4-113 | Belgische Senaat | 4-113 |
Waarschuwing: de blauwe kleur geeft aan dat het gaat om uit het Frans vertaalde samenvattingen.
Eerbetoon aan de slachtoffers van de treinramp in Halle
Inoverwegingneming van voorstellen
Aanvraag tot opheffing van de onschendbaarheid van een senator (Stuk 4-1453)
In overweging genomen voorstellen
Grondwettelijk Hof - Prejudiciële vragen
FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu - Cel Gezondheidsbeleid Drugs
In-, uit- en doorvoer van wapens, munitie en militair materieel
Voorzitter: de heer Armand De Decker
(De vergadering wordt geopend om 15.05 uur.)
De voorzitter. - Maandag 15 februari, omstreeks 8.30 uur bevonden heel wat pendelaars zich in de trein van Leuven naar 's Gravenbrakel en in die van Quiévrain naar Luik.
Door een nog niet met zekerheid achterhaalde oorzaak werd de trein die van Quiévrain kwam, in de flank gegrepen door de trein uit Leuven, die nooit in 's Gravenbrakel zou aankomen.
Het ongeluk gebeurde in Buizingen, nabij Halle, in de Brusselse regio, bijna op dezelfde plek waar in 1982 en in 1985 reeds twee andere treinbotsingen plaatsvonden, die gelukkig minder dramatische gevolgen hadden.
Men besefte zeer snel dat hier iets nóg rampzaligers was gebeurd dan in Pécrot negen jaar geleden. Helaas werd dit vermoeden bewaarheid: negentien reizigers zouden de verwrongen treinwrakken niet meer levend verlaten.
Namens de Senaat betuig ik onze innige deelneming aan de nabestaanden van de slachtoffers en ons oprechte medeleven aan de vele gewonden.
De heer Yves Leterme, eerste minister, belast met de Coördinatie van het Migratie- en asielbeleid. - Bij het tragische treinongeluk in Buizingen overvalt ons allen een gevoel van verslagenheid, van collectief meevoelen, maar ook van bezinning. Als landgenoten zijn we immers meer dan een verzameling individuen. Als natie voelen we mee met het leed van de mensen die een geliefde persoon verloren in de treinramp, met de pijn van de mensen die bij de ramp in lichaam en ziel gewond werden.
De dood van een dierbare gaat altijd gepaard met oneindig verdriet, vooral wanneer het lot onverwachts toeslaat en er geen tijd is om afscheid te nemen. Het leven gaat voort, maar dat is moeilijk te aanvaarden.
Namens de regering bied ik allen die een familielid, een dierbare of een vriend in het treinongeval hebben verloren, mijn oprechte deelneming aan. Ik wens hun veel sterkte in deze moeilijke periode.
We kunnen het leed niet in hun plaats dragen, maar onze gedachten zijn bij de nabestaanden en bij de slachtoffers die de ramp hebben overleefd.
(De vergadering neemt een minuut stilte in acht.)
De voorzitter. - De Senaat heeft met groot leedwezen kennis gekregen van het overlijden:
Uw voorzitter heeft het rouwbeklag van de Vergadering aan de families van onze betreurde gewezen medeleden betuigd.
De voorzitter. - De lijst van de in overweging te nemen voorstellen werd rondgedeeld.
Leden die opmerkingen mochten hebben, kunnen die vóór het einde van de vergadering mededelen.
Tenzij er afwijkende suggesties zijn, neem ik aan dat die voorstellen in overweging zijn genomen en verzonden naar de commissies die door het Bureau zijn aangewezen. (Instemming)
(De lijst van de in overweging genomen voorstellen wordt in de bijlage opgenomen.)
De heer Philippe Mahoux (PS). - Mijnheer de eerste minister, volgens de pers zou u samen met Duitsland, Nederland, Luxemburg en Noorwegen een initiatief hebben genomen om de Amerikaanse tactische kernwapens uit Europa te laten verwijderen. Bevestigt u die informatie?
In overeenstemming met het non-proliferatieverdrag dat we hebben ondertekend, heb ik bij de Senaat een wetsvoorstel ingediend om kernwapens op ons grondgebied te verbieden. Dat zou een einde maken aan de overtreding van dat verdrag door België.
Met hun opiniestuk streven vier vooraanstaande Belgen overigens dezelfde doelstellingen na als ik en ze roepen daarvoor dezelfde argumenten in als ik in mijn wetsvoorstel: we geven het slechte voorbeeld als ondertekenaar van het non-proliferatieverdrag; nu de Koude Oorlog voorbij is, zijn kernwapens achterhaald; we moeten absoluut de inspanningen van president Obama steunen; kernwapens zijn geen doeltreffend afschrikmiddel tegen terrorisme; tot slot het fundamenteel immorele karakter van kernwapens die in een seconde tijd tientallen miljoenen slachtoffers maken, hoofdzakelijk onder de burgerbevolking.
Zelfs al is iedereen het erover eens dat in ons land kernwapens liggen of gelegen hebben, toch hebben we daarvan nooit een officiële bevestiging gekregen, behalve de verklaring van de minister van Landsverdediging van voor enkele weken. Als zich kernwapens op ons grondgebied bevinden, wat is dan het juiste standpunt van onze regering daartegenover?
In april nemen een dertigtal landen deel aan de conferentie over nucleaire veiligheid ter voorbereiding van de NPV-herzieningsconferentie in mei. Welk standpunt zal onze regering op die beide zeer belangrijke internationale conferenties verdedigen?
De heer Yves Leterme, eerste minister, belast met de Coördinatie van het Migratie- en asielbeleid. - Vrijdag jongstleden heb ik naar aanleiding van een opiniestuk van twee gewezen premiers en twee gewezen buitenlandministers het standpunt van de Belgische regering inzake kernwapens herhaald.
De Belgische regering is voorstander van een wereld zonder kernwapens. De verwijdering van tactische kernwapens uit Europa is een belangrijke stap naar wereldwijde kernontwapening. Om dat doel te bereiken hebben we niet alleen een visie nodig, maar ook een methode en een op resultaat gerichte strategie die past in een multilaterale context. We kunnen geen eenzijdige beslissingen nemen.
De kernwapens in Europa zijn een onderdeel van de NAVO-kernstrategie. Tot de ontmanteling en verwijdering van die wapens kan pas worden besloten na overleg met de NAVO-lidstaten.
Daarbij dienen we tevens rekening te houden met zowel de kernwapenreducties die al overeengekomen zijn, meer bepaald door de Verenigde Staten en Rusland, als met de extra reducties waarover die landen nog zullen onderhandelen.
We zijn er ons derhalve van bewust dat het gaat om een lang proces waarbij hoofdzakelijk de kernmogendheden met elkaar zullen onderhandelen en daarbij ook rekening zullen houden met het vereiste conventionele bewapeningsevenwicht.
De jongste jaren heeft België meer dan eens het voortouw genomen voor de conventionele ontwapening, meer bepaald met het verbod op antipersoonsmijnen en op clustermunitie.
Ons land kan ook een bijdrage leveren inzake kernontwapening. Persoonlijk ben ik ervan overtuigd dat we de kans dienen te grijpen die president Obama ons aanreikt met de ambitieuze ontwapeningsagenda die hij in zijn rede in Praag in april 2009 in het vooruitzicht heeft gesteld.
Al een tijdlang werkt België samen met andere NAVO-lidstaten aan een gemeenschappelijk initiatief. Samen met Nederland, Duitsland, Luxemburg en Noorwegen wensen wij in het Bondgenootschap een discussie te starten over de plaats van de kernafschrikking in het huidige internationale veiligheidsklimaat. Het is u niet onbekend dat de top van Lissabon van november aanstaande aan de herziening van het strategisch concept van de NAVO is gewijd. Sommige NAVO-lidstaten zijn van mening dat een discussie over kernwapens daar niet op zijn plaats is. België daarentegen wenst dat onderwerp wel aan te snijden.
We zullen onze visie inzake kernontwapening opnieuw naar voren brengen op de NPV-toetsingsconferentie in mei in New York, maar zullen even sterk beklemtonen dat we absoluut minstens even krachtdadig moeten inzetten op de non-proliferatie van kernwapens. De wereldwijde toepassing van het NPV en de strikte naleving ervan zijn van primordiaal belang om het einddoel van een kernwapenvrije wereld dichterbij te brengen.
De top van april in Washington zal zich meer specifiek buigen over de nucleaire veiligheid en over de preventie van nucleair terrorisme. Op die top heeft president Obama slechts 44 landen uitgenodigd.
België neemt eraan deel op grond van zijn lange ervaring en zijn reële technische expertise inzake splijtstofbehandeling. We wensen dat die top leidt tot een klare verbintenis ter beveiliging van risicosplijtstoffen zodat die niet in verkeerde handen kunnen terechtkomen.
De heer Philippe Mahoux (PS). - Ik dank de eerste minister voor zijn duidelijke antwoord. Ik neem er akte van dat de regering de verwijdering van tactische kernwapens van ons grondgebied beschouwt als een zeer belangrijke stap in een proces van ontwapening.
Voor het overige telt het doel dat we nastreven. De gevolgde weg kan verschillen. Hoe sneller we het doel bereiken, hoe beter.
De heer Jean-Paul Procureur (cdH). - Deze week is het vonnis geveld in de zaak van de verschrikkelijke ramp van Gellingen. Bij die ramp, veroorzaakt door een ontploffing van een gasleiding, kwamen 24 mensen om en werden veel slachtoffers voor het leven getekend.
De ramp van Gellingen vond plaats op 30 juli 2004. Bijna zes jaar later wachtten de overlevende slachtoffers en de familieleden van de overleden slachtoffers met ongeduld op een uitspraak. Vandaag zijn ze diep ontgoocheld. Het is evenwel niet aan ons om een rechterlijke beslissing te bekritiseren, temeer daar het parket in beroep gaat. De procedure is dus verre van beëindigd.
Dat brengt ons nog maar eens bij het debat over een rechtvaardige schadevergoeding voor de slachtoffers van dit soort rampen, rechtvaardig uit het oogpunt van het bedrag, maar ook rechtvaardig uit het oogpunt van de snelheid waarmee het aan de slachtoffers wordt uitgekeerd.
Tijdens een debat over een rechtvaardige schadevergoeding voor de slachtoffers van technologische rampen in de commissie voor de Economische Aangelegenheden heeft de minister beloofd wetgevende maatregelen te nemen, in het bijzonder op het vlak van verzekeringen, om het probleem van de laattijdige schadevergoedingen op te lossen.
Wanneer zal dat ontwerp aan het parlement worden voorgelegd? Welke bepalingen zal dat ontwerp bevatten? Zal er een fonds voor schadevergoeding worden opgericht om het geld snel aan de slachtoffers uit te keren? Zo ja, hoe zal het fonds worden gefinancierd?
Zal er een specifieke regeling worden ingevoerd voor het bijzondere probleem van technologische rampen of wil de minister dat probleem regelen door middel van wijzigingen in de regels voor de brandverzekering, zoals hij na de verschrikkelijke ramp in Luik heeft aangekondigd?
De heer Didier Reynders, vice-eersteminister en minister van Financiën en Institutionele Hervormingen. - De vraag van de heer Procureur betreft twee aspecten.
Er ligt een voorontwerp klaar dat de verzekering voor de buitencontractuele burgerlijke aansprakelijkheid bij brand betreffende gewone risico's verplicht maakt. Het zal komende maandag in de interkabinettenwerkgroep worden onderzocht voordat het aan de ministerraad wordt voorgelegd. Elk slachtoffer moet snel kunnen worden vergoed, zelfs zonder verzekering.
Aangezien die verzekering verplicht wordt, kan een fonds worden opgericht en permanent ter beschikking van de slachtoffers van `brandrampen' worden gesteld, onafhankelijk van de omvang van die rampen.
Daarnaast heb ik door mijn kabinet en administratie een voorontwerp laten voorbereiden betreffende de vergoeding voor slachtoffers van zogenaamde `technologische' rampen.
Als zich een grote ramp voordoet, wordt er snel een evaluatie gemaakt door de betrokken FOD's, bijgestaan door het parket, om te bevestigen dat er een probleem is inzake de vaststelling van de verantwoordelijkheid.
In dat geval wordt een fonds voor schadevergoeding ad hoc opgericht om de slachtoffers van een dergelijke ramp snel te kunnen vergoeden, zodat ze niet hoeven te wachten op de afloop van een lange gerechtelijke procedure om de verantwoordelijken voor de ramp aan te wijzen.
Dat fonds zal worden gevoed door de verzekeringssector, in verhouding tot het marktaandeel van elke verzekeraar in de sector van de verzekeringen voor burgerlijke aansprakelijkheid. Het betreft dus voorschotten die het fonds achteraf kan recupereren bij degene die verantwoordelijk wordt gesteld aan het eind van de gerechtelijke procedure.
Indien er geen verantwoordelijke of geen solvabele verantwoordelijke wordt aangewezen, is het wenselijk dat de Staat geheel of gedeeltelijk tussenbeide komt, bijvoorbeeld via een fonds zoals het Rampenfonds.
Mijn kabinet heeft de nodige contacten met het kabinet van de minister van Justitie gelegd, aangezien dit ontwerp uiteraard ook zijn bevoegdheden betreft. We trachten zo snel mogelijk een tekst voor te leggen aan de ministerraad.
Als de behandeling van de twee ontwerpen normaal verloopt, hoop ik dat we ze nog voor het parlementaire zomerreces in het parlement kunnen bespreken.
De heer Jean-Paul Procureur (cdH). - Ik dank de vice-premier voor zijn positieve antwoorden. We zullen de ontwikkelingen in de komende maanden blijven volgen.
De vergoeding van de slachtoffers moet primeren bij alle rampen waarvoor de verantwoordelijkheid moeilijk is vast te stellen en waarbij bijgevolg niet snel kan worden gehandeld. Op medisch vlak gebeurt dat. De zaken zijn in de goede zin geëvolueerd, maar we moeten op dezelfde manier te werk gaan voor technologische rampen.
Mevrouw Lieve Van Ermen (LDD). - Voor een op zes Belgische koppels gaat zwanger worden niet vanzelf. Jaarlijks kiezen daarom ongeveer 4 000 koppels voor een vruchtbaarheidsbehandeling, IVF of ICSI, intracytoplasmatische sperma-injectie. Dat zijn behandelingen waarbij de eierstokken van de vrouw worden gestimuleerd om meerdere cellen te laten rijpen. Via een punctie worden ze nadien uit het lichaam gehaald en samengebracht met zaadcellen van de man. Na de bevruchting plaatst de arts één of twee bevruchte embryo's in de baarmoeder terug.
Bij de ICSI-behandeling wordt slechts één geselecteerde zaadcel rechtstreeks in de eicel gebracht, meestal omdat het zaad van de man niet beweeglijk genoeg is. Via die tweede, extremere vorm van in-vitrofertilisatie kan blijkbaar onvruchtbaarheid aan de volgende generatie worden doorgegeven. Emeritus professor André Van Steirteghem ontdekte de ICSI-methode, maar waarschuwt nu voor de gevolgen van de behandeling. ICSI is bedoeld voor stellen waarvan de man slecht of weinig sperma heeft. Aangezien slechts één spermacel wordt gebruikt, kan geen natuurlijke selectie plaatsvinden. In de race om het eitje worden normaal gesproken de slechte spermacellen - die genetische fouten bevatten - al snel uitgeschakeld. Dat gebeurt bij de ICSI-methode dus niet. Jongetjes nemen met andere woorden de slechte spermakwaliteit over via de genen van hun vader. Verder onderzoek zal moeten uitwijzen of onvruchtbaarheid al dan niet volledig genetisch is bepaald.
Momenteel gebruiken sommige ziekenhuizen de ICSI-methode voor iedereen. Dat is niet nodig omdat methodes zoals de traditionele IVF-behandeling bestaan. In 2007 werd in 76% van de 18 000 vruchtbaarheidsbehandelingen de ICSI-methode gebruikt.
Ook moeten toekomstige ouders worden ingelicht over alle voor- en nadelen van de vruchtbaarheidsbehandelingen. Proefbuisbaby's zouden blijkbaar ook een groter risico lopen op obesitas en diabetes. IVF-baby's hebben een iets lager geboortegewicht dan andere borelingen en dat gewicht hangt vaak samen met latere gezondheidsproblemen.
Is de minister hiervan op de hoogte? Is zij van plan regelgeving omtrent de ICSI-vruchtbaarheidsbehandeling op te stellen om onvruchtbaarheid tegen te gaan? Welke concrete stappen kunnen hiertoe worden gedaan? Wat stelt de minister voor om gezondheidsproblemen ten gevolge van vruchtbaarheidsbehandelingen te beperken?
Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, belast met Maatschappelijke Integratie. - Het risico dat bij de ICSI-techniek mannelijke onvruchtbaarheid op de volgende generatie wordt overgebracht is welbekend.
De wet van 6 juli 2007 bepaalt dat de behandelende artsen de patiënten goed moeten voorlichten over de mogelijke risico's en verwikkelingen die kunnen optreden bij het gebruik van de ICSI-techniek. Hierbij moet uiteraard ook worden gewezen op het risico dat genetisch bepaalde mannelijke onvruchtbaarheid wordt overgedragen.
De Centra voor reproductieve geneeskunde zullen binnenkort door het Federaal Agentschap voor geneesmiddelen en gezondheidsproducten worden geïnspecteerd zoals is voorzien in de wet van 19 december 2008 over menselijk lichaamsmateriaal. Bij die inspecties zal onder andere bijzondere aandacht worden besteed aan de informatiebrochures en aan het correcte verloop van de procedures met betrekking tot de geïnformeerde toestemming voor fertiliteitsbehandelingen.
Het risico op een lager geboortegewicht en latere gezondheidsproblemen bij kinderen die geboren worden na een IVF-behandeling, én op epigenetische problemen, is op het ogenblik nog onvoldoende gedocumenteerd. Het onderzoek is nog volop aan de gang.
Het feit dat bepaalde centra hoofdzakelijk ICSI toepassen en de andere technieken niet meer gebruiken, moet inderdaad verder worden onderzocht. Dat is een taak van het College van geneesheren van de zorgprogramma's voor reproductieve geneeskunde van de FOD Volksgezondheid. Ik zal het College onmiddellijk vragen deze problematiek in kaart te brengen met het oog op het ontwikkelen van kwalitatieve aanbevelingen.
Indien uit inspecties of uit de gegevens van het College blijkt dat de indicatiestelling voor IVF of ICSI afwijkt van internationaal aanvaarde richtlijnen, dan moet zeker worden ingegrepen.
De laatste vraag was van medische aard. Om te beginnen moet elke indicatie voor een vruchtbaarheidsbehandeling correct worden gesteld en, zoals eerder vermeld, moeten de kandidaat-ouders zo zorgvuldig mogelijk worden ingelicht over de kansen op succes en de risico's op korte en lange termijn. Elke IVF-cyclus wordt bij het College geregistreerd. Dat register kan eventueel van nut zijn om de langetermijngevolgen van vruchtbaarheidsbehandelingen in ons land in kaart te brengen. Het is in elk geval wenselijk dat de Hoge Gezondheidsraad zich over deze problematiek buigt, vooral over de indicatiestellingen voor vruchtbaarheidsbehandelingen en het gebruik van de diverse technieken, waaronder ICSI.
Mevrouw Lieve Van Ermen (LDD). - Voor mensen met een kinderwens is IVF een prachtige oplossing, maar we mogen niet vergeten dat bij de ICSI-methode geen natuurlijke selectie kan optreden. Waarom dan meteen naar ICSI grijpen. Waarom IVF niet méér promoten?
In de performanceconcurrentie staat de baby nauwelijks nog centraal, wel de ego's van de artsen die deze baby's in een petrischaaltje produceren. In onze consumptiemaatschappij dient ook wetenschappelijk te worden nagedacht over hoe de ouders het best worden ingelicht over het feit dat hun `product' imperfecties kan vertonen, die de maatschappij op termijn blijvend veel geld kosten. Het forfait voor IVF en ICSI bedraagt ongeveer 4000 euro. Vermenigvuldigd met 4000 koppels komt dat op 16 miljoen euro per jaar aan terugbetaling door het RIZIV. Dan moeten we toch wel nakijken welk nageslacht we daarmee produceren.
Mevrouw Nele Lijnen (Open Vld). - In de senaatscommissie voor de Sociale Aangelegenheden voeren we al geruime tijd een debat over studentenarbeid. Een knelpunt daarbij is vooral de vraag of we moeten kiezen voor een systeem van uren, dagdelen of dagen. De horeca, de distributiesector en de kleine zelfstandigen, die met piekmomenten worden geconfronteerd, willen studenten graag voor enkele uren inschakelen, maar die gaan daar niet zo graag op in omdat ze dan een hele dag kwijt zijn. Het zou dus veel interessanter zijn dat studenten die voor een bepaald aantal uren worden ingeschakeld, ook maar dat aantal uren aangerekend krijgen in het studentenarbeidssysteem.
Het klassieke tegenargument voor een uurregeling is dat voor de RSZ de controleerbaarheid praktisch niet mogelijk is.
Een gelijkaardig probleem deed zich jaren geleden ook voor bij seizoenarbeid. Daar heeft men noodgedwongen na het afschaffen van de plukkaart het gelegenheidsformulier moeten gebruiken, onder meer omdat Dimona niet voor werknemers verplicht kon worden gesteld. Vanaf 1 april 2010 zou er geen probleem meer zijn dankzij de zogenaamde Dimona re-engineering. Die toepassing biedt heel wat nieuwe mogelijkheden en kan bijvoorbeeld dubbele tewerkstelling of foutief gebruik voorkomen. De RSZ had enkele jaren nodig om een techniek uit te werken, maar is er nu in geslaagd een systeem te ontwerpen dat voldoet aan de specifieke vereisten van seizoensarbeid. Die techniek zou een goede basis kunnen zijn voor de berekening van studentenarbeid op basis van uren of dagdelen.
Kan Dimona re-engineering een basis zijn om studentenarbeid te berekenen op basis van uren of dagdelen?
Wat zijn momenteel nog de precieze problemen voor zo een berekening?
Werden er al onderzoeken gedaan door de RSZ om die problemen op te lossen?
Zal de minister de nodige instructies geven voor een oplossing?
Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, belast met Maatschappelijke Integratie. - De re-engineering van Dimona en de uitwerking van een nieuwe regeling voor de tewerkstelling van studenten, zijn twee aparte projecten.
De re-engineering van de Dimonatoepassing verandert in se niets aan de bestaande toepassing. Het betreft enkel een technische upgrade, teneinde vooral de kwaliteit van de aangiftes te verbeteren. Dat betekent dat vanaf 1 april 2010 enkel een aangifte met een begin- en einddatum moet worden gedaan. Alleen voor specifieke sectoren, land- en tuinbouw, horeca, en voor de categorie van gelegenheidswerknemers, moet een aangifte gebeuren op basis van een begin- en einduur.
Met de hervorming van de studentenarbeid willen we komen tot een globale regeling voor alle sectoren, waarbij zowel aan de werkgevers als aan de studenten de zekerheid kan worden geboden dat de tewerkstelling gebeurt onder het uitzonderingsregime voor studenten; op elk moment en voor elke werkgever een exacte stand van zaken bieden op vlak van het studentencontingent.
Als we voor bepaalde sectoren uitzonderingen toestaan voor een dagaangifte met begin- en einduur, dan bestaat het risico dat het moet worden veralgemeend. Een gemengd systeem met enerzijds dagaangiften en anderzijds dagaangiften met begin- en einduur is ook zeer moeilijk te beheren. Het impliceert tevens tal van correcties.
Zoals al gezegd zou een aangiftesysteem met begin- en einduur een te grote administratieve last meebrengen. Daarom hebben we in dit stadium niet voor dat spoor gekozen.
Voor het hervormingsproject is echter momenteel advies gevraagd aan de Nationale Arbeidsraad. Indien de sociale partners in hun reactie de voorkeur geven aan een systeem met een verklaring op basis van werkuren, zullen we dat spoor uiteraard opnieuw bestuderen.
Mevrouw Nele Lijnen (Open Vld). - Ik kan aannemen dat de controle bij een urensysteem meer administratieve rompslomp geeft. Toch blijf ik erbij dat het technisch mogelijk is om, dankzij de re-engineering van Dimona, ook voor studentenarbeid met een halvedagensysteem te werken, zoals dat al voor tal van werknemers gebeurt die deeltijds werken. Ik hoop dan ook dat de minister het dagdelensysteem als advies aan de Nationale Arbeidsraad zal voorstellen.
De voorzitter. - Ik stel voor de mondelinge vraag en de vraag om uitleg samen te voegen. (Instemming)
Mevrouw Marleen Temmerman (sp.a). - Onlangs kwam de problematiek van de borstklinieken opnieuw in de media. Vooral door de strengere normen die vanaf dit jaar gelden, dreigen binnen afzienbare tijd een aantal borstklinieken hun erkenning te verliezen. Wij hadden het hier vijf weken geleden al uitvoerig over in deze plenaire vergadering. Voor iedereen staat voorop dat patiënten met borstkanker op de best mogelijke manier geholpen moeten worden. De gespecialiseerde zorgprogramma's voor borstkanker, de borstklinieken met hun multidisciplinair overleg, minimale medische, paramedische en psychologische begeleiding zijn alvast een belangrijke stap in de goede richting. Ik kijk samen met de minister uit naar de eerste evaluatierapporten in maart voor de jaren 2007 en 2008 en later dit jaar voor het jaar 2009.
De minister heeft vorige keer bevestigd dat het aantal van 150 ingrepen per jaar teruggaat op normen die werden aangereikt door EUSOMA, de European Society of Mastology, en in overeenstemming is met een advies daarover van het College voor Oncologie. Die richtlijnen zijn ook internationaal aanvaard en evidence-based. De implementatie ervan kan echter wel leiden tot een drastische vermindering van het aantal centra waardoor de toegankelijkheid voor de patiënten in het gedrang kan komen.
Het valt om te beginnen af te wachten hoe de bevoegde gemeenschappen en gewesten die normen zullen interpreteren. Er is de norm van 150 ingrepen per jaar voor een ziekenhuis en er zijn de lopende overgangsregelingen voor de borstklinieken die tussen de 100 en de 150 ingrepen haalden. Wie vanaf nu echter een nieuwe erkenning wil behouden of verkrijgen, moet voldoen aan de norm van 150 operaties per jaar. Achterliggende redenering is dat er meer kwaliteit is op een plaats waar meer ervaring is.
Uit onderzoek is echter gebleken dat niet alleen het aantal ingrepen per ziekenhuis belangrijk is, maar vooral het aantal ingrepen dat een individuele arts uitvoert.
Als de gemeenschappen en de gewesten de federaal opgelegde normering letterlijk nemen, dan moeten er centra sluiten. De Beroepsvereniging van de Belgische Verloskundigen en Gynaecologen heeft berekend dat dan bijna de helft van de 46 bestaande borstklinieken dicht moet.
De FOD Volksgezondheid meldt inmiddels dat er samen met de gemeenschappen en de gewesten naar een oplossing wordt gezocht. Ik ben benieuwd in welke richting wordt nagedacht. Een mogelijk scenario kan mijns inziens zijn dat er gewerkt wordt naar het model van de associaties met A- en B-ziekenhuizen, zoals men ook al doet voor de fertiliteitscentra.
Kunnen borstklinieken ook associaties of fusies aangaan waarbij ze op verschillende vestigingsplaatsen samen de norm van 150 ingrepen per jaar halen en aldus gezamenlijk hun erkenning behouden? De voorwaarde is uiteraard dat ze voldoen aan alle andere belangrijke criteria voor ondersteuning.
Kan de minister de evaluatierapporten over de borstklinieken in de commissie voor de Sociale Aangelegenheden komen toelichten?
Indien de 150-norm per vestigingsplaats toch strikt behouden blijft, blijft dan de mogelijkheid om perifere behandelingen als chemotherapie of psychologische begeleiding buiten de borstkliniek te organiseren om die dichter bij de patiënten te brengen?
De heer Louis Ide (Onafhankelijke). - Mevrouw Temmerman heeft de problemen in verband met de borstklinieken reeds uitvoerig beschreven. Ze vermeldt dat de Beroepsvereniging van de Belgische Verloskundigen en Gynaecologen vreest dat het aantal borstklinieken zal worden gereduceerd van 46 naar 23. Volgens de voorzitter van de Vlaamse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie, dokter Johan Van Wiemeersch, zou het aantal borstklinieken worden gereduceerd tot 21. Dat is een belangrijke daling, die problematisch kan zijn voor de toegankelijkheid van de borstklinieken.
Kwaliteit staat inderdaad voorop. Volgens mevrouw Temmerman is het aantal van 150 diagnoses een evidence-based cijfer. Kan de minister dat bevestigen? Een kwalitatieve aanpak vergt immers niet alleen een minimumaantal van 150 ingrepen. Er moet ook een multidisciplinaire ondersteuning zijn.
Ik heb ook een zeer concrete vraag. Wat gebeurt er als een arts in twee centra actief is en 150 ingrepen per jaar uitvoert? Een arts moet 50 ingrepen per jaar halen, maar een borstkliniek 150 ingrepen. Dat is een contradictie. De minister streeft naar kwaliteit, maar het koninklijk besluit dat begin dit jaar is genomen, beantwoordt niet aan de doelstellingen.
Naast de vragen van mevrouw Temmerman, heb ik nog een vraag. Is de minister bereid om, in overleg met het veld, het koninklijk besluit te herzien met het oog op het realiseren van de uiteindelijke doelstelling, namelijk kwalitatieve borstklinieken oprichten?
Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, belast met Maatschappelijke Integratie. - De aanbeveling om de zorg voor borstkankerpatiënten te organiseren in gespecialiseerde borstkankercentra, waar de nadruk ligt op het multidisciplinaire aspect van de zorg, is inderdaad gebaseerd op een brede internationale wetenschappelijke consensus.
Bij de uitwerking van de normen voor het gespecialiseerde oncologische zorgprogramma voor borstkanker werd inderdaad het advies gevolgd van het College van Oncologie over de noodzaak van een gespecialiseerd zorgprogramma voor borstkanker, dat gebaseerd is op de richtlijnen van EUSOMA, de European Society of Mastology, en op de European guidelines for quality assurance in breast cancer screening and diagnosis, gerealiseerd door Perry en in 2006 gepubliceerd door de Europese Gemeenschap. Die richtlijnen werden ontwikkeld door een groep van internationaal erkende experts op het gebied van de diagnose en behandeling van borstkanker.
Die richtlijnen hebben betrekking op een minimaal activiteitsniveau, het voeren van multidisciplinair overleg, de expertise en de minimale medische en paramedische en psychologische ondersteuning, de minimale infrastructuur en de werkingsnormen.
Het minimaal activiteitsniveau voor de borstklinieken is in die richtlijnen vastgelegd op 150 nieuwe borstkankerdiagnoses per jaar. In de richtlijnen wordt een aantal van 30 tot 40 borstklinieken per 10 miljoen inwoners aanbevolen.
Het rapport van het Federaal Expertisecentrum van juli 2009 over `het volume van de chirurgische ingrepen en de impact ervan op het resultaat', gebaseerd op Belgische gegevens, bevat nieuwe elementen ten gunste van de kwantitatieve normen uit het besluit van 26 april 2007.
Het koninklijk besluit van 26 april 2007 bepaalt, voor een eerste erkenning, dat er een minimale activiteitendrempel moet zijn van 100 nieuwe diagnoses in het jaar vóór de erkenning, of dat een gemiddelde van 100 nieuwe diagnoses per jaar in de drie jaar voorafgaand aan de erkenning moet worden aangetoond.
Dankzij die overgangsmaatregel konden ziekenhuizen zich organiseren om vanaf 1 januari 2010 een minimale activiteitendrempel van 150 nieuwe diagnoses per jaar te behalen. Met andere woorden de oorspronkelijke normen in voornoemd besluit evolueren.
Met het oog op de geografische toegankelijkheid van de zorg voorziet het besluit immers terecht in een afwijking: overgaan naar een drempel van 150 nieuwe gevallen is niet vereist, wanneer binnen een straal van 50 kilometer geen andere borstkliniek is.
De erkenning van de zorgprogramma's is een bevoegdheid van Gemeenschappen en Gewesten. Zij beslissen of een borstkliniek al dan niet aan de erkenningsnormen voldoet. Momenteel zijn aldus 46 borstklinieken erkend. Ik beschik echter niet over voldoende gegevens om met zekerheid te bepalen welke klinieken na het verstrijken van de overgangstermijn actief kunnen blijven. Ik wacht op een verslag tegen einde maart.
In dit dossier laat ik mij niet alleen drijven door de toegang tot de zorg. De kwaliteit van de zorg is in mijn ogen nog belangrijker en ze kan op diverse manieren worden gegarandeerd. Hoe meer ervaring op dat vlak, hoe beter voor het hele multidisciplinaire team.
Via de activiteitsdrempel zetten we ziekenhuizen ertoe aan om in een context van snelle technische ontwikkeling alle nieuwe technologieën aan te bieden die de kwaliteit van de zorg en vooral de overlevingskansen en de levenskwaliteit van de patiënten kunnen verbeteren.
A priori overweeg ik geen herziening van de geldende normen, maar ik blijf aandachtig voor de signalen uit de praktijk. Ik evalueer de mogelijke negatieve effecten van de intrekking van een erkenning op de toegankelijkheid van de zorg en op de bezettingsgraad van de blijvend erkende klinieken. In voorkomend geval moeten we de reglementering kunnen versoepelen zonder in te boeten op kwaliteit en ervaring. We mogen geen enkel denkspoor uitsluiten. Ik dank beide vraagstellers dan ook voor hun voorstel. Zodra ik bovengenoemd verslag heb ontvangen, zal ik het bestuderen.
Van de proefprojecten die in 2007 en 2008 aan de borstklinieken voorafgingen, ontving de federale overheid activiteitenrapporten. Strikt genomen zijn dat dus geen evaluatierapporten. Parlementsleden die het wensen, kunnen hiervan kennis nemen.
In 2009 verschilt de situatie, want dan werden voor het eerst eigenlijke zorgprogramma's ingericht. De gemeenschappen en gewesten staan in voor de erkenning van de borstklinieken en dus ook voor de inzameling en de analyse van de gegevens ter zake. Overtuigd als ik ben van de noodzaak om met de deelgebieden te overleggen, zal ik dat punt op de agenda van de volgende interministeriële conferentie plaatsen.
De implementatie van de borstklinieken beoogt uiteraard het instellen van een omkadering die gebaseerd is op de fundamentele principes, namelijk het multidisciplinaire, de expertise en de coördinatie. De therapeutische beslissingen moeten dus in die context worden genomen. De patiënte mag zelf echter nog altijd kiezen waar ze zich laat behandelen. Dat kan een chemotherapie of een psychologische follow-up zijn in een instelling bij haar in de buurt, die erkend is voor een programma van oncologische zorg, op voorwaarde dat de patiënte wordt gevolgd in een gespecialiseerd centrum, in coördinatie met dat perifere centrum.
Mevrouw Marleen Temmerman (sp.a). - Ik dank de minister voor haar uitgebreid antwoord. Het verheugt me dat er ook aandacht gaat naar de toegankelijkheid en dat nieuwe voorstellen bespreekbaar zijn.
De heer Louis Ide (Onafhankelijke). - Ook ik dank de minister voor het hoopvolle antwoord. Ze zal de zaken met de nodige aandacht volgen. Ik ben blij dat rekening zal worden gehouden met de opmerkingen die ik samen met mevrouw Temmerman heb gemaakt.
Het is me echter nog altijd niet duidelijk of een arts in twee uitgebouwde, multidisciplinaire centra actief kan zijn, als hij of zij een bepaalde activiteitsdrempel haalt. Ik begrijp dat de minister daar niet zomaar op kan antwoorden, maar ik vraag dat ze dat meeneemt in de overweging nadat zij het rapport heeft ontvangen.
De heer Philippe Fontaine (MR). - Verleden maandag 15 februari vond een van de zwaarste ongevallen in de Belgische spoorweggeschiedenis plaats. Sindsdien worden er terecht vragen gesteld over de veiligheid van de spoorwegen.
Negen jaar na het zware ongeval van Pécrot in maart 2001, waarbij acht doden vielen in gelijkaardige omstandigheden, heeft de NMBS blijkbaar nog steeds niet de nodige lessen geleerd!
Er rijzen talrijke vragen naar aanleiding van dit dramatische ongeval, vooral over de veiligheid van onze treinen.
Beschikt de minister over precieze informatie over de huidige werkomstandigheden van de treinbestuurders? De treinbestuurders zelf doen hun beklag over die werkomstandigheden. Plant de minister concrete maatregelen om tegemoet te komen aan hun opmerkingen en voorstellen?
Is het gebrek aan voldoende en efficiënte veiligheidsmaatregelen te wijten aan budgettaire overwegingen, aan technische problemen, aan personeelsgebrek waardoor die maatregelen niet kunnen worden toegepast, of aan die drie oorzaken samen?
Hoe verklaart de minister dat andere landen erin zijn geslaagd al hun treinen binnen een redelijke termijn uit te rusten met goed werkende veiligheidssystemen? Zwitserland bijvoorbeeld heeft slechts drie jaar nodig gehad voor het hele spoorwegennet! Bij ons zou die doelstelling pas in 2030 kunnen worden bereikt.
Welke oplossingen overweegt de minister om ervoor te zorgen dat het vervoersaanbod en het comfort van de reizigers niet in het gedrang komen wanneer de sporen worden aangepast of hersteld en de treinen voor de uitvoering van allerlei werkzaamheden uit circulatie worden gehaald? Vandaag is het aanbod op de getroffen lijn zeer beperkt. Kan niet worden overwogen moderniserings- of herstelwerkzaamheden 's avonds of in het weekend te laten plaatsvinden? Kan er geen onderaannemer worden ingeschakeld om de nieuwe uitrusting te installeren?
Bij vervoer komt veiligheid op de eerste plaats. De reizigers moeten vertrouwen hebben in onze spoorwegen. Bovendien moet men er rekening mee houden dat het personeel met ingewikkelde instrumenten moet werken. Zo niet hebben de campagnes om het gebruik van het openbaar vervoer aan te moedigen geen zin.
Jammer genoeg hebben we in de dagen na de ramp kunnen vaststellen dat het gebruik van het openbaar daalde en dat de wegen oververzadigd waren.
Mevrouw Inge Vervotte, minister van Ambtenarenzaken en Overheidsbedrijven. - Iedereen heeft recht op transparante informatie over het huidige en vroegere veiligheidsbeleid van de spoorwegen, vooral na een ramp zoals die van 15 februari laatstleden. Ik ben bereid de informatie te verschaffen waarover ik beschik.
In de Kamercommissie ben ik uitgebreid op dat onderwerp ingegaan en ik heb ook geantwoord op de talrijke vragen over de veiligheid van het spoorverkeer. De onderwerpen van deze mondelinge vraag kwamen ook aan bod. In het kader van een mondelinge vraag is er echter te weinig tijd om de vragen van de senator juist en gedetailleerd te beantwoorden. Ik stel dus voor dat ik de tekst van mijn uiteenzetting in de Kamer overhandig. Ik heb er een kopie van meegebracht. Op die manier kan ik veel meer inlichtingen geven.
Ik stel die tekst ook ter beschikking van de diensten van de Senaat.
Ik kan niettemin informatie geven over de maatregelen die ik heb genomen en zal nemen in verband met het ongeval.
Ik begin met de vraag in verband met de toegang tot de verslagen van de raden van bestuur. Zoals ik al in mijn inleiding heb gezegd, heb ik het vaste voornemen in dit dossier zo transparant mogelijk tewerk te gaan.
Ik ben dus ook bereid aan de bijzondere commissie een dossier te bezorgen met de stukken waarop de beslissingen zijn gebaseerd, namelijk de verslagen van de raden van bestuur.
Ik zal er ook voor zorgen dat er jaarlijks een verslag wordt opgesteld en dat er in het parlement een debat plaatsvindt over de stand van zaken op het vlak van de veiligheid, zowel op het niveau van de beslissingsorganen van de groep als op het niveau van de Staat. De opvolging van de adviezen en de plannen moet worden gesystematiseerd. Ik zal overleg plegen met mijn collega, de staatssecretaris voor Mobiliteit, de FOD Mobiliteit en de DVIS.
De adviezen over de ongevallen en de spoorwegincidenten die het onderzoeksorgaan levert, zullen ernstig worden genomen. Ik zal erop toezien dat aan die aanbevelingen gevolg wordt gegeven.
Nog de avond zelf van het ongeval heb ik met de drie CEO's en de vakbonden overleg over de veiligheid opgestart. Dat overleg wordt de komende weken voortgezet. De volgende onderwerpen komen er onder meer aan bod: de beveiliging van de treinen en het signalisatiesysteem, de vertrekprocedures, de werkdruk, het beleid inzake opleiding, veiligheid en discipline. Ik blijf ervan overtuigd dat er in die verschillende domeinen op veel niveaus bij de spoorweggroep goed werk is verricht, maar ik wil de lessen uit de ramp trekken en snel beslissingen nemen om een reeks procedures te versnellen en uit te diepen.
In de loop van vorige week heb ik de heren Descheemaecker en Lallemand opgedragen binnen een zeer korte termijn te onderzoeken of de invoering van TBL1+ kan worden versneld. Dat zou volgens de eerste reacties drastische gevolgen hebben. Zo zouden de diensten in sommige stations of op sommige lijnen tijdens de weekends worden opgeschort. Ik ben van mening dat we bereid moeten zijn dergelijke ongemakken te aanvaarden als dat kan bijdragen tot een versnelde beveiliging van ons spoorwegtransport en voor zover die optie realistisch, haalbaar en veilig is.
In verband met de specifieke vraag van de heer Fontaine over Zwitserland beschik ik op dit moment niet over inlichtingen. Er moet uiteraard een onderscheid worden gemaakt tussen de studies, de ontwikkeling en de homologatie van de eigenlijke invoering. Als hij me die inlichtingen geeft, zal ik ze ter onderzoek aan de FOD Mobiliteit bezorgen. De tekst waarover ik sprak, beschrijft de situatie in enkele andere Europese landen, zoals Nederland, Denemarken en Zweden.
Er werd op verzoek van het parket, dat vaststellingen moest doen, een alternatieve dienst ingesteld. De normale dienst wordt volgende maandag normaal gezien hervat.
De heer Philippe Fontaine (MR). - Ik zal het document dat de minister ons zal bezorgen, met belangstelling lezen. Ik dank haar voor haar streven naar transparantie en haar wil om op korte termijn zowel de veiligheid als het comfort van de reizigers te verhogen. Een groot probleem, en een van de oorzaken van de ramp, is de vertraging van veel treinen. De NMBS moet dat probleem aanpakken om een herhaling van dergelijke rampen te voorkomen en om de burgers aan te moedigen het openbaar vervoer te gebruiken.
Mevrouw Anke Van dermeersch (VB). - Het federale migratie- en asielbeleid is één grote puinhoop. De massale regularisatieoperatie van eind vorig jaar, die in feite volledig illegaal is, heeft een nieuwe, grote immigratiestroom van zogenaamde asielzoekers op gang getrokken. De OCMW's zullen binnenkort de steunaanvragen van die frauduleus geregulariseerde personen en van al diegenen die in hun kielzog in het kader van de gezinshereniging naar ons land zullen afzakken, het hoofd moeten bieden. Sinds kort komt daar nog de toevloed van valse asielzoekers uit Macedonië en Servië bij, waar een echte volksverhuizing naar ons land aan de gang lijkt te zijn, blijkbaar georganiseerd door een soort reisbureaus.
Hiervan dragen niet alleen de federale belastingbetalers de nefaste gevolgen, ook de gemeenten zijn het slachtoffer. Meer bepaald de OCMW's, vooral dan van de grote steden, kreunen nu al onder de lasten van het wanbeleid en worden budgettair in de diepte gesleurd. En dat is nog maar een begin.
De OCMW's en hun belangenorganisaties hebben dan ook al herhaaldelijk aan de alarmbel getrokken. Zo verklaarde de Antwerpse OCMW-voorzitter Monica De Coninck, hierin gesteund door haar burgemeester, op 13 februari laatstleden: `Er is in België geen duidelijk migratiebeleid, we ondergaan het allemaal te veel. Als stad draag je daar de gevolgen van. Het lijkt me logisch dat het federale niveau de financiële consequenties draagt van zijn eigen beslissingen.' Ook de OCMW-voorzitter van Brussel heeft al meermaals gewaarschuwd dat de situatie voor het Brusselse OCMW onhoudbaar wordt.
De Brusselse OCMW-voorzitter heeft nu een versnelling hoger geschakeld door zes leden van de federale regering voor het gerecht te dagen om hen in deze zaak op hun verantwoordelijkheden te wijzen.
De voornaamste eisen zijn dat er opnieuw een spreidingsplan komt en dat de federale overheid meer middelen voor de steden voor de opvang van vermeende asielzoekers uittrekt.
Hoe reageert de regering op de dagvaarding van zes van haar excellenties door het Brusselse OCMW?
Op welke wijze wordt tegemoetgekomen aan de verzuchtingen van de OCMW's? Wat is de huidige stand van zaken en welke bijkomende maatregelen worden in het vooruitzicht gesteld? Indien de staatssecretaris inderdaad voorstander is van de herinvoering van een spreidingsplan en van meer financiële steun aan asielzoekers, hoe wil hij dit dan realiseren en afdwingbaar maken? In het verleden hebben we al gelijkaardige dingen meegemaakt en gebeurde er niets en kwam iedereen toch in de grote steden terecht.
Wanneer en op welke wijze zullen de OCMW's extra financiële steun krijgen?
Worden er bijkomende maatregelen genomen om het probleem aan de bron aan te pakken, dat wil zeggen om een einde te maken aan de massale instroom van valse asielzoekers die alleen maar op zoek zijn naar betere economische levensomstandigheden?
Hoe wordt het probleem van de toevloed uit Macedonië en Servië aangepakt?
De heer Philippe Courard, staatssecretaris voor Maatschappelijke Integratie en Armoedebestrijding. - Ik heb uiteraard kennisgenomen van de dagvaarding door het Brusselse OCMW. Ondertussen werd het nodige gedaan om een advocaat aan te stellen en wordt binnen de regering een antwoord voorbereid dat eind maart moet worden voorgelegd. Ik heb onlangs met de OCMW's van de grootste steden overleg gepleegd. Momenteel worden voorstellen bestudeerd in het kader van het begrotingsconclaaf. Op de begroting van 2010 werd voor de OCMW's voorzien in 650 nieuwe voltijdse betrekkingen met middelen uit de sociale Maribel.
Wat het spreidingsplan betreft, werd in de wet houdende diverse bepalingen van december 2009 een nieuwe wettelijke bepaling ingeschreven die de regering de mogelijkheid geeft opnieuw over te gaan tot een spreiding als de noodzaak daartoe blijkt uit een omstandig rapport.
Het is nu aan de regering om te evalueren of, wanneer en voor welke groepen daarvan gebruik zal worden gemaakt. Uiteraard zal dit gebeuren in overleg met alle betrokken instanties en beleidsniveaus.
Ik lees nu het antwoord van staatssecretaris Wathelet op het derde en vierde punt van uw vraag.
Om een einde te maken aan de massale instroom van valse asielzoekers werd de asielprocedure sedert 2007 versneld. De stijging van het aantal erkenningen wijst er ook op dat steeds meer mensen een beschermingsstatuut nodig hebben. Asielzoekers komen steeds vaker uit landen waar de mensenrechten ernstig worden geschonden of waar gewapende conflicten hen ertoe aanzetten te vluchten. Deze dossiers worden op individuele basis geanalyseerd, maar de behandeling verloopt snel en efficiënt.
Om de toevloed uit Macedonië en Servië een halt toe te roepen, werden de volgende preventieve maatregelen genomen: een interview op de Macedonische televisie waarin de situatie werd uitgelegd: geen opvang, snelle behandeling van de asielaanvraag, terugzending; contacten met de ambassades, gepland bezoek van de staatssecretaris aan Macedonië, waarschijnlijk in aanwezigheid van vertegenwoordigers van de Europese Commissie, en een ter plaatse georganiseerde informatiecampagne door een immigratieambtenaar.
Tevens worden de asielaanvragen versneld behandeld. Als die mensen hier aankomen met een geldig paspoort en een visumvrijstelling, en ze geen familieleden hebben die legaal in een ander Europees land verblijven, is België krachtens de Dublinverordening verantwoordelijk voor de behandeling van hun asielaanvraag. De asielinstanties hebben dan ook alles geregeld om deze asielaanvragen snel en met voorrang te behandelen.
Na drie maanden legaal verblijf zal verwijdering niet voor problemen zorgen. Met de twee betrokken landen werden al opnameovereenkomsten ondertekend.
Mevrouw Anke Van dermeersch (VB). - Ik dank de staatssecretaris voor het uitgebreide antwoord. In het verslag van de Kamer, waar hierover ook vragen werden gesteld, had ik al gelezen dat in de begroting 2010 in 650 extra personeelsleden wordt voorzien. Dat is goed, maar het zal niet genoeg zijn. Ik verneem dat op basis van een nieuwe wettelijke bepaling een spreidingsplan opnieuw mogelijk wordt, maar dat was in het verleden ook het geval. Ik zou echter willen weten hoe die bepaling zal worden afgedwongen. De naleving van het spreidingsplan zorgde in het verleden immers al voor problemen. De asielzoekers worden toegewezen aan een gemeente. Ze gaan echter niet naar die gemeente, maar naar een grote stad. Dat is net het knelpunt. Ik wou niet zozeer weten of er een plan komt op basis van een wettelijke bepaling, maar hoe de wettelijke bepaling zal worden afgedwongen.
Op de vraag of de steden en gemeenten op extra financiële steun kunnen rekenen, heb ik geen antwoord gekregen. Het water staat het Antwerpse OCMW nochtans tot aan de lippen. Het OCMW heeft absoluut onvoldoende middelen en de stad zal moeten bijspringen om de begroting van het OCMW sluitend te maken. De federale overheid moet haar verantwoordelijkheid opnemen voor de beslissingen die ze neemt en voor het wanbeleid dat ze inzake immigratie voert.
De staatssecretaris zegt dat er sinds 2007 een versnelde procedure bestaat. Hij wijst erop dat heel wat asielzoekers komen uit landen waar mensenrechten worden geschonden en gewapende conflicten worden uitgevochten. In onze buurlanden is dat niet het geval: de asielzoekers komen er vooral van buiten Europa. Als we mensen willen helpen die echt asiel nodig hebben, volstaat het niet hun een boterham te geven, maar moeten we ze ook een toekomst bieden. Daarom moeten asielzoekers kunnen worden opgevangen in de regio waar ze vandaan komen. Ons land moet ervoor zorgen dat daar middelen worden ingezet op basis van ontwikkelingshulp en steun aan de omliggende landen. De asielzoekers kunnen op die manier in hun eigen regio terecht in afwachting dat het gewapend conflict eindigt of er inzake mensenrechten in hun land van herkomst orde op zaken wordt gesteld.
Het verheugt me dat dit principe wordt toegepast op Servië en Macedonië, die zich bereid hebben verklaard asielzoekers terug te nemen die niet voor asiel in aanmerking komen. Servië en Macedonië hebben niet alleen rechten, ze hebben ook plichten tot samenwerking met ons land. Het is goed dat die landen daarop wordt gewezen.
Mevrouw Freya Piryns (Groen!). - Mijn vraag sluit aan bij de vragen die mevrouw Van dermeersch zonet stelde en waarop we geen antwoord hebben gekregen.
Zelf heb ik heb al vele vragen gesteld over de crisis in de opvang van asielzoekers. Vandaag vraag ik echter concrete cijfers en antwoorden.
Vorige week meldde Vluchtelingenwerk Vlaanderen dat opnieuw tweehonderd asielzoekers op straat zijn beland omdat Fedasil voor hen geen opvangplaats had. Het was van voor Nieuwjaar geleden dat nog zo veel mensen afgewezen moesten worden.
De extra opvang die de regering op korte termijn zou creëren, schiet dus ernstig tekort. Kan de staatssecretaris een gedetailleerd overzicht geven van de huidige stand van zaken? Hoeveel asielzoekers zijn deze week de straat op gestuurd bij gebrek aan opvangcapaciteit en hoeveel de voorbije maanden?
Aansluitend bij het verhaal over de asielzoekers uit Macedonië en Servië, wens ik te vernemen of de staatssecretaris een actieplan en een tijdschema heeft om de noodopvang in hotels af te bouwen. Dat reisbureaus `reizen' naar België organiseren, is een rechtstreeks gevolg van het non-beleid van onze regering inzake opvang van asielzoekers. Het is omdat asielzoekers in het buitenland van malafide organisaties vernemen dat een ticket richting België hun een hotelkamer kan bezorgen, dat zij hier hun geluk komen beproeven. De regering creëert zelf een aanzuigeffect.
De eerste groep asielzoekers werd in juni en juli 2009 in hotels ondergebracht. Hoewel dit in het buitenland blijkbaar niet bekend is, verblijven de mensen daar in zeer penibele omstandigheden. Ze logeren vaak met zeer velen op één kamer en er is een gebrek aan sociale, juridische en medische bijstand. Hoe lang duurt de gemiddelde noodopvang van die mensen in de hotels? Hoeveel plaatsen voor noodopvang in hotelkamers zijn er momenteel?
De staatssecretaris moet beseffen dat hij een nieuw probleem aan het creëren is. Binnen de federale regering is zeer lang gedebatteerd over de regularisatie van mensen die reeds jaren in België verbleven. Nu wordt een nieuwe groep van mensen zonder papieren gecreëerd. Ze moeten lang op hotel verblijven. Ze krijgen geen juridische bijstand zodat hun dossiers niet voldoende ter harte worden genomen. Ze zullen hier blijven en zich integreren en binnen vijf jaar zullen ook zij - terecht - aanspraak maken op regularisatie omdat de overheid in gebreke in gebleven. De staatssecretaris mag dan wel beweren dat de procedures korter worden en dat alles onder controle is; helaas is niets minder waar.
Op een recente vraag van collega Pehlivan antwoordde de staatssecretaris dat ondertussen 1300 extra plaatsen werden gecreëerd. Ik hoop dat dit cijfer klopt. Gaat het om plaatsen voor noodopvang of voor structurele opvang? Waar zijn die structurele plaatsen gecreëerd en om hoeveel plaatsen gaat het precies? Rekent de staatssecretaris de plaatsen in de hotels hierbij? Zo ja, dan zal hij het met mij eens moeten zijn dat dit geen echte opvangplaatsen zijn.
De staatssecretaris meldde ook dat tegen de zomer tweeduizend plaatsen extra zullen worden gecreëerd. Waar zullen die komen en om hoeveel plaatsen per locatie zal het gaan? Zal dat het eindpunt zijn of heeft de staatssecretaris nog plannen om na de zomer nog extra plaatsen te creëren?
Hoeveel plaatsen zijn op lange termijn nodig voor de opvang van asielzoekers? Hoe kunnen we met andere woorden voorkomen dat een dergelijke crisis, waarbij honderden mensen in de winter op straat moesten slapen, zich ooit herhaalt?
De heer Philippe Courard, staatssecretaris voor Maatschappelijke Integratie en Armoedebestrijding. - Het verheugt me dat mevrouw Piryns aandacht blijft besteden aan dit probleem.
De crisis is inderdaad nog niet voorbij. Deze week is bovendien duidelijk geworden dat het probleem hoofdzakelijk ligt bij de instroom.
Maandag alleen al hebben 256 mensen uit Macedonië en Servië asiel aangevraagd. Die plotse instroom is al enkele weken aan de gang. Dat heeft onder meer tot gevolg dat vorige en deze week in totaal 495 mensen geen opvangplaatsen kregen toegewezen.
De regering zal extra conjuncturele plaatsen blijven creëren. Het aantal structurele plaatsen blijft op hetzelfde niveau. De plaatsen die extra worden geopend, zijn allemaal in tijd beperkt. Naarmate de crisis evolueert, zullen we evalueren wanneer ze kunnen worden afgebouwd. Ik kan natuurlijk niet in een glazen bol kijken, maar ik hoop van harte dat dit zo snel mogelijk kan.
Ondertussen moeten we roeien met de riemen die we hebben. Er zijn 1300 conjuncturele plaatsen bijgekomen. Bovendien worden 1200 mensen in hotels opgevangen. Ook wordt onderhandeld over de opening van extra plaatsen. Gelet op het bekende nimbysyndroom kan ik niet meedelen op welke locaties die plaatsen zullen worden gecreëerd.
Mevrouw Freya Piryns (Groen!). - Het is zeer vriendelijk dat de staatssecretaris me bedankt voor mijn aanhoudende interesse in dit dossier, maar dat kan ook niet anders. Als we geen antwoorden krijgen, dan moeten we vragen blijven stellen. Als er geen oplossingen komen, moeten we vragen blijven stellen.
Ook vandaag raakt de staatssecretaris niet veel verder dan de mededeling dat er noodopvangplaatsen zijn gecreëerd. Nochtans moet hij ook weten dat het dossier een lange geschiedenis kent, die begon toen de regering besliste de asielprocedure in te korten en materiële opvang te geven in de plaats van de toen gebruikelijk financiële bijstand, maar geen bijkomende opvangplaatsen creëerde. Het is dus wel een structureel probleem. Er moeten structureel plaatsen bij komen, anders blijft de staatssecretaris achter de feiten aan hollen. Dat hij vandaag zegt dat het aantal structurele opvangplaatsen hetzelfde blijft, is beneden alle peil. Ik begin me echt af te vragen of dit onmacht, onwil of onkunde is, of een combinatie van de drie.
Het probleem zal in elk geval niet worden opgelost door de afgevaardigde die de staatssecretaris naar Fedasil stuurt om er zogezegd orde op zaken te stellen. Fedasil heeft al twee directeurs, maar die werken er eigenlijk geen van beiden. Daar zit niet het probleem. Het is een politiek probleem, dat ook enkel en alleen politiek kan worden opgelost.
De staatssecretaris verschuilt zich dan achter het nimbysyndroom bij de burgemeesters. Het klopt dat dat op bepaalde plaatsen leeft, maar daar kan maar één persoon iets aan doen en dat is de staatssecretaris zelf. Hij zal zelf naar die gemeenten moeten gaan, zelf vergaderingen moeten organiseren en burgemeesters en inwoners moeten overtuigen dat het de verantwoordelijkheid van ons allemaal is mensen die asiel aanvragen, op te vangen en ten minste de kans te geven de procedure te doorlopen. Zolang de staatssecretaris achter zijn bureau blijft zitten, komt er geen oplossing en blijft hij de rechten van mensen schenden. En dat is een absolute schande waarvoor ik hem persoonlijk verantwoordelijk houd. Dat afschuiven op een of andere afgevaardigde is al te gemakkelijk.
De voorzitter. - Mijnheer Courard, ik begrijp nog altijd niet hoe kandidaat-leden van de Europese Unie asielaanvragers naar ons land kunnen sturen. Dat heeft geen enkele zin. Hun houding benadeelt de echte asielaanvragers. Deze mensen moeten binnen de vierentwintig uur naar hun land terugkeren.
Persoonlijk werd ik in mijn gemeente met dit probleem geconfronteerd. Ik vind dat men de burgemeesters eerst zou kunnen raadplegen in plaats van hen maatregelen op te leggen die niet noodzakelijk rekening houden met de realiteit ter plaatse.
De voorzitter. - De heer Bernard Clerfayt, staatssecretaris voor de Modernisering van de Federale Overheidsdienst Financiën, de Milieufiscaliteit en de Bestrijding van de fiscale fraude, antwoordt.
De heer Roland Duchatelet (Open Vld). - De natuurramp in Haïti van enkele weken geleden genoot ruime media-aandacht. Verschillende landen, organisaties en particulieren hebben geld geschonken aan Haïti.
BIEN, het Basic Income Earth Network, heeft deze maand een internationale oproep gelanceerd aan de internationale gemeenschap om het geld voor ontwikkelingssamenwerking in Haïti te besteden door een basisinkomen te geven aan de Haïtianen.
In Brazilië, een van de landen met de grootste kloof tussen arm en rijk, werd een dergelijk basisinkomen ingevoerd voor de allerarmsten. Het heet daar de Bolsa Família of `familiebeurs'. Ook in Namibië is men ondertussen gestart met een Basic Income Grant.
Om elke Haïtiaan elke maand 500 gourdes - dat is ongeveer 9 euro - te geven, heeft men maandelijks 81 miljoen euro nodig - jaarlijks 972 miljoen euro. Dat is twee derden van het totale budget voor ontwikkelingssamenwerking van een klein land als België, zoals door de minister voorgelegd in zijn beleidsnota van 18 november. Met zo'n basisinkomen zou in het reeds zo lang beproefde land een sociale, economische en welvaartsrevolutie kunnen plaatsvinden.
Een cashtransfer in deze zin zal de Haïtianen niet alleen behoeden voor de meest extreme vormen van armoede, ondervoeding en hongersdood, maar zal hen in de eerste plaats een toekomstperspectief bieden. Een basisinkomen vormt immers de grondslag voor economische ontwikkeling. De injectie van koopkracht brengt allerlei andere economische activiteiten mee.
Het geeft hen bijvoorbeeld de mogelijkheid om een microkrediet aan te gaan en een eigen bedrijfje op te richten of om hun kinderen naar school te sturen. En dat is precies wat de Haïtianen nodig hebben om op een bottom-upmanier te kunnen beginnen aan de heropbouw van hun land.
Wat vindt de minister van dit initiatief van BIEN en hoeveel geld is hij bereid hieraan bij te dragen?
De heer Bernard Clerfayt, staatssecretaris voor de Modernisering van de Federale Overheidsdienst Financiën, de Milieufiscaliteit en de Bestrijding van de fiscale fraude. - Ik lees het antwoord van de minister van Ontwikkelingssamenwerking.
Ik dank de heer Duchatelet voor zijn vraag en neem goed nota van het vermelde initiatief.
Het toekennen van een basisinkomen aan alle Haïtianen, met als doel een minimale levensstandaard te verzekeren, is een idee dat zeker onderzocht kan worden in het kader van de heropbouw van het land op lange termijn. Het toekennen van een basisinkomen kan inderdaad de heropleving van de economie bevorderen. Door de burgers een inkomen te geven kunnen inkomstgenererende activiteiten worden gestart.
Men zou dit ten behoeve van de coördinatie evenwel moeten overwegen met alle donorlanden en de Haïtiaanse overheid. Men moet ook de potentiële positieve of negatieve macro-economische effecten van een dergelijke maatregel bestuderen op een kleine economie zoals deze van Haïti. Deze kwestie zou aan bod kunnen komen op de conferentie voor de heropbouw van Haïti eind maart te New York.
De bovenvermelde bedenkingen buiten beschouwing gehouden, lijkt dit mechanisme me op korte termijn geen aangepaste oplossing te bieden voor de huidige chaos in Haïti en dit om twee redenen.
Een van de voornaamste doelstellingen van deze uitkering bestaat erin toegang te verschaffen tot een sociaal minimum voor voeding, huisvesting, medische zorg, enzovoort. Volgens de cijfers van de Europese Commissie is evenwel 40% van de infrastructuur in Port-au-Prince vernietigd, in steden zoals Jacmel en Léogâne zelfs zo'n 80%. De prioriteit gaat dus naar de heropbouw van scholen, de vorming van onderwijzers, het operationeel maken van gezondheidscentra en naar huisvesting voor het anderhalf miljoen daklozen. Een grote psychologische ondersteuning zal eveneens nodig zijn voordat kinderen en hun ouders opnieuw bereid zullen zijn gebouwen te betreden.
De huidige situatie in Haïti bewijst dat mensen die over een degelijk inkomen beschikken, dat niet kunnen uitgeven omdat het land te kampen heeft met een groot tekort aan voedsel en allerlei goederen. Dat leidt onder andere tot een grote stijging van de voedselprijzen. De prijs van rijst is bijvoorbeeld met 30% gestegen. Een van de prioriteiten is daarom het landbouwsysteem opnieuw op poten te krijgen om de lokale markten te kunnen bevoorraden.
Om die redenen ben ik op het ogenblik niet geneigd in te gaan op de oproep van het Basic Income Earth Network.
Een interessant initiatief in het kader van het weer op gang brengen van de Haïtiaanse economie is het programma Cash-for-Work dat door het UNDP wordt uitgevoerd. Werkers krijgen 180 gourdes per dag betaald voor zes uur werk, waar het minimumloon in Haïti 200 gourdes voor acht uur werk bedraagt. Dit werk kan bestaan in het opruimen van het puin van gebouwen langs de wegen, het vermalen en sorteren van materiaal dat voor recycling in aanmerking komt en het opruimen van schroot. Het programma heeft tot doel de openbare basisvoorzieningen zoals elektriciteit en openbare infrastructuur te herstellen, de toegang tot water, maar ook tot markten en andere centra verzekeren. Deze en andere maatregelen moeten de basis vormen voor het herstel op middellange termijn en ontwikkeling op langere termijn.
Het initiatief lijkt me pertinent voor de heropbouw van Haïti en wordt op dit moment onderzocht in het kader van een eventuele toekomstige bijdrage.
De heer Roland Duchatelet (Open Vld). - De maatregelen waarover de minister spreekt, zijn helaas van tijdelijke aard. Ze verschaffen de werkers alleen voor de duur van de wederopbouw een inkomen. Dat is natuurlijk positief, maar er zijn in Haïti ook vele mensen die niet aan de wederopbouw kunnen meewerken, omdat ze te oud of te jong zijn. Door de injectie van koopkracht via het werk voor de wederopbouw zal er natuurlijk ook wel overgedragen koopkracht ontstaan.
Ik denk dat de twee voorstellen van aanpak complementair zijn. Haïti leeft overigens al veel langer dan vandaag onder de armoedegrens. Om de economie duurzaam te doen herleven is er alleszins veel meer nodig dan een tijdelijke maatregel om de infrastructuur te herstellen.
De heer Bernard Clerfayt, staatssecretaris voor de Modernisering van de Federale Overheidsdienst Financiën, de Milieufiscaliteit en de Bestrijding van de fiscale fraude. - Als econoom weet de heer Duchatelet zonder twijfel dat de vraag verhogen zonder het aanbod op te trekken, alleen maar leidt tot inflatie. Dat garandeert niet eens dat de mensen meer voedsel kunnen kopen.
De heer Roland Duchatelet (Open Vld). - Als men de bevolking echter een basisinkomen toekent, zal er snel een middenstand ontstaan, die door de inkomensverhoging van de bevolking meer gaat verdienen. Men creëert een middenstand met een hoger inkomen, die meer initiatieven kan nemen en meer zal produceren. Hij zal ook productiever gaan werken, waardoor de voedselprijzen dalen. Hij zal rijker worden en meer auto's, telefoons en andere consumptiegoederen kopen, waardoor hij ook belasting zal betalen, bijvoorbeeld op ingevoerde auto's. Die belastingopbrengsten kan men dan weer in de economie injecteren, waardoor een duurzaam circuit ontstaat.
De voorzitter. - De heer Bernard Clerfayt, staatssecretaris voor de Modernisering van de Federale Overheidsdienst Financiën, de Milieufiscaliteit en de Bestrijding van de fiscale fraude, antwoordt.
De heer Louis Siquet (PS). - Elk jaar zijn er in België ongeveer tienduizend branden. De tragische gebeurtenissen onlangs in Luik hebben aangetoond dat de hulpverlening aan burgers grondig moet verbeteren.
De minister heeft besloten een nationaal brandpreventieplan te lanceren. We zijn blij met dit uitstekende initiatief dat de burger als uitgangspunt neemt. Het nationaal brandpreventieplan steunt op drie pijlers. In de eerste plaats moet de burger zijn veiligheid zelf in handen nemen door de elementaire veiligheidsregels in acht te nemen.
Een eerste concreet instrument is de website `Is mijn woning brandveilig?' met een vragenlijst en nuttige tips en raadgevingen.
Als vertegenwoordiger van de Duitstalige Gemeenschap moet ik toch een essentiële vraag stellen.
De burger is het uitgangspunt van het brandpreventieplan. Heeft de staatssecretaris de mogelijkheid onderzocht om de website in het Duits te vertalen of zelfs om in een later stadium een tweetalige of Duitstalige officier aan te stellen die belast zal zijn met brandpreventie? Is er geen probleem op het vlak van de taalwetgeving, meer bepaald het gebruik van de talen in bestuurszaken?
De heer Bernard Clerfayt, staatssecretaris voor de Modernisering van de Federale Overheidsdienst Financiën, de Milieufiscaliteit en de Bestrijding van de fiscale fraude. - Gelet op het belang van brandpreventie voor de burger, moet de preventieboodschap in de drie landstalen worden gebracht. De website waarnaar u verwijst, wordt momenteel in het Duits vertaald. De Duitse versie zal binnenkort ter beschikking zijn. Er zal een mededeling volgen.
De heer Louis Siquet (PS). - Ik dank de staatssecretaris. We moeten in de toekomst waakzaam blijven wat het gebruik van de talen in bestuurszaken betreft.
De voorzitter. - De heer Bernard Clerfayt, staatssecretaris voor de Modernisering van de Federale Overheidsdienst Financiën, de Milieufiscaliteit en de Bestrijding van de fiscale fraude, antwoordt.
De heer André du Bus de Warnaffe (cdH). - Op 4 mei 2007, net voor de voorronden van de Koningin Elisabethwedstrijd, heeft de minister van Financiën als verantwoordelijke voor de Regie der Gebouwen een reeks werkzaamheden geïnspecteerd, en dan vooral het schilderwerk in het Brussels Conservatorium, dat nog altijd op een grondige renovatie wacht.
De minister gaf toen aan dat hij hoopte dat er schot zou komen in de tenuitvoerlegging van het renovatieplan. Ook verduidelijkte hij dat het Conservatorium een instelling is die zowel van de Franse Gemeenschap als van de Vlaamse Gemeenschap afhangt en gevestigd is in een gebouw dat aan de Staat toebehoort.
Nog in 2007 stelde de vzw Conservamus een uitgewerkt plan voor de renovatie en de opwaardering van het Brussels Conservatorium voor. Ook lanceerde de vzw het voorstel om een naamloze vennootschap van publiek recht met sociaal oogmerk op te richten om de renovatie en de toekomstige exploitatie van het beschermde monument in goede banen te leiden.
Enkele dagen geleden meldde Le Soir dat de toestand van de gebouwen blijft verslechteren. Zo zou een piano door de vloer zijn gezakt, er zou een stuk plafond naar beneden zijn gekomen, in sommige concertzalen zou geen verwarming zijn, de helft van het Conservatorium zou om veiligheidsredenen niet meer toegankelijk zijn enzovoort. De auteur van het artikel stelde dat het Conservatorium sinds 1967 geen geld meer heeft ontvangen.
Is de toestand van het gebouw geëvolueerd sinds de verklaringen van de minister in 2007? Welke verplichtingen heeft de federale Staat als eigenaar? Zijn in de nabije toekomst werkzaamheden gepland? Wat vindt de minister van de voorstellen van de vzw Conservamus? Hoe verlopen de contacten met Beliris? Is een rondetafel georganiseerd met vertegenwoordigers van de Regie der Gebouwen, Beliris en de twee gemeenschappen? Ik heb vernomen dat een protocolakkoord tussen de Regie der Gebouwen en Beliris op tafel zou liggen. Klopt dat?
De heer Bernard Clerfayt, staatssecretaris voor de Modernisering van de Federale Overheidsdienst Financiën, de Milieufiscaliteit en de Bestrijding van de fiscale fraude. - Het kabinet van de staatssecretaris, toegevoegd aan de minister van Financiën heeft begin 2010 een interkabinettenvergadering belegd om het project voor te stellen voor de renovatie van het complex, gelegen aan de Regentschapsstraat 30 en 30A, de Wolstraat 3, 5, 7, 9 en 11 en de Kleine Zavel 16/17.
De eerste stap bestaat erin om via een wetsontwerp, naar het voorbeeld van de regeling van het Paleis voor Schone Kunsten van Brussel, een nieuwe juridische structuur op te richten, namelijk een naamloze vennootschap van publiek recht met sociaal oogmerk. Het sociaal oogmerk zal er enerzijds toe strekken al het nodige te doen voor de restauratie en de renovatie van het Brussels Muziekconservatorium en hiertoe de nodige financiering te vinden. Anderzijds is het de bedoeling het Brussels Muziekconservatorium te beheren, te ontwikkelen en uit te baten. Zo wordt gedacht aan de verhuur, de vestiging van zakelijke rechten en de verlening van concessies teneinde wetenschappelijke, pedagogische en artistieke activiteiten te realiseren van instellingen, organen en verenigingen die door de overheid worden aangewezen. Het kapitaal van die naamloze vennootschap van publiek recht zou de nettowaarde zijn van de opbrengst van het vruchtgebruik van de site van het Brussels Muziekconservatorium.
Dat project heeft het grote voordeel dat het door de huidige bewoners, namelijk het Koninklijk Conservatorium Brussel en het Conservatoire royal de Bruxelles, wordt gesteund. Ook de toezichthoudende overheid - voor de Vlaamse Gemeenschap is dat de Erasmushogeschool Brussel - staat achter het project. Het project biedt ook een evenwichtige oplossing tussen de gemeenschappen en het maakt het mogelijk publiek en privékapitaal te werven, kapitaal dat nodig is om de dure renovatiewerken te financieren.
Binnenkort zal een tweede vergadering plaatsvinden in aanwezigheid van de vertegenwoordigers van de twee gemeenschappen.
Tegelijkertijd is de Regie der Gebouwen samen met de vertegenwoordigers van de twee conservatoria begonnen met het opstellen van het lastenboek voor de studie van een masterplan. Op basis daarvan kunnen de renovatiewerken op middellange en lange termijn worden gepland.
Tegelijkertijd onderhandelen de Regie der Gebouwen en de Directie Vervoersinfrastructuur van de FOD Mobiliteit en Vervoer momenteel over een protocolakkoord op basis van de kredieten die zijn opgenomen in aanhangsel 10 van het samenwerkingsakkoord tussen de federale Staat en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest dat ertoe strekt de hoofdstedelijke rol van Brussel te bevorderen.
Als de meerderheidspartijen een politieke consensus vinden, kunnen we overgaan tot de tweede fase van het project. Daarin zullen de verschillende betrokken partijen, namelijk de federale Staat en de nieuw op te richten naamloze vennootschap, een beheersovereenkomst sluiten waarin de rechten en plichten van alle partijen, en dus ook van de twee conservatoria die in de gebouwen gevestigd zijn, zullen worden vastgelegd.
Ik heb goede hoop dat het project snel wordt afgerond.
De heer André du Bus de Warnaffe (cdH). - Ik dank de staatssecretaris voor de zeer duidelijke antwoorden. Ze sluiten aan bij de informatie die de vzw Conservamus heeft gegeven over het protocolakkoord dat wordt voorbereid en over het voorstel om een naamloze vennootschap van publiek recht met sociaal oogmerk op te richten.
Ik zal dit dossier, dat dringend is geworden, blijven volgen. Sommige lokalen zijn onbruikbaar en de onderwijsactiviteiten komen in gevaar. Die toestand werpt ook een smet op het imago van Brussel en haar culturele erfgoed.
De voorzitter. - De heer Stefaan De Clerck, minister van Justitie, antwoordt.
De heer Joris Van Hauthem (VB). - Volgens goed geïnformeerde bronnen, waaronder MO*magazine, zouden Congolese vips tijdens hun, vooral informele, bezoeken aan België een beroep doen op leden van Brusselse stadsbendes, die verwikkeld zouden zijn in drugszaken, afpersing, gewapende overvallen en andere misdrijven. Zo zouden bijvoorbeeld bij het bezoek van Olive Lembe di Sita, de echtgenote van president Kabila, aan de Brusselse Matongewijk, twee groepen Afrikaanse bodyguards uit de Brusselse onderwereld hebben ingestaan voor de `veiligheid'. Dat alles zou met medeweten en zelfs op vraag van de Congolese ambassade gebeuren. Ze zou de bendeleden er zelfs voor betalen.
Het lijkt me normaal dat buitenlandse vips dienen te worden beschermd en dat zowel de Staatsveiligheid als Binnenlandse Zaken hiervoor hun verantwoordelijkheid op zich nemen. Wanneer de Staatsveiligheid echter niet wordt ingeschakeld, bijvoorbeeld bij informele bezoeken, worden blijkbaar privébewakers uit de Brusselse onderwereld ingezet. Volgens hetzelfde artikel zou de Congolese ambassade die manier van werken vergoelijken, omdat België niet voldoende protectie biedt bij informele bezoeken van Congolese hoogwaardigheidsbekleders. De ambassade beweert niet anders te kunnen dan een beroep te doen op stadsbendes zoals de Black Wolves, omdat ze de inzet van een reguliere veiligheidsfirma niet zou kunnen betalen. Volgens bepaalde bronnen zouden die praktijken al zeker acht jaar gangbaar zijn.
Heeft de minister weet van die praktijken en werd de Congolese ambassadeur in België hierover al gepolst? Zo neen, zijn er gesprekken met de ambassade gepland?
Indien het artikel met de werkelijkheid zou stroken, welke initiatieven denkt de minister dan te nemen om dergelijke onwettelijkheden voortaan te vermijden?
De heer Stefaan De Clerck, minister van Justitie. - Ik lees het antwoord van minister Vanackere.
Eind januari 2010 werd ik ervan op de hoogte gebracht dat in het verleden is vastgesteld dat leden van stadsbendes werden ingeschakeld als veiligheidspersoneel bij het bezoek van Congolese vips aan België.
De Veiligheidsdiensten hebben dat destijds met de Congolese ambassade besproken teneinde herhaling te voorkomen. Volgens de informatie waarover we thans beschikken, hebben die contacten een positief gevolg gehad en wordt van dergelijke praktijken niet langer melding gemaakt.
Ons land kan dit soort praktijken niet dulden. Wanneer daarbij bovendien als misdrijf gekwalificeerde feiten zouden worden gepleegd, wordt van de politie- en inlichtingendiensten trouwens verwacht dat ze de procureur des Konings hiervan inlichten.
Zowel voor een informeel als voor een officieel bezoek van een buitenlandse bedreigde vip, bestaan duidelijke afspraken en regels over de organisatie van de veiligheidsmaatregelen die moeten worden gerespecteerd. Die regels zijn alle bevoegde diensten bekend.
De heer Joris Van Hauthem (VB). - Uit het antwoord van de minister blijkt dat de gewraakte praktijken niet verzonnen zijn. Pas eind januari 2010 echter werd de ambassade erop gewezen dat die praktijken niet geoorloofd zijn.
Intussen was een en ander al acht jaar aan de gang. Waarom heeft een officiële Belgische reactie zo lang op zich laten wachten?
De minister geeft grif toe dat stadsbendes zijn ingeschakeld als bodyguards bij informele bezoeken van vips uit de Democratische republiek Congo. Dat is toch wel sterk.
Mijnheer de voorzitter, dat noopt mij tot twee extra vragen.
Is het nu zeker dat aan die praktijken een einde is gesteld?
Wat heeft de procureur des Konings met die informatie gedaan?
De heer Stefaan De Clerck, minister van Justitie. - Ik heb nooit beweerd dat de procureur des Konings van die praktijk op de hoogte is gebracht, maar wel dat hij op de hoogte dient te worden gebracht als zulks opnieuw voorvalt.
De voorzitter. - Mevrouw Joëlle Milquet, vice-eersteminister en minister van Werk en Gelijke Kansen, belast met het Migratie- en asielbeleid, antwoordt.
Mevrouw Nahima Lanjri (CD&V). - Sinds enkele weken stijgt het aantal etnisch Albanese asielzoekers opmerkelijk. Ze komen vooral uit Servië en Macedonië.
Er zijn een aantal redenen voor die stijging. Zo werd voor de betreffende landen de visumplicht afgeschaft voor alle EU-landen, behalve voor het Verenigd Koninkrijk en Ierland. Daarnaast wordt in Servië en Macedonië actief promotie gemaakt om naar ons land te vertrekken. Er zijn reisbureaus die daarin gespecialiseerd zijn en voor 140 euro busreizen naar ons land organiseren. België, zo wordt daar gezegd, is het land van melk en honing. België en Frankrijk zijn de enige EU-landen waar het aantal etnisch Albanese asielzoekers zo explosief toeneemt.
Het kabinet van de staatssecretaris voor Migratie- en asielbeleid voert intussen een onderzoek naar de beweegredenen van die asielzoekers.
Aangezien ze meestal via andere EU-lidstaten ons land bereiken is België, in het kader van de Dublin II-Conventie, niet verantwoordelijk voor de behandeling van hun asielaanvraag. Ze moeten inderdaad in het eerste EU-land dat ze doorkruisen, asiel aanvragen.
Kan de staatssecretaris zeggen hoeveel asielzoekers met de Servische of Macedonische nationaliteit sinds begin dit jaar, dus sinds de visumplicht is afgeschaft, in ons land een asielaanvraag hebben ingediend?
Welke maatregelen neemt de staatssecretaris om de stijging van het aantal aanvragen meteen onder controle te krijgen, in afwachting van de resultaten van het onderzoek naar de beweegredenen van de asielzoekers?
Ik ben van oordeel dat België, gelet op de Dublin II-Conventie, zich niet moet inlaten met asielaanvragen van mensen met de Servische of de Macedonische nationaliteit. Wat is de mening van de staatssecretaris hierover?
Mevrouw Joëlle Milquet, vice-eersteminister en minister van Werk en Gelijke Kansen, belast met het Migratie- en asielbeleid. - We hebben inderdaad sinds begin 2010 een abnormale stijging vastgesteld van het aantal asielaanvragen, ingediend door Macedonische en Servische burgers. In januari en februari 2010 hebben 409 Macedoniërs en 347 Serviërs een asielaanvraag ingediend.
Vergeleken met de voorgaande jaren zijn die cijfers werkelijk abnormaal. Volgens de informatie waarover wij beschikken gaat het om mensen van Albanese oorsprong. Ze zijn afkomstig uit de noordelijke streken van Macedonië en het zuiden van Servië.
Die toevloed kan niet worden verklaard door de ontwikkeling van de situatie in het land. Wel dient er een onderscheid te worden gemaakt tussen Macedoniërs en Serviërs. De Serviërs zijn immers afkomstig uit gebieden waar nog enig risico op vervolging bestaat.
Er zijn verscheidene verklaringen voor de spectaculaire stijging van het aantal aanvragen. Zo is er sinds december 2009 voor de burgers van Macedonië en Servië ingevolge het Europees besluit van 19 december 2009 geen visumplicht meer.
De meeste aanvragers komen naar België met een paspoort of een geldige identiteitskaart. Aangezien het fenomeen zich niet in de andere EU-lidstaten voordoet, zijn er andere elementen die de toename verklaren.
Allereerst dient benadrukt te worden dat de aanvragers niet correct werden geïnformeerd. Ze denken onder meer dat ze in België huisvesting en voeding krijgen en 7 euro per dag ontvangen. Dat vooruitzicht zet een groot aantal mensen ertoe aan voor België te kiezen en niet voor een ander land van de Europese Unie. Sommige aanvragers komen naar België omdat ze hier familie of kennissen hebben. Tot slot zet de economische crisis nogal wat asielaanvragers er toe aan hun land te verlaten.
De staatssecretaris zal een aantal maatregelen nemen om het fenomeen een halt toe te roepen. Hij overweegt allereerst preventieve maatregelen. In Macedonië zal op tv uitgelegd worden dat asielzoekers uit dat land in België geen opvang krijgen, dat hun asielaanvraag snel behandeld wordt en dat ze teruggestuurd worden. Er zal uiteraard ook contact worden genomen met de ambassades. Daarnaast plant de staatssecretaris volgende week een bezoek aan Macedonië in het gezelschap van vertegenwoordigers van de Europese Commissie. Een ambtenaar van immigratie organiseert ter plaatse een informatiecampagne. De bevoegde EU-commissaris en de staatssecretaris hebben elkaar vandaag ook ontmoet. Het onderwerp staat overigens op de agenda van de Europese Raad van vanmiddag.
Anderzijds worden de asielaanvragen versneld behandeld. Aangezien de aanvragers naar ons land komen met een geldig paspoort en een visumvrijstelling, is België krachtens de Dublin-verordening verantwoordelijk voor de behandeling van hun asielaanvragen, tenzij de aanvragers familieleden hebben die legaal verblijven in een ander Europees land. Binnen de asielinstanties is alles geregeld om de asielaanvragen snel en met voorrang te behandelen.
Dan is er ook nog de verwijderingsprocedure. Na drie maanden legaal verblijf zal de verwijdering niet voor problemen zorgen aangezien met beide landen overnameovereenkomsten werden gesloten.
Samenvattend lijken mij het bezoek van de staatssecretaris aan Macedonië en de diplomatieke contacten tussen beide landen de belangrijkste maatregelen.
Mevrouw Nahima Lanjri (CD&V). - Het is zeer belangrijk dat onmiddellijk een sterk signaal wordt gegeven om een nog grotere toevloed te voorkomen.
De toevloed die we vandaag al kennen is het gevolg van verkeerde informatie. Ik dring aan op een snelle behandeling van de aanvragen. De asielzoekers, die verkeerdelijk een aanvraag indienen in België, moeten meteen worden teruggestuurd. Dat moet geen drie maanden duren.
Een snelle terugzending is in eenieders belang. Door het gebrek aan opvangplaatsen in ons land lopen die asielzoekers trouwens het risico dat ze op straat terechtkomen.
Aangezien het merendeel van de asielzoekers niet in aanmerking komt voor gezinshereniging is het echt wenselijk dat hun dossier snel wordt afgehandeld. Een termijn van drie maanden creëert een aanzuigeffect voor andere landen.
Mevrouw Caroline Persoons (MR). - Het recht op onderwijs is ingeschreven in de Grondwet en in verschillende internationale teksten. Dat recht gaat echter samen met de schoolplicht die werd vastgelegd in de wet van 29 juni 1983. Artikel 5 van die wet bepaalt dat de politierechtbank kennisneemt, op vordering van het openbaar ministerie, van de inbreuken op de verplichtingen opgelegd door die wet.
De gemeenschappen moeten controleren of de schoolplicht wordt nageleefd. Ze voeren die controles uit samen met de gemeenten. Dossiers waaruit blijkt dat de schoolplicht niet wordt nageleefd worden aan het parket overgemaakt, teneinde diegenen die wettelijk verantwoordelijk zijn voor de minderjarigen te vervolgen.
In haar antwoord op mijn interpellatie van dinsdag 9 februari antwoordde mevrouw Simonet, minister van Leerplichtonderwijs in de Franse Gemeenschap, dat in het schooljaar 2008-2009 in het Brussels gewest 617 dossiers met betrekking tot de niet-naleving van de schoolplicht aan het parket werden overgezonden. Na controle bleek dat die 617 jongeren in geen enkele school waren ingeschreven. De dossiers werden door beide gemeenschappen gecontroleerd. Ze werden aan de gemeenten bezorgd. Die hebben navraag gedaan bij elke wettelijke verantwoordelijke. Vervolgens werden de dossiers aan het parket overgezonden.
Volgens de minister weigert het parket gevolg te geven aan de dossiers. Het oordeelt dat de eerstelijnsdiensten en de gemeentelijke overheden hebben aangetoond dat eerst op dat niveau extra stappen moeten worden gedaan alvorens het parket zal optreden.
Kan de minister de woorden van mevrouw Simonet bevestigen? Heeft het Brusselse parket werkelijk geweigerd die dossiers te onderzoeken? Is het normaal dat in geen van die dossiers, die betrekking hebben op minderjarigen die de schoolplicht niet naleven, vervolging is ingesteld?
Hoeveel dossiers met betrekking tot de niet-naleving van de schoolplicht hebben de diverse parketten ontvangen voor de schooljaren 2007-2008 en 2008-2009? Welk gevolg werd daaraan gegeven?
De heer Stefaan De Clerck, minister van Justitie. - Ik zal mevrouw Persoons een kopie overhandigen van mijn antwoord op de mondelinge vraag van Kamerlid Brotcorne over hetzelfde onderwerp. Ik breng daarin de wettelijke basis in herinnering en de middelen om op te treden tegen de minderjarigen en hun ouders. De situatie van de minderjarigen is uitzonderlijk.
Op de vraag over het Brusselse parket kan ik het volgende meedelen. De 617 gevallen hebben betrekking op de dossiers die naar de jeugdparketten werden overgezonden opdat eventueel maatregelen ten aanzien van de minderjarigen zouden worden genomen. Het parket kan een dossier slechts voor de jeugdrechtbank brengen als de wettelijke voorwaarden zijn vervuld. Dat houdt in dat de gezondheid of de veiligheid van een jongere thans ernstig is bedreigd of de jongere zich in een problematische opvoedingssituatie bevindt en geen vrijwillige hulpverlening mogelijk is. Die vrijwillige hulpverlening is een gemeenschapsbevoegdheid. In de Franse Gemeenschap wordt ze geboden door de adviseur voor jeugdhulpverlening en in de Vlaamse Gemeenschap door de bemiddelingscommissie voor bijzondere jeugdbijstand.
Het parket kan dus pas onder dwang hulp opleggen als de diensten voor jeugdbijstand vooraf werden aangesproken en zij geen oplossing hebben kunnen aandragen waarin iedereen zich kan vinden.
Volgens mijn informatie ontvangen de parketten nog vaak dossiers met betrekking tot schoolverzuim bij jongeren, zonder dat de bevoegde gemeenschapsdiensten werden benaderd. De parketten kunnen dan ook niet wettelijk optreden.
Dit punt werd besproken op de interministeriële conferentie `Veiligheid' die ik op 22 februari heb belegd. Er is overeengekomen dat Charles Picqué een werkgroep zal oprichten teneinde het overleg tussen de federale overheid en de deelstaten te stimuleren zodat het schoolverzuim beter kan worden aangepakt.
Ik heb minister-president Picqué schriftelijk bevestigd dat Justitie actief wil deelnemen aan de werkgroep. Ik zal u een kopie van mijn brief overhandigen.
Het volstaat niet om een lijst in te dienen. De gemeenschappen moeten ook een analyse maken. Het loutere feit dat de jongere niet naar school gaat geeft niet automatisch aanleiding tot een interventie van de jeugdrechter. Zo eenvoudig is het niet. De gemeenschappen moeten een globaal dossier voorbereiden. Ook het Brusselse parket zal de werkzaamheden van de werkgroep volgen. De procureur des Konings en de procureur-generaal hebben mij dat bevestigd en ze hebben van dit probleem een prioriteit gemaakt voor Brussel.
Mevrouw Caroline Persoons (MR). - Aangezien alle diensten van de gemeenschappen, en dus niet alleen Onderwijs, die dossiers samenstellen is de minister verbaasd dat ze worden teruggezonden. Het gaat om 617 minderjarigen die niet terug op een schooltraject kunnen worden gezet.
Ik hoop dat de interministeriële conferentie erin slaagt schot te brengen in die dossiers zodat die schoolplichtige jongeren niet langer op straat blijven rondhangen.
De heer Tony Van Parys (CD&V). - Dagelijks wordt de noodzaak van hervormingen in het gerechtelijk landschap bewezen. Bij elk incident wordt dat opnieuw benadrukt. Het is wraakroepend dat sommigen nog altijd blijven dwarsliggen. Zij dragen dan ook een gigantische verantwoordelijkheid.
Gelukkig worden op het terrein wel initiatieven genomen. Zo werden op 14 december 2009 in de provincies Oost- en West-Vlaanderen protocollen gesloten met betrekking tot de parketsamenwerkingsverbanden. Daardoor is een zeer doorgedreven samenwerking tussen de parketten en het parket-generaal mogelijk, waarbij zeer duidelijke afbakeningen inzake materies worden afgesproken. Zo worden alle dossiers met betrekking tot de hormonenproblematiek in Oost-Vlaanderen behandeld in Dendermonde en in West-Vlaanderen in Ieper. Per provincie wordt dus één arrondissement bevoegd voor het geheel van de dossiers en er worden afspraken gemaakt met betrekking tot de capaciteitsuitwisseling. Een integrale samenwerking tussen de parketten, onder supervisie van de parketten-generaal, is daar dus een feit.
Daar sommigen de zaken blokkeren, mogen we geen tijd verliezen en moeten we het gerechtelijk landschap hervormen vanuit de basis. Ik denk dan ook dat het nuttig is dat deze en andere samenwerkingsverbanden worden gelegitimeerd, voor zover ze passen in het totaalconcept dat in de nota van de minister is opgenomen. Het is dan ook nodig dat logistieke middelen ter beschikking worden gesteld, namelijk magistraten, personeel en informatica, om deze samenwerkingsverbanden concreet mogelijk te maken, dat administratieve managers ter beschikking worden gesteld en dat een beheersovereenkomst wordt gesloten met de arrondissementen waar die samenwerkingsverbanden tot stand komen.
De filosofie zou moeten zijn dat we doorgaan met wie mee wil en dat we dat legitimeren en bekronen met de nodige mensen en middelen. Wie niet mee wil, moet dan maar voortwerken op de huidige archaïsche manier. Het is de bedoeling dat de hervorming van het gerechtelijk landschap op die manier feitelijk wordt gerealiseerd, op basis van de bevoegdheden van de minister en de middelen die ter beschikking zijn gesteld.
Kan de minister een overzicht geven van de samenwerkingsverbanden die in andere ressorten bestaan?
Is de minister bereid om de middelen ter beschikking te stellen van de parket samenwerkingsverbanden en de protocollen die op het ogenblik bestaan, meer specifiek in het kader van het samenwerkingsverband voor het ressort Oost- en West-Vlaanderen?
Is de minister bereid om deze samenwerkingverbanden en protocollen te legitimeren als strategische stap in de hervorming van het gerechtelijk landschap?
De heer Stefaan De Clerck, minister van Justitie. - Ik waardeer deze vraag omdat ze niet alleen bevestigt dat de hervorming van het gerechtelijke landschap noodzakelijk is, maar ook dat er zaken bewegen en dat van onderuit positieve initiatieven worden genomen.
Bij brief van 21 januari 2010 ben ik door procureur-generaal Schins in kennis gesteld van de twee samenwerkingsprotocollen voor Oost- en West-Vlaanderen. In de begeleidende brieft stelt de procureur-generaal dat de daadwerkelijke en operationele implementatie afhankelijk is van een reeks informaticatechnische afspraken en interventies die aan de stafdienst ICT van de FOD Justitie worden gevraagd. Die vragen zijn thans in onderzoek en ik zal trachten daarop maximaal in te gaan.
Bij brief van 17 november 2009 heeft het College van procureurs-generaal mij een stand van zaken van alle samenwerkingsverbanden bezorgd.
Ik zal het College vragen of een kopie daarvan aan de leden van de commissie voor de Justitie kan worden gegeven. Ik zal de commissie ook het samenwerkingsverband Oost- en West-Vlaanderen en het document Een nieuwe architectuur voor Justitie bezorgen.
Uit het overzicht blijkt dat het concept met succes en met een groot draagvlak op het terrein wordt uitgebouwd en dit volgens een uitgewerkte methodologie met zeer beperkte middelen en binnen de bestaande budgettaire ruimtes.
Voorts blijkt ook dat de inhoud van deze samenwerkingsverbanden soms zeer verschillend is en, afhankelijk van de situatie, beperkt is tot lokale behoeften of aan structurele behoeften probeert tegemoet te komen. Ook de inhoud evolueert: sommige materies zijn nog niet specifiek toegewezen, andere wel.
Hoewel de samenwerkingsverbanden ontwikkeld zijn in eigen regie binnen het openbaar ministerie, steunen ze in belangrijke mate op vrijwilligheid.
Als concept werden de samenwerkingsverbanden reeds ontwikkeld in de nota Krachtlijnen voor een strategisch plan voor de modernisering van het openbaar ministerie van juni 2008. Zoals ook aangegeven in de preambules van de protocollen binnen de provincies Oost- en West- Vlaanderen, sluiten deze samenwerkingsverbanden nauw aan bij de plannen tot hervorming van het gerechtelijke landschap. Ze maken het immers mogelijk om, over de territoriale grenzen heen, over te gaan tot de creatie van functionele parketten, waardoor de specialisatie, de organisatie van kennisopbouw en een optimale inzet van mensen en middelen op een aangepaste, ook geografische schaal worden versterkt met een verbeterde kwaliteit tot gevolg.
Al die doelstellingen worden ook bij de hervorming beoogd. Ik heb het idee dan ook hernomen in de landschapsnota, zij het als een aanvullend instrument op de nieuwe organisatiestructuur van de parketten en de auditoraten. Ze maken het immers mogelijk om, los van de uiteindelijke territoriale en institutionele structuur, op een flexibele en snelle wijze op veranderende behoeften in te spelen.
Wel heb ik in mijn nota aangegeven dat dit mijn inziens best een reglementair kader krijgt. Bovendien moet erover worden gewaakt dat, vanuit de filosofie van een integraal management van de gehele strafrechtsketen, voldoende afstemming wordt verzekerd met de andere partners van de keten, in het bijzonder met de zetel. Het concept moet dan ook op het terrein verder worden uitgewerkt, mits het inderdaad blijft aansluiten bij de doelstellingen en de krachtlijnen van de beoogde hervormingen in de landschapsnota.
Zo kan het ook interessant zijn om na te gaan in welke mate reeds samenwerkingsverbanden kunnen worden gesloten tussen de parketten en de arbeidsauditoraten, enerzijds, en tussen de arbeidsauditoraten onderling, anderzijds, bijvoorbeeld voor de behandeling van multidisciplinaire dossiers.
Op mijn vraag aan het College van procureurs-generaal op 29 januari jongstleden ontving ik op 12 februari in antwoord van het College een uitgebreide nota met het overzicht van alle initiatieven ter verbetering die het openbaar ministerie al op het terrein aan het ontwikkelen is of nog wil ontwikkelen, samen met concrete voorstellen voor de verdere aanpak en de implementatie. De samenwerkingsverbanden vormen daar een belangrijk onderdeel van.
Alvorens mij over al die initiatieven verder uit te spreken of concrete verbintenissen aan te gaan, onder meer op het stuk van logistiek en ICT, wens ik de voorstellen echter eerst grondig bestuderen. Ik zal daarover eerst met het College van procureurs-generaal verder overleg plegen.
De heer Tony Van Parys (CD&V). - Ik dank de minister voor zijn antwoord.
Naarmate we een beter overzicht van de samenwerkingsverbanden krijgen, krijgen we ook een beter zicht op wie dwarsligt bij de hervorming van het gerechtelijke landschap. Degenen die de plannen op basis van de samenwerkingsverbanden op het terrein moeten ten uitvoer leggen, moeten we legitimeren en we moeten hen de middelen ter beschikking te stellen om stappen vooruit te doen. Wie niet meewil, moet maar blijven werken in de omstandigheden waar hij zelf voor kiest. Waar men wel wil meewerken, kan een moderne organisatie worden uitgebouwd, voor zover dat past binnen het concept dat de minister uitwerkt en waarvan we binnen het Atomiumoverleg kennis hebben genomen.
Mevrouw Zakia Khattabi (Ecolo). - Ik heb u al meermaals ondervraagd over de overbrenging van Belgische gevangenen naar de gevangenis van Tilburg, meer in het bijzonder over het respect voor hun rechten en die van hun familie.
Onze fractie is principieel gekant tegen het beleid van deze regering die zich aan haar verantwoordelijkheid onttrekt. Nederland kan ons zijn gevangenissen verhuren, precies omdat het geïnvesteerd heeft in preventie en reclassering. Hun gevangenissen zijn nu leeg en wij kunnen erover beschikken.
Sommige gevangenen hebben een kortgeding aangespannen omdat beloften niet worden nagekomen en het gevangenisregime in Tilburg strenger is dan in België.
De Franstalige Liga voor Mensenrechten heeft een klacht ingediend op grond van vijf argumenten die ik hier niet zal ontwikkelen.
De Nederlandse pers, die men er moeilijk van kan verdenken de kant van de oppositie of van de mensenrechtenbewegingen te kiezen, maakte deze week melding van ernstige spanningen in de gevangenis van Tilburg.
Naar verluidt zouden, zowel klachten van gevangenen als sommige elementen van het bezwaar van de Liga, betrekking hebben op garanties die u meermaals hebt gegeven zowel in uw beleidsnota als in commissie of in plenaire vergadering. U verklaarde dat het intern en extern juridisch statuut van de gevangenen onder de Belgische jurisdictie zou blijven. U bevestigde ook dat de families en de gedetineerden dezelfde rechten zouden hebben als in België.
Rekening houdend met de recente gebeurtenissen, zie ik mij genoodzaakt sommige vragen te herhalen die ik u al eerder had gesteld.
Hoeveel gevangenen werden daadwerkelijk overgebracht? Waren het allemaal vrijwilligers? Hoe werden zij benaderd? Op welke manier werd hun wil geformaliseerd? Wie heeft hen benaderd? Wie heeft hen ondervraagd? Welke instructies werden ter zake aan uw administratie gegeven?
Kan u ons informatie geven over de verplaatsing van de families? Hebben zij problemen om de gevangenis te bereiken? Eerder zei u dat mogelijk voor vervoer kon worden gezorgd. Hebt u vragen gekregen in dit verband of, nog beter, hebt u op die vragen geanticipeerd? Hebt u, met het oog op respect voor de rechten van de gevangenen, met de Nederlandse operatoren onderhandeld over voorkeurtarieven inzake telefonische communicatie of geeft u de gevangenen telefoonkaarten? Op welke manier wordt reïntegratie nagestreefd? Hebt u zich, sinds de gedetineerden werden overgebracht, ter plaatse al vergewist van de reële toestand in de gevangenis van Tilburg of zal u dat nog doen?
De heer Stefaan De Clerck, minister van Justitie. - Het verbaast me dat de Liga voor Mensenrechten een procedure inzet tegen de overbrenging van gevangenen naar de gevangenis van Tilburg. Die maatregel getuigt in wezen van respect voor de gevangenen en het personeel en moet een oplossing bieden voor onmenselijke toestanden. Omdat België al meermaals is veroordeeld voor onaanvaardbare toestanden in de gevangenissen, heb ik een oplossing gezocht die detentie in goede omstandigheden kan garanderen. Ik begrijp niet dat men kan beweren dat zulks indruist tegen de mensenrechten.
De dienst Detentiebeheer van het Directoraat-generaal penitentiaire inrichtingen beslist welke gevangenen naar Tilburg worden gestuurd, rekening houdend met de criteria in de overeenkomst, de gezinstoestand van de gevangenen of hun reïntegratieparcours.
Met pertinente en ernstige bezwaren wordt altijd rekening gehouden, ook al is voor de overbrenging de instemming van de gevangene niet noodzakelijk. De gevangene kiest ook in België zijn gevangenis niet. Franstaligen moeten wel akkoord gaan met hun overbrenging naar Tilburg, dit in verband met de andere taalrol. Voor de Nederlandstaligen en de vreemdelingen wordt de beslissing genomen door het directoraat-generaal. Het gaat om een standaardprocedure voor alle beslissingen over de classificatie van de gevangenen.
Het formele akkoord van de gevangene wordt dus niet gevraagd en zijn verzet is geen contra-indicatie als aan de voorwaarden voor de overbrenging is voldaan.
Op 24 februari 2010 verbleven er 439 gevangenen in Tilburg. De laatste overbrengingen zijn voor deze week voorzien. De capaciteit van 500 plaatsen zal bereikt worden zoals voorzien.
Ondanks de alarmerende berichten in een bepaalde Nederlandse pers, is de toestand in Tilburg rustig en is er van opstand geen sprake. De samenwerking tussen het Nederlandse en het Belgische personeel verloopt zonder problemen. Uiteraard kunnen zich bij de ingebruikname van een gevangenis enkele opstartproblemen voordoen en moeten de overgebrachte gevangenen zich aanpassen. Het aantal incidenten in Tilburg ligt niet hoger dan in andere gevangenissen.
Sommige klachten waarvan de Nederlandse pers melding maakt, zijn volkomen ongegrond. Het regime in Tilburg is niet alleen in overeenstemming met de Belgische reglementering, maar bovendien gunstiger dan in sommige Belgische gevangenissen. Op enkele details na, zoals de verdeling van de maaltijden, is de functionering vanuit wettelijk oogpunt dezelfde als in België. Die details kunnen geen reden zijn om te beweren dat de gevangenen niet in Tilburg willen blijven.
De opleiding van het Nederlandse personeel in januari en februari was zeer professioneel.
Op 3 februari 2010 heeft de Franstalige Liga voor Mensenrechten aangekondigd dat ze bij het Grondwettelijk Hof bezwaar zou aantekenen tegen de overbrenging. Ik heb dat alleen via de media kunnen vernemen.
Het Belgisch recht is van toepassing in de instelling van Tilburg. Het intern en extern juridisch statuut van de gedetineerden is een louter Belgische aangelegenheid. Het verdrag betreft uitsluitend de verhuring van een inrichting die over de nodige capaciteit beschikt op het Nederlandse grondgebied. Er is dus geenszins sprake van een transfer van de strafuitvoering naar Nederland.
De straffen worden in de Tilburgse inrichting precies op dezelfde manier uitgevoerd als in België.
Ik betreur dat de Liga terughoudend is over het verdrag. De toestand in de Belgische gevangenissen is problematisch. Er moeten dringend maatregelen worden genomen. De rapporten van het Europees comité ter voorkoming van foltering geven aan dat de overbevolking in onze strafinrichtingen gevolgen heeft voor de levensomstandigheden van de gevangenen.
In Tilburg heeft elke gevangene een eigen cel met sanitair. Hij heeft dezelfde juridisch status als een gevangene in België.
De Liga kan toch niet gekant zijn tegen een maatregel die de levensomstandigheden van de gevangenen verbetert en tegelijk hun rechten vrijwaart?
Het bezoekrecht is gegarandeerd in Tilburg. De gevangenen kunnen in hun eigen cel blijven en er werken. De bereikbaarheid met bus of trein is goed, beter zelfs dan voor Wortel of Merksplas. De gevangenis is ook op andere manieren bereikbaar.
Voor telefonische communicatie beschikken de gevangenen in Tilburg over dezelfde faciliteiten als in België. De tarieven zijn niet hoger.
Een Belgisch psychosociaal team is in de Tilburgse inrichting belast met de reïntegratie. Met de Vlaamse Gemeenschap wordt nu overleg gepleegd over hulp- en dienstverlening.
Ik heb de instelling al twee keer bezocht en ik sluit niet uit dat ik binnenkort nog eens ga.
Als de Nederlanders dergelijke resultaten behalen, is dat niet dank zij de programma's voor reïntegratie van gevangenen, maar vooral omdat zij veel meer gevangenissen hebben gebouwd dan wij. Wij beschikken nu over een weliswaar beperkt investeringsplan, waarvan we hopen spoedig de resultaten te zien.
Mevrouw Zakia Khattabi (Ecolo). - Ik weet niet goed wat ik moet zeggen. Ik vind het bijna ongehoord dat u zich, als minister van Justitie, moet rechtvaardigen met het argument dat de omstandigheden in de Tilburgse gevangenis beter zijn dan in de Belgische.
Als de gevangenen dit vernemen, zou ik begrijpen dat zij een klacht indienen wegens discriminatie in de omgekeerde zin. Volgens de minister zou het in Tilburg blijkbaar zo aangenaam toeven zijn dat we er zelf zouden willen verblijven.
Als de Nederlandse gevangenissen leeggelopen zijn, is dat ook omdat ginds de politieke wil bestaat te investeren in andere formules. We zijn het daarover duidelijk niet eens.
Ik noteer dat u de berichtgeving in de Nederlandse pers ontkent. Ik hoop alleen dat u ons niet wil sussen en dat ik u over enkele weken niet opnieuw moet ondervragen over incidenten die zich in de gevangenis van Tilburg hebben voorgedaan.
(Voor de tekst aangenomen door de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging, zie stuk 4-1511/4.)
De voorzitter. - De heer Procureur verwijst naar zijn schriftelijke verslag.
De heer Philippe Fontaine (MR). - In 2010 zijn een groot aantal belangrijke afspraken gepland op het vlak van ontwapening: de publicatie van het Nuclear Posture Review van de Verenigde Staten op 1 maart; het sluiten van een nieuw Amerikaans-Russisch ontwapeningsverdrag; de Top voor Kernveiligheid van april; de NPV-conferentie en de herzieningvan het strategisch concept van de NAVO.
Het jaar 2010 is goed begonnen. Dertig landen hebben het verdrag over het verbod op clustermunitie geratificeerd. Het verdrag dat belangrijke innovaties inhoudt, kan dus in werking treden op 1 augustus 2010. Zodoende start een heel proces van toezicht op de goede toepassing en de naleving van het verdrag. Een eerste conferentie van de verdragspartijen kan op het einde van het jaar in Laos plaatsvinden.
Vorig jaar heeft ons land zich continu ingezet om via diplomatieke weg de inwerkingtreding van de tekst te promoten. België bereidt ook de conferentie van Laos actief voor. Daartoe coördineert het al een groep van gelijkgezinde landen. We hebben ervaring met de vernietiging van verboden munitie en in de strijd tegen de antipersoonsmijnen beschikken we over een doeltreffend netwerk om slachtofferhulp te promoten.
Naast die verschillende evenementen die kunnen rekenen op ruime mediabelangstelling, moeten we ook aandacht hebben voor de verdragen en overeenkomsten waarvan we de ondertekening en de ratificatie nog moeten aanmoedigen zodat de Staten ze geleidelijk aan wereldwijd toepassen en naleven en ook regelmatig conferenties organiseren om onder meer de reikwijdte ervan te verfijnen.
De conferentie van Ottawa over het verbod op antipersoonsmijnen betekent een keerpunt in de strijd tegen die plaag. Spijtig genoeg moeten bepaalde punten nog concreet vorm krijgen en ook in dat dossier speelt ons land een belangrijke rol. Op de conferentie van Cartagena van december jongstleden hebben de verdragspartijen een vijfjarenplan aangenomen om de geteisterde gebieden te ontmijnen, de slachtoffers noodzakelijke bijstand te bieden en alle overblijvende voorraden te vernietigen. In dat plan verbinden de Staten er zich toe medische en sociale diensten uit te bouwen voor de slachtoffers en de eerbiediging van hun rechten en hun waardigheid te promoten zodat ze ten volle kunnen deelnemen aan het maatschappelijk leven. Het plan verzoekt de Verenigde Staten met aandrang onverwijld hun nog bestaande voorraad antipersoonsmijnen te vernietigen. Het roept ook iedereen op om de geteisterde gebieden die nog ontmijnd moeten worden, in versneld tempo te ontmijnen, zodat de betrokken gemeenschappen veilige gronden terugkrijgen. Vier staten - Albanië, Griekenland, Rwanda en Zambia - hebben verklaard dat ze zich gekweten hebben van hun verplichting om alle besmette zones te ontmijnen.
Op die conferentie heeft België zijn aandacht volledig toegespitst op specifieke maatregelen inzake slachtofferhulp. Ons land heeft mede de werkgroep voorgezeten die instaat voor de evaluatie van de toepassing van het verdrag van Ottawa. Vastgesteld werd dat 26 landen die bijzonder te lijden hebben onder antipersoonsmijnen, de grootste moeilijkheden ondervinden om een algemeen beleid inzake slachtofferhulp uit te werken en om bijstand te verlenen aan overlevende slachtoffers van antipersoonsmijnen en hun familie. Op talrijke toepassingsgebieden van het verdrag heeft België bijstand en expertise verleend. Sinds de conferentie van Nairobi heeft ons land 40 miljoen euro besteed aan de strijd tegen antipersoonsmijnen.
Steunend op die weliswaar concrete, maar nog schuchtere resultaten vragen we dat de lijst maatregelen in het actieplan van Cartagena snel in overlegde acties uitmonden op alle beschreven domeinen, incluis de toegang tot gezondheidszorg, economische en sociale re-integratie van gezinnen met een slachtoffer van een antipersoonsmijn. Die slachtoffers overleven immers vaak in moeilijke omstandigheden omdat ze wegens hun handicap worden gediscrimineerd.
Onze resolutie heeft dus tot doel te beklemtonen dat we blijvend aandacht moeten opbrengen voor de strijd tegen antipersoonsmijnen. De resolutie huldigt ook de moed en de deskundigheid waarmee Belgische ontmijners, met gevaar voor hun eigen leven wapentuig ontmijnen, en de inzet waarmee onze diplomaten een normatief oog in het zeil houden bij de financiering en de uitwerking van de door de internationale gemeenschap geplande acties voor de slachtoffers.
De heer Philippe Mahoux (PS). - We steunen die resolutie, te meer daar ze past in de volgehouden inspanning van België tegen antipersoonsmijnen en tegen elk wapentuig dat zonder onderscheid burgers en soldaten treft en werkt als een tijdbom.
De heer Franco Seminara (PS). - Ik feliciteer collega Fontaine van harte. Als gewezen ambassadeur van Handicap International weet ik dat er niets laffers bestaat dan vernietigingstuig leggen op de weg der argelozen.
De voorzitter. - Ik herinner eraan dat de commissie een nieuw opschrift voorstelt: Voorstel van resolutie inzake het actieplan van Cartagena 2010-2014 tot herziening van het Verdrag van Ottawa op het verbod op antipersoonsmijnen.
-De bespreking is gesloten.
-De stemming over het voorstel van resolutie in zijn geheel heeft later plaats.
De heer Philippe Mahoux (PS), rapporteur. - Per brief van 2 en van 9 oktober 2009 heeft de procureur-generaal bij het hof van beroep van Luik aan de voorzitter van de Senaat met toepassing van artikel 59 van de Grondwet een aanvraag tot opheffing van de parlementaire onschendbaarheid van de betrokken senator ingediend.
Te dien einde voegt de procureur-generaal bij de brieven een volledig eensluidend afschrift van het strafdossier en een kopie van het ontwerp van dagvaarding van de betrokken senator voor de correctionele rechtbank van Dinant, opgesteld door de diensten van de procureur des Konings van Dinant.
De commissie heeft de vraag om opheffing van de onschendbaarheid besproken tijdens haar vergaderingen van 21 oktober 2009, 27 januari 2010 en 10 en 23 februari 2010.
De dagvaarding van de betrokken senator is gebaseerd op de artikelen 240, eerste lid, 244 en 260 van het Strafwetboek, evenals op de artikelen 2 en 3 van de wet van 4 oktober 1867 op de verzachtende omstandigheden.
De betrokkene wordt verweten dat hij in zijn hoedanigheid van burgemeester en openbaar ambtenaar de beslissing van een sanctionerende provincieambtenaar om een burger een administratieve boete op te leggen wegens een overtreding van de milieuwetgeving, heeft tegengehouden in plaats van de overtreder in te lichten over die beslissing.
De commissie heeft besloten de vraag tot opheffing van de parlementaire onschendbaarheid te behandelen met gesloten deuren, met dien verstande dat alleen de effectieve leden van de commissie tot de vergaderzaal werden toegelaten; de plaatsvervangers werden enkel toegelaten in zoverre zij gedurende de hele procedure een lid vervingen.
De betrokken senator werd gehoord op 10 februari 2010.
Een lid verwijst naar artikel 59, eerste lid, van de Grondwet: `Behalve bij ontdekking op heterdaad kan geen lid van een van beide Kamers, tijdens de zitting en in strafzaken, worden verwezen naar of rechtstreeks gedagvaard voor een hof of een rechtbank, of worden aangehouden dan met verlof van de Kamer waarvan het lid deel uitmaakt.'
Er werd aan herinnerd dat de commissie zich bij het bestuderen van de feiten waar het openbaar ministerie haar van op de hoogte brengt, beperkt tot een marginale controle, die nodig is om zich uit te spreken over de vraag tot opheffing. De commissie spreekt zich echter niet uit over de tenlastelegging die het openbaar ministerie meent te kunnen afleiden uit de feiten, en ook niet over de relevantie en de wijze van optreden van het openbaar ministerie.
Er werd eveneens op gewezen dat, in het huidige grondwettelijke kader, de jurisprudentie van de Kamers en de rechtsleer in hoofdzaak drie criteria kennen om te beoordelen of kan worden ingegaan op het verzoek tot opheffing van de parlementaire onschendbaarheid:
Na het onderzoek van deze criteria heeft de commissie besloten dat deze drie vragen ontkennend moesten worden beantwoord.
Rekening houdend met wat voorafgaat, stelt de Commissie met 8 tegen 2 stemmen voor om de parlementaire onschendbaarheid van de senator in kwestie op te heffen.
Dit verslag werd unaniem goedgekeurd door de 9 aanwezige leden.
De voorzitter. - Wij gaan nu over tot de stemming, bij zitten en opstaan, over de conclusies van de commissie.
-De conclusies van de commissie zijn aangenomen.
-Zij zullen aan de procureur-generaal worden meegedeeld.
(De naamlijsten worden in de bijlage opgenomen.)
Stemming 1
Aanwezig: 57
Voor: 57
Tegen: 0
Onthoudingen: 0
-De resolutie is eenparig aangenomen. Zij zal worden overgezonden aan de eerste minister, aan de vice-eersteminister en minister van Buitenlandse Zaken en Institutionele Hervormingen, aan de minister van Landsverdediging en aan de minister van Ontwikkelingssamenwerking.
De voorzitter. - Het Bureau stelt voor volgende week deze agenda voor:
Donderdag 4 maart 2010 om 15 uur
Inoverwegingneming van voorstellen.
Actualiteitendebat en mondelinge vragen.
Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 31 januari 2007 inzake de gerechtelijke opleiding en tot oprichting van het Instituut voor gerechtelijke opleiding wat de controle door het Rekenhof betreft; Stuk 4-1640/1 en 2.
Wetsontwerp tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek, wat de aanwijzing van tot de inruststelling toegelaten magistraten als plaatsvervangende magistraten betreft; Stuk 4-1642/1 tot 4.
Wetsontwerp tot wijziging van de artikelen 92, 109bis en 1301 van het Gerechtelijk Wetboek; Stuk 4-1654/1 en 2.
Evocatieprocedure
Ontwerp van dienstenwet; Stuk 4-1643/1 en 2.
Ontwerp van dienstenwet betreffende bepaalde juridische aspecten bedoeld in artikel 77 van de Grondwet; Stuk 4-1644/1 en 2.
Vanaf 17.30 uur: Naamstemmingen over de afgehandelde wetsontwerpen in hun geheel.
Vragen om uitleg:
-De Senaat is het eens met deze regeling van de werkzaamheden.
De voorzitter. - De heer Bernard Clerfayt, staatssecretaris voor de Modernisering van de Federale Overheidsdienst Financiën, de Milieufiscaliteit en de Bestrijding van de fiscale fraude, antwoordt.
Mevrouw Lieve Van Ermen (LDD). - In het jaarverslag van het Verbond der Belgische Beroepsverenigingen van Geneesheren-Specialisten van 6 februari 2010 staat dat verschillende arts-specialisten in opleiding, de ASO's, stage lopen bij een mogelijk niet langer erkende stagemeester. Die erkenning is slechts vijf jaar geldig, maar werd al een decennium lang, dus twee keer vijf jaar, niet meer geüpdatet. Momenteel is dus géén geactualiseerde lijst met erkende stagemeesters beschikbaar, zodat de ASO's zelfs niet weten of ze met vrucht hun stagejaar kunnen doorlopen.
Is de minister zich bewust van de verregaande onzekerheid waarmee elke ASO nu wordt geconfronteerd?
Wat gaat de minister ondernemen om te voorkomen dat deze opleidingen met een sisser aflopen?
(Voorzitter: de heer Hugo Vandenberghe, eerste ondervoorzitter.)
De heer Bernard Clerfayt, staatssecretaris voor de Modernisering van de Federale Overheidsdienst Financiën, de Milieufiscaliteit en de Bestrijding van de fiscale fraude. - Ik lees het antwoord van collega Onkelinx.
Ik kan u geruststellen: er is wel degelijk een lijst van stagemeesters voor artsen in opleiding die regelmatig wordt bijgewerkt.
Artikel 43 van het koninklijk besluit van 21 april 1983 tot vaststelling van de nadere regelen voor de erkenning van geneesheren-specialisten en van huisartsen vermeldt expliciet: `De lijst van de erkende stagemeesters en stagediensten wordt bijgehouden door het bestuur en op verzoek aan de belanghebbenden medegedeeld.'
Mijn administratie werkt deze lijst onmiddellijk bij na elke ondertekening van een besluit tot erkenning van een stagemeester en haalt er de stagemeesters uit van wie de erkenning ten einde loopt. De lijst wordt permanent geactualiseerd op de website van de FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu.
Ik bevestig ook dat mijn administratie geregeld met de artsen over hun stageplan communiceert.
De volgende basisregels zijn trouwens van toepassing.
De kandidaat-specialist en kandidaat-huisarts moet zelf zijn stageplan beheren en proactief met zijn stagemeesters en zijn coördinatiecentrum of met zijn coördinerende stagemeester nagaan of alles in orde is.
Bij wijziging van het stageplan moet de kandidaat proactief zijn aanvraag indienen.
Er is geen scheidingslijn tussen de netten. Een kandidaat kan zeer goed kiezen voor een nog vacante erkende stageplaats in een ander net, indien er niet meer voldoende plaatsen zijn in het net waar hij zich heeft ingeschreven.
Er is dus wel degelijk een geactualiseerde lijst van stagemeesters en als de zojuist aangehaalde regels worden gerespecteerd, zijn er ook voldoende plaatsen.
Mevrouw Lieve Van Ermen (LDD). - Ik ken de geplogenheden van de erkenningscommissies en al meer dan twintig jaar weet ik hoe stagemeesters worden erkend. Het zijn satellieten van de netwerken van de universiteiten. Hebben ze echt een audit gekregen? Dat geloof ik niet.
De voorzitter. - De heer Bernard Clerfayt, staatssecretaris voor de Modernisering van de Federale Overheidsdienst Financiën, de Milieufiscaliteit en de Bestrijding van de fiscale fraude, antwoordt.
Mevrouw Lieve Van Ermen (LDD). - In de vergadering van de Hoge Raad voor geneesheren-specialisten en huisartsen is meegedeeld dat voor de kandidaten die de bijkomende beroepsbekwaamheid in de pediatrische hematologie en oncologie willen verwerven de erkenningcommissie pediatrie bevoegd is. Tot op heden heeft echter geen enkele kinderarts deze bijkomende bekwaamheid kunnen verwerven. Het desbetreffende ministerieel besluit is intussen al tweeënhalf jaar oud. Het dateert namelijk van 14 mei 2007. Ondertussen werden 111 `echte' medisch oncologen door de minister erkend. Om technische redenen met betrekking tot het RIZIV hebben ze wel nog geen specifiek erkenningnummer en werken ze nog steeds onder het RIZIV-erkenningsnummer eindigend op 580.
De Hoge Raad voor geneesheren-specialisten en huisartsen was unaniem van oordeel dat de toekenning van de bijkomende bekwaamheid in de oncologie moet toegekend worden door de erkenningcommissie van de betrokken basisdiscipline. Een reeks ontwerpen van ministeriële besluiten om aan bepaalde orgaanspecialisten, zoals gynaecologen, urologen, en aan de chirurgen een bijkomende bekwaamheid in de oncologie toe te kennen, lijken niet met de hoogste prioriteit behandeld te worden.
Op een parlementaire vraag van een CD&V-volksvertegenwoordiger over het uitblijven van een adequate erkenningcommissie oncologie, kwam geen bevredigend antwoord, omdat de medisch oncologen hun monopolie op het voorschrijven van antitumorale geneesmiddelen willen behouden. Daar wordt geen enkele patiënt beter van.
Welke erkenningcommissie is uiteindelijk bevoegd voor de erkenning van de subspecialisatie oncologie?
Hoever staat het met de ministeriële besluiten om aan de orgaanspecialisten en de chirurgen een bijkomende bekwaamheid in de oncologie toe te kennen? Wanneer kunnen we deze verwachten?
Hoe zal de minister meer duidelijkheid creëren omtrent de bevoegde erkenningcommissies voor subspecialisaties?
De heer Bernard Clerfayt, staatssecretaris voor de Modernisering van de Federale Overheidsdienst Financiën, de Milieufiscaliteit en de Bestrijding van de fiscale fraude. - Ik lees het antwoord van minister Onkelinx.
Mevrouw Van Ermen stelt een vraag over een belangrijk dossier dat betrekking heeft op de erkenning van de bijzondere bekwaamheid in de oncologie voor meerdere basisspecialismen in de geneeskunde.
Ik volg dit dossier samen met mijn administratie van zeer nabij op en mijn kabinet had dienaangaande al ontmoetingen met talrijke vertegenwoordigers van de beroepsorganisaties. Dat overleg gaat trouwens de komende weken voort.
Wat de verschillende ministeriële besluiten betreft die de voorwaarden moeten definiëren voor de toegang tot de bijzondere bekwaamheid in de oncologie, kan ik al meegeven dat er twee besluiten werden goedgekeurd en gepubliceerd. Het betreft de besluiten met betrekking tot de gastro-enterologie en de pneumologie van 29 januari 2010, gepubliceerd op 3 februari 2010.
Ik werk nu aan de besluiten met betrekking tot de gynaecologie, de chirurgie en de urologie. De besluiten betreffende de andere specialisaties zullen binnen korte termijn volgen, zodra het advies van de Hoge Raad mij zal meegedeeld zijn.
In dit dossier gaat mijn voornaamste bezorgdheid uit naar de kwaliteit van de zorg voor de patiënten. De evolutie van de wetenschappelijke vooruitgang, die de grenzen van onze kennis verlegt, verplicht ons regelmatig de praktijken van de geneeskunde iets meer te specialiseren om de evolutie te kunnen volgen. De kwaliteit van de titel van oncoloog en de ermee verbonden competenties moeten verbonden zijn met het regelmatig praktisch beoefenen van deze specialisatie, want alleen veel praktijk zorgt voor een goede uitoefening.
Wat nu de bepaling betreft van de erkenningcommissies die bevoegd zullen zijn voor het toekennen van deze bijzondere bekwaamheid, is het juist dat de Hoge Raad voor geneesheren-specialisten en huisartsen zich heeft uitgesproken in het voordeel van de erkenning van de competentie in de oncologie door de erkenningcommissie van de basisspecialiteit.
Na analyse en verder nadenken, leek een dergelijke handelswijze niet passend te zijn.
De kans zou immers bestaan dat de beoordeling van de vereiste criteria voor het verkrijgen van de bijzondere bekwaamheid van de ene basisspecialiteit tot de andere zou verschillen. Dit zou tot grove onrechtvaardigheid leiden tussen de verschillende geneesheren-specialisten die aanspraak kunnen maken op dezelfde bijzondere bekwaamheid.
Verder lijkt het ook niet opportuun dat geneesheren-specialisten die niet erkend zijn voor een bijzondere bekwaamheid, zouden beslissen over het toekennen van een bekwaamheid aan gelijken. Dat moet gebeuren door artsen met een bekwaamheid voor het desbetreffende domein. Zij moeten adviezen geven en stemmen over de individuele aanvragen voor erkenning.
Ik heb daarom een unieke commissie opgericht voor de oncologie, bestaande uit geneesheren-specialisten van de verschillende basisspecialiteiten die erkend zijn als bijzonder bekwaam in hun specialiteit van de oncologie.
Voor de pediatrische hematologie en oncologie, een bijzondere bekwaamheid die slechts kan toegekend worden aan één enkele basisspecialiteit en waarvoor er weinig specialisten en weinig erkenningsaanvragen zijn, zou de oprichting van een commissie een probleem kunnen zijn, omdat er niet voldoende artsen hierin gespecialiseerd zijn. Daarom zal de commissie pediatrie daarvoor bevoegd zijn. De samenstelling van deze commissie zal echter de representativiteit garanderen van de pediaters die erkend zijn voor pediatrische hematologie en oncologie.
De besluiten die dit systeem moeten instellen liggen momenteel voor advies bij de Raad van State. Indien de Raad van State geen inhoudelijke opmerkingen formuleert, kunnen de besluiten binnenkort worden gepubliceerd en kunnen de instanties die leden voor deze commissie moeten voorstellen, uitgenodigd worden om dit snel te doen.
Om tot slot te antwoorden op de vraag over het RIZIV-nummer, kregen de medische oncologen onlangs - of de laatsten krijgen het nu - hun nieuw RIZIV-nummer, namelijk 660.
Mevrouw Lieve Van Ermen (LDD). - Het verheugt me dat er goed over dit probleem is nagedacht en dat er werk van wordt gemaakt. Het zal de achterban plezieren.
De voorzitter. - De heer Bernard Clerfayt, staatssecretaris voor de Modernisering van de Federale Overheidsdienst Financiën, de Milieufiscaliteit en de Bestrijding van de fiscale fraude, antwoordt.
Mevrouw Els Schelfhout (CD&V). - Eind 2009 tekenden België en Congo een nieuw Indicatief Samenwerkingsprogramma (ISP) voor de periode 2010-2013. In dit akkoord worden de concentratiesectoren teruggebracht tot drie, namelijk plattelandswegen, landbouw en onderwijs. Op het vlak van gezondheid garandeert het programma alleen de opvolging van enkele acties tot aan de totale terugtrekking uit de sector. Meermaals heb ik mijn ongenoegen geuit over het wegvallen van gezondheidszorg als een prioritaire sector binnen onze bilaterale samenwerking met Congo.
Begin februari las ik tot mijn verbazing in Belgische en Congolese media dat de minister een bezoek had gebracht aan Kinshasa en Bukavu en dat ze daar het nieuwe samenwerkingsakkoord had getekend met haar Congolese collega van Volksgezondheid. Zoals we allen weten is gezondheidszorg een groot probleem in Congo. België zou met zijn expertise een meer ambitieuze rol kunnen en moeten spelen in het toegankelijker maken van een kwaliteitsvolle gezondheidszorg. Ik hoop dat het nieuw akkoord in dit kader past. Maar het is wel onduidelijk welke voorbereidingsfase vooraf ging aan de ondertekening van het akkoord en of de inhoud complementair is met het huidige ISP en of het ministerie van Volksgezondheid zal streven naar een coherente samenwerking met Ontwikkelingssamenwerking.
België moet zijn engagement in de Congolese gezondheidssector bevestigen, maar we moeten tegelijk vermijden dat onze inspanningen te zeer versnipperd raken.
Wie was initiatiefnemer van het akkoord? Was dat België of Congo? Wanneer en hoe ontstond het?
Werden Belgische en Congolese experts en niet-gouvernementele organisaties voor de ondertekening van het akkoord geraadpleegd? Welke?
Over welke domeinen en regio's spreekt het akkoord en waarom?
Heeft de minister in deze context plannen voor samenwerking met EU-partners, specifiek in het kader van Belgisch voorzitterschap?
Welke financiële middelen werden vrijgemaakt?
Hoe zal het toezicht op de uitvoering van het akkoord worden georganiseerd?
Hoe ziet de minister de complementariteit en de coherente samenwerking met het departement Ontwikkelingssamenwerking?
De heer Bernard Clerfayt, staatssecretaris voor de Modernisering van de Federale Overheidsdienst Financiën, de Milieufiscaliteit en de Bestrijding van de fiscale fraude. - Ik lees eerst het antwoord van minister Onkelinx.
Tijdens mijn verblijf in de Democratische Republiek Congo heb ik inderdaad een samenwerkingsakkoord betreffende volksgezondheid en medische wetenschappen ondertekend. Het betreft een technisch samenwerkingsakkoord dat voornamelijk betrekking heeft op het uitwisselen van ervaringen en het aanbrengen van expertise.
Het idee voor dit akkoord is gerijpt tijdens diverse bilaterale ontmoetingen sinds begin vorig jaar met mijn Congolese collega van Volksgezondheid, de heer Mopipi, die onlangs vervangen werd.
De tekst van het akkoord werd voorbereid en besproken door de bevoegde diensten van de FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu en de ambassade van de Democratische Republiek Congo, die in contact staat met de eigen bevoegde diensten in Kinshasa.
Het akkoord heeft in hoofdzaak betrekking op de uitwisseling van ervaringen en informatie, evenals op het aanbrengen van expertise, voornamelijk in de volgende domeinen: wetgeving en beheer van de sector gezondheidszorg, permanente opleiding voor het personeel van de gezondheidszorg, sociale bescherming en meer specifiek de oprichting van ziekenfondsen in de gezondheidszorg en in de geneesmiddelensector, met inbegrip van het beheer van de farmaceutische sector. In deze domeinen zijn er talrijke uitdagingen waarvoor een nauwe samenwerking nuttig kan zijn.
De Europese partners werden niet geraadpleegd voor dit technisch samenwerkingsakkoord, dat in de eerste plaats tot het werkingsgebied van de technische bilaterale relaties van de bevoegde instellingen van de twee partners behoort.
Er zijn geen financiële middelen verbonden aan de inwerkingtreding van het akkoord. De initiatieven die de betrokken entiteiten als gevolg van dit akkoord zullen nemen, zullen geval per geval gefinancierd worden in het kader van de bestaande budgetten.
Voor de opvolging van het akkoord worden er meerjarige werkprogramma's ingevoerd. De vorm ervan moet nog samen met de Congolese partners worden uitgewerkt.
Het akkoord respecteert nauwgezet de geest en de letter van het laatste Indicatief Samenwerkingprogramma dat minister Michel in december laatstleden met de Democratische Republiek Congo ondertekende. Het stelt de drie prioriteiten helemaal niet in vraag. Het beoogt alleen de versterking van de institutionele relaties tussen de twee landen op het vlak van de gezondheidszorg.
Ik lees nu de aanvulling van minister Michel op de zevende vraag.
In december 2009 werd een nieuw Indicatief Samenwerkingsprogramma van de Belgische Ontwikkelingssamenwerking met de DRC voor de periode 2010-2013 getekend. In uitvoering van de EU-gedragscode zal de Belgische bilaterale samenwerking zich concentreren op drie sectoren: landbouw, ruraal transport en onderwijs, met de nadruk op technisch en beroepsonderwijs. Die sectoren werden uitgekozen op vraag van de Congolese partner, na overleg met andere donoren en na de gebruikelijke consultatie van de verschillende actoren die met subsidies van de Belgische Ontwikkelingssamenwerking in de DRC opereren.
In het verleden werkte de Belgische Ontwikkelingssamenwerking in een waaier van sectoren. De Belgische Ontwikkelingssamenwerking zal zich terugtrekken uit die sectoren en de activiteiten overlaten aan andere donoren. Dit gebeurt in het kader van de division of labour zoals afgesproken tussen de Europese ministers van Ontwikkelingssamenwerking.
Een van de sectoren die de Belgische samenwerking in het kader van de onderlinge taakverdeling tussen donoren zal afbouwen is de gezondheidszorg. Het is evenwel niet de bedoeling die activiteiten van de bilaterale samenwerking onmiddellijk af te breken. In het Indicatief Samenwerkingsprogramma 2010-2013 is daarom een bedrag van 20 miljoen euro opgenomen voor de financiering van specifieke activiteiten in de gezondheidssector. Die financiering moet de geleidelijke overdracht van de betrokken projecten aan andere donoren voorbereiden.
In de huidige bilaterale samenwerking zijn er twee projecten waar in principe complementariteit met de geplande interventie van de FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu mogelijk is: het project voor institutionele ondersteuning van het Congolese ministerie van Volksgezondheid en het project ter ondersteuning van de bevoorrading in basisgeneesmiddelen. Deze mogelijkheden moeten nu in overleg met de Congolese partners verder worden onderzocht.
Mevrouw Els Schelfhout (CD&V). - Ik had vele vragen, maar ze werden - ondanks het uitgebreide antwoord - niet allemaal beantwoord.
Zo weet ik nog niet in welke mate overleg met NGO's en andere relevante organisaties en experts aan het akkoord is voorafgegaan. Dergelijk overleg werd wellicht niet gevoerd. Dat stelden we ook al vast bij de aanloop naar het Indicatief Samenwerkingsprogramma.
Ik heb begrepen uit het antwoord dat het samenwerkingsprogramma vooral institutionele steun en de versterking van institutionele relaties behelst. Ik vrees dat dit concreet neerkomt op steun aan het ministerie en aan specifieke programma's. Het is een vorm van capacity building die vooral ten goede zal komen aan mensen en ministeries die nu ook al goed aan hun trekken komen.
De voorzitter. - De heer Bernard Clerfayt, staatssecretaris voor de Modernisering van de Federale Overheidsdienst Financiën, de Milieufiscaliteit en de Bestrijding van de fiscale fraude, antwoordt.
De heer André du Bus de Warnaffe (cdH). - Het gebruik van antidepressiva en antipsychotica wordt gevolgd door verschillende actoren van volksgezondheid. In november 2008 trokken de Christelijke Mutualiteiten aan de alarmbel. Ze publiceerden een studie, uitgevoerd bij vier miljoen Belgen, waaruit bleek dat het gebruik van antidepressiva en antipsychotica tussen 2002 en 2007 met 14% was gestegen.
Volgens de cijfers van de Belgische Vereniging van de Geneesmiddelenindustrie werden in België tussen december 2007 en november 2008 270 miljoen dosissen slaap- en kalmeermiddelen ingenomen. Hiermee bevindt België zich samen met Frankrijk en Italië aan de kop van het peloton van de Europese landen. Van de 270 miljoen dosissen werden er 260 miljoen of 96% op medisch voorschrift afgeleverd, de rest via vrije verkoop.
Onlangs deelde de Druglijn, de Vlaamse telefoonlijn voor informatie en vragen over drank, drugs en pillen, mee dat het aantal oproepen over verslaving in tien jaar tijd is verdubbeld. Er worden meer vragen gesteld over de afhankelijkheid van geneesmiddelen dan over drugs. Men kan zich natuurlijk afvragen of het stijgend aantal oproepen komt doordat deze hulplijn beter bekend is bij het publiek of te wijten is aan een groter geneesmiddelengebruik.
Vooral de stijgende verkoop van kalmeermiddelen is verontrustend: de Belgen kochten in 2009 600 000 kalmeermiddelen per dag, een toename met 15% ten opzichte van 2006.
Vooral bij vrouwen van middelbare leeftijd en ouderen neemt het ongebreidelde gebruik van antidepressiva en slaapmiddelen toe. Voorts wijst het onderzoek van de Christelijke Mutualiteiten uit dat vrouwen 1,7 keer meer van deze geneesmiddelen innemen dan mannen.
Er werden diverse initiatieven genomen. Onlangs lanceerde de FOD Volksgezondheid een campagne tegen slaap- en kalmeermiddelen via een tv-spot, broodzakken met een slogan en een informatiefolder voor de burgers. In 2008 volgden 2 500 huisartsen en nagenoeg alle apothekers een opleiding over de behandeling en begeleiding van patiënten en klanten die met dit probleem worden geconfronteerd.
Het gebruik van deze geneesmiddelen leidt op termijn tot verslaving, een verminderde waakzaamheid en soms tot motorische stoornissen. Ik heb de volgende vragen aan de minister.
Beschikt u over elementen die het stijgende gebruik van antidepressiva en antipsychotica kunnen objectiveren?
Zullen de preventieacties worden uitgebreid en, zo ja, zal dit gebeuren in samenwerking met de andere beleidsniveaus? Pleegde de FOD Volksgezondheid voor de preventiecampagne overleg met de verantwoordelijken voor preventie bij de gemeenschappen?
De reclame door de farmaceutische bedrijven heeft een grote invloed op het gebruik. Zal de controle op die reclame worden opgedreven?
De heer Bernard Clerfayt, staatssecretaris voor de Modernisering van de Federale Overheidsdienst Financiën, de Milieufiscaliteit en de Bestrijding van de fiscale fraude. - Ik lees het antwoord van minister Onkelinx.
Ik deel uw ongerustheid over het buitensporige gebruik van anxiolytica en kalmeermiddelen zoals benzodiazepines.
Volgens IMS-gegevens is het aantal dagelijkse dosissen pijnstillers en kalmeermiddelen van 622 miljoen in 1999 tot 713 miljoen in 2009 gestegen, dus met ongeveer 15% in tien jaar. Het gebruik van pijnstillers is tussen 2006 en 2009 met 8% gestegen; de consumptie van kalmeermiddelen bleef stabiel.
Het toenemend gebruik van slaapmiddelen, dat wellicht verband houdt met maatschappelijke problemen en een overmatig gebruik bij oudere mensen, is een echt volksgezondheidsprobleem, zelfs al is het gestabiliseerd. Men raakt immers snel afhankelijkheid van dit soort geneesmiddelen.
Dat steeds meer mensen chronisch pijn lijden en de vergrijzing kunnen een verklaring zijn voor het toenemend gebruik van pijnstillers. De aandacht van zorgstrekkers voor chronische en hevige pijnsyndromen kan leiden tot het meer voorschrijven van pijnstillers. Dit is dus niet noodzakelijk een probleem.
Ik ben van plan de preventiecampagnes voor slaapmiddelen in de toekomst voort te zetten. Wat het overleg betreft, worden de campagnes voorgelegd aan de Cel Gezondheidsbeleid Drugs, waarvan de zeven ministers deel uitmaken die in ons land verantwoordelijk zijn voor Gezondheid.
Reclame voor het grote publiek is verboden voor geneesmiddelen, zoals kalmeermiddelen, die alleen op voorschrift te verkrijgen zijn. Ik zie dus geen reden om de controle te verscherpen. De informatie voor de zorgverstrekkers kan zonder enige twijfel een effect hebben op het gebruik van kalmeermiddelen. Er worden momenteel projecten uitgewerkt. Het onderwerp is overigens een element van de onderhandelingen met de geneesmiddelenindustrie.
De heer André du Bus de Warnaffe (cdH). - Volgens de minister worden de preventiecampagnes voorgelegd aan de Cel Gezondheidsbeleid Drugs. Daar moet dus een inspanning worden gedaan. Volgens de informatie waarover ik beschik, was er geen voorafgaand overleg op het Brusselse niveau en op dat van de Franse Gemeenschap.
Er is wel overleg met de apothekers over het gebruik van benzodiazepines. Ik vestig de aandacht op een concreet cijfer, meegedeeld door de geneesmiddelenindustrie. Tussen 2007-2008 en 2008-2009 was er een duidelijke stijging van de consumptie van geneesmiddelen die niet waren voorgeschreven. Die stijging bedroeg 6%.
De voorzitter. - De heer Bernard Clerfayt, staatssecretaris voor de Modernisering van de Federale Overheidsdienst Financiën, de Milieufiscaliteit en de Bestrijding van de fiscale fraude, antwoordt.
Mevrouw Lieve Van Ermen (LDD). - Het Franse dagblad Le Figaro schreef op 7 februari 2010 het volgende: `Il y a un an, le 4 janvier, des membres de la Sécurité chinoise se rendaient au milieu de la nuit au domicile de Gao Zhisheng, dans son village natal du Shaanxi, et l'emmenaient. (...) Depuis, on n'a plus revu ce célèbre avocat et militant des droits de l'homme. Et, de manière plutôt rare, les autorités chinoises ne donnent aucun renseignement sur son sort, alimentant les craintes de sa famille et de ses amis.'
Het behoeft geen uitleg dat bij de verdwijning van een activist, die sinds geruime tijd bekendstaat als een tegenstander van het repressieve Chinese regime, pertinente vragen kunnen worden gesteld worden over de betrokkenheid van de Chinese veiligheidsdienst die betrokkene op 4 februari 2009 voor ondervraging meenam. Sindsdien heeft Zhisheng geen teken van leven meer gegeven.
Dat een advocaat die religieuze minderheden verdedigt, door het communistische regime als een opposant wordt gezien, is redelijk logisch. Dat die verdediging anno 2010 tot verdwijning en mogelijk liquidatie kan leiden is hallucinant en een blamage voor universele mensenrechten als de vrijheid van meningsuiting en het recht op een eerlijke rechtszaak. Het spreekt dan ook vanzelf dat de internationale gemeenschap en meer bepaald de Europese Unie en haar lidstaten dat onbeschaamde staatsmisdrijf moeten bekritiseren en bestraffen met sancties of zelfs met een internationaal embargo.
Zal België bij China reageren? Zo ja, zal België duidelijk benadrukken dat de verdwijning haaks staat op universele mensenrechten als de vrijheid van meningsuiting en het recht op een eerlijke rechtszaak? Zal België zeggen dat het de verdwijning ten zeerste betreurt en dat die de diplomatieke relaties tussen België en China zal beïnvloeden?
Welke maatregelen worden momenteel op Belgisch en Europees niveau besproken om het respect voor de mensenrechten in China te bevorderen?
De heer Bernard Clerfayt, staatssecretaris voor de Modernisering van de Federale Overheidsdienst Financiën, de Milieufiscaliteit en de Bestrijding van de fiscale fraude. - Ik lees het antwoord van minister Vanackere.
Net als mijn Europese collega's verontrust het mij ten zeerste dat de Chinese overheid elke informatie over het lot van bedoelde mensenrechtenactivist schuldig blijft. Sinds 4 februari 2009, de dag waarop hij in zijn woning door politieagenten werd ondervraagd, is niets meer over hem vernomen.
De Europese Unie hecht veel belang aan de mensenrechtensituatie in China en voert sinds 1995 een tweejaarlijkse mensenrechtendialoog met de Chinese Volksrepubliek. Het Tsjechische en Zweedse voorzitterschap hebben herhaaldelijk bij de Chinese overheid navraag gedaan naar het lot van Gao Zhisheng. Op 14 augustus 2009 deed de Europese Trojka ten behoeve van Gao Zhisheng stappen bij het Chinese ministerie van Buitenlandse Zaken. Tot op heden hebben de Chinese autoriteiten geen afdoend antwoord over het lot van Gao Zhisheng gegeven.
In de marge van de vergaderingen over de mensenrechten werd aan de Chinese autoriteiten een lijst overhandigd van een aantal individuele zaken, waaronder de zaak Gao Zhisheng. Met die lijst van individuele zaken wil de EU China aansporen een stand van zaken te geven over de situatie van alle mensenrechtenactivisten en vraagt ze hun onmiddellijke invrijheidstelling.
Hoge Vertegenwoordiger Ashton benadrukte op 9 februari in een verklaring dat de EU zich ernstig zorgen maakt over het feit dat ondanks herhaald aandringen de Chinese regering geen enkele informatie verstrekt over Gao Zhisheng en ze vraagt China een onafhankelijk onderzoek in te stellen naar de verdwijning van de mensenrechtenactivist. Tijdens het tweede semester van 2010 wordt opnieuw een mensenrechtendialoog gevoerd.
België zal intussen bij elk contact met de Chinese autoriteiten laten weten dat het veel belang hecht aan respect voor de rechten van de mens en de bescherming van mensenrechtenactivisten.
De voorzitter. - De heer Bernard Clerfayt, staatssecretaris voor de Modernisering van de Federale Overheidsdienst Financiën, de Milieufiscaliteit en de Bestrijding van de fiscale fraude, antwoordt.
Mevrouw Ann Somers (Open Vld). - De minister zou klaar zijn met een ontwerp dat een voorwaarde toevoegt aan de PWA-reglementering, die erin bestaat die activiteiten te laten uitoefenen door PWA-werknemers van vijftig jaar of ouder. De jongere PWA'ers zou ze willen laten doorstromen naar het stelsel van dienstencheques.
De doorstroom naar dienstencheques was één van de expliciete doelstellingen bij de introductie van het stelsel, maar tot vandaag bleef die doorstroom beperkt. Een bewijs te meer dat de PWA's uitgegroeid zijn tot een werkloosheidsval. Uit een advies van de inspecteur-generaal van Financiën zou blijken dat PWA'ers veel duurder zijn dan dienstenchequewerknemers. Meer bepaald kost een PWA'er de RVA per maand gemiddeld 736 euro aan werkloosheidsuitkeringen. Het Planbureau spreekt van een totale kostprijs van 2 140 euro per maand. De dienstenchequewerknemers daarentegen kosten naar verluidt gemiddeld 348,7 euro per maand, exclusief indirecte terugverdienkosten.
De maatregel van de minister voor de doorstroming van jonge PWA'ers naar dienstencheques betekent wel een besparing voor de schatkist, maar voor de ouderen oogt de balans minder fraai. Nu al blijkt uit de cijfers dat ongeveer 60 procent van de PWA'ers vijftig jaar of ouder is. Bovendien is de gemiddelde werkloosheidsvergoeding van mannelijke PWA-werknemers hoger dan die van mannelijke uitkeringsgerechtigde werkzoekenden. Bij vrouwen is dat net andersom. Het doet vooral de vrees ontstaan dat mannelijke vijftigplussers zich in de PWA zullen nestelen om zich verder te onttrekken aan de activering, vooral nu volop werk wordt gemaakt van het strenger maken van vervroegde uittredingsstelsels zoals brugpensioenen.
De maatregel die de minister voorstelt, komt dus bijzonder ongelegen, maar doorkruist ook het algemene debat over de toekomst van de PWA's. Het is duidelijk dat grondig moet worden nagedacht over het wegwerken van de werkloosheidsval die de PWA's zijn geworden.
Kan de minister bevestigen dat uit de cijfers blijkt dat PWA'ers de schatkist meer kosten dan dienstenchequewerknemers?
Erkent de minister de initiële doelstelling van de PWA's om langdurig werklozen te activeren met de uitdrukkelijke bedoeling ze opnieuw aansluiting te laten vinden met de reguliere arbeidsmarkt?
Waarom doorkruist de minister het algemene debat over de toekomst van de PWA's alvorens een gerichte maatregel met betrekking tot de ouderen voor te stellen?
Betekent het ook dat de PWA's zullen worden verplicht om te voorzien in extra opleidingen voor hun oudere werknemers?
Hoe zal de minister garanderen dat PWA's geen toevluchtsoord voor vijftigplussers worden die zich willen onttrekken aan de activeringsmaatregelen voor een nieuwe reguliere job?
Welke maatregelen neemt de minister om de PWA's niet langer als werkloosheidsval te laten fungeren?
Kan in dat verband worden gedacht aan een beperking van de toegestane periode waarin werkzoekenden in de PWA's werkzaam kunnen zijn?
De heer Bernard Clerfayt, staatssecretaris voor de Modernisering van de Federale Overheidsdienst Financiën, de Milieufiscaliteit en de Bestrijding van de fiscale fraude. - Ik lees het antwoord van minister Milquet.
Ik wil meteen duidelijk maken dat er geen enkel ontwerp van koninklijk besluit bestaat dat de activiteiten van de PWA's uitsluitend wil laten uitvoeren door werknemers van 50 jaar en ouder. De maatregel die in juli 2009 werd genomen en die het huishoudelijk werk beperkte tot werknemers ouder dan 50 jaar, zal niet naar andere activiteiten worden uitgebreid.
In verband met de vergelijking tussen een PWA'er en een dienstenchequewerknemer lijkt het me niet echt opportuun uit te zoeken welke werknemer de staat het meeste kost. Beide stelsels streven immers eenzelfde doel na: de herintreding van werknemers die het verst van de arbeidsmarkt staan. Ze dienen echter een verschillende logica. De dienstencheques volgen een commerciële logica: ze zijn bedoeld voor particulieren en de werknemers hebben een echte arbeidsovereenkomst. De PWA's volgen een sociale logica: hun dienstverlening is niet alleen bestemd voor particulieren, maar ook voor gemeenschappen, gemeenten, scholen. Ze zijn bedoeld voor mensen die niet in staat zijn om met een arbeidsovereenkomst tewerkgesteld te worden. De berekeningsformules om de twee stelsels met elkaar te vergelijken, zijn trouwens niet transparant.
De oorspronkelijke doelstelling van de PWA's was tweevoudig. Enerzijds wilde men de reïntegratie van de langdurig werklozen en hun overgang naar gewoon werk bevorderen. Anderzijds was het de bedoeling een maatschappelijke nood te lenigen waarop de traditionele circuits geen antwoord boden.
Ik zie niet in waarom er door het ontbreken van specifieke maatregelen voor oudere PWA-werknemers niet kan worden nagedacht over de toekomst van de PWA's.
Er is voor de PWA's in geen enkele bijkomende opleidingsverplichting voorzien. Bovenop het minimumbudget dat aan scholing besteed moet worden, is elk PWA vrij om er de middelen voor vrij te maken die het gepast acht. Een PWA op het platteland dat tuinmannen in dienst heeft, zal bijvoorbeeld meer middelen investeren op tuiniersgebied, terwijl een ander PWA bijvoorbeeld meer middelen zal investeren in de opleiding voor kinderopvang.
Het risico dat 50-plussers de PWA's zien als een toevluchtsoord om te ontsnappen aan de controle op de beschikbaarheid, is niet bestaand. Enerzijds zijn de controles op de beschikbaarheid niet op 50-plussers gericht. Anderzijds zijn de meeste 50-plussers vrijgesteld van beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt.
Ik ga er niet mee akkoord dat de PWA's een werkloosheidsval zijn. Werken in een PWA is voor veel werknemers nog de enige manier om deel te nemen aan een actief en sociaal leven. Voor anderen is het een toegangspoort tot een beroepsopleiding en een springplank naar gewoon werk. Het komt natuurlijk wel voor dat sommige werknemers zeer lang in de PWA actief zijn, maar dan gaat het meestal om werknemers die, gelet op hun maatschappelijke achtergrond, nergens anders werk vinden.
Het is niet omdat men in een PWA werkt en is vrijgesteld van de controle op de beschikbaarheid, dat men niet moet antwoorden op vragen van de gewestelijke instellingen. Als een werkloze in dienst is bij een PWA en door de VDAB voor een jobaanbieding wordt opgeroepen, is hij verplicht om daarop in te gaan.
Om al die redenen ben ik niet van plan een beperking in de tijd op te leggen aan de tewerkstelling in de PWA's. Veel PWA's hebben het immers moeilijk om voldoende werkkrachten te vinden. Het zou bovendien alleen maar contraproductief werken, mochten we hen van hun personeel beroven terwijl ze zo lang in hun opleiding hebben geïnvesteerd.
Mevrouw Ann Somers (Open Vld). - We zijn het niet eens met alle antwoorden die de minister heeft gegeven. We zullen verder onderzoeken of het systeem van dienstencheques niet beter is dan het PWA-systeem, dat volgens ons wel degelijk een werkloosheidsval is. We zullen deze materie dus op de voet blijven volgen.
De voorzitter. - De heer Bernard Clerfayt, staatssecretaris voor de Modernisering van de Federale Overheidsdienst Financiën, de Milieufiscaliteit en de Bestrijding van de fiscale fraude, antwoordt.
Mevrouw Ann Somers (Open Vld). - De beslissing van de regering om 4 miljoen euro van de PWA-reserves en 55,2 miljoen euro van de PWA-reserves uit dienstenchequesactiviteiten te innen om de maatregelen van de minister ter bestrijding van de jeugdwerkloosheid te helpen financieren, stoot uiteraard op ongenoegen bij de PWA's, in die mate zelfs dat een aantal PWA's naar verluidt halsstarrig weigert te voldoen aan de verplichting om de jaarrekening in te dienen bij de RVA. Die jaarrekeningen van 2008 zijn nochtans de referentiebasis voor het bepalen van de precieze reserves van de PWA's en hun bijdrage aan de financiering van de genoemde regeringsbeslissing.
Door het daaruit voortvloeiende wantrouwen van PWA's ten aanzien van de RVA mag echter verwacht worden dat een nog groter aantal PWA's deze vorm van burgerlijke ongehoorzaamheid overweegt bij het indienen van de jaarrekeningen van 2009, die weldra worden afgesloten. Er zou echter geen sanctie zijn voor PWA's die weigeren om hun jaarrekening in te dienen. Bovendien zouden nog steeds vragen rijzen over de precieze definiëring van het begrip reserves en wordt volop gezocht naar mechanismen om de PWA-reserves lokaal te verankeren, lees: in veiligheid te brengen.
Welke PWA's hebben hun jaarrekening 2008 niet ingediend bij de RVA?
Klopt het dat er geen sanctie is voor PWA's die weigeren hun verplichting tot het indienen van hun jaarrekening na te komen? Zo ja, zal de minister dit euvel snel verhelpen en welke concrete sanctie zal worden ingevoerd?
Op welke manier zal de bijdrage van deze ongehoorzame PWA's worden bepaald in de door de regering vooropgestelde afroming van de PWA-reserves?
Is er intussen duidelijkheid over de precieze definiëring van het begrip financiële reserves?
Behoort de balansvoorziening voor het sociaal passief ook tot de reserves?
Welke mechanismen zullen worden aanvaard om de PWA-reserves in veiligheid te brengen, bijvoorbeeld via lokale verankering of via lokale investering in additionele tewerkstelling voor bepaalde doelgroepen?
De heer Bernard Clerfayt, staatssecretaris voor de Modernisering van de Federale Overheidsdienst Financiën, de Milieufiscaliteit en de Bestrijding van de fiscale fraude. - Ik lees het antwoord van minister Milquet.
Tot op heden hebben maar drie PWA's geen of ontoereikende gegevens ingevoerd in de PWA-balanscentrale van de RVA, namelijk de PWA's van Ohey, Éghezée en Denderleeuw.
Er is wel degelijk een sanctioneringmechanisme voor PWA's die weigeren hun verplichting tot het indienen van hun jaarrekening na te komen.
De afroming zal worden bepaald via een samengestelde formule. Het eerste deel van de formule houdt rekening met de geleverde opleidingsinspanningen, wat de traditionele PWA-afdeling betreft, of met het aantal ingediende dienstencheques, wat de dienstenchequeafdeling betreft. Het tweede deel van de formule wordt op basis van het gecorrigeerd eigen vermogen van de PWA berekend. Hierdoor wordt een beveiliging ingebouwd tegen een te sterke afroming van de PWA-reserves, een liquiditeitsratio dus. Voor de PWA's die weigeren hun jaarrekeningen bij de PWA-balanscentrale in te dienen, zal het af te romen bedrag volledig bepaald worden via het eerste deel van de formule, dit wil zeggen zonder beveiliging tegen een te hoge afroming van het gecorrigeerd eigen vermogen.
Het begrip financiële reserves wordt duidelijk bepaald. Voor de traditionele afdeling van de PWA's worden de in aanmerking te nemen beschikbare middelen als volgt samengesteld: de liquide middelen en geldbeleggingen, vermeerderd met de vorderingen op korte termijn en verminderd met de schulden op korte termijn, de voorzieningen voor opleidingen en de voorzieningen voor andere zaken dan voor opleidingen.
Voor de dienstencheque-afdeling wordt het gecorrigeerd eigen vermogen als volgt samengesteld: de liquide middelen en geldbeleggingen, vermeerderd met de vorderingen op korte termijn, en verminderd met de schulden op korte termijn, de schulden op lange termijn en de voorzieningen.
De balansvoorziening behoort voor het sociaal passief inderdaad ook tot de reserves.
De afroming van een deel van de PWA-reserves is een eenmalige operatie die alleen gebaseerd is op de financiële bezittingen van de PWA's. Parallel met deze afroming wil ik de PWA's aanmoedigen de activiteiten te ontwikkelen om hun doelgroepen te begeleiden bij hun professionele inschakeling.
De voorzitter. - De heer Bernard Clerfayt, staatssecretaris voor de Modernisering van de Federale Overheidsdienst Financiën, de Milieufiscaliteit en de Bestrijding van de fiscale fraude, antwoordt.
De heer Pol Van Den Driessche (CD&V). - Vorige week las ik op de webstek van Het Belang van Limburg dat de Provinciale Hogeschool Limburg (PHL) de taalwet zou schenden. De Nederlandstalige benamingen van de verschillende departementen werden vervangen door Engelstalige. De internationale serviceclub Marnixkring, die de Nederlandse taal wil bevorderen, diende een klacht in bij de Vaste Commissie voor taaltoezicht.
De directeur van de Hogeschool legt uit dat de beslissing werd genomen op grond van de internationalisering van het onderwijs. Met het oog op de implementatie van de BaMa-structuur prijken op de gebouwen van de school Engelstalige namen. De opleidingen zelf zouden hun Nederlandstalige naam en karakter hebben behouden.
De Vaste Commissie voor taaltoezicht verwerpt de stelling.
Gaat het hier effectief om een schending van de taalwet? Zo ja, op welke manier zal de minister daartegen optreden?
De heer Bernard Clerfayt, staatssecretaris voor de Modernisering van de Federale Overheidsdienst Financiën, de Milieufiscaliteit en de Bestrijding van de fiscale fraude. - Ik lees het antwoord van de minister.
In toepassing van artikel 129, §1, van de Grondwet regelen de gemeenschapsparlementen bij decreet, bij uitsluiting van de federale wetgever, het gebruik van de talen in bestuurszaken en in het onderwijs in de door de overheid opgerichte, gesubsidieerde of erkende instellingen. Deze decreten hebben kracht van wet in het Nederlandse en het Franse taalgebied, met uitzondering van de gevallen vermeld in het geciteerde artikel.
Aangezien de gemeenschapsparlementen tot nog toe geen gebruik hebben gemaakt van die bevoegdheid in het geval voorgelegd aan de Vaste Commissie voor taaltoezicht, blijven de bepalingen van de gecoördineerde wetten op het gebruik van talen in bestuurszaken gelden.
De Nederlandse afdeling van de VCT kon dus niets anders doen dan zich op die bepalingen steunen. Op basis hiervan heeft de VCT besloten dat de Provinciale Hogeschool Limburg de taalwetten heeft geschonden.
Het toezicht op de naleving van de taalwetten is een gewone toezichtsbevoegdheid en behoort tot de bevoegdheid van de gewesten, in casu, het Vlaamse Gewest. De federale minister van Binnenlandse Zaken is bijgevolg niet bevoegd en kan dus niet optreden.
De heer Pol Van Den Driessche (CD&V). - Dat was een duidelijk antwoord. Ik zal mijn collega's in het Vlaams Parlement vragen deze zaak aan de orde te stellen.
Ik maak me zorgen over de verengelsing. Indertijd waren wij in Vlaanderen bezorgd over de verfransing, nu over de verengelsing.
De voorzitter. - De heer Bernard Clerfayt, staatssecretaris voor de Modernisering van de Federale Overheidsdienst Financiën, de Milieufiscaliteit en de Bestrijding van de fiscale fraude, antwoordt.
De heer Pol Van Den Driessche (CD&V). - Op 20 augustus van vorig jaar werden de maatregelen van kracht die het cabotagevervoer op Belgisch grondgebied regelen. Cabotagevervoer is het uitvoeren van een transport van goederen tussen twee punten in eenzelfde land door een vervoerder uit een ander land. De maatregelen kwamen er op vraag van de Belgische transportsector, die meer en meer vaststelde dat bepalingen over het cabotageverkeer, opgenomen in de Europese verordening EEG 3118/93, met voeten werden getreden.
De maatregelen zijn nochtans zeer duidelijk: cabotage is slechts toegestaan in aansluiting op een internationaal transport en er kunnen maar drie cabotagetransporten gebeuren in de zeven dagen na de laatste lossing aan het einde van het internationaal transport.
De Belgische transportsector stelt vast dat deze bepalingen in de praktijk niet worden nageleefd. Die situatie is zeer nefast voor de sector. Vele transporteurs moeten noodgedwongen personeel ontslaan of simpelweg de boeken sluiten. De concurrentie met de chauffeurs uit lageloonlanden is een op voorhand verloren strijd voor de Belgische vervoerder die wel alle voorschriften en bepalingen dient te volgen.
Het is ook ontoelaatbaar dat buitenlandse chauffeurs hier - vaak in erbarmelijke sociale omstandigheden - moeten komen werken. Ze krijgen meestal een zeer laag loon en ze genieten niet de sociale bescherming die we hier gelukkig wel kennen.
Op welke wijze wordt de controle op de naleving van de wetgeving op het cabotagevervoer georganiseerd? Hoeveel gerichte controles zijn er geweest op de naleving van de regels op het cabotagevervoer? Hoeveel inbreuken werden vastgesteld? Werden effectieve boetes uitgeschreven?
Welke maatregelen stelt de staatssecretaris in het vooruitzicht om het probleem aan te pakken? Plant de staatssecretaris gerichte controles, bijvoorbeeld in de havens van Antwerpen en Zeebrugge, waar het probleem zeer nadrukkelijk rijst? Denkt de staatssecretaris aan steunmaatregelen voor Belgische transporteurs zodat ze kunnen overleven in de huidige economische omstandigheden?
De heer Bernard Clerfayt, staatssecretaris voor de Modernisering van de Federale Overheidsdienst Financiën, de Milieufiscaliteit en de Bestrijding van de fiscale fraude. - Ik lees het antwoord van staatssecretaris Schouppe.
Alvorens op de afzonderlijk gestelde vragen in te gaan wil ik kort toelichten hoe de desbetreffende maatregel tot stand is gekomen. In feite moest het begrip `tijdelijk verrichten van cabotage' al worden ingevuld toen op basis van verordening EEG 3118/93 1 juli 1998 een einde werd gesteld aan de kwantitatieve beperkingen van de cabotage in de EU. Die invulling komt er pas nu met de nieuwe verordening EG 1072/2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels voor de toegang tot de markt van het internationaal goederenvervoer over de weg.
Die maatregelen inzake de beperking van de cabotage treden trouwens vervroegd in werking op 14 mei 2010. Op mijn initiatief en met het akkoord van de sector heb ik vorig jaar met het koninklijk besluit van 10 mei 2009 de cabotageregeling vervroegd in werking doen treden op het Belgische grondgebied. Het was een van de maatregelen die werden opgenomen in het akkoord dat ik eind 2008 met de sector sloot met de bedoeling de Belgische vervoerders een steuntje in de rug te geven.
Ik zag vorig jaar geen andere mogelijkheid dan de Europese regeling vervroegd in werking te doen treden op het Belgische grondgebied, aangezien steeds meer lidstaten datzelfde deden. Het had op dat ogenblik geen enkele zin om gedurende minder dan een jaar nog een aparte Belgische regeling uit te vaardigen.
Dan kom ik bij de eerste vraag. Om de beperkingen van de cabotage te controleren heeft mijn administratie nauwkeurige instructies opgesteld voor alle diensten die controle op het wegvervoer verrichten. Die instructies werden trouwens besproken tijdens het directiecomité van het Actieplan voor de controle op het wegvervoer van 26 augustus 2009, waarop alle betrokken controlediensten waren vertegenwoordigd.
De controles op de cabotage kunnen op basis van die instructies plaatsvinden tijdens een normale wegcontrole. Specifieke gecoördineerde acties op het terrein zijn niet noodzakelijk. Wel kregen alle controlediensten de opdracht om de gegevens over de tijdens de wegcontroles vastgestelde inbreuken, met inbegrip van de identiteit van de Belgische opdrachtgever, mee te delen aan de FOD Mobiliteit en Vervoer. Op basis van die informatie kan de controledienst van de FOD Mobiliteit en Vervoer gerichte bedrijfscontroles uitvoeren bij de opdrachtgevers. Die laatsten kunnen immers medeaansprakelijk worden gesteld voor het niet naleven van de beperkingen inzake cabotage. Indien tijdens een wegcontrole een inbreuk wordt vastgesteld, kan de controlebeambte een boete van 1 800 euro opleggen per vastgesteld illegaal cabotagetransport. Tevens kan de controlebeambte het voertuig op kosten en risico van de overtreder ophouden totdat de lading is overgeladen op een ander voertuig of totdat het voertuig wordt in beslag genomen.
Zoals ik reeds in mijn antwoord op de eerste vraag aangaf, werden tot op heden geen specifiek op cabotage gerichte controles georganiseerd. We mogen trouwens niet uit het oog verliezen dat cabotage in het geheel van het wegtransport maar een randfenomeen is, goed voor ongeveer 0,75% van het totale Europese wegtransportvolume. Daardoor wordt tijdens routinecontroles weinig cabotage aangetroffen. Bovendien vallen de belangrijkste caboteurs op Belgisch grondgebied, namelijk Nederlandse en Luxemburgse vervoerders, niet onder deze regeling. Er werden tot op heden dan ook nauwelijks inbreuken vastgesteld.
Voor het antwoord op de derde vraag, verwijs ik naar mijn antwoord op de tweede vraag. Er werd maar sporadisch een boete van 1 800 euro geïnd.
Ik denk erover gerichte controles te laten uitvoeren op basis van informatie verkregen tijdens wegcontroles en via klachten.
De havens van Antwerpen en Zeebrugge zullen bij een nieuwe aanpak zeker niet worden verwaarloosd. Toch moeten we opletten voor een eventueel perceptieprobleem. Veel van het zogezegde cabotagetransport dat vanuit deze havens vertrekt of er aankomt, is voor- en natransport in het kader van een gecombineerd zee-wegvervoer. Overeenkomstig richtlijn 92/106/EEG worden die transporten in bepaalde omstandigheden niet als cabotage beschouwd. Bovendien worden vele cabotagetransporten in de Antwerpse haven door Nederlandse vervoerders uitgevoerd.
Ik veronderstel dat met de zesde vraag geen financiële steun wordt bedoeld. Dat zou de sector op termijn enkel verder verzwakken tegenover de buitenlandse concurrentie. Bovendien zouden we snel door de Europese autoriteiten worden teruggefloten. Om de gevolgen te verlichten van de financiële en bancaire crisis, die ertoe geleid heeft dat transportbedrijven van de banken geen borgstelling meer konden krijgen, heb ik wel de borgstelling via de Deposito- en Consignatiekas opnieuw mogelijk gemaakt.
De heer Pol Van Den Driessche (CD&V). - Ik neem akte van het antwoord. Alleen wijs ik erop dat volgens de sector zelf het misbruik wel degelijk aanzienlijk is. De sector dringt dan ook aan op meer controles.
De voorzitter. - De heer Bernard Clerfayt, staatssecretaris voor de Modernisering van de Federale Overheidsdienst Financiën, de Milieufiscaliteit en de Bestrijding van de fiscale fraude, antwoordt.
Mevrouw Nele Jansegers (VB). - De regularisatie-instructie van 19 juli 2009 biedt illegaal in het land verblijvende personen de kans een dossier in te dienen om hun toestand te regulariseren. Zoals bekend heeft de Raad van State de instructie vernietigd omdat ze strijdig is met de wet.
Volgens artikel 9 van de Vreemdelingenwet kan een vreemdeling die niet in het land mag verblijven, hier toch langer dan drie maanden verblijven, indien hij daartoe een aanvraag doet bij een Belgische diplomatieke of consulaire post in het buitenland en daarvoor vervolgens de toestemming krijgt van de bevoegde minister of zijn gemachtigde. Hierover beslist de minister krachtens zijn discretionaire bevoegdheid, voor zover de aanvraag ontvankelijk is. Ontvankelijk betekent dat de aanvraag vanuit een Belgische diplomatieke of consulaire post moet zijn ingediend. Alleen in buitengewone omstandigheden, die door de aanvrager moeten worden gemotiveerd, kan van die laatste vereiste worden afgeweken. In dat geval moet de minister nagaan of er effectief buitengewone omstandigheden zijn die beletten dat de machtiging in het buitenland werd aangevraagd, bijvoorbeeld oorlogsomstandigheden, vervolging of de onmogelijkheid om een reisvisum te bekomen.
Hanteert de staatssecretaris bij de beslissing over een vraag om een verblijfstitel die na 19 juli 2009 werd ingediend op grond van artikel 9 en 9bis van de Vreemdelingenwet vandaag nog steeds de criteria die in de regularisatie-instructie werden opgesomd?
Zo neen, welke oplossing heeft hij voor het probleem dat nagenoeg alle regularisatieaanvragen die sinds 19 juli 2009 op basis van die instructie werden ingediend, in België zijn ingediend en dus in feite onontvankelijk zijn, omdat de wet duidelijk bepaalt dat de aanvraag in principe moet gebeuren vanuit een Belgische diplomatieke of consulaire post, behoudens buitengewone omstandigheden?
Hoeveel regularisatieaanvragen werden in dat geval sinds 19 juli doorgestuurd in het kader van artikel 9 van de Vreemdelingenwet, dus vanuit een Belgische diplomatieke of consulaire post en om hoeveel personen gaat het daarbij in totaal?
Hoeveel aanvragen werden er, zich beroepend op buitengewone omstandigheden (artikel 9bis), ingediend vanuit en in een Belgische gemeente en om hoeveel personen gaat het? Hoeveel daarvan, betrekking hebbend op hoeveel personen, werden er inmiddels onontvankelijk verklaard bij gebrek aan motivering aangaande het bestaan van buitengewone omstandigheden? Hoeveel daarvan werden er wel ontvankelijk verklaard wegens die buitengewone omstandigheden? Welke criteria hanteert de staatsecretaris voor het bepalen van buitengewone omstandigheden?
De heer Bernard Clerfayt, staatssecretaris voor de Modernisering van de Federale Overheidsdienst Financiën, de Milieufiscaliteit en de Bestrijding van de fiscale fraude. - Ik lees het antwoord van de staatssecretaris.
Alvorens in te gaan op de gestelde vragen, wil ik eerst enkele zaken rechtzetten. De instructie van 19 juli 2009 was geen instructie om te regulariseren. Het betrof een instructie voor de toepassing en de draagwijdte van artikel 9bis en het opgeheven artikel 9, alinea 3, van de wet van 15 december 1980.
De instructie van 19 juli 2009 handelde niet over aanvragen op grond van artikel 9, maar wel van artikel 9bis en het opgeheven artikel 9, alinea 3, van de Vreemdelingenwet. De instructie had dus geen betrekking op aanvragen die ingediend werden vanuit het buitenland.
Wat het arrest van 9 december 2009 betreft, wens ik te benadrukken dat het arrest niets verandert aan de wet van 15 december 1980 die mij de mogelijkheid geeft verblijfstitels toe te kennen binnen de voorwaarden van het artikel 9bis van de wet. Diezelfde wet kent mij hiervoor een ruime beoordelingsbevoegdheid toe. Ik zal dan ook ten gronde bepaalde gedragslijnen hanteren bij de individuele behandeling van de ingediende aanvragen.
Binnen de wettelijke beperkingen en met inachtneming van het arrest, ben ik van oordeel dat een aantal specifieke humanitaire situaties de toekenning van een machtiging tot verblijf kunnen rechtvaardigen. Dat neemt niet weg dat mijn administratie dossier per dossier zal onderzoeken of er buitengewone omstandigheden bestaan die de indiening rechtvaardigen van een aanvraag tot machtiging tot verblijf in België. Volledigheidshalve kan ik ook zeggen dat de DVZ regelmatig aanvragen afwijst op grond van het ontbreken van buitengewone omstandigheden.
Betreffende de vraag over het aantal aanvragen dat sinds 19 juli 2009 werd ingediend, kan ik zeggen dat de DVZ enkel maandelijkse of jaarlijkse statistieken bijhoudt. Ik kan de gevraagde informatie dan ook niet verschaffen.
Mevrouw Jansegers maakt overigens een redeneerfout: niets laat toe ervan uit te gaan dat alle aanvragen die sinds 19 juli werden ingediend, de instructie inroepen. De instructie veranderde niets aan de wet. Het is dus volledig mogelijk dat personen andere buitengewone omstandigheden vermelden dan de situaties die in de geannuleerde instructie beschreven werden.
Het naakte cijfer kan ik evenmin geven om een reden die ik reeds verschillende malen verduidelijkt heb, namelijk dat veel aanvragen, hoewel in 2009 ingediend, de DVZ nog niet hebben bereikt. Waarom niet? Omdat gemeentebesturen de aanvragen slechts mogen doorsturen na controle van de effectieve verblijfplaats van de aanvrager. Hoe groter de gemeente, hoe meer dergelijke controles moeten gebeuren en hoe langer het uitstel van doorzending kan duren. De DVZ verwacht dus zeker nog dergelijke doorzendingen.
De DVZ houdt geen statistieken bij over de reden die tot de onontvankelijkheid van aanvragen leidt. Statistieken moeten immers nuttig zijn voor de administratie. Ze moeten betekenisvol zijn voor zowel de inschatting van een werklast - een ontvankelijkheidsonderzoek vergt bijvoorbeeld minder tijd dan een onderzoek ten gronde - als voor de vaststelling van de reële immigratie in België, bijvoorbeeld het aantal geregulariseerde personen. Beide elementen zijn niet pertinent om de onontvankelijkheid te verantwoorden.
Er kan geen exhaustieve opgave gebeuren van buitengewone omstandigheden, aangezien de dossiers geval per geval worden onderzocht.
De voorzitter. - De heer Bernard Clerfayt, staatssecretaris voor de Modernisering van de Federale Overheidsdienst Financiën, de Milieufiscaliteit en de Bestrijding van de fiscale fraude, antwoordt.
Mevrouw Nahima Lanjri (CD&V). - Niet-begeleide minderjarige vreemdelingen zijn kinderen die hier zonder begeleiding van hun ouders of wettelijke voogd aankomen of verblijven. Ze vormen een bijzonder kwetsbare groep jongeren waarvoor er een speciale procedure bestaat.
Als ze worden gesignaleerd, hebben deze niet-begeleide minderjarige vreemdelingen verschillende mogelijkheden. Eén daarvan is asiel aanvragen. Ze volgen dan grosso modo dezelfde procedure als meerderjarige asielzoekers. Indien ze geen asiel aanvragen, volgen ze de procedure die staat beschreven in de rondzendbrief van 15 september 2005, die op dit moment wordt herbekeken.
In dit laatste geval wordt er van de niet-begeleide minderjarige vreemdeling een interview afgenomen door de Dienst Vreemdelingenzaken. Dat gesprek volgt vrij snel na de aanvraag en de voogd van de niet-begeleide minderjarige vreemdeling kan bij het gesprek aanwezig zijn. Het doel van het interview en het gevolg dat eraan wordt gegeven worden echter niet meegedeeld, noch aan de minderjarige, noch aan de voogd. Er wordt daarenboven geen verslag gemaakt van het interview, terwijl het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen wel een proces-verbaal opmaakt van de interviews die het afneemt van minderjarige asielzoekers. Die werkwijze van de DVZ zorgt ervoor dat de niet-begeleide minderjarige vreemdeling in een zwakke positie komt te staan.
Daarnaast wordt een beslissing tot aflevering van een zogenaamde bijlage 38 (bevel tot terugbrenging) door de DVZ niet gemotiveerd. Ook dit kan de rechten van de minderjarige schaden.
Is de staatssecretaris van mening dat het niet opmaken van een verslag van het interview van de niet-begeleide minderjarige vreemdeling door de DVZ en de niet motivering van een afgifte van een bijlage 38, de rechten van die minderjarigen schaden? Er bestaat in ons land een motiveringsplicht en ik zie niet in waarom die in dit geval niet zou gelden.
Is de staatssecretaris van plan om de DVZ op te dragen een verslag te maken van het interview dat de dienst afneemt van de niet-begeleide minderjarige vreemdeling in het kader van de procedure beschreven in de rondzendbrief van 15 september 2005? Waarom doet het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen dat wel en de DVZ niet?
Is de staatssecretaris van plan om de DVZ te verzoeken om zijn beslissing tot afgifte van een bijlage 38 in de toekomst te laten motiveren? Ook in de resolutie over de positie van de niet-begeleide minderjarige vreemdelingen die wij onlangs in de Senaat hebben goedgekeurd, vragen wij dat alle beslissingen worden gemotiveerd.
De heer Bernard Clerfayt, staatssecretaris voor de Modernisering van de Federale Overheidsdienst Financiën, de Milieufiscaliteit en de Bestrijding van de fiscale fraude. - Ik lees het antwoord van staatssecretaris Wathelet.
De niet-begeleide minderjarige vreemdeling wordt inderdaad uitgenodigd voor een interview in aanwezigheid van een voogd en dit in het kader van de eerste aanvraag van de voogd in toepassing van de rondzendbrief van 15 september 2005. Hiervoor verwijst de DVZ naar het VN-Verdrag inzake de Rechten van het Kind en meer bepaald naar artikel 12 dat bepaalt dat elk kind het recht heeft om gehoord te worden.
Juist omdat het een kwetsbare groep betreft en om steeds in het hoger belang van de niet-begeleide minderjarige vreemdeling de meest duurzame oplossing te vinden die het meest aansluit bij zijn/haar persoonlijke situatie of verhaal, wordt bij dit interview getracht de minderjarige zelf aan het woord te laten. Indien gewenst kan dit in zijn/haar eigen taal en de bijstand van een tolk kan steeds worden gevraagd. Tijdens het interview kan de DVZ ook verduidelijken wat hij van de minderjarige en van de voogd verwacht. De rol van het bureau dat het interview afneemt en het doel van het interview worden bij elk interview uitgelegd. De niet-begeleide minderjarige vreemdeling krijgt de kans om vragen te stellen en verduidelijkingen te vragen. Er is op het einde van het interview een moment gepland waarop de voogd zaken kan toevoegen en/of verduidelijken.
In tegenstelling tot wat de senator beweert, wordt door de Dienst Vreemdelingenzaken wel degelijk een `verslag van verhoor' opgemaakt dat bovendien op het einde van het interview volledig wordt voorgelezen. Het biedt de niet begeleide minderjarige vreemdeling en de voogd de mogelijkheid om eventuele opmerkingen, verduidelijkingen of correcties toe te voegen. Die aanpassingen worden toegevoegd aan het verslag van het verhoor. Het definitieve verslag wordt ondertekend door zowel de niet begeleide minderjarige vreemdeling als door de voogd en door de ambtenaar die het interview heeft afgenomen. Het verslag van het verhoor wordt aan het dossier van de niet begeleide minderjarige toegevoegd en betreft een administratief document.
Ook inzake de motivering van een afgifte van een bijlage 38 heeft de senator het bij het verkeerde eind. Een bijlage 38 wordt steeds omstandig gemotiveerd. De instructies voor de afgifte van een bijlage 38 en de motivering van deze beslissing worden overgemaakt aan de gemeente waar de voogd zijn woonplaats heeft. De gemeente dient de voogd uit te nodigen en vervolgens de bijlage 38, die de motivering bevat, te betekenen aan de voogd. De voogd neemt kennis van die beslissing en de motivering ervan. De voogd wordt ook in kennis gesteld van het feit dat, zoals bij elke andere administratieve beslissing, de beroepsmogelijkheid bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen kan worden ingesteld. De voogd dient de niet begeleide minderjarige vreemdeling in kennis te stellen van de genomen beslissing en de redenen ervan. De voogd wordt zelf al tegelijkertijd met de instructies die naar de gemeente worden verzonden, op de hoogte gebracht van de genomen beslissing. Dit is het geval bij de afgifte van een bijlage 38 die aan de voogd zal worden betekend via de gemeente.
Indien een Belgische gemeente verzuimt de volledige motivering op de bijlage 38 te vermelden, vormt dit inderdaad een probleem waartegen de bevoegde minister van de betrokken deelstaatregering moet optreden.
Mevrouw Nahima Lanjri (CD&V). - Ik heb ervoor gepleit dat, net zoals bij de asielprocedure, een kopie van het verslag aan de niet-begeleide minderjarige vreemdeling wordt gegeven. Bij de aanvraag tot asiel geeft het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen wel een dergelijke kopie. De koepelvereniging van de voogden meldt echter dat de Dienst Vreemdelingenzaken geen verslag meegeeft. Er wordt wel een verslag gemaakt en bij het dossier gevoegd, maar het wordt niet aan de niet-begeleide minderjarige gegeven. Ik meen dat een kopie aan de minderjarige moet worden meegegeven, zoals dat gebeurt voor degenen die asiel vragen.
Ik weet dat in theorie elke beslissing moet worden gemotiveerd. We hebben echter vastgesteld dat dit niet altijd gebeurt. In de praktijk worden wel degelijk bijlagen 38 zonder motivering afgeleverd. Dat hebben verschillende voogdenverenigingen me gemeld en ik zal de minister er voorbeelden van geven.
Ik weet dat de minister dit dossier een warm hart toedraagt. Ik vraag dat erover wordt gewaakt dat de afgifte van een bijlage 38 steeds wordt gemotiveerd. Er is immers een verschil tussen wat de wet voorschrijft en de praktijk. We moeten ervoor zorgen dat de wetgeving wordt gerespecteerd. Kan de staatssecretaris die boodschap aan zijn collega doorgeven?
De voorzitter. - De heer Bernard Clerfayt, staatssecretaris voor de Modernisering van de Federale Overheidsdienst Financiën, de Milieufiscaliteit en de Bestrijding van de fiscale fraude, antwoordt.
Mevrouw Nahima Lanjri (CD&V). - Jaarlijks worden in ons land ongeveer 1 700 niet-begeleide minderjarige vreemdelingen aangetroffen. Wellicht zijn het er veel meer. Die groep jongeren ligt me na aan het hart omdat ze zo kwetsbaar zijn.
Het normale opvangtraject voor niet-begeleide minderjarige vreemdelingen bestaat uit drie fases. In een eerste fase komen ze terecht in een observatie- en oriëntatiecentrum in Neder-Over-Heembeek of in Steenokkerzeel.
Daarna gaat men op zoek naar aangepaste opvang voor die jongeren. Wie asiel heeft aangevraagd, wordt meestal opgevangen door Fedasil. Wie geen asiel heeft aangevraagd, kan meestal een beroep doen op de Bijzondere Jeugdbijstand. Tussen theorie en praktijk ligt vaak een wereld van verschil. Bij gebrek aan plaatsen komen jongeren dan terecht waar ze niet thuishoren.
Ten slotte zoekt men naar een duurzame oplossing: de niet-begeleide minderjarige vreemdeling keert terug naar zijn land van oorsprong of vestigt zich definitief in België, bijvoorbeeld bij familie of bij vrienden of in een project van begeleid zelfstandig wonen.
Gezien het huidige tekort aan opvangplaatsen genieten niet alle niet-begeleide minderjarige vreemdelingen aangepaste opvang. Daardoor zitten ze soms samen met volwassenen, wat verre van ideaal is. Af en toe krijgen ze zelfs helemaal geen plaats toegewezen omdat er op dat ogenblik niets vrij is. Daardoor blijven de niet-begeleide minderjarige vreemdelingen soms letterlijk en figuurlijk in de kou staan, hangen ze rond op straat, slapen ze in een station of in een hangar in de haven.
Wanneer ze samen met volwassenen in een Fedasilopvangcentrum belanden, worden ze daar vaak het slachtoffer van geweld door drugsverslaafden. Die centra zijn geen ideaal opvangmilieu voor minderjarigen.
Sinds het begin van de opvangcrisis heeft de regering 1 300 nieuwe plaatsen geopend. De opzet is om tegen eind december 2010 nog eens 539 plaatsen te creëren in lokale opvanginitiatieven van verschillende OCMW's. Ik ben tevreden dat hiervoor middelen zijn vrijgemaakt, al zullen die wellicht niet volstaan. Ik hoop vooral dat voldoende rekening wordt gehouden met de specifieke behoeften van de niet-begeleide minderjarige vreemdelingen en dat dus een deel van de bestaande en de nieuwe plaatsen op hun specifieke noden worden afgestemd.
Graag had ik van de staatssecretaris vernomen hoeveel niet-begeleide minderjarige vreemdelingen momenteel tussen volwassenen worden opgevangen. Hoeveel kregen een bevel van niet-toewijzing en staan dus op straat? Hoeveel van de reeds 1 300 gecreëerde plaatsen zijn voorbehouden voor jongeren? Is de staatssecretaris voornemens een deel van de extra opvangplaatsen voor te behouden voor niet-begeleide minderjarige vreemdelingen en aan te passen aan hun noden? Aan hoeveel plaatsen had hij gedacht? Zullen in de nieuwe lokale opvanginitiatieven plaatsen voor niet-begeleide minderjarige vreemdelingen worden voorbehouden? Om hoeveel plaatsen zal het gaan?
De heer Bernard Clerfayt, staatssecretaris voor de Modernisering van de Federale Overheidsdienst Financiën, de Milieufiscaliteit en de Bestrijding van de fiscale fraude. - Ik lees het antwoord van de staatssecretaris.
In totaal zijn er momenteel 523 opvangplaatsen toegewezen aan niet-begeleide buitenlandse minderjarigen. Op 23 februari 2010 verbleven 159 niet-begeleide buitenlandse minderjarigen op plaatsen in de federale opvangcentra die normaal voorbehouden zijn voor volwassenen.
Er worden in de federale centra elf niet-begeleide minderjarige vreemdelingen opgevangen die geen asiel hebben aangevraagd. Zij hebben bijgevolg geen administratieve plaats van toewijzing - code 207 - gekregen, maar werden wel opgevangen. In de 1 300 gecreëerde plaatsen werden 11 plaatsen voor niet-begeleide minderjarigen georganiseerd: 2 in Assesse, 7 in Waregem, 2 in Alken.
Wat de reeds gerealiseerde of nog te realiseren opvangplaatsen betreft, zullen in het netwerk van Fedasil een reeks nieuwe opvangplaatsen worden geopend. Op korte termijn komen er in Federale Opvangcentra 48 collectieve opvangplaatsen in de tweede fase, verspreid over twee federale centra, in Arendonk en Pondrôme. Die plaatsen zullen binnen enkele weken beschikbaar zijn. In Lokale Opvanginitiatieven (LOI's) worden momenteel 11 plaatsen gecreëerd in Braine-le-Château en Komen.
Op lange termijn worden andere locaties gezocht voor het organiseren van structuren voor niet-begeleide buitenlandse minderjarigen, zowel op het niveau van de federale opvangcentra als via andere opvangpartners. Op ons initiatief wordt een belangrijke stap gedaan om de Gemeenschappen, die deze bevoegdheid delen, te mobiliseren. Er zijn discussies aan de gang en ik hoop van harte dat eenieder zijn verantwoordelijkheid op zich zal nemen om aanvullende oplossingen te bieden voor de opvangproblemen voor niet-begeleide buitenlandse minderjarigen.
Mevrouw Nahima Lanjri (CD&V). - Ik begrijp dat er een ernstige crisis is in de opvang. Toch dring ik erop aan dat jongeren de specifieke opvang krijgen waarin de wetgeving voorziet. Dat betekent dat zij niet tussen volwassenen geplaatst mogen worden. België kan hiervoor overigens een veroordeling oplopen van internationale instanties. Ik vraag dus om nog meer plaatsen voor jongeren vrij te maken, bovenop de plaatsen waarover de regering een beslissing heeft genomen. Het kan toch niet zijn dat zoveel jongeren geen gepaste opvang krijgen. U hebt een cijfer vermeld.
De heer Bernard Clerfayt, staatssecretaris voor de Modernisering van de Federale Overheidsdienst Financiën, de Milieufiscaliteit en de Bestrijding van de fiscale fraude. - Het zouden er 159 zijn.
Mevrouw Nahima Lanjri (CD&V). - Dat is enorm! We treffen jaarlijks 1 500 tot 1 700 jongeren aan, of 10% van het totaal. Elke jongere die niet op zijn plaats zit, is er één te veel. Ik krijg klachten van jongeren die het slachtoffer zijn van geweld, die zaken zien die ze niet moeten zien. Jongeren moeten worden beschermd. Haal ze weg uit de centra waar ze tussen volwassenen verblijven of geef ze daar op zijn minst aparte slaap- en leefruimtes.
De voorzitter. - De agenda van deze vergadering is afgewerkt.
De volgende vergadering vindt plaats op donderdag 4 maart om 15 uur.
(De vergadering wordt gesloten om 19.25 uur.)
Afwezig met bericht van verhindering: mevrouw Pehlivan en de heer Ceder, om gezondheidsredenen, de heren Hellings en Tommelein, in het buitenland.
-Voor kennisgeving aangenomen.
Stemming 1
Aanwezig: 57
Voor: 57
Tegen: 0
Onthoudingen: 0
Voor
Wouter Beke, Yves Buysse, Marcel Cheron, Dirk Claes, Hugo Coveliers, Marie-Hélène Crombé-Berton, José Daras, Sabine de Bethune, Armand De Decker, Jean-Jacques De Gucht, Michel Delacroix, Francis Delpérée, Caroline Désir, Alain Destexhe, André du Bus de Warnaffe, Roland Duchatelet, Jan Durnez, Philippe Fontaine, Cindy Franssen, Louis Ide, Nele Jansegers, Zakia Khattabi, Geert Lambert, Nahima Lanjri, Nele Lijnen, Philippe Mahoux, Philippe Monfils, Philippe Moureaux, Caroline Persoons, Freya Piryns, Jean-Paul Procureur, Els Schelfhout, Franco Seminara, Louis Siquet, Ann Somers, Helga Stevens, Guy Swennen, Martine Taelman, Cécile Thibaut, Dominique Tilmans, Elke Tindemans, Hugo Vandenberghe, Pol Van Den Driessche, Anke Van dermeersch, Luckas Vander Taelen, Lieve Van Ermen, Freddy Van Gaever, Joris Van Hauthem, Els Van Hoof, Myriam Vanlerberghe, Karim Van Overmeire, Tony Van Parys, Yoeri Vastersavendts, Marc Verwilghen, Christiane Vienne, Paul Wille, Olga Zrihen.
Wetsvoorstellen
Artikel 81 van de Grondwet
Wetsvoorstel tot instelling van een huurwaarborgfonds (van mevrouw Fatma Pehlivan; Stuk 4-1661/1).
-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.
Wetsvoorstel betreffende de reclame voor motorfietsen (van mevrouw Vanessa Matz; Stuk 4-1662/1).
-Verzonden naar de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden.
Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 124 van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst wat de inbreng en inkorting betreft (van de heer Guy Swennen; Stuk 4-1663/1).
-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.
Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 15 van het Wetboek van de Belgische nationaliteit teneinde de schorsing van de aanvraag tot toekenning van de nationaliteit mogelijk te maken wanneer het huwelijk van de buitenlandse echtgenoot met een echtgenoot van Belgische nationaliteit het voorwerp vormt van een gerechtelijke procedure inzake ontbinding of nietigverklaring op grond van artikel 146bis van het Burgerlijk Wetboek (van mevrouw Marie-Hélène Crombé-Berton; Stuk 4-1664/1).
-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.
Wetsvoorstel tot wijziging - wat het rouwverlof betreft - van het koninklijk besluit van 28 augustus 1963 betreffende het behoud van het normale loon van de werklieden, de dienstboden, de bedienden en de werknemers aangeworven voor de dienst op binnenschepen, voor afwezigheidsdagen ter gelegenheid van familiegebeurtenissen of voor de vervulling van staatsburgerlijke verplichtingen of van burgerlijke opdrachten (van mevrouw Nele Lijnen c.s.; Stuk 4-1665/1).
-Verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.
Wetsvoorstel tot wijziging van de koninklijke besluiten betreffende het gewaarborgd inkomen voor ouderen en de inkomensgarantie voor ouderen (van mevrouw Zakia Khattabi en mevrouw Freya Piryns; Stuk 4-1667/1).
-Verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.
Wetsvoorstel tot wijziging van de wet van 5 september 1952 betreffende de vleeskeuring en de vleeshandel en de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren teneinde het onverdoofd ritueel slachten te verbieden (van mevrouw Lieve Van Ermen en mevrouw Anne-Marie Lizin; Stuk 4-1673/1).
-Verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.
Voorstellen van resolutie
Voorstel van resolutie betreffende de voorgenomen privatisering van de koffiesector in Burundi (van mevrouw Olga Zrihen c.s.; Stuk 4-1651/1).
-Verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging
Voorstel van resolutie met betrekking tot de invoering van een loopbaanrekening en het flexibel en rationeel gebruik van tijdskrediet, loopbaanonderbreking en themaverloven (van de dames Nele Lijnen en Ann Somers; Stuk 4-1666/1).
-Verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.
Voorstel van resolutie betreffende het affectieve en het seksuele leven van gehandicapten (van de heer Franco Seminara c.s.; Stuk 4-1668/1).
-Verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.
Voorstel van resolutie betreffende land grabbing en landbouwgrondbeleid in ontwikkelingslanden (van mevrouw Olga Zrihen; Stuk 4-1669/1).
-Verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging
Voorstel van resolutie teneinde het aantal fatale hartstilstanden op publieke plaatsen te reduceren met behulp van automatische uitwendige defibrillatoren (AED) (van mevrouw Lieve Van Ermen c.s.; Stuk 4-1670/1).
-Verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.
Voorstel van resolutie over het beheer van de voorraden van vaccins tegen de A/H1N1-griep en over het risico van belangenconflicten ter zake (van mevrouw Lieve Van Ermen en de heer Geert Lambert; Stuk 4-1674/1).
-Verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.
Voorstel van resolutie ter ondersteuning van de kiesverrichtingen in Burundi (van de heer Alain Destexhe c.s.; Stuk 4-1675/1).
-Verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging
Voorstel van resolutie betreffende de ondersteuning van vrije, transparante en democratische presidentsverkiezingen in Rwanda en het sturen van een EU-observatiemissie (van mevrouw Els Schelfhout c.s.; Stuk 4-1676/1).
-Verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging
Het Bureau heeft volgende vragen om uitleg ontvangen:
-Deze vragen worden naar de plenaire vergadering verzonden.
De Senaat heeft bij boodschappen van 23 februari 2010 aan de Kamer van volksvertegenwoordigers ter kennis gebracht dat tot evocatie is overgegaan, op die datum, van de volgende wetsontwerpen:
Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen wat betreft de doorvoertarieven (Stuk 4-1655/1).
-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden.
Wetsontwerp betreffende marktpraktijken en consumentenbescherming (Stuk 4-1657/1).
-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden.
Wetsontwerp tot versterking van het deugdelijk bestuur bij de genoteerde vennootschappen en de autonome overheidsbedrijven en tot wijziging van de regeling inzake het beroepsverbod in de bank- en financiële sector (Stuk 4-1659/1).
-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden.
Bij boodschappen van 23 februari 2010 heeft de Senaat aan de Kamer van volksvertegenwoordigers terugbezorgd, met het oog op de bekrachtiging door de Koning, de volgende niet geëvoceerde wetsontwerpen:
Wetsontwerp tot wijziging van de basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van gedetineerden (Stuk 4-1618/1).
Wetsontwerp met betrekking tot de verplichte bewaring door een spoorwegvervoerder van verloren, achtergelaten of niet afgehaalde bagage en goederen (Stuk 4-1619/1).
-Voor kennisgeving aangenomen.
Bij boodschappen van 11 februari 2010 heeft de Kamer van volksvertegenwoordigers aan de Senaat overgezonden, zoals ze ter vergadering van dezelfde dag werden aangenomen:
Artikel 78 van de Grondwet
Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen wat betreft de doorvoertarieven (Stuk 4-1655/1).
-Het ontwerp werd ontvangen op 12 februari 2010; de uiterste datum voor evocatie is maandag 8 maart 2010.
-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 11 februari 2010.
-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden.
Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 5 mei 1997 betreffende de coördinatie van het federale beleid inzake duurzame ontwikkeling (Stuk 4-1656/1).
-Het wetsontwerp werd ontvangen op 12 februari 2010; de uiterste datum voor evocatie is maandag 8 maart 2010.
-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 11 februari 2010.
Wetsontwerp tot invoering van een duurzame ontwikkelingseffectbeoordeling in de wet van 5 mei 1997 betreffende de coördinatie van het federale beleid inzake duurzame ontwikkeling (Stuk 4-1660/1).
-Het ontwerp werd ontvangen op 12 februari 2010; de uiterste datum voor evocatie is maandag 8 maart 2010.
-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 11 februari 2010.
Artikel 80 van de Grondwet
Wetsontwerp betreffende marktpraktijken en consumentenbescherming (Stuk 4-1657/1).
-Het wetsontwerp werd ontvangen op 12 februari 2010; de uiterste datum voor evocatie is vrijdag 26 februari 2010.
-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 11 februari 2010.
-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden.
Wetsontwerp tot versterking van het deugdelijk bestuur bij de genoteerde vennootschappen en de autonome overheidsbedrijven en tot wijziging van de regeling inzake het beroepsverbod in de bank- en financiële sector (Stuk 4-1659/1).
-Het wetsontwerp werd ontvangen op 12 februari 2010; de uiterste datum voor evocatie is vrijdag 26 februari 2010.
-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 11 februari 2010.
-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden.
De Regering heeft volgende wetsontwerpen ingediend:
Wetsontwerp houdende instemming met het Verdrag tussen de Regering van het Koninkrijk België en de Regering van de Republiek Kroatië betreffende de politiesamenwerking, ondertekend te Zagreb op 19 oktober 2004 (Stuk 4-1671/1).
-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.
Wetsontwerp houdende instemming met het Verdrag tussen de Regering van het Koninkrijk België en de Regering van Malta betreffende de politiesamenwerking, ondertekend te Brussel op 1 december 2005 (Stuk 4-1672/1).
-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.
Met toepassing van artikel 77 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van het Grondwettelijk Hof aan de voorzitter van de Senaat kennis van:
-Voor kennisgeving aangenomen.
Met toepassing van artikel 76 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van het Grondwettelijk Hof kennis aan de voorzitter van de Senaat van:
-Voor kennisgeving aangenomen.
Bij brief van 9 februari 2010 heeft de voorzitter van de Rechtbank van koophandel te Dendermonde overeenkomstig artikel 340 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag voor 2009 van de Rechtbank van koophandel te Dendermonde, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 28 januari 2010.
-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.
Bij brief van 10 februari 2010 heeft de FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu, overeenkomstig artikel 6 van het Protocolakkoord tussen de Federale Regering en de in artikelen 128, 130 en 135 van de Grondwet bedoelde overheden inzake de totstandkoming van een geïntegreerd gezondheidsbeleid inzake drugs, aan de Senaat overgezonden, de driejaarlijkse verslagen voor de jaren 2001-2003 en 2004-2006.
-Verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.
Bij brief van 12 februari 2010 heeft de minister voor Ondernemen en Vereenvoudigen, overeenkomstig artikel 17 van de wet van 5 augustus 1991 betreffende de in-, uit- en doorvoer van wapens, munitie en speciaal voor militair gebruik of voor ordehandhaving dienstig materieel en daaraan verbonden technologie aan de Senaat overgezonden, de rapporten betreffende de door de FOD Economie afgeleverde in- en uitvoeringsvergunningen inzake wapens van leger en politie voor het tweede semester van 2009.
-Verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.
Bij brief van 11 februari 2010 heeft de voorzitter van het Europees Parlement aan de Senaat volgende teksten overgezonden:
aangenomen tijdens de vergaderperiode van 18 tot en met 21 januari 2010.
-Verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging en naar het Federaal Adviescomité voor Europese Aangelegenheden.