen die hij onlangs heeft genomen om de zaak rond Ibrahim Bah op te helderen. Een jaar geleden is hetzelfde gebeurd naar aanleiding van de gedwongen verwijdering van Matthew Selu waarrond in de pers en door een aantal politieke verantwoordelijken veel ophef werd gemaakt. Het parket van de procureur des Konings heeft naderhand vastgesteld dat het om opgezet spel ging.
De personen van wie de papieren niet meer in orde zijn of die nooit papieren hebben gehad, moeten het land uit, net als degenen van wie de asielaanvraag tweemaal werd afgewezen.
Een gedwongen verwijdering is altijd een mislukking. Normaal gezien moet de betrokkene zelf het initiatief nemen om het grondgebied te verlaten. Hiertoe werden talrijke maatregelen en stimuli uitgewerkt.
De verwijderingsprocedure wordt zo strikt mogelijk uitgevoerd. Niemand wordt gedwongen verwijderd zonder dat zijn dossier door de diensten van het kabinet aan een laatste onderzoek is onderworpen. De sociale dienst van de Dienst Vreemdelingenzaken begeleidt de procedure, waarbij zeer strikte regels moeten worden gevolgd.
Minister Durant heeft een besluit uitgevaardigd dat duidelijke rechten en instructies bevat voor de piloten en de ordehandhavers wanneer er zich een te verwijderen persoon aan boord van het vliegtuig bevindt. In het verslag van Amnesty wordt dit besluit als een positieve maatregel omschreven.
Een incident is uiteraard nooit volledig uitgesloten. De minister van Binnenlandse Zaken geeft toe dat zijn personeel niet onfeilbaar is.
Elke klacht wordt grondig onderzocht door de directeur-generaal van de Dienst Vreemdelingenzaken, de directeur-generaal van de administratieve politie en de algemene inspectie van de federale en de lokale politie.
De procedures van gedwongen verwijdering worden voortdurend geëvalueerd en men gaat na op welke manier ze kunnen worden verbeterd.
Een technische werkgroep onderzoekt de verschillende mogelijkheden om de personen die fysieke weerstand bieden, tot betere inzichten te brengen, onder meer door een alternatief te zoeken voor het gebruik van handboeien.
Tevens wil men bij de Dienst Vreemdelingenzaken een betere psychologische begeleiding bieden aan de personen die moeten worden gerepatrieerd. De minister van Binnenlandse Zaken verwacht vóór het einde van volgende maand concrete voorstellen.
De minister heeft beslist de maatregelen die voortvloeien uit de aanbevelingen van het verslag van de commissie-Vermeersch over de verwijderingen, grondig te evalueren. Hij zal weldra een beslissing nemen over de te volgen methodologie.
Mevrouw Iris Van Riet (VLD). - Het personeel van het kwartier Westakkers in Haasdonk bij Sint-Niklaas protesteerde onlangs tegen een mogelijke sluiting. Als de Westakkerskazerne effectief wordt gesloten, betekent dat een zware klap voor de werkgelegenheid en de economie in de regio.
Waarom wordt de sluiting van het kwartier Westakkers overwogen? Gaat het om een rationalisering, een zoeken naar meer rendement?
Als de sluiting er effectief komt, wat gebeurt er dan met het personeel? Waarom werd er in de periode 2000-2001 nog voor een bedrag van ruim 160 miljoen geïnvesteerd in nieuwe riolering, vernieuwing van sanitaire installaties, dakbedekkingen en aanpassing van gebouwen?
Wat zal er in geval van sluiting gebeuren met het domein en de gebouwen? Blijven die eigendom van het departement Landsverdediging of worden ze verkocht?
De heer André Flahaut, minister van Landsverdediging. - De budgettaire beperkingen en de inkrimping van het personeelsbestand dwingen mijn departement tot grondige studies met het oog op het behoud van een efficiënte krijgsmacht, die met maximale veiligheidsgaranties kan optreden. De studies worden verricht door verschillende werkgroepen van mijn departement en zullen waarschijnlijk tot de conclusie leiden dat er eenheden moeten worden afgeschaft en kazernes gesloten en/of gereorganiseerd. De studies zijn op het ogenblik nog niet zover dat er precieze aanbevelingen kunnen worden geformuleerd. Zo lang de nieuwe structuur van de krijgsmacht en de toekomstige onderbrenging van de eenheden niet definitief is vastgelegd, ben ik niet van plan de mogelijke sluiting waarnaar mevrouw Van Riet verwijst, te ontkennen of te bevestigen. In het algemeen belang moeten de studies over de herstructurering van het leger immers in de grootst mogelijke sereniteit worden voortgezet.
Nochtans kan ik mevrouw Van Riet verzekeren dat ik met inachtneming van de krachtlijnen die de regering bij de goedkeuring van het strategisch plan in mei 2000 heeft vastgelegd, erop zal toezien dat de herstructurering coherent en op een sociaal verantwoorde manier verloopt.
Mevrouw Iris Van Riet (VLD). - Heeft de minister enig idee wanneer de beslissing over het kwartier Westakkers en over eventuele andere dossiers zal worden genomen?
De heer André Flahaut, minister van Landsverdediging. - Dat weet ik niet. Ik kan enkel zeggen dat het voor zulke beslissingen op dit ogenblik nog te vroeg is.
Mevrouw Marie-José Laloy (PS). - In de meeste gevallen waarin een minderjarig kind door een ouder of een ex-partner wordt ontvoerd, wordt geen kinderbijslag meer uitbetaald.
Naast de traumatische ervaring en de moeilijke zoektocht wordt de ouder die het slachtoffer is, vaak met financiële problemen geconfronteerd. Net als het beheerscomité van de RKW vind ik het niet rechtvaardig hem of haar te straffen op een ogenblik dat alle mogelijke financiële middelen welkom zijn.
Noch de wetgeving, noch de administratieve reglementering, noch de rechtspraak geeft momenteel een bevredigende oplossing voor dit probleem.
Er moet een aangepast stelsel komen naar analogie van de maatregelen die voor vermiste kinderen werden genomen.
Het beheerscomité van de RKW zou de minister hebben voorgesteld de wet zodanig te interpreteren dat de kinderbijslag verder wordt uitbetaald. Ook moet de reglementering worden aangepast voor het geval de rechthebbende tijdens de ontvoering verdwijnt.
Hoe vordert dit zeer delicate dossier? Mogen we een rondzendbrief verwachten die artikel 69 van de gecoördineerde wetten interpreteert? Komen er een koninklijk en een ministerieel besluit in uitvoering van artikel 102, §1, van de gecoördineerde wetten?
De heer Frank Vandenbroucke, minister van Sociale Zaken en Pensioenen. - Mevrouw Laloy wijst er terecht op dat de ouder die het slachtoffer is, niet alleen een drama meemaakt, maar bovendien ook het hoofd moet bieden aan aanzienlijke praktische problemen. De RKW stelt de volgende oplossingen voor.
Op basis van de bestaande wetgeving kan niet altijd kinderbijslag worden uitbetaald voor kinderen die het slachtoffer zijn van een ontvoering.
Zo rijzen er problemen rond de bepaling van de bijslagtrekkende, de persoon aan wie de kinderbijslag wordt uitbetaald, en de rechthebbende, de persoon die het recht op kinderbijslag heeft geopend. Ook kunnen problemen rijzen rond de territorialiteit van de prestaties.
Ik heb mijn administratie opgedragen een oplossing te vinden voor deze problemen.
Wat de vaststelling van de bijslagtrekkende betreft, zal een ministeriële rondzendbrief worden opgesteld om artikel 69 van de gecoördineerde wetten te interpreteren. Op basis van deze interpretatie zullen de betrokken instellingen kinderbijslag kunnen toekennen aan de ouder die vóór de ontvoering van het kind bijslagtrekkende was. Zo kunnen situaties worden gedeblokkeerd waarin niet langer kinderbijslag werd uitbetaald omdat geen bijslagtrekkende kon worden vastgesteld.
Met deze rondzendbrief zal het merendeel van de problemen kunnen worden opgelost.
Wat de rechthebbende betreft komen er een koninklijk en een ministerieel besluit in toepassing van artikel 102 van de genoemde gecoördineerde wetten. Dit artikel kent de Koning de mogelijkheid toe om de RKW te gelasten, onder voorwaarden die door de minister worden bepaald, aan bepaalde categorieën kinderbijslag uit te betalen.
Er zal ook een koninklijk besluit komen dat de rijksdienst in staat stelt kinderbijslag uit te betalen als de rechthebbende bij de ontvoering verdwijnt. Een ministerieel besluit zal het bedrag van de kinderbijslag bepalen.
Ten slotte zal een algemene afwijking van het territorialiteitsprincipe van de kinderbijslag worden toegestaan voor ontvoerde kinderen die verblijven in een land dat niet tot de Europese economische ruimte behoort of waarmee België geen bilaterale overeenkomst heeft gesloten, of wanneer de verblijfplaats onbekend is.
Aangezien de rondzendbrief sommige wettelijke bepalingen zeer ruim interpreteert, is het niet ondenkbaar dat er met het oog op de rechtszekerheid nog enkele wettelijke aanpassingen komen, met name van de artikelen 69 en 70 van de gecoördineerde wetten.
Mevrouw Marie-José Laloy (PS). - Ik dank de minister voor zijn snelle reactie op een dramatische situatie.
De voorzitter. - De heer Rik Daems, minister van Telecommunicatie en Overheidsbedrijven en Participaties, antwoordt namens de heer Guy Verhofstadt, eerste minister.
Mevrouw Marie Nagy (ECOLO). - Toen een aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning werd ingediend voor de bouw van een Europees perscentrum in het Résidence Palace, die in strijd was met het bijzonder bestemmingsplan, heeft de eerste minister persoonlijk een brief geschreven aan de overlegcommissie van de stad Brussel. Hij legde al zijn gewicht in de schaal om de Brusselaars uit te leggen waarom voor dit waardevolle gebouw, dat op verzoek van de Regie der Gebouwen niet werd beschermd, geen rekening moest worden gehouden met het bijzonder bestemmingsplan waarin was bepaald dat een deel van het gebouw voor huisvesting was bestemd. In zijn brief beloofde de eerste minister de Regie der Gebouwen te vragen een aantal voorwaarden op te nemen opdat verschillende delen van gebouw A van Résidence Palace een woonbestemming zouden krijgen.
De Brusselse gemeenteraad heeft onder die voorwaarden op advies van de overlegcommissie beslist van het bijzonder bestemmingsplan af te wijken. Iedereen ging ervan uit dat het engagement van de eerste minister voldoende garanties bood.
Wie de stedenbouwkundige vergunning van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest erop naleest, stelt vast dat de voorwaarden die de stad Brussel op aansporing van de eerste minister had opgelegd, niet worden nageleefd. Ze zijn veel minder streng en er is geen dwangsom vastgesteld voor het geval de verbintenissen niet worden nagekomen of de termijnen veel te lang worden.
Ik heb dan ook volgende vragen.
1. Zal de Regie der Gebouwen gebouw E op korte te termijn te koop aanbieden? Indien niet, waarom niet en binnen welke termijn dan wel? Zo ja, hebben zich kopers aangeboden?
2. Een van de voorwaarden van de overlegcommissie en de stad Brussel was dat bankgaranties werden voorgelegd. Zal deze verplichting worden opgelegd, zelfs al is ze niet uitdrukkelijk opgenomen in de overeenkomst tussen de Regie der Gebouwen en het Brussels Gewest?
3. In de overeenkomst stond onder meer dat gebouw E te koop zou worden aangeboden met de verplichting er woongelegenheid te creëren. Hoe zal deze verplichting hard worden gemaakt? Kiest de Regie der Gebouwen voor de optie die door de overlegcommissie en de stad Brussel wordt aanbevolen, namelijk dat een stedenbouwkundig attest wordt aangevraagd waarbij gebouw E een woonbestemming krijgt? Indien niet, hoe zal deze voorwaarde dan worden vervuld?
De heer Rik Daems, minister van Telecommunicatie en Overheidsbedrijven en Participaties. - Het klopt dat niet alle punten uit de brief van de eerste minister in de vergunning zijn overgenomen, wat abnormaal is. Natuurlijk reikt het gewest vergunningen uit en legt het de voorwaarden vast die volgens hem noodzakelijk zijn.
De Regie der Gebouwen heeft de overeenkomst tussen de federale overheid en het gewest opgesteld en ik heb die ondertekend.
Gebouw E zal inderdaad op korte termijn te koop worden aangeboden. De procedure zal uiterlijk eind juni worden opgestart. Er heeft zich nog geen enkele officiële koper aangeboden, maar we weten dat er veel kandidaten zijn.
De overeenkomst voorziet niet in bankgaranties, wel in een andere vorm van garantie. Als de woningen niet binnen een bepaalde termijn zijn voltooid...
Mevrouw Marie Nagy (ECOLO). - Dat is voor begin 2004.
De heer Rik Daems, minister van Telecommunicatie en Overheidsbedrijven en Participaties. - Ik dacht dat het om een termijn van twee jaar ging. Als de woningen tegen dan niet klaar zijn, wordt het gewest eigenaar. Ik zal de overeenkomst er nog eens op nalezen. Overigens wil ik u dit openbaar document gerust overhandigen. Er is dus een grotere garantie dan een bankgarantie, aangezien de koper de eigendom zou verliezen.
Volgens het originele BBP had gebouw E een woonbestemming. Het kreeg via een afwijking een andere bestemming. Het gaat enkel om de tenuitvoerlegging van het BBP; de bouw van woningen levert geen enkel probleem op. Mevrouw Nagy stelt een stedenbouwkundig attest voor waarbij gebouw E een woonbestemming krijgt. Als blijkt dat mijn informatie over het BBP niet correct is, zie ik geen enkel bezwaar om dit denkspoor te volgen.
Heel deze operatie bestaat erin dat de hoeveelheid noodzakelijke woningen wordt herverdeeld omdat gebouw C van het Résidence Palace voor het perscentrum is bestemd. Wat aan de ene kant verdwijnt, komt er aan de andere kant bij. Vandaar deze operatie voor gebouw E.
Aangezien de Regie der Gebouwen instaat voor de uitvoering, kan ik u verzekeren dat ik ervoor zal zorgen dat de operatie zo snel mogelijk verloopt. Ik heb de overeenkomt persoonlijk ondertekend en ben dus verantwoordelijk. Ik zal erop toezien dat de woningen volgens de overeenkomst worden gebouwd.
Een laatste punt is de aanwezigheid van een belangrijk museum, waarvoor we een ander onderkomen moesten vinden. De Ministerraad heeft een akkoord bereikt over de herbestemming van het gebouw van de "Sociale Voorzorg" aan de Luchtscheepvaartsquare om dit museum onder te brengen.
Dit is volgens mij de oorzaak van de vertraging. We willen vermijden dat het museum twee keer moet verhuizen.
Mevrouw Nagy mag de details van het dossier, waaronder de overeenkomst, op mijn kabinet of bij de administratie komen inkijken. Ik wil haar zelfs alle nuttige telefoonnummers geven en al mijn medewerkers ter beschikking stellen, zodat ze zich ervan kan vergewissen dat alles wat was overeengekomen en alle verbintenissen van de eerste minister worden nagekomen.
Mevrouw Marie Nagy (ECOLO). - Na een dergelijk aanbod kan ik alleen maar tevreden zijn.
Toch werd voor gebouw C van het bijzonder bestemmingsplan afgeweken. In dit unieke art-décogebouw bevindt zich het archief uit de Tweede Wereldoorlog. Als ik de minister goed begrepen heb, blijft dat voorlopig in het gebouw aan de Luchtscheepvaartsquare in Anderlecht.
Het gaat dus alleen om gebouw C, waar de eerste minister een perscentrum wil onderbrengen, maar waarvan hij heeft beloofd de verdiepingen een woonbestemming te geven. Deze verbintenissen waren in de uitgereikte vergunning opgenomen.
Toch is bepaald dat gebouw E voor huisvesting wordt voorbehouden. Dit is belangrijk, want het risico bestaat dat in de wijk geen enkele bewoner overblijft. Voor dit deel van het gebouw moet de vergunning binnen een termijn van drie maanden ten uitvoer worden gelegd, op straffe van een bankdwangsom. Een verlenging van de termijn tot 2004 zonder bankdwangsom is heel wat anders.
Ik zou graag hebben dat de Regie een aanvraag voor een stedenkundig attest indient en overgaat tot de verkoop en de herbestemming van dit gebouw, met respect voor de verbintenissen die de eerste minister en minister Daems tegenover de Brusselse overheden en inwoners zijn aangegaan.
De heer Jan Remans (VLD), rapporteur. - Op 22 februari 2001 heeft de Kamer van volksvertegenwoordigers het wetsontwerp tot goedkeuring van het samenwerkingsakkoord betreffende de sociale economie aangenomen. Aangezien samenwerkingsakkoorden een zuiver bicamerale aangelegenheid vormen, werd het ontwerp in de commissie voor de Sociale Aangelegenheden besproken tijdens de vergadering van 2 mei 2001, in aanwezigheid van de heer Johan Vande Lanotte, vice-eerste minister en minister van Begroting, Maatschappelijke Integratie en Sociale Economie.
De minister heeft verduidelijkt dat de bevoegdheden met betrekking tot de sociale economie verdeeld zijn over de federale overheid, de gewesten en de Duitstalige Gemeenschap. De federale overheid heeft reeds middelen ingezet voor de sociale economie. Er werd geopteerd voor de techniek van het samenwerkingsakkoord.
Het akkoord zelf is een globaal akkoord, een financiële omkadering waarbinnen elk gewest zijn eigen accenten kan leggen. Daardoor wordt rekening gehouden met de grote verschillen in de werkloosheid en in de gehanteerde systemen.
De tekst die in de commissie is aangenomen, is dezelfde als de tekst die door de Kamer van volksvertegenwoordigers is overgezonden. De artikelen 1 en 2, alsmede het wetsontwerp in zijn geheel, werden unaniem aangenomen door de elf aanwezige leden. Het verslag werd goedgekeurd.
-De algemene bespreking is gesloten.
(De tekst aangenomen door de commissie voor de Sociale Aangelegenheden is dezelfde als de tekst van het door de Kamer van volksvertegenwoordigers overgezonden ontwerp. Zie stuk Kamer 50-1042/3.)
-De artikelen 1 en 2 worden zonder opmerking aangenomen.
-Over het wetsontwerp in zijn geheel wordt later gestemd.
De heer Jean-François Istasse (PS), rapporteur. - Dit wetsontwerp was oorspronkelijk een wetsvoorstel van onze collega Erdman, dat in de Kamer is aangenomen.
Het oorspronkelijk wetsvoorstel had tot doel de problemen op te lossen die in de praktijk waren gerezen met betrekking tot de toepassing van de wetsbepalingen-Franchimont.
De vraag was immers gerezen of in de fase van een door het parket gevoerd vooronderzoek een verzoekschrift verplicht op het parket moest worden afgegeven dan wel of het eventueel per post mocht worden toegezonden. Er is voor de tweede mogelijkheid gekozen, wat tot enkele bijkomende wijzigingen heeft geleid.
Ook werden de bepalingen verduidelijkt met betrekking tot de beroepstermijnen in het geval dat de eiser beslist hoger beroep in te stellen als het parket niet reageert.
Verder is er voorzien in de mogelijkheid om aan de onderzoeksrechter, bij wijze van verzoekschrift, inzage van een dossier in gerechtelijk onderzoek te vragen alsook in een beroepsprocedure bij stilzwijgen van de onderzoeksrechter.
Dezelfde wijzigingen worden aangebracht met betrekking tot de opheffing van het beslag of van de opsporingshandeling in het kader van een gerechtelijk onderzoek en voor de aanvraag van een bijkomend onderzoek aan de onderzoeksechter.
De regering heeft amendementen ingediend om het oorspronkelijk voorstel te vervolledigen. Die hebben enerzijds betrekking op de nietig verklaarde stukken van een dossier, waarvoor een absolute nietigheid aanvaard is. Anderzijds voorzien ze, overeenkomstig de rechtspraak van het Europees Hof, in de samenhang van dossiers qua vervolging tussen personen die voorrang van rechtsmacht "genieten" en "gewone" burgers.
Na de besprekingen in de commissie werden verschillende amendementen van de oppositie, vooral van de heer Vandenberghe, aangenomen. Het ontwerp is ook gunstig onthaald: in de Kamer is het goedgekeurd met 127 stemmen bij 8 onthoudingen en in onze commissie voor de Justitie is het aangenomen met 9 stemmen bij 1 onthouding.
De heer Hugo Vandenberghe (CVP). - Belangrijke wetswijzigingen worden meestal als technische ontwerpen omschreven zodat er minder aandacht aan de inhoud wordt besteed. Dat is ook het geval voor dit ontwerp.
Opdat de Senaat met kennis van zaken zou kunnen stemmen, wens ik toch enige verduidelijkingen te verstrekken.
Voorliggend wetsontwerp heeft tot doel zogenaamde "technische" verbeteringen aan te brengen in de Franchimontbepalingen in het Wetboek van strafvordering, die inmiddels gemeengoed zijn geworden. Aldus wordt de wijze waarop het verzoekschrift wordt ingediend duidelijker bepaald - het mag inmiddels ook aan de griffie worden gezonden -, wordt een termijn van beroep tegen het uitblijven van een beschikking ingeschreven, wordt voorzien in een overeenstemming van termijnen voor inzage en hoger beroep en worden de bepalingen met betrekking tot de beperking van het inzagerecht in het strafdossier opnieuw geformuleerd.
Ingevolge amendering door de regering wordt in artikel 6 bepaald dat de stukken die voor de raadkamer of de kamer van inbeschuldigingstelling nietig verklaard werden, niet kunnen worden ingezien en niet in de strafprocedure mogen worden aangewend. Dat betekent dat ze niet meer à décharge mogen worden aangewend in de procedure ten gronde.
De regering heeft tevens een amendement ingediend om de Belgische wetgeving in overeenstemming te brengen met de rechtspraak van het Europees Hof voor de rechten van de mens, inzonderheid over het arrest-Coëme.
Tot slot brengt de tekst een strikt technische wijziging aan in de wet betreffende de bemiddeling in familiezaken. De CVP-fractie heeft in de commissie enkele zuiver technische amendementen ingediend, die door de commissie unaniem werden aanvaard.
Met dit betoog wil ik er ook op wijzen dat het ontwerp ook niet-technische bepalingen bevat die een belangrijke invloed kunnen hebben op de ontwikkeling van een strafzaak.
Zo voorziet het ontwerp in de eerste plaats in een wijziging van artikel 61quinquies van het Wetboek van strafvordering waardoor de onderzoeksrechter met betrekking tot bijkomende onderzoekshandelingen zijn beschikking dient te nemen binnen de maand, op straffe van nietigheid van deze beschikking. Het eminente kamerlid, de heer Erdman, die deze tekst als amendement had ingediend, wijst erop dat door deze wijziging een imbroglio van beroepsprocedures wordt voorkomen. Tegen een laattijdige beschikking zou immer ook een beroep moeten worden ingesteld terwijl een beroep wegens het niet tijdig uitvaardigen van de beschikking reeds hangende kan zijn. Ik heb enkele vragen met betrekking tot deze bepalingen. Gelet op de debatcultuur die zo kenmerkend is voor deze meerderheid, neem ik aan dat de minister mij graag een antwoord zal geven op mijn vragen!
Wat zijn de gevolgen van de nietigheid van een dergelijke beschikking? Wat is de situatie wanneer er reeds een expert werd aangesteld met het oog op een psychiatrisch onderzoek? Heeft dit tot gevolg dat deze aanstelling nietig is? Wat gebeurt er wanneer de verzoekende partij geen beroep heeft ingesteld tegen het niet tijdig afleveren van de beschikking? Is het dan verantwoord dat de laattijdige beschikking, die misschien wel degelijk op het verzoek ingaat, nietig is en dat de verzoeker drie maanden moet wachten om opnieuw een dergelijk verzoek in te stellen? Hierover moet duidelijkheid komen.
Waarom geldt deze bepaling enkel voor artikel 61quinquies van het Wetboek van strafvordering en niet voor de andere bepalingen van het ontwerp? Ook in andere gevallen bestaat immers het risico van de samenloop van laattijdige beschikkingen die elkaar doorkruisen en waartegen mogelijk beroep en een ander beroep wegens het niet tijdig afleveren van een beschikking kan worden ingesteld.
Het ontwerp wijzigt artikel 61ter van het Wetboek van strafvordering. De tekst bepaalt: "De niet aangehouden in verdenkinggestelde en de burgerlijke partij kunnen de onderzoeksrechter verzoeken om inzage van het deel van het dossier betreffende de feiten die tot de inverdenkingstelling of de burgerlijke-partijstelling hebben geleid." Paragraaf 3 bepaalt: "De onderzoeksrechter kan de inzage van het dossier of van bepaalde stukken verbieden indien de noodwendigheden van het onderzoek dit vereisen of indien de inzage een gevaar zou opleveren voor personen of een ernstige schending van het privé-leven zou inhouden, indien de burgerlijke-partijstelling niet ontvankelijk lijkt of indien de burgerlijke partij van geen rechtmatige beweegredenen tot het raadplegen van het dossier doet blijken".
De voorgestelde wijziging op deze bepaling is zeker geen louter vormelijke wijziging. Er wordt immers van een volledig ander beginsel uitgegaan. Volgens het voorstel hebben zowel de burgerlijke partij als de in verdenking gestelde nu reeds toegang tot het volledige dossier, ook het deel van het dossier dat geen betrekking heeft noch op de burgerlijke partij noch op de in verdenking gestelde, tenzij de onderzoeksrechter beslist deze toegang te beperken. Tegen deze beslissing is geen beroep mogelijk. Het voorstel verleent de onderzoeksrechter dus een bijkomende bevoegdheid om de inzage te beperken omdat de wettelijke voorwaarden vastgelegd in artikel 61ter, paragraaf 3, niet van toepassing zijn, omdat ze niet worden herhaald in de voorgestelde aanvulling. In de huidige regeling is het hoe dan ook niet mogelijk inzage te hebben in de delen van het dossier die geen betrekking hebben op de hoedanigheid van waaruit men inzage vraagt. De onderzoeksrechter kan enkel een beperking uitspreken volgens de wettelijke voorwaarden van paragraaf 3, waartegen een beroep mogelijk is.
De vraag is of het de bedoeling is van de wetgever deze principiële uitbreiding toe te staan. In theorie is het dan mogelijk dat men een volledig strafdossier kan inkijken, ook inzake feiten die geen betrekking hebben op de burgerlijke partij, noch op de in verdenking gestelde. Dit kan in sommige gevallen nefaste gevolgen hebben. Men zou zich burgerlijke partij kunnen stellen, niet omdat men rechtstreeks betrokken is bij het dossier, maar om het dossier volledig te kunnen consulteren met een ander doel dan de verdediging van de eigen belangen.
De onderzoeksrechter kan zich op geen enkele wettelijke bepaling baseren om inzage te weigeren. Dit betekent dat hij op dit vlak een discretionaire bevoegdheid heeft, zonder mogelijkheid van beroep.
(Voorzitter: de heer Armand De Decker.)
Ten slotte bepaalt artikel 6 van het ontwerp uitdrukkelijk dat stukken die ingevolge de zuiveringsprocedure van de Franchimontbepalingen - dat zijn de artikelen 131 en 235 van het Wetboek van strafvordering - nietig werden verklaard, niet meer kunnen worden ingezien en aangewend in de strafprocedure. Ik dien een amendement in om dit artikel te doen vervallen en verwijs daarvoor naar mijn schriftelijke verantwoording daarbij.
Het voorgestelde artikel 6 brengt een andere opvatting naar voren dan werd verdedigd tegen de dominerende rechtsleer die suggereerde om de materiële verwijdering van de door de onderzoeksgerechten nietig verklaarde stukken, uit de wetgeving te schrappen. Bij de samenstelling van een dossier kunnen omwille van de niet-naleving van bepaalde procedureregels bepaalde stukken uit het dossier worden verwijderd. De vraag is of die stukken ooit nog kunnen worden geconsulteerd of ingeroepen door de ene of de andere partij. De voorgestelde tekst sluit dit in absolute termen uit. Is dat verenigbaar met artikel 6 EVRM? Het is een vaste rechtspraak - en ik verwijs naar twee arresten van 16 februari 2000 van het EHRM - dat artikel 6 vergt dat de eerlijkheid van de strafprocedure in haar geheel wordt beoordeeld. Kan het feit dat stukken die uit het dossier zijn verwijderd en niet meer kunnen worden geconsulteerd en ten ontlaste van de ene of de andere verdachte zouden kunnen worden ingeroepen, geen problemen oproepen in hoofde van artikel 6 EVRM? Er is een meer genuanceerde benadering van dit probleem nodig, vandaar mijn amendement op artikel 6. Voor mijn twee andere amendementen verwijs ik naar mijn schriftelijke verantwoording.
De heer Rik Daems, minister van Telecommunicatie en Overheidsbedrijven en Participaties. - Ingevolge een onvoorziene omstandigheid kan de minister van Justitie niet persoonlijk aanwezig zijn. Hij heeft me gevraagd hem te vervangen. Uit respect voor de Senaat ben ik naar hier gekomen om de regering te vertegenwoordigen, maar ik voel mij niet bevoegd om op de vragen van de heer Vandenberghe te antwoorden. Als handelsingenieur heb ik wel wat burgerlijk recht gestudeerd. Ik wil me echter niet meten met de excessieve legistieke kennis van de fractievoorzitter van de CVP. Ik had net nog contact met het kabinet van de minister van Justitie. De minister wenst de vragen persoonlijk te beantwoorden om problemen in de uitvoering van dit ontwerp te vermijden.
Mijnheer de voorzitter ik hoop dat u begrip opbrengt voor deze situatie en wil u vragen het nodige te doen opdat de heer Vandenberghe zijn vragen kan stellen als de minister van Justitie zelf aanwezig kan zijn.
De heer Philippe Mahoux (PS). - We zouden moeten nagaan of, met het oog op de onderzoekstermijn, de verdaging van de tekst de werkzaamheden van de Senaat niet overbodig maakt. In de commissie is de tekst al grondig besproken, wat geleid heeft tot een groot aantal amendementen.
Werden de vragen van de heer Vandenberghe al gesteld in de commissie of gaat het om een nabeschouwing bij de werkzaamheden van de commissie?
De heer Hugo Vandenberghe (CVP). - Collega Mahoux weet dat we voorbehoud maken voor de werkzaamheden in de commissie. Die zijn niet openbaar. Daarom behouden wij ons het recht voor de minister te ondervragen in openbare vergadering..
Zelf kon ik de vergadering van de commissie voor de Justitie niet bijwonen omdat in de commissie voor de Institutionele Aangelegenheden mijn aanwezigheid vereist was. Bijgevolg stel ik mijn vragen over de toepassing van een bepaling van het wetboek van Strafvordering in openbare vergadering.
De heer Philippe Mahoux (PS). - Ik heb er helemaal niets op tegen dat een lid in plenaire vergadering het woord neemt, terwijl hij dat in commissie niet heeft gedaan. Ik vind alleen dat het ontwerp al grondig besproken en geamendeerd is.
Het feit dat de minister niet aanwezig is om te reageren op een probleem dat mij belangrijk lijkt en het interessant zou zijn dat hij er effectief op antwoordt, kan de verdaging verantwoorden. We moeten er echter ook voor zorgen dat de termijn voor evocatie niet verstrijkt, wat onze werkzaamheden overbodig zou maken.
De heer Frans Lozie (AGALEV). - Vermits collega Vandenberghe vindt dat hij zijn vragen in het openbaar moet stellen en de minister deze ook zelf wil beantwoorden, stel ik voor de bespreking uit te stellen tot de volgende openbare vergadering en geen terugzending naar de commissie te vragen.
De voorzitter. - De termijn voor evocatie verstrijkt op 4 juni. De volgende openbare vergadering heeft echter plaats op 7 juni. We kunnen eventueel in de overlegcommissie vragen dat de termijnen worden verlengd.
De heer Hugo Vandenberghe (CVP). Zodra aan de parlementaire overlegcommissie een verlenging van de onderzoekstermijn wordt gevraagd, wordt de termijn geschorst en blijft het recht op behandeling behouden.
De voorzitter. - Dit punt van de agenda wordt dus uitgesteld tot de volgende plenaire vergadering. (Instemming)
De heer Olivier de Clippele (PRL-FDF-MCC), rapporteur. - Ik verwijs naar mijn schriftelijk verslag.
De heer Philippe Monfils (PRL-FDF-MCC). - In deze tekst die oorspronkelijk uit de Senaat komt en in de Kamer is besproken, zijn enkele kleine technische correcties aangebracht.
Artikel 3 bepaalt dat drie leden van de bijzondere commissie door de gemeenschapsregeringen moeten worden voorgedragen. Wij kunnen de gemeenschappen niet dwingen hun leden te sturen en die gemeenschappen kunnen de werking van de commissie ook niet blokkeren door hun vertegenwoordiger niet te sturen.
Er moet dus worden gepreciseerd dat de gemeenschappen niet verplicht zijn hun leden voor te dragen, dat de commissie ook zonder die leden kan functioneren en dat er dus geen bevoegdheidsprobleem rijst tussen de federale Staat enerzijds en de gemeenschappen anderzijds.
Ik zeg dit in plenaire vergadering om te voorkomen dat we later moeilijkheden krijgen met onze collega's van de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap en de Duitstalige Gemeenschap.
Mevrouw Marie-José Laloy (PS), corapporteur. - Ik breng eerst verslag uit namens de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging over het voorstel van resolutie over de politieke strijd binnen de Europese Unie tegen het gebruik van geweld en het terrorisme, in het bijzonder in Spaans Baskenland.
In het licht van de uitslag van de verkiezingen van 13 mei 2001 in Spaans Baskenland, en ter voorbereiding van het bezoek dat collega's van de Spaanse Senaat hier vandaag onder leiding van hun voorzitter brengen, hebben de indieners van het voorstel het raadzaam geoordeeld dat de Senaat met spoed een voorstel van resolutie zou aannemen. In dit voorstel van resolutie wordt de balans opgemaakt van de terroristische en gewelddadige politiek van een aantal groeperingen, groepen of partijen in Spaans Baskenland, die volledig indruist tegen de fundamentele waarden die in de Europese Unie gelden.
Gewelddadige en terroristische praktijken doen zich trouwens niet enkel in Spaans Baskenland voor, maar bijvoorbeeld ook in Corsica en in Noord-Ierland. Met dit voorstel van resolutie willen we de krachtdadige steun aan alle democratische Spaanse partijen bevestigen.
De recente verkiezingen in Spaans Baskenland wijzen trouwens op een algemene krachtige veroordeling van elke politieke uiting die niet strookt met de politieke en burgerlijke waarden van geweldloosheid, van de rechtsstaat en van een democratische vertegenwoordiging. Dit zijn fundamentele waarden in de lidstaten van de Europese Unie. In de commissie werden twee amendementen goedgekeurd, waarna het voorstel eenparig werd aangenomen.
Ik licht nu het standpunt toe van de socialistische fractie.
Van de inwoners van Spaans Baskenland, houden 15% tot 18% - ongeveer een half miljoen mensen - er radicale ideeën op na. Ze leven in een soort van ultranationalistische luchtbel, geïsoleerd van de rest van de wereld. Hoewel de gewestelijke instellingen meer macht hebben dan de Länder in Duitsland, wordt de autonome regering beschuldigd van "collaboratie". Deze starre samenleving is een ideale voedingsbodem voor de ETA, die er dan ook al dertig jaar standhoudt.
Dat deze radicale mensen zich opzettelijk in een sociaal getto opsluiten, verklaart hun extremisme en hun onverschilligheid voor de veroordeling van het terrorisme, niet enkel door Spanje, maar ook door 85% van de Baskische bevolking, en zelfs door de stichters van de ETA.
Het veiligheidsbeleid van Madrid heeft weinig vat op de vastberaden houding van een organisatie die zich niets aantrekt van de rest van de wereld. De ETA is geen kleine gewapende groep. De achterhaalde ideologische striktheid van de Baskische extremisten leidt hen tot contraproductieve strategische aanslagen. Deze aanslagen versterken hun isolement en brengen de nationalistische zaak schade toe.
De hervatting van de aanslagen van de onafhankelijkheidsbeweging ETA, die sedert het verbreken van het bestand in januari 2000, dertig doden heeft geëist, heeft tot gevolg dat de gematigd nationalisten, die politiek geweld altijd hebben veroordeeld, bij de jongste verkiezingen heel wat kiezers hebben gewonnen.
Wanneer een deel van de bevolking van een democratisch land zich terecht of ten onrechte onderdrukt voelt en zijn toevlucht zoekt tot gewelddadige, zelfs verderfelijke acties, schort er iets aan de rechtsstaat. Het Baskisch probleem is in dit opzicht bijzonder tekenend voor de evolutie van een origineel gedachtegoed, dat van de strijd tegen een bestaande dictatuur is geëvolueerd naar een logica van blind en onvoorwaardelijk geweld, die in een rechtsstaat onaanvaardbaar is.
Daarom vragen wij de regering: haar steun te blijven bevestigen aan de democratische Spaanse partijen, maar ook aan alle democraten in de Europese Unie en in de kandidaat-lidstaten van de Unie; standvastig te blijven in de politiek van veroordeling en van weigering van elk compromis met extremistische groepen die geweld als politiek middel aangrijpen; te blijven ijveren voor de verdediging van de democratie en de geweldloosheid bij de lidstaten van de Unie, maar ook bij de kandidaat-lidstaten en bij de landen van de Balkan; te zorgen voor de versterking van de politiek en van de middelen van de Europese Unie om het terrorisme en het extremisme op democratische wijze te bestrijden. (Applaus)
Mevrouw Erika Thijs (CVP), corapporteur. - Eerst en vooral dank ik mevrouw Laloy voor de voortreffelijke wijze waarop ze hier verslag heeft uitgebracht.
Terrorisme vormt een gevaar voor de democratie, de mensenrechten en de economische en sociale ontwikkeling van elk individu in de Europese Unie.
Terecht hebben de ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken tijdens het toenmalig Spaans voorzitterschap op de informele bijeenkomst van La Gomera op 14 oktober 1995 de strijd tegen terrorisme, een van de zwaarste vormen van criminaliteit, als prioritair beschouwd. Inmiddels hebben alle lidstaten de twaalf verdragen van de VN ter bestrijding van terrorisme ondertekend en, op enkele uitzonderingen na, geratificeerd.
Artikel 29 van het Verdrag van de Europese Unie bepaalt dat het doel van de Unie is de burgers in een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid een hoog niveau van zekerheid te verschaffen door het ontwikkelen van een gezamenlijk optreden van de lidstaten op het gebied van politionele en justitiële samenwerking in strafzaken en door het voorkomen en bestrijden van al dan niet georganiseerde criminaliteit, waaronder terrorisme. Daarom besloot de Raad op 3 december 1998 Europol te belasten met de behandeling van strafbare feiten die werden gepleegd of zullen worden gepleegd in het kader van terroristische activiteiten. Tegelijkertijd wordt om de zes maanden een vertrouwelijk document bij de Raad ingediend over de dreiging van terroristische activiteiten.
Ondanks dit internationaal en intracommunautair wetgevend kader en de samenwerking wordt de Europese Unie nog al te vaak opgeschrikt door acties van mensen en groepen die hun gelijk met geweld willen afdwingen. Dat strookt geenszins met de democratische principes van de Unie en haar lidstaten. Integendeel, degenen die, ongeacht de al dan niet nobele doelstellingen die ze nastreven, gebruik maken van terroristische acties, gijzelen de democratie en beknotten de vrijheid van de burgers. Vooral de burgers zijn vaak de onschuldige slachtoffers van bomaanslagen, gijzelingsacties en allerlei misdadige afpersingssystemen.
Terreur is nooit te rechtvaardigen. Politieke of ideologische doelstellingen kunnen we alleen realiseren in dialoog, verdraagzaamheid en respect voor de anderen. In een geciviliseerde samenleving moeten geweld, terreur en afpersing worden gebannen. Ze horen hier gewoonweg niet thuis.
De CVP-fractie steunt deze resolutie dan ook ten volle. De Spaanse democratie mag niet zwichten voor de argumenten van de wapens en de chantage. Integendeel! Ze moet hard optreden tegen degenen die gebruik maken van geweld om hun visie aan anderen op te dringen. De recente betogingen van honderdduizenden mannen en vrouwen, ouderen en jongeren - over alle ideologische en politieke grenzen heen - tegen de ETA-aanslagen getuigen van een afkeer van terrorisme.
De jongste verkiezingsuitslag bewijst dat terroristische activiteiten contraproductief werken en dat terroristische organisaties uiteindelijk alle krediet bij de mensen verliezen. De gewone man is het beu en wil dat iedereen de democratische spelregels naleeft.
Ook de Baskische samenleving veroordeelt massaal - met meer dan 85% - het terrorisme van de ETA, maar tegelijkertijd verwachten de burgers inspanningen van de overheid, niet alleen om het geweld te stoppen, maar ook met het oog op een duurzame oplossing van de tweespalt in de Baskische regio. Vrede bekomt men enkel door dialoog en overleg. Vrede sluit men alleen met zijn vijanden.
De CVP-fractie is ervan overtuigd dat op Europees en internationaal niveau bijkomende stappen in de strijd tegen terrorisme moeten worden gedaan. De bestaande verdragen bewijzen dat de democratische staten nog niet over een voldoende instrumentarium beschikken in de strijd tegen het terrorisme.
Dit kan een uitdaging zijn, zowel voor het komend Belgisch voorzitterschap als voor het daaropvolgend Spaans voorzitterschap.
Resoluties zijn een morele steunbetuiging, maar maken niet meteen een einde aan het geweld. Nieuwe initiatieven inzake diplomatieke, wetgevende en politionele samenwerking tussen staten zijn dus meer dan noodzakelijk. Het aan banden leggen van de wapentrafiek, het uniformiseren van het strafrecht inzake terroristische acties, het intens uitwisselen van informatie en een internationaal akkoord over de strijd tegen de financiering van terrorisme zijn maar enkele elementen waarvan het Belgisch voorzitterschap werk kan maken.
Het is vast en zeker een uitdaging. De vraag is alleen of de moed zal gevonden worden om deze uitdaging aan te gaan.
De voorzitter. - Ik verwelkom een delegatie van de Spaanse Senaat onder leiding van mevrouw Aguire, voorzitter dan de Senaat. Zij is vergezeld door zes senatoren van verschillende politieke formaties. Ik wens hen een vruchtbaar verblijf bij ons. (Algemeen applaus)
De heer Paul Galand (ECOLO). - We kunnen niet anders dan solidair te zijn met bedreigde en vermoorde democraten: openbare gezagsdragers, journalisten, intellectuelen, veiligheidsagenten en met hun familieleden en vrienden. We moeten ook solidair zijn met de honderdduizenden burgers uit Spaans Baskenland die waardig en na elke aanslag vastberadener hebben gemanifesteerd.
In Spaans Baskenland, en in alle andere gebieden met terroristisch geweld, is het geweld niet alleen gericht tegen de plaatselijke democraten, maar tegen de democratie in het algemeen.
Die democratie en de concretisering ervan vormen de kern van de Europese eenmaking, via de erkenning van de diversiteit van de regionale en plaatselijke realiteit en het respect voor gemeenschappelijke waarden inzake mensenrechten, burgerplichten, sociale vooruitgang en het pluralisme.
Het geweld terugdringen is één van onze gemeenschappelijke taken, want onze democratische opdracht steunt op dialoog en het voortdurend op elkaar afstemmen van complementaire maar soms tegenstrijdige legitieme belangen.
België, Spanje en andere landen in de Europese Unie hebben terzake geleidelijk een aanzienlijke ervaring opgedaan. Ze hebben een sociaal-culturele en historische diversiteit, hun ontwikkeling biedt hen meer mogelijkheden maar maakt de zaken ook complexer.
Onze democratische institutionele creativiteit houdt dan ook een regelmatig streven in naar de erkenning van deze ontwikkeling, van haar potentieel aan vrijheid, solidariteit, gelijkheid en wederzijdse verrijking via dialoog, uitwisseling, respect en wederzijdse hulp.
Door het bestaan van de andere te ontkennen, hem de mond te snoeren, hem te vermoorden, verwerpt men de mogelijkheid tot dialoog en dus de democratie.
Zij die zich het recht toe-eigenen de andere te vermoorden om politieke doelstellingen te bereiken, vernietigen elke democratische geloofwaardigheid. Uiteindelijk rest hen alleen nog de terroristische actie, de waanzin van een onmenselijke totalitaire visie en maffiapraktijken.
Deze resolutie bevestigt dat terrorisme geen verzet is, dat het niet past in de ontwikkeling van de Europese Unie, dat wij solidair zijn en het ook moeten zijn met de democraten in Spaans Baskenland en overal in Europa en in de wereld.
Deze resolutie wil ook dank en eer betuigen aan de grote meerderheid van de burgers die zich onlangs in Spaans Baskenland hebben uitgesproken voor vrede en democratie.
Met de ontvangst van de heer Arafat vanochtend, nadat ook de heer Peres reeds in zijn hoedanigheid van winnaar van de Nobelprijs voor de Vrede op bezoek was, heeft de Voorzitter terecht gewezen op de noodzakelijke versterking van de politieke rol van Europa voor de verdediging van het internationaal recht en de hervatting van het vredesproces in het Nabije Oosten.
De kracht en de geloofwaardigheid van de Europese Unie op internationaal gebied hangen ook af van onze solidariteit, als democraten, tussen de landen en regio's in Europa. Binnenkort zal België, en volgend jaar Spanje, het voorzitterschap van de Unie uitoefenen. Deze resolutie past in het vooruitzicht van die periode. We hopen dat ze vruchtbaar wordt voor de pluralistische democratie en de vrede waarvoor we samen moeten werken.
Zo eren we ook de nagedachtenis van de slachtoffers. (Applaus)
De heer François Roelants du Vivier (PRL-FDF-MCC). - De bespreking die wij vandaag gevoerd hebben met onze Spaanse collega's, onder leiding van de voorzitter van de Spaanse Senaat, bevestigt het belang en de actualiteit van deze resolutie die op initiatief van de heer Galand is ingediend.
Wij hebben een aantal zaken vernomen tijdens die vergadering. Het feit dat ETA 40 moordaanslagen heeft gepleegd onder het 40 jaar durende Francoregime en 890 tijdens de 25 jaar democratie, wijst duidelijk op de aard van het geweld dat moet worden bestreden. Dit blinde maffiageweld, waarvan talrijke personen en families slachtoffer zijn, is in een rechtsstaat onaanvaardbaar.
Binnenkort wordt België voorzitter van de Europese Unie. Met verwijzing naar het onaanvaardbare geweld in Spaans Baskenland spoort de Senaat de regering aan om de strijd tegen elke vorm extremisme onverminderd verder te zetten. Onze minister van Buitenlandse Zaken is die strijd met moed en doorzettingsvermogen aangegaan.
Quisiera, por el grupo PRL-FDF-MCC, dar fe a nuestros amigos y colegas del Senado de España de nuestra solidaridad democrática porque la democracia es el mejor valor político, no solo de Bélgica y España, sino también de la Unión Europea.
Daarom zal de PRL-FDF-MCC-fractie deze resolutie met volle overtuiging goedkeuren. (Applaus)
De heer Frans Lozie (AGALEV). - De groenen hebben een lange pacifistische traditie. Dat is algemeen bekend. We steunen dan ook elke strijd tegen het terrorisme en zeker tegen het politiek terrorisme. Het is immers onaanvaardbaar dat mensen worden bedreigd, laat staan vermoord, wegens hun politiek engagement, door oppositionele al dan niet nationalistische terroristen, door doodseskaders of door uitzonderingsrechtbanken van voor het overige soms democratische staten. Elke vorm van politiek terrorisme moet worden veroordeeld.
De beste strijd tegen terrorisme bestaat erin de culturele verscheidenheid zoveel mogelijk in de eigen democratische instellingen te integreren. Daarom verheugt het ons dat Spanje de voorbije jaren terzake zeer grote inspanningen levert.
Geen enkele democratie is echter ooit definitief verworven. Democratie is een werkwoord. Ik hoef enkel te verwijzen naar Amnesty International dat in zijn recent rapport over ons land terecht blijft wijzen op tekortkomingen waaraan we voortdurend aandacht moeten schenken.
Dat houdt voor ons in dat een internationale overeenkomst tegen terrorisme nooit mag leiden tot een feitelijke afschaffing van bijvoorbeeld het asielrecht. Politieke vluchtelingen moeten altijd een asielland kunnen vinden. Het asielrecht mag evenwel ook geen alibi zijn voor terroristische aanslagen. Dat evenwicht moeten we constant in het oog houden. In die context steunt de Agalev-fractie met volle overtuiging deze resolutie.
De heer Wim Verreycken (VL. BLOK). - Zoals wel meer gebeurt, leert ook dit verslag dat je best geen vertrouwen schenkt aan de rapporteur. Ook nu werd een uiteenzetting die niet paste in de politieke visie van de rapporteur, weggecensureerd. Daardoor zijn we wel verplicht om delen van uiteenzettingen die we in de commissie hebben gehouden, in de plenaire vergadering te herhalen, zodat ze alsnog in de Handelingen terechtkomen.
Ik heb het dan vooral over het deel van mijn uiteenzetting dat handelde over de historische context van deze resolutie. Er wordt hier veel gesproken over de terreur van Euskadi Ta Askatasuna, ETA, maar vaak wordt vergeten dat ETA van 1959 tot 1968 door alle linkse krachten van Europa werd toegejuicht als de enige verzetsgroep tegen Franco. In 1968 heeft ETA sabotage en terechtstellingen als actiemiddel aanvaard. Ook toen heeft niemand van de hele Europese linkerzijde daar een woord van kritiek op uitgebracht. Integendeel! De repressieprocessen van Burgos werden door links Europa eensgezind afgekeurd. Zelfs de moord op Carrero Blanco in 1973 werd nog beschouwd als een stap in de richting van de democratie omdat Blanco de gedoodverfde opvolger van Franco was.
Eigenaardig is wel dat ETA zich niet verzette tegen Franco om het unitaire Spanje te bevestigen onder een volgend regime, maar om de onafhankelijkheid van Baskenland af te dwingen. Het kan niet verbazen dat ik, als vertegenwoordiger van een partij die vanaf haar eerste optreden gekozen heeft voor freedom of speech, voor de kracht van het vrije woord, de activiteiten van ETA met de grootst mogelijke klem verwerp.
De eisen van ETA zijn niet veranderd, niet vóór en niet na de linkse steunbetuigingen: ETA wil een eigen staat voor de drie Spaanse Baskische provincies, voor het historische gebied Navarra en voor Frans Baskenland.
Ter attentie van de heer Lozie verwijs ik naar de archieven van de Senaat. Op 26 juni 1984 werd in de Senaat gedebatteerd over de uitlevering van vermeende ETA-medestanders aan Spanje. Drie senatoren hebben zich toen uitdrukkelijk verzet tegen deze uitlevering, namelijk de heer Luyten, de heer Lallemand en de heer Wijninckx. Hun beweegreden was vooral dat de Spaanse overheid via de Grupos Antiterroristas de Liberación (GAL) een vuile oorlog voerde tegen de Baskische nationalisten.
Ik betreur dat de resolutie de Spaanse overheid ook niet kapittelt. De geweldspiraal werd immers ook gevoed door de GAL. De Spaanse overheid had een referendum over Baskenland kunnen toestaan. Dit werd geweigerd, zelfs wanneer de oproep uitging van de christen-democratische nationalisten van Spanje. Het is niet ernstig de geweldloze weg naar onafhankelijkheid via een referendum af te wijzen en daarna verbaasd te zijn dat de traditie van geweld, die goedgekeurd werd door de hele linkerzijde, wordt voortgezet.
Het Vlaams Blok blijft gekant tegen geweld. We menen echter dat het Handvest van de Verenigde Naties, dat in artikel 1 het zelfbeschikkingsrecht van de volkeren vermeldt, geweld wordt aangedaan door de centralistische gedachte in Spanje. In artikel 1 van het Handvest van de Verenigde Naties staat: "Los propósitos de las Naciones Unidas son: fomentar entre las naciones relaciones de amistad basadas en el respeto al principio de la igualdad de derechos y de la libra determinación de los pueblos." Y a la atención de la delegación Española, con mucho gusto, os digo que con eso se entiende también el pueblo Vasco.
In littera G van het overwegend gedeelte van de resolutie worden de blunders van minister Michel inzake Oostenrijk en Italië goedgekeurd. Het beschikkend gedeelte staat bol van "politiek correcte" termen en laat zelfs geen opening voor een partij die voor een werkwijze via het woord kiest in plaats van via geweld. In het beschikkend gedeelte wordt heel de Baskische problematiek op één hoop gegooid met de Balkanlanden en met alle kandidaat-lidstaten. In de toelichting worden de verschillende volkeren die het Europese status-quo bedreigen, uitgespuwd: de Corsicanen, de Ieren en de Basken.
Indien de middelen van de Europese Unie om het terrorisme op democratische wijze te bestrijden moeten worden versterkt, dan moet ook het Baskische referendum worden aanvaard. Er is immers geen sterker democratisch middel om het terrorisme elke bestaansreden te ontnemen. Voor die consequentie mogen we niet terugschrikken.
Van de ongecomplexeerde rechtse denkwijze van de Partido Popular kunnen we in België alleen nog maar dromen. We moeten hen wel vragen respect te hebben voor alle volkeren op de Spaanse bodem, inbegrepen de Basken.
Wij hebben amendementen ingediend. Indien ze door de Senaat worden weggewuifd, zullen wij ons onthouden. In amendement 1 wijzen wij erop dat geweld strijdig is met de politieke waarden van de Europese Unie. In amendement 2 stellen wij voor een bepaling toe te voegen die naar het EVRM verwijst. Met amendement 3 willen wij een bepaling invoegen waarin het Baskische streven naar de onafhankelijkheid wordt toegejuicht. In amendement 4 stellen wij een nieuwe tekst van het beschikkend gedeelte voor die overeenstemt met de inhoud van het Handvest van de Verenigde Naties. In tegenstelling tot de huidige tekst, is ze geen ode aan het "politiek correcte" denken.
Mevrouw Magdeleine Willame-Boonen (PSC). - Het nationaliteitsprincipe kan volgens Ernest Renan omschreven worden als de wil om samen te leven. In de negentiende eeuw kreeg het nationalisme vorm in de strijd van nationale groepen voor de erkenning van hun rechten en vrijheden. Het ging om de wil tot eenmaking. Zo ontstonden Griekenland, België, Italië en Duitsland.
De heer Philippe Moureaux (PS). - Voor België verliep dit proces enigszins anders.
Mevrouw Magdeleine Willame-Boonen (PSC). - Sta me toe te veralgemenen.
Op het einde van de twintigste eeuw ontstond het vredelievend nationalisme - ik denk aan Tsjechië en Slovakije - en het verwoestende afscheidingsnationalisme, waar ex-Joegoslavië een voorbeeld van was. Er zijn in de Europese Unie democratische en ondemocratische nationalistische groeperingen. De laatste zijn vooral hardnekkig in de rijke gebieden en willen zich van de andere afscheuren, niet omdat ze onderdrukt worden, maar omdat ze willen breken met de nationale solidariteit ten voordele van de arme regio's. Deze beweging lijkt in te druisen tegen de Europese eenmaking. Ik denk aan Baskenland, aan Corsica, aan Padanië en aan extremistisch Vlaanderen.
In Corsica en Baskenland voeren de politieke nationalistische groeperingen een gewapende en gewelddadige in plaats van een democratische strijd. Wij aanvaarden dit politiek geweld met criminele uitwassen niet. De Senaat moet een signaal sturen in verband met de recente verkiezingen in Baskenland. De Baskische kiezers hebben duidelijk afstand genomen van het politieke geweld en tijdens betogingen hebben ze de politieke aanslagen en moorden massaal veroordeeld.
De PSC zal deze resolutie goedkeuren omdat ze wijst op de fundamentele waarden die aan de basis liggen van de Europese eenmaking en de Europese Unie. Deze resolutie is een bewijs van de solidariteit met de Europese democraten en beoogt een versterking van het democratische karakter van de Europese politieke bewegingen.
De heer Philippe Monfils (PRL-FDF-MCC). - Ik had niet echt de bedoeling het woord te vragen aangezien de heer Roelants du Vivier ons standpunt al heeft vertolkt, maar twee amendementen van het Vlaamse Blok kan ik niet zo maar laten passeren.
Een van die amendementen stelt voor in de tekst de woorden "maar dat zij zich wel dienen te houden aan het EVRM en derhalve te onthouden van martelpraktijken of andere middelen die de mensenrechten aantasten" toe te voegen. Het andere vraagt om er bij de Spaanse overheid op aan te dringen "geen mensonwaardige praktijken te hanteren in het behoud van hun unitarisme", enzovoort.
Het Vlaams Blok bedient zich weer eens van zijn traditionele middelen, zoals amalgamen, intentieprocessen en insinuaties. (Applaus)
Ik vind het totaal onaanvaardbaar dat de verantwoordelijkheid voor het leed van het Spaanse volk word omgekeerd, zoals het Vlaams Blok dat doet, door de indruk te wekken dat de Spaanse staat foltert en "mensonwaardige praktijken hanteert in het behoud van het unitarisme" terwijl er bijna duizend personen vermoord zijn omdat ze hun vrije mening wensten te vertolken.
De democratische partijen schenken het democratische Spanje vertrouwen om het terrorisme te bestrijden met de middelen eigen aan een democratische samenleving en om via democratische procedures tegemoet te komen aan de culturele, economische en sociale verzuchtingen van het Spaanse volk. (Applaus)
De heer Patrik Vankrunkelsven (VU-ID). - De Volksunie sluit zich aan bij de inhoud van deze resolutie omdat politiek geweld altijd te verwerpen is. Het geweld van de ETA moet op de meest krachtige manier worden veroordeeld.
Ik wens toch een kanttekening te maken. Zo-even werd hier op een enigszins perfide manier gewezen op de band tussen geweld en nationalisme. Het nationalisme heeft natuurlijk vele gezichten. Het egoïstisch, ondemocratisch nationalisme bestaat, maar er bestaat ook een democratisch en bevrijdend nationalisme. Ik ben ervan overtuigd dat al deze verschillende vormen van nationalisme in Baskenland aanwezig zijn.
Er wordt in deze resolutie geen enkele opening gemaakt naar begrip voor het bevrijdend nationalisme in het Baskenland en dat is toch wel een gemiste kans. Ook ik hoop dat de democratische Spaanse regering alle mogelijke middelen zal aanwenden om het terrorisme van de ETA te bestrijden, maar tegelijkertijd hoop ik dat het gezonde verstand zal zegevieren en dat de democratische politieke krachten in Spanje erin zullen slagen een gezond evenwicht te vinden en ook in hun land een goede federale structuur uit te bouwen.
Mevrouw Marie Nagy (ECOLO). - Permítame saludarla y desearle unas buenas tardes en nuestro Senado. Pienso que el debate que acabamos de tener, en el cual yo no esperaba participar, nos ha mostrado cuánto es dificil organizar un debate democrático cuando hay fuerzas fascisantes que utilizan la democracia para tratar de explicarnos que la democracia no es un buen sistema.
Teneinde duidelijk te maken in welke politieke context we ons bevinden, wijs ik er op dat het onmogelijk is de Spaanse geschiedenis te herschrijven, wat ons trouwens niet toekomt. Veertig jaar dictatuur hebben geleid tot een keten van geweld, waar wij het na de omschakeling van dit land naar de democratie moeilijk mee hebben. Wij brengen hulde aan de opmerkelijk evolutie van het Spaanse volk en zijn bestuurders.
Deze resolutie, een idee van de heer Galand, is geen beoordeling van de wijze waarop het democratisch debat in Spanje wordt gevoerd. We wensen geen oordeel te vellen over het nationalisme op zich of over het centralisme van de staat. We wensen alleen duidelijk te maken dat de democratische partijen het terrorisme afwijzen in hun bezorgdheid voor het behoud van de democratie. In een democratische maatschappij is er voor terrorisme geen plaats. Het is onaanvaardbaar dat mensen in angst leven omdat ze politieke ideeën hebben, of ze nu nationalistisch, centralistisch of socialistisch zijn. Niets kan de aanslagen in de straat verantwoorden.
Een belangrijk feit is dat de Spaanse burgers massaal de straat opkomen om het stopzetten van het geweld te eisen.
Mevrouw Marie-José Laloy (PS), corapporteur. - Ik spreek als corapporteur.
De heer Verreycken heeft de kwaliteit van het verslag in twijfel getrokken. Ik herinner eraan dat een verslag het resultaat is van de werkzaamheden in de commissie. De heer Verreycken heeft maar een deel van de werkzaamheden bijgewoond; hij was niet aanwezig bij de stemmingen. Ik kan de kritiek aanvaarden op voorwaarde dat de regels geëerbiedigd worden.
De heer Hugo Vandenberghe (CVP). - Ik heb het woord gevraagd om te reageren op de amendementen van de heer Verreycken.
De bescherming van het leven en het verbieden van terrorisme zijn algemeen geldende uitgangspunten. De rechtsbescherming van het menselijk leven is voor ons, Vlaamse christen-democraten, de basis van al onze politieke standpunten. Het spreekt echter vanzelf dat in de eerste plaats de Spaanse overheid ervoor moet zorgen dat het menselijk leven van al haar burgers effectief wordt beschermd. Ze moet daartoe over de nodige middelen kunnen beschikken.
Spanje heeft het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens ondertekend. Artikel 2, dat het recht op leven beschermt, is het enige artikel dat krachtens artikel 15 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens nooit kan worden opgeschort, zelfs niet bij oorlog of algemene noodtoestand. Artikel 15 bepaalt dat men op evenredige wijze moet kunnen optreden bij oproer of opstand, maar dit kan natuurlijk nooit betekenen dat foltering in dit kader zou toegestaan zijn. Gelet op de door Spanje ondertekende internationale verbintenissen zijn de amendementen van de heer Verreycken overbodig.
De grote moeilijkheden waarmee Spanje in het verleden werd geconfronteerd, werden op democratische wijze opgelost. Spanje heeft een indrukwekkend rechtssysteem en een grondwettelijk hof, dat over de nodige bevoegdheden beschikt om de fundamentele rechten en vrijheden te beschermen. Spanje heeft het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens ondertekend. Spanje heeft eveneens de bevoegdheid van het Europees Hof voor de rechten van de mens erkend. Wij kunnen dus vertrouwen stellen in de Spaanse regering en er is bijgevolg geen enkele reden om de amendementen van de heer Verreycken goed te keuren. Er zijn vandaag geen concrete aanwijzingen dat de Spaanse regering de bescherming van het recht op leven over het hoofd ziet.
De heer Rik Daems, minister van Telecommunicatie en Overheidsbedrijven en Participaties. - De regering is het met deze resolutie volkomen eens.
Wij zijn van oordeel dat de strijd tegen het terrorisme in de Europese Unie een absolute prioriteit moet zijn van de Belgische diplomatie. Het verheugt ons dat de stemming over deze resolutie samenvalt met het bezoek van de Spaanse delegatie.
De regering steunt dit voorstel van resolutie. Een beleid dat compromissen met extremistische groepen die geweld als politiek pressiemiddel aangrijpen, keuren we af. De Belgische regering zal toezien op de versterking van het beleid en van de middelen van de Europese Unie om het terrorisme te bestrijden.
Señora, quisiera también confirmarle a usted en nombre del Gobierno Belga que vamos continuando a apoyar a todos los partidos democráticos Españoles, como también, evidentemente, a todas las fuerzas demócratas de la Unión. También quisiera decirle que seguiremos con nuestra política, luchando contra todo terrorismo y que tampoco vamos a entrar nunca en un compromiso con grupos extremistas que utilizan la violencia como un arma política.
-De bespreking is gesloten.
Op dit voorstel van resolutie heeft de heer Verreycken amendement nr. 3 ingediend (Stuk 2-751/5) dat luidt:
Punt F aanvullen met de volgende bepaling:
"maar dat zij zich wel dienen te houden aan het EVRM en derhalve te onthouden van martelpraktijken of andere middelen die de mensenrechten aantasten;"
Op ditzelfde voorstel van resolutie heeft de heer Verreycken amendement nr. 4 ingediend (Stuk 2-751/5) dat luidt:
Het dispositief aanvullen met de volgende bepalingen:
"5. erop aan te dringen bij de Spaanse overheid geen mensonwaardige praktijken te hanteren in het behoud van hun unitarisme, maar integendeel een vreedzame dialoog op gang te brengen (zoals in Noord-Ierland) met alle Baskische partijen, wat kan resulteren in een referendum over het zelfbeschikkingsrecht van het Baskische volk;
6. te ijveren voor een Europa der vrije volkeren waar elk volk het recht heeft om zich autonoom te organiseren zonder patronaat van unitaire staten.
-De stemming over de amendementen vindt aanstonds plaats
(De naamlijsten worden in de bijlage opgenomen.)
De voorzitter. - Wij stemmen eerst over de amendementen 3 en 4 van de heer Verreycken.
Stemming nr. 1
Aanwezig: 55
Voor: 5
Tegen: 47
Onthoudingen: 3
-De amendementen zijn niet aangenomen.
De voorzitter. - Wij stemmen over het geheel van het voorstel van resolutie.
Stemming nr. 2
Aanwezig: 56
Voor: 51
Tegen: 0
Onthoudingen: 5
-Het voorstel van resolutie is aangenomen.
-Het zal aan de eerste minister, aan de vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken, aan de minister van Binnenlandse Zaken en aan de minister van Justitie worden overgezonden.
De voorzitter. - In naam van de Senaat verheug ik mij over de goedkeuring van deze resolutie die de solidariteit tussen twee belangrijke democratische lidstaten van de Europese Unie versterkt.
Stemming nr. 3
Aanwezig: 55
Voor: 50
Tegen: 0
Onthoudingen: 5
-Het wetsontwerp is aangenomen.
-Het zal aan de Koning ter bekrachtiging worden voorgelegd.
Stemming nr. 4
Aanwezig: 55
Voor: 55
Tegen: 0
Onthoudingen: 0
-Het wetsontwerp is ongewijzigd aangenomen. Bijgevolg wordt de Senaat geacht te hebben beslist in te stemmen met het wetsontwerp.
-Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden met het oog op de bekrachtiging door de Koning.
De voorzitter. - Het Bureau stelt voor volgende week deze agenda voor:
Woensdag 6 juni 2001 om 14 uur
Voorstel van resolutie inzake mobiliteit; Stuk 2-448/1 en 2.
Donderdag 7 juni 2001
's ochtends om 10 uur
Wetsontwerp tot wijziging van artikel 357 van het Gerechtelijk Wetboek; Stuk 2-702/1 tot 3.
Wetsontwerp tot wijziging van artikel 633 van het Gerechtelijk Wetboek; Stuk 2-723/1 tot 4.
Wetsontwerp tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek ten einde de indeling van de vredegerechten in klassen af te schaffen en de wedde van sommige hoofdgriffiers en hoofdsecretarissen van parketten aan te passen; Stuk 2-733/1 en 2.
Wetsontwerp tot wijziging, met betrekking tot de structuren van de balie, van het Gerechtelijk Wetboek en van de wet van 13 maart 1973 betreffende de vergoeding voor onwerkzame voorlopige hechtenis; Stuk 2-619/8 en 9.
Evocatieprocedure
Wetsontwerp tot wijziging van sommige bepalingen van het Wetboek van strafvordering en tot wijziging van de wet van 19 februari 2001 betreffende de proceduregebonden bemiddeling in familiezaken; Stuk 2-672/1 tot 6.
Wetsontwerp tot wijziging van de artikelen 190, 194, 259bis-9, 259bis-10, 259octies en 371 van het Gerechtelijk Wetboek, tot invoeging van artikel 191bis in het Gerechtelijk Wetboek en tot wijziging van artikel 21 van de wet van 18 juli 1991 tot wijziging van de voorschriften van het Gerechtelijk Wetboek die betrekking hebben op de opleiding en werving van magistraten; Stuk 2-639/9 en 10.
Evocatieprocedure
Wetsontwerp tot aanvulling van artikel 447 van het Strafwetboek; Stuk 2-712/1 tot 4.
Vragen om uitleg:
's namiddags om 15 uur
Inoverwegingneming van voorstellen.
Mondelinge vragen.
Vanaf 17 uur: Naamstemmingen over de afgehandelde agendapunten in hun geheel.
Vragen om uitleg:
-De Senaat is het eens met deze regeling van de werkzaamheden.
De heer René Thissen (PSC). - Het centraal BTW-kantoor voor buitenlandse belastingplichtigen is een van de belangrijkste van het land. Het heeft een onwaarschijnlijk groot aantal taken, gaande van de controle van duizenden belastingplichtigen met belangrijke zakencijfers tot niet minder belangrijke BTW-terugbetalingen.
Voor een aantal zeer belangrijke ondernemingen is dit kantoor het visitekaartje van ons administratief systeem.
Het kantoor heeft te kampen met een schrijnend gebrek aan technische en menselijke middelen, vooral wat de kennis van vreemde talen betreft, met aanzienlijke vertragingen op elk niveau tot gevolg.
De lange wachttijd voor het verkrijgen van een BTW-nummer is een illustratie van deze moeilijkheden. Er moest zelfs een wachtprocedure worden uitgewerkt opdat de buitenlandse ondernemingen zaken zouden kunnen doen in ons land in afwachting van de toekenning van dit nummer.
Het centraal BTW-kantoor voor buitenlandse belastingplichtigen moet ten laatste op 1 januari 2002 de richtlijn van 17 oktober 2000 toepassen, met het nieuw systeem van vertegenwoordiging en de opheffing van meer dan 4 500 bankgaranties. Het kantoor moet over voldoende middelen beschikken om dit systeem te kunnen toepassen, zodat het zijn efficiëntie kan tonen aan de buitenlandse ondernemingen. Dit kan van doorslaggevend belang zijn voor een onderneming bij de beslissing om al dan niet in België te investeren.
Kan de minister bevestigen dat er problemen bestaan met betrekking tot de toekenning van een BTW-nummer en dat maatregelen werden genomen om de werking van het bureau te verbeteren?
Zou het niet goed zijn dat de beambten van dit bureau een elementaire kennis van een aantal vreemde talen zouden verwerven?
(Voorzitter: mevrouw Sabine de Bethune, eerste ondervoorzitter.)
De heer Didier Reynders, minister van Financiën. - Ik ben het in grote lijnen eens met de opmerkingen van de heer Thissen en met de voorstellen om de werking van deze dienst te verbeteren.
De omzetting in Belgisch recht van de richtlijn 2000/65/EG van de Europese Raad van 17 oktober 2000 zal de administratieve last van het centraal BTW-kantoor voor buitenlandse belastingplichtigen verlichten bij het beheer van het dossier van een belastingplichtige die in een ander lidstaat van de Europese Unie gevestigd is.
Vanaf 1 januari 2002 moeten deze belastingplichtigen geen fiscale vertegenwoordiger meer doen erkennen. In voorkomend geval zullen zij nochtans worden geïdentificeerd bij de BTW-administratie.
Anderzijds betekent de wijziging van het systeem van fiscale vertegenwoordiging een bijkomende, maar tijdelijke verhoging van de werklast voor het centraal BTW-kantoor voor buitenlandse belastingplichtigen. Dit zal vooral in het kalenderjaar 2002 het geval zijn aangezien de administratie ten laatste op 31 december 2002 opheffing wil verlenen van de bankwaarborg die de kredietwaardigheid moet garanderen van de vertegenwoordigers van buitenlandse belastingplichtigen die in een andere lidstaat van de Europese Unie gevestigd zijn en van wie het mandaat niet wordt verlengd na 31 december 2001. Tussen de twee vervaldagen ligt dus maximum een jaar.
De toekenning van een BTW-nummer aan een buitenlandse belastingplichtige verloopt momenteel inderdaad traag.
Mijn administratie heeft voorgesteld van 1 januari tot 31 december 2002 extra personeel in te zetten in het centraal BTW-kantoor voor buitenlandse belastingplichtigen om de opheffing van het oude systeem van fiscale vertegenwoordiging op te vangen. Zij heeft gevraagd om daarna over meer materieel en personeel te kunnen beschikken ten einde binnen een periode van maximum twee maanden elke vraag om identificatie bij de BTW van een buitenlandse belastingplichtige te kunnen beantwoorden. Het is niet zo belangrijk hoeveel extra personeel en technische middelen er ter beschikking zullen worden gesteld, maar wel hoelang de maximum termijn zal zijn.
De uitbreiding van het personeelsbestand moet gepaard gaan met maatregelen die de goede kwalificatie van de beambten en de continuïteit van de dienst verzekeren.
Een fiscale vorming en een aangepaste taalopleiding behoren tot deze maatregelen. Naast de tijdelijke versterking van de dienst volgend jaar en de versterking op lange termijn wordt dus gewerkt aan de opleiding van deze beambten. Ik herhaal dat de termijn voor het toekennen van de identificatie primeert en niet het bepalen van de personeelssterkte of van de bijkomende materiële middelen. De termijn van twee maanden lijkt haalbaar.
De heer René Thissen (PSC). - Ik ben het er uiteraard mee eens dat de termijn belangrijk is. Om die te kunnen respecteren, moeten wel voldoende middelen worden toegekend.
-Het incident is gesloten.
Mevrouw Magdeleine Willame-Boonen (PSC). - Twee maanden geleden heb ik de minister ondervraagd over de herziening van de forfaitaire beroepskosten die van het belastbaar inkomen van zelfstandige opvangmoeders mogen worden afgetrokken.
Het inkomen van de zelfstandige opvangmoeders vloeit voort uit een winstgevende activiteit. Van dat inkomen mogen ze een bedrag van 450 frank per kind en per opvangdag aftrekken als forfaitaire beroepskosten. Dit bedrag omvat alle beroepskosten van de opvangmoeder.
Mijn vraag ging meer bepaald over de mogelijkheden om dit bedrag aan te passen aan dat van de opvangmoeders onder toezicht. Een opvangmoeder onder toezicht ontvangt 545 frank per dag en per aanwezig kind. Dit bedrag vertegenwoordigt de onderhoudskosten.
De minister heeft mij toen geantwoord dat het dossier werd onderzocht. In een recente nota over het statuut van de opvangmoeders zegt de eerste minister uitdrukkelijk dat de zelfstandige opvangmoeders hetzelfde bedrag mogen aftrekken als de opvangmoeders onder toezicht. Hun beroepskosten zijn immers even hoog.
Kan de minister van Financiën ons meedelen of deze maatregel reeds toepassing vindt op de inkomsten van het jaar 2000, die vóór eind juni moeten worden aangegeven?
De heer Didier Reynders, minister van Financiën. - Ik deel de bezorgdheid van mevrouw Willame, die me op 29 maart inderdaad heeft ondervraagd over het onkostenforfait voor de zelfstandige opvangmoeders. Dit bedrag kan niet zonder meer worden verhoogd tot het bedrag van de niet-belastbare onkostenvergoeding die de bij een erkende en gesubsidieerde dienst aangesloten opvangmoeders ontvangen. Dat zou immers verder gaan dan wat artikel 342, paragraaf 1, vierde lid van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 betreffende collectieve akkoorden inzake beroepskosten toelaat. Het zijn immers twee verschillende gevallen.
Mevrouw Willame heeft erop gewezen dat het bij de zelfstandige opvangmoeders gaat om inkomsten met aftrekbare beroepskosten. Een collectief akkoord zoals bedoeld in artikel 342 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen kan enkel worden herzien als de betrokken beroepsverenigingen en de administratie het daarover eens zijn. De administratie onderzoekt thans de aanvragen van drie beroepsverenigingen van zelfstandige opvangmoeders en wil zo vlug mogelijk beslissen of de gevraagde verhoging van het forfait gerechtvaardigd is.
Ik kan mijn administratie niet verplichten een onkostenforfait te aanvaarden in het kader van een collectief akkoord. Ik heb wel gevraagd deze zaak zo vlug mogelijk te regelen en indien mogelijk rekening te houden met vaak gehoorde vergelijking, zelfs al gaat het hier om een akkoord dat het resultaat is van overleg over de beoordeling van de werkelijke kosten en niet om een eenzijdige beslissing van de minister van Financiën of zijn administratie.
In de nota van het kabinet van de eerste minister, waarnaar mevrouw Willame verwijst, worden de twee bedragen inderdaad vergeleken om erop te wijzen dat men geen onderscheid mag maken tussen de twee betrokken sectoren.
Ik hoop dat de analyse van mijn administratie en de beroepsverenigingen het mogelijk zal maken ten minste dit niveau te bereiken en de bedragen die u hebt aangehaald zo dicht mogelijk te benaderen.
Het is vrij logisch dat de bedragen verschillen aangezien het twee totaal verschillende mechanismen zijn om de dagelijkse bedragen vast te stellen. Ik deel uw bezorgdheid. Ik hoop dat mijn administratie en de betrokken verenigingen het vlug eens worden en dat we tot een aanzienlijke verhoging van de thans aanvaarde bedragen komen.
Mevrouw Magdeleine Willame-Boonen (PSC). - Kunt u me meedelen wanneer uw administratie haar analyse zal afronden?
De heer Didier Reynders, minister van Financiën. - Ik heb mijn administratie gevraag dit dossier als prioritair te beschouwen. Ik hoop dat er in de loop van de komende weken een beslissing valt. In de assemblees vraagt men mij meestal mij niet met zulke zaken te bemoeien. Ik zal de administratie dus haar werk laten doen.
Hetzelfde geldt voor het onderzoek van de klachten. Ik kan vragen de behandeling van sommige dossiers te bespoedigen, maar ik moet het principe van de onafhankelijkheid van de fiscale administratie eerbiedigen. Zij oordeelt of een onderzoek inderdaad is beëindigd. Ik denk dat mijn verzoek om het onderzoek in de loop van de volgende weken af te ronden, redelijk is.
-Het incident is gesloten.
De heer Jan Steverlynck (CVP). - Een tijdje gelden ondervroeg ik de minister over zijn beleid inzake de behandeling van fiscale dossiers voor de rechtbanken. Uit het antwoord van de minister kon worden opgemaakt dat hij van plan was de fiscus voor de rechtbank te laten vertegenwoordigen door belastingambtenaren en niet door advocaten. In de nieuwe procedure van opvolging van het geschillendossier volgt de ambtenaar die de aanpassing heeft gedaan, het dossier tot voor de rechtbank.
Op de vraag of dit geen problemen zou kunnen geven, gelet op de geringe procedurele kennis en praktijkervaring van fiscale ambtenaren, antwoordde de minister: "Onze ambtenaren hebben over het algemeen een heel goede fiscale kennis die ze dankzij permanente vormingsinspanningen van het departement uitbreiden en onderhouden. In dat kader zal in speciale opleidingen in fiscaal recht worden voorzien. Wanneer een ambtenaar verantwoordelijk voor een bepaald dossier, zijn aanpassing ernstig en degelijk heeft gemotiveerd en gepast antwoordt op de opmerkingen van de belastingplichtige, zal hij geen problemen hebben bij de verdediging van de Staat voor een rechtbank".
De minister ging ervan uit dat die verdediging in eenvoudige zaken geen problemen zou opleveren. Controleurs zouden geen of weinig problemen ondervinden van zijn beleidsoptie. In de circulaire van 26 maart staat uitdrukkelijk vermeld dat de taxatieambtenaren niet aan hun lot zullen worden overgelaten en dat bijstand zal worden georganiseerd en zal worden gezorgd voor een gepaste opleiding
De eerste ervaringen in de praktijk blijken niet zo gunstig. Advocaten en rechters zouden zich beklagen over het gebrek aan pleitervaring van de ambtenaren. Ze zouden zelfs de geringe kennis en ervaring van taxateurs uitspelen in het nadeel van de fiscus.
Is de minister zich bewust van het probleem? Leidt het tot benadeling van de fiscus, en dus van de Staat?
Zo ja, wat denkt hij te ondernemen om dit probleem te ondervangen? Komt er een versnelde scholing over pleitrecht en deontologische principes voor de ambtenaren? Of zal de minister zijn beleidsoptie terzake herzien? Op welke termijn zal hij maatregelen nemen? Is daarvoor in een budget voorzien?
Hoe staat het met de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de fiscale ambtenaren voor de rechtbank? Is er daarvoor een voldoende juridische basis? In de huidige fiscale procedure staat er geen specifiek artikel dat ambtenaren pleitrecht verschaft. Zij moeten dus een beroep doen op de algemene orgaantheorie. Is die theorie toepasselijk op fiscale ambtenaren? Ik heb de indruk dat zelfs de regering daar niet meer van overtuigd is. In de komende weken verwachten we een aantal tussenvonnissen die wellicht meer duidelijkheid zullen verschaffen over dit principe. Wat zal de minister doen als de Staat in het ongelijk wordt gesteld? Zal hij dan desnoods een wetgevend initiatief nemen om deze vertegenwoordigingsbevoegdheid voor fiscale ambtenaren alsnog juridisch te verankeren?
De heer Didier Reynders, minister van Financiën. - Ik besef dat de vertegenwoordiging van de fiscus voor de rechtbank door ambtenaren bij de advocaten, de magistraten en de ambtenaren zelf reacties heeft veroorzaakt. Tot nog toe heb ik nog geen reacties van belastingplichtigen gehoord en dat verheugt me.
In publicaties van advocaten heb ik kunnen lezen dat de ambtenaren hardnekkige tegenstanders zijn van de nieuwe procedure. Ik heb de volledige top van de betrokken administratie bijeengeroepen en aan het personeel een circulaire toegestuurd. Het is mogelijk dat bij de duizenden betrokken ambtenaren sommigen kritiek hebben op de maatregel of er tegenstander van zijn. De beslissing werd echter niet tegen het advies van de administratie, maar wel met haar steun genomen.
De vertegenwoordiging van de Belgische staat in fiscale zaken staat inderdaad ter discussie bij verschillende rechtbanken van eerste aanleg. Blijkens ingewonnen inlichtingen verschilt de huidige toestand naar gelang de rechtbank. Momenteel stellen we vast dat sommige rechters, in afwachting van een opheldering, de zaak terugwijzen, terwijl andere rechters kiezen voor een paternalistische houding tegenover de fiscale ambtenaren die worden uitgenodigd hun dossier te verdedigen en waarbij ze dan het verloop van het rechtsgeding uitleggen. Overigens hebben sommige advocaten recentelijk bij inleidende zittingen tegen de Staat een verstekvonnis gevraagd wegens vermeend gebrek aan rechtsgeldige procesvertegenwoordiging. Conclusies werden op dat vlak uitgewisseld waarbij de administratie de zogenaamde orgaantheorie heeft verdedigd. Tot nog toe werden over deze problematiek nog geen vonnissen geveld.
Op technisch vlak is het gebruikelijk dat rechtspersonen krachtens artikel 703, §1, van het Gerechtelijk Wetboek in rechte worden vertegenwoordigd door hun bevoegde organen. Die beschikking geldt voor publiekrechtelijke rechtspersonen en bijgevolg ook voor de Belgische Staat die door zijn bevoegde ambtenaren wordt vertegenwoordigd.
Ingevolge de orgaantheorie werd overigens tijdens de voorbereidende werkzaamheden van de wet van 23 maart 1999 betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken niet ingegaan op de wijziging van artikel 728 van het Gerechtelijk Wetboek waarin wordt bepaald dat de minister van Financiën zich inzake fiscale geschillen voor de rechtbank van eerste aanleg kan laten vertegenwoordigen door een door hem aangewezen ambtenaar. Ik benadruk dat de vertegenwoordiger van de balie tijdens die parlementaire werkzaamheden de wijziging van artikel 728 niet nodig vond.
Indien aan de betrokken ambtenaren de basisreden van de nieuwe maatregel, namelijk het verantwoordelijkheidsgevoel van de fiscale ambtenaar, wordt uitgelegd en hen tegelijkertijd een aangepaste opleiding wordt gegeven, reageren ze positief. Momenteel verdedigen de fiscale ambtenaren gewoonlijk zelf hun dossiers tegenover fiscale deskundigen en belastingdeskundige advocaten. Bijgevolg zie ik niet in waarom het moeilijker zou zijn hun standpunt voor de rechtbanken van eerste aanleg te verdedigen. In ieder geval kan voor geschillen waarbij bijzonder omvangrijke en ingewikkelde kwesties in het spel zijn altijd een beroep worden gedaan op departementsadvocaten gespecialiseerd in fiscale zaken. De ambtenaren zullen echter altijd bij de verdediging betrokken worden. In dit geval zullen de advocaat en de ambtenaar dus samen voor de rechtbank optreden. Het is inderdaad niet altijd gemakkelijk voor ingewikkelde dossiers gespecialiseerde advocaten te vinden die geen raadsman zijn van de tegenpartij. Niettemin trachten we middelen vrij te maken om deze weg in te slaan.
Vroeger beperkten departementsadvocaten zich in gemakkelijke zaken ertoe het door de administratie voorbereide antwoord voor te lezen of over te schrijven. Nu zullen de ambtenaren het standpunt van de administratie uitvoerig kunnen uitleggen en dat dus ook beter verdedigen. Ze zijn ook meer deskundig om boekhoudkundige bescheiden toe te lichten dan departementsadvocaten die vaak niet op de hoogte zijn van de praktische toepassing van het boekhoudrecht.
Uit recente contacten is gebleken dat vele ambtenaren zich laten afschrikken door het decorum van de rechtbank.
De inrichting van de rechtbank is inderdaad indrukwekkend voor een nieuweling, maar op het technische aspect van de verdediging heeft dat geen invloed. De verdediging gebeurt in deze fase van de procedure overigens meestal schriftelijk.
De meest gestelde vragen zijn de volgende. Zullen we moeten pleiten? Het beeld van assisenzaken in fictiefilms is blijkbaar niet zonder invloed. Andere vragen zijn hoe de voorzitter van de rechtbank aan te spreken en hoe zich zelf voor te stellen.
In de opleiding wordt uitgelegd hoe het gerechtelijk systeem functioneert. Ik meen te weten dat ook de minister van Justitie het functioneren van het rechtsysteem aan alle rechtsonderhorigen wil uitleggen en ik zie niet in waarom de andere ministers die voorlichtingsweg niet zouden volgen.
Bij de administratie heb ik erop aangedrongen om naast de theoretische vorming die in het kader van een bijzondere werkgroep bij de Administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit - AOIF - in voorbereiding is, ook praktische informatievergaderingen te houden, die het de betrokken ambtenaren mogelijk zullen maken om de draagwijdte van de nieuwe procedure te beseffen, alsmede zo snel mogelijk basisinformatie te verstrekken, zodat de ambtenaren met een minimum aan schroom kunnen deelnemen aan de debatten in de rechtbanken van eerste aanleg.
Het is van groot belang de ambtenaren uit te leggen dat het een valorisatie van hun basiswerk betreft, zodat ze in staat zijn het dossier te verdedigen dat ze deskundig en met inachtneming van de wetten en fiscale procedures hebben behandeld. Een eerste syllabus zal binnenkort aan de betrokken buitendiensten worden toegezonden met de praktische richtlijnen om de behandeling van fiscale dossiers voor de rechtbank tot een goed einde te brengen.
Ik hoop alleszins dat we dank zij een groter verantwoordelijkheidsgevoel van de belastingambtenaren meer resultaat zullen boeken in gerechtelijke procedures en dat we slechts een beroep op gespecialiseerde advocaten zullen moeten doen als het ingewikkeld karakter van de zaak dat vereist.
De heer Jan Steverlynck (CVP). - De beleidsoptie van de regering is legitiem, maar er lagen twee bekommernissen aan de basis van mijn vraag om uitleg.
Allereerst vroeg ik me af wat de regering zal doen, indien zou blijken dat bepaalde rechtbanken vinden dat op basis van de orgaantheorie de gewestelijke directeurs en ambtenaren niet kunnen optreden voor de rechtbank. Zal ze een afzonderlijk wetgevend initiatief nemen om alsnog in die mogelijkheid te voorzien? Latere rechtsleer doet immers de vraag rijzen of die vertegenwoordiging mogelijk is op basis van de orgaantheorie.
Mijn tweede bekommernis houdt verband met vorming en begeleiding. De minister geeft toe dat hieraan aandacht moet worden besteed, maar inmiddels verdedigen ambtenaren al zaken voor de rechtbank. Het is dan ook noodzakelijk om de betrokkenen op korte termijn praktisch op te leiden, zodat ze er met een goede kennis van het fiscaal recht met succes kunnen optreden ten behoeve van de Belgische Staat.
-Het incident is gesloten.
De heer Jean-François Istasse (PS). - De financiële situatie van de gemeenten is bijzonder zorgwekkend. Naast de talrijke traditionele taken, daarin begrepen de lasten van het verleden, belasten nieuwe verplichtingen de gemeentelijke financiën aanzienlijk. Ik denk aan de politiehervorming. De minister van Binnenlandse zaken is de enige die gelooft dat zulks niet meer aan de gemeenten zal kosten dan wat nu wordt aangekondigd.
Ik denk ook aan de hogere verloning van de lokale mandatarissen. Die vloeit voort uit een federale wet die wij hebben gewild maar waar nog geen financiële compensatie tegenover staat. De federale overheid zou de lasten die ze oplegt moeten compenseren. Minimaal zou de voorheffing op die vergoedingen aan de gemeenten moeten worden teruggestort zodat die enkel de nettolast dragen. Die verhoging weegt vooral zwaar voor de kleine gemeenten.
De verhoging van het bestaansminimum, waar wij achter staan, vormt eveneens een indirecte bijkomende last voor de gemeenten via de OCMW-rekening. Ook dat zou volledig moeten worden vergoed.
De nieuwe fiscale hervorming zal een bijkomend verlies van 9 miljard voor de gemeenten betekenen. Het argument dat de verhoging van de fiscaliteit voordien een verhoging van de gemeentelijke middelen heeft opgeleverd, gaat niet op. Dat had slechts een kleine impact op de gemeenten en leidde uiteindelijk tot een evenwicht dat nu wordt bedreigd.
Al die evoluties dreigen nefast te zijn voor vele gemeenten. Om die rampzalige evolutie te voorkomen werden verschillende mogelijkheden op federaal niveau onderzocht. De meeste daarvan lijken op een dood spoor te zitten. Hoe is de stand van zaken nu? Die denkoefening verhindert niet dat op gewestelijk niveau een gelijkaardige oefening wordt gemaakt.
Ik sprak reeds over de voorheffing van de mandatarissen. De terugbetaling ervan aan de gemeenten zou gedeeltelijk de door het federale niveau opgelegde verplichting compenseren. Indien dat niet gebeurt, zou men een herfinanciering van het federale niveau door de gemeenten te zien krijgen. Dat zou het toppunt zijn.
Collega Lizin heeft een wetsvoorstel ingediend om de 3% die door het federale niveau wordt ingehouden op de gemeentelijke opcentiemen af te schaffen. Dat zou gerechtvaardigd zijn gelet op de vertraging in de aan de gemeenten verschuldigde betalingen en het feit dat de inningskosten lager liggen dan het ingehouden forfait. Dat voorstel werd hier unaniem aangenomen. Het wordt nu in de Kamer tegengehouden, blijkbaar op vraag van de regering. Dat is niet gerechtvaardigd. Dat dossier moet tot een goed einde worden gebracht. Het zou de gemeenten aan welgekomen zuurstof helpen. Wij hebben in die zin gepleit in de overlegcommissie tussen Kamer en Senaat. Die was gevoelig voor het argument want zij heeft de termijn voor onderzoek van het ontwerp door de Kamer teruggebracht van 60 tot 30 dagen.
De gemeenten hebben via een delegatie van hun burgemeesters een vermindering van de BTW gevraagd op de door hen uitgevoerde werken. Dat dossier wordt onderzocht in een werkgroep, maar lijkt niet vooruit te gaan. Hoever staat het daarmee?
De gemeenten hebben ook een verlaging van de werkgeversbijdragen gevraagd zoals in de privé-sector. Hoe ver staat de betrokken werkgroep daarmee?
De gemeenten kennen grote kasproblemen door de vertraging in de inning van hun opcentiemen ingevolge een vertraging in de invordering van de federale belastingen. In antwoord op een vraag van de heer Mahoux van 7 december 2000 weet u die vertraging aan een informaticaprobleem. De vertraging zou worden ingelopen. Mijn informatie roept minder optimisme op. Inmiddels raken de kasproblemen van de gemeenten niet opgelost en komen er bijkomende kosten ingevolge de noodzaak om te moeten lenen. Na een gevoelige verbetering in de betalingen aan de gemeenten vorig jaar, lijken we nu opnieuw in de rampzalige situatie van twee jaar geleden te zijn aanbeland.
Het wordt hoog tijd een oplossing te vinden, hetzij in de vorm van een voorschot op de opcentiemen, wat de liquiditeitsproblemen zou oplossen - dat geldt ook voor de OCMW's - hetzij in de vorm van een schadevergoeding voor de meerkosten, in het bijzonder de intresten en kosten op de leningen.
Het zou aangewezen zijn een onafhankelijk organisme te laten vaststellen wat juist aan de gemeenten verschuldigd is en dit te belasten met een permanente controleopdracht. De PS heeft reeds gevraagd een dergelijke oplossing te onderzoeken.
De reorganisatie van de fiscale diensten zou een betere informatie moeten behelzen. De Staat moet de vooruitzichten inzake de jaarinkomsten verbeteren en over een snelle en bruikbare informatie over die inkomsten beschikken. Dat is van het grootste belang voor de gemeenten die nu hun inkomsten voor het volgende jaar niet kunnen inschatten. Om de door de toezichthoudende overheid gevraagde financiële plannen, die steeds preciezer moeten zijn, te kunnen opstellen, moeten de gemeenten nu de tijdens de voorgaande jaren ontvangen bedragen hanteren. Die bedragen staan echter ver van de realiteit af. De meerjarenplannen zijn dus bijzonder onzeker en weinig betrouwbaar.
De ziekenhuizen kennen een gelijkaardig of nog erger probleem. Zij kennen hun actuele inkomsten, die steunen op ligdagprijzen en dat voor een heel jaar, met soms verrassingen ingevolge retroactieve aanpassingen die vijf à zes jaar later komen, niet. Dat is nadelig voor het beheer en een enorm risico voor de gemeenten achter die ziekenhuizen, met name via de intercommunales.
Hoe kan men bij dit alles de gemeenten een onvoldoende management verwijten?
Het zijn problemen die de hele regering aangaan. Ik wil niet enkel uw departement viseren.
Ten slotte wil ik het over het kadaster hebben. De laatste perequatie dateert van 1 januari 1980, dit is meer dan 20 jaar geleden. Ze werd vastgesteld op de referentiedatum van 1 januari 1975. Sedert 1991 worden de kadastrale inkomens wel geïndexeerd. Er was ook een periodieke herziening voor sommige nieuwe of aanzienlijk gewijzigde gebouwen.
Dat belet niet dat dit inkomen op een basis van meer dan 25 jaar oud, leidt tot flagrante onrechtvaardigheden in de relatieve waarde van bepaalde goederen en een onderschatting van onroerende goederen in het algemeen. Dat heeft ook een nefaste invloed op de onroerende fiscale inkomsten van de gemeenten. Het zijn in de eerste plaats de gewesten die terzake de gemeenten te hulp moeten komen. Maar de federale Staat mag het probleem niet negeren door zich te verschuilen achter de bevoegdheidsverdeling. Precies hier zitten de gemeenten met een probleem.. Het is namelijk onaanvaardbaar de gemeenten te dwingen tot een verhogingen van de lokale belastingen op een ogenblik dat de federale Staat belastingsverlagingen wil toekennen. De burger zal daar niets van begrijpen en dat verhoogt onze geloofwaardigheid niet.
Ik heb gewezen op een aantal punten waarover niet alleen moet worden nagedacht, maar waarvoor dringend moet worden gehandeld op federaal niveau, in overleg met de gewesten. Alleen dan kan de gemeente een democratische instelling blijven waaraan wij gehecht blijven.
De heer Didier Reynders, minister van Financiën. - We zijn het er allemaal mee eens dat de gemeente de meest nabije leefgemeenschap moet blijven. We willen waarschijnlijk ook allemaal dat de gemeente een zo groot mogelijke autonomie behoudt. Ik stel echter vast dat, als de toestand wat moeilijker wordt, men ook minder belang hecht aan de autonomie. De heer Istasse wijst terecht op de financiële problemen van de gemeenten die ook al door de verschillende gewestregeringen werden aangekaart. Het overlegcomité tussen de federale regering en de gemeenschaps- en gewestregeringen heeft uiteindelijk besloten een werkgroep op te richten die de problematiek van de gemeentefinanciën moet bestuderen en een verslag moet opstellen. Een termijn werd niet vooropgesteld, maar er werd afgesproken snel te werken. De werkgroep zal de geldstromen tussen de verschillende bevoegdheidsniveaus inventariseren en nagaan of er bijkomende lasten worden opgelegd aan de gemeenten. De punten die moeten worden behandeld zijn de politiehervorming, de fiscale hervorming, het opvangbeleid voor vluchtelingen, het Rosettaplan en de openstelling van de energiemarkt. De plenaire werkgroep wordt voorgezeten door de minister van Binnenlandse Zaken. Hij moet zorgen voor de begeleiding van de verschillende subgroepen die telkens worden voorgezeten door de minister die bevoegd is voor de behandelde problematiek. De subgroep Financiën en Fiscaliteit heeft op 23 maart 2001 een eerste verslag ingediend dat meteen ook als eindrapport aan de plenaire werkgroep zal worden voorgelegd. Ik hoop niettemin dat dit thema binnenkort in het overlegcomité aan bod zal komen.
Zonder vooruit te lopen op de algemene evaluatie van de toestand van de gemeenten, wil ik het eerst hebben over de federale fiscaliteit.
Allereerst heeft mijn departement belangrijke inspanningen geleverd om de financiële relaties met de gemeenten te verbeteren. In april 1999 hadden de gemeenten van Financiën nog aanzienlijke bedragen tegoed van de opcentiemen van de personenbelasting. Een interne audit en het Rekenhof raamden de achterstallige bedragen op 17 miljard. Toen ik in functie trad, heb ik mij voorgenomen deze bedragen aan te zuiveren. Op 18 januari 2001 zijn we er uiteindelijk in geslaagd de laatste 400 miljoen aan de gemeenten door te storten. De gemeenten hebben dus in anderhalf jaar tijd 17 miljard extra gekregen. Deze versnelde doorbetaling heeft een onbetwistbaar gunstige invloed op de financiële toestand van de gemeenten.
De fiscale hervorming wordt progressief uitgevoerd en zal haar volledige uitwerking hebben in het jaar 2004. De gemeenten weten dus vooraf wat de gevolgen voor de personenbelasting zullen zijn. Ze kunnen beslissen de inkomstenbelasting te verlagen zoals dat op federaal niveau gebeurt, ofwel een andere richting in te slaan. In het laatste geval kunnen ze gemakkelijk zelf berekenen op welke manier ze hun inkomsten veilig kunnen stellen. Ze kunnen daarbij gebruik maken van hun fiscale autonomie, wat niet het geval is als ze de federale overheid vragen een beslissing te nemen. Als de gemeentebestuurders echter verkiezen hun fiscale autonomie op te geven om discussies over de inkomstenbelasting uit de weg te gaan, moet dit in het federale Parlement misschien worden besproken. Ik herhaal dat een vermindering van de gemeentelijke inkomsten geenszins onontkoombaar is. Het zou me bijzonder verheugen als ook de gewestelijke en gemeentelijke bevoegdheidsniveaus hun inkomstenbelasting verlagen. De heer Istasse heeft er zelf op gewezen dat de gemeenten een vermindering vragen van de sociale lasten. Het zou tegenstrijdig zijn te pleiten voor een daling van de eigen lasten en tegelijk te oordelen dat men de arbeid van zijn medeburgers zwaar moet blijven belasten. De belastinghervorming heeft betrekking op 130 miljard frank. Voor de Waalse gemeenten, bijvoorbeeld, kan het effect van de hervorming op 2 miljard worden geraamd.
Wat de bedrijfsvoorheffing betreft, herinner ik eraan dat de verhoging van de wedden van burgemeesters en schepenen door het Parlement werd goedgekeurd ingevolge een parlementair initiatief dat waarschijnlijk ook door een aantal burgemeesters en schepenen werd gesteund en uiteindelijk mee werd goedgekeurd. Ik ben verrast door de reacties nu, want ik herinner me niet dat indertijd gewag werd gemaakt van de problemen die deze verhoging voor de gemeentelijke financiën konden veroorzaken en vooral niet dat daarvoor bijkomende middelen nodig waren. Ik begrijp dat men dat vandaag wel doet. Ik wil de burgemeesters en schepenen die lid zijn van het federale Parlement, er toch op wijzen dat ze zullen moeten kiezen.
Men vraagt me middelen om een gedeelte van de weddenverhoging van de burgemeesters en schepenen te compenseren. Tegelijkertijd vraagt men me andere maatregelen te nemen: de verhoging van het bedrag van de aftrekbare beroepskosten voor burgemeesters en schepenen. Wil men nu het netto-inkomen van de burgemeesters en schepenen nog verhogen ofwel de gemeente financieel bijspringen? In een wetsvoorstel dat medeondertekend is door meerdere Kamerfracties, vraagt men me ook de presentiegelden van de leden van gemeente-, provincie- en OCMW-raden fiscaal vrij te stellen. Men zal moeten kiezen. Tenzij men natuurlijk beide wil. Waarom het federale niveau niet voor alles laten opdraaien?
Sommige andere voorstellen interesseren me meer.
Het eerste is het voorstel van mevrouw Lizin en de vraag van een zeer groot aantal gemeentemandatarissen om de inhouding van 3% te schrappen. De Staat houdt alleen beheerskosten in op de personenbelasting. Bovendien worden deze kosten maar berekend op het gedeelte dat naar de gemeenten gaat. De andere belastingen worden gratis geïnd. In vergelijking met de beheerskosten die in andere domeinen worden aangerekend, is deze 3% miniem. Ik vind het niet redelijk dat men zich concentreert op dit ene punt in een veel ruimer en complex dossier. De regering is het hiermee eens. Voor het aanslagjaar 2001 werd de inhouding van 3% bij de begrotingscontrole dan ook gehandhaafd. Het debat zal ongetwijfeld opnieuw gevoerd worden bij nieuwe begrotingsbesprekingen en in het overlegcomité.
Ik verwacht niet dat de regering de inhouding van 3% snel afschaft. Ik ben niet gekant tegen een geleidelijke vermindering van deze inhouding, maar dan in het kader van een aantal federale, gewestelijke en waarschijnlijk ook lokale maatregelen met het oog op de financiële gezondmaking van een aantal steden en gemeenten.
Ik ben bereid na te gaan op welke manier de BTW kan worden verlaagd op de werkzaamheden die de gemeenten aan hun patrimonium laten uitvoeren. De Europese Commissie en ook de Raad moeten hiermee echter instemmen.
Ik zal dit met de vertegenwoordigers van de Commissie en van de Raad bespreken.
De heer Istasse heeft gelijk dat de gemeenten normaal geen nadeel mogen ondervinden van de soms sterke schommelingen in de voorheffingen op de personenbelasting. Iedereen deelt in de wisselvalligheden van de belastinginning. Als ik de vertegenwoordigers van andere bevoegdheidsniveaus hoor, moet alleen de federale Staat hiervoor opdraaien.
Opdat de gemeenten geen nadeel ondervinden bij de inkohiering van de personenbelasting, heb ik de administratie opdracht gegeven de gemeenten renteloze voorschotten op de gemeentelijke opcentiemen toe te kennen. Deze bedragen, die inmiddels aan de gemeenten werden gestort, stemmen overeen met de netto-inkomsten, na aftrek van de 3% administratieve kosten, van de gemeenten in de maanden februari, maart en april 2000
De renteloze voorschotten worden natuurlijk in mindering gebracht van de bedragen die in de maanden mei, juni en juli 2001 aan de gemeenten worden gestort. Deze bedragen zullen inderdaad hoger liggen dan vorig jaar als gevolg van het toegenomen aantal inkohieringen sinds maart 2001.
De bedragen die door de federale Staat aan de gemeenten worden gestort, schommelen sterk van maand tot maand. Voor de gemeentefinanciën kan dit een probleem zijn, omdat de gemeenten hun inkomsten niet altijd kunnen plannen. Voor zover dit haalbaar is voor de federale financiën, ben ik bereid na te gaan op welke manier we deze al te sterke schommelingen kunnen vermijden.
Wat het overlegcomité betreft, stel ik voor geen nieuw orgaan in het leven te roepen, maar binnen de Hoge Raad voor Financiën een speciale afdeling voor de ondergeschikte besturen op te richten. Deze afdeling moet dan, samen met de ondergeschikte besturen, de financiële stromen bestuderen tussen Financiën en de lokale besturen, zoals dat ook met de gewesten en gemeenschappen het geval is.
Een algemene perequatie van de kadastrale inkomens is een bijzonder grootschalige operatie. De vorige regeringen zijn daar nooit toe overgegaan. Met de indexering van de kadastrale inkomens hebben we al een eerste stap gedaan, maar de regering stelt geen algemene perequatie in het vooruitzicht. Dit is voor haar nu geen prioriteit. De gewesten zouden trouwens over een grotere manoeuvreerruimte inzake de belasting op onroerend goed moeten beschikken. Op die manier kunnen ook zij een rol spelen tegenover de gemeenten.
Enkele vragen zijn veeleer gericht tot andere ministers, in het bijzonder de minister van Sociale Zaken, maar gaan in dezelfde richting.
Het overlegcomité tussen de federale regering en de gewest- en gemeenschapsregeringen buigt zich nu over de vraag welke maatregelen voor de gemeenten financieel noodzakelijk zijn. Moet men de lasten van de lokale besturen verlichten of hun bijkomende middelen verschaffen? We zullen die analyse waarschijnlijk in de loop van de maand juni afronden, voordat de federale begrotingsbesprekingen beginnen.
Toen ik het had over de 3% heb ik de grenzen geschetst van het debat binnen de federale regering. Ik twijfel echter niet aan de bereidheid van de verschillende regeringen en parlementen om de financiële toestand van de lokale besturen, met respect voor hun autonomie, gezond te maken.
De huidige toestand van een aantal lokale besturen heeft wellicht ook te maken met de cyclische beweging in de gemeentefinanciën: een stijging van de belastingen in het begin van een gemeentelijke zittingsperiode, een daling of de uitvoering van een programma van openbare werken op het einde. Het hoeft dus niet te verbazen dat onmiddellijk na de provincie- of gemeenteraadsverkiezingen veel aandacht gaat naar de financiële toestand. Ook daarmee moet men rekening houden als men de verantwoordelijkheden van de lokale, gewestelijke en federale mandatarissen wil aflijnen. Voor sommigen is het immers zeer moeilijk hun eigen lokale, gewestelijke en federale verantwoordelijkheden uit elkaar te houden.
De heer Jean-François Istasse (PS). - Ik ben tevreden met de antwoorden van de minister op mijn informatieve vragen.
Met mijn poging om een gunstmaatregel voor de gemeentefinanciën te bekomen, had ik minder succes. Maar ik begrijp dat dergelijke beslissingen voorbereiding vragen. We zullen de conclusies van de werkgroep Financiën van het overlegcomité met aandacht lezen en er eventueel in plenaire vergadering op terugkomen.
Ik noteer de inspanningen van de federale regering met betrekking tot de uitbetaling van de achterstallige belastingen en de voorschotten. Ook met de vaak moeilijke financiële toestand van de ziekenhuizen en de OCMW's moet rekening worden gehouden.
Over de belastinghervorming sprak de minister heel wijze woorden, namelijk dat het principe van de gemeentelijke autonomie behouden moet blijven. Deze autonomie wordt bedreigd door andere bevoegdheidsniveaus dan het federale. De gemeenten beschikken wel over de rechtsmiddelen om het federale beleid op de lokale realiteit af te stemmen, maar niet over de praktische mogelijkheden ertoe.
Alle plaatselijke mandatarissen zouden graag de belastingen van hun medeburgers verlichten, maar de toestand van de gemeentefinanciën belet dat. In een aantal gevallen, meer bepaald in de grote steden, moeten de belastingen worden verhoogd. Op federaal vlak kunnen we dit alleen maar vaststellen.
De eenparige goedkeuring in de Senaat heeft aangetoond dat we veel belang hechten aan het 3%-voorstel van mevrouw Lizin. We willen dat deze hervorming geleidelijk wordt uitgevoerd. Het is de enige belasting waarop de Staat een inhouding toepast, maar ook dan moet men rekening houden met alles wat de gemeenten gratis voor de federale Staat ondernemen of waarvan de federale Staat de voordelen ondervindt.
Ik noteer ook wat de minister zei over de BTW en ik steun zijn Europese demarches terzake.
Het onderzoek van de geldstromen tussen de federale en lokale niveaus door de Hoge Raad van Financiën kan voor een objectief antwoord zorgen dat noch door het lokale, noch door het federale niveau kan worden betwist.
Ik betreur het dat een hervorming van de perequatie niet mogelijk is. Vooral de steden kampen met een probleem. De kadastrale inkomens in de centra van de grote steden en in de periferie lopen steeds verder uiteen. Zo ontstaan ongewild verschillen tussen gebouwen, die vaak erg kort bij elkaar, maar in verschillende gemeenten gelegen zijn. Specifieke maatregelen zijn dus nodig.
-Het incident is gesloten.
De heer Georges Dallemagne (PSC). - Fibromyalgie is een nog slecht gekende ziekte. Sommige medische wetenschappers zijn trouwens van oordeel dat het geen specifiek syndroom is. Zeker is dat wie de symptomen vertoont die onder de noemer fibromyalgie vallen aan erge, toenemende en vaak invaliderende pijnen lijdt. Uit de getuigenissen van de Belgische vereniging voor de strijd tegen de fibromyalgie blijkt dat alle patiënten lijden aan aanhoudende, vage spierpijnen, die niet kunnen worden verklaard door een ontsteking of een andere metabolische of toxische oorzaak.
Sommige professoren in de geneeskunde, zoals professor Eisinger in Frankrijk en professor Goldenberg in de Verenigde Staten, zijn begonnen met een diepgaande analyse van deze pathologie en zijn van oordeel dat deze aandoening 2% van de bevolking treft, vooral vrouwen.
Ik had de gelegenheid een aantal mensen te ontmoeten die zeggen aan deze ziekte te lijden. Zij vertelden mij hoe ontsteld ze wel waren over de niet-erkenning van deze ziekte en over het misprijzen vanwege het medisch korps. Zij hebben het vooral erg moeilijk om te laten erkennen dat deze ziekte hen invalideert. Daardoor worden ze niet alleen uitgesloten uit hun professioneel milieu, maar ook uit de ziekte- en invaliditeitsverzekering. Voor een groot aantal patiënten heeft dat uiteraard een weerslag op hun gezins- en sociale relaties.
De minister van Sociale Aangelegenheden heeft dit jaar beslist de begroting uit te breiden zodat de terugbetaling voor de chronische zieken kan verbeteren en er bijzondere projecten op het vlak van de pijnbestrijding kunnen worden ontwikkeld.
In welke mate zullen patiënten die aan fibromyalgie lijden, een beroep kunnen doen op deze specifieke programma's inzake terugbetaling van chronisch zieken en inzake pijnbestrijding?
Naar het schijnt zouden de diensten van invaliditeit van het RIZIV het invaliderende karakter van deze ziekte weigeren te erkennen. Op grond waarvan verantwoordt het RIZIV zijn weigering? Is dat niet een wat stroeve en al te eenvormige aanpak? Over deze ziekte mogen dan nog geen diepgaande wetenschappelijke studies zijn gemaakt maar voor de patiënten die eraan lijden, is de ziekte niet minder reëel. Is het normaal dat het RIZIV geen rekening houdt met het verschijnen van nieuwe symptomen en nieuwe ziekten?
Kan de overheid studies en onderzoek financieren om de kennis over deze ziekte en andere nieuwe ziekten te verbeteren? Bij gebrek aan kennis geraken patiënten en verzorgers immers dikwijls in grote moeilijkheden.
De heer Jan Remans (VLD). - Aansluitend op de vraag van de heer Dallemagne over de erkenning van fibromyalgie, meer bepaald de tenlasteneming als chronische ziekte en de erkenning van het invaliderend karakter van deze aandoening, wil ik enkele bemerkingen maken.
Fibromyalgie is, zoals de vraag van de heer Dallemagne misschien kan laten uitschijnen, geen nieuwe ziekte. Het fenomeen is al lang gekend. Het is een syndroom van pijn in de spieren en vooral in de aanhechting van de pezen op het bot en rond de gewrichten, geassocieerd aan algemene vermoeidheid, zonder enige aanduidbare objectiveerbare organische afwijking.
Toch zijn er enkele opmerkelijke waarnemingen. Patiënten met reumatische aandoeningen erkennen de invloed van psychogene factoren op het verloop van hun ziekte en op de beleving van hun klachten. Vele patiënten met fibromyalgie voelen zich evenwel gestigmatiseerd als er gevraagd wordt naar de mogelijke invloed van stress op hun klachten. Alhoewel artsen en wetenschappers ervan uitgaan dat psychogene factoren en een gestoord slaappatroon oorzaken zijn van de klachten werd, ingevolge dit stigma, in de jaren zestig de term "psychogeen reuma" vervangen door "fibromyalgie". Er treden spanningen op tussen patiënten met fibromyalgie en artsen omdat de verwachtingen van beiden in de gemedicaliseerde zorgen zeer groot zijn. Als hun inspanningen effect missen, dan geraken zowel patiënt als arts vaak gefrustreerd en wordt hun onderlinge relatie verstoord.
Er kunnen ook spanningen ontstaan tussen de patiënt en de controlerende arts omdat drager zijn van een "aandoening met een naam" niet volstaat om ipso facto of ipso nomine invalide te zijn. Invalide voor wat? Onbekwaam voor wat? Voor dagelijkse noodwendigheden? Voor welk werk?
De diagnose van fibromyalgie kan voor het RIZIV niet betekenen dat de patiënt ipso facto invalide is. Maar - en dat wil ik evenzeer benadrukken - de diagnose kan op zich ook niet betekenen dat de patiënt ipso facto of ipso nomine geen recht heeft op een invaliditeitsuitkering. De evaluatie dient te gebeuren naargelang de graad van het syndroom, de graad van wat de patiënt kan en niet kan.
Ik doe een oproep tot patiënten en artsen om in hun persoonlijke dialoog na te gaan welke verbetering door medische hulp kan worden verwacht, eerder dan valse verwachtingen te koesteren. Ze moeten samen zoeken naar wat de patiënt nog wel kan in plaats van de aandacht toe te spitsen op wat hij niet kan.
Ik waardeer ten zeerste de bijzondere inspanningen van minister Vandenbroucke en van de regering voor de chronische patiënten en de invaliden. Ze zijn ook nodig, want de betrokkenen hebben dikwijls grote financiële problemen.
De aanpassing van de franchises en de maximum factuur, kunnen voor alle chronische patiënten een goede hulp zijn.
De vraag van de heer Dallemagne kadert in de bespreking over de procedures van de zorgprogramma's voor chronische patiënten en de toegang tot de pijnklinieken. Er dienen alleszins dienaangaande normen en criteria te worden uitgewerkt voor de zorgbehoevenden en de zorgenverstrekkers. Ik heb reeds vroeger mijn bezorgdheid geformuleerd in de commissie voor de Sociale Aangelegenheden en in een werkgroep op het kabinet.
De heer Jean-François Istasse (PS). - De heer Mahoux vraagt mij zijn vragen over te nemen.
We weten dat over het chronisch vermoeidheidssyndroom nog geen eensgezindheid bestaat in de medische wereld. De heer Mahoux is er zich van bewust dat bij gebrek aan een medische consensus over zowel de diagnose als de behandeling van deze aandoening, er heel wat problemen rijzen voor de patiënten en hun verwanten. Hij heeft in het begin van dit jaar aan uw departement gevraagd welke maatregelen het dacht te nemen om de initiatieven van de vorige regering in dit delicate dossier voort te zetten.
Hij vraagt me in herinnering te brengen dat er vijf voorstellen op de agenda staan: de oprichting van een werkgroep bij de Hoge Gezondheidsraad, de oprichting en de erkenning van enkele referentiecentra, de eenvormiger beoordeling van de arbeidsongeschiktheid van patiënten, het aanbieden van meer mogelijkheden aan patiënten met een ziekte-uitkering om een baan te vinden en aldus een inkomen te verwerven en, ten slotte, een betere ondersteuning van chronische patiënten in het kader van de ziekteverzekering.
Zo zag het probleem er in het begin van dit jaar uit. De heer Mahoux zou graag weten hoe het nu staat.
De heer Frank Vandenbroucke, minister van Sociale Zaken en Pensioenen. - Ik deel de bezorgdheid van de heer Dallemagne over de situatie van de fibromyalgiepatiënten. Ik kan hem trouwens meedelen dat mijn medewerkers nauwe contacten onderhouden met de betrokken verenigingen van patiënten en dat de patiënten op de hoogte zijn van onze initiatieven.
Ik zou de uiteenzetting van dokter Remans willen toejuichen. Hij heeft zeer belangrijke nuances in het debat aangebracht. We worden geconfronteerd met een zekere medicalisering van een uiterst complexe situatie die een groot aantal patiënten meemaken. De verwachtingen zijn misschien wat te hoog gespannen: men weet niet goed wat de geneeskunde vandaag vermag. In dit domein leven er dus talloze frustraties. Wij moeten tegelijk een greep krijgen op het medisch probleem - het wetenschappelijk debat draait nog op volle toeren - en op het sociaal probleem, zonder hierbij te vergeten dat heel wat patiënten zich persoonlijk gefrustreerd voelen.
Op de eerste vraag van de heer Dallemagne over de specifieke programma's die voor fibromyalgiepatiënten toegankelijk zijn, kan ik verwijzen naar twee concrete projecten, die ook voor fibromyalgiepatiënten belangrijk zijn.
Ten eerste is er de oprichting van CVS-referentiecentra, waarover ik reeds uitgebreid toelichting heb gegeven in de commissie. De heer Mahoux verwijst wellicht naar deze centra. De bedoeling van deze centra is onder meer in te staan voor een goede diagnose en mogelijke therapie ten bate van deze nog moeilijk exact te omschrijven patiëntengroep. Welke patiënten hiervoor in aanmerking komen, moet in regel beslist worden door de huisarts. In de huidige medische stand van zaken is het zo dat alvast een groep van fibromyalgiepatiënten ook kan geholpen worden door deze CVS-referentiecentra.
Ten tweede bereid ik ook de oprichting voor van Multidisciplinaire Centra voor de evaluatie en behandeling van Pijn (MPC). Dit is één van de belangrijkste aanbevelingen van het advies inzake chronische pijn van het Comité voor advies inzake de zorgverlening ten aanzien van de chronische ziekten en specifieke aandoeningen bij het RIZIV.
Minister Aelvoet en ikzelf hebben het Verzekeringscomité gevraagd ons hun voorstellen over te leggen die het mogelijk moeten maken dat deze centra in het najaar van start kunnen gaan. Ook deze centra zullen ongetwijfeld voor fibromyalgiepatiënten van groot nut kunnen zijn, vermits pijn dikwijls één van hun voornaamste symptomen is. Ook hier voorzien we in doorverwijzing via de huisarts.
Op de tweede vraag van het geachte lid over de beoordeling van deze patiënten door onder meer de diensten van het RIZIV, kan ik mededelen dat bij de oprichting van de CVS-referentiecentra zowel de adviserend artsen van de ziekenfondsen als de controlerende artsen van het RIZIV betrokken worden. Eenzelfde dialoog is inderdaad ook wenselijk voor de projecten met betrekking tot de multidisciplinaire pijncentra. Zulk een structureel overleg moet het mogelijk maken dat de medische kennis en ervaring in verband met deze "nieuwe" ziekten inderdaad ook gegarandeerd is bij de controleartsen.
In dit verband wil ik het geachte lid er ter informatie op wijzen dat, wat de medische beoordeling van de arbeidsongeschiktheid betreft, de huidige wetgeving geen melding maakt van een of andere ziekte. Het is dus niet een bepaalde diagnose die toegang geeft tot een uitkering, maar wel de toestand van de individuele patiënt met zijn functionele beperkingen ten opzichte van zijn individuele arbeidsmogelijkheden. Dit betekent dat voor mensen met dezelfde aandoening de graad van arbeidsongeschiktheid verschillend kan zijn.
Ik weet dat daaromtrent misverstanden bestaan. Patiëntenverenigingen die om de erkenning van hun ziekte verzoeken, doen dat vaak omdat ze ten onrechte geloven dat een erkenning het recht op een uitkering voor invaliditeit of arbeidsongeschiktheid zal openen. Het systeem werkt echter anders: men maakt een functionele evaluatie van de patiënt zonder rekening te houden met de specifieke pathologie.
Ik hoop dat ik hiermee alle vragen heb beantwoord. Het beleid dat wij ten uitvoer leggen zal op grond van praktische ervaringen worden geëvalueerd, met name in de multidisciplinaire en in de referentiecentra die in de komenden maanden zullen worden opgericht.
De heer Georges Dallemagne (PSC). - Ik dank de minister voor zijn antwoord. Ik zou eerst een voorafgaande opmerking willen maken: het chronisch vermoeidheidssyndroom is niet hetzelfde als fibromyalgie, hoewel er tussen beide verbanden en gelijkenissen bestaan.
De heer Frank Vandenbroucke, minister van Sociale Zaken en Pensioenen. - Ik heb dat ook niet gezegd.
De heer Georges Dallemagne (PSC). - De vraag om uitleg van de heer Istasse had echter uitsluitend betrekking op het chronisch vermoeidheidssyndroom. Als sommige fibromyalgiepatiënten terechtkunnen in de centra die voor dat syndroom worden opgericht, ben ik natuurlijk blij, maar dat is niet helemaal het antwoord op mijn vraag.
Het probleem van de erkenning van fibromyalgie heeft niet zozeer met invaliditeit of uitkeringen te maken; personen met fibromyalgieklachten zijn van oordeel dat ze niet au sérieux worden genomen en als denkbeeldige zieken met de vinger worden gewezen.
Ik zou graag weten welke middelen worden besteed om objectieve criteria te vinden voor deze ziekte, zonder specifieke symptomen, die niet via biologische onderzoeken kan worden opgespoord. Welke onderzoeksinspanningen worden geleverd om dit syndroom te omschrijven?
De symptomen zijn vaag. Soms denkt de patiënt zelf aan een fibromyalgie. De arts en de patiënt zitten verveeld met dat slecht bekende syndroom, waarover met name in België bij mijn weten nog maar zeer weinig onderzoek werd verricht.
Vooral op dat punt voelen de patiënten zich niet au sérieux genomen en wensen zij in de toekomst beter te worden begrepen. Talrijke getuigen dringen aan op de ontwikkeling van objectieve criteria voor de erkenning door het RIZIV. Sommige patiënten ontvangen op niet-objectieve gronden een invaliditeitsuitkering, terwijl anderen niets ontvangen. Ook ik dring dus aan op objectieve criteria.
De heer Frank Vandenbroucke, minister van Sociale Zaken en Pensioenen. - Ik ben niet echt bevoegd voor het wetenschappelijk onderzoek, al bestaat er wel een verband tussen de voorstellen die mijn departement kan doen en deze van.
Ik zal de aanpak van dit probleem door de controleartsen proberen te verbeteren door hen te laten delen in de ervaring van de referentiecentra. Zodoende zullen ze dit type van patiënt beter begrijpen. Dat lijkt me onontbeerlijk.
De moeilijkheid is dat een echte medische consensus hierover ontbreekt. Het ontbreekt ons niet zozeer aan objectieve criteria dan aan begrip en ervaring. Ik wil een bijdrage leveren tot de synthese van de ervaring in de gespecialiseerde centra voor zowel pijnbestrijding als chronische vermoeidheid. U hebt gelijk, fibromyalgie is niet hetzelfde, maar beide ziekten vertonen toch grote gelijkenissen.
-Het incident is gesloten.
De heer Michel Barbeaux (PSC). - De overschrijding van de RIZIV-begrotingsnorm voor het jaar 2000 wordt op 16,3 miljard frank geraamd. Ook al is dit bedrag nog niet definitief, toch kan men nu al zeggen dat de begrotingsnorm van 500,7 miljard voor het jaar 2000 ruim zal worden overschreden. Bovendien heeft de minister van Begroting meegedeeld dat er in het jaar 2001 eveneens overschrijdingen zouden zijn in de gezondheidszorg.
De belangrijkste overschrijdingen hebben betrekking op sectoren die de hen toegekende financiële ruimte systematisch overschrijden. De artsenhonoraria en de financiering van de ziekenhuizen vertonen een overschrijding van meer dan 6,5 miljard frank. Ook de ziekenhuizen hebben opnieuw grote financiële problemen, die te maken hebben met de vertraagde terugbetaling van facturen door het RIZIV. De achterstallige bedragen die op het einde van het jaar 2000 meer dan 75 miljard bedroegen, waren tot 53 miljard gedaald ingevolge de voorschottenregeling die de minister begin 2001 uitwerkte.
In april 2001 bleek dat de achterstallige betalingen opnieuw waren opgelopen tot 73 miljard. Er bestaat bovendien een duidelijk verband tussen de toename van de laattijdige betalingen van het RIZIV aan de ziekenhuizen en het begrotingstekort van het RIZIV. Hoe denkt de minister het probleem van de laattijdige betalingen aan de ziekenhuizen deze keer op te lossen?
Voor de geneesmiddelensector is de overschrijding opnieuw zeer groot: ze zou 8,5 miljard bedragen, wat ongeveer de helft is van het door het RIZIV opgetekende tekort. De minister heeft aangekondigd dat de correctiemechanismen voor het jaar 2001 nu reeds worden ingeschakeld ten einde de uitgaven te beheersen en overschrijdingen weg te werken. Gaat het echter niet om structurele overschrijdingen van de vastgestelde norm en zijn deze maatregelen bijgevolg niet ontoereikend?
Vanaf 2002 moet de farmaceutische industrie 65% van de begrotingsoverschrijding van 2001 terugbetalen. Op welke manier zal de regering deze bedragen terugvorderen? In Frankrijk stuit een gelijkaardig initiatief blijkbaar op heel wat moeilijkheden. Bij ons beschouwt de petroleumsector de invoering van de brandstofcheque als een discriminerende maatregel omdat een welbepaalde industrietak aan een bijzondere belasting wordt onderworpen. Een specifieke maatregel voor de farmaceutische sector heeft dan ook weinig kans op slagen. Zelfs als men erin slaagt 65% van de overschrijding terug te vorderen, blijft nog altijd 35% van het tekort ten laste van de staatsbegroting. Zullen de verzekeringsinstellingen dit tekort niet gedeeltelijk ten laste nemen?
Wij zijn ook ongerust over de uitwerking die deze begrotingsoverschrijding zal hebben op de nieuwe initiatieven die de minister van Sociale Zaken heeft aangekondigd en die bij de bevolking een zekere hoop hebben gewekt. Dreigt de begroting niet te krap te worden om nog nieuwe initiatieven te nemen?
De heer Jan Remans (VLD). - Minister Vandenbroucke zal in zijn antwoord aan de heer Barbeaux ongetwijfeld uitleggen dat de overschrijding van het RIZIV-budget voor het jaar 2000 gecompenseerd wordt door besparingsmaatregelen en door het uitstellen van vooropgestelde meeruitgaven voor nieuwe initiatieven ten belope van een goede 2,5 miljard.
De overschrijding van het budget 2000 zal niet zonder gevolg blijven voor het budget 2001 en de volgende jaren. Om het financieel evenwicht te herstellen, om al te grote recuperaties a posteriori te voorkomen en om de realisatie van nieuwe initiatieven te garanderen dient te worden gezocht hoe en in welke mate drie grote structurele problemen kunnen worden aangepakt.
Ten eerste ontbreekt het ons vandaag aan middelen om de kosten in de gezondheidszorg te berekenen. Het is bijzonder moeilijk te zeggen of de stijgingen van de uitgaven legitiem zijn, het is te zeggen of ze gelijklopen met de stijgende behoeften. Daarom is een ernstige permanente monitoring nodig door een onafhankelijk waarnemer. Daarvoor bestaan firma's, daarvoor is kennis ter beschikking, daarvoor kunnen contracten worden opgemaakt. De verantwoording van de kosten voor thuiszorg of RVT-bedden, de forfaitaire systemen voor labs, medische beeldvorming en ziekenhuiszorg blijft discutabel.
Ten tweede, de technologische vooruitgang in de geneeskunde is niet noodzakelijk een kostengenererende factor. Technologische vooruitgang kan ook kostenbesparend werken. Vandaag is het echter nog steeds nattevingerwerk bij het vellen van een oordeel over nieuwe technieken en geneesmiddelen. Wat is hun waarde? Nog steeds is er een verticale benadering: wie het hardst lobbyt krijgt het eerste terugbetaling. We hebben absoluut nood aan een technology health assessment centre. Dat bestaat al overal in Europa, behalve in België. Het ZIV-budget wordt nog te veel met economische parameters bijgestuurd. Wij moeten af van de vraag hoeveel vorig jaar werd uitgegeven en hoeveel de stijging dit jaar mag bedragen.
Het is de bedoeling van deze regering om de problematiek horizontaal te benaderen, overeenkomstig de besluiten van het rapport-Peers, dat we hopelijk nog niet zijn vergeten. Bij een horizontale studie van de verschillende ziektecategorieën worden de kosten berekend over het hele verloop van de aandoening en over het geheel van de verschillende zorgenverstrekkers met evaluatie van de outcome in levenskwaliteit. Niet de actoren van zorgbesteding staan centraal, wel de patiënt. Wat kost het benefiet van de behandeling?
Ten derde, de verplichte ziekteverzekering kan niet alles dekken. Sinds meer dan tien jaar worden steeds meer delen van de ziekteverzekering geprivatiseerd, ook al geven we dat niet graag toe. Getuige hiervan zijn de hospitalisatieverzekeringen. We moeten dringend vastleggen wat thuishoort in het verplichte systeem en wat in een aanvullend systeem. Enerzijds zitten er nu terugbetalingen in het verplichte systeem die niet in het basispakket thuishoren. Anderzijds zijn er geneesmiddelen en technieken die wel in het basispakket thuishoren en die er niet in geraken. Dat is een sociale onrechtvaardigheid die noch de minister noch ik kunnen aanvaarden.
De heer Frank Vandenbroucke, minister van Sociale Zaken en Pensioenen. - De genoemde bedragen over de overschrijdingen in 2000 zijn juist. Als nieuwe maatregelen uitblijven, dreigt de begrotingsdoelstelling 2001 bijgevolg ook te worden overschreden.
Vermits het algemeen beleid zijn voorschotten toekent in functie van een algemene begrotingsdoelstelling, kan het bedrag van de nog niet afgehandelde facturen in 2001 ook weer stijgen. Om deze toename zo veel mogelijk in te dijken, zal ik er bij het RIZIV op aandringen de rekeningen 2000 zo vlug mogelijk af te sluiten, teneinde ze uit te zuiveren. We zullen onderzoeken of het algemeen beleid het tegoed als voorschot ter beschikking kan stellen.
Men kan veronderstellen dat een gedeelte van de verhoging van de uitgaven dat de wettelijke norm overschrijdt, een structureel karakter heeft. De begrotingsdoelstelling voor 2001 voorziet in een bedrag van 22,3 miljard frank bovenop de legale norm, waarvan 8,5 miljard bestemd is om de bijkomende structurele uitgaven, met name inzake geneesmiddelen, te compenseren.
Indien blijkt dat de werkelijke uitgaven in 2001 toch boven de algemene begrotingsdoelstelling uitstijgen, zullen de volgende wettelijke en reglementaire mechanismen in werking worden gebracht. Ten eerste, de in artikelen 59 en 69 van de ZIV-wet opgenomen correcties voor klinische biologie en medische beeldvorming, waarbij eventuele meeruitgaven twee jaar later volledig worden gerecupereerd. Ten tweede, de bepalingen van artikel 51, §2, waarbij correctiemechanismen in werking moeten treden wanneer vastgesteld wordt dat in een bepaalde sector de uitgaven een risico op beduidende overschrijding van de partiële begrotingsdoelstelling vertonen. Ten derde, de in voorbereiding zijnde wet op de gezondheidszorgen, waarbij de eventuele meeruitgaven voor geneesmiddelenspecialiteiten bij de industrie voor 65% worden gerecupereerd.
Bij dit alles komt nog dat de financiële verantwoordelijkheid van de verzekeringsinstellingen vanaf 2001 nog toeneemt. Ze moeten dan 25% van de eventuele meeruitgaven boven hun inkomstenaandeel vanuit eigen middelen inbrengen. Ten slotte moet erop gewezen worden dat de nieuwe initiatieven van de regering niet in het gedrang hoeven te komen. In toepassing van artikel 51, §4, van de ZIV-wet, is immers in een afzonderlijke opvolging- en correctieprocedure voorzien voor de nieuwe initiatieven en voor de uitgaven die vallen onder de wettelijke norm.
Ik ben het met de heer Remans eens dat we een onderscheid moeten maken tussen wat moet thuishoren in de verplichte verzekering en wat in de aanvullende verzekering. In de commissie voor de Sociale Aangelegenheden werden hierover interessante debatten gevoerd. Dat is inderdaad een centrale uitdaging in het beleid.
-Het incident is gesloten.
De heer René Thissen (PSC). - In augustus 2000 heeft de minister van Sociale Zaken verschillende koninklijke besluiten gepubliceerd die de programmatie van PET-scanning met terugwerkende kracht beperkten. Op basis van de programmatiecriteria in deze besluiten zullen er in het Waals Gewest nog twee scanners toegelaten zijn. De Nationale Raad voor ziekenhuisvoorzieningen had in zijn advies nochtans erkenningscriteria opgenomen die de installatie van 19 PET-scanners mogelijk moesten maken.
De indicaties voor een onderzoek met een PET-scanner worden nochtans voortdurend talrijker dan de indicaties waarvoor in een RIZIV-terugbetaling is voorzien. Voor borstkanker bijvoorbeeld speelt PET-scanning een zeer belangrijk rol in de genezing van de patiënte omdat deze techniek vijfmaal nauwkeuriger is dan andere beschikbare technieken. Nog andere indicaties zijn: hersen- en hartpathologie, uitzaaiing van kanker aan de eierstokken, baarmoeder of bijnieren, het volgen van de evolutie van kanker aan de pancreas.
Moeten de programmatiecriteria in het licht van de ervaringen van de voorbije drie jaar niet worden herzien? Dat is ook nodig om wat meer toestellen te kunnen programmeren, zodat minstens het aantal bestaande installaties altijd in gebruik kan zijn. Het huidige beleid doet me enigszins denken aan de tijd van de eerste scanners en toestellen voor nucleaire beeldvorming. Men dacht toen dat enkele apparaten volstonden en dat deze technieken zeer duur zouden uitvallen. Later zorgde het veelvuldig gebruik voor een kostendaling, ook voor het RIZIV. Vooral voor de preventie werden deze technieken belangrijk.
De heer Frank Vandenbroucke, minister van Sociale Zaken en Pensioenen. - Ik stel eveneens vast dat de indicaties voor een onderzoek met een PET-scanner toenemen. Men moet nochtans een duidelijk onderscheid maken tussen indicaties waarvoor PET-scanning echt raadzaam is en de mogelijke indicaties. Op dit ogenblik kunnen drie domeinen worden afgebakend: de oncologie en in mindere mate de cardiologie en de neurologie. Voor de andere medische indicaties bevindt men zich nog veeleer in een experimenteel stadium.
Om het aantal toestellen te bepalen dat ons land nodig heeft, hebben we met verschillende elementen rekening gehouden. Steunend op de bestaande nomenclatuur ramen de artsen-specialisten in nucleaire geneeskunde het aantal patiënten dat voor dit onderzoek in aanmerking komt op 17.000, waarvan 15.000 in oncologie en telkens 1.000 in cardiologie en neurologie.
Volgens het Nationaal Kankerregister doen zich in België elk jaar 4.000 nieuwe gevallen van longkanker voor. Longtumoren zijn de belangrijkste indicatie, hoewel dit onderzoek niet in alle gevallen raadzaam is.
Een vergelijking met andere geïndustrialiseerde landen wijst uit dat deze gemiddeld 4,6 apparaten per 10 miljoen inwoners tellen.
Een toestel waarmee jaarlijks 1.000 onderzoeken worden verricht, kost de ziekteverzekering 33 miljoen frank.
Rekening houdend met deze gegevens moest het aantal PET-scanners in ons land worden beperkt. In totaal werden 13 toestellen geprogrammeerd: 7 voor de universitaire ziekenhuizen met een volledig studieprogramma, 1 voor een oncologisch ziekenhuis en 5 verdeeld volgens de verhouding 1 per 1,6 miljoen inwoners.
Vermits deze criteria niet dezelfde waren als deze die van de Nationale Raad voor ziekenhuisvoorzieningen, is het niet onlogisch dat het aantal geprogrammeerde toestellen afwijkt van het aantal dat de Nationale Raad aanbeveelt.
Ik vind het niet opportuun de programmatiecriteria te herzien: met 13 toestellen voor 10 miljoen inwoners heeft ons land een grote dichtheid. Vermits de PET-scanners geïnstalleerd zijn in universitaire centra en in ziekenhuizen, die kunnen aantonen dat ze veel kankerpatiënten behandelen, zullen we eventuele wijzigingen in de indicaties op de voet kunnen volgen.
De heer René Thissen (PSC). - Ik ben geen specialist terzake en kan dan ook moeilijk ingaan tegen de argumentatie van de minister. Ik zal de specialisten op de hoogte brengen en zo nodig bijkomende vragen stellen.
-Het incident is gesloten.
De heer Michiel Maertens (AGALEV). - Het aantal ingeschreven motorfietsen is in de voorbije tien jaar bijna verdrievoudigd.
De redenen daarvoor zijn bekend. Ze zijn vlotter in het verkeer. Dat is een voordeel bij filevorming. Toch zijn er ook ongunstige aspecten, zoals het geluidsvolume, het stuntwerk, de zeer sterke concentratie en de mogelijkheid tot het vlot berijden van smallere wegen die eigenlijk voor het zachte ecotoerisme zijn voorbehouden.
Wat de controle betreft, gaat de voorkeur van het motorenmilieu uit naar een mobiele wegkeuring, naast de klassieke technische keuring. Dit wijst erop dat de toestand van de motoren bij vele motorrijders een zwak punt is. De wettelijke omkadering loopt echter achterop en volgt de nieuwe tendensen helemaal niet.
Een schrijnend voorbeeld daarvan is de recente toestemming van het gemeentebestuur van Koksijde aan de Motorcycle Action Group Belgium om op 14, 15 en 16 september eerstkomend naar Amerikaans megalomaan model het Festival of European Motorcycling te organiseren. De organisatoren verwachten tienduizenden deelnemers. Er worden rondritten georganiseerd in "de mooie en geschiedenisrijke Westhoek", zoals ze zelf schrijven. Er staan ook bezoeken aan soldatenkerkhoven, de IJzer en de Dodengang op het programma. Het festival is een duidelijk voorbeeld van de ongunstige aspecten van het motortoerisme en van de gebrekkige wettelijke omkadering.
Het massale en gemeentegrensoverschrijdend karakter van deze manifestatie doet de vraag rijzen of er aangepaste wetgeving en reglementering voorhanden zijn om de openbare orde in dergelijke situaties voldoende te garanderen. Zulke massamanifestaties kunnen immers conflictueuze en gevaarlijke verkeerssituaties veroorzaken.
Toenmalig staatssecretaris Jan Peeters heeft de opleiding van de motorrijders in september 1998 in een besluit beter omkaderd. Op een hoorzitting in de commissie voor de Infrastructuur, het Verkeer en de Overheidsbedrijven van de Kamer op 30 september 1998 bleek echter dat de Motorcycle Action Group Belgium weinig of geen aandacht schenkt aan de ongunstige nevenaspecten van hun activiteiten, meer bepaald aan de problematiek van de snelheid, van het geluid en van het gemotoriseerd plattelandstoerisme.
De problemen doen zich meestal voor in de stille open ruimtes van de landelijke gebieden en in de nog stillere natuurgebieden, in het bijzonder in de Westhoek, maar weinig of nooit in de stedelijke agglomeraties, omdat de sociale controle daar veel groter is en de aard van het terrein de mogelijkheden tot hogere snelheden beperkt. Uit de studie van Van Meerhaeghe blijkt dat in West-Vlaanderen maar acht aaneengesloten "stille" gebieden zijn; zeven ervan zijn in de Westhoek gelegen. En juist daar heeft nu dat festival plaats.
Het toeristisch karakter van de West-Vlaamse stiltegebieden in de Westhoek wordt daardoor zwaar bedreigd, met alle economische gevolgen van dien voor het plattelandstoerisme. Precies deze stiltegebieden - met vele smalle wegen die niet erg geschikt zijn voor autoverkeer - zijn de jongste jaren vooral in het voorjaar en de zomermaanden erg geliefd bij wandelaars, fietsers, wielertoeristen en... motorrijders, en staan bijgevolg ook onder bijzonder zware druk. Dat leidt geregeld tot juridische conflictsituaties, vooral wanneer er zeer grote groepen rondrijden die de stilte en de verkeersveiligheid sterk verstoren. Dat bleek een paar jaar geleden uit de klachten tegen de Nieuwpoortse "Nacht van de Noordzee", waar "slechts" 1.000 motorrijders aan deelnamen, begeleid door stewards op heel snelle motoren, die de IJzervallei een hele nacht tegen hoge snelheden en met hoge geluidsproductie doorkruisten. Een ware nachtmerrie! Nu verwacht het festival in Koksijde een veelvoud aan deelnemers, tienduizenden, en dit gedurende een paar dagen en nachten.
We worden hier geconfronteerd met een nieuwe vorm van "milieudestructief" massatoerisme, dat de draagkracht van de plattelandsbewoners, van het platteland zelf, van het zachte plattelandstoerisme, van de bestaande lokale verkeersreglementeringen en van het natuurbehoud in het algemeen ver overschrijdt en de bestaande openbare orde ondergraaft. De lokale, de provinciale, de regionale en de federale overheden moeten hun regelgevende verantwoordelijkheid terzake opnemen en dringend de reglementeringen aanpassen.
De snelheid en het geluidsniveau in de stiltegebieden en op minder dan 500 meter van door de wet omschreven stiltebehoevende inrichtingen - ziekenhuizen en rusthuizen - zouden zeer sterk moeten worden beperkt en gecontroleerd. Tussen 22 uur 's avonds en 7 uur 's morgens zouden rondritten moeten worden verboden. Als het donker is, is er toch niets te zien op de onverlichte plattelandswegen. Het politieel wegtoezicht op de "massatoeristische" dagen zou moeten worden verhoogd, zodat de organisatoren ertoe gebracht worden de wegcode en de bijkomende reglementering strikt te doen naleven. Het aantal groepen en de grootte ervan zouden moeten worden beperkt. Er zouden voldoende lange stilteperiodes in acht moeten worden genomen. De circuits zouden vooraf moeten worden vastgelegd en afgesloten; ze zouden niet mogen samenvallen met de talrijke toeristische fietsroutes.
Graag had ik van de ministers vernomen of ze dit probleem onderkennen. Welke algemene beleidsconclusies trekken ze hieruit en welke beleidsopties koppelen ze daaraan? Zijn ze bereid deze problematiek op korte termijn met de betrokken overheden en organisatoren te bespreken? Zullen ze op zeer korte termijn de nodige onderrichtingen publiceren teneinde de ecologische en maatschappelijke draagkracht in de Westhoek niet aan te tasten? Welke lokale en supralokale juridische mogelijkheden zijn nu reeds voorhanden om het festival te omkaderen of, indien het niet anders kan, op te schorten? Zijn ze bereid, gelet op de wijze waarop dit festival wordt georganiseerd, aan het gemeentebestuur van Koksijde te vragen de verleende vergunning te wijzigen of zelfs in te trekken? Behoort het tot de beleidsopties van de ministers om over te gaan tot mobiele wegcontrole, en zo ja op welke wijze en binnen welke termijn?
Mevrouw Isabelle Durant, vice-eerste minister en minister van Mobiliteit en Vervoer. - Eerst zal ik het antwoord meedelen dat de minister van Binnenlandse Zaken mij heeft bezorgd.
Wat de aflevering van de vergunning betreft, ligt de verantwoordelijkheid bij de burgemeester. Aangezien de wetgeving betreffende de rally's niet van toepassing is op wedstrijden met motoren, staat het de burgemeester vrij om aan de organisatoren voorwaarden op te leggen. Hij kan zich wel steunen op het koninklijk besluit van 28 november 1997 houdende de reglementering van de organisatie van sportwedstrijden of sportcompetities met auto's die geheel of gedeeltelijk op de openbare weg plaatshebben. Indien de burgemeester van mening is dat zijn verantwoordelijkheid als bestuurlijke autoriteit in het gedrang komt, kan hij te allen tijde beslissen de manifestatie te verbieden of te onderwerpen aan bijkomende voorwaarden. Aangezien de verantwoordelijkheid bij de lokale autoriteit ligt, zal de minister van Binnenlandse Zaken momenteel niet tussenkomen in deze materie.
Tot zover het antwoord van minister Duquesne.
Als minister van Mobiliteit en Vervoer ben ik het eens met de senator dat megamanifestaties, zoals dit festival, voor overlast kunnen zorgen, zowel voor de bewoners, de andere weggebruikers, als voor de leefomgeving.
De wet van 16 maart 1968 over de politie op het wegverkeer en het verkeersreglement, zijn van toepassing als er elementen van wedstrijd zijn. Om dit officieel na te gaan schrijf ik de lokale autoriteiten aan om bijkomende uitleg te verschaffen en om nauwlettend toe te zien op het respecteren van voornoemde regelgevingen.
Als één van de elementen zoals snelheid, regelmatigheid of behendigheid een rol speelt, is volgens artikel 9 van de genoemde wet en artikel 50 van het verkeersreglement, een vergunning vanwege de gemachtigde overheid noodzakelijk.
Los van die specifieke regelgeving kan de lokale overheid regulerend optreden via de gemeentewet, met name de artikelen 134 en 135, of door politieel toezicht op het vlak van de verkeershandhaving.
Elke deelnemer aan de tocht is individueel verplicht de algemene verkeersregels na te leven. Doet hij dit niet, dan kan hij steeds worden bekeurd. Er is dus in geen enkel opzicht enig prerogatief dat zou voortvloeien uit het rijden in groepsverband van die motorrijders.
Wat de rondritten betreft, kan ik zeggen dat stoeten en optochten op de openbare weg, waaronder dergelijke motorrondritten in groepsverband kunnen worden gerekend, onderworpen zijn aan de voorafgaande goedkeuring van de lokale burgemeester.
In het raam van zijn algemene bevoegdheid voor de openbare orde en de veiligheid in zijn gemeente, waaronder de verkeersveiligheid, kan de burgemeester alle politiemaatregelen nemen die hij nodig acht voor een rustig en veilig verloop van een gebeurtenis op de openbare weg.
Ik ben er dan ook van overtuigd dat de lokale overheid aan een deel van de wensen en suggesties van de senator in verband met een veilig verloop van het evenement, tegemoet kan komen. Verder zal ik de nodige stappen doen om mij er mij bij de lokale overheid van te vergewissen of de gepaste regelgeving wordt gerespecteerd.
De heer Michiel Maertens (AGALEV). - Ik dank de vice-premier voor de duidelijke uitleg. Ik stel vast dat de minister van Binnenlandse Zaken de zwarte piet doorschuift naar zijn collega van Mobiliteit en naar de gemeentelijke overheid omdat het woord "motor" in zijn wetgeving niet voorkomt. De minister van Mobiliteit kent de motorrijders wel, maar dan alleen als ze wedstrijden organiseren. Als tien-, twintig- of dertigduizend motorrijders tegelijk samenkomen, zijn het geen gewone weggebruikers meer. Het gaat dan om een megamanifestatie waarvoor aangepaste regels nodig zijn. Ik heb daarover specifieke vragen gesteld, maar kreeg daarop geen echt antwoord omdat er eenvoudigweg geen antwoord is. We moeten de lacune aanvullen.
De wet van 16 maart 1968 over de politie op het wegverkeer en het koninklijk besluit van 28 november 1997 over de reglementering van de organisatie van sportwedstrijden of sportcompetities van auto's handelen niet over motoren. Motoren worden altijd vergeten.
Een aanpassing van de wetgeving dringt zich dus op. Daarbij moet de al te grote bevoegdheid van de burgemeesters toch wat worden ingeperkt. Het kan niet dat dergelijke gemeentegrensoverschrijdende manifestaties alleen aan de burgemeesters worden overgelaten.
Ik ben dus niet tevreden met het antwoord. Samen met haar collega van Binnenlandse Zaken zal de vice-premier toch eens moeten nagaan welke medewerkers het antwoord hebben opgesteld. Ze schuiven de problemen gewoon door en schijnen te denken: waar houdt die senator zich eigenlijk mee bezig? Een fietser moet zich niet met motorproblemen bezighouden. Het spijt me, maar als senator vertegenwoordig ik ook de burgers die last hebben van dit soort massamanifestaties.
De wetgeving moet dus worden aangepast. Ik zal dan ook een motie in die zin indienen.
De voorzitter. - De heer Maertens heeft een motie ingediend die luidt:
"De Senaat,
Gehoord de vraag om uitleg van senator Michiel Maertens tot de ministers van Mobiliteit en Vervoer, Durant, en Binnenlandse Zaken, Duquesne, nopens de juridische randvoorwaarden voor het organiseren van het "Festival of European Motorcycling" te Koksijde in september aanstaande,
Gehoord het antwoord van de ministers van Binnenlandse Zaken en van Mobiliteit en Vervoer nopens deze aangelegenheid,
Overwegende dat uit antwoorden op de vragen nopens het beleid inzake het motorengebruik geen enkel beleidsvoorstel is gebleken,
Verzoekt de regering de nodige wetsontwerpen uit te werken om in deze juridische lacune te voorzien."
-Over deze motie wordt later gestemd.
-Het incident is gesloten.
De voorzitter. - De agenda van deze vergadering is afgewerkt.
De volgende vergadering vindt plaats woensdag 6 juni 2001 om 14 uur.
(De vergadering wordt gesloten om 20.25 uur.)
Afwezig met bericht van verhindering: mevrouw Kestelijn-Sierens, in het buitenland, en de heer Colla, wegens andere plichten.
-Voor kennisgeving aangenomen.
Stemming nr. 1
Aanwezig: 55
Voor: 5
Tegen: 47
Onthoudingen: 3
Voor
Yves Buysse, Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Wim Verreycken.
Tegen
Michel Barbeaux, Sfia Bouarfa, Jean Cornil, Georges Dallemagne, Sabine de Bethune, Olivier de Clippele, Armand De Decker, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Jacques Devolder, Jacques D'Hooghe, Josy Dubié, Paul Galand, André Geens, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Theo Kelchtermans, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Michiel Maertens, Philippe Mahoux, Jean-Pierre Malmendier, Philippe Monfils, Jacky Morael, Philippe Moureaux, Marie Nagy, Clotilde Nyssens, Fatma Pehlivan, Francis Poty, Didier Ramoudt, Jan Remans, François Roelants du Vivier, Louis Siquet, Jan Steverlynck, Martine Taelman, Erika Thijs, René Thissen, Jacques Timmermans, Louis Tobback, Hugo Vandenberghe, Myriam Vanlerberghe, Iris Van Riet, Magdeleine Willame-Boonen, Paul Wille.
Onthoudingen
Chris Vandenbroeke, Patrik Vankrunkelsven, Vincent Van Quickenborne.
Stemming nr. 2
Aanwezig: 56
Voor: 51
Tegen: 0
Onthoudingen: 5
Voor
Michel Barbeaux, Sfia Bouarfa, Jean Cornil, Georges Dallemagne, Sabine de Bethune, Olivier de Clippele, Armand De Decker, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Jacques Devolder, Jacques D'Hooghe, Josy Dubié, Paul Galand, André Geens, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Theo Kelchtermans, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Michiel Maertens, Philippe Mahoux, Jean-Pierre Malmendier, Philippe Monfils, Jacky Morael, Philippe Moureaux, Marie Nagy, Clotilde Nyssens, Fatma Pehlivan, Francis Poty, Didier Ramoudt, Jan Remans, François Roelants du Vivier, Louis Siquet, Jan Steverlynck, Martine Taelman, Erika Thijs, René Thissen, Jacques Timmermans, Louis Tobback, Hugo Vandenberghe, Luc Van den Brande, Chris Vandenbroeke, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, Vincent Van Quickenborne, Iris Van Riet, Magdeleine Willame-Boonen, Paul Wille.
Tegen
N.
Onthoudingen
Yves Buysse, Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Wim Verreycken.
Stemming nr. 3
Aanwezig: 55
Voor: 50
Tegen: 0
Onthoudingen: 5
Voor
Michel Barbeaux, Sfia Bouarfa, Jean Cornil, Georges Dallemagne, Sabine de Bethune, Olivier de Clippele, Armand De Decker, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Jacques Devolder, Jacques D'Hooghe, Josy Dubié, Paul Galand, André Geens, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Theo Kelchtermans, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Michiel Maertens, Philippe Mahoux, Jean-Pierre Malmendier, Philippe Monfils, Jacky Morael, Philippe Moureaux, Marie Nagy, Clotilde Nyssens, Fatma Pehlivan, Francis Poty, Didier Ramoudt, Jan Remans, Louis Siquet, Jan Steverlynck, Martine Taelman, Erika Thijs, René Thissen, Jacques Timmermans, Louis Tobback, Hugo Vandenberghe, Luc Van den Brande, Chris Vandenbroeke, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, Vincent Van Quickenborne, Iris Van Riet, Magdeleine Willame-Boonen, Paul Wille.
Tegen
N.
Onthoudingen
Yves Buysse, Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Wim Verreycken.
Stemming nr. 4
Aanwezig: 55
Voor: 55
Tegen: 0
Onthoudingen: 0
Voor
Michel Barbeaux, Sfia Bouarfa, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Jean Cornil, Frank Creyelman, Georges Dallemagne, Sabine de Bethune, Olivier de Clippele, Armand De Decker, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Jacques Devolder, Jacques D'Hooghe, Josy Dubié, Paul Galand, André Geens, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Theo Kelchtermans, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Michiel Maertens, Philippe Mahoux, Jean-Pierre Malmendier, Philippe Monfils, Jacky Morael, Philippe Moureaux, Marie Nagy, Clotilde Nyssens, Fatma Pehlivan, Francis Poty, Didier Ramoudt, Jan Remans, François Roelants du Vivier, Louis Siquet, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Jan Steverlynck, Martine Taelman, Erika Thijs, René Thissen, Jacques Timmermans, Louis Tobback, Hugo Vandenberghe, Luc Van den Brande, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, Vincent Van Quickenborne, Iris Van Riet, Wim Verreycken, Magdeleine Willame-Boonen, Paul Wille.
Tegen
N.
Onthoudingen
N.
De volgende voorstellen werden ingediend:
Wetsvoorstellen
Artikel 81 van de Grondwet
Wetsvoorstel tot wijziging van diverse bepalingen met het oog op de oprichting van Nederlandstalige en Franstalige rechtbanken van eerste aanleg en de splitsing van het parket bij de rechtbank van eerste aanleg in het gerechtelijk arrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde (van de heer Hugo Vandenberghe; Stuk 2-761/1).
Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 24 van de wet van 20 juli 1971 op de begraafplaatsen en de lijkbezorging, met betrekking tot de verklaring over de asbestemming (van mevrouw Jeannine Leduc c.s.; Stuk 2-762/1).
Voorstel van resolutie
Voorstel van resolutie betreffende de escalatie van het conflict in het Midden-Oosten (van de heer Michiel Maertens; Stuk 2-763/1).
Wetsvoorstellen
Artikel 77 van de Grondwet
Wetsvoorstel tot wijziging van de artikelen 131 en 326 van het Gerechtelijk Wetboek (van mevrouw Clotilde Nyssens; Stuk 2-655/1).
-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.
Artikel 81 van de Grondwet
Wetsvoorstel tot wijziging van de wet van 9 april 1930 tot bescherming van de maatschappij tegen abnormalen, gewoontemisdadigers en plegers van bepaalde seksuele strafbare feiten (van mevrouw Clotilde Nyssens; Stuk 2-653/1).
-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.
Wetsvoorstel tot invoeging van een artikel 447ter in het Wetboek van strafvordering (van mevrouw Clotilde Nyssens; Stuk 2-654/1).
-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.
Wetsvoorstel tot aanvulling van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorvoertuigen (van de heer Francis Poty; Stuk 2-706/1).
-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.
Met toepassing van artikel 21-4, tweede zin, van het Reglement werden de volgende wijzigingen in de samenstelling van bepaalde commissies aangebracht:
Commissie voor de Institutionele Aangelegenheden:
Commissie voor de Sociale Aangelegenheden:
Commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden:
Het Bureau heeft volgende vragen om uitleg ontvangen:
van mevrouw Mimi Kestelijn-Sierens aan de minister van Telecommunicatie en Overheidsbedrijven en Participaties over "de liberalisatie van de postsector" (nr. 2-485)
van mevrouw Clotilde Nyssens aan de minister van Sociale Zaken en Pensioenen over "de kwetsbare toestand waarin "thuisblijvende vrouwen" zich bevinden" (nr. 2-487)
van mevrouw Clotilde Nyssens aan de vice-eerste minister en minister van Werkgelegenheid en aan de minister van Binnenlandse Zaken over "de toestand van studenten die geen onderdaan zijn van een lidstaat van de Europese Unie op de Belgische arbeidsmarkt" (nr. 2-488)
van de heer Georges Dallemagne aan de minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu over "de Cidex-crisis" (nr. 2-489)
van mevrouw Clotilde Nyssens aan de vice-eerste minister en minister van Werkgelegenheid en aan de minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu over "een vakantiebaan als spermadonor" (nr. 2-490)
van de heer René Thissen aan de minister van Economie en Wetenschappelijk Onderzoek over "de tarieven die Banksys aan handelaars aanrekent" (nr. 2-491)
van de heer Ludwig Caluwé aan de minister van Financiën over "de herinvlagging van de Belgische koopvaardij" (nr. 2-492)
van de heer Michiel Maertens aan de minister van Landbouw en Middenstand en aan de staatssecretaris toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken over "de internationale koffieakkoorden" (nr. 2-493)
-Deze vragen worden naar de plenaire vergadering verzonden.
De Senaat heeft bij boodschap van 23 mei 2001 aan de Kamer van volksvertegenwoordigers ter kennis gebracht dat tot evocatie is overgegaan, op die datum, van:
Wetsontwerp tot bekrachtiging van de bepalingen betreffende de verplichte bijdragen van het koninklijk besluit van 15 oktober 2000 betreffende de verplichte en vrijwillige bijdragen verschuldigd door de veevoedersector aan het Fonds voor de schadeloosstelling van landbouwbedrijven getroffen door de dioxinecrisis (Stuk 2-759/1).
-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden.
Bij boodschappen van 22, 24 en 29 mei 2001 heeft de Senaat aan de Kamer van volksvertegenwoordigers terugbezorgd, met het oog op de koninklijke bekrachtiging, de volgende niet geëvoceerde wetsontwerpen:
Wetsontwerp tot wijziging van sommige bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek, het Wetboek van strafvordering en het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, inzake onttrekking en wraking (Stuk 2-734/1).
Wetsontwerp betreffende de dematerialisatie van sommige staatsleningen (Stuk 2-736/1).
Wetsontwerp tot aanvulling van artikel 591 van het Gerechtelijk Wetboek (Stuk 2-744/1).
Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 10 april 1990 op de bewakingsondernemingen, de beveiligingsondernemingen en de interne bewakingsdiensten (Stuk 2-758/1).
-Voor kennisgeving aangenomen.
Bij boodschappen van 17 en 23 mei 2001 heeft de Kamer van volksvertegenwoordigers aan de Senaat overgezonden, zoals ze ter vergaderingen van 17 en 23 mei 2001werden aangenomen:
Artikel 77 van de Grondwet
Wetsontwerp houdende wijziging van artikel 12bis van de wet van 17 april 1878 houdende de Voorafgaande Titel van het Wetboek van strafvordering (Stuk 2-765/1).
-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Justitie.
Artikel 78 van de Grondwet
Wetsontwerp houdende wijziging van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt, van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen en het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (Stuk 2-766/1).
-Het wetsontwerp werd ontvangen op 25 mei 2001; de uiterste datum voor evocatie is maandag 11 juni 2001.
Wetsontwerp betreffende de Centrale voor kredieten aan particulieren (Stuk 2-767/1).
-Het wetsontwerp werd ontvangen op 25 mei 2001; de uiterste datum voor evocatie is maandag 11 juni 2001.
Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 10 maart 1980 betreffende het verlenen van de eretitel van hun ambt aan de burgemeesters, aan de schepenen en aan de voorzitters van de raden van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn of van de gewezen commissies van openbare onderstand (Stuk 2-768/1).
-Het ontwerp werd ontvangen op 25 mei 2001; de uiterste datum voor evocatie is maandag 11 juni 2001.
Artikel 80 van de Grondwet
Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 10 april 1990 op de bewakingsondernemingen, de beveiligingsondernemingen en de interne bewakingsdiensten (Stuk 2-758/1).
-Het wetsontwerp werd ontvangen op 18 mei 2001; de uiterste datum voor evocatie is woensdag 23 mei 2001.
Wetsontwerp tot bekrachtiging van de bepalingen betreffende de verplichte bijdragen van het koninklijk besluit van 15 oktober 2000 betreffende de verplichte en vrijwillige bijdragen verschuldigd door de veevoedersector aan het Fonds voor de schadeloosstelling van landbouwbedrijven getroffen door de dioxinecrisis (Stuk 2-759/1).
-Het wetsontwerp werd ontvangen op 18 mei 2001; de uiterste datum voor evocatie is woensdag 23 mei 2001.
-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden.
Artikel 81 van de Grondwet
Wetsontwerp tot wijziging van de gevolgen voor de inkomstenbelastingen van schenkingen aan de Staat en tot wijziging van de regeling voor de afgifte van kunstwerken ter betaling van successierechten (van de heer Philippe Monfils c.s.; Stuk 2-75/1).
-Het ontwerp werd ontvangen op 18 mei 2001; de onderzoekstermijn, die overeenkomstig artikel 79, eerste lid, van de Grondwet 15 dagen bedraagt, verstrijkt op dinsdag 5 juni 2001.
-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden.
De Regering heeft volgend wetsontwerp ingediend:
Wetsontwerp houdende instemming met het Akkoord tussen het Koninkrijk België en de Internationale Organisatie voor Migratie betreffende de voorrechten en de immuniteiten van deze organisatie in België, ondertekend te Londen op 4 december 1996, tot wijziging van het Akkoord tussen het Koninkrijk België en het Intergouvernementeel Comité voor Europese Migratie, ondertekend te Genève op 2 juli 1973 (Stuk 2-760/1).
-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.
Met toepassing van artikel 113 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van het Arbitragehof kennis aan de voorzitter van de Senaat van:
-Voor kennisgeving aangenomen.
Met toepassing van artikel 77 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van het Arbitragehof aan de voorzitter van de Senaat kennis van:
-Voor kennisgeving aangenomen.
Bij brief van 18 mei 2001 heeft de staatssecretaris voor Ontwikkelingssamenwerking, overeenkomstig de artikelen 36 en 39 van de statuten van de Belgische technische coöperatie, bepaald bij het koninklijk besluit van 15 februari 1999 tot uitvoering van artikel 13 van de wet van 21 december 1998 tot oprichting van de "Belgische technische coöperatie NV" in de vorm van een vennootschap van publiek recht aan de Senaat overgezonden, het beleidsverslag, de jaarrekening en het verslag van het College van commissarissen van de Belgische technische coöperatie over het dienstjaar 2000.
-Verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.
Bij brief van 21 mei 2001 heeft de minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu, overeenkomstig artikel 13, §2, van de wet van 4 februari 2000 houdende oprichting van het Federaal Agentschap voor de veiligheid van de voedselketen aan de voorzitter van de Senaat overgezonden, het Jaarverslag 2000 van het Federaal Agentschap voor de veiligheid van de voedselketen.
-Verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.
Bij brief van 17 mei 2001 hebben de directeurs van de Nationale Delcrederedienst overeenkomstig artikel 22 van de wet van 31 augustus 1939 op de Nationale Delcrederedienst, aan de voorzitter van de Senaat overgezonden, het verslag over de werkzaamheden van de Dienst tijdens het dienstjaar 2000.
-Neergelegd ter Griffie.
Bij verzoekschrift uit Zemst zendt de burgemeester van deze gemeente aan de Senaat een motie in verband met het preventiebeleid inzake drugs.
-Verzonden naar de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden.
Bij brief van 15 mei 2001 heeft de voorzitter van het Europees Parlement aan de Senaat overgezonden:
aangenomen tijdens de vergaderperiode van 2 en 3 mei 2001.
-Verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.