2-208 | Belgische Senaat | 2-208 |
Waarschuwing: de blauwe kleur geeft aan dat het gaat om uit het Frans vertaalde samenvattingen.
Politieke fractie - Naamsverandering
Inoverwegingneming van voorstellen
Verwelkoming van een buitenlandse delegatie
Inoverwegingneming van voorstellen
In overweging genomen voorstellen
Arbitragehof - Prejudiciële vragen
Voorzitter: de heer Armand De Decker
(De vergadering wordt geopend om 15.05 uur.)
De voorzitter. - Bij brief van 14 maart 2002 hebben de heer Charles Preud'Homme en anderen aan de Senaat overgezonden een motie, opgesteld in Luik, inzake de veiligheid in de buurt van voetbalstadions.
Bij brief van 15 mei 2002 heeft de heer W. Taminiaux, burgemeester van de stad La Louvière, aan de Senaat overgezonden een motie van de gemeenteraad over het stemrecht en de verkiesbaarheid voor de gemeenteraden, van personen die geen onderdaan zijn van de Europese Unie, maar gedurende lange tijd in België verblijven.
Bij brieven van 16, 17, 21, 22 en 23 mei 2002 hebben de burgemeesters van Baelen, Lessen, Sint-Lambrechts-Woluwe, Châtelet, Dison, Morlanwelz, Cerfontaine, Thuin, Les Bons Villers en Aubange aan de Senaat overgezonden een motie met het verzoek te werken in het voordeel van de bevrijding van mevrouw Ingrid Betancourt.
-Verzonden naar de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden.
De voorzitter. - Bij brief van 22 mei 2002 deelt de heer René Thissen, fractievoorzitter, mee dat de PSC-fractie van de Senaat, de benaming CDH-fractie (Centre Démocrate Humaniste) heeft aangenomen.
-Voor kennisgeving aangenomen.
De voorzitter. - De lijst van de in overweging te nemen voorstellen werd rondgedeeld.
Leden die opmerkingen mochten hebben, kunnen die vóór het einde van de vergadering mededelen.
Tenzij er afwijkende suggesties zijn, neem ik aan dat die voorstellen in overweging zijn genomen en verzonden naar de commissies die door het Bureau zijn aangewezen. (Instemming)
De voorzitter. - Mevrouw Magda Aelvoet, minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu antwoordt namens mevrouw Isabelle Durant, vice-eerste minister en minister van Mobiliteit en Vervoer.
De heer Johan Malcorps (AGALEV). - Vorige maandag werd in Haasdonk een 17-jarige jongen doodgereden door een vrachtwagen. De chauffeur werd in shocktoestand in het ziekenhuis opgenomen. De oorzaak van het ongeval was andermaal de dodehoekproblematiek. Hoelang zal het nog duren alvorens dit probleem wordt opgelost?
Vanaf 1 januari 2003 zijn in Nederland dodehoekspiegels verplicht voor alle vrachtwagens met een Nederlands kenteken. Op 26 maart gaf de Europese raad van verkeersministers Nederland ter zake groen licht. Bovendien mogen wegbeheerders in Nederland verkeersborden plaatsen om weggedeeltes af te sluiten voor alle - dus ook buitenlandse - vrachtwagens zonder dodehoekspiegel.
Ook in eigen land werden reeds de nodige initiatieven genomen. De ministerraad keurde een koninklijk besluit goed waardoor vanaf 1 juli 2003 alle nieuwe vrachtwagens vanaf 3,5 ton, en vanaf 1 januari 2004 alle nieuwe vrachtwagens, uitgerust moeten zijn met een zichtveldverbeterend systeem. Voor autocars werd een soortgelijke maatregel getroffen. Ook een koninklijk besluit in verband met de homologatie van deze systemen werd reeds door de ministerraad goedgekeurd.
Hiermee lopen we vooruit op de nieuwe Europese richtlijn, die zichtveldverbeterende systemen zal opleggen aan alle nieuwe vrachtwagens. Het probleem is evenwel dat er nog geen regeling is voor bestaande vrachtwagens. Europa voorziet daar niet in. In eigen land is er enkel in het kader van het Fonds voor de Inspectie van Automobielen een tegemoetkoming voor vrachtwagens die vrijwillig een dobli-systeem plaatsen. De Vlaamse regering dringt er in haar advies van 24 mei 2002 op aan de zichtveldverbeterende systemen ook te verplichten voor de bestaande vrachtwagens en autocars.
Al bij al blijft een verplichting voor alle vrachtwagens uit, met alle gevolgen van dien voor de verkeersveiligheid. Het wetsvoorstel dat in de Senaat unaniem werd goedgekeurd, sneuvelde in de Kamer en werd vervangen door een resolutie die uitsluitend de inhoud van de bestaande koninklijke besluiten bevestigt.
Is de minister van plan het Nederlandse initiatief te volgen zodat er op 1 januari 2003 een feitelijke verplichting komt voor alle vrachtwagens? De Vlaamse Fietsersbond vraagt zelfs dat dit tegen 1 september 2002, bij het begin van het nieuwe schooljaar, geregeld zou zijn.
Is het echt niet mogelijk de homologatieprocedure voor de verschillende zichtveldverbeterende systemen per type vrachtwagen te versnellen? Zowel in de Kamer als in de Senaat werd er een discussie gevoerd rond de homologatieproblematiek voor de camera's die de verkeersovertredingen moeten registreren. Stevenen we nu af op een soortgelijke discussie in verband met de homologatie van dobli-systemen per merk van vrachtwagen? Is de minister bereid naar Nederlands voorbeeld een nieuw type verkeersbord in te voeren, zodat de wegbeheerders zelf kunnen beslissen vrachtwagens zonder dodehoeksysteem op bepaalde wegen te verbieden?
Mevrouw Magda Aelvoet, minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu. - Ik lees u het antwoord van minister Durant voor.
"De financiële tegemoetkoming in het kader van de technische keuring is zeker niet het enige initiatief geweest dat erop gericht is de bestaande vrachtwagens uit te rusten met dodehoekcamera's of -spiegels. Ik verwijs naar de omzendbrief van 6 februari 2002, die de diensten van de federale overheid en de instellingen van openbaar nut die ervan afhangen, verplicht het eigen vrachtwagenpark tegen midden 2003 uit te rusten met een zichtveldverbeterend systeem. Sinds 2 maart 2002 mogen de federale diensten enkel nog nieuwe vrachtwagens aankopen die al met een dodehoekspiegel zijn uitgerust.
Een omzendbrief van 28 februari 2002 bepaalt bovendien dat vrachtwagens die worden gebruikt in het kader van overheidsopdrachten voor de federale overheid en instellingen van openbaar nut die ervan afhangen, vanaf 1 mei 2002 verplicht moeten zijn uitgerust met een zichtveldverbeterend systeem.
Voor de drie initiatieven die betrekking hebben op het bestaande voertuigenpark heeft het BIVV tamelijk eenvoudig toepasbare technische eisen opgesteld.
De regering heeft uitdrukkelijk de wens geuit dat het volledige vrachtwagenpark tegen midden 2003 zou zijn uitgerust met dodehoekspiegels. Na de beslissing van de ministerraad van 11 januari 2002 heeft ze mij gevraagd overleg te voeren met de transportsector.
Met deze initiatieven was het de bedoeling de sector duidelijk te maken dat de regering de oplossing van het dodehoekprobleem als een prioriteit beschouwt.
Het Nederlandse beleid was tot nu toe steeds gericht op een vrijwillige installatie, die sinds 1999 wordt aangemoedigd met een subsidieregeling. Samen met de Nederlandse minister van Verkeer heb ik het voorbije jaar belangrijke inspanningen geleverd om een verplichting op Europees niveau rond te krijgen. De Europese ministerraad voor de Europese Binnenmarkt moet de betreffende richtlijn die de Europese Commissie in januari van dit jaar heeft aangenomen, nog goedkeuren. Op 26 april 2002 heeft de Nederlandse regering de balans opgemaakt van de reeds geleverde inspanningen en op basis daarvan beslist om de verplichting in te voeren dat alle Nederlandse vrachtwagens tegen 1 januari 2003 met een zichtveldverbeterend systeem moeten zijn uitgerust. De Europese ministerraad van Transport van 23 maart 2002 heeft evenwel uitsluitend akte genomen van deze intentie en van de vraag van de Nederlandse delegatie aan de Commissie om tegen het einde van dit jaar een voorstel voor de verplichte uitrusting van bestaande vrachtwagens met betere systemen uit te werken. Ikzelf en andere delegaties hebben dit initiatief uiteraard gesteund. De Commissie zal haar standpunt over de Nederlandse verplichting pas later bekend maken. Vandaag is daarvoor nog geen groen licht gegeven. In Nederland wordt nog gewerkt aan een aantal uitvoeringsbesluiten en de Commissie is nog niet officieel op de hoogte gesteld van de Nederlandse regeling.
Ik volg de gebeurtenissen in Nederland met grote belangstelling. Ik kan u vandaag echter niet meedelen of de beslissingen die in Nederland zijn genomen, ook in België haalbaar zijn. Daarover zal een analyse worden gemaakt zodra de details van de Nederlandse regeling bekend zijn. Dit geldt zowel voor de technische reglementering van voertuigen als voor het verkeersreglement, wanneer er sprake is van de invoering van een nieuw verkeersbord.
Wat de voertuigreglementering betreft, kan ik u zeggen dat een typegoedkeuring van een vrachtwagen op basis van Europese verplichtingen vooral een administratieve aangelegenheid is. Bij de invoering van een nationale verplichting moeten alle modellen van vrachtwagens individueel worden gekeurd, evenals de verplichte spiegel- en camerasystemen per model. Dit betekent een groot werkvolume.
De uitvoering van de verschillende beslissingen die op het Belgische niveau zijn genomen met betrekking tot de bestaande vrachtwagens, is nog te recent om een ernstige evaluatie te maken. In de loop van juni zal ik met de betrokken partijen overleg plegen over de gemaakte vorderingen. In afwachting van het resultaat van de dringende oproep van de regering aan de transportsector om over te gaan tot de installatie van zichtveldverbeterende systemen, wil ik vandaag nog niet spreken over het opleggen van een verplichting. Als de resultaten over enkele maanden teleurstellend blijken te zijn, dan zal ik daaruit de gepaste conclusies trekken."
De heer Johan Malcorps (AGALEV). - Ik wil er de minister op wijzen dat de beslissing van de uittredende regering in Nederland van eind april om een verplichting op te leggen, het gevolg was van het feit dat men al jaren had geëxperimenteerd met een vrijwillige regeling en de transportsector daarin zwaar had ontgoocheld. Minister Netelenbos sprak van pure hufterigheid. Bedrijven die weigeren dodehoekspiegels te plaatsen, ontkennen de ernst van de situatie. Jaarlijks vallen er dertig doden en meer dan honderd zwaargewonden in Nederland. De cijfers zijn ongeveer dezelfde voor België. In Nederland heeft men de knoop doorgehakt. Het wil in Europa een voorlopersrol vervullen. Ook als Europa geen regeling wil voor bestaande vrachtwagens, wou men dat in Nederland wel. Als men wil dat in België tegen medio 2003 die verplichting voor alle vrachtwagens bestaat, dan zal dat niet kunnen op vrijwillige basis, maar zal men de moed moeten hebben om dat te verplichten. Ik betreur dan ook dat het in de Senaat eenparig goedgekeurde wetsvoorstel in de Kamer werd afgevoerd.
De heer Alain Destexhe (MR). - Het probleem van Distilbene is opnieuw in de actualiteit gekomen met de recente vonnissen in Frankrijk.
Welk gevolg kunnen die vonnissen hebben voor België?
Wanneer werd het product van de markt gehaald in de Verenigde Staten en in België? Wat Frankrijk betreft, heb ik vastgesteld dat een termijn van ongeveer vijf jaar verlopen is tussen de eerste en de tweede maal dat het product van de markt werd gehaald.
Welke verjaringstermijn geldt voor eventuele rechtsvorderingen? Volgens de nieuwe wet op de verjaring die in 1998 werd goedgekeurd, bedraagt de verjaringstermijn twintig jaar, maar vroeger was het dertig jaar.
Beroept men zich hier op de burgerlijke aansprakelijkheid, op de Europese richtlijn betreffende defecte producten of op nog een andere tekst?
Heeft de minister enig idee over het aantal betrokken vrouwen in België? Gisteren had de RTBF het over 20.000, maar ik weet niet waar ze dat cijfer halen.
Heeft de overheid de afgelopen jaren al acties ondernomen bij de mogelijk betrokken vrouwen of bij gynaecologen?
Mevrouw Magda Aelvoet, minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu. - In de Verenigde Staten werd in 1971 beslist om te stoppen met het nemen van DES tijdens de zwangerschap. Die beslissing werd genomen als gevolg van de publicatie van epidemiologische onderzoeken die het verband hadden aangetoond tussen het ontstaan van clear cell-adenocarcinoom van de vagina en blootstelling aan DES, vóór de geboorte.
In België werd in 1976 de contra-indicatie voor zwangere vrouwen op de bijsluiter vermeld. Het geneesmiddel werd in 1983 van de markt gehaald.
Na een voorlopig juridisch onderzoek blijkt dat de wet van 10 juni 1998 tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de verjaring van toepassing is. Artikel 10 van die wet bepaalt: wanneer de rechtsvordering is ontstaan vóór de inwerkingtreding van deze wet, namelijk 27 juli 1998, beginnen de nieuwe verjaringstermijnen waarin zij voorziet slechts te lopen vanaf haar inwerkingtreding. De totale duur van de verjaringstermijn mag evenwel niet meer dan dertig jaar bedragen.
Bijgevolg bedraagt de verjaringstermijn sedert 27 juli 1998 vijf jaar vanaf de dag volgend op de dag waarop de benadeelde persoon kennis heeft gekregen van de schade of de verergering ervan. De rechtsvordering verjaart in ieder geval twintig jaar na de dag volgend op de dag waarop het feit dat de schade veroorzaakt heeft, dus de inname van Distilbene, zich heeft voorgedaan. Overeenkomstig artikel 10 begint die termijn slechts te lopen vanaf 27 juli 1998, maar kan de totale duur ervan dertig jaar vanaf de dag volgend op de dag waarop het bewuste geneesmiddel werd ingenomen, niet overschrijden.
De algemene regels inzake burgerlijke aansprakelijkheid zijn van toepassing, aangezien de wet van 25 februari 1991 betreffende de aansprakelijkheid voor producten met gebreken alleen de vergoeding regelt van de schade die veroorzaakt is door het gebrek van de producten die in omloop zijn gebracht na de inwerkingtreding van die wet, namelijk 1 april van hetzelfde jaar.
In 1995 werd geschat dat in België binnen de tien jaar maximum twintig nieuwe gevallen van clear cell-adenocarcinoom van de vagina zouden worden vastgesteld. De incidentie van dit adenocarcinoom werd geschat op één geval op 1.000 vrouwen die in utero aan DES werden blootgesteld.
In 1995 is een informatiebrochure met betrekking tot de risico's van een in utero blootstelling aan DES verspreid onder alle artsen van het Rijk. Ze werd opgesteld op initiatief van de toenmalige minister van Volksgezondheid, de heer Santkin, en gratis verspreid via Folia Pharmacotherapeutica. Die brochure gaf de stand van zaken over de kennis die men in 1995 had van onderzoeken waarmee men vrouwen kon opsporen die in utero aan Des waren blootgesteld, alsook van de gynaecologische onderzoeken die deze patiënten geregeld moeten ondergaan.
De heer Alain Destexhe (MR). - Vrouwen met dit probleem hebben dus nog een jaar om klacht in te dienen, aangezien de verjaringstermijn vijf jaar bedraagt vanaf de inwerkingtreding van de wet van 1998. Ze moeten dan wel weten dat ze een probleem hebben dat verband houdt met Distilbene. Heb ik dat goed begrepen?
Mevrouw Magda Aelvoet, minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu. - Ja, maar er is voorzien in een periode van maximum dertig jaar vanaf de inname van Distilbene. Vrouwen die dat middel in 1983 kregen, hebben dus nog negen jaar.
De heer François Roelants du Vivier (MR). - Over dit onderwerp heb ik al herhaaldelijk vragen gesteld. De laatste maal, op 18 april, moest staatssecretaris Boutmans mij geruststellen in verband met de snelle indienstneming van personeel bij het Instituut Pasteur van Brussel.
Hij zei dat er in 2002 geen budgettaire ruimte zou zijn voor de vervanging van de 32 vastbenoemde personeelsleden die in de periode 1995-2002 het Instituut Pasteur van Brussel hadden verlaten. Bovendien was die uitgave niet ingeschreven in de begroting 2003. Nochtans had u instructies gegeven om dit te regelen op een begrotingsvergadering op 17 mei.
Werden die instructies gevolgd of zullen ze nog worden gevolgd en kan de personeelsformatie vanaf januari 2003 worden aangevuld?
Mevrouw Magda Aelvoet, minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu. - Ik verwijs naar alle antwoorden die hierover al gegeven zijn.
Op 14 april heb ik gezegd dat de nodige koninklijke en ministeriële besluiten in orde waren. Ik had ook een brief ontvangen van de minister van Ambtenarenzaken en Modernisering van de openbare besturen waarin bevestigd werd dat de administratieve controle was afgerond.
U hebt wel gelijk als u zegt dat de door mijn kabinet gevraagde inschrijving van de begrotingsfiche niet was uitgevoerd op het ogenblik van de vergadering met professor Content. Ondertussen is dat geregeld. Ik kan u dan ook uitdrukkelijk bevestigen dat de budgettaire middelen voor de indienstneming van het personeel waarop het Instituut recht heeft, werden opgenomen in de begrotingsvoorstellen 2003. Uiteraard moet de minister van Begroting nog zijn goedkeuring geven.
Ik heb nooit beweerd dat het geld in 2002 beschikbaar zou zijn. In 2003 zal dat wel het geval zijn.
De heer Jan Steverlynck (CD&V). - De controle op de aanwezigheid van BSE en scrapie bij schapen (samen OSE genaamd) leidde tot een eerste positief geval van OSE dit jaar. In tegenstelling tot de wellicht voor de mens onschuldige schapenziekte scrapie, ligt dit anders voor BSE dat de dodelijke ziekte van Creutzfeldt-Jakob veroorzaakt. De kans bestaat dat ook schapen besmet zijn met BSE. Probleem is dat tot op heden geen wetenschappelijk sluitende methodes bestaan om uit te maken of een schaap scrapie of BSE heeft. BSE zou zich bij schapen namelijk gedragen als scrapie. Er zijn nog heel wat onbekenden doch de potentie is aanwezig om tot een groot probleem te groeien. Omdat de Europese Commissie bezorgd is over de situatie, werd een steekproefsgewijze uitvoering van snelle opsporingstests ingevoerd.
Het ontbreken van een sluitend Sanitelsysteem waardoor heel wat dieren bij de overheid niet zijn geregistreerd en daardoor ook niet identificeerbaar zijn, ondermijnt de opsporingstests. Heel wat schapen en geiten worden buiten het slachthuis geslacht met als gevolg dat het risicomateriaal, dat in de slachthuizen wordt verwijderd, bij slachtingen buiten het slachthuis hoogstwaarschijnlijk wel door mensen wordt geconsumeerd.
Overweegt de minister veiligheidsmaatregelen in het licht van de menselijke consumptie van schapen- en geitenvlees? Zo ja, welke en waarom? Zo neen, waarom niet?
Hoever staat het met het Europese voorstel van verordening van de Raad tot identificatie en registratie van schapen en geiten? Dat dossier moest in april door de Raad worden behandeld.
Waarom bestaat voor schapen en geiten naar analogie van het Sanitelsysteem voor varkens en runderen, geen sluitend systeem op het vlak van identificatie en registratie? Is de minister bereid om ook een dergelijk systeem voor schapen en geiten in te voeren? Zo ja, tegen wanneer mag dat worden verwacht?
Hoe ver staat het met het door de minister in januari 2002 aangekondigde wetsontwerp over een nieuwe regeling voor de slachtingen buiten het slachthuis?
Mevrouw Magda Aelvoet, minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu. - Vandaag bestaat nog geen sluitend wetenschappelijk bewijs dat BSE voorkomt bij kleine herkauwers. Niettemin werden veiligheidsmaatregelen getroffen. Naar analogie met het slachtproces bij runderen en overeenkomstig de geldende Europese reglementering wordt sinds 1998 ook bij het slachten van kleine herkauwers het specifieke risicomateriaal verwijderd. Sinds april 2002 loopt op basis van de Europese verordening een epidemiologisch bewakingsprogramma voor schapen en geiten in de slachthuizen en op karkassen van dieren van minstens 18 maanden oud bij destructiebedrijven. Een representatief aantal wordt bemonsterd en onderzocht met de snelle test die voor de runderen wordt gebruikt. Bij een positieve uitslag worden gelijkaardige maatregelen genomen als bij een BSE-geval bij runderen. Sinds 1990 bestaat er bij ons een epidemiologisch bewakingsprogramma op bedrijven waar schapen worden gehouden. Elke verdenking van OSE moet worden aangegeven. Bij bevestiging wordt de veestapel geruimd en vernietigd.
Het identificatiesysteem voor landbouwdieren is op Europese wetgeving gebaseerd. Een Europese richtlijn van 1992 regelde dat oorspronkelijk voor runderen. Naar aanleiding van de BSE-problematiek is in 1997 een aparte registratieregeling voor runderen tot stand gebracht. Voor de andere dieren is er vandaag een algemene richtlijn van toepassing. Het Belgische Sanitelsysteem voor schapen gaat verder dan wat Europees wordt afgedwongen. Vooral de recente mond- en klauwzeercrisis heeft aangetoond dat de Europese registratiereglementering voor kleine herkauwers niet voldoet en onvoldoende garanties biedt voor tracering. Ook inzake BSE komen die tekorten nu aan het licht. Sanitel schiet in dat opzicht eveneens tekort.
De commissie werkt om die reden aan een herziening van het systeem voor kleine herkauwers. Sanitel heeft een concrete studie gemaakt over een aangepast systeem dat aan de noden zou voldoen. De voorstellen werden al met de sectoren besproken binnen de werkgroep `kleine herkauwers' van het fonds. Het grootste probleem is de implementering van de wetgeving bij de zeer talrijke kleine hobbyhouders die de dieren vooral houden omdat ze grazen.
Wat de derde vraag betreft, werkt de Commissie momenteel nog aan een nieuw voorstel. België neemt actief deel aan de vergaderingen van het permanent veterinair comité. Het huidige Belgische Sanitelsysteem dient als een van de te volgen voorbeelden. De huidige studies met betrekking tot een aanpassing van Sanitel gaan al verder dan de minimumeisen die de Commissie voor ogen heeft.
Het was inderdaad oorspronkelijke de bedoeling om de thuisslachting in de programmawet op te nemen. De Ministerraad heeft echter beslist een afzonderlijk wetsontwerp in te dienen dat door een publiek debat moest worden voorafgegaan. Dat debat verloopt heel moeilijk. Er zijn naargelang van het aantal dieren dat gekweekt wordt, heel uiteenlopende verwachtingen. Bovendien wordt uitdrukkelijk gevraagd naar uitzonderingen voor de eigen consumptie. Het probleem is dus nog niet van de baan.
De heer Jan Steverlynck (CD&V). - Het is natuurlijk niet gemakkelijk om een sluitend registratiesysteem uit te werken als er veel kleine schapenhouders zijn en heel veel slachtingen buiten het slachthuis plaatsvinden. Van de 250.000 slachtingen die jaarlijks gebeuren, zouden er 100.000 buiten het slachthuis gebeuren.
Dokter Vanopdenbosch, die voorzitter is van het Europese TSE-comité voor schapen, heeft vanmorgen nog gezegd dat de mogelijke risico's van BSE bij schapen veel groter zijn dan bij koeien. Als het geïnfecteerd vlees in de voedselketen komt, kan dit ernstige gevolgen hebben voor de mens. De overheid moet dan ook alles doen om een sluitend en verplicht registratiesysteem uit te werken. Ook dokter Vanopdenbosch zegt dat er een certificatie- en identificatiesysteem moet komen.
Het risicomateriaal wordt in de slachthuizen op een perfecte manier gecontroleerd en verwerkt. Als echter 100.000 slachtingen niet worden gecontroleerd, dan lopen we een enorm risico. Dokter Vanopdenbosch denkt dat een voorlichtingscampagne zinvol kan zijn. Ik niet gehoord dat de minister daarop is ingegaan.
Mevrouw Magda Aelvoet, minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu. - We zullen niet wachten tot Europa een registratiesysteem heeft uitgewerkt. We zullen ervoor zorgen dat Sanitel de registratie organiseert. Een werkgroep heeft zijn voorbereidend werk afgerond en de dialoog met de sector is aangegaan.
Natuurlijk hebben we er alle belang bij dat er ook een Europese regeling komt. België importeert veel schapen- en geitenvlees; we zijn een relatief kleine producent.
Wat de algemene informatie betreft, is het heel moeilijk om op een adequate manier te communiceren op een ogenblik dat de wetenschappers zelf nog de omvang van het probleem inschatten. We hebben geregeld contact met dokter Vanopdenbosch, die op het CODA werkt.
Mevrouw Sfia Bouarfa (PS). - Er wordt steeds meer een beroep gedaan op de spoeddiensten, vooral door sociaal zwakkeren.
Om dat probleem op te lossen heeft de minister verschillende voorstellen geformuleerd, zoals wachtdiensten voor huisartsen 's avonds, 's nachts, in het weekend, en een enig telefoonnummer.
Er wordt ook gedacht aan een aanpassing van het remgeld. Voor de sociaal zwakkeren, die dikwijls geen huisarts hebben, zou de kostprijs geneutraliseerd worden, omdat hun factuur op de OCMW's zou worden verhaald.
We zijn verheugd over de verbeterde toegang tot de wachtdiensten, maar we moeten daar niet onmiddellijk een gunstige invloed van verwachten.
Wordt de patiënt nu niet financieel gestraft als hij rechtstreeks een beroep doet op de spoeddiensten, terwijl het voorgesteld alternatief niet voldoende gestructureerd of toegankelijk is? Moet de organisatie van en de financiële toegang tot de wachtdiensten van huisartsen niet snel worden verbeterd?
Het probleem is nog nijpender voor mensen met lage inkomens, omdat het gevraagde supplement van ongeveer 12,39 euro niet meetelt voor de maximumfactuur.
Wat is het standpunt van de minister terzake? Zou er niet best een wetenschappelijke analyse worden gemaakt om samen met de betrokken actoren na te gaan hoe dikwijls onterecht een beroep wordt gedaan op de spoeddiensten?
De heer Frank Vandenbroucke, minister van Sociale Zaken en Pensioenen. - Net als u stel ik vast dat steeds meer onterecht een beroep wordt gedaan op de spoeddiensten van de ziekenhuizen. De redenen daarvoor zijn complex.
Een eerste element is dat de patiënt niet altijd weet of zijn probleem een spoedgeval is. Ook andere elementen kunnen een rol spelen, zoals de indruk dat de huisarts met wachtdienst niet bereikbaar is, dat de wachttijden in het ziekenhuis korter zijn of dat de behandeling er minder kost door het stelsel van de betalende derde.
De spoeddiensten worden aldus overbelast, wat de werkelijk dringende hulpverlening in het gedrang brengt. Ook de rol van de huisartsen wordt miskend, terwijl zij nochtans de voorgeschiedenis kennen van de patiënt en dus beter kunnen oordelen of het werkelijk om een spoedgeval gaat.
Er moet een regeling worden gevonden die het probleem in zijn geheel aanpakt, dus niet alleen op het niveau van de spoeddiensten, maar ook op dat van de huisartsen en de patiënten.
Er moet ook een betrouwbaar systeem worden ontwikkeld, dat een correcte weerspiegeling geeft van de effectieve prestaties van de wachtdiensten, maar ook van de prestaties die men ervan verwacht. Volgens mij vergt een totaalaanpak in de eerste plaats een informatie- en sensibiliseringscampagne ten behoeve van de patiënten en steun voor de georganiseerde wachtdiensten van huisartsen.
Er werden al verschillende initiatieven genomen.
Ten eerste, de nationale commissie artsen - verzekeringsinstellingen - Medicomut - heeft onlangs de invoering van een beschikbaarheidshonorarium voor huisartsen met wachtdienst goedgekeurd. Het koninklijk besluit met betrekking tot die beslissing wordt thans opgesteld. De maatregel zou in september van kracht worden.
Ten tweede hebben we voorzien in een budget van 2.500.000 euro ter ondersteuning van de huisartsenkringen. We denken dat deze som kan bijdragen tot het opzetten van een georganiseerd systeem van wachtdiensten binnen elke kring.
Ten derde hebben we het technisch comité van het RIZIV gevraagd een voorstel uit te werken voor een verhoging van het honorarium voor de wachtdiensten van de huisartsen.
We zijn ervan overtuigd dat deze initiatieven de organisatie van en de toegang tot de wachtdiensten van huisartsen op korte termijn zullen verbeteren.
Alleen in het kader van die totaalaanpak overwegen wij de mogelijkheid om een supplement te vragen aan personen die niet eerst een beroep doen op een huisarts, maar zich rechtstreeks tot de spoeddiensten wenden. Onze belangrijkste doelstelling is niet besparingen te realiseren. We willen eerder beklemtonen dat de huisarts de belangrijkste schakel is in de organisatie van de zorgverstrekking en dat we de spoeddiensten moeten respecteren. Het zijn geen nachtwinkels, maar hooggespecialiseerde diensten die echte spoedgevallen adequaat moeten behandelen. Zonder voorafgaand advies van de huisarts naar de spoeddienst gaan voor een probleem dat elders even goed kan worden behandeld, getuigt van weinig respect voor deze dienst. Het kan nuttig zijn een financiële rem in te bouwen en een kleine financiële bijdrage te vragen aan personen die niet het advies van hun huisarts vragen en dus niets betalen, uiteraard rekening houdend met hun sociale situatie. De invoering van die maatregel vergt hoe dan ook een gepaste reglementering.
Ik betreur ten zeerste de eenzijdige beslissing, die gisteren werd aangekondigd door de verenigingen van VVI-ziekenhuizen die een groot gedeelte van de Vlaamse ziekenhuizen groeperen, om een supplement van 25 euro in te voeren voor elke patiënt die een beroep doet op de spoeddiensten. Het stoort mij vooral dat de VVI geen onderscheid maakt tussen de patiënten die een huisarts hebben geraadpleegd en de anderen. Volgens mij is dat onderscheid fundamenteel. In de nieuwe wet op de ziekenhuizen die op 14 mei aan de Ministerraad werd voorgelegd en die weldra bij de Kamer wordt ingediend, wordt duidelijk bepaald dat het de ziekenhuizen verboden is een supplement te vragen voor een beroep op de spoeddiensten, behalve onder zeer strikte voorwaarden die nog bij koninklijk besluit moeten worden vastgelegd. Dat besluit moet rekening houden met verschillende elementen. Zo mag deze maatregel niet worden toegepast voor patiënten met een echt spoedgeval en mag in geen geval de behandeling van die patiënten vertragen. Andere elementen waarmee rekening moet worden gehouden zijn het feit dat het voorafgaand advies van de huisarts werd gevraagd, de invoering van sociale correcties voor sociaal zwakkere patiënten en de invoering van een financieel signaal in de bescherming van de MAF. Het besluit moet de ook de mogelijkheid bieden de reglementering aan passen aan de plaatselijke situaties. Om onze beoogde totaalaanpak te optimaliseren, moeten de noden kunnen worden gedifferentieerd. In de centra van de grote steden moeten andere middelen worden gegeven dan op het platteland. Die aanpak druist regelrecht in tegen het ongenuanceerd initiatief van de VVI.
Ten slotte denk ik dat een grondige wetenschappelijke analyse van het probleem noodzakelijk is. Uit onderzoeken die al zijn uitgevoerd in verschillende regio's en ziekenhuizen blijkt dat de belangrijkste redenen voor het toenemend beroep op de spoeddiensten niet eenvormig zijn. In sommige regio's zijn het bijvoorbeeld niet de sociaal zwakkeren die rechtstreeks naar de spoeddiensten gaan, terwijl dat in andere regio's wel het geval is. Er is dus een globaal onderzoek vereist. Dat moet niet alleen de redenen voor die evolutie bestuderen, maar ook de efficiëntie van de oplossingen die wij voorstellen. Daarom heb ik beslist om, samen met mijn collega Aelvoet, deze vraag toe te voegen aan de oproep tot wetenschappelijke samenwerking die we komende weken zullen lanceren. Teneinde tegemoet te komen aan de vragen van de spoeddiensten en de huisartsen, die een oplossing willen voor het toegenomen beroep op de spoeddiensten, kunnen we niet op het eindresultaat van die onderzoeken wachten om de beschreven maatregelen reeds toe te passen.
Mevrouw Sfia Bouarfa (PS). - Ik dank de minister voor zijn zeer volledig antwoord. Ik neem nota van alle maatregelen die hij wil nemen om een oplossing te vinden voor het toegenomen beroep op de spoeddiensten. Het probleem is verschillend in Vlaanderen, Brussel en Wallonië. In Brussel lijkt dat probleem mij bijzonder nijpend omdat er veel sociaal zwakkeren wonen die zich tot de spoeddiensten wenden, terwijl ze eigenlijk alleen een nachtverblijf en eten nodig hebben.
Ik noteer dat de regering zal samenwerken met de huisartsen. De informatiecampagne is nodig om te wijzen op het belang van de medische wachtdiensten.
Als ik het goed begrepen heb, zal de begroting van 2 miljoen euro pas in september beschikbaar zijn. Ik hoop dat de beoogde maatregelen in september al worden geconcretiseerd.
Ik verneem van de minister dat de VVI 25 euro zal vragen zonder rekening te houden met het feit of de patiënt al dan niet een spoeddienst heeft geraadpleegd. Dat kunnen wij niet aanvaarden. Het gaat om een groot bedrag. Ik zal ervoor zorgen dat dit niet het geval is in de Waalse en Brusselse ziekenhuizen.
De heer Theo Kelchtermans (CD&V). - Mijn vraag is technisch en eenvoudig, maar niettemin belangrijk. Ze is gerezen naar aanleiding van een discussie met ondernemers.
Wat de WKK-certificaten en de groene certificaten betreft, is de regionale regering bevoegd voor de klanten aangesloten op een spanning tot 70 kV, terwijl de federale regering bevoegd is voor de klanten aangesloten vanaf 150 kV. Een ander verschil is dat op het regionale niveau al regels werden vastgelegd, wat nog niet gebeurde op het federale niveau.
Betekent dit dat een leverancier van een firma aangesloten op 150 kV, zoals Ford Genk, geen certificaten moet voorleggen, terwijl de leverancier van een andere firma aangesloten op een lagere spanning, zoals Opel in Antwerpen, dat wel moet doen?
De heer Olivier Deleuze, staatssecretaris voor Energie en Duurzame Ontwikkeling. - Op 7 december 2001 heb ik een ontwerp van koninklijk besluit betreffende de bevordering van elektriciteit opgewekt uit hernieuwbare energiebronnen, aan de Ministerraad voorgelegd. De Ministerraad heeft dat goedgekeurd. Dat ontwerp voert een systeem in van groene stroomcertificaten en legt quota groene stroomcertificaten op aan de leveranciers van eindafnemers aangesloten op het transmissienet, in aanvulling op de gewestelijke quota opgelegd aan de leveranciers van eindafnemers aangesloten op de distributienetten.
De Raad van State heeft onlangs advies uitgebracht over dit ontwerp van koninklijk besluit en is van oordeel dat de federale overheid niet bevoegd is om quota voor groene stroom op te leggen aan elektriciteitsleveranciers, ongeacht het aansluitingsniveau van de klanten. Volgens de Raad van State is dit een gewestelijke bevoegdheid.
Het ontwerp van koninklijk besluit zal in die zin worden aangepast. Het zal vooral een systeem invoeren van gegarandeerde minimumprijzen voor groene stroom, die verschillen naar gelang van de productietechnologie.
Uiteraard heb ik de gewesten op de hoogte gebracht van deze evolutie.
De heer Theo Kelchtermans (CD&V). - Geldt dit ook voor de WKK-certificaten?
De heer Olivier Deleuze, staatssecretaris voor Energie en Duurzame Ontwikkeling. - Dit geldt voor alle klanten die aangesloten zijn op een transmissienet. Volgens de Raad van State behoort het niet tot de bevoegdheid van de federale regering om terzake quota te eisen.
De groene certificaten zijn een gewestelijke materie. De enige groene certificaten van instellingen onder federale bevoegdheid zijn deze van offshore-windmolens.
De voorzitter. - De heer Didier Reynders, minister van Financiën, antwoordt namens de heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken en namens de heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken.
De heer Wim Verreycken (VL. BLOK). - In de media lezen we vandaag dat het Comité I vaststelt wat wij hier al een drietal jaar geleden in vragen om uitleg aantoonden, namelijk dat in sommige moskeeën ongecontroleerd moslimfundamentalisme wordt gepreekt. We stellen dus vast dat we te vroeg gelijk hadden.
Onder het motto `er kan nog altijd eentje bij', neemt België nu een van de Palestijnen op die de Geboortekerk in Bethlehem een tijdlang bezet hielden.
Ik beperk me tot concrete vragen omdat ik me ver wil houden van polemieken hierover.
Kan de minister me zeggen waar de betrokkene zal verblijven of ten minste in welke regio hij wordt ondergebracht?
Wordt de Palestijn bewaakt, voorlopig of definitief? Zo ja, door wie? Door de staatsveiligheid, die blijkbaar geen mensen heeft die Arabisch kennen, of door een andere organisatie? Wat kost dat aan de overheid?
Wat is de betekenis van zich `discreet gedragen'? Mag de betrokkene bijvoorbeeld deelnemen aan een betoging tegen Israël, zoals er voor binnenkort in Antwerpen een is aangekondigd?
Kan de minister me mededelen wie voor het inkomen van de betrokkene zal instaan? De man moet toch ergens van leven. Indien de overheid hiervoor zorgt, welk inkomen wordt hem dan toegekend?
Was het niet aangewezen om ten minste aan de leden van de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen, de verblijfsvoorwaarden mede te delen, die de Palestijn blijkbaar schriftelijk heeft aanvaard?
De heer Didier Reynders, minister van Financiën. - Ik geef u het antwoord van mijn collega's van Binnenlandse en van Buitenlandse zaken.
Allereerst kan ik erop wijzen dat de minister van Binnenlandse Zaken in de plenaire vergadering van de Kamer van donderdag 23 mei 2002 reeds antwoordde op een vraag van volksvertegenwoordiger Pieter De Crem over de zaak van de Palestijn die de Geboortekerk in Bethlehem bezet hield. Het is echter normaal ook in de Senaat hierover een vraag wordt gesteld, waarop uiteraard een antwoord komt.
Het klopt dat de heer Khalil Nowaurah op het Belgisch grondgebied is aangekomen en wordt opgevangen door de Belgische overheid. Daarbij zijn, in akkoord met de betrokkene zelf, bepaalde voorzorgsmaatregelen genomen. Inmiddels werden enkele maatregelen al aangepast, rekening houdend met de ervaringen van de afgelopen dagen en de perceptie van de betrokkene zelf van zijn verblijf op Belgisch grondgebied.
Het verblijf werd geregeld met een aankomstverklaring die het gevolg is van het door de Belgische ambassade afgeleverde visum voor kort verblijf dat geldig is voor een verlengbare periode van drie maanden. Op verzoek van de minister van Binnenlandse Zaken wordt dit alles opgevolgd door het Comité voor de inlichtingen en de veiligheid, dat hiervoor regelmatig samenkomt. Een werkgroep Binnenlandse Zaken-Buitenlandse Zaken volgt de praktische uitvoering van nabij.
De operatie wordt gefinancierd door de Belgische overheid, maar een kostencalculatie is nog niet voorhanden.
Op de andere vragen kan ik om evidente veiligheidsredenen in de huidige stand van het dossier nog geen antwoord geven.
De heer Wim Verreycken (VL. BLOK). - Mijn vraag had ik aanvankelijk gesteld aan de minister van Buitenlandse Zaken. De minister van Binnenlandse Zaken werd eraan toegevoegd en nog een andere minister gaf het antwoord. Ik neem dus aan dat de hele regering met het dossier van de Palestijn bezig is.
Ik ben echter vooral geïnteresseerd in de concrete vraag wie voor het inkomen van deze man instaat, wat dat zal kosten en waarom de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen niet is geïnformeerd en wel een obscure werkgroep. In dit dossier is mijns inziens openhartigheid aangewezen, maar ik zal zeker niet polemiseren met de minister die zo vriendelijk was het antwoord van zijn collega's voor te lezen. Ik zal aan de betrokken ministers schriftelijke vragen stellen.
De voorzitter. - De heer Olivier Deleuze, staatssecretaris voor Energie en Duurzame Ontwikkeling, antwoordt namens de heer Eddy Boutmans, staatssecretaris voor Ontwikkelingssamenwerking.
Mevrouw Clotilde Nyssens (CDH). - Maandenlang al wordt in de Belgische dagbladen bericht over de verwoestende burgeroorlog in Madagascar tussen de kampen van Ravalomana en Ratsiraka. Mijn vraag gaat evenwel niet over de politieke toestand in Madagascar, want dat is een interne aangelegenheid, maar wel over de Belgische ontwikkelingshulp aan Madagascar.
Ik heb talrijke Malagassiërs in België ontmoet en ik heb dat land ook bezocht. De grote armoede die er heerst, heeft een diepe indruk op mij gemaakt.
Graag wil ik weten of in het kader van de bilaterale samenwerking tussen België en Madagascar publieke of private steun via door de overheid gesubsidieerde NGO's wordt verleend om de Malagassische bevolking te helpen deze dramatische gebeurtenissen te boven te komen.
De heer Olivier Deleuze, staatssecretaris voor Energie en Duurzame Ontwikkeling. - Madagascar staat niet op de lijst van de 25 partners in de directe bilaterale ontwikkelingssamenwerking van België. Sommige Belgische NGO's hebben evenwel via hun programma's steun verleend aan projecten in Madagascar. Ze hebben daartoe tussen 1998 en 2001 de volgende subsidies ontvangen van DGIS:
Tijdens dezelfde periode heeft DGIS een subsidie verleend voor twee universitaire ontwikkelingsprojecten. Het eerste betreft een project van samenwerking van de ULB en de UMH met de Universiteit van Tulear met een budget van 371.705 euro. Het tweede is een project van samenwerking van de ULB en de UCL met de universiteit van Antananarivo met een budget van 361.792 euro. In het kader van die universitaire samenwerking werden 7 van de 180 voor 2001-2002 toegekende beurzen aan Malagassische studenten verleend.
Mevrouw Clotilde Nyssens (CDH). - Ik dank de heer Deleuze voor deze gegevens. Misschien zou het goed zijn dat de lijst van de partnerlanden voor de directe bilaterale ontwikkelingssamenwerking wordt herzien. Aangezien Madagascar steeds hoger prijkt op de ranglijst van de armste landen ter wereld, verdient het een plaats op de Belgische partnerlijst.
Mevrouw Anne-Marie Lizin (PS). - Los van de looneisen, hebben de recente acties in de gevangenissen het personeel de kans geboden hun vele grieven te uiten. De gevangenisdirecteurs hebben evenwel niet veel van zich laten horen.
Nochtans zijn zij het best geplaatst om de toestand in hun instelling in te schatten.
Heeft u tijdens de stakingsacties een overlegvergadering belegd met alle gevangenisdirecteurs? Wanneer heeft u voor het laatst met hen contact gehad? Wat waren de besluiten?
Welke punten zijn volgens de gevangenisdirecteurs prioritair?
De heer Marc Verwilghen, minister van Justitie. - Mijn kabinet onderhoudt geregelde en goede contacten met de gevangenisdirecteurs.
Mijn medewerkers hebben al verschillende informele vergaderingen gehouden met de federatie van gevangenisdirecteurs. Het belangrijkste overleg vindt plaats binnen de penitentiaire organisatie, tussen de directeur-generaal en de regionale directeurs enerzijds en met de gevangenisdirecteurs anderzijds. Zulke vergaderingen worden zeer geregeld gehouden, zowel op het centrale als op het regionale niveau. Dat levert heel wat cruciale informatie op.
Op 29 mei jl. heeft de directeur-generaal een vergadering gehad met alle gevangenisdirecteurs met het oog op een debriefing en een evaluatie van de stakingsacties. Het verslag van die vergadering zal mij eerstdaags worden toegestuurd.
De gevangenisdirecteurs zijn morgen uitgenodigd op de opening van de nieuwe gevangenis te Ittre. Dit zal ons opnieuw de mogelijkheid bieden van gedachten te wisselen. Zoals u ziet, heb ik dus geregeld contact met de gevangenisdirecteurs en ben ik mij bewust van het belang hiervan.
Mevrouw Anne-Marie Lizin (PS). - Ik dank de minister. Graag had ik wat meer details vernomen over de bekommernissen van de gevangenisdirecteurs.
De overbevolking is een bekend fenomeen, maar de gevangenisdirecteurs zijn ook bezorgd over de gevolgen van de vrijheidsberoving en de mogelijkheden van een follow-up.
Wat mij van groot belang lijkt, is het probleem van de fundamentalistische preken die in gevangenissen worden gegeven, ook waar er zeer weinig fundamentalistische gevangenen verblijven, en waarmee systematisch een grotere aanhang wordt nagestreefd ook onder niet-moslims.
Dit is een belangrijk veiligheidsaspect, waar de gevangenisdirecteurs dagdagelijks getuige van zijn.
Kan dit thema verder uitgediept worden?
De heer Marc Verwilghen, minister van Justitie. - Het spreekt vanzelf dat we niet alleen oog hebben voor de overbevolking in de gevangenissen, maar ook voor het psychosociale kader, dat de gevangenisdirecteurs na aan het hart ligt. Dit thema is uitgebreid aan bod gekomen tijdens de besprekingen van vorige week.
Elk veiligheidsvraagstuk dat zich in een gevangenis voordoet, wordt besproken, ook het probleem dat u aanhaalde. Ik ben zeker bereid daar nogmaals de aandacht op te vestigen, indien mocht blijken dat dit probleem niet voldoende is opgevolgd.
De heer Michel Barbeaux (CDH), rapporteur. - De heer Destexhe wijst erop hoe belangrijk het is meer aandacht te besteden aan hepatitis C. Immers, ten minste 100.000 Belgen zijn drager van het hepatitis C-virus. Minstens 30% van de dragers van het virus beseffen het niet omdat ze geen symptomen hebben. Infectie met het hepatitis C-virus komt twintigmaal vaker voor dan met het aids-virus en doodt momenteel vier keer meer personen.
De heer Destexhe merkt op dat verschillende landen nationale actieplannen hebben opgezet ter bestrijding van deze ziekte. De wetenschappelijke kennis over hepatitis C en zijn behandelingswijzen dienen ruimer verspreid te worden bij de overheid, de artsen en het grote publiek. Dit voorstel van resolutie wil daartoe bijdragen.
Na de uiteenzetting van het voorstel van resolutie werd in de commissie een debat gevoerd. Ik heb de vraag gesteld of het wetsvoorstel van de heer Dallemagne tot schadeloosstelling van hepatitis C-slachtoffers en tot invoering van een federaal plan ter bestrijding van hepatitis C niet samen met de resolutie moet worden behandeld.
De commissie beslist beide teksten niet samen te bespreken aangezien ze een aparte doelstelling hebben. De heer Galand acht het belangrijk om een exhaustieve wettekst goed te keuren over de medische vergissingen en geen aparte tekst voor elk medisch probleem.
De minister van Volksgezondheid stemt in met de organisatie van een nationale dag maar ze merkt op dat de impact van een dergelijke dag veel beperkter is dan die van een nationale campagne. Ze merkt op dat het ministerie van Volksgezondheid vorig jaar reeds financieel heeft bijgedragen tot de organisatie van een dergelijke nationale dag.
Overigens wijst ze erop dat zowel de opsporing als de organisatie van een sensibiliseringscampagne tot de bevoegdheid van de gemeenschappen behoort. De minister engageert zich wel om dit onderwerp op de agenda te plaatsen van de volgende Interministeriële Conferentie Volksgezondheid met de vertegenwoordigers van de gemeenschappen.
De heer Destexhe stelt dat de algemene sensibiliseringscampagne niet enkel onder de bevoegdheid van de gemeenschappen valt. Voor de sensibiliseringscampagne van de artsen en voor nog andere zeer praktische maatregelen is de federale overheid bevoegd.
Verschillende amendementen werden besproken. Gelet op de verklaringen van de minister wordt een amendement aangenomen, dat ertoe strekt de gemeenschappen bij de informatiecampagne te betrekken. Het voorstel van resolutie wordt eenparig door de 11 aanwezige leden aangenomen.
De voorzitter. - Ik begroet een delegatie van de Burundese nationale Assemblee en Senaat. Ik wens haar een vruchtbaar verblijf in ons midden toe, alsook veel succes bij de verdere pacificatie en democratisering van haar land. (Algemeen applaus)
De heer Alain Destexhe (MR). - Ik dank de heer Barbeaux voor zijn verslag. Ik ben blij dat dit voorstel, dat ik samen met verschillende collega's heb ingediend, vandaag in het parlement wordt besproken en, naar ik hoop, ook wordt aangenomen.
Hepatitis C is immers een belangrijk probleem: deze ziekte treft 100.000 Belgen of 1% van de bevolking. In ons land komt hepatitis C twintig maal meer voor dat het aids-virus en volgens deskundigen doodt hepatitis C viermaal meer mensen. Anders dan met de aids-problematiek was vóór het begin van onze werkzaamheden wellicht niet iedereen zich bewust van de ernst van deze ziekte. Enkele jaren geleden konden artsen alleen de aanwezigheid van de ziekte vaststellen. Er was geen enkele doeltreffende behandeling voorhanden. Nu wel. Aangetoond werd dat de kans om de ziekte te overleven en de kans op genezing viermaal groter zijn als de patiënt vroegtijdig met moderne middelen, zoals PEG-interferons, wordt behandeld. Het is van belang dat een patiënt die drager is van het virus, maar nog geen klinische verschijnselen van infectie vertoont, toch al wordt behandeld.
De nodige geneesmiddelen zijn in België helaas nog niet beschikbaar. Binnen de Europese Unie is dat enkel in Portugal ook nog niet het geval. We hopen met deze resolutie de aandacht van de federale regering te vestigen op deze leemte. Mevrouw Aelvoet werd hierover al meermaals in het parlement geïnterpelleerd en ze heeft ook delegaties van Nederlandstalige en Franstalige patiëntenverenigingen ontvangen. Ik denk dan ook dat ze, wat haar bevoegdheid betreft, het nodige zal doen.
De minister van Sociale Zaken zou bij dit dossier betrokken moeten worden, vermits de terugbetaling van geneesmiddelen onder zijn bevoegdheid valt.
Vroeger kwam hepatitis C vooral voor na een bloedtransfusie en bij drugsverslaafden. Vandaag levert een transfusie nagenoeg geen risico meer op. Er zijn nu evenwel andere risico's zoals het gebruik van de endoscoop, van chirurgisch materiaal of van apparaten die niet goed ontsmet werden en, vooral bij de jongeren, piercing en tatoeage. Ondanks het toenemend succes bestaat voor piercing of tatoeage geen reglementering.
De volksgezondheid in ons land heeft een zekere achterstand opgelopen wat hepatitis C betreft. Frankrijk, bijvoorbeeld, heeft een volledig programma uitgewerkt voor de bestrijding van hepatitis C.
De minister van Volksgezondheid heeft beloofd dit punt op de agenda van de volgende interministeriële conferentie te plaatsen, teneinde ook de gemeenschappen en de gewesten te sensibiliseren.
Ik verheug me over de goedkeuring van deze resolutie. Ik dank alle collega's die ze mee hebben ondertekend, evenals de leden van de commissie Sociale Aangelegenheden, die ze na amendering eenparig hebben aangenomen.
De heer Georges Dallemagne (CDH). - Het verheugt me dat het debat over hepatitis C naar aanleiding van deze resolutie kan worden voortgezet. Deze resolutie bevat een boodschap voor de regering. We volgen aandachtig hoe ze deze problematiek zal aanpakken.
Deze resolutie is niettemin maar een kleine stap. Ik hoop dat er nog andere zullen volgen. Het gaat immers om een ernstig en belangrijk, doch ruimschoots onderschat probleem.
Eén procent van de Belgische bevolking zou het slachtoffer zijn van deze aandoening. In feite weten we het echter niet en dat is precies het grootste probleem met hepatitis C: tienduizenden dragers van het virus weten niet dat ze besmet zijn en treffen dan ook niet de noodzakelijke voorzorgen.
Deze aandoening is nog onvoldoende gekend.
Het probleem overschrijdt de Belgische grenzen: het aantal besmette personen wordt op 200 miljoen of 4 procent van de wereldbevolking geraamd.
Deze ziekte heeft als bijzonder kenmerk dat ze opgedoken is naar aanleiding van een contact met de gezondheidsdiensten. Vele zieken hebben de ziekte opgelopen, niet wegens risicogedrag of een erfelijke afwijking, maar omdat ze vertrouwen stelden in ons gezondheidsstelsel.
Dat was vaak het geval in de jaren '70, '80 en in het begin van de jaren '90, maar ook vandaag nog zijn er mensen die een besmetting met het hepatitis C-virus oplopen na een contact met de gezondheidsdiensten. Dat is typisch voor deze ziekte.
Zorgwekkend is ook dat deze ziekte zich in de loop van de jaren asymptomatisch ontwikkelt. De dragers van het virus worden in 20 tot 25 procent van de gevallen vaak ongeneeslijk ziek: ze krijgen levercirrose of leverkanker. Levercirrose kan nog niet genezen worden. Er bestaan alleen geneesmiddelen die de levenskwaliteit of de levensduur kunnen beïnvloeden. Voor leverkanker bestaat er nog geen behandeling.
Deze verontrustende ziekte vergt bijgevolg een reactie van de overheid. Ik ben blij met deze eerste stap, maar ik hoop dat het daarbij niet zal blijven. In een aantal landen worden maatregelen getroffen.
Dat de ziekte vaak wordt vergeleken met aids, is niet toevallig. Beide virussen vertonen veel gelijkenis en hun epidemiologie is gedeeltelijk identiek, ook al zijn er belangrijke verschillen. De besmetting gebeurde door bloedtransfusies in een periode toen de ziekte ofwel nog niet kon worden opgespoord ofwel gewoonweg niet werd opgespoord.
Het parlement heeft het wetsontwerp goedgekeurd op de schadeloosstelling van patiënten die met aids werden besmet na een bloedtransfusie, ook al ging het niet om een medische fout.
Andere patiënten zijn besmet met een nog kwaadaardiger virus waarvoor nog geen behandeling bestaat. Ook voor hen moeten middelen worden vrijgemaakt en moet een beleid worden ontwikkeld.
Ik zal de verschillende punten van de resolutie kort overlopen.
Waarom inderdaad geen speciale dag organiseren? Alleen moet worden vermeden dat dit een formaliteit wordt. Voor nog andere ziekten worden speciale dagen georganiseerd. De problemen verbonden aan hepatitis C vertonen veel gelijkenis met deze verbonden aan een aantal andere ziekten. Een aantal organisaties zou graag hebben dat actie wordt gevoerd naar aanleiding van de wereldaids-dag op 1 december.
Een sensibiliseringscampagne is goed, maar gaat niet ver genoeg. De dragers van het virus moeten worden opgespoord. Als ze weten dat ze besmet zijn, kunnen ze een aantal voorzorgen nemen waardoor hun ziekte zich minder snel zal ontwikkelen en er ook minder verwikkelingen optreden. Bovendien loopt hun omgeving dan minder risico besmet te worden.
De personen die een bloedtransfusie ondergingen toen hepatitis C nog niet kon worden opgespoord, moeten worden aangemoedigd een bloedonderzoek te laten verrichten. De betrokkenen kunnen dan verzorgd of in elk geval medisch begeleid worden.
België is het enige land van de Europese Unie dat de PEG-interferons niet terugbetaalt. De terugbetaling zou 300 tot 500 miljoen frank kosten, wat precies overeenstemt met het bedrag dat de regering wil besteden aan nieuwe opsporingstests waardoor jaarlijks één tot twee nieuwe gevallen van hepatitis C-besmetting kunnen worden opgespoord.
Volgens eigen berekeningen zouden 100 tot 120 personen van een dergelijke levensverlengende behandeling gebruik kunnen maken. Dat is niet niets als we weten dat dit mogelijk is met dezelfde budgettaire inspanning als deze die nodig is om besmetting van een of twee personen te voorkomen.
We moeten acties ondernemen die verder gaan dan deze resolutie. Ik heb een wetsvoorstel ingediend, maar het is nodig dat we een ambitieus plan ter bestrijding van hepatitis C lanceren, om te vermijden dat nieuwe personen er het slachtoffer van worden, dat besmette personen die nog niet ziek zijn, ziek worden en dit moment in elk geval zo lang mogelijk wordt uitgesteld, en om ervoor te zorgen dat zieken behandeld kunnen worden.
Een dergelijk plan bestaat al in verschillende landen. In Frankrijk heeft minister Kouchner een bijzonder ambitieus plan uitgewerkt. Alleen al voor het jaar 2002 heeft hij de Franse regering voorgesteld het equivalent van 9 miljard frank uit te trekken. Dit zou betekenen dat België, alleen voor hepatitis C, in één jaar 1,5 miljard frank zou vrijmaken.
Journalisten van de belangrijkste Japanse krant, Asahi Shimbun, zeiden me onlangs dat hepatitis C in vele landen een belangrijk probleem vormt. De ziekte begint zich nu pas te manifesteren omdat bij de personen die 10 of 20 jaar geleden besmet werden, nu verwikkelingen beginnen op te treden.
Dit bestrijdingsplan moet de opsporing intensifiëren, de behandeling verbeteren en het risico op nieuwe besmettingen verminderen. Naast de risico's die de heer Destexhe vermeld heeft, zijn er ook nog de tatoeages en de piercings. Ook de gevangenen vormen een risicopopulatie. Al deze risicogroepen moeten benaderd worden. De omgeving van de zieken moet eveneens geïnformeerd worden om besmetting te vermijden.
Men belooft ons een wet die moet leiden tot schadeloosstelling ingeval van medische fout of van een medische handeling met nefaste gevolgen. Die wet zal echter niet retroactief zijn en dus geen betrekking hebben op de zieken die al hepatitis C hebben.
We vragen dus dat een wet alle zieken of dragers van het hepatitis C-virus toegang verschaft tot een hulpfonds. In de periode van 1 maart tot 1 juli 1990 kwamen de eerste opsporingstests van hepatitis C in een aantal landen op de markt en werden ze in Frankrijk zelfs verplicht gesteld. In België werden ze echter nog niet gebruikt. Speciaal deze slachtoffers, maar ook de andere zieken, hebben recht op een vergoeding. Ik zal het onderwerp in de commissie Sociale Aangelegenheden opnieuw ter sprake brengen teneinde na te gaan op welke manier we verder kunnen gaan dan deze resolutie.
De heer Paul Galand (ECOLO). - Ik ben het volledig eens met de heer Destexhe dat het probleem onderschat wordt en dat hepatitis C nog veel moorddadiger is dan aids. De beleidsmakers moeten dus algemene gezondheidsprogramma's opstellen om een globale aanpak te bevorderen. Het Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid zou de parlementsleden en kabinetten elk jaar een overzichtstabel moeten ter beschikking stellen die de belangrijkste kerncijfers in verband met de verschillende aandoeningen weergeeft. Dat zou het ons mogelijk maken onze inspanningen beter te richten.
De heer Dallemagne legde de link met ons gezondheidsstelsel. De nadruk moet telkens opnieuw worden gelegd op het belang van hygiënische richtlijnen en strikte procedures. Het personeel moet natuurlijk in goede omstandigheden kunnen werken, zonder al te veel stress, en het moet in staat worden gesteld om de noodzakelijke procedures na te leven. Een gezondheidsstelsel zonder risico's bestaat natuurlijk niet, maar optimale werkomstandigheden kunnen de zekerheid voor patiënten en therapeuten verhogen.
We zijn voorstander van een algemene wet tot schadeloosstelling ingevolge medische fouten. Speciale wetten voor elke pathologie afzonderlijk moeten worden vermeden.
Ten slotte zijn we het er allemaal over eens dat de patiënten zo vlug mogelijk van nieuwe ontdekkingen en behandelingen moeten kunnen genieten.
De heer Philippe Mahoux (PS). - Ik spreek niet als arts, maar als burger. Ik hecht veel belang aan het initiatief van de heer Destexhe en verheug me erover dat de ministers van Sociale Zaken en van Volksgezondheid bij de bespreking van de resolutie aanwezig zijn.
Vanuit het oogpunt van de preventie, de diagnose én de behandeling moet bijzondere aandacht worden besteed aan hepatitis C. Sommigen hebben gewezen op een aantal risicofactoren, zoals drugsverslaving, maar ook piercing. De bevolking moet gesensibiliseerd worden voor de risico's van piercing, vooral als de hygiënische en preventievoorschriften niet worden nageleefd.
Wat de drugsverslaving betreft, heeft de Senaat onlangs een wetsvoorstel goedgekeurd over de behandelingen met vervangingsmiddelen. Na de goedkeuring door de Kamer zullen de uitvoeringsbesluiten nader omschrijven op welke manier de risico's kunnen worden verminderd, ook voor heroïneverslaafden. Dit is belangrijk voor de preventie van hepatitis C.
Mevrouw Magda Aelvoet, minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu. - Ik vind het uitstekend dat de Senaat zich uitspreekt over de hepatitis C-problematiek. Ik stem in grote lijnen in met de resolutie.
Er zijn wel enkele kleine foutjes in geslopen. Zo is niet 30, maar 70 procent van de dragers van het virus zich niet van de besmetting bewust.
Het voordeel van PEG-interferons tegenover andere interferons bestaat alleen voor de genotypes I, IV en V en geldt dus niet voor de genotypes II en III.
Ik zal niet herhalen wat ik reeds in de commissie zei over de voorstellen van de Belgische vereniging. De bespreking van de inhoud van de resoluties staat op de agenda van de volgende vergadering van het interministerieel comité Volksgezondheid op 24 juni 2002. Meer bepaald wat preventie betreft, is het belangrijk dat de gewesten, de gemeenschappen en de federale Staat samenwerken.
Vorig jaar hadden we al een soort van nationale dag. We zullen dit punt op de interministeriële conferentie meer in detail onderzoeken, want iedereen moet deelnemen. We zullen ook vragen dat een werkgroep wordt opgericht die concrete voorstellen moet uitwerken voor een meer algemene campagne.
Wat de terugbetaling van het geneesmiddel betreft, moet het farmaceutisch bedrijf een aanvraag tot registratie en tot terugbetaling indienen.
Het PEG-interferon is in België als geneesmiddel geregistreerd en de aanvraag tot terugbetaling zal op 27 juni 2002 worden onderzocht door de nieuw opgerichte Commissie Tegemoetkoming Geneesmiddelen.
Deze technische commissie heeft een positief advies uitgebracht over het belang, de prijs en het sociale voordeel van het geneesmiddel. Er komt dus een voorwaardelijke terugbetaling gebaseerd op het virale genotype en de graad van leverfibrose. Het dossier zal onverwijld worden voorgelegd aan de minister van Sociale Zaken die een maand de tijd heeft om het voorstel te onderzoeken. Het dossier moet dan nog administratief worden afgehandeld.
De aanvraag tot terugbetaling van het vaccin tegen hepatitis A en B voor de personen die lijden aan hepatitis C moet nog door de betrokken bedrijven worden ingediend. We zijn er echter van overtuigd dat het voor een persoon met hepatitis C aangewezen is zich te laten inenten tegen de A- en B-varianten.
-De bespreking is gesloten.
-De stemming over het voorstel van resolutie in zijn geheel heeft later plaats.
De heer Jan Remans (VLD), rapporteur. - Het wetsontwerp ressorteert onder de optioneel bicamerale procedure. Het is in de commissie voor de Sociale Aangelegenheden besproken op 14 en 21 mei, in aanwezigheid van minister Vandenbroucke. Ik verwijs naar het schriftelijk verslag, maar wil er toch enkele bemerkingen aan toevoegen.
Minder dan 10% van de bevolking veroorzaakt meer dan 90% van de kosten voor geneeskundige verzorging. De minister hoopt dat: "met één procent van de totale kostprijs van de ziekteverzekering het stelsel 50% rechtvaardiger wordt gemaakt". De maximumfactuur is om twee redenen een revolutie in de sociale zekerheid. Ten eerste is ze een innovatie ter bescherming tegen overmatige kosten volgens de draagkracht van het gezin. Ten tweede komt er een onderscheid tussen noodzakelijke behandelingen en comfortzorgen.
In de commissie werd vooral beklemtoond dat de kosten van de maximumfactuur niet méér zouden bedragen dan wat in de regering is afgesproken. Nooit zijn de financiële gevolgen van een wet zo goed berekend als voor dit wetsontwerp. We hopen dat de administratie zich niet heeft vergist. Sommigen vragen zich af of de kosten en de inspanningen voor de uitvoering van deze wet in verhouding zijn tot de doelstellingen. We kennen immers de complexiteit van de procedures, zeker bij verschillende samenlevingsvormen, bij verschillende verzekeringen binnen hetzelfde gezin en als er een interactie tussen verschillende ministeries moet plaatsvinden. We zijn ons bewust van de grote hindernissen die moeten worden overwonnen, aangezien we nu al worden geconfronteerd met de administratieve traagheid terwijl de minister de snelle uitvoering van de terugbetaling in geval van overschrijding van de maximale factuur in het vooruitzicht stelt.
Bij de bespreking van een amendement van de heer Barbeaux heeft de commissie overigens genoteerd dat de minister zich uitdrukkelijk engageert om met zorg te waken over de bescherming van de privacy en indien er daarover enige twijfel zou rijzen, het advies zal vragen van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.
De commissie heeft met 8 stemmen bij 2 onthoudingen het wetsontwerp in zijn geheel goedgekeurd. In overeenstemming met de Kamer werden door de commissie verschillende tekstverbeteringen aangebracht. Het verslag werd unaniem goedgekeurd door de acht aanwezige leden.
De heer Michel Barbeaux (CDH). - Wij geven toe dat de idee van de maximumfactuur aantrekkelijk is. Het geeft de patiënten zekerheid, in het bijzonder de chronisch zieken, de mensen met een klein inkomen en in elk geval diegenen die zware gezondheidsuitgaven hebben. Ik heb zelf vastgesteld dat verenigingen van chronisch zieken dit een goede oplossing vinden.
De politiek, en in het bijzonder de oppositie, moet echter aandacht hebben voor de risico's op middellange en lange termijn van maatregelen die een onmiddellijke oplossing zijn voor actuele problemen. Ik herhaal de twee voornaamste punten van kritiek van mijn partij op dit ontwerp.
Omdat het ontwerp een uitsluitend op het inkomen gebaseerde selectiviteit veralgemeent, verzwakt het de legitimiteit van ons sociaal zekerheidsstelsel dat steunt op solidariteit. Dergelijke selectiviteit bestaat al. Ik denk aan de sociale en fiscale franchise, maar deze steunen niet exclusief op het inkomen. Hier gaat het over het concept van de sociale verzekering zelf. Dit ontwerp vertrekt van het postulaat dat de sociale zekerheid een minimumbescherming moet geven aan de minst gegoeden, zij die de laagste inkomens hebben. Dit gaat ten koste van de hogere inkomens die zich bij privé-verzekeraars moeten gaan verzekeren voor het gedeelte dat het aan iedereen gegarandeerde basispakket te boven gaat. Dat is een Angelsaksische ontsporing, `het Beveridge-model', waarover ik in de commissie sprak. Deze evolutie zal des te reëler zijn als de maximumfactuur een alibi wordt voor de verhoging van het remgeld, zoals dat is gebeurd voor de geneesmiddelen met het opheffen van de ristorno van 10% bij de apotheker, of voor de kinesisten. Die politieke keuze dreigt onvermijdelijk te leiden naar een dualisering van het gezondheidsaanbod: enerzijds het basispakket dat door de maximumfactuur wordt gedekt en anderzijds de tendens om zich privé te verzekeren voor mensen met een hoger inkomen voor wie de maximumfactuur veel later zal spelen of zelfs helemaal niet. Mensen met een hoger inkomen, die meer aan de sociale zekerheid afdragen, zullen de legitimiteit van ons sociaal zekerheidssysteem dan ook ter discussie stellen. De sociale zekerheid zal nu immers slechts vergoeden na onderzoek naar de bestaansmiddelen. Dat is een fundamentele verandering van ons sociaal zekerheidsstelsel. Daarvan willen we niet weten.
De tweede kritiek betreft de ingewikkelde administratie die de maximumfactuur vereist. De minister heeft dit in de commissie trouwens toegegeven.
De uitvoering gaat voor grote administratieve problemen zorgen. Met name het begrip huishouden is aanleiding tot verschillende interpretaties. Er zijn twee definities: sociaal voor bepaalde inkomenscategorieën en fiscaal voor andere.
Aangezien de administratie van Financiën niet dezelfde interpretatie van huishouden hanteert als de verzekeringsinstellingen gaat men, om het inkomensniveau te kunnen vaststellen, de huishoudens min of meer fictief opnieuw moeten samenstellen, met alle vergissingen van dien.
Verzekeringsinstellingen gaan ook het remgeld voor ouders en voor kinderen die van bijzondere plafonds genieten, afzonderlijk moeten bijhouden. Zij moeten ook informatie gaan uitwisselen om huishoudens samen te stellen waarvan de leden bij verschillende ziekenfondsen zijn aangesloten.
Er moet een grondig onderzoek gebeuren wanneer het inkomen van het lopende jaar veel lager is dan het belastbare inkomen, dat wil zeggen het inkomen van het tweede jaar dat het jaar voorafgaat waarvoor de administratie over gegevens beschikt.
Dat zijn dan nog maar een deel van de problemen waarmee de ziekenfondsen zullen worden geconfronteerd, terwijl zij onvoldoende financiële middelen krijgen voor het administratieve beheer van de verplichte verzekering en nu reeds verplicht zijn aan hun leden een bijdrage te vragen in het kader van de aanvullende vrije verzekering.
Omwille van onze vrees voor het voorgestelde nieuwe systeem van herverzekering van het remgeld zal de CDH-fractie zich, zoals in de Kamer, onthouden.
De heer Jacques D'Hooghe (CD&V). - Ik dank de heer Remans voor het verslag. Ik zal bondig zijn in mijn commentaar bij het wetsontwerp en mij beperken tot de fundamentele kritiek die ik reeds in de commissie voor de Sociale Aangelegenheden geformuleerd heb.
De CD&V-fractie onderschrijft de doelstellingen van het ontwerp, dat een rechtvaardiger systeem van terugbetaling van de kosten voor gezondheidszorg beoogt. Ik ben er persoonlijk ook van overtuigd dat minister Vandenbroucke deze sociale correctie in de ziekteverzekering met de beste bedoelingen heeft willen inlassen.
Positieve intenties alleen zijn echter niet voldoende. Met de invoering van de maximumfactuur zet de minister in de eerste plaats de deur open voor de omvorming van de ziekteverzekering van een socialezekerheidsstelsel naar een bijstandsregeling. Dat zal wel niet de bedoeling geweest zijn, maar met dit wetsontwerp is het hek van de dam. De maximumfactuur gaat ook gepaard met een onbetaalbare en onuitvoerbare administratieve rompslomp, die het hele systeem van de gezondheidszorg stuurloos dreigt te maken. Dat is nefast voor de goede dienstverlening aan de bevolking. De kostprijs van het systeem zal bovendien niet langer evenredig zijn met het gewenste resultaat.
Ik geef enkele elementen.
De basisinformatie waarmee de ziekenfondsen moeten werken, is van een zeer twijfelachtige kwaliteit. De gegevens van het rijksregister, met name het bestand 140H dat de historiek van de gezinnen weergeeft, zijn zeer onvolledig, vooral omdat de gemeenten de gegevens voor het rijksregister zeer ongelijkmatig invoeren en aanpassen. Er zijn heel wat personen die in verschillende gezinnen leven. Nochtans moeten alle ziekenfondsen deze gegevens op dezelfde wijze interpreteren. Er wordt dan ook gevreesd dat de fiscus maar op 50% van de vragen van het RIZIV naar de inkomenssituatie van de gezinnen die voor de regeling van de maximumfactuur in aanmerking komen, op een geautomatiseerde wijze zal kunnen antwoorden. De niet-beantwoorde vragen zullen in de diverse ziekenfondsen nadien manueel moeten worden afgehandeld. Door de gebrekkige automatisering van de overheid zullen de ziekenfondsen zwaar moeten investeren in tijd, energie en personeel.
Bovendien is de definitie van het begrip `gezin' verschillend voor de regeling betreffende de maximumfactuur, het RIZIV, de fiscus en het rijksregister. Het ligt voor de hand dat dit de automatische uitwisseling van gegevens bemoeilijkt en dan druk ik mij nog zacht uit.
20% van de gezinnen die gebruik kunnen maken van de maximumfactuur, hebben gezinsleden die bij meer dan één ziekenfonds zijn aangesloten. Er zal dus een enorme informatiewisseling tussen de ziekenfondsen nodig zijn om de remgeldtellers bij te houden. Volgens een eerste berekening zou het gaan om 4.000.000 gegevensuitwisselingen per maand.
De minister blijft het antwoord schuldig op de vraag naar de kostprijs van de maximumfactuur voor de ziekenfondsen. Hij zegt alleen maar dat de ziekenfondsen geen extra geld hiervoor zullen krijgen. Hij steekt dus de kop in het zand. Ofwel zullen de ziekenfondsen hun personeelsbestand gevoelig moeten uitbreiden om deze administratieve verrichtingen uit te voeren, ofwel zullen zij deze taak proberen uit te voeren met het beschikbare personeel, maar dan dreigen andere essentiële elementen van het zorgsysteem ontregeld te geraken. De kostprijs van de administratieve verwerking zal in elk geval immens hoog zijn. Op langere termijn zal de overheid dit bedrag moeten ophoesten, want anders zullen de ziekenfondsen verplicht zijn de bijdragen van de leden te verhogen.
De bevolking zal de maximumfactuur hoe dan ook moeten betalen en dat is onaanvaardbaar. We hebben in de commissie voor de Sociale Aangelegenheden reeds opgemerkt dat er veel eenvoudiger manieren zijn om een rechtvaardige terugbetaling te garanderen. De organisatie van een zo'n complexe en omvangrijke gegevensuitwisseling is een verspilling van middelen. Die middelen kunnen beter worden aangewend voor de talrijke fundamentele behoeften in de gezondheidszorg.
Over de technische moeilijkheden die zullen rijzen bij het opstellen van de uitvoeringsbesluiten, zal ik het vandaag niet hebben.
We zijn ons ervan bewust dat de minister dit systeem heeft uitgewerkt om een sociale correctie in te voeren. Wij staan daar volledig achter. De administratieve verwerking is evenwel enorm complex en buitengewoon duur. Daarom hebben we fundamentele bezwaren tegen het ontwerp. We zullen ons dan ook bij de stemming onthouden.
De heer Jan Steverlynck (CD&V). - Ik heb de besprekingen in de commissie niet kunnen bijwonen omdat mijn aanwezigheid in een andere commissie vereist was.
Ik zou even willen ingaan op de toepassing van de maximumfactuur voor de leden van kloostergemeenschappen.
Het wetsontwerp beschouwt de leden van de kloostergemeenschappen niet als een feitelijk gezin, maar behandelt ze, net zoals personen die in een rusthuis verblijven, als alleenstaanden. In de uitvoeringsbesluiten van het wetsontwerp zullen dan ook uitzonderingen op de notie `feitelijk gezin' worden opgenomen.
De wet op de inkomensgarantie voor ouderen daarentegen behandelt personen die in een rusthuis verblijven, en de leden van kloostergemeenschappen niet op gelijke voet. Personen die in een rusthuis verblijven, worden volgens die wet niet als een gezin beschouwd, maar wel als alleenstaanden. Dat is een consequente redenering. De wet beschouwt religieuzen die in een kloostergemeenschap leven, echter als een feitelijk gezin. Ze kunnen nooit een verhoogde uitkering voor alleenstaanden ontvangen. De bestaansmiddelen van alle kloosterlingen worden samengeteld en vervolgens door het aantal kloosterlingen gedeeld om het recht op een uitkering vast te stellen. Dat betekent dat kloosterlingen vrijwel nooit recht hebben op de basisuitkering.
Dat is niet alleen een inconsequente houding, maar een echte discriminatie. Naargelang het de regering uitkomt, behandelt ze kloosterlingen als alleenstaanden of als een feitelijk gezin. Sociale rechtvaardigheid zou ook hier op zijn plaats zijn.
De minister heeft in de commissie toegegeven dat kloosterlingen inzake de maximumfactuur en de inkomensgarantie voor ouderen op een verschillende manier worden behandeld. Ik heb begin dit jaar een wetsvoorstel ingediend om dit probleem op te lossen en deze inconsequentie weg te werken. Ik stel voor kloosterlingen, wat de inkomensgarantie betreft, op dezelfde manier te behandelen als personen die in een rusthuis verblijven.
Graag had ik van de minister vernomen of hij ermee akkoord gaat deze discriminatie en deze inconsequente houding weg te werken, zodat ook de kloosterlingen in de toekomst op een sociaal rechtvaardige manier worden behandeld.
De heer Paul Galand (ECOLO). - Ik ben tevreden over dit ontwerp, dat een belangrijke vooruitgang betekent en de toegang tot de gezondheidzorg voor allen garandeert. Het past in de strijd tegen de armoede en de schuldoverlast.
We weten dat een deel van de problemen van schuldoverlast het gevolg zijn van gezondheidsuitgaven.
De toegankelijkheid moet vergezeld gaan van middelen om een coherente zorgcontinuïteit te garanderen. Die hangt samen met de vertrouwensrelatie tussen de patiënt en `zijn' arts.
Patiënten hebben nood aan persoonlijke menselijke contacten met bekwame medische hulpverleners. Die moeten dan ook de nodige tijd krijgen en correct worden vergoed. Dat soort artsen zijn meestal huisartsen. Het verbaast me dan ook dat sommigen, vooral in Brussel, een rem willen zetten op de totstandbrenging van geïntegreerde diensten voor thuisverzorging en inzake de plaats die de huisartsen daarin moeten innemen. De VLD-voorzitter lijkt trouwens te geloven dat de splitsing van de gezondheidszorg voor meer efficiëntie zal zorgen.
Deze paarsgroene regering heeft er alle belang bij haar solidariteit en medeverantwoordelijkheid met de zieken te tonen, zoals zij in dit ontwerp doet, en geen stappen achteruit voor te bereiden.
De kritiek van de oppositie is vooral een intentieproces. De uitvoering van het ontwerp kan inderdaad moeilijk worden, maar dit niet realiseren zou bijzonder betreurenswaardig zijn.
Ik verheel niet dat Ecolo-Agalev tevreden is met dit ontwerp, dat de versterking van een solidair en coherent systeem beoogt.
-De algemene bespreking is gesloten.
(De tekst aangenomen door de commissie voor de Sociale Aangelegenheden is dezelfde als de tekst van het door de Kamer van volksvertegenwoordigers overgezonden ontwerp. Zie stuk Kamer 50-1697/6.)
-De stemming over het wetsontwerp in zijn geheel heeft later plaats.
De voorzitter. - Het woord is aan de heer de Clippele voor een mondeling verslag.
De heer Olivier de Clippele (MR), rapporteur. - Dit ontwerp werd reeds goedgekeurd door de Senaat op 1 februari 2002 en overgezonden aan de Kamer van volksvertegenwoordigers. Op 17 mei 2002 heeft de Kamer de tekst teruggezonden naar de Senaat. De commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden heeft het behandeld op 29 mei 2002, in aanwezigheid van de minister van Economie en Wetenschappelijk Onderzoek, belast met het Grootstedenbeleid.
De minister wees erop dat de Kamer wijzigingen in de tekst van de Senaat had goedgekeurd, maar dat de geest van de tekst ongewijzigd blijft.
Ik herhaal nog even de doelstellingen van het oorspronkelijke voorstel: ten eerste, het niet-verzekerd zijn beter bestrijden door het gebruik van de gegevensbank van het Gemeenschappelijk Waarborgfonds; ten tweede, de toegang tot de verzekering bevorderen voor de moeilijkste gevallen door de oprichting van een tariferingbureau; ten derde, de opzeggingsmogelijkheden na een schadegeval beperken.
De Kamer heeft zes belangrijke amendementen goedgekeurd. In het eerste amendement wordt een grotere soepelheid voorgesteld op het vlak van de opsporing van niet-verzekerde voertuigen. Er wordt voorgesteld de chauffeur naar het politiekantoor te roepen om te controleren of de verzekering in orde is, in plaats van een strafprocedure te starten.
Het tweede amendement betreft een vermindering van het risico op overbelasting van het tariferingsbureau.
Het derde amendement werd ingediend door de regering en moet het mogelijk maken de drempels aan te passen volgens de leeftijd.
Het vierde amendement heeft ten doel één of meerdere ondernemingen aan te stellen, op vrijwillige basis of door het tariferingsbureau, indien een verzekering wordt geweigerd, in plaats van zich opnieuw te wenden tot de onderneming die de verzekering had geweigerd.
Het vijfde amendement gaat over de opzeggingstermijn voor het weigeren van een verzekering. Die termijn wordt van één maand op drie maanden gebracht. De verzekerde zal dus meer tijd hebben om een andere verzekeraar te vinden. Bij fraude kan de termijn verminderd worden tot één maand.
Het zesde amendement tenslotte bepaalt dat, in de tak autoverzekeringen, de verzekeraar een contract maar kan opzeggen als de verzekerde in het ongelijk is. Nu kan de verzekeraar in alle gevallen opzeggen. Bovendien mag hij de waarborg voor burgerlijke aansprakelijkheid niet weigeren indien de schade enkel betrekking heeft op een bijkomende waarborg.
Ik kom tot de opmerkingen van de leden. De heer Monfils was van mening dat de door de Kamer geamendeerde tekst geen probleem opleverde.
Mevrouw Thijs pleitte voor een recht op verzekering voor iedereen. Zij schat dat er slechts een 25.000 personen een beroep kunnen doen op het tariferingsbureau. De voorwaarden om hiervoor in aanmerking te komen zijn immers te streng. Ten minste drie verzekeringsmaatschappijen moeten een dekking hebben geweigerd en een voorstel van een premie dat met een weigering wordt gelijkgesteld, moet vijfmaal meer bedragen dan de laagste premie voor een identiek voertuig. Vooral de jongeren beneden de 23 jaar en de ouderen van boven de 70 worden benadeeld. Uit statistieken zou blijken dat zij het meeste ongevallen veroorzaken.
De heer Ramoudt meende dat velen niet weten dat bij de ondertekening van de polis de gebruikelijke bestuurder van het voertuig moet worden vermeld. Indien wordt nagelaten dat dit de zoon of dochter is, kan dit tot grote problemen leiden. Bij een ongeval is de wagen dan eigenlijk niet verzekerd en kan men de verzekerde aanspreken omdat hij een valse verklaring aflegde.
De heer Thissen heeft voorgesteld verschillende franchises mogelijk te maken in plaats van de verzekeringspremies aan te passen naargelang de omstandigheden.
De minister besloot dat het vinden van een evenwicht tussen enerzijds liberalisering van de sector en het volledig laten spelen van de concurrentie en anderzijds het voorkomen dat geen enkele categorie van de bevolking daarvan het slachtoffer wordt, een moeilijk oefening is. Daarenboven laat de Europese Commissie niet meer toe om tarieven vast te leggen. Segmentering is de droom van alle verzekeraars. Zij kunnen dan hun klanten kiezen in functie van een aantal criteria zoals inkomen en solvabiliteit. Dit kan op termijn leiden tot een onrechtvaardige maatschappij waarin nog slechts enkele categorieën van de bevolking door de verzekering worden gedekt.
De twee amendementen van mevrouw Thijs werden verworpen met acht tegen drie stemmen. Het ontwerp werd goedgekeurd met negen stemmen bij twee onthoudingen.
Mevrouw Erika Thijs (CD&V). - Ik dank de rapporteur voor het uitstekende verslag.
De werkelijkheid is onthutsend. Ik kreeg gisteren een aantal getuigenissen van jongeren over hun zoektocht naar een verzekering. Ik raad de minister aan eens op de website van Jong-CD&V te gaan kijken. Ik geef enkele voorbeelden.
Veerle uit Brugge heeft een autoverzekering bij OMOB op naam van haar moeder die een bonus-malus nul heeft. Ze is wel geregistreerd als bestuurder.
Een Brusselse vijfentwintigjarige jonge vrouw wilde een autoverzekering afsluiten. Sommige maatschappijen weigerden. Bij de andere kostte de verzekering meer dan vijftigduizend frank. Ze vond een oplossing door te auto te laten verzekeren op naam van haar moeder die op het platteland woont. Kostprijs: 36.000 frank. Voordien reed ze met de gezinswagen waarmee ze nog nooit een ongeval had veroorzaakt.
Koen, 22 jaar, kocht een tweedehands wagentje voor amper 2.000 frank. Hij schafte zich een verzekering aan op naam van zijn vader voor 15.000 frank. Na een jaar besloot hij toch de verzekering op zijn naam zetten en mocht toen 27.000 frank betalen. Later schafte hij zich een kleine nieuwe wagen aan en betaalde hij 55.000 frank voor de verzekering, één zesde van de aankoopprijs. Inmiddels werd hij aangereden en werd hij ook nog het slachtoffer van vandalisme. De verzekering heeft gemeld dat hij na nog zulk een ongeval geen verzekering meer zou krijgen.
Dat is slechts een greep uit de vele reacties die we binnenkregen. Ik zou ook tientallen voorbeelden kunnen geven van 70-plussers met precies dezelfde problemen: ze vinden geen verzekering of betalen buitensporige premies. Ik hoop dat mijn vader, die volgende maand 70 wordt, geen brokken maakt, zoniet dreigt hij problemen te krijgen om een verzekeringsmaatschappij te vinden.
De prijzen van de autoverzekering zijn de jongste jaren met 15 procent gestegen. De rentabiliteit van de verzekeraars staat steeds meer onder druk. Het bonus-malussysteem wordt onder impuls van de Europese Commissie afgeschaft en moet plaatsmaken voor een ongebreidelde segmentering. De segmentering jaagt de premies van jongeren en ouderen omhoog en sluit hele groepen uit de samenleving uit van een verplichte verzekering. Jongeren betalen premies die snel kunnen oplopen tot meer dan 1.000 euro voor een gewone auto en soms tot tienmaal de waarde van hun voertuig. Voor ouderen geldt net hetzelfde.
Inzake verzekerbaarheid brengt dit ontwerp belangrijke verbeteringen aan. Ook de controle en handhaving van het verzekerd zijn, evenals de opzegtermijnen na schade, zijn belangrijke stappen. Geraamd wordt dat zo'n 25.000 bestuurders via de tariferingsregeling opnieuw toegang zullen krijgen tot de autoverzekering. Uit recente cijfers van de Federatie van verzekerings- en financiële tussenpersonen blijkt evenwel dat er minimaal 100.000 mensen onverzekerd rondrijden. Als we rekening houden met de valse verklaringen, liggen de cijfers nog veel hoger.
Eén voertuig op acht, dus ongeveer 600.000 wagens, rijdt zonder of met een valse verzekering. De hoge tarieven en de strenge risicoselectie worden als de voornaamste redenen voor de niet-verzekering aangegeven.
Het probleem is des te groter voor twee bijzondere groepen: jongeren en ouderen. Dit is de zwakke plek van het wetsontwerp. De factor leeftijd wordt gelijkgeschakeld met alle andere factoren die een invloed hebben op de beoordeling van het risico, zoals regio, verleden schade, vermogen van de wagen enzovoort. Dit is volgens ons geen goede keuze. Jongeren en ouderen kunnen volgens de voorgestelde regeling slechts een beroep doen op het Tariferingsbureau als ze wegens hun leeftijd drie keer door een verzekeringsmaatschappij worden geweigerd of als ze vijf maal meer zouden moeten betalen dan iemand met een `normale' leeftijd met eenzelfde voertuig die de minimumpremie betaalt.
Jongeren en ouderen zullen dus nog steeds premies moeten ophoesten van 1.500 euro of meer. Dit betekent ook dat ze onverzekerd zullen blijven rondrijden. Als ze een aanrijding hebben, zullen de ouders voor de kosten moeten opdraaien of zal de tegenpartij zeer lang op een vergoeding via het waarborgfonds moeten wachten. De solidariteit tussen de generaties, die geldt in de ziekteverzekering, zou ook hier moeten meespelen. Een andere mogelijkheid is een financiering door de meeropbrengsten uit de stijgende belasting op verzekeringen, die 27% bedraagt.
Men kiest echter voor het behoud van een verregaande segmentering op basis van leeftijd. De samenleving geeft aan jongeren de boodschap dat het risico dat ze lopen hun eigen schuld is en dat ze dus maar zelf moeten betalen. Over de hervorming van de rijopleidingen, de onveiligheid op de weg tijdens de weekends, de vraag naar meer mobiliteit van 70-plussers en de gebrekkige bereikbaarheid van landelijke gebieden met het openbaar vervoer tijdens de weekends wordt zedig gezwegen. Nochtans zijn dat de echte problemen. Grote verklaringen volstaan niet, er moeten concrete maatregelen worden genomen voor deze twee leeftijdsgroepen.
Het met veel tamtam aangekondigde recht op een autoverzekering is een lege doos. Voor jongeren en ouderen wordt het de facto moeilijk om een autoverzekering te krijgen. Dit is voor CD&V onaanvaardbaar. Om die reden zullen we onze twee amendementen opnieuw indienen. Die strekken ertoe de factor leeftijd niet volledig te laten meetellen als segmenteringscriterium, maar slechts voor een meerpremie van 25%. Bovendien willen we een deel van de premies voor bepaalde jongeren via een tussenkomst van het Tariferingsbureau mee financieren uit extra belastinginkomsten die de overheid uit de stijgende premies haalt. België heeft een zeer hoge belasting op verzekeringen, waardoor de meerpremie nog hoger ligt.
Een ander probleem, dat tijdens de bespreking van dit wetsontwerp niet aan bod is gekomen, zijn de lange termijnen voor de uitbetaling van de vergoedingen voor een ongeval. Iedereen kent wel iemand die bij een ongeval was betrokken. Soms moet vijf tot zeven jaar worden gewacht op de uitbetaling van een vergoeding. Collega Jos Ansoms heeft in de Kamer hieromtrent een wetsvoorstel ingediend. Wij betreuren het dat dit thema tijdens de bespreking niet aan bod is gekomen. De minister mag dit probleem nochtans niet uit het oog verliezen.
Ik besluit. Het voorliggend ontwerp betekent enkele reële stappen vooruit, maar we betreuren het dat jongeren en ouderen ook na de goedkeuring ervan opgezadeld zullen blijven met torenhoge premies voor hun autoverzekering, louter op basis van hun leeftijd.
Met dit wetsontwerp hebben de politici een belangrijke kans gemist. Laten we bij een volgende bespreking beide voormelde groepen niet uit het oog verliezen.
De heer Monfils, die in zekere zin ook de geestelijke vader is van dit ontwerp, heeft gisteren al aangekondigd na dit wetsontwerp de draad opnieuw te zullen opnemen. Ik ben er zeker van dat hij woord zal houden en dat dit onderwerp in latere besprekingen opnieuw zal worden aangesneden.
De heer Philippe Monfils (MR). - Op mijn beurt dank ik onze rapporteur die deze ingewikkelde materie duidelijk heeft uiteengezet. Dit ontwerp is het gevolg van een wetsvoorstel dat ik heb ingediend en dat, na toevoeging van een belangrijk hoofdstuk over het tariferingsbureau, aan de Kamer werd voorgelegd. Daar kwam een politiek akkoord tot stand tussen de regering en een grote parlementaire meerderheid om te tekst te amenderen. Wij moeten die amendementen nu onderzoeken.
(Voorzitter: de heer Jean-Marie Happart, ondervoorzitter.)
Ik dank de senatoren die mijn voorstel hebben bewerkt en uitgebreid. Ik dank ook de minister die zorgde voor de zegen van de regering. Voor administratieve bepalingen is dat belangrijk.
Het eerste voorstel wilde het niet-verzekeren bestrijden. Duizenden ongevallen worden veroorzaakt door niet-verzekerde personen. Dat is een bron van problemen.
De mogelijkheid bestond om onmiddellijk te reageren op de weigering van verzekeringsmaatschappijen om bepaalde personen te verzekeren en op de buitensporige premies die aan een deel van de bevolking worden opgelegd.
De hele problematiek werd herbekeken. Men moest niet de hele wet op de verzekeringen herzien, maar een beperkt systeem voor een welomschreven problematiek invoeren om onmiddellijk iets te doen aan de weigering om bepaalde personen te verzekeren. In dat verband werd gewezen op het recht op verzekering en het recht op mobiliteit. Iedereen die een rijbewijs heeft, heeft het recht te sturen. De verzekeringsmaatschappijen hebben niet het recht iemand te beletten zijn rechten uit te oefenen.
Ik heb er geen bezwaar tegen om in de komende maanden een grondig debat te hebben over de toekomst van de verzekering.
Mevrouw Thijs, de tekst zoals hij van de Kamer is teruggekomen, schenkt ons niet helemaal voldoening. De senatoren leken me wijzer. Zij meenden dat de drempels voor een beroep op het tariferingsbureau bij koninklijk besluit moesten worden vastgelegd. Wij hadden de tekst naar de regering teruggestuurd met het voorstel met de maatschappijen te onderhandelen en de drempels vast te leggen. Dat is niet gebeurd. De Kamerleden kozen een andere richting door de drempels vast te leggen. Zelfs al vind ik, zoals u, die plafonds bijzonder hoog, dan gaat het toch om de kleinste premie voor een voertuig van dezelfde categorie voor een bepaalde plaats, zonder rekening te houden met de leeftijd van de persoon.
In het begin dachten sommigen dat het plafond van vier of vijf maal de basispremie werd vastgelegd in verhouding tot de premie die eventueel aan de aanvragers, vooral jongeren, wordt opgelegd. Zo kwam men tot catastrofale bedragen. Nu is het minder.
Er is ook een uitweg. De minister heeft dat gisteren gegarandeerd en daar ben ik gelukkig om. De Koning kan immers regels vastleggen om het resultaat van het schadebeheer te herverdelen tussen de verzekeringsmaatschappijen, leden van het fonds. De minister heeft duidelijk gezegd dat, wanneer een verzekeringsmaatschappij overdrijft en zulke plafonds vastlegt dat het tariferingsbureau en het garantiefonds systematisch moeten tussenkomen, een sanctie mogelijk is. Dat zal gebeuren door een herverdeling op de rug van de verzekeringsmaatschappij die de normale toepassing van de wetgeving verhindert.
De tekst is niet onberispelijk. Problemen kunnen ontstaan door segmentering. Dit kon niet worden geregeld in dit ontwerp.
Het hele systeem van de verzekeringsmaatschappijen moet misschien worden geanalyseerd. Ik herhaal dat ik er geen bezwaar tegen heb om in de komende maanden hier een aantal vertegenwoordigers van verzekeringsmaatschappijen uit te nodigen om ons over de segmentering te spreken. Die is de oorzaak van de moeilijkheden, niet enkel ten aanzien van jongeren en ouderen, maar ook tegenover anderen.
Men moet nadenken over die segmentering. Als ze op de spits wordt gedreven, kan ze problemen veroorzaken.
Op dat punt brengt dit ontwerp een verbetering. Er moest een oplossing worden gevonden voor de niet-verzekerde personen. Het tariferingsbureau kan nu tussenkomen. Er moet echter nog worden nagedacht over de bevolkingscategorieën die het voorwerp zijn van de blinde toepassing van de actuariële systemen en de segmentatie.
De andere wijziging is terecht. In het begin wilden we een opzegging van drie maanden, behalve bij zware fout. De Kamer beoogde één maand, maar gaf de verzekeringsmaatschappijen te veel mogelijkheden. De uiteindelijk door de Kamer goedgekeurde tekst overtuigt me. Hij voert nu een termijn van drie maanden in. Die wordt teruggebracht tot één maand wanneer er een mogelijkheid op bedrog vanwege de verzekerde bestaat, met indiening van een klacht bij de onderzoeksrechter. Een verzekeringsmaatschappij die er niet zeker van is dat een verzekerde bedrog heeft willen plegen, zal dus twee keer nadenken. Bij vrijspraak of buitenvervolgingstelling zal de maatschappij schadevergoeding moeten betalen. Er werd dus tegemoet gekomen aan de kritiek op de oorspronkelijke houding van de Kamer.
Ik hoop dat de minister snel het geïnformatiseerde systeem in werking zal stellen om de niet-verzekering te bestrijden. We hebben een begin van oplossing door het tariferingsbureau. We hebben de opzeggingstermijnen verbeterd. Er is een stap vooruit gezet, zelfs al is niet alles perfect. In de komende maanden moet de volledige problematiek worden bekeken. Met dit voorstel werd ook een debat op gang gebracht dat nog zal worden uitgediept.
De heer René Thissen (CDH). - Het cdH vindt dit ontwerp een beperkte stap vooruit in de problematiek van de verzekering van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van bestuurders. We noteren dat dit ontwerp zal worden gevolgd door een debat over de verzekeringsproblematiek in het algemeen.
Wij steunen dit ontwerp omdat een aantal mensen die zich niet meer konden verzekeren, dit nu wel zullen kunnen doen. Ikzelf verkoos een oplossing via een verhoging van de franchises. Dat zou een pervers effect, dat zonder oplossing is gebleven, namelijk de dure premies, voorkomen. Zelfs als nu het bedrag wordt begrensd, zal een aantal personen zich in de praktijk nog steeds niet verzekeren omdat de premie te duur is. De terechte doelstellingen van het ontwerp zouden beter door een hogere franchise, met name voor jongeren, en behoud van de premies zijn bereikt. Ik ben blij dat een systeem op poten wordt gezet om alle rondrijdende niet-verzekerden op te sporen. Men spreekt over 10%. Ik hoorde dat het 20% zou zijn. Dat is een enorm risico voor de bevolking. Ja dus aan de solidariteit, maar er moet een systeem worden gevonden waarin de verantwoordelijkheid van mensen reëel is. Franchises lijken me in die richting te gaan.
Wij kunnen instemmen met de amendementen van mevrouw Thijs die preciseringen en verbeteringen aanbrengen. Ze maken echter weinig kans. Wij zullen het ontwerp evenwel steunen omdat het in de goede richting gaat.
(Voorzitter: de heer Armand De Decker.)
De heer Charles Picqué, minister van Economie en Wetenschappelijk Onderzoek, belast met het Grootstedenbeleid. - Ik verwijs naar de antwoorden die ik eerder gaf. Natuurlijk was ik gevoelig voor het probleem van de jonge bestuurders en daarom heb ik een amendement ingediend, dat de mogelijkheid biedt de drempels te moduleren volgens verschillende criteria, onder andere de leeftijd. Zo heb ik geprobeerd te komen tot een evenwichtig ontwerp.
Voor wat de betalingstermijnen betreft, kan ik mevrouw Thijs meedelen dat in de Kamer een ontwerp werd ingediend om de betaling te versnellen. Dat is een manier om het probleem van de termijnen op te lossen.
-De algemene bespreking is gesloten.
(De tekst aangenomen door de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden is dezelfde als de tekst van het door de Kamer van volksvertegenwoordigers overgezonden ontwerp. Zie stuk Kamer 50-1079/16.)
De voorzitter. - Artikel 2 luidt:
In de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen wordt een hoofdstuk II bis ingevoegd, luidende:
"Hoofdstuk IIbis. - Tariferingsbureau
Art. 9bis. - §1. Binnen het Gemeenschappelijk Waarborgfonds bedoeld in artikel 79, §2, van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen wordt een tariferingsbureau opgericht dat tot taak heeft vast te stellen tegen welke premie en onder welke voorwaarden een verzekeringsonderneming een persoon moet dekken die gehouden is tot de verplichting bedoeld in artikel 2 en die zich bevindt in de voorwaarden bepaald door of krachtens dit hoofdstuk.
§2. Het bureau bestaat uit vier leden die de verzekeringsondernemingen vertegenwoordigen en vier leden die de verbruikers vertegenwoordigen, benoemd door de Koning voor een termijn van zes jaar. Deze leden worden gekozen op twee dubbele lijsten respectievelijk voorgedragen door de beroepsorganisaties van verzekeringsondernemingen en door de verenigingen ter verdediging van de consumentenbelangen.
De Koning wijst voor elk lid eveneens een plaatsvervanger aan. De plaatsvervangende leden worden op dezelfde manier gekozen als de leden.
De Koning benoemt voor een termijn van zes jaar een voorzitter die niet tot de voorgaande categorieën behoort.
Het bureau kan zich experts toevoegen die geen stemrecht hebben.
De minister bevoegd voor Economische Zaken kan een waarnemer bij het bureau afvaardigen.
§3. Het Gemeenschappelijk Waarborgfonds zorgt voor het secretariaat en het dagelijks bestuur van het Tariferingsbureau.
Het Tariferingsbureau bepaalt zijn huishoudelijk reglement en legt het ter goedkeuring voor aan de minister bevoegd voor Economische Zaken.
Art. 9ter. - §1. Iedere persoon, onderworpen aan de verplichting van artikel 2, kan bij het Tariferingsbureau een aanvraag indienen, als ten minste drie verzekeringsondernemingen waartoe de persoon zich heeft gewend, geweigerd hebben hem een dekking toe te staan.
§2. Het voorstel van een premie die hoger is dan de door de Koning bepaalde drempel, wordt met een weigering gelijkgesteld.
Deze drempel wordt vastgesteld door de laagste premie van het tarief van de verzekeringsonderneming, voor een motorijtuig dat identiek is aan datgene wat het voorwerp uitmaakt van de aanvraag tot dekking, te vermenigvuldigen met 5. Deze coëfficiënt kan gewijzigd worden door de Koning zonder dat hij lager mag zijn dan 4.
§3. Een vrijstelling die hoger is dan de door de Koning bepaalde drempel wordt met een weigering gelijkgesteld.
Deze drempel wordt vastgesteld door de laagste premie van het tarief van de verzekeringsonderneming, voor een motorrijtuig dat identiek is aan datgene wat het voorwerp uitmaakt van de aanvraag tot dekking, te vermenigvuldigen met 3. Deze coëfficiënt kan gewijzigd worden door de Koning zonder dat hij lager mag zijn dan 2,5.
§4. De Koning kan de coëfficiënten bedoeld in de §§2 en 3 onderverdelen, meer bepaald in functie van de leeftijd, het aantal jaren dat men over een rijbewijs beschikt en de statistieken van de bestuurder inzake ongevallen.
§5. De verzekeringsonderneming moet de kandidaat-verzekeringnemer informeren over het feit dat hij zich in één van de gevallen bevindt als bedoeld in de §§2 en 3.
Art. 9quater. - §1. Het verzoek moet bij het Tariferingsbureau worden ingediend binnen de twee maanden na de weigering of het tariferingsvoorstel bedoeld in artikel 9ter. Het is niet ontvankelijk wanneer de verzoeker in de negen maanden voorafgaande aan deze weigering of dit voorstel voor hetzelfde risico een aanbod van het Tariferingsbureau heeft ontvangen.
§2. Het Tariferingsbureau bepaalt de premie rekening houdend met het risico dat de verzekeringnemer vertoont en met de omslag over alle verzekerden. Het kan voorwaarden opleggen ter beperking van het risico dat de verzekeringnemer vertoont.
§3. Het Tariferingsbureau doet een tariferingsvoorstel binnen de maand na de ontvangst van het verzoek en van de inlichtingen die nodig zijn om het tarief vast te stellen. Het voorstel wordt binnen acht dagen ter kennis gebracht van de verzoeker. Het is een maand geldig te rekenen vanaf de uitgifte.
Art. 9quinquies. - §1. Het Tariferingsbureau vertrouwt het beheer van de door hem getarifeerde risico's toe aan een of meer verzekeringsondernemingen die lid zijn van het Gemeenschappelijk Waarborgfonds dat is ingesteld door artikel 79, §2, van de voornoemde wet van 9 juli 1975.
§2. Het resultaat van het schadegevallenbeheer betreffende de door het Tariferingsbureau getarifeerde risico's wordt opgenomen in de rekening van het Fonds.
§3. De Koning kan regels bepalen om dit resultaat te verdelen over de verzekeringsondernemingen die lid zijn van het fonds."
Op dit artikel heeft mevrouw Thijs amendement 9 ingediend (zie stuk 2-427/8) dat luidt:
In het voorgestelde artikel 9ter een §3bis invoegen, luidende:
"§3bis. Het voorstel van een premie waarin de parameter leeftijd tot een verhoging van de premie met meer dan 25% leidt, wordt gelijkgesteld met een weigering."
Op hetzelfde artikel heeft mevrouw Thijs amendement 10 ingediend (zie stuk 2-427/8) dat luidt:
In het voorgestelde artikel 9quater een tweede lid toevoegen aan §2, luidende:
"In de gevallen bedoeld in artikel 9ter, §3bis, bepaalt het Tariferingsbureau de premie rekening houdend met het risico dat de verzekeringsnemer vertoont en met een bijzondere dotatie ten laste van de Schatkist te bepalen door de Koning."
-De stemming over de amendementen wordt aangehouden.
-De aangehouden stemmingen en de stemming over het wetsontwerp in zijn geheel hebben later plaats.
De voorzitter. - De heer Monfils heeft het woord gevraagd over de inoverwegingneming van het voorstel van resolutie over het culturele erfgoed van Famagusta (van mevrouw Fatma Pehlivan c.s.; Stuk 2-1174/1).
De heer Philippe Monfils (MR). - Ik wil aantonen dat, in tegenstelling tot wat de ondertekenaars denken, deze resolutie niet tot doel heeft het culturele erfgoed van Famagusta te vrijwaren, dat overigens al gedeeltelijk vernield is door het bezettingsleger, maar te ijveren voor een feitelijke erkenning van de zogenaamde Turkse republiek Noord-Cyprus.
De operatie werd bijzonder goed voorbereid. Twee dagen voor de inoverwegingneming stond op de voorpagina van de Turkse krant Sabah, naast de foto van onze collega Pehlivan, te lezen dat een `Turkse senator een doorbraak had bereikt'. Voor het eerst zou een land van de Europese Unie de Turkse republiek van Noord-Cyprus erkennen. De desbetreffende resolutie, zo schreef de krant nog, werd in amper vijf minuten eenparig door de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen van de Senaat aangenomen. Volgens de `Turkse' senator zou de stemming in de plenaire vergadering geen problemen opleveren.
Ik vind dit onaanvaardbaar. Bovendien liet het artikel uitschijnen dat de zogenaamde officiële erkenning van de Noord-Cypriotische gemeenschap de weg effende voor deelname van de republiek aan alle culturele programma's van de Europese Unie en van de internationale organisaties.
Niet alleen zijn dit onwaarheden, maar bovendien wordt hiermee het imago van België geschaad. Er wordt immers gesuggereerd dat ons land zich distantieert van de internationale gemeenschap.
We zullen dus alles doen opdat deze resolutie wordt verworpen of gewijzigd. Ook al wordt ze ongewijzigd aangenomen, dan nog betekent dit helemaal niet dat het bezettingsregime van de heer Denktash wordt erkend.
Mevrouw Pehlivan, het is volstrekt onaanvaardbaar dat u de Turkse journalisten heeft voorgespiegeld dat deze resolutie de deur opende voor erkenning. We zullen ons tegen deze resolutie verzetten. U wist dat, indien u vooraf de mening van de MR-fractie over deze resolutie had gevraagd, we een aantal opmerkingen zouden formuleren. Dan had ik u kunnen zeggen dat ik zelf al lang geleden aan de UNESCO gevraagd heb om zich met de zaak te bemoeien. Het antwoord was toen dat dit niet mogelijk was omdat de republiek Noord-Cyprus niet erkend was.
Ik vind dat u te ver gegaan bent in het interview met de Turkse krant. Ik heb aan de minister van Buitenlandse Zaken gevraagd een nota te sturen aan alle diplomatieke posten en betrokken organisaties waarin duidelijk wordt gesteld dat er geen sprake is van enige erkenning van de Republiek Noord-Cyprus. Voor de rest moet u in eer en geweten maar eens afwegen of deze handelwijze te rijmen valt met de deontologie.
De voorzitter. - Verzet u zich tegen de inoverwegingneming?
De heer Philippe Monfils (MR). - Ik denk dat dit niet nodig is. Ik betreur deze laakbare manier van doen. We zullen dit uitvechten in de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen. Er is over deze resolutie in de commissie immers nog niets gezegd, in tegenstelling tot wat mevrouw Pehlivan de Turkse journalisten wil laten geloven.
Mevrouw Fatma Pehlivan (SP.A) (Persoonlijk feit). - Het is schandalig dat de heer Monfils me beschuldigt. Ik ben niet verantwoordelijk voor het bewuste krantenartikel. Uit wat de heer Monfils hier zegt, leid ik af dat hij Turks begrijpt. Hij zou trouwens het best contact opnemen met de journalist. Toen ik de Turkse pers mijn persmededeling doorgaf, heb ik heel duidelijk gemaakt dat ik een voorstel van resolutie had ingediend. Ik heb ook de datum van indiening vermeld en de namen van de collega's die de resolutie steunden. Ik zie niet in waar het deontologisch probleem ligt. Ik weet echter wel van waar de wind komt.
De heer Philippe Monfils (MR). - Deze zijn uw verklaringen, mevrouw.
Mevrouw Fatma Pehlivan (SP.A). - Ik heb geen controle over wat journalisten schrijven. Het voorstel van resolutie wordt vandaag in overweging genomen en de inhoudelijke discussie zal in de commissie plaatsvinden. Dat heb ik ook heel duidelijk aan de pers gezegd. U kunt dat navragen, want de journalist in kwestie heeft achteraf toegegeven dat hij in zijn artikel heeft overdreven. Ik wil hem zelfs naar de commissie uitnodigen om dat te bevestigen.
De heer Philippe Monfils (MR). - Ik begrijp geen Turks, maar iemand heeft me de vertaling bezorgd.
De voorzitter. - Ik zal de vertaling vragen. Het incident is gesloten.
(Uitroepen en protest)
Niemand heeft gevraagd om het voorstel van resolutie niet in overweging te nemen. Mevrouw Pehlivan heeft zich verdedigd...
(Protest)
De heer Monfils hield zijn uiteenzetting in het kader van de inoverwegingneming. Ik ging er dus vanuit dat hij zou vragen te stemmen tegen de inoverwegingneming.
De heer Louis Tobback (SP.A). - In deze discussie over de inoverwegingneming stel ik vast dat de heer Monfils niet eens spreekt over de inoverwegingneming van het voorstel van resolutie. Ik moet dus vaststellen dat hij zichzelf enkel de kans wilde geven een nummertje op te voeren en de Griekse ambassade te laten weten dat hij aan hun kant staat. Van deontologie gesproken!
De voorzitter. - Ik was ervan overtuigd dat de heer Monfils het woord gevraagd had om zich te verzetten tegen de inoverwegingneming. Ik heb, net zoals u, pas tijdens zijn betoog vernomen dat dit niet zo was. Ik kon niet vermoeden wat hij zou zeggen.
Ik kon niets anders doen, mijnheer Tobback.
De heer Philippe Moureaux (PS). - Ik stel voor dat de Senaat aan de heer Monfils een evzonenkostuum schenkt!
De heer Louis Tobback (SP.A). - De heer Monfils verzet zich geenszins tegen de inoverwegingneming.
De heer Philippe Monfils (MR). - De evzonen vindt men in Griekenland. We hebben het nu over de republiek Cyprus.
De heer Louis Tobback (SP.A). - Ik ben het eens met het voorstel van collega Moureaux: laten we hem een evzonenkostuum geven!
(De lijst van de in overweging genomen voorstellen wordt in de bijlage opgenomen.)
(De naamlijsten worden in de bijlage opgenomen.)
Stemming 1
Aanwezig: 58
Voor: 51
Tegen: 0
Onthoudingen: 7
-Het wetsontwerp is ongewijzigd aangenomen. Bijgevolg wordt de Senaat geacht te hebben beslist het niet te amenderen.
-Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden met het oog op de bekrachtiging door de Koning.
Stemming 2
Aanwezig: 59
Voor: 59
Tegen: 0
Onthoudingen: 0
-Het wetsontwerp is aangenomen.
-Het zal aan de Koning ter bekrachtiging worden voorgelegd.
-Voor dit wetsontwerp wordt de uitslag van stemming 2 aanvaard.
-Het wetsontwerp is aangenomen.
-Het zal aan de Koning ter bekrachtiging worden voorgelegd.
Stemming 3
Aanwezig: 59
Voor: 41
Tegen: 0
Onthoudingen: 18
-Het wetsontwerp is ongewijzigd aangenomen. Bijgevolg wordt de Senaat geacht te hebben beslist het niet te amenderen.
-Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden met het oog op de bekrachtiging door de Koning.
De voorzitter. - We stemmen eerst over amendement 9 van mevrouw Thijs.
Stemming 4
Aanwezig: 59
Voor: 18
Tegen: 40
Onthoudingen: 1
-Het amendement is niet aangenomen.
De heer Luc Van den Brande (CD&V). - Ik heb een stemafspraak met mevrouw Kestelijn-Sierens.
-Dezelfde stemuitslag wordt aanvaard voor amendement 10 van mevrouw Thijs. Het amendement is dus niet aangenomen.
De voorzitter. - We stemmen nu over het wetsontwerp in zijn geheel.
Stemming 5
Aanwezig: 59
Voor: 44
Tegen: 0
Onthoudingen: 15
-Het wetsontwerp is ongewijzigd aangenomen. Bijgevolg wordt de Senaat geacht te hebben beslist in te stemmen met het wetsontwerp.
-Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden met het oog op de bekrachtiging door de Koning.
Stemming 6
Aanwezig: 59
Voor: 59
Tegen: 0
Onthoudingen: 0
-Het voorstel van resolutie is aangenomen.
-Het zal aan de eerste minister, aan de minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu en aan de minister van Sociale Zaken worden meegedeeld.
De voorzitter. - Het Bureau stelt voor volgende week deze agenda voor:
Donderdag 6 juni 2002 om 15 uur
Inoverwegingneming van voorstellen.
Mondelinge vragen.
Wetsvoorstel tot wijziging van de wet van 9 april 1930 tot bescherming van de maatschappij tegen abnormalen, gewoontemisdadigers en plegers van bepaalde seksuele strafbare feiten (van mevrouw Clotilde Nyssens); Stuk 2-653/1 tot 7.
De strijd tegen de kinderpornografie vanuit het oogpunt van de politiepraktijk; Stuk 2-1040/1.
Vanaf 17.30 uur: Naamstemmingen over de afgehandelde agendapunten in hun geheel.
Vragen om uitleg:
-De Senaat is het eens met deze regeling van de werkzaamheden.
Mevrouw Sfia Bouarfa (PS). - Op vrijdag 26 april 2002 hebben de Brusselse jeugdrechters op een informatievergadering de alarmklok geluid. Ze willen de parlementsleden wijzen op de problemen waarmee ze worden geconfronteerd. Ik wil hier vandaag enkele van hun eisen naar voren brengen.
Volgens jeugdrechter Jacques Boucquey behandelt elke jeugdrechter constant 500 à 600 dossiers, waarvan 300 nieuwe dossiers per jaar.
(Voorzitter: de heer Jean-Marie Happart, ondervoorzitter.)
De jeugdrechtbank van Brussel telt slechts 13 magistraten, wat uiteraard veel te weinig is. De middelen zijn te beperkt om een correcte en stipte behandeling van de dossiers te verzekeren. Dat is nochtans in het belang van alle betrokkenen, daders en slachtoffers, minderjarigen die in gevaar zijn en ouders met problemen.
Uit een recente evaluatie, waartoe u de opdracht had gegeven, bleek overigens dat er nood was aan minstens 19 jeugdrechters.
Moet ik eraan herinneren dat de bevoegdheden en de plichten van de jeugdrechters de jongste jaren voortdurend zijn toegenomen? Ik wijs in dat verband op de regels inzake de verschijning en het horen van minderjarigen, op de toekenning van de nieuwe burgerlijke bevoegdheden inzake de ouderlijke macht en de huisvesting van kinderen van gescheiden ouders.
Waarom is de personeelsformatie nog altijd niet aangevuld? Welke initiatieven overweegt u op dit vlak?
Mevrouw Clotilde Nyssens (CDH). - Ik sluit mij aan bij de uiteenzetting van mevrouw Bouarfa.
Ik heb de zitting van de jeugdrechters bijgewoond, waarop ze ons een bezwaarschrift hebben overhandigd. We zijn ons ervan bewust dat ze in moeilijke omstandigheden werken.
Ik was van heel wat punten onder de indruk. Het eerste betreft de personeelsformatie: hoever staat het daarmee?
Voorts is er het aanhoudende probleem van de vernieuwing van mandaten. De rechters beweren dat ze na een periode van detachering ter toepassing van het fameuze artikel van het Gerechtelijk Wetboek dat in een detachering van drie jaar voorziet, een deel van hun wedde verliezen wanneer opnieuw benoemd worden. Dat probleem blijkt niet te zijn opgelost.
Een derde vraag die op deze vergadering werd gesteld, betrof de gemeenschapsdienst. De Brusselse jeugdrechters leggen zulke dienst op als onderzoeksmaatregel voordat het vonnis over de schuld van de jongere is uitgesproken. In beroep wordt deze rechtspraak altijd nietig verklaard omdat er nog geen beslissing ten gronde is uitgesproken, maar de rechtspraak wijkt af van die van de andere arrondissementen.
In andere arrondissementen wordt de beslissing niet vernietigd door het Hof van Beroep.
Een omzendbrief of een wetgevend initiatief moet de rechtspraak van de jeugdrechters in ons land eenvormig maken.
Het opleggen van een gemeenschapsdienst vooraleer het vonnis is uitgesproken, strookt niet met onze principes omdat er reeds van bij het begin een uitspraak wordt gedaan over de schuld van de jongere. Men moet het erover eens worden of het opleggen van een gemeenschapsdienst als een onderzoeksmaatregel kan worden beschouwd.
De heer Marc Verwilghen, minister van Justitie. - Op dit ogenblik telt de rechtbank van eerste aanleg van Brussel 13 jeugdrechters. De personeelsformatie is dus volledig.
Bij de opstelling van de begroting 2003 werd een begrotingsfiche opgesteld over de jeugdcriminaliteit om de wedden van de jeugdrechters aan te passen en het aantal mandaten van jeugdrechters te verhogen tot 22.
Daarnaast moeten er negen toegevoegde rechters worden benoemd.
Ik ben mij bewust van de moeilijkheden bij de Brusselse jeugdrechtbank, maar ik heb mij nooit verzet tegen de aanwijzing van toegevoegde rechters.
Op verzoek van de Brusselse overheid heb ik overigens ingestemd met de benoeming van twee bijkomende jeugdrechters in Brussel, een Franstalige en een Nederlandstalige.
Ik heb deze vergadering er reeds op gewezen dat de aanwijzing van jeugdrechters moet gebeuren door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg van Brussel. De minister van Justitie kan geen benoemingen opleggen.
De voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg van Brussel heeft verklaard dat hij daartoe een verzoek zal indienen. Het spreekt vanzelf dat ik het zal inwilligen als dat nodig blijkt.
Ten slotte behoort de gemeenschapdienst tot de bevoegdheid van het Hof van Cassatie. We proberen dit systeem in te voeren door een aanpassing van het jeugdrecht. De jeugdrechters kunnen, zelfs in de voorlopige fase, een beroep doen op deze mogelijkheid zodra de minderjarige twaalf jaar oud is.
Mevrouw Sfia Bouarfa (PS). - Als ik het goed heb begrepen moet de magistraat van de rechtbank van eerste aanleg een verzoek indienen om extra jeugdrechters te benoemen.
Ik kan dat moeilijk begrijpen. De magistraten klagen over het gebrek aan jeugdrechters, maar ze doen niets om dat te verhelpen.
De heer Marc Verwilghen, minister van Justitie. - Dat is de wet, mevrouw Bouarfa. Kamer en Senaat beslissen daarover.
-Het incident is gesloten.
De heer Jan Remans (VLD). - De Europese richtlijn schadeverzekeringen van 18 juni 1992 legt de vrijheid van tarieven op. Als gevolg van deze richtlijn werd inmiddels de bonus-malus afgeschaft.
Nochtans is de vrijheid van tarieven door de wetgever nog niet volledig gerealiseerd. Het ministerieel besluit van 20 april 1993 houdende bijzondere bepalingen inzake prijzen werd genomen in uitvoering van de prijzenwet van 22 januari 1945. Het prijscontrolestelsel werd toen onder uitzonderlijke omstandigheden, na de Tweede Wereldoorlog, ingevoerd. Het werd later een instrument om de inflatie te bestrijden.
Het ministerieel besluit van 20 april 1993 liberaliseert de prijzenwet en maakt een groot aantal opheffingen mogelijk. Toch blijft ten gevolge van dat ministerieel besluit de strakke prijscontrole bestaan voor een aantal verplichte verzekeringen, waaronder de autoverzekering. De Europese richtlijn van 1992 was op dat ogenblik reeds van kracht.
Die richtlijn bepaalt in de artikelen 29, 3e en 39, 3e dat een lidstaat de voorgaande kennisgeving of goedkeuring van voorgestelde tariefverhogingen alleen als onderdeel van een algemeen prijscontrolestelsel kan handhaven. In ons land is er geen algemeen prijscontrolestelsel meer, aangezien het ministerieel besluit van 20 april 1993 de prijzenwet liberaliseerde en de inflatie onder controle is. Toch zegt de minister van Economie dat de afschaffing van de prijscontrole bij autoverzekeringen niet aan de orde is, zonder te motiveren waarom dit gehandhaafd blijft als onderdeel van een algemeen prijscontrolestelsel.
De Belgische Staat loopt het risico dat de kwestie aanhangig wordt gemaakt voor het Europees Hof van Justitie, nu de nationale overheid haar wetgeving niet in overeenstemming brengt met de Europese richtlijn. Het ministerieel besluit van 1993 is immers van een lagere rechtsorde en is strijdig met de Europese richtlijn.
Bovendien legt de wet van 30 maart 1976 een indexeringsverbod op, zodat de premies zelfs niet steeds kunnen worden geïndexeerd. Toch stijgen de prijzen voor het herstel van de schade aan auto's. Verder verhogen de magistraten de forfaitaire bedragen maar even met 25 procent. Ik verwijs naar de dagvergoeding voor morele schade die in 1996 600 frank, in 1998 800 frank en in 2001 liefst 1000 frank bedroeg.
Het kwaad van onverzekerd rondrijden wordt best aan de wortel aangepakt. Dit vereist een gezond evenwicht tussen schade-uitkeringen en premieontvangsten. De rendabiliteit komt echter in het gedrang omdat er een onevenwicht ontstaat. Er bestaat een kans dat de privé-ondernemingen die niet meer rendabel zijn in de tak auto, in de toekomst het risico `autoverzekeringen' zullen afstoten.
In ons land bestaat er een oververgoeding van kleine letseldossiers. Dat geldt zowel voor blikschade als voor lichamelijke schade, voor forfaitaire dagbedragen van morele schade als voor economisch verlies in huishouden en dergelijke. Dit bevordert het genezingsproces van de patiënten zeker niet. Er zijn slachtoffers die na een ongeval een groter inkomen uit de vergoeding voor lichamelijke schade verwerven dan ze tevoren met werken verdienden.
Het is interessant aan rechtsvergelijking te doen. In Nederland is het vergoedingssysteem bij wet geregeld. Er wordt bijvoorbeeld geen morele schade betaald.
Is het ministerieel besluit van 20 april 1993, dat van een lagere rechtsorde is, niet strijdig met de Europese richtlijn schadeverzekeringen van 18 juni 1992?
Waarom bestaat er nog steeds een indexeringsverbod op de premies in de tak auto? Het indexeringsverbod werd vastgelegd bij wet van 30 maart 1976 houdende economische herstelmaatregelen. Meer dan 25 jaar later is het nog steeds van toepassing, alhoewel er op het ogenblik geen sprake is van economische herstelmaatregelen. De inflatie is in ons land op het gewenste niveau. Premies indexeren wil zeggen ze aanpassen aan de inflatie, wat van belang is omwille van de kostprijsstijging van het herstel van de schade aan auto's.
Waarom laat de wetgever wat de letselschade naar gemeen recht betreft toe dat de forfaitaire bedragen in de indicatieve tabel tweejaarlijks worden herzien door het Nationaal Verbond van magistraten, waarbij de verhoging telkens meer bedraagt dan een zuivere indexatie? Wat is de impact hiervan op onze economie?
De indicatieve tabel die ook over lichamelijke letsels gaat, wordt, hoewel ze geen wet is, bijna als wet beschouwd. Eigent de rechterlijke macht zich niet te veel macht toe in een domein dat tot de bevoegdheid van de wetgever behoort? Waarom neemt de minister geen initiatief terzake waarbij tegelijkertijd aspecten en gevolgen beter kunnen worden ingeschat dan door de magistraten, en waarbij tevens rekening wordt gehouden met de doelstellingen op Europees vlak ter harmonisering van de vergoedingsstelsels?
De heer Charles Picqué, minister van Economie en Wetenschappelijk Onderzoek, belast met het Grootstedenbeleid. - Ik zal het eerst en vooral hebben over het probleem van de prijscontrole. Er zijn twee procedures bij prijsverhogingen: de procedure betreffende de toestemming tot prijsverhoging en die betreffende de kennisgeving van de prijsverhoging.
De procedure betreffende de toestemming tot tariefverhoging heeft betrekking op de verplichte verzekeringen van massarisico's. De verzekeraar kan de verhoging toepassen die hij wil; maar hij moet de verhoging vooraf rechtvaardigen. Daartoe kan hij de elementen gebruiken die hij relevant acht. Het is dus niet de bedoeling een maximumprijs op te leggen, zoals bijvoorbeeld voor de broodprijs. Als de verhoging gerechtvaardigd is, kan de minister van Economie ze niet weigeren.
De procedure betreffende de kennisgeving van de prijsverhoging heeft betrekking op alle andere verzekeringen, zowel de verplichte als de niet-verplichte verzekeringen voor grote risico's. De verzekeraar kan de verhoging toepassen die hij wenst, maar moet dat eerst meedelen aan de minister van Economie. De minister kan de verhoging niet weigeren.
Er is dus wel degelijk een veralgemeende prijscontrole. Bij een prijsverhoging moet immers voor alle verzekeringsproducten ofwel de toestemmingsprocedure ofwel de kennisgevingsprocedure worden gevolgd.
Bovendien zijn deze procedures van toepassing op alle verkoopsprijzen in België. Vele mensen weten dat niet. De enige voorwaarde is dat de omzet van de onderneming hoger ligt dan 300 miljoen frank of 7,44 miljoen euro. De Belgische reglementering is dus conform de Europese richtlijnen. De Europese Commissie is overigens op de hoogte van het Belgisch recht. In 1976 werd de indexering van verzekeringscontracten verboden. In beperkte gevallen is een indexering echter mogelijk. Ze is dan aan twee voorwaarden verbonden. Ze mag maar betrekking hebben op 80% van de eindprijs van het product, in dit geval de verzekeringspremie, en ze moet gebaseerd zijn op objectieve parameters.
De minister van Economie kan afwijkingen per sector toekennen. De indexering van de autoverzekeringspremies werd tot op heden om verscheidene redenen geweigerd. Sinds 1992 bedraagt de duur van de contracten één jaar. De verzekeraar kan dus een contract vervangen door een ander met een hogere premie. Het is bovendien moeilijk om voor elke verzekeringstak een specifieke index te vinden. Het indexcijfer van de consumptieprijzen is geen weerspiegeling van de evolutie van de kosten van de verkeersongevallen. Ten slotte maakte de mededinging van de laatste jaren de indexering nutteloos. In de sector van de autoverzekeringen heeft de vrijheid inzake tarieven de prijzen voor de meeste verzekerden doen dalen.
Mijn administratie bestudeert samen met de verzekeraars een specifieke index voor de autoverzekeringen. Deze index zou niet in de contracten worden gebruikt, maar wel in de procedure van de aanvraag tot prijsverhoging. Concreet is het de bedoeling de toestemmingsprocedure te versnellen wanneer de vraag beantwoordt aan de evolutie van de index. De bijzondere situatie van de onderneming die de aanvraag doet, moet echter worden onderzocht. Deze techniek maakt eveneens een geleidelijke evolutie van de premies van de autoverzekering mogelijk.
Ik ben geen voorstander van een beperking van de schadevergoedingen in de autoverzekering. Dat zou namelijk betekenen dat een persoon die niet aansprakelijk is voor een ongeval en die geen autobestuurder is, bijvoorbeeld een voetganger of een fietser, maar ten dele zou worden vergoed. Dat is moeilijk aanvaardbaar. Een beperking zou eveneens leiden tot een verschillende behandeling van de slachtoffers. De verstandigste en rijkste burgers kunnen zich immers bijkomende verzekeringen veroorloven tegen ongevallen, verlies van inkomen, ziekenhuisopnames, enzovoort.
Ik ben evenmin voorstander van het afschaffen van de vergoeding voor geleden morele schade, want in sommige gevallen is dat de enige mogelijke schadevergoeding. Ik denk bijvoorbeeld aan het verlies van een minderjarig kind. Al deze beperkingen zouden alleen maar de verzekeraars ten goede komen. Ze zullen minder betalen in de aansprakelijkheidsverzekeringen, maar wel meer schadeverzekeringen verkopen, die makkelijker kunnen worden beheerd en dus winstgevender zijn.
Het is juist dat sommige landen zulke beperkingen toepassen, maar op Europees niveau bestaat de tendens om de minimumbedragen voor de schadevergoedingen te verhogen. We kunnen eventueel nadenken over een barema voor niet-economische schade zoals het bestaat voor morele of esthetische schade. Elke magistraat kan van de indicatieve tabel afwijken. We zouden echter een specifieke aanpassingsindex moeten kunnen bepalen. Het indexcijfer van de prijzen is misschien niet representatief voor de schade die men wenst te herstellen.
Ook hierover worden discussies gevoerd op Europees niveau, die we aandachtig volgen. De besprekingen moeten alleszins worden voortgezet. Het is immers niet gemakkelijk een rechtvaardige oplossing voor dit probleem te vinden.
De heer Jan Remans (VLD). - Ik vraag me af of de rechterlijke macht niet te veel bevoegdheden naar zich trekt door zelf de indicatieve tabel op te stellen. Behoort dat niet tot de bevoegdheid van de wetgever? Het verheugt me dat er momenteel besprekingen worden gevoerd om naar verbeteringen te zoeken en een oplossing op Europees niveau uit te werken.
De heer Charles Picqué, minister van Economie en Wetenschappelijk Onderzoek, belast met het Grootstedenbeleid. - Het is niet uitgesloten dat de wetgever een initiatief neemt.
-Het incident is gesloten.
De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - De Belgische regering heeft zich voorgenomen het kaderbesluit omtrent het Europees aanhoudingsmandaat goed te keuren. Ze wil het reeds op 1 januari 2003 implementeren. We hebben weliswaar een beperkt parlementair debat gevoerd over de opties, maar niet over de uitvoeringsbepalingen. Dat is nochtans noodzakelijk om de draagwijdte van het Europees aanhoudingsmandaat te kunnen beoordelen. Het betreft een essentiële materie, die de publieke vrijheden en rechten van de burgers raakt. Dergelijke materie moet daarom in het Parlement aan de orde komen.
In het bestaande strafprocesrecht worden enkele fundamentele veranderingen gerealiseerd. Ik dring erop aan dat het Parlement de gelegenheid krijgt zich over de beginselen en de voorwaarden van het besluit te buigen. De Liga voor de Rechten van de Mens heeft vorige week een vergadering gehouden over de praktische problemen waartoe deze regeling aanleiding geeft, onder meer de schrapping van de dubbele incriminatie voor een aantal misdrijven en de verzoenbaarheid of de strijdigheid van het aanhoudingsmandaat met de door België goedgekeurde en geratificeerde internationale verdragen inzake de uitlevering. Kan het kaderbesluit de bestaande regeling wijzigen zonder wettelijke tussenkomst van het Parlement? Ik wijs er overigens op dat de ratificatie van verdragen tot de essentiële taken van de Senaat behoort. Ze betreffen immers de hogere rechtsnorm, die in beginsel op het nationale recht primeert.
Kan de minister mij bevestigen of het kaderbesluit effectief op 1 januari 2003 zal worden uitgevoerd?
Gelet op de fundamentele veranderingen in ons strafprocesrecht waartoe het kaderbesluit zal leiden, had ik graag van de minister vernomen of het zijn bedoeling is ter zake een wetsontwerp in te dienen.
Zal België de uitzonderlijke regeling voor de politieke misdrijven behouden? Hoe kan dat probleem worden aangepakt in het raam van de Belgische internationale rechtshulp? Voor welke misdrijven die thans in het Belgisch Strafwetboek zijn opgenomen, wordt afstand gedaan van het beginsel van de dubbele incriminatie?
Het Europees aanhoudingsmandaat is een goed initiatief. Mijn vraag tot uitleg heeft enkel tot doel het Parlement zoveel mogelijk bij de besluitvorming te betrekken.
De heer Marc Verwilghen, minister van Justitie. - Door in te stemmen met het Verdrag van Amsterdam heeft het Parlement aanvaard dat de Raad van de Europese Unie kaderbesluiten kan aannemen die bindend zijn voor de lidstaten conform artikel 34, lid 2b. Ik benadruk dat er tijdens de werkzaamheden voortdurend overleg is geweest met het Parlement. Vooraleer ik naar de Europese Raden Justitie en Binnenlandse Zaken ging, is telkens de omvang van de operatie toegelicht.
Er is een politiek akkoord bereikt over het ontwerp kaderbesluit. Op 6 december 2001 was er maar een akkoord tussen 14 van de 15 lidstaten, maar op de Raad van Laken heeft ook Italië zich akkoord verklaard met het ontwerp. De tekst zal officieel worden aangenomen op de Raad van 13 en 14 juni 2002. Het kaderbesluit zal in werking treden op de twintigste dag die volgt op die van de bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen. De lidstaten hebben zich ertoe verbonden dat de uitvoering kan gebeuren tegen 31 december 2003. Het systeem moet in alle lidstaten in werking kunnen treden op 1 januari 2004.
De verhouding tussen het kaderbesluit en de internationale uitleveringsverdragen wordt in het kaderbesluit zelf geregeld. In de betrekkingen tussen de lidstaten zullen de regels van het Europees aanhoudingsbevel in de plaats komen van die bepaald in de uitleveringsverdragen. Het is niet de bedoeling dat de uitleveringsverdragen waarbij lidstaten partij zijn, worden opgeheven. Er moet dan ook geen aanpassing komen aan die verdragen.
Het is inderdaad mijn bedoeling om het voorontwerp dat klaar is, in te dienen zodra het kaderbesluit is aangenomen. De uitzondering voor politieke misdrijven zal niet meer bestaan. Er kan niet langer worden geweigerd een persoon aan een andere lidstaat uit te leveren op grond van een Europees aanhoudingsbevel en wanneer het om een politiek misdrijf zou gaan. Die uitzondering werd echter al opgeheven sinds de ratificatie van de Overeenkomst betreffende de uitlevering tussen de lidstaten van de Europese Unie, van Dublin van 27 september 1996. Artikel 1, derde lid, van het kaderbesluit garandeert dat het kaderbesluit niet tot gevolg kan hebben dat de verplichting tot eerbiediging van de grondrechten en de fundamentele rechtsbeginselen, zoals die zijn omschreven in artikel 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, wordt aangetast.
Artikel 2, tweede lid, van het kaderbesluit somt een lijst van 32 misdrijven op waarvoor het afwezig zijn van een dubbele strafbaarheid geen reden kan zijn om het Europees aanhoudingsbevel niet uit te voeren. De lijst van misdrijven steunt op drie belangrijke teksten: de misdrijven die worden vermeld in het Verdrag van Amsterdam, de misdrijven vermeld in de conclusies van de Raad van Tampere en misdrijven waarvoor Europol bevoegd is. Het zijn misdrijven die door de lidstaten als zeer ernstig worden beschouwd en waarvoor de Raad inspanningen onderneemt om de omschrijving ervan te harmoniseren. De afschaffing van de dubbele strafbaarheid is niet absoluut. Zo kan er nog steeds worden geweigerd om een persoon uit te leveren op basis van een Europees aanhoudingsbevel als het feit dat het voorwerp van het Europees aanhoudingsbevel uitmaakt, niet strafbaar is in België en het misdrijf in België werd gepleegd.
De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Ik dank de minister voor zijn uitgebreid antwoord. Wat de discussie in ons Parlement betreft, heeft de minister gelijk, maar in andere parlementen, zoals die van Nederland en Frankrijk, gelden andere regels. Daar wordt het amenderingsrecht gerespecteerd. Daar wilde ik op wijzen en we zullen daarop terugkomen als het ontwerp wordt ingediend.
De heer Marc Verwilghen, minister van Justitie. - Ik ben geen tegenstander van een eventueel wetgevend initiatief op dat vlak.
De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - We zullen dat later opnieuw bekijken.
-Het incident is gesloten.
Mevrouw Nathalie de T' Serclaes (MR). - Het kernkabinet heeft onlangs overeenstemming bereikt over drie wetsontwerpen - die nog niet klaar zijn - betreffende een gedeeltelijke wijziging van de wet van 1965 op de jeugdbescherming. Het debat daarover wordt al gevoerd sinds het begin van de jaren negentig. De toenmalige minister richtte de zogenaamde commissie-Cornelis op. Die moest nadenken over de uitwerking van een nieuw jeugdrecht dat meer beantwoordde aan de evolutie van de jongerenmaatschappij, zonder daarbij de noodzakelijke aanpassing aan de internationale teksten op dat vlak uit het oog te verliezen.
Het ontwerp dat werd onderzocht, beoogde de uitwerking van een echt jeugdrecht dat bovendien rekening houdt met de institutionele evolutie in ons land en met de decreten van de gemeenschappen en de gewesten. In het verslag-Cornelis werd reeds duidelijk de vraag gesteld: "Van beschermingsrecht naar sanctierecht?" Daarin werd de idee verdedigd van een specifiek recht voor jongeren die een als misdrijf omschreven feit hebben begaan waarbij de vermaning duidelijk in een educatief perspectief zou worden geplaatst.
Later werd, onder meer door professor Lode Walgrave, een dimensie herstel ten opzichte van het slachtoffer toegevoegd om de jongere die een delict heeft begaan, meer verantwoordelijkheidszin bij te brengen. Die benadering wordt bestempeld als het educatief sanctionerend en herstellend model. Een hervorming in die zin wordt volgens de meeste betrokkenen almaar dringender.
Het is inmiddels duidelijk dat een jongere die een strafbaar feit heeft gepleegd, nood heeft aan duidelijkheid omtrent de rechtvaardiging van de beslissing die hem wordt opgelegd. Voorts vertoont het huidige systeem een gebrek aan coherentie ten gevolge van de wetswijzigingen. Ten slotte moet de wet van 1965 gewijzigd worden om rekening te houden met de evolutie van de jongerendelinquentie.
De gewelddadigheid van de gepleegde feiten neemt toe en de daders zijn steeds jonger. Gelukkig blijft dat soort daden in de minderheid. Er moet een oplossing komen voor het maatschappelijk gevoel van straffeloosheid ten aanzien van die delinquente jongeren.
Jonge delinquenten en hun ouders moet meer verantwoordelijkheidsgevoel worden bijgebracht. De slachtoffers moeten echt een plaats krijgen en de schade aan personen en aan de maatschappij moet kunnen worden hersteld. Minderjarigen moeten juridische waarborgen krijgen. Ten slotte moet de delinquente minderjarige, die een volwassene in wording is, op gepaste wijze worden behandeld en in een educatief project worden ingeschakeld.
Hoe staat het met deze hervorming in het kernkabinet? Het blijkt dat uiteindelijk drie wetsontwerpen zullen worden ingediend in plaats van één. Betekent dit dat de minister afstapt van het ontwerp dat sinds jaren wordt voorbereid en dat er nu slechts een bescheiden aanpassing van de wet van 1965 wordt voorgesteld in plaats van een echte hervorming van het jeugdrecht zoals in de opeenvolgende studies werd aanbevolen?
Ik heb de volgende vragen:
1.Wat gebeurt er met de bepalingen uit het voorontwerp over de juridische garanties voor jongeren in de procedures, meer bepaald in verband met onze internationale verplichtingen op dat vlak?
2.Het voorontwerp voorzag in een differentiatie tussen de rechter die voorlopige maatregelen neemt en de feitenrechter. Blijft dat behouden?
3.Ook de rol en de verantwoordelijkheidszin van de ouders is een essentieel onderdeel van een beleid voor jongeren die een als misdrijf omschreven feit hebben begaan. Wat staat daarover in het akkoord? Hoe zullen de ouders betrokken worden bij behandeling van de zaak van hun kind en welke plaats zullen ze krijgen in de maatregelen die kunnen worden genomen ten gevolge van een delict dat hun kind heeft begaan?
4.We moeten ervoor zoren dat het beleid coherent is op institutioneel vlak, rekening houdend met de verdeling van de bevoegdheden tussen de federale regering en de gemeenschappen. Er moet tot elke prijs worden vermeden dat jongeren verschillend worden behandeld al naargelang ze onder federale of communautaire bevoegdheid vallen. Wat staat hierover in het akkoord? Door wie en hoe zullen de maatregelen worden genomen ten aanzien van jongeren die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd? Hoe zal de follow-up van de jongeren worden uitgebouwd met het oog op hun reïntegratie in de maatschappij?
Ik kom tot de delicate problematiek van de uithandengeving. De bepalingen uit het voorontwerp dat de minister heeft uitgewerkt, gingen misschien niet ver genoeg, aangezien de uithandengeving werd behouden, maar toch was er plaats voor bijzondere omstandigheden in een jeugdrecht dat beantwoordt aan de internationale bekommernissen terzake.
Door de indiening van de verschillende ontwerpen nemen wij genoegen met het verbeteren van de uithandengeving, maar we geven geen specifieke oplossing voor jongeren die zware feiten hebben gepleegd. Hoewel kritiek kan worden geleverd op bepaalde punten van het ontwerp dat ter studie lag, bevatte dat zeer interessante bepalingen op dat vlak. Dat voorontwerp had de uitwerking van een echt sanctierecht op het oog, dat ook herstellend en educatief was. Het ging dus in de goede richting: die van respect voor de jongeren, zelfs voor degenenen die schuldig zijn aan zware feiten.
De huidige tekst vertoont merkwaardig genoeg minder respect ten aanzien van de jongeren, terwijl voorheen de wil bestond de zorg voor hen op te nemen, zoals in het Internationaal Verdrag voor de kinderrechten wordt gevraagd.
Wij zullen de drie bedoelde ontwerpen nog kunnen bestuderen, maar ik denk dat wij een kans laten voorbijgaan om vooruitgang te boeken op de weg naar een echt jongerenrecht, waarin respect voor hen wordt betoond.
De opsplitsing van de ontwerpen mogen sommigen dan al positief vinden, ik ben er niet van overtuigd dat ze een vooruitgang zal zijn voor de jongeren. De problematiek van de uithandengeving toont volgens mij aan welke richting de aanpak dreigt uit te gaan. Ik ondervind op het terrein wat uithandengeving, het `in de steek laten', betekent.
Het komt er in zekere zin op neer dat zij worden overgelaten aan het volwassenenrecht. Ik denk niet dat dit de goede weg is. Ik denk dat we op die manier terugkeren naar de discussie die we enkele jaren geleden hebben gevoerd over de verlaging van de strafrechtelijke meerderjarigheid tot 16 jaar. Dat ontwerp werd gelukkig niet goedgekeurd. Ik vrees dat de bepalingen omtrent de uithandengeving een stap achteruit zijn in plaats van een vooruitgang.
In afwachting van de ontwerpen die de minister zal indienen, wil ik graag een antwoord op mijn vragen.
De heer Marc Verwilghen, minister van Justitie. - Ik had het werk van mijn kabinet graag voortgezet. Het grote voordeel van de oefening van de heer Maes was de multidisciplinaire benadering van de jongeren. De positieve punten uit de wet van 1965 werden behouden en er werden interessante punten toegevoegd op het vlak van de opvoeding en de bijstand aan personen in een kwetsbare positie. Ook sancties waren mogelijk.
De regering heeft evenwel een andere beslissing genomen.
Eerste vraag: worden alle juridische garanties voor minderjarigen ook opgenomen in het toekomstige systeem? Het kernkabinet heeft zich daar niet over uitgesproken, maar ik ben ervan overtuigd dat er geen probleem zal rijzen. Wij hebben internationale verplichtingen die in de wet moeten worden omgezet. Ik zal die punten opnemen in de nieuwe teksten.
Tweede vraag: blijft de differentiatie tussen de rechter die voorlopige maatregelen neemt en de feitenrechter behouden? Er zal geen differentiatie zijn voor zover er drie verschillende rechters optreden voor de verschillende fases, namelijk de voorlopige fase, de fade van de behandeling van de grond van de zaak en de uitvoeringsfase. De differentiatie blijft behouden in die zin dat voor de voorbereidende en de uitvoerende fase dezelfde rechter kan optreden, maar dat over de grond van de zaak een andere rechter uitspraak moet doen; wij moeten onze verplichtingen nakomen.
Wat de rol en de verantwoordelijkheid van de ouders betreft, verandert er niets. Het systeem van 1965, dat een kopie van het Burgerlijk wetboek is, blijft van toepassing.
Op institutioneel vlak deel ik de mening van de senator. Zowel in het voorontwerp dat door mijn kabinet werd voorbereid, als in de nieuwe optie van het kernkabinet blijven de bijzondere hervormingswetten - van 1980 en van 1988 - van toepassing. De wet van 1965 wordt gemoderniseerd en blijft een beschermingswet. Zolang de twee hervormingswetten niet zijn gewijzigd, blijven ze van kracht. Het zijn bijzondere wetten die met een bijzondere meerderheid zijn goedgekeurd. Wij moeten op dat vlak de wettelijke voorschriften naleven.
Wat de uithandengeving betreft, die voortaan verwijzing heet, hebben we vastgesteld dat het jeugdrecht in 85% van de gevallen geen problemen deed rijzen. Het is vooral voor de harde kern van 15% van de jongeren dat er zich moeilijkheden voordoen. Toch kwamen zowel de verwijzing als de uithandengeving niet voor in mijn ontwerp, omdat ik niet wilde dat de jeugdrechters hun verantwoordelijkheid ten aanzien van een bepaalde categorie jongeren zou ontlopen. Dat risico bestaat, hoewel de verwijzing aan bijzondere verplichtingen is onderworpen.
Wij denken na over de procedure, die nu nogal zwaar is en weinig wordt toegepast. In de wet moeten de voorwaarden en toepassingsregels van de verwijzing worden opgenomen. Het is belangrijk te beseffen dat een jongere niet naar een jeugdrechter wordt verwezen maar naar een correctionele rechter of misschien zelfs naar het assisenhof, met alle mogelijke gevolgen van dien. Daar zit de knoop van het probleem, maar het is de keuze van het kernkabinet. In de politiek moet mens soms een akkoord kunnen aanvaarden. Bovendien zullen we zien of de gemeenschappen akkoord kunnen gaan met de teksten. Zonder hun akkoord kunnen we geen vooruitgang boeken in deze materie.
Mevrouw Nathalie de T' Serclaes (MR). - De samenhang tussen het federale beleid en dat van de gemeenschappen is uiteraard een belangrijk punt. De dialoog is moeilijk en er is nog een lange weg af te leggen. Jammer genoeg zijn er misverstanden. Ik volg dit probleem sinds jaren; dit ontwerp werd niet uit de mouw geschud, maar er is lang over nagedacht.
Vooral aan Franstalige zijde hebben zowel de jeugdrechters als de actoren op het terrein bedenkingen bij de uithandengeving. Ze beseffen dat het een beetje een gemakkelijkheidsoplossing is. Zodra de zaken te moeilijk worden, zodra wordt geoordeeld dat de jongere niet meer in een educatief project past, wordt het probleem uit handen gegeven.
In tegenstelling tot wat wordt gezegd op het terrein, komt dit neer op het in de steek laten van die jongeren, wat zeer erg voor hen is. Ik vond het feit dat voor die jongeren tot 18 jaar, zelfs voor de moeilijksten, werd gezorgd, een positief punt in het voorontwerp. Het getuigde van een echt respect voor de rechten van de jongeren. Misschien was de methode niet goed en moest daarover nog worden gedebatteerd. Het is jammer dat dit spoor werd verlaten, misschien omdat er op het terrein onvoldoende bereidheid was om het in aanmerking te nemen. Het is een beetje gemakkelijk om jongeren over te laten aan een rechtspraak voor volwassenen.
De heer Marc Verwilghen, minister van Justitie. - We moeten trachten niet in de val van de symboliek te trappen. Waarschijnlijk hebben we elkaar niet goed begrepen. Aan de ene kant waren er de aanhangers van de wet van 1965, aan de andere kant de aanhangers van een andere benadering, die ook de wet van 1965 inhield. Daarover kan eindeloos worden gedebatteerd.
Ik ben het volledig eens met één van de vastellingen van de senator, namelijk dat we niet in de val van de gemakkelijkheidsoplossing mogen lopen, in dit geval de deresponsabilisering van de jeugdrechter, door hem de mogelijkheid te geven een zaak die hij te moeilijk vindt uit handen te geven. De jeugdrechters zijn volgens mij gespecialiseerde rechters. Echt gespecialiseerde magistraten kunnen wonderen verrichten. Ik vrees dat in de geplande modernisering waarborgen zullen moeten worden ingebouwd zodat de jeugdrechters weten dat zij het laatste woord hebben in de beslissing tot verwijzing. We moeten ervoor waken dat ze zich door hun beslissingen niet aan hun verantwoordelijkheid onttrekken.
-Het incident is gesloten.
Mevrouw Marie Nagy (ECOLO). - Mijnheer de minister, iets meer dan vijf maanden geleden heb ik u naar aanleiding van het rapport 2000 van de Interdepartementale Commissie Duurzame Ontwikkeling (ICDO) en van de rapporten 2000 van de leden van die commissie een schriftelijke vraag gesteld over de bijna systematische afwezigheid van uw vertegenwoordiger op de vergaderingen van de ICDO en over het ontbreken van het verslag van uw vertegenwoordiger in de rapporten van de ICDO en van haar leden. Artikel 16 van de wet van 5 mei 1997 betreffende de coördinatie van het federaal beleid inzake duurzame ontwikkeling bepaalt: "De vertegenwoordigers van de federale regering zijn gehouden ieder jaar een rapport uit te brengen over het beleid inzake duurzame ontwikkeling en over de uitvoering van het plan in de federale administraties en publieke instellingen die zij vertegenwoordigen."
Gedurende vijf maanden bleef die schriftelijke vraag onbeantwoord. Ik heb wel een antwoord gekregen toen ik een vraag om uitleg indiende, waarvoor ik u dank.
Het rapport 2001 van de ICDO en het rapport 2001 van haar leden bevatten echter andermaal een lege bladzijde onder de naam van uw vertegenwoordiger wat wijst op zijn gebrek aan ijver in de plenaire vergadering van de ICDO. Dat is verbazingwekkend aangezien de eerste minister onlangs nog heeft verklaard dat de duurzame ontwikkeling een van de pijlers van het regeringsbeleid is.
Mijnheer de minister, kunt u verklaren waaraan het gebrek aan inzet van uw vertegenwoordiger te wijten is? Waarom is hij vrijwel nooit aanwezig op de plenaire vergaderingen van de ICDO? Welke maatregelen zijn er genomen om de Regie der Gebouwen aan te moedigen haar initiatieven in het kader van het federaal plan inzake duurzame ontwikkeling voort te zetten?
Een aantal van mijn vragen werden beantwoord, met name de vraag over de aanwijzing van een vertegenwoordiger van de Regie der Gebouwen. Ik zou evenwel ook een antwoord willen krijgen op enkele andere vragen.
Wanneer zal het benoemingsbesluit van de vertegenwoordiger van de Regie der Gebouwen verschijnen? Als deelname belangrijk is, moet men daartoe ook het nodige doen. Het federaal plan inzake duurzame ontwikkeling bevat een reeks bepalingen die door de Regie der Gebouwen moeten worden uitgevoerd. In uw antwoord op mijn schriftelijke vraag zegt u dat de Regie der Gebouwen ingevolge de oliecrisis - die van 1973 of de volgende? - belangrijke initiatieven heeft genomen met betrekking tot het energieverbruik in de gebouwen van de federale overheid en een intensief programma voor thermische isolatie heeft uitgewerkt. Maatregel 154 van het federaal plan inzake duurzame ontwikkeling bepaalt dat de Regie drie medewerkers zal aanwijzen of in dienst zal nemen om de energieaudit van 1983 bij te werken. Ze zullen daarbij gebruik maken van de niet behandelde gegevens over het energieverbruik van alle overheidsgebouwen tussen 1990 en 1998.
Is er een follow-up van de audit? Wordt het energierendement van de gebouwen gemeten? Leiden de inspanningen tot reële besparingen? Blijft het niet bij verklaringen over het rationeel gebruik van energie? Hoever staat het met deze maatregel in het licht van de toepassing van het protocol van Kyoto-Bonn-Marrakech, dat energiebesparing als een cruciaal punt beschouwt?
Kan de Regie de vroegere maatregelen inzake energiebesparing in openbare gebouwen niet opnieuw toepassen en kan ze geen nieuwe projecten uitwerken voor de bouw of de renovatie van gebouwen met een laag energieverbruik? Dat zou een belangrijke energiebesparing en een aanzienlijke vermindering van de overheidskosten tot gevolg hebben.
De heer Rik Daems, minister van Telecommunicatie en Overheidsbedrijven en Participaties, belast met Middenstand. - Onze collega is terecht kritisch ten opzichte van de Regie der Gebouwen want haar initiatieven inzake duurzame ontwikkeling laten te wensen over. Er werd een nieuwe vertegenwoordiger benoemd. Dat heeft evenwel nog niet veel resultaten opgeleverd.
Mijn schriftelijk antwoord is gebaseerd op de gegevens die ik van de Regie heb ontvangen. Ik verwijs daarin naar de oliecrisis. Aangezien die crisis al een hele tijd geleden is, heeft dit argument niet veel waarde.
Deze keer heb ik uw vraag om uitleg op een andere manier benaderd. Het was niet mijn bedoeling een lijst op te stellen van de initiatieven die de Regie of andere instellingen die onder mijn bevoegdheid vallen, hier en daar hebben genomen. Ik kan u evenwel zeggen dat het BIPT het milieuhandvest heeft ondertekend. Artikel 157 van het koninklijk besluit houdende vaststelling van het federaal plan inzake duurzame ontwikkeling voorziet in de instemming van de diensten van de administratie met het milieuhandvest. Ik heb de Regie der Gebouwen gevraagd me een ontwerp van milieuhandvest voor te leggen naar het voorbeeld dat door staatssecretaris Deleuze werd uitgewerkt. Dit ontwerp is vrijwel klaar. Het zal rekening houden met de opdracht en met de specifieke activiteiten van de Regie der Gebouwen. Zodra het mij wordt voorgelegd, zal ik de tekst met de heer Deleuze bespreken teneinde het eens te worden over de concrete plannen die in het handvest moeten worden opgenomen.
Ik geef enkele voorbeelden. Het klopt dat de activiteit van de Regie der Gebouwen op dit ogenblik uit drie delen bestaat. Het eerste heeft betrekking op de eerbied voor de federale monumenten. Het is niet zo gemakkelijk op dat niveau de energiebesparing te stimuleren, hoewel de verlichting van de monumenten op verschillende wijzen kan worden gerealiseerd. Er wordt momenteel een plan uitgewerkt met Electrabel, de Stad en mijn ministerie.
De overheidsgebouwen zijn oude gebouwen. De investeringen inzake verlichting zijn vrij hoog, maar de levensduur van de lampen is langer en het elektriciteitsverbruik ligt lager. Elke maatregel die niet van structurele aard is en waarbij het verband tussen investering en opbrengst wordt beschreven in termen van rendabiliteit, onder meer op het vlak van energie, moet in het plan worden opgenomen.
Het derde activiteitsveld van de Regie der Gebouwen is van een heel andere aard. Het heeft betrekking op nieuwe gebouwen. Ik heb beslist er geen meer te bouwen, onder meer omdat de nodige middelen niet werden toegewezen. We opteren voor de huur van gebouwen.
In het handvest dat de heer Deleuze en ik voorbereiden, kunnen we in de huurcontracten voor overheidsgebouwen bepalingen inzake energiebesparingen en duurzame ontwikkeling opnemen.
Zodra de heer Deleuze en ik klaar zijn, zal ik u een kopie van het document bezorgen, op basis waarvan u mij opnieuw kunt ondervragen over de maatregelen of over andere elementen.
Mevrouw Marie Nagy (ECOLO). - Aangezien hij mij daarom verzoekt, zal ik de minister later opnieuw ondervragen.
Met deze vraag om uitleg vestig ik de aandacht op de belangrijke mogelijkheden van de Regie op het vlak van duurzame ontwikkeling. Als de Regie der Gebouwen dynamisch zou zijn en echt interesse zou hebben voor energiebesparing en isolatie, zou ze als voorbeeld kunnen dienen voor andere instanties in de overheids- of de privé-sector. Het verheugt me dat de minister dit dossier ter harte neemt en beseft welke maatregelen er moeten worden genomen om de doelstellingen te bereiken.
Ik wil evenwel zijn aandacht vestigen op de huurproblematiek. Op dit ogenblik staan een aantal gebouwen te koop die eigendom zijn van de Regie en die door de ministeries worden gebruikt. Ik ben er niet zeker van dat het nieuwe huurcontract van het gebouw van het ministerie van Tewerkstelling en Arbeid, dat zopas werd verkocht, clausules bevat inzake energiebesparing en duurzame ontwikkeling. Misschien is het nog niet te laat.
De verlichting en het rendement van de nieuwe lampen lijken me zeer belangrijk, maar ik wil erop wijzen dat de overheidsdiensten zich bij hun bestellingen meestal baseren op de inlichtingen die door de leveranciers worden verstrekt.
We hebben er alle belang bij advies in te winnen om te voorkomen dat overdreven veel verlichting om louter esthetische redenen wordt aangebracht. Wat het energieverbruik betreft, moeten we de markt aandachtig bestuderen. Het is een belangrijke markt, waartoe de overheid moeilijk toegang krijgt. Ik zal later op dit onderwerp terugkomen.
-Het incident is gesloten.
De voorzitter. - De agenda van deze vergadering is afgewerkt.
De volgende vergadering vindt plaats donderdag 6 juni 2002 om 15 uur.
(De vergadering wordt gesloten om 19.10 uur.)
Afwezig met bericht van verhindering: mevrouw Kestelijn-Sierens, met opdracht in het buitenland, de heer Hordies, in het buitenland, de heer Morael, belet, mevrouw Vanlerberghe en de heer Dubié, om gezondheidsredenen.
-Voor kennisgeving aangenomen.
Stemming 1
Aanwezig: 58
Voor: 51
Tegen: 0
Onthoudingen: 7
Voor
Michel Barbeaux, Sfia Bouarfa, Marcel Cheron, Marcel Colla, Christine Cornet d'Elzius, Jean Cornil, Georges Dallemagne, Sabine de Bethune, Olivier de Clippele, Armand De Decker, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Jacques D'Hooghe, Paul Galand, André Geens, Jean-Marie Happart, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Theo Kelchtermans, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Michiel Maertens, Philippe Mahoux, Johan Malcorps, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Philippe Monfils, Philippe Moureaux, Marie Nagy, Clotilde Nyssens, Fatma Pehlivan, Francis Poty, Didier Ramoudt, Jan Remans, Louis Siquet, Jan Steverlynck, Erika Thijs, René Thissen, Jacques Timmermans, Louis Tobback, Hugo Vandenberghe, Luc Van den Brande, Patrik Vankrunkelsven, Vincent Van Quickenborne, Iris Van Riet, Paul Wille.
Onthoudingen
Yves Buysse, Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Chris Vandenbroeke, Joris Van Hauthem, Wim Verreycken.
Stemming 2
Aanwezig: 59
Voor: 59
Tegen: 0
Onthoudingen: 0
Voor
Michel Barbeaux, Sfia Bouarfa, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Marcel Cheron, Marcel Colla, Christine Cornet d'Elzius, Jean Cornil, Frank Creyelman, Georges Dallemagne, Sabine de Bethune, Olivier de Clippele, Armand De Decker, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Jacques D'Hooghe, Paul Galand, André Geens, Jean-Marie Happart, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Theo Kelchtermans, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Michiel Maertens, Philippe Mahoux, Johan Malcorps, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Philippe Monfils, Philippe Moureaux, Marie Nagy, Clotilde Nyssens, Fatma Pehlivan, Francis Poty, Didier Ramoudt, Jan Remans, François Roelants du Vivier, Louis Siquet, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Jan Steverlynck, Erika Thijs, René Thissen, Jacques Timmermans, Louis Tobback, Hugo Vandenberghe, Luc Van den Brande, Chris Vandenbroeke, Joris Van Hauthem, Patrik Vankrunkelsven, Vincent Van Quickenborne, Iris Van Riet, Wim Verreycken, Paul Wille.
Stemming 3
Aanwezig: 59
Voor: 41
Tegen: 0
Onthoudingen: 18
Voor
Sfia Bouarfa, Marcel Cheron, Marcel Colla, Christine Cornet d'Elzius, Jean Cornil, Olivier de Clippele, Armand De Decker, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Paul Galand, André Geens, Jean-Marie Happart, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Michiel Maertens, Philippe Mahoux, Johan Malcorps, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Philippe Monfils, Philippe Moureaux, Marie Nagy, Fatma Pehlivan, Francis Poty, Didier Ramoudt, Jan Remans, François Roelants du Vivier, Louis Siquet, Jacques Timmermans, Louis Tobback, Chris Vandenbroeke, Patrik Vankrunkelsven, Vincent Van Quickenborne, Iris Van Riet, Paul Wille.
Onthoudingen
Michel Barbeaux, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Georges Dallemagne, Sabine de Bethune, Mia De Schamphelaere, Jacques D'Hooghe, Theo Kelchtermans, Clotilde Nyssens, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Jan Steverlynck, Erika Thijs, René Thissen, Hugo Vandenberghe, Luc Van den Brande, Joris Van Hauthem, Wim Verreycken.
Stemming 4
Aanwezig: 59
Voor: 18
Tegen: 40
Onthoudingen: 1
Voor
Michel Barbeaux, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Georges Dallemagne, Sabine de Bethune, Mia De Schamphelaere, Jacques D'Hooghe, Theo Kelchtermans, Clotilde Nyssens, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Jan Steverlynck, Erika Thijs, René Thissen, Hugo Vandenberghe, Chris Vandenbroeke, Joris Van Hauthem, Wim Verreycken.
Tegen
Sfia Bouarfa, Marcel Cheron, Marcel Colla, Christine Cornet d'Elzius, Jean Cornil, Olivier de Clippele, Armand De Decker, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Paul Galand, André Geens, Jean-Marie Happart, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Michiel Maertens, Philippe Mahoux, Johan Malcorps, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Philippe Monfils, Philippe Moureaux, Marie Nagy, Fatma Pehlivan, Francis Poty, Didier Ramoudt, Jan Remans, François Roelants du Vivier, Louis Siquet, Jacques Timmermans, Louis Tobback, Patrik Vankrunkelsven, Vincent Van Quickenborne, Iris Van Riet, Paul Wille.
Onthoudingen
Luc Van den Brande.
Stemming 5
Aanwezig: 59
Voor: 44
Tegen: 0
Onthoudingen: 15
Voor
Michel Barbeaux, Sfia Bouarfa, Marcel Cheron, Marcel Colla, Christine Cornet d'Elzius, Jean Cornil, Georges Dallemagne, Olivier de Clippele, Armand De Decker, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Paul Galand, André Geens, Jean-Marie Happart, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Michiel Maertens, Philippe Mahoux, Johan Malcorps, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Philippe Monfils, Philippe Moureaux, Marie Nagy, Clotilde Nyssens, Fatma Pehlivan, Francis Poty, Didier Ramoudt, Jan Remans, François Roelants du Vivier, Louis Siquet, René Thissen, Jacques Timmermans, Louis Tobback, Patrik Vankrunkelsven, Vincent Van Quickenborne, Iris Van Riet, Paul Wille.
Onthoudingen
Yves Buysse, Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Sabine de Bethune, Mia De Schamphelaere, Jacques D'Hooghe, Theo Kelchtermans, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Jan Steverlynck, Erika Thijs, Hugo Vandenberghe, Luc Van den Brande, Chris Vandenbroeke, Joris Van Hauthem, Wim Verreycken.
Stemming 6
Aanwezig: 59
Voor: 59
Tegen: 0
Onthoudingen: 0
Voor
Michel Barbeaux, Sfia Bouarfa, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Marcel Cheron, Marcel Colla, Christine Cornet d'Elzius, Jean Cornil, Frank Creyelman, Georges Dallemagne, Sabine de Bethune, Olivier de Clippele, Armand De Decker, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Jacques D'Hooghe, Paul Galand, André Geens, Jean-Marie Happart, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Theo Kelchtermans, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Michiel Maertens, Philippe Mahoux, Johan Malcorps, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Philippe Monfils, Philippe Moureaux, Marie Nagy, Clotilde Nyssens, Fatma Pehlivan, Francis Poty, Didier Ramoudt, Jan Remans, François Roelants du Vivier, Louis Siquet, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Jan Steverlynck, Erika Thijs, René Thissen, Jacques Timmermans, Louis Tobback, Hugo Vandenberghe, Luc Van den Brande, Chris Vandenbroeke, Joris Van Hauthem, Patrik Vankrunkelsven, Vincent Van Quickenborne, Iris Van Riet, Wim Verreycken, Paul Wille.
Wetsvoorstellen
Artikel 81 van de Grondwet
Wetsvoorstel ter bevordering van de evenredige arbeidsparticipatie (van mevrouw Fatma Pehlivan; Stuk 2-1164/1).
-Verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.
Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 30 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten en artikel 12bis van het koninklijk besluit van 20 juli 1971 houdende instelling van een verzekering tegen arbeidsongeschiktheid ten voordele van de zelfstandigen, om een adoptieverlof voor werknemers en zelfstandigen in te stellen (van mevrouw Sabine de Bethune; Stuk 2-1165/1).
-Verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.
Wetsvoorstel tot wijziging van de wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen teneinde de bijzondere verzorging als gevolg van zelfredzaamheidverlies te waarborgen (van de heer François Roelants du Vivier; Stuk 2-1167/1).
-Verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.
Wetsvoorstel tot openstelling van het huwelijk voor personen van hetzelfde geslacht en tot wijziging van een aantal bepalingen van het Burgerlijk Wetboek (van mevrouw Jeannine Leduc c.s.; Stuk 2-1173/1).
-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.
Wetsvoorstel tot opheffing van de wet van 16 november 1993 houdende vaststelling van de civiele lijst voor de duur van de regering van Koning Albert II, tot toekenning van een jaarlijkse en levenslange dotatie aan Hare Majesteit Koningin Fabiola en van een jaarlijkse dotatie aan Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Filip, alsook van de wet van 7 mei 2000 houdende toekenning van een jaarlijkse dotatie aan Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Filip, een jaarlijkse dotatie aan Hare Koninklijke Hoogheid Prinses Astrid en een jaarlijkse dotatie aan Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Laurent (van de heren Frank Creyelman en Wim Verreycken; Stuk 2-1175/1).
-Verzonden naar de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden.
Voorstel van resolutie
Voorstel van resolutie over het culturele erfgoed van Famagusta (van mevrouw Fatma Pehlivan c.s.; Stuk 2-1174/1).
-Verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.
Het Bureau heeft volgende vragen om uitleg ontvangen:
van de heer Philippe Mahoux aan de vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken en aan de minister toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken, belast met Landbouw, over "het Europese standpunt met betrekking tot de handel in diensten in het kader van de Wereldhandelsorganisatie" (nr. 2-799)
van de heer Hugo Vandenberghe aan de minister van Telecommunicatie en Overheidsbedrijven en Participaties, belast met Middenstand, over "de verklaringen van de ex-topman van De Post, de heer Rombouts, volgens wie de ministers elke strategische visie missen" (nr. 2-800)
van de heer Hugo Vandenberghe aan de minister van Justitie en aan de minister van Economie en Wetenschappelijk Onderzoek, belast met het Grootstedenbeleid, over "het toenemend aantal niet verzekerde chauffeurs" (nr. 2-801)
van de heer Hugo Vandenberghe aan de minister van Justitie over "de bewaring van in beslag genomen goederen" (nr. 2-802)
van mevrouw Anne-Marie Lizin aan de minister van Justitie over "de loonschalen bij de Staatsveiligheid" (nr. 2-803)
van mevrouw Clotilde Nyssens aan de minister van Justitie over "het dure en absurde penitentiaire beleid van de minister van Justitie" (nr. 2-804)
-Deze vragen worden naar de plenaire vergadering verzonden.
De voorzitter. - De Senaat heeft bij boodschap van 29 mei 2002 aan de Kamer van volksvertegenwoordigers ter kennis gebracht dat tot evocatie is overgegaan, op die datum, van:
Wetsontwerp houdende toewijzing van een opdracht aan de openbare centra voor maatschappelijk welzijn inzake de begeleiding en de financiële maatschappelijke steunverlening aan de meest hulpbehoevenden inzake energielevering (Stuk 2-1163/1).
-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.
De voorzitter. - Bij boodschap van 28 mei 2002 heeft de Senaat aan de Kamer van volksvertegenwoordigers terugbezorgd, met het oog op de koninklijke bekrachtiging, het volgende niet geëvoceerde wetsontwerp:
Wetsontwerp houdende wijziging van artikel 3bis van de wet van 3 november 1967 betreffende het loodsen van zeevaartuigen, gewijzigd bij de wet van 30 augustus 1988 (Stuk 2-1147/1).
-Voor kennisgeving aangenomen.
Bij boodschappen van 23 mei 2002 heeft de Kamer van volksvertegenwoordigers aan de Senaat overgezonden, zoals ze ter vergadering van dezelfde dag werden aangenomen:
Artikel 78 van de Grondwet
Wetsontwerp tot wijziging van artikel 25 van de wet van 10 augustus 2001 houdende hervorming van de personenbelasting en van de artikelen 136, 140, 141 en 178, §3, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (Stuk 2-1162/1).
-Het ontwerp werd ontvangen op 24 mei 2002; de uiterste datum voor evocatie is maandag 10 juni 2002.
Artikel 80 van de Grondwet
Wetsontwerp houdende toewijzing van een opdracht aan de openbare centra voor maatschappelijk welzijn inzake de begeleiding en de financiële maatschappelijke steunverlening aan de meest hulpbehoevenden inzake energielevering (Stuk 2-1163/1).
-Het wetsontwerp werd ontvangen op 24 mei 2002; de uiterste datum voor evocatie is woensdag 29 mei 2002.
-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.
Kennisgeving
Wetsontwerp tot instelling van een jaarlijkse rapportage over de toepassing van het Verdrag inzake de rechten van het kind (van mevrouw Sabine de Bethune c.s.; Stuk 2-890/1).
-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 23 mei 2002 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.
Wetsontwerp houdende instemming met de Aanvullende Overeenkomst, ondertekend te Singapore op 10 december 1996, tot wijziging van de Overeenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk België en de Regering van de Republiek Singapore tot het vermijden van dubbele belasting inzake belastingen naar het inkomen, ondertekend te Singapore op 8 februari 1972 (Stuk 2-1006/1).
-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 23 mei 2002 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.
Wetsontwerp houdende instemming met het Gezamenlijk Verdrag inzake de veiligheid van het beheer van bestraalde splijtstof en inzake de veiligheid van het beheer van radioactief afval, gedaan te Wenen op 5 september 1997 (Stuk 2-1007/1).
-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 23 mei 2002 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.
Wetsontwerp houdende instemming met het Verdrag tussen de regering van het Koninkrijk België en de regering van de Republiek Slowakije inzake politiesamenwerking, ondertekend te Brussel op 29 juni 2000 (Stuk 2-1021/1).
-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 23 mei 2002 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.
Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst tussen de regering van het Koninkrijk België en de regering van de Bondsrepubliek Duitsland inzake de samenwerking van de politiediensten en de douane-administraties in de grensgebieden, gedaan te Brussel op 27 maart 2000 (Stuk 2-1022/1).
-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 23 mei 2002 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.
Wetsontwerp houdende instemming met de volgende Internationale Akten:
1.Amendementsoorkonde bij de Stichtingsakte van de Internationale Telecommunicatie Unie;
2.Amendementsoorkonde bij de Overeenkomst van de Internationale Telecommunicatie Unie,
gedaan te Kyoto op 14 oktober 1994;
3.Amendementsoorkonde bij de Stichtingsakte van de Internationale Telecommunicatie Unie;
4.Amendementsoorkonde bij de Overeenkomst van de Internationale Telecommunicatie Unie,
gedaan te Minneapolis op 6 november 1998 (Stuk 2-1025/1).
-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 23 mei 2002 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.
Wetsontwerp houdende instemming met het Verdrag tussen de regering van het Koninkrijk België en de regering van Roemenië inzake politiesamenwerking, en met de Bijlage, ondertekend te Boekarest op 14 april 1999 (Stuk 2-1059/1).
-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 23 mei 2002 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.
Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst tussen de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie en de Federale Islamitische Republiek der Comoren inzake de wederzijdse bevordering en bescherming van investeringen, gedaan te Brussel op 18 mei 2001 (Stuk 2-1070/1).
-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 23 mei 2002 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.
Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst tussen de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie en de Republiek Armenië inzake de wederzijdse bevordering en bescherming van investeringen, gedaan te Brussel op 7 juni 2001 (Stuk 2-1071/1).
-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 23 mei 2002 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.
Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en de Verenigde Arabische Emiraten tot het vermijden van dubbele belasting en tot het voorkomen van het ontgaan van belasting inzake belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, en met het Protocol, ondertekend te Washington op 30 september 1996 (Stuk 2-1072/1).
-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 23 mei 2002 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.
Wetsontwerp houdende instemming met het Protocol houdende wijziging van de artikelen 1a), 14(1) en 14(3) b) van het Europees Verdrag van 30 september 1957 betreffende het internationaal vervoer van gevaarlijke goederen over de weg (ADR), ondertekend te Genève op 28 oktober 1993 (Stuk 2-1088/1).
-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 23 mei 2002 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.
Met toepassing van artikel 76 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van het Arbitragehof kennis aan de voorzitter van de Senaat van:
-Voor kennisgeving aangenomen.
Met toepassing van artikel 77 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van het Arbitragehof aan de voorzitter van de Senaat kennis van:
-Voor kennisgeving aangenomen.
Bij brief van 15 mei 2002 heeft de ombudsdienst bij De Post, overeenkomstig artikel 46 van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, aan de Senaat overgezonden, het jaarverslag 2001 van de ombudsdienst bij De Post.
-Verzonden naar de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden.
Bij brief van 7 mei 2002 heeft de voorzitter van de Federale Raad voor Duurzame Ontwikkeling, overeenkomstig artikel 11, §5, van de wet van 5 mei 1997 betreffende de coördinatie van het federale beleid inzake duurzame ontwikkeling, aan de Senaat overgezonden, het verslag over de werkzaamheden van het jaar 2001. Dit verslag werd goedgekeurd tijdens de algemene vergadering van 16 april 2002.
-Verstuurd naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.