4-78

4-78

Belgische Senaat

4-78

Handelingen - Nederlandse versie

DONDERDAG 28 MEI 2009 - NAMIDDAGVERGADERING


Waarschuwing: de blauwe kleur geeft aan dat het gaat om uit het Frans vertaalde samenvattingen.


Inoverwegingneming van voorstellen

Mondelinge vragen

Wetsontwerp houdende instemming met volgende Internationale Akten:
1º Overeenkomst betreffende wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten van Amerika, gedaan te Washington D.C. op 25 juni 2003;
2º Instrument, gedaan te Brussel op 16 december 2004, als bedoeld in artikel 3, lid 2, van de Overeenkomst betreffende wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten van Amerika, gedaan op 25 juni 2003, met betrekking tot de toepassing van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en de Verenigde Staten van Amerika aangaande de rechtshulp in strafzaken, ondertekend op 28 januari 1988 (Stuk 4-1183)

Wetsontwerp houdende instemming met volgende Internationale Akten:
1º Overeenkomst betreffende uitlevering tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten van Amerika, gedaan te Washington D.C. op 25 juni 2003;
2º Instrument, gedaan te Brussel op 16 december 2004, als bedoeld in artikel 3, lid 2, van de Overeenkomst betreffende uitlevering tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten van Amerika, gedaan op 25 juni 2003, met betrekking tot de toepassing van de Overeenkomst inzake uitlevering tussen het Koninkrijk België en de Verenigde Staten van Amerika, ondertekend op 27 april 1987 (Stuk 4-1184)

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst van de Raad van Europa inzake het witwassen, de opsporing, de inbeslagneming en de confiscatie van opbrengsten van misdrijven en de financiering van het terrorisme, gedaan te Warschau op 16 mei 2005 (Stuk 4-1292)

Wetsontwerp houdende instemming met het Internationaal Verdrag betreffende de bestrijding van daden van nucleair terrorisme, gedaan te New York op 14 september 2005 (Stuk 4-1293)

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en de Republiek Peru inzake het verrichten van betaalde werkzaamheden door bepaalde gezinsleden van het diplomatiek en consulair personeel, gedaan te Brussel op 24 juni 2008 (Stuk 4-1308)

Wetsontwerp tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek wat de plaats van het huwelijk betreft (Stuk 4-1255) (Evocatieprocedure)

Wetsontwerp tot oprichting van een Belgisch Centrum voor alternatieven voor dierproeven (Stuk 4-242) (Art. 81, derde lid, en art. 79, eerste lid, van de Grondwet)

Wetsontwerp houdende diverse bepalingen met betrekking tot de instelling van een bijzondere onderhandelingsgroep, een vertegenwoordigingsorgaan en procedures betreffende het medezeggenschap van de werknemers in ondernemingen ontstaan ten gevolge van een grensoverschrijdende fusie van kapitaalvennootschappen (Stuk 4-1327)

Wetsvoorstel tot wijziging van de wet van 31 december 1983 tot hervorming der instellingen voor de Duitstalige Gemeenschap betreffende de onverenigbaarheden voor de leden van het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap (Stuk 4-1225)

Voorstel van resolutie met betrekking tot de problematiek van de huishoudelijke economie (van mevrouw Miet Smet, Stuk 4-887)

Vraag om uitleg van de heer André Van Nieuwkerke aan de vice-eersteminister en minister van Financiën en Institutionele Hervormingen over «de btw in de sector grafische vormgeving» (nr. 4-921)

Vraag om uitleg van de heer Louis Ide aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «de opleiding tot verpleegkundige-ziekenhuishygiënist» (nr. 4-922)

Vraag om uitleg van de heer Louis Ide aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «het asbestfonds» (nr. 4-923)

Stemmingen

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de staatssecretaris voor Mobiliteit over «het dragen van de autogordel» (nr. 4-914)

Vraag om uitleg van mevrouw Lieve Van Ermen aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «de nieuwe vermageringspil Alli» (nr. 4-928)

Vraag om uitleg van de heer Louis Ide aan de vice-eersteminister en minister van Ambtenarenzaken, Overheidsbedrijven en Institutionele Hervormingen over «de sponsoring van de Koninklijke Belgische Voetbalbond door overheidsbedrijven» (nr. 4-924)

Vraag om uitleg van mevrouw Lieve Van Ermen aan de staatssecretaris voor de Coördinatie van de fraudebestrijding over «Nederlandse taallessen voor anderstalige kinderen op kosten van het ziekenfonds in het kader van logopedie» (nr. 4-927)

Vraag om uitleg van mevrouw Freya Piryns aan de minister van Migratie- en Asielbeleid over «de recente instructie over de regularisatie van gezinnen met schoolgaande kinderen» (nr. 4-911)

Vraag om uitleg van de heer Yves Buysse aan de minister van Binnenlandse Zaken over «het statuut van de brandweerlui» (nr. 4-925)

Vraag om uitleg van de heer Yves Buysse aan de minister van Binnenlandse Zaken over «de hervorming van de civiele veiligheid» (nr. 4-926)

Berichten van verhindering

Bijlage


Voorzitter: de heer Armand De Decker

(De vergadering wordt geopend om 15.10 uur.)

Inoverwegingneming van voorstellen

De voorzitter. - De lijst van de in overweging te nemen voorstellen werd rondgedeeld.

Leden die opmerkingen mochten hebben, kunnen die vóór het einde van de vergadering mededelen.

Tenzij er afwijkende suggesties zijn, neem ik aan dat die voorstellen in overweging zijn genomen en verzonden naar de commissies die door het Bureau zijn aangewezen. (Instemming)

(De lijst van de in overweging genomen voorstellen wordt in de bijlage opgenomen.)

Mondelinge vragen

Mondelinge vraag van mevrouw Lieve Van Ermen aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «de opmars van Echinococcus multilocularis of vossenlintworm» (nr. 4-792)

Mevrouw Lieve Van Ermen (LDD). - Sinds 1996 is bekend dat de vossenlintworm in ons land bij vossen voorkomt. Net als andere dieren is de vos een gastheer voor een aantal ziekteverwekkende organismen zoals virussen, bacteriën en wormen.

De vossenlintworm is een kleine lintworm van 2 tot 6 millimeter groot die voorkomt in de dunne darm van de vos. De vos kan net zoals alle wildlevende knaagdieren een drager van de parasiet zijn. In de ontlasting van een besmette vos komen stukjes lintworm met eitjes voor.

De algemene volksgezondheid kan in gevaar komen door de consumptie van wilde bosvruchten als bramen, frambozen en bosbessen, zelfgeplukte paddestoelen en valfruit, door het eten met bevuilde handen of door tuinieren, waarbij met eitjes besmette gronddeeltjes aan de handen blijven kleven.

Ook de consumptie van groenten uit de tuin kan een infectie veroorzaken, evenals het contact met de vacht en uitwerpselen van geïnfecteerde vossen en het contact met honden en huisdieren die met die lintworm zijn besmet.

Na de opname van de lintwormeitjes duurt het vijf tot vijftien jaar voordat de eerste ziekteverschijnselen zich voordoen. Die verschijnselen zijn weinig specifiek en kunnen bestaan uit buikpijn, kortademigheid en/of geelzucht.

Voorlopig biedt medicatie of operatief ingrijpen en soms een levertransplantatie in het beste geval een stabilisering van de toestand. De prognose is zonder behandeling doorgaans zeer slecht, met de dood tot gevolg in 70 tot 90% van de gevallen.

In de Ardennen zijn gebieden bekend waar tot 78% van alle vossen vermoedelijk drager zijn van de vossenlintworm. De streek tussen Samber en Maas en enkele plaatsen op het Ardeens plateau worden als endemisch gebied beschouwd.

Het is dan ook niet verwonderlijk dat ook in Vlaanderen de helft van de vossenpopulatie met de vossenlintworm is besmet. Daarenboven volstaat één vos om een hele regio van algauw tien vierkante kilometer te besmetten.

Bovendien is de vos een zeer vruchtbaar dier dat per jaar vier tot vijf nakomelingen kan hebben. Die nakomelingen zorgen voor de verspreiding van de ziekte over het hele land, tot in het hartje van onze steden toe. Zelfs op de Louizalaan in Brussel zijn vossen opgemerkt.

Vele burgers worden ongerust. De heer Michel Servais, voorzitter van de vereniging Amicale des chasseurs de la Région wallonne, heeft uit wanhoop wegens het uitblijven van dringende en noodzakelijke maatregelen bij het parket van Brussel tegen de vice-eersteminister en andere verantwoordelijken een klacht ingediend wegens nalatigheid.

Ik ben me ervan bewust dat de Gewesten of zelfs de gemeenten in dit dossier eerder bevoegd zijn om concrete maatregelen te nemen, maar de vrijwaring van de algemene volksgezondheid is een federale materie en elke coördinatie moet alleszins op nationaal vlak gebeuren.

De gevolgen van besmetting met vossenlintworm zijn nefast en het aantal potentiële ziekteverspreiders neemt almaar toe. Welke maatregelen zal de minister om die reden nemen om de bevolking in te lichten?

De vos is een predator die zelf geen natuurlijke vijanden heeft. Het ligt dan ook voor de hand dat hier een taak voor de jagers is weggelegd. Zij zijn het best op de hoogte van de situatie in hun jachtrevieren en dus het best geplaatst om de verdere uitbreiding van de vos en deze voor de mens zeer gevaarlijke parasiet te voorkomen door vooral jonge vossen te bestrijden wanneer ze zeven tot acht maanden oud zijn. Is de minister bereid haar collega's van de gewestregeringen aan te manen maatregelen te nemen teneinde de jagers ter zake te mobiliseren en te responsabiliseren? Zal ze dit dossier aankaarten op een door haar georganiseerde interministeriële conferentie, tussen de federale Staat, de Gewesten en de Gemeenschappen, met het oog op de coördinatie van eventuele andere preventieve maatregelen van technische aard?

Zo ja, welk standpunt zal ze naar voren brengen? Of zal ze de zaken verder op hun beloop laten? Zal ze de politieke verantwoordelijkheid op zich nemen wanneer zich nieuwe gevallen met een dramatische afloop voordoen? In Europa zijn er al elf sterfgevallen en in negenentwintig gevallen moest een levertransplantatie worden gedaan.

Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. - Zoals u weet, is de informatie van het publiek en in het bijzonder het plaatsen van waarschuwingsborden langs wegen en paden in bossen en velden geen federale bevoegdheid. Mochten de regionale besturen of de gemeentebesturen het nuttig achten, kunnen zij informatie vinden op de website van het WIV, het Belgische Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid, waar een kant-en-klare brochure over echinokokkose beschikbaar is.

Het specifieke bejagen van de vos om humane alveolaire echinokokkose te verminderen lijkt niet zinvol te zijn. De jachtreglementering is trouwens een bevoegdheid van de Gewesten, bijvoorbeeld bij lokale overlast door een te grote populatie van een bepaalde diersoort. De federale regering kan hier niet tussenbeide komen.

Als minister bevoegd voor dierenwelzijn zou ik trouwens eerst aan diervriendelijke manieren denken om een probleem op te lossen. In dit geval zijn nog andere initiatieven mogelijk, zoals het gebruik van wormdrijvende middelen. In Frankrijk loopt een dergelijk project en ik vind het dan ook nuttig die conclusies door mijn diensten grondig te laten onderzoeken.

Tussen 2004 en 2008 werden door het referentielaboratorium in Brussel meer dan 1250 bloedstalen onderzocht op Echinococcus multilocularis en alle positieve stalen - in totaal een vijftigtal - werden in Bern grondiger onderzocht. Slechts twee nieuwe gevallen van humane alveolaire echinokokkose werden in die vijf jaar vastgesteld.

Zoals eerder vermeld, behoren de preventieve maatregelen tegen deze aandoening tot de bevoegdheden van de Gewesten en zijn de Gemeenschappen bevoegd voor de voorlichting. De gespecialiseerde instituten van de federale overheid staan ter beschikking om elk initiatief in die zin te ondersteunen. De zeer lage incidentie van de besmetting, namelijk twee nieuwe gevallen in vijf jaar, rechtvaardigt niet dat het probleem door het federaal niveau ter sprake wordt gebracht op de overlegvergaderingen tussen de federale regering en de regeringen van de Gemeenschappen en Gewesten.

De reactie van de jagers verbaast me, want ze hebben eind vorig jaar al een vergadering gehad met mijn diensten als aanzet om de verschillende aspecten van deze problematiek te verkennen.

Mevrouw Lieve Van Ermen (LDD). - Elke zieke is er een te veel. Bij een aantal levertransplantaties luidde de aanvankelijke diagnose leverkanker, maar bleek het post hoc om echinokokken te gaan. Ik vraag me dan ook af of de statistiek van twee gevallen in vijf jaar de werkelijkheid wel weergeeft. Men zou ook bij de anatomopathologen navraag moeten doen.

Mondelinge vraag van de heer Josy Dubié aan de vice-eersteminister en minister van Buitenlandse Zaken over «de uitreiking van een exportvergunning voor wapens naar Libië» (nr. 4-799)

De voorzitter. - De heer Guido De Padt, minister van Binnenlandse Zaken, antwoordt.

De heer Josy Dubié (Ecolo). - De uitreiking van exportvergunningen voor wapens is een gewestmaterie. Tengevolge van de controverse over de uitreiking van een vergunning door het Waals Gewest met het oog op de bouw van een munitiefabriek in Tanzania, die later weer werd ingetrokken, werd een samenwerkingakkoord gesloten tussen de gewesten en de federale overheid. Krachtens dit akkoord moet overleg worden gepleegd met de verschillende bestuursniveaus alvorens een beslissing kan worden genomen over wapenexport, in het bijzonder naar onstabiele gebieden. De verkoop van wapens aan andere landen is een delicate materie. Dat vergt een coherent buitenlands beleid.

De uitreiking van een vergunning voor de export van lichte wapens naar Libië staat momenteel ter discussie. De Waalse gewestregering is er tegen.

Werd u door uw Waalse collega's geraadpleegd over een exportvergunning voor lichte wapens aan dit risicoland? Zo ja, wat is het standpunt van de federale regering? Libië wordt geleid door een megalomaan dictator. Daar kan men toch niet zomaar aan voorbij gaan?

Welke garanties heeft u dat de bepalingen van de Europese gedragscode inzake wapenexport door Libië worden in acht genomen? Vindt u meer bepaald dat dit land voldoet aan de clausule met betrekking tot de mensenrechten?

Libië heeft zich ten dienste gesteld - en doet dat wellicht nog steeds - als wapenopslagplaats van terroristische bewegingen en groepen, zoals het IRA en de islamitische integristische Abu Sayyaf-groepering uit het zuiden van de Filippijnen. Denkt u dat het verbod op heruitvoer van de eventueel geleverde wapens zal worden gerespecteerd?

Is de eventuele uitreiking van de vergunning in overeenstemming met de Europese gedragscode die de uitvoer van wapens naar een derde land verbiedt, wanneer dat al door een ander Europees land werd geweigerd? In 2008 weigerde Groot-Brittannië immers al de uitvoer van 130 000 aanvalsgeweren naar Libië.

De heer Guido De Padt, minister van Binnenlandse Zaken. - Ik lees het antwoord van de minister.

De bijzondere wet van 12 augustus 2003 kent aan de gewesten bevoegdheden toe met betrekking tot de in-, uit- en doorvoer van wapens, munitie, en speciaal voor militair gebruik of voor ordehandhaving dienstig materieel en daaraan verbonden technologie evenals van producten en technologieën voor tweeërlei gebruik.

Krachtens het samenwerkingakkoord van 7 maart 2007 tussen de FOD Buitenlandse zaken en de gewesten, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 20 december 2007, kunnen de gewesten in de uitoefening van hun specifieke bevoegdheden, de gegevens consulteren waarover mijn departement beschikt, met name de landenfiches en het verslag over de mensenrechtensituatie.

De gewesten kunnen ook altijd een individuele consultatie aanvragen over een specifiek geval. Artikel 8 van het samenwerkingsakkoord bepaalt dat die consultaties een vertrouwelijk karakter hebben, dat ik verplicht ben in acht te nemen.

De heer Josy Dubié (Ecolo). - Ik wou weten of de minister door de Waalse regering werd geconsulteerd, maar ik heb geen antwoord gekregen op die essentiële vraag.

Als Libië geen grensgeval is, weet ik niet waarvoor het samenwerkingsakkoord dient!

Mondelinge vraag van mevrouw Anne Delvaux aan de minister van Maatschappelijke Integratie, Pensioenen en Grote Steden en aan de minister van Migratie- en Asielbeleid over «de tekortkomingen van de Belgische Staat inzake de mensenrechten» (nr. 4-800)

De voorzitter. - De heer Guido De Padt, minister van Binnenlandse Zaken, antwoordt.

Mevrouw Anne Delvaux (cdH). - De mensenrechten organisatie Amnesty International heeft het jaarrapport 2009 gepubliceerd.

Daarin wordt vermeld dat in België de rechten van vreemdelingen op verschillende vlakken worden geschonden, in het bijzonder door opsluiting van mensen met psychische problemen in gesloten centra, waar de psychiatrische zorg vaak ontoereikend is.

De organisatie hekelt ook het feit dat de ordediensten vaak hardhandig optreden als ze asielzoekers met hun gezin het land uitzetten. Bij wijze van voorbeeld wordt het relaas verteld van een gezin waarvan de uitzetting gestaakt moest worden omdat de andere passagiers protesteerden tegen de politiemethodes die daarbij werden aangewend.

Ook de opsluiting van gezinnen in transitcentra wordt aangeklaagd.

Welke lessen trekt u uit het jaarrapport 2009 van Amnesty International?

Zal u stappen doen om de situatie te verbeteren van de vreemdelingen die in gesloten centra verblijven, en onder meer van personen met mentale problemen?

Wat zal u ondernemen tegen uitzettingsmethodes waarbij overmatig gebruik gemaakt wordt van geweld? Hoe denkt u dat onder controle te houden?

Gezinnen die in transitcentra verblijven, kunnen geen gebruik maken van het coachingsysteem dat in oktober werd opgestart. Is het niet raadzaam om dat systeem uit te breiden tot de gezinnen in de transitcentra?

De heer Guido De Padt, minister van Binnenlandse Zaken. - De minister van Migratie- en asielbeleid heeft als volgt geantwoord op de beschuldigingen van Amnesty International:

Ik heb ervoor gezorgd dat België het eerste Europese land is waar kinderen van vreemdelingen die illegaal op het grondgebied worden aangetroffen in een huis worden opgevangen en begeleid worden door een coach. Het gezin kan aldus blijven functioneren tot het naar het herkomstland terugkeert. Zweden is het enige land waar kinderen niet in gesloten centra worden vastgehouden. Ze worden er in open huizen opgevangen waar ze zich vrij kunnen bewegen.

Het project met gezinnen die in huizen verblijven in Zulte en in Tubeke is succesvol, aangezien de meeste gezinnen naar hun herkomstland terugkeren. Internationale en Europese instellingen hebben belangstelling betoond voor dit project. Momenteel worden acht huizen bewoond en in de komende weken komen er hopelijk nog enkele bij.

Vanaf het begin van het project heb ik aangekondigd dat ik een uitzondering zou maken voor gezinnen die zich aan de grens aanmelden en dus juridisch het grondgebied nog niet betreden hebben. Als ik het zo niet zou stellen, zou de weg openliggen voor mensensmokkel en mensenhandel. Op basis van die uitzondering verblijven sinds het begin van dit jaar drie gezinnen met kinderen in het transitcentrum van Steenokkerzeel, waar ze begeleid worden door maatschappelijk werkers, artsen en leerkrachten.

Ik doe een oproep aan Amnesty International om dit model te ontwikkelen in heel Europa en de andere landen ervan te overtuigen dat dit de meest humane manier is om gezinnen met kinderen die hier illegaal verblijven voor te bereiden op hun terugkeer. Het is wenselijk dat asielzoekers ook vanaf het begin van hun aanvraag op dezelfde wijze worden opgevangen.

Op die manier wordt het gezin vanaf de eerste dag voorbereid op alle mogelijke situaties die zich kunnen voordoen: de asielaanvraag kan aanvaard worden, maart kan ook geweigerd worden en dan moet de terugkeer in het vooruitzicht gesteld worden.

Door op die manier te werk te gaan, lossen we tegelijk ook het probleem op van de gezinnen met kinderen die hier illegaal verblijven en jaren in open centra doorbrengen, waardoor die overvol dreigen te raken.

Amnesty International vermeldt ook het geval van een migrant die mishandeld zou zijn bij de uitzetting. Op basis hiervan trekt de organisatie vérgaande conclusies over het terugkeerbeleid. Ik ken dit geval zeer goed en ik kan u zeggen dat de informatie van Amnesty International onjuist is. De organisatie heeft zich trouwens niet de moeite getroost contact met ons op te nemen over dit geval.

Mevrouw Anne Delvaux (cdH). - Het verbaast mij te horen dat de minister een oproep doet aan Amnesty International om een meer humaan opvangmodel te ontwikkelen voor asielzoekers. Ik denk dat de rollen daar enigszins worden omgekeerd. Dat is nog niet voldoende duidelijk.

Bovendien heeft de minister niet geantwoord op de vraag met betrekking tot de personen met mentale problemen die in gesloten centra worden vastgehouden en die onvoldoende medische zorg krijgen. Ik zal deze vraag dus opnieuw stellen.

Mondelinge vraag van mevrouw Christiane Vienne aan de minister voor Ondernemen en Vereenvoudigen over «de verhoging van de telefoonrekeningen ten gevolge van de automatische functies in de iPhone» (nr. 4-789)

De voorzitter. - De heer Guido De Padt, minister van Binnenlandse Zaken, antwoordt.

Mevrouw Christiane Vienne (PS). - In de pers en in blogs maken veel mensen gewag van hun verbazing over het feit dat hun telefoonrekeningen de hoogte in worden gestuwd door de aanschaf van een iPhone.

Een van de voordelen van dit communicatiemiddel, waarmee men mobiel kan bellen en tevens kan surfen op het internet, zijn de verschillende automatische functies. Zo wordt regelmatig een verbinding met het internet gemaakt om te peilen naar de toestand van het netwerk. Dat zorgt echter voor problemen. Die verbinding gebeurt automatisch verschillende keren per dag of zelfs per uur, en wordt telkens aangerekend. De rekening loopt op, terwijl het toestel niet eens gebruikt werd. Bovendien krijgt de gebruiker geen enkele aanwijzing dat het toestel een verbinding maakt.

Is de minister daarvan op de hoogte? Overweegt hij maatregelen te nemen?

Van Proximus kreeg ik zopas een all-in-aanbod waardoor ik die kosten zou kunnen vermijden. Dat verbaasde mij eerst enigszins, maar het toont aan dat mijn vraag zeer actueel is.

In de huidige situatie rijzen de kosten de pan uit, vooral voor de jongeren die dit toestel als eersten gebruiken, en ook voor hun ouders.

De heer Guido De Padt, minister van Binnenlandse Zaken. - Ik lees het antwoord van de minister.

Ik heb geen weet van dergelijke feiten. De Ombudsdienst heeft hierover geen duidelijke gegevens en heeft hierover geen noemenswaardige klachten ontvangen.

Het lijkt mij onwaarschijnlijk dat het polling mechanism, of de automatische functie van elk mobiel toestel dat om de x minuten een verbinding maakt met het netwerk om te bepalen waar het toestel zich in het netwerk bevindt, een merkbare stijging van het verbruik tot gevolg zou hebben.

Vele toepassingen downloaden op semi-automatische wijze updates via het 3G netwerk, maar die worden eerst bewust geactiveerd door de gebruiker.

De iPhone is een 3G-toestel. Het kan bijgevolg de informatie sneller downloaden. Het navigatie- en gebruikscomfort is precies een van de redenen waarom gebruikers zich een iPhone aanschaffen.

Alle operatoren stellen specifieke abonnementen voor die afgestemd zijn op het gebruik. Zo kunnen de kosten sterk beperkt worden in vergelijking met abonnementen die niet geschikt zijn voor dergelijke toepassingen.

Mevrouw Christiane Vienne (PS). - Ik zal de persartikelen en de reacties van misnoegde gebruikers aan de minister doorspelen. Ik onthoud dat hij de verantwoordelijkheid bij de gebruiker zelf legt, wat me nogal gemakkelijk lijkt. Ik zal hier later nog op terugkomen.

Mondelinge vraag van de heer Alain Courtois aan de minister voor Ondernemen en Vereenvoudigen over «de effecten van de annulering van de beslissingen van het Belgisch Instituut voor Postdiensten en Telecommunicatie» (nr. 4-791)

De voorzitter. - de heer Guido De Padt, minister van Binnenlandse Zaken, antwoordt.

De heer Alain Courtois (MR). - Naar aanleiding van de werkzaamheden van het Beneluxparlement hebben we al aandacht besteed aan de gespreksafgifteprijzen voor de mobiele telefonie.

Op 14 mei kondigde Belgacom aan dat het Hof van Beroep van Brussel de besluiten van het BIPT over de regulering op het gebied van breedband grotendeels heeft vernietigd.

Het is de tweede keer dat een door de BIPT opgelegde regelgeving door de gerechtelijke instanties ongedaan wordt gemaakt.

Op 4 april 2008 werd immers een ander belangrijk besluit van het BIPT over de gespreksafgiftelasten van de mobiele operatoren opgeschort. De gespreksafgiftelasten zijn de afhandelingskosten die de mobiele operatoren elkaar aanrekenen voor een telefoongesprek.

Om een totale chaos op de gsm-markt te vermijden heeft het BIPT op 29 april 2008 voorlopig beslist zijn vorig besluit opnieuw van toepassing te stellen.

Sindsdien heeft het BIPT geen nieuwe tarieven vastgesteld. Bijgevolg is het verschil tussen de gespreksafgifteprijzen van mobiele operatoren een van grootste in de Europese Unie. Naargelang van de operator kan eenzelfde dienst 60% duurder zijn.

Bent u het eens met de Europese Commissie dat die toestand onaanvaardbaar is? Zo ja, waarom wacht het BIPT dan al meer dan een jaar om een oplossing voor te stellen?

De inertie van het BIPT heeft als gevolg dat BASE en Mobistar, die respectievelijk deel uitmaken van het Nederlandse KPN en France Télécom, subsidies krijgen waarop ze geen recht hebben. De eindgebruikers betalen immers te veel voor hun oproepen naar die twee operatoren.

Vindt u ook niet dat het BIPT zo snel mogelijk een oplossing moet vinden? Zo ja, wanneer kunnen we die oplossing dan verwachten?

De heer Guido De Padt, minister van Binnenlandse Zaken. - Ik lees het antwoord van de minister.

Allereerst wens ik te onderstrepen dat ik niet opgetogen ben met de systematische beroepsprocedures tegen besluiten van het BIPT. Ik bevestig mijn vertrouwen in het instituut.

Ik heb heel wat contacten gehad, zowel met het BIPT als met de operatoren, om de zaak vooruit te helpen.

Een eerste belangrijke overeenkomst kon worden gesloten voor het groothandelsaanbod voor vaste telefonie.

Op die manier kon de rechtszekerheid voor het verleden en voor de komende twee jaar worden hersteld.

Ik moedig alle spelers aan om nieuwe overeenkomsten te sluiten. Gerechtelijke beslissingen geven een antwoord a posteriori waardoor investeringen in het gedrang kunnen komen. Soms wint de ene operator, zoals met het groothandelsaanbod voor breedband, soms wint de andere, zoals met de MTR. Een zaak is zeker: elke procedure schept onzekerheid voor alle partijen.

Het BIPT werkt nu aan een nieuw ontwerpbesluit over de toekomstige regeling van MTR-gespreksafgifteprijzen op de netwerken van de drie mobiele operatoren in België. Daartoe moet een nieuw kostenmodel van de drie mobiele operatoren worden uitgewerkt. Het complexe ontwerp dat in nauwe samenwerking en overleg met de drie betrokken operatoren tot stand kwam, is bijna klaar.

Het BIPT moet in zijn ontwerpbesluit ook rekening houden met de reguleringsprincipes voor de gespreksafgiftekosten die de Europese Commissie in 2008 heeft vastgelegd. De aanbeveling werd echter pas op 7 mei door de Commissie aangenomen.

Op het ogenblik is er nog een belangrijke hinderpaal voor de totstandkoming van het MTR-besluit. Het Hof van Beroep te Brussel heeft inderdaad nog geen beslissing ten gronde genomen over het verzoek tot vernietiging van het initiële besluit van 11 augustus 2006 betreffende markt 16 van de gespreksafgifte. Zolang de draagwijdte van het arrest niet bekend is, lijkt het met het oog op de rechtszekerheid uitgesloten dat het ontwerpbesluit definitief wordt. Bovendien lijkt het preliminaire arrest niet verenigbaar te zijn met bepaalde reguleringsprincipes die door de Europese Commissie worden voorgestaan.

Uw vraag over eventuele subsidies aan `operatoren die in handen zijn van buitenlandse bedrijven' verbaast mij uitermate. Overeenkomstig de van toepassing zijnde Europese wetgeving, mag de aard, de identiteit of de nationaliteit van de aandeelhouders van de telecommunicatieoperatoren geen invloed hebben op de regulering van de betrokken markt.

Het BIPT moet wachten op het arrest van het Hof van Beroep te Brussel. Dat arrest wordt nog vóór de zomer verwacht.

De heer Alain Courtois (MR). - Ik stel vast dat de verschillende tarieven van toepassing blijven. Dat is niet goed voor de gebruiker. Ik noteer overigens dat het BIPT het arrest van het Hof van Beroep afwacht om een initiatief te nemen. Het BIPT had al eerder een initiatief kunnen nemen.

Ik zal deze kwestie binnenkort opnieuw ter sprake brengen.

Mondelinge vraag van mevrouw Freya Piryns aan de minister van Migratie- en Asielbeleid over «vluchtelingen die sterven onderweg naar Europa» (nr. 4-798)

De voorzitter. - De heer Guido De Padt, minister van Binnenlandse Zaken, antwoordt.

Mevrouw Freya Piryns (Groen!). - De organisatie Kif Kif plaatste samen met Vluchtelingenwerk Vlaanderen en de gevluchte kunstenaar Kito Sino dinsdag jongstleden een meterslang kunstwerk op het Brusselse Schumanplein om aandacht te vragen voor de maar liefst 13 250 vluchtelingen die de afgelopen 15 jaar stierven aan de grenzen met Europa. Die mensen verdienen inderdaad onze aandacht, want 13 250 is een cijfer waar ik alvast erg van geschrokken ben en dat ons tot nadenken moet stemmen. Velen van die mensen zijn op de vlucht voor oorlog en vervolging, in de meest mensonwaardige en penibele omstandigheden, die ze vaak met hun leven bekopen. Wekelijks lezen we berichten over bootvluchtelingen die sterven op de Middellandse Zee. En wie de overtocht wel haalt, krijgt vaak niet eens de mogelijkheid om in Europa bescherming te vragen en te krijgen. Een triest voorbeeld hiervan vormen de 230 bootvluchtelingen die op 6 mei 2009 door Italië naar Libië werden teruggestuurd, zonder dat hun asielaanvraag zelfs maar werd onderzocht. Volgens de organisaties die het kunstwerk plaatsten, is dat een flagrante schending van de mensenrechten waarop Europa nauwelijks heeft gereageerd.

Aan de vooravond van de Europese verkiezingen schuiven de organisaties dan ook een politiek eisenpakket naar voren. Ik weet wel dat het een Europees eisenpakket is, maar onze eigen minister van Migratie- en Asielbeleid kan en moet toch via de Europese Ministerraad een belangrijke rol spelen en daarom wil ik hun eisen aan haar voorleggen. De vraag hierbij is uiteraard in welke mate en op welke manier de minister de eisen steunt en zal trachten te verwezenlijken.

De eerste eis die de vluchtelingenorganisaties naar voren schuiven, is dat Europa een toegangspoort moet blijven bieden aan vluchtelingen waarlangs ze veilig kunnen binnenkomen en bescherming kunnen krijgen.

Ten tweede investeert Europa almaar meer in de controle en versterking van de buitengrenzen, maar garandeert het daarbij niet dat mensen op de vlucht ook altijd toegang hebben tot een asielprocedure. Men moet er dan ook voor zorgen dat mensen die nood hebben aan bescherming, die bescherming in alle omstandigheden kunnen vragen en ook krijgen.

Ten derde is het een feit dat de lidstaten aan de grenzen van Europa door hun ligging meer asielzoekers ontvangen. De verantwoordelijkheid voor die asielzoekers moet eerlijk over alle lidstaten van Europa worden verdeeld. Hierbij moeten we benadrukken dat alle lidstaten hun verplichtingen onder internationaal en Europees recht moeten nakomen.

Ten slotte krijgen mensen op de vlucht die erin slagen Europa te bereiken, te maken met asielsystemen die erg verschillen van lidstaat tot lidstaat. In het ene land hebben ze tot tachtig procent kans op bescherming, in het andere land nul procent. Er moet dan ook een einde worden gemaakt aan die gevaarlijke asielloterij en er moet een echt gemeenschappelijk Europees asielstelsel worden ingevoerd met dezelfde hoge standaarden in elke lidstaat.

Graag kreeg ik de reactie van de minister van Migratie- en Asielbeleid op dit eisenpakket.

De heer Guido De Padt, minister van Binnenlandse Zaken. - Ik lees het antwoord van minister Turtelboom.

De vier eisen die mevrouw Piryns hier naar voren brengt, zijn geen nieuwe eisen en over de principes die eraan ten grondslag liggen is men het ook binnen de Europese Unie ten gronde eens. Alleen vraagt het omzetten van de principes in beleidslijnen en acties op het terrein tijd terwijl de realiteit razendsnel evolueert. Het geval met de teruggestuurde bootvluchtelingen toont echter aan dat de klok tikt en dat de situatie in het Middellandse Zeegebied steeds verontrustender wordt.

Een echte Europese aanpak, gebaseerd op solidariteit tussen de lidstaten is dan ook nodig. Die aanpak moet wel de internationale verplichtingen van de EU respecteren en de verschillende aspecten van het fenomeen dekken. Er zijn initiatieven nodig, zowel op het vlak van asiel, als op dat van buitengrenzen, illegale immigratie en terugkeer. Die initiatieven moeten bovendien deel uitmaken van een totaalaanpak van migratie.

Daarom zal de Raad Justitie en Binnenlandse Zaken of JBZ op 4 juni samenkomen om hierover te discussiëren en te bekijken welke maatregelen mogelijk zijn om zowel de bescherming van de asielzoekers te verhogen als de druk op de mediterrane landen beter aan te pakken.

Inzake de bescherming stellen we inderdaad te veel divergenties tussen de lidstaten vast, zowel op het vlak van opvang als op het vlak van erkenning.

Ik ben dus verheugd dat er een fundamenteel debat op de volgende JBZ zal worden gehouden. Europa moet weten welke asielpolitiek het wil, ofwel 27 nationale systemen ofwel een echte harmonisering voor een betere bescherming.

Persoonlijk hoop ik dat de tweede fase van het asielregime een aanleiding zal zijn voor meer Europa. Wij willen eenzelfde hoge graad van bescherming en evenwichtige erkenningscijfers over heel Europa.

We rekenen eveneens veel op de oprichting van een efficiënt ondersteuningsbureau voor asiel dat via operationele samenwerking de toenadering zal versnellen en vergemakkelijken.

Inzake de problematiek van de illegale immigratie in het Middellandse Zeegebied is het inderdaad zo dat de druk op de zuidelijke staten zeer groot is. Daarom moeten wij ons solidair tonen met die eerstelijnslanden. Daarvoor zijn meerdere mogelijkheden, zoals Frontex, Europese fondsen, opschorting Dublintransfers, snelle interventieteams, intra-EU-relocatie van vluchtelingen. Al die mogelijkheden zullen op de volgende JBZ besproken worden.

Dat mag echter de problemen die de staten in de tweede lijn, zoals België, met illegale immigratie hebben, niet verhullen. Dus solidariteit met de eerstelijnslanden, maar zonder ze te deresponsabiliseren. Ook die landen moeten hun verantwoordelijkheden aan de grenzen nemen.

Onder de illegale migranten zijn er zeker asielaanvragers en we moeten onze verplichting tot niet-terugdrijving respecteren, maar er zijn ook economische migranten die geen asiel aanvragen. Een evenwichtige politiek impliceert daarom de nodige investeringen in betere controle en versterking van de buitengrenzen en een efficiënt terugkeerbeleid.

België zal daarnaast vooral ook de nadruk leggen op meer samenwerking met de landen van oorsprong en transit. We moeten zeker in de eerste plaats werken aan die dimensie van de globale aanpak en dat betekent een betere controle van hun buitengrenzen, respect voor internationale conventies en het zeerecht en vooral het instellen van asielprocedures die naam waardig.

Mevrouw Freya Piryns (Groen!). - Het verheugt me natuurlijk dat minister Turtelboom de eisen van de vluchtelingenorganisaties lijkt de steunen en dat ze de wantoestanden die ze aan de kaak stellen, erkent.

Ze heeft ook gelijk als ze zegt dat de grenslanden hun verantwoordelijkheid moeten opnemen, maar ook zijzelf heeft een verantwoordelijkheid. Als de toestanden die ik beschreven heb en waarover de minister zegt geschokt te zijn, voortduren en als bootvluchtelingen zonder enige procedure worden teruggestuurd, dan moet België dit duidelijker afkeuren en die grenslanden in alle scherpte laten horen dat zoiets voor ons niet kan.

Verder moeten we zelfkritisch blijven nadenken over de manier waarop wij omgaan met vluchtelingen die vanuit die grenslanden uiteindelijk toch naar België komen, de zogenaamde Dublin II-gevallen. Heel wat rapporten melden dat in Griekenland mensenrechten met voeten worden getreden. Daarom dring ik erop aan dat wij niet zomaar, in het kader van Dublin II, mensen naar dat land terugsturen voordat er op Europees niveau voor wordt gezorgd dat ook dat soort landen verantwoordelijkheid neemt.

Mondelinge vraag van mevrouw Helga Stevens aan de minister van Binnenlandse Zaken en aan de staatssecretaris voor Personen met een handicap over «het gebrek aan redelijke aanpassingen voor voorzitters en bijzitters met een beperking in stembureaus» (nr. 4-790)

Mevrouw Helga Stevens (Onafhankelijke). - De afgelopen week werd ik benaderd door een dove persoon die was opgeroepen om bij de aanstaande verkiezingen te fungeren als bijzitter in een stembureau. De dame in kwestie wilde graag haar burgerplicht vervullen en nam contact op met het betrokken Antwerpse kantonhoofdbureau met de vraag om een tolk Vlaamse gebarentaal ter beschikking te stellen. Tot haar en ook tot mijn verbazing kreeg ze als antwoord dat op haar verzoek niet kon worden ingegaan omdat dit niet tot de opdracht van het kantonhoofdbureau behoorde. Er werd haar geadviseerd om een dokters- of invaliditeitsattest op te sturen, zodat ze als bijzitter kon worden ontslagen.

Dit is geen alleenstaand geval. Bij vorige verkiezingen waren er gelijkaardige incidenten. Ik ben ervan op de hoogte dat de minister zich samen met toegankelijkheidsorganisaties uit de beide landsdelen heeft ingespannen om de verkiezingen ook voor mensen met een handicap toegankelijk te maken. Concreet werd een rondzendbrief naar de gemeenten gestuurd met aanbevelingen om de stemlokalen en stemhokjes voor mensen met een motorische, visuele of auditieve beperking toegankelijk te maken. Ik apprecieer dat initiatief ten zeerste.

Het geschetste voorbeeld toont echter aan dat er nog problemen blijven. Elke burger moet zijn burgerplicht kunnen vervullen. Zetelen als bijzitter of voorzitter van een stem- of stemopnemingsbureau moet ook voor mensen met een beperking mogelijk zijn, wanneer een redelijke aanpassing de beperking in kwestie kan ondervangen. De antidiscriminatiewet uit 2007 stelt expliciet dat het niet zorgen voor aanpassingen een discriminatie inhoudt. Dat het ter beschikking stellen van een tolk als een redelijke aanpassing geldt, staat buiten kijf.

Is de minister het met me eens dat de opdracht van de kantonhoofdbureaus moet worden gewijzigd zodat ze verplicht zijn voor redelijke aanpassingen te zorgen wanneer een opgeroepen voorzitter of bijzitter met een beperking erom verzoekt? Is de minister bereid een initiatief ter zake te nemen? Een mogelijkheid is misschien dat het kantonhoofdbureau de vraag om een redelijke aanpassing doorstuurt naar de gemeente, die dan verder instaat voor de praktische uitvoering. De gemeenten staan nu immers ook al in voor de toegankelijkheid van de stemlokalen door te zorgen voor parkeerplaatsen voor mensen met een handicap, hellende vlakken, voldoende brede doorgangen en stemhokjes, vergrootglazen in de stemhokjes, enzovoort.

Het wordt echt tijd om toegankelijkheid ruimer te zien en niet te beperken tot louter fysieke toegankelijkheid.

De heer Guido De Padt, minister van Binnenlandse Zaken. - Samen met de staatssecretaris voor Personen met een handicap heb ik er inderdaad voor gezorgd dat voor de verkiezingen van 7 juni 2009 in de instructies aan de gemeenten al heel wat praktische richtlijnen zijn opgenomen die ervoor moeten zorgen dat personen met een motorische, visuele of auditieve beperking hun kiesrecht optimaal kunnen uitoefenen.

In het licht van de antidiscriminatiewet uit 2007 lijkt het mij dat inderdaad eveneens redelijke aanpassingen moeten worden gedaan voor personen met een handicap die aan de kiesverrichtingen zelf - het zetelen als voorzitter of bijzitter in een stembureau of stemopnemingsbureau - deelnemen of wensen deel te nemen.

De aanwijzing van voor- en bijzitters is evenwel een bevoegdheid die volgens de kieswet soeverein aan de magistraat-voorzitter van het kantonhoofdbureau toekomt. Het komt deze laatste dan ook toe de antidiscriminatiewet toe te passen, maar ik laat mijn administratie eveneens onderzoeken op welke manier ze mee kan bijdragen om daaraan tegemoet te komen. De suggestie van mevrouw Stevens dat de magistraat-voorzitter de medewerking vraagt van de gemeente zelf, is goed.

Mevrouw Helga Stevens (Onafhankelijke). - Mag ik aannemen dat het probleem tegen 7 juni zal zijn opgelost?

De heer Guido De Padt, minister van Binnenlandse Zaken. - Natuurlijk.

Mevrouw Helga Stevens (Onafhankelijke). - Ik kijk benieuwd uit naar het resultaat.

Ik dank u nogmaals voor uw medewerking. Voor personen met een handicap is dat alles zeer belangrijk.

Mondelinge vraag van de heer Paul Wille aan de vice-eersteminister en minister van Financiën en Institutionele Hervormingen over «de overheidsgarantie voor banken en collateralized debt obligations» (nr. 4-797)

De heer Paul Wille (Open Vld). - Bijna wekelijks moet ik de minister over deze problematiek ondervragen, want elke week is er wel iets aan de hand.

Beleggingen in herverpakte kredieten, de zogenaamde CDO's, brachten sommige banken onlangs opnieuw in de problemen. Die ene grootbank die voor meer dan 22 miljard overheidssteun had gekregen, heeft inmiddels 17 programma's voor CDO's gelanceerd. Van diverse particulieren, bedrijfsleiders en zelfs van beursgenoteerde ondernemingen verneem ik dat ze vaak op aanraden van hun bank in die CDO's hebben belegd. Op die manier werden toxische producten, die totaal niet in een beleggersportefeuille thuishoren, in de echte economie verspreid. Naast de CDO's zouden ook zogenaamde Ifima's, met een looptijd tot 2017, aan bedrijven en zelfs aan particulieren zijn verkocht. Het duurt even voor de letterlijke frank valt, maar velen voelen zich nu ongerust en sommigen zelfs bedot. De gedupeerden hebben een advocaat in de arm genomen en laten weten dat ze niet correct geïnformeerd werden over de mogelijke risico's die aan deze producten waren verbonden. Eén grootbank die over een staatsgarantie beschikt, heeft nu in de pers aangegeven bereid te zijn een dading aan te gaan. Het risico is dus niet denkbeeldig dat de factuur van de door de bank begane fouten aan de belastingbetaler wordt gepresenteerd.

Kan de minister aangeven voor welk bedrag aan CDO's de banken die een beroep deden op de overheid, hebben doorgeschoven naar bedrijven en particulieren? Kan hij dat uitvoerig toelichten?

Voor welk bedrag aan Ifima's met een lange looptijd hebben banken die een beroep deden op de overheidsgarantie, aan bedrijven en particulieren doorverkocht?

Wat vindt de minister van die verkoop van CDO's aan bedrijven en particulieren? Hebben de betrokken banken de vigerende wetgeving en reglementering wel nageleefd? Onderzoekt het CBFA de zaak en hoe kan een en ander in de toekomst worden voorkomen?

Is hij het ermee eens dat, mochten de banken een dading aangaan omtrent de doorverkoop van CDO's aan particulieren, ze die volledig voor hun rekening moeten nemen en dat de Staat in geen geval rechtstreeks of onrechtreeks voor de gevolgen van die dading moet instaan?

De heer Didier Reynders, vice-eersteminister en minister van Financiën en Institutionele Hervormingen. - De heer Wille zal begrijpen dat het niet mogelijk is een gedetailleerd antwoord te geven op zijn vragen, die ik pas vanmorgen om elf uur heb ontvangen.

Ik neem me wel voor er uitvoeriger op terug te komen, op voorwaarde dat ze relevant blijken en ik voor de materie bevoegd ben.

Overigens spelen verschillende aspecten van het beroepsgeheim een rol bij het beantwoorden van zijn vragen, die betrekking hebben op een bepaalde onderneming en niet uitsluitend handelen over een beleidskwestie waarover parlementaire vragen kunnen worden gesteld.

In de conferentie van voorzitters van de Kamer hebben we een bespreking gehad om een follow-upcommissie op te richten voor de aanbevelingen van de bijzondere commissie in verband met de financiële crisis. Dat wordt een gemengde commissie van Kamer en Senaat.

We hebben het ook gehad over de oprichting van een commissie belast met het onderzoek van de diverse banken in de toekomst. Het is misschien nuttig een dergelijk debat te voeren in een commissie in de volgende weken of maanden.

Ik heb toch een begin van antwoord. Eerst en vooral werden de CDO's verkocht vóór de overheid de betrokken grootbanken financieel heeft gesteund. We hebben beslist om op te treden toen sommige banken op het randje van het faillissement stonden, maar na een aantal activiteiten met CDO's en andere gestructureerde producten.

Zoals in de pers is verschenen, heeft de CBFA sinds enige tijd het initiatief genomen om de voorwaarden waarin de plaatsingen van CDO's door de KBC-groep bij particulieren en bedrijven hebben plaatsgevonden, grondig te onderzoeken. Ik ben bereid de heer Wille een schriftelijk antwoord te sturen, rekening houdend met het beroepsgeheim van de mensen van het CBFA.

De overheidsinterventie bij de grote banken heeft tot doel de stabiliteit van het Belgische bankwezen te garanderen. Ik zie dus twee mogelijkheden om de heer Wille tegemoet te komen,.

Eerst zal ik een schriftelijk antwoord sturen met de specifieke antwoorden betreffende KBC.

Vervolgens kunnen wij de zaak bespreken in de follow-upcommissie die de Kamer en de Senaat eventueel zouden oprichten. De bijzondere commissie heeft met gesloten deuren kunnen vergaderen en misschien is het goed om dat ook te doen wanneer het om specifieke gevallen in specifieke banken gaat.

De heer Paul Wille (Open Vld). - Uiteraard wil ik met mijn vraag helemaal niet de Groep, maar wel het fenomeen op de korrel nemen.

Ik ben tevreden met het antwoord van de minister en de verwijzing naar de bijzondere commissie. We hebben het daar in het Bureau ook over gehad. Ik hoop dat we de daarvoor noodzakelijke expertise rond zullen krijgen.

Het is een feit dat de rust en geloofwaardigheid rond deze zaak moeten terugkomen, gelet op de perceptie ervan bij de consument en de belastingbetaler. Op die manier kan de overheid op overtuigende wijze hard maken dat dit in ons land van zeer dichtbij en op zeer bekwame wijze wordt gevolgd en dat de juiste beslissingen worden genomen.

Mondelinge vraag van de heer Richard Fournaux aan de vice-eersteminister en minister van Ambtenarenzaken, Overheidsbedrijven en Institutionele Hervormingen over «het treinongeval dat op 23 mei 2009 plaatsvond in het station van Dinant» (nr. 4-787)

Mondelinge vraag van de heer Philippe Mahoux aan de vice-eersteminister en minister van Ambtenarenzaken, Overheidsbedrijven en Institutionele Hervormingen over «het treinongeval dat op 23 mei 2009 plaatsvond in het station van Dinant» (nr. 4-788)

De voorzitter. - Ik stel voor deze mondelinge vragen samen te voegen. (Instemming)

De heer Richard Fournaux (MR). - Als burgemeester van de stad Dinant was ik betrokken bij de verschillende hulpoperaties voor het spoorwegongeval dat op 23 mei 2009 in het station van Dinant plaatsvond. Ik heb me langdurig onderhouden met verschillende personeelsleden van de NMBS, met ooggetuigen van het ongeval en met collega's van de gewonde treinbegeleider.

Nu een gerechtelijk onderzoek is geopend om de precieze omstandigheden van het ongeval te bepalen moet ik me natuurlijk hoeden voor overhaaste conclusies. Toch wil ik de aandacht van de minister vestigen op de veiligheidsregels die gelden als een trein het station verlaat.

Sinds het ongeval hoort men in de pers immers heel wat commentaar van NMBS-personeel en van de vakbonden. De vakbonden zouden er bij de NMBS-directie al talloze keren op hebben aangedrongen de veiligheidsprocedures voor het opstappen van de reizigers te herzien. België zou als een van de laatste landen nog een zogenaamde grijze zone handhaven. Gedurende de enkele seconden van die grijze zone blijft één treindeur openstaan zodat de conducteur nog kan instappen. Dat houdt echter het gevaar in dat ook laattijdige reizigers nog halsoverkop via diezelfde deur in de trein trachten te stappen. Het dramatische ongeval in Dinant heeft zich precies tijdens die grijze zone voorgedaan.

Klopt het dat de NMBS-overlegorganen van gedachten wisselen over de veiligheid bij het vertrek van treinen? Is de minister in het licht van het ongeval bereid de NMBS aan te sporen die situatie uit te klaren en zodoende de veiligheid van reizigers en personeel te verbeteren? Is de minister voornemens de grijze zone in de instapprocedure af te schaffen?

De heer Philippe Mahoux (PS). - Ik zal de omstandigheden van het ongeval in Dinant niet opnieuw toelichten. Wel zou ik er algemene conclusies uit willen trekken die gelden voor alle NMBS-werknemers en treinreizigers in dit land.

Het ongeval heeft dramatische gevolgen, zowel voor de treinbegeleider, bij wie de onderste ledematen zijn geamputeerd, als voor de betrokken reiziger.

Ik veronderstel dat de NMBS een intern onderzoek voert en, aangezien er slachtoffers zijn, wordt er hoogstwaarschijnlijk ook een gerechtelijk onderzoek ingesteld.

Meneer de minister, mijn vraag heeft uiteraard alleen betrekking op het interne onderzoek.

Hoever staat het met dat interne onderzoek? Beschikt u al over gegevens ter zake?

Klopt het dat de zogenaamde grijze zone een specifiek Belgisch verschijnsel is? Bestaat ze niet in andere landen? Met grijze zone bedoel ik de tijd die verloopt tussen het sluiten van de treindeuren op één deur na, en het sluiten van die laatste deur waarlangs de treinbegeleider opstapt. Kunt u ons enige toelichting verschaffen over die grijze zone?

Wordt er nu gediscussieerd over het al dan niet behouden van die grijze zone? Hoe schieten die discussies op en wanneer mag ter zake een beslissing worden verwacht? Ik veronderstel dat de beslissing pas zal worden genomen als het lopende onderzoek is afgerond en als de risico's rond het behoud of het afschaffen van de grijze zone precies zijn afgewogen.

Jammer genoeg was het een tragisch ongeval dat ertoe heeft geleid dat de hele bevolking zich van dat probleem bewust is geworden. Wij verwachten dus tekst en uitleg over de beslissingen die de NMBS denkt te nemen om de veiligheid van werknemers en reizigers te verbeteren.

De heer Steven Vanackere, vice-eersteminister en minister van Ambtenarenzaken, Overheidsbedrijven en Institutionele Hervormingen. - Negen Kamerleden hebben me zopas over hetzelfde onderwerp ondervraagd. Dat toont aan dat niemand onverschillig kan blijven voor een dergelijk drama waarbij mensen in tot nog toe onduidelijke omstandigheden gewond zijn geraakt.

Helaas kan ik u vandaag geen opheldering verschaffen, aangezien zowel het gerechtelijke onderzoek als het interne onderzoek van de FOD Mobiliteit en Vervoer nog lopen.

Het is niet raadzaam om ter zake halve waarheden wereldkundig te maken, vooral omdat sommige getuigen nog sterk onder de indruk zijn en zeer moeilijk met precisie kunnen getuigen over de omstandigheden waarin het ongeval zich heeft voorgedaan.

Met de vragen die vandaag worden gesteld, sluiten Kamer en Senaat zich aan bij de golf van sympathie met de slachtoffers en hun familie.

We moeten alle maatregelen in overweging nemen om een dergelijk ongeval in de toekomst te vermijden.

Welke procedure ook wordt gevolgd, een tonnenzware trein die zich in beweging zet, brengt altijd risico's met zich mee. Er wordt gezegd dat de grijze zone in voorkomend geval zou kunnen worden uitgeschakeld. Wat er ook van zij, via die open deur kan de conducteur momenteel ook optreden als reizigers met het automatische openingssysteem de trein willen verlaten of als ze van binnenuit de deur openen om iemand te laten instappen.

In die omstandigheden kan de conducteur als laatste optreden; de bestaande procedure is gericht op het voorkomen van ongevallen.

In juli 2007 heeft de NMBS-directie de NMBS Holding om een auditrapport gevraagd over de vertrekprocedure van treinen. Dat rapport heeft geleid tot de oprichting van een multidisciplinaire werkgroep. In april 2008 werden proeven gedaan met alternatieve vertrekprocedures met gesloten deuren. De multidisciplinaire werkgroep en de vakbonden hebben daaraan verschillende vergaderingen gewijd.

In oktober 2008 werd een vergelijkende risicoanalyse van de verschillende vertrekprocedures gevraagd. De ironie van het noodlot heeft echter gewild dat de resultaten van die analyse op 16 juni aanstaande moeten worden neergelegd. Een maand vóór de conclusies heeft dat ongeval zich spijtig genoeg voorgedaan. Op 16 juni zullen de resultaten van de analyse aan de leden van de Hoge Raad voor Preventie en Bescherming op het Werk worden overgezonden.

In afwachting doen we er goed aan het hoofd koel te houden. Bij de keuze voor een procedure moeten we ons laten leiden door een globaal minimumrisico en niet per se het bestaande risico willen verkleinen door een nieuw risico in het leven te roepen. Een overhaaste en door emoties ingegeven beslissing biedt immers geen waarborgen voor eenieders maximale veiligheid bij het vertrek van de trein.

De heer Richard Fournaux (MR). - In deze assemblee nemen we vaak moeilijke situaties op de korrel, maar als de zaken goed gaan, moeten we dat ook zeggen.

Als burgemeester van Dinant had ik geregeld contact met de familie van de gewonde conducteur. De familieleden waren in positieve zin verrast door de attentievolle aanpak van de sociale diensten en van het bevoegde NMBS-personeel en met de steun waarop ze konden rekenen.

Verder begrijp ik perfect dat onze beslissing niet door emoties mag zijn ingegeven, maar het probleem van de grijze zone bij het vertrek van een trein moesten we ondanks alles aankaarten.

Van mijn kant zou ik willen vragen dat de representatieve organen van de NMBS zouden onderzoeken hoe de situatie kan worden verbeterd. Het bericht in de media en in de publieke opinie als zou er bij gebrek aan budgettaire middelen geen andere oplossing mogelijk zijn, wil ik tegenspreken.

Uit uw antwoord heb ik immers begrepen dat daar niets van aan is, maar dat men ter vervanging van de bestaande procedure een nieuwe, veel veiliger procedure moest uitwerken.

De heer Philippe Mahoux (PS). - Dankzij onze vragen worden bestaande regels opnieuw onder de aandacht gebracht. De pers heeft ter zake al heel wat werk verricht. Het is belangrijk de geldende regels in herinnering te brengen.

Zou de op 16 juni geplande voorstelling van de resultaten vanwege het ongeval uitgesteld kunnen worden? Ik veronderstel dat er over de te nemen beslissing nog overleg zal plaatsvinden met de representatieve werknemersorganisaties. Net als de reizigers, staan de werknemers in dezen immers op de eerste rij.

De heer Steven Vanackere, vice-eersteminister en minister van Ambtenarenzaken, Overheidsbedrijven en Institutionele Hervormingen. - De resultaten van de vergelijkende analyse zullen wel degelijk op 16 juni worden voorgesteld. Ik bevestig tevens dat dit soort discussie in overleg plaatsvindt.

Mondelinge vraag van de heer Jurgen Ceder aan de vice-eersteminister en minister van Werk en Gelijke Kansen over «het selectieve optreden van het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding in het kader van racisme ten aanzien van Vlamingen» (nr. 4-793)

De heer Jurgen Ceder (VB). - In juli 2000 vaardigde onderzoeksrechter Vandermeersch een internationaal aanhoudingsbevel uit tegen de Congolese minister van Buitenlandse Zaken Yerodia. Hij wilde de minister vervolgen wegens het aanzetten tot rassenhaat en volkerenmoord. De reden van het aanhoudingsbevel was dat Yerodia de Tutsi's in Congo `ongedierte' had genoemd.

Deze week raakte bekend dat er op het bekende Facebook een groep was gecreëerd met de naam Bruxelles élargie, libérée et surtout francisée. Deze groep publiceerde een manifest waarin de Vlaamse pendelaars werden omschreven als `woekerend ongedierte', dat elke ochtend de Brusselse arbeidsmarkt overspoelt om 's avonds het geld af te geven aan `de vijand'. Vandaag, nu er een gerechtelijke klacht werd ingediend, zeggen de initiatiefnemers in de krant dat het maar een grapje was.

Of het een grap was, is irrelevant. Als een webstek Marokkanen had omschreven als woekerend ongedierte, zouden de verantwoordelijken daarvan er vermoedelijk niet vanaf komen met de mededeling dat het maar om te lachen was. Het CGKR zou zich daar evenmin bij neerleggen.

Het is bovendien twijfelachtig of het om een grap ging. Niet alleen de `domme' Vlamingen hadden het immers zo niet begrepen, want een aantal FDF-politici, waaronder de parlementsleden Persoons en Derbaki Sbaï en het gemeenteraadslid Jean-Louis Péters, werden onmiddellijk lid van die Facebookgroep.

Mijn vraag gaat niet over het feit of dit al dan niet een grap was, maar wel over het beleid van het CGKR, dat toen het kennis kreeg van het incident en van de klacht onmiddellijk verklaarde niet bevoegd te zijn omdat het een communautaire kwestie betreft. De antidiscriminatiewet stelt inderdaad dat het Centrum niet bevoegd is voor discriminatie op grond van taal. Het Centrum negeert echter dat er hier niet wordt gesproken over Nederlandstaligen, maar wel over Vlamingen, wat niet alleen een taalkundige groep is, maar ook algemeen erkend wordt als een etnische groep. De antiracismewet en het daarin gebruikte criterium van etnische afstamming zijn dus van toepassing.

Zelfs als men de aangehaalde tekst zou afdoen als een communautair incident, is het Centrum nog niet noodzakelijk onbevoegd. In het recente boek Taaleisen juridisch getoetst, uitgegeven onder redactie van Alen en Sottiaux, staat ook een bijdrage van dé specialist inzake discriminatierecht, Jogchum Vrielink. Hij uit daarin kritiek op de houding van het CGKR en meer bepaald op de stelling dat de antiracismewet niet kan worden ingeroepen voor communautaire twisten, zoals het Centrum die zelf noemt op zijn webstek. Hij wijst er terecht op dat er `ten overvloede kan op gewezen worden dat Walen en Vlamingen in beginsel onder de grond "etnische afstamming" gebracht kunnen worden'. Hij besluit dan ook: `Dat impliceert dat een toepassing van de wet, gebaseerd op de interpretatie waarin communautaire conflicten volledig uitgesloten zijn van de antiracismewet, in beginsel in strijd is met de verplichtingen die voortvloeien uit de betrokken teksten. Het CGKR kan zich dus niet langer onbevoegd verklaren in dergelijke zaken.'. De auteur is bovendien van mening dat een discriminatie op grond van taal ook een indirecte discriminatie op grond van de antidiscriminatiewet kan uitmaken, waarvoor het CGKR alweer bevoegd is.

Welke maatregelen zal de minister nemen om de onwettelijke en selectieve weigering van het CGKR om op te treden tegen racisme ten aanzien van Vlamingen te doen ophouden?

Mevrouw Joëlle Milquet, vice-eersteminister en minister van Werk en Gelijke Kansen. - Ik heb kennisgenomen van de verklaringen die op een website verschenen zouden zijn en waarnaar u verwijst. Ik heb deze verklaringen naar het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding doorgestuurd met de vraag te onderzoeken of het Centrum in dezen juridisch bevoegd is om op te treden. Ik wacht op een gedetailleerd juridisch antwoord van het Centrum. Ik zal de heer Ceder dat antwoord van het Centrum doorsturen.

Los van de juridische vraag of deze verklaringen binnen de juridische competenties van het Centrum vallen, staat het vast dat deze verklaringen duidelijk een vorm van stigmatisering en kleinering in zich dragen. Ze moeten derhalve op moreel vlak met de grootste stelligheid worden veroordeeld, wat het Centrum niet nagelaten heeft te doen, met name op zijn website.

De heer Jurgen Ceder (VB). - Wanneer we het antwoord van het Centrum kennen, zal ik, indien nodig, op deze zaak terugkomen.

Mondelinge vraag van mevrouw Els Schelfhout aan de minister van Ontwikkelingssamenwerking over «de Belgische hulp aan Burundi na de strafbaarstelling van homoseksualiteit» (nr. 4-794)

Mevrouw Els Schelfhout (CD&V). - Deze week verscheen in De Morgen het trieste relaas van een jonge Burundees die om zijn homoseksuele geaardheid door zijn familie werd verstoten.

In november 2008 keurde de Burundese Assemblée Nationale een nieuwe strafwet goed, waarin een artikel werd opgenomen dat homoseksualiteit strafbaar stelt. Onder druk van de internationale donorgemeenschap keurde de Burundese Senaat de strafwet af, precies wegens dat homofobe artikel. In maart 2009 verwierp de Assemblée Nationale het advies van de Senaat. De nieuwe strafwet, inclusief het artikel met betrekking tot homoseksualiteit, werd aangenomen en door president Pierre Nkurunziza bekrachtigd.

Tijdens zijn missie in Burundi in februari van dit jaar verklaarde de minister dat hij de hulp aan Burundi wil verhogen. Hij zei namelijk: `In Congo maakt de Belgische ontwikkelingshulp het verschil niet, maar in Burundi kunnen we wel een toegevoegde waarde bieden.'

Het Indicatief Samenwerkingsprogramma voor 2007-2009 voorziet in 60 miljoen euro (20 miljoen per jaar) Belgische hulp aan Burundi. Ons land geeft voor de periode 2008-2011 sectorale budgetsteun voor een bedrag van jaarlijks 5 miljoen euro. En voor de verkiezingen van 2010 is België bereid om twee miljoen euro vrij te maken.

De voorbije jaren heeft ons land zich actief ingezet tijdens het Burundese transitie- en verkiezingsproces (2003-2005). Ook tijdens de postelectorale periode behoudt België zijn bijdrage aan het vredes- en democratiseringsproces. De democratisch verkozen instellingen in Burundi moeten worden gerespecteerd. Maar ons land, als belangrijkste donor van Burundi, moet ook zijn verantwoordelijkheid opnemen wanneer een partnerland de mensenrechten schendt.

Acht de minister Belgische hulp in de huidige vorm en omvang aan Burundi aanvaardbaar, rekening houdend met het niet respecteren van het mensenrecht dat discriminatie op basis van seksuele geaardheid verbiedt? Overweegt de minister om op bilateraal en multilateraal niveau maatregelen te treffen? Zo ja, welke? Welke voorwaarden met betrekking tot het respecteren van de mensenrechten worden aan de Belgische ontwikkelingshulp verbonden?

De heer Charles Michel, minister van Ontwikkelingssamenwerking. - Ik heb al herhaaldelijk gewezen op het belang van het respect voor de mensenrechten met inbegrip van het principe van niet discriminatie op basis van seksuele geaardheid.

Ik heb de kwestie rond het nieuwe Burundese strafwetboek dat homoseksualiteit strafbaar stelt, dan ook van bij het begin aandachtig gevolgd. Ik bracht de kwestie ter sprake tijdens de bilaterale contacten die ik in Brussel met de Burundese autoriteiten heb gehad.

Tijdens mijn bezoek aan Burundi in februari heb ik opnieuw met mijn gesprekspartners over de kwestie gesproken. Ik heb het onderwerp trouwens expliciet aangehaald in mijn toespraak op de Belgische ambassade in Bujumbura op 24 februari. Het feit dat de Burundese president Nkurunziza de wet uiteindelijk toch heeft uitgevaardigd, vind ik dan ook verontrustend.

De internationale gemeenschap kan de uitvaardiging van de wet dan ook niet zomaar naast zich neerleggen. De Europese Unie heeft op 12 mei 2009 een verklaring gepubliceerd die de wet veroordeelt en Burundi verzoekt ze niet toe te passen.

We moeten evenwel zorgvuldig nadenken over de juiste vorm en inhoud van onze reactie. We moeten immers vermijden de Burundese bevolking in haar geheel te treffen rekening houdend met de precaire omstandigheden waarin ze leeft. Bovendien moeten we vermijden in verspreide slagorde te reageren omdat daardoor onze boodschap wordt afgezwakt. Ik heb tijdens de Raad Algemene Zaken en Externe Betrekkingen van 18-19 mei dan ook informele contacten gelegd met verschillende Europese landen die in Burundi actief zijn, om te kijken hoe we onze eventuele reacties kunnen harmoniseren.

Daarenboven voorzien de akkoorden van Cotonou in een politieke dialoog voor alle kwesties van wederzijds belang. In het geval van Burundi werd de dialoog opgestart met de minister van Buitenlandse Zaken. Het bewuste artikel van het nieuwe Burundese strafwetboek staat op de agenda van de besprekingen.

De Burundese overheid is zich overigens bewust van het feit dat de Europese landen zwaar aan de kwestie tillen en is beducht voor mogelijke reacties. De Burundese minister van Buitenlandse Zaken zal op 15 en16 juni naar Europa komen en er contacten hebben met België, Frankrijk, Nederland en de Europese Commissie over deze kwestie.

Mevrouw Els Schelfhout (CD&V). - Het verheugt me dat de minister hierover informele contacten heeft met de Europese landen die in Burundi actief zijn. Wat is echter het resultaat van die informele contacten? Welke concrete acties worden ondernomen en in welke mate is er volgens de minister een verband met de ontwikkelingshulp die België en de andere Europese landen aan Burundi geven, denkbaar? De aanhouding van mensen wegens hun seksuele geaardheid is een schending van de mensenrechten. Wordt het geen tijd om respect voor mensenrechten en het geven van ontwikkelingshulp te koppelen?

Mondelinge vraag van mevrouw Sabine de Bethune aan de vice-eersteminister en minister van Buitenlandse Zaken en aan de minister van Ontwikkelingssamenwerking over «de humanitaire ramp in het noordoosten van Pakistan» (nr. 4-795)

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - In het noordoosten van Pakistan voltrekt zich momenteel een ware humanitaire ramp. Door de recente gevechten tussen het Pakistaanse regeringsleger en de taliban is het aantal interne vluchtelingen opgelopen tot meer dan 2,5 miljoen en hun aantal stijgt elke dag. Meer dan de helft daarvan zijn kinderen.

Deze mensen hebben een tekort aan zowat alles: zuiver water, voedsel, kleding, beschuttingsmateriaal, gezondheidszorg en bescherming.

De aanwezige hulporganisaties slagen er door een tekort aan financiering en voorraden niet in om iedereen te bereiken. Amper 10% van de recent ontheemde personen komt momenteel in opvangkampen terecht. Meer dan twee miljoen vluchtelingen kunnen dus niet worden opgevangen.

UNICEF Internationaal heeft berekend dat op korte termijn 42 miljoen dollar nodig is voor dringende hulp.

Heeft de Pakistaanse overheid de internationale gemeenschap officieel gevraagd om noodhulp te bieden aan de getroffen regio? Is de Belgische overheid eventueel bereid om op die vraag in te gaan?

Is er op de begroting van Ontwikkelingssamenwerking een bedrag ingeschreven voor steun aan de humanitaire organisaties die in het rampgebied actief zijn? Zo ja, welk?

De heer Charles Michel, minister van Ontwikkelingssamenwerking. - België heeft van de Pakistaanse autoriteiten geen specifieke aan ons land gerichte vraag om hulp ontvangen.

België draagt jaarlijks aanzienlijk bij aan de algemene middelen van de internationale organisaties die in Pakistan actief zijn, waaronder OCHA, UNHCR, UNICEF en ICRC. Volgens OCHA zijn er momenteel 2,3 miljoen ontheemden, waarvan er 275 000 in kampen verblijven. De humanitaire toegang tot de ontheemden die niet in kampen verblijven, is bijzonder moeilijk. ICRC ondersteunt momenteel de Pakistaanse Rode Halve Maan, die actief is in de vluchtelingenkampen in Swabi en Malakand. Die kampen zijn niet toegankelijk voor internationale organisaties. UNHCR ondersteunt de inspanningen van de overheid om tijdelijk onderdak te verlenen aan de ontheemden, met onder andere tenten en huishoudgerief. UNICEF startte al activiteiten op het vlak van water, hygiëne en gezondheid.

Onze diensten bestuderen momenteel een extra Belgische bijdrage ter ondersteuning van de hulpverleners die in het rampgebied actief zijn.

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Het is positief dat de internationale organisaties die in de regio actief zijn, worden gesteund. Ik roep de minister op om dit dossier zowel op het Belgische als het Europese niveau op de voet te volgen en de steun op te drijven. De humanitaire nood is immers bijzonder hoog. De minister vermeldde zelf dat er meer dan twee miljoen ontheemden zijn. Bovendien is humanitaire hulp vanwege de internationale gemeenschap het beste middel om een buffer op te werpen tegen het integrisme en de taliban.

Mondelinge vraag van de heer Paul Wille aan de minister van Klimaat en Energie over «het effect van de kredietcrisis op de windmolenparken in de Noordzee» (nr. 4-796)

De heer Paul Wille (Open Vld). - De minister is er ongetwijfeld van op de hoogte dat het slecht gaat met de Belgische windmolenparken in zee omdat de kredietlijnen opgedroogd zijn. Dat is jammer, zowel voor de investeerders in groene energie, die hun middelen zien opdrogen, als voor de economie, die onthouden wordt van zuurstof, en vooral voor het milieu. De situatie is dan ook ontoelaatbaar.

Duurzame energie is niet alleen goed voor het milieu, maar creëert tevens nieuwe jobs. Daarom betreur ik het dat het risico bestaat dat de meest veelbelovende projecten in België, zoals de offshore windmolenparken, verloren dreigen te gaan.

Deze week werd wederom de noodklok geluid. Het lot van het tweede windmolenpark in onze Noordzee komt in het gedrang, omdat Belwind geen financiering vindt en de banken strengere voorwaarden opleggen. Zoals een volkswijsheid zegt: de bank verstrekt geld als men dat niet nodig heeft, maar verleent geen krediet als dat noodzakelijk is.

Wat is het standpunt van de minister in dit dossier? Welke andere windmolenprojecten in zee kampen momenteel met financieringsproblemen? Is de minister hiervan op de hoogte gebracht?

Welke maatregelen acht de minister opportuun met het oog op investeringen in windmolenparken en de financiering ervan? Welke projecten zouden steun kunnen bekomen van de Europese Investeringsbank en om welke bedragen gaat het?

Is de minister voorstander van het fiscaal stimuleren van investeringen in groene energie en hoe zal dat op korte termijn worden geregeld?

De heer Paul Magnette, minister van Klimaat en Energie. - De projecten C-Power en Belwind beschikken over alle nodige vergunningen. Voor ELDEPASCO moeten dit jaar nog de bouw- en exploitatievergunning en de vergunning voor kabelaanleg in zee worden verleend.

Het globale vermogen van deze drie projecten samen bedraagt ongeveer 850 MW. Op het ogenblik is er een vermogen van 30 MW geïnstalleerd en in dienst gesteld door C-Power. Fase II van C-Power en fase I van Belwind zouden eind 2009 of begin 2010 van start kunnen gaan.

Het financiële en systemische risico dat gepaard gaat met de kredietcrisis geldt voor elke sector in België. Het is nochtans nodig om onze handelswijze te veranderen.

Het project C-Power heeft enige vertraging opgelopen, wat niet verwonderlijk is, want de toegepaste technieken zijn vernieuwend en het arbeidsmilieu is bijzonder vijandig en onbeheersbaar. Bovendien zullen gelet op de omvang en de complexiteit van het project ongetwijfeld diverse problemen rijzen. De huidige kredietcrisis doet het gevaar ontstaan dat het begin van de tweede fase van het project vertraging zal oplopen.

De financiële problemen van Econcern hebben absoluut geen invloed op de planning van het project van Belwind. De wetgeving voorziet in een gunstig steunregime voor deze projecten. Bovendien doet mijn administratie al het mogelijke om dit probleem in samenwerking met de concessiehouders op te lossen binnen het Belgian North Sea Wind Energy Platform, BNSWEP.

De regering heeft zich ertoe verbonden het huidige steunregime te behouden. De totale stabiliteit van het juridische kader zou de financiële kringen moeten geruststellen.

De heer Paul Wille (Open Vld). - Allicht kent de minister mijn reactie al: plus est en vous. Ik weet immers dat er een crisis heerst en dat ze ook in die sector wordt gevoeld. Desalniettemin zijn allerlei leiders in de wereld van oordeel dat juist nu meer op dergelijke projecten moet worden ingezet. Dat betekent dus niet: laisser faire, laisser passer.

Ik hoop dan ook dat de minister de liberale instelling, namelijk dat dergelijke projecten financieel moeten worden gestimuleerd, opnieuw in overweging wil nemen. Dan staan wij graag aan zijn zijde.

Wetsontwerp houdende instemming met volgende Internationale Akten:
1º Overeenkomst betreffende wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten van Amerika, gedaan te Washington D.C. op 25 juni 2003;
2º Instrument, gedaan te Brussel op 16 december 2004, als bedoeld in artikel 3, lid 2, van de Overeenkomst betreffende wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten van Amerika, gedaan op 25 juni 2003, met betrekking tot de toepassing van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en de Verenigde Staten van Amerika aangaande de rechtshulp in strafzaken, ondertekend op 28 januari 1988 (Stuk 4-1183)

Wetsontwerp houdende instemming met volgende Internationale Akten:
1º Overeenkomst betreffende uitlevering tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten van Amerika, gedaan te Washington D.C. op 25 juni 2003;
2º Instrument, gedaan te Brussel op 16 december 2004, als bedoeld in artikel 3, lid 2, van de Overeenkomst betreffende uitlevering tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten van Amerika, gedaan op 25 juni 2003, met betrekking tot de toepassing van de Overeenkomst inzake uitlevering tussen het Koninkrijk België en de Verenigde Staten van Amerika, ondertekend op 27 april 1987 (Stuk 4-1184)

Algemene bespreking

De voorzitter. - Ik stel voor deze wetsontwerpen samen te bespreken. (Instemming)

De heer Philippe Mahoux (PS), rapporteur. - Ik verwijs naar mijn schriftelijke verslag.

Dit ontwerp heeft in de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen een lange weg afgelegd. Omdat het juridische implicaties had, hebben wij het advies van de commissie voor de Justitie gevraagd over de tekst betreffende de wederzijdse rechtshulp en de uitlevering. Na dat advies keurde de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen het ontwerp unaniem goed.

De heer Josy Dubié (Ecolo). - Wij wensen deze ontwerpen terug te zenden naar de commissie. Zoals de heer Mahoux al zei, had er een discussie plaats over de doodstraf. Sindsdien zijn echter nieuwe elementen opgedoken, met name inzake de houding van de VS. De basis op Guantánamo zal niet worden gesloten, in elk geval niet binnen de voorziene termijn. Dat is een ontgoocheling.

Bovendien zijn een aantal praktijken die als foltering kunnen worden beschouwd, nog altijd toegelaten, terwijl men dacht dat die zouden worden afgeschaft. Er zijn dus problemen.

Het gaat er niet om de houding van de VS te veroordelen. Wij stellen evenwel vast dat president Obama binnen zijn eigen partij met moeilijkheden wordt geconfronteerd. We weten ook dat de Senaat bijna unaniem tegen het budget voor de sluiting van Guantánamo gestemd.

Wij wensen over die problemen te discussiëren in de commissie om eventueel de tekst aan die nieuwe elementen aan te passen.

De heer Philippe Mahoux (PS), rapporteur. - Ik wil nog iets zeggen als rapporteur. Wij hebben gedurende twee maanden in de commissie over dit probleem gediscussieerd. In die twee maanden heb ik de heer Dubié of zijn fractie geen enkele keer gehoord, noch in de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen, noch in de commissie voor de Justitie.

Ik wijs erop dat wat de heer Dubié zegt over vernederende behandeling in de commissie werd besproken wegens de toestand in Guantánamo en niet in het licht van de evolutie van het Amerikaanse beleid. We hebben een kritische houding aangenomen in de hoop, althans wat onze fractie betreft, dat die gevangenis zo snel mogelijk zou worden gesloten. Het probleem werd dus wel degelijk besproken. Het is dus niet duidelijk welk nieuw element de heer Dubié nu naar voren schuift.

Ik raad de heer Dubié aan het verslag aandachtig te herlezen. Er is wel degelijk ingegaan op de problematiek van vernederende behandelingen. In het raam van de gerechtelijke samenwerking is het duidelijk dat er garanties moeten zijn inzake de eerbiediging van de mensenrechten.

Wat de doodstraf betreft hebben wij, na het advies van de commissie voor de Justitie te hebben ontvangen, gemeend dat het recht van een regering die een verzoek krijgt om uitlevering - in dit geval België tegenover de VS aangezien het een bilateraal verdrag betreft - om de problematiek van de doodstraf te beoordelen, te vrijblijvend is.

Aangezien wij de afschaffing van de doodstraf in de Grondwet hebben ingeschreven, is het van fundamenteel belang dat wij slechts aan de VS uitleveren onder de voorwaarde dat de doodstraf niet wordt uitgesproken of uitgevoerd.

Ik voeg er aan toe dat ik een wetsvoorstel indiende dat nog verder gaat, namelijk het verkrijgen van de garantie van alle landen die ons om uitlevering verzoeken, dat de doodstraf niet wordt uitgesproken.

Het gaat hier om een bilateraal verdrag met de VS, al werd dit op EU-niveau besproken. De twee punten die u aangaande dat verdrag aanhaalt werden in de commissie besproken. Het feit dat u inroept is niet nieuw, aangezien het probleem van de vernederende behandelingen, de gerechtelijke samenwerking en de uitlevering werden behandeld, rekening houdend met de bestaande situatie. Ik zou niet willen dat het antwoord dat u zou kunnen worden gegeven u zou beletten een nieuw feit naar voor te brengen. Op het ogenblik zie ik echter de relevantie van uw vraag niet.

Dat u nu deze stap doet, getuigt overigens van enig opportunisme. Voor dit soort problemen is opportunisme echter ongepast. Ik weet dat u ijvert voor eerbied voor de mensenrechten en dat u pleit voor de afschaffing van de doodstraf. Uw vraag lijkt me nu echter wel buitensporig, aangezien we die discussie al voerden in de commissie.

Mevrouw Marleen Temmerman (sp.a). - Als voorzitter van de commissie wil ik toch ook mijn verwondering uiten en me bij het standpunt van de heer Mahoux aansluiten. Het onderwerp is in een tijdspanne van twee maanden herhaaldelijk besproken; alle nodige adviezen zijn ingewonnen; iedereen heeft de kans gehad de rapporten te lezen en het woord te nemen. De vraag - die ik hier voor het eerst hoor - om het ontwerp terug te zenden naar de commissie, verbaast me dan ook. We hebben in de commissie met z'n allen over het ontwerp gestemd en het advies van de commissie is duidelijk. Ik pleit er dus voor het ontwerp nu hier te behandelen.

De heer Francis Delpérée (cdH). - Samen met mijn collega's begrijp ik niet waarom hier wordt voorgesteld het wetsontwerp naar de commissie terug te zenden.

De kwestie werd uitvoerig besproken, zowel in de commissie voor de Justitie, als in de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen. Het amendement dat door de heer Mahoux en mezelf werd ingediend, beoogt precies een versterking van de bescherming inzake uitlevering door België. Dat amendement werd unaniem goedgekeurd. Het was onze bedoeling onze internationale verbintenissen in overeenstemming te brengen met ons grondwettelijk verbod, dat nog niet zolang geleden werd ingevoerd, de doodstraf opnieuw in ons recht in te voeren.

We moeten de afschaffing van de doodstraf niet enkel in eigen land, maar ook in het buitenland doen naleven.

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Ik geef kort het standpunt van onze fractie. We hebben rond dit ontwerp zeer goed, ik zou zelfs zeggen, baanbrekend werk geleverd. Na advies van de commissie voor de Justitie hebben we beslist het goedkeuringsontwerp van dit verdrag te amenderen en een zeer duidelijke mensenrechtenclausule in te bouwen. Die bepaalt dat we niemand aan de Verenigde Staten kunnen uitleveren zonder akkoord dat de doodstraf niet wordt uitgevoerd. We zijn daarmee het enige Europese land dat zo'n duidelijke voorwaarde stelt. Op zich is dat dus baanbrekend werk.

Vandaag beslissen de discussie op de lange baan te schuiven en eventueel zelfs het risico te lopen dat ze wordt gesmoord in tal van overwegingen, zou zeer jammer zijn en zou onze slagkracht verminderen. Ik roep de heer Dubié dan ook op zijn vraag tot terugzending in te trekken. Zo niet, dan zullen we tegenstemmen, want we vinden het belangrijk dat deze waardevolle tekst vandaag wordt goedgekeurd.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - We hebben in de commissie voor de Justitie een ruim debat gehad over deze problematiek en mijn inziens is het amendement een voldoende afspiegeling van de algemene teneur daarvan.

Het is evident dat we geen personen die in Guantánamo zouden terechtkomen, kunnen uitleveren. Dat heeft echter niets te maken met de doodstraf, maar alles met de algemene regel dat ook bij uitlevering het EVRM van toepassing is. We kunnen geen uitlevering goedkeuren die tot gevolg zou hebben dat het Europees mensenrechtenverdrag wordt geschonden. Concreet kunnen we niet uitleveren wanneer we niet voldoende garanties hebben dat de uitgeleverde een eerlijk proces krijgt en het is duidelijk dat de strafprocedure in Guantánamo volgens de normen van het Hof te Straatsburg niet voldoet aan het begrip `eerlijk en onpartijdig proces'.

De vraag van de heer Dubié is dus zinvol en het valt niet uit te sluiten dat we in de toekomst een algemeen debat hebben over het actualiseren van de uitleveringswet, maar het ontwerp van vandaag moeten we niet naar de commissie terugzenden.

De heer Josy Dubié (Ecolo). - Ik moet vaststellen dat mijn collega's mij niet bijvallen.

Aan de heer Mahoux wil ik duidelijk maken dat wij zijn wetsvoorstel zullen steunen dat ertoe strekt de uitlevering te weigeren van een persoon die ter dood is veroordeeld of kan worden veroordeeld. Dat is een uitstekend initiatief.

Wij betwisten geenszins de wil van president Obama om Guantánamo te sluiten. Er is echter een nieuw element opgedoken, namelijk dat de Senaat van de VS heeft geweigerd het budget goed te keuren dat de sluiting mogelijk moest maken. Wij dachten dit element te kunnen onderzoeken na een terugzending naar de commissie en dit te bekijken binnen de algemene bespreking. Ik stel vast dat er daarover geen eensgezindheid bestaat en dat mijn voorstel niet wordt aangenomen.

Mevrouw Marie-Hélène Crombé-Berton (MR). - Die verdragen dateren van 1988 en 2003. Het wordt de hoogste tijd dat we ze goedkeuren.

De heer Philippe Mahoux (PS). - Wij hebben de kwestie van de uitlevering met betrekking tot de doodstraf opgeworpen tijdens het debat in de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en wij hebben het advies van de commissie voor de Justitie gevraagd. Vele teksten die in de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen worden behandeld, betreffen trouwens juridische problemen. Wellicht zouden ze op een meer systematische wijze aan het advies van de commissie voor de Justitie moeten worden onderworpen.

Na de discussie hebben de heer Delpérée en ikzelf een amendement ingediend. De bedoeling ervan is niet aan de regering aan wie om uitlevering wordt gevraagd de mogelijkheid te geven te oordelen of die uitlevering kan gebeuren, rekening houdend met het bestaan van de doodstraf in het land dat om uitlevering verzoekt. Het verduidelijkt juist dat de regering die keuze niet heeft en dat, wanneer er een risico bestaat, ze de uitlevering moet weigeren. Ik kan me niet herinneren dat in de afgelopen jaren dikwijls teksten inzake goedkeuring van verdragen werden geamendeerd. Deze tekst zal nog een lange weg afleggen, zoals het geval is voor alle bilaterale verdragen. Ik hoop dat deze weg zo kort mogelijk zal zijn. Het betreft immers een belangrijke stap vooruit inzake de problematiek betreffende de doodstraf.

De voorzitter. - Mijnheer Dubié, ik neem er akte van dat u uw vraag tot terugzending intrekt.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking van het wetsontwerp houdende instemming met volgende Internationale Akten:
1º Overeenkomst betreffende wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten van Amerika, gedaan te Washington D.C. op 25 juni 2003;
2º Instrument, gedaan te Brussel op 16 december 2004, als bedoeld in artikel 3, lid 2, van de Overeenkomst betreffende wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten van Amerika, gedaan op 25 juni 2003, met betrekking tot de toepassing van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en de Verenigde Staten van Amerika aangaande de rechtshulp in strafzaken, ondertekend op 28 januari 1988 (Stuk 4-1183)

(De tekst aangenomen door de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging is dezelfde als de tekst van het wetsontwerp. Zie stuk 4-1183/1.)

-De artikelen 1 tot 3 worden zonder opmerking aangenomen.

-De stemming over het wetsontwerp in zijn geheel heeft later plaats.

Artikelsgewijze bespreking van het wetsontwerp houdende instemming met volgende Internationale Akten:
1º Overeenkomst betreffende uitlevering tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten van Amerika, gedaan te Washington D.C. op 25 juni 2003;
2º Instrument, gedaan te Brussel op 16 december 2004, als bedoeld in artikel 3, lid 2, van de Overeenkomst betreffende uitlevering tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten van Amerika, gedaan op 25 juni 2003, met betrekking tot de toepassing van de Overeenkomst inzake uitlevering tussen het Koninkrijk België en de Verenigde Staten van Amerika, ondertekend op 27 april 1987 (Stuk 4-1184)

(Voor de tekst geamendeerd door de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging, zie stuk 4-1184/5.)

-De artikelen 1 tot 4 worden zonder opmerking aangenomen.

-De stemming over het wetsontwerp in zijn geheel heeft later plaats.

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst van de Raad van Europa inzake het witwassen, de opsporing, de inbeslagneming en de confiscatie van opbrengsten van misdrijven en de financiering van het terrorisme, gedaan te Warschau op 16 mei 2005 (Stuk 4-1292)

Algemene bespreking

Mevrouw Els Schelfhout (CD&V). - Ik verwijs naar mijn schriftelijke verslag.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(De tekst aangenomen door de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging is dezelfde als de tekst van het wetsontwerp. Zie stuk 4-1292/1.)

-De artikelen 1 en 2 worden zonder opmerking aangenomen.

-De stemming over het wetsontwerp in zijn geheel heeft later plaats.

Wetsontwerp houdende instemming met het Internationaal Verdrag betreffende de bestrijding van daden van nucleair terrorisme, gedaan te New York op 14 september 2005 (Stuk 4-1293)

Algemene bespreking

De voorzitter. - De heer Vankrunkelsven verwijst naar zijn schriftelijk verslag.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(De tekst aangenomen door de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging is dezelfde als de tekst van het wetsontwerp. Zie stuk 4-1293/1.)

-De artikelen 1 en 2 worden zonder opmerking aangenomen.

-De stemming over het wetsontwerp in zijn geheel heeft later plaats.

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en de Republiek Peru inzake het verrichten van betaalde werkzaamheden door bepaalde gezinsleden van het diplomatiek en consulair personeel, gedaan te Brussel op 24 juni 2008 (Stuk 4-1308)

Algemene bespreking

Mevrouw Els Schelfhout (CD&V). - Ik verwijs naar mijn schriftelijke verslag.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(De tekst aangenomen door de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging is dezelfde als de tekst van het wetsontwerp. Zie stuk 4-1308/1.)

-De artikelen 1 en 2 worden zonder opmerking aangenomen.

-De stemming over het wetsontwerp in zijn geheel heeft later plaats.

Wetsontwerp tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek wat de plaats van het huwelijk betreft (Stuk 4-1255) (Evocatieprocedure)

Algemene bespreking

De heer Francis Delpérée (cdH), rapporteur. - Dit ontwerp wijzigt het Burgerlijk Wetboek wat de plaats van het huwelijk betreft. Het werd in de Kamer als wetsvoorstel ingediend, waar het werd goedgekeurd met 124 stemmen bij één onthouding. Het verduidelijkt dat het huwelijk moet worden voltrokken binnen de gemeente op een openbare plaats met een neutraal karakter waarvan de gemeente het uitsluitend gebruiksrecht heeft.

Het voorstel riep niet veel discussie op, maar toch werden in de commissie twee problemen opgeworpen.

Een eerste betrof de vraag of er slechts een enkele plaats kan worden aangeduid door de gemeenteraad - het gemeente- of stadhuis of een andere plaats - of dat iedere gemeenteraad - ingevolge de fusies van gemeenten in 1976 - de mogelijkheid moet krijgen meerdere openbare plaatsen aan te duiden waar de gemeenten de huwelijken kunnen voltrekken.

Het tweede probleem was dat onze vrienden volksvertegenwoordigers blijkbaar helemaal de situatie van de stad Antwerpen en haar districten uit het oog waren verloren.

Er moest dus een mogelijkheid worden overwogen om in elk district te voorzien in plaatsen voor het huwelijk.

Er werden dus amendementen ingediend op het ontwerp zoals het door de Kamer werd overgezonden. Eén ervan stelt voor de gemeenteraad de mogelijkheid te geven verschillende neutrale, openbare plaatsen op het gemeentelijk grondgebied aan te duiden.

Er werd verduidelijkt dat indien binnengemeentelijke territoriale organen - om de grondwettelijke termen over te nemen - werden opgericht in een gemeente, die bevoegdheid aan de districtsraad en niet aan de gemeenteraad toekomt.

De amendementen en het geheel van het ontwerp werden unaniem aangenomen.

Mevrouw Nahima Lanjri (CD&V). - Het verheugt me dat de commissie het wetsontwerp heeft aangepast. Met de tekst die door de Kamer was goedgekeurd was het niet mogelijk huwelijken te voltrekken in de districten in Antwerpen, terwijl de districten toch door de wetgever zijn erkend. Om dat hiaat op te vangen hebben we een amendement ingediend dat unaniem werd goedgekeurd evenals het ontwerp zelf.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(Voor de tekst geamendeerd door de commissie voor de Justitie, zie stuk 4-1255/4.)

-De stemming over het wetsontwerp in zijn geheel heeft later plaats.

Wetsontwerp tot oprichting van een Belgisch Centrum voor alternatieven voor dierproeven (Stuk 4-242) (Art. 81, derde lid, en art. 79, eerste lid, van de Grondwet)

Algemene bespreking

Mevrouw Christiane Vienne (PS), rapporteur. - Ik verwijs naar mijn schriftelijk verslag.

De heer Philippe Mahoux (PS). - Deze tekst is het resultaat van een lange weg om een alternatief te ontwikkelen, dat trouwens verschillende vormen aanneemt, voor dierproeven.

Het doel was tweevoudig: enerzijds de verbetering van de efficiëntie van de testen en de zekerheid inzake schadelijkheid of onschadelijkheid van de geteste substanties vergroten en, anderzijds, dierproeven, die dikwijls nutteloos zijn, zoveel mogelijk vermijden.

De Senaat heeft eerst een voorstel van resolutie, dat door mij werd ingediend, goedgekeurd en nadien een wetsvoorstel, waarvan de tekst lichtjes door de Kamer werd gewijzigd. Eerst en vooral werd een college van experts binnen het instituut opgericht. Vervolgens werd verduidelijkt dat er naast de toxicogenomica nog andere alternatieven zijn voor dierproeven.

De commissie heeft het ontwerp zoals het door de Kamer werd overgezonden goedgekeurd, omdat ze van menig was dat geen enkele fundamentele wijziging aan de oorspronkelijke tekst werd aangebracht.

Wij zijn blij dat de wetgevingsprocedure rond deze tekst nu wordt afgerond. Het is nu aan de regering om deze wet toe te passen opdat er vooruitgang mogelijk is, zowel op het vlak van volksgezondheid als inzake dierenbescherming.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(De tekst aangenomen door de commissie voor de Sociale Aangelegenheden is dezelfde als de tekst zoals hij door de Kamer van volksvertegenwoordigers werd teruggezonden. Zie stuk Kamer 52-1918/5.)

-De stemming over het wetsontwerp in zijn geheel heeft later plaats.

Wetsontwerp houdende diverse bepalingen met betrekking tot de instelling van een bijzondere onderhandelingsgroep, een vertegenwoordigingsorgaan en procedures betreffende het medezeggenschap van de werknemers in ondernemingen ontstaan ten gevolge van een grensoverschrijdende fusie van kapitaalvennootschappen (Stuk 4-1327)

Algemene bespreking

De voorzitter. - Mevrouw Zrihen verwijst naar haar verslag.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(De tekst aangenomen door de commissie voor de Sociale Aangelegenheden is dezelfde als de tekst van het door de Kamer van volksvertegenwoordigers overgezonden ontwerp. Zie stuk Kamer 52-1952/4.)

-De artikelen 1 tot 7 worden zonder opmerking aangenomen.

-De stemming over het wetsontwerp in zijn geheel heeft later plaats.

Wetsvoorstel tot wijziging van de wet van 31 december 1983 tot hervorming der instellingen voor de Duitstalige Gemeenschap betreffende de onverenigbaarheden voor de leden van het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap (Stuk 4-1225)

Algemene bespreking

De voorzitter. - Het woord is aan de heer Cheron voor een mondeling verslag.

De heer Marcel Cheron (Ecolo), corapporteur. - De commissie voor de Institutionele Aangelegenheden heeft het wetsvoorstel dat het voorwerp uitmaakt van dit verslag, op 26 mei onderzocht, na een drievoudige en snel doorgevoerde adviesprocedure.

In de eerste plaats heeft de Senaat het voorstel voor advies moeten voorleggen aan het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap, dat eenparig zijn instemming heeft betuigd met dit wetsvoorstel, dat de status van lid van het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap en die van de leden van de andere gemeenschaps- en gewestparlementen opnieuw wil gelijkschakelen op het stuk van de onverenigbaarheid.

Bij brief van 21 april 2009 heeft onze voorzitter ook de Raad van State verzocht om binnen een termijn van dertig dagen een advies uit te brengen. Dat advies was positief.

Ten slotte heeft ook de Dienst Wetsevaluatie van de Senaat een advies uitgebracht.

De heer Collas heeft het wetsvoorstel in de commissie toegelicht. Bij de bespreking bleek dat het ruime steun genoot. Het voorstel wil de regelgeving op het vlak van de onverenigbaarheid tussen het mandaat van lid van het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap en de status van personeelslid van de overheidsadministratie afstemmen op de van kracht zijnde regelgeving voor de leden van het Vlaams Parlement, het Parlement van de Franse Gemeenschap en het Waals Parlement.

In zijn advies preciseert de Dienst Wetsevaluatie het volgende: `Toch zal er, ook na de goedkeuring van dit wetsvoorstel, een verschil blijven bestaan tussen de formulering van het nieuwe artikel 10bis, eerste lid, 10º, van de wet van 31 december 1983 en de formulering van artikel 24bis van de bijzondere wet.'

De heer Collas verklaarde dat het de bedoeling was inzake onverenigbaarheid de ongelijke behandeling tussen de verschillende gemeenschaps- en gewestparlementen ongedaan te maken.

In de algemene bespreking verklaarde de heer Van Den Driessche dat hij het wetsvoorstel steunt.

De heer Delpérée zei de bezorgdheid van de indieners van het voorstel te delen, maar het niet te hebben medeondertekend wegens een aantal vastgestelde onvolkomenheden. Het is inderdaad niet het parlement dat decreten uitvaardigt; een decreet is het werk van parlement en regering. Net als op federaal niveau, is een decreet van de Duitstalige Gemeenschap het resultaat van de samenwerking tussen de twee takken van de wetgevende macht.

Om die reden hebben de heer Delpérée en enkele collega's een amendement ingediend op artikel 2. Het luidt als volgt: `het decreet kan daarover een stelsel van politiek verlof organiseren'.

Artikel 1 werd zonder opmerkingen eenparig aangenomen. Het geamendeerde artikel 2 werd eenparig aangenomen door de negen aanwezige leden, evenals artikel 3 en het geheel van het wetsvoorstel.

De heer Berni Collas (MR). - Ich möchte die Gelegenheit wahrnehmen, Ihnen allen zu danken. Ich kann der weiteren politischen Entwicklungen und meinem persönlichen politischen Schicksal in den kommenden Wochen und Monaten nicht vorgreifen. Ich lege aber grossen Wert darauf, Ihnen allen zu danken für die Offenheit und die bereitwillige und konstruktive Zusammenarbeit, immer dann wenn es um die Belange der deutschsprachigen Gemeinschaft ging.

Ik wens van de gelegenheid gebruik te maken om u allen te bedanken. Ik kan niet vooruitlopen op de politieke ontwikkelingen of op mijn eigen politieke lot in de komende weken en maanden. Ik wens u niettemin speciaal te bedanken voor uw openlijke en constructieve medewerking telkens de belangen van de Duitstalige Gemeenschap op het spel stonden.

Tevens dank ik u voor uw medewerking met betrekking tot deze specifieke problematiek. Ik dank in het bijzonder de talrijke collega's die mijn wetsvoorstel hebben medeondertekend, rapporteur Marcel Cheron voor zijn omstandig verslag, evenals de heer Delpérée voor de constructieve bijdrage die hij heeft geleverd door een amendement in te dienen. Dankzij zijn bijdrage hebben we met het voorstel het nagestreefde doel bereikt. Onze tekst is zelfs beter dan die van de bijzondere wet en dat verheugt me.

Ik wil ook alle Vlaamse collega's bedanken. Ik weet niet welk politiek lot mij in de komende maanden zal zijn voorbehouden. In ieder geval dank ik jullie allemaal voor de welwillende samenwerking en voor het begrip dat jullie aan de dag hebben gelegd om de belangen van de Duitstalige gemeenschap te behartigen.

Ik dank u allen en zeg `tot ziens' in de hoop u weer te zien. (Algemeen applaus)

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(Voor de tekst aangenomen door de commissie voor de Institutionele Aangelegenheden, zie stuk 4-1225/5.)

-De artikelen 1 tot 3 worden zonder opmerking aangenomen.

-De stemming over het wetsvoorstel in zijn geheel heeft later plaats.

Voorstel van resolutie met betrekking tot de problematiek van de huishoudelijke economie (van mevrouw Miet Smet, Stuk 4-887)

Bespreking

(Voor de tekst aangenomen door de commissie voor de Sociale Aangelegenheden, zie stuk 4-887/1.)

Mevrouw Christiane Vienne (PS), corapporteur. - Ik verwijs naar mijn schriftelijk verslag.

Mevrouw Anne Delvaux (cdH). - Ik wil mevrouw Miet Smet, die het voorstel heeft ingediend, danken en feliciteren met haar werkstuk dat het begrip `huishoudelijk werk' in België en in de wereld zeer goed omschrijft. We weten allemaal dat zwartwerk in die sector zeer belangrijk is. De resolutie betreft vooral vrouwen die mogelijk aanspraak zullen kunnen maken op een werknemersstatuut.

We hebben een amendement ingediend om te preciseren dat de regering een specifiek statuut voor het huishoudelijk werk moet overwegen.

Mevrouw Nahima Lanjri (CD&V). - Op mijn beurt dank ik mevrouw Smet voor haar voorstel van resolutie met betrekking tot de problematiek van de huishoudelijke economie. De resolutie is een beginpunt en Miet Smet kan zeker op onze verdere ondersteuning rekenen in de uitvoering ervan zelfs na haar vertrek uit de Senaat. Miet Smet wordt enorm gewaardeerd voor haar strijd voor de gelijkheid tussen mannen en vrouwen waarvan de problematiek van de huishoudelijke economie een onderdeel is. Namens onze fractie dank ik Miet Smet voor haar jarenlange inzet.

Wij steunen het amendement van mevrouw Delvaux, dat mevrouw Smet mee heeft ondertekend. Ik merk op dat in de vertaling een nuanceverschil is geslopen. In de Nederlandse vertaling staat: `5. de invoering van een omvattend statuut voor huishoudelijk werk te overwegen.' Precies dat woord `overwegen' - in het Frans `envisager' - zou ik graag vertaald zien door `in het vooruitzicht te stellen'.

De voorzitter. - Ik zou graag het woord verlenen aan mevrouw Smet, maar wegens een stemprobleem zal dat niet gaan.

Mevrouw Smet, in naam van de Senaat feliciteer ik u, niet enkel met dit initiatief, maar met uw fantastische loopbaan in het parlement en in de politiek in het algemeen. Het is fantastisch om met dit initiatief uw parlementaire loopbaan te beëindigen. Dank u voor alles wat u voor ons land hebt gedaan. (Applaus)

Op dit voorstel van resolutie heeft mevrouw Delvaux c.s. amendement nr. 9 ingediend (Stuk 4-887/6) dat luidt:

-De bespreking is gesloten.

-De stemming over het amendement wordt aangehouden.

-De stemming over het voorstel van resolutie in zijn geheel heeft later plaats.

Vraag om uitleg van de heer André Van Nieuwkerke aan de vice-eersteminister en minister van Financiën en Institutionele Hervormingen over «de btw in de sector grafische vormgeving» (nr. 4-921)

De voorzitter. - De heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Begroting, toegevoegd aan de eerste minister, en staatssecretaris voor Gezinsbeleid, toegevoegd aan de minister van Werk, en wat de aspecten inzake personen- en familierecht betreft, toegevoegd aan de minister van Justitie, antwoordt.

De heer André Van Nieuwkerke (sp.a). - Vorige vergadering hebben we met de minister van Financiën van gedachten gewisseld over de btw-aanslagvoet in de horeca. Naar aanleiding daarvan liet een grafisch vormgever me weten dat hij in zijn offertes voor openbare aanbestedingen 21% btw moet aanrekenen, terwijl een zelfstandige drukker die een grafisch vormgever in dienst heeft, voor een globale opdracht maar 6% btw moet aanrekenen. Dat scheelt een slok op de borrel en betrokkene beklaagt zich dus over een ernstige discriminatie in de sector.

Misschien kan de fiscale administratie ter zake klaarheid scheppen.

Is de minister bereid om op grafisch vormgevend werk ter voorbereiding van drukwerk 6% in plaats van 21% te heffen?

Het gaat om een grote sector in België. Ik kijk dan ook benieuwd uit naar het antwoord.

(Voorzitter: de heer Hugo Vandenberghe, eerste ondervoorzitter.)

De heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Begroting, toegevoegd aan de eerste minister, en staatssecretaris voor Gezinsbeleid, toegevoegd aan de minister van Werk, en wat de aspecten inzake personen- en familierecht betreft, toegevoegd aan de minister van Justitie. - Ik lees het antwoord van minister Reynders.

De grafische vormgeving van drukwerk volledig of gedeeltelijk verzorgen is in de regel een dienst in de zin van artikel 18 van het BTW-Wetboek en is in principe onderworpen aan het normale btw-tarief van 21%. In bepaalde omstandigheden kan hierop evenwel het verlaagde tarief van 6% worden toegepast. Dat is bijvoorbeeld het geval voor prestaties van lay-out van drukwerk wanneer de verstrekte dienst bestaat in de overdracht van auteursrechten of het verlenen van rechten op auteursrechten en geen betrekking heeft op de lay-out van reclamedrukwerk.

De drukker die een hoeveelheid drukwerk als bedoeld in rubriek XIX van tabel A van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20 inzake btw-tarieven verricht voor rekening van een opdrachtgever en aan laatstgenoemde levert, levert goederen in de zin van artikel 10 van het BTW-Wetboek en die levering is onderworpen aan het verlaagde btw-tarief van 6%. De kosten van de grafische vormgeving van dat drukwerk die de drukker zelf heeft verzorgd of die hij heeft uitbesteed aan een gespecialiseerde firma, maken deel uit van de belastinggrondslag van het geleverde drukwerk en worden zodoende in toepassing van artikel 26 van het BTW-Wetboek tegen het tarief van het drukwerk belast.

Het in casu toepasselijke btw-tarief verschilt dus gelet op het fundamenteel onderscheid inzake btw tussen de levering van goederen door een drukker en de prestatie van een grafische vormgever. Wegens dit onderscheid is er dan ook geen sprake van enige discriminatie.

Bijlage III van richtlijn 2006/112/EG van 28 november 2006, die overigens zeer recent nog werd gewijzigd door richtlijn 2009/47/EG van 5 mei 2009, bevat een beperkte lijst van de categorieën van leveringen van goederen en diensten waarop de lidstaten een verlaagd btw-tarief mogen toepassen. Die lijst bevat echter geen diensten die betrekking hebben op grafische vormgeving van drukwerk.

Een verlaging van het btw-tarief op diensten die betrekking hebben op de grafische vormgeving van drukwerk kunnen we dus niet in overweging nemen.

Vraag om uitleg van de heer Louis Ide aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «de opleiding tot verpleegkundige-ziekenhuishygiënist» (nr. 4-922)

De voorzitter. - De heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Begroting, toegevoegd aan de eerste minister, en staatssecretaris voor Gezinsbeleid, toegevoegd aan de minister van Werk, en wat de aspecten inzake personen- en familierecht betreft, toegevoegd aan de minister van Justitie, antwoordt.

De heer Louis Ide (Onafhankelijke). - Op 27 november van vorig jaar stelde ik in deze vergadering een vraag om uitleg over de opleiding tot verpleegkundige-ziekenhuishygiënist.

Ik citeer uit uw antwoord: `Verpleegkundigen die op het moment van de publicatie van het koninklijk besluit reeds in functie waren als verpleegkundige-ziekenhuishygiënist, genieten echter verworven rechten. Verpleegkundigen die reeds de facto werkzaam zijn als verpleegkundige-ziekenhuishygiënist, maar nog niet als dusdanig in het organogram van het ziekenhuis waren aangeduid, moeten eveneens die verworven rechten kunnen genieten en moeten dus niet voldoen aan de nieuwe universitaire opleidingsvereiste. Zij kunnen hun functie als verpleegkundige-ziekenhuishygiënist staven aan de hand van documenten zoals verslagen van het comité voor ziekenhuishygiëne of jaarverslagen van het team voor ziekenhuishygiëne'.

Het originele koninklijk besluit bevatte enkele overgangsmaatregelen voor hen die al actief waren als verpleegkundige-ziekenhuishygiënist. Dit antwoord voorzag ook in overgangsmaatregelen voor anderen. Ik was en ben dan ook nog steeds zeer tevreden met dit antwoord. Toch heerst voor een zeer kleine groep mensen nog onduidelijkheid, die aanleiding geeft tot mijn vragen.

Komt iemand die de opleiding startte vóór de bekendmaking van het koninklijk besluit in april 2007, maar zijn of haar diploma pas kreeg in juni 2007 in aanmerking voor de erkenning als verpleegkundige-ziekenhuishygiënist? Of valt die persoon tussen de mazen van het net? Het zou toch echt een pak van het hart zijn voor een, ik geef toe, kleine groep mensen.

Als die persoon voor zulke vrijstelling in aanmerking komt, moet hij of zij dan nog stappen doen om de gehele situatie te regulariseren?

De heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Begroting, toegevoegd aan de eerste minister, en staatssecretaris voor Gezinsbeleid, toegevoegd aan de minister van Werk, en wat de aspecten inzake personen- en familierecht betreft, toegevoegd aan de minister van Justitie. - Ik lees het antwoord van minister Onkelinx.

Het koninklijk besluit van 26 april 2007 tot wijziging van het koninklijk besluit van 23 oktober 1964 tot bepaling van de normen die door de ziekenhuizen en hun diensten moeten worden nageleefd, bepaalt dat de verpleegkundigen-ziekenhuishygiënisten dienen te beschikken over een diploma van master in de verpleegkunde of een master in de volksgezondheid.

Het voorziet echter in een overgangsperiode van vijf jaar, waarin de verpleegkundigen die in dienst genomen werden na de publicatiedatum van 7 juni 2007 de functie van verpleegkundige-ziekenhuishygiënist mogen bekleden, op voorwaarde dat ze op het einde van die periode aan de vereisten van de universitaire opleiding voldoen.

Een verpleegkundige die vóór 7 juni 2007 met een masteropleiding is begonnen of ze eind juni 2007 of zelfs later heeft beëindigd, voldoet aan de voorschriften van het koninklijk besluit van 26 april 2007 indien hij of zij vóór het einde van de periode van vijf jaar - dus juni 2011 - over de vereiste kwalificatie beschikt.

Die verpleegkundige moet aan de werkgever meedelen en aantonen dat hij of zij over het vereiste masterdiploma beschikt. Daarna moeten de bevoegde organen van de gewesten toezien op het naleven van de ziekenhuisnormen, zoals dat de regel is en normaal gebeurt.

De heer Louis Ide (Onafhankelijke). - Dat antwoord moet ik nog eens goed bestuderen, want door het geroezemoes heb ik het niet goed gehoord.

Voor zover ik het begrepen heb, ging het antwoord over de academische opleiding, terwijl mijn vraag over de niet-academische opleiding van de NVKVV ging. Ik besef dat mijn vraag niet zeer duidelijk was. Ik zal ze opnieuw, maar dan duidelijker stellen.

De heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Begroting, toegevoegd aan de eerste minister, en staatssecretaris voor Gezinsbeleid, toegevoegd aan de minister van Werk, en wat de aspecten inzake personen- en familierecht betreft, toegevoegd aan de minister van Justitie. - De basisregel is dat ze ofwel master in de verpleegkunde ofwel master in de volksgezondheid moeten zijn voor het einde van de overgangsperiode, dus voor eind 2011.

Vraag om uitleg van de heer Louis Ide aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «het asbestfonds» (nr. 4-923)

De voorzitter. - De heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Begroting, toegevoegd aan de eerste minister, en staatssecretaris voor Gezinsbeleid, toegevoegd aan de minister van Werk, en wat de aspecten inzake personen- en familierecht betreft, toegevoegd aan de minister van Justitie, antwoordt.

De heer Louis Ide (Onafhankelijke). - Ik stelde op gezette tijdstippen vragen over het Asbestfonds. Ik zag een gunstige evolutie.

Pas in december 2008 kwam het Asbestfonds echt op dreef. In oktober 2008 bevestigde de minister dat er betaling zou volgen voor niet-inwonende erfgenamen van slachtoffers die vroegtijdig het tijdelijke voor het eeuwige ruilden. Jammer dat dit niet met terugwerkende kracht kan. In december 2008 waren er 1766 beslissingen getroffen waarvan 1211 positief en 555 negatief. Er waren 593 dossiers in behandeling. Toch dragen we nu nog altijd de gevolgen van de trage werking van het Asbestfonds.

In maart 2008 werd een mesothelioom vastgesteld bij een patiënt wiens familie onlangs contact met mij opnam. De familie diende onmiddellijk alle noodzakelijke aanvragen in. Alles leek in orde. Het was enkel nog wachten op de goedkeuring van een commissie, die later die week zou volgen. Een maand later kreeg de familie te horen dat de commissie niet was samengekomen, omdat er niet genoeg gevallen waren om te behandelen. Toen kwam de vakantie eraan ... Die persoon is gestorven in september 2008, nadat zijn familie er alles aan had gedaan om de laatste levensmaanden zo aangenaam mogelijk te maken. Tot op dat moment was er geen oordeel over het ingediende dossier. Toen het overlijden werd gemeld, was er wel plaats voor een snel antwoord: de nabestaanden zouden de begrafeniskosten niet moeten dragen, maar hadden wel geen recht meer op de maandelijkse vergoedingen. Indien ze niet akkoord gingen, konden ze dit voor de arbeidsrechtbank aanvechten. Dat laatste hebben ze dan ook gedaan.

Door de aard van de ziekte vonden de betrokkenen immers dat ze recht hadden op de vergoedingen, die ze niet kregen door de nalatigheid van het Asbestfonds. De eerste zitting op de arbeidsrechtbank kon trouwens niet doorgaan, omdat het Asbestfonds gemeld had dat het niet aanwezig zou zijn ...

Zoiets moet als nabestaande bijzonder moeilijk te verkroppen zijn. Daarbij komt nog dat het Asbestfonds wel snel moet werken, want na de vaststelling van mesothelioom bedraagt de gemiddelde levensverwachting nog zes à negen maanden. Indien het Asbestfonds een zaak niet binnen zes maanden kan afhandelen, zal dit verhaal niet het laatste van deze aard zijn.

Wat vindt de minister van deze situatie? Dit is toch niet menselijk? Het is goed dat deze slachtoffers naar de rechtbank kunnen en willen stappen, maar vindt zij niet dat dit vermeden moet worden? Deze ellende moet toch op een zo humaan mogelijke manier opgelost worden en niet voor een rechtbank? Vindt zij dit een empathische houding van het Asbestfonds?

Waarom was het Asbestfonds niet aanwezig op die bewuste eerste zitting van de rechtbank?

Zijn er nog dergelijke gevallen? Zijn er nog mensen naar de rechtbank getrokken en zo ja, hoeveel?

Volgens welke regelgeving kunnen begrafeniskosten terugbetaald worden, maar andere vergoedingen niet?

Wat denkt zij van het feit dat er zes à zeven maanden moet worden gewacht op een uitspraak, terwijl patiënten dan meestal al overleden zijn?

Ik stelde in het verleden al enkele vragen over de terugwerkende kracht van de vergoedingen, ook voor de nabestaanden, maar kreeg daarop geen antwoord. Is dit verhaal niet het mooiste bewijs dat zo'n regeling dringend nodig is?

De heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Begroting, toegevoegd aan de eerste minister, en staatssecretaris voor Gezinsbeleid, toegevoegd aan de minister van Werk, en wat de aspecten inzake personen- en familierecht betreft, toegevoegd aan de minister van Justitie. - Ik lees het antwoord van minister Onkelinx.

Ik geloof niet dat het onmenselijk is de betrokkenen de mogelijkheid te geven om een beslissing van een bestuur bij de bevoegde rechtbank aan te vechten. Het aantal beroepen tegen beslissingen van het FBZ is zeer beperkt, tot nog toe maar een tiental.

De heer Ide verwijst naar een bepaald geval. Ik zal zelf een antwoord geven aan de betrokkenen betreffende alle details van deze zaak en de juridische procedure. Niettemin kan ik bevestigen dat de mesothelioomcommissie sinds haar oprichting één keer per maand vergadert en nooit een vergadering heeft afgelast omdat er te weinig dossiers te behandelen waren.

De vergoeding voor de begrafeniskosten en overbrengingskosten aan de personen die ze hebben betaald, gebeurde op basis van de gecoördineerde wetten op de beroepsziekten.

Een persoon kan immers zowel erkend worden in het kader van de reglementering van de beroepsziekten als in het kader van de AFA-reglementering.

De duur van de procedure moet inderdaad zoveel mogelijk worden gereduceerd. Daarom win ik ook regelmatig inlichtingen in bij het FBZ om na te gaan of er vooruitgang geboekt wordt inzake de behandelingstermijnen van AFA-aanvragen.

Voor de vraag inzake de retroactiviteit verwijs ik verwijzen naar het antwoord op vraag 4-781.

De heer Louis Ide (Onafhankelijke). - Het siert minister Onkelinx dat ze persoonlijk contact zal opnemen met de betrokken nabestaanden. Ik denk dat het in dergelijke gevallen zeer belangrijk is de problemen menselijk te benaderen en te vermijden dat personen naar de rechtbank moeten stappen.

Slechts een tiental personen heeft een rechtszaak aangespannen, maar de drempel daarvoor is zeer hoog. Ik blijf erbij dat een humaan beleid nodig is en dat er snel moet gehandeld worden, want deze patiënten hebben meestal maar zes of negen maanden meer te leven.

Wat de retroactiviteit betreft, verschillen we wel van mening. Ik vind dat terugwerking mogelijk moet zijn tot het tijdstip van de oprichting van het Asbestfonds.

(Voorzitter: de heer Armand De Decker.)

Stemmingen

(De naamlijsten worden in de bijlage opgenomen.)

Wetsontwerp houdende instemming met volgende Internationale Akten:
1º Overeenkomst betreffende wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten van Amerika, gedaan te Washington D.C. op 25 juni 2003;
2º Instrument, gedaan te Brussel op 16 december 2004, als bedoeld in artikel 3, lid 2, van de Overeenkomst betreffende wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten van Amerika, gedaan op 25 juni 2003, met betrekking tot de toepassing van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en de Verenigde Staten van Amerika aangaande de rechtshulp in strafzaken, ondertekend op 28 januari 1988 (Stuk 4-1183)

Stemming 1

Aanwezig: 59
Voor: 59
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

-Het wetsontwerp is eenparig aangenomen.

-Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.

Wetsontwerp houdende instemming met volgende Internationale Akten:
1º Overeenkomst betreffende uitlevering tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten van Amerika, gedaan te Washington D.C. op 25 juni 2003;
2º Instrument, gedaan te Brussel op 16 december 2004, als bedoeld in artikel 3, lid 2, van de Overeenkomst betreffende uitlevering tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten van Amerika, gedaan op 25 juni 2003, met betrekking tot de toepassing van de Overeenkomst inzake uitlevering tussen het Koninkrijk België en de Verenigde Staten van Amerika, ondertekend op 27 april 1987 (Stuk 4-1184)

Stemming 2

Aanwezig: 59
Voor: 59
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

-Het wetsontwerp is eenparig aangenomen.

-Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst van de Raad van Europa inzake het witwassen, de opsporing, de inbeslagneming en de confiscatie van opbrengsten van misdrijven en de financiering van het terrorisme, gedaan te Warschau op 16 mei 2005 (Stuk 4-1292)

Stemming 3

Aanwezig: 59
Voor: 59
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

-Het wetsontwerp is eenparig aangenomen.

-Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.

Wetsontwerp houdende instemming met het Internationaal Verdrag betreffende de bestrijding van daden van nucleair terrorisme, gedaan te New York op 14 september 2005 (Stuk 4-1293)

Stemming 4

Aanwezig: 59
Voor: 59
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

-Het wetsontwerp is eenparig aangenomen.

-Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en de Republiek Peru inzake het verrichten van betaalde werkzaamheden door bepaalde gezinsleden van het diplomatiek en consulair personeel, gedaan te Brussel op 24 juni 2008 (Stuk 4-1308)

Stemming 5

Aanwezig: 59
Voor: 59
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

-Het wetsontwerp is eenparig aangenomen.

-Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.

Wetsontwerp tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek wat de plaats van het huwelijk betreft (Stuk 4-1255) (Evocatieprocedure)

Stemming 6

Aanwezig: 59
Voor: 59
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

-Het wetsontwerp is eenparig aangenomen.

-Het werd geamendeerd en zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.

Wetsontwerp tot oprichting van een Belgisch Centrum voor alternatieven voor dierproeven (Stuk 4-242) (Art. 81, derde lid, en art. 79, eerste lid, van de Grondwet)

Stemming 7

Aanwezig: 59
Voor: 59
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

-De Senaat heeft het wetsontwerp ongewijzigd aangenomen en derhalve ingestemd met de tekst zoals die door de Kamer van volksvertegenwoordigers werd geamendeerd. Het ontwerp zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden met het oog op de bekrachtiging door de Koning.

Wetsontwerp houdende diverse bepalingen met betrekking tot de instelling van een bijzondere onderhandelingsgroep, een vertegenwoordigingsorgaan en procedures betreffende het medezeggenschap van de werknemers in ondernemingen ontstaan ten gevolge van een grensoverschrijdende fusie van kapitaalvennootschappen (Stuk 4-1327)

Stemming 8

Aanwezig: 59
Voor: 59
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

-Het wetsontwerp is eenparig aangenomen.

-Het zal aan de Koning ter bekrachtiging worden voorgelegd.

Wetsvoorstel tot wijziging van de wet van 31 december 1983 tot hervorming der instellingen voor de Duitstalige Gemeenschap betreffende de onverenigbaarheden voor de leden van het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap (Stuk 4-1225)

Stemming 9

Aanwezig: 59
Voor: 59
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

-Het wetsvoorstel is eenparig aangenomen.

-Het wetsontwerp zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.

Voorstel van resolutie met betrekking tot de problematiek van de huishoudelijke economie (van mevrouw Miet Smet, Stuk 4-887)

De voorzitter. - We stemmen over amendement 9 van mevrouw Delvaux c.s.

Stemming 10

Aanwezig: 58
Voor: 44
Tegen: 0
Onthoudingen: 14

Mevrouw Lieve Van Ermen (LDD). - Ik wilde mij onthouden.

-Het amendement is aangenomen.

Mevrouw Nele Jansegers (VB). - We zullen ons onthouden bij de stemming over dit voorstel.

We zijn er zeker niet tegen dat de hulp in het huishouden beter geregeld en toegankelijker wordt en dat zwartwerk in de sector wordt tegengegaan. De problematiek nader bekijken en zorgen voor betere arbeidsomstandigheden voor de werknemers in de huishoudelijke economie is uiteraard een goed idee, dat onze volledige steun heeft.

De resolutie is echter niet volledig. Ze vraagt onder meer het huishoudelijke werk te erkennen als een volwaardig beroep en een omvattend statuut hiervoor uit te werken. Dat is een zeer nobele betrachting. Alleen zal dat niet gelden voor de mannen en vrouwen die huishoudelijke arbeid in hun eigen huis verrichten, voor hun eigen kinderen of hun eigen ouders zorgen. Zij kunnen daarvoor geen vergoeding krijgen.

Men zal opwerpen dat er thematische verloven bestaan en dat die weldra nog zullen worden uitgebreid. Om voor betaald verlof in aanmerking te komen, moet men echter eerst buitenshuis werken. Wie vandaag voltijds vader of moeder van een groot gezin wil zijn, kan op geen enkele vorm van betaald verlof een beroep doen, wordt niet betaald, noch zwart, noch met dienstencheques, en is dus financieel volledig afhankelijk van zijn of haar partner. Alleenstaande ouders hebben zelfs de `luxe' niet financieel afhankelijk te zijn van hun partner.

De andere fracties hebben altijd geweigerd een opvoedersloon voor de thuiswerkende ouder zelfs maar te overwegen. Zij zeggen dat vrouwen daardoor terug naar de haard worden verwezen. Het opvoedersloon wil de financiële onafhankelijkheid garanderen van diegenen die zelf het huishoudelijke werk willen doen en voor de opvoeding van de kinderen willen zorgen. De invoering van een opvoedersloon zou een vrije keuze mogelijk maken.

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Dat is toch geen stemverklaring. Het reglement moet worden nageleefd.

Mevrouw Nele Jansegers (VB). - Alleen vragen dat een loon en een statuut worden toegekend aan wie huishoudelijk werk verricht buiten zijn eigen huis en zijn of haar kinderen door anderen laat verzorgen, volstaat niet voor ons. We zullen ons dan ook onthouden.

Mevrouw Isabelle Durant (Ecolo). - Wij zullen ons onthouden over het geheel van de tekst, zoals wij dat hebben gedaan voor het amendement, omdat hij onduidelijk is. Wat betekent een `statuut voor huishoudelijk werk'?

Wij menen dat de tekst te veel vage elementen bevat die een dubbele interpretatie mogelijk maken en hij gaat niet noodzakelijk in de richting die wij wensen.

Bovendien wil de tekst de dienstencheques uitbreiden tot buitenschoolse opvang en dat lijkt ons weinig verstandig. Die dienstencheques zijn immers bedoeld voor huishoudhulp en gelijkaardige taken, maar niet voor buitenschoolse opvang, die volgens ons collectief moet blijven en voorbehouden aan mensen die daarvoor zijn opgeleid.

De heer Philippe Mahoux (PS). - Wij menen dat er een degelijk en ernstig statuut moet komen.

Wij zijn altijd tegenstander geweest van een uitbreiding van het stelsel van dienstencheques voor kinderopvang. Het is belangrijk daaraan te herinneren.

Mevrouw Nahima Lanjri (CD&V). - In de commissie hebben we duidelijk gesteld dat een statuut nodig is. Zowel de door mevrouw Smet ingediende resolutie als het amendement van senator Delvaux c.s. vraagt dat de regering een statuut in het vooruitzicht stelt.

De aanwending van dienstencheques voor kinderopvang werd in de commissie besproken. We wensen de belangrijke discussie over de dienstencheques gescheiden te houden van het voorstel van resolutie. We wensen ons te beperken tot het voorstel van mevrouw Smet, geamendeerd door mevrouw Delvaux.

De voorzitter. - We stemmen nu over het voorstel van resolutie in zijn geheel.

Stemming 11

Aanwezig: 59
Voor: 45
Tegen: 0
Onthoudingen: 14

-De aldus geamendeerde resolutie is aangenomen. Zij zal worden overgezonden aan de eerste minister en aan de vice-eersteminister en minister van Werk en Gelijke Kansen.

De voorzitter. - Ik feliciteer mevrouw Smet nogmaals. (Applaus)

Wetsontwerp tot wijziging, wat de ziekteverzekeringsovereenkomsten betreft, van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst en van de wet van 20 juli 2007 tot wijziging, wat de private ziekteverzekeringsovereenkomsten betreft, van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst (Stuk 4-1235) (Evocatieprocedure)

De voorzitter. - We hadden de stemming over de amendementen tijdens een vorige vergadering reeds aangevat. Amendement 1 werd verworpen.

We stemmen thans over amendement 2 van de heer Van Nieuwkerke c.s.

Stemming 12

Aanwezig: 58
Voor: 13
Tegen: 36
Onthoudingen: 9

-Het amendement is niet aangenomen.

-Dezelfde stemuitslag wordt aanvaard voor de amendementen 3 tot 12 van de heer Van Nieuwkerke c.s. Deze amendementen zijn dus niet aangenomen.

De voorzitter. - We stemmen over amendement 13 van de heer Van Nieuwkerke c.s.

Stemming 13

Aanwezig: 59
Voor: 12
Tegen: 47
Onthoudingen: 0

-Het amendement is niet aangenomen.

Mevrouw Lieve Van Ermen (LDD). - Ik zal mij onthouden. LDD is immers van mening dat het een discriminatie en een oneerlijke concurrentie is dat de ziekenfondsen niet onder de regeling vallen.

De heer José Daras (Ecolo). - Ik betreur dat dit wetsontwerp een chaotische weg heeft moeten afleggen in Kamer en Senaat. Wij hebben een positieve bijdrage willen leveren door amendementen in te dienen. De tekortkomingen van het ontwerp komen immers vooral de verzekeringsmaatschappijen ten goede en gaan ten koste van de verzekerden.

Door de vele tekortkomingen verschaft de tekst geen zekerheid aan de verzekerden, die meer dan ooit een goede hospitalisatieverzekering tegen een redelijke prijs vragen.

Ik betreur dat we de tekst niet hebben kunnen verbeteren. Daardoor wordt de evocatieprocedure uitgehold. In tegenstelling tot sommige collega's stellen wij ons niet tevreden met de goede intenties van de regering waarover de staatssecretaris het had. Om die reden zullen we tegenstemmen.

Mevrouw Freya Piryns (Groen!). - Ik sluit mij aan bij de opmerkingen van de heer Daras. Zowel in de Kamer als in de Senaat hebben de groenen zich in dit dossier zeer constructief opgesteld.

Meerderheid en oppositie zijn het erover eens dat de wet-Verwilghen moest worden aangepast. Iedereen wil immers dat patiënten en consumenten in deze woelige tijden bepaalde zekerheden hebben. Helaas levert het voorliggende wetsontwerp geen zekerheid.

Heel wat leden van de meerderheid hebben bedenkingen bij de tekst. Ze hebben tot tienmaal toe de kans gehad om zelf amendementen in te dienen, mochten ze het niet over hun hart krijgen om amendementen van de oppositie aan te nemen. Ze weigeren dat echter te doen. Dat is onaanvaardbaar.

Er blijven ernstige problemen. Zo blijft het wachten op de medische index. Het is jammer dat die index nooit ernstig werd bestudeerd. De huidige actuariële index biedt de consument absoluut geen zekerheid. Ook is er nog geen oplossing gevonden voor de vergrijzingsreserves. De verzekerden die de alsmaar hogere verzekeringspremies beu worden en die naar een andere verzekeringsmaatschappij willen overstappen, hebben groot gelijk en ze moeten dat dan ook kunnen doen. Het kan dan ook niet dat ze voor die overstap worden gestraft en dat ze hun jarenlang opgespaarde reserves dreigen te verliezen.

Om die redenen zullen wij de tekst niet goedkeuren. Het blijft onaanvaardbaar dat niemand van de meerderheid de moeite heeft genomen om de tekst aan te passen.

De heer Louis Ide (Onafhankelijke). - N-VA vindt de voorliggende tekst zonder voorwerp. We zullen dan ook tegen stemmen. We hebben ook een alternatief: voor de regionale verkiezingen bieden wij elke Vlaming een betaalbare, Vlaamse hospitalisatieverzekering aan. Dat is pas echt een oplossing voor de Vlaming.

Mevrouw Myriam Vanlerberghe (sp.a). - De leden van de meerderheid hebben een kans gemist. De regering en de meerderheid hadden beloofd dat de tekst in de Senaat zou worden aangepast nadat hij in de Kamer zou zijn aangenomen. We stellen vast dat de leden van meerderheid alle amendementen wegstemmen en weigeren de discussie aan te gaan. Nochtans wordt de tekst een reparatiewet en een verbetering voor de patiënten genoemd.

Test-Aankoop, de Gezinsbond, de ouderenverenigingen en andere groepen zijn echter duidelijk: de wettekst is geen verbetering voor de patiënten, maar wel voor de verzekeringsmaatschappijen.

Al onze amendementen zijn weggestemd. De patiënten zullen bijgevolg tot vier keer meer betalen.

De meerderheid is het vandaag voor een keer eens, jammer genoeg is het voor een slechte zaak.

De voorzitter. - We stemmen nu over het wetsontwerp in zijn geheel.

Stemming 14

Aanwezig: 58
Voor: 35
Tegen: 22
Onthoudingen: 1

-De Senaat heeft het wetsontwerp ongewijzigd aangenomen. Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden met het oog op de bekrachtiging door de Koning.

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de staatssecretaris voor Mobiliteit over «het dragen van de autogordel» (nr. 4-914)

De voorzitter. - De heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Begroting, toegevoegd aan de eerste minister, en staatssecretaris voor Gezinsbeleid, toegevoegd aan de minister van Werk, en wat de aspecten inzake personen- en familierecht betreft, toegevoegd aan de minister van Justitie, antwoordt.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - De jongste is tijd heel wat discussie ontstaan over het dragen van de autogordel. De Vlaamse Bakkersfederatie, de melkventers en de dagbladbezorgers wensen een uitzonderingsmaatregel te bekomen, want het dragen van de gordel bezorgt hen heel wat tijdverlies.

De Vaste Commissie van de Lokale Politie daarentegen eist dat de agenten de autogordel dragen. Volgens de Vaste Commissie is het dragen van de gordel bij prioritaire opdrachten en achtervolgingen meer dan gewenst voor de eigen veiligheid van de agenten, maar de agenten op het terrein denken daar anders over. Volgens hen beperkt het dragen van de gordel, in combinatie met een kogelwerende vest en een wapengordel, de bewegingsvrijheid.

Welke conclusie de staatssecretaris trekt uit de discussies over het dragen van de autogordel? Acht hij het wenselijk initiatieven te nemen om het dragen van de autogordel voor bepaalde beroepscategorieën te versoepelen?

De heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Begroting, toegevoegd aan de eerste minister, en staatssecretaris voor Gezinsbeleid, toegevoegd aan de minister van Werk, en wat de aspecten inzake personen- en familierecht betreft, toegevoegd aan de minister van Justitie. - Ik lees het antwoord van de minister.

Algemeen wordt aangenomen dat de veiligheidsgordel een van de meest eenvoudige en goedkoopste middelen is om het aantal verkeersslachtoffers bij voertuiginzittenden te doen dalen. Uitzonderingen op de gordeldraagplicht moeten dan ook zoveel mogelijk worden beperkt.

Het effect van de gordel is het grootst bij lagere snelheden. Dit betekent dat ook over korte afstanden binnen de bebouwde kom het dragen van de gordel zeer belangrijk is.

Op het ogenblik bestaat er een vrijstelling van het dragen van de gordel voor de beambten van De Post wanneer zij achtereenvolgens op plaatsen die op korte afstand van elkaar gelegen zijn, de post uitreiken of ophalen. Een dergelijke vrijstelling bestaat niet voor huis-aan-huisbezorgers, zoals bakkers, melkventers of bezorgers van drukwerk.

Volgens de Europese richtlijn 2003/20/EG moeten eventuele vrijstellingen eerst worden voorgelegd aan de Europese Commissie. Het lijkt me dan ook nuttig om de Commissie te vragen of en in welke voorwaarden de vrijstelling die geldt voor De Post, kan worden toegepast voor de huis-aan-huisleveranciers.

Daarmee wil ik absoluut niet zeggen dat ik de vrijstelling van de gordeldracht bepleit voor deze categorieën, maar het komt mij alleszins vreemd voor dat deze vrijstelling wel geldt voor De Post en niet voor de anderen. Ik blijf er immers van overtuigd dat de gordel in alle omstandigheden zou moeten worden gedragen.

Ook de vrijstelling voor bestuurders en passagiers van politievoertuigen wanneer de aard van hun opdracht het rechtvaardigt, staat ter discussie. Ik heb daarover reeds contact gehad met de minister van Binnenlandse Zaken, die voorstander is van de regel dat politiemensen verplicht de gordel moeten dragen, behalve in bepaalde zeer specifieke situaties. Ik geef twee voorbeelden. Bij het vervoeren van een persoon van wie een dreiging uitgaat, mogen de politiemensen, behalve de chauffeur, worden vrijgesteld van de draagplicht van de gordel. Bij het uitvoeren van een interventie waarbij het dragen van de gordel een gevaar zou kunnen betekenen, mogen politiemensen in de onmiddellijke nabijheid van de plaats van de interventie en mits het voertuig rijdt tegen een snelheid die uitstappen mogelijk maakt, worden vrijgesteld van de gordeldraagplicht.

Vraag om uitleg van mevrouw Lieve Van Ermen aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «de nieuwe vermageringspil Alli» (nr. 4-928)

De voorzitter. - De heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Begroting, toegevoegd aan de eerste minister, en staatssecretaris voor Gezinsbeleid, toegevoegd aan de minister van Werk, en wat de aspecten inzake personen- en familierecht betreft, toegevoegd aan de minister van Justitie, antwoordt.

Mevrouw Lieve Van Ermen (LDD). - In De Standaard van 14 mei 2009 lezen we dat zwaarlijvige mensen voortaan zonder voorschrift in de apotheek terechtkunnen voor de vermageringspil Alli. We zijn vandaag 28 mei en dit tijdsinterval is te wijten aan het feit dat LDD minder mondelinge vragen, waarop meteen kan worden geantwoord, mag stellen.

In de Verenigde Staten is Alli al twee jaar te koop. Ook het Europees geneesmiddelenagentschap EMEA haalde deze vermageringspil van de lijst met `voorschriftplichtige' medicijnen. Alli is een halve dosering van een middel dat al tien jaar op de markt is, namelijk Xenical van de firma Roche. Xenical bevat een hogere dosis van het actieve bestanddeel orlistat - 120 mg in de plaats van 60 - en is daardoor alleen op voorschrift verkrijgbaar.

Alli werkt niet op de eetlust of op het metabolisme zoals andere vermageringsmiddelen, maar remt de vertering van vetten. De actieve stof in Alli, orlistat, verhindert dat de lange voedingsvetten in de darm in kortere stukken worden geknipt. Daardoor zijn de vetten te lang om in het bloed te worden opgenomen en worden ze via de stoelgang uitgescheiden. Op die manier verhindert Alli de opname van een kwart van de vetten uit de voeding. Door de verhoogde afvoer van vetten uit de darm bestaat ook het risico dat de vetoplosbare vitaminen A, D, E en K mee worden geloosd. Vitaminesupplementen zijn daarom aangeraden.

De doelgroep van deze pil wordt gevormd door mensen met een body mass index, een bmi, van meer dan 28. Het slikken van deze pil heeft alleen zin als de hoeveelheid vetten en calorieën in het dieet wordt beperkt.

De firma die het medicijn op de markt brengt, beweert dat ze de apothekers goed opgeleid en geïnformeerd heeft. De eindverantwoordelijkheid ligt echter bij de patiënt zelf en van een medische begeleiding is geen sprake.

Hoe schat de minister de gevaren in van het misbruik en verkeerd gebruik van het geneesmiddel bij een vrije verkoop? Is het de taak van apothekers om deskundig advies te geven over het gebruik van deze pil? Wordt hier met andere woorden de eerste lijn niet tekortgedaan, aangezien artsen vaak niet zullen weten dat hun patiënten deze pil nemen?

(Voorzitter: de heer Hugo Vandenberghe, eerste ondervoorzitter.)

De heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Begroting, toegevoegd aan de eerste minister, en staatssecretaris voor Gezinsbeleid, toegevoegd aan de minister van Werk, en wat de aspecten inzake personen- en familierecht betreft, toegevoegd aan de minister van Justitie. - Ik lees het antwoord van minister Onkelinx.

De Europese Commissie heeft de geneesmiddel Alli volgens de regels goedgekeurd op basis van het advies uitgebracht door het Europees Geneesmiddelenbureau en na een gecentraliseerde vergunningsprocedure die geldig is voor alle lidstaten. De vergunning voor het in de handel brengen van het betrokken geneesmiddel bepaalt dat het zonder medisch voorschrift kan worden afgeleverd. Dat statuut geldt dan ook voor alle lidstaten van de Europese Unie en kan niet eenzijdig door een van de lidstaten worden gewijzigd.

Alli mag enkel worden gebruikt door volwassenen ouder dan 18 jaar die kampen met overgewicht en die een BMI hebben van meer dan 28. Het geneesmiddel moet ook absoluut worden gecombineerd met een calorie- en vetarm dieet om bijwerkingen te wijten aan het werkingsmechanisme van het geneesmiddel te vermijden. Al deze informatie zal duidelijk op alle reclamemateriaal worden weergegeven.

Aangezien het geneesmiddel vrij verkrijgbaar is, mag er reclame voor worden gemaakt bij het grote publiek. In België wordt elke reclame vooraf gecontroleerd. Reclame op radio of televisie moet eerst een visum krijgen na advies van de Commissie van toezicht op de reclame voor geneesmiddelen. Reclame via andere kanalen moet worden genotificeerd. De conformiteit met de wetgeving inzake reclame voor geneesmiddelen wordt gecontroleerd.

Op 7 mei heeft het Belgisch Centrum voor farmacotherapeutische informatie op zijn website al een waarschuwing gepubliceerd in de rubriek Goed om weten, bestemd voor huisartsen en apothekers. Bovendien is er vorig jaar een transparantiefiche over de behandeling van obesitas verschenen die gratis aan alle artsen en apothekers is opgestuurd. De rol van de apotheker zal dus mede beslissend zijn voor het correcte gebruik van het geneesmiddel.

Mevrouw Lieve Van Ermen (LDD). - Ik wil er toch op wijzen dat zowel The Lancet als The British Medical Journal en Test-Aankoop tegen de vrije verkoop van Alli zijn. Het gebruik van dit medicament kan leiden tot botfractuur, omdat het de opname van vitamine D tegenwerkt. Door de versnelde transit is ook de anticonceptiepil soms niet meer effectief. Overigens constateerde de journalist van Test-Aankoop dat maar een van de vijf apotheken waar hij het medicament aankocht, een rekenmachientje gebruikte om het BMI te berekenen. Ik heb dezelfde proef gedaan bij één apotheker en die vroeg me alleen of ik een kleine of een grote verpakking wenste, zonder één vraag over mijn BMI te stellen.

Verder kan om het even wie het medicament kopen en aan anderen doorgeven, ook aan personen die voor anorexia vatbaar zijn.

Voor mij is de vrije verkoop van Alli zeker geen goed idee. Overigens vind ik dat we onze gezondheidszorg zelf moeten organiseren en dat we ons niet mogen laten betuttelen door Europa. Als arts vind ik het zeer belangrijk dat eerst wordt onderzocht waarom een patiënt zwaarlijvig wordt. Heeft hij een hyperthyreoïdie of is hij misschien een prediabetes aan het ontwikkelen? Als die diagnose niet kan worden gesteld, ontstaat een zeer gevaarlijke toestand.

Vraag om uitleg van de heer Louis Ide aan de vice-eersteminister en minister van Ambtenarenzaken, Overheidsbedrijven en Institutionele Hervormingen over «de sponsoring van de Koninklijke Belgische Voetbalbond door overheidsbedrijven» (nr. 4-924)

De voorzitter. - De heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Begroting, toegevoegd aan de eerste minister, en staatssecretaris voor Gezinsbeleid, toegevoegd aan de minister van Werk, en wat de aspecten inzake personen- en familierecht betreft, toegevoegd aan de minister van Justitie, antwoordt.

De heer Louis Ide (Onafhankelijke). - Het overheidsbedrijf Belgacom is een van de belangrijkste sponsors van de Koninklijke Belgische Voetbalbond. Over deze sponsoring heb ik enkele vragen.

Naar mijn mening ontloopt de KBVB de laatste weken zijn verantwoordelijkheid. Noodlijdende ploegen zoals Antwerp en Moeskroen krijgen een proflicentie voor de eerste klasse voor het seizoen 2009-2010. Uit hun jaarrekeningen blijkt nochtans dat ze met heel wat schulden zitten en, in het geval van Antwerp en Moeskroen, niet de nodige garanties kunnen leveren dat ze die kunnen aanzuiveren. Het gaat in beide gevallen om miljoenen euro.

Antwerp speelt de eindronde voor een plaats in eerste klasse, die afgelopen weekend begonnen is. Een correcte beslissing in de zaak Moeskroen zou ook gevolgen hebben gehad voor Dender, dat de eindronde zou hebben ontlopen en Tubeke, dat rechtstreekse degradatie vermeden zou hebben.

Een rechter dient zich eind dit jaar nog uit te spreken over de ontbinding van de vzw achter Antwerp en pas op 21 juni - dat is na de barragewedstrijden - neemt de Voetbalbond een definitieve beslissing in het dossier Moeskroen.

Dit stoort me grondig. Het is net hier dat de KBVB zijn verantwoordelijkheid ontloopt. Indien enkele duidelijke beslissingen in enkele dossiers waren genomen, had zowel de eigenlijke competitie in eerste en tweede klasse als de eindronde er helemaal anders uitgezien. Daar kunnen Dender, Tubeke, Roeselare, Kortrijk, Standard, Anderlecht en een rits tweedeklassers van meespreken.

Uiteraard zorgt dit voor een enorm imagoprobleem, en het imago van het Belgische voetbal stond al niet bepaald in het zenit. Het verbaast me dan ook dat de hoofdsponsors van de KBVB hier zo ijzig kalm bij blijven. Want tenslotte koppelen zij hun naam aan een organisatie die niet krachtdadig gerund wordt. Een van die sponsors is bovendien een overheidsbedrijf, namelijk Belgacom.

Hoeveel betaalt Belgacom jaarlijks aan de KBVB? Heeft Belgacom geen enkel probleem met de handelswijze van de KBVB? Wat vindt Belgacom van het negatieve imago van het Belgische voetbal, uiteraard deels in de hand gewerkt door de KBVB? Heeft Belgacom al overleg gepleegd met de KBVB over de gang van zaken? Zo neen, plant het dit te doen? Wat denkt de minister over deze situatie? Zal hij Belgacom wijzen op de problemen die niet door de KBVB worden aangepakt?

De heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Begroting, toegevoegd aan de eerste minister, en staatssecretaris voor Gezinsbeleid, toegevoegd aan de minister van Werk, en wat de aspecten inzake personen- en familierecht betreft, toegevoegd aan de minister van Justitie. - Ik lees het antwoord van minister Vanackere.

Ik ben blij over voetbal te mogen spreken, na het prachtige voetbalweekend met de overwinning van Standard.

Belgacom kan als autonoom overheidsbedrijf haar marketingbeleid vrij bepalen. De keuze voor deelname aan sponsoringactiviteiten past in dit beleid. In die context zijn de bedragen die aan sponsoring worden besteed vertrouwelijk. Om commerciële redenen worden die bedragen niet bekendgemaakt. Belgacom is actief op een bijzonder competitieve markt. Bijgevolg kan geen enkele uitzondering worden gemaakt op het vertrouwelijke karakter van die gegevens.

Belgacom werkt met de KBVB samen voor zeer specifieke projecten, zoals de Rode Duivels en Belgacom Beach Soccer. Het doel van die projecten is een positief imago van het voetbal in België uitdragen. Tot op heden is Belgacom tevreden over haar partnerschap en over de resultaten ervan voor de twee projecten.

Belgacom laat zich op generlei wijze in met het administratieve beheer van de KBVB.

Belgacom is autonoom op het vlak van haar samenwerking met de gesponsorde activiteiten of verenigingen. De minister van Overheidsbedrijven is niet bevoegd om daarin op te treden.

De heer Louis Ide (Onafhankelijke). - Dit is een zwak antwoord. Waarom is een minister van overheidsbedrijven nodig als hij een autonoom overheidsbedrijf niet mag controleren? Wie controleert een autonoom overheidsbedrijf nog? Het parlement heeft het recht om een overheidsbedrijf te controleren. Ik eis de bedragen van de sponsoring die Belgacom aan KBVB betaalt te kennen. Die bedragen moeten worden bekendgemaakt in het licht van de openbaarheid van bestuur. Het antwoord van de minister choqueert me.

De minister zegt dat Belgacom zich niet inlaat met het administratieve beheer van de KBVB. Het gaat echter om veel meer dan administratief beheer. De gehele competitie wankelt. Standard is kampioen - en ik gun de minister de blijdschap om deze overwinning - maar in de barragewedstrijden is iets heel anders aan de gang. Wie de moeite neemt om de jaarrekeningen door te nemen, ziet dat de toestand verschrikkelijk is. De KBVB wordt op geen enkele manier voor zijn verantwoordelijkheid gesteld. Dat is ongehoord. Ik zal op dit onderwerp blijven terugkomen, tot er openbaarheid van bestuur komt en de proflicenties zuiver worden benaderd. Pas dan zal er een eerlijke competitie zijn.

Vraag om uitleg van mevrouw Lieve Van Ermen aan de staatssecretaris voor de Coördinatie van de fraudebestrijding over «Nederlandse taallessen voor anderstalige kinderen op kosten van het ziekenfonds in het kader van logopedie» (nr. 4-927)

De voorzitter. - De heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Begroting, toegevoegd aan de eerste minister, en staatssecretaris voor Gezinsbeleid, toegevoegd aan de minister van Werk, en wat de aspecten inzake personen- en familierecht betreft, toegevoegd aan de minister van Justitie, antwoordt.

Mevrouw Lieve Van Ermen (LDD). - Vorige week werd via de media een vermoeden van zware fraude bij OCMW Schaarbeek aan het licht gebracht. Het personeel van het OCMW moedigde mensen aan om de scheiding aan te vragen en zo een hogere uitkering te krijgen. Schoolverlaters kregen dan weer een leefloon zonder voorafgaand onderzoek waarbij de uitkering kan oplopen tot zevenhonderd euro.

In aansluiting hiervan werd ons vorige week gemeld dat OCMW's en scholen in grootsteden allochtonen aansporen om hun kinderen die problemen hebben met de Nederlandse taal, lessen te laten volgen via logopedie. De factuur van die lessen wordt dan via het ziekenfonds gerecupereerd.

De staatssecretaris wil de strijd tegen de sociale fraude opvoeren. Is hij op de hoogte van die constructies? Is er de laatste jaren een significante stijging van het aantal aanvragen voor logopedie bij minderjarigen opgemerkt? Heeft de Vlaamse Vereniging voor Logopedisten weet van deze praktijken?

Gezien terugbetaling enkel mogelijk is op medisch voorschrift, welke indicaties worden vermeld om terugbetaling te bekomen? Is er sprake van misbruik? Wat gaat de minister doen om verder misbruik tegen te gaan?

De heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Begroting, toegevoegd aan de eerste minister, en staatssecretaris voor Gezinsbeleid, toegevoegd aan de minister van Werk, en wat de aspecten inzake personen- en familierecht betreft, toegevoegd aan de minister van Justitie. - Ik lees het antwoord van staatssecretaris Devlies.

Het RIZIV is niet op de hoogte van dergelijke constructies. Over het algemeen worden de controles voor de gevallen genoemd in de eerste paragraaf van de vraag, uitgevoerd op vraag van de arbeidsauditeurs of van de politiediensten.

Een zeer groot deel van de uitkeringen via de ziekteverzekering voor verstrekkingen inzake logopedie betreft minderjarigen. De gegevens waarover het RIZIV beschikt, geven een lichte daling te kennen.

We hebben contact opgenomen met de voorzitter van de Vlaamse Vereniging voor logopedisten. Hij verklaart dat de VVL niet op de hoogte is van die situatie en dat, als die praktijken inderdaad zouden bestaan, de VVL ze in geen enkel geval kan goedkeuren. Hij voegt eraan toe dat krachtens de `Algemene Richtlijnen voor een kwalitatief bilan' de logopedist in zijn beoordeling de moedertaal van de patiënt vermeldt, zodat de adviserend geneesheer van de verzekeringsinstelling over deze informatie beschikt wanneer hij over een bepaald dossier moet beslissen.

Wat de indicaties betreft die het medisch voorschrift moet bevatten, verwijs ik naar artikel 36 van de nomenclatuur logopedische verstrekkingen: `§4, 2º Bij de aanvraag wordt, tenzij anders vermeld, een geneeskundig voorschrift gevoegd dat is opgemaakt door een geneesheer-specialist voor oto-rhino-laryngologie, voor neurologie, voor neuropsychiatrie, voor psychiatrie, voor neuropediatrie, voor neurochirurgie, voor inwendige geneeskunde, voor kindergeneeskunde of voor stomatologie.
§4, 3º Voor de logopedische behandelingen waarin is voorzien onder §2, b), 2º [stoornissen in de receptieve en/of expressieve taalontwikkelingen] en §2, b), 3º [Dyslexie en/of dysorthografie en/of dyscalculie], vermeldt het voorschrift in elk geval de aard en de omvang van de stoornis, alsook het aantal individuele behandelingszittingen van ten minste 30 minuten en de exacte duur van de gevraagde periode van tegemoetkoming in het kader van de verplichte verzekering. Aan dit voorschrift wordt gehecht, in functie van de indicatie, een logopedisch verslag zoals vermeld in §4, 5º.
Voor de logopedische behandelingen waarin is voorzien onder §2, b), 6º, 6.3 [chronische spraakstoornissen tengevolge neuromusculaire aandoeningen], vermeldt het voorschrift in elke geval de etiologie en de aard en de omvang van de stoornissen alsook het aantal individuele behandelingszittingen van ten minste 30 minuten en de exacte duur van de gevraagde periode van tegemoetkoming in het kader van de verplichte ziekteverzekering. Aan dit voorschrift wordt gehecht, in functie van de indicatie, een logopedisch verslag zoals vermeld in §4, 5º.
§4, 4º Het voorschrift vermeldt steeds het aantal individuele behandelingszittingen van ten minste 30 minuten en de exacte duur van de gevraagde periode van tegemoetkoming in het kader van de verplichte ziekteverzekering. Omwille van therapeutische redenen kunnen (voor de stoornissen bedoeld onder §2, b), 1º, 3º en 6º, 6.4) en §2, f)) de individuele behandelingszittingen van ten minste 30 minuten vervangen worden door individuele behandelingszittingen van ten minste 60 minuten, zonder dat het equivalent van individuele behandelingszittingen van ten minste 30 minuten zoals in §5 vermeld overschreden wordt, tenzij de voorschrijver de individuele behandelingszittingen van ten minste 60 minuten om medische redenen verbiedt.'

Als het juist is dat taallessen gefinancierd worden door een uitkering via de ziekteverzekering voor het behandelen van een logopedische stoornis op medisch voorschrift dan is er wel degelijk sprake van misbruik.

Indien het effectief om misbruik gaat, zal de dienst voor Geneeskundige Evaluatie en controle, DGEC, maatregelen nemen. Op basis van de conclusies van de DGEC zullen de adviserend geneesheren van de verzekeringsinstellingen op de hoogte gebracht worden van deze problematiek.

Mevrouw Lieve Van Ermen (LDD). - U hebt heel mooi een menu gemaakt van alle casuïstiek waarvoor de regeling kan worden aangewend. Die is mij ook bekend.

Waar het schoentje wringt, is dat ze gebruik maken van de aanvullende verzekering. Die kan enkel worden aangesproken voor een taalstoornis in de eigen taal. Men weet echter niet of dat zo is. Men kan niet voortgaan op de anamnese. Er moeten meer tolken komen die in de habitat van het gezin nagaan welke talen het kind daar gebruikt. Dan kunnen die misbruiken niet vóórkomen. Dit is eigenlijk een advies.

Vraag om uitleg van mevrouw Freya Piryns aan de minister van Migratie- en Asielbeleid over «de recente instructie over de regularisatie van gezinnen met schoolgaande kinderen» (nr. 4-911)

De voorzitter. - De heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Begroting, toegevoegd aan de eerste minister, en staatssecretaris voor Gezinsbeleid, toegevoegd aan de minister van Werk, en wat de aspecten inzake personen- en familierecht betreft, toegevoegd aan de minister van Justitie, antwoordt.

Mevrouw Freya Piryns (Groen!). Een tijdje geleden heeft de minister een nieuwe instructie aan de Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) bezorgd in verband met de regularisatie van gezinnen met kinderen. Een aantal organisaties in het veld blijven vragen stellen over hoe en voor wie de nieuwe instructie nu daadwerkelijk geldt. Ik wil een aantal bijkomende vragen stellen in de hoop dat er vandaag meer antwoorden kunnen komen.

Hoeveel nieuwe aanvragen zijn er ingediend op basis van de nieuwe instructie voor regularisatie van gezinnen met kinderen? Hoeveel hangende dossiers werden er geactualiseerd op basis van de nieuwe instructie? Hoeveel beslissingen werden reeds genomen - positief dan wel negatief?

Welke procedure volgt de DVZ? Daar is zoals gezegd grote onduidelijkheid over. Maakt de DVZ lijsten van hangende dossiers die onder de nieuwe criteria vallen en worden de betrokkenen via de gemeente op de hoogte gesteld? Wacht men af tot mensen zelf een initiatief nemen? Quid met degenen die misschien de berichtgeving in de media niet volgen zoals wij dat doen en misschien kans maken op een regularisatie, maar het zelf niet weten. Hoe kan een dossier het best geactualiseerd worden? Via de gemeente of met een aangetekend schrijven aan de DVZ?

Tot slot enkele vragen specifiek wat de voorwaarden betreft om in aanmerking te komen. Moeten mensen bewijzen dat er een ononderbroken verblijf is geweest en moet dat bewijs worden toegevoegd? Wat als de kinderen niet in september, maar later naar school gaan, bijvoorbeeld omdat ze op een wachtlijst staan, niet meteen een school hebben gevonden of ziek zijn? Moeten aanvragers van een regularisatie op grond van artikel 9ter die onder de nieuwe instructie vallen, een nieuwe aanvraag indienen of een actualisering?

De heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Begroting, toegevoegd aan de eerste minister, en staatssecretaris voor Gezinsbeleid, toegevoegd aan de minister van Werk, en wat de aspecten inzake personen- en familierecht betreft, toegevoegd aan de minister van Justitie. - Ik lees het antwoord van minister Turtelboom.

Bij de input van regularisatieaanvragen houdt mijn administratie geen gedifferentieerde statistieken bij. Het is onbegonnen werk om voor alle binnenkomende aanvragen - die bovendien ook aanvullingen op oude aanvragen kunnen zijn - reeds een onderscheid te maken tussen die welke onder de nieuwe instructie vallen en die die daar niet onder vallen. Dat kan pas uitgemaakt worden na onderzoek van de aanvraag.

Het cijfer van het aantal positieve beslissingen op basis van de nieuwe instructies zal vanaf juni 2009 beschikbaar zijn. Van de negatieve beslissingen of van de andere beslissingen - de aanvraag is bijvoorbeeld ongegrond of wordt niet in overweging genomen - houdt de administratie slechts een totaalcijfer bij, omdat gedifferentieerde cijfergegevens alleen nuttig zijn bij positieve beslissingen.

Mijn administratie onderzoekt de hangende aanvragen ambtshalve vanuit de invalshoek van de nieuwe instructies en gaat ervan uit dat de aanvragers, indien nodig, hun aanvraag geactualiseerd hebben. Dat is hun taak. Uitzonderlijk kan het gebeuren dat de Dienst Vreemdelingenzaken een vraag stelt om een bepaald aspect van de aanvraag te actualiseren. De aanvrager heeft er dus alle baat bij gevolg te geven aan een dergelijke vraag. De actualisering van een dossier kan in principe via de gemeente of door een gewone brief aan de Dienst Vreemdelingenzaken gebeuren. Een aangetekend schrijven is niet vereist, maar de aanvrager handelt het best via het gemeentebestuur, niet alleen wegens de rol van dat bestuur, maar vooral omdat de gemeente de aanvullende stukken via elektronische weg doorstuurt naar de Dienst Vreemdelingenzaken.

Elke aanvrager moet uiteraard het bewijs leveren van het ononderbroken verblijf, maar de DVZ zal uiteraard rekening houden met de gegevens die zich al in het dossier bevinden. Indien twijfel kan ontstaan, is het best dat de aanvrager zijn dossier actualiseert. Attesten van schoolbezoek van de kinderen maken het echter vaak mogelijk om het ononderbroken verblijf van de ouders als bewezen te beschouwen.

Een van de regularisatievoorwaarden is dat kinderen tenminste sinds 1 september 2007 schoollopen. Het gaat al om een minimumduur. Op die regeling kan geen uitzondering bestaan want dat zou betekenen dat ook de andere voorwaarden vatbaar zijn voor tal van uitzonderingen, wat uiteraard niet de bedoeling is van duidelijke regularisatiecriteria, waarop vanuit van alle hoeken wordt aangedrongen.

Mijn instructie van 27 maart 2009 heeft, zoals ze uitdrukkelijk aangeeft, alleen betrekking op de aanvragen op basis van het oude artikel 9, lid 3, en het huidig artikel 9bis van de vreemdelingenwet en niet op het artikel 9ter (medische aanvraag). Aangezien echter mijn administratie als algemene regel heeft de aanvrager de meest gunstige behandeling te geven, is het mogelijk dat een persoon die nog geen beslissing ten gronde kreeg inzake zijn aanvraag conform artikel 9ter geregulariseerd wordt, indien hij onder een van de criteria van mijn instructie valt. In dat geval zal hij effectief geregulariseerd worden op basis van de instructie van 26 maart - aanvraag artikel 9bis - en zal de Dienst Vreemdelingenzaken hem vragen of hij zijn aanvraag volgens artikel 9ter wenst te handhaven. Indien niet, zal bij de verlenging van zijn BIVR altijd rekening worden gehouden met de mogelijkheid die hij heeft om een winstgevende activiteit uit te oefenen.

Indien echter al een aanvraag 9ter werd afgesloten, zal de persoon die op basis van mijn instructie wenst te worden geregulariseerd een nieuwe aanvraag op basis van het artikel 9bis moeten indienen.

Mevrouw Freya Piryns (Groen!). - Na dit antwoord zal ik meteen een schriftelijke vraag stellen, want het duurt altijd een hele tijd voor minister Turtelboom antwoordt. Als er in juni statistieken zouden zijn, moet ik nu al in gang schieten.

Volgens de minister bestaan er geen gedifferentieerde statistieken. Dat is krasse taal, want er zijn wel zeer gedifferentieerde criteria. Onduidelijkheid blijft troef. Voor mensen die een aanvraag deden op grond van artikel 9ter hoor ik de minister zeggen `als dit, als dat ...'. Kortom de minister erkent dat heel wat mensen wachten op duidelijke regularisatiecriteria en dat die er nog altijd niet zijn. Dat debat zullen we dus nogmaals met de minister moeten voeren.

Vraag om uitleg van de heer Yves Buysse aan de minister van Binnenlandse Zaken over «het statuut van de brandweerlui» (nr. 4-925)

De voorzitter. - De heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Begroting, toegevoegd aan de eerste minister, en staatssecretaris voor Gezinsbeleid, toegevoegd aan de minister van Werk, en wat de aspecten inzake personen- en familierecht betreft, toegevoegd aan de minister van Justitie, antwoordt.

De heer Yves Buysse (VB). - Momenteel zijn er acht werkgroepen in de weer waarin deskundigen specifieke en technische aangelegenheden bestuderen aangaande verschillende aspecten van de brandweerhervorming.

Eén van de werkgroepen, waarvan de resultaten met meer dan gewone belangstelling worden afgewacht, is de werkgroep over het statuut. Die werkgroep moet uiteindelijk mee de uitvoeringsbesluiten ontwikkelen aangaande alles wat rechtstreeks met het personeel te maken heeft: het administratieve en geldelijke statuut, de loopbaanmogelijkheden, het minimale kader, de plaats en beschikbaarheid van de vrijwillige brandweerlieden in de zone, de selectie- en evaluatiecriteria, de pensioenregeling. Het moet uiteraard de bedoeling zijn de beroepen in de civiele veiligheid te valoriseren.

Hoever staat het met de werkzaamheden van de werkgroep? Bestaat er in de werkgroep al een consensus over een aantal aspecten van het statuut en zo ja, wat zijn de contouren ervan? Welke kalender wordt er gevolgd?

De heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Begroting, toegevoegd aan de eerste minister, en staatssecretaris voor Gezinsbeleid, toegevoegd aan de minister van Werk, en wat de aspecten inzake personen- en familierecht betreft, toegevoegd aan de minister van Justitie. - Ik lees het antwoord van minister De Padt.

De werkgroep statuut heeft de functiebeschrijvingen van de verschillende nieuwe functies die in de toekomstige hulpverleningszones nodig zullen zijn, ingevuld. Juristen van mijn administratie hebben reeds enkele ontwerpen van reglementaire teksten geschreven. Het gaat hierbij om de algemene bepalingen, de rechten en plichten, de mobiliteit en de tuchtprocedure. Er werd een herleescomité opgericht met juridisch-technische experts, die hun opmerkingen bij deze ontwerpteksten kunnen maken. Nadien kan het politieke en andere overleg starten. De andere onderwerpen van het administratieve, sociale en geldelijke statuut worden door mijn diensten intussen verder onderzocht.

De hervorming van de civiele veiligheid is één van mijn prioriteiten en het is de bedoeling om het statuut zo snel mogelijk af te ronden, zodat de zones in de loop van 2010 in werking kunnen treden.

De heer Yves Buysse (VB). - Zo snel mogelijk is wel een beetje vrijblijvend. Ik wil er bij de minister toch op aandringen daar vlug werk van te maken. Die mensen verdienen dat. Ze nemen grote risico's en dat heeft gevolgen op fysiek en psychisch vlak. Daar moet een goed statuut en een eerlijke loon tegenover staan.

Ik ben er ook van overtuigd dat een goed statuut een conditio sine qua non is voor het welslagen van de brandweerhervorming. Een hervorming kan pas goed verlopen als ze gedragen wordt door de mensen die het op het terrein moeten waarmaken. Dat betekent dat ze de nodige appreciatie moeten krijgen via een ernstig statuut.

Bij de voorbereiding van de wet op de hervorming van de brandweer is tijdens de hoorzittingen gebleken dat de gemiddelde leeftijd van de professionele brandweerlieden schommelt tussen 45 en 50 jaar. Dat betekent dat verjonging noodzakelijk is en ook dat kan enkel via een interessant statuut.

Vraag om uitleg van de heer Yves Buysse aan de minister van Binnenlandse Zaken over «de hervorming van de civiele veiligheid» (nr. 4-926)

De voorzitter. - De heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Begroting, toegevoegd aan de eerste minister, en staatssecretaris voor Gezinsbeleid, toegevoegd aan de minister van Werk, en wat de aspecten inzake personen- en familierecht betreft, toegevoegd aan de minister van Justitie, antwoordt.

De heer Yves Buysse (VB). - De brandweerhervorming zal substantiële wijzigingen inhouden ten opzichte van de huidige situatie, niet het minst voor het brandweerpersoneel.

De territoriale afbakening van de verschillende hulpverleningszones is inmiddels al enkele maanden bekend. Intussen zouden ook de taskforces die de inwerkingtreding van de zones moeten voorbereiden, moeten zijn opgericht.

De provinciegouverneurs kregen hierover de rondzendbrief van 11 maart 2009, waarin een duidelijke timing is bepaald. De burgemeesters moeten al sinds april verenigd zijn in prezoneraden; vanaf 7 mei dienden die raden taskforces op te richten, die een actieplan moeten opstellen met de inventarisatie van de roerende en onroerende goederen en van de beschikbare middelen inzake operationeel personeel. Vanaf 1 juni moet de voortgang van het actieplan maandelijks worden geëvalueerd. Het actieplan moet op 1 december 2009 zijn uitgevoerd.

In verband met de circulaire hebben een aantal steden en gemeenten laten weten dat de vooropgestelde timing erg moeilijk, zo niet onmogelijk gehaald kan worden. Een andere opmerking heeft betrekking op de inschakeling van pensioengerechtigde brandweercommandanten als experts in de taskforces. Volgens minister Arena zou dat problemen kunnen opleveren in verband met de pensioenrechten.

Is de minister van oordeel dat de timing nog steeds kan worden gerespecteerd? Acht de minister het nog haalbaar om tegen 1 januari 2010 de zones in werking te laten treden? Hoever staat het met de te respecteren timing? Zijn alle prezoneraden al opgericht en is al overal sprake van een taskforce? Zo neen, waarom niet? In welke zones doen zich moeilijkheden voor? Is al sprake van concrete actieplannen per zone? Wat is de stand van zaken?

Hoever staat het met de inschakeling van gepensioneerde brandweercommandanten, gezien het wettelijk pensioenstelsel hierin niet voorziet?

Is al meer bekend over de federaal vast te leggen verdeelsleutel als men het binnen een zone niet eens wordt over de gemeentelijke dotaties aan de zone?

Is de Begeleidingscommissie voor de hervorming van de civiele veiligheid al bijeengekomen? De minister had die bijeenkomst in mei gepland. Zo neen, waarom niet? Zo ja, wat is hiervan het resultaat?

De heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Begroting, toegevoegd aan de eerste minister, en staatssecretaris voor Gezinsbeleid, toegevoegd aan de minister van Werk, en wat de aspecten inzake personen- en familierecht betreft, toegevoegd aan de minister van Justitie. - Ik lees het antwoord van de minister.

Mijn diensten doen al het nodige opdat de zones zo snel mogelijk in werking zouden kunnen treden in de loop van 2010.

In alle zones zijn de prezoneraden reeds bijeengekomen. Die hadden in principe tegen 7 mei de taskforces moeten aanwijzen. Mijn diensten hebben dus de voorbije week aan de gouverneurs gevraagd zo spoedig mogelijk de samenstelling en de naam van een contactpersoon van elke taskforce aan de FOD te bezorgen. Eens dat gebeurd is, zullen we een zicht hebben op de actuele situatie inzake de oprichting van de taskforces en op de eventuele problemen daarbij.

De prezoneraden moeten de actieplannen tegen ten laatste begin juni goedkeuren en ons op dat moment via de gouverneurs een rapport hierover bezorgen. Ik heb aldus momenteel nog geen zicht op de stand van zaken.

Er zijn in principe twee mogelijkheden om gepensioneerde brandweermannen in de taskforces in te schakelen. De persoon in kwestie kan een dienstencontract aangaan met een gemeente of de gepensioneerde commandant kan op vrijwillige basis meewerken. In dat laatste geval zou de betrokkene aanspraak kunnen maken op een onkostenvergoeding als vrijwilliger.

Wat betreft de gevolgen van de uitoefening van een vergoede activiteit door een gepensioneerde persoon verwijs ik het geachte lid naar de wetgeving inzake de rustpensioenen en naar de minister die bevoegd is voor de pensioenen.

Mijn administratie heeft reeds - voor het geval van gebrek aan een akkoord tussen de verschillende betrokken gemeenteraden - een voorstel van verdeelsleutel voor de gemeentelijke dotaties ontwikkeld. Die wordt momenteel nog bestudeerd en zal uiteraard te gepasten tijde met de betrokken partijen worden besproken en ter advies worden voorgelegd.

De begeleidingscommissie voor de hervorming van de civiele veiligheid is voor de eerste maal samengekomen op woensdag 27 mei 2009.

De heer Yves Buysse (VB). - Ik dank de staatssecretaris voor het antwoord. Ik heb ook gevraagd naar het resultaat van de vergadering van de begeleidingscommissie, maar vermoedelijk kan de staatssecretaris daarop geen antwoord geven.

De voorzitter. - De agenda van deze vergadering is afgewerkt.

De volgende vergadering vindt plaats op donderdag 11 juni om 15 uur.

Ik neem aan dat de Senaat vertrouwen zal schenken aan de voorzitter en aan het Bureau om de agenda van deze vergadering vast te leggen. (Instemming)

(De vergadering wordt gesloten om 18.55 uur.)

Berichten van verhindering

Afwezig met bericht van verhindering: mevrouw Lizin, om gezondheidsredenen, de heer Van den Brande, in het buitenland.

-Voor kennisgeving aangenomen.

Bijlage

Naamstemmingen

Stemming 1

Aanwezig: 59
Voor: 59
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

Voor

Filip Anthuenis, Wouter Beke, Sfia Bouarfa, Jacques Brotchi, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Marcel Cheron, Dirk Claes, Berni Collas, Christophe Collignon, Alain Courtois, Hugo Coveliers, Marie-Hélène Crombé-Berton, José Daras, Sabine de Bethune, Armand De Decker, Christine Defraigne, Michel Delacroix, Francis Delpérée, Anne Delvaux, Vera Dua, Josy Dubié, Isabelle Durant, Marc Elsen, Richard Fournaux, Margriet Hermans, Louis Ide, Nele Jansegers, Joëlle Kapompolé, Nahima Lanjri, Philippe Mahoux, Bart Martens, Vanessa Matz, Philippe Moureaux, Freya Piryns, Jean-Paul Procureur, Els Schelfhout, Miet Smet, Helga Stevens, Guy Swennen, Martine Taelman, Marleen Temmerman, Dominique Tilmans, Elke Tindemans, Johan Vande Lanotte, Hugo Vandenberghe, Pol Van Den Driessche, Anke Van dermeersch, Lieve Van Ermen, Freddy Van Gaever, Joris Van Hauthem, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Tony Van Parys, Marc Verwilghen, Christiane Vienne, Paul Wille, Olga Zrihen.

Stemming 2

Aanwezig: 59
Voor: 59
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

Voor

Filip Anthuenis, Wouter Beke, Sfia Bouarfa, Jacques Brotchi, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Marcel Cheron, Dirk Claes, Berni Collas, Christophe Collignon, Alain Courtois, Hugo Coveliers, Marie-Hélène Crombé-Berton, José Daras, Sabine de Bethune, Armand De Decker, Christine Defraigne, Michel Delacroix, Francis Delpérée, Anne Delvaux, Vera Dua, Josy Dubié, Isabelle Durant, Marc Elsen, Richard Fournaux, Margriet Hermans, Louis Ide, Nele Jansegers, Joëlle Kapompolé, Nahima Lanjri, Philippe Mahoux, Bart Martens, Vanessa Matz, Philippe Moureaux, Freya Piryns, Jean-Paul Procureur, Els Schelfhout, Miet Smet, Helga Stevens, Guy Swennen, Martine Taelman, Marleen Temmerman, Dominique Tilmans, Elke Tindemans, Johan Vande Lanotte, Hugo Vandenberghe, Pol Van Den Driessche, Anke Van dermeersch, Lieve Van Ermen, Freddy Van Gaever, Joris Van Hauthem, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Tony Van Parys, Marc Verwilghen, Christiane Vienne, Paul Wille, Olga Zrihen.

Stemming 3

Aanwezig: 59
Voor: 59
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

Voor

Filip Anthuenis, Wouter Beke, Sfia Bouarfa, Jacques Brotchi, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Marcel Cheron, Dirk Claes, Berni Collas, Christophe Collignon, Alain Courtois, Hugo Coveliers, Marie-Hélène Crombé-Berton, José Daras, Sabine de Bethune, Armand De Decker, Christine Defraigne, Michel Delacroix, Francis Delpérée, Anne Delvaux, Vera Dua, Josy Dubié, Isabelle Durant, Marc Elsen, Richard Fournaux, Margriet Hermans, Louis Ide, Nele Jansegers, Joëlle Kapompolé, Nahima Lanjri, Philippe Mahoux, Bart Martens, Vanessa Matz, Philippe Moureaux, Freya Piryns, Jean-Paul Procureur, Els Schelfhout, Miet Smet, Helga Stevens, Guy Swennen, Martine Taelman, Marleen Temmerman, Dominique Tilmans, Elke Tindemans, Johan Vande Lanotte, Hugo Vandenberghe, Pol Van Den Driessche, Anke Van dermeersch, Lieve Van Ermen, Freddy Van Gaever, Joris Van Hauthem, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Tony Van Parys, Marc Verwilghen, Christiane Vienne, Paul Wille, Olga Zrihen.

Stemming 4

Aanwezig: 59
Voor: 59
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

Voor

Filip Anthuenis, Wouter Beke, Sfia Bouarfa, Jacques Brotchi, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Marcel Cheron, Dirk Claes, Berni Collas, Christophe Collignon, Alain Courtois, Hugo Coveliers, Marie-Hélène Crombé-Berton, José Daras, Sabine de Bethune, Armand De Decker, Christine Defraigne, Michel Delacroix, Francis Delpérée, Anne Delvaux, Vera Dua, Josy Dubié, Isabelle Durant, Marc Elsen, Richard Fournaux, Margriet Hermans, Louis Ide, Nele Jansegers, Joëlle Kapompolé, Nahima Lanjri, Philippe Mahoux, Bart Martens, Vanessa Matz, Philippe Moureaux, Freya Piryns, Jean-Paul Procureur, Els Schelfhout, Miet Smet, Helga Stevens, Guy Swennen, Martine Taelman, Marleen Temmerman, Dominique Tilmans, Elke Tindemans, Johan Vande Lanotte, Hugo Vandenberghe, Pol Van Den Driessche, Anke Van dermeersch, Lieve Van Ermen, Freddy Van Gaever, Joris Van Hauthem, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Tony Van Parys, Marc Verwilghen, Christiane Vienne, Paul Wille, Olga Zrihen.

Stemming 5

Aanwezig: 59
Voor: 59
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

Voor

Filip Anthuenis, Wouter Beke, Sfia Bouarfa, Jacques Brotchi, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Marcel Cheron, Dirk Claes, Berni Collas, Christophe Collignon, Alain Courtois, Hugo Coveliers, Marie-Hélène Crombé-Berton, José Daras, Sabine de Bethune, Armand De Decker, Christine Defraigne, Michel Delacroix, Francis Delpérée, Anne Delvaux, Vera Dua, Josy Dubié, Isabelle Durant, Marc Elsen, Richard Fournaux, Margriet Hermans, Louis Ide, Nele Jansegers, Joëlle Kapompolé, Nahima Lanjri, Philippe Mahoux, Bart Martens, Vanessa Matz, Philippe Moureaux, Freya Piryns, Jean-Paul Procureur, Els Schelfhout, Miet Smet, Helga Stevens, Guy Swennen, Martine Taelman, Marleen Temmerman, Dominique Tilmans, Elke Tindemans, Johan Vande Lanotte, Hugo Vandenberghe, Pol Van Den Driessche, Anke Van dermeersch, Lieve Van Ermen, Freddy Van Gaever, Joris Van Hauthem, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Tony Van Parys, Marc Verwilghen, Christiane Vienne, Paul Wille, Olga Zrihen.

Stemming 6

Aanwezig: 59
Voor: 59
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

Voor

Filip Anthuenis, Wouter Beke, Sfia Bouarfa, Jacques Brotchi, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Marcel Cheron, Dirk Claes, Berni Collas, Christophe Collignon, Alain Courtois, Hugo Coveliers, Marie-Hélène Crombé-Berton, José Daras, Sabine de Bethune, Armand De Decker, Christine Defraigne, Michel Delacroix, Francis Delpérée, Anne Delvaux, Vera Dua, Josy Dubié, Isabelle Durant, Marc Elsen, Richard Fournaux, Margriet Hermans, Louis Ide, Nele Jansegers, Joëlle Kapompolé, Nahima Lanjri, Philippe Mahoux, Bart Martens, Vanessa Matz, Philippe Moureaux, Freya Piryns, Jean-Paul Procureur, Els Schelfhout, Miet Smet, Helga Stevens, Guy Swennen, Martine Taelman, Marleen Temmerman, Dominique Tilmans, Elke Tindemans, Johan Vande Lanotte, Hugo Vandenberghe, Pol Van Den Driessche, Anke Van dermeersch, Lieve Van Ermen, Freddy Van Gaever, Joris Van Hauthem, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Tony Van Parys, Marc Verwilghen, Christiane Vienne, Paul Wille, Olga Zrihen.

Stemming 7

Aanwezig: 59
Voor: 59
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

Voor

Filip Anthuenis, Wouter Beke, Sfia Bouarfa, Jacques Brotchi, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Marcel Cheron, Dirk Claes, Berni Collas, Christophe Collignon, Alain Courtois, Hugo Coveliers, Marie-Hélène Crombé-Berton, José Daras, Sabine de Bethune, Armand De Decker, Christine Defraigne, Michel Delacroix, Francis Delpérée, Anne Delvaux, Vera Dua, Josy Dubié, Isabelle Durant, Marc Elsen, Richard Fournaux, Margriet Hermans, Louis Ide, Nele Jansegers, Joëlle Kapompolé, Nahima Lanjri, Philippe Mahoux, Bart Martens, Vanessa Matz, Philippe Moureaux, Freya Piryns, Jean-Paul Procureur, Els Schelfhout, Miet Smet, Helga Stevens, Guy Swennen, Martine Taelman, Marleen Temmerman, Dominique Tilmans, Elke Tindemans, Johan Vande Lanotte, Hugo Vandenberghe, Pol Van Den Driessche, Anke Van dermeersch, Lieve Van Ermen, Freddy Van Gaever, Joris Van Hauthem, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Tony Van Parys, Marc Verwilghen, Christiane Vienne, Paul Wille, Olga Zrihen.

Stemming 8

Aanwezig: 59
Voor: 59
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

Voor

Filip Anthuenis, Wouter Beke, Sfia Bouarfa, Jacques Brotchi, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Marcel Cheron, Dirk Claes, Berni Collas, Christophe Collignon, Alain Courtois, Hugo Coveliers, Marie-Hélène Crombé-Berton, José Daras, Sabine de Bethune, Armand De Decker, Christine Defraigne, Michel Delacroix, Francis Delpérée, Anne Delvaux, Vera Dua, Josy Dubié, Isabelle Durant, Marc Elsen, Richard Fournaux, Margriet Hermans, Louis Ide, Nele Jansegers, Joëlle Kapompolé, Nahima Lanjri, Philippe Mahoux, Bart Martens, Vanessa Matz, Philippe Moureaux, Freya Piryns, Jean-Paul Procureur, Els Schelfhout, Miet Smet, Helga Stevens, Guy Swennen, Martine Taelman, Marleen Temmerman, Dominique Tilmans, Elke Tindemans, Johan Vande Lanotte, Hugo Vandenberghe, Pol Van Den Driessche, Anke Van dermeersch, Lieve Van Ermen, Freddy Van Gaever, Joris Van Hauthem, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Tony Van Parys, Marc Verwilghen, Christiane Vienne, Paul Wille, Olga Zrihen.

Stemming 9

Aanwezig: 59
Voor: 59
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

Voor

Filip Anthuenis, Wouter Beke, Sfia Bouarfa, Jacques Brotchi, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Marcel Cheron, Dirk Claes, Berni Collas, Christophe Collignon, Alain Courtois, Hugo Coveliers, Marie-Hélène Crombé-Berton, José Daras, Sabine de Bethune, Armand De Decker, Christine Defraigne, Michel Delacroix, Francis Delpérée, Anne Delvaux, Vera Dua, Josy Dubié, Isabelle Durant, Marc Elsen, Richard Fournaux, Margriet Hermans, Louis Ide, Nele Jansegers, Joëlle Kapompolé, Nahima Lanjri, Philippe Mahoux, Bart Martens, Vanessa Matz, Philippe Moureaux, Freya Piryns, Jean-Paul Procureur, Els Schelfhout, Miet Smet, Helga Stevens, Guy Swennen, Martine Taelman, Marleen Temmerman, Dominique Tilmans, Elke Tindemans, Johan Vande Lanotte, Hugo Vandenberghe, Pol Van Den Driessche, Anke Van dermeersch, Lieve Van Ermen, Freddy Van Gaever, Joris Van Hauthem, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Tony Van Parys, Marc Verwilghen, Christiane Vienne, Paul Wille, Olga Zrihen.

Stemming 10

Aanwezig: 58
Voor: 44
Tegen: 0
Onthoudingen: 14

Voor

Filip Anthuenis, Wouter Beke, Sfia Bouarfa, Jacques Brotchi, Dirk Claes, Berni Collas, Christophe Collignon, Alain Courtois, Marie-Hélène Crombé-Berton, Sabine de Bethune, Armand De Decker, Christine Defraigne, Francis Delpérée, Anne Delvaux, Marc Elsen, Richard Fournaux, Margriet Hermans, Louis Ide, Joëlle Kapompolé, Nahima Lanjri, Philippe Mahoux, Bart Martens, Vanessa Matz, Philippe Moureaux, Jean-Paul Procureur, Els Schelfhout, Miet Smet, Helga Stevens, Guy Swennen, Martine Taelman, Marleen Temmerman, Dominique Tilmans, Elke Tindemans, Johan Vande Lanotte, Hugo Vandenberghe, Pol Van Den Driessche, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Tony Van Parys, Marc Verwilghen, Christiane Vienne, Paul Wille, Olga Zrihen.

Onthoudingen

Yves Buysse, Jurgen Ceder, Marcel Cheron, Hugo Coveliers, José Daras, Michel Delacroix, Vera Dua, Josy Dubié, Isabelle Durant, Nele Jansegers, Freya Piryns, Anke Van dermeersch, Freddy Van Gaever, Joris Van Hauthem.

Stemming 11

Aanwezig: 59
Voor: 45
Tegen: 0
Onthoudingen: 14

Voor

Filip Anthuenis, Wouter Beke, Sfia Bouarfa, Jacques Brotchi, Dirk Claes, Berni Collas, Christophe Collignon, Alain Courtois, Marie-Hélène Crombé-Berton, Sabine de Bethune, Armand De Decker, Christine Defraigne, Francis Delpérée, Anne Delvaux, Marc Elsen, Richard Fournaux, Margriet Hermans, Louis Ide, Joëlle Kapompolé, Nahima Lanjri, Philippe Mahoux, Bart Martens, Vanessa Matz, Philippe Moureaux, Jean-Paul Procureur, Els Schelfhout, Miet Smet, Helga Stevens, Guy Swennen, Martine Taelman, Marleen Temmerman, Dominique Tilmans, Elke Tindemans, Johan Vande Lanotte, Hugo Vandenberghe, Pol Van Den Driessche, Lieve Van Ermen, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Tony Van Parys, Marc Verwilghen, Christiane Vienne, Paul Wille, Olga Zrihen.

Onthoudingen

Yves Buysse, Jurgen Ceder, Marcel Cheron, Hugo Coveliers, José Daras, Michel Delacroix, Vera Dua, Josy Dubié, Isabelle Durant, Nele Jansegers, Freya Piryns, Anke Van dermeersch, Freddy Van Gaever, Joris Van Hauthem.

Stemming 12

Aanwezig: 58
Voor: 13
Tegen: 36
Onthoudingen: 9

Voor

Marcel Cheron, José Daras, Vera Dua, Josy Dubié, Isabelle Durant, Bart Martens, Freya Piryns, Helga Stevens, Guy Swennen, Marleen Temmerman, Johan Vande Lanotte, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke.

Tegen

Filip Anthuenis, Wouter Beke, Sfia Bouarfa, Jacques Brotchi, Dirk Claes, Berni Collas, Christophe Collignon, Alain Courtois, Marie-Hélène Crombé-Berton, Sabine de Bethune, Armand De Decker, Christine Defraigne, Francis Delpérée, Anne Delvaux, Marc Elsen, Richard Fournaux, Margriet Hermans, Joëlle Kapompolé, Nahima Lanjri, Philippe Mahoux, Vanessa Matz, Philippe Moureaux, Jean-Paul Procureur, Els Schelfhout, Miet Smet, Martine Taelman, Dominique Tilmans, Elke Tindemans, Hugo Vandenberghe, Pol Van Den Driessche, Patrik Vankrunkelsven, Tony Van Parys, Marc Verwilghen, Christiane Vienne, Paul Wille, Olga Zrihen.

Onthoudingen

Yves Buysse, Jurgen Ceder, Hugo Coveliers, Michel Delacroix, Nele Jansegers, Anke Van dermeersch, Lieve Van Ermen, Freddy Van Gaever, Joris Van Hauthem.

Stemming 13

Aanwezig: 59
Voor: 12
Tegen: 47
Onthoudingen: 0

Voor

Marcel Cheron, José Daras, Vera Dua, Josy Dubié, Isabelle Durant, Bart Martens, Freya Piryns, Guy Swennen, Marleen Temmerman, Johan Vande Lanotte, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke.

Tegen

Filip Anthuenis, Wouter Beke, Sfia Bouarfa, Jacques Brotchi, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Dirk Claes, Berni Collas, Christophe Collignon, Alain Courtois, Hugo Coveliers, Marie-Hélène Crombé-Berton, Sabine de Bethune, Armand De Decker, Christine Defraigne, Michel Delacroix, Francis Delpérée, Anne Delvaux, Marc Elsen, Richard Fournaux, Margriet Hermans, Louis Ide, Nele Jansegers, Joëlle Kapompolé, Nahima Lanjri, Philippe Mahoux, Vanessa Matz, Philippe Moureaux, Jean-Paul Procureur, Els Schelfhout, Miet Smet, Helga Stevens, Martine Taelman, Dominique Tilmans, Elke Tindemans, Hugo Vandenberghe, Pol Van Den Driessche, Anke Van dermeersch, Lieve Van Ermen, Freddy Van Gaever, Joris Van Hauthem, Patrik Vankrunkelsven, Tony Van Parys, Marc Verwilghen, Christiane Vienne, Paul Wille, Olga Zrihen.

Stemming 14

Aanwezig: 58
Voor: 35
Tegen: 22
Onthoudingen: 1

Voor

Filip Anthuenis, Wouter Beke, Sfia Bouarfa, Dirk Claes, Berni Collas, Christophe Collignon, Alain Courtois, Marie-Hélène Crombé-Berton, Sabine de Bethune, Armand De Decker, Christine Defraigne, Francis Delpérée, Anne Delvaux, Marc Elsen, Richard Fournaux, Margriet Hermans, Joëlle Kapompolé, Nahima Lanjri, Philippe Mahoux, Vanessa Matz, Philippe Moureaux, Jean-Paul Procureur, Els Schelfhout, Miet Smet, Martine Taelman, Dominique Tilmans, Elke Tindemans, Hugo Vandenberghe, Pol Van Den Driessche, Patrik Vankrunkelsven, Tony Van Parys, Marc Verwilghen, Christiane Vienne, Paul Wille, Olga Zrihen.

Tegen

Yves Buysse, Jurgen Ceder, Marcel Cheron, Hugo Coveliers, José Daras, Michel Delacroix, Vera Dua, Josy Dubié, Isabelle Durant, Louis Ide, Nele Jansegers, Bart Martens, Freya Piryns, Helga Stevens, Guy Swennen, Marleen Temmerman, Johan Vande Lanotte, Anke Van dermeersch, Freddy Van Gaever, Joris Van Hauthem, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke.

Onthoudingen

Lieve Van Ermen.

In overweging genomen voorstellen

A. Wetsvoorstellen

Artikel 77 van de Grondwet

Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 207bis van het Gerechtelijk Wetboek, houdende de regeling van de toegang tot de functie van plaatsvervangend raadsheer in het hof van beroep (van de heer Francis Delpérée; Stuk 4-1337/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Artikel 81 van de Grondwet

Wetsvoorstel tot wijziging van de artikelen 133 en 289ter van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, teneinde te voorzien in een verhoging van de belastingvrije som voor de kinderen die hoger onderwijs volgen en in een verhoging van het belastingkrediet (van mevrouw Vanessa Matz; Stuk 4-1338/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden.

Wetsvoorstel tot aanvulling van het Wetboek van strafvordering met een regeling voor het onderzoek naar de mogelijkheid van overbrenging van een ernstige besmettelijke ziekte bij gelegenheid van een strafbaar feit (van mevrouw Miet Smet c.s.; Stuk 4-1339/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Wetsvoorstel tot aanvulling van artikel 405quater van het Strafwetboek, om gewelddadige feiten gepleegd in inrichtingen waar vaak minderjarigen komen beter te bestraffen (van mevrouw Christine Defraigne; Stuk 4-1340/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 2bis van de uitleveringswet van 15 maart 1874, teneinde de uitlevering te weigeren van een persoon die ter dood is veroordeeld of kan worden veroordeeld (van de heer Philippe Mahoux; Stuk 4-1341/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

B. Voorstellen van resolutie

Voorstel van resolutie betreffende de toepassing van sociale en milieunormen in het kader van de globalisering (van mevrouw Sabine de Bethune en mevrouw Els Schelfhout; Stuk 4-1329/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.

Voorstel van resolutie ter versterking van de positie van de vrouw en haar rechten in Afghanistan (van mevrouw Margriet Hermans c.s.; Stuk 4-1330/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.

Voorstel van resolutie betreffende de executie van Delara Darabi in Iran (van mevrouw Sabine de Bethune en mevrouw Margriet Hermans; Stuk 4-1336/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.

Vragen om uitleg

Het Bureau heeft volgende vragen om uitleg ontvangen:

-Deze vragen worden naar de plenaire vergadering verzonden.

Niet-evocaties

Bij boodschappen van 16 en 21 mei 2009 heeft de Senaat aan de Kamer van volksvertegenwoordigers terugbezorgd, met het oog op de bekrachtiging door de Koning, de volgende niet geëvoceerde wetsontwerpen:

Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen wat het advies van de geneesheer betreft (Stuk 4-1294/1).

Wetsontwerp houdende begeleidende maatregelen met betrekking tot de instelling van een bijzondere onderhandelingsgroep, een vertegenwoordigingsorgaan en procedures betreffende het medezeggenschap van de werknemers in ondernemingen ontstaan ten gevolge van een grensoverschrijdende fusie van kapitaalvennootschappen (Stuk 4-1326/1).

Wetsontwerp tot wijziging van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 inzake de belastingaangiften (Stuk 4-1328/1).

-Voor kennisgeving aangenomen.

Boodschappen van de Kamer

Bij boodschappen van 14 mei 2009 heeft de Kamer van volksvertegenwoordigers aan de Senaat overgezonden, zoals ze ter vergadering van dezelfde dag werden aangenomen:

Artikel 77 van de Grondwet

Wetsontwerp houdende diverse bepalingen met betrekking tot de instelling van een bijzondere onderhandelingsgroep, een vertegenwoordigingsorgaan en procedures betreffende het medezeggenschap van de werknemers in ondernemingen ontstaan ten gevolge van een grensoverschrijdende fusie van kapitaalvennootschappen (Stuk 4-1327/1).

-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.

Artikel 80 van de Grondwet

Wetsontwerp houdende begeleidende maatregelen met betrekking tot de instelling van een bijzondere onderhandelingsgroep, een vertegenwoordigingsorgaan en procedures betreffende het medezeggenschap van de werknemers in ondernemingen ontstaan ten gevolge van een grensoverschrijdende fusie van kapitaalvennootschappen (Stuk 4-1326/1).

-Het wetsontwerp werd ontvangen op 15 mei 2009; de uiterste datum voor evocatie is woensdag 20 mei 2009.

-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 14 mei 2009.

Wetsontwerp tot wijziging van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 inzake de belastingaangiften (Stuk 4-1328/1).

-Het wetsontwerp werd ontvangen op 15 mei 2009; de uiterste datum voor evocatie is woensdag 20 mei 2009.

-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 14 mei 2009.

Artikel 81 van de Grondwet

Wetsontwerp tot oprichting van een Belgisch Centrum voor alternatieven voor dierproeven (van de heer Philippe Mahoux; Stuk 4-242/1).

-Het ontwerp werd ontvangen op 15 mei 2009; de onderzoekstermijn, die overeenkomstig artikel 79, eerste lid, van de Grondwet 15 dagen bedraagt, verstrijkt op maandag 1 juni 2009.

-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 14 mei 2009.

-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.

Kennisgeving

Wetsontwerp houdende instemming met het Internationaal Verdrag van 2001 inzake de burgerlijke aansprakelijkheid voor schade door verontreiniging door bunkerolie, en met de Bijlage, gedaan te Londen op 23 maart 2001 (van de Regering; Stuk 4-1188/1).

-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 14 mei 2009 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.

Wetsontwerp houdende instemming met het Protocol van 1996 tot wijziging van het Verdrag van 1976 inzake beperking van aansprakelijkheid voor maritieme vorderingen, gedaan te Londen op 2 mei 1996 (van de Regering; Stuk 4-1192/1).

-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 14 mei 2009 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.

Grondwettelijk Hof - Arresten

Met toepassing van artikel 113 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van het Grondwettelijk Hof kennis aan de voorzitter van de Senaat van:

-Voor kennisgeving aangenomen.

Grondwettelijk Hof - Prejudiciële vragen

Met toepassing van artikel 77 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van het Grondwettelijk Hof aan de voorzitter van de Senaat kennis van:

-Voor kennisgeving aangenomen.

Grondwettelijk Hof - Beroepen

Met toepassing van artikel 76 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van het Grondwettelijk Hof kennis aan de voorzitter van de Senaat van:

-Voor kennisgeving aangenomen.

Auditoraat-generaal

Bij brief van 20 mei 2009 heeft de Procureur-generaal van het Auditoraat-generaal bij het Arbeidshof te Antwerpen overeenkomstig artikel 346 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2008 van het Auditoraat-generaal bij het Arbeidshof te Antwerpen, goedgekeurd tijdens zijn korpsvergadering van 20 mei 2009.

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Rechtbank van koophandel

Bij brief van 14 mei 2009 heeft de voorzitter van de Rechtbank van koophandel te Doornik overeenkomstig artikel 340 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag voor 2008 van de Rechtbank van koophandel te Doornik, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 21 april 2009.

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Nationale Arbeidsraad

Bij brief van 8 mei 2009 heeft de Voorzitter van de Nationale Arbeidsraad, overeenkomstig artikel 1 van de organieke wet van 29 mei 1952 tot inrichting van de Nationale Arbeidsraad, aan de Senaat overgezonden het advies nr. 1.686 over vrijwilligers, goedgekeurd tijdens zijn plenaire vergadering van 6 mei 2009.

-Verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.

Economische Overheidsbedrijven - Telecommunicatie

Bij brief van 26 mei 2009 hebben de ombudsmannen voor Telecommunicatie, overeenkomstig artikel 46 van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, aan de Senaat overgezonden, het jaarverslag 2008 van de Ombudsdienst voor Telecommunicatie.

-Verzonden naar de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden.

Interdepartementale Commissie duurzame ontwikkeling

Bij brief van 6 mei 2009 heeft de voorzitter van de Interdepartementale Commissie duurzame ontwikkeling, overeenkomstig artikel 19 van de wet van 5 mei 1997 betreffende de coördinatie van het federale beleid inzake duurzame ontwikkeling, aan de Senaat overgezonden, het jaarverslag 2008 van de Interdepartementale Commissie duurzame ontwikkeling.

De verslagen van de Interdepartementale Commissie duurzame ontwikkeling en van de leden van de Interdepartementale Commissie duurzame ontwikkeling kunnen ook geraadpleegd worden op de volgende webpagina: http://www.icdo.be

-Ter Griffie gedeponeerd.

Commissie voor de regulering van de elektriciteit en het gas

Bij brief van 13 mei 2009 heeft de minister van Klimaat en Energie, overeenkomstig artikel 12 van het koninklijk besluit van 11 juli 2002 en artikel 14 van het koninklijk besluit van 29 februari 2004 aan de Senaat overgezonden, het verslag over de door de elektriciteitsdistributienetbeheerders toegepaste distributienettarieven over het exploitatiejaar 2008 alsook het verslag over de distributienettarieven van de aardgasdistributienetbeheerders, toegepast tijdens het exploitatiejaar 2008.

-Verzonden naar de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden.

Europees Parlement

Bij brief van 21 april 2009 heeft de voorzitter van het Europees Parlement aan de Senaat overgezonden:

aangenomen tijdens de vergaderperiode van 23 tot en met 26 maart 2009.

Bij brief van 15 mei 2009 heeft de voorzitter van het Europees Parlement aan de Senaat overgezonden:

aangenomen tijdens de vergaderperiode van 21 tot en met 24 april 2009.

-Verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging en naar het Federaal Adviescomité voor Europese Aangelegenheden.