2-130 | Belgische Senaat | 2-130 |
Waarschuwing: de blauwe kleur geeft aan dat het gaat om uit het Frans vertaalde samenvattingen.
Verwelkoming van een buitenlandse delegatie
Voorzitter: de heer Armand De Decker
(De vergadering wordt geopend om 14.10 uur.)
De heer André Geens (VLD). - Met het voorliggend ontwerp kan een herfinanciering van de gemeenschappen worden gerealiseerd, zodat de dynamiek van de middelen van de gemeenschappen kan worden verbeterd. De ontvangsten zullen worden aangepast aan de reële evolutie van de economische welvaart. Deze aanpassing zal geleidelijk gebeuren, vooral om de regeringsdoelstellingen inzake de verdere afbouw van de rijksschuld niet in het gedrang te brengen.
De herfinanciering is noodzakelijk voor beide gemeenschappen. Met de huidige financieringswet nemen de middelen van de gemeenschappen af, terwijl de druk op de uitgaven toeneemt, bijvoorbeeld omdat ook de Vlaamse gemeenschap bijkomende middelen voor onderwijs nodig heeft.
De fiscale verantwoordelijkheid van de gewesten wordt uitgebreid. Alle oneigenlijke gewestelijke belastingen en enkele belastingen die in het verlengde daarvan liggen, zoals onder meer het registratierecht bij vestiging van een hypotheek op in België gelegen onroerende goederen, het registratierecht op de zogenaamde verdelingen, het registratierecht op schenkingen onder levenden van roerende en onroerende goederen, het eurovignet en de belasting op de inverkeerstelling, worden integraal geregionaliseerd. De milieubelastingen worden een uitsluitend federale bevoegdheid en het kijk- en luistergeld wordt omgevormd tot een volwaardige gewestelijke belasting.
Het volwaardig gewestelijke karakter van voormelde belastingen impliceert dat de gewesten in beginsel exclusief bevoegd worden voor de heffinggrondslag, de tarieven en de vrijstellingen. Zij kunnen derhalve over de volledige opbrengst van deze belastingen beschikken.
Bij de overdracht van de belastingbevoegdheden moet niet alleen het risico van fiscale migratie, delokalisatie en ongezonde belastingconcurrentie tussen de diverse overheden worden vermeden, maar moet de federale regering voor het verlies aan middelen ook worden gecompenseerd. De gewesten ontvangen immers bijkomende middelen waarmee geen nieuwe bevoegdheden moeten worden gefinancierd. De nieuwe fiscale ontvangsten voor de gewesten moeten worden geneutraliseerd. Dit zal gebeuren aan de hand van een bedrag dat na voorafgaand overleg met de gewestregeringen wordt vastgelegd bij in Ministerraad overlegd koninklijk besluit.
Vanaf het begrotingsjaar 2003 zal voor elk gewest in een vangnet worden voorzien als de ontvangsten, bij ongewijzigd beleid, van de in het betrokken gewest gelokaliseerde nieuwe belastingen, het kijk- en luistergeld uitgezonderd, en de bijkomende ontvangsten als gevolg van de integrale overheveling van de opbrengst van het registratierecht, een nominale daling zouden vertonen ten opzichte van uitgangsniveau in het begrotingsjaar 2002.
Zodra de gewesten zelf de dienst van de gewestelijke belastingen verzekeren zal hen, in de mate dat ze het personeel van de betrokken administraties hebben overgenomen, een dotatie worden toegekend.
De uitbreiding van de fiscale bevoegdheden van de gewesten kan niet worden geminimaliseerd.
De belastingen op onroerende goederen en de verkeersbelastingen worden grotendeels bij de gewesten gegroepeerd. De beleidsmogelijkheden van de gewesten ten aanzien van deze materiële bevoegdheden worden aldus aanzienlijk uitgebreid. Deze regionalisering van de verkeersbelasting, de belasting op inverkeerstelling, het eurovignet, de diverse registratierechten, de schenkingsrechten en het kijk- en luistergeld, verruimt de fiscale autonomie van de gewesten met een bedrag van ongeveer 140 miljard. Door deze bevoegdheidsoverdracht wordt het aandeel van de fiscale middelen in het totaal van de gewestmiddelen tot gemiddeld 40% opgetrokken, tegenover ongeveer 18% nu.
Inzake personenbelasting krijgen de gewesten meer beleidsmogelijkheden. De fiscale bevoegdheden zijn in de huidige financieringswet erg beperkt. Zo kunnen de gewesten slechts na voorafgaand overleg tussen de federale regering en de gewestregeringen opcentiemen heffen of kortingen toekennen. Ter vrijwaring van de economische unie en de eenheid van het monetaire beleid kan de federale overheid een maximumpercentage opleggen via een koninklijk besluit. De decretale bevoegdheden van de gewesten kunnen vandaag dus door middel van een koninklijk besluit ingeperkt worden. Ze zijn bovendien afhankelijk van de overlegprocedures tussen de verschillende regeringen. De uitoefening van de fiscale autonomie van de gewesten mag niet afhankelijk zijn van procedureproblemen en van inhoudelijke discussies tussen de verschillende regeringen.
De beperkingen op de fiscale bevoegdheden van de gewesten ten aanzien van de personenbelasting worden ondubbelzinnig in de bijzondere financieringswet vastgelegd. De marge waarbinnen de gewesten algemene forfaitaire of procentuele op- en afcentiemen, al dan niet gedifferentieerd per belastingschijf, kunnen toestaan of algemene belastingaftrekken kunnen invoeren, wordt uitgedrukt in verhouding tot de in elk gewest gelokaliseerde opbrengst van de personenbelasting. Ze bedraagt 3,25% vanaf 1 januari 2001 en 6,75% vanaf 1 januari 2004.
De vermindering van de progressiviteit van de personenbelasting wordt niet aangetast en deloyale fiscale concurrentie is niet toelaatbaar.
De gewesten hebben dus heel wat ruimte inzake personenbelasting. Aanvankelijk gaat het om ongeveer 34 miljard, tegen 2004 zal het vermoedelijk om 70 miljard gaan. Tegen 2004 zullen de gewesten hoe dan ook meer dan 50% van hun middelen verkrijgen door de heffing van eigen belastingen.
Als een gewest van voormelde bevoegdheid gebruik wil maken, dan moet het een specifieke procedure volgen. Zo moeten de voorstellen en de ontwerpen van decreet of ordonnantie die betrekking hebben op opcentiemen, korting, belastingvermeerdering of belastingvermindering voor advies aan het Rekenhof worden voorgelegd. Er moet advies worden gevraagd voor de naleving van de toegestane marges en de beperking op het vlak van de progressiviteit. Dit advies moet binnen de maand door de algemene vergadering van het Rekenhof worden verleend. Er zal aan het Rekenhof worden gevraagd een transparant en uniform evaluatiemodel te ontwikkelen.
Het Arbitragehof kan het Rekenhof om advies verzoeken wanneer tegen een fiscaal decreet een annulatieberoep is ingesteld. Het Rekenhof zal overigens jaarlijks een rapport opstellen over de weerslag van de gewestelijke fiscale maatregelen.
Er wordt een nieuw mechanisme ingevoerd voor de afvlakking van de middelentoewijzing. De middelen van de gemeenschappen en gewesten zullen worden toegewezen op basis van de recente parameters die werden opgenomen in de economische begroting, die als basis dient voor de federale begrotingsopmaak en begrotingscontrole. In afwachting van de definitieve vaststelling van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen en van de reële groei worden de bedragen aangepast aan de geraamde procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer en aan de geraamde reële groei van het bruto nationaal inkomen van het betrokken begrotingsjaar.
De VLD is ervan overtuigd dat dit ontwerp het juiste antwoord biedt op de twee belangrijke bekommernissen, met name de verbetering van de dynamiek van de middelen van de gemeenschappen en de uitbreiding van de fiscale bevoegdheden van de gewesten. Om die reden zal de VLD-fractie dit ontwerp dan ook goedkeuren.
De heer René Thissen (PSC). - We zijn nu aan het einde van een langdurig proces van institutionele hervorming. Recente opiniepeilingen tonen aan dat de PSC, net als de meerderheid van de bevolking, niet bereid was die weg in te slaan.
Ons land en onze bevolking hebben andere prioriteiten: veiligheid, levenskwaliteit, werkgelegenheid, mobiliteit, economische ontwikkeling, armoedebestrijding, enzovoort.
We hebben met verbazing de ommekeer van de drie Franstalige partijen van de regenboogcoalitie gevolgd. Tijdens de laatste verkiezingscampagne hadden ze elk op hun wijze plechtig verklaard dat ze nooit zouden ingaan op de eisen van de Vlamingen, dat ze absoluut geen vragende partij waren, dat fiscale autonomie gevaarlijk was en dat de dreiging van het confederalisme opdoemde. Het was de heerlijke tijd van de dagdromen...
Na de verkiezingen van juni 1999 werd onmiddellijk een andere toon aangeslagen: aankondiging van communautaire vrede, wederzijdse welwillendheid, hoop op een sereen klimaat en duurzame harmonie. Het was de tijd van de mooie beloften...
Ondertussen is er een budgettaire marge ontstaan, dankzij het vooruitziend saneringsbeleid van de vorige regeringen. Die marge, die groter wordt naarmate het sneeuwbaleffect van de overheidsschuld vermindert, heeft de interesse van alle partijen opgewekt.
Vóór de gemeenteraadsverkiezingen gonsde het dan ook van ideeën als belastingvermindering, hervorming van de politiediensten, overheidsbedrijven, zilverfonds, herfinanciering van de gemeenschappen... De bevolking besefte echter vlug dat het om loze beloften ging en de groenen leerden dat regeren inhoudt dat men ook iets moet kunnen opgeven.
Het is dan ook onduidelijk waarom de regering koppig een onderhandeling is aangegaan met de Volksunie, enerzijds om de Gemeenschappen te herfinancieren en de gewesten meer fiscale autonomie te geven, anderzijds, om een reeks bevoegdheden te regionaliseren. Het is even onduidelijk waarom de drie Franstalige partijen aanvaard hebben de beide ontwerpen aan elkaar te koppelen.
Het ontwerp van bijzondere wet dat we nu bespreken, is gelukkig niet meer wat het oorspronkelijk was.
De PSC was immers altijd bereid te onderhandelen en heeft dan ook voorgesteld de tekst te amenderen. Ze vroeg daarvoor de nodige tijd en stelde alternatieve onderhandelingen voor.
Op 24 mei laatstleden besefte de eerste minister dat het ontwerp de kaap van de Kamer niet zou halen als geen rekening werd gehouden met de argumenten van de PSC. Het onmogelijke geschiedde! De stemming werd uitgesteld; er werden vijf belangrijke amendementen aangenomen; er kwam een onderhandeling op gang met alle Franstalige partijen. De spectaculaire uitkomst daarvan is ons allen bekend.
In de Kamer heeft de voltallige PSC-fractie zich onthouden. De toegevingen waren immers positief voor alle Franstaligen: een substantiële vooruitgang inzake gelijke behandeling van alle leerlingen; een betere financiering van de Franse Gemeenschap vóór 2004; een betere afbakening van de fiscale autonomie dankzij duidelijke bepalingen; controleprocedures en ook sancties in geval van overschrijding.
We betreuren nog altijd dat niet één onze dertig amendementen in de commissie is aangenomen. De belangrijkste zullen we in plenaire vergadering opnieuw indienen. Ze hebben uiteraard betrekking op een versnelde herfinanciering van de Franse Gemeenschap; een identieke financiering van Franstalige en Nederlandstalige leerlingen; een striktere afbakening van de fiscale autonomie van de gewesten; een herfinanciering voor Brussel en een ontkoppeling van dit ontwerp en het ontwerp over de regionalisering van de bevoegdheden dat thans in de Kamer wordt besproken.
Als op deze punten geen vooruitgang wordt geboekt, zouden we de meerderheid wel eens kunnen verrassen.
De heer Joris Van Hauthem (VL. BLOK). - Mijnheer de voorzitter, met voorliggend ontwerp komt er voorlopig een einde aan wat bezwaarlijk een coherente staatshervorming kan worden genoemd. Men kan zich in alle redelijkheid afvragen in welk toneelstuk de Senaat verzeild is geraakt. Ik heb het dan niet over de vraag of een één- dan wel een tweekamerstelsel de voorkeur geniet, maar wel over de wijze waarop de Senaat zijn rol in de discussie over het Lambermontakkoord heeft mogen en/of kunnen vervullen. Precies inzake een aangelegenheid waarvoor aan de Senaat middels het Sint-Michielsakkoord een bijzondere rol werd toebedeeld, wordt hij behandeld als een tweederangskamer.
Het kan bezwaarlijk de oppositie worden verweten dat de Senaat geen rol van betekenis heeft mogen spelen. Volgens de ongeschreven wetten van de Belgische politiek, zoals onze voorzitter dat zojuist in de commissie voor de Institutionele Aangelegenheden heeft uiteengezet, moet de Senaat morgen, voor de stemming over het ontwerp van bijzondere wet ter financiering van de gemeenschappen, waarvan de uitslag overigens nu al vaststaat, wachten op het verdict van de Kamer over het ontwerp inzake de bevoegdheidsoverdracht.
Waarom werden beide ontwerpen niet aan elkaar gekoppeld wat de inwerkingtreding betreft? Het antwoord is bijzonder onduidelijk.
Dit ontwerp is uiteindelijk de kern van het Lambermontakkoord en van de staatshervorming, voor zover deze hervorming die naam waardig is.
Een coherente visie op de toekomstige structuur van de staat was niet het uitgangspunt van deze staatshervorming. Het uitgangspunt was de vraag hoe de Franse Gemeenschap financieel zou overleven, zonder al te veel of helemaal geen financiële verantwoordelijkheid op zich te moeten nemen. Het draaide vanaf het begin om geld. Aanvankelijk werd er vakkundig een rookgordijn opgehangen door de oprichting van de Conferentie voor de Staatshervorming. De Costa moest de schijn redden dat het inderdaad over een belangrijke stap in de staatshervorming zou gaan.
Ik heb er de heer Vankrunkelsven nog eens op nagelezen. Bij de start van de Costa, in oktober 1999 zei hij: "Ik ben een optimist, maar geen naïeveling. Ik hoop dat wij stap voor stap kunnen werken. Waarom zouden wij na de gemeentewet, de afcentiemen, de gezondheidszorg en de gezinspolitiek, niet kunnen praten over de defederalisering van landbouw, buitenlandse handel, ontwikkelingssamenwerking of de splitsing van Brussel-Halle-Vilvoorde? Moureaux en ik, hebben al uitgemaakt dat er geen taboes zijn". Vandaag blijkt dat er nog een hele reeks taboes zijn. Van de voornemens van de heer Vankrunkelsven is er bijzonder weinig in huis gekomen. Integendeel. Het Sint-Elooisakkoord dat in het geheim werd gesloten en dat ook de Volksunie hier sterk heeft bekampt, is helemaal geen tussenstap noch een opstap naar een akkoord over ruime fiscale autonomie en financiële verantwoordelijkheid van de deelstaten, maar de afspiegeling van een ongebreideld consumptiefederalisme.
De financieringswet van 1989 voorzag in een voorlopige regeling voor tien jaar, waarbij de middelen voor de gemeenschappen werden verdeeld volgens een verdeelsleutel van 57,55% voor de Vlaamse Gemeenschap en 42,45% voor de Franse Gemeenschap. Het Sint-Elooisakkoord bepaalt dat de onderwijsdotatie die de federale overheid aan de twee gemeenschappen ter beschikking stelt, verdeeld wordt volgens het aantal leerlingen en niet volgens de objectieve bevolkingscijfers. Die regeling draaide vorig jaar uit op een regelrechte vaudeville.
De Franse Gemeenschap wijzigde na 15 mei 2000, datum waarop de leerlingencijfers bij het Rekenhof moesten worden ingediend, nog twee keer haar gegevens. Het Rekenhof dat belast is met de wettelijke controle, oordeelde dat de ingediende bestanden toch geschikt waren voor controle. Bij die controle schrapte het hof aan de hand van een steekproef zowaar 26 leerlingen uit het Franstalige en 2 leerlingen uit het Vlaamse bestand.
Nochtans had de heer Vankrunkelsven ons netjes voorgerekend dat het Franstalig onderwijs netto maar liefst 13 000 leerlingen in rekening kon brengen ingevolge het concurrentiële leerlingenvervoer.
Het Vlaamse aandeel in de onderwijsdotatie daalde na het Sint-Elooisakkoord tot 57,08%, wat een vermindering betekent van ruim 1,7 miljard frank. Op 15 mei jongstleden dienden de gemeenschappen opnieuw hun cijfers in bij het Rekenhof. Nu reeds blijkt dat als deze cijfers niet worden gecorrigeerd, het Vlaamse aandeel in de onderwijsdotatie zal dalen tot 56,97%, een vermindering van 418 miljoen frank.
Het Sint-Elooisakkoord blijft bestaan. Het kan stilaan worden beschouwd als het model voor het consumptiefederalisme. Volgend jaar wordt er acht miljard verdeeld, de twee daaropvolgende jaren telkens zes miljard extra, in 2005 vijftien miljard, in 2006 vijf miljard en van 2007 tot en met 2011 telkens één miljard extra. Tegen dat jaar zal de overdracht ongeveer 104 miljard bedragen.
De wijze waarop de middelen worden verdeeld is uiteraard belangrijk. De bijkomende overdracht wordt aanvankelijk nog voor 65% verdeeld volgens de uiterst dubieuze leerlingenaantallen en slechts voor 35% volgens de verdeelsleutel van de personenbelasting. Pas over tien jaar zal er sprake zijn van enige vorm van juste retour omdat pas dan de dotatie volledig zal worden verdeeld op basis van de personenbelasting. Kortom, de Franse Gemeenschap wordt tot in lengte van jaren met federaal, dus hoofdzakelijk Vlaams geld, gesubsidieerd.
Heeft Vlaanderen dan geen nood aan extra middelen? Natuurlijk zijn extra middelen welkom, ook voor het Vlaams onderwijs. Die middelen komen echter niet zomaar uit de lucht gevallen. Ze zijn tot de laatste frank afkomstig van de Vlaamse belastingbetaler. Helaas krijgt de Vlaamse belastingbetaler veel minder terug dan wat hij in de centrale pot heeft gedeponeerd. Dat is de reden waarom het dotatiesysteem werd gehandhaafd. Ik herhaal dat dit een pervers systeem is omdat de deelstaten op die manier wel een gedeeltelijke bevoegdheid krijgen, maar geen financiële verantwoordelijkheid moeten dragen voor het gevoerde beleid. De staat subsidieert dus niet de leerlingen, maar het beleid. Ik wil mij niet uitspreken over de kwaliteit van het Franstalig onderwijs, maar het is alleszins het duurste van heel Europa.
De verdeelsleutel voor het onderwijs is bijzonder nadelig voor Vlaanderen. Voor landbouw en buitenlandse handel wordt niet de verdeelsleutel van de economische activiteit, maar plots wel die van de personenbelasting gehanteerd. Als de economische activiteit als criterium zou worden genomen, zouden 71% van de middelen voor landbouw en tussen 75 en 80% van de middelen voor buitenlandse handel, naar het Vlaams Gewest worden overgeheveld. In dat geval is de verdeelsleutel op grond van de personenbelasting, voor het Waalse Gewest een voordeliger criterium.
De herfinanciering is de kern van de staatshervorming. Daartegenover staat een zogenaamde fiscale autonomie voor de gewesten. Van enige gemeenschapsfiscaliteit is geen sprake. Zelfs het kijk- en luistergeld is omgezet in een gewestbelasting.
Dat bewijst nog maar eens dat met het Lambermontakkoord gekozen is voor het federalisme van de gewesten, het federalisme met drie.
De gewestelijke fiscale autonomie is een mager beestje. In volwaardige federale staten zoals Zwitserland en de Verenigde Staten bedraagt de fiscale autonomie van de deelstaten 50% van alle overheidsbelastingen. In België zal die in 2004, als de hervorming op kruissnelheid is, amper 26% bedragen. Op het ogenblik put Vlaanderen 7% van zijn ontvangsten uit eigen belastingen, de milieuheffing en het kijk- en luistergeld buiten beschouwing gelaten. Door de regionalisering van sommige belastingen, het kijk- en luistergeld inbegrepen, komt daar 13% bij, waardoor we in 2004 op een schamele 26% uitkomen.
De verruiming van de fiscale autonomie ten voordele van de gewesten gebeurt door een uitbreiding van hun bevoegdheden, en door de regionalisering van sommige belastingen. Ik heb daarbij volgende bedenkingen. De operatie is gebaseerd op twee premissen: de overheveling moet budgettair neutraal zijn voor de federale overheid en de gewesten mogen ten opzichte van de huidige financieringsregeling geen middelen verliezen. De vraag rijst hoe aan die twee voorwaarden tegelijkertijd kan worden voldaan. Wanneer een gewest na de overheveling inkomsten derft, zal de federale overheid dat verlies moeten compenseren. Het is evenwel niet duidelijk hoe die compensatie moet worden berekend. Op grond van de lokalisatie van de opbrengsten van de overgehevelde gewestelijke belastingen of van de personenbelasting? Het is bovendien fout de voorgestelde regeling te beschouwen als een stap in de richting van een volwaardige fiscale autonomie. Het is niet met een belasting op de spelen en weddenschappen dat de gewesten een beleid, die naam waardig, kunnen voeren. Daarenboven wordt met de kortingen of verhogingen van de opcentiemen de fiscale autonomie federaal gestuurd. Wanneer het Vlaams Gewest een decreet overweegt in het kader van een door artikel 9 van de bijzondere financieringswet toegekende fiscale bevoegdheid, moet dat aan de federale overheid, de andere gewestregeringen en het Rekenhof worden meegedeeld. Het gewest blijft dus met handen en voeten aan de andere entiteiten gebonden. Die krijgen in feite een vetorecht ten opzichte van het Vlaams Gewest.
Die vaststellingen staan in schril contrast met de verklaringen van Guy Verhofstadt enkele jaren geleden in Le Soir waar ook collega Caluwé vanmorgen naar heeft verwezen. Ik wens er daar nog enkele aan toe te voegen die ook aantonen dat de VLD kort vóór de verkiezingen van mening was dat alles wat de andere partijen over fiscale autonomie verkondigden, te minimalistisch was. Tijdens een studiedag op 14 februari 1998 verklaarde Guy Verhofstadt onder de titel Meer Vlaanderen het volgende: "Zolang de deelgebieden niet zullen beschikken over een inkomstenautonomie en zolang de bevoegdheidsverdeling tussen de deelgebieden en de federale overheid onduidelijk, onlogisch en derhalve incoherent blijft, zullen de spanningen blijven aanhouden en zal er een roep zijn naar grotere zelfstandigheid." Volgens hem zijn drie krachtlijnen van essentieel belang: "Er is ten eerste het overhevelen naar de deelgebieden van alle sociaal-economische hefbomen. Concreet houdt dit de regionalisering in van de vennootschapsbelasting en van alle overheidsuitgaven die verband houden met de mobiliteit, alsmede de overheveling van de zogenaamde kostencompenserende socialezekerheidsuitgaven, gezondheidszorg, gezinsbijslagen, hulp aan bejaarden en gehandicapten, wat de deelgebieden moet toelaten een eigen loonkostenbeleid te ontwikkelen.
Ten tweede krijgen de deelgebieden een volwaardige autonomie over de inkomsten die ze nodig hebben om hun uitgaven te dekken. Terwijl de financiering van de federale overheid en van de deelgebieden nu volkomen ondoorzichtig is, zouden beide niveaus elk apart hun materies krijgen toegewezen waarop ze belastingen of bijdragen kunnen innen. Ten derde moet er een doorzichtige en geloofwaardige solidariteit tussen de deelgebieden komen".
In een preadvies voor die studiedag - en dat is hallucinant -, werd de waarde van de door de VLD geëiste homogenisering van de bevoegdheden en van de overheveling van nieuwe bevoegdheden naar de deelstaten, onder meer in de sociale sector, op niet minder dan 916 miljard geraamd. Volgens de VLD moesten zeer veel bevoegdheden, zoals tewerkstellingsbeleid, gezondheidszorg enzovoort, overgeheveld worden. Nu worden er samen met de bevoegdheden een schamele zeven miljard overgeheveld.
Op een andere studiedag op 25 april 1998 verklaarde de heer De Gucht, nu VLD-voorzitter: "De hervorming van de Staat die wij willen is fundamenteel en wijzigt drastisch het machtsevenwicht tussen het federale en het regionale niveau. Concreet hebben we het over de overdracht van meer dan 900 miljard voor bevoegdheden en 350 miljard intrestlasten op de schuld. Van een 75/25-verhouding in het voordeel van de federale overheid wordt overgestapt naar een 25/75-verhouding in het voordeel van de gemeenschappen en gewesten. De bevoegdheden voor werkgelegenheid en arbeid, volksgezondheid en leefmilieu, middenstand en landbouw, economie, verkeer, infrastructuur en spoorwegen, die nu reeds gedeeltelijk regionaal zijn, worden homogeen gemaakt. Daarenboven wordt Vlaanderen bevoegd voor gezondheidszorg, gezinsbijslagen en hulp aan bejaarden en gehandicapten. De huidige financieringswet is door de makers ervan doelbewust ondoorzichtig gehouden. Resultaat van deze ondoorzichtigheid is dat degenen die betalen, de Vlamingen, vinden dat ze te veel betalen, en dat degenen die ontvangen, de Walen, vinden dat ze te weinig krijgen."
Op diezelfde studiedag verklaarde de huidige Vlaamse minister-president: "Vlaanderen kan beter doen op het vlak van de economie en de werkgelegenheid, ten minste als we de hefbomen voor een economisch beleid in Vlaamse handen zouden krijgen en we zelf zouden kunnen beslissen hoeveel belastingen we innen en wat we met de middelen aanvangen, als we zelf kunnen beslissen over de verlaging van de loonlasten en niet langer afhankelijk zijn van een onwillige PS die er alleen op uit is haar macht te bestendigen op een systeem waarvoor de Vlaamse belastingbetalers moeten opdraaien. Vlaanderen kan beter inzake een sociaal beleid als we de hefbomen van de sociale zekerheid in Vlaamse handen krijgen. Dan kunnen we misbruiken en wantoestanden uitschakelen en de toekomst van ons socialezekerheidsstelsel vrijwaren." Volgens de heer Dewael zijn er dus wantoestanden die enkel kunnen worden uitgeschakeld bij een overheveling van de sociale zekerheid naar de deelstaten.
Van een overheveling van de personenbelasting is geen sprake, evenmin als van een overheveling van de vennootschapsbelasting. Ik kan aannemen dat men in een regering compromissen moet sluiten, maar als men vóór de verkiezingen een overheveling van bevoegdheden en van 916 miljard aan middelen vraagt en men komt uit op een resultaat van 7 miljard, dan kan men moeilijk zeggen dat men serieus heeft onderhandeld. In de commissie viel het mij trouwens op dat de VLD-fractie de verwijzingen van de heer Vandenberghe naar bevindingen van senator en professor De Grauwe als irrelevant afdeed. De voorzitter van de commissie voor de Financiën is nochtans een zeer wijs man! Hij heeft vroeger al gepleit voor echte fiscale autonomie en voor een - gedeeltelijke of volledige - overheveling van de staatsschuld, teneinde de deelstaten te responsabiliseren.
De voorzitter. - Mijnheer Van Hauthem, wat is uw definitie van solidariteit in de Europese Unie? Moeten Griekenland, Portugal of Italië de Unie verlaten? De Vlaamse burgers betalen toch ook voor die landen.
De heer Joris Van Hauthem (VL. BLOK). - Wij zijn niet tegen solidariteit op voorwaarde dat die vrijwillig en omkeerbaar is. Door altijd te weigeren het debat over de sociale zekerheid te voeren, voedt men in Vlaanderen het gevoel dat er iets niet klopt. Uit cijfers is al gebleken dat in bepaalde takken van de sociale zekerheid een overconsumptie is. Dat heeft niets meer te maken met solidariteit. Op Europees vlak is de solidariteit op vrijwillige basis geregeld. De lidstaten bepalen zelf met wie en in hoever ze solidair zijn. Laten wij dat ook zelf bepalen; dan zal Vlaanderen zeer vrijgevig zijn...
De heer Frans Lozie (AGALEV). - De heer Van Hauthem heeft daarnet gepleit voor de toepassing van het principe van de juste retour: wij brengen als Vlamingen zoveel binnen in het Belgische bestel en we moeten daar evenveel van terugkrijgen. In Europa hebben we met mevrouw Thatcher gezien dat dit principe het einde van de solidariteit betekent. Niemand kan tegelijk pleiten voor solidariteit en voor de juste retour. Dat is een contradictie.
De heer Joris Van Hauthem (VL. BLOK). - Dat is niet zo. Wij zijn voor een solidariteit die afgesproken wordt tussen de deelstaten. Nu gaat het altijd over de interpersoonlijke solidariteit en iedereen weet dat langs al die kanalen miljarden van noord naar zuid stromen. Als we een debat pogen op gang te brengen om dat fenomeen objectief te bekijken, om na te gaan of het nog wel over solidariteit gaat dan wel voor een stuk over misbruik, dan wordt dat debat steeds geweigerd. De conclusie ligt dus voor de hand. De vraag is of wij solidair moeten zijn met mensen of met structuren. Moeten wij solidair zijn met Waalse leerlingen of met een Waals onderwijsbeleid, waarvoor degene die het beleid voert, zelf maar in heel beperkte mate financieel verantwoordelijk is.
Het plaatje dat voorligt, is allerminst fraai. Dit ontwerp en ook het vorige inzake de bevoegdheden hebben niets meer te maken met een ordentelijke staatshervorming. Ik denk ook niet dat dit de bedoeling van Guy Verhofstadt was. Het was hem niet om te doen om zijn verkiezingsbeloften na te komen, maar alleen om de geldnood van de Franse Gemeenschap te lenigen. Het ontwerp van vandaag is de judaspenning die de heer Verhofstadt betaalt voor zijn premierschap.
Hij is begonnen met bedrog - met het geheim akkoord - en hij eindigt ook met bedrog. Deze regering, ineengedraaid in de werkplaatsen van de loge, wordt zoals nooit tevoren gedomineerd door de Franstalige partijen. Wie de debatten in het parlement heeft gevolgd, weet genoeg: SP, VLD en Agalev, de Vlaamse meerderheidspartijen, hebben nauwelijks hun mond opengedaan. Blijkbaar interesseert het hen gewoon niet. Het kan hen niet schelen dat dit de eerste staatshervorming is waarvan het financiële luik door geen enkele Franstalige partij wordt afgekeurd. Dit is een op en top Franstalige staatshervorming.
De wijze waarop de meerderheid en de regering deze staatshervorming door de strot van het parlement rammen, getuigt van een schaamteloos cynisme dat zelfs Jean-Luc Dehaene nooit ten toon had durven te spreiden. Verhofstadt heeft het parlement in het algemeen en de Senaat in het bijzonder - helaas - gedegradeerd tot een circus waarin de parlementsleden hoogstens de rol van trieste clown mogen spelen. Want wat te denken van het feit dat de PSC hier stond te fulmineren tegen het Lambermontakkoord en het in de Kamer tot op de grond afbrak, om anderhalf uur later overstag te gaan en Lambermont te redden? Terwijl het parlement aan het debatteren was over de ontwerpen, werd in de coulissen gesjacherd en geboden dat het niet mooi meer was. En dat alles om toch maar de steun van de PSC te verkrijgen! De schaamteloosheid ging zover dat, hoewel de financieringswet nog niet eens was goedgekeurd in de Kamer, de Franstalige partijen tijdens het pinksterweekend de centen al onder elkaar verdeelden. Daarbij werd afgesproken een spaarpotje aan te leggen, zodat de Franstaligen gedurende jaren geen vragende partij meer hoefden te zijn.
De Vlamingen zijn figuranten die mogen optreden in een stuk dat elders geschreven wordt. En ook op dit eigenste moment wordt achter de schermen onderhandeld en gekocht, alweer om de PSC in de Kamer over de streep te trekken. Wie weet welke toegevingen Guy Verhofstadt nu weer zal doen. Ik hoop dat het niet over het minderhedenverdrag gaat, want als dat in de weegschaal wordt gelegd, wordt Vlaanderen ertoe gedwongen opnieuw tweetalig te worden en wordt het teruggekatapulteerd in de 19de eeuw.
Guy Verhofstadt heeft met Lambermont bewezen dat hij niet te vertrouwen is. Elke Vlaamse reflex is uit zijn vezels verdwenen. Met het Lambermontakkoord koopt hij zijn premierschap en ook de communautaire vrede af. Maar dat is een kenmerk van deze regering. Paarsgroen koopt alles. Verhofstadt koopt uit de boot gevallen kandidaat-excellenties door ze te bombarderen tot regeringscommissarissen van wie nadien nooit meer iets wordt gehoord. Verhofstadt koopt een gebuisde kandidaat-voorzitter van de NMBS en bombardeert hem tot vredesgezant in Centraal-Afrika, want geef toe, met een minister én een staatssecretaris van Buitenlandse Zaken en een Reginald Moreels, die ginds al maanden ronddwaalt, kunnen we de klus niet klaren. Hij koopt het parlement door parlementsleden aan te stellen die heel Europa mogen rondreizen met een creditcard van de regering om na te gaan hoe de parlementen van lidstaten tegen het Europees project aankijken. En plots heeft Verhofstadt in de PSC-fractievoorzitter van de Kamer een Arianespecialist ontdekt. Nu ook wordt de communautaire rust met het ontwerp afgekocht en offert Verhofstadt de Vlaamse belangen op het altaar van de regeringsstabiliteit. Dat is niet meer zindelijk. Als paarsgroen meent op die manier de communautaire problemen op te lossen, vergist het zich.
Verhofstadt heeft zich tot doel gesteld de communautaire problemen eens en voor goed op te lossen. In ons land is alles echter communautair: de NMBS, Sabena, de post, het leger, justitie. Alles wordt beslist volgens de communautaire verhoudingen. Dit ontwerp zal de communautaire rust niet doen terugkeren. Het zal alleen de frustratie voeden van wie met een lange verlanglijst achterblijft.
Manu Ruys, niet bepaald een Vlaams extremist of een Vlaams nationalist, heeft in zijn voorlaatste boek, een autobiografie, geschreven: "Wallonië heeft geen behoefte aan Vlaamse vriendschap. Het denkt alleen aan zijn belang. Als dat botst met het Vlaamse, wordt er niet gekozen voor de samenspraak en het vergelijk, maar voor de confrontatie en het conflict. Ik heb het nooit anders geweten. Dat is de werkelijkheid en de waarheid. De rest is literatuur en window dressing." Manu Ruys heeft gelijk. Deze ontwerpen zijn inderdaad window dressing. We zullen ze dan ook niet goedkeuren.
De voorzitter. - Ik begroet een delegatie van het Parlement van Oekraïne onder leiding van mevrouw Inna Bogoslovska, eerste ondervoorzitter. Ik wens hen een interessant verblijf in ons midden. (Algemeen applaus)
De heer Marcel Cheron (ECOLO). - Dit wetsontwerp is de tegenhanger van het wetsontwerp dat de Senaat al heeft goedgekeurd en dat ertoe strekt nieuwe bevoegdheden toe te kennen aan de gewesten en aan de gemeenschappen.
De beide ontwerpen zijn intrinsiek met elkaar verbonden. Het zou immers geen zin hebben bevoegdheden over te dragen aan de deelgebieden zonder hen daarvoor de nodige middelen te geven.
Het zou dan ook absurd zijn voor beide ontwerpen niet hetzelfde standpunt in te nemen. Onze fractie is uiteraard verheugd over de herfinanciering van de gemeenschappen, vooral van de Franse Gemeenschap.
Het wetsontwerp is innoverend, niet alleen op het stuk van onderwijs, maar voor alle gemeenschapsbevoegdheden, ook de culturele en sociale, en zowel voor het noorden als voor het zuiden van het land. Er staat voor beide gemeenschappen evenveel op het spel.
Op het ogenblik bevindt de Franse Gemeenschap zich in de meest delicate situatie. De bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten, moest dringend worden aangepast, vooral om de financiering te koppelen aan de nieuwe economische situatie van het land.
Het huidige financieringsmechanisme van de gemeenschappen was nog onderhandeld in een economisch ongunstige periode en houdt geen rekening met de recente stijging van het BNP.
Wij hopen dat met dit wetsontwerp de herfinanciering op korte en middellange termijn van de gemeenschappen, en vooral van de Franse Gemeenschap, duurzaam wordt. Dankzij dit ontwerp krijgt de Franse Gemeenschap toekomstperspectieven. We rekenen er immers op dat het zuiden van het land een economisch herstel zal kennen en zo kan bijdragen tot de welvaart. Vanaf 2004 krijgen de gemeenschappen een totale en structurele herfinanciering, en vanaf 2007 wordt de BTW-dotatie aangepast aan de ontwikkeling van de economische welvaart. Bovendien hebben de Franstaligen in deze onderhandelingen verkregen dat de coëfficiënt voor de aanpassing aan de groei geherwaardeerd wordt, zodat het evenwicht tussen de gemeenschappen wordt hersteld.
Deze tekst houdt ook de bevestiging in van het Sint-Elooisakkoord, dat betrekking heeft op de verdeelsleutel van de middelen tussen de twee gemeenschappen en de bedragen die worden toegekend voor de buitenlandse studenten. Met uitzondering van de in het ontwerp bepaalde verhogingen, wordt de BTW-dotatie voortaan verdeeld volgens het reële aantal leerlingen in elke gemeenschap.
De verruiming van de autonomie van de gewesten is een logische stap in een federaal bestel. Met dit wetsontwerp krijgen de gewesten eindelijk de nodige instrumenten om hun bevoegdheden efficiënt uit te oefenen.
Praktisch betekent dit dat de gewesten voortaan bevoegd zijn voor de vaststelling van de belastingvoet, de heffingsgrondslag en de vrijstelling van een twaalftal belastingen die rechtstreeks verband houden met hun bevoegdheden. Bovendien worden ze ook bevoegd voor de inning van de belasting.
Ten slotte krijgen de gewesten ook meer macht op her vlak van de personenbelasting. De onduidelijke formulering van de desbetreffende teksten heeft tot communautaire spanningen geleid wat niet bevorderlijk is voor het herstel van een gunstig politiek en economisch klimaat. Die bevoegdheden moesten dan ook duidelijker worden afgebakend.
Concreet kunnen de gewesten beslissen over opcentiemen en belastingverminderingen op voorwaarde dat de progressiviteit van de belasting niet in het gedrang komt, geen deloyale fiscale concurrentie wordt gevoerd, bepaalde marges worden gerespecteerd en ze binnen hun materiële bevoegdheden blijven.
De fiscale autonomie van de gewesten moet evenwel beter worden geregeld. Daarom is voorzien in een aantal mechanismen. Zo moeten samenwerkingsakkoorden worden gesloten vóór de uitoefening van bevoegdheden inzake belastingen met een hoger risico voor fiscale migratie. Wat die belastingen betreft, moeten de gewesten rekening houden met de andere autonome overheden. Voor de andere belastingen voorziet de wet in controle a priori door het Rekenhof en a posteriori door het Arbitragehof, zodat de federale fiscale loyaliteit gewaarborgd is.
Het ontwerp voldoet aan de eis van budgettaire neutraliteit. De overdracht van bevoegdheden en middelen aan de deelgebieden mocht niet ten koste gaan van de aangelegenheden die de Federale Staat beheert. De sociale zekerheid moest worden gevrijwaard.
Het ontwerp betreffende de overdracht van budgettaire middelen is de logische tegenhanger van het ontwerp tot overdracht van bevoegdheden, inzonderheid inzake buitenlandse handel en landbouw.
Wallonië en de Walen zijn tevreden dat ze in de toekomst hun bevoegdheid inzake landbouw beter kunnen beheren en aanpassen aan de eigenheid van hun gewest.
Ter uitvoering van het Sint-Elooisakkoord mogen de gewesten contracten van onbepaalde duur toekennen en werklozen in dienst nemen. Daarvoor krijgen ze een extra financiering van tweemaal 500 miljoen.
Het ontwerp bevat ook een gedeelte betreffende het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, dat de tegenhanger is van het ontwerp inzake de overdracht van bevoegdheden.
De Franse en de Vlaamse Gemeenschapscommissie krijgen voortaan een miljard extra van de federale overheid, te verdelen volgens de traditionele verdeelsleutel 80/20.
De beide gemeenschapscommissies krijgen ook voor een miljard trekkingsrechten op de gewestbegroting, volgens dezelfde verdeelsleutel.
Alle deelgebieden die een eigen wetgevende macht hebben, zoals de Franse Gemeenschapscommissie, mogen leningen aangaan.
Ten slotte worden, overeenkomstig het Lombardakkoord, ook extra middelen toegekend aan de gemeenten met een Vlaamse schepen. Waarschijnlijk zullen zestien van de negentien gemeenten van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest een Nederlandstalige schepen hebben. De grote meerderheid van de gemeenten zal dus een beroep kunnen doen op die extra middelen, inzonderheid alle gemeenten die structurele problemen ondervinden als gevolg van de samenstelling van hun bevolking.
De doelstelling van de democraten en van onze fractie is dat alle gemeenten van het Brussels Gewest een Vlaamse schepen hebben. De vertegenwoordiging van de beide gemeenschappen in het schepencollege kan alleen maar positieve gevolgen hebben voor de gemeente. Aan een beleid ten gunste van twee gemeenschappen zijn nu ook eenmaal meer kosten verbonden.
Om al deze redenen steunt onze fractie dit ontwerp.
De heer Patrik Vankrunkelsven (VU-ID). - Graag geef ik namens mijn fractie enkele algemene beschouwingen bij dit wetsontwerp. Tijdens de besprekingen over de bevoegdheidsoverdracht hebben we al geprobeerd een algemene visie te ontwikkelen en daarom beperk ik me nu tot het financiële deel.
Het algemene standpunt dat het bevoegdheidspakket in het voordeel van Vlaanderen zou zijn en het financiële pakket in het voordeel van Wallonië berust mijns inziens op een foute redenering die al een aantal maanden opgang maakt. Bepaalde mensen hebben op dit punt misschien zelfs bewust een verkeerd beeld gecreëerd. Vlaanderen was misschien wel vragende partij voor bepaalde bevoegdheden, maar ook voor een aantal elementen uit het financiële pakket. Wat er ook wordt beweerd, ondanks alle grote verschuivingen en veranderingen op het vlak van staatsvorming, gaan er geen extra middelen naar de Franstaligen, met uitzondering misschien van een aantal miljarden die het Brussels Hoofdstedelijk Gewest worden toegeschoven.
Eerst en vooral wil ik een algemene beschouwing geven over de verhouding tussen de federale staat en de deelgebieden. Twee grote problemen bestaan daar op het ogenblik. Een eerste is de omvang van de middelen waarover de verschillende deelgebieden kunnen beschikken. In een federale staat is het logisch dat de deelgebieden op een gelijkwaardige manier kunnen genieten van de toename van de welvaart in het federale land. Op gewestelijk niveau is dit inderdaad gegarandeerd, maar op het niveau van de gemeenschappen moeten we vaststellen dat de toename van de welvaart op federaal niveau er absoluut niet wordt weerspiegeld. Op gemeenschapsvlak hebben Vlaanderen en Wallonië steeds minder middelen en dus minder mogelijkheden om hun bevoegdheden uit te oefenen. Dit heeft tot gevolg dat op belangrijke bevoegdheidsdomeinen, zoals welzijn, cultuur en onderwijs, de toename in de welvaart niet kan worden omgezet in noodzakelijke initiatieven. Daarom ben ik als federalist ook vragende partij voor een verhoging van de middelen voor de gemeenschappen.
Een tweede algemene opmerking is dat de fiscaliteit als instrument volledig afwezig was op het niveau van de deelstaten. In het verleden werd dit voortdurend geblokkeerd door de Franstaligen en op dat vlak hebben we toch wel een psychologische bres geslagen in het afwijzingsfront. Het instrument van de fiscaliteit maakt enerzijds een responsabilisering van de bestuurders van de deelstaten mogelijk en schept anderzijds de kans sturend en beleidsmatig op te treden door in te grijpen op de belastingen. Denken we maar aan terreinen zoals mobiliteit en eigendomsoverdracht. De initiatieven van de Vlaamse minister-president hebben aangetoond dat dit niet onbelangrijk is.
Ik ga nu in op de kritieken op de overdracht van middelen en fiscale autonomie. Allereerst is er de herfinanciering van de gemeenschappen. Momenteel worden de gemeenschappen gefinancierd met middelen die voor 30% uit de personenbelasting en voor 70% uit BTW-ontvangsten worden geput en die worden verdeeld volgens de verdeelsleutels van het Sint-Elooisakkoord. Dit systeem is weliswaar objectiever dan vroeger, maar blijft heel voordelig voor de Franstaligen. Ik ben een voorstander van solidariteit, maar solidariteit moet ook redelijk zijn. Het kan niet dat een ontvangende deelstaat, in dit geval de Franstalige, per leerling meer middelen kan spenderen dan de deelstaat die de middelen ter beschikking stelt.
Dat is vandaag wel het geval. Per leerling kan Wallonië tienduizend frank meer uitgeven dan Vlaanderen. Dat is geen solidariteit, dit is minstens gedeeltelijk een verspilling van middelen.
Wat is er over deze verdeelsleutel nu beslist? Ten eerste worden er extra middelen toegekend. In het verleden bleef de stijging van de middelen voor de gemeenschappen ten achter bij de toename van de welvaart, waardoor sommige lonen niet konden worden uitbetaald. Ten tweede worden de nieuwe middelen - de veertig miljard en de groei die vroeger ook niet werd ingerekend en nu ook wordt toegevoegd - verdeeld volgens het principe van de juste retour waar daarnet ook al over werd gesproken. In tegenstelling tot wat de CVP en het Vlaams Blok vertellen, worden er geen nieuwe transfers georganiseerd. Wat bestond blijft wel bestaan, maar groeit veel trager dan de nieuwe middelen. Het ene wordt namelijk alleen geïndexeerd; de nieuwe middelen worden bovendien aan de welvaartsgroei gekoppeld. Dat betekent dat de oude verdeelsleutel verwatert en langzaam wordt overgenomen door meer objectieve criteria.
Ik wil het voorgaande met een enkele cijfers illustreren. Zoals gezegd krijgt de Franse Gemeenschap per leerling tienduizend frank meer voor onderwijs. Tegen 2011 is de lat gelijk gelegd.
De heer Hugo Vandenberghe (CVP). - Tegen 2011! Waar zullen we dan zijn?
De heer Patrik Vankrunkelsven (VU-ID). - Dat is een goede vraag, mijnheer Vandenberghe, maar alleszins gaat deze beslissing compleet in de tegenovergestelde richting dan degene die jullie in 1993 hebben aangegeven.
Het aandeel van de BTW zakt van zeventig procent nu tot vijftig procent in 2010. Voor onderwijs zouden we in een ongewijzigd regime in 2010 272 miljard kunnen spenderen. Daar komt nu 170 miljard bij voor Vlaanderen en tachtig miljard voor Wallonië. Ook niet onbelangrijk is dat de vergelijking van de gemeenschapsmiddelen per hoofd van de bevolking met die van België, meer evenwichtig wordt. Die komt voor Vlaanderen vandaag op 98,8 procent, dat wil zeggen dat Vlaanderen per hoofd minder gemeenschapsmiddelen uitgeeft dan Wallonië. Ook aan deze absurde solidariteit maakt dit ontwerp een einde tegen 2008. Daarna evolueert ze op basis van de welvaartsgroei van elke regio. Deze cijfers trekken het beeld recht dat sommigen maandenlang hebben verspreid, namelijk dat er alleen maar meer middelen gaan naar het Franstalig onderwijs. Het tegendeel is waar: de twee gemeenschappen krijgen meer middelen en de verdeelsleutel voor de bijkomende middelen volgt perfect het principe van de juste retour.
Een tweede aspect betreft de fiscaliteit en de fiscale autonomie. Maandenlang en ook daarnet nog is gezegd dat de autonomie erg beperkt is. Er komt een volledige overdracht en een volledige autonomie voor de onroerende voorheffing, de registratierechten, de successierechten, de verkeersbelasting, de belasting op de inverkeerstelling en zomeer ten belope van 139 miljard. Er komt op langere termijn ook een autonomie in de personenbelasting van 6,75 procent. Dat maakt mogelijk dat er voor 45 miljard extra belasting kan worden geïnd of vermindering toegestaan. In totaal betekent dat 184 miljard op een totaal budget van 311 miljard. De heer Geens sprak daarnet van een autonomie van veertig procent. Als ik goed kan rekenen, dan betekent 184 miljard op 311 miljard precies 59,2 procent. Dat is het procent van het totale budget waarover Vlaanderen en de andere gewesten volledig autonoom kunnen beslissen.
Spijtig genoeg is de minister van Financiën niet aanwezig. Ik had met hem graag gedebatteerd over het personeel. Alle personeelsleden die instaan voor de inning van de gewestbelastingen kunnen naar de gewesten worden overgeheveld, als de gewesten dat zelf wensen. Dat geldt ook voor het Kadaster. Dat betekent dat de gewesten volgens eigen inzicht een beleid kunnen voeren en zelf een kadastraal inkomen zullen kunnen bepalen.
Er zijn inderdaad een aantal beperkingen op de fiscale autonomie. De progressiviteit kan niet worden aangetast. Behalve de meest blauwe liberalen is niemand in Vlaanderen voorstander van het omkeren van de progressiviteit. Ik beschouw dit niet als een toegeving, maar eerder als een garantie.
Er is een beperking van belastingverminderingen en -vermeerderingen, opcentiemen en kortingen tot 6,75% van de opbrengst van de personenbelasting in elk gewest. Dit is inderdaad een beperking. Ik ga ervan uit dat de huidige stap in de staatshervorming geen eindpunt is.
Het feit dat de gewesten zowel opcentiemen als kortingen kunnen toestaan, betekent dat een volledige tariefautonomie bereikt is. Daarenboven kunnen de gewesten aftrekken toestaan. Daarmee kan een eigen beleid worden gevoerd.
Er werd over gefulmineerd dat er een overdreven controle zou bestaan op de fiscale autonomie. In tegenstelling tot wat werd gevraagd, blijven de normale rechtscolleges bestaan bij mogelijke disputen. Daar wordt helemaal niets aan veranderd. Er wordt geen afzonderlijke procedure ingevoerd. Wel bestaat de verplichting om aan het Rekenhof de geplande belastingvermindering voor te leggen. Het Rekenhof kan berekenen of de 6,75% niet wordt overschreden en of de progressiviteit niet wordt aangetast. De Vlaamse regering en het Vlaams Parlement moeten daar echter geen rekening mee te houden. Het advies kan enkel een `overweging' zijn bij een eventuele klacht bij de Raad van State. Dat een eventuele belastingvermindering moet worden voorgelegd aan de federale regering moet bovendien niet als een beperking worden beschouwd. Het is toch logisch dat degene die de belastingen int op zijn minst moet weten in welke zin de modaliteiten van inning, voorheffing, en dergelijke meer moeten worden aangepast. Dat is een element van goed bestuur.
De kritiek werd ook geuit dat het kijk- en luistergeld, de enige gemeenschapsbelasting, wordt afgeschaft. Deze belasting was de facto sinds 1993 geen gemeenschapsbelasting meer. Enkel de gewesten konden met de instemming van de federale overheid en de gemeenschappen heffingen of kortingen op deze belasting toestaan. De gemeenschappen hadden helemaal geen autonomie om deze belasting te moduleren. Het ging om een inkomstenbron, die nu door een dotatie wordt vervangen.
Ik verheel niet dat ik voorstander ben van de fiscale autonomie voor de gemeenschappen. Vandaag heeft de Vlaamse Gemeenschap in Brussel echter enkel bevoegdheden inzake de instellingen. De mogelijkheid bestaat volstrekt niet om daar een fiscale autonomie door te voeren. Dit is niet toegestaan door de Grondwet.
De grotere fiscale bevoegdheid voor de gewesten heeft in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest enige ongerustheid veroorzaakt. Het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest vreest dat er een tekort van 16 miljard zal ontstaan. Er wordt vandaag twee miljard extra middelen voorzien voor het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest. Ik denk dat dit niet zal volstaan om het vooropgestelde tekort te delgen.
Aan de bestaande solidariteit tussen de gewesten is er helemaal niets gewijzigd.
Op deze tribune wil ik toch nog eens beklemtonen dat er een poging is geweest om via de zogenaamde negatieve term, namelijk de vermindering van het aandeel van de personenbelasting in de dotaties die voortvloeit uit de verhoogde fiscale autonomie van de gewesten, een vorm van solidariteit tussen de gewesten in te voeren. Vandaag kan ik bevestigen dat het niet zo ver is gekomen.
Tot slot wil ik zeggen dat het hoofdstuk financiering evenmin als het hoofdstuk bevoegdheden Vlaamse toegevingen bevat.
Er werd ingegaan op het verzoek van de Franstaligen om over meer middelen voor hun onderwijs te kunnen beschikken. De Vlamingen hebben de gelegenheid wel te baat genomen om een gemeenschapsfinanciering uit te werken waarmee een einde komt aan de onrechtvaardige geldstromen van Noord naar Zuid. Voortaan zullen de middelen op een meer rationele manier worden verdeeld zonder dat afbreuk wordt gedaan aan bepaalde vormen van solidariteit.
Sommigen beweren dat de Vlamingen met deze hervorming het laatste wapen uit handen hebben gegeven om nog ooit een staatshervorming te verwezenlijken, alsof de vraag naar meer middelen van één van de gemeenschappen nu het ultieme middel zou zijn om een nieuwe fase in de staatshervorming in te leiden. Ik daag de CVP uit - en ik denk dat ze dat wenst - om bij een volgende vorming van de federale regering, samen met ons of met een andere kandidaat regeringspartij een nieuwe stap in de staatshervorming op de onderhandelingstafel te leggen.
Wat verhindert Vlamingen of Walen bij een nieuwe regeringsonderhandeling een aantal nieuwe eisen op tafel te leggen en daarover te onderhandelen?
Mevrouw Mia De Schamphelaere (CVP). - Wat heeft u verhinderd om nu nieuwe eisen te formuleren, mijnheer Vankrunkelsven?
De heer Patrik Vankrunkelsven (VU-ID). - Of er nu een gewest of een gemeenschap meer middelen vraagt of niet, bij iedere onderhandeling over de vorming van een regering kan er een nieuw eisenpakket op tafel worden gelegd.
Het is mijn innige overtuiging dat ook vandaag de staatshervorming niet is afgerond. Zeker op het terrein van de sociale zekerheid moeten er nog nieuwe stappen worden gezet, vooral dan inzake de bevoegdheden voor gezondheidszorg en gezinsbeleid.
Mevrouw Mia De Schamphelaere (CVP). - U hebt dat nu wel geblokkeerd, mijnheer Vankrunkelsven.
De heer Patrik Vankrunkelsven (VU-ID). - Ook omtrent Brussel en de positie van Vlaanderen in Europa moeten er nog nieuwe stappen worden gezet, maar ik verheel niet dat wij vandaag misschien een grotere stap hadden kunnen zetten. Wij hebben onderhandeld om te bekomen wat wij nu hebben. Ik ben daarover helemaal niet beschaamd. Ik ben fier dat wij vandaag zonder de minste toegeving aan de Franstaligen belangrijke nieuwe bevoegdheden, fiscale autonomie en nieuwe waarborgen voor de Vlamingen in Brussel hebben verworven. Vroeger was dat nooit mogelijk geweest.
De heer Hugo Vandenberghe (CVP). - Ik zie dat de hulp van de minister van Landsverdediging is ingeroepen om de staatshervorming toe te lichten. We hebben bijna alle ministers gehoord over de Lambermont- en Lombardakkoorden. Nu de regering tot in de laatste loopgraven is teruggedrongen, speelt ze haar laatste verdediging uit: de minister van Landsverdediging zelf komt de laatste en beslissende argumenten uit de wapens laten rollen. Ik kijk met spanning uit naar zijn ongetwijfeld briljant pleidooi.
Eergisteren begon De Standaard met een artikelenreeks onder de titel De kracht van het woord. Enkele dagen geleden las ik in een Nederlandse krant over de `woordgelovigen'.
Ik heb die twee gedachten samengebracht. Ook in de woordcultuur zijn er believers en non believers. Talleyrand, de grote profeet van de non believers, zeker in de politiek, zei: "De woorden dienen enkel om uw gedachten te verbergen." Cato zei ooit in de Romeinse Senaat, die nog enige invloed had: "O tempora, o mores". In associatie kan ik het nog anders uitdrukken: "O verba, o mores". Het antwoord op de vraag of we de woorden nog mogen geloven, hangt af van de situatie waarin we ons bevinden.
Dat is het antwoord op de uiteenzetting van de heer Vankrunkelsven. De verklaringen, manifesten en dure eden aan Vlaanderen die hij tijdens de verkiezingscampagne deed, moeten worden vergeleken met de woorden die hij vandaag uitspreekt. Wat heeft hij de kiezers beloofd? Welk verbond heeft hij gesloten en respecteert hij dat nu nog? De heer Caluwé heeft uitvoerig en briljant beschreven dat het akkoord dat voorligt, in vergelijking met alle beloften en dure eden die voor de kiezer werden afgelegd, zelfs geen voetnoot is. We leven in een politieke cultuur waarin het woord niet meer de vorm is van de uitdrukking van de gedachte, maar gewoon een middel om de burger iets voor te spiegelen.
Ik zal niet alle argumenten tegen deze financieringswet ontwikkelen. We hebben dat in de commissie uitvoerig gedaan. Ik wens in een notendop duidelijk te maken waarom wij ertegen gekant zijn en zal nadien verder ingaan op de algemene politieke actualiteit. Ik zal het met name hebben over de al dan niet geheime onderhandelingen. Die worden blijkbaar opnieuw gevoerd in de stijl van de echte burgerdemocratie, die de greep van de burger op het beleid moet verhogen!
Ik heb in de commissie uitvoerig verwezen naar de verklaring van de heer De Grauwe die beweert de vermindering van het cynisme van de kiezers ten aanzien van de politiek na te streven. De politici moeten de kloof tussen belofte en werkelijkheid verkleinen.
De voorgaande sprekers hebben de talrijke beloften van de politici opgesomd. Alle ernstige commentatoren erkennen dat die beloften voor de Vlaamse Gemeenschap een negatief resultaat hebben opgeleverd. Ik wil de Walen uiteraard niet benadelen, maar het is verre van oneerbaar dat de Vlaamse volksvertegenwoordigers en senatoren de Vlaamse belangen verdedigen.
De heer Frans Lozie (AGALEV). - Het is evenmin oneerbaar zijn mening te herzien.
De heer Hugo Vandenberghe (CVP). - Ik heb mij niet uitgesproken over de opvatting van anderen. Ik heb enkel gezegd dat ik het verdedigen van de Vlaamse belangen niet oneerbaar vind.
De heer Patrik Vankrunkelsven (VU-ID). - U verdedigt zich tegen beschuldigingen die niemand heeft uitgesproken.
De heer Hugo Vandenberghe (CVP). - Ik weet al lang dat mijn argumenten u niet kunnen overtuigen, mijnheer Vankrunkelsven. Dat is geen reden om mijn uiteenzetting te beëindigen.
De CVP kan het Lambermontakkoord onmogelijk goedkeuren. In de eerste plaats is het veel te duur. Dat heeft niets te maken met een gebrek aan solidariteit. Solidariteit betekent niet dat wij blindelings onevenwichtige akkoorden moeten goedkeuren die de democratische toets niet doorstaan. De Vlaamse meerderheidspartijen vonden dat vroeger trouwens ook.
Mijnheer de voorzitter, de solidariteit tegenover de Franse Gemeenschap kan niet worden vergeleken met de solidariteit van de Europese Unie ten opzichte van Sicilië. In een federale staat werken de solidariteitsmechanismen op een andere wijze. Terloops wijs ik erop dat volgens de jongste verklaring van de Europese Rekenkamer 7% van de uitgaven van de Europese Unie niet met stukken bewijsbaar zijn. De fraude op Europees niveau is helaas zeer groot. Hoe zou de publieke opinie reageren op de verklaring dat voor 7% van de uitgaven van de Belgische staat geen bewijzen voorhanden zijn?
De solidariteit in een federale staat moet doorzichtig en controleerbaar zijn en mag nooit definitief zijn. De financieringsmogelijkheden moeten kunnen worden aangepast. Het dotatiesysteem verhoogt het consumptiefederalisme en dat betekent dat de politieke verantwoordelijkheid vermindert van degenen die over de uitgaven beslissen en de uitgaven doen.
Het systeem werkt immers zo dat, door de toename van de dotaties, degene die de uitgaven doet niet ter verantwoording kan worden geroepen door de 60% van de Belgen die via belastingen, retributies en andere inkomsten bijdragen tot de staatsbegroting. Dat is een fundamenteel probleem. Op het financieringsmechanisme bestaat geen echte politieke controle. Daarom is het Franstalig front eendrachtig. De Franstaligen krijgen de middelen en moeten daarover aan de Vlamingen geen verantwoording afleggen. Dat is onaanvaardbaar. Het verdelingssysteem is niet objectief. Dat heeft niets te maken met uithongeren, enkel met een poging oplossingen te vinden die de tand des tijds kunnen weerstaan. Bovendien is ook het betalen voor Vlaamse schepenen in Brussel onaanvaardbaar en discriminerend voor de Vlamingen in Brussel.
Het ontwerp bevat bovendien vele ongrondwettigheden. De meerderheid heeft geen enkele opmerking van de Raad van State daarover beantwoord. Indien deze ontwerpen worden goedgekeurd, zullen wij niet aarzelen onmiddellijk een beroep in te dienen bij het Arbitragehof aan de hand van het advies van de Raad van State.
De heer Marcel Cheron (ECOLO). - Spreekt u het over het wetsontwerp dat thans in de Kamer wordt besproken of over dit?
De heer Hugo Vandenberghe (CVP). - Ik heb het over beide ontwerpen.
De heer Marcel Cheron (ECOLO). - Over welke artikelen gaat het?
De heer Hugo Vandenberghe (CVP). - Ik heb verschillende amendementen ingediend.
De heer Marcel Cheron (ECOLO). - Met betrekking tot het wetsontwerp dat wij nu bespreken?
De heer Hugo Vandenberghe (CVP). - Ja, onder meer op artikel 1, waar problemen rijzen inzake grondwettigheid. We hebben het daar overigens in de commissie over gehad.
De heer Marcel Cheron (ECOLO). - Dat was mij niet duidelijk.
De heer Hugo Vandenberghe (CVP). - Mijn amendement bij artikel 1 verwijst onder meer naar het advies van de Raad van State. Er is een ongrondwettigheid inzake de samenwerkingsakkoorden. Ik heb dat argument ook ontwikkeld over het samenwerkingsakkoord over de Plantentuin van Meise.
Dat alles wordt nu echter overtroffen door de onvoorstelbare vertoning die we de afgelopen dagen hebben meegemaakt. Ik ben niet de enige om dat te zeggen. Ik verwijs naar de politieke commentaar van Luc Delfosse in Le Soir van vandaag over de wijze waarop nu een communautair akkoord wordt gesloten.
"Dit crûment, le premier ministre est bordélique et le gouvernement vit depuis deux ans dans une complète improvisation. En attendant, si Polycarpe passe la rampe, c'est aux réflexes dehaeniens des francophones et non à Verhofstadt qu'on le devra. On verra vite quelles retombées psychologiques et politiques aura cet épisode en Flandre qui, depuis la fin de la Première guerre, est la bénéficiaire de toutes les avancées communautaires... Car enfin, la physique politique a aussi son principe d'Archimède : tout corps plongé précipitamment dans le chaudron belgo-belge finit inévitablement par subir une pression égale au volume des bourdes commises."
Ziedaar de commentaar van Le Soir die anders zo graag over l'arc-en-ciel spreekt. Voor de eerste maal sedert 1919, schrijft de krant, hebben we een grote Franstalige overwinning binnengehaald, niet dankzij Verhofstadt, maar dankzij de Franstalige meerderheidspartijen. Het resultaat is volgens de krant wel bordélique, en dan wist zij nog niet van de laatste ontwikkelingen.
Ali Baba is aan het werk. Met het uur komen er miljoenen en miljarden bij. De staatskas is de kas van Ali Baba geworden. Het geld kan niet op. De regering is tot alles bereid om een meerderheid te vinden.
In die sfeer van opbod worden nog andere dingen gevraagd, bijvoorbeeld nieuwe "gerechtelijke faciliteiten" waardoor een deel van Vlaanderen zich tot een tweetalige kamer van de Raad van State zou moeten wenden, jaren Vlaamse strijd ten spijt. Dan is er ook nog de hele heisa over de conventie over de bescherming van de minderheden waarbij sommigen die conventie enkel geratificeerd willen zien om daarna de suprematie van het internationaal recht op het Belgisch recht te claimen, zodat de taalwetgeving niet langer zou gelden voor de Franstaligen, omdat ze als minderheid zouden kunnen worden beschouwd. Wat hebben al die eisen te maken met een regionaliseringswet en een financieringswet? Drie weken geleden gaf collega René Thissen op deze tribune vijf fundamentele redenen waarom hij nooit de regionaliseringswet zou kunnen goedkeuren. Ik zal ze hier niet vermelden, want ik wil niet wreedaardig zijn. Hij besloot met te zeggen dat hij zijn mening maar zou herzien als Brussel meer geld zou krijgen, de wetten op de Raad van State zouden worden gewijzigd en er een belofte zou komen over het minderhedenverdrag. Kortom allemaal zaken die niets te maken hebben met de twee ontwerpen ter discussie.
Ik ben niet tegen het politiek compromis. Ik kan perfect aanvaarden dat het compromis soms nodig is om problemen te kunnen oplossen. Ik kan echter niet aanvaarden dat eerst sterke verklaringen worden afgelegd maar daarna toch nog gepraat kan worden als blijkt dat eisen zullen worden ingewilligd. Een vergelijk over zaken die niets met elkaar te maken hebben, is voor mij echter een politieke koop, geen politiek vergelijk.
Toen ik naar de Senaat kwam liep het gerucht dat er een debat zou komen over de conventie over de bescherming van de minderheden. Ik vroeg mij af wat daar zou speciaal aan is. Het parlement is toch de normale plaats voor zo een debat.
Ik heb maar een besluit. De meerderheid wendt zich zowel tot de grot van Ali Baba als tot de grot van het alibi. Het resultaat is een zogenaamd historisch akkoord dat gisteren ook in De Standaard goed werd beschreven. De auteur vroeg zich af waar het geld dat zo gul wordt verdeeld, vandaan moet komen. Op die vraag komt er nooit een antwoord. De werking van de federale staat is voor de meerderheid geen zorg. Los van onze inhoudelijke kritiek, zijn we van mening dat dit akkoord geen blijkt geeft van staatsmanszin en zelfs niet van koopmanszin. Koopmanszin kunnen we nog respecteren, maar gunsten uitdelen die niet in verhouding staan met wat aan de orde is, leidt tot onbehoorlijk bestuur. Dat is een gevaar voor de toekomst.
De heer Michel Barbeaux (PSC). - Ik ben het met de heer Vandenberghe eens dat de gevolgde procedure nogal "bordélique" is. De heer Dehaene had het nooit zover laten komen. De heer Vandenberghe kan echter niet verhinderen dat wij nu onze slag thuishalen, zoals de Vlamingen dat eerder hebben gedaan.
De heer Thissen heeft de houding toegelicht die we in de Kamer hebben aangenomen,. Ik zal het over het ontwerp hebben. Laat ik beginnen met een historisch overzicht van de wijze waarop de gemeenschappen en de gewesten werden gefinancierd.
In 1970 werden de cultuurgemeenschappen opgericht. Die werden gefinancierd door dotaties die volgens een verhouding van 45-55% werden verdeeld. Met de voorlopige regionaliseringswet van 1974 werd ook een financieringssysteem voor de gewesten gecreëerd om de dotaties op basis van drie criteria te verdelen. De Vlamingen hebben dit systeem ter discussie gesteld omdat het om consumptiefederalisme zou gaan. Ze wilden het dotatiesysteem vervangen door een financiering van de gemeenschappen en de gewesten op basis van eigen middelen. In 1980 werden de dotaties behouden en in reële termen vastgelegd, maar de belastingristorno's werden erbij gevoegd. Hier werd voor de eerste maal het principe van het fiscaal federalisme toegepast: de gewesten krijgen het bedrag dat ze aan belastingen genereren geristorneerd. Het ging destijds om de ristorno van een tiental belastingen, die nu gewestbelastingen zijn geworden.
In 1988-1989 werd het federalisme met een nieuwe staatshervorming verdiept. De financiering van de gewesten gebeurt sindsdien op basis van de personenbelasting, met een correctie via een solidariteitsbijdrage. Onder Vlaamse druk werden de dotaties geleidelijk vervangen door een financiering uit eigen middelen.
De wet van 16 januari 1989, die vandaag wordt herzien, is de weerspiegeling van een politiek evenwicht tussen Vlaamse en Franstalige partijen. De Franstaligen aanvaardden de Vlaamse eis om de dotaties te vervangen door een financiering uit eigen middelen van de gewesten. Dit is het principe van het fiscaal federalisme. In ruil verkregen de Franstaligen dat de regionalisering van het onderwijs niet op basis van de fiscaal federalisme zou worden gefinancierd, maar op basis van de noden en dus van het principe van een gelijke behandeling van elk kind. Het onderwijs werd dus op basis van de BTW gefinancierd. Het aantal leerlingen werd als verdeelsleutel gebruikt.
De heer Moureaux heeft er vanochtend reeds op gewezen dat de overheidsfinanciën zich toen in een kritieke toestand bevonden. Het netto financieringstekort van alle overheidsuitgaven samen is in de jaren tachtig opgelopen tot 13% van het bruto nationaal product en de overheidsschuld nam buitensporig toe. De politieke wereld was het erover eens dat de schuld en het netto financieringstekort moesten worden teruggebracht. Daarbij komt nog dat de criteria van Maastricht bepaalden dat het financieringstekort onder 3% moest liggen. Op alle niveaus moesten de overheidsfinanciën gezond worden gemaakt, maar de gemeenschappen werden voor het onderwijs vrijgesteld. Toen de gewesten en gemeenschappen middelen kregen om hun nieuwe bevoegdheden te financieren, werd niet het volledige bedrag overgeheveld, maar slechts 85,7%. Er was immers gebleken dat 14,3% van de uitgaven door leningen op federaal niveau werd gefinancierd en dat dit bedrag van de overgehevelde middelen moest worden afgetrokken. Het financieringstekort werd dus onder de deelgebieden en het federale niveau verdeeld. Voor onderwijs werd 100% van de middelen naar de gemeenschappen overgedragen.
Iedereen weet dat de gemeenschappen problemen hebben om het onderwijs te financieren. De Vlaamse Gemeenschap heeft de kwestie opgelost door het gewest en de gemeenschap te fuseren, zodat het onderwijs met gewestmiddelen kon worden gefinancierd.
Vervolgens is de economische situatie opgeklaard. De vorige regeringen hebben ervoor gezorgd dat de begroting kon worden gesaneerd. We hebben het niet langer over een financieringstekort, maar over een begrotingsurplus.
Natuurlijk moesten ook de gemeenschappen en gewesten kunnen profiteren van de economische groei die de federale begroting ten goede kwam. Om die reden moet de financieringswet worden herzien.
In 1993 werden in de Sint-Michielsakkoorden de delen van de personenbelasting die naar de gewesten en de gemeenschappen gingen progressief aan de toename van het BNP gekoppeld. Zo moest alleen het BTW-gedeelte van de financiering van de gemeenschappen nog aan de toename van het BNP worden gekoppeld. Daarover buigen we ons nu.
De regeling van 1989 werd voor een eerste maal geschonden met de Sint-Elooisakkoorden. Sinds 2000 wordt de regel "een kind is een kind" niet meer nageleefd. Bij de telling van het aantal leerlingen worden leerlingen van eer dan 18, de bissers en de trissers, die in de Franse Gemeenschap veel talrijker zijn, evenals de leerlingen die het voorwerp zijn van concurrerende schoolbusdiensten, niet meegerekend.
De heer Marcel Cheron (ECOLO). - Artikel 39, §2, van de wet van 1989 bepaalt dat het aantal leerlingen wordt vastgelegd aan de hand van bij wet vastgestelde objectieve criteria. Wanneer zal dit gebeuren?
De heer Michel Barbeaux (PSC). - Ik veronderstel dat die wet in 1998 had moeten worden goedgekeurd om in 1999 in werking te treden. De gemeenschappen konden vóór de verkiezingen moeilijk tot een akkoord komen. Het is ook jammer dat de huidige meerderheid het niet in 1999 heeft gedaan, zodat de Franse Gemeenschap dit jaar reeds het systeem kon genieten.
We kunnen binnen het kader van de Lambermontakkoorden instemmen met de koppeling van de BTW-bedragen aan 91% van het nationaal inkomen. We betreuren de keuze voor een nieuwe verdeelsleutel, die een ernstiger aanslag is op de principes en compromissen van 1989 dan de wetten over de Sint-Elooisakkoorden.
Ook bij het tweede deel met betrekking tot een grotere fiscale autonomie maken we voorbehoud. We zijn niet tegen de overdracht van gewestbelastingen. Ik heb in de Costa een nota opgesteld waarin ik pleitte voor de overdracht van alle gewestbelastingen naar de gewesten, al was het maar omdat een gewest de vruchten moet kunnen plukken van zijn eigen beleid, vooral dan inzake ruimtelijke ordening, urbanisme en huisvesting. De mogelijkheid van belangrijke verhogingen of verlagingen van de personenbelasting doet de vrees voor fiscale concurrentie toenemen.
De voorliggende tekst werd verbeterd door een reeks amendementen van de PSC die in de Kamer werden aangenomen. Om die reden heeft de PSC-fractie zich daar onthouden.
Toch wekt een aantal punten in het ontwerp onze bezorgdheid op. Ten eerste is het risico op fiscale concurrentie groot. Een van de belangrijkste punten van kritiek van de PSC-fractie in de Kamer op het originele ontwerp was dat er niet genoeg garanties waren dat de fiscale autonomie niet tot fiscale concurrentie zou leiden.
Veel lidstaten van de Europese Unie klagen over de fiscale concurrentie van andere lidstaten en streven naar een fiscale harmonisering. Ondertussen zet dit ontwerp de deur op een kier voor meer fiscale autonomie voor de gewesten.
Zo dreigt binnen België de fiscale concurrentie te ontstaan die men op Europees niveau tracht te vermijden. Dit lijkt me een risico voor de Franstaligen en de personen met een bescheiden inkomen.
Dankzij de fiscale autonomie kunnen de gewesten eigen fiscale niveaus vastleggen. Een gewest kan de belastingen verhogen, een ander kan ze verlagen. Ons studiecentrum heeft een berekening gemaakt van het theoretisch maximumverschil tussen de voorheffingen. Hierbij werd rekening gehouden met alle gewestbelastingen en opcentiemen en afcentiemen die momenteel mogelijk zijn. De conclusie was dat in 2004 tussen het noorden en het zuiden van het land een verschil van 300 miljard, hetzij 50.000 frank per belastingplichtige, mogelijk is.
Aangezien de fiscale autonomie betrekking heeft op belastingen met een mobiele belastinggrondslag, dreigen de verschillen in de belastingniveaus een verplaatsing van de belastinggrondslag van het gewest met hoge belastingen naar het gewest met lagere belastingen teweeg te brengen. Het gewest dat zijn belastingen heeft verlaagd, mag hopen dat de verminderde inkomsten worden gecompenseerd door een toename van het aantal belastingplichtigen. Het omgekeerde geldt voor het gewest met een hoog belastingsniveau.
Deze fiscale concurrentie heeft twee gevolgen. Enerzijds neemt de globale fiscale druk door de opeenvolgende verlagingen af. Hierdoor dalen de fiscale ontvangsten van de verschillende gewesten, waardoor de overheden over minder middelen beschikken om hun opdrachten te vervullen. Anderzijds neemt de ongelijkheid tussen de gewesten toe.
Bij fiscale concurrentie wint de rijkste altijd omdat hij meer ontvangsten heeft en minder uitgaven, met name op sociaal vlak. Hij kan dus van een deel van zijn ontvangsten afstand doen of ze op een interessante wijze investeren.
We weten dat er in België één gewest rijker is en twee armer. Dankzij de herfinanciering waarvan het via de gemeenschappen de vruchten plukt, zal het rijkere gewest ook in de toekomst rijker blijven.
Dit toont aan dat een verhoogde fiscale autonomie voor de gewesten gepaard moet gaan met garanties om te vermijden dat deze autonomie uitmondt in een toenemende ongelijkheid tussen de gewesten.
Tijdens de bespreking van het oorspronkelijke ontwerp van bijzondere wet bleek dat, gelet op de grootte van de toegekende autonomie, de ingebouwde garantie niet afdoende was om deze fiscale concurrentie tegen te gaan.
De economische theorie van het fiscaal federalisme en de realiteit in federale landen tonen aan dat het federale niveau en niet de deelgebieden moeten instaan voor de herverdeling van de welvaart door middel van belastingen. Om die reden moet de bevoegdheid inzake de progressiviteit van de belasting federaal blijven.
Het verbod voor de gewesten om de progressiviteit van de personenbelasting te verminderen is op enkele punten vatbaar voor kritiek. De definitie van het begrip progressiviteit, een cruciaal element van de wetgeving, kwam alleen in de memorie van toelichting voor en niet in de wettekst zelf. Dat was onaanvaardbaar. Ofwel zijn de gewesten door deze definities gebonden en staan ze in de tekst, ofwel zijn de gewesten niet gebonden en staat de deur open voor de ergste vorm van fiscale concurrentie, die is gericht op de hoge inkomens, die het makkelijkst worden verplaatst.
Gelukkig heeft de Kamer ons amendement aangenomen dat ertoe strekte de definitie van progressiviteit in de tekst op te nemen. Hierdoor is vanaf nu duidelijk dat deze definitie bindend is, temeer daar de regering zich achter onze definitie over de verschillende artikelen van het Wetboek van inkomstenbelasting heeft geschaard.
Nochtans vertoont de wetgeving voor de bescherming van de progressiviteit van de belasting nog gebreken. Tijdens de werkzaamheden in de Kamercommissie heeft de heer Poncelet een voorbeeld gegeven van een fiscale wetgeving die niet onder de voorgestelde wetgeving valt.
Ik heb deze opmerkingen tijdens de bespreking in de commissie herhaald. Zal de Vlaamse regering bijvoorbeeld kunnen beslissen een belastingverlaging toe te kennen aan alle personen die zich na een bepaalde datum in Vlaanderen hebben gevestigd? Of aan allen die na een bepaalde datum in Vlaanderen hebben gebouwd? Of aan alle zelfstandigen die zich in Vlaanderen vestigen? Noch de minister van Financiën, noch de vertegenwoordiger van de regering hebben op die vragen een antwoord gegeven. De reden is eenvoudig: het ontwerp verbiedt een dergelijke verlaging niet. Deze richt zich tot de hoogste inkomens, de enige die kunnen worden verplaatst. Het stimuleert de verplaatsing om fiscale redenen. Het gaat dus minstens om deloyale fiscale concurrentie. Valt de maatregel waarover ik het had, onder het concept van de deloyale fiscale concurrentie die in het ontwerp wordt verboden?
In het ontwerp werden ook concepten gebruikt die niet werden gedefinieerd. Hierdoor kon een gewest de weinige klippen omzeilen die de fiscale concurrentie verhinderden. De regering heeft onze definities aanvaard van de verschillende belastbare materies waarvoor de gewesten bevoegd worden. De fiscale concurrentie wordt zo een beetje meer ingeperkt.
Er stond echter ook geen sanctie op de schending van de regels die kwantitatieve limieten oplegden aan de fiscale autonomie van de gewesten inzake de inning van de personenbelasting. Volgens het ontwerp strekken de artikelen 6 en 9 van de wet ertoe kwantitatieve limieten op te leggen aan de macht van de gewesten om opcentiemen te innen, kortingen toe te kennen of belastingverhogingen op te leggen. Artikel 12 van het ontwerp, dat een nieuw artikel 9bis invoegt, stelt een a priori controle door het Rekenhof in. Deze was nogal zwak. We hebben twee amendementen ingediend om dit te verhelpen. Ook de meerderheid heeft deze amendementen aangenomen.
Een eerste amendement had tot doel ontwerpen en voorstellen van decreet die opcentiemen of afcentiemen opleggen en de amendementen op deze teksten aan het Rekenhof voor te leggen. Zo kan het verplicht advies van dit hof niet worden omzeild vooraleer in de commissie wordt gestemd. Dit advies staat in de weg van elk ontwerp van decreet dat onverenigbaar is met de financieringswet.
Dankzij ons tweede amendement op de bijzondere wet op het Arbitragehof maken de beroepen voor dit hof een echte controle mogelijk op het gebruik dat de gewesten maken van de fiscale autonomie die hen is toegekend. In de termijn van zes maanden, vastgelegd in artikel 3 van de bijzondere wet op het Arbitragehof, kan niet worden gecontroleerd of artikelen 6 en 9 van de wet werden geschonden. De grootte van de min- of meerontvangsten die voortkomen uit een decreet of een ordonnantie en de grootte van de totale ontvangsten van de personenbelasting kunnen pas na de inkohiering van de belasting worden beoordeeld. In de bijzondere wet op het Arbitragehof moest een specifieke termijn worden ingeschreven die niet tot zes maanden beperkt is en de eiser in staat moest stellen zijn beroep met kennis van zaken in te stellen, na het einde van de termijn voor de inkohiering van de belasting waarop de afcentiemen werden afgetrokken of de opcentiemen werden opgelegd.
Nu de meerderheid onze amendementen heeft aangenomen, zijn het Waals en Brussels gewest beter beschermd tegen een gevaarlijke fiscale concurrentie vanwege Vlaanderen, aangezien de herfinanciering van de gemeenschappen vooral de Franse gemeenschap ten goede komt.
Toch blijven er nog drie punten van kritiek over. Ten eerste veroorzaakt dit ontwerp een nieuwe breuk in de solidariteit tussen de gemeenschappen.
Zoals ik daarnet al zei, worden de bijkomende middelen niet langer toegekend op basis van het aantal leerlingen maar op basis van de rijkdom van elke gemeenschap. De rijkste gemeenschap zal van de federale regering dus meer krijgen per leerling dan de minst bemiddelde. Daarmee wordt de solidariteit doorbroken waarin door de bijzondere wet van 16 januari 1989 werd voorzien.
Volgens berekeningen van de CEPESS zal de Franse Gemeenschap door de wijziging van de verdeelsleutel in 2002 218 miljoen verliezen en tegen 2010 6,8 miljard. Dit is de tweede bres in de solidariteit, na die van het Sint-Elooisakkoord.
De heer Marcel Cheron (ECOLO). - De hypothese van de CEPESS is gebaseerd op een verdere differentiatie tussen de opbrengst van de personenbelasting in de verschillende gewesten. De PSC gaat er dus van uit dat de economische situatie in Wallonië er blijft op achteruitgaan.
De heer Michel Barbeaux (PSC). - Helemaal niet. Ik heb het nu niet over de personenbelasting maar over de BTW-opbrengst die aan de gemeenschappen wordt toegekend.
De heer Marcel Cheron (ECOLO). - U hebt het toch over de nieuwe verdeelsleutel die niet langer gebaseerd is op het aantal leerlingen, maar op het aandeel van de personenbelasting dat in elk van de gemeenschappen wordt geïnd - voor de Franse Gemeenschap betekent dat de personenbelasting die in Wallonië is gelokaliseerd -, vermeerderd met 80% van die welke in Brussel is gelokaliseerd.
Een hypothese die uitkomt op negatieve cijfers is dus gebaseerd op een daling van de personenbelasting in het zuiden van het land.
De heer Michel Barbeaux (PSC). - Helemaal niet. Indien de aandelen van de personenbelasting ongewijzigd blijven, is het duidelijk dat wij vandaag meer krijgen op basis van het aantal leerlingen dan op basis van de lokalisatie van de personenbelasting. Dat is trouwens wat de Vlaamse partijen ons verwijten. Zo niet hadden zij de verdeelsleutel op basis van het aantal leerlingen behouden. De nieuwe verdeelsleutel was een Vlaamse eis. Ze zal leiden tot een jaarlijks miljardenverlies voor de Franse Gemeenschap.
De heer Marcel Cheron (ECOLO). - Voor uw projectie tot 2010 gaat u uit van de hypothese dat de aandelen van de personenbelasting ongewijzigd blijven of dat de huidige trend zich doorzet, namelijk een daling van het aandeel van het zuiden van het land.
Er zijn ook andere hypotheses mogelijk.
De heer Michel Barbeaux (PSC). - Niettemin is het zo dat wat ook de evolutie is van de aandelen van de personenbelasting, de Franse Gemeenschap meer krijgt als de berekening gebeurt op basis van het aantal leerlingen.
Ik geef toe dat de omvang van de middelen die ze precies zal derven, zal afhangen van de evolutie van die aandelen in de personenbelasting, maar u moet toch erkennen dat het leerlingencriterium voor de Franstaligen voordeliger is.
De heer Marcel Cheron (ECOLO). - Dat weet ik. Maar u bent niet bij machte geweest om artikel 39, §2 van de bijzondere financieringswet te doen toepassen dat erop gericht was die verdeelsleutel op het einde van de overgangsperiode definitief vast te leggen.
De heer Michel Barbeaux (PSC). - Het was onmogelijk daarover een akkoord te bereiken vlak voor de verkiezingen, maar daarna zouden wij daar wel in geslaagd zijn. Ik denk dat wij het jaar 1999 niet zouden hebben vergeten.
Wie er in 1989 al bij was had er moeten op wijzen dat de financiering van de gewesten op basis van hun eigen aandeel in de personenbelasting werd toegezegd op voorwaarde dat de financiering van het onderwijs op het aantal leerlingen zou zijn gebaseerd. Dat was al een compromis.
De heer Marcel Cheron (ECOLO). - Er was geen koppeling met de groei. Wij hebben het mechanisme tweemaal moeten bijsturen.
De voorzitter. - Mijnheer Cheron, gelieve de spreker niet systematisch in de rede vallen.
De heer Marcel Cheron (ECOLO). - Ik doe dat niet systematisch.
De heer Michel Barbeaux (PSC). - Mijn tweede punt van kritiek betreft de vertraging in de herfinanciering van de gemeenschappen.
Rekening houdend met het huidige begrotingsbeleid van de Franse Gemeenschapsregering en de toegevingen die gedaan werden naar aanleiding van het Sint-Elooisakkoord, zal de voorgestelde herfinanciering niet volstaan om de Franse Gemeenschap in de komende jaren voor grote moeilijkheden te behoeden. Toch al hebben wij dit risico kunnen beperken, dankzij het akkoord dat onder de Franstaligen werd afgesloten om de overheveling van middelen van het Gewest naar de Gemeenschap tot in 2004 jaarlijks met 1,2 miljard te verhogen.
De herfinanciering waarin het Lambermontakkoord voorziet, bedraagt voor de jaren 1999 tot 2004 16,9 miljard, terwijl het netto te financieren saldo voor die periode meer dan 41,6 miljard bedraagt. De Hoge Raad voor Financiën staat slechts leningen toe ten belope van 23,7 miljard. Voor het jaar 2002 alleen is er een gat van meer dan 3,5 miljard.
Daarom is mijn vraag: waarom worden de maatregelen tot herfinanciering uitgesteld, ofschoon ze politiek samengaan met de fiscale autonomie, die onmiddellijk ingaat?
Bovendien zou een groot deel van de herfinanciering van de Lambermontakkoorden, meer bepaald 15,6 van de 16,9 miljard, dienen om de toegevingen van het Sint-Elooisakkoord te compenseren evenals de kosten voor de talrijke ministeriële kabinetten van de Franse Gemeenschap. De heer Cheron kan als lid van het Parlement van de Franse Gemeenschap mijn bedenkingen aan die instantie voorleggen.
De herfinanciering waarin nu wordt voorzien zal dus helemaal niet volstaan om de Franse Gemeenschap in de jaren 2002 en 2003 te behoeden voor financiële moeilijkheden.
De heer Philippe Monfils (PRL-FDF-MCC). - Mijnheer Barbeaux, ik heb er de tabellen van de interfrancofone onderhandelingen op nagelezen. Wat u zegt is fout. Voor het onderwijs en voor de leerkrachten worden er wel middelen uitgetrokken. Voor al het overige, zoals cultuur, blijft er zeer weinig over. Daarover ben ik het met u eens.
In 2003 is voor het geheel 163 miljoen uitgetrokken en voor 2004 577 miljoen. De cijfers die u aanhaalt met betrekking tot de scholen kloppen helemaal niet.
Voor 2002 zal alles worden opgeslorpt door de financiële moeilijkheden van de Gemeenschap, maar van meet af aan heeft u het leeuwendeel voor het onderwijs voorbehouden.
Persoonlijk heb ik altijd gezegd dat ik niet zo gelukkig was met de genomen beslissingen. Ik vind dat heel wat zaken verkeerd zijn aangepakt, ook door u, die deze interfrancofone onderhandeling heeft geëist. Het is volledig onjuist dat er vanaf 2003 geen geld meer zal zijn.
Voor de komende tien jaar gaat het toch om 140 miljard.
De heer René Thissen (PSC). - Mijnheer Monfils, u houdt geen rekening met het feit dat bij de verdeling van de marges een 75-25 verdeelsleutel werd gehanteerd. Momenteel is er op de begroting van de Franse Gemeenschap veel minder geld voor cultuur. Er komt dus een verbetering voor de onderdelen die vandaag de kleinste subsidies ontvangen.
De heer Philippe Monfils (PRL-FDF-MCC). - Dat is juist, maar 25% van een klein bedrag is nog niet veel. De podiumkunsten zijn goed voor 0,9%, het boek en de openbare bibliotheken 0,2%. Onderwijs krijgt 180 van de 240 miljard. Cultuur in zijn geheel is goed voor 2,4 miljard. Een verhoging met 25% van die luttele bedragen is helemaal geen herfinanciering.
Men had kunnen hopen op een grotere inhaalbeweging, maar precies door de toepassing van die 25-75 verdeelsleutel wordt het onderwijs nog bevoordeeld in verhouding tot de rest. De Gemeenschap dreigt een gemeenschap van het onderwijs te worden, wat niet aanvaardbaar is voor een politiek orgaan met een parlement en een regering.
De Senaat is niet de geëigende plaats om dit probleem te bespreken, maar het is niet toevallig dat alle andere betrokkenen, en niet die uit het onderwijs, hun opwachting maken voor het gebouw van de Franse Gemeenschap.
In het voorontwerp van decreet dat zal worden aangenomen zodra de Lambermontakkoorden door de beide kamers zijn aangenomen, zijn er niet onaardige weddeverhogingen voor de leerkrachten en verhogingen van de financiering in het algemeen. Dat is een goede zaak, maar men heeft de rest vergeten. Gelukkig is er nog een spaarpotje over voor de volgende generaties, dat kan aangesproken worden in geval van problemen in zake jeugd- en kinderzorg, maatschappelijk welzijn, cultuur en sport.
Ook in die domeinen is er een taak weggelegd voor de Franse Gemeenschap.
De heer Michel Barbeaux (PSC). - Wij gaan in de Senaat geen debat voeren over het budget van de Franse Gemeenschap, maar zoals de heer Thissen zei, wordt toch 25% van de bijkomende middelen voorbehouden voor uitgaven buiten het onderwijs, wat meer is dan nu. Daar komt nog 25% voor de toekomstige uitgaven bij, namelijk wat de regering niet aan de onderhandelingen met de PSC wou onderwerpen.
De heer René Thissen (PSC). - Niets belette de meerderheid nog meer voor te stellen, aangezien de huidige beslissing 25% van de marges betreft. Waarom heeft de Franstalige meerderheid, zonder de PSC, geen hoger percentage voorgesteld voor cultuur en de sport?
Wij zijn altijd bereid om daarover te praten, mijnheer Monfils.
De heer Michel Barbeaux (PSC). - Er kan niet ontkend worden dat dankzij de PSC de Gemeenschap ruimer en sneller geherfinancierd wordt als gevolg van het akkoord dat met de gewesten werd gesloten.
Mijn laatste punt betreft de structurele definanciering van het Brusselse Gewest.
Volgens ramingen van deskundigen en van de Brusselse regering heeft het Brusselse Gewest een herfinanciering nodig van 12 tot 18 miljard.
Daar wordt al jarenlang vruchteloos om gevraagd, tot de kans zich voordeed om die middelen in het kader van de Lambermont- en Lombardakkoorden eindelijk te krijgen. Tot nog toe is dat niet mogelijk gebleken, maar misschien wordt dat vanmiddag nog in de Kamer gerealiseerd.
Erger is dat het onderhavige ontwerp de wankele budgettaire toestand van het Gewest nog verder dreigt aan te tasten.
Aangezien Brussel meer dan de andere gewesten afhankelijk is van de gewestbelastingen en meer te vrezen heeft van een mogelijke fiscale concurrentie vanwege het Vlaams Gewest, dreigt een daling van de inkomsten, die tot 10% van de gewestbegroting kan bedragen, voor dit gewest rampzalige gevolgen te hebben.
De gewestbelastingen zijn immers goed voor 50% van de totale inkomsten van het Gewest. Uit een CEPESS-studie blijkt dat het merendeel van die gewestbelastingen zeer vluchtig zijn en tussen 1991 en 1999 een gemiddelde groei vertoonden die lager is dan de stijging van het BNP.
Aan die groei waren de inkomsten uit de personenbelasting gekoppeld die voortaan evenwel vervangen worden door de gewestbelastingen.
Dankzij een amendement dat door de PSC-fractie in de Kamer werd ingediend, moet op korte termijn worden verduidelijkt wat `bij ongewijzigd beleid' betekent voor de toepassing van het veiligheidsmechanisme waarmee moet vermeden worden dat een gewest na de overheveling van de gewestbelastingen een lager nominaal bedrag ontvangt. Naar onze mening zal dit evenwel onvoldoende zijn: het is zelfs geen waarborg dat het Brusselse Gewest tijdens de overgangsperiode, in reële waarde, evenveel middelen zal ontvangen als de ontoereikende middelen waarover het nu beschikt. Het Brusselse Gewest dreigt dus in even slechte papieren terecht te komen als de Franse Gemeenschap. Wegens de nabijheid van het fiscaal aantrekkelijker Vlaamse Gewest, is het generen van meer middelen via een belastingverhoging uitgesloten. Brussel zal dus over enkele jaren ook vragende partij zijn voor een herfinanciering, die opnieuw zal worden afgekocht met een beperktere solidariteit of een uitbreiding van de Vlaamse invloed in Brussel. Dat is wat wij met de onderhandelingen die momenteel in de Kamer aan de gang zijn, willen voorkomen.
Dit ontwerp bevat interessante elementen, meer bepaald wat de herfinanciering van de gemeenschappen betreft. Wij betreuren dat de herfinanciering niet vroeger optreedt, doch dankzij een interfrancofoon akkoord heeft de PSC dit enigszins kunnen bijsturen. Ook heeft de PSC een aantal bakens uitgezet met betrekking tot de fiscale autonomie, die door de meerderheid werden aanvaard. Toch blijven wij bezorgd over de herfinanciering van Brussel en betreuren wij het wegvallen van het leerlingencriterium voor de verdeling van de BTW-opbrengst. Daarom maken wij nog enig voorbehoud en dienen wij amendementen bij het ontwerp in.
-De algemene bespreking is gesloten.
(Voor de tekst aangenomen door de commissie voor de Institutionele Aangelegenheden, zie stuk 2-777/4.)
De voorzitter. - Volgende amendementen werden ingediend:
Opschrift
Amendement 80 van de heer Caluwé c.s. (Stuk 2-777/6)
Artikel 2
Amendement 1 van de heren Vandenberghe en Caluwé (Stuk 2-777/2)
Artikel 3
Amendement 2 van de heren Vandenberghe en Caluwé (Stuk 2-777/2)
Artikel 4
Amendement 3 van de heren Vandenberghe en Caluwé (Stuk 2-777/2)
Artikel 5
Amendement 4 van de heren Vandenberghe en Caluwé (Stuk 2-777/2)
Amendement 59 van de heer Van Hauthem (Stuk 2-777/2)
Artikel 6
Amendement 5 van de heren Vandenberghe en Caluwé (Stuk 2-777/2)
Amendement 30 van de heer Barbeaux, mevrouw Willame-Boonen en de heer Thissen (Stuk 2-777/2)
Amendement 60 van de heer Van Hauthem (Stuk 2-777/2)
Artikel 7
Amendement 6 van de heren Vandenberghe en Caluwé (Stuk 2-777/2)
Artikel 9
Amendementen 7 en 8 van de heren Vandenberghe en Caluwé (Stuk 2-777/2)
Amendement 61 van de heer Van Hauthem (Stuk 2-777/2)
Artikel 9bis (nieuw)
Amendement 9 van de heren Vandenberghe en Caluwé (Stuk 2-777/2)
Artikel 11
Amendementen 10 tot 12 van de heren Vandenberghe en Caluwé (Stuk 2-777/2)
Artikel 12
Amendementen 13 en 14 van de heren Vandenberghe en Caluwé (Stuk 2-777/2)
Amendement 43 van de heer Barbeaux c.s. (Stuk 2-777/2)
Amendement 62 van de heer Van Hauthem (Stuk 2-777/2)
Artikel 15
Amendement 63 van de heer Van Hauthem (Stuk 2-777/2)
Artikel 17
Amendement 15 van de heren Vandenberghe en Caluwé (Stuk 2-777/2)
Artikel 18
Amendement 64 van de heer Van Hauthem (Stuk 2-777/2)
Artikel 19
Amendement 66 van de heer Van Hauthem (Stuk 2-777/2)
Artikel 20
Amendement 45 van de heer Barbeaux c.s. (Stuk 2-777/2)
Amendement 67 van de heer Van Hauthem (Stuk 2-777/2)
Artikel 21
Amendement 46 van de heer Barbeaux c.s. (Stuk 2-777/2)
Amendement 68 van de heer Van Hauthem (Stuk 2-777/2)
Artikel 22
Amendement 47 de heer Barbeaux c.s. (Stuk 2-777/2)
Amendement 69 van de heer Van Hauthem (Stuk 2-777/2)
Artikel 25
Amendement 16 van de heren Vandenberghe en Caluwé (Stuk 2-777/2)
Amendement 65 van de heer Van Hauthem (Stuk 2-777/2)
Artikel 26
Amendement 17 van de heren Vandenberghe en Caluwé (Stuk 2-777/2)
Amendement 48 van de heer Barbeaux c.s. (Stuk 2-777/2)
Amendement 70 van de heer Van Hauthem (Stuk 2-777/2)
Artikel 27
Amendementen 71 en 72 van de heer Van Hauthem (Stuk 2-777/2)
Artikel 29
Amendement 18 van de heren Vandenberghe en Caluwé (Stuk 2-777/2)
Amendement 49 van de heer Barbeaux c.s. (Stuk 2-777/2)
Artikel 33
Amendement 19 van de heren Vandenberghe en Caluwé (Stuk 2-777/2)
Amendement 73 van de heer Van Hauthem (Stuk 2-777/2)
Artikel 34
Amendement 20 van de heren Vandenberghe en Caluwé (Stuk 2-777/2)
Artikel 35
Amendement 74 van de heer Van Hauthem (Stuk 2-777/2)
Artikel 37
Amendement 21 van de heren Vandenberghe en Caluwé (Stuk 2-777/2)
Artikel 40
Amendementen 75 en 76 van de heer Van Hauthem (Stuk 2-777/2)
Artikel 41
Amendement 77 van de heer Van Hauthem (Stuk 2-777/2)
Artikel 42
Amendement 51 van de heer Barbeaux c.s. (Stuk 2-777/2)
Amendement 78 van de heer Van Hauthem (Stuk 2-777/2)
Artikel 42bis (nieuw)
Amendement 52 van de heer Barbeaux c.s. (Stuk 2-777/2)
Artikel 45
Amendement 22 van de heren Vandenberghe en Caluwé (Stuk 2-777/2)
Artikel 54
Amendementen 23 en 24 van de heren Vandenberghe en Caluwé (Stuk 2-777/2)
Amendement 57 van de heer Barbeaux c.s. (Stuk 2-777/2)
Artikel 57
Amendement 58 van de heer Barbeaux c.s. (Stuk 2-777/2)
Artikel 57bis (nieuw)
Amendement 25 van de heren Vandenberghe en Caluwé (Stuk 2-777/2)
Artikel 57ter (nieuw)
Amendement 26 van de heren Vandenberghe en Caluwé (Stuk 2-777/2)
Artikel 58
Amendement 27 van de heren Vandenberghe en Caluwé (Stuk 2-777/2)
Amendement 79 van de heer Van Hauthem (Stuk 2-777/2)
(De tekst van de artikelen en van de amendementen wordt uitzonderlijk in de bijlage gepubliceerd.)
Mevrouw Mia De Schamphelaere (CVP). - De CVP-fractie heeft een hele reeks amendementen opnieuw ingediend. Uiteraard hopen we dat de senatoren ze met aandacht onderzoeken en hun stemgedrag erop afstemmen. We stellen ook een alternatief voor, namelijk het opschrift van de bijzondere wet wijzigen in het licht van een transparante democratie en een juiste voorlichting van de publieke opinie.
Het eerste amendement strekt ertoe het opschrift als volgt te vervangen: "Ontwerp van bijzondere wet tot vergroting van het consumptiefederalisme, tot afschaffing van de gemeenschapsbelasting en tot inperking van de fiscale bevoegdheden van de gewesten".
Ik verontschuldig me voor de technische uitleg die volgt, maar het is nu eenmaal een technisch ontwerp. Iedereen die hierover in eer en geweten moet stemmen moet weten waarover het gaat.
Ten eerste, het consumptiefederalisme. De verhoging van de BTW-dotatie voor de financiering van de gemeenschappen is een bevestiging en versterking van het consumptiefederalisme.
Van de bestaande dotatie werd niets omgezet in een overdracht van de personenbelasting, laat staan in een gehele of gedeeltelijke autonomie. Slechts voor de bijkomende financiering door de federale overheid van de gemeenschappen wordt op heel lange termijn, het ontwerp gewaagt van 2012, voorzien in een verdeling volgens de verdeelsleutel op grond van de personenbelasting. De bijkomende dotatie die voor de periode tussen 2007 en 2011 aan de groei wordt gekoppeld, komt de facto neer op het welvaartsvast maken van de BTW-dotatie voor de gemeenschappen vanaf 2002. Op het einde van de rit, dus vanaf 2012, wordt de integrale dotatie bovendien ook aan de groei gekoppeld. Op die manier moeten de financieringsproblemen van de Franse Gemeenschap definitief van de baan zijn. Meteen is, mijnheer Vankrunkelsven, ook elke stof voor verdere onderhandelingen weggenomen.
Had men geopteerd voor echte fiscale autonomie, dan had men ook geopteerd voor de omzetting van de BTW-dotatie in een eigen bevoegdheid voor de gemeenschappen in verband met de personenbelasting, wat toelaat met een eigen fiscaal beleid budgettaire middelen te genereren.
Kortom, van de invoering van de gemeenschapsfiscaliteit is geen sprake. Zeker gelet op de ontzettend lange termijn waarvoor de nieuwe ingrepen in de financieringswet zullen gelden, is dit institutioneel en politiek perfect mogelijk en wenselijk. In de plaats wordt zelfs de bestaande gemeenschapsbelasting afgeschaft.
Ten tweede, volgens de titel van het ontwerp is het de bedoeling om de fiscale bevoegdheden van de gewesten uit te breiden. De vraag rijst of dit ontwerp daaraan beantwoordt en of de fiscale bevoegdheden van de gewesten ten aanzien van de personenbelasting niet eerder beperkt dan verruimd zijn en ook of de regeling niet dergelijke hefbomen biedt aan de andere gewesten en de federale overheid om voorgenomen belastingvermeerderingen of - verminderingen tot inzet te maken van nieuwe politieke onderhandelingen en toegevingen.
Op het ogenblik hebben de gewesten de mogelijkheid opcentiemen of kortingen in te voeren. Op deze fiscale gewestbevoegdheid bestaat één inhoudelijk beperking - er mag geen afbreuk worden gedaan aan het recht van de gemeenten om opcentiemen en aanvullende belastingen te heffen - één strikt omschreven mogelijkheid voor de federale overheid om deze bevoegdheid te beperken - bijvoorbeeld de vaststelling van maximumpercentages ter vrijwaring van de economische en monetaire unie - en één vrij zwakke procedurele voorwaarde. Het huidige systeem is duidelijk veel minder stringent dan het nieuwe en biedt de gewesten de nodige ruimte om belastingverhogingen en - verlagingen toe te staan.
Een belangrijk inhoudelijk verschil is dat de kortingen in de huidige bijzondere financieringswet op geen enkele manier zijn gekoppeld aan de bevoegdheden van de gewesten. De nieuwe wet voert die koppeling wel in. Dat betekent bijvoorbeeld dat een forfaitaire en lineaire belastingkorting, zoals opgenomen in het Vlaams decreet van 22 december 2000, strijdig zal zijn met de voorgenomen wijziging van de financieringswet. Het decreet legt immers geen duidelijke link tussen de korting en bijvoorbeeld ruimtelijke ordening, leefmilieu en waterbeleid, huisvesting, landbouw of economisch beleid. Gelet op deze nieuwe, fundamentele beperking zal het voor de gewesten uiterst moeilijk zijn nog algemene belastingverlagingen in te voeren.
Deze gewestbevoegdheid boet ook in aanzienlijke mate aan belang in door het ontbreken van een formeel verbod voor de federale wetgever op belastingverminderingen of - vermeerderingen die verband houden met de bevoegdheden van de gewesten. Door deze mogelijkheid voor de federale wetgever open te houden kunnen de gewestelijke belastingbevoegdheden de facto volledig worden uitgehold. Opmerkelijk is dat het uitgebreide monitoringsysteem niet speelt wanneer de federale wetgever een dergelijke maatregel overweegt.
In de huidige regeling heeft de federale overheid slechts de mogelijkheid om een maximumpercentage vast te leggen waarbinnen de gewesten van hun fiscale bevoegdheid gebruik kunnen maken, maar tot nog toe werd deze mogelijkheid nooit gebruikt, zodat voor de gewesten geen stringente beperking gold. Volgens de nieuwe regeling moeten deze percentages echter in de bijzondere wet worden opgenomen. Naast deze duidelijk kwantificeerbare en stringente beperking wordt bovendien de uitsluiting van deloyale concurrentie als bijkomende beperking vermeld. Belastingverminderingen en - vermeerderingen binnen de vooropgestelde percentages worden met andere woorden niet automatisch beschouwd als loyale concurrentie. De federale regering en de overige gewesten houden op die manier een slag om de arm om politiek en juridisch bezwaar te maken tegen een belastingvermindering van een ander gewest.
Ook de formele beperkingen op de fiscale bevoegdheden van de gewesten zijn niet van die aard om de uitoefening van deze bevoegdheid te vergemakkelijken. Bovendien geven ze de andere gewesten en de federale overheid en instellingen een belangrijke vinger in de pap. Allereerst is er het controlesysteem op de technische uitvoerbaarheid van de geplande maatregel. Of de maatregelen waartoe de mogelijkheden in abstracto door de bijzondere wetgever worden geschapen ook technisch uitvoerbaar zijn, moet vooraf worden ingeschat en geëvalueerd. De technische uitvoerbaarheid is bovendien een erg rekbaar en problematisch begrip. Hoewel deze controle geen opportuniteitsoordeel mag inhouden, is het risico inderdaad niet denkbeeldig dat niet-opportuun geachte maatregelen onder het mom van technische onuitvoerbaarheid worden afgeblokt.
Als dan de geplande belastingverhoging of - verlaging technisch uitvoerbaar blijkt, moet hij vooraf ook nog een aantal andere politieke toetsten doorstaan. Allereerst moet de maatregel worden meegedeeld aan de federale regering en aan de andere gewestregeringen. Deze regeling houdt een politieke degradatie in van het gewestparlement tegenover de uitvoerende machten van de federale overheid en de andere gewesten. De belastingvermindering of - vermeerdering op initiatief van een deelstaatparlement moet vóór de goedkeuring in de commissie worden gemeld aan deze regeringen. Het deelstaatparlement wordt dus in zijn meest essentiële functie, namelijk binnen de beperkte marge van zijn bevoegdheden beslissen over de middelen van zijn overheid en over de belastingdruk, bevoogd door regeringen van andere overheden.
Vervolgens wordt de uitgewerkte regeling aan een zeer strenge screening door het Rekenhof onderworpen. Uitgezonderd voor de percentages, moet het Rekenhof deze screening doen aan de hand van vrij vage en voor interpretatie vatbare criteria, zoals fiscale loyauteit en naleving van het principe van de progressiviteit.
Duidelijk is dat al deze logge principes meebrengen dat het ene gewest bij de uitoefening van zijn fiscale autonomie sterk kan worden gehinderd door de andere gewesten en de federale overheid. Met andere woorden, de fiscale autonomie van de nieuwe wet wordt in praktijk en in rechte uitgehold en zeker niet uitgebreid. Vandaar ons voorstel om het opschrift van deze bijzondere wet te wijzigen.
Ten derde stellen we vast dat er evenmin een substantiële uitbreiding komt van de fiscale verantwoordelijkheid van de gewesten inzake de gewestelijke belastingen. De zogenaamde gewestelijke belastingen blijven eigenlijk een "rijksbelasting" waarover de gewesten bepaalde bevoegdheden kunnen uitoefenen. Principieel gaat het immers nog steeds om instrumenten ter financiering van de gewesten op basis van artikel 175 van de Grondwet en niet om autonome belastingen op basis van artikel 170. Zo is het allerminst zeker dat een gewest autonoom een door de bijzondere financieringswet omschreven belasting zonder meer kan schrappen. Het Vlaams Gewest kan bijvoorbeeld juridisch-technisch het kijk- en luistergeld niet afschaffen. Dit vereist immers een wijziging van de bijzondere wet, waarover de gewesten geen enkele zeggenschap hebben. Veel beter ware geweest de zogenaamde gewestbelasting uit de financieringswet te lichten en er echte belastingen van de gewesten van te maken. Ook daarom stellen we voor het opschrift van het ontwerp te wijzigen. (Applaus)
De voorzitter. - Mevrouw De Schamphelaere, mag ik eraan herinneren dat u maar over vijf minuten tijd beschikt om een amendement toe te lichten?
De heer Hugo Vandenberghe (CVP). - Verschillende leden van de CVP-fractie hebben amendementen die in de commissie werden besproken, opnieuw ingediend. Voor de verantwoording van al deze amendementen verwijzen we naar het document en naar het commissieverslag.
De heer Joris Van Hauthem (VL. BLOK). - De verantwoording voor mijn amendement 59 op artikel 5 geldt eveneens voor mijn volgende amendementen.
Net als bij het ontwerp van bijzondere wet over de bevoegdheden, hebben leden van de Vlaams-Blokfractie amendementen ingediend die uitgingen van de filosofie vervat in de resolutie van het Vlaams Parlement en meer in het bijzonder van het tweeledige federalisme op basis van de twee grote gemeenschappen van dit land, dat in die resolutie wordt bepleit.
Dit geldt ook voor dit amendement. We stellen voor de gewestelijke belastingen te vervangen door deelstaatbelastingen. Voor de belastingen van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en voor de Duitstalige Gemeenschap zou de federale overheid bevoegd blijven.
Voor de toelichting bij mijn volgende amendementen verwijs ik naar de schriftelijke verantwoording in het verslag van de commissie.
De heer Michel Barbeaux (PSC). - Ik verdedig amendement 48 op artikel 26. Het is een fundamenteel amendement dat in een snellere herfinanciering van de gemeenschappen voorziet om een duurzaam parallellisme aan te houden met de fiscale autonomie.
Amendement 49 op artikel 29 is al even fundamenteel en beoogt de verdeling van de toename van de BTW-opbrengst op basis van het aantal kinderen en niet op basis van de verdeelsleutel die betrekking heeft op de personenbelasting.
Voor amendement 51 op artikel 42 verwijs ik naar mijn schriftelijke verantwoording.
Amendement 52 strekt ertoe een artikel 42bis in te voegen om een bijkomende financiering te verzekeren voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Wij hopen dat we dit amendement zullen kunnen intrekken als gevolg van een akkoord dat in de Kamer moet worden gesloten.
De heer Joris Van Hauthem (VL. BLOK). - Ik wil amendement nummer 79 op artikel 58 toelichten. Dit amendement gaat over de gelijktijdige inwerkingtreding van deze wet en de bijzondere wet houdende overdracht van diverse bevoegdheden aan de gewesten en de gemeenschappen.
Waarom werd een bepaling over de gelijktijdige inwerkingtreding niet voorzien, indien beide ontwerpen als één geheel worden beschouwd?
In de commissie verklaarde een aantal leden het voorliggend ontwerp te zullen goedkeuren op voorwaarde dat het ontwerp in verband met de bevoegdheidsoverdracht in de Kamer wordt goedgekeurd. Indien een bepaling over de gelijktijdige inwerkingtreding wordt aangenomen, is er geen probleem in verband met de timing tussen de Kamer en de Senaat.
Wat zullen we morgen doen, indien een stemming in de Kamer uitblijft? Zullen we wachten? Of zal een fractie op een bepaald moment de stemming over het ontwerp moeten vragen?
De voorzitter heeft in het Bureau gezegd dat er ongeschreven wetten zijn in de Belgische politiek. Ik vraag me af wat we morgen zullen doen. Zal de stemming eventueel worden verdaagd tot volgende week?
De voorzitter. - Dat is een goede vraag. Er is een andere universele regel: "Un fait vaut plus qu'un lord-maire". We zullen dus afwachten en zien hoe het morgen zal verlopen.
-De stemming over de amendementen en over de artikelen wordt aangehouden.
-De aangehouden stemmingen en de stemming over het wetsontwerp in zijn geheel hebben later plaats.
De voorzitter. - De agenda van deze vergadering is afgewerkt.
De volgende vergaderingen vinden plaats donderdag 28 juni 2001 om 10 uur en om 15 uur.
(De vergadering wordt gesloten om 17.00 uur.)
Opschrift
Amendement 80 van de heer Caluwé c.s. (Stuk 2-777/6)
Het opschrift vervangen als volgt:
"Ontwerp van bijzondere wet tot vergroting van het consumptiefederalisme, tot afschaffing van de gemeenschapsbelasting en tot inperking van de fiscale bevoegdheden van de gewesten".
Artikel 2
In artikel 1, §1, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten, gewijzigd bij de bijzondere wet van 16 juli 1993 tot vervollediging van de federale staatsstructuur, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1º punt 1ºbis wordt opgeheven;
2º er wordt een 2ºbis ingevoegd, luidende:
"2ºbis. een dotatie ter compensatie van het kijk- en luistergeld;".
Amendement 1 van de heren Vandenberghe en Caluwé (Stuk 2-777/2)
Dit artikel doen vervallen.
Artikel 3
In dezelfde bijzondere wet wordt een artikel 1bis ingevoegd, luidend als volgt:
"Artikel 1bis. - De uitwisseling van informatie in het kader van de uitoefening van de fiscale bevoegdheden van de gewesten bedoeld in deze wet en van de federale overheid wordt geregeld bij een samenwerkingsakkoord zoals bedoeld in artikel 92bis, §3 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen.".
Amendement 2 van de heren Vandenberghe en Caluwé (Stuk 2-777/2)
In het voorgestelde artikel 1bis de woorden "bedoeld in deze wet" vervangen door de woorden "bedoeld in artikel 6 van deze wet".
Artikel 4
In dezelfde bijzondere wet wordt een artikel 1ter ingevoegd, luidend als volgt:
"Artikel 1ter. - De uitoefening van de fiscale bevoegdheden van de gewesten bedoeld in deze wet gebeurt met inachtname van het principe van vermijding van dubbele belasting.
Bij een door het gewest gegrond geacht verzoek houdende vermijding van dubbele belasting treedt dit gewest in overleg met de andere betrokken overheden teneinde de belastingheffing die strijdig is met het in het eerste lid vermelde principe ongedaan te maken.".
Amendement 3 van de heren Vandenberghe en Caluwé (Stuk 2-777/2)
Het eerste lid van het voorgestelde artikel 1ter vervangen door de volgende bepaling:
"De uitoefening van de fiscale bevoegdheden die bij deze wet aan de gewesten worden opgedragen, mag niet tot dubbele belasting leiden."
Artikel 5
Artikel 3 van dezelfde bijzondere wet, gewijzigd bij de bijzondere wet van 16 juli 1993, wordt vervangen als volgt:
"Art. 3. - Volgende belastingen zijn gewestelijke belastingen:
1º de belasting op de spelen en weddenschappen;
2º de belasting op de automatische ontspanningstoestellen;
3º de openingsbelasting op de slijterijen van gegiste dranken;
4º het successierecht van rijksinwoners en het recht van overgang bij overlijden van niet-rijksinwoners;
5º de onroerende voorheffing;
6º het registratierecht op de overdrachten ten bezwarende titel van in België gelegen onroerende goederen met uitsluiting van de overdrachten die het gevolg zijn van een inbreng in een vennootschap behalve voorzover het een inbreng betreft door een natuurlijk persoon van een woning in een Belgische vennootschap;
7º het registratierecht op:
a) de vestiging van een hypotheek op een in België gelegen onroerend goed;
b) de gedeeltelijke of gehele verdelingen van in België gelegen onroerende goederen, de afstanden onder bezwarende titel, onder mede-eigenaars, van onverdeelde delen in soortgelijke goederen, en de omzettingen bedoeld in de artikelen 745quater en 745quinquies van het Burgerlijk Wetboek, zelfs indien er geen onverdeeldheid is;
8º het registratierecht op de schenkingen onder de levenden van roerende of onroerende goederen;
9º het kijk- en luistergeld;
10º de verkeersbelasting op de autovoertuigen;
11º de belasting op de inverkeerstelling;
12º het eurovignet.
Deze belastingen zijn onderworpen aan de bepalingen van de artikelen 4, 5, 8 en 11.".
Amendement 4 van de heren Vandenberghe en Caluwé (Stuk 2-777/2)
Dit artikel doen vervallen.
Amendement 59 van de heer Van Hauthem (Stuk 2-777/2)
In het voorgestelde artikel 3 de volgende wijzigingen aanbrengen:
A) in het eerste lid, de woorden "gewestelijke belastingen" vervangen door het woord "deelstaatbelastingen";
B) het eerste lid aanvullen als volgt:
"13º alle belastingen die op 10 juli 2002 nog Rijksbelastingen zijn";
C) tussen het eerste en het tweede lid het volgende lid invoegen:
"De federale overheid is bevoegd voor de inning, de aanslagvoet, de heffingsgrondslag en de vrijstellingen van de in het eerste lid bedoelde belastingen die geheven dienen te worden in het Brussels Hoofdstedelijk Gebied."
Artikel 6
Artikel 4 van dezelfde bijzondere wet, gewijzigd bij de bijzondere wet van 16 juli 1993, wordt vervangen als volgt:
"Art. 4. - §1. De gewesten zijn bevoegd om de aanslagvoet, de heffingsgrondslag en de vrijstellingen van de in artikel 3, eerste lid, 1º tot 4º en 6º tot 9º bedoelde belastingen te wijzigen.
§2. De gewesten zijn bevoegd om de aanslagvoet, de heffingsgrondslag en de vrijstellingen van de in artikel 3, eerste lid, 5º, bedoelde belasting te wijzigen. Het federaal kadastraal inkomen kunnen ze echter niet wijzigen. Het gezamenlijk beheer van de gegevens van de patrimoniale documentatie gebeurt bij wege van een samenwerkingsakkoord zoals bedoeld in artikel 92bis, §3 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen.
§3. De gewesten zijn bevoegd om de aanslagvoet, de heffingsgrondslag en de vrijstellingen van de in artikel 3, eerste lid, 10º en 11º, bedoelde belastingen te wijzigen. Ingeval de belastingplichtige van deze belastingen een vennootschap, zoals bedoeld in de wet van 7 mei 1999 houdende het Wetboek van vennootschappen, een autonoom overheidsbedrijf of een vereniging zonder winstgevend doel met leasingactiviteiten is, is de uitoefening van deze bevoegdheden afhankelijk van een voorafgaandelijk tussen de drie gewesten te sluiten samenwerkingsakkoord zoals bedoeld in artikel 92bis, §2, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen.
§4. De gewesten zijn bevoegd om de aanslagvoet, de heffingsgrondslag en de vrijstellingen van de in artikel 3, eerste lid, 12º, bedoelde belasting te wijzigen. Voor voertuigen die in het buitenland zijn ingeschreven, is de uitoefening van deze bevoegdheden afhankelijk van een voorafgaandelijk tussen de drie gewesten te sluiten samenwerkingsakkoord zoals bedoeld in artikel 92bis, §2, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen.
§5. Bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en genomen na overleg met de betrokken gewestregeringen, regelt de Koning de toewijzing van de nalatigheidsinteresten, de last van de verwijlinteresten alsook de toewijzing van de forfaitaire en proportionele fiscale boeten op de belastingen bedoeld in artikel 3 zolang de federale overheid de dienst van deze belastingen verzekert.".
Amendement 5 van de heren Vandenberghe en Caluwé (Stuk 2-777/2)
Dit artikel doen vervallen.
Amendement 30 van de heer Barbeaux, mevrouw Willame-Boonen en de heer Thissen (Stuk 2-777/2)
In het voorgestelde artikel 4, §2 weglaten..
Amendement 60 van de heer Van Hauthem (Stuk 2-777/2)
Het voorgestelde artikel 4 vervangen als volgt:
"Art. 4. - De deelstaten zijn bevoegd inzake de aanslagvoet, de heffingsgrondslag en de vrijstellingen van de in artikel 3 bedoelde belastingen."
Artikel 7
In artikel 5 van dezelfde bijzondere wet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1º §1, gewijzigd bij de bijzondere wet van 16 juli 1993, wordt vervangen als volgt:
"§1. De in artikel 3 bedoelde belastingen worden aan de gewesten toegewezen in functie van hun lokalisatie.".
2º §2, 4º, wordt vervangen als volgt:
"4º - het successierecht van rijksinwoners: op de plaats waar de overledene, op het ogenblik van zijn overlijden, zijn fiscale woonplaats had. Als de fiscale woonplaats van de overledene tijdens de periode van vijf jaar voor zijn overlijden op meer dan één plaats in België gelegen was: op de plaats in België waar zijn fiscale woonplaats tijdens de voormelde periode het langst gevestigd was;
- het recht van overgang bij overlijden van niet-rijksinwoners: in het gewest waar de goederen gelegen zijn; indien zij gelegen zijn in meerdere gewesten, in het gewest waartoe het ontvangstkantoor behoort in wiens ambtsgebied het deel van de goederen met het hoogste federaal kadastraal inkomen gelegen is;";
3º §2, 6º, wordt vervangen als volgt:
"6º het registratierecht op de overdrachten ten bezwarende titel van in België gelegen onroerende goederen met uitsluiting van de overdrachten die het gevolg zijn van een inbreng in een vennootschap behalve voorzover het een inbreng betreft door een natuurlijk persoon van een woning in een Belgische vennootschap: op de plaats waar het onroerend goed gelegen is.
Als bij een ruil onroerende goederen in meerdere gewesten gelegen zijn: in het gewest waartoe het ontvangstkantoor behoort in wiens ambtsgebied het deel van de goederen met het hoogste federaal kadastraal inkomen gelegen is;";
4º §2, 7º, wordt vervangen als volgt:
"7º - het registratierecht op de vestiging van een hypotheek op een in België gelegen onroerend goed: op de plaats waar het onroerend goed gelegen is. Indien, bij eenzelfde handeling, de onroerende goederen in meerdere gewesten gelegen zijn: in het gewest waartoe het ontvangstkantoor behoort in wiens ambtsgebied het deel van de goederen met het hoogste federaal kadastraal inkomen gelegen is;
- het registratierecht op de gedeeltelijke of gehele verdelingen van in België gelegen onroerende goederen, de afstanden onder bezwarende titel, onder mede-eigenaars, van onverdeelde delen in soortgelijke goederen, en de omzettingen bedoeld in de artikelen 745quater en 745quinquies van het Burgerlijk Wetboek, zelfs indien er geen onverdeeldheid is: op de plaats waar het onroerend goed gelegen is;";
5º §2 wordt aangevuld als volgt:
"8º - het registratierecht op de schenkingen onder de levenden van roerende of onroerende goederen door een rijksinwoner: op de plaats waar de schenker, op het ogenblik van de schenking, zijn fiscale woonplaats heeft. Als de fiscale woonplaats van de schenker tijdens de periode van vijf jaar voor zijn schenking op meer dan één plaats in België gelegen was: op de plaats in België waar zijn fiscale woonplaats tijdens de voormelde periode het langst gevestigd was;
- het registratierecht op de schenkingen onder de levenden van in België gelegen onroerende goederen door een niet-rijksinwoner: op de plaats waar het onroerend goed gelegen is;
9º het kijk- en luistergeld: op de plaats waar het televisietoestel wordt gehouden en, wat de toestellen in autovoertuigen betreft, op de plaats waar de houder van het toestel gevestigd is;
10º de verkeersbelasting: op de plaats waar de natuurlijke persoon of rechtspersoon gevestigd is op wiens naam het voertuig ingeschreven is of moet zijn.
Wanneer de belastingschuldige, natuurlijke persoon of rechtspersoon, in België geen woonplaats of maatschappelijke zetel heeft, wordt de belasting geacht gelokaliseerd te zijn op de plaats van zijn verblijfplaats of voornaamste inrichting in België;
11º de belasting op de inverkeerstelling: op de plaats waar de natuurlijke persoon of rechtspersoon gevestigd is op wiens naam het voertuig ingeschreven is of moet zijn;
12º het eurovignet: op de plaats waar de natuurlijke persoon of rechtspersoon gevestigd is op wiens naam het voertuig ingeschreven is of moet zijn.
Het gedeelte van het eurovignet dat betrekking heeft op voertuigen die voorzien zijn van een inschrijvingskenteken uitgereikt door de autoriteiten van andere landen dan de lidstaten die deelnemen aan het eurovignetsysteem en dat aan België wordt toegekend, en het gedeelte van het eurovignet dat betrekking heeft op voertuigen die voorzien zijn van een inschrijvingskenteken uitgereikt door de autoriteiten van andere lidstaten dan België die deelnemen aan het eurovignetsysteem: worden geacht gelokaliseerd te zijn in elk gewest naar verhouding van zijn aandeel in het belastbaar wegennet zoals bepaald in het koninklijk besluit van 8 september 1997 tot bepaling van het wegennet waarop het eurovignet van toepassing is.";
6º §2bis, ingevoegd bij de bijzondere wet van 16 juli 1993, wordt opgeheven;
7º §3, vervangen bij de bijzondere wet van 16 juli 1993, wordt vervangen als volgt:
"§3. Tenzij het gewest er anders over beslist, zorgt de Staat met inachtneming van de door hem vastgestelde procedureregels kosteloos voor de dienst van de in artikel 3, eerste lid, 1º tot 8º en 10º tot 12º bedoelde belastingen voor rekening van en in overleg met het betrokken gewest. Vanaf het tweede begrotingsjaar volgend op de datum van notificatie van de gewestregering aan de federale regering van de beslissing tot het zelf verzekeren van de dienst van de betrokken belastingen, zorgt het betrokken gewest voor de dienst van deze belastingen. De overheveling van de dienst van de belastingen naar een gewest kan slechts per groep van belastingen geschieden:
- de in artikel 3, eerste lid, 1º tot 3º, bedoelde belastingen;
- de in artikel 3, eerste lid, 5º, bedoelde belasting;
- de in artikel 3, eerste lid, 4º en 6º tot 8º, bedoelde belastingen;
- de in artikel 3, eerste lid, 10º tot 12º bedoelde belastingen.
De gewesten staan ten minste tot en met 31 december 2003 in voor de dienst van de belastingen waarvoor zij reeds vóór de inwerkingtreding van de bijzondere wet van ... tot herfinanciering van de gemeenschappen en uitbreiding van de fiscale bevoegdheden van de gewesten instonden.
Zolang de federale overheid de dienst van de in artikel 3, eerste lid, 1º tot 8º en 10º tot 12º, bedoelde belastingen verzekert, wordt de overlegprocedure met betrekking tot de technische uitvoerbaarheid van de voorgenomen wijzigingen inzake voormelde gewestelijke belastingen bepaald in het in artikel 1bis bedoelde samenwerkingsakkoord.";
8º er wordt een §3bis ingevoegd, luidende als volgt:
"§3bis. Tenzij het gewest er anders over beslist, zorgen de gemeenschappen tot en met 31 december 2004, met inachtneming van de door de Staat vastgestelde procedureregels, voor de dienst van de in artikel 3, eerste lid, 9º, bedoelde belasting voor rekening van en in overleg met de gewesten. De gemeenschaps- en gewestregeringen sluiten een overeenkomst om de inningskosten te bepalen.";
9º §4 wordt vervangen als volgt:
"§4. De gewesten zijn bevoegd voor de vaststelling van de administratieve procedureregels met betrekking tot de in artikel 3 bedoelde belastingen met ingang van het begrotingsjaar vanaf hetwelk zij de dienst van de belastingen verzekeren.".
Amendement 6 van de heren Vandenberghe en Caluwé (Stuk 2-777/2)
Dit artikel doen vervallen.
Artikel 9
In artikel 6, §2, eerste lid, van dezelfde bijzondere wet, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1º de bepaling onder 3º wordt vervangen als volgt:
"3º waarop de gewesten, op basis van de lokalisatie van die belastingen, opcentiemen kunnen heffen respectievelijk kortingen kunnen toestaan die beide worden toegepast op alle personen die personenbelasting verschuldigd zijn en voorzover deze verminderingen het bedrag van de toegewezen opbrengst niet overschrijden. Die opcentiemen of kortingen worden niet in aanmerking genomen bij het vaststellen van de grondslag voor de berekening van de aanvullende gemeentebelasting.";
2º er wordt een 4º toegevoegd, luidend als volgt:
"4º en waarop de gewesten, op basis van de lokalisatie van die belastingen, algemene belastingverminderingen en -vermeerderingen kunnen invoeren die verbonden zijn aan de bevoegdheden van de gewesten. Die algemene belastingverminderingen of -vermeerderingen worden niet in aanmerking genomen bij het vaststellen van de grondslag voor de berekening van de aanvullende gemeentebelasting. De belastingverminderingen nemen de vorm aan van een aftrek ten aanzien van de verschuldigde personenbelasting en niet de vorm van een vermindering van de belastinggrondslag. De belastingvermeerderingen nemen de vorm aan van een verhoging ten opzichte van de verschuldigde personenbelasting en niet die van een verhoging van de belastbare grondslag.".
Amendement 7 van de heren Vandenberghe en Caluwé (Stuk 2-777/2)
In 2º, in het voorgestelde artikel 6, §2, eerste lid, 4º, na de woorden "de verschuldigde personenbelasting" telkens de woorden "of vennootschapsbelasting" invoegen.
Amendement 8 van de heren Vandenberghe en Caluwé (Stuk 2-777/2)
In het voorgestelde artikel 6, §2, eerste lid, 4º, de woorden "algemene" doen vervallen.
Amendement 61 van de heer Van Hauthem (Stuk 2-777/2)
Dit artikel vervangen als volgt:
"Art. 9. - Artikel 6 van dezelfde bijzondere wet wordt opgeheven."
Artikel 9bis (nieuw)
Amendement 9 van de heren Vandenberghe en Caluwé (Stuk 2-777/2)
Een artikel 9bis (nieuw) invoegen, luidend als volgt:
"Art. 9bis. - In artikel 6, §2, tweede lid, van dezelfde bijzondere wet worden na het woord "personenbelasting" de woorden "en de vennootschapsbelasting" toegevoegd."
Artikel 11
Artikel 9, §1, van dezelfde bijzondere wet wordt vervangen als volgt:
"§1. De invoering van algemene belastingverminderingen of -vermeerderingen, opcentiemen of kortingen, bedoeld in artikel 6, §2, eerste lid, 3º en 4º, wordt door de betrokken gewestregering voorafgaandelijk meegedeeld aan de federale regering en de andere gewestregeringen.
De overlegprocedure met betrekking tot de technische uitvoerbaarheid van de invoering van algemene belastingverminderingen of -vermeerderingen, bedoeld in artikel 6, §2, eerste lid, 4º, wordt bepaald in het in artikel 1bis bedoelde samenwerkingsakkoord.
Voor het totaal van de in het eerste lid bedoelde algemene belastingverminderingen en -vermeerderingen, opcentiemen en kortingen geldt een globaal maximumpercentage. Dit maximumpercentage bedraagt 3,25% vanaf 1 januari 2001 en 6,75% vanaf 1 januari 2004 van de in elk gewest gelokaliseerde opbrengst van de personenbelasting zoals bedoeld in artikel 7, §2. Zonder dit maximumpercentage te overschrijden kunnen de gewesten:
1º algemene procentuele opcentiemen en algemene forfaitaire dan wel procentuele kortingen, al dan niet gedifferentieerd per belastingschijf, invoeren;
2º algemene belastingverminderingen en -vermeerderingen toestaan zoals bepaald in artikel 6, §2, eerste lid, 4º.
De uitoefening van de bevoegdheden van de gewesten met betrekking tot de algemene belastingverminderingen of -vermeerderingen, de opcentiemen of kortingen gebeurt zonder vermindering van de progressiviteit van de personenbelasting en met uitsluiting van deloyale fiscale concurrentie. Het principe van de progressiviteit wordt begrepen als volgt: naarmate het belastbaar inkomen stijgt, mag, naargelang het geval, de verhouding tussen het bedrag van de aftrek tot de verschuldigde personenbelasting voor aftrek niet toenemen of de verhouding tussen het bedrag van de verhoging tot de verschuldigde personenbelasting voor verhoging niet afnemen.
De afrekeningsmodaliteiten van de toepassing van algemene belastingverminderingen en -vermeerderingen, opcentiemen en kortingen worden, na voorafgaandelijk overleg met de gewestregeringen, bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.".
Amendement 10 van de heren Vandenberghe en Caluwé (Stuk 2-777/2)
Aan het voorgestelde artikel 9, §1, de volgende wijzigingen aanbrengen:
1º Het tweede, derde, vierde en vijfde lid doen vervallen.
2º Na het eerste lid de volgende bepaling invoegen:
"De Koning kan ter vrijwaring van de economische en monetaire unie, bij een in Ministerraad overlegd besluit, genomen met instemming van de betrokken regeringen, een maximumpercentage opleggen voor de bovengenoemde opcentiemen, kortingen, belastingverminderingen en -vermeerderingen."
Subsidiair amendement 11 van de heren Vandenberghe en Caluwé op amendement 10(Stuk 2-777/2)
Het voorgestelde artikel 9, §1, derde lid, aanvullen met de volgende zin:
"Zodra de gewesten gebruik hebben gemaakt van hun bevoegdheid vermeld in artikel 6, §2, eerste lid, 4º, kunnen de belastinggrondslagen die verbonden zijn met de bevoegdheden van de gewesten door de federale overheid nog slechts worden gewijzigd met instemming van de gewesten."
Amendement 12 van de heren Vandenberghe en Caluwé (Stuk 2-777/2)
In het voorgestelde artikel 9, §1, telkens het woord "algemene" doen vervallen.
Artikel 12
In dezelfde bijzondere wet wordt een artikel 9bis ingevoegd, luidend als volgt:
"Art. 9bis. - De ontwerpen en de voorstellen van een in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel die aangelegenheden regelen zoals bedoeld in artikel 9 worden, naargelang het geval vóór neerlegging in de betrokken raad of na goedkeuring in de bevoegde commissie van de betrokken raad medegedeeld aan de federale regering en de andere gewestregeringen en, voor advies, aan het Rekenhof. Hetzelfde geldt voor de amendementen die in commissie zijn goedgekeurd. De aan het Rekenhof overgezonden ontwerpen en voorstellen dienen in voldoende mate cijfermatig onderbouwd te zijn.
Onverminderd zijn algemene bevoegdheden, geeft de algemene vergadering van het Rekenhof, binnen een maand na ontvangst van het ontwerp of voorstel, in het kader van het respect van de fiscale loyauteit, een gedocumenteerd en gemotiveerd advies over de naleving van de maximumpercentages en het principe inzake progressiviteit, zoals bedoeld in artikel 9. Dit advies wordt medegedeeld aan de federale regering en de gewestregeringen.
In het kader van zijn adviesverstrekking bedoeld in het tweede lid ontwikkelt het Rekenhof een transparant en uniform evaluatiemodel in akkoord met de federale regering en de gewestregeringen.
Het Rekenhof stelt elk jaar een rapport op dat analoog is aan het in het tweede lid bedoelde advies en dat betrekking heeft op de weerslag, tijdens het vorige aanslagjaar, van de van kracht zijnde gewestelijke fiscale maatregelen. Dit rapport wordt medegedeeld aan de federale regering en de gewestregeringen.".
Amendement 13 van de heren Vandenberghe en Caluwé (Stuk 2-777/2)
Dit artikel doen vervallen.
Subsidiair amendement 14 van de heren Vandenberghe en Caluwé op amendement 13 (Stuk 2-777/2)
In het voorgestelde artikel 9bis, tweede lid, de woorden "Onverminderd zijn algemene bevoegdheden" doen vervallen.
Amendement 43 van de heer Barbeaux c.s. (Stuk 2-777/2)
In het voorgestelde artikel 9bis, tweede lid, tussen de woorden "een gedocumenteerd en gemotiveerd advies over de naleving van de maximumpercentages" en de woorden "en het principe inzake progressiviteit", de woorden ", het principe van de uitsluiting van elke vorm van deloyale fiscale concurrentie" invoegen.
Amendement 62 van de heer Van Hauthem (Stuk 2-777/2)
In het voorgestelde artikel 9bis, tweede lid, de woorden ", in het kader van het respect van de fiscale loyauteit," schrappen.
Artikel 15
In artikel 33, §1, van dezelfde bijzondere wet worden na het woord "solidariteitstussenkomst "de woorden "en de vermindering per gewest bedoeld in artikel 34, eerste lid, 2º." toegevoegd.
Amendement 63 van de heer Van Hauthem (Stuk 2-777/2)
Dit artikel vervangen als volgt:
"Art. 15. - Artikel 33 van dezelfde bijzondere wet wordt opgeheven."
Artikel 17
In dezelfde bijzondere wet wordt een artikel 33bis ingevoegd, luidend als volgt:
"Art. 33bis. - §1. De met toepassing van artikel 33, §4 verkregen bedragen worden vanaf het begrotingsjaar 2002 jaarlijks verminderd met een bedrag bepaald bij koninklijk besluit vastgesteld na overleg in Ministerraad en na voorafgaand overleg met de gewestregeringen.
Het in het eerste lid bedoelde bedrag stemt overeen met de som van:
1º de gemiddelde ontvangsten voor de begrotingsjaren 1999 tot en met 2001, die vooraf werden uitgedrukt in prijzen van 2002, van de in elk gewest gelokaliseerde belastingen zoals bedoeld in artikel 3, eerste lid, 7º tot 8º en 10º tot 12º;
2º de gemiddelde ontvangsten voor de begrotingsjaren 1999 tot en met 2001, die vooraf werden uitgedrukt in prijzen van 2002, van de in elk gewest gelokaliseerde ontvangsten zoals bedoeld in artikel 4, §5, in de mate dat deze laatste tot en met het begrotingsjaar 2001 nog niet aan de gewesten werden toegewezen;
3º 58,592% van de gemiddelde ontvangsten voor de begrotingsjaren 1999 tot en met 2001, die vooraf werden uitgedrukt in prijzen van 2002, van de in elk gewest gelokaliseerde ontvangsten inzake de in artikel 3, eerste lid, 6º, bedoelde belasting;
4º de gemiddelde netto-ontvangsten voor de begrotingsjaren 1999 tot en met 2001, die vooraf werden uitgedrukt in prijzen van 2002, van de in elk gewest gelokaliseerde belasting zoals bedoeld in artikel 3, eerste lid, 9º.
De met toepassing van de 1º tot 3º van het tweede lid verkregen bedrag van de vermindering wordt vanaf het begrotingsjaar 2003 jaarlijks aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen en aan 91% van de reële groei van het bruto nationaal inkomen op de wijze als bepaald in artikel 33, §2.
De met toepassing van de 4º van het tweede lid verkregen bedrag van de vermindering wordt vanaf het begrotingsjaar 2003 jaarlijks aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen op dezelfde wijze als bepaald in artikel 38, §3.
§2. Voor het begrotingsjaar 2002 wordt voor elk gewest vertrokken van de gemiddelde ontvangsten voor de begrotingsjaren 1999 tot en met 2001, die vooraf werden uitgedrukt in prijzen van 2002, van de in elk gewest gelokaliseerde belastingen zoals bedoeld in artikel 3, eerste lid, 7º tot 8º en 10º tot 12º, en van 58,592% van de gemiddelde ontvangsten voor de begrotingsjaren 1999 tot en met 2001, die vooraf werden uitgedrukt in prijzen van 2002, van de in elk gewest gelokaliseerde ontvangsten inzake de in artikel 3, eerste lid, 6º, bedoelde belasting.
De met toepassing van het eerste lid verkregen bedragen per belasting worden voor elk gewest opgeteld.
Vanaf het begrotingsjaar 2003 worden voor elk gewest de met toepassing van het eerste lid verkregen bedragen voor elke belasting aangepast aan de evolutie van de ontvangsten bij ongewijzigd beleid. Deze aangepaste bedragen per belasting worden voor elk gewest opgeteld.
Voor de begrotingsjaren 2003 tot en met 2012 wordt jaarlijks voor elk gewest het verschil berekend tussen het bedrag verkregen met toepassing van het tweede lid en het bedrag verkregen met toepassing van het derde lid.
Het met toepassing van het vierde lid verkregen verschil, zo dit positief is, vormt jaarlijks het basisbedrag van de overgangscorrectie.
Voor de begrotingsjaren 2003 tot en met 2007 is voor elk gewest de overgangscorrectie gelijk aan 100% van het voor het overeenstemmend jaar verkregen basisbedrag van de overgangscorrectie voor het betrokken gewest.
Voor de begrotingsjaren 2008 tot en met 2012 is voor elk gewest de overgangscorrectie gelijk aan een jaarlijks met 16,67 punten verminderend percentage van het voor het overeenstemmend jaar verkregen basisbedrag van de overgangscorrectie.
Vanaf het begrotingsjaar 2013 wordt geen overgangscorrectie meer toegepast.
Voor de toepassing van dit artikel wordt onder ontvangsten bij ongewijzigd beleid verstaan de werkelijke ontvangsten tenzij deze beïnvloed zijn door het betrokken gewest in het kader van de uitoefening van zijn fiscale bevoegdheden met betrekking tot de betrokken belasting. In dat geval gebeurt de jaarlijkse aanpassing bedoeld in het derde lid aan de hand van bij wet per belasting vastgestelde objectieve criteria. Het betrokken wetsontwerp wordt vóór 1 januari 2002 ingediend bij de Kamer.
Het met toepassing van deze paragraaf per gewest verkregen bedrag komt in mindering van de in §1 bedoelde vermindering.".
Amendement 15 van de heren Vandenberghe en Caluwé (Stuk 2-777/2)
In het voorgestelde artikel 33bis, §1, eerste lid, de woorden "met een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in Ministerraad en na voorafgaand overleg met de gewestregeringen, bepaald bedrag." vervangen door de woorden "met een bij in Ministerraad overlegd koninklijk besluit bepaald bedrag, na voorafgaand overleg met de gewestregeringen."
Artikel 18
Artikel 34 van dezelfde bijzondere wet wordt vervangen als volgt:
"Art. 34. - De middelen per gewest worden jaarlijks samengesteld als volgt:
1º de bedragen verkregen met toepassing van artikel 33, §4;
2º de bedragen verkregen met toepassing van artikel 33bis;
3º de nationale solidariteitstussenkomst bedoeld in artikel 48.
De middelen bedoeld in het eerste lid, worden gevormd door een gedeelte van de opbrengst van de personenbelasting.".
Amendement 64 van de heer Van Hauthem (Stuk 2-777/2)
Het voorgestelde artikel 34 vervangen als volgt:
"Art. 34. - De middelen per deelstaat bestaan uit de opbrengst van de in artikel 3 bedoelde deelstaatbelastingen."
Artikel 19
In artikel 35, §1, van dezelfde bijzondere wet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1º de bepaling onder b) wordt vervangen als volgt:
"b) van de hoedanigheid van niet-werkende werkzoekende van de tewerkgestelde werknemers;";
2º §1 wordt aangevuld met het volgende lid:
"Wat de financiële tegemoetkoming betreft die is bedoeld in artikel 6, §1, IX, 2º, vierde lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, wordt het bedrag dat overeenstemt met een werkloosheidsvergoeding toegekend aan het betrokken gewest voor elke voltijds uitgedrukte arbeidsplaats die door dat gewest ten laste wordt genomen, op voorwaarde dat het bewijs wordt geleverd:
a) van de tewerkstelling uitgedrukt in een voltijdse eenheid;
b) dat elke arbeidsplaats wordt ingenomen door een werknemer die is tewerkgesteld op basis van een arbeidsovereenkomst of op basis van een statuut.".
Amendement 66 van de heer Van Hauthem (Stuk 2-777/2)
Dit artikel vervangen als volgt:
"Art. 19. - Artikel 35 van dezelfde bijzondere wet wordt opgeheven."
Artikel 20
In dezelfde bijzondere wet wordt een artikel 35quater ingevoegd, luidend als volgt:
"Art. 35quater. - §1. Voor het begrotingsjaar 2002 bedragen de aanvullende bijkomende middelen voor het Vlaams Gewest 21 653 499,39 EUR, voor het Waals Gewest 13 292 050,80 EUR en voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest 917 206,04 EUR.
§2. Vanaf het begrotingsjaar 2003 worden de in §1 bedoelde bedragen jaarlijks aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen, alsook aan de reële groei van het bruto nationaal inkomen van het betrokken begrotingsjaar op de wijze bepaald in artikel 33, §2.
De saldi die op 31 december 2001 beschikbaar zijn op de begrotingsfondsen worden aan de gewesten overgemaakt voorzover zij betrekking hebben op aangelegenheden die worden overgedragen met toepassing van artikel 2 van de bijzondere wet van ... houdende overdracht van diverse bevoegdheden aan de gewesten en de gemeenschappen. De bedragen van deze saldi worden bepaald bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en na overleg met de gewestregeringen.".
Amendement 45 van de heer Barbeaux c.s. (Stuk 2-777/2)
Dit artikel doen vervallen.
Amendement 67 van de heer Van Hauthem (Stuk 2-777/2)
Dit artikel doen vervallen.
Artikel 21
In dezelfde bijzondere wet wordt een artikel 35quinquies ingevoegd, luidend als volgt:
"Art. 35quinquies. - Voor het begrotingsjaar 2002 bedragen de bijkomende middelen voor het Vlaams Gewest 21 425 437,35 EUR en voor het Waals Gewest 19 268 763,68 EUR.
Vanaf het begrotingsjaar 2003 worden de in het eerste lid bedoelde bedragen aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen, alsook aan de reële groei van het bruto nationaal inkomen van het betrokken begrotingsjaar op dezelfde wijze als bepaald in artikel 33, §2.".
Amendement 46 van de heer Barbeaux c.s. (Stuk 2-777/2)
Dit artikel doen vervallen.
Amendement 68 van de heer Van Hauthem (Stuk 2-777/2)
Dit artikel doen vervallen.
Artikel 22
In dezelfde bijzondere wet wordt een artikel 35sexies ingevoegd, luidend als volgt:
"Art. 35sexies. - Voor het begrotingsjaar 2002 worden er bijkomende middelen overgedragen aan het Vlaams Gewest, het Waals Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Voor de drie gewesten samen zijn deze middelen gelijk aan 14 873 611,49 EUR, uitgedrukt in prijzen van 2002.
Voor de vaststelling van de bedragen voor het begrotingsjaar 2003 en voor elk van de daaropvolgende begrotingsjaren wordt uitgegaan van de bijkomende middelen verkregen voor het vorige begrotingsjaar.
Ieder jaar wordt het met toepassing van het tweede lid verkregen totaal bedrag aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen, alsook aan de reële groei van het bruto nationaal inkomen van het betrokken begrotingsjaar op dezelfde wijze als bepaald in artikel 33, §2, en verdeeld volgens de in elk gewest gelokaliseerde ontvangsten inzake personenbelasting.".
Amendement 47 van de heer Barbeaux c.s. (Stuk 2-777/2)
Dit artikel doen vervallen.
Amendement 69 van de heer Van Hauthem (Stuk 2-777/2)
Dit artikel doen vervallen.
Artikel 25
Artikel 36 van dezelfde bijzondere wet wordt vervangen als volgt:
"Art. 36. - De middelen per gemeenschap worden jaarlijks als volgt samengesteld:
1º het in artikel 41 bedoelde toegewezen gedeelte van de opbrengst van de belasting op de toegevoegde waarde;
2º het, naargelang het geval, in artikel 46 of 47 bedoelde toegewezen gedeelte van de opbrengst van de personenbelasting;
3º de in artikel 47bis bedoelde dotatie ter compensatie van het kijk- en luistergeld.".
Amendement 16 van de heren Vandenberghe en Caluwé (Stuk 2-777/2)
In het voorgestelde artikel 36, 3º doen vervallen.
Amendement 65 de M. Van Hauthem (Stuk 2-777/2)
Dit artikel vervangen als volgt:
"Art. 25. - Artikel 36 van dezelfde bijzondere wet wordt opgeheven.".
Artikel 26
In artikel 38 van dezelfde bijzondere wet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1º §3 wordt vervangen als volgt:
"§3. Vanaf het begrotingsjaar 1990 worden de in §1 bedoelde bedragen jaarlijks aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen.
In afwachting van de definitieve vaststelling van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen van het betrokken begrotingsjaar worden de verkregen bedragen aangepast aan de geraamde procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen van het betrokken begrotingsjaar, zoals voorzien in de economische begroting bedoeld in artikel 108, g), van de wet van 21 december 1994 houdende sociale en diverse bepalingen.";
2º er wordt een §3bis, ingevoegd, luidende:
"§3bis. Voor beide gemeenschappen samen worden de volgende bedragen bepaald:
1º voor het begrotingsjaar 2002: een bedrag van 198 314 819,82 EUR;
2º voor het begrotingsjaar 2003: een bedrag van 148 736 114,86 EUR;
3º voor het begrotingsjaar 2004: een bedrag van 148 736 114,86 EUR;
4º voor het begrotingsjaar 2005: een bedrag van 371 840 287,16 EUR;
5º voor het begrotingsjaar 2006: een bedrag van 123 946 762,39 EUR;
6º voor de begrotingsjaren 2007 tot en met 2011: een bedrag van 24 789 352,48 EUR.";
3º er wordt een §3ter ingevoegd, luidende:
"§3ter. Voor het begrotingsjaar 2002 is het totaal bedrag gelijk aan het met toepassing van §3 voor beide gemeenschappen samen verkregen bedrag verhoogd met het voor het begrotingsjaar 2002 in §3bis bepaalde bedrag.
Voor elk van de begrotingsjaren 2003 tot en met 2006 is het totaal bedrag gelijk aan het voor het betrokken begrotingsjaar in §3bis bepaalde bedrag dat wordt verhoogd met het voor het voorgaande begrotingsjaar met toepassing van deze paragraaf verkregen totaal bedrag nadat dit laatste is aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen van het betrokken begrotingsjaar op de wijze bedoeld in §3.
Voor elk van de begrotingsjaren 2007 tot en met 2011 is het totaal bedrag gelijk aan het voor het betrokken begrotingsjaar in §3bis bepaalde bedrag dat wordt verhoogd met het voor het voorgaande begrotingsjaar met toepassing van deze paragraaf verkregen totaal bedrag nadat dit laatste is aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen en aan 91% van de reële groei van het bruto nationaal inkomen van het betrokken begrotingsjaar.
Vanaf het begrotingsjaar 2012 is het totaal bedrag, voor beide gemeenschappen samen, gelijk aan het voor het voorgaande begrotingsjaar met toepassing van deze paragraaf verkregen totaal bedrag nadat dit laatste is aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen en aan 91% van de reële groei van het bruto nationaal inkomen van het betrokken begrotingsjaar.
In afwachting van de definitieve vaststelling van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen en van de reële groei van het bruto nationaal inkomen van het betrokken begrotingsjaar gebeurt de in het derde en vierde lid bedoelde aanpassing aan de geraamde procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen en aan de geraamde reële groei van het bruto nationaal inkomen van het betrokken begrotingsjaar, zoals voorzien in de economische begroting bedoeld in artikel 108, g), van de wet van 21 december 1994 houdende sociale en diverse bepalingen.";
4º er wordt een §5 toegevoegd, luidende:
"§5. Voor elk van de begrotingsjaren 2002 tot en met 2011 wordt het met toepassing van §3ter verkregen totaal bedrag, na aftrek van het in §3bis voor het betrokken begrotingsjaar bepaalde bedrag, jaarlijks vermenigvuldigd met de in §4 bedoelde aanpassingsfactor.
Het met toepassing van het eerste lid verkregen bedrag wordt verhoogd met het in §3bis voor het betrokken begrotingsjaar bepaalde bedrag.
Vanaf het begrotingsjaar 2012 wordt het met toepassing van §3ter verkregen totaal bedrag jaarlijks vermenigvuldigd met de in §4 bedoelde aanpassingsfactor.".
Amendement 17 van de heren Vandenberghe en Caluwé (Stuk 2-777/2)
Dit artikel doen vervallen.
Amendement 48 van de heer Barbeaux c.s. (Stuk 2-777/2)
In het voorgestelde artikel 38, §3bis, 1º, het bedrag "198 314 819,82 euro" vervangen door het bedrag "297 472 229,72 euro".
Amendement 70 van de heer Van Hauthem (Stuk 2-777/2)
Dit artikel vervangen als volgt:
"Art. 26. - Artikel 38 van dezelfde bijzondere wet wordt opgeheven.".
Artikel 27
Artikel 39, §1, van dezelfde bijzondere wet wordt vervangen als volgt:
"§1. De met toepassing van artikel 38, §4 verkregen bedragen worden jaarlijks opgeteld.".
Amendement 71 van de heer Van Hauthem (Stuk 2-777/2)
Dit artikel vervangen als volgt:
"Art. 27. - Artikel 39, §2, van dezelfde bijzondere wet wordt vervangen als volgt:
"Het met toepassing van §1 bekomen bedrag, verminderd met het percentage van hetzelfde bedrag dat overeenstemt met het aandeel van het in het Brussels Hoofdstedelijk Gebied gelokaliseerde gedeelte van de totale opbrengst van de personenbelasting voor het hele Rijk, wordt vanaf 11 juli 2002 verdeeld over de Vlaamse, de Waalse en de Duitstalige deelstaten op basis van het in de betrokken deelstaat gelokaliseerde gedeelte van de totale opbrengst van de personenbelasting voor het hele Rijk."
Subsidiair amendement 72 van de heer Van Hauthem op amendement 71 (Stuk 2-777/2)
Dit artikel vervangen als volgt:
"Art. 27. - Artikel 39, §2, van dezelfde bijzondere wet wordt vervangen als volgt:
"De som van het met toepassing van §1 bekomen bedrag en van het met toepassing van artikel 40bis verkregen bedrag, verminderd met het percentage van deze som dat overeenstemt met het aandeel van het in het Brussels Hoofdstedelijk Gebied gelokaliseerde gedeelte van de totale opbrengst van de personenbelasting voor het hele Rijk, wordt vanaf 11 juli 2002 verdeeld over de Vlaamse, de Waalse en de Duitstalige deelstaten op basis van het in de betrokken deelstaat gelokaliseerde gedeelte van de totale opbrengst van de personenbelasting voor het hele Rijk.".
Artikel 29
In dezelfde bijzondere wet wordt een artikel 40ter ingevoegd, luidend als volgt:
"Art. 40ter. - §1. Voor de begrotingsjaren 2002 tot en met 2011 wordt het met toepassing van artikel 40bis verkregen bedrag in twee gedeelten opgesplitst.
Het eerste gedeelte bedraagt:
1º voor het begrotingsjaar 2002: 35%;
2º voor de begrotingsjaren 2003 tot en met 2009: een jaarlijks met 5 punten toenemend percentage vertrekkende van het in het 1º vastgestelde percentage;
3º voor de begrotingsjaren 2010 tot en met 2011: een jaarlijks met 10 punten toenemend percentage vertrekkende van het in het 2º voor het begrotingsjaar 2009 verkregen percentage.
Voor elk van de betrokken begrotingsjaren is het tweede gedeelte gelijk aan het verschil tussen het in het eerste lid bedoelde bedrag en het in het tweede lid bepaalde gedeelte.
§2. Het met toepassing van §1, tweede lid, bepaalde gedeelte wordt voor elk van de betrokken begrotingsjaren over de twee gemeenschappen verdeeld in verhouding tot de in elke gemeenschap gelokaliseerde ontvangsten inzake personenbelasting, overeenkomstig artikel 44, §2, tweede tot vierde lid.
§3. Het met toepassing van §1, derde lid, bepaalde gedeelte wordt voor elk van de betrokken begrotingsjaren over de twee gemeenschappen verdeeld volgens het aantal leerlingen in elke gemeenschap dat wordt vastgesteld overeenkomstig de criteria bedoeld in artikel 39, §2.
§4. Vanaf het begrotingsjaar 2012 wordt het met toepassing van artikel 40bis verkregen bedrag over de twee gemeenschappen verdeeld in verhouding tot de in elke gemeenschap gelokaliseerde ontvangsten inzake personenbelasting, overeenkomstig artikel 44, §2, tweede tot vierde lid.".
Amendement 18 van de heren Vandenberghe en Caluwé (Stuk 2-777/2)
Dit artikel doen vervallen.
Amendement 49 van de heer Barbeaux c.s. (Stuk 2-777/2)
Het voorgestelde artikel 40ter vervangen door de volgende bepaling:
"Art. 40ter. - Vanaf het begrotingsjaar 2002 wordt het met toepassing van artikel 40bis verkregen bedrag tussen de twee gemeenschappen verdeeld naar evenredigheid van het aantal leerlingen van 6 tot en met 18 jaar die in ieder van beide gemeenschappen regelmatig zijn ingeschreven."
Artikel 33
In hoofdstuk III van dezelfde bijzondere wet wordt een nieuwe "Afdeling IV - De dotatie ter compensatie van het kijk- en luistergeld" toegevoegd.
Amendement 19 van de heren Vandenberghe en Caluwé (Stuk 2-777/2)
Dit artikel doen vervallen.
Amendement 73 van de heer Van Hauthem (Stuk 2-777/2)
Dit artikel vervangen als volgt:
"Art. 33. - Hoofdstuk III van titel IV van dezelfde bijzondere wet wordt opgeheven."
Artikel 34
In de nieuwe afdeling 4 van hoofdstuk III wordt een artikel 47bis ingevoegd, luidend als volgt:
"Art. 47bis. - §1. Aan de Vlaamse Gemeenschap en de Franse Gemeenschap wordt jaarlijks een dotatie toegekend ter compensatie van het kijk- en luistergeld. Het basisbedrag van deze dotatie wordt per gemeenschap bepaald als het gemiddelde voor de begrotingsjaren 1999 tot en met 2001 van de in de Vlaamse Gemeenschap respectievelijk de Franse Gemeenschap gelokaliseerde netto-opbrengst van het kijk- en luistergeld, met inachtneming van de lokalisatiecriteria zoals bepaald in §3. De netto-opbrengst wordt uitgedrukt in prijzen van 2002.
§2. Vanaf het begrotingsjaar 2003 wordt het met toepassing van §1 verkregen bedrag per gemeenschap jaarlijks aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen van het betrokken begrotingsjaar, op dezelfde wijze als bepaald in artikel 38, §3.
§3. Voor de toepassing van §1 wordt het kijk- en luistergeld geacht gelokaliseerd te zijn als volgt: op de plaats waar het televisietoestel wordt gehouden en, wat de toestellen in autovoertuigen betreft, op de plaats waar de houder van het toestel gevestigd is.
Aan de Franse Gemeenschap wordt het gedeelte van de netto-opbrengst toegewezen van het in het Franse taalgebied gelokaliseerde kijk- en luistergeld, verhoogd met 80% van het gedeelte van de netto-opbrengst van deze belasting in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad.
Aan de Vlaamse Gemeenschap wordt het gedeelte van de netto-opbrengst toegewezen van het in het Nederlandse taalgebied gelokaliseerde kijk- en luistergeld, verhoogd met 20% van het gedeelte van de netto-opbrengst van deze belasting in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad.".
Amendement 20 van de heren Vandenberghe en Caluwé (Stuk 2-777/2)
Dit artikel doen vervallen.
Artikel 35
Artikel 48, §2, tweede lid, van dezelfde bijzondere wet, wordt aangevuld als volgt:
"Vanaf het begrotingsjaar 2002 gebeurt de jaarlijkse aanpassing aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen op dezelfde wijze als bepaald in artikel 38, §3.".
Amendement 74 van de heer Van Hauthem (Stuk 2-777/2)
Dit artikel vervangen als volgt:
"Art. 35. - Titel V van dezelfde bijzondere wet wordt opgeheven."
Artikel 37
In dezelfde bijzondere wet wordt een artikel 49bis ingevoegd, luidend als volgt:
"Art. 49bis. - De bepalingen van artikel 49 met uitzondering van §6, eerste lid, zijn van toepassing op de krachtens artikel 138 van de Grondwet toegekende bevoegdheden aan de Franse Gemeenschapscommissie.".
Amendement 21 van de heren Vandenberghe en Caluwé (Stuk 2-777/2)
Dit artikel doen vervallen.
Artikel 40
In artikel 62 van dezelfde bijzondere wet, gewijzigd bij de bijzondere wet van 16 juli 1993, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1º §1 wordt aangevuld met het volgende lid:
"Voor het begrotingsjaar 2000 zijn deze bedragen respectievelijk 56 162 756,97 EUR voor de Franse Gemeenschap en 27 662 438,42 EUR voor de Vlaamse Gemeenschap.";
2º §2 wordt aangevuld met het volgende lid:
"Vanaf het begrotingsjaar 2002 gebeurt de jaarlijkse aanpassing aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen op dezelfde wijze als bepaald in artikel 38, §3."
Amendement 75 van de heer Van Hauthem (Stuk 2-777/2)
Dit artikel vervangen als volgt:
"Art. 40. - Artikel 62 van dezelfde bijzondere wet wordt opgeheven."
Subsidiair amendement 76 van de heer Van Hauthem op amendement 75 (Stuk 2-777/2)
In artikel 62, §1, het voorgestelde lid vervangen als volgt:
"Voor het begrotingsjaar 2000 bedraagt de som van deze bedragen 83 825 195,39 euro, verminderd met het percentage van deze som dat overeenstemt met het in de gemeenten van het Duitse taalgebied gelokaliseerde gedeelte van de opbrengst van de personenbelasting, voor de Vlaamse en de Franse Gemeenschap samen.
Het aldus verminderde bedrag wordt verdeeld volgens de lokalisatie van de opbrengst van de personenbelasting in de betrokken gemeenschappen.
Het in de Vlaamse Gemeenschap gelokaliseerde gedeelte van de opbrengst van de personenbelasting bestaat uit het in het Vlaamse Gewest gelokaliseerde gedeelte van de opbrengst van de personenbelasting en uit 20% van het in het Brussels Hoofdstedelijk Gebied gelokaliseerde gedeelte van de opbrengst van de personenbelasting.
Het in de Franse Gemeenschap gelokaliseerde gedeelte van de opbrengst van de personenbelasting bestaat uit het in het Waalse Gewest, met uitzondering van de gemeenten uit het Duitse taalgebied, gelokaliseerde gedeelte van de opbrengst van de personenbelasting en uit 80% van het in het Brussels Hoofdstedelijk Gebied gelokaliseerde gedeelte van de opbrengst van de personenbelasting."
Artikel 41
In dezelfde bijzondere wet wordt een artikel 62bis ingevoegd, luidend als volgt:
"Art. 62bis. - Vanaf het begrotingsjaar 2002 wordt jaarlijks een bedrag bepaald dat overeenstemt met 27,44% van de te verdelen winst van de Nationale Loterij, zoals bepaald bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.
Het met toepassing van het eerste lid verkregen bedrag wordt jaarlijks verminderd met een bedrag dat overeenstemt met 0,8428% van het in het eerste lid verkregen bedrag.
Het met toepassing van het tweede lid verkregen bedrag wordt jaarlijks over de Vlaamse Gemeenschap en de Franse Gemeenschap verdeeld volgens het aandeel van elke gemeenschap in het totaal van de met toepassing van artikel 36, 1º en 2º voor beide gemeenschappen samen verkregen bedrag.
De voormelde bedragen worden gestort bij middel van voorschotten die op 30 juni en 31 december van het betrokken boekjaar niet hoger mogen zijn dan respectievelijk 50% en 80% van de voorlopige winstverdeling van de Nationale Loterij zoals in Ministerraad bepaald.".
Amendement 77 van de heer Van Hauthem (Stuk 2-777/2)
Dit artikel vervangen als volgt:
"Art. 41. - In dezelfde bijzondere wet wordt een artikel 62bis ingevoegd, luidende:
"Art. 62bis. - Vanaf het begrotingsjaar 2002 wordt jaarlijks een bedrag bepaald dat overeenstemt met minstens 50% van de te verdelen winst van de Nationale Loterij, zoals bepaald bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit.
Het met toepassing van het eerste lid verkregen bedrag wordt verminderd met een percentage van dit bedrag dat overeenstemt met het aandeel van de in de gemeenten van het Duitse taalgebied aantal geregistreerde deelnemingsformulieren in het totaal aantal deelnemingsformulieren voor het hele Rijk.
Het met toepassing van het tweede lid verkregen bedrag wordt jaarlijks over de Vlaamse en de Franse Gemeenschap verdeeld volgens het aandeel van de in elke Gemeenschap geregistreerde deelnemingsformulieren in het totaal aantal deelnemingsformulieren voor het hele Rijk, met uitzondering van het aandeel van de gemeenten van het Duitse taalgebied.
Als in de Vlaamse Gemeenschap geregistreerde deelnemingsformulieren worden beschouwd de in het Vlaamse Gewest geregistreerde formulieren, alsook 50% van het aantal van de in het Brussels Hoofdstedelijk Gebied geregistreerde formulieren.
Als in de Franse Gemeenschap geregistreerde deelnemingsformulieren worden beschouwd de in het Waalse Gewest, met uitzondering van de gemeenten van het Duitse taalgebied, geregistreerde formulieren, alsook 50% van het aandeel van de in het Brussels Hoofdstedelijk Gebied geregistreerde formulieren.
De voormelde bedragen worden gestort bij middel van voorschotten die op 30 juni en 31 december van het betrokken boekjaar niet hoger mogen zijn dan respectievelijk 50% en 80% van de voorlopige winstverdeling van de Nationale Loterij zoals in Ministerraad bepaald."
Artikel 42
In dezelfde bijzondere wet wordt een artikel 62ter ingevoegd, luidend als volgt:
"Art. 62ter. - Vanaf het begrotingsjaar waarin de Nationale Plantentuin van België wordt overgedragen, worden aan de Vlaamse Gemeenschap en de Franse Gemeenschap bijkomende middelen toegekend gelijk aan een bedrag van 5 659 409,17 EUR, uitgedrukt in prijzen van 2002. De verdeling van dit bedrag over beide gemeenschappen geschiedt volgens een sleutel die in overeenstemming is met de taalrol van het effectief personeelsbestand van de Nationale Plantentuin op de dag van de overdracht, zoals bedoeld in artikel 18, 4º, van de bijzondere wet van ... houdende overdracht van diverse bevoegdheden aan de gewesten en de gemeenschappen.
Ieder jaar worden deze bedragen aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen evenals aan de reële groei van het bruto nationaal inkomen van het betrokken begrotingsjaar, op dezelfde wijze als bepaald in artikel 47, §2.".
Amendement 51 van de heer Barbeaux c.s. (Stuk 2-777/2)
Dit artikel doen vervallen.
Amendement 78 van de heer Van Hauthem (Stuk 2-777/2)
In het voorgestelde artikel 62ter de volgende wijzigingen aanbrengen:
A. in de eerste zin van het eerste lid worden de woorden "en de Franse Gemeenschap" geschrapt;
B. de tweede zin van het eerste lid wordt geschrapt;
C. in het tweede lid worden de woorden "worden deze bedragen" vervangen door de woorden "wordt dit bedrag".
Artikel 42bis (nieuw)
Amendement 52 van de heer Barbeaux c.s. (Stuk 2-777/2)
Een artikel 42bis (nieuw) invoegen, luidend als volgt:
"Art. 42bis. - In dezelfde bijzondere wet, wordt een artikel 62quater ingevoegd, luidend als volgt:
"Art. 62quater. - Onverminderd de toepassing van deze wet, wordt jaarlijks, ten laste van de begroting van de Staat, ten behoeve van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest een krediet uitgetrokken ter financiering van de functies die het als nationale en internationale hoofdstad moet vervullen.
Voor het begrotingsjaar 2002 bedraagt voormeld krediet 50 000 000 euro;
voor het begrotingsjaar 2003 bedraagt voormeld krediet 75 000 000 euro;
voor het begrotingsjaar 2004 bedraagt voormeld krediet 100 000 000 euro;
voor het begrotingsjaar 2005 bedraagt voormeld krediet 125 000 000 euro;
voor het begrotingsjaar 2006 bedraagt voormeld krediet 150 000 000 euro;
voor het begrotingsjaar 2007 bedraagt voormeld krediet 175 000 000 euro;
voor het begrotingsjaar 2008 bedraagt voormeld krediet 200 000 000 euro;
voor het begrotingsjaar 2009 bedraagt voormeld krediet 225 000 000 euro;
voor het begrotingsjaar 2010 bedraagt voormeld krediet 250 000 000 euro;
voor het begrotingsjaar 2011 bedraagt voormeld krediet 275 000 000 euro;
voor het begrotingsjaar 2012 bedraagt voormeld krediet 300 000 000 euro;
Vanaf het begrotingsjaar 2013 wordt het bedrag van dat krediet vastgesteld als volgt: men gaat uit van het bedrag dat daartoe het jaar voordien was uitgetrokken en past het aan het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen aan, alsmede - op de in artikel 33, §2, omschreven wijze - aan de reële groei van het bruto nationaal product van het desbetreffende begrotingsjaar."
Artikel 45
In dezelfde bijzondere wet, wordt een artikel 65bis ingevoegd, luidend als volgt:
"Art. 65bis. - Vanaf het begrotingsjaar 2002 worden bijzondere middelen ten laste van de federale overheid toegekend aan de Vlaamse Gemeenschapscommissie en aan de Franse Gemeenschapscommissie ingesteld bij artikel 60, tweede en derde lid, van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen. Het basisbedrag van die middelen is gelijk aan 24 789.352,48 EUR.
Vanaf het begrotingsjaar 2003 wordt dat basisbedrag jaarlijks aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen en aan de reële groei van het bruto nationaal inkomen van het betrokken begrotingsjaar op dezelfde wijze als bepaald in artikel 47, §2.
Deze middelen bestaan uit een gedeelte van de opbrengst uit de personenbelasting.
80% van dat bedrag gaat naar de Franse Gemeenschapscommissie en 20% naar de Vlaamse Gemeenschapscommissie."
Amendement 22 van de heren Vandenberghe en Caluwé (Stuk 2-777/2)
In het voorgestelde artikel 65bis, het derde lid doen vervallen.
Artikel 54
In de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen wordt een artikel 46bis ingevoegd, luidend als volgt:
"Art. 46bis. - Vanaf het begrotingsjaar 2002 worden bijzondere middelen ten laste van de federale overheid verdeeld onder de gemeenten waarvan het college van burgemeester en schepenen is samengesteld in overeenstemming met artikel 279 van de nieuwe gemeentewet of waarvan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn wordt voorgezeten in overeenstemming met het voornoemde artikel.
Het basisbedrag van deze middelen is gelijk aan 24 789.352,48 EUR. Vanaf 2003 wordt dat bedrag jaarlijks aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen en aan de reële groei van het bruto nationaal inkomen van het betrokken begrotingsjaar op de wijze bepaald in artikel 47, §2, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten.
Deze middelen bestaan uit een gedeelte van de opbrengst uit de personenbelasting.
Deze middelen worden verdeeld onder de in het eerste lid bedoelde gemeenten volgens de criteria en de wegingen bepaald in de artikelen 5 tot 15 van de ordonnantie van 21 december 1998 tot vaststelling van de regels voor de verdeling van de algemene dotatie aan de gemeenten van het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest. De middelen worden aan elke betrokken gemeente toegekend a rato van de periode van het jaar waarin deze voldoet aan de in het eerste lid bepaalde voorwaarde.
De regering verdeelt de bijzondere dotatie en keert het aandeel van de betrokken gemeenten uit, overeenkomstig de mechanismen van de voornoemde ordonnantie. Voor de eerste keer wordt de bijzondere dotatie echter verdeeld vóór 31 januari 2002.".
Amendement 23 van de heren Vandenberghe en Caluwé (Stuk 2-777/2)
In het voorgestelde artikel 46bis, het derde lid doen vervallen.
Amendement 24 van de heren Vandenberghe en Caluwé (Stuk 2-777/2)
In het voorgestelde artikel 46bis, eerste zin, het jaartal "2002" vervangen door het jaartal "2007".
Amendement 57 van de heer Barbeaux c.s. (Stuk 2-777/2)
In het voorgestelde artikel 46bis de volgende wijzigingen aanbrengen:
A) het eerste lid vervangen als volgt:
"Vanaf het begrotingsjaar 2002 worden de bijzondere middelen ten laste van de federale overheid verdeeld onder de gemeenten van het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest.";
B) in het vierde lid, de zin "De middelen worden aan elke betrokken gemeente toegekend a rato van de periode van het jaar waarin deze voldoet aan de in het eerste lid bepaalde voorwaarde" doen vervallen.
Artikel 57
In Titel VIII de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten, gewijzigd bij de bijzondere wet van 16 juli 1993 tot vervollediging van de federale staatsstructuur, wordt een artikel 68quater ingevoegd, luidend als volgt:
"Art. 68quater. - Op basis van de overeenstemmende middelen, zoals voorzien in de begroting 2001 en volgens de verschillende verdeelsleutels, respectievelijk voor de gemeenschappen en de gewesten, zoals die uit deze bijzondere wet kunnen worden afgeleid, worden de voor de overdracht van de bevoegdheden inzake ontwikkelingssamenwerking noodzakelijke financiële middelen overgeheveld. De in artikel 6ter van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, ingevoegd bij de bijzondere wet van ... houdende overdracht van diverse bevoegdheden aan de gewesten en de gemeenschappen, bedoelde werkgroep bereidt deze overheveling voor.".
Amendement 58 van de heer Barbeaux c.s. (Stuk 2-777/2)
Dit artikel doen vervallen.
Artikel 57bis (nieuw)
Amendement 25 van de heren Vandenberghe en Caluwé (Stuk 2-777/2)
Een artikel 57bis (nieuw) invoegen, luidend als volgt:
"Art. 57bis. - §1. Tot de inwerkingtreding van de fiscale bevoegdheid van de gewesten op grond van artikel 170, §2, van de Grondwet met betrekking tot de hierna bedoelde belastingen en ten laatste op 31 december 2004, worden volgende belastingen aan de gewesten toegewezen in functie van hun lokalisatie:
1º de belasting op spelen en weddenschappen;
2º de belasting op de automatische ontspanningstoestellen;
3º de openingsbelasting op de slijterijen van gegiste dranken;
4º het successierecht en het recht van overlijden;
5º de onroerende voorheffing;
6º het registratierecht op de overdrachten ten bezwarende titel van de eigendom of het vruchtgebruik van de in België gelegen onroerende goederen;
7º het registratierecht op de vestiging van een hypotheek op een in België gelegen onroerend goed;
8º het registratierecht op de gedeeltelijke of gehele verdeling van in België gelegen onroerende goederen, de afstanden onder bezwarende titel, onder mede-eigenaars, van onverdeelde delen in soortgelijke goederen en de omzettingen bedoeld in de artikelen 745quater en 745quinquies van het Burgerlijk Wetboek, zelfs als er geen onverdeeldheid is;
9º het registratierecht op de schenkingen onder de levenden van roerende of onroerende goederen;
10º het registratierecht op de akten houdende verhuring, onderverhuring of overdracht van huur van in België gelegen onroerende goederen;
11º de verkeersbelasting op de autovoertuigen;
12º de belasting op de inverkeerstelling;
13º het eurovignet;
14º de milieutaksen.
§2. Voor de toepassing van §1 worden deze belastingen geacht als volgt te zijn gelokaliseerd:
1º de belasting op de spelen en weddenschappen: op de plaats waar de spelen plaatsvinden en de weddenschappen worden aangegaan;
2º de belasting op de automatische ontspanningstoestellen: op de plaats waar het toestel opgesteld is;
3º de openingsbelasting op de slijterijen van gegiste dranken: de plaats waar het lokaal dienende tot slijting gelegen is.
4º het successierecht: op de plaats waar de overledene, op het ogenblik van zijn overlijden, zijn fiscale woonplaats had. Als de fiscale woonplaats van de overledene tijdens de periode van vijf jaar voorafgaand aan zijn overlijden in meer dan één gewest gelegen was: in het gewest waar zijn fiscale woonplaats tijdens de voormelde periode het langst gevestigd was;
5º het recht van overgang bij overlijden van niet-rijksinwoners: in het gewest waar de goederen gelegen zijn; indien zij gelegen zijn in meerdere gewesten, in het gewest waartoe het ontvangstkantoor behoort in wiens ambtsgebied het deel van de goederen met het hoogste kadastraal inkomen gelegen is;
6º het registratierecht op de overdrachten ten bezwarende titel van de eigendom of het vruchtgebruik van de in België gelegen onroerende goederen, op de vestiging van een hypotheek op een in België gelegen onroerend goed, op de gedeeltelijke of gehele verdeling van in België gelegen onroerende goederen, de afstanden onder bezwarende titel, onder mede-eigenaars, van onverdeelde delen in soortgelijke goederen en de omzettingen bedoeld in de artikelen 745quater en 745quinquies van het Burgerlijk Wetboek, zelfs als er geen onverdeeldheid is, op de schenkingen onder de levenden van onroerende goederen, op de akten houdende verhuring, onderverhuring of overdracht van huur van in België gelegen onroerende goederen: op de plaats waar het onroerend goed gelegen is;
7º het registratierecht op de schenkingen onder de levenden van roerende goederen: op de plaats waar de schenker, op het ogenblik van de schenking, zijn fiscale woonplaats heeft. Als de fiscale woonplaats van de schenker tijdens de periode van vijf jaar voorafgaand aan zijn schenking in meer dan één gewest gelegen was: in het gewest waar zijn fiscale woonplaats tijdens de voormelde periode het langst gevestigd was;
8º de verkeersbelasting: op de plaats waar de natuurlijke persoon of rechtspersoon gevestigd is op wiens naam het voertuig ingeschreven is of moet zijn;
9º de belasting op de inverkeerstelling: op de plaats waar de natuurlijke persoon of rechtspersoon gevestigd is op wiens naam het voertuig ingeschreven is of moet zijn;
10º het eurovignet: op de plaats waar de natuurlijke persoon of rechtspersoon gevestigd is op wiens naam het voertuig ingeschreven is of moet zijn. Het gedeelte van het eurovignet dat betrekking heeft op voertuigen die voorzien zijn van een inschrijvingskenteken uitgereikt door de autoriteiten van andere landen dan de lidstaten die deelnemen aan het eurovignetsysteem en dat aan België wordt toegekend, wordt geacht gelokaliseerd te zijn in elk gewest naar verhouding van zijn aandeel in het belastbaar wegennet zoals bepaald in het koninklijk besluit van 8 september 1997;
11º de netto-opbrengst van de milieutaksen wordt verdeeld op grond van het bevolkingsaantal van de respectieve gewesten.
§3. Tenzij het gewest er anders over beslist, zorgt de Staat met inachtneming van de door hem vastgestelde procedureregels kosteloos voor de dienst van de in §1 bedoelde belastingen voor rekening van en in overleg met het betrokken gewest. Vanaf het tweede begrotingsjaar volgend op de datum van mededeling aan de federale regering van de beslissing tot het zelf verzekeren van de dienst van de betrokken belastingen, en ten laatste op 1 januari 2005, zorgt het betrokken gewest voor de dienst van deze belastingen.
§4. Bij een in Ministerraad overlegd besluit genomen na overleg met de betrokken gewestregeringen, regelt de Koning de toewijzing van de nalatigheidsinteresten, de last van de verwijlinteresten alsook de toewijzing van de forfaitaire en proportionele fiscale boeten op de belastingen bedoeld in §1 zolang de federale overheid de dienst van deze belastingen verzekert.
§5. De met toepassing van artikel 33, §4, bekomen bedragen worden vanaf het begrotingsjaar 2002 jaarlijks verminderd met een door de Koning bij een in Ministerraad overlegd besluit na voorafgaand overleg met de gewestregeringen bepaald bedrag.
Het in het eerste lid bedoelde bedrag stemt overeen met de som van:
1º de gemiddelde ontvangsten voor de begrotingsjaren 1999 tot en met 2001, die vooraf werden uitgedrukt in prijzen van 2002, van de in elk gewest gelokaliseerde belastingen zoals bedoeld §1, 7º-14º;
2º 58,592% van de gemiddelde ontvangsten voor de begrotingsjaren 1999 tot en met 2001, die vooraf werden uitgedrukt in prijzen van 2002, van de in elk gewest gelokaliseerde ontvangsten inzake de in §1, 6º, bedoelde belasting."
Artikel 57ter (nieuw)
Amendement 26 van de heren Vandenberghe en Caluwé (Stuk 2-777/2)
Een artikel 57ter (nieuw) invoegen, luidend als volgt:
"Art. 57ter. - Zodra de fiscale bevoegdheid van de gewesten op grond van artikel 170, §2, van de Grondwet met betrekking tot de in artikel 57bis, §1, bedoelde belastingen in werking is getreden en ten laatste op 31 december 2004 vervallen de artikelen 33 tot en met 35ter van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten."
Artikel 58
Deze wet treedt in werking op 1 januari 2002 met uitzondering van de artikelen 19, 49, 50 en 56 die uitwerking hebben met ingang van 1 januari 2001.
Amendement 27 van de heren Vandenberghe en Caluwé (Stuk 2-777/2)
Dit artikel vervangen als volgt:
"Art. 58. - Deze wet treedt in werking de dag waarop de bijzondere wet van ... houdende overdracht van diverse bevoegdheden aan de gewesten en de gemeenschappen in werking treedt.
Artikel 26 van deze wet treedt buiten werking zodra het Arbitragehof de bepalingen van artikel 4 van de bijzondere wet van ... houdende overdracht van diverse bevoegdheden aan de gewesten en gemeenschappen vernietigt wegens strijdigheid met artikel 162 van de Grondwet."
Amendement 79 van de heer Van Hauthem (Stuk 2-777/2)
Dit artikel vervangen als volgt:
"Deze wet, met uitzondering van de artikelen 19, 49, 50 en 56 die uitwerking hebben met ingang van 1 januari 2001, treedt in werking op het ogenblik dat de bijzondere wet van (...) houdende overdracht van diverse bevoegdheden aan de gewesten en de gemeenschappen in het Belgisch Staatsblad verschenen is."