3-155 | Belgische Senaat | 3-155 |
Waarschuwing: de blauwe kleur geeft aan dat het gaat om uit het Frans vertaalde samenvattingen.
Inoverwegingneming van voorstellen
In overweging genomen voorstellen
Algemene vergadering van de vrederechters en de rechters in de politierechtbanken
Voorzitter: de heer Nimmegeers.
(De vergadering wordt geopend om 15.05 uur.)
De voorzitter. - De lijst van de in overweging te nemen voorstellen werd rondgedeeld.
Leden die opmerkingen mochten hebben, kunnen die vóór het einde van de vergadering mededelen.
Tenzij er afwijkende suggesties zijn, neem ik aan dat die voorstellen in overweging zijn genomen en verzonden naar de commissies die door het Bureau zijn aangewezen. (Instemming)
(De lijst van de in overweging genomen voorstellen wordt in de bijlage opgenomen.)
De voorzitter. - Bij brief van 16 maart 2006 heeft de heer André Demoulin, burgemeester van Chaumont-Gistoux aan de Senaat overgezonden een motie met het verzoek te ijveren voor de bevrijding van mevrouw Ingrid Betancourt en van de 3.000 politieke gevangenen in Colombia.
-Verzonden naar de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden.
Mevrouw Clotilde Nyssens (CDH). - Dankzij de financiële middelen van Beliris worden in Brussel grote werken uitgevoerd, met name de langverwachte renovatie van het Josaphatpark te Schaarbeek.
De bouwvergunning zou onlangs afgegeven zijn.
Betekent dit dat de conventies tussen het federale niveau, het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en de gemeente over de uitvoering van die werken en over het toekomstig beheer over het park werden getekend?
Beschikt de minister over een precies tijdschema voor die werken? Wat zijn de mogelijke obstakels voor die renovatie?
Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Justitie. - De regering gaat via Beliris veel geld uittrekken voor de renovatie van het Josaphatpark. Het gaat over meer dan negen miljoen euro. De stedenbouwkundige vergunning werd inderdaad door het Brussels Hoofdstedelijk Gewest afgegeven op 27 februari 2006.
Het lijkt me niet nodig om voor die werken een algemene conventie af te sluiten tussen de gemeente, het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en de federale staat. Een dergelijke conventie is wel onontbeerlijk voor het toekomstige beheer van het park. Voor alle projecten van Beliris wordt trouwens op die wijze gewerkt.
Ik heb daarom enige tijd geleden aan de gemeente Schaarbeek een ontwerp van conventie voorgelegd, waarnaar herhaalde malen werd verwezen tijdens de contacten tussen de administratie van Beliris en de gemeente. Wij zullen de gemeente een brief sturen om het belang van de conventie te onderstrepen. De gemeente Schaarbeek en het BIM zijn de sterkst betrokken partijen.
Wat het tijdschema betreft, willen wij eerst de meest dringende werken uitvoeren, namelijk het vellen van zieke bomen, omdat het daar nu het geschikte seizoen voor is. Die werken zullen begin april starten en ongeveer twee weken duren. Voor de aanbesteding van de andere werken, de renovatie van de gebouwen en standbeelden, de heraanleg van de wegen en van het straatmeubilair, de signalisatie, de aanplantingen enz., stelt Beliris momenteel de bestekken op. De werken zullen niet onmiddellijk starten omdat we het park willen openstellen voor het publiek tijdens de mooie lente- en zomerdagen. Ze zullen dus na de zomer worden uitgevoerd.
Mevrouw Clotilde Nyssens (CDH). - Ik dank de vice-eerste minister voor haar antwoord op mijn vraag die zowel van algemeen als van regionaal belang is.
De voorzitter. - Mevrouw Sabine Laruelle, minister van Middenstand en Landbouw, antwoordt.
De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - De wet van 12 januari 2006 betreffende de uitoefening van het beroep van architect in het kader van een rechtspersoon gaat uit van de vaststelling dat de architecten, in tegenstelling tot de aannemers, een persoonlijke aansprakelijkheid genieten op hun eigen goederen, aangezien zij niet genieten van een beperkte aansprakelijkheid voortvloeiende uit de uitoefening van hun beroep binnen een vennootschap. In de andere dertien lidstaten van Europa heeft de architect wel de mogelijkheid om zijn activiteiten in een vennootschap te ontwikkelen.
De wet beoogt dan ook om de architect een beter statuut toe te kennen door hem toe te laten zijn activiteiten in het kader van een rechtspersoon uit te oefenen. Ter zake worden de voordelen van een rechtspersoon zowel voor de architect als voor de klant uitvoerig benadrukt, bijvoorbeeld een stevige en transparante structuur, duurzaam, beter gewapend om complexer wordende aspecten van het beroep te trotseren.
Artikel 3 van de wet herstelt artikel 2 van de wet van 20 februari 1939 op de bescherming van de titel en van het beroep van architect en bepaalt de voorwaarden voor de uitoefening van het beroep van architect.
Paragraaf 1 regelt de uitoefening van het beroep door natuurlijke personen die houders van bepaalde diploma's zijn.
Paragraaf 2 betreft de uitoefening van het beroep door rechtspersonen en somt alle voorwaarden op die een rechtspersoon voor het uitoefenen van een beroep van architect dient te vervullen. Hier wordt de zogenaamde `architectenvennootschap' in het leven geroepen.
In mijn lezing van het thans gewijzigde artikel 2, §2, van de wet van 20 februari 1939 op de bescherming van de titel en van het beroep van architect, heeft dit artikel enkel betrekking op de `architectenvennootschap' `als zodanig'. Daarmee bedoel ik dat dit artikel, of de gewijzigde wet in het algemeen, geenszins de activiteiten viseert van architecten-werknemers die in een onderneming-rechtspersoon zijn tewerkgesteld.
Dit kan onder meer in een geïntegreerde dienstverlening, in het kader waarvan architecten in dienstverband worden tewerkgesteld.
Ik kan op dit punt onder meer verwijzen naar het arrest van het Hof van Cassatie in de zaak Hermans tegen de Orde van Architecten van 14 oktober 1994.
Het thans ongewijzigde artikel 6 van de wet van 20 februari 1939 bepaalt immers dat het uitoefenen van het beroep van architect enkel onverenigbaar is met dat van aannemer van openbare of private werken.
Aldus is het een architect-bezoldigde niet verboden om in het kader van zijn arbeidsovereenkomst voor bedienden zijn beroep uit te oefenen, niet enkel voor opdrachten die betrekking hebben op het onroerende patrimonium van zijn werkgever, doch ook mee te werken aan de opdrachten die door zijn werkgever, die geen aannemer is van werken, voor derden uitvoert.
Uit geen enkele wettelijke bepaling kan worden afgeleid dat een onderneming aan derden de uitvoering van architectendiensten niet kan verzekeren wanneer daarbij gebruik wordt gemaakt van de intellectuele prestaties van een architect die is aangeworven in dienstverband.
Mijns inziens wijzigt de wet op van 12 januari 2006 niets aan deze beginselen.
Wanneer wordt de wet van 12 januari 2006 gepubliceerd?
Houdt de wet van 12 januari 2006 het verbod in voor ondernemingen die geen rechtspersoon zijn in de zin van artikel 2, §2, van de wet van 20 februari 1939 op de bescherming van de titel en van het beroep van architect, om voor hun opdrachtgevers geheelopdrachten uit te voeren waarbij de diensten die tot het monopolie van de architecten behoren, worden verstrekt door op het tableau van de Orde als architect-bezoldigde ingeschreven werknemers van deze onderneming?
Mevrouw Sabine Laruelle, minister van Middenstand en Landbouw. - De wet zal in de loop van de maand april of mei, samen met het uitvoeringsbesluit, in het Staatsblad worden gepubliceerd.
Een opdracht die onder de bevoegdheid valt van het monopolie van de architect kan ofwel worden uitgevoerd door een natuurlijke persoon, ingeschreven bij de Orde der Architecten, ofwel door een rechtspersoon, eveneens ingeschreven bij de Orde der Architecten, mits eerbiediging van de in de wet bepaalde voorwaarden. Zij kan worden uitgevoerd door een loontrekkende architect van een rechtspersoon die niet bij de Orde der Architecten is ingeschreven, maar in dat geval is het de loontrekkende die de tienjarige verantwoordelijkheid draagt die in het Wetboek is voorzien en niet de rechtspersoon.
De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Als ik het antwoord van de minister goed heb begrepen, kan een architect die als werknemer bij een rechtspersoon is tewerkgesteld, de akten van architectuur uitoefenen en valt de tienjarige aansprakelijkheid hem persoonlijk ten laste en niet de onderneming waar hij is tewerkgesteld.
(De minister knikt bevestigend.)
De wet betreffende het statuut van de architect-werknemer wordt door de nieuwe wet dus niet gewijzigd?
Mevrouw Sabine Laruelle, minister van Middenstand en Landbouw. - De wet zegt alleen dat de rechtspersoon ingeschreven moet zijn bij de Orde van architecten.
De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Die bepaling slaat op de architectenvennootschap, maar dat is een andere zaak. Sommige architecten werken bij andere vennootschappen dan architectenvennootschappen en oefenen toch akten van architectuur uit.
De heer Luc Paque (Onafhankelijke). - Mijn vraag heeft betrekking op de dringende medische hulpverlening en meer bepaald op de talenkennis van het personeel dat de oproepen beantwoordt bij verschillende hulpdiensten.
De pers berichtte onlangs over een jonge vrouw die overleden was aan een beroerte. Haar echtgenoot had het noodnummer gebeld, maar de telefonist had de oproep slecht begrepen. Er gingen meer dan 20 minuten verloren en het slachtoffer belandde in een diep coma.
Dit voorval brengt de problematiek van de 100-oproepen en van de bekwaamheid van de telefonisten te berde, niet alleen langs de taalgrens, maar over heel 's lands grondgebied.
Ik zou volgende vragen willen stellen:
1. Hoe ver staat het met de studie die begin januari werd gevraagd in samenwerking met een deel van de betrokken actoren, namelijk de gsm-operatoren en de leiding van de hulpdiensten?
2. Is de minister niet van plan een beroep te doen op tweetalige, en zelfs op drietalige telefonisten voor alle hulpdiensten in België? Ik voel de aandachtige blik van collega Collas, die op dat vlak zeer actief is in de Duitstalige Gemeenschap. Het lijkt me fundamenteel dat iedereen kan worden bediend door een telefonist in een van de drie landstalen en zelfs in het Engels, want ons land ligt in het hart van Europa en wordt door heel wat vreemdelingen aangedaan.
3. Rijst hierbij niet de meer algemene vraag naar de opleiding van de telefonisten van de hulpdiensten? Weldra verstrijkt de termijn, waarbinnen de algemene dienstenrichtlijn in nationaal recht moest worden omgezet, en wordt 112 het algemene noodnummer in Europa. Is dat geen gelegenheid om de opleiding van de telefonisten te vervolledigen? De telefonisten moeten niet alleen over een uitstekende talenkennis beschikken, ze zouden ook een basisopleiding moeten krijgen waarin volgende onderwerpen aan bod komen: algemene aspecten van de behandeling van een noodoproep en efficiënt gebruik van de geschikte communicatietechnieken; aspecten die te maken hebben met de politie; aspecten die te maken hebben met de brandweer; aspecten die te maken hebben met dringende geneeskundige hulpverlening en waarvoor ten minste een opleiding van ambulancier vereist is. Dat heeft althans de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid op 29 april 2004 in zijn antwoord op een vraag om uitleg van de heer Collas voorgesteld.
De heer Patrick Dewael, vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken. - Ten eerste hebben mijn diensten een verslag opgesteld van hun onderzoek naar de verdeling van de noodoproepen langs de taalgrens. Volgens dat verslag zouden daar enkele problemen rijzen bij de verdeling van de gsm-oproepen. Ik heb contact opgenomen met collega Verwilghen opdat de systemen van de gsm-operatoren zouden worden verbeterd.
Ten tweede vind ik, net als de vraagsteller, dat telefonisten die noodoproepen behandelen, het best twee- of zelfs meertalig zouden zijn. Het basisbeginsel van de taalwet moet uiteraard ook worden nagekomen. Personeel in eentalige gewesten moet werken in de taal van het Gewest waaronder het ressorteert. We zullen zeker aandacht besteden aan de talenkennis in de opleiding van het overheidspersoneel dat noodoproepen behandelt.
Ten derde, heeft minister Demotte, in antwoord op een vraag om uitleg in de Senaat, al geantwoord dat bedoeld personeel reeds een multidisciplinaire opleiding volgt over de behandeling van noodoproepen.
De heer Luc Paque (Onafhankelijke). - Ik stel met genoegen vast dat het personeel dat noodoproepen beantwoordt, momenteel een opleiding volgt. Dat is niet zonder belang.
Om de verwijzing van de minister naar de taalwetgeving moet ik echter glimlachen. Zoals één van zijn voorgangers heeft gezegd, is de wet uiteraard de wet, maar als iemands leven op het spel staat, is de vraag of men de taal van het gewest moet spreken van ondergeschikt belang.
Ik verwijs graag naar Frankrijk, een eentalig land bij uitstek, waar in 30 departementen, dankzij een dienst van noodvertalers, noodoproepen zo nodig in 28 talen kunnen worden beantwoord. Gedurende de eerste seconden kan de oproep worden doorgeschakeld naar een noodvertaler die de taal van de persoon in nood begrijpt. Het is al moeilijk om zich correct in zijn moedertaal uit te drukken wanneer men in nood verkeert. Men kan zich voorstellen wat er gebeurt, als men in een andere dan zijn eigen taal van antwoord wordt gediend!
Ik heb daarnet gezegd dat ons land in het hart van Europa ligt. Iedere Belgische burger, of hij nu Frans-, Nederlands- of Duitstalig is, moet in eigen land tenminste in zijn taal te woord kunnen worden gestaan.
Ik hoop dat het noodargument het haalt op het chauvinistische argument van de plaatsgebonden taalkennisvereiste. Ik wijs er ook op dat gedurende de vakantie heel wat Franstaligen naar de kust en Nederlandstaligen naar de Ardennen trekken. In geval van nood moet men een beroep kunnen doen op een doeltreffende dienst, waar men zich ook bevindt.
De heer Karim Van Overmeire (VL. BELANG). - Volgens de officiële tellingen haalde de Wit-Russische president Loekasjenko zondag 82,6 procent van de uitgebrachte stemmen. Hij werd daarop prompt door de centrale kiescommissie uitgeroepen tot winnaar van de presidentsverkiezingen. Op het Oktoberplein in de hoofdstad Minsk van de, volgens velen, laatste dictatuur in Europa, verzamelden spontaan tienduizenden mensen om nieuwe verkiezingen af te dwingen. Ook nu nog blijven activisten en aanhangers van oppositieleider Milinkevitsj de verkiezingsresultaten aanvechten op het centrale plein.
Het Belgische standpunt in dezen is meer dan ooit belangrijk, aangezien ons land op het ogenblik het voorzitterschap van de OVSE waarneemt. En als voorzitter van die OVSE heeft onze minister van Buitenlandse Zaken al duidelijk gezegd dat de verkiezingen in deze voormalige Sovjetrepubliek inderdaad niet democratisch verlopen. In de aanloop naar de verkiezingen werden meer dan 300 opposanten gevangen gezet, was er sprake van massale intimidatie van de partijen die het regime niet gunstig gezind zijn, kregen oppositiepartijen geen toegang tot de media en waren controles tijdens en na de stembusgang zo goed als onmogelijk. Ook de Verenigde Staten en een reeks Europese landen hebben het frauduleuze verkiezingsproces veroordeeld en eisen nieuwe verkiezingen, die ditmaal wel eerlijk, vrij en democratisch moeten verlopen. Bovendien overweegt de Europese Unie sancties en een aantal ambassadeurs hebben zich bij de protestanten op het Oktoberplein gevoegd.
Wit-Rusland daarentegen is niet van plan zich bij deze kritiek neer te leggen en krijgt hierbij de steun van Rusland en Iran. De Wit-Russische minister van Buitenlandse Zaken Martynov heeft het Westen inmiddels in een interview gewaarschuwd geen sancties te nemen en ordetroepen staan klaar om in te grijpen. Het regime wil duidelijk een herhaling van de scenario's van Servië, Georgië en Oekraïne voorkomen.
Hoe kan deze impasse volgens de minister worden doorbroken?
Welk standpunt heeft hij maandag tijdens de bijeenkomst van de Europese ministers van Buitenlandse Zaken verdedigd inzake het nemen van maatregelen en wat werd concreet op deze ministerraad afgesproken?
Wat staat te gebeuren indien de geweldloze manifestatie zou ontaarden in een bloedbad en hoe zal het Westen hierop reageren?
De heer Karel De Gucht, minister van Buitenlandse Zaken. - De Belgische regering en ikzelf delen de kritiek van de OVSE-waarnemers, van OVSE-ODIHR en van de Europese Unie aangaande het verloop van de verkiezingen in Wit-Rusland. Daarover werd op 22 maart een verklaring afgelegd. Hoewel er reden tot grote bezorgdheid is, mogen de verkiezingen in Wit-Rusland niet als een volkomen negatieve gebeurtenis worden beschouwd. Ze vormen zeker geen eindpunt, maar wel het begin van een onomkeerbare evolutie. De campagne voor de presidentsverkiezingen heeft duidelijk voor een dynamiek bij de democratische krachten gezorgd. Wit-Rusland is echter niet te vergelijken met Oekraïne of Georgië. Het is belangrijk dat de ontwikkeling naar een meer democratisch staatsbestel op middellange termijn in Wit-Rusland evenwichtig verloopt. Sommige EU-lidstaten, wellicht geïnspireerd door de VS, willen snel en streng optreden en willen zware sancties opleggen.
Maandag heb ik tijdens de vergadering van de ministers van Buitenlandse zaken van de EU er met succes op aangedrongen dat de EU een grondig debat zou voeren over haar globale strategie ten aanzien van Wit-Rusland. We moeten uiteraard nagaan hoe we gaan optreden tegen de verantwoordelijken voor electorale fraude, tegen de arrestatie van manifestanten en andere mensenrechtenschendingen. We moeten een coherent geheel van maatregelen uitwerken dat effectief bijdraagt tot de democratisering van Wit-Rusland. De Europese Unie moet de burgers en de civiele maatschappij van dit land een tastbaar perspectief aanbieden. Tevens moeten we vermijden dat we door aan te sturen op een harde confrontatie niet precies in de koude-oorlogsstrategie van de huidige machthebbers van Wit-Rusland trappen. We moeten onderzoeken hoe de Wit-Russische burgers daadwerkelijk EU-steun kunnen genieten. Het is de bedoeling dat op de vergadering van de ministers van Buitenlandse Zaken van 10 april een beslissing wordt genomen inzake een totaalpakket van maatregelen.
Over het geweld tegen burgers hebben de Europese Unie en ikzelf als OVSE-voorzitter, verklaringen afgelegd kort voor de verkiezingsdag. Ik verwijs ook naar mijn verklaring die ik een half uur geleden aan de internationale persagentschappen heb overgemaakt in verband met de blijvende aanhouding van ongeveer tweehonderd manifestanten die bij het verlaten van het plein in Minsk zijn opgepakt.
Ik ben ervan overtuigd dat de herhaalde interventie van de internationale gemeenschap wel degelijk indruk maakt in Wit-Rusland, niet alleen op de autoriteiten, maar ook op de civiele maatschappij in Wit-Rusland. We moeten onze inspanningen om bloedvergieten te voorkomen dus onverminderd voortzetten. Als OVSE-voorzitter zal ik dat blijven doen.
Het verloop van de verkiezingen in Minsk werd gevolgd door onze ambassadeur te Moskou, die ook in Wit-Rusland is geaccrediteerd. Zodoende heeft hij mij voortdurend op de hoogte gehouden van alle evoluties op het terrein. Als OVSE-voorzitter heb ik een groep van waarnemers aangesteld die moeten bekijken hoe de verkiezingswaarneming concreet verloopt. De heer de Donnea leidt deze missie. Hij bracht me bijna van uur tot uur op de hoogte van de toestand in Wit-Rusland. Ik zal de toestand in de komende dagen nauwgezet blijven opvolgen.
De heer Karim Van Overmeire (VL. BELANG). - Ik ben teleurgesteld dat de minister geen parallel trekt met de gebeurtenissen in Servië, Georgië en Oekraïne. De minister spreekt over resultaten op middellange termijn. Hij wil eerst een grondig debat voeren. Die verklaringen zijn een boodschap aan de manifestanten op het oktoberplein om naar huis te gaan en op lange termijn te denken en niet te hopen op internationale steun voor het afdwingen van verkiezingen op korte termijn.
De minister zegt dat de maatregelen die op 10 april zullen worden genomen ongetwijfeld indruk zullen maken in Minsk. Is de minister niet van mening dat de sleutel voor het probleem in Moskou ligt? Zolang Rusland Minsk blijft steunen, is er moeilijk beweging te krijgen in dit dossier.
We kennen de tegenstellingen binnen de OVSE, tussen Westelijk Europa - ruim gezien - en Rusland, dat vindt dat de OVSE te veel focust op het gebrek aan democratie in Oost-Europa. Ziet de minister signalen dat Moskou tot enige inschikkelijkheid bereid is?
De heer Karel De Gucht, minister van Buitenlandse Zaken. - Ik denk dat de heer Van Overmeire vergelijking die ik maakte met Oekraïne en Georgië verkeerd begrepen heeft. Het gaat er niet om dat de Wit-Russen niet even veel recht zouden hebben op democratie. Integendeel. Op grond van heel wat inlichtingen uit diverse bronnen ben ik er echter van overtuigd dat de Wit-Russische autoriteiten niet zullen aarzelen om militair in te grijpen. Dat is het verschil met Oekraïne en Georgië, waar twee vreedzame revoluties hebben plaatsgevonden. In geval van harde confrontatie wordt het risico op militair ingrijpen en bloedvergieten zeer reëel. Daarmee moeten wij rekening houden.
Het tweede verschil is dat het middenveld in Wit-Rusland minder sterk staat dan in Oekraïne. Precies omdat het middenveld in Oekraïne zo sterk stond kon er een revolutie zonder bloedvergieten plaatsvinden.
Wij evalueren de toestand op grond van feiten en onderzoeken dan welke strategie de beste is om verandering teweeg te brengen. Onze strategie steunt uiteraard gedeeltelijk ook op onze diplomatieke betrekkingen met Rusland. Van de gesprekken die ik als OVSE-voorzitter geregeld met de Russische regering voer, zal ik gebruik maken om aan te dringen op Russische steun voor verandering in Wit-Rusland.
De heer Pierre Galand (PS). - Hoewel koning Gyanendra drie maanden nadat hij op 1 februari 2005 de teugels in handen had genomen, de noodtoestand heeft opgeheven, blijft de situatie in Nepal onstabiel. In januari heeft de koning een tweede golf van repressie op gang gebracht waarbij mensenrechtenactivisten en leiders van politieke partijen gevangen worden genomen.
Nu de toestand dermate verslechtert, moeten de internationale gemeenschap, de Europese Unie en België pressie uitoefenen op de koning om in een vredesproces te stappen en zijn land terug op de weg naar democratie te zetten.
Wat is het Belgische standpunt over de toestand in Nepal? Hoewel wapenleveringen geen federale materie meer zijn, wil ik graag weten welke beslissingen werden genomen inzake de bewapening van dat land, waar een binnenlands conflict aansleept. Welke beslissingen heeft Europa genomen, rekening houdend met de Europese gedragscode voor wapenexport? Welke inspanningen hebben België - via zijn ambassade in New Delhi - en Europa gedaan om de rechtsstaat in Nepal te herstellen? Ik heb zonet het positieve nieuws ontvangen dat de ondervoorzitter van het Nepali Congress (Democratic) is vrijgelaten.
De heer Karel De Gucht, minister van Buitenlandse Zaken. - De uitreiking van wapenlicenties is een gewestmaterie. De heer Galand moet zijn vraag over de huidige wapenleveringen aan Nepal dan ook aan de bevoegde gewestelijke overheden stellen.
Ik neem aan dat de andere lidstaten van de Europese Unie zich ook aan de Europese gedragscode houden.
De Belgische diplomatie in Nepal volgt het kader dat door de Europese Unie werd bepaald. Op 19 januari 2006 hebben de Europese missiehoofden in Kathmandu een perscommuniqué verspreid waarin ze uiting geven aan hun bezorgdheid over de arrestatie van leden van politieke partijen en het maatschappelijke middenveld, en van mensenrechtenactivisten.
In zijn verklaring van 27 januari 2006 heeft het Voorzitterschap van de Europese Unie verklaard dat het zeer verontrust is over de situatie in Nepal. De Europese Unie spreekt zijn volle steun uit aan de gematigde krachten en ze veroordeelt elk gebruik van geweld dat erop gericht is de Nepalezen te verhinderen hun democratische rechten uit te oefenen.
De Europese Unie roept de koning, de Nepalese regering en de veiligheidstroepen op om onverwijld alle burgerlijke en politieke vrijheden te herstellen, onmiddellijk alle politieke gevangenen en mensenrechtenactivisten vrij te laten en erop toe te zien dat de burgerlijke en politieke rechten vreedzaam kunnen worden uitgeoefend.
De Europese Unie veroordeelt met klem het opnieuw opnemen van de wapens door de maoïsten en ze betreurt tegelijkertijd dat de regering niet van het eenzijdig staakt-het-vuren van de maoïsten gebruik heeft gemaakt om een wapenstilstand af te kondigen.
De Europese Unie benadrukt dat alle partijen het internationale humanitaire recht moeten respecteren, onder andere door de burgers te beschermen en de toegang te vergemakkelijken van humanitaire organisaties die hulp willen bieden aan de getroffen personen.
De Europese trojka heeft op 1 februari 2006 een démarche ondernomen bij de heer Pandey, de Nepalese minister van Buitenlandse Zaken. De trojka heeft de woorden van de Europese verklaring van 27 januari 2006 herhaald en drong er in het bijzonder op aan dat de gevangen politieke leiders en mensenrechtenactivisten onmiddellijk zouden worden vrijgelaten.
Ook de Belgische delegatie bij de VN in Genève volgt de situatie van de mensenrechten in Nepal op de voet. Zo vond op 22 februari 2006 een gesprek plaats met de directeur van het Nepalese agentschap van het Hoog Commissariaat voor de mensenrechten van de VN, de heer Ian Martin, en eind februari 2006 met de heer Sushil Pyakurel, oud-commissaris van de Nationale Mensenrechtencommissie van Nepal. Het Europees Parlement heeft beiden op 20 februari 2006 gehoord.
De betrokken diensten van de FOD Buitenlandse Zaken hebben op 21 februari jongstleden een gesprek gehad met de heer Sushil Pyakurel. Op 1 maart hebben ze aan de Nepalese zaakgelastigde hun bezorgdheid over de politieke toestand in het land geuit, en dat in dezelfde termen als in de verklaring van de Europese Unie van 27 januari.
De heer Pierre Galand (PS). - Ik wil de minister nog wijzen op het verbod op vakbonden in de ambtenarij. Twee vooraanstaande vakbondsmensen zitten in de gevangenis. Ik zal de minister hun gegevens meedelen in de hoop dat hij zich over deze zaak buigt.
De voorzitter. - De heer Christian Dupont, minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen, antwoordt.
Mevrouw Marie-Hélène Crombé-Berton (MR). - Volgens recente informatie neemt de spanning in Afghanistan opnieuw toe. Het vredesproces is er verre van voltooid. Waarnemers stellen vast dat de veiligheid erop achteruit gaat en dat de guerrilla sterker wordt. Tijdens de tweede helft van 2005 en begin 2006 nam het aantal aanvallen - 200 per maand - en de mate van hun succes sterk toe.
Wij wachten op de analyse van de minister over de toestand op het terrein. Hoe denkt de regering over de rol van de Belgische strijdkrachten in Afghanistan?
België heeft 300 soldaten ter plaatse om de veiligheid op de luchthaven van Kaboel te waarborgen. Wat is de balans van die operatie? Levert de aanwezigheid van Belgische militairen rond de luchthaven nog altijd een onontbeerlijke meerwaarde op? Wat is de kostprijs van onze aanwezigheid in Afghanistan in 2005 en 2006? Heeft de Belgische regering een officieel verzoek gekregen van de Afghaanse regering om onze soldaten voor andere missies in te zetten?
De NAVO ontplooit zich verder in andere zones van het land. Werd België gevraagd deel te nemen aan die nieuwe operaties? Zo ja, wat zal dan het antwoord van de regering zijn?
De heer Christian Dupont, minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen. - Ik lees het antwoord van de minister.
De balans van de operatie in Afghanistan is globaal genomen positief. De Belgische deelname aan de ISAF wordt door de partijen die aanwezig zijn in het gebied en binnen het kader van de aan de betrokken eenheden toevertrouwde opdrachten beschouwd als een vaststaande meerwaarde.
De kostprijs van onze aanwezigheid in Afghanistan bedraagt voor Landsverdediging 33 miljoen euro voor 2005 en 34,37 miljoen euro voor 2006. Dat laatste bedrag omvat ook de verhogingen die het gevolg zijn van de versterking van onze bilaterale samenwerking met de Franse en Duitse contingenten.
De Belgische regering heeft geen enkele officiële vraag van de Afghaanse regering ontvangen om onze soldaten voor andere missies in te zetten. De bevoorrechte gesprekspartner van de Afghaanse regering is de commandant van ISAF. Normaal gezien richt de Afghaanse regering zich niet tot de onderdelen van die strijdmacht.
België werd niet gevraagd voor nieuwe NAVO-operaties. Landsverdediging ontving daarover geen enkele directe vraag. De opdeling van de strijdkrachten gebeurt op basis van een algemene oproep in de vorm van een `lijst van de strijdkrachten'. Voor België is aan die oproep niets veranderd.
Mevrouw Christel Geerts (SP.A-SPIRIT). - Volgens de programmawet van 9 juli 2004 kunnen de OCMW's de onderhoudsplicht afschaffen op voorwaarde dat de gemeenteraad dit goedkeurt. Indien het OCMW ervoor kiest de onderhoudsplicht niet af te schaffen, moet het uniforme terugvorderingsschalen hanteren.
Eind 2004 sprak ik reeds mijn bezorgdheid uit over een aantal problemen die met die verplichte implementering gepaard zouden kunnen gaan. Nadien hebben wij de minister met aandrang gevraagd om het systeem te evalueren. De minister heeft op mijn parlementaire vraag van 25 oktober 2005 geantwoord dat deze evaluatie zou plaatsvinden één jaar na de inwerkingtreding van de programmawet van 9 juli 2004.
Hoe ver staat het met die evaluatie?
De heer Christian Dupont, minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen. - Ik heb mijn diensten inderdaad opgedragen een studie te laten maken over de gevolgen van de invoering van een eenvormige schaal voor de terugvordering van onderhoudsgelden bij onderhoudsplichtigen.
De Universiteit Luik maakt die studie voor het Franstalige en de Universiteit Antwerpen voor het Nederlandstalige landsgedeelte.
De resultaten van die studie zullen de vaststellingen van mevrouw Geerts bevestigen of ontkrachten en aantonen waar eventueel verbeteringen kunnen worden aangebracht.
De studie behelst een kwantitatieve en een kwalitatieve enquête en analyse.
Nog deze maand zullen de onderzoekscentra de resultaten van de kwantitatieve enquête opsturen. Tegen half april 2006 zullen ze verwerkt zijn.
Voor de kwalitatieve enquête worden er 60 vraaggesprekken gehouden met representatieve OCMW's en 60 met een representatief staal van onderhoudsplichtigen. De kwalitatieve enquête zal tegen 20 mei afgerond zijn.
Het eindresultaat van het onderzoek zal ik dan in de loop van de maand juni 2006 kunnen voorleggen. Ik zal echter de tussentijdse resultaten al voorleggen zodra ik ze ontvang. Als de senatoren dat wensen, kan ik ze wellicht onmiddellijk na de paasvakantie in de commissie toelichten.
Mevrouw Christel Geerts (SP.A-SPIRIT). - Ik dank de minister dat hij een concrete timing handhaaft. Ik had de resultaten natuurlijk liever nog wat sneller gekregen, maar het is goed dat we de tussentijdse resultaten, zoals beloofd, wat vroeger kunnen inkijken. Intussen is het systeem al anderhalf jaar van toepassing. Mocht uit de analyse blijken dat dringend moet worden bijgestuurd, dan zullen er wellicht al twee jaar voorbij zijn.
We kijken uit naar de resultaten.
Mevrouw Olga Zrihen (PS). - Op een affiche van de bewustmakingscampagne tegen drankmisbruik op het werk die de FOD Economie, KMO, Middenstand en Energie voert, zakt een jonge blonde vrouw met een glas wijn door aan een tafel. `Wanneer kunnen we op jou rekenen?' prijkt erboven. Van die slogan sta ik paf.
De boodschap is wellicht dat iedereen aan drankmisbruik ten prooi kan vallen, maar ik vrees dat de bevolking dat verkeerd zal begrijpen.
De boodschap laat uitschijnen dat er een band bestaat tussen de betrouwbaarheid van de betrokkene en haar geslacht of met andere woorden dat vrouwen meer alcohol gebruiken op het werk dan mannen.
Men geeft een zeer slecht signaal aan de samenleving, waar momenteel elke vorm van discriminatie wordt bestreden. Binnenkort is het overigens Equal Pay Day, de dag van de strijd tegen de loonkloof tussen mannen en vrouwen. Een strijd die verre van gewonnen is. De boodschap die hier wordt gegeven, kan de positie van de vrouw in de arbeidswereld alleen maar verzwakken.
Ik zou dus wel eens willen weten wat het echte doel is van de campagne en waardoor die slogan echt werd ingegeven?
Werd de minister van Gelijke Kansen geraadpleegd over het ontwerp van die affiche? Ik wijs er overigens op dat de Senaat onlangs een resolutie heeft goedgekeurd tegen de ongelijke behandeling van mannen en vrouwen in de reclame.
De heer Marc Verwilghen, minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid. - In de strijd tegen de belangrijkste bronnen van stress op het werk, waaronder alcoholmisbruik, heeft de directie van mijn departement besloten het personeel bewust te maken via specifieke dienstnota's en affichecampagnes. De bewuste affiche sluit aan op een dienstnota van 31 januari 2006 die de consumptie van alcohol in de gebouwen van de FOD Economie, KMO, Middenstand en Energie verbiedt. De affiche is dus uitsluitend bestemd voor het personeel van de FOD Economie en niet voor het grote publiek.
Uit een studie van de VZW Vereniging voor Alcohol- en andere Drugproblemen bij en in samenwerking met de FOD Economie blijkt dat ongeveer 5 à 10% van het personeel met alcoholproblemen kampt en dat het om bijna evenveel mannen als vrouwen gaat.
De disfuncties, zoals afwezigheden en spanningen in de diensten, die voortvloeien uit alcoholproblemen, worden vaak toegedekt met medische motieven en kosten de werkgever jaarlijks een bom geld. Bovendien worden dergelijke toestanden vaak getolereerd door de collega's, terwijl de stressenquête bij de FOD Economie precies aantoont dat `pesten op het werk, alcoholmisbruik, rookhinder en het gebrek aan verluchting' prioritair te bekampen stressfactoren zijn. Daarom besteed de FOD voortdurend aandacht aan die thema's.
De affiche en de slogan moeten alle medewerkers duidelijk maken dat alcoholconsumptie op het werk niet wordt getolereerd.
De keuze van de foto werd door volgende elementen ingegeven:
Het directiecomité heeft zich gebogen over de klachten van sommige ambtenaren over het aanplakken van de affiches in plaatsen die voor het publiek toegankelijk zijn. Om zulke discussies te vermijden, is het verkieslijk om vooraf vertegenwoordigers van het personeel te raadplegen. Ik zal een schrijven richten aan de voorzitter van het directiecomité om te weten welke procedure werd gevolgd.
Mevrouw Olga Zrihen (PS). - Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord. Ook als de vrouw op de affiche anoniem is, blijft ze een vrouw. Het zou beter geweest zijn, mocht er zowel een man als een vrouw op dezelfde affiche zijn afgebeeld.
Ik betreur het dat een groep werd gekozen die al in de minderheid is en die al gestigmatiseerd wordt. Ik keur overigens een slogan af waarin men de betrokkene met `jij' aanspreekt en vraagt: `Wanneer kunnen we op jou rekenen?'
We leveren een gevecht voor een waardige communicatie over zowel mannen als vrouwen. Ook al dient de boodschap uitsluitend voor intern gebruik, er wordt een vrouw afgebeeld in een moment van zwakte. Ik sta er dus op dat u mij de besluiten van het directiecomité zou doen geworden.
Net zoals wij geprotesteerd hebben tegen de Peeceefobiecampagne, waarin een vrouw met de vinger werd gewezen, zullen wij dit soort beelden blijven veroordelen.
Mevrouw Margriet Hermans (VLD). - De vele dierenliefhebbers in België werden recent geconfronteerd met verschrikkelijke beelden die aantonen dat wie een hondje koopt bij malafide handelaren vaak bedrogen uitkomt. Er worden jaarlijks 150.000 honden gekocht. Een groot deel van die honden komt uit Oost-Europese landen. Dat is een gevolg van het internationale karakter dat deze handel de laatste jaren heeft gekregen, meer bepaald van de open grenzen van de EU-lidstaten. Voor de honden zou het voornamelijk gaan om 25 populaire rassen die, vergeleken met België, relatief goedkoop zijn, namelijk tussen 200 en 500 euro. Typerend is dat de koper de pup in vele gevallen onmiddellijk meekrijgt, wat impulsaankopen bevordert, maar zonder enige garantie, identificatie of achtergrondinformatie. Uit een Nederlandse studie blijkt dat 60 tot 70 procent van die honden iets mankeert en in één op de tien gevallen gaat het om een ernstige aandoening. Veel pups krijgen niet de noodzakelijke inentingen tegen bijvoorbeeld parvo en de hondenziekte. Voorts blijken de dieren vaak last te hebben van parasieten, luchtwegenproblemen, ernstige ondervoeding en aandoeningen aan gewrichten, poten, botten en spieren. Vaak zijn die aandoeningen rasgebonden. Bonafide fokkers proberen die aandoeningen uit te sluiten door verantwoord te fokken, in tegenstelling tot malafide fokkerijen. Vaak worden de pups vóór de leeftijd van twee maanden weggehaald bij hun moeder. Het fenomeen doet zich ook voor in de handel in raskatten.
Het blijkt dat niet alleen Oost-Europa, maar ook België op dat gebied een slechte reputatie heeft.
Kan de minister meedelen waar zich de grootste problemen inzake de handel in pups voordoen, alsook welke maatregelen hij reeds heeft getroffen om deze pijnpunten weg te werken?
Heeft de minister of zijn departement al klachten gekregen van burgers over de verwaarlozing en verkoop van zieke huisdieren en kan hij ze toelichten?
Kan de minister meedelen hoeveel controles er in 2005 hebben plaatsgevonden bij dierenhandelaren? Welke overtredingen komen het meest voor? Hoeveel processen-verbaal werden opgesteld?
Is de minister het ermee eens dat er nood is aan meer controle, zwaardere straffen en een aangepaste wet? Zo neen, kan hij dat uitvoerig toelichten? Zo ja, aan welke concrete maatregelen heeft de minister gedacht en wanneer zullen ze in voege treden?
Is de minister voorstander van een maatregel die bepaalt dat mensen die herhaaldelijk hebben aangetoond dat ze niet goed voor hun dieren kunnen of willen zorgen, niet langer dieren mogen houden?
Is de minister bereid de koper van huisdieren een koopgarantie toe te kennen, waarbij de handelaar opdraait voor de medische kosten die de cliënt moet dragen binnen een bepaalde `verdachte periode'? Zo neen, waarom niet? Zo ja, wanneer mogen we een dergelijke maatregel verwachten?
Is de minister voorstander van een afkoelingsperiode bij de aankoop van een dier om impulsaankopen terug te dringen?
De heer Rudy Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. - Ik kan mevrouw Hermans verzekeren dat de handel in gezelschapsdieren al tientallen jaren behoort tot de belangrijkste aandachtspunten in het beleid inzake dierenwelzijn. Er werden tal van maatregelen genomen om die handel onder controle te brengen en op die manier het dumpen van dieren in asielen te bestrijden.
In 1996 werd de verkoop van honden en katten op markten verboden. Die maatregel werd genomen om het aantal impulsaankopen te verminderen en om dit specifieke kanaal voor de verkoop van minder kwaliteitsvolle dieren te stoppen.
In 1997 volgde een koninklijk besluit met erkenningsvoorwaarden, waaraan alle operatoren die in de sector van gezelschapsdieren actief zijn moeten voldoen, namelijk de fokkers, handelaars, asielen en pensions.
In datzelfde besluit werden eveneens de voorwaarden voor de verhandeling van dieren vastgelegd en werd ook een schriftelijke waarborg bij de verkoop van honden en katten verplicht. De minimale verkoopleeftijd van een dier werd op zeven weken vastgelegd. Om het ongebreidelde kweken door particulieren af te remmen, werd tegelijkertijd een verbod op reclame voor de verkoop van honden en katten van kracht. Alleen erkende fokkers, handelaars en asielen mogen sedertdien nog vrij reclame maken. Alle anderen mogen dit alleen nog in gespecialiseerde of vaktijdschriften.
In 1998 werden de identificatie en registratie van honden in ons land verplicht. België was op dat gebied één van de eerste landen in Europa.
Met deze reeks van wettelijke maatregelen werd de hele keten van de handel in honden en katten in een strak keurslijf gedwongen.
Tijdens de daaropvolgende jaren werd de aandacht toegespitst op de controle van de bovengenoemde inrichtingen. Dit leidde tot de erkenning van bijna 2.110 honden- en kattenkwekerijen, dierenhandelszaken en pensions.
Begin 2002 werd aan de Raad voor Dierenwelzijn gevraagd voorstellen uit te werken om het voornoemd koninklijk besluit aan te passen om tegemoet te komen aan de problematiek van de gevaarlijke honden. De Raad heeft, na breed overleg, voorstellen gedaan die verder reiken dan het probleem van de agressieve honden. Mijn diensten hebben die voorstellen verwerkt in een nieuw ontwerp van koninklijk besluit dat eind vorig jaar door de Ministerraad werd goedgekeurd en dat nu ter ondertekening aan de Koning werd voorgelegd. Met dit nieuwe koninklijk besluit zal voortaan elke erkende inrichting, namelijk fokkers, dierenhandelszaken, asielen en pensions, een contract met een dierenarts moeten sluiten. Die dierenarts wordt belast met het toezicht op de gezondheid en het welzijn van de dieren. Ook de frequentie van de controlebezoeken van deze dierenartsen werd vastgelegd. Het verplichte waarborgbewijs wordt verder uitgebreid.
Op het vlak van identificatie en registratie heeft ons land als enige land in de Europese Unie ervoor gekozen het Europees paspoort, dat verplicht is bij elke grensoverschrijding in de Europese Unie, te gebruiken als nationaal identificatie- en registratiebewijs voor honden. Praktisch betekent dit dat pups die worden ingevoerd uit andere Europese landen steeds vergezeld moeten zijn van het Europees paspoort van het land van herkomst. De herkomst van een pup kan dus wettelijk niet gecamoufleerd of verzwegen worden. Dat is in andere Europese landen niet het geval.
Mijn diensten voor het dierenwelzijn ontvangen talrijke en gevarieerde klachten. Klachtenbehandeling is dan ook een belangrijk onderdeel van hun activiteiten.
In 2005 werden 817 klachten geregistreerd, waarvan er 110 betrekking hadden op erkende inrichtingen. Vijfentwintig procent daarvan ging over de verkoop van honden, 2,5% over hygiëne, verzorging en huisvesting bij hondenfokkers en 34% over hygiëne, verzorging en huisvesting bij dierenhandelaars. Vergeleken met de 150.000 honden die jaarlijks verhandeld worden, is het aantal klachten vrij laag. In absolute cijfers zijn er uiteraard meer klachten bij handelaars, omdat zij meer honden verkopen.
In 2005 werden in totaal 1.080 controles uitgevoerd, waarvan 250 in erkende inrichtingen. Daarnaast werden nog 150 nieuwe aanvragen voor de erkenning van fokkerijen en dierenhandelszaken behandeld.
In totaal werden 124 processen-verbaal opgesteld en 260 waarschuwingen gegeven. Deze cijfers betreffen het hele activiteitsgebied van mijn inspectiedienst voor dierenwelzijn: particulieren, handelaars, fokkers, asielen, dierentuinen en laboratoria.
Over de zwaarte van de strafbepalingen wil ik me niet uitspreken. Deze moet immers afgewogen worden tegenover andere strafwetten.
Sedert het najaar 2005 wordt voor overtredingen van de wet op het dierenwelzijn het systeem van administratieve boetes gehanteerd. In de praktijk levert dit een goede respons op: de meeste boetes worden zonder meer betaald. Dit is een hart onder de riem van de inspecteurs, die voordien zelden een positieve feedback kregen op hun processen-verbaal.
De wet op het dierenwelzijn bepaalt nu al dat de rechter mensen het recht kan ontzeggen om nog langer dieren te houden. Ik sta volledig achter deze wettelijke bepaling.
De wettelijke waarborg werd uitvoerig besproken bij de uitwerking van het nieuwe ontwerp van koninklijk besluit. De inhoud en reikwijdte van de wettelijke waarborg, die bij de verhandeling van honden en katten wordt gegeven, beantwoordt naar vorm en inhoud aan de voorstellen van de meerderheid van de leden van de bevoegde werkgroep van de Raad voor Dierenwelzijn.
De waarborg dekt niet alleen besmettelijke ziekten binnen de incubatieperiode, maar ook sommige erfelijke aandoeningen.
De werkgroep van de Raad is niet zo ver gegaan om alle medische kosten te laten terugbetalen. Hij was van mening dat de verantwoordelijkheid bij aan- en verkoop van een levend wezen verdeeld is. Men kan de verkoper niet verantwoordelijk stellen voor al wat er mis kan gaan met een levend dier na de verkoop. Bij de verkoop wordt die verantwoordelijkheid overgedragen. De koper wordt dan verantwoordelijk voor de zorg voor de hond.
Uiteraard verdient het aspect impulsaankopen een plaats in dit debat. Elk initiatief om impulsaankopen zoveel mogelijk terug te dringen, verdient steun. Ikzelf heb, onder meer om die reden, in het nieuwe ontwerp van koninklijk besluit de verplichting opgenomen om een specifieke vragenlijst voor te leggen aan elke potentiële koper van een hond. Op die manier kan de potentiële koper zich bewust worden van de verantwoordelijkheid die hij opneemt.
Mevrouw Margriet Hermans (VLD). - Ik dank de minister voor het uitgebreide antwoord. Deze discussie is ook emotioneel geladen. De handel is zo lucratief dat sommige mensen uit voormalige Oostbloklanden nu honden en katten fokken in plaats van vee te houden. Ik heb daar in se geen probleem mee, maar er stellen zich heel wat problemen tijdens het transport en er wordt gespeeld op de emoties van de koper. De minister benadrukte het belang van de identiteitspapieren, maar een systeem werkt enkel als er voldoende controle is. Er worden zulke megawinsten gemaakt dat een administratieve boete van 250 euro voor die mensen een lachertje is. We moeten strenger durven controleren. Het gaat tenslotte om levende wezens en niet om een zakje diamanten.
De heer Rudy Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. - De emotionaliteit speelt in beide richtingen. Ik hecht veel belang aan de voorwaarden die moeten garanderen dat het transport van levende dieren in goede omstandigheden kan gebeuren. Maar ik moet ook rekening houden met de Europese realiteit, die vereist dat het transport van dieren en personen vrijgemaakt moet worden. Binnen onze grenzen kunnen we controles uitvoeren, maar daarbuiten kunnen er al dan niet geïdentificeerde transporten plaatsvinden.
De voorzitter. - De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister, antwoordt.
De heer Wim Verreycken (VL. BELANG). - In de nacht van 15 op 16 maart 1946 werd de IJzertoren te Diksmuide in opdracht van de Belgische staat opgeblazen. Deze toren was een monument ter nagedachtenis aan de duizenden gesneuvelde Vlaamse frontsoldaten uit de Eerste Wereldoorlog. De daders van de aanslag zijn bekend, maar werden nooit vervolgd. Het boek van de onderzoeksjournalist Willy Moons toont de verantwoordelijkheid aan van de toenmalige ministers van Landsverdediging en Justitie. Deze grafschennis blijft tot vandaag en tot definitieve opheldering een smet op het blazoen van de opdrachtgevers.
Wellicht is het te veel gevraagd om eindelijk deze opdrachtgevers openlijk bekend te maken en hun aanslag publiek te laken. Toch zou het alvast passend zijn indien de federale regering namens de Belgische staat het Vlaamse volk haar excuses zou aanbieden. De regering heeft immers geen problemen met verontschuldigingen tegenover andere landen voor misdragingen van België. Verontschuldigingen tegenover het Vlaamse volk en vooral tegenover de nabestaanden van de frontsoldaten zijn dan ook meer dan wenselijk.
Zal de regering dergelijke verontschuldigingen aanbieden?
De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister. - Ik lees het antwoord van de eerste minister, die momenteel deelneemt aan de Europese Raad.
In de nacht van 15 op 16 maart 1946 werd de IJzertoren in Diksmuide inderdaad opgeblazen. Omdat de IJzertoren een politiek monument was, ging het hier om een politiek feit.
De namen van de zogenaamde opdrachtgevers van het opblazen van de IJzertoren zijn nooit officieel vastgesteld. Aangezien geen verantwoordelijkheid kan worden toegewezen, zijn verontschuldigingen niet aan de orde. Een stelling van een auteur in een boek verandert daaraan niets.
Wat de historische waarheid ook zij, de vergelijking tussen het opblazen van de toren - hoe symbolisch die ook moge zijn - en de genocide in Rwanda of de holocaust is ongepast.
De heer Wim Verreycken (VL. BELANG). - Ik had geen ander antwoord verwacht.
Alleen al in de inleiding van het antwoord staat een enorme fout. De eerste minister heeft het namelijk over een politiek monument. De eerste IJzertoren, die na de Eerste Wereldoorlog werd gebouwd, is geen politiek monument, maar een grafmonument. In de kelders lagen soldaten begraven. De eerste minister verwart twee torens.
De daders zijn inderdaad nooit gevat, maar zijn wel degelijk bekend. Men hoeft geen onderzoeksjournalist te zijn om te weten dat het Belgische leger daarin een belangrijke rol speelde. Men moet daarvoor alleen de historische waarheid onder ogen durven te zien. Ik neem aan dat de eerste minister het imago van België als het meest haatdragende land ter wereld wil behouden.
De voorzitter. - De heer Peter Vanvelthoven, minister van Werk, antwoordt.
Mevrouw Mia De Schamphelaere (CD&V). - Vorige vrijdag kondigde de regering enkele maatregelen aan ten gunste van de consument. Blijkbaar ging de regering ervan uit dat heel wat landgenoten op extra koopzondagen zaten te wachten. De reacties bleven niet uit: grote winkelketens, zaakvoerders van kleine zaken, vakbonden en grote consumentenverenigingen roepen op om geen gebruik te maken van de mogelijkheid om die extra koopzondagen in te richten. Zo hebben de vakbonden voor 30 maart acties aangekondigd. Er groeit een breed front tegen de maatregel die het de consument zogenaamd makkelijker moet maken.
De vraag rijst dan ook op wiens verzoek de regering de maatregel heeft genomen. Vele studies tonen aan dat het totale verkoopvolume niet zal toenemen. De consument koopt wat hij nodig heeft; hij zal zijn aankopen misschien wat meer spreiden. Het gevolg is dan ook dat de personeelskosten zullen verhogen, temeer daar het duurder is om personeel op zondag te doen werken. Hierdoor zal de consument uiteindelijk hogere prijzen moeten betalen.
Ook bij ons groeit de vrees dat we steeds verder evolueren naar een 24-uurseconomie, terwijl de samenleving juist snakt naar meer rust en onthaasten.
Hoe motiveert de regering deze beslissing?
De heer Peter Vanvelthoven, minister van Werk. - Momenteel mogen zelfstandige winkeliers hun zaak op zondag openen. Bovendien mogen alle winkels op drie `koopzondagen' personeel laten werken. De regering wil de regelgeving voor de openingstijden en de zondagsrust in de winkels aanpassen aan het gewijzigde koopgedrag van de consumenten. De regeling voor de koopzondagen dateert van 1987.
Het aantal koopzondagen zal van drie tot zes kunnen worden verhoogd. Mocht er nog meer behoefte bestaan, dan kunnen de lokale overheden de toestemming geven om nog één, twee of drie extra koopzondagen toe te staan. Niet alle winkels zullen dus zes of negen zondagen open blijven en er bestaat ook geen enkele verplichting.
De regering is van mening dat koopzondagen de werkgelegenheid in de sector ten goede kunnen komen. Dat zal met name in de grensstreken het geval zijn. In Nederland zijn de openingsregels soepeler, waardoor net over de grens grote winkelcentra op zondag geopend zijn. De concurrentie van die centra kan tot verlies van werkgelegenheid leiden.
Een gezinsbudget kan maar eenmaal worden uitgegeven. In bepaalde grensregio's worden jammer genoeg alsmaar vaker producten over de grens aangekocht.
Het ontwerp van koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 1987 over het tewerkstellen van werknemers op zondag in de distributiesector zal voor advies aan de Nationale Arbeidsraad worden voorgelegd, aangezien het toepassingsgebied onder meerdere paritaire comités ressorteert. Vervolgens zal het advies van de betrokken paritaire comités worden ingewonnen. Via de geijkte weg zal de beslissing van de regering dan aan de sector worden voorgelegd. Zodra ze beschikt over het advies van de Nationale Arbeidsraad, weet ze of en in welke mate het ontwerp gedragen wordt door de sector en de sociale partners.
Mevrouw Mia De Schamphelaere (CD&V). - Het stemt me tevreden dat deze beslissing pas definitief wordt na een positief advies van de Nationale Arbeidsraad. Aan de verklaringen van de sociale partners te horen, vrees ik dat dit advies niet positief zal zijn. Dat de regering aankondigt daar rekening mee te houden stemt me eveneens tevreden.
De voorzitter. - Mevrouw Gisèle Mandaila Malamba, staatssecretaris voor het Gezin en Personen met een handicap, toegevoegd aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, antwoordt.
Mevrouw Amina Derbaki Sbaï (Onafhankelijke). - Het Kyotoverdrag van 1997 bepaalt dat de uitstoot van broeikasgassen op wereldvlak tussen 2008 en 2012 met ongeveer 5% moet dalen ten opzichte van 1990. België wil zijn uitstoot ten opzichte van dat jaar met 7,5% verminderen.
In die logica van vermindering van broeikasgassen en rationeel energiegebruik, is richtlijn 2001/77/EG van het Europees Parlement en van de Raad van 27 september 2001 betreffende de bevordering van elektriciteitsopwekking uit duurzame energiebronnen op de binnenlandse elektriciteitsmarkt, een vervolg op het Witboek. Ze bevestigt de doelstelling dat in 2010 12% van het bruto binnenlands verbruik van heel de Europese Unie afkomstig moet zijn uit duurzame energiebronnen, met 22,1% elektrische energie. Het percentage van België zou op 6% komen.
Die doelstelling past vanzelfsprekend in het kader van het beleid van duurzame ontwikkeling. Dat is een federale bevoegdheid, maar door de overdracht van bevoegdheden hangen talrijke punten af van de gewesten.
We worden hier geconfronteerd met de complexiteit van het Belgische institutionele systeem: elk gewest moet zijn eigen plan opstellen, maar aan de Europese Commissie moet een nationaal toewijzingsplan worden voorgelegd.
Nu voeren we een beleid dat gericht is op het stimuleren van duurzame energiebronnen en energie-efficiëntie, wat onder meer geleid heeft tot de oprichting van offshorewindmolenparken, de invoering van biobrandstof en een verhoogde fiscale aftrekbaarheid van energiebesparende investeringen in woningen.
We moeten echter nog verder gaan met dat beleid, aangezien duurzame ontwikkeling erin bestaat die doelstellingen te realiseren, maar tegelijkertijd ook economische en sociale ontwikkeling voor de hele wereldbevolking mogelijk te maken.
Dat geldt in het bijzonder voor de ontwikkelingslanden. In deze optiek integreert de Europese Unie steeds meer de tweeterm energie-milieu in haar beleid. Ze wil niet enkel de verschillende aspecten van de duurzame ontwikkeling - economie, maatschappij en milieu - met elkaar verzoenen, maar ze tracht er ook aan deel te nemen. Daartoe moedigt ze energiesystemen aan die gebaseerd zijn op energie-efficiëntie en duurzame energiebronnen.
Op deze duurzame energiebronnen wordt nog te weinig een beroep gedaan. Het is in ons eigen belang dat we deze energiebronnen met voorrang propageren. Hun exploitatie draagt immers bij tot de bescherming van het milieu en tot duurzame ontwikkeling. De weldaden van de duurzame energiebronnen reiken echter verder.
De ecologische sector schept lokale tewerkstelling. Volgens talrijke studies zou de Europese Unie minstens 20% van haar huidige energieverbruik - of 60 miljard euro per jaar - kunnen besparen met een goede verhouding tussen kostprijs en efficiëntie.
Hoewel aanzienlijke investeringen vereist zijn op het vlak van nieuwe uitrusting en efficiënte energiediensten om die potentiële economieën te exploiteren, is Europa wereldleider in deze sector en de energiediensten hebben een sterk lokaal karakter.
Dat brengt talrijke hoogkwalitatieve nieuwe banen in Europa met zich mee: volgens verschillende studies zou dit initiatief direct en indirect één miljoen nieuwe banen kunnen scheppen in Europa.
Het milieubeleid en de innovaties op ecologisch terrein kunnen bijdragen tot de economische groei en tot het behoud en de creatie van banen. De markt van ecologische goederen en diensten is een wereldmarkt in expansie, die in 2003 op 500 miljard euro werd geschat.
Meer dan twee miljoen mensen in Europa werken in de eco-industrie. Die sector blijft groeien met ongeveer 5% per jaar. De toekomstmogelijkheden voor eco-efficiënte producten zijn veelbelovend.
Een geslaagd energie-efficiënt systeem heeft tot gevolg dat een deel van de 60 miljard euro die niet aan energie wordt uitgegeven nettobesparingen zijn. Met andere woorden, het leidt tot een verbetering van de competitiviteit, van de levensomstandigheden van de burgers en tot meer werkgelegenheid. Bovendien zouden we dichter bij de belangrijkste doelstellingen van de Agenda van Lissabon komen.
Een beleid dat duurzame energiebronnen bevordert, heeft positieve gevolgen voor de sociale cohesie; het draagt bij tot de beveiliging van de energievoorzieningen en zorgt ervoor dat de Kyotodoelstellingen sneller worden bereikt.
Als we niets doen, zal Europa in 2030 voor 90% van zijn aardoliebehoefte en voor 80% van zijn behoefte aan gas afhankelijk zijn van invoer! De belangrijkste gasvoorraden bevinden zich in Rusland en het Midden-Oosten. Elk van hen beschikt over 36% van de voorraden.
We kunnen de olie- en gasprijzen onmogelijk voorspellen, want daarop heeft België geen vat. Daarom is de promotie van een efficiënt verbruik één van de sleutelmethodes om de uitdaging op het vlak van energie aan te gaan. Het handhaven van de energievraag op het huidige niveau en vervolgens de vermindering van die vraag, zou in grote mate bijdragen tot de ontwikkeling van een coherent en evenwichtig beleid.
De vermindering van de uitstoot van broeikasgassen en de verbetering van de luchtkwaliteit zijn pas echt mogelijk als we overgaan tot energiebesparingen. Bovendien zal de exploitatie van duurzame energiebronnen bijdragen tot het tegengaan van klimaatverandering op lange termijn dankzij een verminderde uitstoot van broeikasgassen. Dat is de richting van het beleid na 2012, dat bepaald is in het VN-verdrag omtrent de klimaatverandering.
De opgang van grote dynamische economieën als die van Brazilië, India of China leidt tot een stijgende druk op de natuurlijke bronnen, gepaard gaand met een belangrijke toename van de uitstoot van vervuilende stoffen op wereldvlak.
Talrijke ontwikkelingslanden erkennen ten volle de essentiële rol van duurzame energiebronnen. De druk van de snelle economische groei op het milieu maakt de noodzaak van duurzame ontwikkeling duidelijk.
We moeten ook het voorbeeld geven op het vlak van een nieuw beleid en nieuwe technologieën die de derde wereld kunnen helpen om die uitdaging aan te gaan. Het is dus uiterst belangrijk ervoor te zorgen dat dit potentieel beter benut wordt.
Duurzame ontwikkeling vereist inzicht inzake de gevolgen van politieke beslissingen op zeer lange termijn. In België zijn er verschillende `onzekerheidsfactoren' die tot bezorgdheid leiden, in het bijzonder op het vlak van het energiedebat, de informatie aan de burgers, de samenhang van de gegevens en de afstemming van het beleid.
Er is duidelijk nood aan een regelmatig debat tussen alle actoren van het energiebeleid. Dat debat moet leiden tot een betere informatieverstrekking aan de burgers over bepaalde beslissingen met betrekking tot energieproductie en klimaatverandering.
Er moeten campagnes worden gevoerd zodat de burgers zich ervan bewust worden dat een rationeel energiegebruik noodzakelijk is voor het beheersen van hun energierekening.
Wat de gegevens betreft, zijn het vooral de overeenstemming tussen de gewesten en de federale staat, de energiebalansen en de inventarissen van de uitstoot van broeikasgassen die regelmatig vragen oproepen.
De bekommernissen op het vlak van energie moeten niet enkel aan bod komen in het perspectief van duurzame ontwikkeling. Ze moeten in heel het beleid aan bod komen, want in de beslissingen die op tal van andere gebieden dan energie worden genomen, wordt nog onvoldoende rekening gehouden met de gevolgen van het energieverbruik voor de klimaatverandering.
Niettemin ben ik verheugd dat er belangrijke stappen werden gedaan in die richting dankzij de oprichting van FEDESCO. De federale openbare diensten zullen energie kunnen besparen dankzij het systeem van de derde investeerder.
Het voorgaande en de supranationale wetgeving op het vlak van energie- en milieubeleid doet vragen rijzen over de manier waarop de federale overheid het onderzoek op het vlak van duurzame energiebronnen voortaan kan en wil steunen. Het is bovendien niet makkelijk beslissingen te nemen aangezien het energiebeleid gedeeltelijk geregionaliseerd is.
Om de huidige toestand op het vlak van duurzame energiebronnen te evalueren, wens ik een antwoord op volgende vragen.
Want denkt de minister te doen om de `onzekerheidsfactoren' en de alomtegenwoordige lacunes uit de weg te ruimen?
Welke maatregelen kan de federale regering nemen om de duurzame energiebronnen - waterkrachtcentrales, windenergie, zonne-energie, geothermische energie, biogas en biomassa - de komende jaren te promoten?
Wat is de toekomstige strategie op het vlak van de promotie van duurzame energiebronnen?
Moeten we niet alle openbare instellingen en administraties opnieuw bekijken en aanpassen aan duurzame energie? Daarmee geeft de overheid het voorbeeld aan de bevolking.
De inwerkingtreding in 2006 van de richtlijn over de energieprestatie van gebouwen zal naar schatting tegen 2020 een winst van ongeveer 40 miljoen ton olie-equivalent opleveren. Heeft België alle maatregelen getroffen die nodig zijn voor de toepassing van die richtlijn?
Mevrouw Gisèle Mandaila Malamba, staatssecretaris voor het Gezin en Personen met een handicap, toegevoegd aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. - Mijn collega die bevoegd is op dat vlak deelt volledig uw bekommernissen en is blij met uw interesse voor deze kwestie, die uitermate belangrijk is voor de toekomst van ons land.
We zijn ervan overtuigd dat de beheersing van de energievraag en de duurzaamheid van de energiebevoorrading prioritaire punten moeten zijn in het debat over de energiebevoorrading in de toekomst.
In ons land zijn verschillende niveaus bevoegd inzake energie. Dat gegeven vormt een belangrijk element in onze nationale strategie voor duurzame ontwikkeling, die we thans actief uitwerken.
We trachten het beleid van de verschillende bevoegdheidsniveaus in ons land in ons nationale beleid te integreren.
We grijpen ook alle kansen aan om het publiek te informeren, bijvoorbeeld via de nieuwe website www.duurzame-info.be of www.info-durable.be.
Mijn collega was aanwezig op Batibouw met een stand `duurzaam bouwen'. Het publiek kon er gratis advies krijgen van specialisten. Andere federale openbare diensten, zoals Financiën en Economische Zaken hadden ook een stand, evenals de gewesten en hun bevoegde diensten. Alle inlichtingen over premies, subsidies en fiscale aftrekbaarheid van energiebesparende investeringen konden er verkregen worden.
De ministerraad heeft onlangs de oprichting goedgekeurd van een Energiebesparingsfonds, dat goedkope leningen aan eigenaars zal verstrekken om energiebesparende maatregelen te nemen en om kansarme personen te helpen via de lokale entiteiten.
Vorig jaar hebben we de NV FEDESCO opgericht. Die vennootschap zal binnenkort haar eerste grote projecten in de federale openbare gebouwen starten.
Als staatssecretaris voor duurzame ontwikkeling wil mijn collega er ook voor zorgen dat duurzame energiebronnen hoog op de politieke agenda worden geplaatst.
Vooral in de eerste fase zullen financiële stimuli nodig zijn om de sector voldoende zuurstof te geven. De inspanningen zullen in de toekomst moeten worden voortgezet.
De oprichting van een studiecentrum voor duurzame energie, in navolging van een studiecentrum voor kernenergie, is ook een belangrijk element. Een dergelijk centrum kan in ons land een voortrekker zijn voor de bevordering van hernieuwbare energiebronnen.
Natuurlijk kunnen de voorstellen enkel worden gerealiseerd als alle regeringsleden erachter staan. Mijn collega zal er alles aan doen om het debat op gang te houden.
Duurzame energie en de omzetting van de Europese richtlijn inzake de energieprestaties van gebouwen is een gewestmaterie. De gewesten stimuleren de productie van groene stroom. Ook de federale minister van Energie is deels bevoegd.
De staatssecretaris is er voorstander van om naar Zweeds voorbeeld een commissie op te richten die het probleem van de energieafhankelijkheid van onze economie moet bestuderen en die maatregelen moet voorstellen om die afhankelijkheid te verminderen. In Zweden stond die commissie onder auspiciën van de eerste minister. Dat is een van de redenen waarom mijn collega een vraag in die zin tot de eerste minister heeft gericht.
Er moeten voldoende middelen ter beschikking worden gesteld. Talrijke studies hebben immers aangetoond dat duurzame energie zowel ecologische als economische voordelen oplevert.
Als voorbeeld van overheidsdiensten die een voortrekkersrol spelen had mevrouw Derbaki Sbaï het over FEDESCO, dat energiemaatregelen voor openbare gebouwen heeft opgesteld. De Regie der Gebouwen heeft `energiesoftware' ontwikkeld om het verbruik in alle gebouwen te berekenen en te controleren.
Mijn collega ziet erop toe dat binnen elke overheidsadministratie een cel voor duurzame ontwikkeling wordt opgericht die voorstellen voor intern gebruik moet uitwerken en jaarlijks een actieprogramma moet opstellen.
Deze week werd een project opgestart om het wagenpark van overheidsbedrijven - NMBS, De Post, Belgacom en de Nationale Loterij - door te lichten. Het is de bedoeling geleidelijk over te schakelen op wagens die minder schadelijk zijn voor het leefmilieu en die minder energie verbruiken.
Tijdens de week van de duurzame ontwikkeling in oktober zal één dag worden gewijd aan de federale ambtenaren.
Ondertussen hebben het secretariaat en de strategische cellen van mijn collega het EMAS-certificaat gekregen. Alle federale en programmatorische overheidsdiensten moeten dat label tegen 2007 behalen. Hierbij zal de aandacht vooral gaan naar het energiebeheer in gebouwen waar administraties zijn ondergebracht.
Mijn collega deelt ook mee dat de Federale Raad voor Duurzame Ontwikkeling geregeld adviezen uitbrengt die op de website van de raad kunnen worden geraadpleegd.
Mevrouw Amina Derbaki Sbaï (Onafhankelijke). - De staatssecretaris had het over de verschillende salons die ze heeft bezocht. Dat is allemaal mooi, maar het is niet wat ik wilde horen.
Mijn vragen hadden hoofdzakelijk betrekking op de federale bevoegdheden en op de federale gebouwen.
Het is allemaal goed en wel om te zeggen dat het vooral om gewestelijke bevoegdheden gaat - dat heb ik in mijn vraag reeds aangegeven - maar sommige bevoegdheden zijn louter federaal.
Ik heb ook geen antwoord gekregen op mijn vraag over de toepasbaarheid van de Europese richtlijn.
De voorzitter. - Mevrouw Gisèle Mandaila Malamba, staatssecretaris voor het Gezin en Personen met een handicap, toegevoegd aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, antwoordt.
De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Speciaal opgeleide stewards moeten voorkomen dat zich in de toekomst in ziekenhuizen nog drama's afspelen zoals in het UZ Gasthuisberg te Leuven, waar een patiënt een medepatiënt wurgde en enkele anderen verwondde.
Reeds in mei 2005 stelde ik aan de minister van Binnenlandse Zaken een schriftelijke vraag over de ziekenhuiscriminaliteit. Aanleiding daarvoor was het feit dat de Gentse preventiedienst op dat ogenblik aan de Gentse ziekenhuizen een veiligheidshandleiding uitdeelde.
In zijn antwoord gaf de minister onder meer cijfers over het aantal feiten inzake diefstal en afpersing, vandalisme en misdrijven tegen de lichamelijke integriteit - slagen en verwondingen, verkrachting, aanranding van de eerbaarheid, ... - dat de politiediensten registreerde met als plaats of bestemming een ziekenhuis of polikliniek, op nationaal niveau en voor de jaren 2000 tot 2004. Het aantal feiten van diefstal en afpersing kende een stijgende trend van 3.553 in 2000 tot 4.403 in 2004. Ook het vandalisme nam tussen 2000 en 2004 toe van 108 tot 156 feiten. De misdrijven tegen de lichamelijke en fysieke integriteit kenden eveneens een stijging van 373 in 2000 naar 408 in 2004.
De minister somde in het antwoord ook de middelen ter bestrijding van de ziekenhuiscriminaliteit op. Ik citeer uit het antwoord: `De FOD Binnenlandse Zaken subsidieert sinds meerdere jaren, door middel van de veiligheids- en preventiecontracten, lokale projecten rond ziekenhuiscriminaliteit. Op initiatief van de minister van Volksgezondheid is een werkgroep Ziekenhuiscriminaliteit opgericht die zich gebogen heeft over de vraag naar het nut van een algemeen registratiesysteem inzake criminaliteit in de Belgische ziekenhuizen.
Een tweede maatregel zal bestaan uit het verspreiden van het handboek Geïntegreerde criminaliteitspreventie in ziekenhuizen.
Ten derde zullen we scholing uitwerken inzake de aanpak van agressie en de preventie van ziekenhuiscriminaliteit voor het (toekomstige) ziekenhuispersoneel en de ziekenhuisdirecties.
De regering heeft ten slotte ook wetgevende initiatieven genomen om personen die een opdracht van algemeen belang of een belangrijke sociale opdracht vervullen, beter te beschermen en potentiële daders meer af te schrikken.'
Het actieplan om de veiligheid in de ziekenhuizen te verhogen is aangekondigd voor de zomer. Eén van de maatregelen in dit actieplan is dus de inzet van stewards in de ziekenhuizen.
Volgens ingewijden volstaan stewards echter niet om de veiligheid te garanderen. Zo wordt er bijvoorbeeld op gewezen dat, wanneer een patiënt een mes trekt, deze stewards evenzeer op de vlucht slaan. Er zou bijgevolg meer nood zijn aan echte veiligheidsagenten, die ook in dat geval effectief kunnen ingrijpen. Sommige ziekenhuizen maken nu reeds gebruik van externe bewakingsdiensten die naast het bewaken van de eigendommen ook instaan voor de controle op de personen.
Graag had ik van de minister een antwoord gekregen op volgende vragen.
Werd op federaal niveau verder gevolg gegeven aan de handleiding die de Gentse preventiedienst vorig jaar aan de Gentse ziekenhuizen uitdeelde?
Komt de werkgroep Ziekenhuiscriminaliteit nog samen? Welke aanbevelingen formuleerde hij zoal?
Zijn alle ziekenhuizen op de hoogte en in het bezit van het handboek Geïntegreerde criminaliteitspreventie in ziekenhuizen? Op welke wijze maken de ziekenhuizen er gebruik van? Is hierbij enige feedback gekomen vanuit de ziekenhuizen?
Hoever staat het met de wetgevende initiatieven die werden aangekondigd in het antwoord op mijn schriftelijke vraag van mei 2005?
Acht de minister de inzet van stewards voldoende om de criminaliteit in de ziekenhuizen te bestrijden? Wat met de idee van het inzetten van echte veiligheidsagenten?
Welke andere maatregelen zal de minister nemen om incidenten zoals in Leuven in de toekomst te vermijden?
Mevrouw Gisèle Mandaila Malamba, staatssecretaris voor het Gezin en Personen met een handicap, toegevoegd aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. - Ik lees het antwoord van minister Dewael.
De FOD Binnenlandse Zaken subsidieert en ondersteunt in het kader van de veiligheids- en preventiecontracten verschillende lokale projecten rond ziekenhuiscriminaliteit. De publicatie van een verkorte versie van het handboek Geïntegreerde criminaliteitspreventie in ziekenhuizen is daar één voorbeeld van.
Tot op heden werden door de preventiedienst van Gent 52 handboeken verdeeld: 25 aan politiezones en 27 aan ziekenhuizen. Uit de werkgroep Ziekenhuiscriminaliteit van de Provincie West-Vlaanderen en vergaderingen met de Gentse ziekenhuizen blijkt dat het handboek door de ziekenhuizen positief beoordeeld en frequent geraadpleegd wordt. Zodra de beknopte versie van het handboek in beide landstalen beschikbaar is, zal dit aan alle ziekenhuizen gecommuniceerd worden.
Voorlopig komt de werkgroep Ziekenhuiscriminaliteit niet meer samen. De laatste vergadering vond plaats op 30 november 2005.
Ik kan wel meedelen dat op basis van de aanbevelingen die deze werkgroep heeft gedaan, de minister van Volksgezondheid en ikzelf hebben besloten een sensibilisatie- en informatiecampagne uit te werken.
Voorts dient een algemeen registratiesysteem van ziekenhuiscriminaliteit ertoe bij te dragen dat we meer inzicht krijgen in dit fenomeen en gepaste maatregelen kunnen nemen.
Wat de vierde vraag betreft, verwijs ik naar mijn collega van Justitie, want de bedoelde initiatieven vallen onder haar bevoegdheid.
De inzet van stewards is één element om ziekenhuiscriminaliteit te bestrijden. Momenteel wordt trouwens nog overleg gepleegd tussen mijn administratie en de FOD Volksgezondheid aangaande de rol en functie die dergelijke stewards zouden kunnen vervullen.
Er is alleszins een rol voor professionele bewakingsagenten weggelegd. Vandaag beschikken heel wat ziekenhuizen al over een interne bewakingsdienst bestaande uit professionele bewakingsagenten. Dat is ook het geval voor het Universitair Ziekenhuis te Leuven, waar zich vorige week het bewuste incident voordeed. Dergelijke incidenten zijn uitzonderlijk en kunnen altijd gebeuren.
Dat neemt niet weg dat de inzet van professionele veiligheidsagenten en stewards kan bijdragen tot de bestrijding van de ziekenhuiscriminaliteit. Dat moet worden ingepast in een meer algemene aanpak. Ik denk bijvoorbeeld ook aan infrastructurele maatregelen, een betere registratie van incidenten in ziekenhuizen en een sensibiliserings- en informatiecampagne voor de ziekenhuisdirecties, het ziekenhuispersoneel, de patiënten en de bezoekers.
Voorts moet ook met experts worden nagegaan hoe de verschillende problemen inzake ziekenhuiscriminaliteit kunnen moeten worden aangepakt.
De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Ik zal een bijkomende vraag stellen aan de minister van Justitie.
De voorzitter. - Mevrouw Gisèle Mandaila Malamba, staatssecretaris voor het Gezin en Personen met een handicap, toegevoegd aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, antwoordt.
De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Naar aanleiding van de hervorming van de rijopleiding hield de automobilistenfederatie VAB een enquête bij jongeren en ouders. De nieuwe rijopleiding bevat een nieuw systeem met zes uur rijschool, gevolgd door minstens drie maanden begeleid oefenen. Uit de enquête van de VAB blijkt dat negen op de tien jongeren de nieuwe rijopleiding een verbetering vinden en dat zes op de tien ouders de voorkeur geven aan het `combimodel' rijschool-vrije begeleiding.
Uit de enquête blijkt echter dat ouders willen dat de vrije begeleiders geregistreerd worden, zodat hun engagement niet vrijblijvend blijft en dat de vrije begeleider gestimuleerd wordt een korte opleiding te volgen. Daarnaast pleit de VAB voor een hervorming van het praktijkexamen, door bijvoorbeeld nog meer feedback en bijsturingmechanismen in te bouwen.
Welke conclusies trekt de minister uit de VAB-enquête?
Acht de minister het wenselijk om, naar aanleiding van de opmerkingen van de VAB, in bijsturingsmechanismen te voorzien?
Mevrouw Gisèle Mandaila Malamba, staatssecretaris voor het Gezin en Personen met een handicap, toegevoegd aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. - Ik lees het antwoord van minister Landuyt.
Zes uur professionele rijopleiding gevolgd door drie maanden vrije begeleiding is inderdaad een goede voorbereiding op het praktische rijexamen. De hervorming van dit praktijkexamen is momenteel volop aan de gang.
Het voorstel van de VAB kan perfect in die hervorming worden geïntegreerd. Ik ben ervan overtuigd dat heel wat kandidaten hiervoor zullen kiezen, als de VAB er een goede campagne voor voert bij de kandidaat-bestuurders en indien ze haar opleiding voor een aantrekkelijke prijs kan aanbieden.
De hervorming van de rijopleiding is al goedgekeurd door de ministerraad en krijgt de steun van alle meerderheidspartijen. Ze maakt inderdaad komaf met het systeem waarbij de kandidaten via allerlei ondoorzichtige regeltjes verplicht naar de rijschool worden geduwd en de vrije begeleiding moeilijk en onaantrekkelijk wordt gemaakt.
De hervorming betekent zeker niet het einde van de rijschoolsector, maar de sector zal zich wel moeten leren aanprijzen bij het publiek en haar diensten aan marktconforme prijzen moeten aanbieden. De VAB zit duidelijk op deze weg en ik hoop dat de rest van de sector volgt.
De voorzitter. - Mevrouw Gisèle Mandaila Malamba, staatssecretaris voor het Gezin en Personen met een handicap, toegevoegd aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, antwoordt.
De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Uit een nog niet gepubliceerde studie die minister van Ambtenarenzaken Christian Dupont liet uitvoeren, blijkt dat het bijzonder slecht is gesteld met de consumentvriendelijkheid van de Directie voor de Inschrijving van Voertuigen. Automobilisten kunnen bij de DIV terecht voor een nummerplaat of inschrijvingsbewijs van hun wagen.
De studie van Minister Dupont bestond in een enquête met 15.000 respondenten, waarin gepeild werd naar de tevredenheid over de dienstverlening van de DIV. De resultaten stellen de dienst in een bijzonder slecht daglicht. Zo is 45% van de klanten ontevreden over de bereikbaarheid van de dienst: telefonische oproepen worden veelal niet beantwoord, de helpdesk verleent te weinig gerichte assistentie of technische problemen doen zich voor bij de internettoepassing. Daarnaast maakt de studie ook melding van lange wachttijden en weinig flexibele openingsuren.
Ten slotte blijkt uit de enquête dat slechts de helft van de respondenten weet dat nieuwe nummerplaten ook via het internet aangevraagd kunnen worden. Zij die wel op de hoogte zijn, verkiezen vaak nog altijd het loket boven het internet.
Welke maatregelen zal de minister nemen om de klantvriendelijkheid van de Directie voor de Inschrijving van Voertuigen te bevorderen?
Acht de minister het nodig een informatiecampagne op te starten waarin aangekondigd wordt dat de mensen hun nummerplaat ook via het internet kunnen aanvragen?
Zal de minister deze enquête binnen afzienbare tijd opnieuw uitvoeren om de eventuele vooruitgang te kunnen meten?
Mevrouw Gisèle Mandaila Malamba, staatssecretaris voor het Gezin en Personen met een handicap, toegevoegd aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. - Naar aanleiding van het jaar van de klant wordt binnen de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer vooral de nadruk gelegd op de verbetering van de dienstverlening aan de burger. De Directie voor de Inschrijving van Voertuigen van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid is uiteraard één van de voornaamste diensten als het om de relatie met de burger gaat.
In de loop van 2005 werd een tevredenheidsenquête binnen de DIV gevoerd, die vooral was gefocust op de dienstverlening aan de burger. Als negatieve punten kwamen onder meer de voorzieningen in de lokalen en de telefonische bereikbaarheid naar voren. Deze kritiek wordt door mijn diensten erkend. Vooral op die punten moet de klantvriendelijkheid worden uitgebouwd.
Contact met de burger manifesteert zich op verschillende manieren. In de eerste plaats wordt gewerkt aan de verbetering van de indirecte relatie door interne structuren te verbeteren en zodoende het contact van de burger met onze diensten overbodig te maken. Daarnaast zijn er de directe contacten. Op dat vlak wordt er gewerkt aan een betere bereikbaarheid en een accurate dienstverlening. Concreet zullen de volgende maatregelen worden genomen: modernisering en herstructurering van de werkprocessen; betere en snellere klachtenbehandeling; verbetering en vereenvoudiging van de interne procedures; bijkomende personeelsopleiding; verbeterde ICT-infrastructuur en verhoging van de telefonische bereikbaarheid.
Tijdens het autosalon 2006 werd een promotiecampagne gevoerd onder de naam `WebDIV: maak het uzelf gemakkelijk'. Er werden 100.000 exemplaren van de folder verspreid op de stands die op het autosalon aanwezig waren. In april 2006 zal de folder verspreid worden via FEDRA, het `tijdschrift van de federale ambtenaar', een vaste waarde in de federale communicatie. De opdracht van dit tijdschrift is de ambtenaren op een kritische en opbouwende manier beter te informeren over wat er binnen het federale openbare ambt gebeurt. Het tijdschrift is bestemd voor zowel de statutaire als contractuele personeelsleden van de federale administratie en voor een beperkte externe doelgroep. Het verschijnt tien maal per jaar en elke editie heeft een oplage van ongeveer 92.000 exemplaren.
Op de website van de FOD Mobiliteit wordt eveneens promotie gemaakt. Op deze website kan de burger een makelaar of een verzekeringsmaatschappij in de buurt van zijn woonplaats vinden die gebruik maakt van WebDIV. Aan de loketten en in de hulpkantoren zijn er affiches aangebracht die de burger eveneens doorverwijzen naar deze website.
Op dit ogenblik is noch binnen de FOD Mobiliteit en Vervoer, noch bij de FOD Personeel en Organisatie een beslissing genomen om binnen afzienbare tijd opnieuw een enquête uit te voeren.
De voorzitter. - Mevrouw Gisèle Mandaila Malamba, staatssecretaris voor het Gezin en Personen met een handicap, toegevoegd aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, antwoordt.
Mevrouw Annemie Van de Casteele (VLD). - Het arrest van het Hof van Cassatie, dat nu al het `Vandenbroucke-arrest' wordt genoemd, is geen uitspraak ten gronde, maar kan misschien gevolgen hebben voor andere dossiers waarin sporters strafrechtelijke sancties hebben opgelopen.
Doordat sport een gemeenschapsbevoegdheid is, dreigt de handhaving van een aantal federale wetten, met name de wet van 24 februari 1921 en de wet van 15 juli 1985, te worden uitgehold.
Ook al geldt de scheiding der machten, toch wil ik graag het standpunt van de minister van Justitie kennen over het moeilijke raakvlak tussen disciplinaire en correctionele straffen. Die problematiek blijft overigens niet beperkt tot de sportwereld. Ook wanneer leden van een beroepsorde een sanctie krijgen, worden we ermee geconfronteerd.
In haar verslag over de problematiek van doping in de sport heeft de commissie voor de Sociale Aangelegenheden er reeds op gewezen. In de aanbevelingen staat te lezen dat `de geneesmiddelenwet en de wet op de verdovende middelen onverkort moeten worden toegepast' en verder dat `het oplopen van een disciplinaire sanctie wegens doping niet mag betekenen dat er op systematische wijze in geen enkele vorm van strafrechterlijk gevolg wordt voorzien.'
Indien het hof van beroep zou oordelen dat een sporter niet tweemaal voor dezelfde feiten kan worden veroordeeld, dreigt er dan geen verschillende behandeling voor eenzelfde overtreding, namelijk het illegaal bezit van drugs en hormonen, naargelang het al dan niet om een sporter gaat?
Zet dat de deur niet open voor dopingzondaars, en meer nog, is het geen stimulans voor drugsdealers en hormonenzwendelaars om actief sporter te worden?
Welke stappen kan de minister van Justitie doen om een onverkorte toepassing van de wet af te dwingen?
Heeft zij hierover al overlegd met het college van procureurs-generaal?
Heeft zij hierover al overlegd met de ministers van sport?
Ik ga ervan uit dat decreten die de gemeenschappen hebben goedgekeurd en inmiddels ook al hebben gewijzigd, geen afbreuk kunnen doen aan federale wetten.
De raadkamer van Kortrijk heeft zich onlangs ook uitgesproken in de zaak-Museeuw en andere sporters die werden veroordeeld voor de handel in, het bezit en het gebruik van doping. Die uitspraken dateren van na het arrest van het Hof van Cassatie.
Het standpunt van de minister in dezen is dus uitermate belangrijk.
Mevrouw Gisèle Mandaila Malamba, staatssecretaris voor het Gezin en Personen met een handicap, toegevoegd aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. - Ik lees het antwoord van minister Onkelinx.
Ik heb kennis gekregen van het arrest van het Hof van Cassatie in het dossier dat mevrouw Van de Casteele aankaart, en ik heb de mogelijke juridische gevolgen van dat arrest laten onderzoeken. Het komt me voor dat die gevolgen zeer beperkt zijn.
In het bedoelde dossier werd vervolging ingesteld op basis van de wet van 24 februari 1921, de zogenaamde drugswet. De veroordeling door de correctionele rechtbank en nadien door het hof van beroep stoelde uitsluitend op die wet.
In een subsidiaire overweging beklemtoont het hof van beroep dat artikel 44 van het dopingdecreet niet van toepassing was, omdat de beklaagde zich niet op het sportterrein of in de kleedkamer bevond op het ogenblik van de vaststelling.
Het Hof van Cassatie heeft ter zake alle cassatiemiddelen verworpen behalve het middel dat gericht was tegen die subsidiaire overweging. Volgens het Hof van Cassatie kan men zich over een langere periode en op allerlei plaatsen op een sportmanifestatie voorbereiden.
De draagwijdte van het arrest blijft dan ook beperkt tot die vaststelling. Het arrest verandert derhalve niets aan de toestand die voorheen bestond, en geeft evenmin carte blanche aan drugsdealers of hormonenzwendelaars om actieve sporter te worden.
In het licht hiervan ben ik van oordeel dat verdere stappen niet nodig zijn.
Mevrouw Annemie Van de Casteele (VLD). - Het antwoord van minister Onkelinx is bijzonder summier en bevredigt me niet. De informatie die ze geeft, werd al in de kranten gepubliceerd. Daarvoor hoef ik geen vragen te stellen.
Wat mij vooral bekommert, is dat de commissie voor de Sociale Aangelegenheden tijdens de bespreking van de dopingproblematiek heeft vastgesteld dat er geen scherpe scheidingslijn loopt tussen de disciplinaire bestraffing van een sporter op grond van een decreet en de correctionele bestraffing op grond van de dopingwet. De decreetgever is er eigenlijk van uitgegaan dat de disciplinaire straffen de correctionele straffen zouden vervangen. De Senaatscommissie was echter van oordeel dat de doping- en de hormonenwet onverkort moet kunnen worden toegepast ongeacht of de vervolging een sporter betreft.
Ik verwacht van de minister dat zij hierin klaarheid schept en de rechtszekerheid herstelt, want alle advocaten van sporters beroepen zich op dat pijnpunt om hun cliënten vrij te pleiten.
De commissie had precies geadviseerd om de federale wetgeving onverkort toe te passen, zij het na overleg met de gemeenschappen. De aanbevelingen van de commissie aan de minister werden overigens door de plenaire vergadering goedgekeurd. Ik sta er dus op dat de minister ze ter harte neemt en uitvoert.
(Voorzitter: de heer Hugo Vandenberghe, ondervoorzitter.)
De voorzitter. - Mevrouw Gisèle Mandaila Malamba, staatssecretaris voor het Gezin en Personen met een handicap, toegevoegd aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, antwoordt.
Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Mevrouw Zrihen heeft over dit onderwerp vorige week een mondelinge vraag gesteld. Aangezien de minister daarop een onvolledig antwoord heeft gegeven, had ik daar graag nog wat meer uitleg over gekregen. Ik lees vandaag mijn oorspronkelijke vraag voor, maar wijs erop dat ik de minister enkele dagen geleden nog een bijkomende vraag heb gesteld om in te pikken op het onvolledige antwoord dat hij mevrouw Zrihen vorige week heeft gegeven.
De richtlijn 2002/73/EG werd in september 2002 door de Europese Unie aangenomen, met het oog op de wijziging van de richtlijn 76/207/EEG van de Raad betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden.
De lidstaten waren verplicht om deze richtlijn ten laatste tegen 5 oktober 2005 in hun interne rechtsorde om te zetten.
Op nationaal niveau impliceert de omzetting van de richtlijn niet alleen een herziening van de federale wet van 7 mei 1999. Op het niveau van de gemeenschappen en gewesten is een wijziging van de verschillende desbetreffende van kracht zijnde decreten en ordonnanties vereist.
De FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg werd aangewezen als proefdepartement voor de omzetting van deze richtlijn in onze interne rechtsorde. Blijkbaar werden daarvoor tot vandaag geen concrete stappen ondernomen en werd evenmin het Instituut voor de Gelijkheid van Mannen en Vrouwen betrokken, ofschoon het hiervoor een cruciale missie heeft.
De minister was, in antwoord op de vraag van mevrouw Zrihen, onvolledig over de manier waarop het instituut bij de omzetting van de richtlijn wordt betrokken. Hij alludeerde op problemen met betrekking tot de omzetting van enkele artikelen. Zo zou de federale en gemeenschapswetgeving moeten worden geamendeerd voor de omzetting van enkele artikelen van de Europese richtlijn.
Welke artikelen moeten op federaal niveau worden omgezet? Welke artikelen moeten nog worden omgezet op het niveau van de Franse Gemeenschap?
Voorts wees hij in zijn antwoord op de discussie die nog aan de gang zou zijn over het vaderschapsverlof. Waarover gaat die discussie?
We weten wel dat er nog knelpunten zijn, maar niet welke. Over welke artikelen gaat het?
Mevrouw Gisèle Mandaila Malamba, staatssecretaris voor het Gezin en Personen met een handicap, toegevoegd aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. - Ik lees het antwoord van minister Vanvelthoven.
Op federaal niveau gaat het voornamelijk over de aanpassing van de definities van directe en indirecte discriminatie, de toevoeging van met het geslacht verband houdende pesterijen op het werk als vorm van geslachtsdiscriminatie, de toevoeging van het aanzetten tot geslachtsdiscriminatie als vorm van geslachtsdiscriminatie, een meer strikte formulering van de mogelijkheid tot afwijking van het beginsel van gelijke toegang tot het arbeidsproces, de opname van een uitdrukkelijke bepaling tot uitbreiding van de bescherming van de wet tot na de beëindiging van de verhouding waarin de persoon werd gediscrimineerd, de invoering van een vorderingsrecht voor belangengroepen.
Het is niet echt duidelijk voor welke materies de Franstalige Gemeenschap de richtlijn moet omzetten.
In principe is dit het geval voor de materies bedoeld in de artikelen 4 en 5 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen die onder de toepassing van de richtlijn vallen en waarvoor de bevoegdheid niet werd overgedragen aan het Waals Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie en ten aanzien van het personeel van de diensten en de openbare instellingen van de Franse Gemeenschap wat de aangelegenheden betreft die niet door de federale wetgeving worden geregeld. Op dit punt zijn er echter tegenstrijdige adviezen van de Nederlandstalige en de Franstalige kamer van de Raad van State.
De voorzitter. - Mevrouw Gisèle Mandaila Malamba, staatssecretaris voor het Gezin en Personen met een handicap, toegevoegd aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid antwoordt.
Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Op 31 januari 2004 werd de Belg Kristof De Graeve in zijn woning te Kampala vermoord. Hij leidde een laboratorium voor het Belgische bedrijf Chemiphar dat vis, bestemd voor consumptie en export, ter plaatse volgens Europese normen controleert op salmonella, cholera en pesticiden. De reden voor de moord blijft tot op heden onduidelijk, hoewel de Oegandese autoriteiten vrij snel een aantal verdachten van de moord hebben opgepakt. Ze werden na één jaar op borgtocht vrijgelaten en zijn ondertussen verdwenen. Uiteraard zouden de nabestaanden van het slachtoffer inzicht willen krijgen in het motief en hopen ze dat gerechtigheid geschiedt en de schuldigen worden gestraft. Twee jaar na datum merken zij evenwel dat het onderzoek niet vordert, ondanks het feit dat de Belgische regering en de administratie deze zaak zouden opvolgen.
Is er nog steeds overleg tussen de Belgische en de Oegandese autoriteiten omtrent het verloop van het onderzoek? Wat is de huidige stand van zaken?
Worden de familie en de werkgever van het slachtoffer op de hoogte gehouden over het verloop van het onderzoek en de contacten met de Oegandese autoriteiten?
De Oegandese autoriteiten zouden zich geëngageerd hebben om het onderzoeksdossier aan België te overhandigen. Is dit intussen gebeurd? Zo ja, is ons land bereid het onderzoek over te doen en alle kosten, onder meer voor het DNA-onderzoek, op zich te nemen? Er wordt immers gezegd dat dit één van de redenen zou zijn dat het onderzoek niet vordert. Zo neen, welke diplomatieke stappen zal onze regering bij de Oegandese autoriteiten zetten om zo spoedig mogelijk het voorlopig onderzoeksdossier in handen te krijgen?
Werden tussen de Belgische en Oegandese autoriteiten afspraken gemaakt over de verdere gerechtelijke stappen indien het onderzoek in ons land het motief en de schuldigen voor de moord zou kunnen aanwijzen? Deze vragen worden uiteraard gesteld onder voorbehoud van wat mag worden gezegd, rekening houdend met de scheiding der machten en het respect voor de werking van het gerechtelijk apparaat in Oeganda. Gelet op de belangen van de familieleden van de man in kwestie en het feit dat hij een buitengewone opdracht vervulde voor een Belgisch bedrijf in het kader van de samenwerking tussen België en Oeganda, en de dramatische omstandigheden waarin de feiten zich hebben afgespeeld, is het van belang dat onze autoriteiten tonen dat ze alert blijven voor dit dossier.
Mevrouw Gisèle Mandaila Malamba, staatssecretaris voor het Gezin en Personen met een handicap, toegevoegd aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. - Ik lees het antwoord van collega De Gucht.
Er is in deze zaak uitgebreid overleg geweest tussen België en de Oegandese autoriteiten. In april 2005 werd de zaak besproken tussen eerste minister Verhofstadt en president Museveni tijdens diens bezoek aan België. Dit leidde ertoe dat in augustus 2005 een hooggeplaatst ambtenaar van de federale politie het onderzoeksdossier in Kampala kon inkijken. Door zijn tussenkomst en die van de Belgische ambassade werden de Oegandese autoriteiten bereid gevonden om een rechtshulpverzoek te richten aan België om hier bepaalde forensische onderzoeken te verrichten. Dit rechtshulpverzoek werd door mijn diensten op 15 februari overgemaakt aan de FOD Justitie, waar het momenteel onderzocht wordt.
Onze ambassade in Kampala houdt regelmatig de weduwe van de heer De Graeve, die nog steeds in Oeganda woont, op de hoogte. Ook de vader van het slachtoffer wordt per briefwisseling ingelicht over de stand van zaken. De werkgever werd onlangs nog ontvangen door de ambassadeur.
Het is nooit de bedoeling geweest het Oegandese onderzoeksdossier over te dragen, enkel om vanuit België rechtshulp te verlenen bij onderzoeksdaden, zoals bijvoorbeeld DNA-analyses. De Belgische gerechtelijke autoriteiten zijn niet bevoegd om in België een gerechtelijk onderzoek te openen in deze zaak.
De Oegandese autoriteiten kunnen erom verzoeken dat de kosten van het rechtshulpverzoek door België worden gedragen. Minister De Gucht verwijst hiervoor naar zijn collega van Justitie.
De vertegenwoordiger van de federale politie kon in augustus het onderzoeksdossier inkijken. Hij is uiteraard gehouden door het geheim van het onderzoek.
Op grond van het principe van niet-inmenging in de interne aangelegenheden van Oeganda en van de scheiding der machten kunnen terzake geen afspraken worden gemaakt. Alles wijst erop dat de Oegandese gerechtelijke autoriteiten, op basis van de nieuwe elementen die het onderzoek in België zou opleveren, de nodige stappen zullen ondernemen om de schuldigen op te sporen en te berechten.
Onze ambassade in Kampala zal in elk geval het dossier van nabij blijven opvolgen en niet nalaten zich regelmatig te informeren over de stand van zaken.
De voorzitter. - Mevrouw Gisèle Mandaila Malamba, staatssecretaris voor het Gezin en Personen met een handicap, toegevoegd aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, antwoordt.
De heer Josy Dubié (ECOLO). - Deze vraag betreft een oude zaak. Een recente gebeurtenis doet ons eraan herinneren.
Op 17 november 1998 werd het Koerdisch Instituut te Brussel aan de Bonneelsstraat 16 te Sint-Joost en het Koerdisch cultureel centrum op nummer 4 van dezelfde straat, op klaarlichte dag aangevallen en in brand gestoken door een menigte die voornamelijk bestond uit Grijze Wolven, een ultranationalistische, fascistoïde Turkse beweging.
Aangezien het Koerdisch Instituut zich op slechts 75 meter van mijn woning bevindt, heb ik de aanval en de brand zelf meegemaakt. De feiten gebeurden voor de ogen van de politie en verschillende televisieploegen. Dezelfde dag heeft dezelfde bende de zetel van een Belgische Aramese vereniging aan de Verbiststraat in Sint-Joost geplunderd.
Vandaag, acht jaar na de feiten, genieten de schuldigen van die misdrijven nog altijd een totale straffeloosheid, ondanks het feit dat ze gemakkelijk kunnen worden geïdentificeerd op de door verschillende Turkse en Belgische televisiekanalen op de dag zelf uitgezonden beelden.
Ik verneem nu dat de ouders van de heer Derwich M. Ferho, voorzitter van het Koerdisch Instituut te Brussel, de heer Ferho Akgül, 85 jaar oud, en mevrouw Fatim Akgül, 80 jaar oud, brutaal werden vermoord op 2 maart 2006 in hun dorp Mizizah nabij Mardin in Turks Koerdistan.
De twee zonen van het bejaarde paar, de heer Derwich M. Ferho en de heer Medeni Akgül, schrijver, hebben in België het statuut van politiek vluchteling. Volgens informatie van het Koerdisch Instituut te Brussel kregen de ouders van de voorzitter sedert meer dan een maand bedreigingen met het doel de `anti-Turkse activiteiten' van hun zonen in het buitenland te doen ophouden.
De straffeloosheid die de verantwoordelijken voor de brand in het Koerdisch Instituut te Brussel in 1998 genieten, heeft de daders van de afgrijselijke moord op twee bejaarde mensen ongetwijfeld aangemoedigd.
Hoever staat het onderzoek naar de brand in de twee centra?
Waarom werd er nooit iemand in beschuldiging gesteld?
Welke controle oefenen de gerechtelijke politie en de Staatsveiligheid uit op de ultranationalistische, fascistoïde en gewelddadige Turkse beweging `Grijze Wolven'?
Wordt het geen tijd dat de minister gebruik maakt van haar positief injunctierecht om het onderzoek naar die misdrijven opnieuw op de sporen te zetten? Straffeloosheid is immers een aanmoediging voor hen die in België en in het buitenland geweld gebruiken tegen leden van de Koerdische, Armeense en Aramese gemeenschappen.
Mevrouw Gisèle Mandaila Malamba, staatssecretaris voor het Gezin en Personen met een handicap, toegevoegd aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. - De brand in het Koerdisch Instituut te Brussel en in het Koerdisch cultureel centrum, allebei gevestigd in de Bonneelsstraat te Sint-Joost, vond plaats op 17 november 1998.
Deze zaak werd te Brussel onderzocht en op 3 februari 2004 werd een vonnis geveld door de correctionele rechtbank van Brussel. Het is dus niet juist te stellen dat er in dit dossier niemand werd vervolgd.
De minister ziet dus niet in waarom ze van haar positief injunctierecht gebruik zou moeten maken.
De persoon die in dit dossier werd vervolgd was op het ogenblik van de feiten nauwelijks achttien en een half jaar oud en werd door de correctionele rechtbank te Brussel veroordeeld tot een werkstraf van 150 uur en een vervangende gevangenisstraf van 12 maanden voor het geval de werkstraf niet zou worden uitgevoerd.
Mijn collega kan u meedelen dat de Staatsveiligheid, conform haar wettelijke opdracht, inlichtingen verzamelt over onder meer extremistische bewegingen en de minister informeert over de evolutie van bepaalde bewegingen op ons grondgebied.
De voorzitter. - Mevrouw Gisèle Mandaila Malamba, staatssecretaris voor het Gezin en Personen met een handicap, toegevoegd aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, antwoordt.
De heer Luc Willems (VLD). - Meerdere bankinstellingen zijn reeds geconfronteerd met een nieuwe, nietsontziende overvaltechniek: de tijgerkidnapping. Vorige week nog deed zich een dergelijke overval voor in een Dexiafiliaal. Dat familieleden en kinderen van bankpersoneel op brutale wijze worden gegijzeld tot de overvallen bankbediende de overvallers al het voorradige cashgeld heeft bezorgd, zorgt voor een vorm van psychose binnen de bankwereld.
Het valt op dat de tijgerkidnappings steeds plaatsvinden onmiddellijk nadat er enorme geldsommen zijn aangeleverd om de geldautomaten te bevoorraden. Deze bevoorrading gebeurt nog slechts éénmaal per week. Aangezien 80% van de geldopnames aan geldautomaten plaatsvindt, vertegenwoordigt het geld voor de bankautomaten het leeuwenaandeel van het voorradige cash geld in de bankkantoren.
De enige plausibele oplossing bestaat erin de cash geldvoorraad te verminderen. Binnen de bankwereld gaan stemmen op om de geldautomaten niet langer manueel door bankpersoneel te laten vullen. De gehomologeerde plofkoffers, die bij geldtransporten worden gebruikt, zouden als beveiligde geldcassettes voor de bankautomaten kunnen worden aangewend.
Blijkbaar zijn er nog wel een aantal praktische obstakels. Zo zijn niet alle geldautomaten dezelfde. Een uniforme gehomologeerde plofkoffer zou niet in alle geldautomaten passen. Daarnaast weten de banken ook niet welke plofkoffers gehomologeerd zijn en welke niet, aangezien de aanvraag tot homologatie moet uitgaan van de constructeurs.
Heeft de minister van Financiën weet van overleg binnen de banksector over de aanschaf van uniforme bankautomaten, waarin uniforme gehomologeerde plofkoffers als geldcassettes kunnen worden gebruikt?
Wat denken de ministers over een dergelijk voorstel?
Hoever staat het met de homologatieprocedure voor plofkoffers?
Hoeveel constructeurs van plofkoffers hebben reeds een aanvraag tot homologatie ingediend?
Hoeveel bankinstellingen maken momenteel reeds gebruik van gehomologeerde plofkoffers?
Acht de Minister van Binnenlandse Zaken het mogelijk aan de constructeurs van gehomologeerde plofkoffers een attest af te leveren dat zij dan aan de bankinstellingen als bewijs van de homologatie moeten voorleggen?
Mevrouw Gisèle Mandaila Malamba, staatssecretaris voor het Gezin en Personen met een handicap, toegevoegd aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. - De meeste vragen behoren tot de bevoegdheid van de minister van Binnenlandse Zaken. De minister van Financiën wenst niettemin de volgende inlichtingen te geven.
De minister van Financiën verneemt van de banksector dat er geen project voor eenvormige bankautomaten bestaat. De automaten worden geproduceerd en gecommercialiseerd door internationale bedrijven die elkaar beconcurreren en dus geen redenen hebben om hun producten volledig te standaardiseren.
De banksector prijst zich gelukkig met de samenwerking met de federale politie in een ad hoc werkgroep over deze vorm van criminaliteit.
De Belgische banken zijn vooral geïnteresseerd in de mogelijkheid om gebruik te maken van end-to-end systemen waardoor de waarden onmogelijk nog kunnen worden ontvreemd. Het is de bedoeling misdadigers ervan te weerhouden nog overvallen op bankkantoren te plegen doordat zij niet meer bij de geldautomaten kunnen waarin het cashgeld zich meer en meer bevindt.
Die systemen zouden dus een remedie kunnen zijn tegen de onrustbarende golf van tiger kidnappings waarvan de banken, hun personeelsleden en hun familieleden momenteel het slachtoffer zijn.
Het is uitermate belangrijk dat dergelijke systemen worden gebruikt bij geldtransporten en voor het bijvullen van de off site-bankautomaten, die zich bevinden op plaatsen waar geen bankkantoor is. Die laatste categorie van automaten zal alsmaar meer in het straatbeeld verschijnen, vooral als antwoord op de vraag van de klanten en de overheid naar voldoende geldautomaten op plaatsen die voor het publiek toegankelijk zijn.
Voordat de systemen in gebruik kunnen worden genomen moeten ze echter door de minister van Binnenlandse Zaken worden gehomologeerd, na advies van de Commissie voor de homologatie van neutralisatiesystemen.
In het systeem dat thans is gehomologeerd, kunnen niet alle soorten geldcassettes die door de banken in België worden gebruikt, worden gebezigd. Bijgevolg moet alles in het werk worden gesteld opdat snel systemen kunnen worden ingevoerd die aangepast zijn aan de geldautomaten die in België zijn geïnstalleerd en die aan de veiligheidsvereisten beantwoorden.
De heer Luc Willems (VLD). - Staatssecretaris Mandaila heeft enkel het antwoord van minister Reynders voorgelezen. Aangezien Binnenlandse Zaken bevoegd is voor de homologatie, zal ik de vraag ook aan minister Dewael voorleggen.
De voorzitter. - Mevrouw Gisèle Mandaila Malamba, staatssecretaris voor het Gezin en Personen met een handicap, toegevoegd aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, antwoordt.
Mevrouw Joëlle Kapompolé (PS). - Het actieplan van de FOD Economie betreffende de uitvoering van de herziene Lissabonstrategie besteedt bijzondere aandacht aan de informatiemaatschappij, met name aan de promotie van de elektronische handel. Dat moet het mogelijk maken dat België een competitieve kenniseconomie wordt.
Eén van de initiatieven is de oprichting van een systeem voor alternatieve geschillenregeling. Een remmende factor op de ontwikkeling van de elektronische handel heeft te maken met de kosten van de rechtsgang wanneer een internetgebruiker een schadeloosstelling wil ontvangen wegens schending van zijn elementaire rechten.
Tegen januari 2006 werd een haalbaarheidsstudie verwacht over de oprichting van een informaticaplatform voor alternatieve geschillenregeling. Zijn de resultaten van die studie al bekend? Zo ja, wat zijn de resultaten? Binnen welke termijn zal dat platform worden opgericht?
Mevrouw Gisèle Mandaila Malamba, staatssecretaris voor het Gezin en Personen met een handicap, toegevoegd aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. - Ik lees het antwoord.
Er werd beslist om in dit dossier in twee fasen te werk te gaan.
In een eerste fase heeft mijn departement in 2005 een studie opgezet om, enerzijds, de juridische, technische, economische en politieke haalbaarheid van een proefproject voor alternatieve geschillenregeling inzake handel on line te onderzoeken en, anderzijds, gedetailleerde aanbevelingen op te stellen op basis van de ervaring op het terrein.
In november 2005 werd ons een eerste tussentijds rapport bezorgd. De voorlopige conclusies ervan pleiten voor de oprichting van een enig en gecentraliseerd platform om de praktijken inzake alternatieve geschillenregeling te rationaliseren. Het rapport onderstreept dat het toekomstige model rekening moet houden met de bestaande structuren teneinde deze duidelijk te omschrijven en te coördineren. Het platform zou aldus een contact- en verbindingspunt worden dat gericht is op informatie, bijstand aan de verbruikers en verdeling van de klachten over de verschillende organen voor alternatieve geschillenregeling.
Dat platform zou ook tot opdracht hebben geschillen op te lossen waarvoor geen enkel bestaand orgaan specifiek bevoegd is.
De juridische, technische, economische en politieke haalbaarheid van het project moet nog worden onderzocht op basis van de conclusies van het eindrapport dat tegen midden april 2006 wordt verwacht.
Daarna kan de oprichting van het informaticaplatform voor alternatieve geschillenregeling worden overwogen.
De voorzitter. - Mevrouw Gisèle Mandaila Malamba, staatssecretaris voor het Gezin en Personen met een handicap, toegevoegd aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, antwoordt.
Mevrouw Joëlle Kapompolé (PS). - Artikel 152 van de programmawet van 2 augustus 2002 bepaalt dat artikel 3 van de wet van 8 juli 1964 betreffende de dringende geneeskundige hulpverlening wordt aangevuld met het volgende lid: `Een deel van de kosten gemaakt door de gemeenten, aangeduid door de Koning als centra van het eenvormig oproepstelsel, worden door de provinciegouverneur verdeeld over alle gemeenten die behoren tot de provincie waar dit centrum van het eenvormig oproepstelsel gevestigd is, overeenkomstig de normen bepaald door de minister tot wiens bevoegdheid Binnenlandse Zaken behoort.'
Meer dan drie jaar later wordt die bepaling nog niet toegepast en de gemeenten die als centra van het eenvormig oproepstelsel werden aangeduid worden ongerust. De gemeenten lijden niet alleen financiële schade, er rijst ook een probleem inzake de evenredigheid.
Bovendien worden de 100-oproepen verdeeld op basis van de telefoonzones en niet op basis van de provinciegrenzen.
Krachtens de bovenvermelde wet zullen de kosten worden verdeeld over alle gemeenten van de provincie waar het 100-centrum is gevestigd.
1. Klopt het dat de kosten voor een 100-centrum niet langer onder de gemeenten van de provincie waar het zich bevindt zullen worden verdeeld, maar onder de gemeenten die het centrum effectief dekt?
2. Hebben de vergaderingen onder verantwoordelijkheid van de minister van Binnenlandse Zaken concrete resultaten opgeleverd?
3. Wanneer zal de wettelijke bepaling worden toegepast?
4. Zullen de kosten met terugwerkende kracht worden verhaald tot 2003, gelet op het feit dat de wet in augustus 2002 in werking is getreden?
Mevrouw Gisèle Mandaila Malamba, staatssecretaris voor het Gezin en Personen met een handicap, toegevoegd aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. - Ik lees het antwoord van de minister van Binnenlandse Zaken voor.
Mijn diensten bereiden een reglementering voor de verdeling van de kosten van de 100-centra voor. Ik heb gevraagd dat in elke provincie een financiële simulatie wordt gedaan teneinde na te gaan of de normen doeltreffend en toepasselijk zijn.
Blijkbaar is het moeilijk om dit punt op te lossen zonder te raken aan andere aspecten van het gehele financieringssysteem.
Om die reden stel ik voor het verdelingssysteem voor de kosten van de 100-centra te herbekijken in het kader van de lopende hervorming van de hulpdiensten. Zo kan een totaalanalyse worden gemaakt waarbij ook rekening wordt gehouden met de kosten en de financiering van de brandweerdiensten.
De voorzitter. - Mevrouw Gisèle Mandaila Malamba, staatssecretaris voor het Gezin en Personen met een handicap, toegevoegd aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, antwoordt.
Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Ik kijk weliswaar uit naar het antwoord dat de staatssecretaris zal voorlezen, maar op deze vraag zou de minister zelf moeten antwoorden, gelet op de gevoeligheden van dit politiek dossier. Ik betreur zijn afwezigheid dan ook ten zeerste.
In de pers zijn de jongste weken heel wat berichten verschenen over de inhoud van het Congolese rapport-Lutundula. Het rapport onthulde op zijn minst dubieuze praktijken over de privatisering van de mijnsector via joint ventures, waarbij mijnrechten werden verkocht aan buitenlandse bedrijven. Deze privatisering zou bijzonder nadelig zijn, zowel voor de Congolese economie als voor de staatsinkomsten. We moeten er ons rekenschap van geven dat ook Belgische bedrijven hierbij rechtstreeks of onrechtstreeks betrokken zouden zijn.
Drie NGO's, namelijk Broederlijk Delen, 11.11.11. en de Britse organisatie Rights and Accountability in Development, hebben de minister concrete vragen voorgelegd. Om te beginnen dringen ze aan op de publicatie en de opvolging van het rapport van de commissie-Lutundula. Ze vragen ook de nieuwe mijncontracten die de overgangsregering met Belgische bedrijven tekende, aan een onafhankelijke juridische en economische expertise te onderwerpen en pleiten ervoor dat de minister andere landen aanspoort dat ook te doen. Ten slotte vragen ze in het kader van de Belgische steun aan de wederopbouw van Congo een topprioriteit te maken van transparantie in de `formele' mijnsector, maar ook oog te hebben voor de verbetering van het lot van de mijnwerkers die vaak op ambachtelijke wijze ertsen ontginnen.
Bovendien worden de ertsen vaak onbewerkt naar het buitenland gesmokkeld, zonder economische meerwaarde op te leveren en zonder dat er belastingen kunnen worden op geheven.
Wat is het antwoord van de minister op de concrete vragen van de NGO's?
Werden door België in het kader van de bilaterale samenwerking al initiatieven genomen voor de transparantie en de versterking van de mijnsector en de bescherming van de artisanale mijnwerkers?
Hoe wil de minister de illegale handel van ertsen aanpakken? Werden hiertoe al initiatieven genomen? Ik verwijs naar het idee dat de minister in de pers lanceerde om de opsporing van de herkomst van delfstoffen te bepalen via certificatie, wat volgens experts technisch niet haalbaar is. Heeft de minister hiervoor al internationaal steun verkregen? Zijn er signalen die wijzen op een mogelijke vooruitgang?
Mevrouw Gisèle Mandaila Malamba, staatssecretaris voor het Gezin en Personen met een handicap, toegevoegd aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. - Samen met zijn Europese partners gaat België momenteel na hoe de dialoog na afloop van de overgangsperiode kan worden voortgezet. Een van de klassieke instrumenten daarbij is de politieke dialoog EU-Congo in het kader van de Cotonou-akkoorden.
Op 3 februari jongstleden heeft minister De Gucht een rondetafel over transparantie in de Congolese mijnsector toegesproken en erop aangedrongen dat het rapport van de parlementaire onderzoekscommissie-Lutundula in het Parlement zou worden besproken en dat de nodige maatregelen zouden worden genomen.
Zoals bekend beperkt het rapport zich tot een doorlichting van de commerciële contracten die tijdens de oorlogsjaren 1996-1998 in Congo werden gesloten, niet alleen in de mijnsector, maar in alle sectoren van de Congolese economie.
Minister De Gucht heeft gebruik gemaakt van een onderhoud op dinsdag 8 maart jongstleden met zijn Congolese ambtgenoot minister Ramazani om erop bij de Congolese autoriteiten op aan te dringen zich ertoe engageren onmiddellijk na de verkiezingen werk te maken van grondige maatregelen ter bevordering van de transparantie in de mijnsector.
De internationale gemeenschap moet eensgezind optreden, wat nu zeker niet het geval is. Minister De Gucht heeft overigens bij verschillende van zijn ambtgenoten, bijvoorbeeld ook bij de Chinese minister van Buitenlandse Zaken, aangedrongen op een proactief beleid dat de transparantie in de Congolese mijnsector moet bevorderen.
De eerste zorg gaat uit naar de artisanale mijnexploitatie, die meestal in onaanvaardbare omstandigheden gebeurt. Minister De Gucht heeft zich daarvan persoonlijk kunnen vergewissen toen hij op 3 februari jongstleden in Ruashi bij Lubumbashi een mijn bezocht waar creuseurs actief zijn. Het bleek om regelrechte uitbuiting te gaan.
België heeft al enkele initiatieven genomen om dit soort van wanpraktijken in de Congolese mijnsector te bestrijden. Tevens wordt de financiering bestudeerd van projecten die erop gericht zijn de capaciteiten van de Congolese douane en dus haar controlemogelijkheden te versterken, meer bepaald in Katanga, Ituri en Matadi.
Ons land plaatst ook de kwestie van de traceerbaarheid van de grondstoffen in Centraal-Afrika bovenaan op de internationale agenda. Het stimuleert meer bepaald een aantal multilaterale initiatieven. De lijst daarvan wordt bezorgd. België wil op dit vlak een stuwende kracht zijn, ook al hebben in deze sector weinig bedrijven nog banden met ons land.
De voorzitter. - Mevrouw Gisèle Mandaila Malamba, staatssecretaris voor het Gezin en Personen met een handicap, toegevoegd aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, antwoordt.
Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Begin januari vroegen de Verenigde Naties aan de Europese Unie om de MONUC, de VN-troepenmacht in Oost-Congo, tijdens de verkiezingen te versterken. De minister van Buitenlandse Zaken reageerde positief op die vraag en vond dat de Europese Unie ook op militair vlak zijn verantwoordelijkheid in Congo moest nemen. De Europese Unie reageerde in eerste instantie ook positief op de vraag van de VN, maar toen ik mijn vraag om uitleg indiende, was er nog onduidelijkheid over de omvang van de interventiemacht, haar mandaat en de plaats waar ze zou worden ingezet. Intussen heb ik via de media vernomen dat er enkele dagen geleden op de Raad Buitenlandse Zaken een evolutie is gekomen in de standpunten van verschillende lidstaten over zo'n interventiemacht in Congo. Ik hoop dan ook dat het antwoord van de minister geactualiseerd is en kijk uit naar het laatste nieuws daarover.
Een nota van het Politiek en Veiligheidscomité van de Unie spreekt over een light en heavy versie, met name van 200 à 450 militairen. Er worden ook al cijfers van 1000 à 1250 genoemd. Er wordt gesproken over zeven mogelijke taken, gaande van de beveiliging van Kinshasa tot het inwinnen van inlichtingen en bijstand van het Congolese leger. Ook over de operationele leiding bestaat onduidelijkheid. Die vraag zou gesteld worden aan Duitsland en zou dit land een prominente rol spelen.
Minister Flahaut liet naar aanleiding van zijn bezoek aan zijn Zuid-Afrikaanse collega echter een dissonant geluid horen. Minister Flahaut zou voorstander zijn van een extra troepenmacht, samengesteld uit de landen die lid zijn van de Gemeenschap voor de Ontwikkeling van Zuidelijk Afrika en onder Namibische leiding in plaats van een Europese militaire interventie. De uitspraken van minister Flahaut zijn niet in overeenstemming met wat Europa nastreeft en met de uitspraken van minister De Gucht in de media.
Vertolkt minister Flahaut het regeringsstandpunt? Werd daarover overleg gepleegd met de regering?
Wat is het standpunt van de regering?
Is er al uitsluitsel over het mandaat van een eventuele Europese troepenmacht, alsook over het aantal militairen dat wordt uitgezonden?
Welke landen hebben ondertussen toegezegd om deel te nemen en welke lidstaat zal de operationele leiding nemen?
Welke rol zal België opnemen binnen een eventuele Europese interventie?
Mevrouw Gisèle Mandaila Malamba, staatssecretaris voor het Gezin en Personen met een handicap, toegevoegd aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. - Ik lees het antwoord van minister De Gucht.
De Belgische houding inzake EU-ondersteuning aan de VN-missie in de Democratische Republiek Congo, MONUC, werd uitvoerig besproken op diverse interdepartementale coördinatievergaderingen, georganiseerd door Buitenlandse Zaken.
Deze houding werd bevestigd na overleg tussen de eerste minister, de minister van Landsverdediging en de minister van Buitenlandse Zaken ter voorbereiding van de Raad Algemene Zaken en Externe Betrekkingen van 27 februari 2006.
Mevrouw de Bethune merkt terecht op dat het gaat om een formele vraag vanwege de VN. Op basis van het EU-engagement voor het transitie- en verkiezingsproces in de DRC, vraagt men `een aangepaste, geïdentificeerde reservemacht, die in staat is om de snelle reactiecapaciteit van MONUC te verhogen tijdens en onmiddellijk na het verkiezingsproces.' België heeft steeds aangedrongen op een constructief antwoord vanwege de EU op deze formele vraag van de VN.
Deze houding ligt perfect in het verlengde van de inspanningen van de Belgische diplomatie voor een verhoogde internationale aandacht voor de regio van de Grote Meren, voor de ontwikkeling van het Europees Veiligheids- en Defensiebeleid, ook in Afrika, en voor het welslagen van het transitieproces in de DRC.
België steunt volledig het principe van een EU-interventiemacht, gemandateerd door een VN-resolutie. Men gaat uit van een voorwaarts ontplooid hoofdkwartier met logistieke capaciteit, dat de snelle ontplooiing van een geïdentificeerde reservemacht in Europa moet mogelijk maken.
Van bij de eerste besprekingen heeft België aandacht gevraagd voor het politieke signaal dat wordt gegeven aan de verschillende politieke krachten en de bevolking in de DRC en heeft ons land gepleit voor een sterke betrokkenheid van de Congolese autoriteiten bij de uitwerking van het concept van een EU-interventiemacht.
De politieke en militaire structuren van de EU werken verder aan een definitief concept en een operationeel plan. Een `vertrouwelijke option paper van de EU' en een bijbehorend militair advies werden besproken in het Politiek- en Veiligheidscomité. De Raad van de Europese Unie heeft hierover nog geen beslissing genomen.
België hecht het grootste belang aan een zorgvuldige planning van een EVDB-operatie in de DRC. Het wenst een sterk en positief politiek signaal te geven ter ondersteuning van het verkiezingsproces, maar het wijst tegelijk op de verantwoordelijkheid van Congo om dit belangrijke proces tot een goed einde te brengen en om te verhinderen dat negatieve krachten dit alsnog doen ontsporen.
Tijdens mijn persoonlijke contacten met VN-secretaris-generaal Kofi Annan, met EU-secretaris-generaal en Hoge Vertegenwoordiger Javier Solana, alsook met president Joseph Kabila en verschillende Congolese ministers, heb ik die essentiële punten kunnen benadrukken. Ook de eerste minister heeft bij zijn contacten deze punten ter sprake gebracht. Minister Flahaut heeft tijdens zijn reis naar Zuid-Afrika en de DRC gesproken met zijn collega's ministers van Landsverdediging en andere gesprekspartners. Daarbij bleek dat ze niet altijd goed op de hoogte waren van de ontwikkelingen inzake een EU-interventiemacht voor de DRC, en dat ze hierover verschillende vragen hebben.
Tijdens de informele vergadering van de EU-ministers van Defensie te Innsbruck van 6 en 7 maart, heeft minister Flahaut hierover verslag uitgebracht en heeft hij herhaald dat België bereid is om, naar analogie met de operatie Artemis, een veertigtal militairen ter beschikking te stellen voor ondersteunende functies op medisch vlak, voor civiel-militaire coördinatie en voor inlichtingen. Ten slotte formuleerde de minister enkele suggesties hoe deze Belgische bijdrage vorm zou kunnen krijgen vanuit militair-technisch oogpunt.
Op basis van de informatie waarover ik beschik, kan ik bevestigen dat zowel president Thabo Mbeki, als president Joseph Kabila zich akkoord hebben verklaard met het principe van een EU-interventiemacht voor de DRC. In afwachting van een politieke beslissing van de Raad van de Europese Unie, heeft Duitsland informeel aangegeven dat het bereid is het operationeel hoofdkwartier ter beschikking te stellen voor een EU-interventiemacht. Verder zouden Duitsland en Frankrijk elk een vijfhonderd militairen leveren.
Ten slotte hebben naast België, ook Zweden, Polen, en Oostenrijk concrete bijdragen toegezegd. Portugal, Finland, Spanje en Ierland onderzoeken verder een mogelijke bijdrage.
De voorzitter. - Mevrouw Gisèle Mandaila Malamba, staatssecretaris voor het Gezin en Personen met een handicap, toegevoegd aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, antwoordt.
Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Hoewel Colombia een van de oudste democratieën van Zuid-Amerika is, is het al decennia lang het strijdtoneel van het leger, paramilitaire organisaties, verzetsbewegingen uit diverse hoeken en drugskartels. Massale en grove mensenrechtenschendingen zijn schering en inslag; de afgelopen 20 jaar werden circa 70.000 mensen vermoord en werden tienduizenden mensen het slachtoffer van marteling, ontvoering of verdwijning. Ondanks het demobilisatieproces bij de paramilitaire organisaties, dat zich in 2003 heeft ingezet, blijft de Colombiaanse maatschappij vooral het slachtoffer van het optreden van de paramilitaire organisaties.
Mensenrechtenorganisaties blijven tot op de dag van vandaag de grove en herhaalde mensenrechtenschendingen aankaarten. Ook de wet Justitie en Vrede, die het kader van het demobilisatieproces vormt, roept heel wat vragen op. Plaatselijke en internationale mensenrechtenorganisaties klagen de geringe bestraffing van of zelfs de straffeloosheid voor gepleegde misdrijven en mensenrechtenschendingen door gedemobiliseerde paramilitairen aan. In ruil voor ontwapening en demobilisatie worden zij niet verplicht om de waarheid over mensenrechtenschendingen te vertellen. Het recht van de slachtoffers en van hun nabestaanden op waarheid, gerechtigheid en herstel wordt helemaal uit het oog verloren. Bovendien bevat de wet ook geen maatregelen die een effectieve demobilisatie garanderen, aangezien de structuren blijven bestaan en de voormalige paramilitairen in het leger of bij veiligheidsfirma's worden ingeschakeld.
Een belangrijke rol is weggelegd voor het Bureau van de Hoge VN-Commissaris voor de rechten van de mens in Colombia. In de loop van dit jaar zullen evenwel de twee belangrijkste vertegenwoordigers met de meeste ervaring het Bureau verlaten en - volgens de laatste informatie waarover we beschikken - zijn er nog geen opvolgers aangewezen. Dat is bijzonder spijtig, vooral omdat er ook parlements- en presidentsverkiezingen zullen plaatshebben. In de aanloop naar deze verkiezingen werden reeds twee politici door paramilitairen vermoord. Het VN-Bureau heeft er bij de Colombiaanse regering meteen op aangedrongen om de nodige maatregelen te nemen opdat elke Colombiaan zijn burgerlijke en politieke rechten in alle vrijheid kan uitoefenen.
Wat zal de Belgische regering op de 62ste zitting van de VN-Mensenrechtencommissie doen opdat het rapport en de aanbevelingen van de Commissie voor de mensenrechten en van het Bureau van de Hoge VN-Commissaris voor de mensenrechten in Colombia zal worden overgedragen aan de VN-Mensenrechtenraad? Hoe verloopt het overleg in de EU omtrent de mensenrechtenproblematiek in Colombia? Heeft onze regering reeds initiatieven genomen om het mandaat van het Bureau van de Hoge VN-Commissaris voor de mensenrechten in Colombia met een periode van vier jaar te laten verlengen?
Heeft ons land reeds aangedrongen op een spoedige invulling van de twee mandaten die vacant zijn of worden bij het Bureau van de Hoge VN-Commissaris voor de mensenrechten in Colombia? Heeft onze regering het probleem van de mensenrechtenschendingen en de schendingen van de burgerlijke en politieke rechten al bij de Colombiaanse overheid aangekaart? Heeft onze regering de Colombiaanse regering al gevraagd de aanbevelingen van de Commissie voor de mensenrechten en van het Bureau van de Hoge VN-Commissaris voor de mensenrechten in Colombia uit te voeren?
Mevrouw Gisèle Mandaila Malamba, staatssecretaris voor het Gezin en Personen met een handicap, toegevoegd aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. - België steunt het VN-Mensenrechtenbureau in Colombia. Op initiatief van de Europese Unie wordt de mensenrechtensituatie in Colombia besproken tijdens de jaarlijkse sessie van de VN-Mensenrechtencommissie. Het rapport van het Mensenrechtenbureau vormt de belangrijkste basis voor de activiteiten van deze VN-commissie. België blijft het Mensenrechtenbureau steunen en zal nagaan hoe deze steun kan worden geconcretiseerd in het kader van de nieuwe VN- Mensenrechtenraad.
De oprichting van de VN-Mensenrechtenraad is een belangrijke ontwikkeling. De huidige sessie van de VN-Mensenrechtencommissie zal zich hoofdzakelijk beperken tot procedurele aangelegenheden.
De Europese Unie blijft de evolutie van de mensenrechtensituatie in Colombia op de voet volgen en steunt de hernieuwing van het mandaat van het Bureau van het Hoog-Commissariaat voor de mensenrechten in Colombia. In de resolutie betreffende de oprichting van de VN-Mensenrechtenraad staat eveneens dat de verschillende mandaten, mechanismen en verantwoordelijkheden van de Mensenrechtencommssie aan de Mensenrechtenraad moeten worden overgedragen. Op basis van de beschikbare rapporten, onder andere van het Bureau van het Hoog-Commissariaat voor de mensenrechten in Colombia zal de nieuwe VN-Mensenrechtenraad snel kunnen optreden. Het Hoog-Commissariaat voor de mensenrechten pleit voor een verlenging van het mandaat van haar Bureau in Colombia. De regering van Colombia wenst het mandaat vooraf te evalueren, maar heeft nog geen aanpassingen gesuggereerd.
De EU-partners zijn het er grotendeels over eens dat de mensenrechtensituatie in Colombia gunstig evolueert, maar vinden wel dat blijvende inspanningen noodzakelijk zijn. Hierop wordt nauwlettend toegekeken. België wenst dat de functies van directeur en van adjunct-directeur bij het Bureau zo snel mogelijk worden ingevuld. De kandidaten dienen evenwel over de gepaste kwaliteiten te beschikken. Het Hoog-Commissariaat voor de mensenrechten is alleen bevoegd voor de organisatie van de selectieprocedure. Kandidaturen moesten uiterlijk op 16 maart worden ingediend. De selectie en indienstneming van een directeur en adjunct-directeur kan normaal gezien snel worden afgerond.
De voorzitter. - Mevrouw Gisèle Mandaila Malamba, staatssecretaris voor het Gezin en Personen met een handicap, toegevoegd aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, antwoordt.
Mevrouw Stéphanie Anseeuw (VLD). - De Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen verrichtte een uitvoerig onderzoek naar verborgen kosten die illegaal werden aangerekend aan de houders van een hypothecair krediet. Het onderzoek werd ingesteld ingevolge diverse klachten van kredietnemers.
De houders klaagden dat hun bank of kredietinstelling hen in 2005 extra kosten aanrekende toen ze bij een andere kredietinstelling een nieuw goedkoper krediet aangingen of hun krediet vervroegd terugbetaalden en overstapten naar een andere bank.
Dergelijke illegale praktijken verstoren de vrije keuze van de consument en werken marktverstorend. Het zou meer specifiek gaan om het aanrekenen van een vergoeding voor het opstellen van een afrekeningsfiche of het aanrekenen aan de klant van de kosten voor het opstellen van een attest dat bepaalt dat het krediet definitief is terugbetaald. Zulke kosten zijn volgens de woordvoerder van het CBFA strijdig met de wet op het hypothecair krediet.
De betrokken instellingen zouden ook de aangerekende kosten moeten terugbetalen aan de klanten die een klacht hebben ingediend. Het CBFA stelt echter dat de terugbetalingsplicht ook geldt voor klanten die pas vandaag vaststellen dat ze vorig jaar ten onrechte kosten betaalden en een klacht indienen. Naar verluidt zouden enkele duizenden klanten getroffen zijn. Slechts enkele gedupeerden hebben tot op heden een klacht ingediend.
Vorig jaar stapte zo'n 30% van de kredietnemers over naar een andere instelling. Hoeveel mensen werden het slachtoffer van het aanrekenen van illegale kosten aan de houders van een hypothecair krediet? Komen er sancties voor de instellingen die kosten aanrekenden die strijdig zijn met de wet op het hypothecair krediet?
Tot op heden zullen enkel de gedupeerden die een klacht indienen de onterecht betaalde kosten terugbetaald krijgen. Dat kan beter. Is de minister het met mij eens dat iedereen de onterecht betaalde kosten terugbetaald moet krijgen van de betrokken financiële instellingen, zonder dat ze eerst een klacht moeten indienen, aangezien de aangerekende kosten strijdig zijn met de wet op het hypothecair krediet? Zo neen, kan de minister dit uitvoerig toelichten? Kan de minister garanderen dat dergelijke praktijken zich in de toekomst niet meer zullen voordoen?
Mevrouw Gisèle Mandaila Malamba, staatssecretaris voor het Gezin en Personen met een handicap, toegevoegd aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. - Ik lees het antwoord van de minister van Economie.
Zoals ik reeds op 16 maart 2006 heb geantwoord op de mondelinge vraag van de heer Mahoux, heeft de CBFA in enkele dossiers vastgesteld dat sommige hypotheekondernemingen kosten ten laste hebben gelegd van kredietnemers die naar haar mening niet verenigbaar zijn met de wet van 4 augustus 1992 op het hypothecair krediet (WHK). Het betrof inzonderheid dossierkosten ten laste van kredietnemers die om een handlichting van de hypothecaire inschrijving hadden verzocht nadat de betrokkenen het krediet volledig hadden terugbetaald. In een beperkt aantal gevallen werden ook dossierkosten aangerekend voor het ontvangen van een afrekening bij een vervroegde terugbetaling. In die laatste gevallen ging het om individuele acties waar de betrokken kost in strijd met het beleid van de hypotheekonderneming werd geïnd.
Wat meer bepaald de handlichtingskost betreft, beschikt de CBFA niet over gegevens om na te gaan over hoeveel dossiers het precies gaat.
De CBFA heeft geen aanwijzingen dat de instellingen die deze handlichtingskost hebben aangerekend te kwader trouw zouden hebben gehandeld. De betrokken instellingen hebben gehandeld op basis van een interpretatie van de wet op het hypothecair krediet, die verschilt van deze van de CBFA. De betrokken instellingen en de Beroepsvereniging voor het Krediet die door de CBFA werd geraadpleegd, hebben aanvaard zich in de toekomst te schikken naar de interpretatie van de CBFA. Ze hebben ook aanvaard alle klagers de betrokken kost terug te betalen, evenwel zonder enige nadelige erkenning omtrent hun eigen interpretatie.
Zoals eveneens reeds meegedeeld aan de heer Mahoux, vraagt de CBFA niettemin de hypotheekondernemingen waarvan geweten is dat ze de betrokken handlichtingskost hebben aangerekend, de passende maatregelen te nemen om deze kost terug te betalen, ook aan de personen die nog geen klacht hebben ingediend. Deze vraag wordt nog onderzocht door de betrokken instellingen.
Om alle misverstanden in de toekomst te voorkomen, heeft de CBFA reeds midden februari 2006 een circulaire gepubliceerd die de zaken duidelijk stelt. Ook werd eraan herinnerd dat de toegelaten uitzonderlijke kosten in de tarievenkaart moeten worden vermeld.
Mevrouw Stéphanie Anseeuw (VLD). - Ik dank de staatssecretaris voor het antwoord. We hopen dat niemand uit de boot zal vallen en dat iedereen wordt terugbetaald, zonder een klacht te moeten indienen.
De voorzitter. - Mevrouw Gisèle Mandaila Malamba, staatssecretaris voor het Gezin en Personen met een handicap, toegevoegd aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, antwoordt.
Mevrouw Jacinta De Roeck (SP.A-SPIRIT). - Voor heel wat ex-psychiatrische patiënten biedt beschut wonen een ideale oplossing. Het geeft deze ex-patiënten de mogelijkheid zich op een individueel georganiseerde manier en met psychosociale begeleiding buiten het psychiatrisch centrum te handhaven. Het theoretische denkkader hierbij is dat van de psychiatrische rehabilitatie: een ontwikkelingsgerichte benadering die rekening houdt met de mogelijkheden en beperkingen van de bewoner. Maatschappelijke reïntegratie en activering staan centraal. Continuïteit en voorspelbaarheid in het begeleidend werken worden zoveel als mogelijk nagestreefd. De frequentie van contacten tussen de patiënt en zijn begeleider is aangepast aan de begeleidingsbehoefte en kan daarom sterk variëren.
Het is meer dan ooit nodig om deze vorm van wonen optimaal te ondersteunen, aangezien hij de zelfredzaamheid van de patiënt bevordert en dus op termijn ook voor de overheid een positieve maatregel inhoudt door zijn terugverdieneffect.
In de synthese van de gezondheidsdialogen en de prioriteiten van de minister werd het probleem van de betaalbaarheid en toegankelijkheid van de initiatieven `beschut wonen' gesteld. Dat is al een aantal jaren geleden.
De financiering van `beschut wonen' voorziet echter niet in middelen voor de kosten, rechtstreeks verbonden aan de werkzaamheden van personeel, en voor de huur en/of afschrijving van het aanloopadres, namelijk het secretariaat en de werkplek van het personeel. Bijgevolg dienen de initiatieven `beschut wonen' deze aan zorg verbonden kosten door te rekenen aan de bewoners, wat ethische vragen doet rijzen. Deze doorrekening bedreigt de betaalbaarheid van de zorg voor de bewoners. De meeste bewoners bevinden zich immers in een financieel zwakke positie als gevolg van hun psychiatrisch ziektebeeld en hun verminderd functioneren.
Verder bouwend op een studie op basis van gegevens van 1999 wordt voorgesteld om voor deze begeleidingsgebonden kosten jaarlijks een bedrag van 631,76 euro, op basis van het indexcijfer van juni 2004, per plaats uit te trekken.
Hoeveel plaatsen voor beschut wonen voor ex-psychiatrische patiënten zijn er op dit ogenblik? Is de minister bereid om in te gaan op het voorstel van de sector om een budget van 631,76 euro per plaats per jaar uit te trekken en zo ja, tegen wanneer ziet hij dit budgettair haalbaar? Indien neen, dan zou ik graag zijn motivatie kennen alsook eventuele alternatieve oplossingen.
Mevrouw Gisèle Mandaila Malamba, staatssecretaris voor het Gezin en Personen met een handicap, toegevoegd aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. - Ik lees het antwoord van minister Demotte.
In de technische raming 2006 wordt in 3.704 plaatsen voor beschut wonen voorzien. Tijdens de bespreking in verband met de behoeftenraming 2006 werden in de overeenkomstencommissies Psy-ziekenhuizen, Psychiatrische Verzorgingstehuizen (PVT) en Initiatieven voor Beschut Wonen (IBW) twee voorstellen met betrekking tot de betaalbaarheid zowel in de sector van de PVT als in die van de IBW geformuleerd. De algemene raad heeft echter de behoeften van deze beide sectoren niet in aanmerking genomen, maar voegde in de deelrubriek PVT een bedrag toe van 1.144.000 euro ter dekking van de investeringslasten 2003 van de PVT.
Momenteel bestaat er echter in de sector PVT als gevolg van diverse stimulerende maatregelen een veel betere garantie met betrekking tot de betaalbaarheid en hebben beide overeenkomstencommissies het initiatief opgevat om dit bedrag over te hevelen naar de sector IBW.
Elke PVT-bewoner beschikt momenteel immers over een gewaarborgd recht op zakgeld ten bedrage van 148,74 euro per maand. Bovendien wordt aan elk OCMW de mogelijkheid geboden om 60% van zijn totale tegemoetkoming aan een onbemiddelde PVT-bewoner bij de FOD Volksgezondheid te recupereren op voorwaarde dat het zakgeld effectief ter beschikking wordt gesteld van de betrokken bewoner.
Ik heb de intentie om vanaf 1 juli 2006 de tegemoetkoming van het RIZIV dusdanig aan te passen dat er een bedrag van 632 euro per IBW-plaats kan worden voorzien. Ik wil deze aanpassing echter eerst grondig onderzoeken omdat die enerzijds niet mag leiden tot een plotse verhoging van het PVT-forfait ten laste van de PVT-bewoner en anderzijds wens ik ook na te gaan in hoeverre het voorgestelde globale bedrag van 632 euro lineair kan of mag toegepast worden, met andere woorden of dit bedrag niet moet gemoduleerd worden in functie van de grootte van het IBW.
Mevrouw Jacinta De Roeck (SP.A-SPIRIT). - Ik dank de staatssecretaris voor het antwoord. Het is inderdaad zo dat er een bedrag voorzien is voor de PVT. Als dat kan worden overgeheveld naar de sector IBW waar het nodig is, wordt er al een behoorlijke leemte opgevuld.
Het is ook positief te horen dat gekeken wordt of dat bedrag van 632 euro er is. We zullen dat moeten blijven opvolgen. Het gaat hier over mensen die sociaal dreigen uitgesloten te worden. Als daarop bespaard wordt, komen ze gewoon in een andere doelgroep terecht, die vaak onder de bevoegdheid van een andere minister valt. Men krijgt dan gewoon een verlegging van het probleem, budgettair komt het gewoon op de tafel van een andere minister te liggen. Daarom moeten we een duurzame oplossing zien te vinden voor een toenemende groep van patiënten.
De voorzitter. - Mevrouw Gisèle Mandaila Malamba, staatssecretaris voor het Gezin en Personen met een handicap, toegevoegd aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, antwoordt.
Mevrouw Annemie Van de Casteele (VLD). - De Christelijke Mutualiteiten hebben recent een tegemoetkoming aangekondigd voor psychotherapie. De minister weet dat wij al heel lang over een wettelijke regeling voor psychotherapeuten discussiëren en dat daarover zowel in de Senaat als in de Kamer verschillende voorstellen werden ingediend.
De CM wil dat 50%, in sommige gevallen 75%, van het honorarium van psychotherapeuten wordt terugbetaald voor de behandeling van psychologische problemen bij kinderen, op voorschrift van een arts, een Centrum voor geestelijke gezondheidszorg, een Centrum voor leerlingenbegeleiding of een Centrum voor algemeen welzijnswerk.
De CM sloot een overeenkomst met verschillende psychotherapeuten. Daarmee loopt de verzekeringsinstelling vooruit op een wettelijke regeling of erkenning van psychotherapeuten en voert zij de druk op om een aantal prestaties in de psychotherapie terugbetaalbaar te maken.
Is de minister op de hoogte? Welke voorwaarden koppelt de CM aan de samenwerking met de psychotherapeuten? Moet er niet dringend een wettelijke regeling komen? Zijn er ook andere mutualiteiten die tussenkomen in de geestelijke gezondheidszorg via hun aanvullende verzekeringen? Zal daardoor de druk niet groot worden om die prestaties ook door de ziekteverzekering te laten terugbetalen? Wat is het standpunt van de minister in verband met een eventuele terugbetaling?
Mevrouw Gisèle Mandaila Malamba, staatssecretaris voor het Gezin en Personen met een handicap, toegevoegd aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. - Ik lees het antwoord van minister Demotte.
De statuten van de ziekenfondsen en hun wijziging door de algemene vergadering, worden goedgekeurd door de Controledienst voor de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen en niet langer door de minister van Sociale Zaken zoals dat tot 1998 het geval was. Ik ben dus niet op de hoogte van de statutaire bepalingen van de meer dan honderd ziekenfondsen.
Uit hun statuten blijkt dat de CM er onder andere naar streven om voor de prestaties inzake psychotherapie een aanvaardbaar tarief te waarborgen en deze te laten uitvoeren door psychotherapeuten die aan bepaalde voorwaarden voldoen, vooral dan wat opleiding betreft.
De erkenning van de psychotherapie maakt deel uit van een voorontwerp van wet betreffende de uitoefening van geestelijke gezondheidsberoepen dat op dit ogenblik wordt besproken. Dit voorontwerp, noch enige andere wet of reglementaire bepaling, verhinderen evenwel dat de ziekenfondsen in het kader van hun aanvullende verzekering kunnen tussen komen in de kosten van dergelijke prestaties. Als het voorontwerp wet zal zijn geworden, zullen de ziekenfondsen er wel moeten op toezien dat hun statuten niet in strijd zijn met erin vervatte wettelijke bepalingen.
Ook andere ziekenfondsen betalen dergelijke prestaties terug, zoals één psychotherapeutische behandeling van personen jonger dan 21 jaar, ofwel een dergelijke behandeling als zij samenvalt met een logopedische behandeling, ofwel consultaties bij een psychiater, neuropsychiater en/of een psycholoog.
Via de aanvullende verzekering kunnen de ziekenfondsen snel inspelen op de nieuwe behoeften van hun leden, die ontstaan door het gebruik van nieuwe medische technologieën. In een aantal gevallen leidt de terugbetaling van dergelijke prestaties later tot een bijdrage van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging. Dat was bijvoorbeeld zo voor het endoscopisch en viscerosynthesemateriaal. Bovendien kan via de integratie van voordelen in de aanvullende verzekering worden nagegaan hoeveel personen een beroep doen op de betrokken prestaties en welke kosten dat met zich meebrengt voor de betrokkenen en de aldus ingerichte dienst.
Ik wijs er wel op dat de uitoefening van een geestelijk gezondheidsberoep binnen een wettelijk kader niet automatisch inhoudt dat de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging de kosten van de geleverde prestaties op zich neemt.
Mevrouw Annemie Van de Casteele (VLD). - Ook in de geestelijke gezondheidszorg nemen de noden toe. We moeten hiervoor de nodige wettelijke omkadering opstellen. Op het terrein bestaat een feitelijke toestand waarbij een aantal psychotherapeuten zijn erkend, weliswaar niet door de overheid, maar door een semi-overheidsinstantie zoals een ziekenfonds.
De gebruiken en gewoonten in beide landsgedeelten zijn zeer verschillend. Het is dan ook mogelijk dat de psychotherapeuten die in Wallonië worden erkend een heel ander profiel hebben dan de psychotherapeuten die in Vlaanderen worden erkend. Het is al zo moeilijk om een gemeenschappelijk wettelijk kader uit te werken.
Ik roep de minister dan ook op zo snel mogelijk verder te werken aan een consensus om een wettelijk kader op te stellen. Uit het antwoord heb ik begrepen dat het nog een hele tijd zal duren alvorens over de terugbetaling van prestaties in de geestelijke gezondheidszorg door psychotherapeuten zal worden gesproken.
De voorzitter. - Mevrouw Gisèle Mandaila Malamba, staatssecretaris voor het Gezin en Personen met een handicap, toegevoegd aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, antwoordt.
Mevrouw Jacinta De Roeck (SP.A-SPIRIT). - Uit een recente reportage blijkt dat de Belgische controle op dierenwelzijn in dierenwinkels tekortschiet. Noch de Belgische douane, noch de controleurs van dierenwelzijn verhinderen dat honden met vervalste papieren het land in worden geloodst. Bovendien zijn veel van de dieren ziek, niet gesocialiseerd en veel te jong. Het gaat om jonge honden, die vanuit Hongarije en Tsjechië worden geïmporteerd naar België, waar ze met woekerwinsten verkocht worden. Bij de controles door de douane, als ze er al zijn, wordt geen rekening gehouden met het dierenwelzijn.
Hoewel de invoer van deze honden legaal is, kan men zich toch de vraag stellen waarom papieren worden vervalst en of de wet op het dierenwelzijn niet wordt overtreden. Die wet wordt misschien niet alleen door de invoerders, maar ook door de Belgische dierenhandelaars overtreden. Hoewel men weet waar de misbruiken zich voordoen, kunnen de handelaars hun gang blijven gaan en zieke dieren blijven invoeren. Bovendien passeren vele honden die voor Nederland bestemd zijn via ons land, omdat onze controle zeer laks is.
Welke maatregelen, zoals meer en frequentere controles of een striktere regulering van dierenzaken, zal de minister nemen om die wanpraktijken in de toekomst aan te pakken? Zal hij samen met zijn collega Didier Reynders, bevoegd voor douane, maatregelen nemen om de invoer van dieren in de toekomst beter te controleren op vervalste papieren en inbreuken op de wet van dierenwelzijn?
Mevrouw Gisèle Mandaila Malamba, staatssecretaris voor het Gezin en Personen met een handicap, toegevoegd aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. - Het toezicht op de rechtstreekse invoer van pups uit landen buiten de Europese Unie berust bij de controledierenartsen in de grensinspectieposten die elke zending honden controleren. Fraude in verband met leeftijd of documenten is nagenoeg onmogelijk. De dierenartsen zijn immers ervaren en onafhankelijk.
Voor de onrechtstreekse invoer uit derde landen via andere lidstaten gebeurt de controle aan de buitengrenzen van de Europese Unie en moet worden vertrouwd op de ernst van het toezicht door de buitenlandse grensdierenartsen.
Tsjechië en Hongarije maken sinds vorig jaar deel uit van de Europese Unie, waarbinnen het handelsverkeer per definitie zonder controle gebeurt. De douane kan bijgevolg bezwaarlijk worden beschuldigd van laksheid. Een systematische controle op de bestemmingsplaats is niet toegestaan in het kader van het verenigd Europa.
De diensten van mijn collega Demotte kunnen slechts steekproefsgewijze controles uitvoeren op de bestemmingsplaatsen, maar in het algemeen gebeurt het nazicht van paspoorten en invoerdocumenten bij de routinecontroles van de dierenhandelszaken.
Mijn collega werd geïnformeerd over de boodschap van de reportage. Zijn diensten hebben hem verzekerd dat de situatie niet zo dramatisch is als gesuggereerd wordt in de uitzending. De diensten van mijn collega hebben in 2005 minder dan 150 klachten ontvangen in verband met de aankoop van pups, een gering aantal als men weet dat er vorig jaar 150.000 pups in ons land werden verkocht.
De minister stelt dat kopers van een dier dat niet helemaal gezond blijkt te zijn snel klacht indienen. De sociale controle in deze sector is onmiskenbaar groot. Zijn diensten maken er bovendien een erezaak van om alle klachten te behandelen.
Mijn collega vindt het onderwerp van de aanklacht evenwel belangrijk. Daarom heeft hij zijn diensten opgedragen de gegrondheid en de omvang van de mistoestanden te onderzoeken. Hij heeft dan ook gevraagd een gericht onderzoek te doen bij de invoerders van pups.
Bijzondere aandacht zal uitgaan naar het toezicht en de vaststellingen omtrent leeftijd, vaccinatie en algemene gezondheid van de pups. Ook zullen de statistieken van invoer, sterfte, identificatie en registratie van pups grondig worden bestudeerd om na te gaan of er aanwijzingen zijn voor fraude of verhoogde sterfte bij ingevoerde pups. Op basis van de resultaten van dit onderzoek zal mijn collega nagaan of er wijzigingen in het beleid nodig zijn.
Hij deelt mee dat de wetgeving op het dierenwelzijn inzake de handel in dieren onlangs werd geactualiseerd, waardoor onze wetgeving tot de meest moderne en volledige van Europa behoort. De regels inzake invoer en handelsverkeer van honden, katten en fretten zijn Europees geharmoniseerd en kunnen niet unilateraal worden gewijzigd.
Mevrouw Jacinta De Roeck (SP.A-SPIRIT). - Ik verneem dat de reportage en de berichtgeving in de media de minister ertoe hebben aangespoord dit dossier van naderbij op te volgen en hoop dat de commissie van de resultaten op de hoogte wordt gebracht.
De voorzitter. - Mevrouw Gisèle Mandaila Malamba, staatssecretaris voor het Gezin en Personen met een handicap, toegevoegd aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, antwoordt.
Mevrouw Annemie Van de Casteele (VLD). - In eerdere vragen heb ik minister Demotte al gewezen op de verschillende behandeling van artsen, apothekers, tandartsen en kinesitherapeuten wat hun sociaal statuut betreft, dat gekoppeld is aan de overeenkomst die zij met het RIZIV kunnen sluiten. Zo moeten kinesitherapeuten een minimum aantal prestaties in de nomenclatuur hebben en moeten apothekers die geen titularis zijn, een minimum activiteitsdrempel halen.
Voor artsen en tandartsen geldt die minimumactiviteit niet. Dat betekent dat een arts die zijn activiteiten vermindert, bijvoorbeeld omdat hij op een kabinet of in een ziekenfonds werkt, of stopzet en jaarlijks nog maar enkele patiëntencontacten heeft - bijvoorbeeld alleen in zijn familie - toch een sociaal statuut kan aanvragen en jaarlijks een financiële bijdrage van het RIZIV kan krijgen, die in 2006 3.163,96 euro bedraagt.
Daarom heb ik de volgende vragen. Klopt dit?
Is het niet aan te bevelen dat ook artsen een minimumactiviteit kunnen bewijzen? Is het bijvoorbeeld niet mogelijk de minimumactiviteit van 500 patiëntencontacten, die de minister onlangs naar voren heeft geschoven, als norm voor het behouden van een erkenning door het RIZIV hier ook op te leggen? Is dat volgens de minister voldoende om een volledige bijdrage te krijgen in het kader van het sociaal statuut? Wat zijn met andere woorden correcte drempels?
De discussie wordt op het ogenblik ook in verschillende artsenorganisaties gevoerd, omdat de artsen die wel actief zijn en wel veel patiënten zien, eigenlijk mee betalen, omdat van het totale RIZIV-budget van ongeveer 67 miljoen euro ook middelen gaan naar mensen die er geen of minder recht op hebben.
Mevrouw Gisèle Mandaila Malamba, staatssecretaris voor het Gezin en Personen met een handicap, toegevoegd aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. - De vragen en problematiek zijn mijn collega Demotte welbekend. Het lijkt logisch een minimale activiteit te eisen om het sociaal statuut te kunnen genieten. Het onderwerp werd in het RIZIV al behandeld door de bevoegde instanties, in de eerste plaats de Nationale Commissie geneesheren-ziekenfondsen.
In het nationaal akkoord geneesheren-ziekenfondsen werd uitdrukkelijk overeengekomen dat de Commissie voor 2006 de opdracht heeft de mogelijkheid te onderzoeken `van een statuut dat evolueert in functie van akkoordtrouw en dat rekening houdt met een drempelactiviteit'. Het lijkt mijn collega dus raadzaam het initiatief aan deze instantie over te laten.
Mevrouw Annemie Van de Casteele (VLD). - Dat was natuurlijk een heel kort antwoord waarmee de minister de bal doorspeelt naar een instelling waarvoor hij wel bevoegd is. Ik had echter graag zijn persoonlijk standpunt over deze problematiek gehoord, omdat er nogal wat pro's en contra's zijn. Ik heb ook in het verleden al vaker aangedrongen op meer harmonisering, zodat alle beroepsgroepen in de gezondheidszorg een gelijkwaardige behandeling krijgen en alle misbruiken of mogelijke misbruiken kunnen worden bestreden. Ik zal er zeker op terugkomen.
Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Sinds 1990 bestaat er een wettelijke verplichting om binnen federale adviesorganen te streven naar een evenwichtige aanwezigheid tussen mannen en vrouwen. In welke mate wordt de wet van 3 mei 2003 tot wijziging van de wet van 20 juli 1990 ter bevordering van de evenwichtige aanwezigheid van mannen en vrouwen in organen met adviserende bevoegdheid nageleefd?
Op de vraag om uitleg 3-612 antwoordde de minister dat de ministerraad van 25 februari 2005 de afwijkingen met betrekking tot de evenwichtige aanwezigheid van mannen en vrouwen die werden toegestaan aan bepaalde raadgevende organen, heeft verlengd met één jaar. Nu we een jaar later zijn is deze beslissing uitgedoofd, tenzij de minister een geldige afwijkingsprocedure heeft ingezet. Kan hij de huidige stand van zaken toelichten?
Tevens vermeldt de minister dat hij in uitvoering van de wet van 3 mei 2003, in samenwerking met het Instituut voor de Gelijkheid van Mannen en Vrouwen, een ontwerp van koninklijk besluit ter vastlegging van een lijst van adviesorganen die onder toepassing vallen van de wet van 3 mei 2003, en een ontwerp van koninklijk besluit ter oprichting van een commissie ter bevordering van de evenwichtige aanwezigheid van mannen en vrouwen in organen met adviserende bevoegdheid, zal voorleggen aan de ministerraad zodat deze van kracht kunnen worden in 2006.
Werd ondertussen een koninklijk besluit genomen die de vermelde lijst moet vastleggen, zoals vereist in artikel 1, 2º van de wet van 3 mei 2003? Zo ja, wanneer is dit gebeurd? Zo nee, waarom niet? Werden het voorbije jaar nieuwe adviesorganen aan de lijst toegevoegd? Zo ja, welke en hoeveel? Zijn er adviesorganen van de lijst verdwenen?
Werd de commissie voorzien in artikel 1bis van de wet ondertussen opgericht? Zo ja, wanneer werd het in Ministerraad overlegd koninklijk besluit genomen? Zo nee, wat is de reden van de vertraging?
De heer Christian Dupont, minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen. - Op de ministerraad van 17 maart heb ik een nieuwe lijst voorgelegd met de vraag afwijkingen op de evenwichtige vertegenwoordiging van mannen en vrouwen in organen met adviserende bevoegdheid toe te kennen tot einde 2006.
Tot nu toe heeft het instituut dat het koninklijk besluit moet voorbereiden dit nog niet als een prioriteit beschouwd. Een van de redenen is personeelsgebrek. Nu zijn er middelen en personeel vrijgemaakt om de commissie te installeren. Die moet bepalen welke adviescomités onder de wet vallen en in welke gevallen afwijkingen mogelijk zijn. Het koninklijk besluit moet ook de werkingsregels van de commissie vastleggen en dat is niet zo eenvoudig. Het koninklijk besluit zal klaar zijn tegen het najaar.
Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Ik zal de vraag na de zomer opnieuw stellen. Ik neem er nota van dat de ministerraad vorige week een lijst voor afwijkingen heeft goedgekeurd. Mijn vraag was dus nuttig. Ze dateert van 9 maart en de week nadien werd de lijst op de ministerraad behandeld.
Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Van 27 februari tot 10 maart 2006 vond de 50ste sessie plaats van de VN-Commissie voor de Status van de Vrouw. In tegenstelling tot vorig jaar was België maar met een beperkte delegatie aanwezig. Slechts een senator, mevrouw Erika Thijs, heeft als lid van de Interparlementaire Unie aan deze sessie deelgenomen. Daarnaast heeft mevrouw Lizin het woord gevoerd op de sessie van de vrouwelijke assembleevoorzitters, wat voor ons land zeker een goede zaak is.
Aangezien deze sessie hoe dan ook een belangrijk moment is op de gelijkekansenagenda, ontvang ik van de minister graag een antwoord op enkele vragen. Hoe werd België vertegenwoordigd? Wat waren de conclusies van deze sessie? Ik las onlans in een document van het Oostenrijkse voorzitterschap dat de 50ste sessie van de CSW zal worden afgerond met een nieuw meerjarenactieplan. Welke gevolgen heeft de 50ste sessie van de CSW voor het gelijkekansenbeleid in België?
De heer Christian Dupont, minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen. - De Belgische delegatie voor deze 50ste sessie van de Commissie voor de Status van de vrouw was vrij beperkt. Mevrouw Anne-Marie Lizin, de voorzitster van de Senaat en mevrouw Erika Thijs, senatrice, waren tijdens de eerste dagen van deze sessie aanwezig. Daar ik persoonlijk niet aanwezig kon zijn, heb ik het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen gevraagd een vertegenwoordiging te sturen voor de totale duur van de sessie. De eerste week was dit de directrice, mevrouw Vielle, de tweede week mevrouw Fastré, attaché bij het Instituut. Voor de administratie Gelijke Kansen van de Vlaamse Gemeenschap was mevrouw Franken aanwezig.
Bij de afsluiting van de 50ste sessie van de Commissie van de Status van de Vrouw werden een aantal resoluties goedgekeurd. Een resolutie over de situatie van de meisjes en vrouwen in Afghanistan werd bij consensus goedgekeurd. De resolutie vraagt dat deze problematiek niet meer het onderwerp uitmaakt van een landenresolutie maar dat de secretaris-generaal een genderperspectief opneemt in de algemene rapportage over Afghanistan aan de Algemene Vergadering.
Er werd ook een resolutie goedgekeurd over de situatie van en de ondersteuning aan de Palestijnse vrouwen. Een resolutie met betrekking tot een onderzoek over de wenselijkheid van de aanwijzing van een speciale rapporteur die belast zou zijn met het onderzoek naar discriminerende wetgeving ten aanzien van vrouwen werd bij consensus goedgekeurd. Een resolutie met betrekking tot vrouwen en meisjes en HIV/aids werd bij consensus goedgekeurd. Een resolutie over de bevrijding van vrouwen en kinderen die gegijzeld worden tijdens gewapende conflicten alsook van hen die nadien worden opgesloten, werd bij consensus goedgekeurd.
Ik wijs erop dat de 50ste sessie van de CSW haar werkzaamheden heeft voortgezet tot 17 maart 2006. Op deze datum werden de twee conclusies met betrekking tot de hoofdthema's goedgekeurd. Het betreft de deelname van vrouwen aan de besluitvorming op alle niveaus aan de ene kant en de verhoogde deelname van vrouwen aan ontwikkeling met inbegrip van de domeinen opvoeding, gezondheid en werk aan de andere kant.
Belangrijk was ook dat het voorstel van resolutie over de toekomstige organisatie en werkwijze van de CSW eveneens werd goedgekeurd. Deze resolutie heeft als belangrijkste vernieuwing dat de CSW vanaf haar 51ste sessie één prioritair thema centraal zal stellen. Meer nog, de nieuwe werkmethode beoogt een evaluatie van de implementatie van de agreed conclusions van het thema van het vorige jaar. Op aandringen van België zijn er in deze resolutie verschillende verwijzingen naar indicatoren.
Het feit dat vanaf volgend jaar de implementatie van de agreed conclusions over het prioritaire thema van het vorige jaar zal worden geëvalueerd, is uiteraard een motivatie voor België om daar bijzondere aandacht aan te besteden. De Belgische regering heeft een aanvraag tot verlenging van het Belgische lidmaatschap van de CSW voor de periode 2007-2011 ingediend.
Mevrouw Jacinta De Roeck (SP.A-SPIRIT). - Ik waardeer ten zeerste dat de minister persoonlijk aanwezig is.
In juli van 2005 hield de minister een interministeriële conferentie over het thema huisvesting. De vraag naar zo een initiatief was en blijft dringend, omdat de huursector met zware problemen kampt. Vele huurders bevinden zich in een sociaal zwakke positie, waardoor de problemen op de private, en ook op de sociale huurmarkt een grotere budgettaire impact hebben.
Tijdens deze conferentie werd beslist om tien werkgroepen op te richten. Zo kon elke werkgroep zich buigen over een specifiek onderdeel van de woonproblematiek, met de nodige expertise. Nu blijkt dat niet alle werkgroepen op schema zitten. Daardoor bestaat het gevaar dat deze conferentie niet tijdig afgerond raakt om nog tijdens deze regeerperiode enkele voorstellen te concretiseren.
Welke timing stelt de minister voorop om de werkzaamheden van de werkgroepen af te ronden en met concrete voorstellen naar buiten te treden? Welke concrete voorstellen hebben de werkgroepen al geformuleerd?
Welke werkgroepen lopen momenteel vertraging op? Welke deelthema's behandelen zij? Wat is de reden van hun vertraging?
Wat zal er besproken worden tijdens de volgende interministeriële conferentie omtrent huisvesting? Zullen er dan opnieuw engagementen worden aangegaan?
De heer Christian Dupont, minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen. - De vraag van mevrouw De Roeck is zeer actueel. De eerstvolgende bijeenkomst van de Interministeriële Conferentie Stedenbeleid en Huisvesting was immers voor morgen gepland. De bedoeling van deze bijeenkomst was een stand van zaken te maken van de werkzaamheden in de verschillende werkgroepen. De datum was echter niet geschikt voor een aantal collega's. Daarnaast kwam de vraag om de voorstellen meer gedetailleerd uit te werken. De bijeenkomst werd dan ook uitgesteld tot begin mei.
Als voorzitter kan ik niet anders dan tevreden vaststellen dat de collega's bereid en vastberaden zijn om tot concrete, goed voorbereide en politiek gedragen oplossingen te komen. Ik beschouw het als een engagement om het instrument van de Interministeriële Conferentie ten volle te benutten als plaats van overleg.
Toch mogen we de realiteit niet uit het oog verliezen. De problemen op de huisvestingsmarkt zijn zo accuut dat we snel en in coördinatie oplossingen moeten aandragen. Ik zal dan ook niet dulden dat de zaken nog verder voor ons uit worden geschoven. Het engagement van de collega's moet ook tot uiting komen in een strikte timing en concrete prioriteiten.
De werkgroepen zetten bijgevolg op een gedreven tempo de werkzaamheden voort. Ik geef een beknopt overzicht van de stand van zaken.
De drie proefprojecten inzake paritaire huurcommissies in Brussel, Gent en Charleroi zijn opgestart. Versterking van de huurbemiddeling, het uitwerken van een ontwerpschema voor de bepaling van de huurprijzen en de opstelling van een typehuurcontract met betrekking tot de hoofdverblijfplaats zijn de opdrachten. Een wetenschappelijk team begeleidt het hele gebeuren. Dat team is reeds aan het werk.
De Werkgroep `Strijd tegen discriminatie in de huisvesting' heeft in aansluiting op de Antidiscriminatiewet van 25 februari 2003 verschillende sporen verkend, die nu verder worden uitgewerkt, zoals onder andere sensibiliseringscampagnes naar de openbare en de particuliere huisvestingssector, de opname van non-discriminatieclausules in de deontologische code van de vastgoedmakelaars, en de verplichting om huurprijzen in advertenties bekend te maken.
De werkgroep `Strijd tegen onwaardig wonen' werkt aan een betere coördinatie tussen de verschillende federale en regionale reglementeringen en aan de optimalisering van het opeisingsrecht.
In de werkgroep `een betere toegang tot de huurmarkt voor iedereen waarborgen' worden modellen onderzocht die moeten leiden tot de oprichting van een huurwaarborgfonds.
De werkgroep `opvang van daklozen en/of mensen zonder papieren' heeft in directe dialoog met de sector de problematiek diepgaand geanalyseerd. Een punctueel initiatief op federaal niveau is de gezamenlijke rondzendbrief van collega Dewael en van mezelf. Met die rondzendbrief trachten wij de aanvraagprocedure voor een referentieadres te optimaliseren en stellen we 12 interculturele bemiddelaars aan in het kader van de integratie van mensen in de grootsteden die aangewezen zijn op bedelarij.
In het kader van de werkgroep `solidair wonen' heeft de POD Maatschappelijke Integratie een wetenschappelijk team belast met volgende opdrachten: een onderzoek naar de definitie van het concept `solidair wonen' en van het doelpubliek waarop het is gericht; een onderzoek naar de budgettaire weerslag op de sociale zekerheid, meer bepaald inzake werkloosheidsuitkering, ziekte- en invaliditeitsverzekering, kinderbijslag; het uitwerken van een voorstel voor een wettelijke erkenning.
De werkgroep fiscaliteit verkent verschillende sporen: maatregelen inzake BTW, maatregelen inzake registratie- en zegelrechten en maatregelen inzake onroerende voorheffing en personenbelasting.
Verder onderzoekt een werkgroep hoe de huisvestingshulp administratief vereenvoudigd kan worden. De Gewesten en de Kruispuntbank voor de Sociale Zekerheid onderzoeken hoe de overdracht van informatie kan worden geautomatiseerd.
De werkgroep die zich buigt over de rol van de Regie der Gebouwen, stelt momenteel een lijst op van leegstaande, onverkoopbare gebouwen en onderzoekt of het haalbaar is om die ter beschikking te stellen.
Uit dit overzicht blijkt duidelijk de meerwaarde van de gevolgde methodologie: de werkgroepen zijn een katalysator voor de discussie over actuele vragen inzake huisvesting. Ze zijn een plaats waar de verschillende beleidsniveaus en de actoren rechtstreeks met elkaar kunnen dialogeren. Bovendien stimuleren ze de verschillende partners om concrete initiatieven te nemen.
Welke werkgroepen lopen momenteel vertraging op? Welke deelthema's behandelen ze? Wat is de reden van hun vertraging?
Vertraging is in dezen een relatief begrip. Door de aard van de inhoud hebben sommige werkgroepen automatisch een langere looptijd. Zo begeleidt een werkgroep de uitbouw van het proefproject Paritaire Huurcommissies dat over twee jaar loopt en begeleidt een andere werkgroep de al langer lopende studie over de solidaire huisvesting.
De werkgroep die zich buigt over de gevolgen van het spreidingsplan van de asielzoekers op de huisvesting en de leefkwaliteit in de steden, is als enige tot nu toe nog niet bijeengekomen. Ook dat heeft te maken met de aard van het onderwerp. Die werkgroep staat meer in voor de voortgangscontrole dan voor het uitwerken van concrete voorstellen.
Wat zal er besproken worden tijdens de volgende interministeriële conferentie omtrent huisvesting? Er werd uitdrukkelijk voor gekozen om op een volgende interministeriële conferentie duidelijke afspraken te maken rond concrete prioriteiten en voorstellen. Op de interministeriële conferentie worden punten uitgewerkt die op het raakvlak zitten van verschillende bevoegdheidsniveaus. Intussen werken de partners op hun eigen bevoegdheidsdomein concrete punctuele maatregelen uit. Dat is in ieder geval zo op federaal niveau voor de registratie van huurcontracten en voor het huurwaarborgfonds, waarover werkgroepen debatteren.
De interministeriële conferentie is in ieder geval een permanent gegeven en zal dat ook blijven. Ook na de volgende interministeriële conferentie zullen de werkgroepen blijven voortwerken. De hele problematiek op één bijeenkomst willen oplossen zou mijns inziens van overdreven optimisme getuigen.
Het belangrijkste is dat er concrete vooruitgang wordt geboekt. De behandeling van sommige dossiers verloopt vlot, voor andere ligt dat wat moeilijker. Ik denk dan aan de dossiers die betrekking hebben op taksen. Op een bepaald ogenblik zullen we echter knopen moeten doorhakken.
Mevrouw Jacinta De Roeck (SP.A-SPIRIT). - Toen de Interparlementaire Werkgroep Vierde Wereld in het begin van deze zittingsperiode de mensen in armoede vroeg welke hun prioriteiten waren, kregen we een duidelijk en resoluut antwoord, namelijk `wonen'.
Wonen is voor die mensen een heel complex begrip en ze zijn er zich van bewust dat er vele knelpunten zijn. Zo is dit een bevoegdheid van zowel de federale overheid als van de Gewesten. Ze begrijpen ook dat er geen eindoplossing kan zijn, zolang niet alle facetten van het probleem geregeld zijn.
We hebben vanmorgen nog een vergadering gehad met vertegenwoordigers van Vlaanderen en Brussel over het Huurwaarborgfonds. Er werd in die vergadering gesproken over zaken die de minister net aangehaald heeft, namelijk de registratie, de huurcommissie, het solidaire wonen, de huurwaarborg, de asielzoekers, het referentieadres.
Ik heb er alle vertrouwen in dat de minister zijn collega's zal aansporen om vooruitgang te boeken. Er ontstaat heel wat vertraging omdat de mensen in armoede, en vooral de daklozen, zelf bij de werkzaamheden worden betrokken. Wij moeten zeker eerst in eigen boezem kijken alvorens daarop kritiek te uiten want wij werken soms ook traag. Deze mensen zijn in oktober beginnen werken aan een wetsvoorstel en vanmorgen hebben ze voor de eerste keer hierover feedback kunnen geven.
Samen met mijn collega's blijf ik de mensen in armoede verdedigen en ik hoop dat tegen het einde van deze regeerperiode een aantal concrete voorstellen zullen kunnen worden goedgekeurd. Dat is absoluut nodig, want de situatie is er na deze lange en strenge winter niet minder schrijnend op geworden. De verwarmingsfacturen zullen hoog oplopen.
Ik apprecieer de aanwezigheid van de minister want het is niet meer de gewoonte dat een minister op donderdagavond nog een persoonlijk antwoord komt geven.
De voorzitter. - Ik stel voor deze vragen om uitleg samen te voegen. (Instemming)
Mevrouw Stéphanie Anseeuw (VLD). - In een recent rapport van de Europese Commissie lezen we dat er nog op heel wat beleidsdomeinen aanzienlijke genderverschillen vastgesteld worden en dat er in dat kader een duidelijke rol is weggelegd voor een Europees Genderinstituut.
Dat instituut zou worden opgericht in 2007, het Europees jaar voor diversiteit en gelijke kansen. Het genderinstituut wordt onder meer belast met het centraliseren en analyseren van informatie over de gendergelijkheid op Europees niveau, het ontwikkelen van instrumenten die tot doel hebben de integratie van de gendergelijkheid op alle Europese beleidsterreinen te vergroten. Daarnaast zal het instituut activiteiten organiseren om een dialoog met alle stakeholders op Europees niveau op gang te brengen. Er moet nu worden beslist over de vestigingsplaats van het Instituut. Blijkbaar hebben een aantal landen zich daarvoor al kandidaat gesteld.
Omdat het Europees Genderinstituut onder de supervisie van de Europese Commissie zal staan en tevens jaarlijks moet rapporteren aan het Europees Parlement en de Europese Raad, is het van belang dat het dichtbij de beleidsmakers wordt gevestigd. Brussel als vestigingsplaats leidt ongetwijfeld ook tot een win-winsituatie voor alle stakeholders.
Hoe staat de regering tegenover de vestiging van het Europees Genderinstituut in Brussel? Heeft de regering al demarches gedaan om Brussel, de hoofdstad van Europa, voor te stellen als vestigingsplaats? Is de regering van plan om Brussel als vestigingsplaats voor te stellen? Zo ja, wanneer? Welke landen hebben al een aanvraag ingediend voor de vestiging van het instituut?
Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Dinsdag 14 maart heeft het Europees Parlement groen licht gegeven voor de oprichting van een Europees Genderinstituut. Als ik goed werd ingelicht zou dat tegen 1 januari 2007 zijn. Het Adviescomité van de Senaat voor gelijke kansen voor vrouwen en mannen heeft vorige week nog hoorzittingen georganiseerd met de Nederlandstalige en Franstalige vrouwenraad. Daaruit bleek dat het ook hun prioriteit is om dit instituut in Brussel te vestigen. De eisen van beide vrouwenraden konden op veel bijval rekenen van de leden van de commissie. Daarom worden hierover vragen gesteld door de drie grote politieke families van ons land.
Het Genderinstituut zou, in aanvulling op de reeds bestaande instellingen, een aantal taken op zich kunnen nemen, zoals het promoten van de gendermainstreaming doorheen alle Europese instellingen, en die zijn voornamelijk gevestigd in Brussel. Het is dan ook belangrijk om dit instituut in Brussel te vestigen, omdat het dan dicht aanleunt bij de Europese besluitvorming. Bovendien zal het instituut geen buitengewoon budget krijgen. De vestiging in Brussel levert dan ook niet te onderschatten financieel en schaalvoordeel op. Er zijn tal van redenen waarom wij als Belgen belang kunnen hebben bij de vestiging van het instituut in Brussel. Er zouden minstens evenveel voordelen zijn voor de Europese Unie en de Europese vrouwenbeweging, gelet op het beperkte budget en de ruime opdrachten die het zal krijgen om alle beleidsdomeinen van het Europese beleid te bewaken en er de gendertoets op toe te passen. Blijkbaar zouden een aantal landen bijna formeel hun kandidatuur voor de vestiging van het instituut hebben ingediend. Ik heb in het communiqué van het Europees Parlement gelezen dat Slovenië, Slovakije en Litouwen zich al kandidaat gesteld hebben als gastland voor het instituut.
Ook de Raad van Gelijke Kansen pleit er in zijn advies 104 voor Brussel te promoten als vestigingsplaats voor het Europees genderinstituut. Daarvoor zijn al voldoende argumenten gegeven. Ik neem dan ook aan dat ik de minister niet meer moet overtuigen van de opportuniteit van onze kandidatuur. Ik sluit echter aan bij de vraag van collega Anseeuw om te weten wat de minister concreet kan en zal doen, of misschien al gedaan heeft, om onze kandidatuur voor dit instituut formeel in te dienen en er ook campagne voor te voeren. Het volstaat immers niet zijn kandidatuur in te dienen, er moet ook actief met de andere lidstaten worden onderhandeld.
Ik ben enigszins ongerust, want in de hoorzitting van het Federaal Adviescomité voor de Europese aangelegenheden met commissaris Michel heb ik gehoord dat België ook andere ambities heeft in verband met de zetelverdeling van grote Europese agentschappen. Commissaris Michel heeft in het Adviescomité uitdrukkelijk gezegd dat België alles op alles zal zetten om het Galileo-Instituut naar België te halen. Op mijn vraag over de kansen inzake de vestiging van het genderinstituut heeft commissaris Michel niet geantwoord. Vorige week werd door de regering afwijkend geantwoord op de vraag van collega Geerts. Er werd niet concreet gezegd hoe proactief zou worden opgetreden.
Volgens mij betekent dit alles dat men zich wel geïnteresseerd toont, maar dat men bij de pakken blijft zitten. Gelet op de overtuiging van de minister inzake gelijke kansen en zijn verantwoordelijkheid in dit dossier, hoop ik dat hij de Belgische kandidatuur energiek zal verdedigen. Hij kan alvast rekenen op de steun van parlementsleden over de partijgrenzen heen en op de eensluidende steun van de volledige vrouwenbeweging, die toch één van de belangrijkste stakeholders is van zijn beleid. Ik kijk dan ook uit naar het antwoord van de minister.
De heer Christian Dupont, minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen. - België beschikt over een aantal institutionele mechanismen ter bevordering van de gelijkheid van vrouwen en mannen met een grote uitstraling. Ik denk hierbij aan het Instituut voor de Gelijkheid van vrouwen en mannen maar ook aan Amazone, dat als resourcecentrum een onnavolgbare erkenning en steun biedt aan het middenveld.
In samenspraak met staatssecretaris Grouwels heb ik de huisvesting in Brussel van het Europees Genderinstituut geagendeerd op de interministeriële conferentie `Integratie in de maatschappij' van 8 februari 2006.
Met de steun van de ministers van Gelijke Kansen van de Gemeenschappen en de Gewesten heb ik er bij minister De Gucht op aangedrongen de mogelijkheid te onderzoeken dat België zich kandidaat zou stellen om het Europees Genderinstituut te huisvesten.
Vorige week heb ik tijdens de voorbereiding van de Europese Top de vraag herhaald aan de eerste minister en aan de minister van Buitenlandse zaken. Beide hebben zich ertoe verbonden om de kandidatuurstelling van België te verdedigen. Ik heb dat gisteren nog schriftelijk bevestigd en ik ben er dus zeker van dat de premier en de minister van Buitenlandse Zaken die kandidatuurstelling op de Europese top van vandaag en morgen zullen verdedigen.
Het klopt dat Slovenië, Slowakije en Litouwen zich reeds kandidaat hebben gesteld. Dat heeft wellicht te maken met een beslissing van de Europese Raad van 12-13 december 2003. Er is toen overeengekomen om voorrang te geven aan de nieuwe lidstaten voor de huisvesting van nog op te richten bureaus of agentschappen.
Ik ben wel van mening dat de nabijheid van de Europese instellingen de gendermainstreamingsopdracht van dit Instituut zal vergemakkelijken. Het gaat om een agentschap dat niet zoveel budgettaire middelen zal krijgen en daarom is het feit dat er niet te veel geld moet worden uitgegeven aan reiskosten een belangrijk argument.
Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - We wensen de minister veel succes toe. Hij kan alleszins rekenen op het bondgenootschap van zowel het parlement als de vrouwenbeweging. We kunnen daar misschien actief campagne voor voeren en collega's in andere lidstaten proberen te overtuigen van de opportuniteit om deze zetel in Brussel te vestigen. Ik hoop alleen dat we mogen rekenen op de oprechte en zeer actieve steun van de regering en van de premier.
Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - De minister antwoordde niet op mijn schriftelijke vraag over dit onderwerp binnen de voorziene termijn. Daarom stel ik een vraag om uitleg.
Sedert de oprichting van het Instituut voor de Gelijkheid van Vrouwen en Mannen door de wet van 16 december 2002 wordt zowat het volledige budget voor gelijke kansen tussen vrouwen en mannen overgeheveld naar het Instituut. Vóór 2003 werd dit telkens opgesplitst naargelang de activiteiten, projecten en de basisallocaties. Zo had men een duidelijk overzicht van hoe het geld besteed werd.
In het ontwerp van algemene uitgavenbegroting voor 2006 zien we enkel nog een cijfer staan bij de dotatie aan het Instituut voor de Gelijkheid van Vrouwen en Mannen. Voor 2005 is dit 4.265.000 euro, aangepast. Voor 2006 is dit initieel 4.249.000 euro.
Dat zijn de enige gegevens waarover ik beschik.
Om de continuïteit van het beleid te kunnen evalueren en na te gaan waarvoor de fondsen worden gebruikt, wens ik de minister enkele vragen te stellen.
Hoeveel middelen heeft het Instituut ingeschreven in zijn begroting 2005, in globo en per post? Hoeveel in 2006?
Hoeveel wordt in 2005 van het voorziene bedrag van de dotatie aan het Instituut begroot, in globo en per post? Hoeveel in 2006?
Om in het bijzonder de vergelijking mogelijk te maken met de vorige jaren, wens ik te weten hoeveel het Instituut heeft begroot voor 2005 en 2006 voor bezoldigingen en allerlei toelagen, allerhande werkingsuitgaven m.b.t. informatica, waarborg van gelijke kansen tussen vrouwen en mannen, uitgaven betreffende de werking van de Raad van de Gelijke Kansen tussen vrouwen en mannen, toelagen voor projecten die tot doel hebben de gelijkheid voor mannen en vrouwen te stimuleren en te activeren, subsidie aan Amazone voor personeelsuitgaven, subsidie aan Amazone voor uitrusting en werking, subsidie aan VZW Sophia, subsidie aan de Conseil des Femmes Francophones de Belgique voor personeels- en werkingsuitgaven, subsidie aan de Nederlandstalige Vrouwenraad voor personeels- en werkingsuitgaven, werking van het Instituut voor gelijkheid van vrouwen en mannen, uitgaven voor de aankoop van duurzame roerende goederen en investeringsuitgaven inzake informatica.
Hoe en wanneer heeft de raad van bestuur van het Instituut de begroting 2005 en 2006 besproken en goedgekeurd en hoe worden de financiële verrichtingen bewaakt?
De heer Christian Dupont, minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen. - Ik zal mevrouw de Bethune de begroting van het Instituut 2005 en 2006 overhandigen. De begroting 2006 werd evenwel nog niet onderworpen aan een begrotingscontrole, zodat de cijfers nog niet definitief zijn.
De begroting 2005 werd besproken tijdens de raad van bestuur van 9 juni 2004 en 2 februari 2005. Aanpassingen werden besproken op de raad van bestuur van 2 maart, 8 juni en 7 december 2005. De begroting 2006 werd besproken tijdens de raad van bestuur van 8 juni en 7 oktober 2005 en goedgekeurd op 7 december 2005.
Het Instituut voor de Gelijkheid van Vrouwen en Mannen ontvangt een dotatie van de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg. Deze dotatie wordt uitbetaald in schijven. Elk trimester moet het Instituut aan de stafdienst Budget en Beheerscontrole een opgave van de toestand van zijn boekhouding sturen. Na goedkeuring ontvangt het Instituut zijn volgende schijf. Elk trimester wordt aan de raad van bestuur een toestandsopgave van de begroting voorgelegd. Op die manier voldoet het Instituut ook aan zijn verplichting om toestandsopgaven voor te leggen aan de regeringscommissarissen, aangezien die eveneens lid zijn van deze raad van bestuur.
Naast die controle voldoet het Instituut ook aan zijn verplichtingen van de wet van 16 maart 1954 inzake de controle op sommige instellingen van openbaar nut en aan de wetten op de rijkscomptabiliteit.
Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Ik zal de begroting van het Instituut met belangstelling bestuderen.
Het is belangrijk dat de begroting transparant is en dat de cijfers worden gepubliceerd. Ik weet niet of het Instituut een jaarverslag publiceert dan wel of het de cijfers op het internet vrijgeeft. Het is belangrijk dat alle `aandeelhouders' van het Instituut toegang hebben tot die informatie.
Het is belangrijk dat het Instituut conform de Europese richtlijn werd opgericht. Toch was het volgens mij een verkeerde beleidskeuze om het volledige budget voor gelijke kansen aan het Instituut toe te wijzen. Het zou de transparantie ten goede komen en de beleidsruimte zou groter zijn als het Instituut enerzijds en andere instellingen, zoals Amazone en de vrouwenraden, anderzijds over eigen budgettaire middelen zouden beschikken.
De vrouwenraden zijn de vertegenwoordigers van het middenveld. Het is dan ook niet goed dat ze voor hun financiële middelen van het Instituut afhankelijk zijn, hoe vlot de samenwerking ook verloopt. Het zou politiek gezonder zijn dat de budgettaire middelen op een ander niveau worden toegekend en dat een parlementaire controle mogelijk wordt.
Uit het antwoord van de minister blijkt hoe moeilijk het parlement controle kan uitoefenen. Uiteindelijk beslist de raad van bestuur van het Instituut en niet de minister over de verdeling van de middelen. Dat is geen goede optie. Ik zal hierop toezien en mocht het nodig blijken zal ik eisen dat wordt ingegrepen.
De voorzitter. - Mevrouw Gisèle Mandaila Malamba, staatssecretaris voor het Gezin en Personen met een handicap, toegevoegd aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, antwoordt.
Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Sinds 1 januari 2006 kunnen zelfstandige vrouwen die na 31 december 2005 bevallen zijn en die na hun bevallingsverlof hun zelfstandige activiteiten hervatten, een beroep doen op moederschapshulp. Die hulp bestaat uit 70 dienstencheques die bij een sociaal verzekeringsfonds voor zelfstandigen kunnen worden aangevraagd.
De moederschapshulp wordt toegekend aan zelfstandige vrouwen die aan een aantal voorwaarden voldoen en die een aanvraag bij hun sociaal verzekeringsfonds indienen tussen de 6de maand van de zwangerschap en het einde van de 6de week na de bevalling, zijnde het einde van het zwangerschapsverlof.
Uit verschillende contacten met het middenveld blijkt dat de maatregel bij het grote publiek en bij het doelpubliek weinig of niet bekend is en dat de aanvraagprocedure nogal omslachtig en gecompliceerd is. Ook over het eventuele fiscale voordeel bestaat onduidelijkheid. Vele betrokkenen vragen zich ook af of de maatregel wel opportuun is; ze gaven de voorkeur aan een meer flexibel voordeel.
Hoewel de maatregel nog geen drie maanden van kracht is, zou ik van de minister toch al willen vernemen of hij voldoende bekend is. Hoe wordt hij gepromoot of zal hij worden gepromoot?
Hoeveel zelfstandige moeders hebben er in januari en februari gebruik van gemaakt?
Kan de procedure worden vereenvoudigd? Werd ze inmiddels al geëvalueerd met het oog op het wegwerken van eventuele knelpunten?
Mevrouw Gisèle Mandaila Malamba, staatssecretaris voor het Gezin en Personen met een handicap, toegevoegd aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. - De moederschaphulp voor de zelfstandigen is een nieuwe maatregel. Al vóór de inwerkingtreding ervan, maar ook erna, verscheen hierover heel wat in de - voornamelijk geschreven - pers. Ook de talrijke sociale verzekeringsfondsen hebben hun aangeslotenen op de hoogte gebracht. Uiteraard zetten de sociale verzekeringsfondsen en het RSVZ hun informatieopdracht voort.
Begin maart 2006 had de vennootschap Accor Services vijftig attesten gekregen van rechthebbenden. Op basis hiervan zullen ze, na betaling door de sociale verzekeringsfondsen, dienstencheques uitgeven. Dit aantal is bevredigend, want Accor Services kon pas van 15 februari 2006 af attest toegezonden krijgen.
De procedure voor de zelfstandige vrouw is betrekkelijk eenvoudig. Ze moet alleen een aanvraag indienen bij haar sociaal verzekeringsfonds, dat haar enige gesprekspartner is. Voorts dient ze basisinlichtingen te verschaffen, die het mogelijk maken de naleving van de toekenningvoorwaarden na te gaan.
Uit een antwoord van de staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging aan kamerlid Trees Pieters blijkt dat de procedure niet al te ingewikkeld is en de `kafkatest' doorstaat.
Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Ik zal samen met de doelgroep van deze maatregel blijven bekijken of de toepassing ervan goed verloopt. De start verliep alleszins niet vlot, omdat de reglementering niet tijdig klaar was en omdat de organisaties die werken met het systeem van de dienstencheques, niet precies wisten welke procedure ze moesten volgen.
Elke bijkomende hulp is welkom en een stap in de goede richting. Met vereende krachten moeten we zoeken hoe we de combinatie gezin en arbeid beter kunnen ondersteunen, ook voor zelfstandigen. Desalniettemin moeten de systemen werkbaar zijn.
De voorzitter. - Mevrouw Gisèle Mandaila Malamba, staatssecretaris voor het Gezin en Personen met een handicap, toegevoegd aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, antwoordt.
De heer Jan Steverlynck (CD&V). - De ongerustheid over de vogelgriep ondermijnt de consumptie van gevogelte en zogenaamde afgeleide producten. Momenteel wordt gesproken van een daling in de verkoop van ongeveer 15%. In de gespecialiseerde detailhandelszaken maken sommige gewag van een daling van 40%. Zo is de prijs voor braadkippen nu reeds tot onder de kostprijs gezakt, aldus professor Jacques Viaene van de vakgroep Landbouweconomie van de Universiteit Gent. En dit op een ogenblik dat in België van vogelgriep nog geen sprake is. Als de ziekte in ons land wel uitbreekt, zal de verkoop van gevogelte verder blijven dalen.
Pluimveebedrijven die in de toekomst getroffen worden door vogelgriep en die hun dieren moeten laten doden, kunnen op financiële hulp rekenen. Anders ligt het voor de zogenaamde economische verliezen die het gevolg zijn van de vrees voor vogelgriep bij de consumenten.
Waals minister van Landbouw Benoît Lutgen is van mening dat economische verliezen vergoed moeten kunnen worden en wenst dat Europa middelen buiten de structurele fondsen aanspreekt en de regels inzake overheidssteun versoepelt.
Is de minister voorstander van een systeem voor de vergoeding van de economische verliezen? Indien niet, waarom niet? Indien wel, hoe hoog moet de economische schade oplopen voor ze wordt vergoed? Volgens welke maatstaven en criteria zal de schade effectief worden betaald? Binnen welke termijn wordt de geleden economische schade vergoed? In welke mate zal de federale regering Europa om financiële steun verzoeken? In welke mate is het voorstel van Benoît Lutgen, Waals minister van Landbouw, haalbaar?
Mevrouw Gisèle Mandaila Malamba, staatssecretaris voor het Gezin en Personen met een handicap, toegevoegd aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. - Ik lees het antwoord van minister Laruelle.
De markt voor gevogelte zit inderdaad in een serieuze dip en dit omdat in landen van de Europese Unie en ook in derde landen wilde dieren en gevogelte met vogelgriep besmet zijn geraakt. Terwijl België nog steeds ziektevrij is, vertaalt de vrees van de verbruiker zich in een daling van het verbruik met zo'n 15%. De uitvoer is eveneens sterk gedaald.
Daling van de vraag veroorzaakt een prijsdaling met minimum 28% voor braadkippen ten opzichte van vorig jaar. Voor levend gevogelte worden de productiekosten niet eens meer gedekt door de verkoopprijs op de referentiemarkt van Deinze. De crisis laat zich in de hele keten voelen, in slachthuizen en uitsnijdingsbedrijven.
Tijdens de Europese Ministerraad voor Landbouw van 20 maart heb ik deze dramatische toestand van de markt in België eens te meer in herinnering gebracht. Daarom heb ik de Europese Commissie uitgenodigd om op Europees vlak o.a. volgende bijkomende maatregelen te treffen: de uitbreiding van de lijst met landen voor uitvoerrestituties; de vermindering van het aantal uit te broeden eieren met compensaties voor de fokkers; evacuatiemaatregelen voor de stocks van bevroren producten; het invoeren van vrijwaringmaatregelen om te vermijden dat de interne maatregelen van de Europese Unie door import uit derde landen worden tegengewerkt.
Commissaris Fischer Boel heeft de noodzaak erkend om de huidige bepalingen uit te breiden met concrete maatregelen die werken aan de oorsprong van de keten. Zij zal voorstellen doen die tijdens de zitting van april moeten worden goedgekeurd.
Ik wil de heer Steverlynck er ten slotte op wijzen dat economische hulp, waaronder hulp aan bedrijven in moeilijkheden, zowel voor de landbouwbedrijven als voor de niet-landbouwbedrijven, zoals slachthuizen en uitsnijdingsbedrijven, onder de uitsluitende bevoegdheid van de gewesten vallen.
De heer Jan Steverlynck (CD&V). - Het stemt me gunstig dat de minister al de nodige maatregelen heeft genomen op Europees vlak. Het antwoord van de commissaris zal gunstig zijn voor de sector.
Ik heb evenwel niet vernomen in welke mate de minister positief staat tegenover het voorstel van Waals minister Lutgen. Hij vroeg namelijk een versoepeling van de overheidssteun terzake. Als Europa het toestaat zou ons land bepaalde initiatieven en maatregelen kunnen nemen. Ik kom daar later nog op terug. De slachthuizen ondervinden namelijk heel veel moeilijkheden. We moeten snel ageren en het laatste punt van de versoepeling van de overheidssteun terzake bepleiten.
De voorzitter. - Mevrouw Gisèle Mandaila Malamba, staatssecretaris voor het Gezin en Personen met een handicap, toegevoegd aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, antwoordt.
De heer Jan Steverlynck (CD&V). - De technische voertuigenwet, artikel 1, §5, van de wet van 21 juni 1985, verbiedt de vervaardiging, de invoer, het bezit met het oog op de verkoop, het te koop aanbieden, de verkoop en de gratis bedeling van uitrustingen die een verhoging van het motorvermogen en/of de snelheid van bromfietsen tot doel hebben, evenals het aanbieden van hulp of het verstrekken van advies om deze uitrustingen te monteren.
Praktijkgevallen tonen aan dat wanneer de politie een bromfietser wegens het opvoeren van zijn motorvermogen verhoort, er veelal ook een onderzoek plaatsvindt bij de bromfietshandelaar die het voertuig ooit verkocht of ooit herstelde.
In het geval dat de handelaar te goeder trouw handelde en bijgevolg geen enkele handeling uitvoerde om het motorvermogen te verhogen, blijkt dat het niet altijd even gemakkelijk is om de onschuld aan te tonen. De aankoopfactuur van een bromfiets is soms voldoende om de handelaar voor de strafrechtbank te dagen, en dit terwijl er na de aankoop heel wat zaken aan de motor van de bromfiets kunnen worden gewijzigd, zonder enige tussenkomst van een bromfietshandelaar.
Ook de verkoop van normale onderdelen kunnen de bromfietshandelaar in een moeilijk parket brengen wanneer die onderdelen achteraf werden misbruikt om het vermogen van de motor van de bromfiets op te voeren. De handelaar heeft nochtans geen vat op het feit of de verkochte onderdelen al dan niet voor wettelijke doeleinden worden aangewend. Door dit alles wordt een hele sector gestigmatiseerd en in een kwaad daglicht gesteld.
Het uiteindelijke doel van voornoemde wetgeving is het beteugelen van overmatige snelheid en lawaai. Maar in België kunnen bromfietsen wegens het ontbreken van een nummerplaat niet worden geflitst bij overdreven snelheid. Enkel een vaststelling van het opvoeren van de motor van de bromfiets is mogelijk wanneer de politie het voertuig op de rollen kan plaatsen. Een verplichte nummerplaat voor bromfietsen, zoals in Nederland, zou een bijkomende maatregel zijn om overdreven snelheid van bromfietsen gemakkelijker te beteugelen.
Erkent de minister het probleem ten opzichte van de bromfietshandelaars?
Is een verfijning van de wettelijke bepaling wenselijk? Zo ja, zal de minister een initiatief nemen?
Zal hij in de toekomst een nummerplaat voor bromfietsen verplichten? Zo ja, wanneer mag die maatregel worden verwacht?
Mevrouw Gisèle Mandaila Malamba, staatssecretaris voor het Gezin en Personen met een handicap, toegevoegd aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. - Ik lees het antwoord van minister Landuyt.
Het gaat hier enkel en alleen om zeer specifieke onderdelen die een verhoging van het motorvermogen en/of de snelheid van bromfietsen tot doel hebben.
Als minister van Mobiliteit heb ik geen zicht op de beslissingsbevoegdheid, noch op de acties die de politie zou ondernemen met betrekking tot het toezicht op de naleving van deze wetsbepaling.
Gezien de scheiding der machten is het ook niet aan mij om een uitspraak te doen over de eventuele verantwoordelijkheid van handelaars in deze of gene zaak.
Deze wetsbepaling is er destijds, meer dan tien jaar geleden, slechts gekomen na langdurige besprekingen in de bevoegde parlementscommissie.
Indien deze regels moeilijk toepasbaar zouden zijn en verfijningen nodig blijken, wil ik dat graag vernemen van de beroepsfederaties van bromfietshandelaren, de bevoegde controle-instanties of de gerechtelijke overheden.
De bromfietsers klasse B worden niet ingeschreven en kunnen dus moeilijk worden geïdentificeerd bij een door een apparaat vastgestelde overtreding van de verkeerswet. Een verplichte inschrijving van de bromfietsers werd reeds meermaals aangekaart. In de bevoegde commissies van Kamer en Senaat heb ik mij daar steeds tegen verzet.
De heer Jan Steverlynck (CD&V). - Het verheugt me dat de wetgever een maatregel heeft uitgevaardigd waardoor hij kan optreden tegen mensen die het motorvermogen van bromfietsen opvoeren. In de praktijk blijkt in sommige politiezones dat een correcte toepassing van die maatregel niet altijd van een leien dakje loopt. Ik wil de bromfietshandelaars en de beroepsfederaties vragen dat ze de concrete problemen die zij ondervinden, bij de minister melden.
De minister antwoordt verder, evenwel zonder veel argumenten te geven, dat hij geen voorstander is van een kenteken voor bromfietsen. In de Kamer antwoordde hij zeer uitdrukkelijk dat het invoeren van een nummerplaat voor bromfietsen een te zware maatregel is en administratief-organisatorisch heel moeilijk en heel duur is. Kortom de baten wegen niet op tegen de kosten en de energie die men erin zou moeten steken. Dat standpunt verrast me, omdat uit contacten met chefs van politiezones blijkt dat precies een nummerplaat de identificatie van een bromfietser zou vergemakkelijken. Dat kan vandaag alleen door hem op heterdaad te betrappen en niet met de flitspalen. Ik begrijp niet dat de minister er zich vanaf maakt met het argument dat dit een te zware maatregel is. In Nederland hebben bromfietsen trouwens al een nummerplaat en heeft dat duidelijk een positief effect. We moeten dit probleem dus nog verder bestuderen.
De voorzitter. - Mevrouw Gisèle Mandaila Malamba, staatssecretaris voor het Gezin en Personen met een handicap, toegevoegd aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, antwoordt.
Mevrouw Jacinta De Roeck (SP.A-SPIRIT). - Op 19 mei 2005 tekenden de beheersmaatschappij van de spoorweginfrastructuur en de VZW Natuurpunt een achtjarige overeenkomst voor het ecologische beheer en onderhoud van spoorwegbermen. Het betreft een proefproject waarin de VZW het onderhoud van de spoorwegbermen op lijn 69 tussen Ieper en Komen op zich neemt.
Naar aanleiding van dit project stelde ik toenmalig minister Vande Lanotte een vraag. Infrabel zal op basis van een evaluatie van dit project elders andere projecten opzetten. Een eerste inventarisatie wees een twaalftal plaatsen aan, waaronder natuurgebied De Kevie in Tongeren. Bovendien zou er ook sociale tewerkstelling worden gecreëerd, omdat Natuurpunt een sociale werkplaats zou inschakelen voor bepaalde taken.
Zijn er uit de eerste inventarisatielijst al andere locaties geselecteerd, waar Infrabel hetzelfde soort project als het proefproject zal opstarten? Zijn hieromtrent al concrete afspraken gemaakt met de lokale partners?
Hoe evalueert de staatssecretaris het proefproject tot nu toe?
Hoeveel extra tewerkstelling brengt dit project met zich mee, algemeen en specifiek inzake sociale tewerkstelling? Welk takenpakket krijgen deze mensen toegewezen binnen het project? In hoeveel extra sociale banen wordt er voorzien voor het onderhoud van spoorwegbermen door Infrabel en Natuurpunt of andere partners?
Mevrouw Gisèle Mandaila Malamba, staatssecretaris voor het Gezin en Personen met een handicap, toegevoegd aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. - Ik lees het antwoord van collega Tuybens.
Er werden nog geen nieuwe locaties uit de eerste inventarisatielijst aangewezen. Momenteel loopt een intern verkennend onderzoek voor vier nieuwe locaties die door VZW Natuurpunt worden voorgesteld, met name lijn 34 Tongeren tussen kilometerpaal 26.000 en 27.000, lijn 25 Duffel ter hoogte van kilometerpaal 26.000, lijn 59 `Wolvenberg', tussen Antwerpen-Zuid en de Kennedytunnel, spoorwegbermen te Aalbeke, te Kortrijk en te Marke. Behalve voor de site `Wolvenberg' op de lijn 59 te Antwerpen zijn nog geen concrete plannen gemaakt met lokale partners.
Er wordt onderzocht of door een aangepast bermonderhoud een natuurwinst kan worden gerealiseerd. Natuurwinst houdt het behoud of de verhoging van de biodiversiteit in. Verder wordt onderzocht of het bermonderhoud op termijn tegen een lagere kostprijs kan worden uitgevoerd en of sociale tewerkstelling kan worden gecreëerd voor werkzaamheden die niet door de vrijwilligers kunnen worden gedaan. Kortom, er wordt onderzocht of het project bijdraagt tot de doelstellingen van de NMBS-holding en Infrabel met betrekking tot een duurzame bedrijfsvoering.
Dit project is pas enkele maanden geleden opgestart en dus nog te jong om de voormelde criteria te evalueren.
Het onderhoud van spoorwegbermen wordt doorgaans uitbesteed. Infrabel voorziet niet zelf in extra sociale banen voor het onderhoud van de spoorwegbermen. Het criterium betreffende de sociale tewerkstelling kan bijgevolg enkel door Natuurpunt worden geëvalueerd of beantwoord.
Mevrouw Jacinta De Roeck (SP.A-SPIRIT). - Ik weet dat het moeilijk is een jong project te evalueren, maar als we vooruitgang willen boeken op ecologisch vlak - en we weten dat de NMBS een van de zwaarste vervuilers met herbiciden is - wordt het hoog tijd meer bermen ecologisch te beheren. Het is niet alleen goed voor het milieu, maar ook voor de sociale tewerkstelling. Uit ervaring weet ik dat in heel wat groenprojecten heel wat mensen worden tewerkgesteld die laaggeschoold zijn en dat ze veel plezier beleven aan hun werk. Ik dring er dan ook op aan dat er werk wordt gemaakt van de evaluatie, zodat we te weten komen of er bijkomende projecten zijn.
Die projecten zijn nuttig voor de biodiversiteit want een plant stopt niet aan een spoorwegberm. Ook op het gebied van de tewerkstelling zijn deze projecten belangrijk.
Ik hoop dat we vlug iets te weten komen. Ik vermoed dat de VZW Natuurpunt het project heeft geëvalueerd. Het is jammer dat die evaluatie niet aan bod kwam in het antwoord. Ik zal er misschien beter zelf naar vragen bij VZW Natuurpunt. Ik had gehoopt dat de minister ook op dat punt zou antwoorden.
De voorzitter. - Het Bureau stelt voor volgende week deze agenda voor:
Donderdag 30 maart 2006
's ochtends om 10 uur
Wetsontwerp tot wijziging van de wetgeving betreffende de jeugdbescherming en het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd; Stuk 3-1312/1 tot 8.
Evocatieprocedure
Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, van artikel 606 van het Wetboek van strafvordering en van de artikelen 12 en 30 van het Strafwetboek; Stuk 3-1313/1 tot 6.
Wetsontwerp houdende instemming met het Samenwerkingsakkoord van 12 december 2005 tussen de Federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap en de Gemeenschappelijke gemeenschapscommissie, inzake de tenuitvoerlegging van de wet van 24 april 2003 tot hervorming van de adoptie; Stuk 3-1570/1 en 2.
Wetsontwerp houdende goedkeuring van het samenwerkingsakkoord houdende oprichting van een Nationale Commissie voor de rechten van het kind, gesloten te Brussel, op 19 september 2005, tussen de Staat, de Vlaamse Gemeenschap, het Vlaams Gewest, de Franse Gemeenschap, het Waals Gewest, de Duitstalige Gemeenschap, het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en de Franse Gemeenschapscommissie; Stuk 3-1537/1 en 2.
Algemeen activiteitenverslag 2004 van het Vast Comité van Toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten; Stuk 3-1150/1.
Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 9 van de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren teneinde de termijn te verkorten die moet verlopen alvorens een achtergelaten hond kan worden geadopteerd (van mevrouw Christine Defraigne); Stuk 3-1145/1 en 2.
Voorstel van resolutie over de relatie tussen mens en dier en de gunstige invloed daarvan op de gezondheid van de mens (van mevrouw Jacinta De Roeck); Stuk 3-832/1 tot 3.
's namiddags om 15 uur
Inoverwegingneming van voorstellen.
Actualiteitendebat en mondelinge vragen.
Wetsontwerp houdende instemming met het Verdrag tussen het Koninkrijk België, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Estland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, Ierland, de Italiaanse Republiek, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, het Groothertogdom Luxemburg, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Polen, de Portugese Republiek, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland (Lidstaten van de Europese Unie) en de Republiek Bulgarije en Roemenië betreffende de toetreding van de Republiek Bulgarije en Roemenië tot de Europese Unie, met het Protocol, met de Akte, en met de Slotakte, gedaan te Luxemburg op 25 april 2005; Stuk 3-1572/1 en 2.
Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en Japan betreffende de sociale zekerheid, ondertekend te Brussel op 23 februari 2005; Stuk 3-1618/1 en 2.
Evocatieprocedure
Wetsontwerp tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen; Stuk 3-1613/1 tot 3.
Evocatieprocedure
Wetsontwerp tot aanvulling van artikel 4 van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen teneinde de kwaliteit van de in de apotheken verkochte producten te waarborgen; Stuk 3-1614/1 en 2.
Evocatieprocedure
Wetsontwerp houdende herziening van de farmaceutische wetgeving; Stuk 3-1615/1 en 2.
Vanaf 17 uur:
Geheime stemming over de benoeming van een voorzitter en van een plaatsvervangend voorzitter van het Vast Comité van toezicht op de inlichtingendiensten (Comité I); Stuk 3-1620/1.
Naamstemmingen over de afgehandelde agendapunten in hun geheel.
Stemming over de moties ingediend tot besluit van de vragen om uitleg:
Vragen om uitleg:
-De Senaat is het eens met deze regeling van de werkzaamheden.
De voorzitter. - De agenda van deze vergadering is afgewerkt.
De volgende vergadering vindt plaats op donderdag 30 maart om 10.00 uur.
(De vergadering wordt gesloten om 20.05 uur.)
Afwezig met bericht van verhindering: mevrouw Lizin, de heren Brotcorne en Wille, in het buitenland, de heren Cheffert en Wilmots, wegens andere plichten.
-Voor kennisgeving aangenomen.
Wetsvoorstellen
Artikel 81 van de Grondwet
Wetsvoorstel tot herinvoering van artikel 61 van de wet van 12 juni 1991 op het consumentenkrediet, om de maximale jaarlijkse kostenpercentages van de kredietopeningen met een kaart te begrenzen, teneinde de overmatige schuldenlast beter te bestrijden (van mevrouw Olga Zrihen en mevrouw Joëlle Kapompolé; Stuk 3-1623/1).
-Verzonden naar de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden.
Wetsvoorstel tot invoering van een verbod op de commerciële productie en commercialisering van honden- en kattenbont en hiervan afgeleide producten en tot invoering van een verbod op de fabricage en de commercialisering van producten die afgeleid zijn van zeehonden (van mevrouw Margriet Hermans c.s.; Stuk 3-1630/1).
-Verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.
Voorstel van resolutie
Voorstel van resolutie betreffende de strijd tegen de kinderarmoede (van mevrouw Olga Zrihen; Stuk 3-1629/1).
-Verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.
Het Bureau heeft volgende vragen om uitleg ontvangen:
-Deze vragen worden naar de plenaire vergadering verzonden.
De Senaat heeft bij boodschap van 20 maart 2006 aan de Kamer van volksvertegenwoordigers ter kennis gebracht dat tot evocatie is overgegaan, op die datum, van:
Wetsontwerp betreffende het bedienen van een automatische defibrillator door niet-artsen (Stuk 3-1586/1).
-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.
Bij boodschappen van 21 en 23 maart 2006 heeft de Senaat aan de Kamer van volksvertegenwoordigers terugbezorgd, met het oog op de bekrachtiging door de Koning, de volgende niet geëvoceerde wetsontwerpen:
Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 11 juli 1978 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakorganisaties van het militair personeel (Stuk 3-1587/1).
Wetsontwerp houdende wijziging van artikel 43 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966 (Stuk 3-1591/1).
Wetsontwerp betreffende de toekenning van eervolle onderscheidingen in de Nationale Orden (Stuk 3-1625/1).
-Voor kennisgeving aangenomen.
Bij boodschappen van 16 maart 2006 heeft de Kamer van volksvertegenwoordigers aan de Senaat overgezonden, zoals ze ter vergadering van dezelfde dag werden aangenomen:
Artikel 77 van de Grondwet
Wetsontwerp tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot de tuchtprocedure voor de leden van de balie (Stuk 3-1626/1).
-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Justitie.
Artikel 78 van de Grondwet
Wetsontwerp houdende diverse maatregelen inzake vervoer (Stuk 3-1624/1).
-Het wetsontwerp werd ontvangen op 17 maart 2006; de uiterste datum voor evocatie is dinsdag 18 april 2006.
Kennisgeving
Wetsontwerp houdende instemming met het Samenwerkingsakkoord van 8 juli 2005 tussen de Federale Staat en het Vlaams Gewest betreffende de oprichting van en de samenwerking in een structuur Kustwacht (Stuk 3-1364/1).
-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 16 maart 2006 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.
Met toepassing van artikel 113 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van het Arbitragehof kennis aan de voorzitter van de Senaat van:
-Voor kennisgeving aangenomen.
Met toepassing van artikel 76 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van het Arbitragehof kennis aan de voorzitter van de Senaat van:
-Voor kennisgeving aangenomen.
Bij brief van 16 maart 2006 heeft de voorzitter van Algemene Vergadering van de vrederechters en de rechters in de politierechtbanken ressorterende onder het Hof van Beroep te Gent overeenkomstig artikel 340 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag voor 2005 van de Algemene vergadering van de vrederechters en de rechters in de politierechtbanken ressorterende onder het Hof van Beroep te Gent, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 10 maart 2006.
-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.
Bij brief van 14 maart 2006 heeft de arbeidsauditeur te Verviers en Eupen overeenkomstig artikel 346 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2005 van het Arbeidsauditoraat te Verviers en Eupen, goedgekeurd tijdens zijn korpsvergadering van 2 maart 2006.
Bij brief van 16 maart 2006 heeft de arbeidsauditeur te Oudenaarde overeenkomstig artikel 346 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2005 van het Arbeidsauditoraat te Oudenaarde, goedgekeurd tijdens zijn korpsvergadering van 13 maart 2006.
Bij brief van 16 maart 2006 heeft de arbeidsauditeur te Kortrijk-Ieper-Veurne overeenkomstig artikel 346 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2005 van het Arbeidsauditoraat te Kortrijk-Ieper-Veurne, goedgekeurd tijdens zijn korpsvergadering van 15 maart 2006.
-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.
Bij brief van 15 maart 2006 heeft de voorzitter van de Rechtbank van koophandel te Verviers-Eupen overeenkomstig artikel 340 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag voor 2005 van de Rechtbank van koophandel te Verviers-Eupen.
Bij brief van 16 maart 2006 heeft de voorzitter van de Rechtbank van koophandel te Hasselt overeenkomstig artikel 340 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag voor 2005 van de Rechtbank van koophandel te Hasselt, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 10 maart 2006.
-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.
Bij brief van 15 maart 2006 heeft de voorzitter van de Rechtbank van eerste aanleg te Hasselt overeenkomstig artikel 340 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2005 van de Rechtbank van eerste aanleg te Hasselt, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 14 maart 2006.
-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.
Bij brief van 16 maart 2006 heeft de voorzitter van de Arbeidsrechtbank te Luik overeenkomstig artikel 340 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2005 van de Arbeidsrechtbank te Luik, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 20 februari 2006.
-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.