3-61 | Belgische Senaat | 3-61 |
Waarschuwing: de blauwe kleur geeft aan dat het gaat om uit het Frans vertaalde samenvattingen.
Inoverwegingneming van voorstellen
Wetsontwerp tot wijziging van artikel 56 van het Wetboek van strafvordering (Stuk 3-690)
In overweging genomen voorstellen
Arbitragehof - Prejudiciële vragen
Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding
Voorzitter: de heer Staf Nimmegeers, eerste ondervoorzitter
(De vergadering wordt geopend om 15.05 uur.)
De voorzitter. - De lijst van de in overweging te nemen voorstellen werd rondgedeeld.
Leden die opmerkingen mochten hebben, kunnen die vóór het einde van de vergadering mededelen.
Tenzij er afwijkende suggesties zijn, neem ik aan dat die voorstellen in overweging zijn genomen en verzonden naar de commissies die door het Bureau zijn aangewezen. (Instemming)
(De lijst van de in overweging genomen voorstellen wordt in de bijlage opgenomen.)
De voorzitter. - Naar aanleiding van een mondelinge vraag die mevrouw Durant over dit onderwerp heeft ingediend, stelt het Bureau voor een debat te wijden aan `de situatie in Congo'.
Voor elke fractie kan één lid het woord voeren.
De spreektijd is dezelfde als die voor de mondelinge vragen. De sprekers beschikken elk over 3 minuten voor hun betoog en over 1 minuut voor de repliek. (Instemming)
Mevrouw Isabelle Durant (ECOLO). - Reeds verscheidene weken zijn er gevechten aan de gang in Bukavu, de stad die gisteren in handen van de rebellen is gevallen. Vandaag is er een betoging in Kinshasa, die vooral te maken heeft met de houding van de MONUC-troepen. Uit het gebeurde blijkt duidelijk dat er bevelen en manschappen uit Rwanda komen. De neutrale houding van België tegenover Rwanda heeft niet de verwachte resultaten opgeleverd en heeft dramatische gevolgen. De MONUC-eenheden hebben in Bukavu het binnenrijden van de militaire voertuigen uit Rwanda passief gadegeslagen. Hun mandaat is beperkt tot het beschermen van de bevolking, maar volgens waarnemers ter plaatse heeft de bevolking zich verschanst en heeft de MONUC niets ondernomen. MONUC-troepen hebben zelfs in de straten tussen de rebellen in gepatrouilleerd.
Met de opleiding van militairen voor het toekomstige Congolese leger wou België de overgangsregering in Congo actief ondersteunen en een concrete bijdrage leveren tot het herstel van de vrede. Ik heb minister Flahaut daarover ondervraagd vóór de aanvang van die operatie. Hij antwoordde me dat het om een eerste stap ging in een proces waarbij andere Europese landen zich vervolgens zouden aansluiten.
Thans verneem ik dat de regering van plan is over te gaan tot de vroegtijdige terugtrekking van de Belgische troepen die in Kisangani gelegerd zijn. De heer Flahaut had de oprichting van een degelijk militair apparaat in het vooruitzicht gesteld, met reservetroepen in Kinshasa om, in geval van problemen, de veiligheid van onze manschappen te waarborgen. De vervroegde terugtrekking is in mijn ogen een rampzalig signaal voor de overgangsregering, en in het bijzonder voor de Congolese bevolking die vandaag in de straten betoogt. Het is een bewijs dat België de overgang niet meer ondersteunt. De terugtrekking maakt bovendien de weg vrij voor de rebellen om naar Kisangani op te rukken.
Wordt die vervroegde terugtrekking bevestigd? Ze was al aangekondigd, maar in de huidige politieke situatie betekent vervroegde terugtrekking het einde van het Belgische Afrikabeleid. Wat zal de minister van Buitenlandse Zaken doen om de Rwandese overheid ertoe te bewegen haar invallen op Congolees grondgebied te staken? Vandaag vergaderen de parlementen zowel in Kinshasa als in Kigali. Overweegt de minister de heren Kabila en Kagame voor overleg bijeen te brengen en zal hij een meer proactieve houding aannemen, gelet op het feit dat neutraliteit in de gegeven omstandigheden niet volstaat? Wat zal de Belgische regering doen om de secretaris-generaal van de UNO ervoor te laten zorgen dat het imago en het actievermogen van de MONUC wordt hersteld? De onbekwaamheid en de tekortkomingen van de MONUC hebben de Congolese bevolking in een situatie doen belanden waarin de vervroegde terugtrekking van de eenheden onbegrijpelijk is.
Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Op mijn beurt wens ik uiting te geven aan onze ongerustheid over de toestand in Congo. CD&V maakt zich ernstig zorgen over de bezetting van Bukavu door de rebellen. Naar verluidt zouden de rebellenleiders hun troepen vanavond terugtrekken en de stad overdragen aan de MONUC. Ik hoop dat de minister een en ander kan bevestigen.
Naast de rebellen wordt in de regio ook de aanwezigheid gesignaleerd van zes bataljons of 3.600 Rwandese manschappen.
Wat er ook van zij, het vredes- en overgangsproces in Congo komt in het gedrang. De internationale gemeenschap moet een kordate houding aannemen, het vredesproces terug op het spoor zetten en trachten de destabilisatie en desintegratie van Congo te voorkomen.
Van de minister van Buitenlandse Zaken had ik graag vernomen welke opdracht de heer Mutton, speciale gezant in Congo en Rwanda, in de gegeven omstandigheden heeft gekregen.
Heel wat getuigenissen beklemtonen de betrokkenheid van Rwanda bij de rebellie. Er zouden wapens zijn aangevoerd over het Kivumeer en er zouden ook Rwandese militairen ter plaatse zijn. De MONUC zelf getuigt van de Rwandese aanwezigheid in Oost-Congo. Als dat waar blijkt te zijn, schendt Rwanda uiteraard de internationale rechtsregels en verstoort het het vredesproces dat de territoriale integriteit van Congo moet waarborgen.
Waarom blijft de houding van België zo ambigu? België is een UN-believer. Wij staan dicht bij de Verenigde Naties en kennen hen een belangrijke rol toe. Door nu echter te verklaren dat niemand kan bewijzen dat Rwanda betrokken is bij de recente gebeurtenissen, zetten we de geloofwaardigheid van de VN op de helling. Zelf kan ik natuurlijk evenmin bewijzen leveren, maar de getuigenissen van de vertegenwoordigers van de MONUC zijn toch eenduidig.
Wij kregen graag meer inlichtingen over de betrokkenheid van Rwanda enerzijds en over de zogenaamde Belgische neutraliteit ten aanzien van dat land anderzijds. In het verslag van de Senaatscommissie voor de Buitenlandse Betrekkingen over de betrekkingen van België met Centraal-Afrika wordt ervoor gepleit dat ons land daadkrachtiger zou optreden ten aanzien van Rwanda als het erop aankomt om eerbied te eisen voor de mensenrechten, voor de democratie en voor de territoriale integriteit van Congo.
Ik vraag mij af of de werkzaamheden van de Gemengde Commissie Ontwikkelingssamenwerking niet moeten worden opgeschort tot er duidelijkheid bestaat over de aangehaalde feiten. Ik pleit ervoor om de opdracht van die commissie te herzien en er een aantal ijkpunten in op te nemen, zoals wij aan de Senaat hebben gevraagd.
Uit talloze getuigenissen blijkt dat de MONUC niet bij machte was om de burgerbevolking te beschermen. Ik had graag van de minister vernomen of volgens de informatie waarover hij beschikt, de MONUC in staat is om haar mandaat uit te oefenen. De Congolese bevolking denkt daar blijkbaar anders over. Dat blijkt althans uit haar reactie.
Inmiddels is de Belgische technische missie in Kisangani in een surrealistische situatie terechtgekomen. Net nu onze militairen klaar zijn met de opleiding van nieuwe eenheden en zij normaal gesproken huiswaarts zouden kunnen keren, breken er gevechten uit.
Welk signaal geven wij als we onze militairen uitgerekend in deze conflictsituatie terugtrekken? Waarom heeft onze regering zich niet gehouden aan de aanbeveling van de Rwandacommissie dat het onmogelijk is een bilaterale militaire coöperatie met een land op te starten en er tegelijkertijd deel uit te maken van een MONUC-vredeshandhavingsoperatie? Vandaag blijkt dat we ons in een complexe en dubbelzinnige situatie hebben begeven. Bovendien rijst de vraag naar de veiligheid van onze militairen in Kisangani, waar rellen zijn uitgebroken op de campus. Onze militairen zijn niet ter plaatse in het kader van een militaire opdracht, maar wel in het kader van een vormingsoperatie. Hun opdracht maakt geen deel uit van de MONUC-missie. Welke afspraken zijn er met de MONUC gemaakt inzake de veiligheid van onze militairen? Kan hun rit naar het vliegveld via de campus van Kisangani geen problemen met zich meebrengen?
Vanmiddag hebben we vernomen dat de spanningen uitdijen naar Kinshasa en Lubumbashi, dat er in die steden studentenopstanden zijn tegen de MONUC, dat er slachtoffers zouden zijn gevallen - in Kinshasa zouden er vandaag ten minste twee doden zijn geteld - en dat de Belgische ambassade gesloten zou zijn. Ook de ambassade van de Verenigde Staten zou vandaag worden gesloten.
Voorts zou Diplobel buiten werking zijn, met als gevolg dat het onmogelijk is informatie te krijgen over familieleden in Kinshasa of elders in Congo. Hoe zal de veiligheid van onze landgenoten in Kinshasa en in andere Congolese steden worden gewaarborgd?
De heer Pierre Galand (PS). - Het verheugt me dat we op dit uiterst belangrijke en zorgwekkende ogenblik een debat kunnen voeren over de gebeurtenissen in Congo.
De commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen heeft onlangs haar verslag ingediend over het belang dat de Senaat hecht aan de situatie in Congo en de noodzaak om het overgangsproces te steunen. Ondertussen is er in Congo anders beslist. Na de moord op de voorzitter van het Hof van Bukavu werd alarm geslagen voor het optreden van rebellengeneraal Nkunda.
De voorspellingen van onze correspondenten ter plaatse, in het bijzonder van de mensenrechtenverenigingen en de NGO's, blijken uit te komen want Bukavu en de omliggende dorpen zijn gevallen.
Via het persagentschap Belga ontvangen we momenteel noodkreten, zowel van religieuzen als van NGO's, over het feit dat meer dan tweeduizend Rwandese militairen zich aan de zijde van de dissidente Congolese militairen hebben geschaard.
Er rijst een dubbel probleem. Wie heeft er belang bij om Congo te blijven destabiliseren en verdelen? Is het de bedoeling om van het oosten van Congo een apart, onafhankelijk gebied te maken? We moeten alles in het werk stellen om dat te verhinderen.
Voorts is het duidelijk dat heel de Congolese burgerbevolking in opstand komt. De manier waarop dat gebeurt en de middelen die daarbij worden gebruikt, zijn ongetwijfeld niet de meest geschikte. In Kinshasa zijn er al zeven doden te betreuren. De toestand wordt als erg verontrustend en gevaarlijk beschouwd, in die mate zelfs dat een SN-vliegtuig dat vanochtend in Brussel was opgestegen, halverwege rechtsomkeer heeft gemaakt.
Ons land moet de partijen die bij de overgang en bij de vredeshandhaving in de regio betrokken zijn, duidelijk maken dat ze hun engagementen moeten nakomen, zodat de MONUC de bevolking, die in gevaar is, kan beschermen.
William Lacy Swing, de MONUC-chef, was een uur voor de val van Bukavu ter plaatse. Hij moet toch beseffen wat er gebeurd is?
We moeten ook de initiatieven van de Congolese burgermaatschappij steunen. De burgers vragen internationale bescherming. Ze klagen de slordigheid van de MONUC aan en wijzen erop dat Kinshasa binnen korte tijd dreigt te worden geplunderd. Dat zou rampzalig zijn. België en de internationale gemeenschap, in het bijzonder de Veiligheidsraad, moeten zich rekenschap geven van de ernst van de gebeurtenissen.
We moeten weliswaar kalm blijven, maar we moeten tegelijkertijd beseffen dat de toestand explosief is en elk moment uit de hand kan lopen.
Wat heeft België ondernomen, niet alleen ten opzichte van de betrokken partijen in de regio, maar ook in het kader van de Verenigde Naties, in de Veiligheidsraad, om samen met de MONUC de veiligheid te waarborgen van onze medeburgers, die zeer ongerust zijn? Het aantal telefoonoproepen dat we ontvangen, is ontelbaar. Tal van NGO's bellen voortdurend om te vragen wat we van plan zijn. Ze verwachten een duidelijk signaal van België.
Wat is ons standpunt ten opzichte van de betrokkenheid van Rwanda? Enkele weken geleden wisten we al dat er wapentransporten waren. We hebben de invoer van wapens in de regio overigens aangeklaagd. Die wapens worden thans gebruikt en degenen die ze hebben ingevoerd, werden gerepatrieerd naar Rwanda onder het voorwendsel dat het om leden van de Banyamulenge-gemeenschap gaat.
We moeten een exact beeld krijgen van wat zich op dit ogenblik afspeelt. We moeten het hoofd koel houden, maar we moeten ook heel duidelijk zijn over ons standpunt tegenover de regeringen van Kinshasa en Kigali en over de voornemens van België om het transitieproces te blijven ondersteunen, ook al is het in gevaar en is er misschien al veel verloren gegaan. Het is niet te laat om een vastberaden standpunt in te nemen.
De heer Pierre Chevalier (VLD). - Ik deel de bezorgdheid van de vorige sprekers over de dramatische en zorgwekkende toestand in Congo. Bukavu is gevallen, in Kisangani zijn er ernstige spanningen en in Kinshasa en andere grote steden worden studentenmanifestaties gesignaleerd tegen de MONUC. Die laatste vaststelling is merkwaardig en doet vragen rijzen. De kern van het debat van vandaag is de vraag welke actieve rol ons land kan spelen in deze crisis.
Gedurende tien jaar, tot 1999, heeft België elk initiatief in Centraal-Afrika genegeerd. Bij de genocide in Rwanda vielen drie miljoen doden. Zeer weinigen hebben toen de taak op zich genomen om iets te doen in Centraal-Afrika. Vanaf 1999 heeft de regering zich actief ingelaten met Centraal-Afrika, wat niet zonder resultaat is gebleven. Het is mede dankzij de Belgische regering dat er in Kinshasa een transitieregering is tot stand gekomen.
Mevrouw de Bethune verdedigt de aanwezigheid van de MONUC in Centraal-Afrika. Wij stellen evenwel vast dat de VN op het ogenblik in de regio geen erg positieve rol spelen. Het is immers ingevolge de terugtrekking van twee MONUC-tanks dat de rebellen Bukavu hebben kunnen innemen. Dit is geen geïsoleerd geval. Na de aanslag op de VN-gezant in Irak, heeft de VN het hazenpad gekozen. Die vaststelling doet vragen rijzen over het functioneren van de VN en van haar organen in brandhaarden zoals Centraal-Afrika.
Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - De MONUC getuigt van de aanwezigheid van Rwandese militairen in de regio. Waarom trekt de minister dat in twijfel? Is dat geen voldoende bewijs om tegenover Rwanda krachtdadig op te treden opdat de territoriale integriteit van Congo zou worden gerespecteerd?
De heer Pierre Chevalier (VLD). - Mevrouw de Bethune, u zei dat u een UN-believer bent. Ik stel vast dat er ofwel iets schort aan het VN-mandaat ofwel aan het functioneren ervan. Het optreden van de Fransen en de Belgen namens de EU in Ituri was veel efficiënter. Misschien kunnen we overwegen een EU-actie op te zetten in plaats van ons te verlaten op vrij vaag blijvende VN-acties.
België is de jongste jaren in dit geschil opgetreden als actieve mediator. Wij hebben oplossingen aangebracht. Het heeft in de huidige stand van zaken weinig zin de verantwoordelijkheid aan iemand toe te wijzen. De vraag is hoe we verder onze rol van bemiddelaar kunnen spelen en ervoor kunnen zorgen dat de integriteit van het territorium bewaard blijft. Ik hoor nu al min of meer officiële Amerikaanse of Britse organen zeggen dat een bufferzone, en dus een feitelijke verdeling van het land, aanvaardbaar is. Ik vraag de minister te bevestigen dat zoiets voor België onaanvaardbaar is. Ik vraag dus dat Belgische regering haar rol als actieve bemiddelaar zou voortzetten en inspanningen zou doen om de strijdende partijen rond de tafel te krijgen. Kortom, om het beleid dat wij sinds 1999 voeren voort te zetten.
Mevrouw Clotilde Nyssens (CDH). - Onze fractie deelt de ongerustheid over Congo. We hopen dat er niet opnieuw een grootschalige oorlog uitbreekt in de regio van de Grote Meren.
De val van Bukavu is de zwaarste aanslag op het vredesproces dat in 2003 in de DRC werd opgestart na een vijf jaar lange oorlog waarbij meer dan 2,5 miljoen doden zijn gevallen. Terwijl de dissidenten hebben bevestigd dat ze de regering van Kinshasa erkennen en geen opstand willen ontketenen, verklaarde de Congolese president Joseph Kabila vorige woensdag dat de dissidente militairen hulp hadden gekregen van het Rwandese leger om de stad in te nemen. Hij voegde eraan toe dat Bukavu onder de controle was van Rwandese bezetters. Hij sprak over een aanval op Congo door de Rwandezen die de stad controleren. Die bewering werd vanmorgen door de Rwandese regering tegengesproken.
Kunt u bevestigen dat Rwanda in de inname van Bukavu een rol speelt? Hebt u eventueel contacten gehad met de Rwandese regering? Welke maatregelen zult u nemen als de rol van het Rwandese leger zou worden bevestigd?
De stad is gevallen ondanks de aanwezigheid van honderden MONUC-blauwhelmen, wat wijst op het beperkte engagement van een meer dan 10.000 man sterke legermacht.
Zal België initiatieven nemen om de middelen van de MONUC te versterken teneinde de eerbiediging van het wapenembargo te waarborgen en de vrije toegang van de MONUC-eenheden in alle gevechtszones te eisen?
Overweegt België een initiatief te nemen op Europees niveau - waarom niet samen met Frankrijk? - om een einde te maken aan het geweld met een operatie zoals die van juni 2003 in Goma? Of denkt u dat die opdracht aan de MONUC moet worden toevertrouwd?
Wordt door de val van Bukavu de geloofwaardigheid van de MONUC en van de Verenigde Naties in Congo niet aangetast? De bevolking van Kinshasa heeft vanmorgen gewelddadig betoogd voor een van de hoofdzetels van de Verenigde Naties. De MONUC-troepen waren genoodzaakt in te grijpen, wat geleid heeft tot de dood van twee betogers.
De missie Avenir, die de opdracht heeft een gemengde brigade van het Congolese leger op te leiden, loopt op 15 juni ten einde. Verandert de val van Bukavu iets aan die beslissing? Moet de opstand van de militairen van de vroegere RCD niet worden gezien als een bewijs dat de poging om de verschillende militaire bewegingen samen te brengen, is mislukt?
De minister van Buitenlandse Zaken heeft enkele dagen geleden onderstreept dat de vrede in Congo enkel kan worden gewaarborgd op voorwaarde dat de akkoorden van Pretoria voor de overgang worden nageleefd. Is de kalender van die akkoorden inzake de organisatie van verkiezingen in 2005 nog geloofwaardig? Brengt de toestand het kwetsbare overgangsproces niet in gevaar?
De voorzitter. - De laatste drie minuten zijn voorbehouden aan mevrouw Lizin als voorzitster van de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.
De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Toen de voorzitter op de vergadering van het Bureau aankwam, was er reeds afgesproken dat elke fractie één spreker mocht aanwijzen met drie minuten spreektijd en dat er 1 minuut spreektijd zou zijn voor de repliek.
We weten welke bijzondere positie mevrouw Lizin in de Senaat inneemt. Maar supplementaire spreektijd geven aan de meerderheid ondergraaft het evenwicht tussen meerderheid en oppositie. Dat getuigt van partijdigheid.
Mevrouw Anne-Marie Lizin (PS). - Ik zal zeker positief zijn over wat mevrouw de Bethune heeft gezegd.
De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Ik zei daarjuist iets positiefs over de heer Chevalier en die viel mij onmiddellijk aan.
De heer Pierre Chevalier (VLD). - Door die positieve opmerking was ik even van slag.
De voorzitter. - Ik was inderdaad te laat op het Bureau, maar de heer Happart heeft mij gezegd dat dit de afspraak was.
De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Dat is volstrekt onjuist. Er was overeengekomen dat per fractie één spreker het woord zou nemen. Ik vraag de fractieleider van de VLD om dat te bevestigen.
De heer Paul Wille (VLD). - Ik kan dat bevestigen.
De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Als op de afspraak in het Bureau wordt teruggekomen, willen ook wij nog sprekers afvaardigen die over dit belangrijke onderwerp iets willen zeggen.
Mevrouw Anne-Marie Lizin (PS). - Mevrouw de Bethune en de heer Galand hebben uitstekend werk geleverd in het Congo-dossier. Ik ben samen met mevrouw Thijs en de heer Wille de werking van de MONUC in Kinshasa gaan bekijken. De zwakheid ervan is overduidelijk. Wat we hebben vastgesteld, is nog steeds actueel: de MONUC sluit niet aan bij de bevolking van Kinshasa en bij de eerste de beste gelegenheid komt het onvermijdelijk tot een botsing.
De grond van de problemen in Congo is in de eerste plaats een nationaliteitskwestie. Zolang er geen duidelijke wet is die de Tutsis in Kivu de Congolese nationaliteit verleent, is er in Congo geen hoop op herstel van rust en orde.
Voor het overige is het duidelijk dat we ons veel vastberadener moeten opstellen tegenover de regering van Kigali en de militaire aanwezigheid. De bescherming van de Tutsis moet op een andere manier worden verzekerd. In het besluit van haar verslag vraagt de commissie dat de regering het voortouw neemt en zich vandaag nog uitspreekt over het dreigende gevaar in Kinshasa. Er lopen jongeren rond in `Mobutu'-T-shirts. Dat zegt genoeg over de voorbereidingen die er aan de gang zijn. De verantwoordelijken van de Mobutuploeg waren enkele weken geleden in Kigali toen ik er op missie was voor de heer Diouf. Alles draait om het herstel van de orde in Kivu en het verlenen van de nationaliteit aan de Batutsi. We moeten ons concentreren op de echte problemen van de instabiliteit, de realiteit onder ogen zien en advies geven aan de Congolese overheid. Ons verslag, dat ook betrekking heeft op Rwanda en Burundi, is uiterst volledig en komt werkelijk op het juiste moment.
De heer Alain Destexhe (MR). - Ik stel vast dat er een minidebat wordt gehouden. Ik dacht dat slechts één spreker per fractie het woord zou krijgen, maar aangezien mevrouw Lizin het woord gekregen heeft en het debat geopend is, wens ik ook gedurende één minuut het woord te nemen.
De voorzitter. - Ga uw gang.
De heer Alain Destexhe (MR). - Ik heb met belangstelling naar alle sprekers geluisterd. We zijn allen ongerust over de toestand in Bukavu.
Aan mevrouw de Bethune wil ik zeggen dat het gevaarlijk is deze of gene partij als verantwoordelijke aan te wijzen. België heeft nooit iemand met de vinger gewezen. Dat is de sterkte van onze diplomatie en van de Senaat, die onlangs eenparig het verslag goedkeurde. We weten dat er langs beide zijden mensenrechten worden geschonden, maar we gaan daar geen scorebord van bijhouden, ook al is elk slachtoffer een individueel drama. Indien de Belgische regering en het Belgische parlement geloofwaardig willen blijven als enige actieve gesprekspartner in dit conflict, moeten we vermijden dat één van de partijen met de vinger wordt gewezen. Zo kan de dialoog open blijven om het pad naar vrede te effenen en de rechtsstaat en de democratie te blijven nastreven. We mogen geen eenzijdig beleid voeren.
Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). Men moet niet eenzijdig zijn, men moet de waarheid zeggen. In diplomatie is de waarheid zeggen vaak de beste manier om iets op te bouwen. We kunnen daarover van mening verschillen, maar ik blijf erbij dat als men deze zaken ernstig neemt, men de waarheid moet zeggen. Il faut parler vrai. Dat is heel belangrijk als men een vredesproces wil opbouwen.
Mevrouw Isabelle Durant (ECOLO). - Het moet gedaan zijn met de struisvogelpolitiek. Wat evident is, moet men kunnen erkennen.
De voorzitter. - Mevrouw Durant, mag ik u vragen om nu naar de minister te luisteren en daarna te repliceren indien u dat wenst?
De heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken. - Deze vragen en dit debat vinden plaats op een uiterst delicaat moment. Sedert het begin van de moeilijkheden ben ik voortdurend in contact met de verschillende politieke leiders. Gisteren heb ik meermaals telfonisch contact gehad met president Kabila. Vanochtend heb ik langdurig gesproken met president Kagame en heb ik verschillende keren gebeld met VN-gezant Swing, met de Congolese vice-president Ruberwa en met de Rwandese minister van buitenlandse zaken Murigande. Ik ben ook voortdurende in contact met de Congolese minister van buitenlandse zaken Ghonda en met vice-president Bemba.
Elk uur ontvang ik nieuwe informatie. We volgen de gebeurtenissen in Congo op de voet. De situatie kan van uur tot uur veranderen. Ik zal u dus inlichten over de meest recente gegevens waarover ik beschik.
Als de internationale gemeenschap, en België in het bijzonder, een kans wil maken om de gemoederen te bedaren en de verschillende partijen weer in het vredes- en overgangsproces te laten stappen, is het niet raadzaam en zelfs gevaarlijk de één of de ander met de vinger te wijzen. Alvorens men zonder omwegen de waarheid kan zeggen, moet ze gestaafd zijn met onweerlegbare bewijzen. Iedereen weet dat er bepaalde banden bestaan tussen sommige Rwandese autoriteiten en de rebellen. Het is duidelijk dat die mensen elkaar kennen. Maar ik wil niet eenzijdig een definitief oordeel uitspreken over één van de partijen, wetend dat dit koren op de molen is van degenen die zich door dat oordeel gesteund zien. Dat kan tot chaos leiden of zelfs tot een catastrofe.
We voeren een beleid van open, zeer intense en kritische dialoog met alle partijen in de regio. We hebben voortdurend contact met alle hoofdrolspelers. Dat is niet veranderd sedert de gebeurtenissen in Bukavu. De heer Mutton, speciale gezant van het departement voor de Grote Meren, heeft zich onmiddellijk ter plaatse begeven. Hij is momenteel in Goma waar hij vice-president Ruberwa en de vertegenwoordigers van MONUC wil ontmoeten. We ondernemen alle mogelijke diplomatieke stappen om het overgangsproces te redden.
Ons beleid is gericht op de ondersteuning van alle facetten van dat overgangsproces: hervorming van het leger, verkiezingen, verankering van de rechtsstaat, socio-economische ontwikkeling, enzovoort. We willen dat het overgangsproces slaagt.
Er is geen enkel element op basis waarvan we de Rwandese betrokkenheid op het hoogste niveau kunnen bevestigen. Mevrouw Durant zegt dat iedereen weet dat... Maar dat is niet zo! Ik vertrouw op de informatie waarover ik beschik.
Mevrouw de Bethune beweert dat MONUC die betrokkenheid bevestigt. Maar het is net omgekeerd: de woordvoerder van MONUC in Bukavu heeft gezegd dat hij de aanwezigheid van Rwandese soldaten in de stad niet kon bevestigen. Dat is dus volstrekt het tegenovergestelde van wat mevrouw de Bethune zegt.
Ik beweer niet dat er geen Rwandezen in de stad zijn, maar ik heb langdurig gesproken met Charles Murigande en ook met president Kagame, die die aanwezigheid ten stelligste ontkende.
President Kagame ontkent evenwel niet dat er contacten kunnen zijn met rebellenleider Nkunda. Door toedoen van de Rwandezen werd Nkunda er gisteren toe aangezet de autoriteiten van Kinshasa officieel, of althans publiekelijk, te erkennen. Ik wil hierover evenwel geen polemiek voeren. Daarvoor is deze zaak te ernstig.
Ter plaatste zijn alle ogen en oren gericht op België en op wat hier wordt gezegd. Het is normaal dat u in het parlement een eigen standpunt inneemt, maar als België in een officieel standpunt één van de partijen in het gelijk stelt of openlijk bekritiseert, kan dat ertoe leiden dat één van de partijen zich aldus gelegitimeerd voelt om over te gaan tot sancties, repressie of zelfs oorlog.
Stel u voor dat België zegt dat de Rwandezen zich moeten terugtrekken omdat zij de gebeurtenissen hebben veroorzaakt. Dat kan voor de Congolezen meteen een signaal zijn om zich tegen de Banyamulenge te keren. Wilt u een dergelijk risico nemen?
Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Mijnheer de minister, u moet de rollen niet omdraaien.
De heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken. - Ik heb u niets verweten, mevrouw de Bethune. Ik zeg alleen wat de grenzen zijn van wat politiek en moreel correct is in een bepaalde situatie. Ik wil geen risico's nemen.
Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Het is onze verantwoordelijkheid vragen te stellen. U moet de zaken niet omdraaien, want dat is ook politique politicienne. U moet antwoorden op de vragen.
De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Een vraag stellen zou niet politiek correct zijn!
De heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken. - Ik verwijt u niets, ik geef alleen de grenzen van onze actiemogelijkheden aan. Niemand kan mij ertoe bewegen een definitief oordeel uit te spreken over de oorzaak van het huidige conflict. Zo heb ik ook aan onze Congolese vrienden gezegd dat het overgangsproces niet tot een goed einde kan worden gebracht als één van de partijen wordt uitgesloten; RCD Goma moet betrokken worden bij het overgangsproces, want zonder hen kan in Congo geen stabiliteit worden bereikt.
U verwees naar de ontwikkelingssamenwerking. Onze ontwikkelingssamenwerking richt zich tot de Rwandese bevolking: bestrijding van armoede, het scheppen van de noodzakelijke socio-economische voorwaarden voor echte eenmaking zodat politieke vooruitgang kan worden geboekt met het oog op democratisering en respect voor de mensenrechten. De bevolking mag uiteraard niet het slachtoffer worden van het beleid van de machthebbers. Maar tegelijk waken we erover dat de landen uit de regio de vredesakkoorden in acht nemen en het beginsel van territoriale integriteit respecteren.
Deze boodschap wordt herhaaldelijk uitgestuurd naar al onze gesprekpartners en ik heb de heer Kagame vanochtend uitdrukkelijk gewaarschuwd voor de kolossale misstap die een inmenging van Rwanda zou betekenen.
Ik ben niet meer inschikkelijk voor een of andere partij; ik wil het overgangsproces redden waartoe wij zoveel hebben bijgedragen en waarin ik nog steeds geloof.
Wat mevrouw Durant ook moge beweren: er is geen sprake van een overhaast vertrek van onze militairen uit Congo. De 200 militairen, waaronder zich ook 10 Franse instructeurs bevinden, zijn belast met de opleiding van een geïntegreerde Congolese brigade voor vredesoperaties, hetzij drie opeenvolgende bataljons, elk samengesteld uit 800 manschappen afkomstig uit de verschillende eenheden die in de DRC gevochten hebben in de periode van de burgeroorlog. Die opleiding is zeer goed verlopen en loopt op 4 juni ten einde. Ons land heeft zich alleen verbonden tot de opleiding van die eerste brigade. Een 100 militairen zullen binnenkort vertrekken. De rest volgt later. Mijn collega Flahaut kan u daarover misschien meer bijzonderheden verstrekken. Alles gebeurt in samenspraak met de autoriteiten in Kinshasa. U weet dat we stilaan overschakelen naar een nieuwe vorm van partnerschap waarbij instructeurs worden opgeleid in Kinshasa. Minister Flahaut zal u daar zeker meer over vertellen.
Ik heb de verklaring van president Kabila over een eventuele Rwandese agressie genoteerd, maar ik kan die aantijgingen niet bevestigen. Ik beweer niet dat het niet waar is, maar ik kan die informatie niet bevestigen. Geen enkele van de partijen die betrokken zijn bij het vredes- en overgangsproces heeft er volgens mij belang bij om de situatie te verpesten; de Congolese regering nog het minst. Doen ze dat wel, dan brengen ze de overgang, de enige garantie voor vrede en stabiliteit, in gevaar en verkwanselen ze de aanzienlijke middelen die de internationale gemeenschap ter beschikking heeft gesteld om de overgang te doen slagen.
Op het ogenblik kan ik niet anders dan alle partijen oproepen zich achter het overgangsproces te scharen om het te doen slagen.
Het is bovendien al te gemakkelijk kritiek te geven op MONUC, die zoals mevrouw Lizin zei, met beperkte middelen moet opereren in een vijandige omgeving. Ik heb langdurig met de heer Swing gesproken en ik heb geprobeerd te achterhalen waarom MONUC niet tussenbeide is gekomen om de val van Bukavu te beletten. Ik heb hem gevraagd waarom patrouilles van rebellen en van MONUC in de straten van Bukavu patrouilleren, wat door de Congolezen niet op prijs wordt gesteld. Zijn antwoord was dat hij tot een oplossing probeert te komen door dialoog veeleer dan door een confrontatie, waarvoor hij de middelen niet heeft. Hij zei verder ook nog dat MONUC altijd zeer duidelijk geweest is over het mandaat en enkel naar de wapens grijpt in gevaarsituaties, wat nu het geval was.
MONUC heeft dus in de gegeven omstandigheden, naar zijn beste vermogen gehandeld. In de mate dat hun middelen dat mogelijk maakten hebben ze bijgedragen tot de bescherming van de bevolking en van de expatriates, waaronder een twintigtal Belgen die uit Bukavu konden worden geëvacueerd. MONUC handelde binnen het kader van haar mandaat, heeft waar mogelijk een buffer gevormd en probeert nu terug controle over de situatie te krijgen.
Ik heb de speciale gezant, de heer Mutton, naar de regio gestuurd om mij rechtstreeks zo goed en objectief mogelijk in te lichten. Wie Jan Mutton kent, weet dat hij ginder een zeer efficiënt netwerk heeft. Als het mogelijk is kan hij ook als bemiddelaar optreden. Hij zal mij eveneens adviseren in verband met maatregelen of initiatieven die moeten worden genomen.
We blijven in contact met alle actoren, met alle politieke instellingen en vertegenwoordigers op het hoogste niveau. Onze eerste minister heeft een gesprek gehad met president Kagame en ook gesprekken met de leiders van de regio. We zullen al het mogelijk doen om chaos te voorkomen en het overgangsproces te redden. We zijn trouwens niet zo ver verwijderd van een mogelijke oplossing. Ik hoop dat die er vlug komt.
Ik heb me ten volle voor deze zaak ingezet. Blijven blijk geven van sereniteit is absoluut noodzakelijk als men via dialoog en bemiddeling het vredeproces wil redden.
De heer André Flahaut, minister van Landsverdediging. - Ik volg de ontwikkelingen in Congo, meer bepaald op militair gebied, van zeer nabij.
In Bukavu is het momenteel rustig. In Kisangani heeft de commandant van de regio, generaal Padiri, de 7de Brigade en zijn eigen troepen ontplooid. Ook de presidentiële garde is ter plaatse, maar er is nog geen enkel incident gemeld. Er waren enkele betogingen, maar die waren kleiner dan gisteren. In Kinshasa loopt de betoging ten einde. Volgens onze informatie zijn er geen doden gevallen. De manifestatie was vooral gericht tegen gebouwen van de MONUC. In Bukavu, in Kisangani, in Kinshasa, noch elders werden Belgische militairen of burgers verontrust. Ze waren nooit het doelwit van de betogers.
Er waren geruchten over bewegingen van Rwandese troepen in Congo. Daarover werd zo-even nog in de Kamer gesproken. We hebben die informatie door verschillende inlichtingendiensten laten natrekken. Zoals de Rwandese minister van Defensie, die in België op bezoek is, gisteren nog heeft gezegd en zoals ook blijkt uit contacten tussen de Eerste minister, de minister van Buitenlandse Zaken en de Rwandese overheden, wijst niets op Rwandese troepenbewegingen in Congo.
Ons militair partnerschap met Congo bestaat in samenwerking op lange termijn, in het kader waarvan ook Congolese officieren en onderofficieren in België worden opgeleid. Begin dit jaar werd beslist hulp te bieden bij de opleiding van de eerste eengemaakte Congolese brigade voor vredesondersteuning en vredeshandhaving. De operatie ging begin maart in Kisangani van start. De Congolese overgangsautoriteiten stonden in voor de samenstelling van de brigade. Wij hebben gezorgd voor de Peace Support Operation-opleiding van de drie bataljons van die eerste brigade, die ongeveer drieduizend man telt.
We hebben voor die opleiding 200 mensen ter plaatse gestuurd, onder wie 100 instructeurs die tevens instonden voor onze veiligheid op Congolees grondgebied. Die veiligheid werd ook gegarandeerd door de MONUC, waarmee we kamp Simisimi in Kisangani delen.
Zodra de opleiding van de brigade van start ging, werd een tijdschema opgesteld. De Congolese overgangsautoriteiten wisten dus dat de operatie begin juni zou worden afgerond. Ze loopt dus ten einde. De overgangsregering heeft niet laten blijken dat ze wil dat we de missie voortzetten. Ze wil dat het partnerschap in een andere vorm wordt voortgezet. Wellicht begin augustus beginnen we met de opleiding van de opleiders zodat de operatie kan worden versneld en de overgangsregering nog vóór de volgende verkiezingen haar doelstelling kan halen, namelijk over dertig brigades kunnen beschikken. Daarvoor hebben we natuurlijk de steun van de internationale gemeenschap nodig. De Eerste minister heeft dat trouwens vanmiddag op de vergadering met de ambassadeurs van de Europese Unie nogmaals onderstreept.
Momenteel kan niets een verlenging van onze aanwezigheid in Kisangani rechtvaardigen. Het mandaat van de militairen die zich momenteel in Kisangani bevinden, heeft enkel betrekking op de opleiding. Zelfs als we ter plaatse blijven, kunnen we dus niet optreden om de orde te handhaven of de MONUC te ondersteunen. Door ter plaatse te blijven dreigen we nog meer verwarring te scheppen, wat zowel voor de lokale bevolking als voor ons personeel schadelijk is. Geen enkel signaal zet ons ertoe aan te blijven. Dat zou overigens een verkeerde indruk wekken bij de lokale bevolking en erop wijzen dat we de overgang afkeuren. De overgangsregering weet wat we hebben gerealiseerd, ze weet dat we ons zullen terugtrekken en ze weet wat we in de toekomst in een andere vorm zullen doen. De lokale bevolking kreeg en krijgt nog altijd informatie over de terugtrekking van de Belgische troepen in Kisangani. We volgen de evolutie ter plaatse op de voet. Wij zijn ginds aanwezig voor de opleiding, maar er zijn ook plannen om de veiligheid van onze onderdanen te garanderen. Die plannen worden geregeld geëvalueerd en kunnen, indien nodig, ten uitvoer worden gelegd.
Het gaat niet om een overhaaste terugkeer. Alles verloopt binnen de vooropgestelde termijn en volgens duidelijke regels over een periode van ongeveer veertien dagen. De troepen kunnen immers niet van vandaag op morgen worden gerepatrieerd.
De situatie wordt permanent geëvalueerd, zodat we desgewenst de nodige maatregelen kunnen nemen om de veiligheid van onze burgers te garanderen. Zo zullen we morgen aan de regering opnieuw verslag uitbrengen over de situatie, de evolutie en onze houding.
De voorzitter. - Elke fractie krijgt één minuut voor commentaar.
Mevrouw Isabelle Durant (ECOLO). - Minister Michel zegt dat hij een Rwandese inval niet kan bevestigen. Wie een vraag stelt of een standpunt inneemt, neemt niet noodzakelijk een onverantwoorde houding aan die tot oorlog leidt.
De heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken. - Ik vind dat wel.
Mevrouw Isabelle Durant (ECOLO). - Ik niet. Ik vraag trouwens niet om een unilaterale, definitieve en onherroepbare houding; ik vind alleen dat we niet blind mogen zijn voor wat de Congolese bevolking meemaakt. Mevrouw Lizin heeft dat in de commissie trouwens ook aangekaart. Wij hebben ervoor gekozen om de terugtrekking van de troepen uitdrukkelijk in het verslag te vermelden.
Men kan zijn afkeuring op een andere wijze laten blijken dan in een telefoongesprek. We kunnen tegenover Rwanda een houding aannemen die niet strikt neutraal is. Of het nu gaat om een bewuste strategie of om passiviteit vanwege de Rwandezen, voor de lokale bevolking is het resultaat hetzelfde.
Ik heb begrepen dat de opleidingsmissie van de Belgische troepen eind juni afloopt. We zijn nu begin juni. De minister zegt dat het gevaar bestaat dat onze troepen worden verward met de MONUC, mochten ze ter plaatse blijven. Ik denk daarentegen dat een voortijdig vertrek...
De heer André Flahaut, minister van Landsverdediging. - Het is geen voortijdig vertrek...
Mevrouw Isabelle Durant (ECOLO). - ... politiek kan worden uitgebuit en een zeer schadelijk en gevaarlijk signaal is nu de MONUC, bewust of onbewust, heeft gefaald. De Belgische troepen hadden moeten blijven tot de onderhandelingen over het toekomstige partnerschap waren afgerond. De bevolking zal onze houding opvatten als een blijk van zwakte. De minister weet hoeveel - soms te veel - die bevolking van ons land verwacht. Een voortijdig vertrek...
De heer André Flahaut, minister van Landsverdediging. - Dat is het niet.
Mevrouw Isabelle Durant (ECOLO). - U moet opnieuw onderhandelen. Waarom kunnen onze troepen in deze moeilijke omstandigheden niet langer blijven om de bevolking een signaal te geven?
De heer André Flahaut, minister van Landsverdediging. - De opleiding van de eerste brigade is binnen de vooropgestelde termijn voltooid. Ik zie geen enkele reden waarom we langer zouden blijven. We zijn met de overgangsautoriteiten overeengekomen dat we ons partnerschap in een andere vorm zullen voortzetten.
Mevrouw Isabelle Durant (ECOLO). - De situatie is nu zo uitzonderlijk dat we door een zekere aanwezigheid en een eventuele verlenging daarvan, moeten tonen dat de Belgische troepen...
De heer André Flahaut, minister van Landsverdediging. - Met welke opdracht? De troepen zijn gestuurd om een brigade op te leiden, niet voor vredeshandhaving.
Mevrouw Isabelle Durant (ECOLO). - Ik heb het over een symbool, niet over feiten.
De heer André Flahaut, minister van Landsverdediging. - De betrokken troepen zijn klaar met hun opdracht: de opleiding van de eerste brigade is voltooid en het partnerschap zal in een andere vorm worden voortgezet. We gaan nu de opleiders opleiden.
Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Het is goed nieuws te horen dat de Belgische regering diplomatieke inspanningen wil doen om de dialoog open te houden en het vredesproces te ondersteunen. We onderschrijven natuurlijk de vraag om het diplomatiek proces voort te zetten, maar wel met alle actoren en met de nodige krachtdadigheid, in het bijzonder ten aanzien van Rwanda, want dat is in het verleden niet genoeg gebeurd.
De minister van Buitenlandse Zaken sprak in zijn antwoord alleen over de initiatieven van de Belgische regering. België is echter te klein om het probleem alleen op te lossen. We vragen dan ook het probleem op de agenda van de Europese Raad en van de Verenigde Naties te plaatsen.
We moeten een versterking van de positie van de MONUC in Oost-Congo nastreven. We moeten waarborgen dat ze hoofdstuk VII van het mandaat, de bescherming van de burgerbevolking, effectief kan uitvoeren. We moeten er ook op aandringen dat het wapenembargo in de regio wordt gerespecteerd en wordt uitgebreid om de kiem van oorlog en geweld weg te nemen. Hiervoor zijn multilaterale initiatieven nodig.
De regering moet de evenementen van uur tot uur volgen en waken over de veiligheid van onze landgenoten, zowel coöperanten als militairen.
Wij staan achter het principe van de hervatting van de ontwikkelingssamenwerking met Rwanda. We steunen immers samenwerking met alle landen in de regio die deze steun nodig hebben, maar dat moet gepaard gaan met respect voor de mensenrechten en voor de democratie.
Wij betreuren dat minister Michel in zulke ernstige omstandigheden zo weinig intellectuele correctheid aan de dag legt. Hij wekt de indruk dat wij met onze vragen één partij met de vinger wijzen, wat niet onze bedoeling is. We dienen de democratie en de vrede door de juiste vragen te stellen. De minister faalt evenwel geregeld in zijn Afrikabeleid omdat hij de verschillende partners, meer bepaald Rwanda, niet met voldoende duidelijkheid aanspreekt. Ik kan genoeg voorbeelden opsommen: het verloop van de verkiezingen, het schenden van de Congolese territoriale integriteit tijdens de voorbije weken. Ik heb niet gezegd dat het vaststaat dat de Rwandese militairen in Bukavu zijn - ik hoop dat het niet zo is - maar de MONUC verklaarde wel dat enkele weken geleden Rwandese militairen de grens waren overgestoken. Omwille van de vrede in de regio moeten we erop toezien dat de territoriale integriteit wordt gerespecteerd. Het is te gemakkelijk te stellen dat wij, door vragen te stellen, de vrede in gevaar brengen. Dat doen we pas wanneer we de realiteit niet onder ogen durven te zien.
De voorzitter. - Mevrouw Nyssens heeft het woord, maar ik wijs er wel op dat de spreektijd moet worden gerespecteerd.
De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Mijnheer de voorzitter, ik vind het onaanvaardbaar dat het reglement wordt toegepast op de oppositie en de meerderheid vrij spel krijgt.
Mevrouw Clotilde Nyssens (CDH). - Ik heb minister Michel gevraagd welke initiatieven eventueel op Europees niveau zullen worden genomen. Ik heb geen antwoord gekregen. Minister Flahaut had het over een vergadering met de ambassadeurs van de Europese Unie waarop minister Michel vanochtend aanwezig was. Wat waren de inhoud en de conclusies van deze vergadering?
De heer André Flahaut, minister van Landsverdediging. - De eerste minister heeft vanochtend deelgenomen aan een vergadering met de ambassadeurs van de Europese Unie, waarop werd gesteld dat de internationale gemeenschap en de Europese Unie zich bij België moeten aansluiten om het Congolese leger zo snel mogelijk op te leiden. Mocht er een opgeleid Congolees leger geweest zijn, dan zouden zich minder incidenten hebben voorgedaan zoals die van vandaag. We hebben deze oproep op Europees niveau gelanceerd. We hebben de steun van de heer Solana, Frankrijk, Luxemburg, Nederland en Duitsland, maar er is nog enorm veel te doen.
Laat dit duidelijk zijn: binnen het departement Landsverdediging bestaan permanente plannen om onze onderdanen uit Congo of andere Centraal-Afrikaanse landen te evacueren. Die plannen kunnen op elk ogenblik worden geactiveerd, mochten echt problemen rijzen. Daar is nu geen sprake van. Men moet een onderscheid maken tussen die plannen en de opleidingsmissie van onze militairen. Voor de evacuatie zouden we andere militairen gebruiken.
Mevrouw Anne-Marie Lizin (PS). - Zoals mevrouw de Bethune zegt, moeten we de gemoederen bedaren. We moeten echter ook wijzen op de wettelijkheid van het akkoord en dus op de verplichting dat de legers, vooral het Rwandese leger, de grenzen respecteren.
Voor wie, zoals ikzelf, de regio kent, zegt de foto in La Libre Belgique alles. Het netwerk spant zich in voor de bescherming van de Banyamulenge. In het antwoord is niets gezegd over de nationaliteit. Die blijft cruciaal. Ik heb in 1977 op het kabinet van minister Simonet meegewerkt aan het vertrek naar en het mandaat voor Kolwezi. Welnu, de huidige sfeer en de capaciteit zijn anders. Met 250 manschappen en met de Fransen hebben we een uitzonderlijke operatie gerealiseerd. Nu heeft de MONUC 10.800 manschappen ter plaatse en gebeurt er niets. Dat is niet normaal voor een operatie van een dergelijke omvang. Het is onaanvaardbaar dat die internationale troepenmacht zo passief blijft.
De vraag naar de betaling van het Congolese leger is niet gesteld. Wie Bukavu kent, kent ook de sfeer en weet dat het leger niet wordt betaald. Men mag niet verwachten het zich tegen de vreemde, officiële Rwandese of para-Rwandese troepen zal verzetten. De foto van deze troepen in de pers is veelzeggend: ze zien er piekfijn uit, het gaat duidelijk om een gestructureerd leger en niet om een bende.
De vergoeding van de Congolese soldaten zal spoedig het belangrijkste probleem worden. Sommige buurstaten hebben waarschijnlijk zin om op dat vlak opnieuw hetzelfde ritme aan te nemen als ten tijde van president Mobutu. Heeft men zich daarover zorgen gemaakt?
De commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen komt na de stemmingen bijeen. De commissie moet voortaan op elk moment kunnen worden bijeengeroepen. De minister kan dan uitleg geven aan de betrokken parlementsleden. Zij zijn van mening dat de Belgische politieke krachten zich samen achter de regering moeten scharen. Daar zijn we, niet zonder moeilijkheden, ook in geslaagd ten tijde van de gebeurtenissen in Kolwezi, toen Tindemans de regering leidde.
Het is uiterst belangrijk dat België eensgezind blijft als er moeilijke beslissingen moeten worden genomen. In het buitenland kijkt men op ons toe. De commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen van de Senaat zal hopelijk de plaats worden waar de minister naar een consensus zal blijven zoeken.
De heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken. - Zodra ik op de hoogte was van de gebeurtenissen, heb ik de Europese Unie gevraagd om niet enkel het dossier te volgen, maar ook om een stelling in te nemen en tussenbeide te komen. Aldus heeft Javier Solana een onderhoud gehad met president Kagame om hem te waarschuwen tegen elke inmenging in de gebeurtenissen...
Mevrouw Anne-Marie Lizin (PS). - Mijnheer de minister, heeft president Kagame u gezegd dat hij bang was voor u?
De heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken. - Mevrouw Lizin, ik denk niet dat hij bang is voor mij, maar misschien wel voor u!
Ik ben het eens met mevrouw de Bethune dat het belangrijk is de goede vragen te stellen. Als zij me echter vragen stelt, moet ik ze beantwoorden en niet zij. Mevrouw de Bethune heeft haar mening, ik de mijne. Ik vind het in de huidige toestand wijzer de voorwaarden te scheppen voor een diplomatieke oplossing. Het proces mag niet leiden tot een confrontatie. Uiteraard moet de territoriale integriteit van Congo gerespecteerd worden.
De heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken. - Mevrouw Lizin heeft het probleem van de soldij van de militairen aangesneden.
Wij grijpen elke gelegenheid aan om dit probleem aan de orde te stellen. Wij hebben er reeds over gesproken met de heer Kofi Annan tijdens zijn bezoek aan België. We hebben zelfs voorgesteld om de nodige financiële middelen voor te schieten, nog voordat onze soldaten gestuurd werden. Het ging immers ook om de veiligheid van onze soldaten.
Aan mevrouw Nyssens wil ik zeggen dat wij dus onmiddellijk een beroep hebben gedaan op de Europese Unie. Wij weten heel goed dat wij het conflict niet alleen kunnen helpen oplossen. Wij hebben ook contact opgenomen met de Verenigde Naties. Uiteraard volgen we het dossier van uur tot uur.
Mevrouw Lizin zal ongetwijfeld elke gelegenheid aangrijpen om me uit te nodigen deel te nemen aan de werkzaamheden van de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen. Ik zal daar met genoegen de evolutie van de situatie toelichten en er mijn standpunt uiteen zetten.
We moeten absoluut vermijden aan de ene of de andere partij argumenten te bieden om een gespierde reactie te rechtvaardigen. Nu is het nog mogelijk om het probleem door onderhandelingen op te lossen.
Ik ga gedeeltelijk akkoord met de beschouwingen over de MONUC. Wij verschillen niet van mening over de manier waarop de MONUC te werk mag gaan met de middelen waarover ze beschikt. De MONUC is duidelijk geweest. Ze heeft duidelijk gezegd dat ze pas tussenbeide zal komen als haar leden in gevaar zijn, maar ze heeft nooit gezegd dat ze tussenbeide zal komen om de inname van een stad te verhinderen.
Ik heb aan onze vertegenwoordiger in New York gevraagd om een vraag te stellen over het mandaat van de MONUC. Ik wacht nog op informatie over dat punt.
Mevrouw Anne-Marie Lizin (PS). - De verkiezingen in Kosovo in november laatstleden zijn goed verlopen. Er vond geen geweld plaats, wat hoop gaf.
Toch lijken er nog problemen te zijn in verband met de georganiseerde misdaad en de zelfstandige ontwikkeling van het land - om niet te zeggen de eis van onafhankelijkheid. De internationale gemeenschap, die het semi-protectoraat van de regio sinds 1999 verzekert, wordt met die problemen geconfronteerd.
Sinds ik mijn vraag heb ingediend, is de situatie nog erger geworden, zowel door de incidenten tussen leden van de KFOR over Irak, als door de gebeurtenissen in Mitrovica en het ontslag van een Fin die verantwoordelijk was voor de troepen van de Verenigde Naties, maar die niet echt in staat was om de problemen in Kosovo op te lossen.
De situatie is zeer zorgwekkend. Drama's worden dikwijls pas ontdekt als het te laat is. Als er zich in 2005 zware problemen voordoen, zal de minister zich mijn vraag van vandaag herinneren.
De Europese Unie en de NAVO leveren inspanningen om de regio te stabiliseren, maar welke balans kunnen we maken van de rol die de internationale gemeenschap in de Balkan speelt?
Welke diplomatieke acties kunnen België en de Europese Unie trouwens ondernemen om een oplossing te vinden voor de huidige problemen van Kosovo? Alles wijst op de aanwezigheid van spanningen, mogelijke conflicten en het gevaar voor wraaknemingen. Het is normaal dat de rust pas negen of tien jaar na de bloedbaden van 1995 nog niet is hersteld.
Welke diplomatieke acties worden vandaag ondernomen om nieuwe toekomstperspectieven voor deze regio te openen, in overeenstemming van de resoluties van de Veiligheidsraad? Volgens die resoluties zouden we in 2005 tot een toestand moeten komen waarin het mogelijk is om aan de Kosovaarse bevolking de vraag te stellen welk statuut ze wensen voor hun regio, met inbegrip van de onafhankelijkheid.
De heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken. - Vijf jaar nadat resolutie 1244 in werking is getreden, is de balans over het algemeen positief, ook al zijn er nog belangrijke problemen. Door resolutie 1244 werd Kosovo, een gebied dat deel uitmaakte van het vroegere Joegoslavië - vandaag Servië en Montenegro - onder internationaal bestuur geplaatst.
Als positieve bijdragen van de internationale gemeenschap zijn er de oprichting van tijdelijke instellingen, de geslaagde lokale en parlementsverkiezingen, een omvangrijke overdracht van bevoegdheden van de Missie van de Verenigde Naties in Kosovo aan de voorlopige Kosovaarse instellingen, een verhoging van de veiligheid - ondanks soms zware incidenten -, de start van een rechtstreekse dialoog tussen Belgrado en Pristina over praktische problemen en de definitie van modellen van governance. De toepassing van die modellen zou het op termijn mogelijk moeten maken de discussie over het definitieve statuut van de provincie aan te vatten, zonder afbreuk te doen aan zijn Europese integratie.
Ondanks die positieve balans zijn er nog zeer veel problemen. De Servische Kosovaren boycotten dikwijls de voorlopige Kosovaarse instellingen en sturen de internationale gemeenschap veel verwijten toe. Hun frustraties worden gevoed door onopgehelderde daden van agressie waarvan ze het slachtoffer zijn, door belemmeringen van hun bewegingsvrijheid en door de moeizame terugkeer van mensen die wegens de oorlog waren weggetrokken. Ze vrezen dat ze zullen worden gemarginaliseerd in een onafhankelijk Kosovo - de wens van de Albanese meerderheid -, die ze ervan verdenken hun geen fundamentele rechten te willen waarborgen.
De rellen van 17 tot 19 maart 2004 hebben aangetoond hoe wankel de situatie in Kosovo nog altijd is. Het engagement van de internationale gemeenschap in Kosovo, of haar benadering `Standards Before Status' komen er echter niet door op losse schroeven te staan. Door het recente ontslag om gezondheidsredenen van de heer Harri Holkeri, de speciale vertegenwoordiger van de secretaris-generaal van de VN in Kosovo, begint een periode van onzekerheid in moeilijke omstandigheden.
Wat zijn de bedoelingen van België dat, met zijn 400 militairen in de provincie, zeer betrokken blijft? Er moet zo vlug mogelijk een opvolger worden gevonden voor de heer Holkeri. Die opvolger zal zich in de eerste plaats moeten wijden aan de rampzalige economische situatie ter plaatse. Dat zal gebeuren door een betere coördinatie met de voorlopige Kosovaarse instellingen en tussen de internationale instellingen, en ook door de privatisering spoedig weer op gang te brengen.
Een andere prioriteit van de opvolger van de heer Holkeri zal bestaan in de reorganisatie van de Missie van de Verenigde Naties in Kosovo om het beheer van de human resources te verbeteren en de kosten te doen dalen. De werking van de vier pijlers van de Missie moeten worden herbekeken. Die zijn: Justitie en Binnenlandse Zaken, Overheidsapparaat, OESO en Europese Zaken. Er moet ook op worden toegezien dat die vier onderdelen meer met de voorlopige Kosovaarse instellingen samenwerken.
Er moet zo vlug mogelijk een algemeen akkoord worden gesloten tussen de Servische en Albanese Kosovaren over de decentralisatie. Zonder dat akkoord bestaat het gevaar dat de Servische Kosovaren de parlementsverkiezingen in oktober 2004 boycotten.
Die verkiezingen vormen een echte uitdaging. De aanstelling van een nieuwe regering zal het debat over het definitieve statuut sterk aanwakkeren. De Albanese Kosovaren willen de onafhankelijkheid van Kosovo. Ze zijn beducht voor kunstgrepen van Belgrado en begrijpen niet waarom hun criteria voor de onafhankelijkheid worden opgelegd. Het zal voor de internationale gemeenschap moeilijk zijn om te zwijgen tot midden 2005, de datum die gepland is voor de evaluatie van de standaarden.
Een ander belangrijke moeilijkheid is Belgrado te betrekken bij de discussies over Kosovo. De situatie zal wellicht duidelijker worden na de presidentsverkiezingen in Servië.
Mevrouw Anne-Marie Lizin (PS). - Ik deel de mening van de minister dat we ons met het probleem moeten bezighouden. We zouden dat echter beter doen zonder de druk van ernstige conflicten. Als we naar de heer Rugova en de leden van de instellingen luisteren, blijkt jammer genoeg dat de verantwoordelijken, zowel van de Europese Unie als van de NAVO en de VN, geïsoleerd blijven in hun mandaat en in hun bureau. Ze komen niet naar buiten en behandelen de gekozenen niet als echte gekozenen van Kosovo. Ze blijven naar Belgrado gaan om over alles te onderhandelen. Kortom, de operatie van de NAVO van 1995 was compleet nutteloos: de Kosovaren hebben nog steeds niet het gevoel baas te kunnen zijn in hun eigen streek en zijn bezorgd over hun toekomst. Er werd niets gedaan op economisch of op sociaal vlak. De mijn van Trepca werd overgelaten aan de Serviërs. De Kosovaren zijn zwaar gefrustreerd. Ze begrijpen niet waarom een operatie zoals die van de NAVO in 1995 werd begonnen zonder tot een resultaat te leiden.
Mevrouw Albright is bezig iedereen te ontmoeten. In tegenstelling tot enkele andere Amerikaanse acties, is deze actie correct. Er is inderdaad continuïteit nodig. Als de Europeanen niet in staat zijn om continuïteit te verzekeren bestaat de kans, als president Bush niet wordt herkozen, dat mevrouw Albright de teugels weer in handen neemt en onmiddellijk paraat blijkt in dat dossier. We kunnen haar enkel aanmoedigen om door te gaan.
Slovenië is onafhankelijk. Er wordt gesproken over de toetreding van Bosnië tot de Unie, terwijl bepaalde groepen er in ernstige conflicten tegenover elkaar staan. Intussen wordt Kosovo aan zijn lot overgelaten! Dat is onduldbaar! We moeten ons echt met Kosovo bezighouden.
De voorzitter. - Ik stel voor deze mondelinge vragen samen te voegen. (Instemming)
De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Uit het rapport 2003 van de federale overheidsdienst Justitie dat dinsdag werd vrijgegeven, blijkt dat er 2,2 miljoen nieuwe processen-verbaal voor verkeerszaken werden uitgeschreven. Dit is een opmerkelijke stijging met 16 procent in vergelijking met 2002. Zo'n 1,5 miljoen overtreders kregen een overschrijvingsformulier om een boete te betalen. Ik heb niet kunnen vaststellen hoeveel boetes effectief werden betaald en wat er gebeurde met de boetes die niet werden betaald. Meer dan een half miljoen kwam ervan af zonder boete of veroordeling. Minder dan 10 procent moet zich verantwoorden voor de politierechter.
Toen we in de Senaat de verkeersboetewet hebben goedgekeurd, heb ik ervoor gewaarschuwd dat dit een Vlaamse belasting zou worden. Spijtig genoeg heb ik gelijk gekregen. Het valt immers op dat in Wallonië minder wordt beboet dan in Vlaanderen. Daarenboven zien we dat in een toptien van de parketten die weinig seponeren, maar twee Waalse gerechtelijke arrondissementen zitten en dat de Waalse arrondissementen vooral onderaan de lijst zijn terug te vinden.
Het parket-generaal en het college van procureurs-generaal moeten de criteria voor het vervolgingsbeleid vastleggen. De taalaanhorigheid behoort daar niet toe.
Kan de minister mij mededelen volgens welke criteria het seponeringsbeleid wordt georganiseerd en in welke mate er verschillen bestaan tussen de ressorten van de verschillende hoven van beroep en gerechtelijke arrondissementen?
Wat is de financiële opbrengst voor de Staat van de geïnde en uitgesproken verkeersboetes in 2003?
De heer Jean-Marie Dedecker (VLD). - Uit de statistieken van de Federale Overheidsdienst Justitie blijkt dat de parketten in het Waals Gewest ruim één derde - in Charleroi en Mons zelfs ruim de helft - van de verkeersovertredingen seponeren. Hierdoor bestaat een grote discrepantie met het seponeringsbeleid in het Vlaamse Gewest.
Van de 2.247.300 nieuwe zaken wordt in heel België 22,31 procent geseponeerd: in Wallonië 33,87 procent, in Brussel 15,38 procent en in Vlaanderen 19,09 procent.
Hoe verklaart de minister de discrepantie bij de afhandeling van verkeersovertredingen? Het gaat hier wel degelijk om een Vlaamse belasting. Immers, 83 procent van alle verkeersboetes wordt in Vlaanderen gegeven. Dat heeft uiteraard ook te maken met het gevoerde beleid. In Vlaanderen staan 1.004 flitspalen, in Wallonië 13, in Brussel 4. In Vlaanderen is er sprake van een soort heksenjacht.
Vorige week nog werd ik om 3.10 uur 's nachts geflitst toen ik 62 per uur reed waar ik maar 50 mocht rijden.
Ook zullen nog 94 flitspalen worden geplaatst op de autosnelwegen. Aangezien het merendeel van de 1.342 kilometer autosnelweg zich op Vlaams grondgebied bevindt, zal nog een bijkomende heksenjacht worden ontketend.
Welke overtredingen worden in het Waals Gewest het vaakst geseponeerd? Omvatten de geseponeerde overtredingen ook nog de parkeerovertredingen waarvoor geen retributie werd betaald? Zo ja, wat is hun aandeel in het Vlaamse, het Brusselse en het Waalse Gewest?
Een groot aantal boetes is immers niet in de statistieken opgenomen. In 2003 werd in Oostende - het koninkrijk van Johan Vande Lanotte - voor 800.735 euro retributie geïnd voor 32.029 boetes. Die werden niet in de statistieken opgenomen.
Zal de minister richtlijnen uitvaardigen om te komen tot een gelijkvormig seponerings-, afhandelings- en vervolgingsbeleid ter zake? Zo ja, welke richtlijnen? Zo neen, waarom niet?
Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Justitie. - Ik heb kennis genomen van de geciteerde cijfers. Meer politiecontroles en een doeltreffende gerechtelijke opvolging van die controles zijn een beleidsprioriteit van de regering.
Het zou echter verkeerd zijn om uit deze cijfers al te voorbarige of eenzijdige conclusies te trekken. De verschillen tussen de arrondissementen wijzen niet noodzakelijk op een strengere of minder strenge aanpak, maar kunnen te wijten zijn aan specifieke omstandigheden. Zo is het mogelijk dat in een bepaald arrondissement veel meer zware georganiseerde criminaliteit voorkomt en dat dit fenomeen een topprioriteit vormt.
Ook mogen we de betekenis van een seponering niet uit het oog verliezen: een seponering betekent immers niet dat een zaak zonder onderzoek wordt geklasseerd. Er moet tevens een onderscheid worden gemaakt tussen een technische seponering en een seponering om opportuniteitsredenen.
De cijfers zullen in elk geval grondig worden geanalyseerd en ik zal hierover met het college van procureurs-generaal van gedachten wisselen op onze eerstvolgende vergadering.
Uit de gegevens van de FOD Financiën blijkt dat in 2003 de Patrimoniumdocumentatie 240,7 miljoen euro aan bruto-ontvangsten heeft geïnd: 25,4 miljoen euro onmiddellijke inningen, 167,1 miljoen euro transactionele stortingen en 48,2 miljoen euro boetes van veroordelingen stricto sensu.
De onmiddellijke inningen vloeien volledig voort uit het wegverkeer. Dit geldt echter niet voor de transactionele stortingen en de boetes van de veroordelingen. De administratie beschikt momenteel niet over statistieken die het mogelijk maken te bepalen welke ontvangsten voortvloeien uit verkeersovertredingen.
Tijdens de superministerraad van 30 en 31 maart over justitie en veiligheid werden een paar beslissingen genomen die rechtstreeks betrekking hebben op de strafuitvoering. Het gaat onder meer om de oprichting van een zelfstandig orgaan dat zal worden belast met de invordering van geldelijke gerechtelijke maatregelen. Er werd ook beslist een werkgroep op te richten die voorstellen moet doen om dit orgaan functioneel te maken.
Het is dus nog te vroeg om mede te delen hoe het orgaan zal werken of welke precieze bevoegdheden het zal krijgen. Nu reeds werd echter beslist het onder meer te belasten met de invordering van de onmiddellijke inningen, de minnelijke schikkingen, de geldboetes en de gerechtskosten die door de rechtbanken worden opgelegd.
De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - De vice-eerste minister heeft een algemeen antwoord gegeven op onze nochtans precieze vragen. Ik heb er natuurlijk begrip voor dat de statistieken verder moeten worden geanalyseerd, maar de cumulatie van ongelijkheden gaat steeds in dezelfde richting. Op deze opmerking heeft de minister niet geantwoord.
Ook met betrekking tot de verkeersboetes speelt dus het Mattheüseffect: wie weinig heeft, zal nog minder krijgen. In Vlaanderen staan meer flitspalen, de boetes zijn er exuberant in vergelijking met de straffen voor andere delicten en daarenboven wordt er massaal overgegaan tot inning, alsof bijvoorbeeld niet ook strijd moet worden geleverd tegen de georganiseerde criminaliteit in Antwerpen.
Met andere woorden, de wet wordt onevenwichtig toegepast, met daarenboven een dreigende nieuwe transfer van Vlaanderen naar Wallonië. Daarom moet de wetgeving dringend worden gewijzigd en het beleid bijgestuurd.
De heer Jean-Marie Dedecker (VLD). - Ik heb geen antwoord gekregen op mijn vraag over de discrepantie in het seponeringsbeleid en of hiertegen in de toekomst zal worden opgetreden. Deze vaststelling wordt immers jaarlijks herhaald. Dat is terug te vinden in de verslagen over onze werkzaamheden.
Door het repressieve beleid in Vlaanderen wordt de discrepantie nog groter. Ik herhaal dan ook mijn vraag: waarom wordt in Wallonië percentsgewijze tweemaal zoveel geseponeerd als in Vlaanderen?
Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Justitie. - Ik heb al gezegd dat seponeren het gevolg kan zijn van een verschillend beleid. Seponeren kan ook deel uitmaken van een actieve strijd tegen verkeersovertredingen.
Wij onderzoeken die verschillen. De gespecialiseerde magistraten zijn begin mei bijeen gekomen om een consensus uit te werken over de manier waarop zij zullen werken. Dat gebeurt in overleg met de experts en het college van procureurs-generaal. Wij zullen aantonen dat wij stilaan komen tot een homogene werkwijze. We mogen uit die cijfers nu niet concluderen dat men op bepaalde plaatsen lakser optreedt. Dat is niet juist.
Het is duidelijk dat een homogene werkwijze de efficiëntie van de vervolging en behandeling van de inbreuken zal vergroten.
Mevrouw Mia De Schamphelaere (CD&V). - Gisteren werd bekendgemaakt dat één of meer kamers van het Hof van Beroep te Gent het werk dreigden stil te leggen indien er niet gauw een uitbreiding kwam van het kader van raadsheren. Momenteel zijn er 50 effectieve raadsheren en twee in overtal, maar verschillende raadsheren zijn al een tijd ziek. Voor de rest van dit jaar zijn er nog 22 assisenzaken gepland, wat 44 effectieven zal opslorpen. Met het proces tegen de vzw's rond het Vlaams Blok zijn tevens drie raadsheren drie maanden lang bezig geweest.
In januari weigerde men voor Antwerpen hetzelfde te doen als voor het Hof te Bergen en de rechtbank van Charleroi, namelijk de bijkomende raadsheren benoemen die volgens de MUNAS-studie nodig waren. Voor Gent waren er dat 7, voor Antwerpen 19. Op 5 februari heeft de minister in de kamercommissie voor de Justitie gezegd dat er gepraat werd met het Hof te Antwerpen om het gevraagde aantal - dus 19 - toe te voegen. Intussen zou er een akkoord zijn met het Hof te Antwerpen, maar er is nog steeds geen duidelijk omlijnd wetsontwerp ingediend tot wijziging van de wet van 3 april 1953 betreffende de rechterlijke inrichting en dit is wel nodig voor de uitbreiding van het kader.
Wanneer komt de regering met een wetsontwerp houdende de uitbreiding van het kader te Antwerpen? Hoeveel raadsheren zal Antwerpen er uiteindelijk bij krijgen en voor wanneer wordt de effectieve uitvoering van het akkoord gepland?
Wat is het standpunt van de minister over de situatie bij het Gentse Hof van Beroep? Bestaan er ondertussen soortgelijke besprekingen voor het Hof te Gent? Wat is de stand van zaken en wordt dit kader binnenkort herzien?
Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Justitie. - Ik zal herhalen wat ik al heb gezegd tegen de eerste voorzitter van het Hof van Beroep te Gent.
Een: ja er is een tekort aan magistraten in de ressorten van elk hof van beroep in België.
Twee: onze werkmethode is nu gekend. We werken met samenwerkingsakkoorden.
Drie: momenteel is het werk gedaan voor Brussel, Antwerpen en Dendermonde. Het wetsontwerp moet in juni 2004 door de ministerraad worden goedgekeurd. Waarom juni? Uit respect voor het engagement dat het wetsontwerp tegelijk over Brussel, Antwerpen en Dendermonde zou gaan.
Vier: de onderhandelingen met Gent en Luik zijn gepland na het einde van de onderhandelingen over de eerste drie protocollen.
Vijf: de eerste voorzitter van Gent wist dat de start van de discussie over Gent in juni 2004 gepland was. Ik heb de gewoonte mijn engagementen te respecteren.
Mevrouw Mia De Schamphelaere (CD&V). - Ik heb me precies gehouden aan de vragen die ik had ingediend en die gingen ook over het wetsontwerp dat komende is. Hoeveel bijkomende raadsheren zullen er precies naar Antwerpen gaan? De minister weet ook dat een benoemingsprocedure ongeveer negen maanden in beslag neemt. Als het ontwerp in juni wordt goedgekeurd in de ministerraad, is het dan nog mogelijk het vóór het zomerreces gestemd te krijgen? Wil men in het werkingsjaar 2005 van start gaan met het bijgevoegd kader, dan is het nu hoog tijd dat we de inhoud van het wetsontwerp met betrekking tot Antwerpen kennen. Hoeveel bijkomende raadsheren zijn er voor Antwerpen gepland?
Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Justitie. - U zult het antwoord krijgen wanneer ik het wetsontwerp zal indienen.
Ik kan al wel zeggen dat er in zes raadsheren wordt voorzien voor Antwerpen en dit zonder enige voorwaarde. In een eerste fase zullen er daar nog eens drie bij komen en in een tweede fase nog eens drie. Dat maakt in totaal twaalf raadsheren.
Er worden ook maatregelen getroffen voor de griffie, het administratief personeel, het materiaal en, voor Brussel, bijvoorbeeld, voor de gebouwen. De maatregelen verschillen van plaats tot plaats. Alles hangt af van de dialoog die wij hebben met de hoven van beroep. Er worden telkens akkoorden afgesloten tussen de korpschefs en mezelf. Die verschillen naargelang de behoeften op het terrein.
Ik heb het protocol voor Antwerpen nu niet bij me, maar alles zal uiteraard worden opgenomen in het wetsontwerp dat nog deze maand naar de Raad van State wordt gestuurd.
Mevrouw Clotilde Nyssens (CDH). - Met veel belangstelling heb ik vanochtend in de pers kennis genomen van een UCL-onderzoek over de gezondheid in de gevangenissen. Dat artikel was voor mij zeer leerzaam. Ik denk dat het de moeite loont om daarop in de commissie dieper in te gaan.
Eén gevangene op tien raadpleegt dagelijks de gevangenisarts en geen externe arts zoals het gevangenisreglement toestaat. In het licht daarvan had ik graag van de minister vernomen welke fasen zij in haar beleid onderscheidt.
De minister had rondetafelconferenties aangekondigd met de minister van Sociale Zaken en van Volksgezondheid om de toestand voor de gevangenen te verbeteren. Hebben die vergaderingen al concrete resultaten opgeleverd? Kunnen er al besluiten worden getrokken?
Uit de studie blijkt dat het medische aanbod niet toereikend is voor de gevangenisbevolking en dat de overbevolking de oorzaak is van de slechte gezondheid van de gevangenen. Volgens de studie lijdt de gezondheid van de gevangenen onder de slechte slaapomstandigheden, de claustrofobie en het veelvuldige geweld. Veel gevangenen worden depressief en zo gaat hun gezondheid erop achteruit.
Werd er met het oog op de verbetering van de dagelijkse medische zorg overleg gepleegd met de geneeskundige diensten van de strafinstellingen, zoals werd aangekondigd in de beleidsnota van november 2003? Ik weet niet of het onderzoek dat in de Franstalige uitgave van de Artsenkrant werd gepubliceerd, in opdracht van de minister werd uitgevoerd, maar vraag me wel af of er een verband bestaat met haar beleid?
Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Justitie. - De geneeskundige verzorging van de gevangenen is een complexe zaak. Er zijn immers verschillende partners bij betrokken, waaronder de minister van Volksgezondheid en van Sociale Zaken en het RIZIV.
De ministerraad van 30 en 31 april heeft besloten een technische werkgroep op te richten die zal worden samengesteld uit ambtenaren van de federale openbare diensten Justitie en Sociale Zekerheid en van het RIZIV. Die werkgroep is belast met het verdere onderzoek van sommige RIZIV-financieringsmechanismen. Hij moet zich onder meer buigen over de problematiek van de verzekerbaarheid in het algemeen, over het specifieke probleem van de eerste dagen van vrijheidsberoving, het probleem van de overdraagbare ziekten, het remgeld en het al dan niet forfaitaire karakter van de zorgverstrekking, waarbij dan eventueel nog een onderscheid kan worden gemaakt tussen de zorgverstrekking in en buiten de gevangenis.
Die werkgroep moet tegen einde 2004 een eerste omstandig verslag voorleggen.
Het huidige aanbod aan eerstelijnszorg beantwoordt aan de minimumvereisten, maar de behandeling en de verzorging van zieke of opgenomen gevangenen kunnen nog worden verbeterd. Er moet worden onderzocht in welke mate de bouw van een medisch en chirurgisch centrum een oplossing kan zijn.
Het klopt dat er rondetafelconferenties hebben plaatsgevonden met medewerkers van justitie en met gevangenispersoneel om een klaardere kijk te krijgen op bepaalde problemen. Onder andere kwam de medische verzorging ter sprake. Afvaardigingen van artsen, psychiaters, verpleegkundigen, directie en penitentiaire beambten hebben aan die rondetafels deelgenomen. Wij hebben dus een pak informatie verzameld, die nu wordt geanalyseerd en vervolgens kan worden opgenomen in een budgettair meerjarenplan. Dit plan moet aansluiten bij de conclusies van het overleg dat moet plaatsvinden met de vakbonden ingevolge de twaalf rondetafelgesprekken die in de verschillende strafinrichtingen hebben plaatsgevonden.
Mevrouw Clotilde Nyssens (CDH). - Ik neem er akte van dat de technische werkgroep tegen het einde van het jaar een nota zal voorleggen. Hopelijk worden er positieve maatregelen genomen.
De parlementsleden ontvangen massaal veel brieven van gevangenen die zich in de eerste plaats beklagen over gezondheidsproblemen. Een groot aantal ervan zou betere verzorging willen krijgen. Sommige artsen doen wat ze kunnen, maar hun bezoldiging is eveneens een probleem.
Het is hoog tijd dat dit dossier wordt aangepakt. Ik weet wel dat alles om geld draait, maar ik heb al te veel gevangenen met zware gezondheidsproblemen ontmoet.
De voorzitter. - Mevrouw Fientje Moerman, minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid, antwoordt namens mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Justitie en de heer Didier Reynders, minister van Financiën.
Mevrouw Christel Geerts (SP.A-SPIRIT). - Met belangstelling heb ik vastgesteld dat de Dienst voor Alimentatievorderingen nu definitief van start is gegaan.
Zelf heb ik de gewestelijke zetel van die dienst in Antwerpen bezocht en heb er kunnen kennismaken met een gemotiveerd en goed opgeleid team van vier personeelsleden.
Er zijn blijkbaar evenwel nog diverse vragen inzake de samenwerking tussen de diensten voor Alimentatievordering en de OCMW's.
De sociale diensten van de gecontacteerde OCMW's uitten hun bekommernis over de laattijdigheid van de officiële informatie over de opstart van de Dienst voor Alimentatievorderingen. Sommigen hadden de informatie pas op 1 juni ontvangen.
Bovendien blijken er ook nog heel wat vragen te zijn over de samenwerking tussen de OCMW's en de Dienst voor Alimentatievorderingen.
Ik heb een aantal concrete vragen.
Op welke wijze werden de OCMW's geïnformeerd over de oprichting van die nieuwe dienst?
Welke procedures zijn er vastgelegd voor de overdracht van de dossiers? Wat gebeurt er met de dossiers die het OCMW nog aan het invorderen is? Worden die overgedragen aan de Dienst voor Alimentatievorderingen?
De OCMW's kunnen geen invorderingen meer doen. Is in een procedure voorzien voor de recuperatie van de uitbetaalde voorschotten voor niet betaalde alimentatiegelden? Blijft de federale subsidie aan de OCMW's bestaan? Zo ja, is dat dan aan 90 of 95% van de uitbetaalde voorschotten?
Zijn er afspraken inzake dossierbeheer voor diegenen die bij het OCMW terecht kunnen voor hun voorschotten voor niet betaalde alimentatiegelden en die tegelijkertijd hun dossier moeten indienen bij de dienst voor alimentatievorderingen? Ik vrees namelijk dat mensen die het al moeilijk hebben en die al een procedure hebben doorlopen, bij twee instanties moeten aankloppen en twee dossiers moeten samenstellen.
Tot slot wou ik de minister ook nog vragen wat de evaluatie- en opvolgingsprocedures zijn.
(Voorzitter: de heer Hugo Vandenberghe, ondervoorzitter.)
Mevrouw Fientje Moerman, minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid. - De communicatie ten behoeve van de OCMW's verloopt via verschillende kanalen. Aan de OCMW's worden de brochures en de folders toegestuurd die bestemd zijn voor het publiek. Op vraag van en in samenwerking met de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten werden voordrachten gehouden in Torhout, Drongen, Hasselt, Ternat en Antwerpen. De Franstalige tegenhanger van de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten heeft een dergelijk verzoek niet geformuleerd.
De Programmatorische Overheidsdienst Maatschappelijke Integratie heeft een omzendbrief verstuurd met richtlijnen voor de OCMW's. Die omzendbrief draagt als datum 18 mei 2004 en is onder meer terug te vinden op de website van Maatschappelijke Integratie, http://ocmw.fgov.be.
Voor de antwoorden op de vragen twee en drie verwijs ik naar twee koninklijke besluiten van 25 mei 2004, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 28 mei 2004 en in de zojuist vermelde omzendbrief van de POD Maatschappelijke Integratie.
Ik vestig bovendien de aandacht op artikel 342 van de programmawet van 22 december 2003 dat betrekking heeft op de federale subsidie ten voordele van de OCMW's. Volgens dat artikel worden de voorschotten die door de OCMW's sinds 1 januari 2002 werden toegekend voor 95% terugbetaald. De voorschotten die vóór 1 januari 2002 werden toegekend, worden voor 90% terugbetaald.
Aan de OCMW's wordt gevraagd om de onderhoudsgerechtigden te informeren omtrent de mogelijkheid een beroep te doen op de Dienst voor Alimentatievorderingen voor de invordering van het saldo van het onderhoudsgeld, indien het bedrag van het onderhoudsgeld hoger is dan het door het OCMW toegekende voorschot. Ook dat staat in de voormelde omzendbrief van 18 mei 2004 en is conform artikel 29bis van de wet van 21 februari 2003, ingevoegd door de programmawet van 22 december 2003.
De Dienst voor Alimentatievorderingen zal de OCMW's eveneens op de hoogte brengen van de betalingen door de onderhoudsplichtige zodat zij, in voorkomend geval, de betaling van voorschotten aan de onderhoudsgerechtigde kunnen stopzetten, overeenkomstig de OCMW-wetgeving.
De evaluatie van de werking van de Dienst en van de wetgeving terzake behoort tot de taak van de evaluatiecommissie, voorzien in artikel 29 van de wet van 21 februari 2003. Een koninklijk besluit betreffende de samenstelling en de werking van die commissie, werd voor advies aan de verschillende instanties voorgelegd. De evaluatiecommissie zal bestaan uit een aantal ambtenaren en externe personen. Eén van de eerste taken zal erin bestaan een evaluatieplan op te stellen dat alle te evalueren punten zal bevatten en de wijze zal bepalen waarop de evaluatie zal gebeuren.
Zoals in de wet bepaald zal de evaluatiecommissie het evaluatieverslag bezorgen aan de minister van Financiën en de minister van Begroting die het, in voorkomend geval aangevuld met opmerkingen, zullen voorleggen aan de federale wetgevende kamers.
Mevrouw Christel Geerts (SP.A-SPIRIT). - De minister zegt in haar antwoord dat de commissie zal bestaan uit ambtenaren en externen. Wie bedoelt ze met die laatsten?
Mevrouw Fientje Moerman, minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid. - Met externen worden uiteraard mensen bedoeld die geen deel uitmaken van de diensten voor alimentatievorderingen. Wie het zijn en in welke hoedanigheid zij daar optreden, is nog niet bepaald. Het koninklijk besluit dat dit moet regelen is op het ogenblik immers nog maar alleen voor advies aan verschillende instanties voorgelegd.
Mevrouw Christel Geerts (SP.A-SPIRIT). - Ik stel die bijkomende vraag omdat het Platform Alimentatiefonds erop aandringt om verenigingen van het middenveld bij de evaluatiecommissie te betrekken.
Persoonlijk vind ik het ook erg nuttig om de stem van de lokale overheden te horen.
Mevrouw Fientje Moerman, minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid. - De tekst van het ontwerp van koninklijk besluit zit niet in het dossier dat mijn collega mij heeft bezorgd. Ik kan dus niet zeggen wie de voorgestelde externe personen zijn en of zij qualitate qua al in het koninklijk besluit worden genoemd. Ik stel voor die vraag te stellen aan minister Reynders, aangezien hij hiervoor bevoegd is.
De voorzitter. - Mevrouw Fientje Moerman, minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid, antwoordt namens de heer Johan Vande Lanotte, vice-eerste minister en minister van Begroting en Overheidsbedrijven.
De heer Hugo Coveliers (VLD). - Ik apprecieer natuurlijk dat minister Moerman mijn vraag wil beantwoorden, maar stel me tegelijk de vraag wat de zin is van vragen aan een minister als die ze toch niet zelf beantwoordt. Over het casino van Brussel heb ik al twee ministers ondervraagd. Minister Onkelinx heeft me terdege geantwoord, maar het antwoord van minister Vande Lanotte bevatte minstens enkele onnauwkeurigheden, waarmee ik hem vandaag graag had geconfronteerd. Maar blijkbaar heeft de minister vandaag andere dingen te doen dan zijn federaal mandaat uit te oefenen.
De gunning van een casino is geen alledaagse kwestie in ons land. Lange tijd hebben we er maar acht gedoogd: vier aan de Vlaamse kust en vier in de Waalse Ardennen. Nu komt er een negende bij in Brussel. De aanbesteding daarvoor is rond en de kandidaturen zijn al binnengekomen.
Wat mij daarin verbaast is dat de Nationale Loterij, waarvan de overheid tot nader order nog altijd meerderheidsaandeelhouder is, nu ook als medespeler op het terrein komt. Toen ik de minister daarover ondervroeg, antwoordde hij dat de Nationale Loterij de nodige expertise had ingehuurd om informatie in te winnen over mogelijke partners, waaronder Eurocasino. Dat bestaat uit Holland Casino, dat alleen casino's in Nederland uitbaat en daar voor heel wat problemen zorgt, en Roularta, Fortis en diverse andere actoren. Andere mogelijke partners waren Austrian Casino en nog twee andere, waarvan de naam mij op het ogenblik niet te binnen schiet.
Er zijn verschillende expertises gemaakt. De ene concludeerde dat Eurocasino niet de beste keuze was, een Franse hoogleraar noemde Holland Casino de beste kandidaat, maar hij baseerde zijn studie onder andere op buitenlandse vestigingen van Holland Casino die op deze aardbol jammer genoeg niet te vinden zijn.
Nu blijkt dat op 21 april, één dag voor het sluiten van de concessie, een geheime intentieverklaring is getekend door de Nationale Loterij, met name door de voorzitter van de raad van bestuur, die man wiens naam vroeger Emiel was maar die nu Joseph-Emile Vandenbosch heet! Die heeft een overeenkomst gesloten, die niet alleen weinig transparant is, maar ook heel wat vragen oproept. Ze bepaalt bijvoorbeeld dat de Nationale Loterij na de koop eenzelfde aandelenpercentage zal bezitten als Holland Casino.
In de groep Eurocasino participeert niet alleen Holland Casino, maar ook enkele andere aandeelhouders. Dat betekent dat de Nationale Loterij een minderheidsparticipatie in Eurocasino zou verwerven. Dat is niet toegelaten. Immers, artikel 6, §2, van de wet op de Nationale Loterij en artikel 5, §2, van de eigen statuten van de Nationale Loterij bepaalt dat de Nationale Loterij kan participeren in andere vennootschappen voor zover de Nationale Loterij of de Staat rechtstreeks of onrechtstreeks via een overheidsbedrijf alleen of gezamenlijk de meerderheid van de aandelen en de daaraan verbonden stemrechten in de algemene vergadering bezit alsmede de meerderheid der mandaten in de raad van bestuur. In Eurocasino kan de overheid onmogelijk die participatie verwerven. Het gaat dus niet om externe expertise, zoals minister Vande Lanotte de vorige keer heeft geantwoord.
Bovendien kan enkel een minderheidsparticipatie worden verworven. Hoe kan dat wettelijk verantwoord worden? Er wordt een minderheidsparticipatie verworven in een vennootschap die hoogstwaarschijnlijk een spelinrichting van klasse 1 zal uitbaten. Daartegenover staat dat de activiteiten van de naamloze vennootschap Nationale Loterij limitatief worden opgesomd in haar statuten: de organisatie van openbare loterijen, de organisatie van kansspelen in de vormen en volgens de modaliteiten door de Koning bepaald, bij een besluit vastgesteld na overleg in ministerraad, op voordracht van de minister en de minister van Justitie en na advies van de kansspelcommissie, organisatie van weddenschappen en wedstrijden, verdeling en bestemming van haar winst, alle activiteiten die haar diensten bevorderen of het gebruik van haar infrastructuur mogelijk maken.
Hoe valt het akkoord te rijmen met die wetgeving? Er werd ook geen advies van de kansspelcommissie gevraagd.
Ik heb ook de theorie gehoord van de aansprakelijkheid van de overheid, zonder dat het aansprakelijke orgaan moet worden aangeduid. De Belgische Staat loopt risico's in verband met de toegestane concessie. De samenstelling van het aandeelhouderschap van Eurocasino is onzeker geworden sinds 22 april 2004 want op 21 april 2004 heeft de Nationale Loterij een geheime overeenkomst gesloten en heeft ze een deel van Eurocasino opgekocht. Bij de concessie zou Eurocasino onjuiste gegevens hebben verstrekt over zijn samenstelling. Dat is natuurlijk niet alleen in strijd met de Belgische, maar ook met de Europese regelgeving inzake openbare aanbestedingen.
De aanbesteding wordt met bijzonder grote aandacht gevolgd door de vier mogelijke partners. Waarschijnlijk zullen ze niet nalaten om alle wettelijke middelen uit te putten.
Is de minister van mening dat de Nationale Loterij op een bijzonder gevaarlijke manier participeert in de veronderstelling dat het noodzakelijk is dat de Nationale Loterij in het casino participeert?
Mevrouw Fientje Moerman, minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid. - Op een deel van de vraag werd reeds geantwoord naar aanleiding van een andere vraag van de heer Coveliers op 4 maart 2003, waarnaar vraagsteller overigens zelf heeft verwezen.
De Nationale Loterij heeft met alle kandidaat-uitbaters van het casino te Brussel verkennende gesprekken gevoerd. Op basis van een uitgebreid rapport van een onafhankelijke consultant heeft ze besloten om met een van die kandidaten concrete onderhandelingen te voeren over een eventuele deelname in het project. Het enige akkoord dat thans met die kandidaat-exploitant is gesloten, is een vertrouwelijkheidsovereenkomst. Mochten de onderhandelingen niet tot een aanvaardbaar resultaat leiden dan kan de Nationale Loterij alsnog gesprekken aanvatten met een of meer andere gegadigden.
Er is geen sprake van het bevoordelen van één kandidaat. De Nationale Loterij heeft haar keuze gebaseerd op objectieve en relevante criteria, waarbij alle kandidaten op gelijke voet worden behandeld. Een gebeurlijke deelname in het project zal gebeuren onder marktconforme voorwaarden.
Alvorens enige concrete stappen in het dossier te doen, heeft de Nationale Loterij zich overigens diepgaand beraden en ook juridisch consult ingewonnen over alle mogelijke juridische consequenties van haar gebeurlijke deelneming en van haar beslissing om met één kandidaat gesprekken aan te knopen.
Bovendien kan de Stad Brussel bij haar beslissing om de opdracht toe te wijzen aan een welbepaalde kandidaat geen rekening houden met de aanwezigheid van de Nationale Loterij, aangezien die in het geheel nog niet vaststaat. Er rijzen dan ook geen problemen op dat vlak.
De verantwoordelijkheid van de Belgische Staat komt hier niet ter sprake. De Nationale Loterij is een naamloze vennootschap van publiek recht met een van de Staat afgescheiden rechtspersoonlijkheid.
De heer Hugo Coveliers (VLD). - Ik richt mijn opmerkingen via minister Moerman aan minister Vande Lanotte, die wellicht dit antwoord heeft geformuleerd.
Natuurlijk heb ik al een gedeelte van die vraag gesteld. Merkwaardig genoeg verschilt het verstrekte antwoord dat de minister nu verstrekt, van wat destijds werd geantwoord.
Mocht de stelling van minister Vande Lanotte juist zijn, dan vraag ik mij af waarom in een vertrouwelijke nota aan de leden van de raad van bestuur van de Nationale Loterij van 6 april 2004 moet worden geschreven wat volgt: "Rekening gehouden met de tijdsdruk worden de leden verzocht om schriftelijk en ten laatste op maandag 19 april hun goedkeuring of eventuele opmerkingen mede te delen. Zowel de aandeelhouders van Eurocasino als de vertegenwoordigers van de Nationale Loterij achten het immers van groot belang dat de tekst zou kunnen worden ondertekend voor 22 april 2004. Dit is de datum van afsluiting voor het indienen van de offertes. Dit kan geschieden via het faxnummer..." Onderaan lees ik: "Het spreekt voor zich dat de huidige documenten uiterst vertrouwelijk zijn." Dat had er beter niet op gestaan, want daardoor precies komen ze in omloop.
De procedure van toewijzing voorziet in drie fasen, waarin men zich telkens kan terugtrekken. Mocht dat dan toch zo onbelangrijk zijn, waarom moet een en ander dan nog vóór de datum voor het indienen van de concessie worden afgesloten?
Ik vrees dat er een procedure zal worden ingespannen, nadat de Stad Brussel de concessie heeft toegewezen. Het zou dus wel eens kunnen dat de Belgische Staat via de Nationale Loterij gedurende enige tijd geen culturele evenementen meer moet subsidiëren, maar wel schadevergoeding zal mogen betalen aan afgewezen kandidaat-concessionarissen.
Ik vind dat geen daad van goed bestuur.
De voorzitter. - Mevrouw Fientje Moerman, minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid, antwoordt namens de heer Patrick Dewael, vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken.
Mevrouw Christiane Vienne (PS). - Naar ik verneem, worden ambulanciers die een opdracht uitvoeren steeds vaker door de politie bekeurd in hoofde van de artikelen 5 en 76.1 van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende het algemeen reglement op de politie van het wegverkeer.
Het is onbegrijpelijk en ontoelaatbaar dat een zieke nadeel zou ondervinden omdat ambulanciers die een opdracht uitvoeren, bang zijn een verkeersboete te krijgen.
Nochtans zouden er in 2003 contacten geweest zijn tussen de regering en de representatieve organisaties van de betrokkenen.
Besteedt het departement van de minister aandacht aan dit dossier?
Wat is de stand van zaken op dit ogenblik en welke maatregelen werden eventueel al genomen?
Mevrouw Fientje Moerman, minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid. - Minister Dewael vraagt me u mee te delen dat hij vorige week al geantwoord heeft op een vraag van mevrouw Van de Casteele over hetzelfde onderwerp.
Prioritaire voertuigen moeten in de mate van het mogelijke het verkeersreglement respecteren. Na contacten met de FOD Mobiliteit en Vervoer en met de federale politie heeft de minister een rondzendbrief opgesteld over het gebruik van de blauwe knipperlichten en/of het speciale geluidstoestel voor de prioritaire voertuigen die een dringende opdracht uitvoeren.
Deze rondzendbrief somt de gevallen op waarin prioritaire voertuigen een stoplicht kunnen negeren. De rondzendbrief, die door de minister op 18 mei jongstleden werd ondertekend, werd verzonden naar de plaatselijke besturen en ook de minister van Justitie zal een kopie krijgen voor informatie.
Mevrouw Christiane Vienne (PS). - Wat gebeurt er met artsen die opgeroepen worden voor een spoedgeval in de stad of op het platteland?
Mevrouw Fientje Moerman, minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid. - Ik zal deze bijkomende vraag aan de minister van Binnenlandse Zaken bezorgen. De rondzendbrief heeft betrekking op de prioritaire voertuigen met een blauw knipperlicht en uitgerust met een geluidstoestel. De artsen die hiermee zijn uitgerust, moeten de rondzendbrief respecteren.
Mevrouw Jacinta De Roeck (SP.A-SPIRIT). - De Europese richtlijnen, waarvan de oudste reeds dateert uit 1968, voorzagen in de verplichting voor de lidstaten om een minimum voorraad ruwe aardolie en aardolieproducten aan te houden.
De Belgische Staat gaf de organisatie van de praktische naleving hiervan in handen van petroleummaatschappijen, die een voorraad van 90 dagen verbruik moesten garanderen. Die maatschappijen ontvangen hiervoor een royale stockeringsvergoeding. Bovendien verleende ons land hen de mogelijkheid om tot 30% van die voorraden in het buitenland op te slaan.
De correcte naleving van de voorraadverplichting is vooral belangrijk in periodes van internationale spanningen en hoge aardolieprijzen op de internationale markt, zoals nu opnieuw het geval is.
Welke sommen kende België de voorbije jaren toe aan de petroleummaatschappijen om de voorziene voorraden aan te houden? Hoe verhoudt die vergoeding zich tot de bedragen die onze buurlanden toekennen?
Werd de verplichting tot stockering de voorbije jaren steeds stipt nageleefd in elk van de drie voorziene categorieën aardolieproducten? Wat waren de resultaten bij de recentste controle? Indien er de voorbije jaren inbreuken werden vastgesteld, van welke aard en hoe ernstig waren die?
Welke sancties werden ten opzichte van de betrokken petroleummaatschappijen genomen? Werden ze ook effectief uitgevoerd?
Welk percentage van de strategische voorraad bevindt zich de facto in het buitenland? Hoe verhoudt ons land zich op dit punt ten opzichte van onze buurlanden? Hoe vaak worden hierop controles uitgevoerd?
Over hoeveel dagen voorraad kerosine beschikt ons land? Is dit in overeenstemming met de Europese verplichtingen terzake?
Hoe vaak hebben de inspecties naar de voorraadverplichting plaats? Worden ze al dan niet aangekondigd?
(Voorzitter: de heer Staf Nimmegeers, eerste ondervoorzitter.)
Mevrouw Fientje Moerman, minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid. - Ik wil eerst en vooral duidelijk maken dat niet de Belgische Staat de verplichte voorraden subsidieert, maar dat de vergoeding wordt toegekend via een toeslag in de prijsstructuur, zoals bepaald door de programmaovereenkomst. Die toeslag verschilt naargelang van de categorie van producten en bedraagt gemiddeld 5,79 euro per duizend liter.
Aangezien de opslagplicht berekend wordt op basis van de afzet op de binnenlandse markt van het voorbije jaar - in België situeert zich dat van jaar tot jaar rond de 15 miljoen ton - inden de opslagplichtigen een totale som van ongeveer 100 miljoen euro voor het bekostigen van de opslagplicht. Men mag ervan uitgaan dat die vergoeding vergelijkbaar is met die van onze buurlanden. Wel moet erop worden gewezen dat het regime dat voor het vervullen van de opslagplicht geldt van land tot land verschilt.
De stockeerverplichting werd de voorbije jaren over het algemeen vervuld. Voor de categorieën I en II is er beduidend meer voorraad beschikbaar dan strikt wettelijk vereist is. Voor maart 2004 was dat respectievelijk 123,8 dagen voor categorie I (benzines) en 277 dagen voor categorie III (zware oliën). Voor categorie II (mazout en diesel) bedraagt het meest recente cijfer 88,7 dagen.
Naast de administratieve controle op jaarbasis van zowel de primaire opslagplicht als de secundaire of uiteindelijke plicht, na inachtneming van wederzijdse dekkingen tussen operatoren, worden er ook fysische controles uitgevoerd door de daartoe gemachtigde ambtenaren. Tijdens die controles, die zowel punctueel als grootschalig waren, werden er inderdaad inbreuken vastgesteld. Meestal ging het om het niet aanhouden van de gewenste volumes.
Bij inbreuken worden er processen-verbaal van verhoor opgesteld en worden de belanghebbenden aangemaand zich binnen de gestelde termijnen in regel te stellen. Als bij de daaropvolgende controle verdere inbreuken worden vastgesteld, wordt een procedure ingesteld ter beteugeling van de vastgestelde inbreuken.
Het aandeel van de strategische voorraden die in het buitenland worden aangehouden in het raam van de bilaterale stockeringsovereenkomsten, is bij koninklijk besluit beperkt tot 30% van de totale opslagplicht. Dat is hoger dan in de ons omringende landen omdat die landen over uitgebreide ondergrondse stockeringsfaciliteiten beschikken. De controles worden uitgevoerd op grond van een bilaterale overeenkomst met het land in kwestie.
De kerosine wordt niet apart beschouwd, maar is een product van categorie II, waarvan het ongeveer 10% uitmaakt. Dat is volkomen in lijn met de Europese verplichtingen terzake.
De inspecties worden uiteraard niet vooraf aangekondigd. Ze geschieden steekproefsgewijs of op grote schaal.
Om de naleving van de verplichtingen van individuele maatschappijen te controleren, beschikt de administratie over twee mogelijkheden: fysiek controleren en in geval van vastgestelde inbreuken verbaliseren en vervolgens naar de rechtbank stappen of administratief ingrijpen.
De fysieke controle is arbeidsintensief omdat de verplichte voorraad van grote maatschappijen zich vaak in een groot aantal depots bevindt die over het hele grondgebied verspreid zijn. Om vershifting van stocks te vermijden, moeten alle depots bovendien tegelijk worden gecontroleerd. De verplichte voorraad wordt soms aangehouden in één depot, gemengd met de volumes van anderen.
Mevrouw Jacinta De Roeck (SP.A-SPIRIT). - Mijn grootste bekommernis is of alles transparant gebeurt en goed wordt gecontroleerd. Ik heb de indruk dat dit inderdaad het geval is.
Er is ooit sprake geweest van de oprichting van een centraal orgaan voor de controle van de strategische voorraden? Momenteel wordt daarover blijkbaar niet meer gesproken.
Mevrouw Fientje Moerman, minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid. - Twee dagen geleden werd mij in de commissie voor het Bedrijfsleven van de Kamer een gelijkaardige vraag gesteld. Wij willen eerst het bestaande systeem evalueren alvorens een nieuw systeem te ontwikkelen. Het mag niet de bedoeling zijn dat de kosten voor de consument stijgen.
Mevrouw Jacinta De Roeck (SP.A-SPIRIT). - Dat is een terechte bekommernis. Ik kan uit het antwoord van de minister opmaken dat het systeem inderdaad transparant is. Het is niet zeker dat de transparantie nog kan worden verbeterd door de oprichting van een centraal orgaan, dat wellicht indirect door de consument moet worden betaald.
De voorzitter. - Ik stel voor deze wetsontwerpen samen te bespreken. (Instemming)
De heer Willems verwijst naar zijn schriftelijk verslag.
Mevrouw Christiane Vienne (PS). - Mijn fractie stelt met tevredenheid vast dat de sociale, de ethische en de milieuaspecten die de heer Mahoux in zijn twee amendementen had belicht, opgenomen werden in het wetsontwerp betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles. Zodoende zullen particulieren die wensen te investeren dat met kennis van zaken kunnen doen.
Het tweede amendement hield een verbod in op het verwerven van effecten van een vennootschap naar Belgisch of naar buitenlands recht waarvan de activiteit bestaat uit het vervaardigen, gebruiken of bezitten van anti-persoonsmijnen. Vanuit ethisch oogpunt leek dit ons essentieel.
Aangezien de heer Mahoux in het buitenland vertoeft, wil ik zelf beklemtonen hoe tevreden wij zijn dat die maatregelen in de wettekst zijn opgenomen.
De heer Michel Guilbert (ECOLO). - Ook ik zal het vooral hebben over de noodzaak om de ICB's (Instellingen voor Collectieve Belegging) te verbieden om te investeren in de productie, de aankoop en de verspreiding van anti-persoonsmijnen.
In dit verband wil ik een verbetering aanbrengen op blz. 20 van het verslag. Amendement 26 dat ik indiende op artikel 7 strekte er niet toe de Koning te machtigen investeringen te verbieden in sectoren die verband houden met verboden wapens. Het strekte er wel toe om iedere ICB te verbieden de financiële middelen die zij inzamelt, zo te beleggen dat steun wordt geboden aan, dan wel aangemoedigd of aangespoord wordt tot de aanmaak, enzovoorts, van anti-persoonsmijnen.
Ik overwoog echter wel om de Koning te machtigen dit verbod uit te breiden tot andere sectoren als België het verbod later zou uitbreiden tot andere wapens dan anti-persoonsmijnen.
Die kwestie werd echter gedeeltelijk opgelost in artikel 67 dat aan ICB's verbiedt om effecten te verwerven in een vennootschap waarvan de activiteit verband houdt met anti-persoonsmijnen. Er moet nog wel worden gepreciseerd volgens welke aanwijzingen en binnen welke termijn een ICB moet afzien van reeds gedane beleggingen zodra die verdacht blijken te zijn.
Wat er ook van zij, tot mijn grote voldoening heeft de minister verklaard dat hij van plan is om bij de opening van het parlementair jaar een specifieke wetgeving over de ethische aspecten van beleggingen voor te stellen.
Nu verschillende amendementen zijn aangenomen, zorgt de tekst ervoor dat de ICB transparanter zullen beleggen.
Zo bepaalt artikel 52 dat alvorens een openbaar aanbod kan worden gedaan van rechten van deelneming in een ICB, het prospectus moet worden gepubliceerd dat verduidelijkt in welke mate rekening werd gehouden met sociale, ethische en milieuaspecten bij de uitvoering van het beleggingsbeleid.
Volgens dezelfde logica heeft de minister mijn amendement op artikel 76 aangenomen dat bepaalt dat elke instelling dezelfde transparantie aanhoudt in haar jaarlijkse en halfjaarlijkse verslagen.
Daar dit wetsontwerp werd verbeterd en een specifiek wetsontwerp werd aangekondigd, zullen wij dit ontwerp goedkeuren.
-De algemene bespreking is gesloten.
(Voor de tekst geamendeerd door de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden, zie stuk 3-609/5.)
-De stemming over het wetsontwerp in zijn geheel heeft later plaats.
(Voor de tekst geamendeerd door de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden, zie stuk 3-610/4.)
De voorzitter. - Ik herinner eraan dat de commissie een nieuw opschrift voorstelt: Wetsontwerp betreffende de verhaalmiddelen inzake de wet van ... betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles.
-De artikelen 1 tot 16 worden zonder opmerking aangenomen.
-Over het wetsontwerp in zijn geheel wordt later gestemd.
De voorzitter. - De heer Chevalier, rapporteur, verwijst naar zijn schriftelijk verslag.
De heer Hugo Coveliers (VLD). - Dit ontwerp is té belangrijk om het te laten passeren met een loutere verwijzing naar het schriftelijke verslag. Het is een bevestiging van een evolutie die reeds geruime tijd is ingezet. Die evolutie wordt echter vaak in het gedrang gebracht op Europees niveau.
Eurojust is een groep van 25 magistraten die proberen te bemiddelen wanneer bij een onderzoek twee of meer lidstaten van de EU betrokken zijn. In het verslag wordt verwezen naar de Europese procureur-generaal. Dat is evenwel een heel andere instelling. Collega Vandenberghe heeft daar in de commissie op gewezen. Gelukkig is dat iets anders, want een aantal lidstaten met een Angelsaksisch systeem kunnen een procureur-generaal erg moeilijk verteren. Waarschijnlijk duurt het nog enkele decennia vooraleer zij dat kunnen aanvaarden.
Uit de teksten blijkt dat bepaalde regels van uitwisseling van gegevens niet afdwingbaar zijn. Zo kan bijvoorbeeld moeilijk van een bepaald Land in Duitsland of een bepaalde streek in Frankrijk medewerking worden geëist voor een bepaald onderzoek. Voor de magistraten van Eurojust is het van het allergrootste belang dat zij proberen via onderhandelen en goede contacten met de nationale magistraten tot uitwisseling te komen. Het is positief dat Eurojust nu wordt geleid door een zeer enthousiaste Britse magistraat die erg positief staat tegenover Europese samenwerking. Hij probeert tot een zekere organisatie te komen waardoor bij de besprekingen van dossiers enkel de geïnteresseerde landen worden betrokken.
Naast Eurojust bestaat ook het European Judicial Network. Het secretariaat daarvan wordt waargenomen door personeelsleden van Eurojust. Een aantal magistraten uit de 25 EU-lidstaten werken daarin op een vrijwillige basis samen. Zo kunnen er dus rechtstreekse contacten zijn tussen bijvoorbeeld Zweedse en Italiaanse magistraten, al blijkt de taal in dat geval wel een probleem te zijn. In sommige zuiderse landen is de kennis van het Engels immers kleiner.
Wij keuren met het volste vertrouwen deze tekst goed. Het is goed dat de Belgische vertegenwoordiger in Eurojust een duidelijk statuut krijgt en dat hij duidelijke verbindingen heeft met de Belgische magistratuur. Het is ook belangrijk dat er nu assistentie zal worden verleend. We zullen er wel rekening mee moeten houden dat Eurojust nog tot de derde pijler van de Europese samenwerking behoort, net zoals Europol. De uitbreiding van de EU heeft daaraan een nieuwe dimensie gegeven. Men zal de nieuwe lidstaten moeten overtuigen van het belang van deze samenwerking.
De Belgische magistraten zouden, hetzij via de Hoge Raad voor de Justitie, hetzij op een andere manier, net zoals de politiediensten, moeten worden aangemoedigd om samen te werken met Europol om informatie uit te wisselen om op die manier te komen tot de oplossing van een aantal zaken die de Belgische grenzen te buiten gaan. Dat betekent soms dat men een bepaalde zaak niet in België zal vervolgen, maar dan bestaat wellicht de zekerheid dat ze zal worden vervolgd in een ander land.
Alleszins zullen wij deze tekst goedkeuren.
Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Justitie. - Ik dank de heer Coveliers. Terecht heeft hij de omvang en de kwaliteit van het door Eurojust geleverde werk beklemtoond.
-De algemene bespreking is gesloten.
(Voor de tekst verbeterd door de commissie voor de Justitie, zie stuk 3-661/3.)
-De artikelen 1 tot 13 worden zonder opmerking aangenomen.
-Over het wetsontwerp in zijn geheel wordt later gestemd.
De voorzitter. - De heer Mahoux verwijst naar zijn schriftelijk verslag.
De heer Hugo Coveliers (VLD). - Deze tekst is eigenlijk te belangrijk om zo maar te laten passeren. De onderzoeksrechter wordt verplicht bepaalde informatie, zij het over een gevaarlijke situatie of over iets dat de gezondheid kan aanbelangen, te melden aan het openbaar ministerie. Dit is een gevolg van de zaak-Trabelsi en ik sta er volledig achter.
In het kader van de wijziging van het wetboek van strafrechtpleging hebben we ook al over de rol van de onderzoeksrechter gediscussieerd, maar de tijd blijkt nog niet rijp om een definitieve beslissing te nemen. Vroeg of laat moet in ons strafstelsel een beslissing worden genomen over de vraag wie namens de gemeenschap moet vervolgen, hoe moet worden onderzocht en wie moet oordelen over de bescherming van de vrijheden van de burger. Hier wordt daartoe een aanzet gegeven.
-De algemene bespreking is gesloten.
(De tekst aangenomen door de commissie voor de Justitie is dezelfde als de tekst van het door de Kamer van volksvertegenwoordigers overgezonden ontwerp. Zie stuk Kamer 51-863/5.)
-De artikelen 1 en 2 worden zonder opmerking aangenomen.
-Over het wetsontwerp in zijn geheel wordt later gestemd.
(De naamlijsten worden in de bijlage opgenomen.)
Stemming 1
Aanwezig: 51
Voor: 51
Tegen: 0
Onthoudingen: 0
-Het wetsontwerp is aangenomen.
-Het werd geamendeerd en zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.
Stemming 2
Aanwezig: 53
Voor: 53
Tegen: 0
Onthoudingen: 0
-Het wetsontwerp is aangenomen.
-Het werd geamendeerd en zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.
Stemming 3
Aanwezig: 54
Voor: 54
Tegen: 0
Onthoudingen: 0
-Het wetsontwerp is aangenomen.
-Het zal aan de Koning ter bekrachtiging worden voorgelegd.
De voorzitter. - Het Bureau stelt voor volgende week deze agenda voor:
Donderdag 10 juni 2004 om 15 uur
1. Inoverwegingneming van voorstellen.
2. Mondelinge vragen.
3. Evocatieprocedure
Wetsontwerp houdende maatregelen inzake gezondheidszorg; Stuk 3-710/1 en 2.
Vanaf 17 uur: Naamstemming over het afgehandelde agendapunt in zijn geheel.
4. Vragen om uitleg:
-De Senaat is het eens met deze regeling van de werkzaamheden.
Stemming 4
Aanwezig: 54
Voor: 54
Tegen: 0
Onthoudingen: 0
-Het wetsontwerp is aangenomen.
-Het zal aan de Koning ter bekrachtiging worden voorgelegd.
De voorzitter. - Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Justitie, antwoordt namens de heer Rudy Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid.
Mevrouw Anke Van dermeersch (VL. BLOK). - Onlangs onthulde het Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid (WIV) de meest recente statistieken inzake drugsdoden. Vreemd genoeg gaat het om cijfers van 1987 tot en met 1997. In deze periode stierven 890 mensen een drugsgerelateerde dood.
Vanaf 1993 is het aantal drugsdoden onrustwekkend gestegen. Op het einde van de jaren tachtig ging het nog om jaarlijks 25 doden, maar vanaf 1993 liep dit cijfer al op tot meer dan 125 per jaar. Het risico op een drugsgerelateerd overlijden ligt het hoogst in Brussel en Wallonië.
Uit onderzoek blijkt dat veelvuldig cannabisgebruik leidt tot een verveelvoudiging van psychische problemen. Australische onderzoekers hebben aan de hand van een zeven jaar durend onderzoek bij 2.000 jongeren, gepubliceerd in The British Medical Journal, bewezen dat cannabis slecht is voor de geestelijke gezondheid en dat door het gebruik meer depressies en angststoornissen worden veroorzaakt.
Volgens een ander onderzoek in Zweden bij 50.000 mannen zou één op de acht gevallen van schizofrenie kunnen worden voorkomen wanneer geen cannabis zou worden gebruikt. Bij mannen die meer dan 50 keer cannabis hadden gebruikt, was het risico op schizofrenie zevenmaal groter.
Britse onderzoekers constateerden op hun beurt dat één op tien mensen die in hun tienerjaren wiet rookten, schizofrenie werd vastgesteld.
Deze onderzoeken, gecombineerd met de vaststellingen dat het aantal zelfmoorden in ons land onrustbarend hoog is en dat steeds meer jongeren geconfronteerd worden met depressies, zou tot beleidsmatige consequenties moeten leiden, en ten minste tot het volledig bannen van het cannabisgebruik.
Waarom dateren de meest recente statistieken omtrent drugsdoden van 1997?
Heeft de minister weet van het verband tussen druggebruik en depressies, zoals aangetoond in medische studies?
Is de minister van plan zulke studies te laten uitvoeren in de nabije toekomst?
Overweegt de minister om het huidige de facto gedoogbeleid ten aanzien van cannabis te herzien, rekening houdende met het resultaat van deze onderzoeken?
Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Justitie. - Elke studie over mortaliteit, wat ook de oorzaak van overlijden is, moet gebaseerd worden op gegevens over het hele land. De drugsgerelateerde mortaliteit werd dus bestudeerd op basis van de mortaliteitsgegevens van het Nationaal Instituut voor de statistiek (NIS).
De recentste gegevens hebben betrekking op het jaar 1997. De reden voor deze aanzienlijke vertraging is dat de Franse en de Vlaamse Gemeenschap en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest de overlijdensattesten eerst centraliseren en verwerken alvorens de gegevens door te geven aan het NIS. Na verificatie van de gegevens stelt het NIS een nationale databank op van de doodsoorzaken. De snelheid waarmee de overlijdensattesten verwerkt worden, verschilt in de twee gemeenschappen en het gewest. De gegevens aangaande de doodsoorzaken tot 2001 zijn momenteel enkel beschikbaar voor de Vlaamse Gemeenschap. Ik verbind mij ertoe om dit probleem na de verkiezingen van 13 juni met de bevoegde collega's van de gemeenschappen en het gewest te bespreken.
Verscheidene studies lijken inderdaad een verband aan te tonen tussen cannabisgebruik en depressie. In België kon dankzij de Gezondheidsenquête in Interview 2001 het verband bestudeerd worden tussen de indicatoren van mentale gezondheid - recente depressieve stoornissen, zelfgerapporteerde depressie in het afgelopen jaar, psychisch onwel bevinden - en het verbruik van cannabis. Uit de Gezondheidsenquête blijkt dat de prevalentie van cannabisgebruik significant hoger is bij personen die op basis van de drie indicatoren van mentale gezondheid depressieve symptomen vertonen. De prevalentie van cannabisgebruik was in deze bevolkingsgroep tweemaal hoger.
Zelfs als er een verband bestaat tussen drugsgebruik en depressie, dan nog moet de aard van dat verband worden aangetoond: nemen patiënten die voortekenen van een depressie vertonen, gemakkelijker hun toevlucht tot drugs of verschijnen de symptomen van depressie juist onder invloed van de drugs?
Wat er ook van zij, als studies zouden aantonen dat drugsgebruik, en meer bepaald cannabisgebruik, de directe oorzaak is van geestesziekten en van zelfmoord, dan zal de samenleving natuurlijk anders aankijken tegen dit gedrag.
Mevrouw Anke Van dermeersch (VL. BLOK). - Ik dank de minister voor het voorlezen van het antwoord van minister Demotte. Ik vrees dat mijn laatste vraag onbeantwoord is gebleven. Het antwoord erkent wel dat er een verband is tussen drugsgebruik en psychische problemen. Nu blijft alleen nog de vraag of de regering daar beleidsmatig iets zal aan doen.
De voorzitter. - Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Justitie, antwoordt namens mevrouw Kathleen Van Brempt, staatssecretaris voor Arbeidsorganisatie en Welzijn op het werk, toegevoegd aan de minister van Werk en Pensioenen.
De heer Yves Buysse (VL. BLOK). - In bepaalde studierichtingen dienen studenten van het hoger onderwijs gedurende enige tijd stage te lopen. Voor de korte stageperiodes rijst, vooral in de sector van de gezondheidszorg, reeds enkele jaren een probleem. De discussie draait rond de vraag of de onderwijsinstelling dan wel de stageplaats moet opdraaien voor de kosten van het voorafgaande gezondheidstoezicht. Studenten uit de sector van de gezondheidszorg moeten meer stage lopen dan studenten uit andere opleidingen en het zijn juist de ziekenhuizen die de kost van het voorafgaande gezondheidstoezicht niet meer willen of kunnen betalen.
Sinds februari van dit jaar hebben de staatssecretaris en de Vlaamse minister van Onderwijs een voorlopige regeling uitgewerkt; een geschiktheidsattest van de huisarts, betaald door de studenten, is in principe voldoende.
Komt er een definitieve regeling voor deze kwestie tegen de start van het nieuwe academiejaar in september 2004? Hoe zal die er uitzien? Wie zal instaan voor de organisatie van het geneeskundig onderzoek en wie zal de kosten op zich nemen?
Indien de huidige regeling wordt behouden, is het de vraag of de huisarts, die in de tijdelijke regeling een grote verantwoordelijkheid draagt, wel altijd over voldoende kennis beschikt van de risico's waaraan de stagiairs worden blootgesteld?
Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Justitie. - Er is inderdaad een tijdelijke regeling die vastgelegd is in de ministeriële rondzendbrief van 12 januari 2004. Overeenkomstig deze rondzendbrief kan ook een medisch onderzoek dat wordt opgelegd door de onderwijswetgeving en dat wordt uitgevoerd door de diensten die hiertoe zijn aangewezen, volstaan, zodat er geen nieuw medisch onderzoek moet gebeuren door de werkgever. De rondzendbrief vermeldt niet dat dergelijke onderzoeken door de huisarts moeten gebeuren. De gemeenschappen moeten bepalen wat onder de onderwijswetgeving valt.
Op het ogenblik wordt een ontwerp van koninklijk besluit betreffende de bescherming van stagiairs opgesteld waarin de verplichtingen van de werkgever zullen worden vastgelegd. De krachtlijnen van het ontwerp zijn: een betere afbakening van het begrip stage, de afschaffing van het gezondheidstoezicht bij de allereerste tewerkstelling indien er geen risico voor de gezondheid is vastgesteld en het vermijden van dubbele onderzoeken. Volgens het ontwerp moeten de risicoanalyse en het gezondheidstoezicht in principe worden uitgevoerd door de werkgever bij wie stage wordt gelopen. Voor activiteiten die ook in de onderwijsinstelling bestaan, zal deze verplichting kunnen worden overgedragen op de onderwijsinstelling indien er een samenwerkingsakkoord met de gemeenschappen wordt gesloten. Ten slotte voert het ontwerp een specifieke tariefregeling in, zodat de kosten voor de werkgever zo minimaal mogelijk worden gehouden.
De heer Yves Buysse (VL. BLOK). - Het verheugt me dat er een ontwerp van koninklijk besluit is. We zijn nu begin juni en de voorbereiding van de stageopdrachten in het hoger onderwijs is volop aan de gang. Ik dring erop aan dat het besluit zo spoedig mogelijk wordt uitgevaardigd, zodat er geen rechtsonzekerheid is bij het begin van het academiejaar.
De heer Pierre Galand (PS). - Het UNCTAD-verslag 2004 is vrij verontrustend. Hieruit blijkt overduidelijk dat de doelstellingen van de Millenniumverklaring die door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties in 2000 werden goedgekeurd en volgens dewelke het aantal personen dat in extreme armoede leeft, tegen 2015 met de helft moet dalen, niet gehaald zullen worden.
Extreme armoede betekent dat een persoon moet rondkomen met 1 dollar per dag. Op dit ogenblik leeft 50 procent van de bevolking van de 50 minst ontwikkelde landen (MOL) in extreme armoede.
Is het feit dat we er niet in slagen de extreme armoede terug te dringen niet het gevolg van de achterstand die de rijke landen hebben opgelopen bij de uitvoering van hun verbintenissen ter zake? Zijn we niet erg ver verwijderd van de begrotingsdoelstelling dat de rijke landen één procent van hun BNP aan ontwikkelingshulp moeten besteden?
Vindt de minister niet dat de criteria voor de financiële bijdragen die in aanmerking worden genomen als overheidssteun voor ontwikkeling (ODA - Official Development Assistance), strikter moeten worden vastgelegd? Hoe kan het - overigens volledig terechte - kwijtschelden van een nominaal overgewaardeerde schuld, bijdragen tot de ontwikkeling van een land als Congo? Wordt daardoor het vooropgestelde percentage van de overheidssteun voor ontwikkeling niet kunstmatig opgeblazen?
Extreme armoede bestrijden, betekent dat de oorzaken van de armoede worden aangepakt. Is de groei in China en India werkelijk een betrouwbare indicator voor de toestand van de gezondheidszorg en het onderwijs in die landen? Een groei waarvan slechts 20 procent van de bevolking geniet, kan perverse gevolgen hebben voor de ontwikkeling en het welzijn van de overige 80 procent van de bevolking die van de toegenomen rijkdom wordt uitgesloten, zoals het geval is in China. Onderwijs voor allen werd er vervangen door opleiding van een elite. Uit een programma dat recent op Arte werd uitgezonden, bleek dat het analfabetisme er de sterkst stijgende indicator is.
Welke initiatieven zal België nemen om te vermijden dat de verbintenissen die tijdens de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties in 2000 en vervolgens op de top van Monterrey in maart 2003 werden aangegaan, niet worden nagekomen? Zal de minister deelnemen aan de UNCTAD XI-conferentie die van 13 tot 18 juni 2004 plaatsvindt in Sao Paulo? In welke zin zal hij reageren? Welke voorstellen heeft België gedaan binnen het ad hoc comité van de Verenigde Naties om ervoor te zorgen dat de economische groei in de wereld beter beantwoordt aan de noodwendigheden van de duurzame ontwikkeling en rekening houdt met de universele mensenrechten?
De heer Marc Verwilghen, minister van Ontwikkelingssamenwerking. - Meerdere studies, meer bepaald van het UNDP, de Wereldbank en UNCTAD tonen aan dat de doelstellingen van de Millenniumverklaring in 2015 niet in alle ontwikkelingslanden gehaald kunnen worden. Een groot aantal landen gaat er sterk op vooruit. Andere landen daarentegen, die vooral te vinden zijn in de groep van de minst ontwikkelde landen, zullen deze objectieven in 2015 niet halen.
Voor de problemen van de minst ontwikkelde landen kunnen verschillende redenen worden aangehaald. In zuidelijk Afrika wordt een deel van de sociale en economische vooruitgang teniet gedaan door de AIDS-pandemie. Andere landen lijden onder de aanhoudende burgeroorlogen. Als externe redenen kunnen worden aangehaald de ondraaglijke schuldenlast, de crisis op de grondstoffenmarkten en het protectionisme van de landen van het noordelijk halfrond. Daarom heeft de internationale gemeenschap, zowel in de Millenniumverklaring als in Monterrey, aangedrongen op samenwerking en partnerschap.
Om de Millenniumdoelstellingen te kunnen realiseren zijn op de eerste plaats bijkomende inspanningen nodig in de ontwikkelingslanden: pacificatie, een goed beheer van de natuurlijke rijkdommen, meer middelen voor de sociale voorzieningen. Gelijklopend daarmee wordt van de ontwikkelde landen een grotere bijdrage verwacht, zowel in termen van ontwikkelingssamenwerking als door een openstelling van hun markten voor producten uit het Zuiden, zonder de schuldverlichting te vergeten.
Alleen door gezamenlijke en volgehouden inspanningen zal de internationale gemeenschap de Millenniumdoelstellingen kunnen halen. De conferentie van Monterrey heeft dit partnerschapsakkoord goedgekeurd. Ik stel vast dat ook in Europa een en ander beweegt. Ik hoop dat dit de mislukking van de conferentie van Cancún kan doen vergeten en dat binnen de WTO de besprekingen over de export van de landen uit het Zuiden hervat kunnen worden.
België heeft zich ertoe verbonden dat tegen 2010 de begroting voor ontwikkelingssamenwerking 0,7 procent van het BNP zal bedragen. We zijn de enige geldschieters die deze beleidsverbintenis in een wet hebben opgenomen. We dringen er ook bij onze partners op aan dat ze hun inspanningen verhogen, meer bepaald door een goed beheer van de natuurlijke rijkdommen, de strijd tegen de corruptie en de aanmoediging van investeringen door de privé-sector.
Daar een groot deel van de Millenniumdoelstellingen handelt over de toestand van de vrouwen en de kinderen, heb ik een speciale beleidsnota opgesteld over de bescherming van de kinderen en de gelijke behandeling van mannen en vrouwen. Dat moet ons helpen onze inspanningen beter te richten.
Ten slotte heb ik mijn administratie gevraagd me vóór het zomerreces een rapport voor te bereiden over de bijdrage van België aan de verwezenlijking van de Millenniumdoelstellingen. Dit rapport zal overigens worden overgemaakt aan de VN-conferentie over de opvolging van de Millenniumverklaring in 2005.
Wat betreft die criteria voor de financiële bijdragen die in aanmerking komen voor overheidssteun aan ontwikkeling volgt België nauwgezet de beslissingen van het Comité Ontwikkelingshulp. Het statistiekcomité van het DAC heeft aanvaard dat schuldverlichting in aanmerking komt als overheidssteun voor ontwikkeling. In 2003 heeft Delcredere een belangrijk bedrag aan achterstallen van de Congolese schuld kwijtgescholden in het kader van een akkoord tussen Congo en de crediteurlanden van de Club van Parijs.
De schuldverlichting voor Congo gaat overigens niet uit van België alleen. Ze maakt deel uit van een gezamenlijke internationale inspanning omdat Congo opgenomen werd in het HIPC-programma. Congo heeft niet alleen schuldverlichting gekregen van zijn bilaterale schuldeisers, maar ook van de multilaterale organisaties.
De operatie had een grote invloed op ons BNP-percentage, dat dan ook moet worden gerelativeerd. Ik herhaal echter dat de beslissing niet afhangt van België alleen, maar voortvloeit uit overleg op een hoger niveau.
China en India behoren tot de landen die de Millenniumdoelstellingen zeker zullen halen. In absolute cijfers hebben deze landen het grootste aantal armen, maar sinds een vijftiental jaar is de armoede er opmerkelijk teruggelopen. Het is waarschijnlijk juist dat de inkomensongelijkheid in China en India is toegenomen. Niettemin zijn beide landen erin geslaagd de armoede terug te dringen. Ik weet dat er discussie bestaat over de juistheid van de cijfers, maar de tendens is ongetwijfeld positief.
Mevrouw Ries, staatssecretaris voor Europese Zaken, zal deelnemen aan de vergadering van UNCTAD XI in Sao Paulo. De heer Adam, permanent vertegenwoordiger bij de Verenigde Naties in Genève, is vice-voorzitter van het comité dat deze vergadering voorbereidt.
België heeft in dit comité onderstreept dat UNCTAD zich meer moet concentreren op de comparatieve voordelen en op de sociale aspecten van de globalisering. Dit past volledig binnen de beleidslijnen die we bij het aantreden van deze regering hebben uitgestippeld.
De heer Pierre Galand (PS). - De Millenniumverklaring heeft tot doel de extreme armoede te bestrijden. Men zegt dat de armoede in China en India verminderd is, maar dat geldt niet voor de extreme armoede. Rekening houdend met de Millenniumdoelstellingen is dat een belangrijk probleem.
Ik ben blij te vernemen dat de minister een nota zal voorbereiden over de doelstellingen van de Millenniumverklaring. Ik hoop dat hij zal ingaan op de uitnodiging van de commissie Mondialisering die vanaf september rond dit thema zal werken en als opdracht heeft de aanbevelingen van België uit te werken om de doelstellingen te halen.
Met schuldverlichting moet zeer voorzichtig worden omgesprongen. Ik ben er zeker voorstander van, maar het zijn one shot-maatregelen. Een dergelijke operatie vergt niet echt een inspanning op begrotingsvlak; men gomt een schuld uit die men toch al verloren achtte. Met een dergelijke one shot-operatie kunnen we op een gegeven ogenblik misschien wel uitpakken, maar we moeten ook denken aan structurele maatregelen op langere termijn.
Ik heb nog een vraagje: houdt België zich aan zijn verbintenis 15 procent van de begroting Ontwikkelingssamenwerking aan de minst ontwikkelde landen te besteden? (De minister knikt instemmend.)
De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Elke dag stellen we een sterke stijging van de olieprijs op de internationale markten vast. De Belgische consument en de bedrijven hebben het effect meteen gevoeld. Prijzen van vliegtuigtickets worden verhoogd, een bezoek aan het tankstation wordt iedere dag pijnlijker en onze bedrijven zien hun vervoerskosten stijgen. Nu enkele dagen geleden een piek van 40 dollar per vat werd gehaald lijkt het mij aangewezen om hierover een vraag te stellen.
Volgens de Nederlandse pers zou bij onze noorderburen de verhoogde olieprijs al een fiscale meevaller hebben opgeleverd van 400 miljoen euro, zijnde 0,1 procent van het bruto binnenlands product. Als dit prijspeil aanhoudt, kan dit nog dit jaar oplopen tot 900 miljoen euro.
In België heeft de accijnzenverhoging vóór einde mei reeds tussen de 100 en de 200 miljoen euro fiscale meeropbrengsten met zich meegebracht. De andere kant van het verhaal is uiteraard dat het consumentenvertrouwen en de concurrentiekracht van onze bedrijven een flinke deuk krijgen. De Britse pers meldt vandaag dat de Britse minister van Financiën bereid is de belastingen op brandstof te verlagen als de olieprijzen zo hoog blijven. Net als bij de verkeersboetes is de automobilist het kind van de rekening.
Hoeveel bedraagt de fiscale meevaller van de gestegen olieprijzen voor de Belgische schatkist tot dusver en wat is de prognose voor 2004 bij een gemiddelde dagprijs van 40 dollar per vat? Wat is de impact op het bruto binnenlands product? Welke maatregelen denkt de minister te moeten nemen om het consumentenvertrouwen te herstellen en de concurrentiekracht van onze bedrijven in stand te houden? Moet het mechanisme van de accijnzen op brandstoffen niet dringend worden herzien?
Mevrouw Fientje Moerman, minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid. - De accijns op petroleumproducten, zowel motor- als gewone brandstoffen, is een vast forfaitair bedrag, uitgedrukt in euro per 1000 liter. Het bedrag van de accijns op de totale hoeveelheid in België verbruikte brandstoffen blijft dus constant, ongeacht of de prijs van de bruto aardolie stijgt of daalt.
Het enige wat natuurlijk verandert is de BTW, die wordt berekend op de prijs zonder BTW aan de pomp. De BTW wordt, volgens de zesde BTW richtlijn uit 1977, berekend aan het normale tarief, met name minstens 15%.
Krachtens artikel 1 van het koninklijk besluit van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en diensten bij die tarieven, is het normale tarief dat in België toegepast wordt, in toepassing van artikel 37 van het BTW Wetboek, sinds 1 januari 1996 21%.
Als men dit BTW-tarief van 21% wil aanpassen en verlagen, zal het nieuwe tarief natuurlijk niet alleen van toepassing zijn op petroleumproducten maar ook op alle producten en op alle diensten die momenteel onderworpen zijn aan het normale tarief van 21%, wat budgettair gesproken zal leiden tot zeer hoge bedragen.
Er moet ook rekening worden gehouden met het feit dat, vermits het om professioneel verbruik gaat, de BTW aftrekbaar is voor 70% van de diesel en voor 25% van de benzine. Bovendien wordt voor 70% van de diesel de bijkomende accijns op die welke vanaf 1 januari 2004 geheven werd, met name 304,9090 euro per 1000 liter, wordt terugbetaald aan de professionele gebruikers die omschreven worden in het koninklijk besluit van 29 februari 2004. Nu is dat bedrag van 304 euro het Europese minimum, voorgeschreven in de richtlijn 2003/96/EG en sinds 1 januari 2004 verplicht in alle Lidstaten.
Tegenover al die verplichte wettelijke bepalingen zie ik geen mogelijkheid om welke taks ook te verlagen. Bij zijn aantreden op het departement in juni 1999 erfde collega Reynders een normaal BTW-tarief van 21%, dat hij sindsdien nooit opgetrokken heeft, zoals in vorige regeringen vrij regelmatig het geval was.
Hoewel de gevolgen van een verhoogde olieprijs belangrijk zijn voor Europa als olie-importeur, meer bepaald op het vlak van economische groei en inflatie, mogen ze ook niet worden overschat. Allereerst zijn de huidige prijzen nog lang niet op een zelfde hoogte dan in vorige perioden van prijsverhogingen, zijnde 1979-1980 en 1999-2000. Hoewel de prijzen vandaag nominaal hetzelfde niveau bereiken als tijdens de tweede oliecrisis van de jaren 1979-1980 - 40 dollar per vat ruwe olie - zijn de huidige olieprijzen in reële termen nog heel wat lager dan toen. Volgens een nota van de Europese Commissie van 18 mei jongstleden over de economische gevolgen van de hogere olieprijzen zou eenzelfde prijsniveau in reële termen neerkomen op een prijs van meer dan 60 dollar per vat ruwe olie.
Verder worden de prijsstijgingen getemperd door de sterke euro. Wanneer we de prijsstijgingen in US dollar sinds 2002 vergelijken met de stijgingen in euro gedurende dezelfde periode, merken we een verschil op van 47%, zijnde 78% in US dollar tegenover 31% in euro.
Een ander positief element voor de eurozone is de ontkoppeling in vele landen van de olieprijs van de gezondheidsindex. Dit maakt de kans kleiner dat sterk stijgende prijzen zouden leiden tot een inflatoire spiraal door opeenvolgende indexeringen van de lonen. Een laatste verzachtende omstandigheid is de sterke daling van de energie-intensiteit van de Europese economieën gedurende de voorbije dertig jaar. Dit maakt de Europese economie minder gevoelig voor plotse stijgingen. Meer energie-intensieve landen, zoals de ontwikkelingslanden en de toetredingslanden, zijn kwetsbaarder. Als direct effect op korte termijn van de stijgende prijzen is er een herverdeling van het inkomen van de olie-importerende naar de olie-exporterende landen.
Ik herhaal dat we dankzij de ontkoppeling van de gezondheidsindex en de motorbrandstofprijzen niet meteen hoeven te vrezen voor een inflatoire spiraal. Hoe dan ook, ik heb het Planbureau gevraagd een simulatie uit te voeren van de effecten van de gestegen olieprijzen op de economie. Het Planbureau heeft hierbij gebruik gemaakt van het Hermes-model. De resultaten van deze simulatie luiden dat in het jaar van de olieprijsstijging de Belgische reële BBP-groei met 0,2 procentpunt zou worden afgeremd als gevolg van de zwakkere groei van de binnenlandse vraag en van de uitvoer, die slechts gedeeltelijk wordt gecompenseerd door een beperktere invoerstijging. De inflatie zou in dat jaar met 0,3 procentpunt toenemen.
In de vraag omtrent de maatregelen om het consumentenvertrouwen te herstellen en de concurrentiekracht van onze bedrijven in stand te houden, wordt gesuggereerd dat de hoge olieprijzen het consumentenvertrouwen aantasten en de concurrentiekracht van onze ondernemingen in gevaar brengen.
Wat de concurrentiekracht van onze ondernemingen betreft zijn de gestegen olieprijzen geen Belgisch fenomeen maar het gevolg van de notering van de prijs van een vat ruwe olie op de internationale markt. Het zijn dus niet alleen de Belgische bedrijven en gezinnen die meer dienen te betalen ingevolge de gestegen olieprijzen. Vanuit die optiek kan moeilijk staande worden gehouden dat de gestegen olieprijzen enkel voor de Belgische bedrijven een probleem zouden vormen en dus leiden tot een aantasting van hun concurrentiepositie.
Wat het consumentenvertrouwen betreft moet er op worden gewezen dat in ons land de prijzen van de motorbrandstoffen geen deel meer uitmaken van de gezondheidsindex. In welke mate de hoge olieprijzen het consumentenvertrouwen werkelijk zullen aantasten, zal vooraf afhangen van het antwoord op de vraag of deze prijsstijgingen al dan niet zullen stabiliseren.
Vandaag komen de landen van de OPEC samen om desgevallend een productieverhoging af te spreken en als ik de media deze ochtend goed heb geïnterpreteerd, zou een lichte prijsdaling zijn genoteerd. Ik hoop alleszins dat een dergelijk akkoord een impact zal hebben op de olieprijzen.
De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Ik dank de minister voor het uitvoerige antwoord. Ik ga natuurlijk niet in discussie over het deel van minister Reynders, maar uit het antwoord blijkt toch dat de gestegen olieprijzen op jaarbasis potentieel 0,2% van het bruto binnenlandse product zouden kunnen aantasten. Dat onderstreept inderdaad het belang van deze prijsevolutie.
Wel wil ik nog even ingaan op de andere belangrijke vraag, namelijk die van de fiscale meeropbrengsten. Minister Reynders wijst er uitvoerig op dat het vroeger nog erger is geweest. Ik ben blij dat hij de vergelijking maakt en tot die conclusie komt, maar we mogen toch niet uit het oog verliezen dat de olieprijs van vandaag in Nederland zorgt voor een fiscale meeropbrengst van 900 miljoen euro of 36 miljard Belgische frank. Ruw geschat telt België 2/3 van het aantal inwoners van Nederland. Deze verhouding in acht genomen, betekent dit voor België een belastingverhoging door accijnzen en BTW van ten minste 24 miljard Belgische frank. Dat is een ware amputatie van de koopkracht van onze burgers.
Tot slot verwijs ik opnieuw naar de verklaring van de Britse minister van Financiën die ik vandaag in de Britse pers heb gelezen. Hij is bereid de fiscaliteit aan te passen als de olieprijs zo hoog blijft.
De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - De liberalisering van de elektriciteitsmarkt is een groot verhaal waarvan ik niet opnieuw alle aspecten zal belichten. In 2002 heb ik er tijdens de bespreking van een programmawet al op gewezen dat de liberalisering van de elektriciteitsmarkt tot één zaak zou leiden, namelijk een kortsluiting. En als we het goed bekijken, is die er inderdaad. De liberalisering zou ons allerlei grote voordelen opleveren, zoals een prijsverlaging. Daarenboven heb ik altijd bestreden dat de liberalisering in Vlaanderen werd ingevoerd, maar nog niet in Wallonië en Brussel. Als België een financiële en monetaire unie is, zoals altijd wordt gezegd, hoe kan men dan in het ene deel van het land de markt liberaliseren en in de andere delen niet?
De situatie inzake elektriciteitstarieven in Brussel en Wallonië kan als volgt worden samengevat: de consumenten wachten. In Brussel en Wallonië kan men zijn leverancier niet kiezen, er moeten dus, zoals vroeger, maximumprijzen worden vastgelegd door de bevoegde minister op advies van de Commissie voor de Regulering van de Elektriciteit en het Gas, de CREG. In 2003 heeft de CREG de transportkosten met bijna 30% verlaagd en in 2004 met nog eens 10%, maar die prijsverlaging vinden de inwoners van Brussel en Wallonië niet terug in de prijs die ze betalen.
Natuurlijk is er ook heel wat te doen rond de bijzondere marktpositie van Electrabel op het vlak van productie en distributie. Een deel van de productie moest per opbod worden verkocht. Naar ik meen heeft de minister voorgesteld 30% van de productiecapaciteit van Electrabel via een veiling te verkopen. De Raad voor de Mededinging heeft ter zake een voorstel gedaan, maar we denken dat dit toch te weinig is om een marktevenwicht te realiseren.
Een punt dat vorige week niet aan bod kwam in de Senaat, was de stemming over de `Elia-heffing' die de financiering van de gemeenten moet waarborgen. Vandaag wordt het immaterieel dividend van de gemeenten niet meer uitgekeerd. Komt dat feit de consument echter ten goede? Volgens mij niet. De Vlaamse consument die klant is bij de standaardleverancier vindt nog altijd een equivalent van het immaterieel dividend in zijn kostprijs. Sommige gemeenten schrapten op de begroting 20% voor het immaterieel dividend. Ik dacht dus dat de prijs zou dalen, maar hij daalt niet. Het immaterieel dividend wordt nog altijd in de prijs verrekend, maar de gemeenten ontvangen het niet. In het land van beloftes is alles gratis...
Mevrouw Fientje Moerman, minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid. - Dat heb ik niet gezegd.
De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Ik wil alleen maar het ongenoegen van de Vlaamse burgers uiten. De aangekondigde liberalisering van de elektriciteitsmarkt heeft met alle begeleidende maatregelen een stijging van de elektriciteitsprijs tot gevolg. Men beweerde dat de elektriciteitsprijzen zouden dalen, maar de burgers kunnen alleen vaststellen dat hun facturen stijgen. De gemeenten hebben daarentegen minder inkomsten. Bovendien zijn er naast de Elia-heffing nog een reeks bijkomende heffingen op elektriciteit. Zelf heb ik een stijging van mijn elektriciteitsrekening vastgesteld, nochtans was mijn elektriciteitsverbruik niet toegenomen.
Een internationale vergelijking van de elektriciteitsprijzen in Europa door het onderzoeksbureau NUS Consulting Group toont dat de grotere elektriciteitsverbruikers in België veel moeten betalen voor hun elektriciteit. Alleen hun Duitse en Italiaanse collega's moeten meer betalen. Vooral de Finse, de Zweedse en de Franse bedrijven betalen beduidend minder dan de Belgische. Vergeleken met de elektriciteitsprijzen in andere werelddelen zijn de Europese prijzen dan ook nog aan de dure kant.
De studie bevestigt de grieven van veel industriëlen in België. Het Belgische metaalbedrijf Umicore heeft reeds verscheidene keren gewaarschuwd dat het fabrieken in België moet sluiten als de elektriciteitsprijs blijft stijgen. En de staalproducent Arcelor berekende dat de elektriciteitsfactuur van de nieuwe staaloven in Charleroi miljoenen euro's hoger ligt dan die van eenzelfde staaloven net over de Franse grens. De elektriciteitsfactuur dreigt dus een aantal jobs te vernietigen. Het prijsverschil met de andere landen is gedeeltelijk te wijten aan de vele heffingen die de overheden in ons land op de elektriciteitsprijs hebben gelegd. In de buurlanden is dat veel minder het geval.
Is het niet het moment voor de minister om in te grijpen. Er zijn immers veel grieven bij de consumenten, bij de Belgische industrie. Welke maatregelen zal de minister nemen om de werking van de energiemarkt in België te verbeteren? Hoe zal de minister de heffingen op de industrie tot een draagbaar niveau beperken? Wanneer plant de regering de aanpassing van de Belgische elektriciteitswet aan de tweede Europese richtlijn over de liberalisering van de elektriciteitsmarkt?
Mevrouw Fientje Moerman, minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid. - Aangezien ik vorige week al antwoord heb gegeven op een gelijkaardige vraag van de heer Schouppe, weet de heer Vandenberghe ongetwijfeld dat de regering een hele tijd geleden al een aantal beslissingen heeft genomen die de concurrentie en de liquiditeit op de elektriciteitsmarkt moeten vergroten. Tijdens de ministerraad van Gembloers werden daartoe drie maatregelen getroffen: de versterking van de interconnecties, de terbeschikkingstelling van 25 procent van de productiecapaciteit aan andere dan de traditionele spelers en de creatie van een kader voor de oprichting van een elektriciteitsbeurs.
De versterking van de interconnecties op de zuidgrens houdt rechtstreeks verband met het ontwikkelingsplan van Elia. Ik heb over dit plan het advies van de Commissie voor de Regulering van de Elektriciteit en het Gas gevraagd. Zowel het directiecomité als de Algemene Raad van de CREG hebben zich daarover gebogen. De voorziene investeringen in de interconnectiecapaciteit zullen ertoe leiden dat begin 2006 de capaciteit van de interconnectoren van 2200 naar 3700 MW zal zijn gestegen, of een stijging van 1500 MW, wat overeenstemt met de productie van anderhalve kernreactor of zes warmtekrachtkoppelingscentrales.
Inzake de beslissing van de regering om 25 procent van de productiecapaciteit ter beschikking te stellen van andere dan de traditionele spelers, werden twee zaken door elkaar gehaald. De Raad voor de Mededinging heeft in juli 2003 opgelegd om over te gaan tot de veiling van Virtual Power Plants of VPP's, als ik me niet vergis voor ongeveer 1200 MW. Dat was in feite een voorwaarde voor de liberalisering. Die veilingen van VPP's zijn op het ogenblik bezig. Er zijn er al twee geweest, de derde is nog lopende. De totale veiling van de VPP's is goed voor ongeveer 13 procent van de productiecapaciteit. In het begin van dit jaar hebben EDF en Electrabel bovendien bekendgemaakt dat ze een einde maakten aan hun wederzijdse participaties in de centrales van Tihange en Tricastin. Het gevolg daarvan is dat EDF een stuk van de productie van Tihange rechtstreeks op de Belgische markt kan verkopen, waar het vroeger verplicht was om de productie naar Frankrijk uit te voeren. Het effect daarvan is een toename van de productiecapaciteit met 4,5%. SPE heeft al 8,3 procent van de geproduceerde elektriciteit in handen. Als we dit allemaal samentellen en als alle VPP's die in juli werden opgelegd, zullen zijn uitgevoerd, komen we op een totaal van 25,8 procent.
Bovendien zitten verscheidene projecten voor de bouw van nieuwe productie-eenheden in de pipeline. Zo bouwt RWE een WKK-centrale bij BASF met een vermogen van 190 MW. Gisteren hebben we de eerstesteenlegging kunnen meemaken van de bouw van een WKK-centrale van Essent met een vermogen van 130 MW op de site van INEOS. Nuon plant de bouw van een WKK-centrale in Antwerpen met een vermogen van 200 MW. Nuon plant tevens de gefaseerde bouw van een windmolenpark in Antwerpen met een vermogen van 100 MW. Ten slotte bouwt C-Power een windmolenpark in zee met een vermogen van 300 MW. Hoewel de timing van de projecten varieert, is de verwachting dat er tegen 2006 al 600 MW extra vermogen operationeel zal zijn in België.
De derde beslissing van de ministerraad van Gembloers betreft het creëren van een kader voor de oprichting van een elektriciteitsbeurs. De CREG heeft mij onlangs haar advies daarover bezorgd. Ze is van mening dat we het bestaande wetgevende kader moeten aanpassen.
Volgens de huidige elektriciteitswet en in tegenstelling tot de Europese wetgeving is de exploitatie van een elektriciteitsbeurs een dienst die de transmissienetbeheerder niet mag aanbieden op de elektriciteitsmarkt. Bij een mogelijke marktkoppeling acht de CREG een intensieve samenwerking tussen de transmissienetbeheerder en de beurs noodzakelijk.
Ik laat nu nakijken wat het advies van de CREG juridisch inhoudt. Immers, in artikel 18 van de elektriciteitswet werd reeds bepaald dat alle beslissingen om een elektriciteitsbeurs op te richten bij koninklijk besluit konden worden genomen. Het kwam me bijgevolg vreemd voor dat de rest van de elektriciteitswet zou bepalen dat de oprichting van een elektriciteitsbeurs niet mogelijk is binnen het huidige wettelijk kader. De voorbereidende werkzaamheden voor de oprichting van de beurs, meer bepaald het overleg met de betrokken partijen, zijn al aan de gang. Het juridisch kader moet nog worden geverifieerd. De combinatie van bijkomende productiecapaciteit, een verhoogde import en de beurs zullen een positief effect hebben op de prijzen in België.
De oprichting van een beurs betekent nog geen bijkomende productie. Daarvoor zijn nieuwe productie-eenheden nodig. Heel wat nieuwe spelers investeren in de verhoging van de productiecapaciteit. De afhankelijkheid van één producent wordt kleiner, wat een hefboom zal zijn voor de reële marktwerking en competitieve elektriciteitsprijzen.
Ook over de heffingen op de industrie werd in Gembloers een belangrijke beslissing genomen. We hebben beslist een degressief maximumtarief in te voeren voor de federale heffingen op het elektriciteitsverbruik. Naast de federale heffingen zijn er immers regionale heffingen op het elektriciteitsverbruik, die nog hoger zijn. Er werd een onder- en een bovengrens bepaald. De ondergrens luidt dat elk bedrijf dat meer verbruikt dan 20 megawattuur per jaar - ongeveer 6 tot 7 keer het verbruik van een gemiddeld gezin - zal genieten van het degressieve systeem. We hebben de drempel bewust laag gehouden omdat kleine en middelgrote ondernemingen van het degressieve systeem zouden kunnen genieten en hun kosten bijgevolg zullen dalen.
Daarnaast voeren we een plafond in voor grootverbruikers. Dat betekent dat ondernemingen die meer dan 250.000 megawattuur per jaar verbruiken, maximum 250.000 euro federale heffingen op het transmissienet zullen moeten betalen. Op grond van deze beslissing moet bijvoorbeeld de NMBS, die vandaag 2 miljoen euro aan federale heffingen betaalt, in de toekomst nog slechts een achtste van dat bedrag betalen. Hetzelfde geldt uiteraard voor alle bedrijven met een gelijkaardig groot verbruik. Binnenkort zal ik daartoe de nodige besluiten aan de ministerraad voorleggen.
In verband met de aanpassing van de wetgeving van de Belgische elektriciteitswet aan de tweede Europese richtlijn heeft mijn administratie een ontwerptekst uitgewerkt ter omzetting van die richtlijn. Die teksten zullen zo snel mogelijk op politiek vlak worden besproken en aan de ministerraad worden voorgelegd.
De heer Vandenberghe stelt de liberalisering van de elektriciteitsmarkt voor als een recent idee van de paarse regering. De liberalisering was een Europese beslissing, goedgekeurd door de vertegenwoordigers van de toenmalige Belgische rooms-rode regering in de bevoegde raad van ministers van Europa.
In verband met het immaterieel dividend valt te zeggen dat de liberalisering nog maar enkel in Vlaanderen geldt. In Vlaanderen kan van leverancier worden gewisseld en daardoor een hoop geld worden bespaard. De mensen zijn helaas niet alert genoeg om dat te doen.
Ik hoef de tariefstructuur van deze of gene leverancier hier niet toe te lichten. Ik kan wel vermelden dat de dominante leverancier heeft aangekondigd dat hij vanaf 1 juli 2004 een nieuwe tariefstructuur zal toepassen waardoor de klanten in 80% van de gevallen minder zullen betalen.
De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Ik dank de minister voor haar uitvoerig antwoord. Ik zal echter niet ingaan op alle waardevolle punten.
Het is mij natuurlijk bekend dat de Europese Unie de liberalisering van de elektriciteitsmarkt oplegt. In het debat dat we daarover in de Senaat met staatssecretaris Deleuze hebben gevoerd, heb er ik er toen gezegd dat er problemen zouden komen als de elektriciteitsmarkt alleen in Vlaanderen zou worden geliberaliseerd en niet in Wallonië en Brussel. De feiten geven me vandaag gelijk. Verder neem ik er akte van dat er nog andere wettelijke maatregelen moeten worden genomen en dat de beslissingen van de regering te Gembloers nog moeten worden uitgevoerd. Zijn die maatregelen opgenomen in de programmawet?
Mevrouw Fientje Moerman, minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid. - De maatregelen tot invoering van een degressief maximumtarief zijn opzettelijk niet in de programmawet opgenomen. Ik vind namelijk dat die materie niet in een programmawet thuishoort.
De voorzitter. - Mevrouw Fientje Moerman, minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid, antwoordt namens de heer Patrick Dewael, vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken.
Mevrouw Anne-Marie Lizin (PS). - Ter aanvulling van wat de heer Vandenberghe zei naar aanleiding van de vorige vraag, wil ik erop wijzen dat we ons zo spoedig mogelijk moeten buigen over de situatie van de kernenergie in ons land.
Hoe worden de explosieven thans beheerd in België? Ik stel die vraag omdat we via een korte regionale berichtgeving vorige week toevallig hebben vernomen dat enkele honderden kilo's explosieven gestolen zijn in Honfleur. Dicht bij ons zijn dus explosieven gestolen. Er wordt nooit veel ophef over gemaakt, maar als we alle informatie bijeenbrengen, staan we verbaasd over het grote aantal diefstallen van explosieven in Europa. En aangezien het momenteel flink knettert op enkele plaatsen...
Is het ministerie strikter geworden inzake de controle op het beheer van explosieven? Wie mag explosieven en eventueel pyrotechnische stoffen bewaren? Wat zijn de voorwaarden inzake het opslaan en de bescherming tegen diefstal? Wie is belast met de controle van de voorwaarden inzake bewaring? Is er een effectieve controle of worden de betrokkenen drie maanden vooraf verwittigd?
Wie wordt in de particuliere ondernemingen gemachtigd om explosieven te beheren, vooral in de steengroeven? Hoe wordt een `officieel' explosief een `privaat' explosief? In mijn streek zijn er talrijke steengroeven. Ik vraag me soms af of we zouden worden ingelicht over de verdwijning van de helft van de explosieven in een steengroeve, als de particuliere onderneming het niet zegt om geen problemen te krijgen of niet het verwijt te krijgen dat ze haar rol niet heeft gespeeld? Wordt die hypothese onderzocht?
Welke controle wordt uitgeoefend op de arbeiders? Wordt nagegaan of sommigen onder hen niet dagelijks enkele grammen meenemen om uiteindelijk over een klein potentieel te beschikken? Hebt u onlangs de controle- en beschermingsmaatregelen versterkt? Zo ja, wanneer? Werden maatregelen genomen om te voorkomen dat deze producten in de handen van terroristen of dogmatici als sjeik Bassam terechtkomen of van een zeer belangrijk persoon die op de Brusselse wateren vaart?
Mevrouw Fientje Moerman, minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid. - De explosieven vallen ook onder de bevoegdheid van de FOD Economie.
In België wordt de bewaring van explosieven geregeld door het koninklijk besluit van 23 september 1958 houdende algemeen reglement betreffende de springstoffen. De vergunningen voor de bewaring worden door de bevoegde overheid, naar gelang van het geval, het gemeentebestuur, de bestendige deputatie of de gouverneur, gegeven aan de personen die bewijzen dat ze springstoffen nodig hebben voor hun handel of industrie, of voor een welbepaald werk. Over het algemeen zijn het de steenhouwers en hun leveranciers, de springstoffenfabrieken en enkele zeldzame ondernemers die gemachtigd worden explosieven te bewaren waarvoor terroristen belangstelling zouden kunnen hebben.
Het advies van de dienst der springstoffen van de directie kwaliteit en veiligheid is altijd vereist vóór het afgeven van een vergunning voor de bewaring van explosieven. Als het advies gunstig is, worden er altijd voorwaarden aan gekoppeld met het oog op de bescherming tegen diefstal en ontploffingen. In andere opslagplaatsen dan die van de fabrieken moeten de brisantbommen en de ontstekers worden opgesloten in brandkasten of kluizen met geheime combinatiesloten. Er worden ook twee bezoeken per 24 uur voorgeschreven. De opslagplaatsen van groothandelaars en grote mijnen worden over het algemeen uitgerust met een elektronisch anti-inbraakalarm.
In de fabrieken worden de lokalen die springstoffen bevatten tijdens het werk gecontroleerd door vertrouwenspersonen. Buiten de werkuren moeten gewapende bewakers 's nachts om het uur en overdag om de twee uur hun ronde doen. Die rondes kunnen met grotere tussenpauzes geschieden als er elektronische controlemiddelen zijn geplaatst.
De personeelsleden van de dienst der springstoffen en van de externe diensten van de afdeling veiligheid zijn, samen met de politiediensten, belast met de controle van de springstoffendepots. Gemiddeld worden de depots viermaal per jaar bezocht door een personeelslid van de afdeling veiligheid. Voor elke vergunde opslagplaats wordt bij de lokale politie een verantwoordelijk personeelslid aangewezen dat de sleutel van de opslagplaats bewaart.
Het gebruik van springstoffen in steengroeven wordt toevertrouwd aan een schietmeester die een bekwaamheidsattest heeft gekregen en aan de diensten van de afdeling veiligheid een bewijs van goed zedelijk gedrag heeft overgelegd. Die schietmeester controleert de hulpschietmeesters over wie hij gezag heeft. In de andere instellingen moet de verantwoordelijke chef personeelsleden aanstellen die instaan voor het gebruik van de springstoffen. Die personeelsleden moeten de vereiste garanties inzake discipline en zedelijk gedrag verstrekken.
De afdeling veiligheid heeft in het recente verleden geen striktere controlemaatregelen ingevoerd. De actieve maatregelen inzake bescherming vallen onder de bevoegdheid van de politiediensten en dus van de vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken.
Mevrouw Anne-Marie Lizin (PS). - Ik dank de minister voor dit overzicht. Eigenlijk zou het interessant zijn een onderzoek te doen, niet naar de diefstal van een massale hoeveelheid zoals onlangs in Honfleur, maar naar de hypothese van een systematische diefstal van enkele grammen explosieven. Is dat mogelijk? Misschien worden die diefstallen niet aangegeven uit angst om de vergunning te verliezen.
Heeft de minister van Binnenlandse Zaken al dan niet beslist de maatregelen te versterken? Ik kan alleen maar vragen zeer waakzaam te zijn. De aanslag in Madrid heeft aangetoond dat met zeer beperkte middelen en voor slechts duizend euro enorme schade kan worden berokkend. Overal in Europa bestaat hetzelfde risico. Alleen al met de in Honfleur gestolen hoeveelheden kunnen belangrijke aanslagen worden gepleegd in verschillende hoofdsteden.
De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - De vaststelling van het aantal aan de hoven en rechtbanken toe te kennen magistraten maakt reeds enkele tijd het voorwerp uit van discussie, onderzoek en diverse voorstellen. Recentelijk werd nog in de Kamer en in de Senaat het debat gevoerd over de tijdelijke toelating tot overtallige benoemingen van magistraten.
Het streven naar een optimale werking van het gerechtelijk apparaat kan zich evenwel niet beperken tot een onderzoek, debat en maatregelen omtrent het vereiste aantal magistraten. De noodzakelijke en ondersteunende actoren van het gerecht, met name de personeelsleden van de griffies en de adjunct-griffiers, dienen hierbij te worden betrokken en dit onder meer omdat het aantal griffiers in het verleden werd bepaald op basis van het aantal magistraten.
Het hoeft geen betoog dat de algemene toename van de werklast van het gerechtelijk apparaat moet leiden tot een uitbreiding van de personeelsformatie van de griffies. Zo heeft de uitbreiding van de bevoegdheden van de rechtbanken van eerste aanleg door de invoering van de wet op de collectieve schuldenregeling onmiskenbaar een invloed op de werklast van de griffie. Eenzelfde vaststelling kan worden gemaakt met betrekking tot de toename van het aantal assisenzaken. Ik zou nog verschillende andere voorbeelden kunnen geven.
Graag had ik van de minister vernomen of er een onderzoek gaande is naar de werklast van de diverse griffies en de noodzaak van personeelsuitbreiding. Met welke objectieve maatstaven wordt thans de personeelsformatie per rechtbank of hof bepaald? Worden die maatstaven op dezelfde wijze toegepast in de diverse arrondissementen? Zijn die maatstaven voldoende geactualiseerd? Ik denk in dit verband bij voorbeeld aan het aantal en de aard van de gevelde vonnissen of arresten. Voorziet de minister op korte termijn in een uitbreiding van de personeelsformatie van de griffies?
Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Justitie. - Er is inderdaad een correlatie tussen het aantal magistraten en de personeelsbehoeften van de griffies, maar die correlatie is niet absoluut. Er is dan ook geen enkele premisse op grond waarvan een wijziging in de personeelsformatie van de magistraten automatisch moet worden gevolgd door een wijziging van het aantal griffiemedewerkers.
De personeelsbezetting van de griffies word niet met de natte vinger bepaald. Er bestaan wel degelijk criteria en die verschillen naar gelang van het type rechtbank. De gebruikte parameters zijn onder meer de bevolkingsgrootte, het totaal aantal ingeleide zaken en het aantal gewezen vonnissen. Op grond van die gegevens worden activiteitscijfers opgesteld. Ze vormen de basis van de vereiste personeelsformatie.
Ik steek niet weg dat er ook rekening wordt gehouden met de budgettaire mogelijkheden. Elke uitbreiding van de personeelsformatie geeft immers aanleiding tot bijkomende kosten en uitgaven.
De personeelsformatie wordt niet permanent gewijzigd. Heel vaak is daarvoor een wijziging van de wet noodzakelijk. In afwachting worden de personeelsformaties dan aangevuld op grond van artikel 185 van het Gerechtelijk Wetboek. Hierbij wordt rekening gehouden met de behoeften van de rechterlijke orde, die geregeld aan mij worden overgezonden.
Voor de toekomst kan ik u meegeven dat er in het kader van het Protocol 249 een algemene uitbreiding van de personeelsformaties zal komen door een omzetting van de bestaande contractuele betrekkingen in statutaire. Die contractuele medewerkers helpen immers structurele noden lenigen.
De heer Jean-François Istasse (PS). - De wet van 2 mei 2002, die het statuut van de vzw's wijzigt, werd gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 11 december 2002. De meeste bepalingen ervan zijn op 1 juli 2003 in werking getreden.
Het doel van deze grote hervorming was de wet van 1921 te moderniseren en te rationaliseren zonder de eenvoud van het statuut aan te tasten en aldus te komen tot meer doorzichtigheid, eenvoudiger procedures en een standaardisering van de boekhoudkundige verplichtingen.
De transparantie werd bereikt, maar niet de vereenvoudiging van de procedures. Dat geldt zowel voor de oprichting van de vzw, de wijziging van de statuten of de wijziging van gegevens inzake hun inschrijving bij de kruispuntbank van ondernemingen. In zijn nieuwe `Mémento des ASBL 2004' maakt professor Davagle eveneens melding van die problemen.
Sinds de inwerkingtreding van de hervorming maken verschillende actoren in de sector van de sociale economie melding van belangrijke moeilijkheden, met name inzake de bepalingen over de openbaarmaking van akten en documenten. Sommigen aarzelen niet om over een fiasco te spreken.
De aangekondigde ministeriële rondzendbrief had het ongetwijfeld mogelijk gemaakt de praktijk van de verschillende griffies van de rechtbanken van koophandel eenvormig te maken. Die werden er plots mee belast belangrijke informatie over alle rechtspersonen te verzamelen en die te bezorgen aan de kruispuntbank van ondernemingen en aan het Belgisch Staatsblad met het oog op publicatie.
Ik spreek dan nog niet over de mogelijke overbelasting waarover bepaalde griffies misschien ten onrechte klagen. Die hangt samen met de termijn van één jaar voor de aanpassing van de statuten die op 31 december 2004 eindigt. De meeste vzw's gebruiken hun jaarlijkse algemene vergadering, dikwijls in de loop van het eerste kwartaal of halfjaar van 2004, om dat in orde te brengen.
Bij gebrek aan meer precieze aanduidingen dan die vermeld in de wet van 2 mei 2002 zijn de griffies soms verplicht geleidelijk aan een praktijk te ontwikkelen wat de inhoud en de vorm van de dossiers betreft die door de vzw's moeten worden neergelegd. Aldus stelt iedere rechtbank zijn eigen eisenlijst op.
Die verwachtingen en eisen zijn echter ofwel in strijd met de wettelijke voorschriften, ofwel volledig nieuw en dikwijls onverwacht. Dat is het gevolg van het feit dat de wet zwijgt over bepaalde praktische administratieve vereisten.
Er moet snel een ministeriële rondzendbrief komen die de griffies in staat stelt tot meer coherentie te komen en die een eenduidige, duidelijke, juiste en volledige informatie voor het publiek vergemakkelijkt. Op die manier wordt voorkomen dat bepaalde griffies eigen praktijken gaan ontwikkelen.
Vele natuurlijke en rechtspersonen zijn verplicht zich tot verschillende griffies te wenden om dezelfde formaliteiten van neerlegging en publicatie te vervullen. Ze worden met even zoveel inhoudelijke en vormvoorwaarden geconfronteerd als er griffies en zelfs bedienden binnen eenzelfde griffie zijn.
Die situatie zorgt voor grote achterstand en zelfs verlamming, met name inzake de publicatie van de akten die moet gebeuren binnen de maand na de besluitvorming. Ze ligt ook aan de basis van de overbelasting in sommige griffies die worden overstelpt met herhaalde pogingen tot neerlegging en vragen tot publicatie. Die leiden soms tot niets omdat ze simpelweg, terecht of onterecht, worden geweigerd bij gebrek aan duidelijke wettelijke en reglementaire beschikkingen.
Enkel een duidelijke, precieze en volledige rondzendbrief, die enerzijds rekening houdt met de kritische analyse van de administratieve praktijken en anderzijds met de ervaring van de actoren en de beroepsmensen op het terrein, kan een einde maken aan de huidige problemen.
Tegelijk moet ernstig worden overwogen om bepaalde nieuwe reglementaire bepalingen aan te passen, meer bepaald die inzake de betalingswijze voor de aanvragen tot publicatie.
Het koninklijk besluit van 26 juni 2003 op de openbaarmaking van akten en stukken van vzw's en van private stichtingen zegt in artikel 6, §3 dat "de kosten voor de bekendmaking in de bijlagen tot het Belgisch Staatsblad van akten, uittreksels van akten, stukken en mededelingen worden betaald met een cheque op naam van het Belgisch Staatsblad, getrokken op een in België gevestigde kredietinstelling die geen gemeentelijke spaarkas is en waarop de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen van toepassing is of met een postassignatie. De betalingsmiddelen worden bij het voor het Belgisch Staatsblad bestemde stuk gevoegd."
Terwijl de voorheen toegestane betalingswijze, namelijk de overschrijving via de bank, voldoening gaf, worden vandaag enkel de cheque en de postassignatie aanvaard. Dat is op zijn minst anachronistisch en origineel wanneer we ons de inspanningen van de banken herinneren om het gebruik van de cheque te ontmoedigen. Niet alle vzw's hebben een rekening bij de Bank van De Post.
Dat voorbeeld toont duidelijk de kloof aan tussen de bedoeling van de wetgever en de toestand op het terrein. Het zou spijtig zijn indien de grote inspanningen die aan de hervorming werden gewijd, worden doorkruist door het ontbreken van een eenvoudig instrumentarium dat een concrete en eenvormige toepassing ervan mogelijk maakt.
Kan de minister ons meedelen of er reeds initiatieven werden genomen of middelen werden ontwikkeld om de toepassingsproblemen op te lossen? Vindt ze het niet dringend en opportuun om een rondzendbrief uit te vaardigen die het de griffies mogelijk maakt hun praktijk eenvormig te maken en ervoor te zorgen dat de geïnteresseerde burgers volledig geïnformeerd zijn, dat alles met het oog op transparantie en vereenvoudiging?
Ik herinner eraan dat er in ons land 100.000 vzw's bestaan. De non-profitsector is de grootste werkgever van ons land.
(Voorzitter: de heer Hugo Vandenberghe, ondervoorzitter.)
Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Justitie. - Om de toepassing van de hervorming van de wetgeving op de vzw's te vergemakkelijken heb ik op ruime schaal gedetailleerde informatie verspreid.
Door de FOD werd een brochure opgesteld over de werking van de vzw's. Die is wijd verspreid, met name bij de griffies van de rechtbanken van koophandel en de justitiehuizen. Ze kan ook gratis worden verkregen bij de FOD Justitie of op de webstek van de FOD op het adres http://www.just.fgov.be onder de rubriek publicaties.
Er werden ook twee brochures over de boekhouding van de kleine en grote vzw's gemaakt. Ze kunnen gratis worden geraadpleegd op de webstek van de FOD Justitie en op de webstekken van verschillende organisaties die hebben meegewerkt aan de realisatie van die brochures. Ze zullen weldra op papier worden verspreid. Die brochures kennen nu al een groot succes bij het publiek.
Er werd bovendien in oktober 2003 aan alle griffies van de rechtbanken van koophandel een verklarend overzicht bezorgd waarin in detail wordt uitgelegd hoe de formulieren voor de openbaarmaking dienen te worden ingevuld. Die informatie is ook opgenomen op de webstek van de FOD Justitie. Dat overzicht had tevens tot doel om tot een eenvormige praktijk bij de griffies te komen.
Ondanks die belangrijke communicatie-inspanning moet ik spijtig genoeg vaststellen dat de informatie niet altijd op de juiste wijze door de griffies wordt overgenomen. Ik ontving recent kopieën van typebrieven die door sommige griffies worden verzonden en die eisen bevatten die niet door de wet van 1921 en de uitvoeringsbesluiten worden opgelegd.
Daarom heb ik mijn administratie gevraagd een ontwerp van rondzendbrief op te stellen om opnieuw de wijze van openbaarmaking van de akten en documenten van de vzw's te verduidelijken.
Ik benadruk de rol die de griffies in dit verband hebben. Het gaat in de eerste plaats om een formele controle. Die berust op de volgende principes: nagaan of het ingediende document het voorwerp is van een door de wet opgelegde neerlegging, nagaan of de juiste formulieren werden gebruikt en de vereiste vermeldingen op de juiste wijze werden ingevuld, controleren of de betalingswijze werd gerespecteerd en, ten slotte, verifiëren of de vermeldingen voor de kruispuntbank van ondernemingen juist werden weergegeven.
In tegenstelling tot bepaalde zich ontwikkelende praktijken komt het de griffie niet toe de wettelijkheid van neergelegde akten te controleren, zoals de inhoud van de statuten of het respecteren van het quorum of de aanwezigheidsvereiste bij stemmingen over een aanstelling.
Het aantal neer te leggen exemplaren doet ook problemen rijzen. Sommige griffies eisen drie exemplaren, terwijl het koninklijk besluit van 26 juni 2003 slechts de neerlegging van de akte en een formulier vereist wanneer deze akte in de bijlagen van het Belgisch Staatsblad moet worden gepubliceerd.
Wat de betalingswijze voor de kosten van publicatie in het Belgisch Staatsblad betreft, werd op mijn verzoek door mijn administratie een voorontwerp van koninklijk besluit voorbereid zodat binnenkort via bankoverschrijving kan worden betaald. Dit voorontwerp moet op korte termijn naar de Raad van State kunnen worden gestuurd.
De mogelijkheid voor kleine vzw's om hun boekhouding bij te houden op elektronische drager wordt momenteel onderzocht.
De heer Jean-François Istasse (PS). - Het antwoord van de minister schenkt me volledige voldoening. Het zou moeten worden verspreid, vooral omdat de vzw's hun statuten vóór 1 januari 2005 moeten aanpassen om zich in regel te stellen met de nieuwe wet.
Ik zal het antwoord van de minister op mijn website plaatsen. Die wordt geregeld door de sector van de vzw's geraadpleegd.
Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Het verdwijnen van niet-begeleide minderjarige asielzoekers in België neemt dramatische vormen aan. Child Focus, het centrum voor vermiste kinderen, opent iedere dag minstens één nieuw dossier. Al duizend minderjarigen, afkomstig uit landen buiten de Europese Unie, zijn spoorloos. Per maand komen zowat 150 minderjarigen zonder ouders ons land binnen, of naar schatting 1800 per jaar. Sommigen vragen asiel in België, anderen zijn het slachtoffer van kinderhandel, nog anderen zien België als een transitland en `verdwijnen' na verloop van tijd weer. Zo blijkt uit het jaarverslag van Child Focus dat in 2003 slechts een honderdtal vermiste minderjarigen kon worden opgespoord, terwijl er 896 als `verdwenen' werden gesignaleerd. Uit de statistieken van Child Focus blijkt dat ongeveer 80% van deze kinderen jongens zijn en 20% meisjes. Een betere opvang en opvolging van deze minderjarigen is dan ook hoog nodig. Een stap in de goede richting was het instellen van een voogdijstelsel, ware het niet dat dit stelsel op een mislukking dreigt uit te lopen indien niet wordt ingegrepen.
Er wordt tussen de federale regering en de deelstaten sinds jaren getwist over de bevoegdheden inzake opvang van de specifieke groep van niet-begeleide minderjarige vreemdelingen. De verdeling van het kostenplaatje was daar natuurlijk niet vreemd aan. Uiteindelijk werd er in de programmawet van december 2002 een regeling goedgekeurd tot het instellen van een voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen. Er werd geen vaste datum voor inwerkingtreding bepaald omdat er nog geen akkoord was met de Gemeenschappen. Na veel talmen en twisten verscheen er op 22 december 2003 eindelijk het koninklijke besluit tot regeling van de inwerkingtreding.
Alle niet-begeleide minderjarige buitenlanders, welk statuut ze ook hebben, moesten bijgevolg vanaf 1 mei een voogd toegewezen krijgen onder coördinatie van de Dienst Voogdij, onderdeel van de FOD Justitie, een bevoegdheid van de minister van Justitie.
Er hebben zich echter slechts ongeveer 50 mensen kandidaat gesteld om voogd te worden van een niet-begeleide minderjarige, wat veel te weinig is.
Ik heb toevallig de advertentie gezien waarmee bekend werd gemaakt dat mensen zich kandidaat konden stellen om voogd te worden. Ik sta achter de idee van dergelijke advertenties, maar ik ben van oordeel dat er heel wat schort aan de communicatie rond dit thema. Als de minister de advertenties gezien heeft, zal ze inzien dat ze op een onbegrijpelijke manier zijn opgesteld. Het is immers onmogelijk te achterhalen welk engagement er van de voogd verwacht wordt, of hij het kind bij zich thuis moet opvangen, of hij alleen maar een juridische verantwoordelijkheid heeft, enzovoort. Ik kreeg verschillende vragen van mensen die de kinderen wel een warm hart toedragen en bereid zijn zich te engageren maar die de advertentie helemaal niet begrepen hebben. Ik heb die mensen doorverwezen naar de diensten van de minister.
De voogden mogen maximum 25 personen tegelijk begeleiden. Gelet op het gemiddelde aantal nieuwe minderjarigen dat elk jaar binnenkomt, zijn er per jaar minstens 64 voogden nodig om de nieuw aangekomen minderjarigen te begeleiden.
Met amper 50 personen zijn er zelfs dit jaar al grote tekorten. Daarbij zijn dan de minderjarige onbegeleide vreemdelingen nog niet gerekend die zich al in het land bevonden en die ook recht hebben op een voogd. Het is dus duidelijk dat er dringend aanpassingen nodig zijn aan het systeem van opvolging van de minderjarige niet begeleide vreemdelingen, alsook aan het voogdijstelsel.
Welke beleidsmaatregelen overweegt de minister om het voogdijstelsel wel operationeel te maken?
Is er een betere communicatie gepland en een verduidelijking van de jobinhoud en van de arbeidsvoorwaarden, zodat er meer voogden kunnen worden aangesproken?
Is er een aanpassing mogelijk van de vergoeding en een verbetering van de begeleiding van de voogden?
Overweegt de minister het subsidiëren van de NGO's die zich specifiek bezighouden met de voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen?
Heeft de minister andere plannen ter zake?
Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Justitie. - Het is misschien wat voorbarig om slechts na een maand werking van de dienst Voogdij te concluderen dat die dienst niet operationeel zou zijn. Op een maand tijd heeft deze dienst 208 signalementen van niet-begeleide minderjarigen geregistreerd en meer dan 70 jongeren onder voogdij geplaatst. Het gaat zowel om minderjarigen die reeds aanwezig waren op het grondgebied vóór 1 mei 2004 als om jongeren die na de inwerkingtreding van de dienst in ons land zijn aangekomen.
Het permanentiewerk van de dienst en de samenwerking met Fedasil hebben ertoe geleid dat meer dan 92 niet-begeleide minderjarigen naar een noodopvangcentrum zijn overgebracht. Het merendeel van hen is ondergebracht in het huisvestingscircuit van de structuren van Fedasil.
Momenteel zijn er ongeveer 40 voogden en zullen er nog 47 andere worden benoemd. Dagelijks komen er gemiddeld twee kandidaturen binnen.
Elke operationele voogd heeft een basisopleiding gevolgd in overeenstemming met de wettelijke voorschriften. Daarnaast moet de nieuwe dienst samenwerkingsprotocollen uitwerken, onder meer met de Dienst Vreemdelingenzaken en met de diensten die bevoegd zijn inzake opvang.
Om het tekort aan voogden te dekken, zal ik op korte termijn een massale oproep doen via een communicatiecampagne. De doelgroep bestaat uit burgers, maar ook uit verenigingen die rechtstreeks of onrechtstreeks werkzaam zijn in de sector van de opvang en de begeleiding van niet-begeleide minderjarigen.
De dienst heeft een brief gestuurd naar ongeveer 300 organisaties die werkzaam zijn in de sector van het jeugdrecht, de kinderrechten en het vreemdelingenrecht. Tevens is in de maand april een oproep tot kandidaat-voogden op de website van de FOD Justitie geplaatst.
De taakinhoud en de werkvoorwaarden worden op de website van de FOD Justitie goed uitgelegd en er wordt geantwoord op de meest gestelde vragen. Blijven er nog vragen open, dan blijft het personeel van de Dienst Voogdij vanzelfsprekend ter beschikking.
Momenteel wordt er onderzocht of er een verhoging van de forfaitaire vergoedingen mogelijk is. Die verhoging zou de NGO's in staat moeten stellen om de vergoedingen van voogden door hun personeelsleden financieel mogelijk te maken. De aanpassing zou tot een verhoging van het aantal voogden moeten leiden evenals tot een inschakeling van vele professionelen uit de sector.
Bepaalde vragen omtrent de fiscale vrijstelling van de forfaitaire vergoeding die aan de voogden wordt uitgekeerd, worden onderzocht door de FOD Financiën.
Naast de genoemde webstek hebben de Dienst Voogdij en de FOD Justitie een vorming van de voogden georganiseerd. Per maand is er twee en een halve dag vorming. Er is ook een begeleiding van de voogden in samenwerking met de externe medewerkers uit de verenigingswereld en de overheid.
Bovendien verplicht het koninklijk besluit de voogd om jaarlijks een voortgezette multidisciplinaire opleiding te volgen. Die wordt georganiseerd door de Dienst Voogdij.
Na de eerste weken ervaring werkt de Dienst Voogdij aan de eerste algemene richtlijn voor de voogden.
De Dienst Voogdij overweegt binnenkort, op vraag van enkele operationele voogden, een beroepsorganisatie van voogden op te richten. De taken ervan zullen gericht zijn op de bevordering van de communicatie, het verspreiden van informatie en het harmoniseren van praktijken inzake voogdij.
Op het niveau van het kabinet wordt de mogelijkheid bestudeerd om de NGO's, die actief zijn in de sector, op permanente wijze te subsidiëren. Er hebben reeds twee ontmoetingen met vertegenwoordigers van deze organisaties plaatsgehad.
Ik beoog een optimaal beleid, dit vanzelfsprekend binnen de grenzen van het beschikbare budget.
Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Ik hoop dat de campagne die de minister plant, en de verbetering van het statuut waaraan zij werkt, het probleem zullen oplossen en dat de geplande vorming zal beantwoorden aan de kwaliteitsvereisten. Ik hoop uiteraard dat dit project slaagt.
Mevrouw Clotilde Nyssens (CDH). - Ik verneem dat bepaalde erkende centra voor medisch begeleide voortplanting zouden ingaan op de aanvragen van draagmoeders. Wordt in België veelvuldig een beroep gedaan op draagmoeders? Bestaan er cijfergegevens over? Moet die praktijk in de huidige stand van onze openbare orde niet als illegaal worden bestempeld?
De wet betreffende het onderzoek op embryo's in vitro verbiedt expliciet het gebruik van embryo's, gameten en embryonale stamcellen voor commerciële doeleinden. De wet verbiedt echter niet expliciet uit winstbejag of tegen rechtstreekse of onrechtstreekse betaling van de betrokkenen onderzoek te verrichten. Enige tijd geleden heb ik een amendement in die zin ingediend, maar het werd verworpen. Hoe staat het in de praktijk met de gametendonatie? Krijgt de donor enige `betaling'? Bestaat er een onderscheid tussen spermadonatie en eiceldonatie?
Meestal doen de erkende centra voor medisch begeleide voortplanting een beroep op een multidisciplinair team om de paren op te vangen, wat zeer positief is. Heeft de verloskundige-verpleegkundige een plaats in die centra? Wat schrijft de reglementering voor?
Kunt u mij de lijst bezorgen van de thans erkende centra voor medisch begeleide voortplanting?
De voorzitter. - De Senaat wordt met de tijd creatiever...
Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Justitie. - Zwangerschap voor derden komt in België zelden voor. Ze wordt slechts door twee centra en onder strikt medische indicatie toegepast. Die medische indicatie is, onder andere, het ontbreken van een baarmoeder als gevolg van een aangeboren afwijking of een chirurgische ingreep, of de onmogelijkheid voor een bevruchte eicel om zich te nestelen als gevolg van afwijkingen of ernstige verwondingen aan de baarmoeder. De zwangerschap voor derden uit persoonlijke overwegingen behoort niet tot die indicaties. Het Raadgevend Comité voor bio-ethiek bereidt trouwens een advies voor over de zwangerschap voor derden.
Voor we kunnen beweren dat een statuut voor draagmoeders moet worden uitgewerkt, vind ik dat een ethisch en juridisch debat moet worden gevoerd. Tot nog toe werd geen van deze procedures door een Belgische rechtbank als illegaal bestempeld. Uiteraard moeten alle vereiste juridische stappen voor de adoptie van het kind worden gerespecteerd.
Mevrouw Nyssens betreurt dat de wet betreffende het onderzoek op embryo's in vitro niet uitdrukkelijk bepaalt dat onderzoek uit winstoogmerk of tegen betaling van de donoren verboden is. Tijdens de vorige legislatuur is er tijdens de bespreking van dit wetsvoorstel in de Senaat een ruim debat gevoerd over het instrumentaliseren van de gameten en de betaling in geval van eiceldonatie. Die wet beoogt specifiek de reglementering van het onderzoek op embryo's. De voorwaarden voor onderzoek op volwassenen behoren niet tot het toepassingsgebied van die wet.
De wet verbiedt expliciet het gebruik van embryo's, gameten en embryonale stamcellen voor commerciële doeleinden. De wet bepaalt overigens dat het produceren van embryo's in vitro voor onderzoek verboden is, behalve indien het onderzoek niet kan worden gedaan op overtallige embryo's en indien de voorwaarden van de wet worden nageleefd, namelijk dat het om een uitsluitend therapeutische doelstelling gaat.
Eicelstimulatie moet wetenschappelijk verantwoord zijn.
Voor elk onderzoek op embryo's moet vooraf instemming worden gekregen van de lokale ethische comités en van een federale commissie. Ik ben er dan ook van overtuigd dat elk onderzoek op embryo's uit winstbejag of dat gameten en embryo's tot loutere instrumenten herleidt, duidelijk zal worden verboden.
Voor de vraag over eiceldonatie verwijs ik naar advies nr. 27 van 8 maart 2004 van het Raadgevend Comité voor bio-ethiek betreffende de sperma- en eiceldonatie. Dat advies geeft een gedetailleerde uiteenzetting van de huidige klinische procedures en de gangbare praktijk in ons land inzake sperma- en eiceldonatie. Er is immers geen enkele reden om op dat gebied een discriminatie in te voeren.
Net als de leden van het comité steun ik het in Europa veralgemeende verbod op de handel in kiemcellen. Het lijkt me evenwel verantwoord dat de donoren een vergoeding krijgen voor het geleden ongemak en de gemaakte kosten, maar geen betaling.
Thans krijgen de spermadonoren in België een forfaitair bedrag als compensatie voor de gemaakte kosten. Gelet op het tekort aan eiceldonoren is in de landen waar de betaling van eicellen is toegestaan, de prijs ervan op korte tijd zeer sterk gestegen. Om te voorkomen dat de prijs nog meer stijgt, zouden alle betrokken centra gezamenlijk een duidelijk systeem moeten uitwerken voor de vergoeding van de medische kosten, het geleden ongemak, de opgelopen risico's, de aangegane verzekeringen, de gemaakte verplaatsingen en de tijd besteed aan de donatie.
De `egg sharing'-procedure, of gedeeltelijke donatie, zou kunnen worden gewijzigd in het kader van het nieuwe terugbetalingssysteem dat geldt voor de in-vitrofertilisatie, dat bijna alle kosten dekt en dat op lange termijn moet worden geëvalueerd.
Binnen de multidisciplinaire teams van de centra voor medisch begeleide voortplanting vormen de verpleegkundigen een belangrijke schakel in de reproductie. Aangezien de opleiding van verloskundige in wezen gericht is op de vrouw en de reproductie, zijn de verloskundigen dikwijls goed vertegenwoordigd in die teams, wat een pluspunt is.
Ik vestig er evenwel uw aandacht op dat het niet dezelfde teams zijn die zich bezighouden met de medisch begeleide voortplanting en de begeleiding van de zwangerschap.
Ik zal u de gevraagde lijst van de erkende centra bezorgen.
Mevrouw Clotilde Nyssens (CDH). - Ik stel vast dat onze Bijzondere commissie voor bio-ethische problemen nog veel werk voor de boeg heeft.
De voorzitter. - Mevrouw Frédérique Ries, staatssecretaris voor Europese Zaken en Buitenlandse Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken, antwoordt namens de heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken.
Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - In ons land gaan steeds meer stemmen op om Belgen die kiezen voor een andere nationaliteit, het recht op een dubbele nationaliteit te geven.
De bepalingen omtrent het verlies van de nationaliteit bij het vrijwillig aannemen van een andere nationaliteit zijn nog steeds gebaseerd op de Overeenkomst betreffende de beperking van gevallen van meervoudige nationaliteit en betreffende militaire verplichtingen in geval van meervoudige nationaliteit uit 1963. Deze overeenkomst staat niet toe dat de oorspronkelijke nationaliteit wordt behouden.
Na de ratificatie van de overeenkomst van de Raad van Europa van 6 november 1997 inzake de nationaliteit, die de individuele lidstaten vrijlaat al dan niet te bepalen dat de oorspronkelijke nationaliteit kan worden behouden, zouden de in de commissie voor de Binnenlandse Zaken ingediende voorstellen over de dubbele nationaliteit goedgekeurd kunnen worden. Ons land heeft deze overeenkomst echter nog niet ondertekend. Elk wetsvoorstel tot toekenning van het recht op de dubbele nationaliteit blijft bijgevolg dode letter.
Dat staat in schril contrast met de uitspraken van de minister van Buitenlandse Zaken, die zich publiek heeft uitgesproken voor de dubbele nationaliteit. De minister moet zijn verklaringen ook in zijn beleid concretiseren. Nu hij al jaren bevoegd is voor deze materie, had deze conventie allang ondertekend en geratificeerd kunnen zijn.
Ik stelde daarover al een vraag op 16 oktober 2003. Het antwoord van de regering was ontwijkend. De minister antwoordde dat in 1998 de toenmalige minister van Justitie het verdrag nog niet wenste te ondertekenen omdat deze ondertekening allerhande wijzigingen vereiste aan het Wetboek van Belgische nationaliteit.
In 1998 is dat nog begrijpelijk, daar het om een verdrag van 1997 gaat. In 2003, vier jaar na de totstandkoming van het verdrag, verschuilt de minister zich echter achter de uitspraken van zijn voorganger, nadat hij in volle verkiezingsstrijd zelf in de media pleitte voor de dubbele nationaliteit en beloofde ze te zullen realiseren.
In de vijf jaar die verlopen zijn sinds de totstandkoming van het verdrag, heeft de regering al meermaals het Wetboek van de Belgische nationaliteit gewijzigd, maar ze heeft zich op geen enkel moment de moeite getroost om het verdrag van 1997 te ondertekenen of zelfs maar om te zetten in Belgische wetgeving.
In januari 2004 stonden twee wetsvoorstellen van onze fractie inzake de dubbele nationaliteit op de agenda van de commissie voor de Justitie. De commissie spoorde de regering aan het verdrag van 1997 snel te ondertekenen en te ratificeren, de overeenkomst uit 1963, voor zover nodig, op te zeggen en de noodzakelijke aanpassingen in het Wetboek van de Belgische nationaliteit aan te brengen. De commissieleden hebben de regering met aandrang gevraagd een onderzoek in te stellen naar de gevolgen van de ratificatie voor de nationaliteitswetgeving, naar de reden van het uitblijven ervan en naar het standpunt van de regering inzake de dubbele nationaliteit. Voor zover ik weet heeft de regering echter nog geen antwoord aan de commissie gegeven.
Ik spreek niet namens de commissie, maar namens de vele Belgen die zouden willen kiezen voor de dubbele nationaliteit, die, gelet op de complexe professionele en familiale situaties in deze snel evoluerende wereld, een recht zou moeten zijn.
Onderzoekt de regering de gevolgen van de ratificatie van het verdrag van 1997 voor de nationaliteitswetgeving? Zo ja, wat zijn de resultaten ervan?
Wat is de reden voor het uitblijven van het ondertekenen van het verdrag?
Wat is het standpunt van de regering inzake de dubbele nationaliteit? Ik hoor wel veel persoonlijke uitspraken, vooral van vice-eerste minister Michel, maar ik kijk uit naar het standpunt van de regering terzake.
Wanneer zal de overeenkomst ondertekend worden? Dat kan dan de eerste stap zijn naar een mogelijke aanpassing van het Burgerlijk Wetboek en naar de ratificatie.
Mevrouw Frédérique Ries, staatssecretaris voor Europese Zaken en Buitenlandse Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken. - Deze problematiek is het voorwerp van overleg tussen het departement Buitenlandse Zaken en het departement Justitie, dat inzake nationaliteit technisch bevoegd is. Hierover werd deze week nog correspondentie gevoerd. Zodra een beslissing genomen is, zal de regering het Parlement daarover informeren.
De briefwisseling van deze week met de minister van Justitie betreft de overeenkomst van 1963 en de mogelijkheid van de lidstaten om daar gedeeltelijk van af te wijken. We moeten nu tot overeenstemming komen over het openstellen van deze mogelijkheid en dat nadien meedelen aan Straatsburg. Pas in een tweede fase kunnen we, in voorkomend geval, beslissen of België van deze mogelijkheid gebruik zal maken. Dan rijst de vraag naar de ondertekening van de overeenkomst van 1997 en de start van de procedure om het parlement daarmee te laten instemmen.
Ik herinner eraan dat voor de grond van de zaak de minister van Justitie bevoegd is.
Ikzelf heb nog maar sinds enkele jaren de Belgische nationaliteit. Zelf ben ik dan ook erg benieuwd naar het, hopelijk snelle, antwoord van Justitie.
Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Ik moedig de staatssecretaris aan bijzonder snel werk te maken van de ondertekening en de ratificatie van het verdrag en van de omzetting in Belgisch recht, met de nodige juridische waakzaamheid weliswaar, zodat de wetgeving niet kan worden misbruikt. In onze globale wereld moet een dubbele nationaliteit mogelijk zijn. Bovendien zijn er in ons land thans twee soorten Belgen. De nieuwe Belgen hebben een dubbele nationaliteit; ze hebben immers het recht hun oorspronkelijke nationaliteit te behouden en toch de Belgische nationaliteit te verwerven. Daarnaast zijn er tal van Belgen die om diverse, terechte redenen kiezen voor een andere nationaliteit en door die keuze de Belgische nationaliteit verliezen.
De voorzitter. - Mevrouw Frédérique Ries, staatssecretaris voor Europese Zaken en Buitenlandse Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken, antwoordt namens de heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken.
Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - De laatste maanden worden we overspoeld met alarmerende berichten over de toestand in de Soedanese regio Darfur en de humanitaire crisis die daarmee gepaard gaat. Het Soedanese regeringsleger en Arabische milities te paard sloegen de handen in elkaar om de zwarte Afrikaanse stammen in Darfur te straffen. Dat ging gepaard met massale verdrijvingen, moorden, plunderingen en massaverkrachtingen.
Er zijn naar schatting een miljoen mensen ontheemd. Ongeveer 120.000 mensen vluchtten de grens over naar Tsjaad. Ook daar wordt de kampbevolking gegijzeld door de Arabische militie Janjaweed, die ondanks een op 8 april gesloten bestand, nog steeds aanvallen uitvoert.
Pas begin dit jaar kwam er aandacht voor de toestand in Soedan en op sommige plaatsen laat de hulp aan de gevluchten nog altijd op zich wachten. Volgens Artsen zonder Grenzen is de toestand in de `hergroeperingskampen' ronduit catastrofaal. De toegang is voor hulporganisaties nog steeds beperkt. Artsen zonder Grenzen beweert dat ze veel sneller zouden kunnen werken als de internationale gemeenschap de kwestie naar zich toe zou trekken.
In een nieuw rapport waarschuwt de International Crisis Group dat de humanitaire situatie wellicht nog veel slechter zal worden. Deze groep pleit voor de oprichting van een commissie die het staakt-het-vuren van 8 april moet controleren. De Raad Algemene Zaken van de EU beloofde de Afrikaanse Unie om te helpen bij het opzetten van een dergelijke commissie.
Tevens raadt de ICG de VN-Veiligheidsraad aan een resolutie goed te keuren onder hoofdstuk VII van het Handvest, die het gebruik van geweld toestaat als de regering in Khartoem de hulpverlening blijft tegenwerken.
Mijn vraag dateert van eind mei 2004, intussen is de toestand weer geëvolueerd. Als ik me niet vergis heeft vandaag in Genève de donorconferentie voor Soedan plaatsgevonden. De Europese ministers voor ontwikkelingssamenwerking hadden een paar dagen geleden afgesproken de zaak in het kader van de donorconferentie onder de loep te nemen en de druk op Soedan te verhogen om orde op zaken te stellen.
Ik kijk uit naar het resultaat van de engagementen die genomen zijn in het kader van de donorconferentie in Genève, om te zien in welke mate we onze inspanning kunnen verhogen. Ik heb ook kennis genomen van een persmededeling van de minister van Ontwikkelingssamenwerking die twee dagen geleden uiting heeft gegeven van zijn bezorgdheid over de situatie en verwijst naar zijn financiële inspanningen ten voordele van Soedan. België zou in de regio 2,1 miljoen euro subsidie voor ontwikkelingssamenwerking geven en 1,1 miljoen euro voor de aankoop van sorghum. Er zouden ook bedragen zijn vrijgemaakt voor noodhulp in de regio.
Kan de minister een overzicht geven van de diplomatieke en humanitaire stappen die België ter zake reeds gedaan en gepland heeft?
Hoe ver staat het met de oprichting van een commissie die het staakt-het-vuren van 8 april moet controleren? Wat is de stand van zaken? Wat is de bijdrage van België? Welke stappen denkt de minister te ondernemen om de opvolging ervan te bevorderen?
Wat is de houding van België ten aanzien van het rapport van de International Crisis Group? Steunt de minister het voorstel om een resolutie goed te keuren die het gebruik van geweld toestaat als de regering in Khartoem de hulpverlening blijft tegenwerken?
Mevrouw Frédérique Ries, staatssecretaris voor Europese Zaken en Buitenlandse Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken. - Op diplomatiek vlak vertolkte ons land actief standpunten om de stopzetting van het conflict in Darfur te bevorderen. Zo stelde minister Michel op de Raad Algemene Zaken van 26 april voor dat de EU politieke steun zou verlenen aan de naleving van het staakt-het-vuren van 8 april. Tevens vroeg hij dat de EU van de Soedanese regering zou eisen dat de humanitaire hulp zonder belemmeringen kan gebeuren en dat ze de milities die onder haar controle staan, zou neutraliseren. Hij heeft ook gevraagd dat een EU-trojka zich naar de regio zou begeven.
Ook in de bilaterale contacten met Soedan pleitte België bij herhaling voor een spoedige beëindiging van het conflict in Darfur. Dat was bijvoorbeeld het geval in december 2003 toen de minister er persoonlijk bij zijn ambtgenoot Mustafa Osman Ismail op heeft aangedrongen een vreedzame regeling voor Darfur te zoeken. De diensten van Buitenlandse Zaken brachten die boodschap ook over aan de Soedanese ambassadeur in Brussel in maart 2004.
Op humanitair vlak nam minister Michel tot nog toe de volgende beslissingen. Op het budget Noodhulp werd voor Artsen zonder Grenzen België een bedrag van 600.000 euro uitgetrokken voor de opvang van Soedanese vluchtelingen in Tsjaad en voor de aankoop en het transport van medisch materieel en geneesmiddelen; een bedrag van 429.000 euro is bestemd voor de noodzakelijke medische zorgen en watervoorziening ten behoeve van de ontheemden in Noord-Darfur.
Van de begroting Voedselhulp krijgt het World Food Programme een bedrag van 1 miljoen euro voor de dringende lokale aankoop van sorghumzaad voor Darfur; de FAO ontvangt een bedrag van 75.000 euro voor de coördinatie van de hulp aan de ontheemde families, meer bepaald voor de voorbereiding van de volgende landbouwoogsten.
Vandaag 3 juni vindt er in Genève trouwens een donorconferentie over Darfur plaats, waaraan ook ons land op actieve wijze deelneemt. Mevrouw de Bethune zal zo spoedig mogelijk meer details ontvangen over de resultaten van die conferentie.
Op 28 mei ondertekenden de partijen die bij het conflict in Darfur betrokken zijn, op de hoofdzetel van de Afrikaanse Unie in Addis Abeba een overeenkomst met betrekking tot de commissie die het staakt-het-vuren van 8 april moet controleren. De EU zal rechtstreeks betrokken worden bij de waarnemersmissie, die onder leiding van de Afrikaanse Unie onmiddellijk aan de slag zal gaan. België zal er binnen de EU nauwlettend op toezien dat optimaal gebruik wordt gemaakt van de Afrikaanse Vredesfaciliteit. Die faciliteit is van essentieel belang voor de financiële ondersteuning van het mechanisme voor een staakt-het-vuren. Ze slaat met name op de dagvergoedingen voor de waarnemers, de kosten voor brandstof, de verzekering en de medische ondersteuning. Via de Afrikaanse Vredesfaciliteit zal 10 miljoen euro ter beschikking worden gesteld, wat ongeveer de helft is van de middelen die de Afrikaanse Unie terzake nodig heeft.
Daarenboven bestaat er een reële kans dat een Belgisch diplomaat namens de EU zal deelnemen aan dat mechanisme, althans aan het politieke onderdeel ervan. Buitenlandse Zaken zal de evolutie in de geëigende fora op de voet blijven volgen.
België is van oordeel dat de analyse die de ICG in haar rapport beschrijft, grotendeels juist is.
Inmiddels heeft de Soedanese regering aangekondigd dat ze alle vereisten inzake speciale vergunningen voor de humanitaire hulpverleners die naar Darfur wensen te reizen, zal laten vallen. De Ierse voorzitter publiceerde namens de EU op 26 mei een verklaring waarin de verwachting wordt uitgedrukt dat de Soedanese regering die beslissing zonder verwijl uitvoert. België vindt het belangrijk dat de EU de ontwikkelingen in Darfur op de voet volgt. Het blijft altijd mogelijk dat de VN-Veiligheidsraad zijn goedkeuring zou geven aan het gebruik van geweld als een laatste toevluchtsmiddel.
De voorzitter. - Mevrouw Frédérique Ries, staatssecretaris voor Europese Zaken en Buitenlandse Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken, antwoordt namens de heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken.
Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Volgens de Britse krant The Independent misbruiken MONUC-militairen jonge vrouwelijke vluchtelingen in Bunia. Uit getuigenissen blijkt dat ook tienermeisjes, die moeder zijn omdat ze verkracht werden door Congolese militieleden, zich prostitueren om aan voedsel te geraken voor hun kinderen.
De slachtoffers, waarvan sommigen niet ouder zijn dan dertien jaar, hadden hun toevlucht gezocht in het vluchtelingenkamp van Bunia. Elke nacht zouden ze zich naar het VN-kamp begeven om hun lichaam te verkopen aan Marokkaanse en Uruguayaanse militairen. In ruil daarvoor krijgen ze voedsel.
Ik weet niet of deze berichten kloppen en of de VN hiertegen optreden. Het zou helaas niet de eerste keer zijn dat zoiets gebeurt. Amnesty International meldde eerder deze maand al dat in Kosovo 20% van de personen die gebruik maken van een prostitutienetwerk leden zijn van de internationale gemeenschap. Ook in de afgelopen jaren en maanden waren er berichten over dergelijk machtsmisbruik bij VN-vredesmissies.
Is de minister op de hoogte van deze feiten? Wat is zijn reactie? Zal hij dit probleem bij de VN aankaarten en welke diplomatieke actie zal hij ondernemen om die misbruiken tegen te gaan en desgevallend te bestraffen?
Mevrouw Frédérique Ries, staatssecretaris voor Europese Zaken en Buitenlandse Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken. - Er zijn interne disciplinaire procedures binnen het VN-systeem voor het vervolgen van eventueel wangedrag van VN-personeel in buitenlandse operaties.
De Verenigde Naties zijn zich bewust van de laakbare praktijken van sommige leden van het personeel en van de negatieve weerslag ervan op het lovenswaardige werk van de overgrote meerderheid van hun collega's.
Zo heeft de vice-secretaris-generaal van de VN, de heer Guéhenno, onlangs tegenover het MONUC-personeel met nadruk gewezen op het belang van deugdelijk gedrag van elke ambtenaar van de missie voor de handhaving van de vrede. Hij verklaarde zich bijzonder bedroefd en ongerust door verslagen over het wangedrag van een aantal internationale ambtenaren in verscheidene plaatsen waar MONUC optreedt.
"Terwijl er zovele positieve resultaten worden geboekt in het vredesproces, is het tragisch dat die resultaten door het gedrag van sommigen worden verknoeid. Het is een laakbaar en te veroordelen en, in sommige gevallen, crimineel gedrag. Het is duidelijk - ik hoef dat niet uit te leggen - dat dit gedrag de ellende en het ongeluk van de Congolezen, die we zijn komen helpen, nog vergroot. Dat creëert een desastreus beeld op internationaal vlak."
Het probleem is niet nieuw en een risico op dit soort wangedrag bestaat voor elke operatie voor handhaving van de vrede.
De Verenigde Naties zijn zich hiervan bewust. De VN-hiërarchie doet inspanningen om een einde te maken aan deze laakbare praktijken. Ik ben dan ook niet van plan deze inspanningen te doorkruisen.
Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Ik ben me ervan bewust dat slechts een minderheid dit soort wangedrag tentoonspreidt.
Met mijn vraag om uitleg wil ik er de nadruk op leggen dat de vaststelling dat dit soort wangedrag wordt vertoond bij bijna alle vredesmissies wijst op een structureel probleem, dat een structurele aanpak vereist.
Ik ben op de hoogte van de disciplinaire procedures binnen de VN, maar ik blijf ook van oordeel dat politieke controle van belang is om er over te waken dat ze worden nageleefd, vooral omdat dit soort gedrag de essentie van de missie in diskrediet kan brengen, hoewel ze natuurlijk ook op individueel vlak laakbaar en ontoelaatbaar zijn.
Mevrouw Jacinta De Roeck (SP.A-SPIRIT). - In september 2003 heb ik de staatssecretaris om een overzicht verzocht van de Europese richtlijnen die toen nog niet in Belgische wetgeving waren omgezet. Dat leverde een imposante lijst op van 110 richtlijnen waarvoor de Commissie ons land al in gebreke had gesteld. Daarnaast liepen er 21 geschillen voor het Europees Hof van Justitie en moesten 26 recente richtlijnen nog in interne wetgeving omgezet worden tegen 9 april 2004. De staatssecretaris beloofde beterschap. Het Europees voorzitterschap van België en de federale verkiezingen hadden voor oponthoud gezorgd, maar daar zou verandering in komen. Hoog tijd dus voor een eerste evaluatie.
Bij het overlopen van de lijst van dossiers waarin de Europese Commissie de Belgische Staat formeel in gebreke heeft gesteld wegens de niet-omzetting van Europese richtlijnen valt op hoeveel keer leefmilieu en volksgezondheid worden vermeld. Heeft de staatssecretaris daar een verklaring voor? Hoe positioneren we ons tegenover de andere lidstaten in deze materies? Worden in deze sectoren extra inspanningen geleverd om de achterstand in te halen? Zo ja, welke? Welke achterstallige dossiers krijgen absolute prioriteit?
Welk tijdschema heeft de staatssecretaris zich voor ogen gesteld om van ons land een betere leerling te maken? Welke zijn de resultaten van de coördinatievergaderingen om de evolutie van de diverse dossiers te volgen? Over welke andere pressiemiddelen dan haar moreel gezag bij haar collega's beschikt de staatssecretaris nog?
Mevrouw Frédérique Ries, staatssecretaris voor Europese Zaken en Buitenlandse Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken. - De dossiers in verband met leefmilieu en volksgezondheid zijn complex en talrijk. Ze zijn complex door de structuur van onze federale staat. Vele richtlijnen betreffen zowel federale als regionale bevoegdheden en het volstaat dat één entiteit de richtlijn niet omzet of dat één entiteit geen positief advies geeft om een verzuim ten laste van België te veroorzaken. De Europese Commissie hecht veel belang aan de sectoren volksgezondheid en leefmilieu en daarom ook zijn er in deze domeinen zeer vele richtlijnen. België heeft per jaar een honderdtal richtlijnen om te zetten. In 2003 was de FOD Volksgezondheid betrokken bij de omzetting van 56 van deze richtlijnen en in 2004 bij de omzetting van 59 richtlijnen. Dit voorbeeld illustreert de omvang van het werk dat elk jaar moet worden volbracht.
We beschikken niet over specifieke cijfers inzake leefmilieu en volksgezondheid om een vergelijking met de andere EU-lidstaten mogelijk te maken. Op onze extra inspanningen in het algemeen zal ik later ingaan. Specifiek voor deze domeinen echter is er de groep Environmental Law, die de dossiers inzake leefmilieu behandelt, meer bepaald op het vlak van bevoegdheidsverdeling en overeenstemming met de internationale akkoorden, tijdens de vergaderingen die op de Belgische permanente vertegenwoordiging bij de Europese Unie worden gehouden. Daarnaast zijn er ook bilaterale vergaderingen met de Commissie, de zogenaamde pakketvergaderingen, die een rechtstreeks contact over een reeks dossiers in een specifiek domein mogelijk maken.
De laatste pakketvergadering inzake leefmilieu had plaats op 21 april jongstleden. Er wordt ook vaak contact genomen met de Commissie voor specifieke dossiers.
De prioritaire dossiers zijn die welke hangende zijn voor het Hof van Justitie en die waarover het Hof reeds een arrest heeft geveld. Er zijn momenteel zeven dossiers hangende bij het Hof en er zijn zeven arresten geveld die moeten worden uitgevoerd.
De positie van België is merkelijk verbeterd: van een deficit van 3,5% of 54 richtlijnen voor de richtlijnen inzake de interne markt op 30 november 2003 naar een deficit van 2,8% of 43 richtlijnen op 22 maart 2004. In juli zal het Belgische deficit nog maar 2,1% of 32 richtlijnen bedragen.
België heeft dus een inhaalbeweging gemaakt en bevindt zich nu in de middenmoot van de Europese lidstaten. De inspanningen moeten zeker worden voortgezet zodat we kunnen komen tot het door de Commissie toegelaten deficit van 1,5%. Een tijdslimiet stellen is moeilijk. We bevinden ons met de regionale verkiezingen van 13 juni in een periode die meer risico inhoudt op vertragingen voor de richtlijnen met gewestelijke of gemeenschappelijke implicaties.
De verbetering van de Belgische positie is de vrucht van een intense en algemene coördinatie op administratief niveau. Daarvoor verwijs ik naar de maandelijkse vergaderingen van alle entiteiten op federaal en gewestelijk vlak onder voorzitterschap van het departement van Buitenlandse Zaken en ook naar het bestaande netwerk van contactpunten en de continue updating van een Europese databank over de omzetting in nationaal recht op het departement van Buitenlandse Zaken. In de periode februari-april stond het probleem van de omzetting bijna elke week op de agenda van de ministerraad en elke maand op die van het overlegcomité.
Ik beschouw het engagement van de eerste minister als een effectieve en positieve steun voor mijn actie. Een sterk pressiemiddel is ook de dreiging van een tweede veroordeling door het Hof van Justitie waarin ons land een huizenhoge dwangsom van 30.000 euro per dag wordt opgelegd. Dit is nog nooit gebeurd.
Ik hou me sterk met deze problematiek bezig. Het is de materie waarvoor de minister van Buitenlandse Zaken me uitsluitende bevoegdheid heeft gegeven.
In het jongste bulletin of scoreboard van de Europese Commissie van eind vorig jaar bekleedden we de vijftiende en dus laatste plaats. Dat is niet erg positief, gelet op onze historische en morele positie van Europese motor. Op het officieuze scoreboard van maart, dat van de voorjaarstop, zijn we gestegen naar de negende plaats.
Met het deficit van 2,1% hopen we in juli een zesde plaats te bereiken. De gedurende maanden volgehouden inspanningen en de door de eerste minister op alle ministerraden getoonde aandacht werpen dus vruchten af.
Mevrouw Jacinta De Roeck (SP.A-SPIRIT). - Ik ben blij te horen dat we sinds september vorig jaar, toen ik op een gelijkaardige vraag een veel minder positief antwoord kreeg, al een grote vooruitgang hebben geboekt. Toen waren we de slechtste leerling van de klas. Nu zitten we toch al in de middenmoot.
Ik begrijp dat het voor België, met zijn verschillende beleidsniveaus, bijzonder moeilijk is om Europese richtlijnen te implementeren. We moeten echter de zaken blijven opvolgen en ervoor zorgen dat we bij de koplopers van Europa behoren.
De voorzitter. - De volgende vergadering vindt plaats donderdag 10 juni 2004 om 15 uur.
(De vergadering wordt gesloten om 20.20 uur.)
Afwezig met bericht van verhindering: de heren Duquesne, Moureaux en Timmermans, wegens andere plichten.
-Voor kennisgeving aangenomen.
Stemming 1
Aanwezig: 51
Voor: 51
Tegen: 0
Onthoudingen: 0
Voor
Sfia Bouarfa, Mimount Bousakla, Christian Brotcorne, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Berni Collas, Jean Cornil, Hugo Coveliers, Frank Creyelman, Marie-Hélène Crombé-Berton, Jean-Marie Dedecker, Michel Delacroix, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Francis Detraux, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Christel Geerts, Caroline Gennez, Jacques Germeaux, Michel Guilbert, Jean-Marie Happart, Patrick Hostekint, Jean-François Istasse, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Clotilde Nyssens, Luc Paque, Fatma Pehlivan, Didier Ramoudt, François Roelants du Vivier, Annemie Van de Casteele, Hugo Vandenberghe, Lionel Vandenberghe, Luc Van den Brande, Ludwig Vandenhove, Anke Van dermeersch, Jan Van Duppen, Joris Van Hauthem, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, Karim Van Overmeire, Wim Verreycken, Christiane Vienne, Luc Willems, Paul Wille, Marc Wilmots, Alain Zenner.
Stemming 2
Aanwezig: 53
Voor: 53
Tegen: 0
Onthoudingen: 0
Voor
Sfia Bouarfa, Mimount Bousakla, Christian Brotcorne, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Berni Collas, Jean Cornil, Hugo Coveliers, Frank Creyelman, Marie-Hélène Crombé-Berton, Sabine de Bethune, Jean-Marie Dedecker, Michel Delacroix, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Alain Destexhe, Francis Detraux, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Christel Geerts, Caroline Gennez, Jacques Germeaux, Michel Guilbert, Jean-Marie Happart, Patrick Hostekint, Jean-François Istasse, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Clotilde Nyssens, Luc Paque, Fatma Pehlivan, Didier Ramoudt, François Roelants du Vivier, Annemie Van de Casteele, Hugo Vandenberghe, Lionel Vandenberghe, Luc Van den Brande, Ludwig Vandenhove, Anke Van dermeersch, Jan Van Duppen, Joris Van Hauthem, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, Karim Van Overmeire, Wim Verreycken, Christiane Vienne, Luc Willems, Paul Wille, Marc Wilmots, Alain Zenner.
Stemming 3
Aanwezig: 54
Voor: 54
Tegen: 0
Onthoudingen: 0
Voor
Sfia Bouarfa, Mimount Bousakla, Christian Brotcorne, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Berni Collas, Jean Cornil, Hugo Coveliers, Frank Creyelman, Marie-Hélène Crombé-Berton, Sabine de Bethune, Jean-Marie Dedecker, Michel Delacroix, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Alain Destexhe, Francis Detraux, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Christel Geerts, Caroline Gennez, Jacques Germeaux, Michel Guilbert, Jean-Marie Happart, Patrick Hostekint, Jean-François Istasse, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Clotilde Nyssens, Luc Paque, Fatma Pehlivan, Didier Ramoudt, François Roelants du Vivier, Annemie Van de Casteele, Hugo Vandenberghe, Lionel Vandenberghe, Luc Van den Brande, Ludwig Vandenhove, Anke Van dermeersch, Jan Van Duppen, Joris Van Hauthem, Frank Vanhecke, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, Karim Van Overmeire, Wim Verreycken, Christiane Vienne, Luc Willems, Paul Wille, Marc Wilmots, Alain Zenner.
Stemming 4
Aanwezig: 54
Voor: 54
Tegen: 0
Onthoudingen: 0
Voor
Sfia Bouarfa, Mimount Bousakla, Christian Brotcorne, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Berni Collas, Jean Cornil, Hugo Coveliers, Frank Creyelman, Marie-Hélène Crombé-Berton, Sabine de Bethune, Jean-Marie Dedecker, Michel Delacroix, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Alain Destexhe, Francis Detraux, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Christel Geerts, Caroline Gennez, Jacques Germeaux, Michel Guilbert, Jean-Marie Happart, Patrick Hostekint, Jean-François Istasse, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Clotilde Nyssens, Luc Paque, Fatma Pehlivan, Didier Ramoudt, François Roelants du Vivier, Annemie Van de Casteele, Hugo Vandenberghe, Lionel Vandenberghe, Luc Van den Brande, Ludwig Vandenhove, Anke Van dermeersch, Jan Van Duppen, Joris Van Hauthem, Frank Vanhecke, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, Karim Van Overmeire, Wim Verreycken, Christiane Vienne, Luc Willems, Paul Wille, Marc Wilmots, Alain Zenner.
Wetsvoorstellen
Artikel 77 van de Grondwet
Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 259bis-9 van het Gerechtelijk Wetboek, teneinde de bevoegdheid inzake de magistratenopleiding over te hevelen naar de Hoge Raad voor de Justitie (van mevrouw Clotilde Nyssens en mevrouw Nathalie de T' Serclaes; Stuk 3-716/1).
-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.
Artikel 81 van de Grondwet
Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 584 van het Gerechtelijk Wetboek, teneinde de rechters in handelszaken en de rechters in sociale zaken in staat te stellen zitting te houden in kort geding (van mevrouw Clotilde Nyssens c.s.; Stuk 3-715/1).
-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.
Wetsvoorstel tot wijziging van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 teneinde de steun aan de KMO's in de fiscale wetgeving te verankeren (van de heer René Thissen; Stuk 3-717/1).
-Verzonden naar de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden.
Wetsvoorstel tot wijziging van de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren, door middel van de invoering van maatregelen inzake de gevaarlijke honden (van de heer Christian Brotcorne; Stuk 3-718/1).
-Verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.
Wetsvoorstel tot wijziging van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 teneinde de deelname aan de verkiezingen te bevorderen (van de heer Christian Brotcorne; Stuk 3-720/1).
-Verzonden naar de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden.
Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 192, §1, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen met het oog op het heffen van vennootschapsbelasting op de meerwaarden verwezenlijkt op aandelen (van de heer Jean Cornil en mevrouw Isabelle Durant; Stuk 3-721/1).
-Verzonden naar de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden.
Wetsvoorstel tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen en van het koninklijk besluit van 20 juli 1971 houdende instelling van een uitkeringsverzekering en een moederschapsverzekering ten voordele van de zelfstandigen en van de meewerkende echtgenoten, met betrekking tot de arbeidsongeschiktheidsregeling voor zelfstandigen (van mevrouw Annemie Van de Casteele; Stuk 3-723/1).
-Verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.
Wetsvoorstel tot wijziging van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd op 14 juli 1994 teneinde het inkomen van de invaliden te verhogen door de aanpassing van het inkomensplafond voor de personen ten laste (van mevrouw Annemie Van de Casteele c.s.; Stuk 3-724/1).
-Verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.
Voorstel van resolutie
Voorstel van resolutie strekkende om beter rekening te houden met de belangen van fietsers in het algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg (van de heer Christian Brotcorne; Stuk 3-719/1).
-Verzonden naar de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden.
Het Bureau heeft volgende vragen om uitleg ontvangen:
-Deze vragen worden naar de plenaire vergadering verzonden.
De Senaat heeft bij boodschap van 2 juni 2004 aan de Kamer van volksvertegenwoordigers ter kennis gebracht dat tot evocatie is overgegaan, op die datum, van:
Wetsontwerp houdende aanvulling van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek inzake verkoop teneinde de consumenten te beschermen (Stuk 3-722/1).
-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden.
Bij boodschappen van 2 juni 2004 heeft de Senaat aan de Kamer van volksvertegenwoordigers terugbezorgd, met het oog op de bekrachtiging door de Koning, de volgende niet geëvoceerde wetsontwerpen:
Wetsontwerp tot bekrachtiging van het koninklijk besluit van 22 december 2003 betreffende de bijdrage in de werkings-, personeels- en oprichtingskosten van de kansspelcommissie verschuldigd door de houders van de vergunningen klasse A, B, C en E (Stuk 3-693/1).
Wetsontwerp met betrekking tot de bijdrage van België aan de dertiende wedersamenstelling van de werkmiddelen van de Internationale Ontwikkelingsassociatie (Stuk 3-694/1).
-Voor kennisgeving aangenomen.
Bij boodschap van 27 mei 2004 heeft de Kamer van volksvertegenwoordigers aan de Senaat overgezonden, zoals het ter vergadering van dezelfde dag werd aangenomen:
Kennisgeving
Herziening van artikel 67 van de Grondwet (van de heer Armand De Decker c.s.; Stuk 3-639/1).
-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 27 mei 2004 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.
Met toepassing van artikel 113 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van het Arbitragehof kennis aan de voorzitter van de Senaat van:
-Voor kennisgeving aangenomen.
Met toepassing van artikel 77 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van het Arbitragehof aan de voorzitter van de Senaat kennis van:
gesteld door het Hof van Beroep te Antwerpen, het Hof van Beroep te Brussel en de Correctionele Rechtbank te Brussel (rolnummers 2940, 2954, 2989, 2994 en 2998, samengevoegde zaken).
-Voor kennisgeving aangenomen.
Met toepassing van artikel 76 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van het Arbitragehof kennis aan de voorzitter van de Senaat van:
-Voor kennisgeving aangenomen.
Bij brief van 27 mei 2004, heeft de voorzitster van de Hoge Raad voor de Justitie, overeenkomstig de artikelen 259bis-12, §1, en 259bis-18 van het Gerechtelijk Wetboek, aan de Senaat overgezonden:
goedgekeurd tijdens de algemene vergadering van de Hoge Raad voor de Justitie van 26 mei 2004.
-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.
Bij brief van 28 mei 2004 heeft de Procureur-generaal te Gent overeenkomstig artikel 346 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2003 van het Parket-generaal te Gent, goedgekeurd tijdens zijn korpsvergadering van 6 mei 2004.
-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.
Bij brief van 25 mei 2004 heeft de Procureur-generaal van het Auditoraat-generaal bij het Arbeidshof te Antwerpen overeenkomstig artikel 346 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2003 van het Auditoraat-generaal bij het Arbeidshof te Antwerpen, goedgekeurd tijdens zijn korpsvergadering van 24 mei 2004.
-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.
Bij brief van 28 mei 2004 heeft de eerste voorzitter van het Arbeidshof te Antwerpen, overeenkomstig artikel 340 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2003 van het Arbeidshof te Antwerpen, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 27 mei 2004.
-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.
Bij brief van 27 mei 2004 heeft de directeur van het Centrum voor gelijkheid van kansen en racismebestrijding, overeenkomstig artikel 6 van de wet van 15 februari 1993 tot oprichting van een Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding, aan de Senaat overgezonden, het jaarverslag 2003 - Naar een uitbreiding, van het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding.
-Verzonden naar de commissie voor de Justitie en de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden.
Bij brief van 27 mei 2003 heeft de Voorzitter van de raad van bestuur van het Zilverfonds, overeenkomstig artikel 41 van de wet van 5 september 2001 tot waarborging van een voortdurende vermindering van de overheidsschuld en tot oprichting van een Zilverfonds aan de Senaat overgezonden, het jaarverslag 2003 van het Zilverfonds.
-Verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden en naar de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden.