2-151

2-151

Belgische Senaat

2-151

Handelingen - Nederlandse versie

WOENSDAG 24 OKTOBER 2001 - OCHTENDVERGADERING


Waarschuwing: de blauwe kleur geeft aan dat het gaat om uit het Frans vertaalde samenvattingen.


Wetsvoorstel betreffende de euthanasie (van de heer Philippe Mahoux, mevrouw Jeannine Leduc, de heer Philippe Monfils en de dames Myriam Vanlerberghe, Marie Nagy en Jacinta De Roeck, Stuk 2-244)

Wetsvoorstel betreffende de palliatieve zorg (van de dames Myriam Vanlerberghe, Marie Nagy, Jacinta De Roeck en Jeannine Leduc en de heren Philippe Mahoux en Philippe Monfils, Stuk 2-246)

Wetsvoorstel betreffende de problemen rond het levenseinde en de toestand van ongeneeslijk zieke patiënten (van de heer Philippe Mahoux en mevrouw Myriam Vanlerberghe, Stuk 2-10)

Wetsvoorstel betreffende het verzoek om levensbeëindiging (van de heer Philippe Monfils, Stuk 2-22)

Wetsvoorstel strekkende tot de vergroting van het medebeslissingsrecht van de patiënt via de invoering van een behandelingsbeschikking (van de heer Frans Lozie en mevrouw Jacinta De Roeck, Stuk 2-86)

Wetsvoorstel op de euthanasie (van mevrouw Jeannine Leduc c.s., Stuk 2-105)

Voorstel van resolutie betreffende de uitwerking van een behoeftengestuurd palliatief plan (van mevrouw Iris Van Riet c.s., Stuk 2-106)

Wetsvoorstel houdende de bescherming van de rechten en de waardigheid van de mens bij het naderend levenseinde (van de heer Hugo Vandenberghe c.s., Stuk 2-160)

Wetsvoorstel houdende instelling van een federale evaluatiecommissie inzake de toepassing van de wet van ... betreffende de euthanasie (van mevrouw Jacinta De Roeck c.s., Stuk 2-245)

Wetsvoorstel strekkende om het recht op palliatieve zorg voor eenieder te garanderen en om het kader voor het verlenen van de palliatieve zorg vast te stellen (van mevrouw Clotilde Nyssens c.s., Stuk 2-249)

Wetsvoorstel strekkende om het recht op palliatieve zorg in te voeren en de palliatieve zorgverlening te verbeteren (van mevrouw Ingrid van Kessel c.s., Stuk 2-402)

Wetsvoorstel betreffende de begeleiding bij het levenseinde en de mogelijkheid voor de arts om in uitzonderlijke omstandigheden het overlijden van een terminaal zieke patiënt te bespoedigen (van de heer Alain Destexhe, Stuk 2-666)

Verwelkoming van een buitenlandse delegatie

Wetsvoorstellen betreffende de euthanasie en de palliatieve zorg


Voorzitter: de heer Armand De Decker

(De vergadering wordt geopend om 10.10 uur.)

Wetsvoorstel betreffende de euthanasie (van de heer Philippe Mahoux, mevrouw Jeannine Leduc, de heer Philippe Monfils en de dames Myriam Vanlerberghe, Marie Nagy en Jacinta De Roeck, Stuk 2-244)

Wetsvoorstel betreffende de palliatieve zorg (van de dames Myriam Vanlerberghe, Marie Nagy, Jacinta De Roeck en Jeannine Leduc en de heren Philippe Mahoux en Philippe Monfils, Stuk 2-246)

Wetsvoorstel betreffende de problemen rond het levenseinde en de toestand van ongeneeslijk zieke patiënten (van de heer Philippe Mahoux en mevrouw Myriam Vanlerberghe, Stuk 2-10)

Wetsvoorstel betreffende het verzoek om levensbeëindiging (van de heer Philippe Monfils, Stuk 2-22)

Wetsvoorstel strekkende tot de vergroting van het medebeslissingsrecht van de patiënt via de invoering van een behandelingsbeschikking (van de heer Frans Lozie en mevrouw Jacinta De Roeck, Stuk 2-86)

Wetsvoorstel op de euthanasie (van mevrouw Jeannine Leduc c.s., Stuk 2-105)

Voorstel van resolutie betreffende de uitwerking van een behoeftengestuurd palliatief plan (van mevrouw Iris Van Riet c.s., Stuk 2-106)

Wetsvoorstel houdende de bescherming van de rechten en de waardigheid van de mens bij het naderend levenseinde (van de heer Hugo Vandenberghe c.s., Stuk 2-160)

Wetsvoorstel houdende instelling van een federale evaluatiecommissie inzake de toepassing van de wet van ... betreffende de euthanasie (van mevrouw Jacinta De Roeck c.s., Stuk 2-245)

Wetsvoorstel strekkende om het recht op palliatieve zorg voor eenieder te garanderen en om het kader voor het verlenen van de palliatieve zorg vast te stellen (van mevrouw Clotilde Nyssens c.s., Stuk 2-249)

Wetsvoorstel strekkende om het recht op palliatieve zorg in te voeren en de palliatieve zorgverlening te verbeteren (van mevrouw Ingrid van Kessel c.s., Stuk 2-402)

Wetsvoorstel betreffende de begeleiding bij het levenseinde en de mogelijkheid voor de arts om in uitzonderlijke omstandigheden het overlijden van een terminaal zieke patiënt te bespoedigen (van de heer Alain Destexhe, Stuk 2-666)

Voortzetting van de algemene bespreking

Mevrouw Gerda Staveaux-Van Steenberge (VL. BLOK). - Bij de bespreking van het wetsvoorstel betreffende de euthanasie hebben we geregeld kunnen horen dat men een partijoverschrijdende oplossing wou nastreven aangezien het hier gaat over waarden. Na de lezing van het verslag en de uiteenzettingen van de verschillende senatoren vraag ik mij echter af of dit debat over de waarden werkelijk is gevoerd. Want over welke waarden gaat het? Het zou niet correct zijn deze te zoeken in de tegenstelling gelovige versus vrijzinnige of conservatief versus progressief. Het echte verschil ligt in de fundamentele visie op de mens in zijn totaliteit. Het echte debat is een ethisch debat en ethiek kan niet steeds in wetgeving worden omgezet. De wetgever - en dat zijn wij tenslotte - moet kunnen toegeven dat niet alles in regels kan worden gegoten.

Het echte debat dat wij moeten voeren, is het debat van het humanisme. De meerderheidspartijen gaan hierbij uit van de gedachte dat waardig sterven de enige humane optie is. Maar wat is waardig sterven? Wie zijn wij om te oordelen of de ene manier van stervan waardiger is dan de andere? Bovendien is de kwestie subtieler dan "het recht op waardig sterven", waarmee de voorstanders van euthanasie graag schermen. Geen enkele wet noch ethiek vereist vandaag dat alles moet worden gedaan om mensen in alle omstandigheden, met alle middelen en desnoods tegen hun wil toch maar in leven te houden. Iedereen erkent het recht op waardig leven, inclusief een waardig levenseinde. Dit kan evenwel niet worden herleid tot een recht op euthanasie.

De meerderheid meent dat er een groot maatschappelijk draagvlak voor het huidig wetsvoorstel bestaat. Is dat inderdaad het geval? Om hun bewering te staven, verwijzen ze graag naar een enquête van Test Aankoop, die zou aantonen dat een meerderheid van de Vlamingen voor euthanasie is. Maar wat verstaat de bevolking onder euthanasie? Hoe definieert men euthanasie? In het wetsvoorstel zelf bestaat er verwarring, onduidelijkheid en misleiding over dit begrip. De bevolking is het er inderdaad over eens dat het lijden zoveel mogelijk moet worden weggenomen. Dat betekent evenveel als de pijn wegnemen. Niemand heeft graag pijn en niemand verlangt naar een pijnlijke dood. De voorbeelden die enkele senatoren tijdens het debat naar voren hebben gebracht, betroffen het nodeloos lijden in de stervensfase van terminale patiënten. Een tiental jaar geleden waren er inderdaad schrijnende toestanden. De medische stand van zaken is momenteel echter zover gevorderd, dat sterven pijnloos kan verlopen. Met een goede palliatieve begeleiding verloopt het sterven op een pijnloze manier. De specialisten in palliatieve zorgen getuigen dat bij een gespecialiseerde begeleiding de vraag naar euthanasie meestal verdwijnt. Het is opmerkelijk dat de legalisering van euthanasie precies nu wordt opgeëist, op het ogenblik dat de geneeskunde grote vooruitgang heeft geboekt en beter dan ooit tevoren in staat is te zorgen voor het welzijn van de patiënt, dat de technieken om symptomen en pijn in de hand te houden aanzienlijk verbeterd zijn, dat de palliatieve zorg zich aan het ontwikkelen is en men het erover eens is geworden dat therapeutische hardnekkigheid aan de kaak moet worden gesteld. Het huidige debat is dan ook een debat van de gemiste kansen, zoals mevrouw De Roeck het verwoordde. Men is immers vertrokken van een of-of-visie: euthanasie of palliatieve zorg, het recht op palliatieve zorg naast het recht op euthanasie. Voor ons is dit een verkeerd uitgangspunt. Palliatieve zorg en de bestrijding van fysieke en psychische pijn zijn een recht van iedere ongeneeslijk zieke patiënt, waarover geen discussie mag bestaan. De meerderheid beschouwt palliatieve zorg evenwel als een alternatief voor euthanasie. De palliatieve zorg had het uitgangspunt van het hele debat moeten zijn. Door palliatieve zorg en euthanasie naast elkaar te zetten als volwaardige alternatieven, plaatst men de patiënt voor een schijnkeuze. Wij mogen de sociale en economische druk die op de schouders van een terminale patiënt ligt, niet onderschatten. Vooral de zwakkeren in onze maatschappij zullen onder druk komen te staan. Minder weerbare patiënten zullen sneller om euthanasie vragen om hun familie niet meer tot last te zijn.

Nochtans is het de plicht van een maatschappij de zwaksten binnen die maatschappij te beschermen. In deze tijd van onthaasting en tijdsdruk is er geen tijd meer om naar de echte noden van een terminale patiënt te luisteren. Vooral luisteren, tijd maken, uitleg geven, het correct verloop van het ziektebeeld schetsen, het beschrijven van een pijnloos einde, daar heeft een terminale patiënt behoefte aan. Thuis kunnen sterven zonder pijn in de aanwezigheid van familie en vrienden is denk ik de wens van de meeste terminale patiënten. Maar hiervoor is geen wetgeving nodig maar een verandering van ingesteldheid, van cultuur, van omgaan met het lijden en de dood. Doodgaan wordt in deze moderne tijd te veel gezien als een klinisch gegeven dat best in alle stilte en in ziekenhuizen gebeurt. De meeste wanpraktijken gebeuren dan ook in ziekenhuizen waar medische hardnekkigheid en economische afwegingen met elkaar concurreren zonder rekening te houden met de patiënt zelf. Deze wanpraktijk zal men echter door deze wet niet kunnen verhinderen, zelfs niet verminderen. Ik kan het niet genoeg benadrukken: alleen de uitbouw van een volwaardige palliatieve zorg zal deze wanpraktijken kunnen verminderen.

Dit wetsvoorstel gaat verder dan wat de bevolking vraagt. Wie is dan wel de vragende partij? De medische wereld? De artsen? Moeten zij beschermd worden? Uit de hoorzittingen en verschillende artikels in de artsenkrant is gebleken dat de meeste artsen geen wijziging van de wetgeving wensen. Zij wensen wel een betere opleiding inzake palliatieve zorg. Een arts wordt in zijn carrière hoogstens 2 tot 3 keer geconfronteerd met een vraag tot euthanasie. Een arts die handelt volgens de deontologie van de geneesheren kan dan in eer en geweten handelen. De jongste 40 jaar heeft nog geen enkele arts een veroordeling opgelopen wegens toepassing van euthanasie.

Ook de specialisten in palliatieve zorg zijn geen vragende partij. Integendeel. Ook zij vragen dat er geen wettelijke regeling van euthanasie zou komen. Ook zij verwijzen naar een betere opleiding van de artsen inzake palliatieve zorg en naar een betere uitbouw ervan.

Is het dan de patiënt? Er werd reeds meerdere malen gesteld dat bij een goede begeleiding van de stervende patiënt een overgroot gedeelte de vraag naar euthanasie in de juiste betekenis van het woord, namelijk het beëindigen van het leven door een derde, niet meer stelt. Zelfs mevrouw Leduc stelde in haar verklaring voor de eindstemming dat de vraag pas op het bittere einde wordt gesteld. En dat is ook zo. Slechts 2 tot 3% van de goed begeleide terminale patiënten vraagt om euthanasie. Is hiervoor een dergelijke wet met zijn enorme risico's nodig? Ik durf te stellen van niet. Bovendien bestaat er nog altijd iets als noodtoestand in het strafrecht.

Hoe komt men dan tot deze wetgeving? Is men zijn licht gaan opsteken in het buitenland? Wil men als klein landje de wereldpers halen? Want dat zal zeker gebeuren maar niet in positieve zin. In vele democratische landen werd reeds een debat gevoerd over het levenseinde, zoals in Denemarken, Groot-Brittannië, Canada, Zwitserland, de Verenigde Staten en Australië. Overal kwam men tot dezelfde conclusie: een rechtsstaat tolereert geen opzettelijk doden, ook niet als het gaat om medisch doden op verzoek, de gangbare term voor euthanasie. De Raad van Europa die als gezaghebbende instantie waakt over de mensenrechten op ons continent, nam op 25 juni 1999 een aanbeveling aan met als titel: `Bescherming van de rechten van de mens en de waardigheid van ongeneeslijk zieken en stervenden' Nochtans zijn er hier senatoren die in naam van diezelfde mensenrechten het recht op euthanasie goedkeuren. Hoe valt dit te rijmen? In de aanbeveling van de Raad van Europa wordt aan de Europese landen gevraagd maatregelen uit te werken zodat de stervende mens beter beschermd wordt en zodat zijn waardigheid als mens gewaarborgd blijft. De aanbeveling stelt palliatieve zorgverlening als prioriteit en beklemtoont dat hoewel medische handelingen zoals pijnbestrijding uitzonderlijk de dood als gevolg kunnen hebben, medische handelingen die de dood als doel stellen, nooit toegelaten mogen worden. Behalve Nederland, beseffen alle democratieën zeer goed de risico's van een grensverleggende euthanasiewet. Zijn wij dan zo kortzichtig of veeleer hoogmoedig dat wij als klein landje deze grote menselijke risico's alleen willen lopen? Willen wij als klein landje morele opvattingen voorstaan die de mensheid op dit moment als extreem ervaart? De Nederlandse euthanasiepraktijk kreeg wereldwijd algemene afkeuring. Het is verbazend hoe weinig men in dit debat bekommerd is om het imago van ons land in het buitenland terwijl er anderzijds wel studies over worden gemaakt.

Een breed maatschappelijk draagvlak is er dus voor dit wetsvoorstel niet te vinden.

De volgende vraag is of dit wetsvoorstel zijn doel bereikt.

Wat is het doel ervan? Volgens de indieners is de eerste reden patiënten niet nodeloos te laten lijden. Ik heb reeds uiteengezet dat deze wet daarvoor niet nodig is.

Daarnaast menen de indieners dat een juridisch vacuüm bestaat waardoor zowel de medische wereld als de patiënten in grote onzekerheid verkeren. Zal dit met dit wetsvoorstel verdwijnen? Ik denk het niet en ben zelfs overtuigd van het tegendeel. De misbruiken waarnaar tijdens de debatten werd verwezen, zullen blijven bestaan. De dokters die euthanasie toepassen tegen de wil van de patiënten zullen het niet aangeven en blijven verder werken in stilzwijgen. In het wetsvoorstel staat bovendien geen enkele strafbepaling wanneer de dokter de voorschriften niet respecteert. In Nederland heeft de praktijk uitgewezen dat de helft van de artsen euthanasie niet meer aangeeft. Ook hier zullen artsen minder euthanasie aangeven wegens het risico vervolgd te worden, waardoor de patiënt minder beschermd zal zijn.

Deze algemene redenen zijn voor mijn partij voldoende om een wet op euthanasie niet goed te keuren. Het is niet omwille van een niet-goedgekeurd amendement bij dit wetsvoorstel of een of andere bepaling in het advies van de Raad van State noch omwille van te weinig waarborgen bij het toepassen van euthanasie dat wij tegen dit wetsvoorstel zullen stemmen. Onze tegenstem is immers fundamenteel. Daarenboven staan we niet alleen met onze opvatting.

Toch wil ik nog even dieper ingaan op bepaalde juridische en inhoudelijke aspecten van dit wetsvoorstel. Het wetsvoorstel blinkt niet uit in duidelijkheid. De door het wetsvoorstel gebruikte bewoordingen om de voorwaarden voor het uitoefenen van euthanasie te omschrijven zijn voor uiteenlopende interpretatie vatbaar, waardoor veeleer rechtsonzekerheid dan rechtszekerheid wordt gecreëerd. Wat is bijvoorbeeld het ongeneeslijk karakter of het uitzichtloos karakter van een situatie? Wat in de huidige stand van de medische wetenschap niet mogelijk is, kan dit wel zijn binnen een aantal jaren. Wat betekent de voorwaarde "een medische situatie zonder uitweg"? Deze voorwaarden tot het uitvoeren van euthanasie zijn dan ook oncontroleerbaar.

Het toepassingsgebied van de wet is te ruim. Euthanasie mag immers worden toegepast, niet alleen op terminale patiënten maar ook op niet-terminale patiënten. Dit is voor ons totaal onaanvaardbaar en, wat collega De Roeck ook moge beweren, ook niet aanvaardbaar binnen onze maatschappij. Wat betekent immers een uitzichtloze medische situatie? Iedere ongeneeslijke ziekte is medisch uitzichtloos. Ook handicaps zijn dat. Vallen deze gevallen dan ook onder dit wetsvoorstel?

Wat met de psychisch lijdende patiënten? Er wordt zelfs niet de voorwaarde gesteld dat dit psychisch lijden zijn oorzaak moet vinden in een objectieve medische toestand. Kan men toelaten dat een geneesheer psychisch lijden vaststelt bij bijvoorbeeld financiële problemen, het gevoel van nutteloosheid of depressie? Het risico is niet onbestaande dat kwetsbare personen, zoals ouderen die zichzelf als een last voor de familie beschouwen en zich nutteloos voelen, in dit wettelijk alternatief een aanlokkelijke manier zullen vinden om hun familie de last van hun hoge leeftijd te besparen. Recht op euthanasie wordt dus toegekend aan patiënten die zich niet in een stervensfase bevinden, terwijl recht op palliatieve zorgen enkel toegelaten wordt aan terminale patiënten, die zich wel in een stervensfase bevinden. Kan men dan nog spreken van een oprechte keuze voor de patiënt?

Paradoxaal genoeg geeft dit wetsvoorstel veel macht aan de geneesheren, terwijl een van de doelstellingen toch was de macht tegenover de patiënt te verminderen. Euthanasie kan immers door een arts worden uitgevoerd op patiënten die een wilsverklaring hebben neergeschreven maar op het moment van de euthanasie niet meer bij bewustzijn zijn en lijden aan een ernstige en ongeneeslijke ziekte, die volgens de stand van de wetenschap onomkeerbaar is. Aan de arts wordt dus de macht gegeven uit te maken of een toestand onomkeerbaar is en of de op dat moment bestaande toestand overeenkomt met de toestand die door de patiënt is beschreven in zijn verklaring. Volgens het wetsvoorstel is deze wilsverklaring niet bindend voor de arts, maar wat is dan de betekenis ervan?

Welke risico's bestaan er niet bij een wilsverklaring opgesteld door een derde? Een testament over roerende en onroerende goederen moet steeds eigenhandig worden geschreven. Een vraag tot euthanasie daarentegen mag door een derde worden opgesteld.

Euthanasie is door dit wetsvoorstel herleid tot een administratieve procedure. De voorstanders van het wetsvoorstel betogen dat het om een zware administratieve procedure gaat die moet leiden tot minder misbruiken. Bestaat echter niet het gevaar dat een geneesheer die bereid is euthanasie toe te passen, deze administratieve procedure helemaal niet wil doorlopen en de euthanasie dus niet zal melden? Het wetsvoorstel legt immers geen straffen op bij het niet vervullen van de voorwaarden om euthanasie uit te voeren. Men zal dus niet kunnen nagaan of er geen misbruik van euthanasie is geweest, al is ook dat een van de zogezegde doelstellingen van het wetsvoorstel.

De heer Remans maakt zich enorm druk als de heer Vandenberghe zegt dat een geneesheer verplicht zal zijn over te gaan tot euthanasie. Theoretisch moet deze arts inderdaad niet voldoen aan de wens van de patiënt, maar hij moet hem wel doorsturen naar een collega. De geneesheer is zelfs niet verplicht een palliatief team te raadplegen of de patiënt morele en medische bijstand te verlenen. Bij personen in een stervensfase moet de tweede geraadpleegde geneesheer het verzoek van de patiënt zelfs niet meer verifiëren. Het volstaat dat hij een puur medisch advies verleent. Dus uiteindelijk zal die tweede arts euthanasie moeten toepassen op eenvoudige vraag van de patiënt die zich in een stervensfase bevindt. De arts moet hierbij de patiënt niet meer globaal benaderen. Hij moet geen rekening houden met de psychologische toestand van de patiënt of met zijn sociaal-economische situatie en gezinstoestand. Hij moet niet nagaan of de vraag tot euthanasie misschien is ontstaan vanuit sociaal-economische redenen of onder druk van naasten. Is dit een bescherming van de patiënt? Collega De Roeck drukte gisteren de hoop en de wens uit dat vragen naar euthanasie steeds worden behandeld in overleg met een volledig team. Ik vrees dat dit een ijdele hoop zal blijven.

Niet alleen het feit dat het wetsvoorstel veel risico's inhoudt en kan leiden tot verschillende misbruiken, maar vooral ook onze fundamentele maatschappelijke visie op de mens, waarin het verbod om te doden en het recht op waardig leven centraal staan, maken dat we een wet op euthanasie niet kunnen goedkeuren. Wat de statistische betekenis van dit wetsvoorstel ook mag zijn, de symbolische betekenis ervan is zeer groot. Het staat symbool voor de manier waarop onze maatschappij met lijden wil omgaan en voor haar opvatting over menswaardigheid. Voor welke cultuur en maatschappij kiezen we? Een maatschappij die alle verhoudingen regulariseert en juridiseert of een maatschappij waarin we ons nog durven toevertrouwen aan anderen, niet op basis van contracten en levenstestamenten, maar op basis van vertrouwen in de deugdzaamheid en de zorg van de ander? Kiezen we voor een maatschappij die meent dat lijden en menswaardigheid elkaar uitsluiten of voor een maatschappij die precies verbindingswegen tussen lijden en menswaardigheid wil zoeken? Kiezen we voor de verdere verheerlijking van de autonomie of voor de herontdekking van de gemeenschap? Onder de legalisering en brede toepassing van euthanasie schuilt een maatschappijvisie die wij niet delen. Een samenleving die elk individu de exclusieve maatstaf van zijn optreden laat zijn, is ten dode opgeschreven. Er is geen vrijheid meer als de ernstige zieke zich onder druk gezet voelt om er een einde aan te maken, om het zijn omgeving niet al te zwaar te maken. Een gemeenschap heeft behoefte aan een engagement van elkeen om niet alleen voor zichzelf maar ook voor de medemens volle ontplooiing en geluk mogelijk te maken. Dit houdt in dat een gemeenschap naast rechten ook plichten moet kennen en handhaven. Vrijheid voor elke mens veronderstelt verantwoordelijkheid van en voor iedereen.

De heer Josy Dubié (ECOLO). - Als voorzitter van de zogenaamde euthanasiecommissie heb ik zoveel mogelijk mijn eigen mening buiten beschouwing gelaten om iedereen de gelegenheid te geven zich naar eigen geweten en zonder beperking uit te spreken over dit kiese onderwerp, dat iedereen hier op rustige wijze heeft behandeld.

Vele senatoren van alle partijen hebben, net als ik, naast de hoorzittingen en de urenlange besprekingen in de commissie, een bezoek gebracht aan ziekenhuizen, rust- en verzorgingstehuizen en palliatieve centra om zich op het terrein rekenschap te geven van de situatie van hen die dagelijks worden geconfronteerd met de problemen omtrent het naderende levenseinde.

De Senaat heeft een opmerkelijke prestatie geleverd, waarop we fier mogen zijn.

Tijdens de debatten heb ik mijn mening niet gegeven. Vandaag wil ik in eer en geweten zeggen waarom ik voorstander ben van het wetsvoorstel betreffende de euthanasie en dat betreffende de palliatieve zorg.

Ik ben overtuigd vrijdenker; ik hang van geen enkele sekte of broederschap af. Toch beschouw ik het leven als heilig, niet in de religieuze zin van het woord, maar als het kostbaarste goed dat de mens op aarde bezit.

Volgens mij moet alles in het werk worden gesteld, niet alleen om het leven te beschermen, maar ook om het zo aangenaam mogelijk te maken.

Het absolute respect voor het leven is voor mij een fundamentele plicht, maar toch ben ik ook een overtuigd voorstander van het recht op zelfbeschikking en vrijheid voor iedereen.

Daarom ben ik ook altijd voorstander geweest van het recht van allen op een waardige dood, in overeenstemming met ieders wil en met respect voor ieders autonomie.

Er moest dus een wetsvoorstel worden geformuleerd dat beantwoordt aan dat recht op vrijheid en zelfbeschikking, maar dat ook zo veel mogelijk de ontsporingen voorkomt die zich zouden kunnen voordoen als gevolg van een wetsvoorstel dat enigszins een inbreuk vormt op het verbod om te doden.

Mijn vrees bestond erin dat een wetgeving inzake euthanasie de druk op een aantal zwakke personen om euthanasie te vragen, zou kunnen verhogen.

Ik heb dan ook altijd, onder meer met de heer Galand, geprobeerd het voorstel te verbeteren door amendementen in te dienen om grenzen te stellen en maximale voorzorgsmaatregelen te nemen teneinde ontsporingen uit economische overwegingen te voorkomen. Dat is niet zonder belang, want in Groot-Brittannië bijvoorbeeld is de gezondheidszorg steeds minder toegankelijk voor ouderen en personen zonder inkomen.

Alle amendementen die ik in die zin heb ingediend, zijn in de commissie aangenomen en zijn opgenomen in de tekst die wij vandaag bespreken.

Daarom kan ik de tekst rustig goedkeuren, ook al kan hij bij gelegenheid anders worden gebruikt dan de auteurs bedoelen.

De huidige situatie is echter nog zorgwekkender. Hoewel euthanasie wettelijk niet mag, zijn thans jammer genoeg de ontsporingen mogelijk die we met dit wetsvoorstel juist willen voorkomen.

Tijdens de hoorzittingen in de commissie hebben wij allen het belang van de palliatieve zorg ingezien.

Sommigen onder ons stelden met verbazing vast dat die zorg, die onontbeerlijk is om onze burgers een waardig levenseinde zonder pijn te garanderen, in ons land onderontwikkeld is.

Het wetsvoorstel creëert een kader voor de ontwikkeling van de palliatieve zorg, om ze voor iedereen en overal toegankelijk te maken, vooral thuis, omdat de meeste mensen daar willen sterven.

Het wetsvoorstel beveelt ook de uitbouw aan van de opleiding van ziekenhuispersoneel en artsen inzake palliatieve zorg, een discipline die in onze universiteiten nog veel te weinig wordt onderwezen.

Het is immers niet aanvaardbaar dat mensen blijven lijden terwijl technieken en geneesmiddelen bestaan die de pijn kunnen verzachten of wegnemen, en zo het aantal euthanasieverzoeken kunnen verminderen.

Afgelopen zomer kreeg mijn moeder longkanker. Daardoor werd ik persoonlijk geconfronteerd met de aftakeling en pijnlijke doodstrijd van een naaste.

Ze verbleef in een katholiek centrum voor palliatieve zorg en is er pijnloos gestorven. Het woord waarop nog altijd een taboe rust en dat verwijst naar een praktijk die nog altijd bij wet verboden is, werd nooit uitgesproken. Toch is haar wil om niet door verstikking te sterven, gerespecteerd, en daarvoor ben ik het personeel dankbaar.

Ik zal deze voorstellen dus goedkeuren, niet alleen omdat ze tegemoetkomen aan een eis van onze maatschappij, maar omdat ze een einde maken aan de huidige toestand van hypocrisie en rechtsonzekerheid. De handeling, waarvan de naam niet wordt uitgesproken, wordt immers vaak uitgevoerd, terwijl ze volgens de wet een onvervalste misdaad is.

Wat ook het resultaat van de stemming is, er zullen geen winnaars en verliezers zijn. Iedereen zal in eer en geweten zijn standpunt hebben kunnen uiteenzetten, zoals dat hoort in een democratie als de onze.

Als de wet eenmaal aangenomen is, zal ze niemand tot wat dan ook verplichten. Ze zal alleen proberen twee fundamentele visies met elkaar te verzoenen: het recht op leven en het recht op autonomie en vrijheid.

De voorzitter. - Ik dank de heer Dubié voor de voortreffelijke wijze waarop hij de werkzaamheden van de commissie heeft geleid, wat niet altijd een makkelijke taak was. (Levendig applaus)

De heer Jan Remans (VLD). - Euthanasie is het opzettelijk levensbeëindigend handelen door een andere dan de betrokkene, op diens verzoek. Euthanasie is een ethisch probleem. Het recht op euthanasie wordt door bijna iedereen aanvaard. Door wie hier niet? Een samenleving die niet van euthanasie wil weten, had nooit moeten kiezen voor de gezondheidszorg die we kennen. Euthanasie is een medische daad. Euthanasie mag volgens de voorliggende teksten enkel in uitzonderlijke situaties en onder strikte voorwaarden. Wie heeft hier ooit iets anders beweerd? Veiligheidsvoorwaarden en de zorgvuldigheidscriteria zijn vastgelegd zodat "stervende mensen beter beschermd worden en zodat hun waardigheid als mens gewaarborgd blijft".

De kernvragen rond euthanasie zijn de volgende. Mag de patiënt zelf om euthanasie vragen? Beschikt de mens over zijn eigen leven? Redelijk gezien beschikt de mens over wilsautonomie en zelfbeschikkingsrecht, bepaald door de menselijke vrijheid voor zover die niet in strijd is met de persoonlijke vrijheid van zijn medemens.

De debatten in de Senaat en in de maatschappij bewijzen hoeveel moeite sommigen hebben met die autonomie. Zij die opkomen voor de emancipatie van de vrouw, voor gelijke kansen van alle burgers, voor kinderrechten, kunnen getuigen hoeveel inspanningen nodig zijn om een redelijke zelfbeschikking te verdedigen.

De miskenning van het zelfbeschikkingsrecht aangaande euthanasie berust alleen op een religieuze of een relationele basis. Voor de wetgever primeert het belang van de hele bevolking op de religieuze overtuiging van een bepaalde bevolkingsgroep.

Relationele plichten zijn niet onbeperkt, zijn niet oneindig. Niemand moet tot het uiterste gaan. Het leven is zeer waardevol, maar het leven is geen absolute waarde die nooit mag worden prijsgegeven. Dat geldt zowel voor het leven van anderen bij wettige zelfverdediging, als in geval van oorlog, voor de doodstraf en voor het eigen leven.

Ook collectivistische systemen en totalitaire stelsels miskennen de menselijke autonomie. Euthanasie wordt een gevaar voor de maatschappij als het zelfbeschikkingsrecht van de individuele mens hem door de gemeenschap wordt ontnomen.

De zelfbeschikking van de patiënt wordt in het beslissingsproces rond euthanasie op de proef gesteld door de angst voor het lijden, het afhankelijkheidsgevoel, het verlies van de zelfredzaamheid, het verlies van het zelfrespect. Mensen kunnen door de omstandigheden van gedacht verschillen over de invulling van een menswaardig leven, toch is er een minimale consensus over wat een "goed" leven is en bestaat er een algemeen menselijk verlangen om kwaliteitsvol te overleven en humaan te sterven.

Ziedaar mijn opmerkingen bij de vraag om euthanasie. Nu wil ik iets zeggen over de arts die op die vraag moet antwoorden. In tegenstelling met wat de heer Vandenberghe hier en elders vertelt - en als dat willens en wetens gebeurt noem ik dat kwaad opzet - impliceert het recht van de patiënt om euthanasie te vragen, niet automatisch het recht op uitvoering. De wil van de patiënt wordt getoetst aan het oordeel van de arts. Hij zal oordelen over de uitzichtloosheid van de situatie, de ongeneeslijkheid van de ziekte, de wenselijkheid en de zin van palliatieve zorgen.

Het recht van de patiënt om euthanasie te vragen en het recht van de arts om al dan niet op die vraag in te gaan, vereisen een wetgeving. Een rechtsstaat impliceert dat er wetten gemaakt worden over fundamentele kwesties, ook over ethische problemen, hoe delicaat ook. Er zijn vandaag zeker betwistbare euthanasiegevallen. Ook met een wettelijke regeling zullen die er zijn, maar dat mag geen reden zijn om geen wet te maken.

Het recht vervangt de moraal niet. Het recht neemt geen standpunt over wat goed leven en waardig sterven is. Recht moet wel de ruimte beveiligen om ieder naar eigen inzichten en waarden te laten handelen, mits te verantwoorden beperkingen. De wetgever moet erin slagen het wettelijke kader voor de euthanasie te scheppen, waarin de patiënt kan oordelen wat hij kan vragen, de arts wat hij kan doen.

Een goede wet voor euthanasie is een toegevoegde waarde voor de kennis van de realiteit en het toekomstperspectief, ze helpt misbruiken uitsluiten, angsten bij patiënten en zorgverstrekkers wegwerken, ze bezorgt de uitbouw van palliatieve zorg een nieuwe dynamiek en ze erkent het buitengewone van euthanasie bij het medisch handelen.

Euthanasie is geen gewone medische handeling. Euthanasie kan niet zomaar op dezelfde lijn geplaatst worden als een rugoperatie, een beenamputatie, een harttransplantatie. Omdat het een uitzonderlijke medische handeling is, vereist euthanasie een specifieke wetgeving met specifieke waarborgen. Euthanasie wordt geen strafbaar feit, als de arts aan de vereisten voldoet. Het laakbare gedrag van de arts ligt niet in het verrichten van de euthanasie op zich, maar in het schenden van de zorgvuldigheidsmaatregelen die in acht moet worden genomen. Als de arts onzorgvuldig handelt, is hij burgerrechtelijk aansprakelijk. Die buitencontractuele aansprakelijkheid krachtens artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek maakt hem ook strafrechtelijk vervolgbaar.

Naast het niet nakomen van de zorgvuldigheidsmaatregelen door de arts, moet de wet ook euthanasie door een niet bevoegd persoon strafbaar stellen. Dat is echter iets totaal anders dan de hele problematiek inzake euthanasie reduceren tot de theorie van een onwettig handelen in een noodtoestand. De noodtoestand kan juridisch alleen in welbepaalde omstandigheden worden ingeroepen. Daarvoor zijn vier voorwaarden vereist: de waarde van hetgeen wordt prijsgegeven moet kleiner dan of hoogstens gelijk zijn aan de waarde van hetgeen men wil vrijwaren; het te vrijwaren recht moet dadelijk en ernstig in gevaar zijn; het kwaad kan alleen door het misdrijf worden voorkomen en de betrokkene mag de noodtoestand niet zelf doen ontstaan.

Die voorwaarden komen heel uitzonderlijk samen voor, zodat de noodtoestand in de praktijk slechts heel zelden zal worden ingeroepen. Het beroep op de noodtoestand moet worden voorbehouden voor de individuele correctiemogelijkheid op de strafbaarheid in situaties van overmacht.

Ieder van ons ziet wel ergens een onvolledigheid in de voorliggende wetteksten. Ieder van ons mist wel een nuance. Persoonlijk denk ik aan de kinderen en de wilsonbekwamen die geen recht hebben op euthanasie; aan de flinterdunne overgang tussen palliatieve zorg en euthanasie in de medische besluitvorming bij het levenseinde; aan de noodzaak van een betere uitbouw van psychosociale diensten, zoals die nu gebeurt voor de palliatieve zorgverlening en ik denk ook aan de hulp bij zelfdoding.

We kunnen niet alles in een keer bereiken. Het is gemakkelijk over de draaglijkheid van het lijden te spreken, voor wie zelf niet lijdt. Lijden is een kwaad, maar men moet lijden om dat te beseffen. Voor de mensen in een uitzichtloze situatie van ondraaglijk lijden zal ik dit wetsvoorstel goedkeuren.

De heer Jean-François Istasse (PS). - Ik wil twee problemen behandelen die langdurig en uitgebreid werden besproken en waarnaar de Raad van State in zijn advies van 20 juni 2001 over het wetsvoorstel betreffende de euthanasie heeft verwezen: stemt het wetsvoorstel overeen met de internationale bepalingen inzake het "recht op leven" en met het nationaal strafrecht?

De tegenstanders van het voorstel vinden dat dit voorstel een aantasting betekent van het recht op leven dat wordt gewaarborgd in artikel 2 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en artikel 6 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. Het recht op waardig sterven is nauw verbonden met het recht op leven. De Staat is daarom verplicht de nodige maatregelen te nemen om het leven van zijn burgers te beschermen.

De Raad van State vraagt zich af of de wetgever, wanneer hij euthanasie uit het strafrecht haalt, wel aan die verplichting voldoet. Deze verplichting moet worden vertaald in een strafbepaling die tot doel heeft dit recht te verdedigen, maar ook in strafbepalingen en maatregelen om de meest kwetsbare mensen te beschermen. De bescherming van het leven is onlosmakelijk verbonden met het zelfbeschikkingsrecht over het eigen leven.

De Raad van State vond dat er geen reden was om te onderzoeken in welke omstandigheden een persoon aan het recht op leven mag verzaken. Dat men zijn leven wil beëindigen, is niet hetzelfde als verzaken aan het recht op bescherming van het leven. Volgens de Raad van State beroept de persoon in kwestie zich precies op dit recht door zijn persoonlijke grenzen zelf vast te stellen. De heer Mahoux heeft de opvatting van de PS-fractie over het zelfbeschikkingsrecht gisteren uiteengezet.

Het euthanasiedebat is in hoofdzaak een ethisch debat. De Raad van State kan geen oordeel vellen over tegengestelde ethische stellingen. De wetgever moet trachten deze uiteenlopende stellingen met elkaar te verzoenen. Anderzijds heeft de Raad van State wel onderzocht binnen welke grenzen euthanasie kan worden toegestaan. Het wetsvoorstel wijzigt geen enkele bepaling van het strafrecht. Moord, doodslag en dood door gebrek aan voorzorg of nalatigheid blijven strafbaar. Sommigen hebben er trouwens op gewezen dat het er niet om ging euthanasie uit het strafrecht te halen, maar om het erin te brengen.

De Raad van State onderstreept in dat verband: "Een nationale wetgeving kan niet verweten worden dat ze artikel 2 EVRM schendt, door het enkele feit dat ze niet zou voorzien in een specifieke strafbaarstelling van de zogenaamde passieve euthanasie".

Euthanasie mag evenwel slechts in uitzonderlijke en nauwkeurig omschreven omstandigheden worden toegepast.

Er zijn twee mogelijk hypothesen: euthanasie na een recente vraag van de patiënt of naar aanleiding van een voorafgaande verklaring.

Als het om een recente vraag gaat, moet de patiënt zich in een toestand bevinden van voortdurend en ondraaglijk fysisch of psychisch lijden dat niet kan worden gelenigd en dat het gevolg is van een ongeluk of een ongeneeslijke ziekte.

Bij een voorafgaande wilsverklaring moet de arts zich ervan vergewissen dat de patiënt is getroffen door een ongeluk of een ongeneeslijke ziekte, dat hij niet bij bewustzijn is en dat zijn toestand onomkeerbaar is.

De Raad van State besluit hieromtrent: "Het handhaven van de strafbaarstelling buiten de in het voorstel omschreven gevallen, beantwoordt aan de verplichting voor de overheid om te zorgen voor een effectieve afschrikking tegen aantastingen van het recht op leven".

Volgens het wetsvoorstel is euthanasie slechts geoorloofd als ze wordt toegepast op uitdrukkelijk verzoek van de patiënt. Als het gaat om een actueel verzoek, moet dit uitgaan van "een meerderjarige of een ontvoogde minderjarige die handelingsbekwaam en bewust is op het ogenblik van zijn verzoek". Bovendien moet het verzoek "vrijwillig, overwogen en herhaald" zijn, en mag het "niet tot stand gekomen (zijn) als gevolg van enige externe druk".

De behandelende arts moet de patiënt inlichten over de nog resterende therapeutische en palliatieve mogelijkheden. Het verzoek van de patiënt om een einde te maken aan zijn leven moet blijken uit een schriftelijk document.

Het voorstel voorziet ook in de mogelijkheid om euthanasie toe te passen, in welbepaalde omstandigheden, op een persoon die niet meer bij bewustzijn is en daardoor zijn wil niet kan uiten. Die mogelijkheid is echter beperkt tot het geval waarin de betrokkene vooraf zijn wil te kennen gegeven heeft, met name in een uitdrukkelijke wilsverklaring die niet meer dan vijf jaar oud is, en die te allen tijde ingetrokken kan worden.

Volgens de Raad van Staat beantwoordt het voorstel aan de bepalingen van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en het Internationaal Verdrag inzake de burgerrechten en de politieke rechten.

De Raad van State is van oordeel dat aan de zorgvuldigheidsvereisten voor het beantwoorden van een aanvraag is voldaan: de door de arts te volgen procedure; de plicht tot overleg met de patiënt, met andere artsen, met het verzorgend team en met de familieleden van de patiënt; de voorwaarden waaraan de wilsverklaring moet voldoen.

Wat de automatische controle a posteriori betreft, doet het voorstel overigens geen afbreuk aan de bevoegdheid van de gerechtelijke overheden om ambtshalve of ingevolge een klacht een onderzoek te openen. Voorts vervult de overheid met dit voorstel haar plicht het leven te beschermen.

De Raad van State vindt ten slotte dat het voorstel betreffende de euthanasie niet in strijd is met de bepalingen van de bovengenoemde verdragen. Dit standpunt is van doorslaggevend belang in ons debat.

De Raad van State heeft de argumenten van de tegenstanders op afdoende wijze weerlegd. Het verheugt ons dat de Raad van State vindt dat het creëren van de mogelijkheid tot euthanasie in duidelijk omschreven gevallen een bewijs is van het respect voor het recht op leven, meer bepaald het recht op een waardig leven.

De Raad van State heeft de feiten onderzocht die volgens het voorstel niet langer als strafbaar worden beschouwd. De heer Mahoux heeft uitgelegd waarom er een wetgeving moet komen. Is het schrappen van de bepaling "het opzettelijk levensbeëindigend handelen door een andere dan de betrokkene, op diens verzoek" een juiste toepassing van het strafrecht?

De handeling kan enkel als euthanasie worden beschouwd als ze aan de volgende voorwaarden beantwoordt:

Het moet om een handeling gaan, wat wil zeggen dat het om een positief gedrag moet gaan, en niet om onthouding;

De handeling moet door een derde worden gesteld;

Het moet om een opzettelijke handeling gaan;

De handeling moet ertoe leiden dat de persoon in

kwestie overlijdt;

De persoon in kwestie moet om die handeling hebben verzocht.

De Raad van State pleit voor strafmaatregelen in geval van overtreding van de voorwaarden die moeten worden nageleefd opdat de euthanasie niet als een strafbaar feit zou worden beschouwd.

Zelfs gelet op de toepasselijke minimumstraffen en op de mogelijkheid tot inachtneming van verzachtende omstandigheden, besluit de Raad van State dat de straf niet in een redelijke verhouding staat tot de tenlastelegging, die tot doel heeft de euthanasie wettelijk te regelen. We zijn het niet eens met deze redenering.

Artikel 7 betreft de registratieplicht door de arts. De Raad van State beschouwt die verplichting evenwel slechts als een formaliteit en hecht daarom meer belang aan de voorwaarden die zijn vastgelegd in de artikelen 3 en 4 van het wetsvoorstel.

Wij zijn van oordeel dat euthanasie slechts geoorloofd is op voorwaarde dat de arts de regels strikt in acht neemt. Op die manier wordt de wil van de patiënt gerespecteerd en worden zijn rechten gewaarborgd.

Gelet op het belang van dit onderwerp, kunnen de voorzorgsmaatregelen die in dit verband zijn uitgewerkt, niet als bureaucratische maatregelen worden bestempeld.

Alle voorwaarden waaraan de patiënt en de arts moeten voldoen, zijn even belangrijk.

Het bestaan van een controlemechanisme is een bijkomende waarborg om te verzekeren dat euthanasie alleen maar toegepast wordt in de gevallen die strikt in het voorstel zijn omschreven. Het registratiedocument waarvan sprake in artikel 7 van het wetsvoorstel, moet aan de controlecommissie worden bezorgd. In geval van twijfel over de rechtmatigheid van de euthanasie kan de controlecommissie de arts op basis van het registratiedocument om bijkomende informatie verzoeken.

In tegenstelling tot wat de Raad van State heeft opgemerkt, vormt artikel 7 een belangrijk element van de procedure omdat het betrekking heeft op de controle a posteriori van elk geval van euthanasie.

Als één van de voorwaarden van het wetsvoorstel niet vervuld is, kan de arts worden vervolgd en gestraft op basis van de bepalingen van het Strafwetboek, behalve wanneer er sprake is van een noodtoestand.

De Belgische rechters erkennen het principe van de noodtoestand.

Onder dit begrip verstaat men een situatie waarbij de persoon in kwestie uit vrije wil zijn gedragslijn bepaalt en waarbij hij verplicht is tussen twee waarden te kiezen. Het gaat dus om een objectieve rechtvaardiging van de handeling.

De rechter speelt een belangrijke rol bij het oordelen over de noodtoestand: hij moet de waarden waarop de arts zich heeft gebaseerd, afwegen en hij moet uiteraard ook de wet toepassen.

In de uitzonderlijke gevallen die de wetgever niet heeft kunnen regelen, moet de rechter zijn verantwoordelijkheid op zich nemen.

Men kan zich evenwel afvragen of de rechters als enige instantie kunnen oordelen over fundamentele onderwerpen die de fysische integriteit en de waardigheid van het individu aanbelangen? Kan de noodtoestand algemeen worden ingeroepen bij het beoordelen van alle problemen inzake het levenseinde, zodat de wetgever op dat vlak niet hoeft op te treden?

Wij vinden van niet. De wetgever moet ingrijpen om de vaagheid weg te nemen. De meesten van ons zijn het er blijkbaar over eens dat euthanasie in sommige gevallen mogelijk moet zijn.

Deze mogelijkheid en de voorwaarden waarin ze kan worden toegepast, moeten wettelijk worden vastgelegd.

Het principe van de noodtoestand blijft behouden voor de gevallen waarop het voorstel niet van toepassing is.

Iedereen heeft het recht waardig te sterven.

Het verheugt onze fractie dat we dit moeilijke filosofische, ethische en juridische debat, waarbij onze fundamentele opvatting van het mensbeeld centraal stond, in de Senaat hebben kunnen voeren.

Volgens ons heeft iedereen het recht over zijn eigen leven te beschikken. Niemand is echter verplicht die mening te delen!

Het gaat niet om een opvatting die voor iedereen op dezelfde manier kan worden toegepast. Elke mens moet het recht krijgen om waardig te sterven, met eerbied voor elke filosofie en godsdienst en voor eenieders overtuiging.

Mevrouw Mia De Schamphelaere (CD&V). - Wat valt er nog te zeggen, wat valt er nog te luisteren, wat valt er nog te debatteren hier op dit spreekgestoelte over euthanasie?

Reeds meer dan twee jaar wisselen we argumenten uit, we kwamen 88 keer samen in de commissie, we stemden over 687 amendementen en uiteindelijk bezorgden de rapporteurs ons een verslag van 2706 pagina's.

Wat valt er nog te zeggen, wat valt er nog te luisteren? Niets meer? Is alles wat we hier in openbare plenaire vergadering uitspreken overbodig geworden? Ik geloof van niet en ik hoop van niet. Wie de democratie respecteert, blijft vertrouwen in de mogelijkheid van debat, in de kracht van een overtuiging, in de balans van woord en wederwoord.

Collega's, ik hoop dus dat u ook op dit moment nog oor hebt voor de laatste vragen die ik u wil voorleggen over het wetsvoorstel betreffende de euthanasie. De beslissing die u hierover zult nemen, is immers van uitzonderlijke betekenis. Het is duidelijk dat dit euthanasievoorstel verstrekkende gevolgen zal hebben voor de draagkracht en de solidariteit in onze samenleving. Het kan voor onze bevolking een breuk betekenen met een samenlevings- en mensvisie, die tot nu toe borg stond voor onze verzorgingscultuur.

Inderdaad gedurende die ontelbare uren van debat achter de gesloten commissiedeuren, beseften we meer en meer dat met het verschil in opvatting over euthanasie, ook twee mens- en samenlevingsvisies tegenover elkaar staan. Tegenover de opvatting dat euthanasie alleen maar kan als alle andere mogelijkheden zijn uitgeput, als alles gedaan is om aan stervende mensen verzorging, hulp, bijstand en verlichting te bieden, tegenover de visie op euthanasie als ultimum remedium, als een uitzonderlijke grensoverschrijdende handeling, staat de visie die euthanasie aanbiedt als één van de opties niet alleen voor terminaal zieken, maar ook voor wie de ziekte nog niet levensbedreigend is, niet alleen voor wie fysiek veel te lijden heeft, maar ook voor wie mentaal of psychisch levensmoe is, niet alleen voor wie helder en bewust om de dood vraagt, maar ook voor wie van tevoren bepaalde situaties onleefbaar achtte.

Heel terecht stelde de Raad van State dat de indieners in de logica van hun optie niet consequent zijn geweest. Wanneer euthanasie als levensbeëindigende handeling een wettelijke optie wordt, moet met het oog op de grondwettelijke beginselen van gelijkheid en non-discriminatie ook de hulp bij zelfdoding geregeld worden, aldus de Raad van State.

Maar onze fractie wil geen samenleving waar zelfdoding een optie wordt, waar de dood de oplosser wordt voor een diepe nood van medemensen. Wij willen een solidaire, verbonden en zorgzame samenleving. Wij willen een inclusieve samenleving waar de vanzelfsprekendheid geldt dat iedereen meetelt, ook de meest kwetsbaren. Wij willen een samenleving die geduld opbrengt, die tijd en warmte geeft, die lasten draagt.

Ongeduld, onverschilligheid, liefdeloosheid en uitsluiting door anderen mogen mensen er nooit toe brengen om voor de dood te kiezen. Toch is dit de grootste bedreiging die uitgaat van een euthanasiewet waarin de individuele wil wordt verheerlijkt. De zin in het leven en de wil om te overleven kunnen immers niet los gezien worden van de samenleving waarin men leeft, van de omstandigheden waaronder men leeft, van de kwaliteit van het leven.

De kwaliteit van het leven van zieke en doodzieke mensen wordt bepaald door de kwaliteit van ons samenleven.

Daarmee is niet alleen gezegd dat de overheid moet voorzien in alle middelen, voorzieningen en personeel om het palliatief basisrecht voor iedereen zonder onderscheid te realiseren. Daarmee wordt ook bedoeld dat onze draagkracht, onze verdraagzaamheid, onze budgettaire mogelijkheid, kortom het solidariteitsvermogen van onze samenleving worden geïnspireerd door het beeld dat wij ophangen van doodzieke, afhankelijke en zwaar behoevende mensen.

Dit geldt ook omgekeerd. Hoe doodzieke mensen hun waardigheid ervaren, wordt bewust of onbewust beïnvloed door het beeld dat het gezonde deel van de samenleving zich over hen vormt en hen aanreikt. Het was dokter Bron die ons tijdens de hoorzitting vertelde dat de vragen naar euthanasie sterk gestegen zijn sinds het debat over euthanasie publiek gevoerd wordt. Alleen komen deze vragen niet uitsluitend van de patiënt zelf, maar steeds meer van de familie en de sociale omgeving van de patiënt. Natuurlijk legde de dokter dan uit aan die familie dat er op die wijze geen sprake kan zijn van euthanasie, dat er alleen maar kan gehandeld worden op vraag van de patiënt zelf.

Iedereen kan in volgende situatie terechtkomen. Ik ben een doodzieke, maar heldere patiënt. Voor mij is iedere dag die het leven mij nog biedt de moeite waard, ondanks de vele moeilijkheden. Ik kijk uit naar elk bezoek. Ik voer de meest intense gesprekken van mijn leven, maar ik weet dat mijn naasten wachten en blijven wachten tot ik de vraag naar het einde stel. Wie van ons kan daar als kwetsbaar en overgevoelig patiënt op het einde van zijn leven tegenop? Waar is dan die geïdealiseerde menselijke autonomie om zelfstandig te beslissen over wat goed is voor mij? Wie ben ik nog als ik in de blik van mijn naaste de vraag naar mijn einde zie, vooraleer ze bij mijzelf opkomt? Welke waardigheid zullen de patiënten toebedeeld krijgen wanneer ze niet alleen door de familie, maar ook door de hele samenleving zelf voor de verantwoordelijkheid geplaatst worden om te beslissen of ze nog langer afhankelijk, zorgbehoevend en een last voor anderen willen zijn? Zal dit uiteindelijk niet het sociale effect van deze euthanasiewet zijn?

De kwaliteit van het leven en van het levenseinde worden bepaald door de kwaliteit van het samenleven. De politici zijn mee verantwoordelijk voor deze samenlevingskwaliteit.

Voor onze samenleving en voor de mensheid op termijn bevat deze euthanasiewet nog een andere, meer fundamentele, dreiging. Bij het begin van het derde millennium wordt de mensheid uitgedaagd door de steeds snellere ontwikkelingen in de biomedische wetenschap. De medische keuzemogelijkheden bij het begin en het einde van het leven lijken de nieuwe toegangspoorten tot de mensheid te worden. De toegangscriteria zijn volgens sommigen gebaseerd op mededogen, menswaardigheid en voorkoming van menselijk leed.

Deze criteria zouden echter wel eens snel kunnen veranderen in uitsluitingscriteria die het beleven van solidariteit met zwakke en kwetsbare mensen overbodig maken. De grote vraag voor de toekomst van de mensheid is of de mensheid inclusief of selectief zal zijn. Zal selectie op basis van gezondheidscriteria sociaal, maatschappelijk en juridisch doorgang vinden?

Tot nu toe is het behoren tot de mensheid voor iedereen vanzelfsprekend, want verbonden aan het menszijn zelf. Menswaardigheid is dan ook een ontologisch begrip. Of men menswaardig is, hangt immers niet af van een bepaalde subjectief geïnterpreteerde levenskwaliteit, maar wel van het bestaan als mens zelf. Mensen filosoferen natuurlijk niet dagelijks over wat een mens tot mens maakt, maar een samenleving wordt wel gedragen door de menselijke intuïtie dat het bestaan van elkeen onaantastbaar is. Deze intuïtie is de noodzakelijke basis voor een rechtstaat, de basis ook voor het vermogen tot solidariteit en voor het respect voor elke medemens.

Deze vanzelfsprekende menselijke intuïtie wordt vandaag echter stap voor stap afgebroken of weggeredeneerd als zijnde een emotioneel en betuttelend, maar niet rationeel aanvoelen.

De kwaliteit van het leven wordt immers een belangrijker maatstaf dan het leven op zich. Het leven wordt niet meer uitsluitend verantwoord door het bestaan, maar ook door opvattingen over levenskwaliteit en menswaardigheid.

Het lijkt alsof onze opvattingen over het menselijk leven maar langzaam evolueren, maar ik vrees dat we langzaam terugkeren naar de westers-humanistische mensvisie die enkele eeuwen terug ontstond.

Het is deze omkering in mensvisie die het bijvoorbeeld mogelijk maakt dat rechters nu oordelen dat het leven zelf een onrecht is waarvoor men vergoed moet worden.

De verschuiving in mensvisie krijgt meer en meer een juridische en wettelijke bevestiging. Ook de idee van de zelfgekozen dood, zoals ze in Nederland werd bevestigd en met dit euthanasievoorstel nu ook bij ons opgang maakt, brengt de mensen ertoe zich bij ziekte, handicap of depressie als mensonwaardig te beschouwen en daarom van de samenleving hun dood te vorderen. Dat daarmee tegelijkertijd een maatschappelijke uitspraak wordt gedaan over de levenskwaliteit van alle mensen in dezelfde gezondheidstoestand, is voor de voorstanders zonder betekenis.

Terecht is de internationale en Europese opinie verontrust over deze verschuiving in mensvisie en het doorbreken van de inclusiviteit van de mensenrechten op basis van gezondheidscriteria. De stemming dit voorjaar van de Nederlandse euthanasiewet lokte over de hele wereld felle reacties uit. Deze zomer reeds kwam de Nederlandse euthanasiewet onder vuur te liggen van de mensenrechtencommissie van de Verenigde Naties. De Nederlandse diplomatie en de informatiedienst van het departement Buitenland sloven zich sindsdien uit om de euthanasiewet in alle wereldtalen te duiden, te verklaren en vooral te verdedigen.

De eerste vraag die ik de voorstanders van het euthanasievoorstel wil voorleggen, gaat over de internationale positie van België als behoeder van de mensenrechten. Getuigt het niet van kortzichtigheid of van hoogmoed om als klein landje de grote menselijke risico's van een euthanasiewet te lopen? Waarom zouden de risico's van een grensverleggende euthanasiewet, zoals andere democratieën ze aanvoelen, niet gelden voor onze samenleving? Wensen wij wel een Belgische euthanasiewet, die onze bevolking zal vervreemden van wat wereldwijd, zelfs na een grondige reflectie, als algemeen redelijk of universeel menselijk wordt beschouwd?

Mijn tweede vraag richt ik tot de mede-indieners van de PRL-fractie. Het meerderheidsvoorstel bepaalt dat een patiënt in een voorafgaande wilsverklaring de arts kan vragen zijn leven actief te beëindigen wanneer hij niet meer bij bewustzijn is. Tijdens de commissiebespreking verduidelijkte de euthanasiemeerderheid dat met buiten bewustzijn wordt bedoeld: de mensen die niet meer bewust zijn van zichzelf en van hun omgeving of die niet meer in staat zijn tot relationeel contact. Dat impliceert dat ook geesteszieken, dementen en Alzheimerpatiënten onder deze regeling vallen. De afwijzing van de wettelijke erkenning van de wilsverklaring met het verzoek tot actieve levensbeëindiging werd krachtig verwoord bij de toelichting van het eerste wetsvoorstel van de heer Monfils. Hij argumenteert: "wie op het ogenblik van de wilsverklaring in goede gezondheid verkeert, niet weet of en wanneer hij aan een zware aandoening zal lijden, niets weet van de maatschappelijke omstandigheden waarin hij dan zal verkeren en ook niets weet over zijn persoonlijkheidsontwikkeling en hoe hij zal reageren op de ziekte. De aanwijzingen in de wilsverklaring over de eigen dood bij ernstige ziekte zijn dus alleen maar gegrond op abstracte overwegingen en zijn zeker geen uiting van een concreet verlangen in de beleefde situatie."

Mijn vraag aan de PRL-indieners luidt: wat veranderde uw visie, welke elementen, welke tussenkomsten, welke gebeurtenissen maakten dat u nu wel uitdrukkelijk voorstander bent van een voorafgaande euthanasieverklaring?

Euthanasie in de betekenis zoals de samenleving ze vat, heeft betrekking op mensen die geconfronteerd worden met het naderende levenseinde, over mensen die doodziek zijn en die zich in een uitzichtloze en dramatische situatie bevinden.

Het meerderheidsvoorstel geeft aan euthanasie echter een heel andere betekenis. Het voorstel gaat niet alleen uit van situaties waarin mensen de dood nabij zijn, maar ook van situaties waarin mensen niet meer willen leven omdat ze ongeneeslijk ziek of gehandicapt zijn of omdat ze psychisch lijden.

In het eerste VLD-voorstel was de stervensfase nog een voorwaarde voor levensbeëindigend handelen. Het voorstel Leduc vereiste dat zowel de eerste als de tweede arts vooraf de terminale fase van de patiënt bevestigde. Het moest vaststaan dat er geen hoop meer was op langer leven.

Mijn derde vraag richt ik daarom tot de VLD-fractie: waarom werd het terminale aspect als de voorwaarde voor levensbeëindigend handelen opgegeven?

Er zijn de voorbije maanden veel peilingen en enquêtes gehouden om een beeld te krijgen van de opinie van de bevolking en van de gezondheidswerkers over euthanasie. Er is veel te zeggen over de vraagstelling, over de methode en over de representativiteit van deze onderzoeken. Maar bij alle resultaten bleek dat er nooit een meerderheid gevonden werd voor levensbeëindigend handelen bij niet-terminale patiënten.

Als nieuwe volkspartij zou ik de VLD dus willen adviseren om terug te keren naar het oorspronkelijk euthanasievoorstel, dat beter overeenstemt met het algemeen aanvoelen van onze bevolking en dat blijkens de persverklaring van vandaag overigens ook beter wordt aanvaard door de VLD-Kamerfractie.

Een vierde prangende vraag wil ik de voorstanders van dit euthanasievoorstel voorleggen: willen zij als samenleving de deur openzetten voor een euthanasiepraktijk als hulp bij psychisch lijden? Uit de statistieken blijkt hoe langer hoe meer dat zelfmoord in Vlaanderen en België een ernstig probleem vormt, zeker in vergelijking met de ons omringende landen. De recente cijfers van de Vlaamse gezondheidsindicatoren tonen aan dat bij oudere mensen het aantal zelfmoorden vrij hoog ligt, vooral bij mannelijke 65-plussers. Het herkennen, het juist interpreteren en het adequaat reageren op signalen van psychische nood is uiterst belangrijk. Personen die lijden aan zware depressies, psychoses of allerlei persoonlijkheidsstoornissen ervaren op die momenten, of zelfs gedurende jaren, dat lijden als ondraaglijk. Is het de bedoeling van de wetgever om voor deze mensen medisch begeleide zelfdoding mogelijk te maken?

Willen wij als samenleving het signaal geven dat geassisteerde levensbeëindiging mogelijk is voor wie in psychische nood verkeert?

Hebben we dan geen andere mogelijkheden meer in onze samenleving om wanhoop, moedeloosheid, verdriet en eenzaamheid tegen te gaan?

Mijn vijfde vraag betreft de oprechte politieke wil om zieke en doodzieke mensen in onze samenleving met palliatieve zorg te omringen.

De vraag naar euthanasie is een uitzonderlijke maar vaak dubbelzinnige vraag.

Tijdens de hoorzittingen hebben deskundigen erop gewezen dat de euthanasievraag soms wordt ingegeven door relatiestoornissen of het vastzitten in een verwerkingsproces of de angst voor doodgaan of voor wat daarna komt.

De achterliggende vraag betreft dan geen vraag om euthanasie, maar een vraag om hulp, aanwezigheid en warmte van iemand die luistert, troost en bemoedigt.

De euthanasievraag verdwijnt ook in de meeste gevallen wanneer met deskundigheid en inzet de juiste pijnbestrijding en de beste comfortzorg aangeboden wordt.

Daarom blijft de palliatieve sector er bij u, collega's, op aandringen om vooralsnog bij elk euthanasieverzoek een deskundige palliatieve beoordeling toe te laten. Een groot aantal euthanasievragen zijn immers vragen om hulp als gevolg van het ontbreken van goede palliatieve zorg. Een palliatieve filter is dus essentieel om oneigenlijke euthanasie te vermijden.

Ik zou niet begrijpen waarom vooral de collega's van de groene fracties het risico op oneigenlijke euthanasie zouden laten bestaan. Willen zij dan een wet goedkeuren die het risico inhoudt dat euthanasieverzoeken worden ingewilligd, die eigenlijk vragen om hulp waren, vragen waarvoor wel degelijk een redelijke en andere oplossing was.

Collega's, graag had ik u tot slot een kleine toelichting gegeven bij een bijzonder sprekend kunstwerk van de Vlaamse kunstenaar Roger Raveel. Het werk draagt de naam "Solidariteit" en verwijst tegelijkertijd naar het ziekbed en naar de zorgzaamheid. Het werd evenwel op bevel van de voorzitter de zaal uitgedragen.

De heer Philippe Mahoux (PS). - Er werden precieze vragen gesteld, maar op een ongewone toon. Er werden dingen door elkaar gehaald en er waren beledigingen. Laat ik daar kort op reageren. Waar wordt gesproken over vervreemding, spreken wij over vrijheid en autonomie. Er wordt gezegd dat wij bepaalde vragen ten onrechte als vragen naar euthanasie zouden kunnen interpreteren. Ik verwijs hier naar de tekst, waarin duidelijk staat dat aan de decodering van de vraag naar euthanasie de nodige zorg moet worden besteed. Ik voeg er aan toe, en onze hoorzittingen hebben dat bevestigd, dat sommigen het soms moeilijk hebben een echte vraag naar euthanasie te erkennen, te horen en te beantwoorden omdat hun geweten hen dat verbiedt.

Mevrouw Jacinta De Roeck (AGALEV). - Ik heb alle respect voor het standpunt van mevrouw De Schamphelaere. Ik heb er ook respect voor dat ze herhaalt wat ze in commissievergadering al heeft aangehaald, maar het stoort me nog steeds dat ze het begrip "geestelijk lijden" uit de definitie haalt en isoleert. Ik wijs er nogmaals op dat het gaat om geestelijk lijden dat niet gelenigd kan worden en dat het gevolg is van een ernstige en ongeneeslijke ziekte. Het is niet juist om één enkel woord uit een tekst te isoleren om daarover dan een debat te voeren.

In verband met de solidariteit heeft mevrouw De Schamphelaere gelijk: in onze maatschappij bestaat inderdaad te weinig solidariteit. Mevrouw De Schamphelaere heeft een sterk solidariteitsgevoel, maar wij willen ook blijk geven van solidariteit voor de persoon die op zeker ogenblik terecht naar euthanasie vraagt. Ook dat is solidariteit. Solidariteit hoeft niet te worden beperkt tot een bepaalde groep, maar is een ruim begrip, dat goed onderbouwd ook in ons wetsvoorstel een heel belangrijke bekommering vormt.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Ik begrijp het verloop van het debat niet en ik begrijp al evenmin dat het standpunt dat mevrouw De Schamphelaere op de tribune verkondigt, als een persoonlijke aanval wordt geïnterpreteerd.

In de commissie werd ook vergaderd met gesloten deuren. Van bij de aanvang hebben wij de openbaarheid van de commissievergadering geëist. Wij schamen ons immers niet over het standpunt dat we in een vergadering met gesloten deuren innemen. Wij zouden ook citaten kunnen aanhalen uit die vergaderingen.

In een democratie is het trouwens niet meer dan normaal dat over euthanasie verschillende opvattingen bestaan. Ik vind het dan ook vreemd dat wie tegen de openbaarheid van de commissievergaderingen was, nu verwijst naar uitspraken in een vergadering met gesloten deuren.

Daarenboven vind ik dat elke partij het recht heeft haar standpunt, al is dit dan verschillend, bekend te maken in een assemblee. Collega De Schamphelaere heeft ons standpunt alleszins uitstekend vertolkt.

Dat we bezorgd zijn voor de geesteszieken is evident. De ruimere omschrijving die door mevrouw De Roeck wordt gegeven, verandert trouwens niets aan onze vaststellingen. Dat ze het niet met ons eens is, hebben we al begrepen, maar dat is nu eenmaal het uitgangspunt van het debat.

De voorzitter. - De algemene bespreking in commissie vond in het openbaar plaats.

Mevrouw Jeannine Leduc (VLD). - De opmerkingen na de toch wel duidelijke vragen van mevrouw De Schamphelaere zijn terecht. Daar moet trouwens niets achter worden gezocht. Ik zelf zal op het gepaste ogenblik op die vragen antwoorden.

Ik heb respect voor het mensbeeld van mevrouw De Schamphelaere, maar wij vragen dat zij ook respect heeft voor het onze. Wij zijn alleszins even gevoelig en bekommerd als mevrouw De Schamphelaere.

Ik heb weliswaar respect voor haar standpunt, maar onze visie is dat de zieke, die op zeker ogenblik niet meer in staat is de pijn te dragen, al is die psychisch of fysiek, een positief antwoord moet krijgen op zijn terechte vraag naar euthanasie.

Mevrouw Myriam Vanlerberghe (SP.A). - Ik heb de vragen genoteerd en zal ze onderzoeken. Sommige werden in de commissie al beantwoord. De andere zullen we in de loop van het debat beantwoorden.

Mevrouw De Schamphelaere vraagt zich af of we op het punt zijn beland dat we de kwaliteit van het leven belangrijker achten dan leven op zich. Ja. Dit is het grote verschil. Ik heb respect voor iemand die het leven op zich heel belangrijk vindt, maar wij hebben het recht van oordeel te zijn dat ook rekening moet worden gehouden met de kwaliteit van het leven. Dit verdeelt ons inderdaad.

Mevrouw Jacinta De Roeck (AGALEV). - De heer Vandenberghe beschouwt dit als een persoonlijke aanval, maar dat is het helemaal niet. Mevrouw De Schamphelaere weet ook heel goed dat ik haar mening respecteer. We hebben heel veel gesprekken met elkaar gevoerd, telkens wanneer we naar de commissie gingen of er vandaan kwamen. Ze heeft echter concrete vragen gesteld. Eén daarvan ging over het psychisch lijden en ik weet dat die precies voor de Agalev-fractie bedoeld is, zoals andere vragenheel duidelijk aan andere fracties zijn gesteld. Agalev heeft op het punt van het psychisch lijden immers altijd sterk de nadruk gelegd en ik heb dan ook het recht op die vraag te antwoorden. Dat doet echter niets af aan mijn respect voor de mening van mevrouw De Schamphelaere. Iedereen moet in eer en geweten een eigen standpunt innemen en dat iemand bij dat standpunt blijft, respecteer ik. We zijn ook niet van plan mevrouw De Schamphelaere te overtuigen, zoals zij ook niet van plan is ons te overtuigen.

De heer Guy Moens (SP.A). - Mevrouw De Schamphelaere heeft verwezen naar een lithografie van Roger Raveel om haar betoog te ondersteunen. Wanneer men gebruik maakt van een kunstwerk, moet men dat wel in de juiste context doen. Dat kunstwerk van Roger Raveel pleit in feite voor een standpunt dat ingaat tegen wat mevrouw De Schamphelaere voorstaat. Het werd immers gemaakt in opdracht van de socialistische mutualiteit, in het kader van een actie om een menswaardige en euthanasiegerichte begeleiding bij het levenseinde mogelijk te maken. Het is dus belangrijk de historiek van een kunstwerk na te gaan als men ernaar verwijst.

De voorzitter. - Het is altijd gevaarlijk kunstenaars, die zelf niet aanwezig zijn, in een politiek debat te betrekken. Ik ben zelf de zoon van een kunstenaar en meen dat het niet gepast is een kunstwerk als argument in een politieke vergadering te brengen. Dat kunstwerk een interpretatie meegeven vertroebelt het vreedzame karakter en de sereniteit van een debat.

De heer Jan Remans (VLD), corapporteur.. - Ik vraag me af of mevrouw De Schamphelaere de toestemming van de kunstenaar heeft om het kunstwerk hier te gebruiken? Worden daarop auteursrechten betaald?

Mevrouw Mia De Schamphelaere (CD&V). - Alle collega's weten dat ik twee jaar lang zeer intens en persoonlijk geëngageerd heb deelgenomen aan het euthanasiedebat. Ik vond het dan ook heel moeilijk om ter afsluiting van de discussie in de plenaire vergadering al mijn bekommernissen, bezorgdheid en bezwaren rond het voorstel krachtig samen te vatten. Ik heb dat gedaan aan de hand van vijf vragen, waarop ik hier en daar al een antwoord heb gekregen, maar die ook in de samenleving leven én in de kamerfracties van de meerderheid. Dat wil ik toch benadrukken. Als de Senaat een mooi werkstuk wil afleveren, moet daarmee rekening worden gehouden.

Ik heb me ook door middel van een kunstwerk willen uitdrukken. Het parlement is de tribune van het woord en er worden hier dan ook heel veel auteurs en dichters geciteerd. Ik wilde alleen heel krachtig mijn bekommernis uiten over de toekomst van de solidariteit in onze samenleving. Dat dit kunstwerk mensen aanspreekt, is duidelijk. Dat het mensen met uiteenlopende opvattingen aanspreekt, is ook duidelijk. Mij sprak het onmiddellijk aan als beeld van de zorgzame samenleving, gebogen over het ziekbed.

De voorzitter. - Ik begrijp zeer goed wat u bedoelt, mevrouw, maar het zou wellicht het verloop van onze werkzaamheden bemoeilijken als iedereen dat zou doen.

De heer Alain Destexhe (PRL-FDF-MCC). - Ik sta achter de filosofische keuzes van de indieners van het voorstel. Ik deel ook hun opvatting over de menselijke waardigheid. Ik geloof in de autonomie van elke mens en ik vind dat elkeen het recht heeft het moment van zijn levenseinde te bepalen. Maar ik heb heel wat vragen bij de gebruikte terminologie en bij het dispositief van het wetsvoorstel.

Ik dank de indieners omdat zij het debat op gang hebben gebracht. Ik twijfel er niet aan dat zij gedreven worden door de wil om mensen die lijden te helpen, om de euthanasie uit de clandestiniteit te halen en om voldoende garanties in te bouwen tegen misbruiken, al vind ik dat de twee laatste punten meer problemen creëren dan er worden opgelost.

Ik ben er ook van overtuigd dat een wetgevend initiatief nodig was, niet alleen omwille van de evolutie in de maatschappij, maar ook omdat het nodig was de beoogde handelingen zeer nauwkeurig te definiëren. Verder moest een evenwicht worden gezocht tussen, enerzijds, een zeer intieme handeling, de vertrouwensrelatie tussen de arts en de patiënt en, anderzijds, de administratieve handelingen die nodig zijn om de wet na te leven.

De indieners hadden op beide punten beter gekund. Ik ben er ook van overtuigd dat de Nederlandse wet op heel wat punten beter is dan tekst die hier voor ligt.

Mijn betoog omvat twee delen. Het eerste betreft de gebruikte terminologie.

Ik hou niet van het woord "euthanasie". Het dekt niet de zeer uiteenlopende situaties die wij hier voor ogen hebben. Bovendien is het hoe dan ook een historisch geladen term. Het ware beter en eerlijker geweest om, zoals in Nederland, te spreken van levensbeëindiging en van hulp bij zelfdoding. Men had ook beter het onderscheid moeten maken, en hier richt ik mij in het bijzonder tot de heer Mahoux, tussen de terminale fase - die ik de fase van het levenseinde zou noemen - en de medische hulp bij zelfdoding.

Ik geef toe dat de terminale fase niet wetenschappelijk kan wordt gedefinieerd. Toch is er een duidelijk verschil tussen de medische situatie van een verlamde patiënt die nog twintig jaar kan leven en een kankerpatiënt met talrijke uitzaaiingen.

Ik ben ervan overtuigd dat er een - weliswaar andere - regeling nodig was voor de terminale fase, wat overeenstemt met 99% van de gevallen in de praktijk. Voor de niet terminale fase betwijfel ik dat nog steeds, en dit om twee redenen. De eerste reden ligt voor de hand. Het gaat om een zeer klein aantal gevallen. Voorts ben ik het eens met sommige leden van de oppositie dat hiermee een verkeerd signaal wordt gegeven aan de samenleving. De voorbije vijfenveertig jaar heeft zich een buitengewone ontwikkeling voorgedaan op juridisch, ethisch en politiek vlak ter bescherming van het leven door middel van verschillende internationale conventies. In de arbeidswetgeving wordt bijvoorbeeld het recht op leven boven de individuele vrijheid geplaatst.

Parallel met die evolutie naar meer bescherming, zien we ook dat de individuele vrijheid en de autonomie van de persoon steeds meer aan belang wint.

Tussen die twee waarden bestaat er duidelijk een spanningsveld. Dit komt overigens niet alleen in dit debat tot uiting, maar onder meer ook in het arbeidsrecht. De Raad van State bevestigt trouwens dat tot nog toe geen enkele tekst aangeeft hoe dit conflict tussen grondrechten moet worden beslecht.

Men kan niet anders dan vaststellen dat het voorstel van de heer Mahoux, mevrouw Nagy en mevrouw Leduc toch een overschrijding inhoudt van het verbod om te doden. Natuurlijk is het niet de bedoeling het recht om te doden in te voeren, maar toch is het een barstje in het bouwwerk dat sedert de Verlichting, en in versneld tempo sedert 1945, werd opgebouwd. Mevrouw Nyssens heeft gelijk wanneer ze stelt dat aldus een nieuw mensbeeld wordt geïntroduceerd. Dat is een onrustwekkende evolutie.

Mevrouw Marie Nagy (ECOLO). - U heeft zeer goed het spanningsveld geschetst tussen het recht op autonomie van het individu en het fundamentele recht op leven. Al wie heeft meegewerkt aan de totstandkoming van deze tekst, weet dat dit een zeer gevoelig element is. Toch moet men rekening houden met het feit dat de toelating om te doden niet tot doel heeft het leven te beëindigen, maar wel de patiënt te verlossen van een pijn die niet anders kan worden gelenigd. Er is dus een groot verschil tussen het begrip doodslag of moord en de ingreep die hier wordt bedoeld. Hierover werd lang gediscussieerd en het zou oneerlijk zijn dit uit zijn context te rukken en zonder meer als een vergunning om te doden te bestempelen.

De heer Philippe Mahoux (PS). - Mijnheer Destexhe, wat u daarnet komt te zeggen is in strijd met uw principiële goedkeuring van de filosofische keuzes van de indieners.

Mevrouw Nagy heeft zeer juist het nagestreefde doel omschreven.

U weet dat wij met evenveel overtuiging het recht op euthanasie als de afschaffing van de doodstraf verdedigen.

De voorzitter. - Collega's, de heer Destexhe is amper begonnen met zijn uiteenzetting en hij wordt al onderbroken. Laat hem zijn betoog verder zetten. Iedereen moet de gelegenheid krijgen om hier in alle sereniteit aan het woord te komen. Wie wil tussenkomen heeft straks nog de gelegenheid daartoe, bij de bespreking van de amendementen.

De heer Philippe Mahoux (PS). - De uitlatingen van de heer Destexhe hebben reacties uitgelokt.

De voorzitter. - Dat brengt leven in het debat en daar heb ik niets op tegen. Ik stel echter vast dat de heer Destexhe nog maar net begonnen is en dat er al reacties komen.

De heer Alain Destexhe (PRL-FDF-MCC). - Het vervolg van mijn uiteenzetting gaat gedeeltelijk in op de vrees van mevrouw Nagy en op de problemen die ze naar voren heeft bracht.

Naast de juridische ontwikkeling, die mij verontrust, denk ik ook aan het concrete probleem van de zieken die zich in die situaties bevinden.

Camus heeft gezegd dat zelfmoord het enige ernstige filosofische probleem is. Is het leven het waard om geleefd te worden? Hij heeft uiteraard gelijk. Ik denk dat het niet alleen een filosofisch, maar ook een praktisch probleem is. Voor mij is de mens een universum op zichzelf. Iedereen is gelijk in waardigheid en in rechte. Wie zelfmoord wil plegen, heeft daartoe het recht. Ik ben het met de heer Mahoux eens dat niemand het leven van de andere mag evalueren. Net als hij was ik zeer geschokt door de verklaringen van Crick, winnaar van de Nobelprijs voor geneeskunde, dat het leven vanaf een bepaalde leeftijd, geen waarde meer heeft.

Ik denk dat voor deze zieken, die niet in een stervensfase maar wel in een noodsituatie verkeren, een oplossing voor hun pijn en leed moet worden gezocht binnen de relatie arts-zieke, met inachtneming van het ethisch besef en binnen het kader van de medische deontologie.

Sommige artsen voeren dagelijks levensbeëindigingen uit. Ze hebben niet het gevoel dat ze de code van medische deontologie schenden. Ze zijn ervan overtuigd hun plicht als arts te vervullen. Die gevallen moeten volgens mij worden opgelost binnen de relatie arts-zieke, en niet noodzakelijk in het kader van de wet. Er is op gewezen dat, noch zelfmoord, noch hulp bij zelfdoding, een overtreding is. Er is ook op gewezen dat het openbaar ministerie de mogelijkheid had om te vervolgen. In het geval van Jean-Marie Lorent, dat door de heer Monfils is aangehaald, is er totnogtoe geen vervolging. Er is verwezen naar Zwitserland. Dat is misschien allemaal waar, maar waar het hier op aankomt is opvatting van de geneeskunde.

Mijn tweede bezwaar tegen het voorstel houdt verband met het dispositief. Ik denk dat het mogelijk was dezelfde doelstelling te bereiken met een andere tekst, met andere voorwaarden en andere procedures. Ik weet wel dat de huidige tekst maximale garanties bevat en zodanig is opgesteld dat kritiek zo veel mogelijk wordt vermeden.

Het eindresultaat leidt tot een procedure met 17 punten en 39 gegevens die moeten worden verstrekt aan de evaluatiecommissie. In tegenstelling tot wat de heer Mahoux gisteren zei, denk ik dat de dood inderdaad wordt gebureaucratiseerd. In dat opzicht lijkt de Nederlandse wet, waar de voorzorgsmaatregelen die de arts in acht moet nemen worden opgesomd, mij veel doeltreffender dan het voorstel dat wij thans bespreken.

De Nederlandse wettekst legt dus principes vast die de arts moet naleven, terwijl bij ons voorwaarden en procedures worden opgelegd.

Ik denk dat het ethisch besef in sommige gevallen zal worden vervangen door een administratieve gemakkelijkheidsoplossing.

De heer Mahoux en ikzelf hebben een andere opvatting over de geneeskunde.

Ik ben het wel met hem eens dat de artsen niet perfect zijn en dat euthanasie thans wordt uitgevoerd in onaanvaardbare omstandigheden.

Ik ben het er ook mee eens dat de patiënt beter moet worden geïnformeerd, dat systematisch een medisch dossier moet worden bijgehouden, maar daarvoor was niet zo'n strikte procedure nodig.

Ik geloof ook niet dat de maatschappij een democratische controle moet uitoefenen op euthanasie, en dus op een intieme handeling als de dood. Op grond van het zelfbeschikkingsrecht wil ik niet dat de maatschappij een democratische controle uitoefent op mijn dood, dat mijn dossier wordt overgezonden naar een evaluatiecommissie als ik dat niet wens, en dat ik een verzorgend team moet raadplegen. Ik kan aannemen dat anderen dat wel wensen, of dat het informeel gebeurt binnen een dienst, maar niet dat het wordt opgelegd zoals in voorliggend voorstel. De maatschappij mag weliswaar controle uitoefen, maar dat is de taak van het gerecht, dat moet optreden als het op de hoogte is gebracht van strafbare feiten.

Ik betwijfel ook dat de wet clandestiene euthanasie zal voorkomen. Een aantal artsen zullen immers worden afgeschrikt door de zware procedure en euthanasie blijven uitvoeren zoals ze dat nu doen. Ik denk ook niet dat bijvoorbeeld in kankerafdelingen, die vertrouwd zijn met dat probleem, en waar alles op deontologisch aanvaardbare wijze verloopt, artsen en patiënten bereid zullen zijn om formulieren in te vullen en de handtekening van een tweede arts te zoeken.

De toestand van bewusteloosheid wordt niet geregeld in het kader van de wet. Professor Vincent heeft gisteren echter op televisie gezegd dat het zeer goed denkbaar is dat, in de huidige medische praktijk, artsen de medische apparatuur uitschakelen, hoewel de familie zich daartegen verzet, omdat zij weten dat de toestand uitzichtloos is.

De heer Philippe Mahoux (PS). - Ik heb dat ook gehoord. Is het echter aanvaardbaar dat in dergelijke gevallen euthanasie wordt toegepast zonder dat de patiënt zijn wil heeft uitgedrukt of, indien hij bewusteloos is, zonder dat hij een wilsverklaring heeft afgelegd? Het is juist om dat soort situaties te voorkomen dat grenzen zijn gesteld en dat de macht van de artsen wordt beperkt. Die macht is nodig in het kader van de vertrouwensrelatie tussen arts en zieke en het nemen van een beslissing, maar er moeten beperkingen worden gesteld aan de medische praktijk.

In Luik hebben mensen hun verantwoordelijkheid op zich genomen, met de bekende gevolgen. Er worden overigens ook fouten gemaakt door het ontbreken van een regeling. Soms wordt het verzoek van de zieken niet ingewilligd als gevolg van het strafrechtelijk verbod en de sanctie die eruit voortvloeit. Als we het over maatschappelijke controle hebben, betekent dat niet dat we het privé-leven willen regelen, maar dat we ontsporingen willen voorkomen. Een voorbeeld daarvan is euthanasie zonder verzoek, wat onaanvaardbaar is.

De heer Alain Destexhe (PRL-FDF-MCC). - Absoluut!

De heer Philippe Mahoux (PS). - Enerzijds zegt de heer Destexhe dat euthanasie zonder verzoek onaanvaardbaar is, maar anderzijds verdedigt hij dat het toch gebeurt. Dat is tegenstrijdig. Hij probeert spanningen te voorkomen door oplossingen te vinden die de beide kampen gelijk geven. Die spanningen bestaan echter: zowel de voorstanders als de tegenstanders van het wetsvoorstel hebben erop gewezen.

Met dit voorstel proberen wij oplossingen te vinden voor die spanningen. De heer Destexhe heeft het over de administratieve behandeling van het probleem en over het grote aantal voorwaarden. Hij zou ze beter herlezen. Naast de verplichte aangifte zijn de andere voorwaarden juist bedoeld om de dialoog met en de voorlichting van de patiënt te garanderen, hem te wijzen op de mogelijkheden die hem worden geboden, palliatieve zorg incluis, en het hem mogelijk te maken zijn verzoek te handhaven als hij dat wenst. Zijn die voorwaarden dan zo hinderlijk voor de therapeutische vrijheid? Het invullen van formulieren kan misschien hinderlijk zijn,. maar dan zouden we dat ook kunnen zeggen van een medisch dossier. In de reanimatiediensten moeten de dossiers niet per dag, maar per uur en soms zelfs per minuut worden bijgehouden. Beperkingen zijn ingebouwd om het noodzakelijk evenwicht te verzekeren. De maatschappij en de wetgever moeten garanties inbouwen om eventuele ontsporingen te voorkomen.

De voorzitter. - Heren dokters, u kunt uw gesprek later voortzetten. Nu verzoek ik de heer Destexhe zijn betoog te hervatten.

De heer Philippe Mahoux (PS). - Hier zijn wij wetgever.

De heer Alain Destexhe (PRL-FDF-MCC). - Toch wil ik de heer Mahoux nog van antwoord dienen. Net als hij ben ik tegen euthanasie die wordt uitgevoerd zonder instemming van de patiënt. Dat betekent nog niet dat ik voorstander ben van de wettekst en de ingebouwde garanties. Ik geef twee voorbeelden. In de diensten oncologie worden nu al zo veel mogelijk ethische voorzorgen genomen. Ik begrijp dan ook niet waarom deze zeer logge procedure wordt opgelegd. Er waren andere oplossingen mogelijk.

Voor personen die niet bewust zijn, moet de discussie worden hervat. Wat moet er immers gebeuren met een dergelijke patiënt die geen wilsverklaring heeft geformuleerd en alleen in leven blijft dankzij kunstmatige beademing, als de artsen de toestellen niet mogen uitschakelen? Dan rijst er echt een probleem.

De heer Philippe Mahoux (PS). - Wij hebben gezegd dat niet alle problemen zouden geregeld zijn met dit wetsvoorstel, maar dat het een belangrijk stap vooruit betekent. We hebben ook gezegd dat we niet uitsluiten dat de noodtoestand wordt ingeroepen voor gevallen die niet door dit wetsvoorstel worden geregeld. Voor die gevallen mag de situatie er niet op achteruitgaan.

De heer Alain Destexhe (PRL-FDF-MCC). - U hebt eerst gezegd dat wat ik voorstelde niet aanvaardbaar is voor een zieke die niet bij bewustzijn is. Wat ik voor die zieken voorstel, gebeurt nu al in de reanimatiediensten, naar mijn mening in overeenstemming met de ethische en deontologische regels.

Wat het geval van Luik betreft, vind ik het zeer schokkend dat de arts gearresteerd is. Ook daar moest een middenweg mogelijk zijn tussen het huidige rechtsvacuüm en het wetsvoorstel. In het geval van Luik stond geen enkele vermelding in het medisch dossier. Alles is clandestien gebeurd.

De heer Philippe Moureaux (PS). - Hebt u toegang gehad tot het medisch dossier?

De heer Alain Destexhe (PRL-FDF-MCC). - Ik heb inlichtingen ingewonnen over alle gevallen die zich hebben voorgedaan.

De procedures en het bijkomend administratief werk in eenheden waar euthanasie al wordt toegepast, de problemen rond het bewustzijn, de schemerzone tussen bewustzijn en bewusteloosheid, en uiteraard de problemen die verband houden met de ziekte van Alzheimer, zijn typische gevallen waarvoor dit voorstel niet kan worden toegepast, als de patiënt niet minder dan vijf jaar geleden een wilsverklaring heeft afgelegd. Dan moet een beroep worden gedaan op het ethisch besef dat de arts confronteert met de zieke en met diens familie, en kan niet systematisch een wettekst worden gevolgd. Deze wet kan niet worden ingeroepen in het geval van de ziekte van Alzheimer.

De voorzitter. - Ik hoop dat niemand eraan denkt de bepalingen betreffende euthanasie toe te passen voor patiënten die aan die ziekte lijden, want in dat geval is er per definitie geen sprake van de wil van de patiënt.

De heer Alain Destexhe (PRL-FDF-MCC). - In de commissie hebben wij daarover persoonlijke getuigenissen gehoord. De situatie is niet zo duidelijk als u aangeeft, mijnheer de voorzitter. Ik herinner mij een dame die de situatie van haar moeder heeft uiteengezet.

Tot besluit heb ik nog drie opmerkingen.

De eerste heeft betrekking op economische factoren. Ik wil de indieners van het voorstel geen bedoelingen toedichten. Zij hebben herhaald dat ze niet wilden dat economische factoren meespelen bij de beslissing. Toch werd ik in sommige hoorzittingen getroffen door de rol die deze factoren in sommige omstandigheden kunnen spelen.

Wat die economische factoren betreft, kan de druk, in bepaalde omstandigheden, niet van de omgeving of de arts, maar van de zieke zelf uitgaan. Deze kan op een bepaald ogenblik gaan denken dat hij een te zware last betekent voor zijn naasten, zijn arts en de maatschappij, en vragen dat een einde wordt gemaakt aan zijn leven, niet omdat hij het werkelijk wil, maar omdat het een verlichting is voor zijn omgeving en voor de maatschappij. Het lijkt mij belangrijk dat rekening wordt gehouden met dit argument dat tijdens de hoorzittingen ter sprake kwam.

Het tweede element waarop ik geen antwoord heb gekregen, heeft betrekking op de depressie en alles wat daarmee verband houdt. Het is de ziekte van de 21e eeuw. De Wereldgezondheidsorganisatie heeft gezegd dat ze de komende jaren een sterke uitbreiding zal kennen. Thans krijgt één persoon op twee met een depressie af te rekenen. In het geval van het levenseinde of een ongeneeslijke ziekte is de grens tussen een depressieve toestand en de wil om eruit te stappen bijzonder vaag.

Tijdens de talrijke openbare debatten die ik buiten de Senaat heb bijgewoond, ben ik getroffen door de vooruitgang in de sector van de geriatrie. In mijn studententijd werd die discipline beschouwd als een onderdeel van de geneeskunde. Nu is ze een volwaardige discipline. Verschillende geriaters hebben mij erop gewezen dat het geestesvermogen van bejaarden die om euthanasie verzoeken eenvoudigweg veranderd kan zijn door dehydratie of slechte verzorging.

Wij hebben veel gesproken over palliatieve zorg. Misschien moesten we het eerder hebben over de curatieve medische behandeling van bejaarden. Verschillende geriaters hebben mij ervan overtuigd dat de behandeling van bejaarde patiënten niet in alle instellingen dezelfde is.

De heer Paul Galand (ECOLO). - Palliatieve zorg behoort tot de medische sfeer!

De heer Alain Destexhe (PRL- FDF- MCC). - Mijn opvatting over euthanasie is geëvolueerd als gevolg van de debatten, de hoorzittingen en de vergelijking van de wetgeving van Nederland met die van ons land.

Na twee jaar debatten lijkt dit wetsvoorstel mij beter dan het behoud van de huidige situatie. Ik heb mij tegen vele aspecten van de nieuwe wet verzet, omdat ik tot op het laatste ogenblik dacht dat een andere formule mogelijk was. Het voorstel van Alain Zenner, Nathalie de T' Serclaes, Paul Galand en mezelf maakten het mogelijk euthanasie toe te passen in situaties aan het levenseinde en tegemoet te komen aan de meeste situaties die zich in de praktijk voordoen. Het gaf zieken en artsen een wettelijk kader dat thans niet bestaat.

Het was veel soepeler dan voorliggend voorstel en was meer gericht op het medisch dossier waarin het verzoek en de gestelde handelingen zouden moeten worden medeondertekend door een ander persoon.

Het hield een poging in om de traditionele filosofische scheidingslijnen te overbruggen, want de vier indieners hebben niet dezelfde overtuiging.

Ik betreur dan ook dat ons voorstel niet is gevolgd. Er bestond geen consensus over, maar ik denk dat het op meer instemming van de samenleving had kunnen rekenen.

Verwelkoming van een buitenlandse delegatie

De voorzitter. - Ik begroet een delegatie van de European Scrutiny Committee van het Britse Lagerhuis. Ik wens haar een vruchtbaar verblijf in ons midden toe. (Algemeen applaus)

Wetsvoorstellen betreffende de euthanasie en de palliatieve zorg

Voortzetting van de algemene bespreking

De heer René Thissen (PSC). - Na twee jaar reflectie in de Senaat en een debat dat al langer aan de gang is in de samenleving, behandelen wij een eerste voorstel over euthanasie. De meerderheid heeft, tegen onze wil in, beslist om eerst het debat over de euthanasie te voeren en pas daarna dat over de palliatieve zorg.

De keuze van die volgorde is veelbetekenend. Algemeen wordt aanvaard dat goede palliatieve zorg een daling van de euthanasieverzoeken tot gevolg heeft. Een veralgemening van de palliatieve cultuur zou er wellicht toe leiden dat door de grote daling van het aantal euthanasieverzoeken vanzelf de vraag rijst van depenalisering van euthanasie, wanneer deze daad wordt gesteld in het kader van de noodtoestand.

Niet alleen de discussie moest in een andere volgorde worden gevoerd, maar ook de inspanningen in de praktijk. Het wetsvoorstel betreffende de palliatieve zorg is vooral een lijst van goede bedoelingen, waaraan weinig concrete verplichtingen zijn verbonden. Humanisme betekent voor ons dat iedereen op het einde van zijn leven voldoende begeleiding krijgt om op een waardige manier te sterven. Ik wil hier onze wil bevestigen om voor iedereen een waardig levenseinde mogelijk te maken en vooral de zwaksten te beschermen. Wij wijzen de politieke keuze af om aan het lijden een verlossende waarde toe te kennen: dat is een individuele keuze. Wij streven ernaar fysieke en psychische pijn zo goed mogelijk te bestrijden, ook al heeft dit een levensverkortend effect in de terminale fase. De heer Mahoux beweert dat wie tegen een wetswijziging is, automatisch ook elke vorm van euthanasie afwijst, maar dat is niet zo.

Wij waren bereid de voorstellen met een open geest te benaderen. Wij wilden ons niet in een bepaalde hoek laten opsluiten.

Van meet af aan hebben wij gevraagd dat hoorzittingen met deskundigen en filosofen zouden worden gehouden.

Ofschoon een diepgaande reflectie heeft plaatsgehad, mondde ze helaas uit in een situatie waarbij over de amendementen werd gestemd volgens de breuklijn meerderheid-oppositie. Geen enkel inhoudelijk amendement van de oppositie werd aangenomen. De door iedereen aangekondigde openheid was dus niet altijd aanwezig.

De lessen die we uit de hoorzittingen konden trekken, vormen de rode draad van mijn betoog. Aangezien de commissiewerkzaamheden deze week werden geschrapt om alle senatoren de gelegenheid te geven aan dit debat deel te nemen, had ik toch verwacht dat ze hier talrijker aanwezig zouden zijn.

De heer Philippe Monfils (PRL-FDF-MCC). - U moet zich wenden tot de afwezigen.

De heer René Thissen (PSC). - Ik kan mij alleen tot de aanwezigen richten.

De heer Philippe Monfils (PRL-FDF-MCC). - Ook bij de PSC zijn er afwezigen.

De heer René Thissen (PSC). - Vandaag wel.

De heer Philippe Mahoux (PS). - De helft van de PSC'ers zijn aanwezig, net zoals de helft van de assemblee.

De heer René Thissen (PSC). - Mijn opmerking geldt voor iedereen. Dit is een belangrijk debat. Ik zou verwachten dat elke senator het als zijn plicht beschouwt zich een zo genuanceerd mogelijk beeld te vormen van de behandelde materie.

De heer Philippe Monfils (PRL-FDF-MCC). - Ze hebben alle verslagen gelezen.

De heer René Thissen (PSC). - Ik geef alleen mijn visie. Iedereen doet daarmee wat hij wil. Het spreekt voor zich dat ik niet de mensen viseer die hier aanwezig zijn.

De heer Philippe Monfils (PRL-FDF-MCC). - U weet ook dat de bespreking in plenaire vergadering de bekroning is van de parlementaire behandeling van een dossier. Het is goed dat vele sprekers hun mening laten horen. De hele discussie kan evenwel niet worden overgedaan. Er werden al honderdvijftig amendementen ingediend in de openbare vergadering.

De voorzitter. - Dat bedoelde de heer Thissen ook niet met zijn opmerking.

Ik kan de heer Thissen verzekeren dat zowat alle leden van de Senaat gisteren of vandaag in de zaal zijn geweest. Het valt misschien te betreuren dat ze niet het hele debat bijwonen. Zelf ben ik al twintig jaar parlementslid en ik heb geen enkel debat meegemaakt dat anders is verlopen, zowel in de Kamer van Volksvertegenwoordigers, als in de Raad van de Franse Gemeenschap of van het Gewest, in de Raad van Europa of bij de WEU. Het is juist dat het debat bijdraagt tot het vormen van een eigen opinie en dat vooral de senatoren die geen lid zijn van de euthanasiecommissie dit debat zouden moeten bijwonen.

De heer Didier Ramoudt (VLD). - In de Senaat zit een niet onaardig aantal gemeenschapssenatoren. Zelf heb ik vanochtend in het Vlaams Parlement een commissievergadering bijgewoond en vannamiddag zijn er daar stemmingen in plenaire vergadering. Alvorens zo negatief over zijn collega's senatoren te spreken, zou de heer Thissen er goed aan doen eerst eens te informeren welke werkzaamheden er allemaal plaatsvinden.

De heer René Thissen (PSC). - Mijnheer Ramoudt, ik ben het volkomen met u eens. Er zijn inderdaad problemen. Ook ik moet vanmiddag weg om mijn plicht als gemeenschapssenator te vervullen. Toch hoopte ik op meer belangstelling voor dit debat.

Ik hervat mijn uiteenzetting.

In welke context zal deze wet moeten worden toegepast?

Uit de hoorzittingen kunnen we een en ander afleiden.

De meeste verzoeken om euthanasie worden niet door de patiënt, maar door zijn omgeving geformuleerd. Vaak vindt die het lijden ondraaglijker dan de patiënt zelf. De vraag kan ook van de verzorgers uitgaan. In ziekenhuizen wordt euthanasie meestal toegepast zonder dat de patiënt daarom heeft verzocht. De arts en het verplegend team moeten dus evenzeer, of zelfs nog meer, met het lijden en de moedeloosheid van de naasten van de patiënt afrekenen.

Aan het einde van zijn leven is de patiënt kwetsbaar en uiterst afhankelijk van de goede wil en bekwaamheid van zijn omgeving. Zijn autonomie is dus relatief. Hij is zeer gevoelig voor maatschappelijke, economische en familiale druk. Zoals mevrouw Baum terecht opmerkte, wordt sterven een steeds minder cultureel en steeds meer sociaal-economisch fenomeen.

Het is alsof de afhankelijkheid van de stervende persoon en het door de gezonde westerse mens aanbeden ideaal van de autonomie onverzoenbaar zijn.". Hoewel die enkel door de patiënt kan worden genomen, raakt een beslissing over het levenseinde niet enkel hem, maar ook zijn naasten, het verzorgend team en de hele samenleving. Het debat gaat evenzeer over wie kan beslissen als over welk de juiste beslissing is in een bepaalde situatie.

Het is essentieel de wil van de patiënt te eerbiedigen, maar het is ook essentieel een onderscheid te maken tussen de vraag van de zieke en zijn diepste wens. Wat vraagt een zieke bijna altijd wanneer hij euthanasie inroept? Zoals psychologe mevrouw Diricq zei "gaat het meer om anders te willen leven dan om te willen sterven." In de meeste gevallen gaat het om een "vraag om hulp van de zieke of van zijn familie om beter of minder slecht te leven." In de meeste gevallen is de vraag naar euthanasie een vraag om hulp. Een welwillende aandacht voor de patiënt en een betere begeleiding, zowel medisch als psychologisch, maken een adequaat antwoord mogelijk. De stervende zieke vraagt ons of hij nog in staat is tot waardige relaties met anderen.

Uit sommige medische dossiers blijkt dat naarmate de toestand van de patiënt verergert en hoe meer hij de dood nadert, er minder aantekeningen in zijn dossier komen en er minder bezoek komt. De sociale dood gaat de klinische dood vooraf.

Volgens Marie de Hennezel doodt de arts, die ingaat op de vraag van de patiënt, die patiënt tweemaal, namelijk reëel en symbolisch, door zijn gevoel van nutteloosheid te bevestigen. Euthanasie kan slechts een ultieme remedie zijn om het lijden te verlichten en slechts in ogenschouw worden genomen wanneer er geen minder schadelijk alternatief is. Dat staat niet in het voorstel.

De palliatieve zorg als totaalbegeleiding brengt daarom in de meeste gevallen de gewenste verlichting. Dat ontbreekt echter in het voorstel. De patiënt moet er enkel over worden geïnformeerd. Volgens de tekst moet de arts nagaan of het lijden van de patiënt aanhoudend is, maar er wordt niets gezegd over de eerste plicht van de arts om zijn patiënt alle curatieve en palliatieve morele en medische steun te geven en na te gaan of de gepaste zorg wordt verleend. De Academie voor Geneeskunde herinnert aan die plicht in haar advies van 27 mei 2000 over de problemen van het levenseinde. Hoe kan die worden nagekomen zonder een beroep te doen op een gespecialiseerde palliatieve equipe? Die raadpleging is niet voorzien. Er zal ons worden geantwoord dat dit in een afzonderlijk voorstel over de palliatieve zorg wordt geregeld. Maar dat voorstel houdt geen enkele verplichting in. Dat werd ook opgemerkt door de Raad van State. Slechts bepaalde patiënten zijn in staat de rationele keuze tussen euthanasie en palliatieve zorg te maken. Maar dat betekent dat het om een elitaire wetgeving gaat die de meerderheid van sociaal-economisch zwakkere patiënten in gevaar brengt. Die keuze kunnen we niet aanvaarden.

Het medisch en verzorgend personeel van ziekenhuizen en rusthuizen zegt dat het ondanks alle goede wil de zorg niet kan vermenselijken wegens een gebrek aan tijd of personeel. Er is vaak geen dialoog tussen arts en verzorgend team, de patiënt en zijn naasten. Ook stelt men vast dat de arts niet weet hoe pijn moet worden bestreden en dat er geen ethische discussie wordt gevoerd.

De sprekers hebben gewezen op het paternalisme dat nog steeds in onze ziekenhuizen heerst en op de noodzaak om de medische macht te democratiseren en om de patiënt de centrale plaats te geven waarop hij recht heeft. Vermenselijking van de zorg is ongetwijfeld een voorafgaande voorwaarde voor een depenalisering van euthanasie. De Algemene Unie van de verpleegsters van België is van oordeel dat de huidige context niet echt bevorderlijk is voor een serene en objectieve analyse van de verzoeken om euthanasie.

Veel verzoeken om euthanasie zouden kunnen worden vermeden als de patiëntenrechten wettelijk zouden worden vastgelegd. Zo zou vooral het principe moeten worden vastgelegd dat geen enkele medische handeling kan worden gesteld, gestaakt of voortgezet zonder de vrije en duidelijke instemming van de patiënt. Verzoeken om euthanasie die voortvloeien uit therapeutische hardnekkigheid kunnen worden vermeden als de patiënt correct over zijn toestand wordt ingelicht en als zijn toestemming is vereist voor bepaalde handelingen.

Patiëntenrechten zijn het antwoord op therapeutische hardnekkigheid. Ook hier is sprake van een hypothetisch wetsontwerp, maar in de Kamer is nog altijd niets ingediend. Het voorstel schuift een echte reflectie over dit onderwerp terzijde.

Elke reflectie over patiëntenrechten veronderstelt ook een reflectie over het moeilijke evenwicht tussen enerzijds de instemming van de patiënt met bepaalde behandelingen of zijn weigering om ze te ondergaan en anderzijds de therapeutische vrijheid van de arts. Ook hierover zegt het voorstel niets.

Ik wijs in dit verband op de kosten voor de gezondheidszorg. Mevrouw Baum heeft onderstreept dat economische ontsporingen geen fantasie zijn, maar een reëel gevaar voor het merendeel van de oudere patiënten. Uit een Franse studie bleek dat behandelingen worden stopgezet op basis van een subjectief oordeel van de arts over een gebrek aan verdere levenskwaliteit. De volgende criteria zijn de nutteloosheid van de zorg en de leeftijd van de patiënt. Daarna komt pas de vraag van de familie. Economische overwegingen spelen in 4 tot 8% van de gevallen een rol en leiden tot de dood van patiënten die geen verzoek hebben geformuleerd.

In de komende jaren worden in de verzorgingseenheden driemaal zoveel 75-plussers als nu en viermaal zoveel 85-plussers verwacht. Het economisch gewicht van de veroudering van de bevolking van ons oude continent heeft een vermindering van de medische zorg voor de vierde leeftijd met zich meegebracht en een grotere afhankelijkheid van deze bevolkingsgroep. De verwachting is dat de kosten die de veroudering met zich meebrengen tegen 2040 met minstens 30% zullen stijgen. Het gevaar van een economische ontsporing is reëel als men weet dat 75% van de uitgaven gaan naar 10% van de patiënten. Sommige westerse landen weigeren reeds bepaalde levensnoodzakelijke zorg terug te betalen. De laatste weken, en vooral de laatste levensdagen, zijn de duurste.

Arjen Rienks van de Nederlandse nierpatiëntenvereniging heeft een alarmkreet geuit over het Nederlandse beleid van bezuinigingen in de zorg en wijst op het gevaar dat euthanasie maatschappelijk wenselijk wordt.

De auteur wijst er ook op dat bij de dagelijkse selectie van patiënten die dialyse krijgen, rekening wordt gehouden met het criterium "nutteloze zorg", wat overeenstemt met het criterium "uitzichtloos lijden" bij euthanasie.

(Voorzitter: mevrouw Sabine de Bethune, eerste ondervoorzitter.)

Het oprecht en regelmatig herhaald verzoek van de patiënt biedt slecht weinig bescherming tegen misbruiken. Het wetsvoorstel geeft geen antwoord op de volgende vragen:

Uit de hoorzittingen bleek dat er vooral een gebrek is aan transparante regeling voor alle beslissingen op het levenseinde, de beslissingen inzake het stopzetten of weigeren van zorg, de afbouw van de therapie. Het verschil tussen alle beslissingen bij het levenseinde is de intentie die de handeling voorafgaat. Een controle van de intentie is onmogelijk. Om die reden moeten al deze beslissingen worden ingepast in een verplichte multidisciplinaire collegiale overlegprocedure. Die is des te belangrijker omdat de wet en de procedurele bescherming geen betrekking heeft op personen die zich in een intermediaire bewustzijnstoestand bevinden, wat volgens experts voor 80% van de personen in hun laatste dagen het geval is.

Er werd dikwijls verwezen naar de studie-Deliens waarin melding werd gemaakt van een groot aantal clandestiene euthanasiehandelingen in België. Is een depenalisering van gevraagde euthanasie en een legitimering van de praktijk het beste middel om deze praktijken te bestrijden? Bereikt men niet het omgekeerde effect? Creëert men geen vraag door de daad, die door sommige verenigingen de enige "goede dood" wordt genoemd, alledaags te maken?

In de realiteit hebben we vastgesteld dat een wetgeving inzake de patiëntenrechten, een a priori collegiaal overleg en de aanleg van een gedetailleerd medisch dossier de beste waarborgen zijn tegen clandestiene euthanasiehandelingen.

De Belgische wet is uniek. Ze gaat op essentiële punten verder dan de regeling in Nederland en Oregon.

Er werd ook vaak verwezen naar de rechtszekerheid voor de artsen, hoewel die volgens ons nogal zwak is. De artsenvereniging BVAS heeft zich tegen het wetsvoorstel van 24 november 1999 uitgesproken.

De Nationale Raad van de Orde van geneesheren heeft op 15 januari 2000 een negatief advies over het voorstel uitgebracht. De Nationale Raad stelde steeds aandacht te hebben gehad voor de noodtoestand bij problemen die in de laatste levensfase kunnen opduiken. De raad geeft toe dat de arts in uitzonderlijke omstandigheden kan worden geconfronteerd met een conflict tussen waarden en beslissingen. Hij moet afwegen of hij niet opzettelijk de dood uitlokt of het nodige doet om een patiënt in waardigheid te laten sterven. In die omstandigheden moet de arts in eer en geweten en in overleg met de patiënt een beslissing nemen die hij steeds zal moeten kunnen rechtvaardigen. De heer Destexhe heeft verwezen naar deze ethiek van de verantwoordelijkheid.

We verwijzen ook naar een gezamenlijk onderzoek van de Artsenkrant en het Vlaams Huisartsenparlement. Hieruit bleek dat 7 op 10 artsen van oordeel zijn dat de nood aan euthanasie vaak of bijna altijd verdwijnt als maximale palliatieve zorg wordt verstrekt.

Ongeveer 42% van de artsen zegt bereid te zijn om in bepaalde welomschreven gevallen euthanasie toe te passen; 54% onder hen meent dat euthanasie strafbaar moet blijven, terwijl 35% voorstander is van een depenalisering. Verder vonden 7 op 10 dat het debat moest worden voortgezet. Een overgrote meerderheid is tegen euthanasie in een niet-terminale fase: slechts 10% van de huisartsen en 7% van de Franstalige specialisten aanvaardt het idee van euthanasie bij een niet-terminale patiënt, die bekwaam en ongeneeslijk is, ook al doet hij een uitdrukkelijk en herhaald verzoek.

De World Medical Association heeft eenparig een resolutie aangenomen waarin ze opnieuw bevestigt dat euthanasie strijdig is met de fundamentele ethische principes inzake medisch handelen. Ze spoort de medische verenigingen en artsen aan geen euthanasie toe te passen, ook al is dit volgens de nationale wetgeving in bepaalde gevallen mogelijk of niet strafbaar.

Wat moeten we doen met een wetgeving die wordt afgewezen door het medische korps die geacht wordt ze toe te passen? Is dit geen verwerktuiglijking van een persoon met een essentiële maatschappelijke functie? Men zal opwerpen dat artikel 14 garanties biedt inzake het gewetensbezwaar van de arts. Een wet betreffende euthanasie zal hoe dan ook de druk op het medisch korps verhogen. Zal wie deze "solidaire" daad van "liefde" en "medelijden" weigert te stellen, niet als een lafaard worden beschouwd? Hij zal de "moordenaar" zijn die het lijden verlengt. Hoe kan de arts in een dergelijke situatie een onafhankelijk oordeel vellen? Als de wet tot gevolg heeft dat meer artsen euthanasie toepassen, zal dit dan uit overtuiging zijn of omdat ze niet durven te weigeren? Veel artsen weigeren nu euthanasie toe te passen, en niet alleen omdat er geen wettelijke regeling is.

We moeten het voorzorgsprincipe hanteren. Het gaat om meer dan de vraag of men voor of tegen euthanasie is. Wij zijn voor een wetgeving over alle beslissingen bij het levenseinde, met respect voor de rechten van de patiënt en zijn waardigheid. Die wetgeving moet een voorafgaand multidisciplinair collegiaal overleg instellen voor elke zwaarwichtige beslissing bij het levenseinde. Hierbij moet het palliatieve team worden betrokken. Ook moet een gedetailleerd medisch dossier worden opgesteld.

Elke wetgeving betreffende medische beslissingen moet aan drie principes voldoen: respect voor de waardigheid van de mens als relationeel wezen wiens waardigheid deel uitmaakt van de relatie tot de ander, meer aandacht voor de meest kwetsbaren en respect voor een verantwoordelijkheidsethiek, namelijk het principe van voorzorg en waakzaamheid.

Het wetsvoorstel geeft te zeer de voorrang aan de zelfbeschikking van het individu ten koste van de armste patiënten.

De voorwaarden die in het wetsvoorstel worden opgelegd, zijn ontoepasbaar en oncontroleerbaar.

Zo bestaat er geen medische consensus over de "ernstige" door ongeval of ziekte veroorzaakte aandoeningen. Bovendien kan de arts zich nooit met zekerheid uitspreken over het ongeneeslijk karakter van een aandoening of het uitzichtloos karakter van een situatie, a fortiori als de patiënt duidelijk niet in een stervensfase verkeert. Wetenschappelijke ontwikkelingen kunnen de prognose van een ziekte ingrijpend wijzigen. Een gokje voor de patiënt.

De administratieve commissie beschikt trouwens niet over afdoende gegevens om na te gaan of de wettelijke voorwaarden zijn nageleefd. Bovendien oefent de commissie een soort parallelle justitie uit; ze eigent zich gerechtelijke bevoegdheden toe die buiten justitie staan. Ze beslist of het dossier naar justitie moet worden overgezonden. In geval van twijfel kan de commissie besluiten om de anonimiteit van de gegevens op te heffen en vervolgens kan ze bij tweederde meerderheid beslissen om het dossier over te zenden naar de procureur des Konings. Een tweede gok, ditmaal voor de arts.

Het toepassingsgebied van de voorgestelde tekst is zeer ruim. Euthanasie blijft enkel toegestaan in geval van fysiek lijden dat het gevolg is van een ernstige en ongeneeslijke ziekte. Aangezien er geen medische consensus bestaat over het begrip "ernstige ziekte", heeft deze bepaling betrekking op alle ongeneeslijke aandoeningen. Uit studies blijkt evenwel dat er geen enkele rationele methode bestaat om een onderscheid te maken tussen psychisch lijden dat het gevolg is van de medische toestand van de patiënt en psychisch lijden zonder medische oorzaak, maar dat onder meer te maken heeft met financiële problemen, ouderdom, eenzaamheid, een gevoel van nutteloosheid, het verlies van een dierbaar iemand of depressie. Het verlangen te sterven duikt op wanneer de patiënt geen hoop meer heeft, ongeacht het feit of hij al dan niet ongeneeslijk ziek is en ongeacht de correctheid van de diagnose. Mag de arts die bereid is het euthanasieverzoek in te willigen, dit gevoel van wanhoop bevestigen, in het bijzonder wanneer het gaat om personen die waarschijnlijk niet binnen korte tijd zullen sterven, bijvoorbeeld een jonge patiënt die ten gevolge van een verkeersongeval verlamd is? De tweede arts die moet worden geconsulteerd, is vaak niet in staat te oordelen of de patiënt depressief is en hoe lang die toestand zal duren. Gedurende de periode van een maand wordt de patiënt vervolgens aan zijn lot overgelaten. Nergens wordt vermeld dat de patiënt in die periode moet worden gesteund en omringd en dat alles in het werk moet worden gesteld om hem ervan te weerhouden zijn leven te beëindigen. Kan men in dit geval niet spreken van eerbiediging van de autonomie van de patiënt tot in het absurde, tot de uiterste eenzaamheid, tot de totale afwezigheid van solidariteit? Het gaat in dat geval niet meer om het recht op euthanasie, maar om het recht op zelfmoord. Dat is een ander debat. We hebben gezien waartoe de Nederlandse wet heeft geleid, met de euthanasie van psychiatrische patiënten die lijden aan een depressie of de medisch begeleide zelfmoord van een bejaarde persoon die "levensmoe" is.

Het vage begrip "uitzichtloze medische toestand" doet het vermoeden rijzen dat het leven van sommige psychiatrische patiënten met verscheidenen jaren zal worden verkort. Het criterium van het vermoedelijk "overlijden op korte termijn" waarvan in het kader van artikel 3 §1 werd afgestapt, leidt ertoe dat euthanasie niet beperkt blijft tot de terminale fase van een ziekte bij personen "aan het levenseinde".

Sommige zieken beschikken, hoewel zij handelingsbekwaam zijn, niet altijd over de nodige helderheid van geest en kunnen ertoe worden gebracht een voor meer dan één interpretatie vatbare verklaring op te stellen. Het gaat onder meer om meerderjarige gehandicapten wier goederen onder een voorlopige bewindvoerder geplaatst werden en de gehandicapten die geen aanspraak kunnen maken op een juridische beschermingsregeling. Er moet duidelijk worden bepaald dat de zieke zowel in de juridische als in de medische betekenis van het woord bekwaam is.

De wet is van toepassing op de ontvoogde minderjarige.

Het voorstel laat ook euthanasie toe op onbewuste patiënten die een voorafgaande wilsverklaring hebben opgesteld. Het begrip van "onomkeerbaarheid" van de toestand van de persoon die niet meer bij bewustzijn is, is vatbaar voor verschillende interpretaties. Heeft deze bepaling betrekking op Alzheimerpatiënten? Het amendement dat ertoe strekte de notie van coma toe te voegen, werd verworpen. De dubbelzinnigheid blijft dus bestaan. The Lancet van 6 januari 2001 publiceerde het resultaat van een onderzoek in de afdelingen voor intensieve verzorging in Frankrijk. Daaruit blijkt dat 5,3% van de patiënten bij wie de behandeling werd stopgezet wegens de uitzichtloosheid van hun situatie, niet overlijden. Mogen we een wetgeving goedkeuren die een foutenmarge van meer dan 5% toelaat? Het voorzorgsprincipe wordt niet gerespecteerd wanneer men zich baseert op een schriftelijk euthanasieverzoek of op een voorafgaande wilsverklaring van een derde. Hoe kunnen we aanvaarden dat met onze fysische integriteit minder zorgvuldig wordt omgesprongen dan met een vermogenstestament? Bestaat het risico niet dat de schriftelijke verklaring op kortere of langere termijn wordt beschouwd als een overdracht van de verantwoordelijkheid van de patiënt op de arts? Er kunnen naderhand zowel fysische als morele problemen rijzen die beletten dat de zieke op zijn beslissing terugkomt.

Het voorzorgsprincipe houdt in dat euthanasie een uitzondering moet blijven. Euthanasie moet beperkt blijven tot het levenseinde en kan uitsluitend worden overwogen wanneer er geen andere alternatieven zijn om het lijden van de patiënt te verlichten.

De euthanaserende handeling is een belangrijke handeling omdat ze op een onomkeerbare wijze ingrijpt in het leven van een menselijk wezen. Opdat deze handeling haar uitzonderlijk karakter zou behouden, moet ze bij wet verboden blijven. Het verbod te doden is een van de belangrijke verboden van elke zichzelf respecterende samenleving en speelt een overheersende rol in de relatie tussen arts en patiënt. Elk euthanasieverzoek moet voor de arts als een gewetenskwestie worden beschouwd. De arts mag de mogelijkheid van euthanasie slechts in uitzonderlijke omstandigheden overwegen en hij moet de overtreding van dit strafrechtelijke en ethische verbod ten allen tijde ten overstaan van de gerechtelijke overheid kunnen rechtvaardigen. Als men het begrip noodtoestand hanteert, heeft de maatschappelijke controle betrekking op de redenen waarom tot euthanasie is besloten. Als euthanasie als wettig wordt beschouwd, heeft de controle uitsluitend betrekking op de voorwaarden die euthanasie mogelijk maken. Dat men rekenschap moet afleggen, betekent niet dat men wordt overgeleverd aan de willekeur van een rechter. Wie een strafbaar feit begaat, kan ter verantwoording worden geroepen omdat hij een maatschappelijke regel heeft overtreden. Als hij een geloofwaardig element te zijner verdediging kan aanvoeren, gaat men ervan uit dat het openbaar ministerie het bestaan van dat element niet zal weerleggen. Dit is een theorie van Jules Messine.

Het behoud van het ethisch en van het strafrechtelijk verbod, het overleg a priori, het bijhouden van een gedetailleerd medisch dossier en het respect voor de rechten van de patiënt zijn de beste waarborgen voor de eerbiediging van de wil van de patiënt, de beste bescherming tegen ongevraagde euthanasie. In geval van vervolging stellen we bovendien voor dat de rechter wordt bijgestaan door een commissie van experts, namelijk dokters, juristen, ethici, personen die gespecialiseerd zijn in de begeleiding van zieken bij het levenseinde, maar ook verpleegkundigen. Deze commissie zou advies uitbrengen, dat niet bindend is, maar dat de rechter moet helpen om zijn oordeel te vormen. De rechter zou aldus, gelet op het dossier, kunnen oordelen dat er sprake is van een noodtoestand en dat de arts de wet niet heeft overtreden. Het is absoluut noodzakelijk dat elk geval afzonderlijk wordt beoordeeld. Dat is het verschil met een wettelijke machtiging.

We kunnen dit voorstel niet aanvaarden omdat we het vanuit ethisch, antropologisch en sociologisch oogpunt onaanvaardbaar vinden.

Dit wetsvoorstel bevat een fundamentele contradictie. Het leidt tot een banalisering van de medische praktijk terwijl de strikte toepassing ervan slechts betrekking heeft op een beperkt aantal personen. Ik pleit voor een voortzetting van het debat opdat we tot een betere oplossing zouden komen voor de betrokkenen, namelijk de mannen en vrouwen die de maatschappij een waardig levenseinde wil verzekeren.

De heer Jan Remans (VLD), corapporteur. - De heer Thissen gaat ermee akkoord dat euthanasie een ernstige medische handeling is, die enkel in uitzonderlijke omstandigheden kan worden uitgevoerd. Hij trekt daaruit de conclusie dat euthanasie moet worden verboden door de wet. Hij spreekt zichzelf echter tegen door vervolgens te zeggen dat euthanasie moet worden gedoogd.

Welke rol heeft de arts volgens de heer Thissen? De autonomie van de patiënt is belangrijk. De patiënt heeft het recht de vraag naar euthanasie te stellen. De autonomie van de arts bestaat in het recht van het antwoord. Alles in de handen van een arts leggen die in zijn eentje handelt, is niet aanvaardbaar. Tolereert de heer Thissen verder het huidige gedoogbeleid?

Is er een betere bescherming van de patiënt dan de vraag naar euthanasie van de patiënt zelf te laten uitgaan en niet van de gemeenschap? Wat zou er gebeuren als de gemeenschap erover bestlist?

De heer René Thissen (PSC). - Ik wil er alleen maar op wijzen dat het verzoek uiteraard moet uitgaan van de patiënt. Ik heb proberen aan te tonen dat de externe druk op een bepaald ogenblik belangrijk zou kunnen worden. Ik heb nooit gezegd dat de arts alleen moest zijn, maar wel dat hij de eindbeslissing alleen moet nemen en dit nadat de patiënt een verzoek heeft geformuleerd.

Wij stellen voor deze kwestie te regelen met toepassing van artikel 78 dat de controle a posteriori organiseert en zodoende de verantwoordelijkheid bij de arts legt. Wij vrezen immers dat het wetsvoorstel iedere verantwoordelijkheid aan de arts zal ontnemen, omdat het voorwaarden oplegt aan de euthanasie.

Wij willen de verdraagzaamheid door dik en dun verdedigen. Wij vragen dus begeleiding voor het levenseinde en voor de arts die de beslissing moet nemen.

In dit voorstel is geen sprake van de manier waarop het palliatieve team bijdraagt tot de beslissing. Nochtans is dat in onze ogen essentieel. De benadering moet enerzijds multidisciplinair zijn en anderzijds moet de arts volkomen vrij de eindbeslissing nemen of eventueel niet nemen en zodoende weigeren om euthanasie toe te passen.

De heer Jan Remans (VLD), corapporteur. - In het wetsvoorstel ligt de eindbeslissing bij de arts. Euthanasie moet niet in de strafwet worden opgenomen want het is geen misdaad, geen moord.

De heer Thissen stelt dat de procedure te moeilijk is maar wat hij voorstelt is nog moeilijker.

Mevrouw Jacinta De Roeck (AGALEV). - De heer Thissen is vandaag niet enkel erg cynisch over de afwezigheid van senatoren, maar ook over de afwezigheid van patiëntenrechten.

Er bestaat een ontwerp over patiëntenrechten. Het werd in de Kamer besproken, er werden hoorzittingen en rondetafelgesprekken omtrent georganiseerd en het is voor advies ingediend bij de Raad van State. Een wetsontwerp over patiëntenrechten kan dus binnenkort worden verwacht.

Na twee jaar regeerperiode is er ook een plan omtrent palliatieve zorg waarvoor een budget is uitgetrokken. Dat zijn toch positieve realisaties.

De heer René Thissen (PSC). - Ik vrees dat u mij niet goed hebt verstaan. Ik heb gezegd dat de patiëntenrechten snel concrete vorm moeten krijgen.

Als wij daarin slagen, zullen wij een grote stap hebben gedaan voor de verdediging van de patiënt tot aan zijn levenseinde. Wij zijn niet cynisch. Wij zijn vragende partij voor de tekst over de patiëntenrechten.

Mevrouw Jacinta De Roeck (AGALEV). - Ik ben blij dat de heer Thissen ook vragende partij is voor een wet over de patiëntenrechten. Ik wil enkel beklemtonen dat ik er verheugd over ben dat na twee jaar regeerperiode, er eindelijk een wet over de patiëntenrechten tot stand zal komen. Dat vragen wij al lang.

De heer Philippe Monfils (PRL-FDF-MCC). - Ik heb het eindeloze liedje van de heer Thissen gehoord over het risico van economische euthanasie en een verkeerd signaal aan al wie de uitgaven in de sociale zekerheid voor bejaarden wil beperken.

De heer Thissen en de PSC moeten consequent zijn. In de commissie voor bio-ethiek spannen wij ons in om embryo-onderzoek toe te staan met de bedoeling levens te redden en ziekten te overwinnen, maar de PSC ligt dwars. Men moet weten wat men wil. Als u hier het standpunt verdedigt van de verdediging van het leven, dan moet u ons ook helpen in de commissie voor bio-ethiek.

Ik stel echter vast dat u, wat embryo-onderzoek betreft, niet mee wil.

De heer René Thissen (PSC). - Wij kennen het liedje van de heer Monfils. Bij elke discussie over voorstellen klinkt in zijn woorden onverdraagzaamheid door. Voor hem zijn wij conservatieven en gevangen in bepaalde denkpatronen.

Ik denk echter dat wij doorheen onze reflecties een hele weg hebben afgelegd. Wij trachten een zo breed mogelijk kijk te hebben. Over de bio-ethiek zal een ander debat plaatsvinden. Laten we niet alles door elkaar halen!

Wij zijn geïnteresseerd in alle debatten, met name over de hulp bij zelfdoding, ook al zeggen wij vandaag klaar en duidelijk dat wij geen verband willen leggen tussen zelfdoding en euthanasie.

Wij staan trouwens niet alleen met deze redenering. Het is niet omdat men deze of gene mening is toegedaan, dat men behoudsgezind of progressief is. In onze beschouwingen laten wij ons leiden door eigen criteria; wij hebben daarop evenveel recht als u op de uwe.

De heer Philippe Monfils (PRL-FDF-MCC). - Die beschouwingen zijn gespeend van elke logica!

De heer Philippe Mahoux (PS). - In het betoog van de heer Thissen heb ik heel wat gehoord dat bekend in de oren klinkt. In een gezonde democratie moet men ermee kunnen leven dat de tegenstellingen soms onverzoenbaar zijn.

Ik wil echter een opmerking maken over de intellectuelen en de socio-economische toestand van de stervende patiënten. Bij het begin van de debatten zei een arts die aan de leiding staat van een van de verenigingen die de heer Thissen noemde, dat de euthanasieproblematiek alleen enkele intellectuelen interesseert. Achttien maanden later stellen we vast dat de hele bevolking, al veel eerder dan wij, met het probleem bezig was.

Geloven dat nadenken over zijn dood en de manier waarop men wil sterven, afhangt van het studieniveau of het inkomen getuigt van een malthusiaanse visie. Ik ben het daarmee hoegenaamd niet eens. Ik denk dat elk menselijk wezen, wat ook zijn sociale positie of zijn opleiding is, daarmee bezig is. Dat alleen intellectuelen nadenken over euthanasie, is een opvatting die niet strookt met de realiteit.

Hebben de mensen met wie we contact hebben opgenomen of die u wellicht zelf hebben aangesproken, dan filosofische traktaten over leven, dood en lijden geschreven? Het gaat om hun probleem. Hun vragen of bezorgdheid houden geen enkel verband met hun opleiding of hun sociale toestand.

De heer René Thissen (PSC). - Ik ben het ermee eens dat het niet nodig is dat iemand heeft gestudeerd of traktaten heeft geschreven om over de dood te kunnen nadenken.

Men moet ook niet naïef zijn en denken dat alle situaties dezelfde zijn en dat de socio-economische toestand geen invloed heeft op het denkvermogen van bepaalde mensen. Sommigen zijn zwakker dan anderen.

Ik weet dat het niet gemakkelijk is over levenskwaliteit te spreken. Men moet niettemin toegeven dat sommigen kwetsbaarder zijn dan anderen en dat we alles doen moeten om hen te beschermen.

De voorzitter. - We zetten onze werkzaamheden voort vanmiddag om 14.15 uur.

(De vergadering wordt gesloten om 13.10 uur.)