3-210

3-210

Belgische Senaat

3-210

Handelingen - Nederlandse versie

DONDERDAG 22 MAART 2007 - NAMIDDAGVERGADERING


Waarschuwing: de blauwe kleur geeft aan dat het gaat om uit het Frans vertaalde samenvattingen.


Voordracht van kandidaten voor het ambt van assessor (F) bij de afdeling wetgeving van de Raad van State

Verzoekschriften

Inoverwegingneming van voorstellen

Wetsontwerp betreffende de hervorming van de echtscheiding (Stuk 3-2068) (Evocatieprocedure)

Mondelinge vragen

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en de Republiek San Marino tot het vermijden van dubbele belasting en tot het voorkomen van het ontduiken van belasting inzake belastingen naar het inkomen, ondertekend te San Marino op 21 december 2005 (Stuk 3-2045)

Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 8 augustus 1981 tot oprichting van het Nationaal Instituut voor oorlogsinvaliden, oud-strijders en oorlogsslachtoffers en van de Hoge Raad voor oorlogsinvaliden, oud-strijders en oorlogsslachtoffers (Stuk 3-2097) (Evocatieprocedure)

Mondelinge vragen

Wetsontwerp betreffende de transseksualiteit (Stuk 3-1794) (Evocatieprocedure)

Wetsontwerp houdende instemming met het samenwerkingsakkoord van 13 december 2006 tussen de Federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, betreffende de organisatie en de financiering van het herstelrechtelijk aanbod bedoeld in de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade (Stuk 3-2085)

Wetsontwerp houdende instemming met het samenwerkingsakkoord van 13 december 2006 tussen de Federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, betreffende de organisatie en financiering van de ouderstage, bedoeld in de wet betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade (Stuk 3-2086)

Wetsontwerp houdende instemming met het samenwerkingsakkoord van 13 december 2006 tussen de Federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, het Waals Gewest, de Duitstalige Gemeenschap en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, betreffende de inwerkingtreding van artikel 7, 7º van de wet van 13 juni 2006 tot wijziging van de wetgeving betreffende de jeugdbescherming en het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd (Stuk 3-2087)

Wetsvoorstel tot aanvulling van artikel 45 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, ter versterking van de democratische betrokkenheid (van de heer Jan Steverlynck c.s., Stuk 3-1956)

Wetsvoorstel tot wijziging van het koninklijk besluit van 23 december 2002 tot vaststelling van de wijze waarop de Staat door bemiddeling van het Nationaal Instituut voor oorlogsinvaliden, oud-strijders en oorlogsslachtoffers voorziet in de kosteloze geneeskundige verzorging van verscheidene categorieën oud-strijders en oorlogsslachtoffers (van mevrouw Anne-Marie Lizin c.s., Stuk 3-1952)

Wetsvoorstel tot herstel van artikel 117 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, met het oog op de promotie van passiefhuizen middels een «groenehypotheeklening» (van de heer Bart Martens c.s., Stuk 3-2081)

Voorstel van resolutie om het veralgemeend gebruik van een ICE-nummer (In Case of Emergency) in het gsm-geheugen te bevorderen (van de heren Flor Koninckx en Ludwig Vandenhove, Stuk 3-2011)

Wetsontwerp betreffende de hervorming van de echtscheiding (Stuk 3-2068) (Evocatieprocedure)

Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 4 juli 1989 betreffende de beperking en de controle van de verkiezingsuitgaven voor de verkiezingen van de federale Kamers, de financiering en de open boekhouding van de politieke partijen en van de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen (Stuk 3-2139)

Stemmingen

Regeling van de werkzaamheden

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de vice-eersteminister en minister van Justitie over «het ontbreken van een nieuw reglement betreffende gerechtskosten» (nr. 3-2207)

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de vice-eersteminister en minister van Justitie en aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken over «het smokkelen van harddrugs» (nr. 3-2227)

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «de toename van vergissingen met generieke geneesmiddelen» (nr. 3-2228)

Vraag om uitleg van mevrouw Annemie Van de Casteele aan de vice-eersteminister en minister van Justitie en aan de minister van Mobiliteit over «de strafmaat voor bestuurders die dodelijke ongevallen veroorzaakten» (nr. 3-2198)

Vraag om uitleg van mevrouw Sabine de Bethune aan de vice-eersteminister en minister van Justitie en aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken over «de erkenning van het huwelijk van vluchtelingen en asielzoekers op basis van andere elementen dan officiële huwelijksakten» (nr. 3-2202)

Vraag om uitleg van mevrouw Stéphanie Anseeuw aan de vice-eersteminister en minister van Justitie en aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken over «het verbod op virtuele kinderporno» (nr. 3-2203)

Vraag om uitleg van de heer Joris Van Hauthem aan de vice-eersteminister en minister van Justitie over «de resultaten van het overleg met het College van procureurs-generaal inzake de controle op het voorafgaan van het burgerlijk huwelijk aan de huwelijksinzegening» (nr. 3-2210)

Vraag om uitleg van mevrouw Fauzaya Talhaoui aan de vice-eersteminister en minister van Justitie en aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken over «de gedragscode bij en na optredens van politiediensten» (nr. 3-2215)

Vraag om uitleg van de heer Christian Brotcorne aan de vice-eersteminister en minister van Justitie over «de geblokkeerde situatie bij het uitvoeren van werkstraffen of activiteiten van algemeen nut» (nr. 3-2221)

Vraag om uitleg van de heer Stefaan Noreilde aan de vice-eersteminister en minister van Justitie over «het vervolgen van bijzitters» (nr. 3-2222)

Vraag om uitleg van mevrouw Clotilde Nyssens aan de vice-eersteminister en minister van Justitie over «de berekening van alimentatie voor kinderen» (nr. 3-2226)

Vraag om uitleg van de heer Wim Verreycken aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken en aan de minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen over «de omzendbrief betreffende de vrijwillige terugkeer van vreemdelingen met behulp van de Internationale Organisatie voor Migratie» (nr. 3-2199)

Vraag om uitleg van de heer Christian Brotcorne aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken over «de toegang tot de stembureaus bij de federale parlementsverkiezingen voor kiezers met een beperkte mobiliteit of voor slechthorende kiezers» (nr. 3-2214)

Vraag om uitleg van de heer Christian Brotcorne aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken en aan de minister van Buitenlandse Zaken over «de toekenning van een visum aan de Congolese studenten die een bijkomend jaar secundair onderwijs moeten volgen voor ze naar de universiteit kunnen» (nr. 3-2216)

Vraag om uitleg van de heer Stefaan Noreilde aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken over «het proefproject inzake de elektronische aangifte van kleine misdrijven» (nr. 3-2223)

Vraag om uitleg van de heer Stefaan Noreilde aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken over «noodoproepen per gsm» (nr. 3-2225)

Vraag om uitleg van de heer Christian Brotcorne aan de minister van Buitenlandse Zaken over «de lijsten van de Belgen die zijn ingeschreven bij een diplomatieke of consulaire post» (nr. 3-2219)

Vraag om uitleg van mevrouw Stéphanie Anseeuw aan de minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid en aan de minister van Leefmilieu en minister van Pensioenen over «de verlenging van de zomertijd in de strijd tegen klimaatopwarming» (nr. 3-2204)

Vraag om uitleg van de heer Jan Steverlynck aan de minister van Middenstand en Landbouw en aan de minister van Leefmilieu en minister van Pensioenen over «de vaststelling van het pensioen als zelfstandige na een schorsing van het pensioen wegens hervatting van een beroepsbezigheid» (nr. 3-2201)

Vraag om uitleg van mevrouw Stéphanie Anseeuw aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid en aan de minister van Werk over «werkgerelateerde kankers» (nr. 3-2220)

Vraag om uitleg van de heer Joris Van Hauthem aan de minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid over «de maatregelen om de onevenwichtige verdeling van de betrekkingen over de taalgroepen in de federale wetenschappelijke instellingen weg te werken» (nr. 3-2206)

Vraag om uitleg van de heer Joris Van Hauthem aan de minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen over «de campagne "Migrant van de dag" door het Centrum voor Gelijkheid van Kansen en voor Racismebestrijding» (nr. 3-2209)

Berichten van verhindering

Bijlage


Voorzitter: mevrouw Anne-Marie Lizin

(De vergadering wordt geopend om 15.10 uur.)

Voordracht van kandidaten voor het ambt van assessor (F) bij de afdeling wetgeving van de Raad van State

De voorzitter. - Bij brief van 8 maart 2007 deelt de eerste voorzitter van de Raad van State mee dat de algemene vergadering van de Raad ter openbare zitting van 6 februari 2007, overeenkomstig artikel 80 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, overgegaan is tot het opmaken van lijsten van kandidaten voorgedragen voor de benoeming tot twee ambten van Franstalig assessor die bij de afdeling wetgeving vacant zijn geworden.

De eerste voorzitter van de Raad van State heeft de kandidaturen van de volgende personen ontvangen:

De Raad van State heeft de heer Georges de Leval bij eenparigheid van stemmen voorgedragen voor het eerste ambt van assessor.

Werden door de Raad van State voorgedragen voor het tweede vacante ambt, evenwel zonder eenparigheid van stemmen:

Aangezien de voordracht niet unaniem is, kan de Senaat, binnen een termijn van ten hoogste dertig dagen vanaf de ontvangst van de mededeling van deze voordracht:

Op 20 maart 2007 heeft de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden de kandidaten gehoord, overeenkomstig artikel 70, §1, achtste lid, en artikel 80, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State.

De commissie is van oordeel dat er geen redenen zijn om een nieuwe lijst met drie kandidaten voor te dragen.

Het Bureau stelt bijgevolg voor dat de Senaat de door de Raad van State voorgedragen lijst bevestigt. (Instemming)

Verzoekschriften

De voorzitter. - Bij brief van 2 maart 2007 heeft de heer Daniel Senesael, burgemeester van Estaimpuis aan de Senaat overgezonden een motie met het verzoek te ijveren voor de bevrijding van mevrouw Ingrid Betancourt en van de 3.000 politieke gevangenen in Colombia.

Bij brieven van 2 februari en 8 maart 2007 hebben de heer Jacques Etienne, burgemeester van Namen en de heer Axel Soeur, burgemeester van Courcelles aan de Senaat overgezonden, twee moties met betrekking tot de sluiting van postkantoren op het grondgebied van Namen en de sluiting van het postkantoor van Courcelles-Motte.

-Verzonden naar de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden.

Inoverwegingneming van voorstellen

De voorzitter. - De lijst van de in overweging te nemen voorstellen werd rondgedeeld.

Leden die opmerkingen mochten hebben, kunnen die vóór het einde van de vergadering mededelen.

Tenzij er afwijkende suggesties zijn, neem ik aan dat die voorstellen in overweging zijn genomen en verzonden naar de commissies die door het Bureau zijn aangewezen. (Instemming)

(De lijst van de in overweging genomen voorstellen wordt in de bijlage opgenomen.)

Wetsontwerp betreffende de hervorming van de echtscheiding (Stuk 3-2068) (Evocatieprocedure)

Voorstel tot terugzending

De heer Philippe Mahoux (PS). - Op dit wetsontwerp werd een amendement en een subamendement ingediend. Ik stel voor het wetsontwerp nu naar de commissie terug te zenden zodat we daar het amendement kunnen bespreken en we ook vandaag nog over het - eventueel geamendeerde - ontwerp in plenaire vergadering kunnen stemmen.

Verder wil ik nog opmerken dat de Kamer ons een reeks teksten in verband met de verkiezingsuitgaven zal overzenden die we in de plenaire vergadering moeten bespreken. Die teksten moeten dus onmiddellijk na ontvangst naar de commissie worden verzonden.

De voorzitter. - Als we uw voorstel met betrekking tot het amendement op de wet op de echtscheiding volgen, laten we de bespreking en de stemming over het geheel op de agenda van deze vergadering staan.

De heer Philippe Mahoux (PS). - Deze procedure is niet ongewoon. Wij wensen dat vandaag over het wetsontwerp wordt gestemd, wat slechts mogelijk is als de tekst naar de commissie wordt teruggezonden. Als het amendement wordt aangenomen, kunnen we de tekst vervolgens in plenaire vergadering bespreken en over de geamendeerde tekst stemmen.

Als we daarentegen het amendement in plenaire vergadering bespreken en erover stemmen, kunnen we vandaag niet meer over het geheel stemmen.

-Tot terugzending wordt besloten.

Mondelinge vragen

Mondelinge vraag van mevrouw Nathalie de T' Serclaes aan de vice-eersteminister en minister van Justitie over «de oprichting van de "Nationale Commissie voor de rechten van het kind"» (nr. 3-1460)

Mevrouw Nathalie de T' Serclaes (MR). - De wet houdende goedkeuring van het samenwerkingsakkoord werd op 10 november 2006 in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd.

Krachtens artikel 19 van het samenwerkingsakkoord treedt het akkoord in werking `op de dag van publicatie in het Belgisch Staatsblad van de laatste goedkeurende akte uitgaande van de contracterende partijen'.

Artikel 16 van dat akkoord bepaalt overigens dat de eerste aanstelling van de leden en hun plaatsvervangers `uiterlijk vier maanden na de inwerkingtreding van dit samenwerkingsakkoord zal gebeuren', wat betekent dat de Commissie ten laatste vier maanden na 10 november 2006 geïnstalleerd had moeten zijn, dus uiterlijk op 10 maart 2007.

Volgens mijn informatie is de Nationale Commissie voor de rechten van het kind tot op heden nog steeds niet geïnstalleerd, hoewel een tijdsschema voor de aanwijzing van de leden zou zijn opgesteld en de oproep tot kandidaten voor het voorzitterschap op 10 november 2006 zou zijn gepubliceerd.

Hoe ver staat het met de installatie van deze commissie? Indien ze nog niet geïnstalleerd is, wat zijn de redenen voor de vertraging? Hoe ver staat het met de aanwijzingen en aanwervingen? Wat zijn de vooruitzichten met betrekking tot de samenstelling van die Commissie? Wanneer wordt ze actief?

Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eersteminister en minister van Justitie. - Het secretariaat van de Nationale Commissie voor de rechten van het kind is samengesteld uit twee universitaire attachés, die vorige vrijdag in dienst zijn getreden. De selectie van de halftijdse secretaris vond plaats op maandag 19 maart. De gekozen kandidate zal zo vlug mogelijk in dienst treden.

De aanwijzing van de voorzitter van de commissie moest worden uitgesteld ten gevolge van een discussie met de Vlaamse Gemeenschap over het statuut van de voorzitter en, meer in het algemeen, over het jaarlijkse budget van de Commissie. Die twee problemen zijn definitief opgelost op het overlegcomité van woensdag 14 maart.

De vereiste koninklijke besluiten werden dinsdag aan het sectoraal comité voorgelegd en vervolgens voor advies verzonden naar de Raad van State. Het voorstel van koninklijk besluit tot benoeming van de voorzitter zal op de ministerraad van 20 april worden voorgelegd.

Ik besluit dus dat er geen vertraging is; het werk is vorige vrijdag aangevat. Justitie heeft de Commissie ondergebracht in de Hallepoort en de onafhankelijkheid van de Commissie is gewaarborgd.

Ook ik betreur de vertraging bij de benoeming van de voorzitter. Ze is echter uitsluitend te wijten aan en discussie met de Vlaamse Gemeenschap. Alle andere betrokkenen gingen akkoord met de voorstellen van mijn departement.

Zodra de voorzitter geïnstalleerd is, zal hij de commissie in plenaire zitting bijeenroepen om het Bureau van de Commissie aan te wijzen, het reglement van inwendige orde op te stellen en de procedure vast te leggen voor de opstelling van het vijfjaarlijkse rapport voor het Comité voor de rechten van het kind te Genève, wat de belangrijkste opdracht is van de commissie.

Mevrouw Nathalie de T' Serclaes (MR). - Ik ben blij dat we, na een lang en moeizaam proces, nog in deze regeerperiode die commissie toch eindelijk kunnen installeren. Ik hoop dat onze collega's van de Kamer de tekst zullen aanvullen met de constitutionele bepaling die de Senaat heeft goedgekeurd.

In de laatste weken van deze regeerperiode kan de minister bij de voorzitter en bij onze collega's van de Kamer er misschien op aandringen om deze tekst snel goed te keuren zodat die grondwettelijke bepaling niet op de lijst van de te herziene artikelen hoeft te staan.

De voorzitter. - De voorzitter van de Kamer en ikzelf hebben vorige week een gesprek gehad over dit onderwerp. Dit punt staat op de agenda van de Kamercommissie van volgende week. Wij werken dus met vereende krachten.

Mondelinge vraag van de heer Josy Dubié aan de vice-eersteminister en minister van Justitie over «de schending van de wet tot bescherming van de journalistieke bronnen door rechters» (nr. 3-1465)

De heer Josy Dubié (ECOLO). - De wet van 7 april 2005 tot bescherming van de journalistieke bronnen bepaalt in artikel 3 uitdrukkelijk dat journalisten het recht hebben hun informatiebronnen te verzwijgen, met name die bronnen die de identiteit van hun informanten kunnen bekend maken of de aard of de herkomst van hun informatie kunnen prijsgeven.

Uit een communiqué van de Algemene Vereniging van Beroepsjournalisten in België (AVBB), blijkt dat rechters deze wet schenden.

Volgens die vereniging heeft een onderzoek, geleid door een onderzoeksrechter van Nijvel sinds oktober 2006, louter tot doel de personen te identificeren die aan RTL-TVI informatie hebben gegeven over de achtervolging bij de ontsnapping van Murat Kaplan.

Er werden al twee journalisten door de onderzoeksrechter ondervraagd. Een derde journaliste werd door het Comité P geconvoceerd. Toen deze zich bij het Comité aanmeldde, werd haar zonder verdere uitleg medegedeeld dat de convocatie geannuleerd was.

Toch hebben de politiediensten die te maken hebben met het dossier Kaplan een grootscheepse en systematische telefoontap georganiseerd om de binnenkomende en uitgaande oproepen van de redactie van RTL-TVI op te sporen.

Dat ze worden geconvoceerd voor het Comité P wijst erop dat de journalisten niets zal worden bespaard, terwijl ze nochtans wettelijk worden beschermd. De rechterlijke macht mag, noch rechtstreeks, noch onrechtstreeks, onderzoek voeren naar journalistieke bronnen. Dat verbiedt de wet op de bescherming van de journalistieke bronnen al sedert meer dan twee jaar; er kan niet worden overgegaan tot enige informatie- of onderzoeksmaatregel naar de gegevens met betrekking tot de informatiebronnen van journalisten. Toch heeft het onderzoek in Nijvel enkel tot doel de journalistieke bronnen te identificeren, terwijl er geen beroep kan worden gedaan op één van de uitzonderingen voorzien in artikel 4 van de wet op het bronnengeheim.

In dezelfde periode heeft een onderzoeksrechter in Brugge een journalist van Humo aangeklaagd voor bendevorming; een surrealistische aanklacht die het gevolg is van de weigering van de journalist om de identiteit van zijn informanten aan de rechter bekend te maken.

Waarom surrealistisch? Omdat de door ons goedgekeurde wet in artikel 4 bepaalt dat afwijkingen mogelijk zijn als de informatie die de onderzoeksrechter wil verkrijgen van aard is om misdrijven te voorkomen die een ernstige bedreiging opleveren voor de fysieke integriteit van één of meer personen.

De nogal banale zaak betreft een wellicht antimonarchistische groep die de hand heeft afgehakt van een standbeeld van Leopold II om te protesteren tegen en te herinneren aan de martelpraktijken ten tijde van Leopold II in Congo. Die rechter roept blijkbaar artikel 4 van de wet in om de schending van de wet te rechtvaardigen.

Welke maatregelen zal u nemen om de wet te doen naleven door hen die worden geacht ze in de eerste plaats na te leven, namelijk de leden van de rechterlijke macht?

Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eersteminister en minister van Justitie. - De wet van 7 april 2005 tot bescherming van de journalistieke bronnen beschermt inderdaad de journalisten en de personen die met journalisten gelijk worden gesteld. Het is juist dat sinds de goedkeuring van de wet de gerechtelijke autoriteiten niet langer meer informatie- of onderzoeksmaatregelen kunnen gelasten ten laste van een journalist om kennis te krijgen van de journalistieke bronnen.

Volgens de mij bezorgde inlichtingen steunt het onderzoek van de onderzoeksrechter van Nijvel op een schending van artikel 458 van het Strafwetboek dat handelt over het beroepsgeheim. Er mag niet uit het oog worden verloren dat de videocassette met de achtervolging van Murat Kaplan deel uitmaakt van een onderzoeksdossier en dus onder het geheim van het onderzoek valt. Degene die de cassette aan de media bezorgde, beging dus een misdrijf.

De onderzoeksdaden in dat dossier betroffen geen journalisten, maar politiemensen die zich moeten houden aan het beroepsgeheim.

Het gaat dus niet om een schending van de wet tot bescherming van de journalistieke bronnen omdat de onderzoeksdaden niet rechtstreeks op journalisten betrekking hadden. De wet van 7 april 2005 garandeert geenszins straffeloosheid voor hen die artikel 458 van het Strafwetboek schenden.

De journalist kan voortaan zwijgen over zijn bronnen. Hij wordt door de wet beschermd. Derden genieten die bescherming niet. Als de journalist wordt gehoord als getuige, mag hij zijn bronnen verzwijgen.

De voorzitter van het Comité P heeft me uitgelegd dat de dienst onderzoek van dat Comité door de onderzoeksrechter werd aangeduid om het onderzoek in dit dossier te voeren.

Het was ook de onderzoeksrechter die de onderzoekers van het Comité P eerst gevraagd had de journaliste te horen, maar nadien op dat verzoek is terug gekomen. Daarom werd de journaliste, die zich wel had aangeboden bij het Comité P, niet gehoord.

Dergelijke vragen om als getuige te worden gehoord gaan niet in tegen de wet van 7 april 2005. Een journalist kan immers altijd weigeren te antwoorden als het getuigenis gaat over het geheim van zijn bronnen.

Volgens de mij verstrekte inlichtingen werd de wet van 7 april 2005 niet geschonden.

De heer Josy Dubié (ECOLO). - U hebt niet geantwoord op het tweede en veel belangrijker deel van mijn vraag, met name de zaak in Brugge waar een journalist van Humo in een banale zaak werd aangeklaagd voor bendevorming.

Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eersteminister en minister van Justitie. - Inderdaad, maar daarover heb ik geen informatie gekregen. Ik zal u die in de loop van deze middag of de volgende plenaire vergadering bezorgen. Ik wil over die belangrijke vraag niet improviseren.

De heer Josy Dubié (ECOLO). - Uw antwoord stel me tevreden: Een journalist kan worden gehoord als getuige, maar hij kan weigeren zijn bronnen bekend te maken door zich te beroepen op de wet.

Nochtans wordt nu een journalist voor bendevorming vervolgd omdat hij in een banale zaak weigert zijn bronnen prijs te geven. Een groepje mensen dat van een bronzen standbeeld van Leopold II de hand afhakt, is toch geen staatszaak? Ik verwacht uw antwoord volgende donderdag. Nogmaals: de wet tot bescherming van de bronnen werd duidelijk geschonden.

De voorzitter. - In dat geval moet u wel uw vraag opnieuw indienen, mijnheer Dubié.

Mondelinge vraag van de heer Hugo Vandenberghe aan de vice-eersteminister en minister van Justitie over «de uitspraken van de minister van Mobiliteit over de hoven van beroep» (nr. 3-1469)

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Minister van Mobiliteit Renaat Landuyt slaagt er al twee jaar lang niet in een juridische oplossing te vinden voor de overlast rond de nationale luchthaven, maar voelt zich wel geroepen om een boek te schrijven over Justitie. Daarin beweert minister Landuyt dat een rechter in hoger beroep slechts 2,5 uitspraken per week velt. Volgens hem getuigt dat van juridische luiheid. Of schiet minister Landuyt zijn pijlen af op de hoven van beroep omdat hijzelf in het ongelijk wordt gesteld in arresten van het hof van beroep van Brussel?

Daargelaten of zijn cijfers stroken met de werkelijkheid, wat een woordvoerder van de hoven van beroep betwijfelt, vernam ik graag van de minister van Justitie of zij het standpunt van haar collega deelt?

Verder vraag ik me af de minister van Mobiliteit zijn bezorgdheid hieromtrent ooit op de ministerraad heeft geuit? Of maakt hij zijn grieven in een boek kenbaar omdat de regering, en in het bijzonder de minister van Justitie, niet luistert naar zijn opmerkingen over de werking van de hoven van beroep?

Een ding is zeker. Deze regering loopt achter het vaandel van Kafka.

Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eersteminister en minister van Justitie. - De derde staatsmacht geniet veel belangstelling. Ik kan me daarover enkel verheugen. Veel van mijn collega's schrijven ook over justitie. Als hoofd van het departement heb ik jammer genoeg niet de tijd om hun werk te lezen, noch om zelf te publiceren.

Ik weet niet welke methode werd gebruikt om tot het gegeven resultaat te komen, maar men moet altijd erg voorzichtig zijn met de analyse van cijfers en vooral met verklaringen daaromtrent.

De rechterlijke orde moet over een evaluatiemethode kunnen beschikken om de werklast van de magistraten van de zetel en van het openbaar ministerie te meten. Wat de parketten betreft, verwijs ik naar de verschillende antwoorden die ik kortgeleden heb gegeven in de commissie voor de Justitie en in de plenaire vergaderingen van Kamer en Senaat.

Op 1 februari werd gestart met een wetenschappelijke studie over de haalbaarheid van een meting van de werklast voor de zetel en over de verschillende reeds bestaande methoden, zoals MUNAS, time sheet of een andere `huismethode'. De studie zal zes maanden in beslag nemen. De omzetting van het instrument dat werd ontwikkeld voor het openbaar ministerie, zal eveneens worden onderzocht. Bij de aanvang van het volgend gerechtelijk jaar zullen we dus op basis van een wetenschappelijke studie een keuze kunnen maken en een meetinstrument kunnen ontwikkelen. Ik hoop dat er in de loop van de komende maanden eindelijk een meetinstrument beschikbaar zal zijn, zodat er een einde komt aan de steriele discussies die alleen maar het imago van het gerecht aantasten.

De eerste voorzitters van de hoven van beroep en van de arbeidshoven wilden antwoorden op de uitlatingen van minister Landuyt. Zij hebben een persmededeling verspreid waarin ze het commentaar bij de cijfers nuanceren. Door het aantal uitgesproken rechterlijke beslissingen te delen door het aantal rechters, kent men niet de werkelijke gemiddelde werklast van de magistraten van die rechtbank. In de personeelsformatie van de rechters bevinden zich immers onderzoeksrechters, jeugdrechters, beslagrechters en strafuitvoeringsrechters die heel wat taken uitvoeren die niet automatisch vertaald worden in een vonnis. Men moet ook rekening houden met de bewegingen binnen die formatie: pensioneringen, nieuwe benoemingen, langdurige ziekte en zo meer.

Om de werktijd van een magistraat te bepalen moet men ook rekening houden met de tijdsduur van de zittingen, de tijd die nodig is om alles te lezen, de voorbereiding van de zitting, lezen van de conclusies en de stukken enz ... en mogelijk ook de tijd om de doctrine en de jurisprudentie na te kijken.

De werklast meten behoort overigens in eerste instantie tot de verantwoordelijkheid van de korpschefs. Zij moeten waken over een billijke verdeling van de zaken onder de magistraten.

Het is dus lang niet zo eenvoudig. Aan het hoofd van het departement Justitie heb ik ook geleerd wantrouwig staan tegenover `lukrake beoordelingen'.

Ik heb ervoor gekozen om op humoristische wijze te antwoorden, maar, omdat het een ernstig dossier betreft, heb ik ook willen uitleggen waarom niet op een onberedeneerde wijze mag worden geoordeeld.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Ik heb het antwoord van de minister heel goed begrepen.

Mondelinge vraag van mevrouw Clotilde Nyssens aan de vice-eersteminister en minister van Justitie over «de gevolgen van de verbreking van het contract over de informatisering van Justitie voor de nieuwe bepalingen over de collectieve schuldenregeling» (nr. 3-1470)

Mevrouw Clotilde Nyssens (CDH). - Bent u nog steeds van plan de geschillen betreffende de collectieve schuldenregeling op 1 september 2007 van de beslagrechters naar de arbeidsrechtbanken over te dragen, ondanks de problemen bij de informatisering van Justitie en de verbreking van het Phenixcontract?

Toen de wet op de overdracht van die geschillen naar de arbeidsrechtbanken werd goedgekeurd, leek het evident dat die overdracht zou samengaan met de informatisering van de arbeidsrechtbanken. Zonder de informatisering kunnen die rechtbanken die geschillen niet op zich nemen.

Wat is de stand van zaken? Kunt u garanderen dat de arbeidsrechtbanken op 1 september 2007 voldoende geïnformatiseerd zullen zijn om die opdracht te vervullen of wil u, wegens de verbreking van het contract, de inwerkingtreding van de nieuwe wet op de collectieve schuldenregeling uitstellen?

Ik stel deze vraag om tegemoet te komen aan een vraag van de arbeidsrechtbanken.

Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eersteminister en minister van Justitie. - De regering had inderdaad beloofd dat de overdracht van de bevoegdheden voor de geschillen betreffende de collectieve schuldenregeling van de rechtbanken van eerste aanleg naar de arbeidsrechtbanken, vastgesteld op 1 september 2007, zou plaatsvinden als het Phenixproject bij de arbeidsrechtbanken operationeel zou zijn. Het tijdschema voor de ontwikkeling van het Phenixproject was daar trouwens op gericht. Door de verbreking van het contract met Unisys moeten er specifieke en dringende maatregelen worden genomen.

De hardware is reeds ter beschikking van de arbeidsrechtbanken.

Ik heb mijn bestuur de opdracht gegeven prioriteit te verlenen aan de ontwikkeling van de specifieke software, in samenwerking met Fedict. Die software zal intern worden ontwikkeld, op basis van software die reeds bestaat voor de rechtbanken van eerste aanleg.

Op 1 september worden enkel de nieuwe dossiers betreffende de collectieve schuldenregeling aan de arbeidsrechtbanken overgedragen, zodat de werklast die deze geschillen meebrengen de eerste weken vrij gering zal zijn. De rechtbanken van eerste aanleg kregen overigens geen bijkomende middelen voor de behandeling van die geschillen.

De veranderingen worden geleidelijk doorgevoerd. De arbeidsrechtbanken zullen enkel de nieuwe dossiers krijgen en hoeven dus niet de achterstand op zich te nemen. Het risico dat de achterstand groot wordt is des te kleiner daar er geen achterstand is bij de arbeidsrechtbanken. Alles wordt in het werk gesteld om de wet zo snel mogelijk toe te passen. Er zal ook zo snel mogelijk werk worden gemaakt van de andere begeleidingsmaatregelen, zoals de beloofde aanpassing van de formatie en een onderzoek door mijn bestuur naar de behoeften van de arbeidsrechtbanken op het vlak van ruimte en gebouwen. Dat zal rechtbank per rechtbank gebeuren.

Mevrouw Clotilde Nyssens (CDH). - De datum van 1 september wordt dus bevestigd. Ik wil dat de rechtbanken over alle nodige middelen beschikken om het hoofd te bieden aan de geschillen waarmee ze voortaan zullen worden belast.

Mondelinge vraag van de heer Wouter Beke aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «het tekort aan huisartsen» (nr. 3-1471)

De voorzitter. - Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eersteminister en minister van Justitie, antwoordt.

De heer Wouter Beke (CD&V). - Zowel in Vlaanderen als in Wallonië dreigt een tekort aan huisartsen. Volgens de planningscommissie moeten er elk jaar 180 Vlaamse en 120 Waalse huisartsen bijkomen. In Vlaanderen volgt maar een kleine honderd personen de opleiding huisartsengeneeskunde.

Dat is een groot probleem. Ten eerste komt de kwaliteit van de gezondheidszorg erdoor in het gedrang. Ten tweede is het niet goed voor de toegankelijkheid van de geneeskunde. Ten slotte rijzen ook budgettaire problemen, omdat de huisartsen in de eerstelijnsgezondheidszorg het budget voor gezondheidszorg onder controle houden.

De planningscommissie, die het medische aanbod moet regelen, zou het beroep van huisarts als knelpuntberoep willen kwalificeren. Dat is het zoveelste signaal dat dringend maatregelen moeten worden genomen. In het verleden werden al maatregelen genomen, maar op het terrein blijken die ontoereikend te zijn. Net als de samenleving vergrijst ook het huisartsenkorps. Bovendien vervrouwelijkt het beroep. Dat is op zich geen probleem, maar het brengt wel mee dat een huisarts gemiddeld minder patiënten ziet dan vroeger.

Wat is het standpunt van de minister ter zake? Zal hij de komende maanden nog maatregelen nemen?

Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eersteminister en minister van Justitie. - Ik lees het antwoord van minister Demotte.

De huisartsengeneeskunde kampt momenteel met een ernstig rekruteringsprobleem; in de ene streek is het al erger dan in andere. Bovendien blijkt dat 30% van de jonge artsen vijf jaar na hun erkenning niet of niet meer gevestigd is. De huisartsengeneeskunde moet dus aantrekkelijker worden gemaakt en de werkomstandigheden van de huisartsen moeten verbeteren.

In die zin werden verschillende maatregelen genomen. Er kwam een impulsfonds om de vestiging van nieuwe praktijken te stimuleren, vooral in gebieden met een klein medisch aanbod. Er kwam ook een `mini-echelonnering', een systeem om de centrale plaats van de huisarts in de gezondheidszorg te herstellen. In een tweede fase zal het impulsfonds worden gebruikt om groepspraktijken te ondersteunen. Eind april of begin mei komt er een promotiecampagne voor het globaal medisch dossier en de rol van de huisarts hierin. De disponibiliteitshonoraria worden uitgebreid naar de weeknachten. Het resultaat van die initiatieven zal nauwkeurig worden gevolgd.

De heer Wouter Beke (CD&V). - Een van de dingen die ontbreken in het lijstje van de minister, is een statuut voor de huisartsen in bijzondere opleiding. Dat is uiteraard de toegangspoort tot de huisartsengeneeskunde. Het statuut of eerder het ontbreken van een degelijk statuut werd al herhaaldelijk aangeklaagd en het is jammer dat er geen initiatieven in die zin te verwachten zijn. Ik vind dit bijzonder belangrijk, zeker als men het statuut van huisartsen in opleiding vergelijkt met dat van specialisten in opleiding. Ik had dan ook gehoopt op een initiatief van de minister om deze scheeftrekking recht te zetten.

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en de Republiek San Marino tot het vermijden van dubbele belasting en tot het voorkomen van het ontduiken van belasting inzake belastingen naar het inkomen, ondertekend te San Marino op 21 december 2005 (Stuk 3-2045)

Algemene bespreking

De voorzitter. - Mevrouw Annane verwijst naar haar schriftelijk verslag.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(De tekst aangenomen door de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging is dezelfde als de tekst van het wetsontwerp. Zie stuk 3-2045/1.)

-De artikelen 1 en 2 worden zonder opmerking aangenomen.

-Over het wetsontwerp in zijn geheel wordt later gestemd.

Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 8 augustus 1981 tot oprichting van het Nationaal Instituut voor oorlogsinvaliden, oud-strijders en oorlogsslachtoffers en van de Hoge Raad voor oorlogsinvaliden, oud-strijders en oorlogsslachtoffers (Stuk 3-2097) (Evocatieprocedure)

Algemene bespreking

De heer Lionel Vandenberghe (SP.A-SPIRIT), rapporteur. - Na de goedkeuring in de Kamer werd het ontwerp in de Senaatscommissie behandeld, waar het eenparig door alle aanwezige leden werd goedgekeurd.

Het ontwerp geeft het Nationaal Instituut voor oorlogsinvaliden, oud-strijders en oorlogsslachtoffers een nieuwe opdracht, namelijk informatie en voorlichting geven, vooral aan jongeren, over racisme, verdraagzaamheid en de `nooit meer oorlog'-idee.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(Voor de tekst verbeterd door de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging, zie stuk 3-2097/3.)

De voorzitter. - De heer Van Overmeire heeft amendement 1 ingediend (zie stuk 3-2097/4) dat luidt:

-De stemming over het amendement wordt aangehouden.

-De aangehouden stemmingen en de stemming over het wetsontwerp in zijn geheel hebben later plaats.

Mondelinge vragen

Mondelinge vraag van de heer Ludwig Vandenhove aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken, aan de minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid en aan de minister van Middenstand en Landbouw over «het toepassingsgebied van de wet op de openingsuren in handel, ambachten en dienstverlening» (nr. 3-1467)

De voorzitter. - De heer Armand De Decker, minister van Ontwikkelingssamenwerking, antwoordt.

De heer Ludwig Vandenhove (SP.A-SPIRIT). - Op 1 maart jongstleden is de wet van 10 november 2006 betreffende de openingsuren in handel, ambacht en dienstverlening in werking getreden. Dat heeft nogal wat implicaties, vooral voor de nacht- en telefoonwinkels. Met de nieuwe wet neemt de bevoegdheid van steden en gemeenten om de openingsuren van die winkels te regelen toe. De minister had daarbij de dienstverlening aan de consument op het oog, maar wilde vooral ook de gemeenten meer macht geven om de overlast van dat soort winkels te beperken. Dat is een goede zaak en ongetwijfeld zullen heel wat gemeente- en stadbesturen van die bevoegdheid gebruik maken.

Op één punt is de wetgeving echter onduidelijk. Er bestaan namelijk ook automaten die evenveel overlast geven als nachtwinkels omdat autobestuurders er zich 's nachts komen bedienen en hinder veroorzaken als ze stoppen en wegrijden.

Gemeenten en steden vragen zich dan ook af of ze net als voor de nachtwinkels ook regulerend kunnen optreden voor de automaten. Kunnen ze ook voor automaten vergunningen uitreiken en eventueel de openingsuren ervan beperken?

Indien niet, kan de wet dan worden aangepast, want de huidige wetgeving biedt maar een gedeeltelijke oplossing?

De heer Armand De Decker, minister van Ontwikkelingssamenwerking. - Ik lees het antwoord van de minister.

Automaten vallen niet onder het toepassingsgebied van de wet van 10 november 2006. De definitie van `detailhandel' in artikel 2 van de wet impliceert een simultane lichamelijke aanwezigheid van koper en verkoper in de vestigingseenheid, wat natuurlijk niet het geval is bij automaten.

Op de tweede vraag kan ik antwoorden dat er momenteel geen sprake van is de automaten onder het toepassingsgebied te laten vallen van de wet van 10 november 2006.

Tijdens het overleg over de goedkeuring van deze wet heeft geen enkele vertegenwoordiger van die sector een aanvraag ingediend.

De heer Ludwig Vandenhove (SP.A-SPIRIT). - Er zal toch een initiatief moeten worden genomen, want soms veroorzaken automaten evenveel overlast als nachtwinkels.

Mondelinge vraag van de heer Lionel Vandenberghe aan de minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid over «de rapportering van de wapenhandel door de federale regering aan het Parlement» (nr. 3-1468)

De voorzitter. - De heer Armand De Decker, minister van Ontwikkelingssamenwerking, antwoordt.

De heer Lionel Vandenberghe (SP.A-SPIRIT). - Vanmorgen las ik in de krant dat er volgens de minister van Economie in het parlement nooit vragen worden gesteld over wapenhandel. Ik was nogal verbolgen toen ik dat las en ga ook helemaal niet akkoord met die uitspraak.

Ik stelde de minister op 25 januari 2007 reeds enkele vragen over de rapportering inzake wapenhandel door de federale regering aan het parlement. Op 16 maart 2007 kondigde de ministerraad in een persmededeling aan dat de minister van Economie het verslag over de in- en uitvoervergunningen voor wapens van leger en politie voor het tweede semester van 2006 heeft voorgesteld.

Ik kon dat verslag inkijken en stond opnieuw versteld van de beperktheid ervan; een tabelletje met slechts enkele landen, en dat was het dan. Volgens artikel 17 van de federale wapenwet van 5 augustus 1991, gewijzigd in 2003, moet het zesmaandelijkse verslag een overzicht geven van `de verstrekte en geweigerde vergunningen voor de goederen die onder deze wet vallen, met land per land het totaalbedrag en het aantal vergunningen ingedeeld per categorie van bestemmeling en per categorie van materieel.' Bovendien moet het apart melding maken van de afgifte en weigering van exportvergunningen met de uitbouw van een militaire productiecapaciteit als doel.

In de federale verslagen van onder meer 2001 en 2002, toen de wapenhandel nog niet geregionaliseerd was, gebeurde dat wel. In het rapport van juni-september 2003 heb ik dat nergens gevonden, ook niet bij de FOD Buitenlandse Zaken.

Vanuit een zekere verontwaardiging wil ik de minister volgende vragen stellen.

Is hij het met mij eens dat het verslag voor het tweede semester van 2006 niet voldoet aan de bepalingen van artikel 17 van de wet van 1991, omdat geen indeling van de vergunningen wordt gegeven per categorie van bestemmeling en per categorie van materieel?

Is hij het met mij eens dat met het huidige verslag geen afdoende parlementaire controle op de naleving van de wapenwet mogelijk is?

Is de minister bereid om voor elke individuele federale vergunning sinds de regionalisering van de wapenhandel de categorie van bestemmeling en de categorie van materieel mee te delen, dit volgens de Europese militaire lijst opgedeeld in 22 categorieën?

Zal hij voortaan de uitvoervergunningen waar het land van eindbestemming verschilt van het land van bestemming apart vermelden, zoals dat ook in de Vlaamse wapenrapporten gebeurt?

Is de minister bereid de verslagen in de toekomst ook op de webstek van zijn departement te plaatsen, zodat ook het middenveld en de vredesbewegingen de verslagen kunnen inkijken?

De heer Armand De Decker, minister van Ontwikkelingssamenwerking. - Ik lees het antwoord van collega Verwilghen.

De wapenhandel is sinds 2003 een hoofdzakelijk gewestelijke bevoegdheid. De federale overheid is nog slechts bevoegd voor een kleine restfractie, namelijk de afgifte of weigering van in-, uit- en doorvoervergunningen van wapens, munitie en speciaal voor militair gebruik dienstig materiaal en de daaraan verbonden technologie van het Belgisch leger en de politie.

Het is inderdaad juist dat de huidige rapportering een overzicht bevat van de landen van bestemming, het aantal vergunningen en de waarde uitgedrukt in euro.

Daarnaast wordt ook de aanvrager vermeld, het Belgisch leger of de federale politie.

Indien er vergunningen geweigerd worden, wordt dit ook vermeld, maar tot heden zijn er geen vergunningen geweigerd.

Bovendien wordt de bestemmeling wel degelijk vermeld als het gaat om een niet-EU- of niet-NAVO-land. In het recente rapport wordt slechts één land vermeld, namelijk Jordanië, voor de levering van 58 gepantserde voertuigen type Ml13.

In het kader van de halfjaarlijkse rapportering worden de elementen medegedeeld waarover de FOD Economie beschikt. Immers, wanneer het een NAVO-land betreft, worden, net zoals vóór de regionalisering van de wapenwet, vergunningen afgegeven die betrekking hebben op een algemene categorie van goederen: bijvoorbeeld kruit, munitie, vliegtuigonderdelen enzovoort. Pas op het einde van het jaar rapporteren Defensie en de Politie aan de FOD Economie welke specifieke goederen in het kader van die vergunning, werden uitgevoerd.

Ik zal met de betrokken ministers overleg plegen over deze wetgeving en over eventueel noodzakelijke wijzigingen.

De heer Lionel Vandenberghe (SP.A-SPIRIT). - Na mijn vraag van vorige maand heb ik slechts één nieuw element vernomen, namelijk dat aan Jordanië 58 gepantserde voertuigen werden geleverd. Dat is toch wel sterk!

Het rapport van de collega van minister Verwilghen in de Vlaamse regering, Fientje Moerman, is heel wat duidelijker.

Het overtollige materiaal van politie en leger moet worden gemeld. Laten we doen wat we gedaan hebben met de F-16's, die uiteindelijk niet aan Pakistan werden geleverd maar ontmanteld zijn.

Minister Flahaut zou zijn houwitsers ook beter niet leveren aan Marokko dat zich in een oorlogssituatie bevindt.

Anderzijds ben ik nog altijd op zoek naar het rapport van 2003, van vóór de regionalisering van de wapenhandel.

Ik zal mijn vraag over een maand nog eens stellen. Ik hoop dat minister Verwilghen dan aanwezig zal zijn om ze te beantwoorden.

Mondelinge vraag van de heer Patrik Vankrunkelsven aan de vice-eersteminister en minister van Begroting en Consumentenzaken over «de technieken om ringtones te verkopen» (nr. 3-1461)

De heer Patrik Vankrunkelsven (VLD). - Jongeren die via hun gsm een ringtone willen downloaden krijgen vaak een abonnement op ringtones aan hun broek, met ruzies met hun ouders en hoge gsm-rekeningen als gevolg. Soms wordt automatisch zes euro per week aangerekend, zonder dat de consument dat op voorhand wist.

Bedrijven zoals Jamba en Celldorado hanteren bewust deze dubieuze handelspraktijken. Ze proberen zich naar de letter van de wet te schikken. In de televisiereclame gaat de tekst met de vermelding dat het om een abonnement gaat echter zo snel vooruit, dat niemand hem kan lezen.

De gsm-operatoren gaan ook niet vrijuit, want ze ontvangen een vergoeding om hun kanaal ter beschikking te stellen. Ook zij krijgen veel klachten over die praktijken. Ik vraag me af of de gedragscode die met de gsm-operatoren is afgesloten wel nuttig is als hij op allerlei manieren wordt omzeild.

Overtreedt het bedrijf Jamba hiermee onze wetgeving op de handelspraktijken? Acht de minister een aanpassing van onze wetgeving noodzakelijk? Is de minister van plan op te treden tegen deze praktijken? Zouden concrete afspraken met de gsm-operatoren niet kunnen leiden tot een gentleman's agreement waarbij voor het aanvragen van een ringtone telkens een sms gestuurd moet worden en dit tegen een vast bedrag per ringtone? Dit systeem is vergelijkbaar met wat nu geldt voor het downloaden van iTunes via internet, waarbij voor een muziekje wordt betaald, en voor niets meer.

Mevrouw Freya Van den Bossche, vice-eersteminister en minister van Begroting en Consumentenzaken. - Naar aanleiding van de gesignaleerde feiten heb ik de Algemene Directie Controle en Bemiddeling van mijn administratie verzocht om een onderzoek in te stellen naar de diensten van Jamba. In 2005 werden die diensten al eens geschorst omdat Jamba zich niet hield aan de gedragscode die de operatoren destijds op mijn verzoek zelf hebben opgesteld. Die code bevat richtlijnen over de betaalde diensten zoals de in- en uitschrijvingsprocedure, de prijsvermelding, en dergelijke meer. Ik ben het met de vraagsteller eens dat er meer dient te gebeuren.

Samen met collega Verwilghen bereid ik een koninklijk besluit voor betreffende het telefoonnummerplan. Het begincijfer van een sms-nummer zal voortaan duidelijk maken over welke dienst het gaat. Sms-nummers die bijvoorbeeld beginnen met het cijfer 5, zullen maximaal 50 cent kosten; beginnen ze met een zes, dan kosten ze maximaal 2 euro per oproep. Voor abonnementen zal een afzonderlijk begincijfer gebruikt worden. Wanneer bij het downloaden van een ringtone meteen ook een abonnement begint te lopen, moet het nummer beginnen met het cijfer 9. Zo is voor de gebruiker onmiddellijk duidelijk of hij al dan niet een abonnement neemt, terwijl hij dat nu vaak pas achteraf moet vaststellen.

Met toepassing van het ministerieel besluit nummerblokkering kan de gebruiker alle betalende nummers in één keer blokkeren. Die blokkering is tot nu toe niet selectief. Dankzij het telefoonnummerplan wordt de categorie van een sms-nummer herkenbaar en kunnen sms'jes voortaan ook selectief worden geblokkeerd. Ik zal de selectieve blokkering dus in het desbetreffende ministerieel besluit laten opnemen. Daardoor zal de consument zich beter kunnen beschermen.

De heer Patrik Vankrunkelsven (VLD). - Door de ingreep van de minister wordt het probleem grotendeels opgelost. Toch heb ik nog een bijkomende vraag.

Vindt de minister het toelaatbaar dat een gebruiker zich met één enkel sms'je kan abonneren? Ik zou nog iets verdergaan. Binnen welk tijdsbestek wordt de voorgestelde oplossing operationeel? Mochten de gangbare praktijken nog maanden of jaren aanhouden, dan zullen tal van jongeren er dag in dag uit blijven intuinen. Dat moeten we toch voorkomen.

Mevrouw Freya Van den Bossche, vice-eersteminister en minister van Begroting en Consumentenzaken. - Op basis van de bevindingen van de inspectie zal ik alvast overleg plegen met de aanbieders van dergelijke diensten om te zien of ze de bestaande gedragscode inmiddels al op vrijwillige basis kunnen aanvullen zodat alles binnen de perken blijft tot het ministerieel besluit wordt aangepast. Ik zal het geplande tijdschema meedelen. Daaruit kan blijken of tussentijds overleg al dan niet zinvol kan zijn.

Mondelinge vraag van de heer Pierre Galand aan de minister van Ontwikkelingssamenwerking over «de druk die de Europese Commissie uitoefent op de ACS-landen met het oog op het afsluiten van de onderhandelingen over de economische partnerschapsovereenkomsten vóór december 2007» (nr. 3-1426)

De heer Pierre Galand (PS). - Op dit ogenblik worden de onderhandelingen over de economische partnerschapsovereenkomsten (EPO) tussen de ACS-landen en de Europese Unie opnieuw bekeken. Het is de bedoeling om te evalueren of de verschillende bij die overeenkomsten betrokken landen in staat zullen zijn om de onderhandelingen vóór 31 december 2007 af te ronden.

Na vier jaar onderhandelen over de toekomstige akkoorden zijn er talloze redenen om aan te nemen dat de officieel door de Europese Commissie vooropgestelde streefdatum niet haalbaar is. Sinds 2002 hebben de ACS-landen immers onophoudelijk gewezen op de negatieve gevolgen van een voortijdige liberalisering van hun economieën. Bepaalde gebieden, zoals West-Afrika, hebben trouwens expliciet gevraagd om de termijn voor de ondertekening van de economische partnerschapsovereenkomsten met verschillende jaren te verlengen.

Het blijkt echter waar dat de Europese Commissie momenteel druk uitoefent op de ACS-regio's om de onderhandelingen vóór eind 2007 af te ronden. Verschillende ACS-vertegenwoordigers die in Brussel de paritaire assemblee EU-ACS bijwonen, hebben me dat gisteren bevestigd.

Zonder de vergadering van het gemeenschappelijk comité ACS-EU van de ministers van handel van begin maart af te wachten, is de Commissie afzonderlijk met elk van de zes regio's beginnen te onderhandelen. Na de groep van de Caraïben heeft ze nu ook Centraal-Afrika overgehaald om de onderhandelingen binnen de door haar vooropgestelde termijn af te ronden.

Is de regering ervoor gewonnen om de termijn voor de ondertekening van de economische partnerschapsovereenkomsten te verlengen? Houdt ze rekening met de aanbevelingen van de Senaat als ze haar standpunt over de herziening van die overeenkomsten bepaalt? Welk standpunt is België voornemens te verdedigen over de toegang van de ACS-landen tot de gemeenschappelijke markt als de onderhandelingen over de economische partnerschapsovereenkomsten niet in december 2007 worden afgerond? Welke maatregelen denkt onze regering te nemen om de opname van de Democratische Republiek Congo in de CEMAC te bevorderen?

De heer Armand De Decker, minister van Ontwikkelingssamenwerking. - De gemeenschappelijke beslissing van de ACS-Staten en van de Europese Unie om te onderhandelen over de economische partnerschapsovereenkomsten vloeit voort uit de artikelen 36 en 37 van het Akkoord van Cotonou in uitvoering waarvan ze de handelspreferenties in onderling overleg vervangen door overeenkomsten die verenigbaar zijn met de WTO-regels.

De Europese Commissie onderhandelt over die akkoorden namens de Europese Unie met een mandaat dat de Ministerraad gaf in 2002. Krachtens de Overeenkomst van Cotonou treden de economische partnerschapsovereenkomsten in werking op 1 januari 2008.

De vragen van de heer Galand sluiten aan bij de bezorgdheid van sommige ACS-landen en van Belgische en Afrikaanse ontwikkelings-ngo's. De minister van Buitenlandse Zaken en ikzelf zijn de spreekbuis van die bezorgdheid, zoals op de Europese Ministerraad met de ACS-landen die afgelopen week te Bonn plaatsvond. We hebben benadrukt dat de ontwikkelingsvraagstukken in die economische partnerschapsovereenkomsten moeten worden opgenomen, zoals overigens in de documenten van de Senaat wordt aanbevolen. Om die reden is het belangrijk dat de ministers van Ontwikkelingssamenwerking over dat onderwerp vergaderen.

De ministers van Ontwikkelingssamenwerking onderhandelen hierover op Europees niveau, zoals acht dagen gelden in Bonn, in aanwezigheid van de vertegenwoordigers van de ACS-landen.

We moeten ook rekening houden met de rapporten over de effecten van de economische partnerschapsovereenkomsten, de zogenaamde EPO, op de ACS-landen en op de regionale integratiemechanismen in Afrika.

De EPO zijn instrumenten van ontwikkeling en geen commerciële instrumenten, om de zeer eenvoudige reden dat ontwikkelingslanden zich zonder economische ontwikkeling niet duurzaam kunnen ontwikkelen. Overheidshulp zal immers nooit volstaan om de duurzame ontwikkeling van de ACS-landen te verzekeren en om die reden werken die landen zeer intens samen met de Europese Unie aan het overleg over die akkoorden.

De EPO hebben tot doel de intraregionale integratie en de ontwikkeling van de zuid-zuidhandel te versterken zodat er regionale economische zones kunnen ontstaan die nuttig zijn voor de wederzijdse onwikkeling van de landen die er deel van uit maken, en voor de interregionale integratie tussen de Europese Unie en elk van die EPO.

Het gemengd ministerieel comité ACS-EU van 1 maart 2007 heeft bevestigd dat de onderhandelingen worden voortgezet om ze binnen de door de Overeenkomst van Cotonou vooropgestelde termijn, namelijk einde 2007, te kunnen afronden. Geen enkele ACS-Staat heeft gevraagd om die datum uit te stellen.

Overeenkomstig artikel 37, §4 van de Overeenkomst van Cotonou wordt de voortgang van de onderhandelingen over de EPO formeel en volledig onderzocht. De resultaten van dat onderzoek worden voorgelegd aan de ACS-EU-ministerraad van mei 2007. Zodoende kunnen alle partijen de voortgang van de onderhandelingen objectief evalueren.

Tot op vandaag heeft geen enkel ACS-land een beroep gedaan op artikel 37, §6 van de Overeenkomst van Cotonou om de onderhandelingen te verlaten. De ACS-landen hebben de Europese Commissie echter wel gevraagd om een overgangsregime te overwegen voor het geval de onderhandelingen niet binnen de geplande termijn worden afgerond.

De Europese Unie en haar lidstaten zetten omvangrijke programma's van technische handelsbijstand op het getouw om de intraregionale handel in Afrika te bevorderen. Het lopende programma van het tiende Europese ontwikkelingsfonds (EOF), bevat specifieke regionale enveloppes voor de regionale integratie en voor de EPO die beduidend belangrijker zijn dan die van het negende EOF. De Europese Unie heeft er zich overigens toe verbonden om haar handelssteun tegen 2010 te verdubbelen tot 2 miljard dollar en heeft een wezenlijk deel van die verhoging bij voorrang aan de ACS-landen toegekend.

Ik herinner eraan dat België 2% van zijn begroting voor Ontwikkelingssamenwerking aan handelssteun voor ontwikkelingslanden besteedt. We moeten die landen helpen bij de groei van hun binnenlandse markt en vervolgens ook van de intraregionale markten, zodat ze goederen kunnen produceren die ze bij ons kunnen verkopen.

Mochten er geen EPO worden gesloten, dan gelden de algemene preferentieprincipes en het Everything but Arms, waardoor de minst ontwikkelde landen al hun producten zonder invoerrechten op de Europese markt kunnen afzetten. Die landen zijn echter onvoldoende commercieel uitgerust om in goede omstandigheden te kunnen uitvoeren. Het aspect Aid for Trade van alle Europese ontwikkelingsprogramma's is dus van wezenlijk belang om die landen ertoe aan te zetten de kwaliteit van hun handel en hun producten te verbeteren en om ze een betere toegang tot onze markten te verzekeren.

De Belgische ontwikkelingssamenwerking opteert resoluut voor een Europese benadering van de Democratische Republiek Congo. Wat de integratie van de DRC in het toekomstige EPO voor Centraal-Afrika betreft, bevordert het Indicatieve Samenwerkingsprogramma voor de periode 2008-2010, dat ik zopas heb ondertekend, de synergie met onze EU-partners.

Na de ministerraad van Bonn kan ik u bevestigen dat er eensgezindheid heerst onder elk van de commissarissen respectievelijk belast met Ontwikkelingssamenwerking, Buitenlandse Betrekkingen en Handel. Handelssteun is een echte prioriteit voor de Europese Unie, want het is een kwestie van overleven en ontwikkeling voor de ACS-landen en de enige manier om armoede doeltreffend en duurzaam te bestrijden.

De heer Pierre Galand (PS). - Ik heb aandachtig geluisterd en dank de minister voor zijn antwoord. Ik wil toch opmerken dat niet de commissaris belast met de Buitenlandse Betrekkingen of de commissaris belast met Ontwikkelingssamenwerking, maar wel de heer Mandelson, commissaris belast met Handel, de onderhandelingen voert.

De vertegenwoordiger van commissaris Mandelson is in onze bijzondere commissie Globalisering komen vertellen dat zijn rol beperkt is tot de markt. We hebben hem geantwoord dat ontwikkeling de markt overstijgt, maar hij is op zijn standpunt blijven staan.

Ik ben voor de uitbreiding van de handel en ik verdedig de rechtvaardige handel, zoals u weet. De ACS-landen hebben wel degelijk om een verlenging gevraagd. Ze werd nochtans opgeschort op verzoek van de Ministerraad op voorwaarde dat de uitzonderingsregel tot de WTO kan worden uitgebreid. Bijgevolg kan men niet zo maar beweren dat alle landen het eens zijn, aangezien sommige landen een verlenging van die regel vragen terwijl ze goed weten dat ze zodoende niet aan de absoluut vrije handel zullen kunnen deelnemen.

De minister verklaart zich voorstander van ontwikkeling en regionale integratie en ik steun hem daarin ten volle. Ik denk dat we in twee fasen moeten werken.

Als de Economische Gemeenschap van de Landen van de Grote Meren geen succes kent, hoe zouden die landen dan resultaten kunnen boeken in de wereldhandel?

De heer Armand De Decker, minister van Ontwikkelingssamenwerking. - Er is geen sprake van om die landen van de ene dag op de andere aan de regels van de wereldhandel te onderwerpen. Niemand heeft dat beweerd.

Men mag markt en ontwikkeling overigens nooit tegenover elkaar stellen. Zonder markt is er geen ontwikkeling, dat is het uitgangspunt van de onderhandelingen.

Mondelinge vraag van de heer Yves Buysse aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken over «het stemrecht van Belgen in het buitenland» (nr. 3-1466)

De heer Yves Buysse (VL. BELANG). - Onze landgenoten in het buitenland hadden tot 1 februari 2007 de kans om hun consulaat of ambassade te laten weten op welke van de 5 mogelijke manieren ze aan de verkiezingen van 10 juni wensen deel te nemen. Een van de mogelijkheden was het aanwijzen van een gevolmachtigde met woonplaats in België.

Tussen 1 februari en de dag van de verkiezingen ligt een ruime tijd en het is dan ook realistisch dat er problemen rijzen, waardoor de gevolmachtigde zelf niet in staat is te stemmen, laat staan bij volmacht te stemmen. De gevolmachtigde kan zelf in een toestand verkeren waarin hij zelf zijn stem niet kan uitbrengen en iemand anders volmacht wil geven, bijvoorbeeld wegens ziekte, vakantie in het buitenland of examens, of hij kan overleden zijn.

Kan een kiezer die door een landgenoot in het buitenland als gevolmachtigde werd aangewezen, maar zelf in de onmogelijkheid verkeert persoonlijk zijn stem uit te brengen, naast de volmacht voor de eigen stem ook de volmacht van de landgenoot overdragen aan een andere kiezer? Zo niet, wat zijn dan de gevolgen voor de landgenoot in het buitenland? Kan een landgenoot in het buitenland die vaststelt dat de persoon aan wie hij volmacht heeft gegeven zelf niet kan gaan stemmen, die volmacht nog aan een andere kiezer geven?

De heer Patrick Dewael, vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken. - De Belgen in het buitenland hebben, met toepassing van de artikelen 180 tot 180septies van het kieswetboek een ruime gelegenheid om hun stemrecht uit te oefenen. Het kieswetboek bepaalt dat de Belgische kiezer in het buitenland zijn stemrecht kan uitoefenen op vijf wijzen: persoonlijk in België, bij volmacht in België, persoonlijk in zijn diplomatieke post, bij volmacht in zijn diplomatieke post of per brief. De Belgische kiezer in het buitenland kan zijn keuze overwegen en bepalen in de wettelijke periode van inschrijving, die effectief liep van 1 oktober 2006 tot 1 februari 2007.

Volgens de gegevens die de FOD Buitenlandse Zaken heeft medegedeeld, werden meer dan 122.000 inschrijvingsformulieren ingediend. Ze werden na controle overgezonden naar de Belgische gemeentebesturen om te worden ingevoerd in het rijksregister en te worden opgenomen op de kiezerslijst die in iedere Belgische gemeente wordt opgemaakt voor de Belgen in België en de Belgen in het buitenland. Dat zal op 5 april worden gedaan.

Een Belgische kiezer in het buitenland die stemt bij volmacht in België, heeft in zijn inschrijvings- en volmachtformulier een welbepaalde kiezer in België aangewezen die zijn persoonlijk vertrouwen geniet om zijn stem uit te brengen. Zowel de volmachtgever als de volmachtdrager hebben daarmee ingestemd en de volmachtgever heeft het volmachtformulier in die zin ondertekend. De volmachtdrager wordt bij het opmaken van de kiezerslijst op 5 april als zodanig vermeld en ontvangt naast zijn oproepingsbrief een afschrift van het volmachtformulier om voor de volmachtgever te stemmen. Gelet op het feit dat de volmacht persoonlijk en formeel is, kan ze niet worden overgedragen.

De volmachtgever en de volmachtdrager hebben een bewuste keuze gemaakt en normaliter kan de onmogelijkheid op datum van vaststelling van de kiezerslijst op 5 april 2007 dus niet worden ingeroepen. Indien bijvoorbeeld de volmachtdrager op de dag van de stemming ziek is, kan dat als een geval van onmogelijkheid gelden en kan de volmacht niet worden uitgeoefend en wordt bijgevolg ook geen stem uitgebracht ingevolge overmacht.

In de fax van de FOD Buitenlandse Zaken wordt gesteld dat een Belgische kiezer in het buitenland, nadat hij of zij het inschrijvingsformulier heeft ingediend bij zijn diplomatiek post en dat formulier ook werd overgezonden naar de betrokken Belgische gemeente, zijn of haar gekozen stemwijze in principe niet meer kan wijzigen. De FOD Buitenlandse Zaken voorziet in één uitzondering in het volgende geval van overmacht: de kiezer had oorspronkelijk gekozen voor de stemming bij volmacht in België in de veronderstelling dat de verkiezingen zouden plaatsvinden op zondag 24 juni. Nu de datum vervroegd werd tot 10 juni blijkt dat zijn gemachtigde op die datum niet in België aanwezig is. In dat geval laat Buitenlandse Zaken toe dat de kiezer ofwel zijn stemwijze wijzigt of een andere gemachtigde aanwijst. Net zoals in het voorgaande geval moet de kiezer een nieuwe aanvraag indienen bij de bevoegde diplomatieke of consulaire post. Ook in dat laatste geval moet de nieuwe aanvraag geschieden vóór de opmaak van de kiezerslijst in iedere Belgische gemeente op 5 april eerstkomend.

Mondelinge vraag van de heer Joris Van Hauthem aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken over «de weigering van de burgemeesters van Brussel-Halle-Vilvoorde om verkiezingen te organiseren» (nr. 3-1472)

De heer Joris Van Hauthem (VL. BELANG). - De burgemeesters van Halle-Vilvoorde zijn al lang ontevreden over het feit dat het arrest van het Arbitragehof van 26 mei 2003 niet uitgevoerd wordt. In dat arrest worden een aantal bepalingen van het Kieswetboek vernietigd. Het arrest stelt ook dat `om die redenen kan worden aanvaard dat de door de bestreden wet gemaakte indeling in kieskringen behouden blijft gedurende de door artikel 65 van de Grondwet bepaalde termijn van vier jaar die aanvangt op het in artikel 105 van het Kieswetboek bepaalde ogenblik.' De einddatum van die termijn is 24 juni.

Er is discussie over de vraag of verkiezingen gehouden vóór 24 juni conform de bepalingen van de Grondwet verlopen. De burgemeesters van Halle-Vilvoorde menen van niet. Ze hebben gisteren vastgesteld, daarin gesteund door grondwetsspecialisten zoals professor Van Orshoven, dat ze zich in de onmogelijkheid bevinden om de verkiezingen te organiseren zonder in te gaan tegen de Grondwet en tegen de bepalingen van het arrest van het Arbitragehof.

Als voormalig minister-president van een Vlaamse regering met een regeerakkoord waar ook al de splitsing van de kieskring Brussel-Halle-Vilvoorde in stond, is dit alles de minister genoegzaam bekend. We weten ook dat hij als minister-president naar aanleiding van het vijfjarige bestaan van de vzw De Vlaamse Rand in Overijse de afschaffing van de faciliteiten bepleitte. Niettemin heeft deze regering verzuimd gevolg te geven aan het arrest van het Arbitragehof. Het feit dat verkiezingen uiteindelijk door het parlement zelf worden goedgekeurd doet daar niets aan af.

Wat is het standpunt van de regering ter zake? Is de minister het eens met de vaststelling van de burgemeesters? Betekent dit dat de federale regering overweegt regeringscommissarissen uit te sturen om de verkiezingen daar te organiseren?

De heer Patrick Dewael, vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken. - Ik ben van plan om het democratische recht van elke burger om deel te nemen aan de verkiezingen te garanderen. De gouverneur van Vlaams-Brabant heeft, als commissaris van de regering, in die zin opdracht gekregen. Hij zal, net zoals in 2004, ook het nodige doen om die opdracht tot een goed einde te brengen.

De heer Joris Van Hauthem (VL. BELANG). - Ik begrijp niet waarom de minister een vergelijking maakt met 2004. Een rechtscollege heeft een aantal wetsbepalingen op hun grondwettelijkheid getoetst en op 26 mei 2003 een aantal bepalingen van het Kieswetboek vernietigd, meer bepaald die welke een ongelijke behandeling tot stand brengen doordat er provinciale kieskringen werden ingevoerd en daarnaast de kieskringen van Brussel-Halle-Vilvoorde en Leuven blijven bestaan. De regering heeft gedurende vier jaar niets gedaan om die situatie op te lossen, omdat dat politiek niet mogelijk was. Gemeentebesturen stellen nu vast dat ze zich grondwettelijk in de onmogelijkheid bevinden om verkiezingen te organiseren en dan komt de Führer van Binnenlandse Zaken zeggen dat de gouverneur moet uitrukken om de ongrondwettelijke toestand alsnog te bevestigen. De gouverneur of regeringscommissarissen zullen dus de noodzakelijke verkiezingshandelingen in plaats van de gemeenten verrichten. Het zij zo, als u dit politieke conflict op de spits wil drijven. Het is wel uw regering die verzuimd heeft om gevolg te geven aan het arrest van het Arbitragehof. Aldus plaatst u het punt opnieuw zeer hoog op de politieke agenda. We zullen de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden daarover volgende week interpelleren.

De heer Patrick Dewael, vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken. - Het woordgebruik van de heer Van Hauthem, `de Führer van Binnenlandse Zaken', is niet gepast. Ik raad hem aan het arrest van het Arbitragehof en de data die daarin vermeld staan, nog eens goed te bekijken. Voorts heb ik niets meer toe te voegen aan mijn antwoord.

De heer Joris Van Hauthem (VL. BELANG). - Ik heb het arrest gelezen. Professor Van Orshoven eveneens. Zijn lezing verschilt van de uwe.

Ik heb mijn woorden bewust gekozen omdat ik u wens te feliciteren met uw woordgebruik in de Kamer. U vertegenwoordigde de regering bij een rouwhulde voor een overleden parlementslid van het Vlaams Belang. Door een zogenaamde `slip of the tongue' hebt u zich van de rouwhulde uitgesloten. Ik vind dat crapuleus, mijnheer de minister.

De heer Patrick Dewael, vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken. - Ik heb mij even versproken en heb dat gecorrigeerd. Ik ken niemand die zich nooit verspreekt. Ik vind het grof en verregaand dat men daaraan een intentie koppelt.

Mondelinge vraag van de heer Philippe Mahoux aan de minister van Werk over «de toepassing op de werkloosheidsuitkeringen van de regels die gelden voor ziekte en invaliditeit» (nr. 3-1464)

De heer Philippe Mahoux (PS). - Volgens het unanieme advies van de sociale onderhandelaars van september 2006 over de verdeling van de budgetten voor de sociale uitkeringen in samenhang met welzijn, moesten ook maatregelen worden genomen om de werkloosheidsvallen te bestrijden.

Sommige werklozen, zieke werknemers, bruggepensioneerden of invaliden die opnieuw werk vinden, zouden de verhoogde kinderbijslag twee jaar moeten kunnen behouden in plaats van zes maanden, zoals eerst was bepaald. Ik zeg `sommige' omdat er in dat verband inkomensvoorwaarden gelden. We zijn blij dat die bepaling vandaag van kracht is.

We moeten toegeven dat de periode van zes maanden volstrekt onvoldoende was om het verlies van sociale supplementen te compenseren. Opnieuw aan het werk gaan brengt immers kosten mee.

Vanuit de bekommernis werkloosheidsvallen te bestrijden, werd ook overwogen om de definitie van `gezinshoofd' in de werkloosheidsverzekering te wijzigen teneinde hetzelfde principe toe te passen als in de ziekte- en invaliditeitsverzekering. Voor de invalide ligt de maximumgrens voor inkomsten uit arbeid van de partner tussen 743,75 en 1.258,91 euro bruto per maand.

Voor de werklozen zijn de grenzen veel strikter. Als de partner van een werkloze werkt, wordt hij niet als `ten laste' beschouwd, tenzij de inkomsten uit dat werk minder dan 398,32 euro netto bedragen. In de werkloosheidsverzekering zouden dezelfde regels moeten worden toegepast als in de ziekte- en invaliditeitsverzekering. Ik heb vernomen dat deze maatregel nog besproken wordt, in het bijzonder om de budgettaire gevolgen ervan te evalueren. Hebt u informatie in dat verband? Wat is uw standpunt over die gelijkschakeling?

De heer Peter Vanvelthoven, minister van Werk. - De invoering van het door de sociale partners voorgestelde systeem van de werkloosheidsverzekering is geen gemakkelijke zaak. Er kunnen ongewenste neveneffecten ontstaan. Een diepgaande studie van het dossier is bijgevolg vereist. Bovendien zal het voorstel worden uitgevoerd binnen de grenzen van het beschikbare budget. Daarom werd de RVA belast met de uitvoering van een kostensimulatie van de invoering van deze maatregel in de werkloosheidsverzekering.

Een echtpaar met een invalide partner kan sociologisch gezien niet worden vergeleken met een echtpaar waarvan een van de partners een werkloosheidsvergoeding voor volledige werkloosheid ontvangt. Bijgevolg mag een maatregel die correct lijkt in de ziekte- en invaliditeitsverzekering niet zomaar worden toegepast in de werkloosheidsverzekering. De financiële gevolgen voor het stelsel van de werkloosheidsverzekering zullen volledig moeten worden herberekend.

Het voorstel van de sociale partners houdt geen rekening met het feit dat als de partner van de volledig werkloze begint te werken, hij of zij sociale rechten opbouwt. Het is immers goed mogelijk dat die partner ooit zelf gebruik zal moeten maken van deze rechten. In het huidige voorstel blijft het statuut van werknemer met gezinslast behouden als de partner werkt, maar niet als die partner, uit hoofde van die prestaties, een ziekte- of invaliditeitsuitkering of zelf een werkloosheidsvergoeding zou ontvangen. Het is onlogisch dat de inkomsten van het gezin plotseling dalen doordat de partner die een bescheiden inkomen ontvangt, ziek of volledig werkloos wordt. Precies op dat moment is dat inkomen het meest nodig.

Om die redenen ligt dit dossier nog steeds ter bespreking.

De heer Philippe Mahoux (PS). - Ik dank de minister voor dit zeer technische antwoord, waaruit de politieke wil op het vlak van werkloosheidsuitkeringen blijkt. Ik zal het antwoord aandachtig bestuderen en onderzoeken welke technische problemen de verbeteringen op sociaal vlak in de weg staan. Ik denk aan de scheeftrekking tussen werkloosheidsverzekering en ziekteverzekering. Ik zal hier later eventueel nog op terugkomen.

Mondelinge vraag van de heer Franco Seminara aan de minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid, aan de minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen, aan de minister van Werk en aan de staatssecretaris voor het Gezin en Personen met een handicap over «de toegankelijkheid van het internet voor gehandicapte personen» (nr. 3-1463)

De heer Franco Seminara (PS). - De toegang tot communicatiemiddelen voor iedereen is een prioriteit geworden. Met name het internet is essentieel voor de integratie en voor de toegang tot kennis. De acties van de regering om de digitale kloof te verkleinen zijn lovenswaardig. Ik sta er helemaal achter.

Verenigingen van mensen met een motorische handicap aan de bovenste ledematen en van blinde of slechtziende mensen hebben mij gevraagd welke technische mogelijkheden er bestaan om de toegankelijkheid tot het internet te vergemakkelijken.

In dat verband ben ik zeer blij dat gisteren een gids werd voorgesteld om de toegankelijkheid tot informatie- en communicatietechnologieën voor personen met een handicap te verbeteren. Ik zal zorgen voor een brede verspreiding van dat belangrijke document bij de vele betrokken verenigingen.

Kunt u me meer inlichtingen bezorgen over de informaticaoplossingen om de toegang tot het web voor gehandicapten te vergemakkelijken? Bestaan er mogelijkheden om goedkoper informaticamateriaal aan te schaffen? Wat is de stand van zaken op dat vlak?

Mevrouw Gisèle Mandaila Malamba, staatssecretaris voor het Gezin en Personen met een handicap, toegevoegd aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. - De problematiek van de digitale kloof ligt me na aan het hart. Tijdens de Wereldtop van de Informatiemaatschappij die in december 2003 plaatsvond in Genève, engageerde België zich ertoe een Nationaal actieplan ter bestrijding van de digitale kloof op te stellen.

Omdat de informatie- en communicatietechnologieën belangrijk zijn voor de democratie en de sociale rechtvaardigheid, leek het me van cruciaal belang bijzondere aandacht te besteden aan de problemen waarmee gehandicapten te kampen hebben. De digitale kloof is inderdaad één van de aspecten van de discriminatie waarvan zij het slachtoffer zijn.

Bij het begin van deze opdracht, toen de toegang van gehandicapte personen tot die technologieën moest worden beschreven, bleek dat er geen enkele structurele informatie beschikbaar was. Bij de toepassing van maatregelen om de digitale kloof te dichten, moet men echter over die gegevens kunnen beschikken.

Daarom ben ik in september 2005 met de Nationale Vereniging ter Huisvesting van Gehandicapten overeengekomen om een studie te realiseren over de moeilijkheden en behoeften van gehandicapte personen, daarbij rekening houdend met elk type handicap.

Gisteren had ik het genoegen een gids te kunnen voorstellen met aanbevelingen en technische fiches over verschillende technologieën en over de beperkingen van de betrokken gebruikers: `ICT voor allen.'

Die documenten vormen een werkinstrument dat de karakteristieken weergeeft waaraan de verschillende informatie- en communicatietechnologieën moeten beantwoorden om door iedereen te kunnen worden gebruikt.

De studie bevat een analyse van de vaste telefoon, de mobiele telefoon, de computer, het internet en de informatica. Ze biedt oplossingen om deze echt toegankelijk te maken en onderzoekt de verschillende mogelijkheden die deze werkmiddelen bieden aan mensen, ongeacht hun handicap.

Personen met een handicap aan de bovenste ledematen en blinden en slechtzienden, waarover u het in uw vraag hebt, zullen dus duidelijke informatie vinden over de beschikbare middelen die hen in staat stellen ICT te gebruiken.

De gids bevat concrete en realistische denksporen voor de ontwerpers en fabrikanten en reikt hun criteria aan zodat ze hun producten kunnen doen beantwoorden aan het doel van `design voor allen'.

Ik hoop dus dat deze gids en de technische fiches de basis zullen vormen voor de verbetering van de toegankelijkheid tot ICT. Die technologieën dragen immers bij tot de autonomie, de integratie en de zekerheid van mensen die worden geconfronteerd met problemen van allerlei aard. Die kwestie stond trouwens centraal in de mededeling van de VN ter gelegenheid van de internationale dag van de personen met een handicap.

Het Nationaal actieplan tegen de digitale kloof wordt gecoördineerd door de minister van Maatschappelijke Integratie en de staatssecretaris voor Informatisering van de Staat. Op federaal niveau heeft de FOD Personeel en Organisatie een brochure samengesteld over de aanpassing van de werkposten. Daarbij hoort een formulier waarmee elke administratie een aanpassing van de werkposten kan aanvragen, bijvoorbeeld een brailleregel of een aangepaste PC.

Op het niveau van de deelgebieden is er technische hulp voor de aanpassing van werkposten beschikbaar bij de bevoegde fondsen van het Waals Agentschap voor de integratie van gehandicapte personen en bij de Franstalige Brusselse Dienst voor gehandicapte personen.

Tijdens de Ministerraad van Oostende van 20 en 21 maart 2004 werd, op voorstel van minister Vanvelthoven, beslist dat de federale websites moeten beantwoorden aan de normen van BlindSurfer. Het logo getuigt dat de website beantwoordt aan de technische vereisten voor het toekennen van dat logo. Dat betekent concreet dat blinden en slechtzienden op het internet kunnen surfen en dat de informatie toegankelijk is voor die doelgroep.

Toen die beslissing werd genomen, beantwoordde bijna geen enkele website van de administratie aan de technische vereisten. Nadien werden verschillende websites aangepast of werden de voorschriften toegepast in het kader van de volledige vernieuwing van de websites. Ik kan u daarvan een niet-exhaustieve lijst bezorgen.

Wetsontwerp betreffende de transseksualiteit (Stuk 3-1794) (Evocatieprocedure)

Algemene bespreking

De voorzitter. - De Parlementaire overlegcommissie heeft dit ontwerp gesplitst in:

Mevrouw Jacinta De Roeck (SP.A-SPIRIT), rapporteur. - Het voorliggende wetsontwerp gaat terug op een voorstel dat op 11 maart 2004 in de Kamer werd ingediend. Het Raadgevend Comité voor Bio-ethiek bracht op 13 maart 2006 een advies over het voorstel uit, doch beperkte zich daarbij tot de administratieve procedures. Na diverse besprekingen in de commissie werd het inmiddels geamendeerde voorstel op 6 juli 2006 in de plenaire van de Kamer goedgekeurd.

De Senaat evoceerde het voorstel en legde het voor aan de Raad van State, die op 28 december 2006 op zijn beurt een advies verleende. Nieuwe amendementen werden ingediend door de collega's Clotilde Nyssens en Hugo Vandenberghe en door de regering.

Het voorliggende ontwerp betreft ongeveer 1.000 personen, ongeveer gelijkmatig verdeeld over mannen, geboren met een vrouwelijke fysionomie, en vrouwen, geboren met mannelijke lichaamskenmerken. Ze kampen met een diepgaand identiteitsprobleem omdat hun lichaam niet met hun genderaanvoelen correspondeert.

Voordat de betrokkenen hun uiterlijk aanpassen aan hun innerlijke seksuele identiteit, doorlopen zij vier stadia. Eerst is er de psychologische erkenning van de seksuele identiteitsproblematiek en de wil om hieraan te verhelpen. Men moet dus, zoals de nieuwe wet het omschrijft, de `voortdurende en onomkeerbare innerlijke overtuiging hebben tot het andere geslacht te behoren'. In deze fase start de real life test, waarbij de transseksueel zich in zijn kledij, gedragingen en sociale presentatie reeds in zijn nieuwe geslacht inleeft. Die fase duurt minstens 1 jaar.

Ondertussen start de inname van hormonen waardoor de stem en bepaalde secundaire geslachtskenmerken wijzigen.

Pas daarna, en onder begeleiding van een psychiater, kunnen chirurgische ingrepen worden gedaan waarbij de primaire geslachtskenmerken worden aangepast. De verplichting tot een geslachtsaanpassing vervalt indien de chirurg en de psychiater oordelen dat dit vanuit medisch oogpunt niet mogelijk of onverantwoord is. Belangrijk hierbij is ook de toevoeging van de voorwaarde zoals omschreven in art 62bis, §2, 3º. Die bepaling werd expliciet toegevoegd om de huidige afstammingsregels te beschermen.

Uiteindelijk wordt het gewijzigde geslacht ook juridisch geïmplementeerd, onder meer in de akten van de burgerlijke stand en de identiteitskaart. De ambtenaar van de burgerlijke stand controleert evenwel niet de materiële voorwaarden van de verklaring van de psychiater en de chirurg. Hij beperkt zich tot de naleving van de formele voorwaarden ervan.

Die laatste fase wordt in het onderhavige voorstel geregeld. Daartoe moesten zowel het Burgerlijk Wetboek als het Gerechtelijk Wetboek, het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, het Wetboek van internationaal privaatrecht en de wet betreffende de namen en de voornamen worden gewijzigd.

Het voorliggende wetsontwerp opteerde niet voor een gerechtelijke procedure maar verkoos een administratieve regeling met een gerechtelijke controle. Daardoor wordt de procedure sneller, goedkoper en psychisch minder belastend, maar blijven de garanties op een correct verloop bestaan.

De Europese Unie drong er reeds sinds 1989 op aan om een wetgeving uit te vaardigen die transseksuelen rechtszekerheid biedt. Bij afwezigheid van een dergelijke wetgeving in ons land heeft de rechtspraak tot nu toe in oplossingen voorzien. Dat was echter niet ideaal voor de rechtszekerheid.

Met deze wet krijgen de transseksuelen eindelijk een wettelijke regeling. De voorgestelde pragmatische regeling bezorgt hun de juridische erkenning waar ze al zo lang op aandringen en ten volle recht op hebben.

Met de goedkeuring van de wet op de transseksualiteit zal vandaag een belangrijke stap worden gezet naar de ontvoogding van een groep die in het verleden al te vaak in het verdomhoekje van seksuele zonderlingen werd geduwd. Transseksuelen worden eindelijk juridisch erkend en kunnen voortaan hun naam en geslacht aanpassen aan hun innerlijke overtuiging en aan de manier waarop ze verder door het leven willen. De dagelijkse, soms pijnlijke, confrontaties met het geslacht waarmee ze weinig affiniteit voelen, behoren hiermee weldra tot het verleden.

Hoewel ik deze wet volmondig onderschrijf, leun ik persoonlijk toch eerder aan bij de wetgeving die in Spanje en Groot-Brittannië van kracht is. Daar volstaat het psychologische criterium, namelijk het lijden aan genderdysforie, om als transseksueel te worden erkend.

Een chirurgische ingreep is geen vereiste. Een hormonale behandeling en de intentie om definitief als lid van het nieuwe geslacht door het leven te gaan, zijn voldoende.

Dergelijke regelgeving gaat er tevens van uit dat transseksualiteit geen psychiatrische aandoening is. Het wordt dan ook de hoogste tijd dat het, in navolging van homofilie, uit het Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders, kortweg DSM, wordt gelicht. Het DSM is een Amerikaans handboek voor diagnose en statistiek van psychische aandoeningen dat in de meeste landen als standaard in de psychiatrische diagnostiek dient. Hoe meer landen transseksualiteit loskoppelen van de psychiatrie, hoe sneller die internationale standaard uit 2000 kan worden aangepast.

Cruciaal in het voorliggende wetsontwerp is het nieuwe artikel 62bis, §2 van het Burgerlijk Wetboek. Daarin wordt de verplichte inhoud opgegeven van de verklaring die de chirurg en de psychiater dienen op te maken. Hun attest vermeldt dat aan de volgende drie voorwaarden cumulatief werd voldaan.

De eerste voorwaarde, namelijk die van de `voortdurende en onomkeerbare innerlijke overtuiging tot het andere geslacht te behoren', spreekt voor zich en wordt door niemand gecontesteerd. Deze voorwaarde staat ook in de wetten van Spanje en het Verenigd Koninkrijk.

Het tweede element werd in de Senaat geamendeerd en houdt in dat de fysieke geslachtsaanpassing, de operatie dus, niet het doorslaggevende criterium is. Het is wel de regel, maar uitzonderingen zijn mogelijk op grond van medische overwegingen, die zowel psychisch als fysiek van aard kunnen zijn.

De derde voorwaarde werd afdoend uitgelegd in de toelichting bij het amendement en vindt zijn oorsprong in het afstammingsrecht. Een kind van een transseksueel kan, net zoals elk ander kind, immers geen twee vaders of moeders hebben.

Met de goedkeuring van dit wetsontwerp komt hopelijk een einde aan een jarenlang taboe dat op transseksuelen heeft gerust. Juridisch is een oplossing gevonden die hen een statuut en rechtszekerheid moet bezorgen. De publieke opinie mag nu niet achterblijven. Het stigmatiseren van deze kwetsbare bevolkingsgroep dient op te houden, zodat transseksuelen voortaan als volwaardige burgers hun leven kunnen heroriënteren en inhoud geven.

(Applaus)

De heer Luc Willems (VLD). - Het wetsontwerp, dat een initiatief van onze collega Hilde Vautmans is en de steun van heel wat partijen kreeg, vermindert de administratieve overlast voor transseksuelen. Voortaan hebben ze recht op een voornaamswijziging, wat tot op heden nog steeds een gunst was die ze van de minister van Justitie konden krijgen. Ze zullen de voornaamswijziging nu ook al kunnen aanvragen vanaf het ogenblik dat ze een hormonale behandeling ondergaan. Daarnaast wordt ook de kostprijs van hun voornaamswijziging verminderd.

Het zal voor transseksuelen ook gemakkelijker worden om hun geboorteakte te laten wijzigen. Ze zullen hiervoor terecht kunnen op het stadhuis, bij de ambtenaar van de burgerlijke stand. Nu moeten ze nog een gerechtelijke procedure doorlopen, die afhankelijk van het arrondissement lang kan duren en waarvan de uitspraak niet zeker is. Tot nog toe dienden ook de rechtbank heel wat creativiteit aan de dag te leggen om de geboorteakte te kunnen wijzigen.

Transseksualiteit leidt in vele gevallen tot sociale drama's. Deze mensen voelen zich immers vaak slecht in hun vel en weten geen blijf met zichzelf en met hun identiteit. Het besef dat ze transseksueel zijn, en dat geslachtsverandering mogelijk is, is voor hen een opluchting en kan een kentering in hun leven zijn. De diagnosestelling neemt gemiddeld één jaar in beslag. Daarna kan worden overgegaan tot een hormoonbehandeling, die samenloopt met de eerste stappen naar een veranderde geslachtsrol op maatschappelijk vlak, de real life test. Ook dat gebeurt niet van vandaag op morgen en neemt ongeveer anderhalf tot twee jaar in beslag. De laatste stap kan dan eventueel de operatieve behandeling zijn.

Geslachtsverandering is dus mogelijk en kan transseksuele personen een aangenamere toekomst bieden. Na de operatieve behandeling is de lijdensweg echter nog niet over. Er is geen wettelijke regeling in verband met transseksualiteit, met een administratieve en gerechtelijke rompslomp als gevolg.

Op administratief vlak is er het probleem van de wijziging van de voornaam. Dat is op het ogenblik nog steeds een gunst en geen recht. Bovendien is het wenselijk om dat al mogelijk te maken tijdens de hormonale fase van de behandeling.

Een nieuwe identiteitskaart met nieuwe voornaam en foto genomen tijdens de real life test kan al een deel van de problemen voorkomen. De geslachtsvermelding kan slechts gewijzigd worden op de identiteitskaart na de wijziging van de geboorteakte. De identiteitskaart moet immers een realistische weergave van de werkelijkheid zijn.

Wat de juridische geslachtsaanpassing betreft, moet de Belgische rechtspraak een antwoord bieden. Bepaalde rechtspraak staat een vordering tot wijziging van staat onder bepaalde voorwaarden toe. Andere rechtspraak staat een verbetering van de akten van de burgerlijke stand toe. Rechtsonzekerheid blijft evenwel bestaan en leidt tot heel wat tijdverlies, afhankelijk van de plaats waar men woont.

Het is wel zo dat de laatste jaren meestal een positief vonnis wordt uitgesproken, maar de duur van de procedure is afhankelijk van het arrondissement en ook de kostprijs is niet te onderschatten.

Het verheugt ons dat een maatschappelijke en medische realiteit vorm krijgt in een wet en dat de administratieve formaliteiten worden vereenvoudigd. Het oorspronkelijke voorstel werd via een aantal amendementen verbeterd mede op basis van het advies van de Raad van State. Dit wetsontwerp is dan ook een belangrijke stap voorwaarts.

De heer Philippe Mahoux (PS). - Het wetsontwerp is vooral voor de transseksuelen zelf een belangrijke stap. Het betekent een erkenning van hun geslachtsverandering. Het wettelijke karakter van de tekst vormt een fundamentele doorbraak.

Dat neemt niet weg dat transseksualiteit in sommige kringen nog steeds als een geestesziekte wordt beschouwd. Wij moeten ervoor ijveren om transseksualiteit van de lijst van psychiatrische aandoeningen te schrappen.

We moeten nog een lange weg afleggen voordat de maatschappij het fenomeen als een werkelijkheid zal erkennen.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking van het wetsontwerp betreffende de transseksualiteit (Stuk 3-1794) (Evocatieprocedure)

(Voor de tekst geamendeerd door de commissie voor de Justitie, zie stuk 3-1794/6.)

De voorzitter. - De heer Hugo Vandenberghe heeft amendement 14 ingediend (zie stuk 3-1794/2) dat luidt:

De heer Hugo Vandenberghe heeft amendement 13 ingediend (zie stuk 3-1794/2) dat luidt:

De heer Hugo Vandenberghe heeft amendement 16 ingediend (zie stuk 3-1794/2) dat luidt:

De heer Hugo Vandenberghe heeft amendement 15 ingediend (zie stuk 3-1794/2) dat luidt:

De heer Hugo Vandenberghe heeft amendement 17 ingediend (zie stuk 3-1794/2) dat luidt:

-De aangehouden stemmingen en de stemming over het wetsontwerp in zijn geheel hebben later plaats.

Artikelsgewijze bespreking van het wetsontwerp tot wijziging van de artikelen 628 en 764 van het Gerechtelijk Wetboek (Stuk 3-1794) (art. 77 van de Grondwet)

(Voor de tekst geamendeerd door de commissie voor de Justitie, zie stuk 3-1794/7.)

-De artikelen 1 tot 4 worden zonder opmerking aangenomen.

-Over het wetsontwerp in zijn geheel wordt later gestemd.

Wetsontwerp houdende instemming met het samenwerkingsakkoord van 13 december 2006 tussen de Federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, betreffende de organisatie en de financiering van het herstelrechtelijk aanbod bedoeld in de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade (Stuk 3-2085)

Algemene bespreking

De voorzitter. - Mevrouw Zrihen verwijst naar haar schriftelijk verslag.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(De tekst aangenomen door de commissie voor de Justitie is dezelfde als de tekst van het wetsontwerp. Zie stuk 3-2085/1.)

-De artikelen 1 en 2 worden zonder opmerking aangenomen.

-Over het wetsontwerp in zijn geheel wordt later gestemd.

Wetsontwerp houdende instemming met het samenwerkingsakkoord van 13 december 2006 tussen de Federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, betreffende de organisatie en financiering van de ouderstage, bedoeld in de wet betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade (Stuk 3-2086)

Algemene bespreking

Mevrouw Olga Zrihen (PS), rapporteur. - Ik verwijs naar mijn schriftelijk verslag.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(De tekst aangenomen door de commissie voor de Justitie is dezelfde als de tekst van het wetsontwerp. Zie stuk 3-2086/1.)

-De artikelen 1 en 2 worden zonder opmerking aangenomen.

-Over het wetsontwerp in zijn geheel wordt later gestemd.

Wetsontwerp houdende instemming met het samenwerkingsakkoord van 13 december 2006 tussen de Federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, het Waals Gewest, de Duitstalige Gemeenschap en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, betreffende de inwerkingtreding van artikel 7, 7º van de wet van 13 juni 2006 tot wijziging van de wetgeving betreffende de jeugdbescherming en het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd (Stuk 3-2087)

Algemene bespreking

Mevrouw Olga Zrihen (PS), rapporteur. - Ik verwijs naar mijn schriftelijk verslag.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(De tekst aangenomen door de commissie voor de Justitie is dezelfde als de tekst van het wetsontwerp. Zie stuk 3-2087/1.)

-De artikelen 1 en 2 worden zonder opmerking aangenomen.

-Over het wetsontwerp in zijn geheel wordt later gestemd.

Wetsvoorstel tot aanvulling van artikel 45 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, ter versterking van de democratische betrokkenheid (van de heer Jan Steverlynck c.s., Stuk 3-1956)

Algemene bespreking

De heer Jean-Marie Happart (PS), rapporteur. - Ik wil de indiener, in dit geval een lid van de oppositie, feliciteren met zijn initiatief. Het toont aan dat we met goed gevolg wetsvoorstellen kunnen indienen. De Senaat is wel degelijk belangrijk.

De heer Jan Steverlynck (CD&V). - Het wetsvoorstel dat ik heb ingediend en dat mee ondertekend werd door collega's van de fracties van CDH, MR en VLD, wil de betrokkenheid van de gemeenteraadsleden in de meergemeentepolitiezones inzake politiebeleid vergroten. Gewone gemeenteraadsleden die niet in de politieraad zitting hebben, voelen zich inderdaad te weinig betrokken bij het politiebeleid en de werking van de lokale politie. Het contact tussen de vertegenwoordigers van de lokale gemeenschap en de verantwoordelijke voor de politie gaat soms al te zeer verloren. Aan de ene kant weet de korpschef niet altijd voldoende wat er leeft in de gemeenteraad of kent hij onvoldoende de bezorgdheden of pijnpunten die de burgers ervaren.

Aan de andere kant ondervinden gemeenteraadsleden soms dat ze maar moeilijk dergelijke aandachtspunten bij de politie kunnen aankaarten. Daarom stelden we twee zaken voor: aan de ene kant willen we de korpschef eenmaal per jaar voor een gedachtewisseling in de gemeenteraad uitnodigen en aan de andere kant wilden we voor de gemeenteraad de mogelijkheid creëren om aan de korpschef via de burgemeester en het politiecollege specifieke vragen te stellen. Dit tweede voorstel riep in de commissie een aantal vragen op, onder meer inzake het doorbreken van de bevoegdheid van politiecollege en politieraad. Om discussies op het ogenblik te vermijden ben ik akkoord gegaan om dit onderdeel van het wetsvoorstel te laten vallen.

Het voorstel om in meergemeentezones in elke gemeenteraad, in aanwezigheid van de korpschef, eenmaal per jaar een gedachtewisseling te houden over het beleid en de werking van de lokale politie werd wel aanvaard. Op die wijze is het mogelijk om een constructieve dialoog te voeren. Vandaag gebeurt dat trouwens reeds in veel gemeenten, doch daar waar het niet gebeurt of slechts moeizaam tot stand komt, zal dit wetsvoorstel een duwtje in de rug betekenen.

We beklemtonen dat het niet gaat om het ter verantwoording roepen van de korpschef, maar wel om de korpschef de kans te geven het beleid en de werking van de lokale politie te bespreken met alle gemeenteraadsleden. Zo zullen de twee partijen elkaar beter kunnen aanvoelen en weten wat er leeft zodat een beter wederzijds begrip tot stand komt over het politiële beleid. Ik ben tevreden dat het aldus geamendeerde wetsvoorstel vervolgens unaniem in commissie is goedgekeurd.

De heer Berni Collas (MR). - Toen mijn collega Jan Steverlynck me voor zijn parlementaire initiatief aansprak, heb ik me daar graag bij aangesloten. Het wetsvoorstel dat vandaag voorligt, heeft de verdienste dat het de transparantie van het lokale politiebeleid bevordert.

Het is helemaal niet de bedoeling kritiek te leveren op het optreden van de politie, maar wel om over een aanvullend instrument te beschikken om de bestaande structuren nog meer te democratiseren.

Bovendien zal dat instrument de samenwerking en het overleg tussen de korpschef van de lokale zone en de gemeenteraadsleden aanmoedigen. Die gedachtewisseling zal beide partijen de kans bieden met elkaar in dialoog te treden en hun standpunten uiteen te zetten. De korpschef zal zodoende de gelegenheid hebben zijn werk en dat van zijn team op te waarderen en rechtstreeks aan de bezorgdheden of aan de vragen van alle gemeentelijke verkozenen tegemoet te komen. Die zullen op die manier zonder tussenpersoon precieze informatie krijgen over de acties die gevoerd zijn of gevoerd zullen worden op het grondgebied van de gemeente.

Verder denken we dat de veiligheidszone alle gemeenteraadsleden aangaat en niet enkel de leden van de politieraad.

Ten slotte menen we dat deze jaarlijkse vergadering voor de korpschef niet echt een extra werkbelasting is, aangezien hij er zich slechts één keer per jaar aan hoeft te wijden en dat werk reeds gedaan is voor de politieraad.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(Voor de tekst aangenomen door de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden, zie stuk 3-1956/4.)

-De artikelen 1 en 2 worden zonder opmerking aangenomen.

-Over het wetsvoorstel in zijn geheel wordt later gestemd.

Wetsvoorstel tot wijziging van het koninklijk besluit van 23 december 2002 tot vaststelling van de wijze waarop de Staat door bemiddeling van het Nationaal Instituut voor oorlogsinvaliden, oud-strijders en oorlogsslachtoffers voorziet in de kosteloze geneeskundige verzorging van verscheidene categorieën oud-strijders en oorlogsslachtoffers (van mevrouw Anne-Marie Lizin c.s., Stuk 3-1952)

Algemene bespreking

De voorzitter. - De heer Wille verwijst naar zijn schriftelijk verslag.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(De tekst aangenomen door de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging is dezelfde als de tekst van het wetsvoorstel. Zie stuk 3-1952/1.)

-De artikelen 1 en 2 worden zonder opmerking aangenomen.

-Over het wetsvoorstel in zijn geheel wordt later gestemd.

Wetsvoorstel tot herstel van artikel 117 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, met het oog op de promotie van passiefhuizen middels een «groenehypotheeklening» (van de heer Bart Martens c.s., Stuk 3-2081)

Algemene bespreking

De heer Jan Steverlynck (CD&V), rapporteur. - Het wetsvoorstel van senator Martens c.s. is bij de Senaat ingediend op 15 februari, op 1 maart in overweging genomen en al op 14 en 21 maart in de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden besproken. Vandaag 22 maart kunnen we al over het voorstel stemmen, wat bewijst dat de Senaat ook heel snel kan werken.

Het voorstel heeft tot doel de CO2-uitstoot gerelateerd aan gebouwen te beperken. Het wil de bouw van passieve huizen fiscaal stimuleren door het plafond van de woonbonus voor een enige woning te verhogen.

In de commissie werd een hoorzitting georganiseerd met de heer Henz, voorzitter van het Plate-forme Maison Passive, de heer Marrecau, voorzitter van het Passiefhuisplatform en de heer Niessen, oud-minister van de Duitstalige Gemeenschap, die echter werd gehoord als persoon die zelf een passiefhuis heeft gebouwd en dus een precies idee kon geven van de meerkost bij de bouw, maar ook van de grote voordelen nadien.

Afgelopen weekend heeft ook de regering een initiatief genomen. In de commissie hebben wij deze week nog een amendement besproken dat aan de bekommernis van de regering tegemoetkomt. De bedoeling is de fiscale aftrek uit te breiden en niet meer uitsluitend te laten afhangen van de financieringswijze - met leningen of met eigen middelen - en niet langer te beperken tot de enige eigen woning, maar het voordeel voor meerdere woningen mogelijk te maken. Daardoor is het voordeel niet meer gebonden aan de ontlener maar aan de woning. De maatregel komt bovenop andere ecologische maatregelen en de aftrek is niet aan het marginale tarief onderhevig.

Het amendement van de meerderheidsfracties werd unaniem goedgekeurd. Er werd vertrouwen gegeven aan de rapporteur voor een mondeling verslag, zodat we vandaag nog tot stemming kunnen overgaan en de maatregel, gezien het belang van de beperking van de CO2-uitstoot, snel in werking kan treden.

De heer Bart Martens (SP.A-SPIRIT). - Dit wetsvoorstel komt niets te vroeg. De opwarming van de aarde is een van de meest hardnekkige problemen waar onze planeet voor staat. We moeten alle zeilen bijzetten om de uitstoot van broeikasgassen en het verbruik van fossiele brandstoffen te verminderen. De woonsector behoort tot de sectoren met de hoogste groei van het energieverbruik en van de uitstoot van broeikasgassen. Daarom is het van het allergrootste belang niet alleen in de bestaande woningen het energieverlies tegen te gaan, door werk te maken van de renovatie van het bestaande woningbestand, maar ook alles op alles te zetten om het energieverlies in de nieuwe woningen tot een minimum te beperken. Vandaag bouwen we immers woningen die nog vijftig tot honderd jaar zullen meegaan.

Er bestaan technieken om woningen zo goed te isoleren dat een centrale verwarming zelfs achterwege kan blijven. De lichaamswarmte en de restwarmte van elektrische apparaten zijn voldoende om zo'n woning op temperatuur te houden. Via intelligente technologie zoals ventilatiesystemen met warmterecuperatie is het wooncomfort in zulke woningen beter dan in de klassieke woningen.

De passiefhuisstandaard - de standaard volgens welke een passiefwoning wordt gebouwd - brengt dus zowel op vlak van energiebesparing als op vlak van wooncomfort en van woonomgeving voordelen mee. Daarom willen we deze voorloperstechnologieën een extra duw in de rug geven.

Daarom heb ik samen met mijn collega's dit wetsvoorstel ingediend. Aanvankelijk wilden we een groene hypotheeklening voor passiefhuizen mogelijk maken. Gaandeweg zijn we in de commissie tot de conclusie gekomen dat een directe belastingvermindering een beter fiscaal instrument is om het doel te bereiken. Een voordeel in de vorm van een extra aftrek van de hypothecaire lening zou de fiscale stimulans beperken tot de eigen en enige woning van de bouwer en tot de gevallen waarin de bouwer een lening moet aangaan om een passiefwoning te bouwen.

Nu wordt gekozen voor een directe belastingvermindering van 600 euro per woning per jaar. Dat moet de bouwer in staat stellen de initiële meerkost van een passiefwoning te helpen dragen. Bouwers kunnen de meerkost om een woning extra te isoleren er vaak niet bijnemen. De fiscale stimulans, samen met de energiebesparing van 75 tot 90 procent, zorgt ervoor dat de meerkost kan worden gedragen en terugverdiend. Als het huis is afbetaald, blijft uiteraard alleen de lagere energiefactuur over en kunnen de bouwers bij wijze van spreken een extra pensioen genieten.

We willen dus een `voorlopertechnologie' stimuleren. We hopen dat deze technologie steeds ruimer zal worden toegepast in de bouwsector, niet alleen in de woningbouw, maar ook in de tertiaire sector, zoals bij de bouw van kantoren en scholen. Dat zal de ontwikkeling van nieuwe technologieën, zoals ramen en ventilatiesystemen meer stimuleren. Die nieuwe technologieën kunnen ook bij de renovatie van bestaande woningen worden ingezet.

De heer Berni Collas (MR). - Ik heb me bij het initiatief van de heer Martens aangesloten.

Ik heb een passiefhuis bezocht en met de eigenaar gesproken. Er waren ook vertegenwoordigers van het Plate-forme Maison Passive aanwezig.

We hebben het opschrift van het voorstel gewijzigd. We hebben de `groenehypotheeklening' uitgebreid tot de toekenning van een belastingvermindering voor een passiefhuis. Zo komen niet alleen nieuwbouwwoningen en gerenoveerde woningen in aanmerking, maar geldt de regeling ook zowel voor een enige woning als voor woningen die worden verhuurd.

De vermindering, die ingaat voor de inkomsten 2007, aanslagjaar 2008, loopt op tot 780 euro en zal tien jaar gelden.

Bovendien wordt een onderscheid gemaakt tussen de financiering door een lening en de financiering door kapitaal.

Over deze hervorming is reeds heel wat gezegd. We steunen het initiatief omdat het energiebesparend is. Het energieverbruik van passiefhuizen bedraagt immers slechts 10% van dat van traditionele huizen.

De heer Luc Willems (VLD). - Het is goed dat we na het debat van deze ochtend onmiddellijk kunnen overstappen naar de toegepaste politiek en dit wetsvoorstel kunnen behandelen. Ik dank collega Bart Martens voor zijn innoverend initiatief dat erop gericht is het gedrag van de burgers met een fiscale maatregel bij te sturen.

De regering heeft in de commissie een amendement van de meerderheid om de voorziene bedragen aanzienlijk op te trekken, gesteund. Ik mag dan ook hopen dat heel wat jonge bouwers zich door de substantiële tegemoetkoming zullen laten overhalen om een passiefhuis te bouwen. Die bouwstijl vergt een grotere investering, maar drukt de energiefactuur.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(Voor de tekst aangenomen door de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden zie stuk 3-2081/4.)

-De artikelen 1 en 2 worden zonder opmerking aangenomen.

-Over het wetsvoorstel in zijn geheel wordt later gestemd.

Voorstel van resolutie om het veralgemeend gebruik van een ICE-nummer (In Case of Emergency) in het gsm-geheugen te bevorderen (van de heren Flor Koninckx en Ludwig Vandenhove, Stuk 3-2011)

Bespreking

(Voor de tekst aangenomen door de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden zie stuk 3-2011/1)

De voorzitter. - Mevrouw Talhaoui verwijst naar haar schriftelijk verslag.

-De bespreking is gesloten.

-De stemming over het voorstel van resolutie in zijn geheel heeft later plaats.

Wetsontwerp betreffende de hervorming van de echtscheiding (Stuk 3-2068) (Evocatieprocedure)

Algemene bespreking

Mevrouw Olga Zrihen (PS), rapporteur. - Uit de echt scheiden is duidelijk geen beslissing die men lichtzinnig of van harte neemt, het is altijd een moeilijk ogenblik. Thans zijn er op vier huwelijken drie echtscheidingen, dikwijls met onderlinge toestemming.

Het wetsontwerp wil het recht aanpassen aan de evolutie van de maatschappij. Het is absurd systematisch een beroep te blijven doen op een voor elke partij pijnlijke procedure om een relatie te beëindigen. Sommige bepalingen inzake echtscheiding werden overigens nog niet gewijzigd sedert 1804.

Het huwelijk is niet langer een onverbreekbare overeenkomst maar een sui generis pact. De voorwaarden voor de echtscheiding moeten dus worden aangepast.

De belangrijkste doelstelling van het ontwerp bestaat uit het bedaren van de conflicten. Elke scheiding gaat met problemen gepaard; het is dus belangrijk dat men die niet erger maakt door de procedure en door vaak nutteloze discussies over wie nu schuld treft.

De reden voor de scheiding is dikwijls moeilijk te vatten, dikwijls is ze het gevolg van de complexe problemen in het dagelijkse leven. Echtscheiding moet dus niet langer worden beschouwd als een sanctie voor het ongepaste gedrag van één van de echtgenoten, maar als het recht van elke partij om een einde te maken aan een overeenkomst die vrij werd gesloten door twee volwassenen.

Een andere doelstelling bestaat erin de procedures te vereenvoudigen en te bespoedigen. Wanneer er een conflict bestaat, is de lengte van de echtscheidingsprocedure dikwijls een factor van nieuwe conflicten. In de praktijk stellen we vast dat de echtscheiding wegens fout vlugger wordt uitgesproken dan de echtscheiding met onderlinge toestemming. Dat leidt tot paradoxale situaties waarin het interessant wordt een fout te vinden om sneller uit de echt te kunnen scheiden.

Het ontwerp bepaalt dat de aanwezigheid van een gedrag dat het voortzetten van het samenleven onmogelijk maakt, de procedure kan bespoedigen, hoewel dit gedrag geen noodzaak is om de echtscheiding te krijgen. Het wetsontwerp wil de procedure vreedzamer maken en de schadelijke gevolgen van de procedure op relaties tussen de partijen beperken. Het belangrijkste punt van de hervorming is dat wordt afgestapt van de echtscheiding als gevolg van een fout. De onherstelbare ontwrichting wordt voortaan de belangrijkste reden voor echtscheiding.

In het wetsontwerp worden verschillende aspecten behandeld, zoals de uitkering tot levensonderhoud. Bij het uitspreken van de echtscheiding, of later, kan de rechter op verzoek van de behoeftige echtgenoot een uitkering tot levensonderhoud toestaan ten laste van de andere echtgenoot. De echtgenoot die echtelijk geweld heeft gepleegd, kan in geen geval een uitkering krijgen. De rechter legt het bedrag van de uitkering vast rekening houdend met de bestaansmiddelen van de partijen. Hij houdt rekening met de inkomsten en de mogelijkheden van de echtgenoten en met de belangrijke verslechtering van de economische situatie van de rechthebbende als gevolg van de echtscheiding. De duur van de uitkering tot levensonderhoud is dezelfde als de duur van het huwelijk. In buitengewone omstandigheden, indien de rechthebbende aantoont dat hij om redenen buiten zijn wil nog steeds in staat van behoefte is, kan de rechtbank de termijn verlengen.

Het toezicht op de kinderen en de verdeling van de goederen worden uitgesproken door de rechter.

Om een uitkering tot levensonderhoud te krijgen, hoeft geen fout te worden bewezen. De rechter kan de uitkering dus aanpassen naar gelang van de economische keuzes die de partijen maakten tijdens het samenleven om te voorkomen dat de echtgenote die zich wijdde aan het huishouden of aan de opvoeding van de kinderen wordt benadeeld. Er wordt ook rekening gehouden met de economische middelen van de ex-echtgenoten.

Wanneer de partijen verschijnen, geeft de rechter alle nuttige informatie over het belang van bemiddeling. Hij kan de procedure een maand opschorten om de partijen toe te laten de nodige informatie te verzamelen.

Er wordt voorzien in nieuwe bruggen tussen de procedures als de relaties tussen de echtgenoten in de loop van de procedure evolueren. Nemen we het voorbeeld van een koppel dat een procedure door onderlinge toestemming opstart, maar op een bepaald ogenblik struikelt over de toekenning van een uitkering tot levensonderhoud. In de huidige wetgeving moesten de echtgenoten de volledige procedure van bij de aanvang hervatten. Met de nieuwe wet wordt het mogelijk de procedure voort te zetten met behoud van de reeds gesloten akkoorden.

In het omgekeerde geval, wanneer de partijen het over niets eens zijn bij de aanvang maar het tijdens de procedure eens raken over bepaalde punten, kan de rechtbank die gedeeltelijke akkoorden erkennen om nutteloze discussies te vermijden.

In de Senaat werd een amendement ingediend dat ertoe strekt dat een echtscheiding die normaal gezien na zes maanden wordt uitgesproken, pas na een jaar wordt uitgesproken opdat alle partijen het recht zouden hebben enige afstand te nemen en opdat jonge koppels eventueel zouden samenblijven.

De hervorming van de echtscheiding houdt rekening met de evolutie van de maatschappij, de mentaliteit, de nieuwe sociologische en sociaal-economische situatie. In de commissie werden verschillende personen gehoord, zoals vertegenwoordigers van Vie Féminine, van Femmes prévoyantes socialistes, alsook de kinderrechtencommissaris.

In de commissie werden drie amendementen ingediend na de goedkeuring van het verslag. Het wetsontwerp werd door de plenaire vergadering teruggezonden naar de commissie, waar een stemming plaatshad. Amendement 73 van de heer Mahoux stelt voor een nieuw artikel 16bis in te voegen in de tekst zoals die door de commissie werd aangenomen. Dat artikel beoogt de aanpassing van artikel 1447, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, dat de rechter toestaat om in het geval van een wettelijk stelsel de gezinswoning bij voorkeur aan een van de echtgenoten toe te kennen.

De wet van 28 januari 2003 verplicht de rechter deze toekenning uit te spreken ten voordele van de echtgenoot die het slachtoffer is geweest van echtelijk geweld, op voorwaarde dat de echtscheiding uit dien hoofde is uitgesproken.

Aangezien de hervorming elke verwijzing naar de fout afschaft als de echtscheiding wordt uitgesproken, moet de tekst van artikel 1447 worden aangepast. De toekenning zal dus plaatsvinden in geval van strafrechtelijke veroordeling, zonder verwijzing naar de oorzaak van de echtscheiding.

Amendement 74 van de heer Mahoux en mevrouw de T' Serclaes vervangt het in het vorige amendement voorgestelde artikel 16bis om de draagwijdte ervan te verduidelijken. Het is immers raadzaam dat de rechtbank geen uitspraak doet over de toewijzing van de echtelijke woning aan een van de echtgenoten zonder dat de andere echtgenoot is veroordeeld bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing uit hoofde van een in artikel 1447 van het Burgerlijk Wetboek bedoeld feit.

Amendement 75 van mevrouw Nyssens werd ingetrokken. Amendement 74 werd aangenomen met 12 stemmen en 1 onthouding. Amendement 75 vervalt. Het geamendeerde wetsontwerp in zijn geheel werd aangenomen met 11 tegen 2 stemmen.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - De bespreking van het ontwerp tot wijziging van de echtscheidingswet heeft meer tijd in beslag genomen in de commissie voor de Justitie dan ik gedacht had, maar toch te weinig tijd gezien het belang van het onderwerp. Op de valreep willen de meerderheid en de regering nog allerlei wetsontwerpen door de Senaat laten goedkeuren. Dat is ook het geval voor dit ontwerp waar de Kamer wel twee jaar lang heeft op gewerkt. Ik vond en vind dan ook dat de reflectiekamer ook haar tijd kon nemen om er grondig op in te gaan.

Daarenboven heb ik vanuit de Vlaamse realiteit gezien, de indruk dat het ontwerp tot een virtuele wereld behoort waarin vechtscheidingen de regel zijn geworden en daarvoor dus een oplossing moet worden gezocht.

Aan de Vlaamse realiteit beantwoordt het ontwerp geenszins, want in Vlaanderen worden vier vijfden van de echtscheidingen beslecht in een procedure met onderlinge toestemming. De echtscheiding voorstellen als een probleem van de vechtscheidingen stemt dus niet overeen met de realiteit. En voor alle duidelijkheid wij zijn voorstanders van de schuldloze echtscheiding.

De rapporteur heeft tot driemaal toe benadrukt dat het huwelijk een contract is. Voor mij weer een bewijs dat het ontwerp past in een virtuele wereld. Als het huwelijk slechts een contract is, dan hoeft het niet meer te worden geregeld volgens de bestaande bepalingen van het Burgerlijk Wetboek. Het huwelijk is tot op vandaag een institutioneel contract of een toetredingscontract tot een instelling naar privaatrecht en ik maak wel degelijk het onderscheid tussen het samenlevingscontract dat de partijen invullen naar hun eigen oordeel, en het huwelijk.

Het huwelijk wordt gesloten voor de ambtenaar van de burgerlijke stand, die de rechten en de plichten van de gehuwden voorleest. De institutionele rechtsbescherming voor deze samenlevingsvorm naar privaatrecht toont aan dat het om meer gaat dan bijvoorbeeld om een huurovereenkomst of pachtovereenkomst.

Derhalve wordt duidelijk dat er verschillende opvattingen over de organisatie van de samenleving en voornamelijk van de private samenleving tegenover elkaar staan. Volgens sommigen kan de private samenleving doen wat ze wil, alsof dat geen maatschappelijke weerslag zou hebben, maar de organisatie van de private samenleving is natuurlijk de samenleving. De dichotomie tussen de publieke samenleving en de private samenleving bestaat niet, want het gaat altijd over dezelfde mensen.

De ordening van de samenleving en de middelen die daarvoor ter beschikking worden gesteld, vloeien voort uit politieke keuzes.

Zoals ik al zei verdedigen wij de schuldloze echtscheiding. Echtscheiding op grond van een specifieke fout beantwoordt vandaag niet meer aan de opvatting van de meerderheid, alhoewel daarbij toch een aantal opmerkingen dienen te worden gemaakt.

Ik ben voorstander van de schuldloze echtscheiding, allereerst omdat respect voor de persoonlijke levenssfeer verhindert dat men het proces maakt van die persoonlijke levenssfeer. Hoe kan nu worden getoetst wat in het hart en de nieren van de partijen omgaat? Dat is kunstmatig en onmenselijk.

Anderzijds rijst de vraag of er wel rechten en verplichtingen kunnen zijn wanneer er geen sancties zijn. Als alles vrijblijvend is, is er dan nog wel sprake van een justitiële of een juridische organisatie? Anders gezegd, hoe kan een indirecte sanctie worden opgelegd zonder het foutbegrip in de echtscheiding te brengen? Er zijn natuurlijk wel evidente omstandigheden die maken dat er een fout is. Zo kent het erfrecht het begrip onwaardigheid om te erven: de man die zijn vrouw vermoordt, of omgekeerd, kan niet erven. Er kunnen dus wel uitzonderlijke omstandigheden bestaan die een ingrijpende gedragsafkeuring verdienen, dat ze wellicht tot verder beraad aanleiding kunnen geven.

Tot daar deze inleidende bedenkingen. De echtscheiding door onderlinge toestemming is de aangewezen vorm, die ook wordt gesteund door de Franstalige vrouwenorganisaties en de Vlaamse kinderrechtencommissaris, die wij in de Senaat hebben gehoord. Deze vorm van echtscheiding komt beter niet in concurrentie met een vorm van echtscheiding die veel minder waarborgen biedt. Uit deze vaststelling putten wij onze fundamentele kritiek op dit wetsontwerp. Bij de echtscheiding met onderlinge toestemming is het kind niet de afwezige, is de gemeenschappelijke woning niet de afwezige zaak, zijn de organisatie of de verdeling van het vermogen, de regeling van de onderhoudsplichten geen afwezige elementen. Neen, ze worden geïntegreerd in de totale regeling. Ons grote bezwaar tegen het ontwerp is dat het woord kind niet meer voorkomt in de procedure en dat er geen sprake meer is van een regeling voor het gemeenschappelijk vermogen, de gemeenschappelijke woning. Naast de echtscheiding door onderlinge toestemming waaronder vier vijfden van de Vlaamse echtscheidingen vallen, wordt nu de zogenaamde flitsechtscheiding ingevoerd. Na zes maanden feitelijke scheiding wordt na indiening van een verzoekschrift de echtscheiding uitgesproken, zonder regeling noch van het vermogensrechtelijk probleem noch van het hoederecht over de kinderen. Dat is een eenzijdige regeling die niet beantwoordt aan het belang van de burger en van de samenleving. Ook in conflicten die tot de privé-sfeer behoren moet men de tijd de tijd geven. Nu organiseert de meerderheid een echtscheiding waarbij geen tijd wordt gegeven aan de tijd. Die tijd is belangrijk om het probleem ook emotioneel op te lossen.

Tenslotte verwijs ik naar al onze interventies en amendementen in de commissie voor de Justitie en wil ik nog vermelden dat de gehoorde vrouwenorganisaties wezen op de stigmatisering van het onderhoudsgeld in functie van de behoeftigheid. We vinden dat de term niet zegt waarover het gaat, namelijk een alimentatiegeld, dat in de tijd kan worden beperkt, maar dat toch een vorm van solidariteit is in functie van de aangegane verbintenis.

Ik vat samen en ik besluit: het ontwerp kan de goedkeuring van de CD&V-fractie niet wegdragen, niet omdat we tegen de schuldloze echtscheiding zijn, niet omdat we gekant zijn tegen een beperking in de tijd van het alimentatiegeld. We kunnen het niet goedkeuren omdat de achterliggende keuzes met betrekking tot het huwelijk, de echtscheiding alsmede het negeren van de hele contentieux rond de betrokken echtgenoten en hun vermogen wijzen op een onevenwicht en niet overeenstemmen met onze ideeën over de organisatie van een samenleving en daarenboven zeer ver verwijderd zijn van de werkelijke zorgen en reële belangen van heel wat medeburgers.

Mevrouw Christine Defraigne (MR). - In oktober 2005 diende onze fractie een wetsvoorstel tot hervorming van de echtscheiding in, na beraad en in samenwerking met de vakgroep familierecht van het centrum voor privaatrecht van de ULB.

We gingen ervan uit dat de echtscheiding aan een algemene hervorming toe was. Ze diende te worden afgestemd op de veranderende behoeften van onze samenleving. De cijfers spreken voor zich. Al sedert enkele jaren worden in België drie op de vier huwelijken ontbonden. Ik ging er nog altijd van uit dat het twee op drie was. De toestand is dus niet verbeterd.

Toevallig, daar twijfelen we niet aan, liet de minister van Justitie niet op zich wachten en stelde ze haar eigen hervorming voor. Daarover werd lang gediscussieerd en de tekst werd in de Kamer geamendeerd. Ik wil mijn collega's van de Kamer trouwens feliciteren voor de subtiele compromissen tussen de verschillende sociologische strekkingen van ons land die, zoals de minister van Justitie zei, door de ethische levenservaring van eenieder worden gekleurd.

De voorliggende tekst sluit op een essentieel punt aan bij het voorstel dat we hebben ingediend, te weten de invoering van het begrip `duurzame ontwrichting' als oorzaak van de echtscheiding. Ik ben daar blij mee, want we gaan van de `bestraffende echtscheiding' naar de `echtscheiding als middel'. Vanuit mijn beroepservaring weet ik dat, zowel voor de verzoeker als voor de verweerder, de echtscheiding met schuld met onterende bekentenissen en de stoet vaak pijnlijke, gemene, bedenkelijke, weinig relevante getuigenissen, mensen met schande overlaadt en diepe wonden slaat. Het vermijden van die bekentenissen is een hele vooruitgang.

Dit positieve element neemt echter de vrees niet weg die ik samen met anderen heb over het bewijs van de duurzame ontwrichting zoals die in het wetsontwerp is opgenomen.

We zijn overeengekomen dat het vermoeden, zoals opgenomen in de tekst, technisch moet worden aangepast. Er moet een verduidelijking komen om de taak van de pleiters te vereenvoudigen.

Een ander aspect is het probleem van de `duurzame ontwrichting' als ze door één van beide echtgenoten wordt aangevraagd. We hebben daarover gediscussieerd. In de Kamer hebben sommigen verwezen naar de termijn van zes maanden, `de termijn van verstoting'. We moeten verwarring vermijden met andere instellingen die in andere rechtsstelsels dan de onze bestaan en die niet noodzakelijk dezelfde waarden hebben als het over de gelijkheid van man en vrouw of gelijkheid tussen echtgenoten gaat. Ik noem het de `kleenexechtscheiding' of `wegwerpechtscheiding'. Die roept bepaalde emoties op, niet alleen bij universiteitsprofessoren en juristen, maar ook bij de vrouwenverenigingen.

Ik ben de minister dankbaar dat ze hiervoor openstond. Bij een eenzijdig verzoek moet de termijn ten minste één jaar zijn.

We hebben op een bepaald moment twee jaar overwogen, maar in één jaar moet de echtgenoot kunnen reflecteren, rouwen om de relatie, over het huwelijk, zich op materieel vlak organiseren om te kunnen voortleven. Ik heb het voorbeeld aangehaald van een vrouw met jonge kinderen, die niet alleen een grote bron van vreugde zijn, maar ook een groot aanpassingsvermogen vergen. Als deze vrouw haar loopbaan opgegeven heeft voor de opvoeding van de kinderen en als haar echtgenoot haar na zes maanden verlaat, zoals oorspronkelijk was bepaald, is het dan voor een samenleving die niet alleen het individualisme, maar ook een bepaalde vorm van solidariteit ophemelt, niet begrijpelijker dat deze vrouw een minimumtermijn krijgt om haar weg te vinden, zodat ze kan voortleven en intussen verder onder het huwelijksstelsel valt? Naast de verplichting tot samenleven en trouw heeft het huwelijk ook een bijstandsplicht tijdens de duur van het huwelijk. Hierdoor kan de echtgenoot, in afwachting dat de echtscheiding wordt uitgesproken, met de kinderen gebruikmaken van de gezinswoning.

We moeten in de Kamer of in de Senaat opnieuw debatteren over wat er van de instelling `huwelijk' is geworden. Het is een instelling van burgerlijk recht met als leidraad de gelijke rechten tussen echtgenoten. Het is een instelling die ook een aantal democratische waarden in zich draagt. De lijnen van deze instelling vastleggen is des te meer nodig nu er een wettelijk samenlevingscontract bestaat. Een aantal voorrechten van dit contract lopen parallel met het huwelijk, met dat verschil dat het samenlevingscontract veel gemakkelijker kan worden verbroken dan het huwelijk, namelijk door een eenvoudige verklaring voor een ambtenaar van de burgerlijke stand.

Vandaag is het huwelijk voor de meeste medeburgers geen levensverzekering meer. Voor een aantal onder hen heeft het een bijzondere waarde met een aantal juridische gevolgen.

In de commissie hebben we ontdekt dat er in het zuiden van het land 70% echtscheidingen door onderlinge toestemming zijn; dit cijfer ligt iets hoger dan in het noorden van het land. Hoe het ook zij, vele koppels vragen de echtscheiding door onderlinge toestemming. Dat is het beste, maar ook het slechtste: het beste omdat men naar een akkoord zoekt over alle punten, het slechtste omdat men soms bereid is om alles te aanvaarden om weer vrij te zijn. De onderlinge toestemming impliceert een aantal voorwaarden: er is een akkoord over niets zolang er geen akkoord is over alles: de uitkering tot levensonderhoud tussen de echtgenoten, de kinderen, huisvesting van de kinderen, vermogensproblemen, enzovoort.

Dat vraagt tijd en toegevingen. Soms struikelt de echtscheiding door onderlinge toestemming over details.

Het huidige ontwerp behoudt de echtscheiding door onderlinge toestemming, maar ik vraag me werkelijk af of de echtgenoot die een snelle echtscheiding wil, niet geneigd zal zijn om een eenzijdig verzoek in te dienen in plaats van met zijn partner een redelijk, evenwichtig, volwassen akkoord te sluiten. Afstand doen van die procedure betekent collateral damage. Immers, het ontwerp voorziet voor of na de echtscheiding in geen enkele verplichting om de knelpunten te regelen die voorvloeien uit het samenleven.

We hebben een amendement ingediend, als tegengewicht voor deze snelle en eenvoudige echtscheiding, om de partijen te verplichten eerst de essentiële problemen te regelen zoals de uitkering tot levensonderhoud, het wonen in de gezinswoning, gratis of tegen vergoeding, en vooral de uitoefening van het ouderlijke gezag en de huisvesting van de kinderen. Als er geen akkoord is, moeten ten minste die punten via de rechter in kort geding worden geregeld.

Men heeft me gezegd dat dit amendement de partijen een geschil opdringt, maar ik denk dat het beter is een akkoord voorafgaande aan de echtscheiding aan te moedigen. Op die manier kunnen de wonden sneller helen. Het is belangrijk dat er een akkoord is of dat er in elk geval een oplossing in het vooruitzicht is.

Als we niet op onze hoede zijn, krijgen we binnenkort situaties waarbij de echtscheiding `gewogen en verpakt' is zonder dat de fundamentele zaken zijn geregeld.

Wat de overgangsmaatregelen betreft, menen sommigen dat we het overgangsrecht toepassen, maar dat geldt volgens mij alleen bij een procedurewet. Dat is bij dit ontwerp niet het geval.

Het zou in elk geval niet rechtvaardig zijn de nieuwe criteria op de uitkering tot levensonderhoud toe te passen op de uitgesproken echtscheidingen voordat de nieuwe wet in werking treedt. Voor een dergelijke aangelegenheid wordt vaak in een vrijwaringclausule voorzien; zodra er een nieuw element is kan men op de situatie terugkomen.

Deze wet dreigt het evenwicht te verstoren.

Welnu, we mogen het evenwicht niet verstoren onder het voorwendsel van de inwerkingtreding van een vernieuwende wet, die onmenselijke situaties tot gevolg kan hebben. We hebben het voorbeeld aangehaald van een vrouw van vijftig jaar van wie de man haar na vijfentwintig jaar huwelijk verlaat. Mevrouw de T' Serclaes zal het hebben over het onderhoudsgeld, gekoppeld aan de duur van het huwelijk. De levensverwachting neemt alsmaar toe en sommige vrouwen zullen verplicht zijn naar het OCMW te stappen of een nieuwe procedure op te starten omdat de nieuwe wet hen het onderhoudsgeld ontneemt.

Een vrouw kan bijvoorbeeld haar loopbaan gedurende vijf of zes jaar onderbreken voor de opvoeding van haar kinderen. Welke waarde heeft ze na een dergelijke onderbreking nog op de arbeidsmarkt?

Heel wat vrouwen onderbreken hun loopbaan om de kinderen op te voeden of werken deeltijds om hun echtgenoot in staat te stellen zijn loopbaan voort te zetten. Er is een evolutie, maar wat de loopbaan betreft, is de samenleving nog altijd niet helemaal afgestemd op de wensen van de vrouwen. Men kan het niet verhullen, de ideale samenleving is er nog lang niet.

Als dit ontwerp wordt aangenomen, zullen de echtgenoten het met kennis van zaken moeten aanpakken, het huwelijk is geen `Win for Life'. De regels onderweg wijzigen lijkt me moeilijk.

Ik ben het eens met het fundamentele doel van het ontwerp: de vervanging van het begrip echtscheiding door fout door duurzame ontwrichting. In de Kamer heeft men daar ernstig over gereflecteerd, maar dat is niet altijd een garantie voor een optimale tekst die vlot in de praktijk kan worden toegepast. Ik hoopte dat de Senaat de tijd zou nemen hierover na te denken, of ten minste om te de tekst bij te stellen.

De voorzitter. - Mag ik de sprekers vragen hun uiteenzetting zo kort mogelijk te houden, hoe belangrijk het onderwerp ook is?. Het feit dat onze assemblee deze wet eventueel zal amenderen, toont aan dat de Senaat veel belang hecht aan dit soort debatten.

De heer Luc Willems (VLD). - Ik licht kort de krachtlijnen van Open VLD bij de bespreking van dit belangrijke wetsontwerp in Kamer en Senaat toe.

Wij wensten nog één grond van echtscheiding te behouden, namelijk de onherstelbare ontwrichting die beoordeeld wordt door de rechter, tenzij de scheiding gezamenlijk wordt aangevraagd. Wij wensten naar een foutloze echtscheiding te gaan.

De tegenstanders hiervan verwijzen naar de echtscheiding met onderlinge toestemming, de procedure die al in 75 tot 80% van de gevallen wordt gevolgd. Deze procedure komt echter vaak pas na verloop van een jarenlange vechtscheiding naar boven, als de partijen moegestreden zijn. Vandaar dat wij voluit opteren voor één echtscheidingsgrond.

Op het vlak van het onderhoudsgeld aan een ex-partner bestaan er thans heel wat onrechtvaardige situaties. Soms moet een ex-partner levenslang aan de andere onderhoudsgeld betalen, terwijl die dat niet echt meer nodig heeft. Wij wilden bij het vaststellen van het onderhoudsgeld uitgaan van de behoeftigheid van de ex-partner en het betalen van onderhoudsgeld aan een ex-partner beperken tot een periode van maximum twaalf jaar. We wilden ter zake ook een aantal overgangsmaatregelen inbouwen.

Daarnaast wensten wij de vereffening-verdeling op een betere basis van start te laten gaan.

Dat waren onze uitgangspunten. Wij werden dan geconfronteerd met het wetsontwerp van de regering. Na de discussie in de subcommissie Familierecht en in de commissie voor de Justitie van de Kamer kwam een compromis tussen de verschillende visies tot stand. De fout werd geschrapt als echtscheidingsgrond, maar de zware fout bleef behouden in het kader van het onderhoudsgeld. Voorts werd de duur van het onderhoudsgeld beperkt tot de duur van het huwelijk. De echtscheiding met onderlinge toestemming werd behouden. Collega Defraigne heeft al naar de verschillende invalshoeken verwezen die uiteindelijk naar een compromis hebben geleid.

Artikel 2 schaft de vroegere gronden van echtscheiding af en vervangt ze door de onherstelbare ontwrichting van het huwelijk. Daarover bestaat nog altijd discussie. De rechter moet de onherstelbare ontwrichting beoordelen. Sommigen vragen zich af of dat ook niet neerkomt op het vaststellen van een fout.

De beoordeling door de rechter verschilt echter grondig van de huidige situatie, waarbij de partijen gedwongen worden naar een fout te zoeken. Als een echtscheiding met onderlinge toestemming niet mogelijk blijkt, moet naar een fout worden gezocht. Dat leidt tot vechtscheidingen. De procedure maakt het onmogelijk om het huwelijk op een bepaald ogenblik te ontbinden.

Met de nieuwe wet kan men naar de rechtbank stappen met de vaststelling dat er een onherstelbare ontwrichting is. De rechter beoordeelt op basis van alle elementen waarover hij beschikt, of het huwelijk standhoudt dan wel of een echtscheiding onvermijdelijk is.

In de toekomst hoeven de partijen niet langer naar een fout te zoeken of een feitelijke scheiding of overspel ensceneren. Er zijn heel wat praktijken ontstaan om tegemoet te komen aan de wil van de partijen om de echtscheiding te realiseren zonder dat er sprake is van een fout.

Een ander element van het wetsontwerp dat door de critici wordt verzwegen, is de verzoening en de bemiddeling. De rechter die met een vordering wordt geconfronteerd, moet altijd nagaan of de partijen kunnen worden verzoend en of ze op de hoogte zijn van het bestaan van bemiddelingsinstanties.

Het belangrijke artikel 7 gaat over de toekenning van het onderhoudsgeld. Het element van de fout blijft in dat artikel deels behouden. Onze visie hierop is fundamenteel anders, maar uiteindelijk kunnen we ons met de tekst verzoenen. Het is mogelijk dat de partijen op een bepaald ogenblik niet langer kunnen samenleven. Ze kunnen daartoe dan ook niet worden gedwongen aangezien andere problemen kunnen rijzen zoals echtelijk geweld of zelfmoord.

De gewezen partners worden wel gestimuleerd om de stap naar economische zelfstandigheid te zetten. Het onderhoudsgeld wordt betaald gedurende een termijn die gebaseerd is op de termijn dat het huwelijk heeft standgehouden. De critici vergeten te vermelden dat de partijen na het verstrijken van die termijn aan de rechter kunnen vragen die termijn aan te passen omdat ze zich in een toestand van behoeftigheid bevinden.

De voorliggende wettekst is na veel discussies, na rijp beraad en na talrijke hoorzittingen aangenomen. We vinden het belangrijk dat mensen niet tegen hun zin in de juridische constructie van het huwelijk worden vastgehouden wanneer de fundamenten ervan weggevallen zijn. De huidige rigide wetgeving dwingt die mensen ertoe bij de andere partij fouten te zoeken die er misschien niet zijn. Mensen kunnen elkaar moe zijn. We moeten het niet moeilijker maken dan nodig. We zullen de voorliggende tekst dan ook met overtuiging goedkeuren.

De heer Philippe Mahoux (PS). - In dit debat wil ik ook aandacht voor de verdediging van de zwakste partij. De oprichting van een familierechtbank is wenselijk, want die biedt de rechtsonderhorige de mogelijkheid om alle problemen op te lossen voor één rechtbank. De strijd voor het toekennen van de onderhoudsuitkering moet uiteraard worden voortgezet. Voor ons lijkt het schrappen van het begrip fout van fundamenteel belang.

Ik heb daarnet statistieken horen vermelden over de echtscheiding door onderlinge toestemming, die per definitie minder problemen zou veroorzaken. Maar wat indien niet beide partijen willen scheiden, namelijk in 20 tot 35% van de gevallen? Het is bekend dat de noodzaak om een fout aan te wijzen gevolgen heeft voor de relaties van de toekomstige ex-echtgenoten, maar ook voor de soms dramatische situatie van de kinderen. In die omstandigheden kan het zoeken naar een fout bij de echtgenoot, die de tegenstander is geworden, zover gaan dat hij tot een fout wordt gedreven, wat kan leiden tot gewelddadige en onaanvaardbare conflictsituaties, waarbij de kinderen worden gegijzeld. Het verheugt ons dat het begrip fout wordt geschrapt in de procedure en bij de uitspraak van de echtscheiding.

Ik kom nu tot de bescherming van de zwakste partij. Na de werkzaamheden in de Kamer vonden wij het nuttig het advies te vragen van vertegenwoordigers van vrouwenverenigingen met verschillende achtergronden - de Nationale Vrouwenraad, Les Femmes prévoyantes socialistes, Vie Féminine - maar ook van de Vlaamse kinderrechtencommissaris. Zij wezen ons op het belang om, in alle procedures, de zwakste partij te beschermen, in de meeste gevallen dus de vrouw. Wij denken dat de vrouw niet meer bedreigd wordt door de wet die zal worden aangenomen.

We stonden evenwel open voor een argument inzake een termijn, vooral in het geval dat de partijen het niet eens zijn om de echtscheiding te vragen, nadat werd vastgesteld dat ze uiteen waren gegaan.

Indien het verzoek niet geformuleerd was door beide echtgenoten, moest er tussen de scheiding en de uitspraak van de echtscheiding een termijn van zes maanden liggen.

Voor sommige verenigingen leek die termijn te kort met het oog op de bescherming van de zwakste partij. Hun bezorgdheid was misschien ongegrond, maar ze was wel reëel.

Het leek ons dan ook nuttig en gerechtvaardigd die termijn te verlengen tot één jaar, wanneer de vraag niet uitgaat van beide partijen. Dat stelt volgens ons de grondslag van het wetsontwerp niet ter discussie.

Het tweede element is de noodzaak om de fysieke verschijning opnieuw in te voeren.

Wij waren van mening dat het feit dat men moet verschijnen in een echtscheidingsprocedure die toch enig belang heeft, niet zo ondraaglijk was dat het de situatie van de personen die ertoe verplicht waren, onmogelijk of moeilijk maakte.

Daarom hebben wij dat amendement ingediend.

Ondanks de vrees van sommigen waren de debatten in de Senaat, na de lange debatten in de Kamer, toch vruchtbaar. Iedereen kon zijn standpunt uiteenzetten, maar we moeten toegeven dat, zeker met dit soort teksten, niets definitief is.

Ik hoop dat deze tekst met een ruime meerderheid wordt aangenomen. De toepassing ervan zal ons in staat stellen om, indien dat nodig zou blijken, correcties aan te brengen.

Ik herhaal dat met het verdwijnen van het schuldbegrip de procedure in een minder gewelddadig en nadelig klimaat zal kunnen verlopen.

Wij vinden dan ook dat dit ontwerp een vooruitgang is.

Mevrouw Clotilde Nyssens (CDH). - Verschillende collega's zeggen hier dat de Senaat aan dit ontwerp heeft gewerkt. Dat is zeker het geval; nochtans kondigen minstens twee collega's nu al aan dat een reparatiewet nodig is.

De heer Philippe Mahoux (PS). - Ik had het niet over een reparatiewet.

Mevrouw Clotilde Nyssens (CDH). - Dat heb ik dus verkeerd begrepen.

De heer Philippe Mahoux (PS). - Ja. Een reparatiewet vragen, betekent dat men van oordeel is dat een wet nodig is om een goedgekeurde wet te verbeteren. Dat heb ik niet gezegd.

Mevrouw Clotilde Nyssens (CDH). - Verontschuldig mij. Ik heb u ten onrechte de woorden van mevrouw Defraigne toegeschreven.

De heer Philippe Mahoux (PS). - ... als vrij onderzoeker, vind ik dat, als men een wet goedkeurt, men ook rekening moet houden met de toepassing ervan. Dat is volkomen normaal.

Mevrouw Clotilde Nyssens (CDH). - De Senaat trok te weinig tijd uit voor het parlementaire werk. De brieven die we deze week hebben ontvangen van de verenigingen die in de Senaat werden gehoord, tonen aan dat zij ongerust blijven. Het goedgekeurde amendement is een nuttig amendement, maar er was meer tijd nodig om het ontwerp te bestuderen. In familierecht moet niet alleen de wetgever, maar ook de civiele samenleving de tijd nemen om een tekst te beoordelen alvorens hem in een wettekst te gieten.

De civiele samenleving moet de kans krijgen een in de Kamer goedgekeurde tekst te bestuderen en te reageren voordat hij in de Senaat wordt goedgekeurd.

U stond onder druk door het naderende einde van de zittingsperiode. Dat verandert echter niets aan het feit dat wij over onvoldoende tijd beschikten.

Meerdere sprekers hebben allusie gemaakt op de noodzakelijk herziening van de notie huwelijk. Ik was wat verbaasd te horen dat de rapporteur het huwelijk tot driemaal toe als een contract bestempelde. Het huwelijk is geen contract, maar een instelling in de juridische betekenis van het woord. Als het huwelijk wordt gezien als een contract in de zin van een goederenovereenkomst, is het vanzelfsprekend dat de verbreking ervan veeleer onder het goederenrecht dan onder het personenrecht zal ressorteren.

Het huwelijk is een verbintenis. Niemand wordt ertoe gedwongen te huwen. Er bestaan vele andere manieren om een samenleving te regelen. Zij die huwen, doen dat meestal met enthousiasme in de hoop dat het huwelijk standhoudt. Er moet aan worden herinnerd dat het om een verbintenis gaat. Ik heb vaak de indruk gehad dat het huwelijk beschouwd wordt als een contract, een contract van bepaalde duur zelfs, waaraan men snel een einde moet kunnen maken. Als dat zo is, dan vind ik het de moeite waard om in een volgende zittingsperiode opnieuw over de instelling, over de verbintenis die het huwelijk is, te praten.

Ten gronde was CDH het er volledig mee eens de scheiding wegens onherstelbare ontwrichting in ons recht op te nemen, maar niet op deze manier. Het had beter gekund, eenvoudiger, door een aanpassing van de huidige echtscheiding op grond van feitelijke scheiding.

Voor een echtscheiding op grond van feitelijke scheiding is op dit ogenblik een feitelijke scheiding van twee jaar nodig. Als men de procedure van de feitelijke scheiding had willen versnellen, had het volstaan de huidige procedure van twee tot één jaar in te korten en de rest ongemoeid te laten.

Elk koppel heeft een eigen geschiedenis, van bij het begin van hun samenleven tot het einde ervan. Ik ben ervan overtuigd dat voor sommige koppels een echtscheiding op grond van zware fout nuttig kan zijn omdat een van de echtgenoten de huwelijksplichten van het Burgerlijk Wetboek niet is nagekomen.

Ik weet niet waarom men de mensen één manier van echtscheiding moet opleggen. Diversiteit is een rijkdom die we zelf vaak bepleiten in de dossiers die we behandelen. Ik begrijp dan ook niet waarom iedereen aan dezelfde snelle procedure met een zeer snelle uitspraak moet worden onderworpen.

Veel werd gesproken over paragraaf 2, die voorziet in een echtscheiding op grond van feitelijke scheiding, op verzoek van één van de echtgenoten en waarbij de procedure van zes maanden tot één jaar wordt verlengd. Veel minder werd echter gesproken over de eerste paragraaf waardoor beide echtgenoten - of één van hen - de echtscheiding kunnen aanvragen door om het even welk feit met om het even wel bewijsmiddel te staven en zonder enige wachttijd. De echtscheiding kan dus bijzonder snel gaan.

Om te scheiden is tijd nodig. Ik heb het niet over de procedure, maar over het antropologische of sociologische aspect, zoals mevrouw Defraigne het noemde. Als men beslist het samenleven te beëindigen, moet men de tijd zijn werk laten doen. Nochtans merkt men in alle dossiers, aan de manier waarop men te werk gaat en waarop men het familierecht ziet, een obsessie voor snelheid. Waarom altijd die haast?

Ik ben het ermee eens dat de manier waarop de fout voor de rechtbanken wordt uitgespeeld, niet altijd mooi of nuttig is. Het verheugt me te horen dat de echtscheidingen met onderlinge toestemming heel talrijk zijn. Dat is uiteraard de beste oplossing.

Bij een feitelijke scheiding van een jaar volgt de echtscheiding vrijwel automatisch. Dat is eveneens een interessante bepaling.

Ik begrijp echter niet waarom bij de uitspraak geen melding mag worden gemaakt van een fout en waarom de procedure moet worden versneld, terwijl we geen enkele waarborg hebben over de regeling van de gevolgen, temeer daar in de tekst de fout en de zware fout behouden blijven, meer bepaald wat het onderhoudsgeld betreft.

In een echtscheidingsprocedure voor de rechtbank zijn het de gevolgen die voor problemen zorgen. De uitspraak van de echtscheiding is één zaak, maar het is belangrijk te weten wie het onderhoudsgeld zal betalen, wat de regeling voor de kinderen is en hoe de goederen worden verdeeld.

Men gaat er prat op te zeggen dat men de fout heeft weggelaten, maar in feite is ze nog altijd aanwezig. Gezien de menselijke natuur, weten wij dat de fout bij de gevolgen ter sprake zal komen. Door te zeggen dat de fout verdwijnt, is het ontwerp sterk ideologisch getint.

Ik ben er alleszins niet van overtuigd dat alles nu beter zal gaan. De heer Mahoux heeft gelijk als hij zegt dat we de wet zullen moeten evalueren om te zien of de procedures inderdaad sneller zijn. Ik blijf ervan overtuigd dat de fout en de zware fout nog vaak zullen worden ingeroepen. Het is evident dat wie scheidt, zijn levensstandaard wil behouden en dat het belangrijk is te weten op welke manier de inkomsten zullen worden verdeeld. De criteria voor het onderhoudsgeld zijn dus heel belangrijk.

Ik betreur overigens dat de duur van het huwelijk het belangrijkste criterium is voor het onderhoudsgeld. Andere criteria zijn echter minstens even belangrijk. Ik denk meer bepaald aan de gezondheidstoestand van de echtgenoten, aan de relatie van elke echtgenoot met de kinderen, aan de afgesloten overeenkomsten. In elk geval moet een te grote ongelijkheid tussen de twee partners worden vermeden. De duur van het huwelijk houdt weinig verband met het onderhoudsgeld. Belangrijk is de verantwoordelijkheid van elke partner voor de manier waarop een samenleven eindigt.

Men heeft ook een kans gemist om een familierechter in te stellen. Een familierechtbank was misschien wat veel gevraagd omdat we te weinig tijd hadden. In Frankrijk bestaat de familierechter, de JAF, al lang. Ik begrijp niet waarom men van dit wetsontwerp geen gebruik heeft gemaakt om alle familieaangelegenheden bij een enkele rechter onder te brengen, bijvoorbeeld van de rechtbank van eerste aanleg, om alle voorlopige maatregelen bij de grondrechter te hergroeperen en de rol van de voorzitter van de rechtbank in kort geding te schrappen.

Ik begrijp vooral niet waarom de artikelen over de bemiddeling niet dwingender zijn. In de landen waar de echtscheidingsprocedures goed en betrekkelijk snel verlopen, zoals in Frankrijk en in Canada, is de gezinsbemiddeling veel beter ontwikkeld. De echtgenoten moeten ambtshalve een bemiddelaar raadplegen om zich over de bemiddeling te informeren. De echtgenoten moeten zeker niet verplicht worden een bemiddelaar te consulteren, maar men had hen kunnen verplichten zich te informeren. Zelfs die stap werd niet gezet. Ik vind dat ons land een achterstand heeft ten opzichte van andere landen.

De overgangsbepalingen stipuleren dat de regels voor de berekening en de criteria van het onderhoudsgeld in dit wetsontwerp van toepassing zullen kunnen zijn op eerder uitgesproken echtscheidingen, door in kracht van gewijsde gegane beslissingen, en dat de nieuwe criteria zullen kunnen worden toegepast op reeds vastgestelde onderhoudsgelden. Ik vind dat onwaarschijnlijk.

Ik begrijp niet waarom men geen rekening heeft gehouden met het feit dat het onderhoudsgeld een grondregel en geen procedureregel is en dat de oude regels van toepassing blijven. Dat is een bijzonder onaangename verrassing, vooral voor de zwakste partij in de echtscheiding.

De bedoelingen van het ontwerp zijn uiteraard niet slecht. Wij hadden echter te weinig tijd om het te verbeteren. Het moest vlug gaan. Ik ben er dan ook van overtuigd dat we op dit onderwerp zullen moeten terugkomen, niet door een reparatiewet, want ik heb een hekel aan deze term, maar door een wet die veel meer rekening houdt met wat de vrouwenorganisaties ons in de commissie voor de Justitie hebben gezegd en die opmerkelijk werk hebben verricht.

De heer Frank Creyelman (VL. BELANG). - Ik lees de uiteenzetting van collega Van dermeersch, die vandaag verontschuldigd is.

Vandaag bespreken we de nieuwe echtscheidingswet. Voorstanders noemen het de invoering van de foutloze of schuldloze echtscheiding, maar eigenlijk klopt dat niet. De schuldvraag wordt immers gewoon verschoven van de echtscheidingsprocedure naar de gevolgen van de echtscheiding. Ons inziens is dat een cosmetische ingreep die te vergelijken is met de computerfunctie `kopiëren en plakken'.

Het wetsontwerp is er niet in geslaagd de schuld uit het echtscheidingsrecht te weren. Schuld is in onze cultuur een grondbegrip. Als het huwelijk louter als een contract wordt beschouwd - wat het in wezen is - dan is schuld een grond om tot de verbreking van dat contract over te gaan. Dat wordt gedaan door een rechter en de schuld kan dus niet zomaar uit ons rechtssysteem worden weggecijferd. Onze fractie pleit dan ook voor het behoud van het schuldbegrip als echtscheidingsgrond. Wie denkt dat de invoering van een schuldloze echtscheiding een drastische vermindering van het aantal vechtscheidingen zal meebrengen, die droomt. Weliswaar volstaat een simpele pennentrek om een huwelijk teniet te doen, maar niet de emoties ervan en het verwerkingsproces. Een echtscheiding is niet alleen een juridische procedure, het is ook een mentaal proces.

De nieuwe wet, die onder andere de EOO (echtscheiding onherstelbare ontwrichting) invoert, zorgt voor een humanisering van de echtscheidingsproblematiek, zoals de voorstanders ervan terecht beklemtonen. Dit kan dan enkel als beide partners ongeveer evenveel verdienen, als de minst verdienende partner afziet van zijn of haar recht op onderhoudsgeld of als de meest verdienende partner het niet erg vindt maandelijks een derde van de inkomsten aan de ex af te geven. In alle andere gevallen zal de EOO uitmonden in een vechtscheiding met als inzet meer, minder of geen onderhoudsgeld.

De vzw Belangenverdediging van Gescheiden Mannen en hun Minderjarige Kinderen provincie Antwerpen hoopt dat er nog genoeg senatoren met gezond verstand zijn om de wet te amenderen en terug naar afzender te sturen. Die zijn er ongetwijfeld, vandaar deze uiteenzetting die werd opgesteld op basis van hun bezwaren, die enkel voor vaders gelden.

Bij de EOO wordt het onderhoudsgeld door twee vage begrippen geregeld: een zware fout en behoeftigheid. Omdat de parlementsleden beide begrippen niet hebben gedefinieerd, zal de rechter moeten oordelen. De verliezende partij zal daarop bij de rechter in beroep gaan aankloppen. Een vechtscheiding dus. Vandaag hoeft een brave huisvader geen onderhoudsgeld te betalen als hij het huwelijkscontract en de wet respecteert: geen overspel, artikel 229 van het Burgerlijk Wetboek, en geen gewelddaden, mishandelingen of grove beledigingen. De nieuwe EOO voert automatisch onderhoudsgeld in. Een doodbrave huisvader wordt dan financieel gestraft als zijn vrouw hem laat zitten voor haar nieuwe vriend. Net zoals de bovenvermelde vzw gaat het Vlaams Belang niet akkoord met de term `behoeftigheid' die de indieners van het ontwerp inroepen om onderhoudsgeld te verantwoorden. Is dat het leefloon? Is dat een werkloosheidsvergoeding? Of wordt het, zoals we vrezen, een maandelijkse toeslag bovenop een van die vergoedingen, zodat de onderhoudsgerechtigde zich comfortabel kan nestelen in vervangingsinkomens en zeker niet gemotiveerd zal zijn om werk te zoeken? Sommige parlementsleden beweren dat het onderhoudsgeld beperkt is tot de duur van het huwelijk, maar dat klopt niet. Dat is inderdaad de algemene regel. Maar als de onderhoudsgerechtigde daarna nog geen werk heeft gevonden, wordt de termijn verlengd. De wettekst zegt daarover: `De duur van de uitkering mag niet langer zijn dan die van het huwelijk. In geval van buitengewone omstandigheden, kan de rechtbank de termijn verlengen, indien de uitkeringsgerechtigde aantoont dat hij bij het verstrijken van de in het eerste lid bedoelde termijn, om redenen onafhankelijk van zijn wil, nog steeds in staat van behoefte verkeert.'

We verwerpen ook de invoering van het begrip `ernstige aanwijzingen van geweld', waardoor enkele eenvoudige en vrijblijvende aangiftes van vermeend partnergeweld door een vrouw volstaan om onderhoudsgeld te krijgen of zelf geen onderhoudsgeld te hoeven betalen. Die toepassing kennen we trouwens nu al. Het is een herhaling van artikel 223, paragraaf 3, waarbij de man uit de gezinswoning wordt gezet als de vrouw beweert dat ze zich bedreigd voelt.

Het wetsontwerp voert bovendien dezelfde onderhoudsverplichting in die vandaag van toepassing is voor wie een scheiding verliest wegens overspel. Die alimentatie houdt enkel rekening met de toekomstige levensstandaard van de behoeftige en niet met die van de onderhoudsplichtige. Als troostprijs is er de beperking tot een derde van het inkomen.

Enkele maanden geleden heeft de nieuwe wet op de beurtelingse huisvesting het machtsevenwicht tussen man en vrouw al gewijzigd. De nieuwe EOO zal bovendien voor een perverse discussie zorgen: als een man beurtelingse huisvesting wil, zal zijn vrouw antwoorden dat ze dan onderhoudsgeld zal vragen. Tenzij de man afziet van beurtelingse huisvesting.

Deze nieuwe wet zal geen einde maken aan de vele echtscheidingen; wel integendeel. Als er voor de centen moet gevochten worden, zullen advocaten minder terughoudend zijn dan nu en terecht proberen zoveel mogelijk binnen te halen voor hun cliënt. Er kan gesjoemeld worden met begrippen `zware fout' en `behoeftigheid'. Als een vrouw meer verdient dan haar man en dus onderhoudsgeld moet betalen, kan ze aan de onderhoudsplicht ontsnappen door geweldpleging door haar man in te roepen.

Dit wetsontwerp is echt `alle remmen los'. In de officiële samenvatting wordt het zelfs letterlijk toegegeven: `In het bijzonder in kringen van vrouwen- en progressieve organisaties gaan er talrijke stemmen op om een burgerrechtelijke sanctie te behouden (zonder afbreuk te doen aan strafrechtelijke sancties).'

Voor de `zware fout' die het wetsontwerp invoert volstaan vermoedens en valse beschuldigingen, zoals een gewone aangifte bij de politie.

Tot vandaag waren man en vrouw beschermd door het huwelijkscontract. Als één van beiden wilde scheiden omdat hij of zij een nieuwe partner had, kon dat, maar dan moest hij of zij er de financiële gevolgen van dragen. Met het automatische onderhoudsgeld van de EOO bepaalt de partner die het minst verdient de scheidingsvoorwaarden en de bescherming van het huwelijkscontract wordt waardeloos.

Als een koppel huwelijksproblemen krijgt, is het voor de meest verdienende partner financieel beter om zo snel mogelijk te scheiden: hoe langer hij of zij wacht, hoe hoger het onderhoudsgeld zal zijn. Dit is geen perverse gedachte van het Vlaams Belang, maar een rechtstreeks gevolg van het wetsvoorstel.

Het is wellicht juist dat vrouwen op de arbeidsmarkt minder verdienen dan mannen. Het is evenwel aan de regering en de werkgevers om aan die ongelijkheid een einde te maken. Het is niet de taak van de individuele gescheiden man om die maatschappelijke ongelijkheid recht te zetten.

Hetzelfde principe geldt voor vrouwen die wegens hun leeftijd moeilijk werk vinden. Ook dit is een socio-economisch probleem dat door de maatschappij, en niet door een individu, in dit geval de ex-man moet worden opgelost, zeker niet als de vrouw eenzijdig het huwelijkscontract verbreekt.

Vaak hebben mannen heel wat van hun vrije tijd opgeofferd om, als een goede huisvader, de welstand van het gezin op te krikken. Zij namen een bijbaan als kelner of als weekendtaxichauffeur omdat ze dan een hogere hypotheek konden afbetalen of het gezin een tweede auto kon hebben. We kennen er die voor nachtwerk of bandwerk kozen omdat ze met die premies de kinderkamer konden inrichten. Bij de scheiding wordt de meeropbrengst van die zware inspanningen tussen beide partners verdeeld. Vaders worden evenwel nogmaals gestraft als ze onderhoudsgeld moeten betalen, want dat zal dan gebaseerd zijn op het laatste loon, dat net wegens die premies voor nachtwerk en weekendwerk ongewoon hoog was. Bovendien moeten ze, na de scheiding, die extra bijbaan of dat nachtwerk zelfs behouden om het onderhoudsgeld te kunnen betalen. Hoe zullen gescheiden mannen zich voelen als politici beweren dat dit een `schuldloze echtscheiding' is?

Mevrouw Isabelle Durant (ECOLO). - Toen ik de voorgaande sprekers hoorde, was ik een beetje ongerust. Ik beweer niet dat men helemaal niet wil opschieten met de tekst van het ontwerp, maar ik stel me vragen over de manier van werken.

Ik ben een beetje ontgoocheld over het ontwerp. Een aantal maatregelen hadden aan dit ontwerp moeten voorafgaan. Ik denk aan de familierechtbank, de objectivering van de berekening van de alimentatie, de verbetering van de financiering van de FCUD en van de onthaalstructuren, de individualisering van de rechten. Nu het huwelijk opnieuw moet worden bekeken, moeten de echtgenoten verbintenissen kunnen aangaan en de gevolgen van hun daden begrijpen.

Het is trouwens belangrijk een tekst uit te werken in de richting van de schuldloze echtscheiding. Wat de toekenning van de alimentatie betreft, zou de fout eerder moeten worden gedefinieerd als een compensatie voor het verstoorde evenwicht dat het gebroken huwelijk in de levensomstandigheden van elk van de echtgenoten veroorzaakt. Die compensatie kan bijvoorbeeld worden verleend aan de partner die niet over voldoende inkomsten beschikt omdat hij zich aan het gezin heeft gewijd. Het wetsontwerp bevat een bepaling in die zin. De huwelijksduur is daarentegen geen voldoende criterium, zoals mevrouw Nyssens ook zei. Om rechtvaardig te zijn moet rekening worden gehouden met de beroepssituatie, de opleiding van de echtgenoten, de leeftijd, de gezondheidstoestand enz. Het ontwerp is niet duidelijk genoeg op dat vlak. Het gevaar bestaat dat bij de breuk de zwakste persoon in zekere mate bestaansonzeker blijft.

Bovendien is het ontwerp dubbelzinnig: dat is onvermijdelijk omdat het geen deel uitmaakt van een logische hervorming. Ik denk aan de familierechtbank en aan andere maatregelen waardoor die familiekwesties als een geheel hadden kunnen worden behandeld.

Wat de termijnen betreft, sluit ik me aan bij mevrouw Nyssens: snelheid is niet in overeenstemming met de nood aan sereniteit.

Tot slot betreur ik dat de Senaat niet voldoende tijd heeft genomen om aan de tekst te werken. We zullen er wellicht op terugkomen. Ik denk niet aan een reparatiewet, maar waarschijnlijk zal toch een evaluatie nodig zijn om de tekst te verbeteren, zodat we zoveel mogelijk kunnen afstappen van de schuldnotie. Dat betekent niet dat we aan een ideale wereld denken waarin de toekomstige echtgenoot en de toekomstige echtgenote op voet van gelijkheid staan: het zal nog een tijd duren voor we een samenleving hebben waarin beide echtgenoten een engagement aangaan op evenwaardige basis. Een verbintenis ontwarren vraagt trouwens tijd. Het huidige ontwerp zal dat niet mogelijk maken. Ik betreur dat.

Ik zal me onthouden bij de stemming, ondanks de lichte verbetering die mevrouw Nyssens met haar amendement heeft aangebracht, misschien als steun voor andere amendementen.

Mevrouw Clotilde Nyssens (CDH). - U verwart de amendementen. Een van de andere amendementen die ik heb aangediend, werd aangenomen.

Mevrouw Isabelle Durant (ECOLO). - Er was een verbetering betreffende de termijnen, waar ik tevreden mee ben, maar op veel vlakken zal het ontwerp geen antwoord bieden op de problemen die het wil oplossen. Daarom zal Ecolo zich onthouden.

Mevrouw Nathalie de T' Serclaes (MR). - Net als mevrouw Durant wil ik nog even de positie van de vrouw binnen het huwelijk verduidelijken.

De Senaat heeft de moeite gedaan om de standpunten te horen van de vrouwenverenigingen. In de Kamer is dat niet gebeurd en dat betreur ik.

Tijdens de hoorzittingen hebben de vrouwen er uitdrukkelijk op gewezen dat mannen en vrouwen niet gelijk zijn binnen het huwelijk. In de meeste gevallen zijn de huishoudelijke taken nog voor rekening van de vrouwen, die de arbeidsmarkt verlaten om zich met het huishouden en de opvoeding van de kinderen bezig te houden.

Zolang vrouwen getrouwd zijn, genieten ze bescherming. Ik kom niet terug op de kwestie van de afgeleide rechten. De vrouwenorganisaties hebben een autonome sociale zekerheid voor elke vrouw bepleit, maar dat is een ander debat. Hic et nunc is de positie van vrouwen binnen het huwelijk verschillend van die van mannen. Getrouwde mannen die vrij zijn van huishoudelijke beslommeringen, hebben een veel interessantere beroepsloopbaan dan vrijgezellen. Na de ontbinding van het huwelijk hebben vrouwen, zeker zij die hun baan hebben opgegeven om voor hun kinderen te zorgen, geen sociale zekerheid. Studies over armoede tonen aan dat het gros van de mensen die in kwetsbare omstandigheden verkeren, alleenstaande vrouwen met kinderen zijn. Daar moet onze aandacht op gevestigd blijven, want heel vaak is de echtscheiding het beginpunt van de precaire levenssituatie van vrouwen.

Ik zal niet terugkomen op de sociale en juridische draagwijdte van het huwelijk. Juridisch verschilt het huwelijk sterk van het samenlevingscontract. Partners hebben heden ten dage de keuze tussen verschillende samenlevingsvormen. Het huwelijk houdt verplichtingen in die men op het moment van de scheiding in acht moet nemen, zo niet hebben ze geen enkele waarde meer. Niemand is verplicht in het huwelijk te treden. Het is vandaag perfect mogelijk om te opteren voor een minder dwingende vorm van samenleven.

Ik wil graag iets over de kinderen zeggen, want tot nog toe zijn de twee kinderrechtencommissarissen de enigen die zich in dit debat om het lot van de kinderen bekommerd hebben. Kinderen zijn de eerste slachtoffers van een echtscheiding. Wat er met de kinderen moet gebeuren, hoort de eerste zorg te zijn bij de ontbinding van een huwelijk. Voor de kinderen is het zeker beter dat een echtscheiding in goede omstandigheden verloopt dan dat ze een vechtscheiding wordt.

Een goede echtscheiding bestaat echter niet: een echtscheiding is de vaststelling van een mislukking. De wet moet ervoor zorgen dat de verstandhouding tussen de ex-echtgenoten na de scheiding wordt vergemakkelijkt, in het belang van hun eventuele kinderen. Ik ben niet zeker dat dit punt echt een plaats krijgt in het voorliggende ontwerp.

In de commissie hebben we een aantal amendementen ingediend. De eerste amendementen gaan over de tijd die de echtgenoot, die geen eiser is, nodig heeft om schikkingen te treffen. Dankzij de inbreng van de Senaat is die termijn verlengd van zes maanden tot een jaar. Het was niet eenvoudig om die verlening tot stand te brengen. Sommigen wilden het huwelijk sneller kunnen ontbinden, maar wij zijn van oordeel dat men `de tijd de tijd moet geven'.

Ik wil een tweede element onderstrepen: in de voorgestelde formule wordt niets vóór de echtscheiding geregeld, noch de situatie van de kinderen, noch de gezinswoning, noch de uitkering tot levensonderhoud. In het kader van een echtscheiding met onderlinge toestemming worden die zaken vooraf geregeld, zodat de betrokkenen een duidelijk zicht hebben op de toestand na de echtscheiding. Hier wordt eerst gescheiden en regelt men de problemen nadien, onder het voorwendsel dat de verstandhouding na de scheiding beter zal zijn, maar daarvan ben ik helemaal niet overtuigd.

Twee sleutelelementen moeten vooraf geregeld worden: de kinderen en de gezinswoning. In dat verband wil ik wijzen op een fundamentele tegenstelling met andere wetten, bijvoorbeeld over de langstlevende echtgenoot of de wettelijke samenwoning, ten aanzien van de gezinswoning. Volgens de voorliggende regeling wordt de echtscheiding met haast en spoed uitgesproken, en als de gezinswoning toebehoort aan één van de echtgenoten dan heeft de andere pech gehad! Deze kwestie moet geregeld worden voordat de echtscheiding wordt uitgesproken, zodat er nog sprake kan zijn van een gezinsleven, met name in het belang van eventuele kinderen.

Ik wil ook even terugkomen op de beperking van de duur van de uitkering tot levensonderhoud tot de duur van het huwelijk. Het criterium kan interessant en begrijpelijk lijken, maar er zijn er nog andere en het had aanzienlijk verfijnd moeten worden. Ik vind het onbegrijpelijk dat men in de overgangsmaatregelen, dus na de uitspraak van de echtscheiding, ervan uitgaat dat die uitkering, zelfs als ze verworven is voor onbepaalde tijd, dezelfde duur zal hebben als het huwelijk. Er is wel een achterpoortje dat voorziet in een rechtsmiddel, maar is het, zoals mevrouw Defraigne al opwierp, niet ergerlijk dat iemand van zeventig of tachtig jaar opnieuw voor de rechter moet verschijnen omdat ze niet meer over voldoende bestaansmiddelen beschikt? Durft men in deze assemblee een wet goed te keuren die het recht op een werkloosheidsuitkering beperkt tot de duur van de gepresteerde arbeid? Algemeen verzet en massaal protest zou dat veroorzaken. Vrouwen die leven van een alimentatie zullen evenwel niet op straat manifesteren ... De overgangsmaatregelen lijken mij wat dat betreft, ronduit schandelijk. Daarom zal ik mij onthouden bij de stemming over dit ontwerp.

Mevrouw Mia De Schamphelaere (CD&V). - Uiteraard staat ook de CD&V-fractie achter de fundamentele bekommernissen van de indieners, die het aantal vechtscheidingen willen beperken en de zelfredzaamheid van beide partners na een echtscheiding willen garanderen. De vraag is echter of dit ontwerp deze bekommernissen kan inlossen.

Een van de belangrijkste doelstellingen van het ontwerp is alle gehuwden de mogelijkheid bieden om uit elkaar te gaan zonder dat nog wordt gesproken over de fout van een van beiden. Welke procedure ook wordt gevolgd, de schuld van de echtgenoot of echtgenote hoeft niet meer te worden bewezen. Zo hopen de indieners het aantal vechtscheidingen te doen dalen.

De mogelijkheid om zonder ruzies uit elkaar te gaan bestaat echter vandaag al via de scheiding met onderlinge toestemming. Waarom dan deze nieuwe, zogenaamd schuldloze echtscheiding? Wil men de partners uit elkaar kunnen laten gaan, ook als een van beiden dat niet wil? Daarvoor biedt de scheiding op grond van twee jaar feitelijke scheiding vandaag al een oplossing.

De termijn van twee jaar werd eerst ingeperkt tot zes maanden. Het amendement dat deze termijn opnieuw op een jaar brengt, brengt wel enige verbetering, maar er blijven fundamentele vragen bij snelle, eenzijdig besliste echtscheidingen, omdat hierdoor het verbinteniskarakter van het huwelijk wordt ondergraven.

Natuurlijk zijn er gevallen denkbaar waarin een snelle scheiding heilzaam is, zoals voor een slachtoffer van mishandeling. Evengoed zijn er schrijnende zaken denkbaar, bijvoorbeeld wanneer een slachtoffer van mishandeling het huis uitvlucht en de andere partner na zes maanden de scheiding kan verkrijgen zonder dat er van schuld hoeft te worden gesproken.

Schuld fungeert niet alleen in de procedure tussen twee personen. Soms is het ook psychologisch belangrijk om tegemoet te komen aan een rechtvaardigheidsgevoel. Dit wordt trouwens wel weer erkend door de schuldvraag wel te laten meespelen, wanneer over alimentatie moet worden beslist. Een schuldige partner kan die nooit toegekend krijgen.

Een principieel probleem, ook volgens het Vrouwen Overleg Komitee, betreft de kwestie van het huwelijk als overeenkomst tussen twee mensen. Het eenzijdig verbreken van een contract, zonder dringende redenen, zonder redelijke opzegtermijn of zonder morele of financiële compensatie, past niet in onze rechtscultuur. Natuurlijk willen we niet terug naar de tijd dat bijvoorbeeld overspel het hele systeem van betrapping in werking stelde. We stellen ons echter wel de vraag wat nog de basis is van het huwelijk, wanneer overspel geen grond meer is voor scheiding. Over dit soort vragen wordt er geen uitspraak meer gedaan. Waar wil de wetgever eigenlijk naartoe met ons familierecht? Wat zijn de fundamenten van en de verschillen tussen huwen, samenwonen, lat-relaties, enzovoort. Een grondige hervorming van het familierecht is noodzakelijk, maar dit ontwerp maakt het familierecht alleen maar ondoorzichtiger.

Daarnaast worden sommige problemen die nu al blijken uit de praktijk, door dit ontwerp bestendigd. Mensen hebben tijd nodig om een ontwricht huwelijk te verwerken. De bestaande echtscheidingsprocedures houden daar te weinig rekening mee. Dit ontwerp gaat echter nog meer tegen deze nood in. Het is niet altijd in ieders belang dat het snel gaat, zeker niet voor de gevolgen op lange termijn. De tweede beslisser, die er bij elke echtscheiding is, zal zich onrechtmatig in een snelle echtscheiding geduwd voelen. De eerste kan snel scheiden zonder rekening te houden met de tweede. Door de hervorming zal de helft van de scheidenden zich nog meer slachtoffer voelen.

Met het huidige systeem van echtscheiding door onderlinge toestemming wordt het bereiken van een totaalakkoord bevorderd. De nieuwe wet zal deze trend ombuigen. Er is immers slechts een deelakkoord vereist. Dat zal tot gevolg hebben dat de partners meer zullen vechten over een langere termijn, niet over de scheiding, want die is beslist, maar wel over zaken die moeten worden geregeld in verband met het vermogen, de woonst en de kinderen. Dit ontwerp stimuleert losse deelakkoorden, wat niet tot een goede verstandhouding leidt. Er blijft altijd iets over dat nog te regelen is. Het echtscheidingsrecht zou mensen moeten bijstaan in de doelmatige reorganisatie van hun goederen en hun ouderschap.

Het recht moet leiden tot rust na de echtscheiding. Rust vereist regelingen die rekening houden met ieders bekommernissen. Nu moeten ouders minstens enkele maanden in een onderhandelingssfeer afspraken maken met elkaar. Ze moeten een akkoord zoeken over hun geld, hun huis en hun kind. Er is geen akkoord zolang er niet over alles een akkoord is.

Tot slot stelt dit wetsontwerp veranderingen in de regeling van het onderhoudsgeld voor die de facto vrouwonvriendelijk zijn. Alimentatie aan de partner wordt in het huidige systeem al minder en minder toegekend. Het nieuwe systeem lijkt nog restrictiever te zullen zijn. De achterliggende redenering is dat de alimentatieregeling de zelfredzaamheid van de begunstigde partner moet stimuleren. Er wordt niet langer gesproken over de handhaving van de levensstandaard, maar over de behoeftigheidsgraad van de vragende partner. De rechter mag aan die vage term zelf een invulling geven, wat niet bijdraagt tot de rechtszekerheid. De beperking van de alimentatie in de tijd lijkt rechtvaardig, maar er wordt al te gemakkelijk van uitgegaan dat ongelijkheden in loon en tewerkstelling die tot stand kwamen tijdens het huwelijk ter wille van het gezin, gemakkelijk kunnen worden weggewerkt. Dan spreken we nog niet over het gemak waarmee de onderhoudsplichtige partner de bestaande regeling kan aanvechten.

De echtscheidingswet negeert het feit dat het nog steeds in overgrote meerderheid vrouwen zijn die tijdens het huwelijk een stap achteruit zetten in hun loopbaan. Het zijn vrouwen die deeltijds gaan werken, loopbaanonderbreking nemen of thuis blijven voor de kinderen. Komt het tot een scheiding, dan is de zelfredzaamheid van beide partners zelden gelijk. Toch voorziet de nieuwe wet niet in een financiële compensatie voor het inkomensverlies van de partner die in het kader van het huwelijk en ten behoeve van het gezin een stap terugzette. De wetgever gaat er ook al te gemakkelijk van uit dat kwaliteitsvol werk en kinderopvang te vinden zijn voor eenieder die daarnaar op zoek is. Er wordt dus te gemakkelijk over de fundamentele socio-economische ongelijkheden tussen mannen en vrouwen heen gestapt. Dit standpunt is ook het officiële standpunt van het Vrouwen Overleg Komitee, de Nederlandstalige vrouwenkoepel, die daarmee het standpunt van Vie Féminine bekrachtigt. Het is tegenstrijdig dat de Belgische Staat in zekere zin een zekere afhankelijkheid in het huwelijk kan promoten, en anderzijds de zelfstandigheid van vrouwen na de scheiding kan veronderstellen.

Wij zullen dus tegen stemmen.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(Voor de tekst geamendeerd door de commissie voor de Justitie, zie stuk 3-2068/8.)

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Wij wensen onze amendementen te verdedigen zodat onze collega's daarover in eer en geweten hun standpunt kunnen bepalen.

De voorzitter. - Artikel 2 luidt:

Op dit artikel heeft de heer Hugo Vandenberghe amendement 13 ingediend (zie stuk 3-2068/2) dat luidt:

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Amendement 13 strekt ertoe de woorden `of wanneer de aanvraag tot tweemaal toe werd gedaan ...' te doen vervallen zodat het mogelijk wordt om na drie, respectievelijk zes maanden huwelijk uit de echt te scheiden. Wij vinden dat niet wenselijk omdat het risico op schijnhuwelijken erdoor toeneemt. We vinden dat een minimale reflectieperiode dient te worden ingebouwd.

De voorzitter. - Op hetzelfde artikel heeft mevrouw Nyssens amendement 18 ingediend (zie stuk 3-2068/2) dat luidt:

Mevrouw Clotilde Nyssens (CDH). - Amendement 18 voorziet in een echtscheiding op grond van duurzame ontwrichting, zoals CDH die opvat. Het betreft een echtscheidingsgrond die gezamenlijk door beide echtgenoten kan worden ingediend, na een feitelijke scheiding van twee jaar.

De voorzitter. - Mevrouw Nyssens heeft amendement 21 ingediend (zie stuk 3-2068/2) dat luidt:

Mevrouw Clotilde Nyssens (CDH). - Amendement 21 op artikel 3bis voert een echtscheiding in zonder schuld, maar wegens grove tekortkoming tegenover de verplichtingen die volgens de huidige bepalingen van het Burgerlijk Wetboek door het huwelijk ontstaan.

De voorzitter. - Artikel 4 luidt:

Op dit artikel heeft de heer Hugo Vandenberghe amendement 14 ingediend (zie stuk 3-2068/2) dat luidt:

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Mijn amendement 14 strekt ertoe het 5º van artikel 4 te doen vervallen.

De verantwoording daarvoor is dezelfde als die voor amendement 20 van mevrouw Nyssens die onze argumenten zeer welsprekend heeft ontwikkeld.

De voorzitter. - Op hetzelfde artikel heeft mevrouw Nyssens amendement 20 ingediend (zie stuk 3-2068/2) dat luidt:

Mevrouw Clotilde Nyssens (CDH). - Amendement 20 is een aanpassing van de onderlinge toestemming. We behouden een minimumduur voordat die echtscheiding kan worden gevraagd.

De voorzitter. - De heer Hugo Vandenberghe heeft amendement 15 ingediend (zie stuk 3-2068/2) dat luidt:

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Mijn amendement 15 stelt een minimale huwelijksduur van één jaar voor. Een zekere reflectieperiode heeft zijn nut, ook als beide partners beslissen om een einde te maken aan hun relatie. Bovendien is er een minimale termijn nodig om schijnhuwelijken afdoende te kunnen bestrijden.

De voorzitter. - Op hetzelfde artikel heeft mevrouw Nyssens amendement 22 ingediend (zie stuk 3-2068/2) dat luidt:

Mevrouw Clotilde Nyssens (CDH). - Amendement 22 is een subsidiair amendement. We stellen een echtscheiding wegens feitelijke scheiding van twee jaar voor, maar met dit subsidiaire amendement zouden we een termijn van één jaar aanvaarden, conform het amendement aangenomen door de meerderheid.

De voorzitter. - Artikel 5 luidt:

Op dit artikel heeft mevrouw Nyssens amendement 23 ingediend (zie stuk 3-2068/2) dat luidt:

Mevrouw Clotilde Nyssens (CDH). - Amendement 23 op artikel 5 betreft de huwelijksvoordelen. We stellen voor om de huidige regeling te behouden, namelijk dat de huwelijksvoordelen verworven blijven, behoudens andersluidend beding. Dat is het tegenovergestelde van wat het ontwerp bepaalt. In de nieuwe tekst wordt immers bepaald dat alle huwelijksvoordelen vervallen, behoudens andersluidend beding.

De voorzitter. - Op hetzelfde artikel heeft de heer Hugo Vandenberghe amendement 50 ingediend (zie stuk 3-2068/2) dat luidt:

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Amendement 50 is vergelijkbaar met amendement 20 van mevrouw Nyssens. Ik verwijs dan ook naar haar verantwoording.

De voorzitter. - Artikel 6 luidt:

Op dit artikel heeft mevrouw Nyssens amendement 24 ingediend (zie stuk 3-2068/2) dat luidt:

Mevrouw Clotilde Nyssens (CDH). - Amendement 24 gaat niet over contractuele voordelen, maar over contractuele erfstellingen. Ook daar stellen we het tegenovergestelde voor van wat in het ontwerp wordt bepaald.

De voorzitter. - Artikel 7 luidt:

Op dit artikel heeft de heer Hugo Vandenberghe amendement 16 ingediend (zie stuk 3-2068/2) dat luidt:

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Mijn amendement 16 heeft betrekking op de onderhoudsuitkering. Wij vinden dat partners na het huwelijk er principieel ten overstaan van elkaar en ten overstaan van hun kinderen toe gehouden zijn in te staan voor het levensonderhoud en de opvoeding. De gemeenschappelijke keuzes die ze destijds hebben gemaakt, hebben een invloed op de mogelijkheden om zelf een inkomen te verwerken na het huwelijk.

Daarenboven verwijzen we naar het arrest van het Arbitragehof van 3 mei 2000 en we vragen ons af of de oplossing die nu wordt voorgesteld niet op gespannen voet staat met de betekenis van dat arrest. Voor het overige verwijs ik naar mijn schriftelijke verantwoording.

De voorzitter. - Op hetzelfde artikel heeft mevrouw Nyssens amendement 25 ingediend (zie stuk 3-2068/2) dat luidt:

Op hetzelfde artikel heeft mevrouw Nyssens amendement 26 ingediend (zie stuk 3-2068/2) dat luidt:

Op hetzelfde artikel heeft mevrouw Nyssens amendement 27 ingediend (zie stuk 3-2068/2) dat luidt:

Op hetzelfde artikel heeft mevrouw Nyssens amendement 28 ingediend (zie stuk 3-2068/2) dat luidt:

Op hetzelfde artikel heeft mevrouw Nyssens amendement 29 ingediend (zie stuk 3-2068/2) dat luidt:

Op hetzelfde artikel heeft mevrouw Nyssens amendement 30 ingediend (zie stuk 3-2068/2) dat luidt:

Op amendement 26 heeft mevrouw Nyssens het subsidiair amendement 66 ingediend (zie stuk 3-2068/2) dat luidt:

Op amendement 27 heeft mevrouw Nyssens het subsidiair amendement 67 ingediend (zie stuk 3-2068/2) dat luidt:

Op hetzelfde artikel heeft mevrouw Nyssens amendement 68 ingediend (zie stuk 3-2068/3) dat luidt:

Mevrouw Clotilde Nyssens (CDH). - De amendementen 25 tot 30 en 66 tot 68 op artikel 7 gaan over de uitkering tot levensonderhoud. Wat we doen is andere criteria voorstellen voor de vaststelling van de alimentatie. We houden voornamelijk rekening met de levensstandaard van de ex-echtgenoten, en willen niet dat enkel rekening gehouden wordt met de staat van behoefte.

We willen ook het artikel wijzigen dat bepaalt dat de rechtbank de uitkering tot levenonderhoud kan weigeren in geval van zware fout. We stellen voor dat de rechtbank de uitkering tot levensonderhoud weigert in geval van zware fout.

De voorzitter. - Artikel 12 luidt:

Op dit artikel heeft de heer Hugo Vandenberghe amendement 51 ingediend (zie stuk 3-2068/2) dat luidt:

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Mijn amendement 51 strekt ertoe het voorgestelde artikel 308 van het Burgerlijk Wetboek aan te vullen.

De uitsluiting van een onderhoudsuitkering ten nadele van de echtgenoot of echtgenote die manifest schuldig is aan de echtscheiding, dient vergelijkenderwijs ook te gelden inzake de plicht van hulp ten nadele van de echtgenoot of echtgenote die manifest schuldig is aan het mislopen van het huwelijk en dit in het licht van artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

De voorzitter. - Artikel 22 luidt:

Op dit artikel heeft mevrouw Nyssens amendement 40 ingediend (zie stuk 3-2068/2) dat luidt:

Mevrouw Clotilde Nyssens (CDH). - Amendement 40 op artikel 22 heeft betrekking op de bevoegdheden. We stellen voor alle bevoegdheden aangaande de echtscheiding toe te vertrouwen aan de rechter ten gronde en geen onderscheid meer te maken tussen die rechter en de rechter in kort geding.

De voorzitter. - Artikel 23 luidt:

Op dit artikel heeft de heer Hugo Vandenberghe amendement 17 ingediend (zie stuk 3-2068/2) dat luidt:

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Mijn amendement 17 strekt ertoe het voorgestelde artikel 1255 te wijzigen en ook hier de woorden "of drie maanden na de eerste verschijning van de partijen" te doen vervallen en wel om dezelfde redenen die ik heb toegelicht bij mijn vorig amendement.

De voorzitter. - Op hetzelfde artikel heeft mevrouw Nyssens amendement 31 ingediend (zie stuk 3-2068/2) dat luidt:

Op amendement 31 heeft mevrouw Nyssens het subsidiair amendement 32 ingediend (zie stuk 3-2068/2) dat luidt:

Op hetzelfde artikel heeft mevrouw Nyssens amendement 36 ingediend (zie stuk 3-2068/2) dat luidt:

Artikel 24 luidt:

Op dit artikel heeft mevrouw Nyssens amendement 41 ingediend (zie stuk 3-2068/2) dat luidt:

Op hetzelfde artikel heeft mevrouw Nyssens amendement 42 ingediend (zie stuk 3-2068/2) dat luidt:

Artikel 25 luidt:

Op dit artikel heeft mevrouw Nyssens amendement 43 ingediend (zie stuk 3-2068/2) dat luidt:

Artikel 28 luidt:

Mevrouw Nyssens stelt voor dit artikel te schrappen (amendement 34, zie stuk 3-2068/2).

Mevrouw Nyssens heeft amendement 44 ingediend (zie stuk 3-2068/2) dat luidt:

Artikel 42 luidt:

Op dit artikel heeft mevrouw Nyssens amendement 35 ingediend (zie stuk 3-2068/2) dat luidt:

Mevrouw Clotilde Nyssens (CDH). - De amendementen 31 en 32 hebben tot doel de huidige echtscheidingsgrond van feitelijke scheiding aan te passen.

Amendement 36 heeft betrekking op de bemiddeling. Het bepaalt dat de rechter de partijen moet uitnodigen om een bemiddelaar te raadplegen die hen zal uitleggen wat de alternatieven voor een scheiding zijn.

De amendementen 41 en 42 hebben betrekking op de voorlopige maatregelen die door de rechter ten gronde zouden worden genomen.

Amendement 34 stelt voor het artikel te doen vervallen.

Amendement 44 heeft betrekking op bevoegdheidsproblemen en op de voorlopige maatregelen die door de rechter ten gronde worden genomen.

Amendement 35 bij artikel 41 stelt voor om de voorlopige maatregelen te herzien opdat de nieuwe wet geen invloed zou hebben op eerder tot stand gekomen situaties.

-De aangehouden stemmingen en de stemming over het wetsontwerp in zijn geheel hebben later plaats.

Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 4 juli 1989 betreffende de beperking en de controle van de verkiezingsuitgaven voor de verkiezingen van de federale Kamers, de financiering en de open boekhouding van de politieke partijen en van de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen (Stuk 3-2139)

Algemene bespreking

De heer Wouter Beke (CD&V), rapporteur. - Het wetsvoorstel dat wij vandaag bespreken, is het sluitstuk van de werkzaamheden die ook in de controlecommissie werden gevoerd en waarover een consensus werd gevonden. Het heeft drie belangrijke doelstellingen: het behoud van de analogie met de wet 14 mei 1994 betreffende de beperking en de controle van de verkiezingsuitgaven, de omzetting van de aanbevelingen van de controlecommissie en de rechtzetting van anomalieën en terminologische fouten.

In de commissie werden twee belangrijke opmerkingen gemaakt. De eerste betrof het lang aanslepen van de aanpassingen; de tweede ging over de totstandkoming van deze wetgeving, waarbij de vraag rees of doel en middelen wel in overeenstemming zijn met elkaar.

Het wetsvoorstel werd eenparig goedgekeurd.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(De tekst aangenomen door de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden is dezelfde als de tekst van het door de Kamer van volksvertegenwoordigers overgezonden ontwerp. Zie stuk Kamer 51-2996/4.)

-De artikelen 1 tot 20 worden zonder opmerking aangenomen.

-Over het wetsontwerp in zijn geheel wordt later gestemd.

Stemmingen

(De naamlijsten worden in de bijlage opgenomen.)

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en de Republiek San Marino tot het vermijden van dubbele belasting en tot het voorkomen van het ontduiken van belasting inzake belastingen naar het inkomen, ondertekend te San Marino op 21 december 2005 (Stuk 3-2045)

Stemming 1

Aanwezig: 53
Voor: 53
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

-Het wetsontwerp is aangenomen.

-Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.

Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 8 augustus 1981 tot oprichting van het Nationaal Instituut voor oorlogsinvaliden, oud-strijders en oorlogsslachtoffers en van de Hoge Raad voor oorlogsinvaliden, oud-strijders en oorlogsslachtoffers (Stuk 3-2097) (Evocatieprocedure)

De voorzitter. - We stemmen over amendement 1 van de heer Van Overmeire.

Stemming 2

Aanwezig: 57
Voor: 7
Tegen: 50
Onthoudingen: 0

-Het amendement is niet aangenomen.

De voorzitter. - We stemmen nu over het wetsontwerp in zijn geheel.

Stemming 3

Aanwezig: 57
Voor: 50
Tegen: 0
Onthoudingen: 7

-Het wetsontwerp is ongewijzigd aangenomen. Bijgevolg wordt de Senaat geacht te hebben beslist het niet te amenderen.

-Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden met het oog op de bekrachtiging door de Koning.

Wetsontwerp betreffende de hervorming van de echtscheiding (Stuk 3-2068) (Evocatieprocedure)

De voorzitter. - We stemmen over amendement 13 van de heer Hugo Vandenberghe.

Stemming 4

Aanwezig: 57
Voor: 15
Tegen: 42
Onthoudingen: 0

-Het amendement is niet aangenomen.

De voorzitter. - We stemmen over amendement 18 van mevrouw Nyssens.

Stemming 5

Aanwezig: 56
Voor: 15
Tegen: 38
Onthoudingen: 3

-Het amendement is niet aangenomen.

-Dezelfde stemuitslag wordt aanvaard voor amendement 21 van mevrouw Nyssens. Het amendement is dus niet aangenomen.

De voorzitter. - We stemmen over amendement 14 van de heer Hugo Vandenberghe.

Stemming 6

Aanwezig: 57
Voor: 15
Tegen: 39
Onthoudingen: 3

-Het amendement is niet aangenomen.

-Dezelfde stemuitslag wordt aanvaard voor de overige amendementen van mevrouw Nyssens en van de heer Hugo Vandenberghe.

-Deze amendementen zijn dus niet aangenomen.

De voorzitter. - We stemmen nu over het wetsontwerp in zijn geheel.

Stemming 7

Aanwezig: 57
Voor: 37
Tegen: 14
Onthoudingen: 6

-Het wetsontwerp is aangenomen.

-Het werd geamendeerd en zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.

Wetsontwerp betreffende de transseksualiteit (Stuk 3-1794) (Evocatieprocedure)

De voorzitter. - We stemmen over amendement 14 van de heer Hugo Vandenberghe.

Stemming 8

Aanwezig: 56
Voor: 6
Tegen: 40
Onthoudingen: 10

-Het amendement is niet aangenomen.

De voorzitter. - We stemmen over amendement 13 van de heer Hugo Vandenberghe.

Stemming 9

Aanwezig: 54
Voor: 9
Tegen: 39
Onthoudingen: 6

-Het amendement is niet aangenomen.

De voorzitter. - We stemmen over amendement 15 van de heer Hugo Vandenberghe.

Stemming 10

Aanwezig: 57
Voor: 8
Tegen: 41
Onthoudingen: 8

-Het amendement is niet aangenomen.

-Dezelfde stemuitslag wordt aanvaard voor de amendementen 16 en 17 van de heer Hugo Vandenberghe. Deze amendementen zijn dus niet aangenomen.

De voorzitter. - We stemmen nu over het wetsontwerp in zijn geheel.

Stemming 11

Aanwezig: 57
Voor: 39
Tegen: 4
Onthoudingen: 14

-Het wetsontwerp is aangenomen.

-Het werd geamendeerd en zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.

Wetsontwerp tot wijziging van de artikelen 628 en 764 van het Gerechtelijk Wetboek (Stuk 3-1794) (art. 77 van de Grondwet)

Stemming 12

Aanwezig: 57
Voor: 55
Tegen: 0
Onthoudingen: 2

-Het wetsontwerp is aangenomen.

-Het werd geamendeerd en zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.

Wetsontwerp houdende instemming met het samenwerkingsakkoord van 13 december 2006 tussen de Federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, betreffende de organisatie en de financiering van het herstelrechtelijk aanbod bedoeld in de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade (Stuk 3-2085)

Stemming 13

Aanwezig: 57
Voor: 50
Tegen: 0
Onthoudingen: 7

-Het wetsontwerp is aangenomen.

-Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.

Wetsontwerp houdende instemming met het samenwerkingsakkoord van 13 december 2006 tussen de Federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, betreffende de organisatie en financiering van de ouderstage, bedoeld in de wet betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade (Stuk 3-2086)

Stemming 14

Aanwezig: 57
Voor: 50
Tegen: 0
Onthoudingen: 7

-Het wetsontwerp is aangenomen.

-Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.

Wetsontwerp houdende instemming met het samenwerkingsakkoord van 13 december 2006 tussen de Federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, het Waals Gewest, de Duitstalige Gemeenschap en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, betreffende de inwerkingtreding van artikel 7, 7º van de wet van 13 juni 2006 tot wijziging van de wetgeving betreffende de jeugdbescherming en het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd (Stuk 3-2087)

Stemming 15

Aanwezig: 57
Voor: 50
Tegen: 0
Onthoudingen: 7

-Het wetsontwerp is aangenomen.

-Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.

Wetsvoorstel tot aanvulling van artikel 45 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, ter versterking van de democratische betrokkenheid (van de heer Jan Steverlynck c.s., Stuk 3-1956)

Stemming 16

Aanwezig: 57
Voor: 57
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

-Het wetsvoorstel is aangenomen.

-Het wetsontwerp zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.

Wetsvoorstel tot wijziging van het koninklijk besluit van 23 december 2002 tot vaststelling van de wijze waarop de Staat door bemiddeling van het Nationaal Instituut voor oorlogsinvaliden, oud-strijders en oorlogsslachtoffers voorziet in de kosteloze geneeskundige verzorging van verscheidene categorieën oud-strijders en oorlogsslachtoffers (van mevrouw Anne-Marie Lizin c.s., Stuk 3-1952)

Stemming 17

Aanwezig: 57
Voor: 57
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

-Het wetsvoorstel is aangenomen.

-Het wetsontwerp zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.

Wetsvoorstel tot herstel van artikel 117 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, met het oog op de promotie van passiefhuizen middels een «groenehypotheeklening» (van de heer Bart Martens c.s., Stuk 3-2081)

Stemming 18

Aanwezig: 57
Voor: 57
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

-Het wetsvoorstel is aangenomen.

-Het wetsontwerp zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.

Voorstel van resolutie om het veralgemeend gebruik van een ICE-nummer (In Case of Emergency) in het gsm-geheugen te bevorderen (van de heren Flor Koninckx en Ludwig Vandenhove, Stuk 3-2011)

Stemming 19

Aanwezig: 56
Voor: 56
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

-Het voorstel van resolutie is aangenomen.

-De resolutie zal aan de eerste minister en aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken worden meegedeeld.

Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 4 juli 1989 betreffende de beperking en de controle van de verkiezingsuitgaven voor de verkiezingen van de federale Kamers, de financiering en de open boekhouding van de politieke partijen en van de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen (Stuk 3-2139)

Stemming 20

Aanwezig: 54
Voor: 54
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

-Het wetsontwerp is aangenomen.

-Het zal aan de Koning ter bekrachtiging worden voorgelegd.

Regeling van de werkzaamheden

De voorzitter. - Het Bureau stelt voor volgende week deze agenda voor:

Donderdag 29 maart 2007

's ochtends om 10 uur

Evocatieprocedure
Wetsontwerp tot wijziging van een aantal wetten betreffende de dotaties aan het Rekenhof, de federale ombudsmannen, de benoemingscommissies voor het notariaat en de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer; Stuk 3-1060/1 tot 9.

Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op de politie- en inlichtingendiensten; Stuk 3-1061/1 tot 7.

Toe te voegen:
Wetsvoorstel tot wijziging van een aantal wetten betreffende de dotaties aan het Rekenhof, de Vaste Comités van toezicht op de politie- en de inlichtingendiensten, de Federale ombudsmannen en de Benoemingscommissies voor het notariaat (van de heren Jean-Marie Dedecker en Luc Willems); Stuk 3-319/1 en 2.

Wetsontwerp tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek, betreffende de dotatie aan de Hoge Raad voor de Justitie; Stuk 3-1062/1 tot 7.

Ontwerp van bijzondere wet tot wijziging van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, betreffende de dotatie aan dit hof; Stuk 3-1063/1 tot 4.

Toe te voegen:
Voorstel van bijzondere wet tot wijziging van artikel 123 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, betreffende de dotatie aan dat Hof (van de heren Jean-Marie Dedecker en Luc Willems); Stuk 3-322/1 en 2.

Wetsontwerp tot oprichting van een Parlementair Comité belast met de wetsevaluatie; Stuk 3-648/1 tot 5. (Pro memorie)

Toe te voegen:
Wetsvoorstel houdende instelling van een procedure voor de evaluatie van de wetgeving (van de heer Hugo Vandenberghe); Stuk 3-464/1 tot 3.

Wetsontwerp houdende instemming met het Verdrag inzake de toetreding van de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek tot het Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst, ter ondertekening opengesteld te Rome op 19 juni 1980, en tot het Eerste en het Tweede Protocol betreffende de uitlegging ervan door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, gedaan te Luxemburg op 14 april 2005; Stuk 3-2116/1 en 2.

Wetsontwerp houdende instemming met het Verdrag nr. 161 betreffende de bedrijfsgezondheidsdiensten, aangenomen te Genève op 26 juni 1985 door de Algemene Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie; Stuk 3-2117/1 en 2.

Wetsontwerp houdende instemming met het Verdrag nr. 155 betreffende arbeidsveiligheid, gezondheid en het arbeidsmilieu, aangenomen te Genève op 22 juni 1981 door de Algemene Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie; Stuk 3-2118/1 en 2.

Wetsontwerp houdende instemming met het Verdrag van de Raad van Europa ter bestrijding van mensenhandel, gedaan te Warschau op 16 mei 2005; Stuk 3-2119/1 en 2.

Wetsontwerp houdende instemming met Resolutie 997, aangenomen door de Raad van de IOM tijdens zijn 421e vergadering op 24 november 1998, tot wijziging van het Statuut van de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM); Stuk 3-2120/1 en 2.

Wetsontwerp houdende de instemming met het samenwerkingsakkoord van 9 februari 2007 tot wijziging van het samenwerkingsakkoord van 13 december 2002 tussen de Federale Staat, het Vlaams Gewest, het Waals Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreffende de uitvoering en de financiering van de bodemsanering van tankstations; Stuk 3-2114/1 en 2.

Wetsontwerp betreffende de internering van personen die lijden aan een geestesstoornis; Stuk 3-2094/1 tot 4. (Pro memorie)

Toe te voegen:

Wetsvoorstel tot aanvulling van artikel 19ter van de wet van 9 april 1930 tot bescherming van de maatschappij tegen abnormalen, gewoontemisdadigers en plegers van bepaalde seksuele strafbare feiten, wat de wijze betreft waarop cassatieberoep wordt ingesteld (van de heer Hugo Vandenberghe); Stuk 3-2104/1 en 2.

Wetsontwerp tot wijziging van de kieswetgeving, wat betreft de vermelding van politieke partijen boven de kandidatenlijsten op de stembiljetten bij de verkiezingen van de federale wetgevende kamers, het Vlaams Parlement, het Waals Parlement, het Brussels Hoofdstedelijk Parlement en het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap; Stuk 3-2342/1. (Pro memorie)

Evocatieprocedure - Onder voorbehoud van evocatie
Wetsvoorstel tot wijziging van de wet van 23 maart 1989 betreffende de verkiezing van het Europees parlement, wat betreft de vermelding van politieke partijen boven de kandidatenlijsten op de stembiljetten; Stuk 3-2343/1. (Pro memorie)

's namiddags om 15 uur

Inoverwegingneming van voorstellen.

Actualiteitendebat en mondelinge vragen.

Hervatting van de agenda van de ochtendvergadering.

Vanaf 18 uur:

Naamstemmingen over de afgehandelde agendapunten in hun geheel.

Naamstemming over het ontwerp van bijzondere wet tot wijziging van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, betreffende de dotatie aan dit hof; Stuk 3-1063/1. (Stemming met de meerderheid bepaald in artikel 4, laatste lid, van de Grondwet).

Stemming over de moties ingediend tot besluit van het themadebat over het energiebeleid in België; Stuk 3-2041/1 en 2.

Vragen om uitleg:

-De Senaat is het eens met deze regeling van de werkzaamheden.

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de vice-eersteminister en minister van Justitie over «het ontbreken van een nieuw reglement betreffende gerechtskosten» (nr. 3-2207)

De voorzitter. - Mevrouw Els Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van Begroting en Consumentenzaken, antwoordt.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - In december verschijnen normaal de geïndexeerde tarieven van de gerechtskosten in strafzaken. Dit keer niet. In plaats daarvan verscheen er op 22 december 2006 een bericht dat het ministerieel besluit van 18 september 2002 betreffende de gerechtskosten in strafzaken door een arrest van de Raad van State was vernietigd.

De gecreëerde leemte werd opgevuld in de programmawet die op 27 december 2006 in het Staatsblad verscheen. Artikel 6 bepaalt dat de Koning, bij een besluit vastgelegd na overleg in de Ministerraad, een algemeen reglement aanneemt inzake de gerechtskosten in strafzaken houdende bepaling van een lijst van gerechtskosten, de tarifering en de betalings- en inningsprocedure ervan. Bij de bespreking van dit artikel in de Kamer beweerde de bevoegde minister dat in de loop van januari 2007 een nieuw algemeen reglement inzake gerechtskosten zou worden gepubliceerd. Tot op heden, 22 maart 2007, is dit niet gebeurd.

Door het uitblijven van een regeling is het niet duidelijk hoe, in afwachting van de nieuwe regeling, de gerechtskosten zullen worden geregeld na (en vóór) de vernietiging van het genoemde ministerieel besluit.

Hoe komt het dat het nieuw reglement nog steeds niet is gepubliceerd?

Op welke wijze moeten de gerechtskosten nu geregeld worden terwijl er nog geen nieuwe regeling is?

Mevrouw Els Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van Begroting en Consumentenzaken. - Ik lees het antwoord van de minister.

De context van de situatie die u ter sprake brengt, is dat ik het hele systeem moest herzien, ingevolge een vernietiging door de Raad van State, van de laatste versie van de gerechtskostenschaal. De bepalingen ingevoegd in de programmawet II van 27 december 2006 werden echter al lang door mijn diensten voorbereid.

Het is juist dat een ontwerp van koninklijk besluit betreffende de organisatie van het beheer van de gerechtskosten ter beraadslaging aan de Ministerraad en ter ondertekening aan de Koning wordt voorgelegd, dat onder het klassieke opschrift `Algemeen reglement op de gerechtskosten' zal worden opgenomen. De procedure tot goedkeuring van dit koninklijk besluit werd gelanceerd voor de goedkeuring van de wet, op 21 december 2006. Het gaat over een fundamentele en lange tekst, aangezien hij 100 artikelen bevat met twee verschillende doelstellingen: ten eerste het regelen van de procedures, de aanwijzings-, terugbetalings- en vorderingswijze van de gerechtskosten, dienstverleningen en deskundigenonderzoeken; ten tweede het bepalen van de deskundigenonderzoeken en de andere dienstverleningen en het vastleggen van de normale tarieven ervan.

Ik heb er voor gekozen om al die regels en de bedragen in eenzelfde tekst vast te leggen.

Aangezien deze tekst uitgaven veroorzaakt, moet hij aan de Administratieve en Budgettaire controle worden voorgelegd.

Ik heb onlangs het advies van de Inspecteur van Financiën ontvangen, na diverse besprekingen, uitleg, en verduidelijkingen, in het bijzonder inzake de tarifering. Met dit advies heb ik net het ontwerp van besluit aan mijn collega van Begroting voor akkoord voorgelegd. Ik wacht op een snelle beslissing aangezien alle opmerkingen over de budgettaire controle werden aanvaard en in de tekst opgenomen. Dit dossier zal op 30 maart 2007 door de regering worden onderzocht.

Door de circulaires 090 en 090bis werd uitdrukkelijk aan de taxerende magistraten meegedeeld:

1. Dat de referentietarieven deze waren van het barema dat nu van kracht is, in de geïndexeerde versie op 1 januari 1999. (Ministerieel besluit van 26 november 1980, gewijzigd op 14 maart 1986). De vernietiging door de Raad van State sloeg op de laatste versie. Door dit besluit te vernietigen heeft de Raad ook de opheffingsbepaling van het vorige reglement vernietigd dat dus terug in werking getreden is.

2. Dat deze tarieven aan de ondertussen plaatsgevonden prijsontwikkeling aangepast kunnen worden.

3. Dat de eisende magistraten verzocht worden deze tarieven te doen aanvaarden door de deskundigen. Ze krijgen dan een contractueel karakter.

Door middel van circulaire 090bis werd nader bepaald dat de gewijzigde schaal de normale schaal is en de uitzonderingen op deze schaal gemotiveerd moeten worden.

Het zou ook mogelijk zijn over te gaan naar de gewone jaarlijkse indexering door middel van een rondzendbrief en niet door een ministerieel besluit. Deze optie wordt nog onderzocht.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Ik wacht een week om te zien of de regeling er komt.

Wat de omzendbrieven betreft verwijs ik dus naar de arresten van het Arbitragehof, namelijk dat die nooit wet kunnen zijn.

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de vice-eersteminister en minister van Justitie en aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken over «het smokkelen van harddrugs» (nr. 3-2227)

De voorzitter. - Mevrouw Els Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van Begroting en Consumentenzaken, antwoordt.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Vorig jaar kampte de luchthaven van Zaventem met een aanzienlijke stijging van de drugssmokkel. Vorig jaar werd 810 kg cocaïne in beslag genomen, tegenover 342 kg in 2005. Ook bij heroïne was er een stijging tot 71 kg tegenover 45 kg het jaar daarvoor.

Drugsbestrijding is en blijft de belangrijkste prioriteit van de politie- en douanediensten. Ze zetten hiervoor de helft van hun capaciteit aan mensen in.

Welke initiatieven heeft de minister genomen in de strijd tegen harddrugs en drugkoeriers?

Wat wil de minister doen in de strijd tegen harddrugs en drugkoeriers?

Zullen bijkomende politiekrachten worden ingezet om het klassieke politie- en douanewerk te verzekeren als de helft van de capaciteit actief is in de strijd tegen drugskoeriers?

Mevrouw Els Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van Begroting en Consumentenzaken. - Ik lees het antwoord van de minister van Binnenlandse Zaken.

Ingevolge het nationale veiligheidsplan dat door de regering in 2004 werd goedgekeurd, is de strijd tegen harddrugs een prioriteit van de politiediensten. Op nationaal vlak wordt ongeveer 10% van de onderzoekscapaciteit van de federale politie besteed aan de aanpak van de drugsproductie of -zwendel.

De recherche investeert zwaar in het gebruik van bijzondere politietechnieken voor de opsporing en vervolging van drugshandelaars. Bij de eerstelijnscontroles wordt een optimale complementariteit nagestreefd tussen de bevoegde diensten van de douane en de federale politie. De douane werd de voorbije jaren bovendien uitgerust met gespecialiseerde detectieapparatuur.

Omdat het hier per definitie grensoverschrijdende criminaliteit betreft, moet het probleem echter vooral in een internationale context worden bestreden. De Belgische politiediensten hebben de voorbije jaren het voortouw genomen. Ik geef hiervan enkele voorbeelden.

Bilateraal wordt nauw samengewerkt met de Nederlandse politiediensten: punctueel, in het raam van concrete onderzoeken, maar ook structureel, door de systematische uitwisseling van informatie en expertise, door het samen opzetten van een experimenteel drugslabo voor de opleiding enzovoorts. Inzake drugshandel is Nederland voor België immers het land bij uitstek waarmee moet worden samengewerkt. Deze verregaande samenwerking wordt onder andere mogelijk gemaakt door het Beneluxpolitiesamenwerkingsverdrag van 2004. In de filosofie van de Intelligence-Led Policing werd met het Nederlandse ministerie van Justitie nog een overeenkomst afgesloten die toelaat politiële informatie over potentiële drugskoeriers efficiënter uit te wisselen.

Binnen de Raad van Europa bestaat het platform luchthavens van de Pompidougroep. Ons land nam het initiatief om een coördinatiecomité op te richten teneinde het multidisciplinair karakter van dit forum sterker te ondersteunen en een betere interactie met de andere Europese initiatieven in te bevorderen.

Ook in de EU Chiefs of Police Task Force (CPTF) wordt de problematiek op hoog politieel niveau constant besproken en geëvalueerd. Momenteel werkt onze federale politie in deze task force aan een project inzake illegale cocaïnetrafiek.

De diensten van de federale politie en van de douane nemen tevens actief deel aan de projecten van Europol. Ik verwijs hier naar de Analytical Work Files voor de strijd tegen de cocaïne- en de heroïnetrafiek, waar verbanden worden gelegd tussen gerechtelijke onderzoeken op Europees vlak.

Meer in de justitiële sfeer werd een actieplan uitgewerkt onder de regie van het federale parket, waarin grote aandacht wordt geschonken aan de samenwerking met onze buurlanden en met Nederland in het bijzonder.

Veeleer dan het aantal eerstelijnscontroles door de politie op te drijven, dient deze problematiek dus in een internationale context te worden bekeken. De centrale directie Drugs van de federale politie coördineert de Belgische bijdrage hierin onder andere door te evalueren welke maatregelen in de diepte, in casu met de landen van vertrek of herkomst van de drugs, getroffen kunnen worden.

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «de toename van vergissingen met generieke geneesmiddelen» (nr. 3-2228)

De voorzitter. - Mevrouw Els Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van Begroting en Consumentenzaken, antwoordt.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - De grootste artsenvakbond, BVAS, liet weten dat met generieke geneesmiddelen veel meer vergissingen gebeuren. Bij patiënten die meer dan één medicament nemen, gebeuren die vaak omdat de vertrouwde kleur van de pilletjes verandert. Ook apothekers en artsen zouden zich vaker vergissen.

Vergissingen omtrent de inname van medicatie kunnen zware gevolgen hebben voor de patiënt, maar zijn ook een dure aangelegenheid.

De artsenvakbond publiceerde zijn bericht onder de titel: `Generieken zijn duur en schadelijk voor de gezondheid'. Door dergelijke berichten ontstaat bij de bevolking onduidelijkheid over de generieke geneesmiddelen. De minister en de vakbond kunnen blijkbaar moeilijk tot een vergelijk komen en ondertussen komen allerlei tegenstrijdige berichten op de bevolking af.

Is het aantal meldingen van ongewenste effecten van geneesmiddelen gestegen sinds de invoering van de generieke norm?

Wat vindt de minister van de uitspraak: `Generieken zijn duur en schadelijk voor de gezondheid'?

Wat zal de minister doen om de eventuele vertrouwensbreuk met de artsenvakbond te herstellen?

Mevrouw Els Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van Begroting en Consumentenzaken. - Ik lees het antwoord.

Uit de informatie waarover ik beschik, blijkt niet dat er een verhoging is van het aantal meldingen van ongewenste effecten sinds de invoering van de generieke geneesmiddelen in België. Sinds de registratie van het eerste generieke geneesmiddel op de Belgische markt een twintigtal jaar geleden heeft het BCGH, het Belgisch Centrum voor geneesmiddelenbewaking voor geneesmiddelen voor humaan gebruik, dat onder het FAGG valt, ongeveer 27.500 meldingen ontvangen van ongewenste effecten verbonden aan het gebruik van geneesmiddelen. Slechts 161 daarvan hadden betrekking op generieke geneesmiddelen.

Het Franse geneesmiddelenagentschap heeft onlangs een verslag gepubliceerd over de ongewenste effecten van generieke geneesmiddelen. Uit deze studie blijkt dat er geen elementen zijn die aantonen dat generieke geneesmiddelen problemen voor de volksgezondheid meebrengen, als gevolg van ongewenste effecten. De studie legt echter ook de nadruk op de noodzaak van een betere informatie van de patiënt, afgestemd op elk individueel geval.

Ik ben het niet eens met het standpunt dat generieke geneesmiddelen duur en schadelijk zijn. Ik heb trouwens onmiddellijk samen met het FAGG een bericht verspreid. De aangehaalde stelling steunt op vaststellingen die werden gemaakt naar aanleiding van een studie verschenen in een artikel van Med Medica. De methodologie die bij deze studie gebruikt werd, is om de volgende redenen voor kritiek vatbaar. Er worden geen bronnen vermeld; de studie is gebaseerd op een honderdtal antwoorden van artsen, van wie 70 procent Franstalig en 20 procent Nederlandstalig; er wordt geen algemeen resultaat gegeven en er wordt ook geen cijfermateriaal gegeven ter staving van de beschrijvingen. Ten slotte wordt ook geen statistische verwerking van de gegevens gegeven. Om die redenen kan het artikel in kwestie als anekdotisch worden afgedaan.

Ik blijf erbij dat `goedkopere' geneesmiddelen, met inbegrip van generica, kopieën of originelen waarvan de prijs is gedaald, allemaal doeltreffende en veilige geneesmiddelen zijn. Ze zijn onderworpen aan identieke kwaliteits-, doeltreffendheids- en veiligheidseisen. Ze betekenen een aanzienlijke besparing voor de patiënt en de ziekteverzekering.

Ik wil echter een aantal punten onderstrepen.

Een correcte informatie van de patiënt is ook een essentieel element voor het goed gebruik van een generiek geneesmiddel. Arts en apotheker spelen daarbij een cruciale rol. Er dient overwogen te worden om aanbevelingen in die zin te doen.

Bovendien heeft het BCGH, dat deel uitmaakt van het FAGG, als opdracht informatie over ongewenste effecten van geneesmiddelen te verzamelen en te beoordelen om indien nodig maatregelen te kunnen nemen.

Deze informatie wordt aan het BCGH doorgegeven ofwel rechtstreeks via het spontaan meldingssysteem, ofwel door de farmaceutische firma's.

Om de opvolging van het veiligheidsprofiel van geneesmiddelen te verbeteren wenst het FAGG een systeem van `actieve' geneesmiddelenbewaking te creëren dat niet meer afhankelijk is van de spontane melding van ongewenste effecten, maar gebaseerd is op de systematische melding van ongewenste effecten door een netwerk van professionals in de gezondheidszorg. Dat project zal in samenwerking met het Wetenschappelijk Instituut volksgezondheid worden gerealiseerd.

Het FAGG beschikt niet over een georganiseerd systeem om klachten van patiënten te verzamelen, maar beantwoordt elke klacht of informatieaanvraag van patiënten. Er lopen momenteel besprekingen tussen het FAGG en Test-Aankoop om een protocol op te stellen volgens hetwelk de consumentenorganisatie meldingen van patiënten over ongewenste effecten aan het FAGG zal bezorgen.

Vraag om uitleg van mevrouw Annemie Van de Casteele aan de vice-eersteminister en minister van Justitie en aan de minister van Mobiliteit over «de strafmaat voor bestuurders die dodelijke ongevallen veroorzaakten» (nr. 3-2198)

De voorzitter. - Mevrouw Els Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van Begroting en Consumentenzaken, antwoordt.

Mevrouw Annemie Van de Casteele (VLD). - Minister Landuyt kreeg onlangs het bezoek van ouders van slachtoffers van een verkeersongeval met dodelijke afloop, die een noodkreet hebben geslaakt en alle parlementsleden ook een brief hebben gestuurd. Ze begrijpen immers niet waarom de rechter een in hun ogen zeer milde straf heeft uitgesproken voor de bestuurder die een verkeersongeval veroorzaakte waarbij twee jonge vrouwen omkwamen en twee andere jonge vrouwen zwaar gewond werden. De families hebben door dit ongeval een zwaar trauma opgelopen.

Rekening houdend met de scheiding der machten kunnen we uiteraard geen oordeel vellen over de uitspraak van de rechter. Toch rijst de vraag of de minimumstraffen voor dergelijke misdrijven voldoende hoog zijn en of de strafmaat niet moet worden verzwaard indien intoxicatie of recidive mee aan de basis van de feiten ligt.

In de pers las ik dat de minister intussen een vergadering heeft gehouden over verkeersveiligheid die al bepaalde resultaten opleverde of intenties die misschien in de goede richting gaan. Toch heb ik nog concrete vragen.

Welke zijn de minimale en maximale straffen die de rechter kan uitspreken in een geval zoals hierboven aangehaald?

In welke mate moet rekening worden gehouden met verzwarende omstandigheden zoals dronkenschap of recidive?

Klopt het dat de uitspraak van de rechtbanken zeer uiteenlopend zijn naargelang van de gerechtelijke omschrijving?

Moet er niet gestreefd worden naar meer uniforme rechtspraak om te vermijden dat bij slachtoffers en hun familie een gevoel van willekeur ontstaat?

Is een wetgevend initiatief mogelijk of nuttig om strengere minimumstraffen op te leggen?

Mevrouw Els Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van Begroting en Consumentenzaken. - Conform artikel 419, tweede lid, van het Strafwetboek wordt een dodelijk verkeersongeval bestraft met een gevangenisstraf van 3 maanden tot 5 jaar, een geldboete van 50 tot 2.000 euro en een facultatief rijverbod van 8 dagen tot 5 jaar. In geval van recidive, dat wil zeggen in geval van een dodelijk verkeersongeval veroorzaakt door een dader die reeds eerder werd veroordeeld tot 1 jaar gevangenisstraf, kunnen de maximumstraffen worden verdubbeld. In geval van dronkenschap bedraagt het rijverbod minimum 3 maanden en maximum levenslang. Bovendien moet de veroordeelde opnieuw slagen voor het theoretisch en praktisch rijexamen en voor een geneeskundig en psychologisch onderzoek alvorens hij of zij het rijbewijs terugkrijgt. In geval van bijzondere herhaling bedraagt het rijverbod minimum 1 jaar en maximum levenslang.

In het kader waarbinnen een vraag om uitleg beantwoord dient te worden, is het niet mogelijk de strafmaten van de verschillende politierechtbanken voor dodelijke verkeersongevallen met elkaar te vergelijken, maar we mogen ons inderdaad aan verschillen in uitspraken verwachten. Die verschillen hangen echter het meest af van de concrete omstandigheden van een dodelijk verkeersongeval en van de achtergrond en persoonlijkheid van de dader.

Mijns inziens zijn de straffen voor dodelijke verkeersongevallen reeds hoog genoeg om voldoende afschrikkingwekkend te zijn. Bovendien moeten de politierechters over een voldoende grote appreciatiemarge beschikken om gevangenisstraffen op te leggen. De wetgever heeft de appreciatiemarge voor de rechters bij het opleggen van een rijverbod reeds verkleind, onder meer voor dodelijke verkeersongevallen gepleegd door daders die zich in staat van dronkenschap en/of bijzondere herhaling bevinden. Het spreekt echter voor zich dat de wetgever steeds een wet kan aannemen waarbij de straffen voor dodelijke verkeersongevallen worden verhoogd of verminderd.

Mevrouw Annemie Van de Casteele (VLD). - Ik ben het ermee eens dat er een appreciatiemarge moet blijven voor de rechter. Volgens mij speelt niet alleen de persoonlijkheid van de dader een rol, maar soms ook de persoonlijkheid van de rechter. Dat kan er toe leiden dat er een gevoel van willekeur is, omdat de ene rechter de naam heeft strenger te zijn dan de andere voor dergelijke misdrijven.

De uitspraken bij drugsdelicten worden via de procureurs-generaal enigszins gestroomlijnd, zonder dat de appreciatiemarge van de rechter in het gedrang komt. Dat zou ik in dit geval misschien wenselijk zijn.

De minister kaatst de bal terug naar de wetgever. Nu is het te laat om een initiatief te nemen, maar ik hoop dat het in de toekomst gebeurt en dat het afschrikkend effect bij recidive of rijden onder invloed wordt verhoogd.

(Voorzitter: de heer Hugo Vandenberghe, ondervoorzitter.)

Vraag om uitleg van mevrouw Sabine de Bethune aan de vice-eersteminister en minister van Justitie en aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken over «de erkenning van het huwelijk van vluchtelingen en asielzoekers op basis van andere elementen dan officiële huwelijksakten» (nr. 3-2202)

De voorzitter. - Mevrouw Els Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van Begroting en Consumentenzaken, antwoordt.

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Recentelijk werd ik geïnformeerd over de bijzondere situatie waarin verschillende asielzoekers en vluchtelingen in België zich bevinden. Zo is er een koppel uit Iran, gehuwd in Iran, dat in België werd geregulariseerd wegens langdurig verblijf en bewijzen van integratie. Hoewel genotuleerd staat bij hun asielaanvraag dat ze gehuwd zijn, werd deze staat van huwelijk niet opgenomen in het wachtregister wegens gebrek aan officieel bewijs. Dit probleem doet zich blijkbaar pas voor op het ogenblik dat men geregulariseerd wordt en men officiële bewijzen vraagt. Dergelijke akte kan niet verkregen worden in het land van oorsprong of bij de ambassade, zolang de aanvraag voor asiel nog loopt. Pogingen tot erkenning van een huwelijk mislukken dus bij gebrek aan een officiële huwelijksakte. De kopie van hun Iranese paspoorten, waarop hun huwelijk vermeld staat en die door een gelegaliseerde tolk in het Nederlands zijn vertaald, worden in de stad waar ze wonen, niet als voldoende aanvaard. Ook het feit dat de dienst Vreemdelingenzaken hen als gehuwd beschouwt, noch de door deze dienst voorgelegde documenten, kunnen dat verhelpen.

Bij verandering in de gezinssituatie en bij inschrijving bij de sociale huisvestingsmaatschappij wordt het al dan niet gehuwd zijn plots belangrijk. In heel wat gemeentelijke administraties vertrok men in dit geval van de feitelijke situatie: men aanvaardde het gehuwd zijn op basis van bewijzen van andere instanties, bijvoorbeeld het OCMW, de achternaam van de kinderen, vertaalde documenten van land van herkomst. In meer en meer gemeenten doet men moeilijk omdat het wachtregister geen vermelding bevat van het gehuwd zijn.

Dat heeft vooral praktische problemen tot gevolg, die ook mentaal zwaar wegen. Zo kan in bovenvermeld geval de vader uit Iran zijn tweede, in België geboren kind niet officieel erkennen: hij kan niet bewijzen dat hij gehuwd is. Hij kan het ook niet erkennen, want `hij kan niet bewijzen dat hij ongehuwd is'. Het pasgeboren kind heeft dus officieel geen vader - wat indruist tegen de rechten van het kind - en krijgt de naam van de moeder, terwijl de broer, geboren in Iran, de achternaam van de vader draagt. In feite zouden dus vele kinderen van geregulariseerde vluchtelingen officieel slechts één ouder kunnen hebben.

In het concrete geval van de geregulariseerde vluchtelingen uit Iran werd ook hun inschrijving voor een woning bij een sociaal woningfonds geweigerd, daar ze geen gezin zouden zijn en de moeder de woning dan zou onderverhuren. Ze kunnen immers geen officieel bewijs van huwelijk of samenwonen voorleggen, maar ze kunnen ook niet huwen of een samenlevingscontract sluiten, want ze kunnen evenmin bewijzen dat ze niet gehuwd zijn.

Ten slotte, aangezien de moeder `ongehuwd' is en niet werkt, moet ze een lange wachttijd doorlopen voordat de geboortepremie, het kindergeld en dergelijke van haar jongste kind in orde kunnen worden gebracht.

Blijkbaar komt deze situatie meer en meer voor. Ik heb een voorbeeld uitgewerkt, maar mij zijn uit meerdere gemeenten gevallen gemeld die volledig parallel lopen.

In deze context kreeg ik van de minister graag een antwoord op volgende vragen.

Worden er maatregelen getroffen om de erkenning van een huwelijk van asielzoekers bij gebrek aan een originele of wettelijk erkende bewijzen van huwelijk mogelijk te maken op basis van andere bewijzen, bijvoorbeeld op basis van uitdrukkelijke wederzijdse verklaringen bij eerste aankomst in België, vermelding van naam op officiële documenten van land van oorsprong, familienaam van kinderen bij aankomst in België, permanent samenwonen en als dusdanig bekend zijn bij het plaatselijke OCMW?

Worden er maatregelen getroffen om bij het niet kunnen erkennen van het huwelijk, het erkennen van vaderschap van een kind, het aanvaarden van een koppel als samenwonenden en dergelijke mogelijk te maken?

Welke maatregelen kunnen worden genomen om ervoor te zorgen dat de kinderen van koppels die met dergelijke situaties te maken hebben, toch een juridische band met hun vader kunnen hebben?

Het zijn stuk voor stuk schrijnende toestanden die voor de betrokken mensen zowel sociaal, als juridisch, psychologisch en principieel zeer zware problemen opwerpen, ook al zijn deze mensen dan geregulariseerd.

Mevrouw Els Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van Begroting en Consumentenzaken. - Voor de eerste vraag moeten we onderscheid maken tussen erkende vluchtelingen en asielzoekers. Bij de tweede categorie hangt veel trouwens nog af van het stadium waarin hun procedure zich bevindt.

Voor haar vraag over de statuten van asielzoekers of kandidaat-vluchtelingen, evenals haar vragen over de toegang tot en het verblijf op het grondgebied, verwijs ik mevrouw de Bethune naar de minister van Binnenlandse Zaken.

Voor erkende vluchtelingen bestaat er normaal gezien geen probleem. Het Commissariaat-Generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen geeft aan betrokkene de documenten of getuigschriften af die normaliter aan hem/haar zouden worden uitgereikt door de nationale overheden. De op deze wijze uitgereikte documenten en getuigschriften vervangen de officiële akten en zijn rechtsgeldig tot bewijs van het tegendeel.

Inzake asielzoekers volgen rechtspraak en rechtslitteratuur steeds meer volgende redenering. In principe moet de persoon die beweert in het buitenland te zijn gehuwd, een afschrift tonen van de authentieke akte, zo bepaalt artikel 27 van het Wetboek van internationaal privaatrecht. Artikel 24 staat echter toe dat de administratie documenten aanvaardt die gelijkwaardig zijn of dat de betrokkene zelfs vrijgesteld wordt van het overleggen, indien hij voldoende bewijs levert. Het gaat bijvoorbeeld om gevallen waarbij de afstand of de moeilijkheid om te communiceren met het betrokken vreemde land, het overleggen van de authentieke akte onmogelijk maakt.

Indien er nog problemen blijven, kunnen de Belgische rechtbanken worden gevat om kennis te nemen van elke vordering inzake de staat, dit in hetzelfde kader en in toepassing van artikel 32 van het Wetboek van internationaal privaatrecht.

Inzake de vaststelling van het vaderschap van een vreemdeling bepaalt artikel 62, §1, van het Wetboek van internationaal privaatrecht het recht dat van toepassing is op de afstamming. Zo wordt de vaststelling van het vaderschap geregeld door het recht van de staat waarvan de kandidaat-vader de nationaliteit heeft op het moment dat het kind geboren wordt of, in geval van erkenning, op het moment dat de akte wordt opgesteld. Artikel 63 bepaalt dat het bewijs van de afstammingsband geregeld wordt door hetzelfde recht. Het is mogelijk dat het toepasbare recht de afstamming buiten het huwelijk niet toestaat. In dat geval zal de exceptie van internationaal-privaatrechtelijke openbare orde toegepast worden. Sedert het arrest-Marckx is elke discriminatie tussen huwelijkse en buitenhuwelijkse kinderen verboden. De erkenning is aldus toegelaten in toepassing van het Belgische recht.

Voor de vraag over het erkennen van de betrokken personen als samenwonenden, wijs ik erop dat dit geen juridisch begrip is. Inzake de mogelijkheid om al dan niet een wettelijke samenwoning aan te gaan, kan ik dan weer een gunstig antwoord geven: artikel 59 van het Wetboek van internationaal privaatrecht maakt een wettelijke samenleving mogelijk zodra de partners een gemeenschappelijke gewoonlijke verblijfplaats in België hebben.

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Ik zal het antwoord van de minister nader onderzoeken, maar wil nu reeds ingaan op één punt.

De minister antwoordt dat het probleem in verband met de erkenning van het huwelijk voor erkende politieke vluchtelingen is opgelost. Mijn vraag gaat over mensen die niet als politiek vluchteling zijn erkend, maar wier verblijf in ons land geregulariseerd is. Voor hen is er een vacuüm in de procedure. Voor de administratieve regularisering van hun verblijf hebben de bevoegde diensten verschillende documenten onderzocht. Wellicht moet worden onderzocht of de bevoegde diensten parallel met de procedure voor de erkenning als politieke vluchteling attesten en afschriften kunnen geven. Zo moet volgens mij voor deze mensen naar een coherente oplossing worden gezocht.

Vraag om uitleg van mevrouw Stéphanie Anseeuw aan de vice-eersteminister en minister van Justitie en aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken over «het verbod op virtuele kinderporno» (nr. 3-2203)

De voorzitter. - Mevrouw Els Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van Begroting en Consumentenzaken, antwoordt.

Mevrouw Stéphanie Anseeuw (VLD). - Uit een reportage van het Nederlandse programma Netwerk bleek dat sommige bezoekers van Second Life hun alter ego expliciete seksuele handelingen lieten verrichten met kinderen. Op Second Life zijn daarvoor speciale ruimten ingericht.

Zoals bekend is Second Life een virtuele leefwereld op het internet waarin men als het ware een tweede leven kan leiden.

Het aantrekkelijke van deze virtuele wereld is dat er quasi geen regels zijn. De keerzijde is echter dat mensen strafbare handelingen in deze virtuele wereld kunnen stellen. De Nederlandse Mesdagkliniek heeft onderzoek over dat onderwerp gevoerd en heeft vastgesteld dat mannen die virtuele kinderporno bekijken ook daadwerkelijk kunnen overgaan tot seksuele verrichtingen met kinderen. De kliniek stelt dat de virtuele wereld een leerschool voor pedofielen is.

We staan aan de vooravond van een totaal nieuwe maatschappij waarin virtuele leefwerelden soms primeren op de reële leefwereld. Mensen bouwen heden economisch rendabele activiteiten op in Second Life. Voorbeelden daarvan zijn musici, architecten, enz.

Malafide personen vinden echter eveneens hun weg naar Second Life. Bij virtuele kinderporno worden kinderen niet daadwerkelijk misbruikt, doch er worden afbeeldingen digitaal gemanipuleerd. Juridisch belangrijk is dat de digitale beelden geen beelden van echte personen zijn, doch van volledig virtueel opgebouwde personen. Volgens juristen is dat niet strafbaar. Ook in Nederland is dat tot op heden niet strafbaar. Diverse politieke partijen hebben er wel al aangegeven dat zij een verbod op virtuele kinderporno willen.

In België zijn er al meer dan 10.000 gebruikers van Second Life. Ik vind het bijzonder jammer dat enkele malafide personen misbruik maken van deze wonderbaarlijke virtuele wereld. Wegens het gevaar dat virtuele kinderporno drempelverlagend kan werken en aldus kan leiden tot echte slachtoffers, moeten we het debat hierover aangaan.

Kan een Belg die zijn virtuele alter ego seksuele handelingen laat verrichten met virtuele kinderen volgens de huidige wetgeving worden bestraft?

Zo neen, is de minister voorstander van een wettelijk verbod op virtuele kinderporno, aangezien dit volgens psychologen en specialisten ter zake drempelverlagend werkt en dus tot echte slachtoffers kan leiden?

Hebben de Federal Computer Crime Unit of andere diensten reeds klachten ontvangen omtrent virtuele kinderporno? Zo ja, kan de minister aangeven of deze gevallen onder de huidige strafwetgeving vallen, alsook welke mogelijke straffen hieraan verbonden zijn?

Mevrouw Els Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van Begroting en Consumentenzaken. - Ik lees het antwoord van minister Onkelinx.

To be, or not to be, - that is the question: -, zoals Shakespeare reeds schreef in Hamlet. Deze uitspraak is zeker van toepassing op het virtuele fenomeen dat u net heeft beschreven.

Wie in een virtuele internetwereld normaal verboden seksuele handelingen stelt met virtuele kinderen is volgens de huidige wetgeving niet strafbaar. Dat geldt bijvoorbeeld ook voor wie in een interactief computerspel een kind vermoordt.

Niettemin is het zo dat naargelang van de concrete omstandigheden waarin dergelijke virtuele seksuele handelingen in de virtuele wereld worden gesteld, ze wel degelijk strafrechterlijk kunnen worden vervolgd. Zo zouden die handelingen kunnen worden aangezien als het misdrijf bederf van de jeugd of schending van de openbare zeden.

Ik ben niet gekant tegen een expliciet verbod op virtuele kinderporno. We zullen ons echter goed moeten bezinnen over het toepassingsgebied van een dergelijke wetgeving. De vraag rijst immers of virtuele kinderen virtueel seksueel misbruiken minder erg is dan virtuele kinderen virtueel vermoorden. Indien niet, waarom zou men dan virtuele kindermoorden of zelfs virtuele moorden op volwassenen niet verbieden? Sommige studies hebben immers al aangetoond dat wie in computerspelletjes roekeloos moet rijden ook in het echte verkeer roekelozer rijdt dan andere personen. Moet men die spelletjes dan ook verbieden? Welke strafmaat moet gelden voor een virtueel misdrijf?

De implementatie van het verbod op virtuele kinderporno zal alles behalve eenvoudig zijn. Uit het oogpunt van de strafprocedure moet men zich immers steeds afvragen waar het misdrijf zich heeft afgespeeld, in België of in het buitenland. Bij de politiediensten is geen enkele klacht tegen virtuele kinderpornografie bekend.

Het lijkt me dus belangrijker om internationaal overeenstemming te bereiken over de principes van de rechtsmacht voor feiten die via het internet worden gepleegd, namelijk wanneer is men bevoegd om te vervolgen. Bovendien zou er een duidelijk wettelijk kader moeten worden gecreëerd om de toegang tot bepaalde websites die bijvoorbeeld aanzetten tot terrorisme, racisme en pedofilie, te kunnen blokkeren.

Tenslotte denk ik dat initiatieven zoals Second Life beter zichzelf kunnen reguleren en het technisch onmogelijk zouden moeten maken om seksueel verboden handelingen te stellen. Misschien moet Second Life daartoe een virtuele rechtbank oprichten.

Vraag om uitleg van de heer Joris Van Hauthem aan de vice-eersteminister en minister van Justitie over «de resultaten van het overleg met het College van procureurs-generaal inzake de controle op het voorafgaan van het burgerlijk huwelijk aan de huwelijksinzegening» (nr. 3-2210)

De voorzitter. - Mevrouw Els Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van Begroting en Consumentenzaken, antwoordt.

De heer Joris Van Hauthem (VL. BELANG). - Op 13 oktober 2005 heb ik de minister ondervraagd over de notie huwelijksinzegening en het feit dat deze, volgens de Grondwet, moet worden voorafgegaan door een burgerlijk huwelijk.

De minister heeft toen duidelijk bevestigd dat de ter zake toepasselijke bepalingen gelden voor alle erediensten die in ons land worden beleden. Elk soort religieus huwelijk, behoudens één specifieke uitzondering, met name het huwelijk in extremis, moet dus wettelijk gezien steeds worden voorafgegaan door een burgerlijk huwelijk. De bedienaars van de eredienst moeten bijgevolg, vóór zij een huwelijk inzegenen, steeds nagaan of het reeds burgerrechterlijk werd voltrokken.

Ten tweede moest de minister toegeven dat de controle op die bepalingen nogal te wensen overlaat en dat de informatie daarover sinds 1993 niet echt meer wordt ingezameld.

Ingevolge die vaststellingen heeft de minister het College van procureurs-generaal verzocht die problematiek in het kader van het actieplan tegen radicalisme veel proactiever te behandelen. In dit verband vroeg ze dat het College haar een aantal voorstellen zou doen om de ordediensten, de parketten en de hoven en rechtbanken proactiever in te schakelen in de bestrijding van deze wets- en grondwetsovertreding.

Werden er door het College van procureurs-generaal inmiddels voorstellen in dit verband voorgelegd? Wat behelzen deze voorstellen? Hoever staat het met de uitvoering ervan?

Mevrouw Els Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van Begroting en Consumentenzaken. - Ik lees het antwoord van minister Onkelinx.

Deze vraag heeft betrekking op een precieze juridische context. Artikel 21, tweede lid, van onze Grondwet bepaalt immers `het burgerlijk huwelijk moet altijd aan de huwelijksinzegening voorafgaan, behoudens de uitzonderingen door de wet te stellen, indien daartoe redenen zijn.' Het overtreden van deze bepaling wordt bestraft door artikel 267, eerste lid, van het Strafwetboek, waardoor iedere bedienaar van een eredienst die een huwelijk inzegent vóór de voltrekking van het burgerlijk huwelijk wordt gestraft met een geldboete van 50 tot 500 euro.

Artikel 267, derde lid, van dit Wetboek voorziet in een gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden voor de bedienaar van de eredienst die nogmaals een gelijkaardig misdrijf pleegt.

De burgerlijke stand en de bevolkingsdiensten van de gemeenten en alle publieke overheden van het land zijn goed op de hoogte van deze grondwettelijke bepaling.

De procureur des Konings heeft als opdracht de registers van de burgerlijke stand te controleren. Wanneer de ambtenaren van de burgerlijke stand een probleem hebben, richten ze zich dus gewoonlijk tot hem. Deze uitwisselingscultuur is dus het beste preventiebeleid.

Indien een huwelijksinzegening zou geschieden vóór het burgerlijk huwelijk of niet zou worden gevolgd door een burgerlijk huwelijk, zou dat alleen maar clandestien kunnen en zonder dat er juridische gevolgen aan verbonden zijn. Indien dit feit ter kennis komt van een openbare autoriteit, zal het worden aangegeven bij het parket.

De zaak is delicater wanneer het gaat om de erkenning in België van een confessioneel huwelijk dat in het buitenland werd ingezegend, in een land waar een dergelijk huwelijk rechtsgeldig is.

Soms bieden deze huwelijksakten niet alle waarborgen die men kan verwachten van een akte van de burgerlijke stand: exacte identiteit van de verschijnende partijen, hun domicilie, hun leeftijd, enzovoort.

Het nieuwe Wetboek van Internationaal Privaatrecht reikt de ambtenaren van de burgerlijke stand en elke andere autoriteit evenwel nieuwe middelen aan, namelijk een beroepsprocedure voor de rechtbank van eerste aanleg wanneer een buitenlandse akte niet geldig of niet authentiek lijkt te zijn.

De procedure is sinds het genoemde wetboek dus georganiseerd, terwijl men vroeger kon aarzelen over de werkwijze.

De heer Joris Van Hauthem (VL. BELANG). - Ik dank de staatssecretaris voor het antwoord, dat eigenlijk geen antwoord is. Ik heb deze vraag in 2005 al gesteld en toen zei de minister van Justitie dat ik in feite gelijk had, dat er een probleem was en dat proactiever zou worden opgetreden. Nu ik vraag of dat proactieve optreden al tot resultaten heeft geleid, beperkt de minister zich tot de opsomming van de grondwettelijke en wettelijke bepalingen. Ze zegt echter niets over dat proactieve optreden. Ik trek daaruit de conclusie dat de minister daar geen werk van wil maken.

Vraag om uitleg van mevrouw Fauzaya Talhaoui aan de vice-eersteminister en minister van Justitie en aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken over «de gedragscode bij en na optredens van politiediensten» (nr. 3-2215)

De voorzitter. - Mevrouw Els Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van Begroting en Consumentenzaken, antwoordt.

Mevrouw Fauzaya Talhaoui (SP.A-SPIRIT). - Met regelmaat komen er incidenten in het nieuws naar aanleiding van het optreden van politiediensten en interventieteams van de federale politie bij huiszoekingen, bij gerechtelijk onderzoek en bij arrestaties. Ik weet dat de minister zich niet uitspreekt over individuele gevallen en dat verwacht ik ook niet. Ik begin me wel vragen te stellen wanneer feiten zich herhaaldelijk voordoen.

Het is niet mijn bedoeling om te veralgemenen, maar ik word wel vaak aangesproken over een, al dan niet racistische, machocultuur die er bij sommige politiemensen heerst wanneer ze in contact komen met allochtonen.

Als de diensten fouten begaan, moeten er excuses volgen. Daarover zult u het met mij eens zijn. Vaak beperkt men zich bij de diensten echter tot de verklaring `dat er geen verdachte personen, producten of feiten gevonden zijn'. Zo'n uitspraak versterkt het dan ongegronde vermoeden dat `waar rook is ook vuur is'. Als daar hele families bij betrokken zijn, leidt dat tot reacties tegenover hun kinderen op school, bij hun contact met de buren, de kennissen, kortom: in hun nabije omgeving, de leefwereld waarin ze elke dag moeten functioneren.

Het is daarom wenselijk, en gewoonweg zeer terecht, dat politiediensten hun vergissingen toegeven. Verder vind ik het ook niet meer dan normaal dat ze zich zouden verontschuldigen voor de excessen van hun optreden en publiekelijk de familie van elke smet zouden bevrijden. Ook als agenten bij arrestaties of interventies denigrerende of racistische uitspraken hebben gedaan, moeten daar volgens mij openlijke en rechtstreekse excuses van de agent in kwestie op volgen.

Kan de minister het aantal klachten laten onderzoeken over een al te agressief of racistisch optreden en racistische uitspraken van politiemensen?

Heeft de minister plannen om de bedrijfscultuur bij interventieteams te laten doorlichten? Indien daaruit inderdaad blijkt dat er uitwassen zijn, is de minister dan bereid om aan te sturen op `change management'?

Wat zijn de geplogenheden als zou blijken dat de diensten, bij een inval of een arrestatie, zich grondig hebben vergist?

Is er een verplichting om officieel excuses aan te bieden? Wordt er aan nazorg gedaan om onschuldigen te helpen eventueel opgelopen trauma's verwerken?

Hoe worden interventies nadien geëvalueerd?

Is er kwaliteitsbewaking bij een interventie?

Wat wordt er gedaan om uitingen van racisme, vernederingen of een ongepaste houding te vermijden? Worden daar sancties aan verbonden?

Hoe wordt morele schade vergoed?

Wie is de organisatorisch verantwoordelijke voor het optreden van interventieteams?

Mevrouw Els Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van Begroting en Consumentenzaken. - Ik lees het antwoord van de minister.

Het gaat hier om twee verschillende zaken, enerzijds het mogelijke racisme van politiemensen en anderzijds het mogelijke onvermogen van politiemensen die zich bij een optreden vergist hebben om zich daarvoor te verontschuldigen.

Goed gestructureerd cijfermateriaal is momenteel niet beschikbaar. De dienst intern toezicht van de federale politie telt voor het jaar 2006 drie klachten. Als er vreemdelingen bij een klacht betrokken zijn, gaat deze dienst steeds uit eigen beweging na of er sprake is van racisme, ook als de klacht niet daarover gaat.

Sinds 2002 functioneert binnen de Federale Politie een Dienst Gelijkheid en Diversiteit. Die ziet erop toe dat elke vorm van discriminatie wordt aangepakt, zowel ten aanzien van de bevolking als binnen de politieorganisatie zelf.

De politie streeft zo naar een wijziging van de gangbare politiecultuur ten voordele van een grotere openheid en aanvaarding van `het andere'.

Voor de realisatie van deze opdracht onderneemt de Dienst Gelijkheid en Diversiteit verschillende acties.

Er is een intern netwerk van contactpersonen diversiteit. De doelstelling is om via die contactpersonen een cultuurwijziging te realiseren bij alle personeelsleden van de geïntegreerde politie. Sinds enkele maanden neemt het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding deel aan de werkzaamheden van dat netwerk.

Door middel van campagnes, affiches, interne publicaties, informatie-uitwisseling en samenwerking met andere diensten wordt er ook naar gestreefd om het personeel voor de verschillende aspecten van diversiteit te sensibiliseren.

Het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding heeft ten behoeve van de politie een vormingspakket `diversiteit' ontwikkeld. Momenteel wordt bovendien de eerste hand gelegd aan een opleiding `diversiteit' ten behoeve van het management van de politie.

De rekrutering van Belgen van vreemde herkomst moet zowel intern als in het belang van de dienstverlening ten aanzien van de bevolking de openheid voor andere culturen verhogen.

Ten slotte, en niet in het minst, hebben de vragen over racisme en discriminatie bijzondere aandacht gekregen in de deontologische code van de politiediensten die in 2006 is uitgevaardigd. Daarin wordt de aandacht gevestigd op het respect in de omgang van de politie met mensen, ook met delinquenten, en op het onvoorwaardelijke verbod van discriminatie, partijdigheid en willekeur.

Elke politiechef, federaal én lokaal moet in het bijzonder aandacht besteden aan coaching, begeleiding en omkadering van de personeelsleden. Afwijkend gedrag moet onmiddellijk gecorrigeerd worden. De chefs moeten ervoor waken dat in elk korps een bedrijfscultuur groeit waar uitwassen van welke aard ook uitgesloten zijn en politiemensen duidelijk weten wat not done is.

De manier waarop een huiszoekingsbevel of een aanhoudingsbevel technische ten uitvoer wordt gelegd, hangt af van een risicoanalyse van de situatie. Hoe goed de operatie ook wordt voorbereid, toch kunnen er nog elementen zijn die niet te voorzien zijn of kan de tijd ontbreken om zich grondig voor te bereiden of om bepaalde inlichtingen nog in te winnen.

Een professionele politieorganisatie moet evenwel in staat zijn om haar optreden kritisch te evalueren en, zo nodig, niet alleen te leren uit de fouten maar ook verontschuldigingen aan te bieden in geval van een onaanvaardbare ernstige vergissing van politieambtenaren.

Elke interventie maakt het voorwerp uit van een goede debriefing. Dat is a fortiori het geval als de interventie verkeerd gelopen is.

De politie moet ook nagaan in welke mate ze herstellend kan optreden, zeker tegenover mensen die te goeder trouw zijn. Ook dat maakt deel uit van slachtofferbejegening. De politie moet inderdaad het nodige doen om psychologische bijstand te verlenen.

De vraag naar schadevergoeding wordt niet uit de weg gegaan. De rechtspersonen in wiens opdracht de politie werkt kunnen burgerlijk aansprakelijk zijn en een fout van een politieambtenaar kan aanleiding geven tot schadevergoeding, in de gevallen en volgens de modaliteiten die de Wet op het Politieambt bepaalt.

Tenslotte spelen de omkadering en de gezagsuitoefening binnen de politie een rol. Politie inspecteurs ageren niet in het wilde weg. Er is een interne hiërarchie en er is het toezicht en het gezag van de politieoverheden, zoals de procureurs des Konings. Elke interventie past in een kader, waarin ook de functionele hiërarchie een rol speelt.

Er is dus niet alleen de individuele verantwoordelijkheid van elke politieambtenaar afzonderlijk. Er is ook de verantwoordelijkheid van degenen die voor de omkadering, de voorbereiding, de inzet van middelen moeten instaan, met name de hoofdinspecteurs en de commissarissen, elk op hun niveau. Er moet steeds een verantwoordelijke officier zijn. Ook hoger is er nog een verantwoordelijkheid namelijk die van het algemene kader waarin gewerkt moet worden. De eindverantwoordelijkheid berust bij de leidinggevend magistraat overeenkomstig het wetboek van Strafvordering en de Wet op het Politieambt.

Vraag om uitleg van de heer Christian Brotcorne aan de vice-eersteminister en minister van Justitie over «de geblokkeerde situatie bij het uitvoeren van werkstraffen of activiteiten van algemeen nut» (nr. 3-2221)

De voorzitter. - Mevrouw Els Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van Begroting en Consumentenzaken, antwoordt.

De heer Christian Brotcorne (CDH). - De justitiehuizen die de werkstraffen of activiteiten van algemeen nut moeten uitvoeren hebben op 19 juli 2006 drie dienstorders van de FOD Justitie gekregen met de volgende richtlijnen:

Voor wie een werkstraf verricht gelden dezelfde bepalingen inzake gezondheid, veiligheid en kledij als voor de reguliere werknemers. Hij moet op dezelfde wijze worden uitgerust - broek, jas, veiligheidsschoenen - en hij moet een medisch onderzoek ondergaan, worden gevaccineerd - bijvoorbeeld tegen hepatitis A en B, en als hij in een ziekenhuis werkt moet zijn bloed op de aanwezigheid van tuberculose worden getest. Dat alles gebeurt op kosten van de werkplaats die als de werkgever wordt beschouwd.

Dat wie een werkstraf of een activiteit van algemeen nut verricht als een gewone werknemer wordt beschouwd en bijgevolg aan de wet betreffende de veiligheid op het werk is onderworpen, is de logica zelf. Minder logisch is dat de werkgever moet opdraaien voor de kosten van die gelijkstelling.

Die verplichtingen brengen heel wat kosten met zich mee.

Op de beperkte Ministerraad van 25 oktober 2006 werd beslist dat voortaan de FOD Justitie die kosten zal dragen en dat hij daarvoor de middelen van het Verkeersboetefonds zal aanspreken.

Op 21 januari 2007 moest een koninklijk besluit worden goedgekeurd tot instelling van de praktische regels betreffende de arbeidsgeneeskunde.

Die praktische regels zijn echter nog altijd niet vastgelegd. Hierdoor komen de diensten die de alternatieve juridische maatregelen begeleiden in de problemen. De dossiers zijn geblokkeerd. De justitiehuizen weigeren systematisch werkvoorstellen in afwachting van die praktische regels.

De situatie heeft een weerslag op de verstrekker. Het is onzeker of zijn dossier wordt gevolgd, hij kan zijn werkstraf niet verrichten, hij kan de wettelijke termijn van één jaar niet nakomen, er is de persoonlijke onzekerheid enzovoort.

Op strafrechtelijk vlak worden de dossiers voor strafbemiddeling zonder gevolg geklasseerd aangezien de termijn om een dienstverlening te verrichten zes maanden bedraagt. Mogelijk wordt een subsidiaire straf opgelegd, dus een boete of een gevangenisstraf.

Magistraten die gevolg willen geven aan de oproep van de minister om meer alternatieve straffen op te leggen, boeten aan geloofwaardigheid in. De gevangenissen worden overbelast en de magistraten zien zich verplicht systematisch in te gaan op vragen om de termijn te verlengen.

De situatie lijkt uitzichtloos. De diensten die bereid zijn mensen die een dergelijke straf hebben gekregen te ontvangen, hebben geen aanspreekpunt en ze hebben het gevoel dat de toestand volledig geblokkeerd is.

Alternatieve straffen zijn nochtans doeltreffend. Op het gebied van transport verrichten vzw's die bestuurders begeleiden die tot een alternatieve straf zijn veroordeeld, voortreffelijk werk. Het percentage van non-recidive bedraagt 98%. De verstrekkers kunnen hun straf verrichten in een revalidatiecentrum voor verkeersslachtoffers, een opleiding voor defensief rijden volgen in een gespecialiseerd centrum of een opleiding voor eerste hulp volgen. Al die straffen zijn efficiënt. Nochtans kunnen ze momenteel niet worden uitgevoerd.

Met welke concrete maatregelen gaat de minister de situatie deblokkeren? Binnen welke termijn?

Over welke bedragen beschikt het Verkeersboetefonds om de kosten voor de alternatieve straffen te dekken?

De vzw's die zich met de begeleiding bezighouden kijken uit naar het antwoord van de minister.

Mevrouw Els Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van Begroting en Consumentenzaken. - Ik lees het antwoord van de minister.

In mijn dienstnota van 19 juli 2006 heb ik er inderdaad aan herinnerd dat werkstraffen conform de desbetreffende wetgeving moeten worden uitgevoerd. Het gaat om de wetgeving die geldt voor de dienstverstrekker die werkloos is, voor het statuut van de gehandicapte, voor de dienstverstrekker die een ziekte- of invaliditeitsuitkering ontvangt, voor de gepensioneerde verstrekker en voor de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers. Die laatste wet en de daaruit voortvloeiende koninklijke besluiten hebben inderdaad enkele problemen doen rijzen.

De wet is van toepassing op mensen die, buiten een arbeidsovereenkomst om, prestaties verrichten onder toezicht, dus ook op wie een werkstraf verricht.

De regering heeft het probleem van de extra kosten die de veiligheidsmaatregelen met zich meebrengen, zo snel mogelijk willen oplossen.

Ze heeft een koninklijk besluit genomen dat de FOD Financiën in staat stelt de verplichtingen van de werkgever op zich te nemen. Ook werd beslist de voorschotten die de werkgever heeft betaald, te vergoeden. Hiervoor doen we een beroep op het verkeersboetefonds, waarin 1.500.000 euro beschikbaar is.

Het koninklijk besluit ligt momenteel bij de Koning ter ondertekening voor. Het zal voor het einde van de maand in het Belgisch Staatsblad worden gepubliceerd. Hierdoor zullen de kosten die de werkgever, vanaf 1 januari 2007, heeft gemaakt ter uitvoering van de wetgeving betreffende het welzijn van de werknemers, kunnen worden terugbetaald.

Volgende week zal ik alle prestatieplaatsen en begeleidingsdiensten op de hoogte brengen van die maatregel. Zij die aarzelen, zal ik uitnodigen hun samenwerking voor de uitvoering van werkstraffen voort te zetten en hun samenwerking met de justitiehuizen te hervatten.

Een correcte en efficiënte uitvoering van de werkstraffen is een van mijn prioriteiten. Het is een cruciaal element in de strijd tegen de overbevolking in de gevangenissen.

De heer Christian Brotcorne (CDH). - Het is belangrijk dat er voldoende middelen worden vrijgemaakt om het systeem opnieuw op de rails te brengen. De resultaten op pedagogisch vlak zijn zeer positief, mits het niet om adolescente recidivisten gaat. Dergelijke straffen kunnen het sociale geweten aanscherpen van mensen die lichamelijke of andere schade hebben toegebracht, bijvoorbeeld in het verkeer.

Vraag om uitleg van de heer Stefaan Noreilde aan de vice-eersteminister en minister van Justitie over «het vervolgen van bijzitters» (nr. 3-2222)

De voorzitter. - Mevrouw Els Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van Begroting en Consumentenzaken, antwoordt.

De heer Stefaan Noreilde (VLD). - Op 8 oktober 2006 vonden gemeente- en provincieraadsverkiezingen plaats. Verschillende mensen werden opgeroepen om op de dag van de verkiezingen zelf mee te helpen aan de organisatie van de democratie en hun burgerplicht te vervullen door de functie van voorzitter, bijzitter of secretaris op te nemen in de stembureaus en de stemopnemingsbureaus. Sommigen weigerden de functie waarvoor zij waren opgeroepen of kwamen niet opdagen.

Hoeveel mensen hebben op 8 oktober 2006 hun functie als voorzitter, bijzitter of secretaris niet opgenomen? Hoeveel van hen hebben een voorstel tot minnelijke schikking aanvaard en hoeveel zijn al vervolgd voor de rechtbank?

De strafrechter in Dendermonde sprak onlangs enkele bijzitters vrij die op het moment van de verkiezingen borstvoeding gaven. De rechter oordeelde dat de praktische problemen die hiermee gepaard gaan, een afdoende reden zijn om niet te hoeven zetelen. De strafrechter in Antwerpen veroordeelde onlangs enkele joden die niet wilden zetelen omdat de Thora die dag het gebruik van potloden en computers verbiedt. Er bestaat dus nog steeds heel wat onduidelijkheid over geldige redenen voor een weigering.

Is er al een circulaire waarin de geldige redenen voor een weigering omschreven worden? Zo neen, overweegt de minister een dergelijke circulaire nog voor de eerstvolgende verkiezingen te sturen? Wat zal de houding zijn tegenover borstvoeding en religieuze redenen?

Mevrouw Els Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van Begroting en Consumentenzaken. - Ik lees het antwoord van de minister van Justitie.

De cijfers zijn op het ogenblik nog niet beschikbaar. De statistisch analisten van het College van Procureurs-generaal hebben meer tijd nodig om de gevraagde cijfergegevens te bezorgen. Zodra ik die echter ontvang, zal ik niet nalaten ze mee te delen.

Het College meldt mij dat er nog geen algemene richtlijn bestaat waarin de geldige redenen voor een weigering omschreven worden. Momenteel buigt een werkgroep van het College van Procureurs-generaal zich over de problematiek. Als minister van Justitie kan ik geen instructies geven aan parketten om niet te vervolgen. Een negatief injunctierecht is verboden door de Grondwet.

De heer Stefaan Noreilde (VLD). - Ik heb een wetsvoorstel ingediend over vrijwillig bijzitterschap. Ik heb daarover al meermaals vragen gesteld aan de minister. Telkens opnieuw krijg ik het antwoord dat het College zich over de problematiek buigt. Als de kiezer mij weer naar het parlement stuurt, zal ik op deze kwestie terugkomen.

Vraag om uitleg van mevrouw Clotilde Nyssens aan de vice-eersteminister en minister van Justitie over «de berekening van alimentatie voor kinderen» (nr. 3-2226)

De voorzitter. - Mevrouw Els Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van Begroting en Consumentenzaken, antwoordt.

Mevrouw Clotilde Nyssens (CDH). - Bij het begin van deze zittingsperiode diende ik een wetsvoorstel in om de berekening van het onderhoudsgeld te objectiveren op basis van de methode-Renard, een rekenkundige tabel die de magistraten gebruiken om het onderhoudsgeld voor de kinderen zo juist mogelijk te berekenen.

Ik verneem dat een studie over de berekening van het onderhoudsgeld dat door de ouders voor hun kinderen bij hun echtscheiding moet worden betaald, in januari aan de minister van Justitie werd overhandigd.

Bij het begin van de zittingsperiode had de minister van Justitie aangekondigd dat zij onder meer aan de Gezinsbond zou vragen de kosten te ramen.

Werden die studies daadwerkelijk aan de minister overhandigd? Heeft zij er kennis van genomen? Wat zeggen die studies? Wat zal de minister doen om de berekening van het onderhoudsgeld voor de kinderen te objectiveren?

Mevrouw Els Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van Begroting en Consumentenzaken. - Ik heb de studie van de experts van de Universiteit van Luik enkele weken geleden gekregen. Mijn kabinet moet ze nog grondig bestuderen, maar uit een eerste lezing is gebleken dat de methode-Renard, wat het principe betreft, geldig is.

Zoals ik al zei, is het de bedoeling een wetsontwerp op te stellen waardoor in onze wetgeving een forfaitaire berekeningsmethode kan worden opgenomen voor het onderhoudsgeld voor de kinderen. Zo kunnen we geschillen bij scheidingen beperken.

Mevrouw Clotilde Nyssens (CDH). - Ook ik zal die studie proberen te lezen.

Vraag om uitleg van de heer Wim Verreycken aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken en aan de minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen over «de omzendbrief betreffende de vrijwillige terugkeer van vreemdelingen met behulp van de Internationale Organisatie voor Migratie» (nr. 3-2199)

De voorzitter. - Mevrouw Els Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van Begroting en Consumentenzaken, antwoordt.

De heer Wim Verreycken (VL. BELANG). - Een omzendbrief van 17 november 2006 moet het terugkeerprogramma van de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) meer ingang doen vinden bij het doelpubliek, namelijk asielzoekers die op vrijwillige basis naar hun land van herkomst terug wensen te keren.

De minister van Binnenlandse Zaken en de minister van Maatschappelijke Integratie beslisten hierbij de gemeenten en de lokale politie in te schakelen, omdat die instanties een belangrijke rol spelen in de verblijfreglementering en bijgevolg nauwer in contact staan met de doelgroep. Zo worden de gemeentelijke beambten verzocht om de informatiebrochure van de IOM persoonlijk aan bepaalde categorieën vreemdelingen te overhandigen en bij de vreemdelingendienst en de lokale politie moet het informatiemateriaal te allen tijde vrij ter beschikking liggen, zodat eventuele geïnteresseerde vreemdelingen er kennis van kunnen nemen. Ook worden de gemeentebesturen en lokale politie verzocht om aan informatiesessies en opleidingen over het terugkeerprogramma deel te nemen.

De stad Kortrijk liet op 1 maart 2007 weten dat de publicatie van de omzendbrief minstens voorbarig was, omdat de aangekondigde brochures klaarblijkelijk nog niet in druk waren en evenmin al info- of opleidingssessies waren gepland.

Klopt het dat de omzendbrief inderdaad voorbarig is omdat het informatiemateriaal nog niet ter beschikking werd gesteld en momenteel evenmin informatiesessies worden gepland?

Wat is de reden van dat eigenaardige uitstel?

Hoe wordt de definitieve informatie verspreid?

Mevrouw Els Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van Begroting en Consumentenzaken. - Ik lees het antwoord voor. De versterking van het beleid inzake de vrijwillige terugkeer is een van mijn prioriteiten. Het is belangrijk dat de gemeentebesturen over de mogelijkheden van dat beleid worden geïnformeerd; zowel de politiediensten als de administratieve diensten van een gemeente staan in rechtstreeks contact met de personen die illegaal in ons land verblijven.

De publicatie van de omzendbrief was niet voorbarig: enerzijds kunnen de programma's voor de vrijwillige terugkeer onmiddellijk worden toegepast en anderzijds past het verstrekken van inlichtingen aan de gemeenten in een communicatieplan waarvan de publicatie de eerste stap is.

De IOM heeft op 20 december 2006 een brief gestuurd naar alle steden en gemeenten in België. De brief is gericht aan het college van de burgemeester en schepenen en heeft een informatieve doelstelling. Hij beoogde ook een contactpersoon in die steden en gemeenten aan te wijzen. Tot slot werd in de brief eveneens verwezen naar de infosessies die de IOM wil organiseren met de steden en gemeenten.

Het informatiepakket zal aan het eind van de maand beschikbaar zijn en de informatiesessies zullen het hele jaar lang plaatshebben.

Het initiatief zal worden geëvalueerd en zal, naar ik hoop, op middellange termijn worden voortgezet. Het is immers vooral de lokale overheid die gevoelige situaties rond het verblijfsstatuut van vreemdelingen in goede banen moet leiden. Het is dan ook belangrijk dat de federale overheid pistes aanreikt voor een oplossing op het terrein, meer bepaald door voor de lokale overheid de toegang tot de initiatieven rond de vrijwillige terugkeer te vergemakkelijken.

De heer Wim Verreycken (VL. BELANG). - Ik zou het logischer vinden dat eerst de brochures beschikbaar zijn en dat daarna de omzendbrief wordt rondgestuurd.

Vraag om uitleg van de heer Christian Brotcorne aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken over «de toegang tot de stembureaus bij de federale parlementsverkiezingen voor kiezers met een beperkte mobiliteit of voor slechthorende kiezers» (nr. 3-2214)

De voorzitter. - Mevrouw Els Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van Begroting en Consumentenzaken, antwoordt.

De heer Christian Brotcorne (CDH). - De minister van Binnenlandse Zaken is bevoegd om de gemeenten richtlijnen te geven voor de organisatie van de stembureaus voor de federale verkiezingen van 10 juni aanstaande.

Uit een recente studie van CAWAB blijkt dat ongeveer 30% van de Belgische bevolking mensen met een beperkte mobiliteit zijn. Die belangrijke groep kiezers wordt te vaak geconfronteerd met de ontoegankelijkheid van de stembureaus.

Zo werden bij de verkiezingen van 2004 de volgende gebreken vastgesteld:

Welke maatregelen zal de minister van Binnenlandse Zaken nemen opdat de problemen die in 2004 werden vastgesteld, zich in 2007 niet meer voordoen?

Mevrouw Els Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van Begroting en Consumentenzaken. - Ik lees het antwoord van de minister van Binnenlandse Zaken.

Het ministerieel besluit van 10 augustus 1894 betreffende het kiesmaterieel voor de parlements- provincieraads- en gemeenteraadsverkiezingen, aangevuld door het ministerieel besluit van 6 mei 1980, bepaalt dat in elk gebouw waarin een of meer stembureaus zijn ondergebracht, ten minste één speciaal stemhokje per vijf stembureaus ten behoeve van de mindervalide kiezers moet worden ingericht.

De kiezer die van het speciale stemhokje gebruik wenst te maken, richt zijn verzoek aan de voorzitter van het bureau die een bijzitter aanwijst om hem naar het stemhokje te begeleiden.

De voorzitter van het stembureau kan krachtens artikel 143 van het Algemeen Kieswetboek bovendien aan de kiezer die wegens een lichaamsgebrek niet in staat is om zich alleen naar het stembureau te begeven of om zelf zijn stem uit te brengen, toestaan dat deze zich laat begeleiden of bijstaan door iemand naar keuze van de betrokken kiezer. De naam van beiden zal in het proces-verbaal van de kiesverrichtingen worden opgenomen. Voorlegging van een medisch attest is hiervoor niet vereist.

In de gemeenten waar elektronisch wordt gestemd, moet ten minste één speciaal stemhokje per vijf stembureaus ten behoeve van de mindervalide kiezers worden ingericht.

Bovendien maakt artikel 9 van de wet van 11 april 1994 tot organisatie van de geautomatiseerde stemming het mogelijk dat de kiezer die moeilijkheden ondervindt bij het uitbrengen van zijn stem, zich laat bijstaan door de voorzitter of een lid van het stembureau.

Krachtens artikel 130 van het Kieswetboek zijn de gemeenten volledig verantwoordelijk voor de inrichting en de toegankelijkheid van de stembureaus. Ze moeten ook de kosten dragen.

De gemeenten doen reeds grote inspanningen op logistiek en budgettair vlak opdat elke kiezer vlot en zonder hinder kan gaan stemmen.

Een wetsvoorstel tot wijziging van het Kieswetboek met het oog op het waarborgen van het kiesrecht van mensen met een beperkte mobiliteit - Stuk Kamer van Volksvertegenwoordigers 704/1 tot 9 - voorzag reeds in extra maatregelen. De Kamer heeft dat voorstel op 1 april 2004 goedgekeurd en op 21 april 2004 aan de Senaat overgezonden (Stuk 3-604/1 tot 2). Op 27 april 2004 werd in de bevoegde commissie een reeks amendementen ingediend.

Op 6 mei 2004 heeft de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden van de Senaat de Waalse en de Vlaamse verenigingen van steden en gemeenten om een standpunt gevraagd. In haar antwoord van 2 juli 2004 besluit de VVSG dat de huidige maatregelen inzake de toegankelijkheid van de stembureaus voldoende zijn om de vooropgestelde doelstellingen te halen en dat het wetsontwerp de bestaande regelgeving niet verbetert.

Volgens dat advies zou de tenuitvoerlegging van de voorgestelde maatregelen de gemeenten nodeloos op kosten jagen. In haar advies van 6 juli 2004 stelde de UVCW dat het doel van het wetsontwerp positief was, maar dat de huidige regelgeving voldoende is en dat de voorgestelde nieuwe maatregelen de budgettaire lasten voor de gemeenten nodeloos zouden verhogen.

Er moeten volgens mij dan ook geen nieuwe initiatieven ter zake komen.

De heer Christian Brotcorne (CDH). - Ik nodig de minister van Binnenlandse Zaken uit kennis te nemen van de code voor de lokale democratie die het Waals Gewest net voor de gemeenteraadsverkiezingen heeft aangenomen. Daarin wordt het probleem grondiger aangepakt dan in de huidige federale teksten. We kunnen er iets van leren.

Vraag om uitleg van de heer Christian Brotcorne aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken en aan de minister van Buitenlandse Zaken over «de toekenning van een visum aan de Congolese studenten die een bijkomend jaar secundair onderwijs moeten volgen voor ze naar de universiteit kunnen» (nr. 3-2216)

De voorzitter. - Mevrouw Els Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van Begroting en Consumentenzaken, antwoordt.

De heer Christian Brotcorne (CDH). - In een vergadering van de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging van de Senaat over Congo heeft de Belgische voorzitter van de Belgisch-Luxemburgs-Afrikaanse kamer van koophandel het probleem aangekaart van de Congolese studenten die, om toegang te krijgen tot het hoger onderwijs, in België moeten slagen voor hun laatste jaar middelbaar onderwijs.

Het middelbaar onderwijs in Congo is van dien aard dat de studenten zich niet rechtstreeks in het hoger onderwijs bij ons kunnen inschrijven. Ze moeten in België een voorbereidend jaar in het middelbaar onderwijs doen.

Volgens de voorzitter van de kamer van koophandel reikt België alleen visa uit aan kandidaat-studenten voor het universitair onderwijs en niet voor studenten die middelbaar onderwijs willen volgen. Bijgevolg volgen heel wat Congolese studenten met een Congolees diploma van middelbaar onderwijs hoger onderwijs in Zwitserland, Canada of Frankrijk. In die landen worden hun diploma's erkend. Hierdoor komt de opleiding van Congolese studenten, die zo belangrijk is voor de ontwikkeling van dat land, in het gedrang.

Ik heb in het Parlement de la Communauté française reeds een vraag gesteld over de erkenning van de diploma's van de DRC.

Artikel 58 van de wet van 15 december 1980 stipuleert: `Wanneer de aanvraag tot het bekomen van de machtiging om langer dan drie maanden in het Rijk te verblijven bij een Belgische diplomatieke of consulaire post ingediend wordt door een vreemdeling die in België wenst te studeren in het hoger onderwijs of er een voorbereidend jaar tot hoger onderwijs wenst te volgen ...'

Mogen we ervan uitgaan dat voor de Congolese studenten het laatste jaar middelbaar onderwijs in België als het ware een voorbereidend jaar voor het hoger onderwijs is, dat voor de uitreiking van een visum gelijkgeschakeld kan worden met die toegang tot het Belgische hoger onderwijs?

Mocht dat niet het geval zijn, zou het dan niet interessant zijn het visumbeleid aan te passen zodat in het bijzonder de Congolese studenten het extra jaar kunnen doen dat nodig is voor ze zich in het hoger onderwijs kunnen inschrijven? Door de toekomstige elite van de Democratische Republiek Congo op te leiden kunnen we de bijzondere banden met dat land behouden.

Mevrouw Els Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van Begroting en Consumentenzaken. - Verblijfsmachtigingen voor studies worden slechts voor hoger onderwijs uitgereikt. Een verblijfsmachtiging voor middelbaar onderwijs wordt slechts in uitzonderlijke gevallen toegekend wanneer dat type van onderwijs niet in het land van herkomst kan worden gevolgd.

Wel kan krachtens artikel 58 van de vreemdelingenwet een verblijfsmachtiging worden uitgereikt om een voorbereidend jaar tot hoger onderwijs te volgen. Het kan hierbij gaan om:

Het gewone middelbaar onderwijs kan dus niet worden beschouwd als een voorbereidend jaar zoals bedoeld in de wet.

Rekening houdend met de wettelijke beperkingen en gelet op het gelijkheidsbeginsel kan ik dus geen positief antwoord geven op uw wens om een gunstregime voor Congolese studenten in te stellen.

De heer Christian Brotcorne (CDH). - Ik neem akte van dat antwoord. België heeft echter een bijzondere band met Congo en het heeft aangegeven dat Congo een belangrijke plaats in het buitenlandse beleid moet hebben. Het lijkt me dan ook raadzaam om na te gaan of een uitzondering voor Congolese studenten wettelijk mogelijk is, waarbij we moeten opletten dat we niet discrimineren. We hebben er immers belang bij de Congolese elite op te leiden om contact te houden met de toekomstige leiders en ondernemers van dat land.

Vraag om uitleg van de heer Stefaan Noreilde aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken over «het proefproject inzake de elektronische aangifte van kleine misdrijven» (nr. 3-2223)

De voorzitter. - Mevrouw Els Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van Begroting en Consumentenzaken, antwoordt.

De heer Stefaan Noreilde (VLD). - Sinds 1 januari kunnen slachtoffers van kleine misdrijven aangifte doen via het internet. Daarvoor werd een proefproject gestart in vijf politiezones, namelijk Brussel-West, Druivenstreek, Gent, La Louvière en Lommel. Het is de bedoeling dat vooral misdrijven die nu vaak niet worden gemeld, zoals vandalisme of kleine diefstallen, toch bij de politie bekend raken. Iedere aangifte krijgt een registratienummer, waardoor de aangever op de hoogte kan worden gehouden van de stand van zaken van het dossier.

Hoeveel elektronische aangiftes ontvingen deze vijf politiezones vanaf het begin van het proefproject tot op heden?

Hoe evalueert de minister het proefproject? Is deze mogelijkheid voldoende bekend bij de bevolking? Zo niet, overweegt de minister een informatiecampagne?

Zal het initiatief zoals gepland worden uitgebreid naar alle politiezones? Zo ja, vanaf wanneer? Overweegt de minister ook een uitbreiding van de aan te geven misdrijven? Zo ja, aan welke misdrijven denkt hij dan?

Mevrouw Els Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van Begroting en Consumentenzaken. - Tussen 3 januari en 18 maart ontvingen de vijf proefzones in het totaal 99 elektronische aangiftes. Ik zal de heer Noreilde de detailcijfers schriftelijk bezorgen.

Rekening houdend met de korte antwoordtermijn is het niet mogelijk een vergelijking te maken met de `gewone' aangiftes en met de evolutie van de voorgaande jaren. Ik kan wel bevestigen dat het proefproject globaal zeer goed werd onthaald door de betrokken politiezones.

Het is inderdaad de bedoeling het project, mits de evaluatie positief is, geleidelijk uit te breiden tot het hele land. De mogelijkheid wordt bestudeerd om ook andere inbreuken, zoals bijvoorbeeld een bromfietsdiefstal, online bij de politie te kunnen aangeven.

Vraag om uitleg van de heer Stefaan Noreilde aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken over «noodoproepen per gsm» (nr. 3-2225)

De voorzitter. - Mevrouw Els Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van Begroting en Consumentenzaken, antwoordt.

De heer Stefaan Noreilde (VLD). - Het Europese noodnummer 112 is sinds 1993 in werking. Een groot aantal van de oproepen naar dit noodnummer is afkomstig van gsm-toestellen. Een Europese richtlijn bepaalt dat gsm-operatoren verplicht zijn aan de 112-oproepcentra informatie te verschaffen over de exacte plaats van waaruit de noodoproep komt zodat die positie indien nodig aan onder andere de politie, de brandweer en artsen kan worden doorgestuurd. Volgens de Europese Commissie gaat immers in miljoenen noodgevallen kostbare tijd verloren omdat de informatie die de oproepdiensten krijgen onvolledig of niet correct is.

Deze regel vereist natuurlijk een technologische aanpassing bij de noodcentrales. Operatoren in deze centrales zouden binnen een paar seconden moeten kunnen zien waar iemand die met een mobiele telefoon belt, zich bevindt.

Bovendien is het noodnummer 112 vrij slecht bekend bij onze landgenoten. Uit een rapport van de European Emergency Number Association blijkt dat slechts 57% van de Belgen weet dat 112 een algemeen geldend noodnummer is in iedere lidstaat van de Europese Unie. Ook wees een studie van KBC uit dat slechts 55% van de Vlamingen het juiste noodnummer kent: 112 voor de gsm en 100 voor een vast toestel.

Ik heb hierbij de volgende vragen.

Zijn de noodcentrales in ons land uitgerust om de locatie van een mobiele beller te zien?

Zo nee, waarom is nog niet voldaan aan deze bepalingen uit de Europese richtlijn en wat is de timing ter zake?

Wat denkt de minister over de relatief beperkte kennis van de Belg over de noodnummers in het algemeen en het noodnummer 112 in het bijzonder? Zal hij initiatieven nemen om hier iets aan te doen? Zo ja, welke?

Mevrouw Els Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van Begroting en Consumentenzaken. - Ik lees het antwoord van de minister.

De noodcentrales in ons land zijn op het ogenblik niet uitgerust om de locatie van de mobiele beller te zien. Er is nog niet voldaan aan de bepalingen van de Europese richtlijn 2002/22/EG, omdat de sector van gsm-operatoren de informatie nog niet kan aanbieden op een wijze waarop deze bruikbaar is voor de noodcentrales. Bovendien worden zij tot op vandaag hiertoe ook niet verplicht.

In 2006 is er echter op mijn vraag onder impuls van de experts van de federale politie een conceptuele oplossing uitgewerkt in overleg met de sector van gsm-operatoren. Deze oplossing moet mogelijk maken dat de noodcentrales uitgerust met de ASTRID-CAD technologie de locatie van de mobiele beller automatisch op kaart kunnen visualiseren. Hier kan kostbare tijd gewonnen worden voor iemand in nood. Deze oplossing moet echter gerealiseerd worden door de sector van de gsm-operatoren die hiervoor via een wetgevend initiatief opdracht moet krijgen van de minister van Consumentenzaken.

De noodcentrales worden thans gereorganiseerd. De politie heeft de voorbije jaren nieuwe provinciale centra opgericht waar het noodnummer 101 wordt opgenomen. De hulpcentrales 100 zijn al op het provinciale niveau gesitueerd, doch zij zullen de overstap maken naar dezelfde technologie en systemen als gebruikt door de politie. Deze herstructurering zal het de komende jaren mogelijk maken om een geïntegreerde multidisciplinaire noodhulp uit te bouwen die vertrekt vanaf het noodnummer 112, zoals aanbevolen door Europa. Deze evolutie zal gepaard gaan met de nodige informatie aan de bevolking.

In tegenstelling tot andere landen, waar de andere noodnummers hals over kop afgeschaft werden, terwijl de noodcentrales en de hulporganisaties er intern nog niet waren op voorbereid, wensen wij dit via een door de hulpdiensten zelf goed voorbereid stappenplan te realiseren. Ondertussen heb ik aangedrongen op een goede samenwerking tussen de noodcentrales om ervoor te zorgen dat als iemand een verkeerd nummer mocht vormen, toch de gepaste hulp wordt geboden.

De heer Stefaan Noreilde (VLD). - Dat is geen volledig antwoord op mijn vraag. Dat werd vandaag wel in de Kamer gegeven, waar collega Stijn Bex minister Van den Bossche een gelijkaardige vraag heeft gesteld. Misschien moet ik meer in de Kamer gaan luisteren om een antwoord op mijn vragen te krijgen.

Vraag om uitleg van de heer Christian Brotcorne aan de minister van Buitenlandse Zaken over «de lijsten van de Belgen die zijn ingeschreven bij een diplomatieke of consulaire post» (nr. 3-2219)

De voorzitter. - Mevrouw Els Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van Begroting en Consumentenzaken, antwoordt.

De heer Christian Brotcorne (CDH). - De wet van 18 december 1998 kent Belgen die in het buitenland verblijven, het stemrecht voor de verkiezing van de federale wetgevende kamers toe. Mensen die niet in België wonen, kunnen dat stemrecht op verschillende manieren uitoefenen.

De FOD Buitenlandse Zaken beschikt over lijsten van Belgen die bij de diplomatieke en consulaire posten zijn ingeschreven. Hij moet die lijsten aan de verschillende politieke partijen overhandigen zodat ze die Belgische burgers tijdens hun kiescampagne kunnen bereiken.

Ik heb vernomen dat veel Belgen die in Frankrijk wonen, onlangs een e-mail van de MR hebben ontvangen, hoewel ze nooit contact met die partij hebben gehad en nooit hun gegevens hebben meegedeeld. De enige mailinglijst waarop die mensen zijn ingeschreven, is die van de ambassade in Frankrijk.

Ik vermoed dan ook dat sommige partijen al over de lijsten van de FOD Buitenlandse Zaken beschikken en andere niet. Als die situatie aanhoudt, dan wordt ze zeer problematisch. Als de Belgen in het buitenland en de Belgen die in België wonen, `hetzelfde' stemrecht hebben, dan moet ook de kiescampagne in dezelfde omstandigheden verlopen, of ze nu in België of in het buitenland wonen. Het is dan ook zeer schokkend dat die lijsten voor bepaalde partijen worden gereserveerd of dat de distributie onder de verschillende partijen niet beter wordt begeleid.

Werden de lijsten van Belgen die bij de diplomatieke posten zijn ingeschreven inderdaad aan bepaalde partijen overhandigd?

Wanneer worden die lijsten aan alle politieke partijen overhandigd? Gebeurt dat schriftelijk of elektronisch?

Belgen in het buitenland moet hun stemrecht in dezelfde omstandigheden kunnen uitoefenen als alle andere Belgen.

De verschillende aspecten van het stemrecht zouden moeten worden besproken in het kader van een algemene discussie over aanpassingen aan de Grondwet en het Kieswetboek. Het is onaanvaardbaar dat één FOD over die lijsten beschikt en autonoom kan beslissen hoe ze worden meegedeeld.

Mevrouw Els Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van Begroting en Consumentenzaken. - Ik lees het antwoord van de minister.

De FOD Buitenlandse Zaken heeft de kiezerslijsten nog niet doorgegeven, in geen enkele vorm en aan geen enkele partij.

Voor het overige verwijs ik naar artikel 17 van het Kieswetboek, dat bepaalt dat de gemeentebesturen de kiezerslijsten onder bepaalde voorwaarden aan de kandidaten of aan de politieke partijen kunnen overhandigen.

Aangezien het echter gaat om Belgen in het buitenland die in de consulaire registers zijn ingeschreven, kunnen de aanvragen die aan mijn departement gericht worden, onder de huidige reglementering worden gehonoreerd. Mijn diensten beschikken tot op heden echter slechts over kiezerslijsten die niet door de gemeenten zijn gevalideerd.

De informatie zal op CD-ROM worden verspreid.

De heer Christian Brotcorne (CDH). - We zullen er nauwgezet op toezien en erover waken dat de gelijkheidsregels bij de verspreiding van de lijsten worden nageleefd.

Vraag om uitleg van mevrouw Stéphanie Anseeuw aan de minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid en aan de minister van Leefmilieu en minister van Pensioenen over «de verlenging van de zomertijd in de strijd tegen klimaatopwarming» (nr. 3-2204)

De voorzitter. - Mevrouw Els Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van Begroting en Consumentenzaken, antwoordt.

Mevrouw Stéphanie Anseeuw (VLD). - Begin 2007 werd het zomeruur in de Verenigde Staten drie weken vervroegd tot 11 maart 2007 en het winteruur één week verlaat tot 4 november 2007. Het resultaat is een aanzienlijke energiebesparing. Ik meen dat we deze maatregel in Europa en België ook moeten overwegen.

Verlenging van de zomertijd bespaart energie, omdat we 's avonds later de lichten aansteken en 's morgens als het langer donker is, meestal toch nog slapen. Aldus verbruiken we minder energie. Omdat het 's avonds langer licht blijft, verlaagt de maatregel ook de criminaliteit en beperkt hij de verkeersongevallen. En omdat we ons beter voelen, wordt ook de economie gestimuleerd.

Al in januari 2006 stelde ik over deze kwestie een vraag aan de minister van Economie, Energie en Buitenlandse Handel. Hij gaf zelf als bijkomend voordeel dat een langere zomertijd aanmoedigt om buitenshuis te sporten en aan vrijetijdsbesteding te doen. Ook het gezin vaart er dus wel bij.

Er is echter weinig onderzoek beschikbaar naar de mogelijke energiebesparing door langer licht. Tot voor kort dateerde het meest omvattende onderzoek uit 1974. Het Amerikaanse ministerie van Verkeer en Waterstaat berekende toen dat vervroeging van de zomertijd een besparing van 1% op het elektriciteitsgebruik tot gevolg had. Omgerekend ongeveer 100.000 barrels olie per dag.

De minister haalde begin 2006 echter ook negatieve kanten aan, zoals foto-oxiderende vervuiling, omdat 's morgens katalysatoren minder efficiënt zijn door de lage temperaturen. Er zou ook een verkeerstoename mogelijk zijn. Hij gaf verder aan dat de effecten moeilijk kwantificeerbaar zijn daar de expertise ontbreekt.

Recentelijk zijn er nieuwe indrukwekkende cijfers vrijgekomen: Daylight Saving Time of DST bespaart de Verenigde Staten meer dan 3 miljard kilowattuur of 1% van de totale consumptie, aldus de consultant voor het Amerikaanse Congres. Ook een studie van de staat Californië bevestigt het positieve effect en schat de besparing op 0,5 tot 1%.

Om al die redenen lijkt het me meer dan wenselijk om op Europees niveau over te gaan tot een verlenging van de zomertijd. Als we samen met de VS de zomertijd verlengen, is dat ook voordelig voor de transatlantische handel.

Graag kreeg ik van de minister dan ook antwoord op volgende vragen.

Beschikt de minister over nieuwe gegevens over de impact van de eventuele verlenging van de zomertijd op het energieverbruik in België?

Is de minister bereid op zijn minst een onderzoek te laten voeren naar de voor- en nadelen van een verlenging van de zomertijd, aangezien de Verenigde Staten duidelijk pro zijn?

Kan hij meedelen welke impact de zomertijd conform het initiatief van de Verenigde Staten zou hebben in de strijd tegen de klimaatopwarming? Is dit geen bijkomend argument om de verlenging van de zomertijd te bestuderen en eventueel te bepleiten bij de Europese Unie?

Is hij bereid een verlenging van de zomertijd te steunen en hieromtrent concrete maatregelen te treffen, gelet op de ambitieuze doelstellingen van de regering inzake klimaatopwarming?

De Europese Commissie onderzocht in 2006 in hoeverre glijdende winter- en zomertijden nog nuttig zijn. Wat was het resultaat van deze evaluatie?

Heeft België hieromtrent al een standpunt verdedigd in de Europese Unie? Zo ja, welk is dat standpunt? Zo neen, waarom niet en welk zal het Belgisch standpunt zijn, gezien de nieuwe studies in de Verenigde Staten?

Kan de minister aangeven welke de argumenten zijn die het standpunt van de Belgische regering bepalen inzake een verlenging van de zomertijd met enkele weken?

Wat was het resultaat van het voornemen van de minister van Economie, Energie en Buitenlandse Handel om dit op de eerstvolgende coördinatievergadering van het Energieoverleg Staat-Gewesten (ENOVER) te agenderen?

Mevrouw Els Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van Begroting en Consumentenzaken. - Sedert de vorige vraag die senator Anseeuw in juni 2006 over dit thema stelde zijn er weinig nieuwe elementen bijgekomen. Deze vraag zal worden besproken in de schoot van de Europese Unie. De lidstaten moeten immers aan de Europese Commissie uiterlijk 30 april 2007, zoals bepaald in de richtlijn 2000/84/EG, informatie verstrekken inzake de weerslag van het zomeruur. De studies over dat onderwerp zijn niet talrijk. De studie die in Californië werd gevoerd, is nuttig, maar houdt rekening met andere basiselementen zoals een sterke vraag naar elektriciteit die verbonden is met de klimaatregeling. Bovendien heeft een studie van het agentschap ADEME de balans opgemaakt van deze toepassing van het zomeruur. De Franse openbare opinie blijkt zeer verdeeld te zijn over het zomeruur. De verschillende opiniepeilingen tonen echter aan dat veeleer de tweejaarlijkse uurveranderingen meer dan de uurkeuze, hinder opleveren voor een gedeelte van de bevolking. Het zomeruur maakt het mogelijk om energiebesparingen te verwezenlijken. Die besparingen zijn inderdaad gering, maar ons land moet elke bezuinigingsmaatregel aanwenden om energie te besparen. Dat is een prioriteit die, net als in 1974, verbonden is met het groeiende probleem van de energieafhankelijkheid en nu ook met de strijd tegen de klimaatverandering.

De reden waarom de verbruiker zijn energiefactuur niet ziet dalen ten gevolge van deze maatregel is voor een deel toe te schrijven aan het feit dat het energieverbruik, en inzonderheid het elektriciteitsverbruik, op structurele wijze een stijgende tendens vertoont.

Zelfs in het kader van een wetenschappelijke studie is het zeer moeilijk om door middel van de uitbreiding van de zomeruurregeling de belangrijke voor- en nadelen aan te tonen. De aanmoediging om buitenshuis sport te beoefenen en aan vrijetijdsbesteding te doen is evenwel een voordeel dat dikwijls wordt vermeld en draagt positief bij tot de preventie van geestelijke en lichamelijke gezondheid.

We moeten ook erkennen dat het zomeruur niet alleen voordelen biedt en dat rekening moet worden gehouden met de storing van de biologische ritmes en de nadelen voor bepaalde beroepssectoren zoals de bouwsector of de landbouw. Ook de foto-oxiderende vervuiling is een nadeel.

Er zijn dus positieve en negatieve elementen die zeer moeilijk kwantificeerbaar zijn in termen van externe kosten.

Net zoals in de Verenigde Staten moet de uitbreiding van het zomeruur worden onderzocht, maar tevens moet de mogelijkheid worden overwogen om gedurende het hele jaar GMT+2 toe te passen. In dat geval zouden de voordelen immers groter zijn dan de nadelen: er is geen verschil tussen winteruur en zomeruur; er is een toename van de vrijetijdsbesteding buitenshuis, de behoefte aan verwarming thuis - waar milieubewust verbruik ongetwijfeld meer meespeelt dan op de werkplaats - worden in de winter, 's morgens en 's avonds beperkt, want het koudste uur valt een uur na zonsopgang. Er is een lagere behoefte aan verlichting 's avonds thuis, maar 's ochtends zijn er weinig veranderingen.

Volgens de opiniepeiling van Sofres zouden 53% van de Fransen tegen de uurwijziging zijn, tegen slechts 18% voor. Bovendien zouden 45% van de Fransen voor GMT+2 tijdens het gehele jaar zijn en 23% van de Fransen voor het behoud van GMT+1 tijdens het gehele jaar.

Zoals eerder reeds vermeld wacht België met ongeduld deze evaluatie door de Commissie af alvorens deze kwestie grondig te onderzoeken.

De lidstaten moeten uiterlijk 30 april 2007 de informatie inzake de weerslag van het zomeruur verstrekken aan de Europese Commissie, zoals voorzien in de eerder vermelde richtlijn.

Het argument dat kan worden gebruikt om de Amerikaanse zienswijze te volgen, kan natuurlijk de samenhang in tijd zijn. Dit is echter niet het enige element van het debat.

In de FOD Economie is een interne raadpleging aan de gang en een officiële vraag in naam van de groep ENOVER/CONCERE werd op 5 maart 2007 gestuurd. De Gewesten worden verzocht hun advies uiterlijk 30 maart 2007 te verstrekken.

Vraag om uitleg van de heer Jan Steverlynck aan de minister van Middenstand en Landbouw en aan de minister van Leefmilieu en minister van Pensioenen over «de vaststelling van het pensioen als zelfstandige na een schorsing van het pensioen wegens hervatting van een beroepsbezigheid» (nr. 3-2201)

De voorzitter. - Mevrouw Els Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van Begroting en Consumentenzaken, antwoordt.

De heer Jan Steverlynck (CD&V). - Wanneer een zelfstandige met pensioen gaat, wordt zijn pensioen vastgesteld in functie van de gewerkte of gelijkgestelde periodes tijdens zijn loopbaan.

Het pensioen wordt berekend op basis van de pensioenloopbaan vóór het jaar waarin het `pensioen daadwerkelijk en voor de eerste maal ingaat', en die pensioenberekening is definitief. Als gevolg daarvan kan een gepensioneerde zelfstandige die na de ingangsdatum van zijn pensioen beslist om van zijn pensioen af te zien en opnieuw een beroepsbezigheid uit te oefenen, geen extra pensioenrechten opbouwen. Intussen heeft betrokkene wél volwaardige sociale bijdragen betaald en met zijn ervaring een bijdrage geleverd aan onze economie.

Op 5 december 2005 heb ik over die problematiek reeds een schriftelijke vraag gesteld. Volgens het antwoord van de minister in het Bulletin van Vragen en Antwoorden nummer 3-63 van 28 maart 2006 kan in de stelsels van de werknemers en van het overheidspersoneel een beroepsactiviteit die wordt aangevat na een volledige schorsing van het pensioenrecht, toch nog pensioenrechten opleveren. De minister repte wel met geen woord over de regeling in het stelsel van de zelfstandigen.

Bij navraag op de pensioendienst voor de zelfstandigen leerde ik evenwel dat de diensten op basis van de geldende pensioenwetgeving ingeval van hervatting van een beroepsbezigheid na een volledige schorsing van het pensioen het oorspronkelijk toegekende pensioen als definitief beschouwen en derhalve geen extra pensioenrechten toekennen. Dat gebeurt meer bepaald met toepassing van artikel 4 van het koninklijk besluit van 30 januari 1997 betreffende het pensioenstelsel der zelfstandigen en met toepassing van artikelen 15 en 27 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels en van artikel 3, §1, 4º, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese en Monetaire unie.

Op 20 juli 2006 stelde ik opnieuw een vraag, nu specifiek over de regeling voor de zelfstandigen. Die vraag stelde ik zowel aan de minister van Middenstand als aan de minister van Pensioenen. De minister van Middenstand heeft geantwoord in het Bulletin van Vragen en Antwoorden nr. 3-73; de minister van Pensioenen heeft nog niet geantwoord. Mijn vraag nummer 3-5740 van 20 juli 2006 werd zonder antwoord gepubliceerd in Bulletin van Vragen en Antwoorden nummer 3-74.

In ieder geval bevestigde de minister van Middenstand dat, behalve in één specifiek geval, namelijk wanneer het pensioen door overschrijding van de grenzen inzake toegelaten activiteit met meer dan 15% van bij de initiële ingangsdatum wordt teruggevorderd, een hervatting van een beroepsbezigheid na schorsing van het pensioen geen extra pensioenrechten kan opleveren, en dat in tegenstelling tot de situatie in de pensioenregelingen voor werknemers en ambtenaren. Zij liet weten dat een `grondige analyse' zou worden uitgevoerd om de noodzaak van een eventuele hervorming ter zake te kunnen inschatten.

Zelfstandigen worden op dit vlak dus anders behandeld dan werknemers en ambtenaren. Eigenlijk is dat een vorm van discriminatie. Meer nog, wie vroeger nooit zelfstandige was, kan met een activiteit als zelfstandige wél nog pensioenrechten opbouwen. Daardoor ontstaat nog eens een discriminatie tussen zelfstandigen die vroeger al dan niet een zelfstandige activiteit hebben uitgeoefend.

Ik geef een voorbeeld. Een werknemer met een loopbaan van 40 jaar als werknemer, gaat op 60 jaar met pensioen. Als zijn pensioen wordt geschorst omdat hij een zelfstandige beroepsactiviteit wil aanvangen waarvan de inkomsten de toegelaten grens zullen overschrijden en hij later opnieuw zijn pensioen aanvraagt, dan zal hij voor de periode van schorsing van het pensioen waarin hij een zelfstandige activiteit uitoefende en volwaardige sociale bijdragen betaalde toch nog extra pensioen krijgen als zelfstandige, maar dan alleen onder die voorwaarde dat hij vroeger nooit zelfstandige is geweest. Want als hij vroeger zelfstandige geweest is en er voordien al eens een stukje zelfstandigenpensioen uitbetaald is, komt hij voor dat extra pensioen als zelfstandige niet meer in aanmerking omdat zijn pensioen als zelfstandige dan al `daadwerkelijk en voor de eerste maal' en bijgevolg definitief is vastgelegd.

Die situatie lijkt mij vanuit rechtvaardigheidsstandpunt volstrekt onaanvaardbaar.

Nu in onze samenleving de consensus groeit dat meer mensen moeten worden gestimuleerd om een beroepsbezigheid op te nemen, lijkt het mij raadzaam dat mijns inziens niet objectief verantwoordbare verschil in behandeling op te heffen. Zolang er nog beperkingen rusten op de toegelaten beroepsbezigheid van gepensioneerden - beperkingen die ik graag zo snel mogelijk opgeheven zou zien - zou de overheid mensen die bereid zijn hun pensioen op te geven om opnieuw te gaan werken, moeten belonen in plaats van bestraffen.

Mag ik daarom aan de minister vragen hoe hij dit verschil in behandeling kan verklaren?

Heeft de door de minister van Middenstand aangekondigde evaluatie reeds plaatsgevonden? En zo ja, wie was daarbij betrokken en wanneer zullen de resultaten van deze evaluatie beschikbaar zijn? Zo neen, wanneer wordt die analyse gepland?

Is de regering zinnens om die regeling aan te passen en binnen welke termijn mogen wij die aanpassing verwachten?

Mevrouw Els Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van Begroting en Consumentenzaken. - Ik lees het antwoord. Artikel 249 van de programmawet van 27 december 2006 heeft in artikel 4, §3, eerste lid van het koninklijk besluit van 30 januari 1997 betreffende het pensioenstelsel der zelfstandigen de woorden `daadwerkelijk en voor de eerste maal' doen vervallen.

De nieuwe maatregel is van toepassing op de pensioenen die daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste op 1 januari 2007 ingaan.

Door niet langer te verwijzen naar de eerste ingangsdatum van het pensioen kan bij een herberekening van het pensioen rekening worden gehouden met de kwartalen na de eerste effectieve ingangsdatum van het pensioen, waarvoor de zelfstandige bijdragen heeft betaald die het recht op pensioen kunnen openen, wanneer het pensioen werd geschorst ingevolge het uitoefenen van een niet toegelaten beroepsbezigheid als zelfstandige.

Bijgevolg worden de zelfstandigen op dit vlak voortaan op dezelfde wijze behandeld als de werknemers en de ambtenaren.

De heer Jan Steverlynck (CD&V). - Ik dank de staatssecretaris voor dit klaar en duidelijk antwoord. Het is een bewijs te meer dat zelfs specialisten in deze zaak hun weg niet meer vinden en dat de vele programmawetten en diverse bepalingen ons ertoe nopen vragen te stellen terwijl het probleem eigenlijk al opgelost is.

Vraag om uitleg van mevrouw Stéphanie Anseeuw aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid en aan de minister van Werk over «werkgerelateerde kankers» (nr. 3-2220)

De voorzitter. - Mevrouw Els Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van Begroting en Consumentenzaken, antwoordt.

Mevrouw Stéphanie Anseeuw (VLD). - Op 1 februari stelde ik de minister een vraag over werkgerelateerde kankers naar aanleiding van een studie van de Franse ziekteverzekering van 30 januari 2007, die zeer onrustwekkende cijfers bekendmaakte omtrent de werkgerelateerde kankers. In 2005 circuleerde 4,8 miljoen ton chemische kankerverwekkende, mutagene en reprotoxische producten in Frankrijk.

Uit het rapport bleek dat er 11.000 tot 32.000 nieuwe gevallen van werkgerelateerde kankers per jaar opduiken.

Veel kankers zijn het gevolg van blootstelling aan chemische producten in de jaren 1960 en 1970. Het rapport noemt de werkgerelateerde kankers als één van de prioriteiten inzake de preventie van arbeidsongevallen voor 2007. Vijf sectoren lijken uiterst gevaarlijk: de automobielsector, de metaalnijverheid, de industrie van minerale producten, de bouw en de papierindustrie. Er is een algehele mobilisatie in Frankrijk op alle bestuursniveaus omtrent deze oorzaak van kanker. Sectorgerichte en productgerichte preventie is het wapen om deze stille moordenaar te stoppen.

De minister antwoordde dat België reeds een uitgebreide reglementering hieromtrent heeft. Hij zei ook dat per jaar zowat 170 beroepskankers worden erkend door het Fonds voor de beroepsziekten. De voornaamste oorzaak is vanzelfsprekend asbest, waarvoor zowat 130 kankers per jaar worden erkend. Deze cijfers stemmen niet overeen met de eerder aangehaalde studie uit Frankrijk.

Nader onderzoek leert dat deze cijfers eveneens veel lager zijn dan het aantal dodelijke slachtoffers ten gevolge van werkgerelateerde kankers in Nederland. Zo stelt een rapport van de FNV `Werkgerelateerde sterfte in Nederland' dat er elk jaar 400 doden vallen enkel en alleen al tengevolge van mesothelioom, dit is borstvlieskanker veroorzaakt door blootstelling aan asbest. Het rapport stelt dat deze kanker nagenoeg volledig het gevolg is van de arbeidsomstandigheden van de slachtoffers. Vreemd genoeg worden in België slechts 130 slachtoffers erkend, terwijl ons land de grootste producent was van dit gif.

Ook het totaalcijfer van dodelijke werkgerelateerde kankers is in België veel te laag vergeleken met onze rechtstreekse buurlanden.

Volgens voormeld rapport zouden in Nederland 3.000 werkgerelateerde kankers worden opgetekend. Extrapolatie van de incidentie van kankers in de Established Market Economies (EME) volgens de ILO levert voor Nederland ook het cijfer van 3000 op. De studie van professor Steenland levert een cijfer op tussen de 1000 en de 1700.

Volgens de meest conservatieve schatting telt Nederland 1700 overlijdens door werkgerelateerde kanker en volgens de meest ruime schatting zou het gaan om 3000 overlijdens, terwijl de minister voor België het cijfer van 170 aangeeft.

Bovendien is het aantal dodelijke slachtoffers nog maar het topje van de ijsberg. Het is alvast zeer belangrijk dat elke kankerregistratie zou aangeven of de sterfte te wijten is aan het werk.

De conclusie van het recente rapport werkgerelateerde sterfte in Nederland is duidelijk: als arbeidsveiligheid en arbeidsomstandigheden meer prioriteit zouden krijgen, bij de werkgevers maar ook bij de overheid, valt er nog veel te winnen. Ik vond uw opmerking dat de belastingbetaler in principe niet opdraait voor de vervanging van schadelijke stoffen in minder schadelijke stoffen dan ook vreemd.

In Nederland werken werknemers in 2% van de bedrijven met kankerverwekkende stoffen, de zogenaamde risicovolle werkzaamheden wat kankerverwekkende stoffen betreft, aldus het Nederlandse ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

Hoeveel mensen krijgen een werkgerelateerde kanker op jaarbasis in ons land?

Wat is het totaal aantal mensen dat lijdt aan werkgerelateerde kankers?

Hoe verklaart u het miraculeuze lage cijfer wat het aantal mensen betreft die overlijden ten gevolge van werkgerelateerde kankers vergeleken met landen als Frankrijk en Nederland?

Op welk cijfer komt men uit als men het percentage overlijdens door werkgerelateerde kankers van de ILO voor de Established Market Economies toepast op België? Hoe verklaart u de discrepantie met het door u aangegeven cijfer van 170 overlijdens?

Hebt u vanuit uw departement preventieacties opgezet? Zo ja, welke?

In hoeveel procent van de bedrijven werken werknemers met kankerverwekkende stoffen? Om hoeveel bedrijven gaat het en kan u in detail aangeven om welke stoffen het gaat? Waarom worden deze stoffen niet vervangen conform het substitutieprincipe?

In Nederland sterven elk jaar 400 mensen alleen al tengevolge van mesothelioom, wat quasi automatisch een werkgerelateerde kanker is. Hoe verklaart u dat in België hieraan slechts 130 mensen zouden overlijden?

Hoeveel ton chemische kankerverwekkende, mutagene en reprotoxische producten circuleren er momenteel in België?

Mevrouw Els Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van Begroting en Overheidsbedrijven. - Ik lees het antwoord van de minister.

Om te beginnen kan ik u geruststellen: mirakels bestaan volgens mij niet, er is voor alles een verklaring, alleen kennen we die soms niet of nóg niet. Miraculeus lage cijfers kan ik dus niet verklaren. Wat u lage cijfers noemt kan ik wel verklaren.

Er worden twee soorten cijfers door elkaar gehaald: de erkende gevallen van beroepsziekte enerzijds, en het aantal kankers dat volgens theoretische berekeningen mede aan het beroep zou kunnen te wijten zijn anderzijds.

Het Fonds voor de Beroepsziekten vergoedt kankers die op de lijst van de beroepsziekten staan, en hanteert daarbij criteria van blootstelling en van diagnose. Indien aan deze criteria is voldaan, hoeft géén bewijs geleverd te worden van een oorzakelijk verband. Dit principe kan vanzelfsprekend enkel gehanteerd worden voor kankers die met een zeer hoge mate van waarschijnlijkheid door de beroepsuitoefening veroorzaakt zijn.

Om hoeveel en om welke kankers gaat het?

In 2000 werden er 116 erkend, in 2001 122, in 2002 152, in 2003 180, in 2004 146, in 2005 179 en in 2006 186, meteen het hoogste getal tot nog toe.

Van 2000 tot 2006 gaat het om 5 longkankers door arseen, 16 longkankers door zeswaardig chroom, 3 longkankers door nikkel, 7 longkankers door homologen van naftaleen, 2 longkankers door polycyclische aromatische koolwaterstoffen, 17 schildklierkankers door ioniserende straling, 1 leverkanker door een virale infectie, 30 leukemieën door benzeen, 159 kankers van de neusholte en sinussen door houtstof, en tenslotte asbest. Voor asbest gaat het om 841 kankers waarvan 5 kankers van het strottenhoofd, 34 van het buikvlies, 550 van het longvlies en 252 van de longen.

Hierbij wil ik nog noteren dat in het verleden in ons land longkanker door asbest - ik heb het dus over longkanker niet longvlieskanker dat zo typisch is voor asbest - enkel werd erkend wanneer er tegelijk sprake is van chronische aantasting van de longen door asbest, het zogenaamde asbestose, een soort stoflong door asbest, een beetje vergelijkbaar met stoflong van de mijnwerkers. Sedert enkele jaren wordt bij ons longkanker erkend zonder asbestose wanneer werknemers hebben gewerkt met asbest gedurende 10 jaar voor 1985, toen in ons land zéér strenge maatregelen werden getroffen ter voorkoming van asbestblootstelling van werknemers. Daarbij wordt geen rekening gehouden met de vroegere rookgewoonten van deze mensen, ook al kan hun longkanker in vele gevallen evengoed door tabaksrook veroorzaakt zijn. In deze soepele aanpak zijn we bij de pioniers in Europa.

Dat laatste punt, longkanker en tabaksrook brengt ons op het andere punt dat u aanhaalt: het grote verschil tussen de cijfers van met bijna-zekerheid door het beroep veroorzaakte kankers en van mogelijk door het beroep veroorzaakte kankers.

Uit wetenschappelijk onderzoek weten we dat de kans op longkanker erg verschilt in verschillende beroepsgroepen. Zelfs indien men via allerlei statistische technieken de invloed van rookgewoonten uitschakelt, blijven die verschillen bestaan. Door de toepassing van dezelfde statistische technieken weten we echter ook dat voor elke beroepsgroep het aantal longkankers spectaculair lager had gelegen als niemand gerookt zou hebben.

Uit die verschillen in longkankerrisico tussen verschillende beroepsgroepen kunnen allerlei conclusies worden getrokken.

Een conclusie zou kunnen zijn: we vergoeden alle longkankers van alle beroepsgroepen die meer dan het gemiddelde aantal longkankers hebben. Als je dat doet, dan ben je via een beroepsziektefonds vooral kankers aan het vergoeden die door roken veroorzaakt zijn.

Een andere conclusie zou kunnen zijn: je vergoedt enkel voor die beroepscategorieën die er bovenuit steken, de kankers die boven het gemiddelde van de bevolking liggen. Dan weet je echter niet wie je binnen die beroepsgroep wel en niet moet vergoeden. Aan een longkanker of aan een bloedkanker kan je niet zien waardoor hij is veroorzaakt.

Daarom neemt men in alle landen zijn toevlucht tot wettelijke criteria, tot blootstellingscriteria, die vrij veel gelijkenis vertonen met de onze en die leiden tot cijfers van erkende beroepsziekten, die ook grote gelijkenis vertonen met de onze en dus niet miraculeus laag zijn.

Toch zullen er nog gevallen zijn die volgens onze criteria vergoed zouden kunnen worden, maar nooit werden aangegeven. Dat heeft dan veelal te maken met de moeilijkheden bij het opsporen van beroepsgebonden omstandigheden wanneer de ziekte zich pas tientallen jaren na de blootstelling openbaart, en meer nog met het feit dat niemand eraan denkt.

Ik keer even terug naar uw vergelijking met enkele ons omringende landen.

Uit de door u aangehaalde studie van de Franse ziekteverzekering blijkt dat de Caisse Nationale d'Assurance Maladie des Travailleurs Salariés, de CNAMTS, in 2005 2059 beroepskankers heeft erkend. Dat is dus heel wat minder dan de door de studie van het Institut de Veille Sanitaire vooropgestelde 11.000 tot 23.000 nieuwe gevallen per jaar die mogelijk met de beroepsuitoefening te maken hebben.

Het Franse ministerie van Arbeid heeft aan de hand van een SUMER-enquête (Surveillance médicale des risques professionnels), geraamd dat in 2003 ongeveer een 2,3 miljoen werknemers hebben blootgestaan aan kankerverwekkende agentia.

Daarenboven heeft een enquête, uitgevoerd door het Institut de Veille Sanitaire, het sterke vermoeden doen blijken dat per jaar 4 tot 8,5 procent van de op jaarbasis voorkomende nieuwe gevallen van kanker hun oorsprong zouden vinden in de beroepsuitoefening.

De cijfers die u opgeeft uit de studie `Werkgerelateerde sterfte' zijn gebaseerd op een extrapolatie naar de Nederlandse situatie van ramingen opgesteld door onder meer de Internationale Arbeidsorganisatie in het kader van het SafeWork-programma. Zij liggen ook in de buurt van de Franse studie.

Deze cijfers worden als realistisch ervaren en niets laat toe voor ons land een betere schatting te doen.

Nederland heeft geen erkenningssysteem van vergoedbare beroepsziekten zoals ons land, maar hanteert een systeem van melding van aangiften door de arbodiensten aan het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten. Om deze redenen is het aantal Nederlandse aangiften bij het NCvB moeilijk te vergelijken met het aantal erkenningen van mesothelioom bij werknemers door het Fonds voor de Beroepsziekten.

Uw bewering dat mesothelioom, longvlieskanker of buikvlieskanker, een quasi automatisch werkgerelateerde kanker is, kan ik niet bijtreden. Er zijn minstens zoveel slachtoffers die nooit met asbest gewerkt hebben. En voorts moet men er rekening mee houden dat de cijfers van het Fonds voor de Beroepsziekten alleen over werknemers gaan.

De FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg is in het kader van het Europees Sociaal Fonds promotor van een project Chemische risico's. Binnen dit project werden in samenwerking met teams van verschillende universiteiten, een aantal instrumenten ontwikkeld die aanzetten tot het correct omgaan met chemische stoffen:

Deze instrumenten werden onder meer tijdens colloquia, voorgesteld aan preventieadviseurs, leden van de hiërarchische lijn en sociale partners.

Het substitutieprincipe, het principe om het kankerverwekkende agens door een andere stof te vervangen, is een zeer goed principe. Het wordt overal waar dat mogelijk is door onze inspectiedienst afgedwongen. Dat is echter niet altijd mogelijk, zoals bijvoorbeeld bij benzeen dat in ruwe petroleum zit of bij houtstof. Voor benzeen zijn heel wat toepassingen verboden en voor de toepassingen waar het wel kan worden zeer strenge voorwaarden opgelegd. Voor houtstof kunnen passende beschermingsmaatregelen worden genomen.

Voor asbest daarentegen gelden sedert 1985 zeer strenge maatregelen en is er sinds vele jaren een volledig verbod.

Ik ben niet bevoegd om een registratiesysteem in te voeren dat het tonnage van kankerverwekkende, mutagene of reprotoxische stoffen kan bepalen dat in ons land circuleert. Een dergelijk onderzoek zou in elk geval enorm veel studie vergen. Mijn collega Verwilghen is allicht beter geplaatst om in te schatten of dat mogelijk is. De hoeveelheid is echter niet het enige criterium om het gevaar voor de werkende bevolking of de bevolking in haar totaliteit in te schatten.

Collega Demotte en ikzelf zien erop toe dat het Fonds voor de Beroepsziekten verder werk maakt van criteria die ons in staat moeten stellen meer echte beroepskankers te erkennen.

Vraag om uitleg van de heer Joris Van Hauthem aan de minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid over «de maatregelen om de onevenwichtige verdeling van de betrekkingen over de taalgroepen in de federale wetenschappelijke instellingen weg te werken» (nr. 3-2206)

De voorzitter. - Mevrouw Els Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van Begroting en Consumentenzaken, antwoordt.

De heer Joris Van Hauthem (VL. BELANG). - Op 7 juli 2005 stelde ik minister Verwilghen een vraag over de vaststelling dat bij de federale wetenschappelijke instellingen een hoogst onevenwichtige verdeling van de betrekkingen bestond ten nadele van de Nederlandstaligen. Die scheeftrekking stond absoluut niet in verhouding met het bevolkingsaandeel van beide volkeren in dit land. Na onderzoek bleek immers dat op 1 januari 2005 gemiddeld slechts 46,54% van het personeel bij die instellingen Nederlandstalig was en 53,46% Franstalig, terwijl het bevolkingsaandeel van de Vlamingen zoals bekend ongeveer 60% bedraagt en dat van de Franstaligen rond de 40% schommelt.

De minister bevestigde toen dat mijn cijfers correct waren en dat er onaanvaardbare scheeftrekkingen waren. De minister deelde mij in dat verband ook mee dat hij in een eerste fase naar een herstel van het evenwicht zou streven. Hij kondigde ook aan dat hij de daaropvolgende maanden samen met de diensten van het Federaal Wetenschapsbeleid en met de nieuwe afdelingshoofden maatregelen, ook budgettaire, zou uitwerken. In het raam van het personeelsplan van het Federaal Wetenschapsbeleid voor het jaar 2005 zei de minister dat hij dringend concrete maatregelen zou nemen om het evenwicht te garanderen. Hij verduidelijkte de plannen door te stellen dat het een evenwicht op de evenredige vertegenwoordiging van de bevolkingsgroepen gebaseerd moest zijn.

Dat waren allemaal veelbelovende voornemens in het licht van de zware scheeftrekkingen die waren vastgesteld. Wij waren dan ook benieuwd wat er van die voornemens in de praktijk is terechtgebracht. Daarom hebben we de oefening die we begin 2005 voor de federale wetenschappelijke instellingen maakten, nog eens overgedaan op 1 januari 2007 op basis van de gegevensbestanden die op de webstek www.pdata.be kunnen worden teruggevonden. Dat is dus twee jaar na het inzamelen van de vorige gegevens en anderhalf jaar na de veelbelovende aankondigingen van de minister.

Welnu, de resultaten van die oefening zijn zwaar teleurstellend. Hadden de Vlamingen in 2005 46,53% van de betrekkingen in de federale wetenschappelijke instellingen, dan is dat vandaag opgelopen tot 47,1%. Dat is dus een vooruitgang met pakweg een half procent op twee jaar tijd. Dat wil zeggen dat als we dat tempo aanhouden, de achterstand van de Vlamingen over 52 jaar zal zijn ingehaald en zal overeenstemmen met datgene waarop wij volgens ons bevolkingsaantal recht op hebben. We hebben dus nog een halve eeuw te gaan. Dat is het globale beeld.

Bekijken we echter het beeld per instelling, dan zien we zelfs helemaal geen eenduidige vooruitgang meer. Het blijkt nu dat in 7 van de 15 instellingen - we laten de Nationale Plantentuin even buiten beschouwing omdat die zich in een overgangsfase bevindt - nog een verdere achteruitgang van het aandeel van de Nederlandstaligen te noteren valt, soms in niet onaanzienlijke mate. Ik geef het meest frappante voorbeeld. Als we de cijfers van Pdata mogen geloven, dan bezetten de Nederlandstaligen momenteel nog geen 34% van de betrekkingen in de Koninklijke Sterrenwacht van België. Dat is nog eens 3% minder dan twee jaar geleden. Dat is natuurlijk een individuele analyse van één instelling, maar zelfs daaruit kunnen we niet afleiden dat er een gericht beleid werd gevoerd om alle wanverhoudingen weg te werken. De globale vooruitgang van ongeveer een half procent op twee jaar tijd ten voordele van de Nederlandstaligen moet dan ook veeleer worden beschouwd als het toevallige resultaat van een aantal schommelingen, eerder dan als het gevolg van een doelgericht beleid.

Vanuit deze vaststellingen plaatsen we dus grote vraagtekens bij wat de minister hier anderhalf jaar geleden poneerde.

Kan de minister de cijfers die ik heb gegeven bevestigen en wat is de stand van zaken? Welke maatregelen heeft de minister concreet genomen om de disproporties weg te werken die hij zelf heeft erkend en waarvan hij zei dat hij ze zou rechttrekken? Sinds wanneer zijn die maatregelen in werking en hoe komt het dat ze niet het effect hebben opgeleverd dat de minister ons hier anderhalf jaar geleden heeft voorgespiegeld? Hoe komt het dat in bijna de helft van de gevallen het aandeel van de Vlamingen er nog verder op achteruit is gegaan?

Overweegt de minister in de korte periode vóór de ontbinding van de kamers nog iets te ondernemen om de verdeling van de betrekkingen over de taalgroepen bij de federale wetenschappelijke instellingen krachtig bij te sturen en aan de flagrante wanverhoudingen écht een einde te maken?

Mevrouw Els Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van Begroting en Consumentenzaken. - Ik lees het antwoord van minister Verwilghen.

Aangezien enerzijds de beperkte budgettaire mogelijkheden het niet mogelijk maakte met bijkomende aanwervingen iets te doen aan de onbalansen en het anderzijds om sociale redenen niet wenselijk is lopende contracten op te zeggen, werd ervoor geopteerd de disproporties stapsgewijs weg te werken via de beschikbare aanwervingsmogelijkheden, al dan niet na natuurlijke afvloeiingen.

Aan de verantwoordelijken werd gevraagd om de passende maatregelen te nemen en aldus de zaak recht te trekken. Zo moest er bij nieuwe aanwervingen worden overgegaan tot een verscherpte screening van de situatie van het personeelsbestand in beide taalrollen om de noodzaak tot herstel van het taalevenwicht te verzoenen met de personeelsnoden voor de uitvoering van de opdrachten.

Deze aanpak heeft geleid tot een aantal correcties, zoals blijkt uit de hierna volgende cijfers. Hierbij wordt voor de verschillende wetenschappelijke instellingen behorend tot het Federaal Wetenschapsbeleid een vergelijking gemaakt tussen de verdeling van het personeelsbestand over de Nederlandse en Franse taalrol op 1 februari 2007 en de verdeling zoals die werd gegeven bij de vraag om uitleg van 24 maart 2005 van de heer Van Hauthem.

Voor ARA-Brussel gaat het om 48 Nederlandstaligen en 49 Franstaligen, samen 97 personeelsleden, of 49,48% Nederlandstaligen en 50,52% Franstaligen. KB telt 136 Nederlandstaligen en 159 Franstaligen, samen 295 personeelsleden, of respectievelijk 46,10% en 53,90%. Uw cijfers, mijnheer Van Hauthem, staan hier ook vermeld, maar ik neem aan dat u die bij de hand hebt.

De heer Joris Van Hauthem (VL. BELANG). - Wij hebben de cijfers van Pdata en onze vraag is ook of die cijfers correct zijn. Komen de cijfers die u nu citeert ook van Pdata?

Mevrouw Els Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van Begroting en Consumentenzaken. - Er staat geen bron vermeld. De cijfers liggen in dezelfde lijn, maar het gaat om een iets andere datum.

KBIN telt 191 Nederlandstaligen en 204 Franstaligen, samen 395 personeelsleden. Dat wil zeggen 48,35% Nederlandstaligen en 51,65% Franstaligen.

Ik geef nu de cijfers van andere instellingen.

KMMA: 155 Nederlandstaligen en 117 Franstaligen, totaal 272 of 56,99% en 43,01%.

BIRA: 51 Nederlandstaligen en 64 Franstaligen, totaal 115 of 44,35% en 55,65%.

KMI: 78 Nederlandstaligen en 118 Franstaligen, totaal 196 of 39,80% en 60,20%.

KS: 54 Nederlandstaligen en 95 Franstaligen, totaal 149 of 36,24% en 63,76%.

KMKG: 160 Nederlandstaligen en 189 Franstaligen, totaal 349 of 45,85% en 54,15%

KMSK: 124 Nederlandstaligen en 125 Franstaligen, totaal 249 of 49,80% en 50,20%.

KIK: 72 Nederlandstaligen en 60 Franstaligen, totaal 132 of 54,55% en 45,45%.

In totaal betekent dit 1.069 Nederlandstaligen en 1.180 Franstaligen, totaal 2.249 of 47,53% versus 52,47%.

De analyse van de toestand op 1 februari 2007 maakt duidelijk dat de grote disproporties binnen een afzienbare tijd via bovengemelde werkwijze onmogelijk kunnen worden verholpen.

De grootste disproporties situeren zich bij het personeel, dat door de instellingen op eigen middelen werd aangeworven. Deze werkwijze heeft niet kunnen verhinderen dat in sommige gevallen het onevenwicht is vergroot. De administratie werd daarom gelast om het ontwerp personeelsplan 2007 zodanig uit te werken dat het taalevenwicht maximaal wordt gecorrigeerd, zonder daarbij uit het oog te verliezen dat de kerntaken van de instellingen dienen verzekerd te blijven. Bovendien kregen de beheerscommissies van de federale wetenschappelijke instellingen behorend tot het Federaal Wetenschapsbeleid de opdracht erop toe te zien dat iedere aanwerving bijdraagt tot het realiseren/corrigeren van het taalevenwicht.

De heer Joris Van Hauthem (VL. BELANG). - Als we het antwoord van de minister van 2005 met dit antwoord vergelijken, blijkt dat we er een heel klein beetje op vooruitgaan. Over 52 jaar zal de zaak dus rechtgetrokken zijn.

De minister beweert dat men toch niet zomaar mensen kan ontslaan. Ik stel wel vast dat men scheeftrekkingen kan realiseren door de taalkaders te negeren. Achteraf zegt men dan dat men de taalkaders niet kan respecteren, omdat men dan in de sociale problemen komt. Men heeft dus eerst de sociale problemen gecreëerd om nadien de taalkaders manifest de negeren. Achteraf zegt men dan: `We gaan toch geen mensen op straat zetten!' Dit kan toch niet!

Er is heel duidelijk een sociaal passief ten aanzien van de Nederlandstaligen. Kan dit op korte termijn worden rechtgetrokken? De minister geeft een eerlijk antwoord. Hij zegt dat hij anderhalf jaar geleden iets heeft voorgespiegeld dat hij politiek niet kan waarmaken. Dat is inderdaad eerlijk maar tegelijk ook een duidelijke illustratie van de manier waarop men in dit land omgaat met de taalwetgeving.

Vraag om uitleg van de heer Joris Van Hauthem aan de minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen over «de campagne "Migrant van de dag" door het Centrum voor Gelijkheid van Kansen en voor Racismebestrijding» (nr. 3-2209)

De voorzitter. - Mevrouw Els Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van Begroting en Consumentenzaken, antwoordt.

De heer Joris Van Hauthem (VL. BELANG). - De reden waarom ik over deze kwestie een vraag om uitleg stel, is eenvoudig: op mijn schriftelijke vragen hierover heb ik nooit een antwoord gekregen.

In het kader van de internationale dag van de migrant op 18 december 2006 heeft het Centrum voor gelijkheid van kansen en racismebestrijding een grootscheepse mediacampagne op touw gezet. Centraal in deze campagne staat de Belgische koningin, die met naam, toenaam, foto en enkele elementen uit haar privéleven, zoals geboorteplaats, datum van aankomst in België, beroep, in deze campagne wordt opgevoerd als modelmigrant. Zij was werkelijk het gezicht van de campagne `Migrant van de dag'.

Werd aan de koningin zelf, de koninklijke familie of het koninklijk paleis toestemming gevraagd voor het gebruik van de foto en de persoon van de koningin voor deze politieke campagne?

Mevrouw Els Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van Begroting en Consumentenzaken. - Ik lees het antwoord van minister Dupont.

Op 18 december 2006 heeft het Centrum voor gelijkheid van kansen en racismebestrijding een mediacampagne op touw gezet om het grote publiek bewust te maken van de situatie van de migrant. 18 december is op 4 december 2000, in een resolutie van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, uitgeroepen tot internationale dag van de migrant. Bij deze gelegenheid riep de VN de lidstaten op om op die dag `informatie te verspreiden over de rechten van de mens en over de fundamentele vrijheden van migranten, door middel van uitwisseling van ervaringsgegevens en door maatregelen te nemen die de bescherming van migranten beogen'.

In het kader van deze campagne heeft het Centrum de koningin gekozen als `Migrant van de dag'. Een foto van de koningin is gebruikt op het affiche van de campagne. De campagne met het beeld van de koningin had tot doel het grote publiek bewust te maken van de situatie van de migranten, want ook de koningin is jaren geleden naar ons land geëmigreerd. Voordat de campagne van start is gegaan, heeft het Centrum het Paleis uitgebreid geïnformeerd over het hoe en waarom van de actie.

De heer Joris Van Hauthem (VL. BELANG). - Ik heb op mijn vraag geen antwoord gekregen. Mijn vraag was of het Paleis toestemming gegeven heeft om het portretrecht te gebruiken. Uit het antwoord dat staatssecretaris Van Weert voorlas, maak ik op dat de toestemming duidelijk niet is gevraagd en dat het Paleis niet tegen het gebruik van de foto van de koningin heeft geprotesteerd. Dat zegt voor mij alles. Ook dat het Paleis zich voor wat dan ook laat gebruiken.

Trouwens, als de koningin volgens het Centrum een `te beschermen migrant' is, dan zijn we ver van huis.

De voorzitter. - De agenda van deze vergadering is afgewerkt.

De volgende vergadering vindt plaats donderdag 29 maart om 10.00 uur.

(De vergadering wordt gesloten om 22.10 uur.)

Berichten van verhindering

Afwezig met bericht van verhindering: mevrouw Bousakla en mevrouw Van dermeersch, om gezondheidsredenen, de heer Van den Brande, in het buitenland, de heren Dedecker en Wilmots, wegens andere plichten.

-Voor kennisgeving aangenomen.

Bijlage

Naamstemmingen

Stemming 1

Aanwezig: 53
Voor: 53
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

Voor

Jihane Annane, Wouter Beke, Sfia Bouarfa, Jacques Brotchi, Christian Brotcorne, Jean-Marie Cheffert, Pierre Chevalier, Berni Collas, Jean Cornil, Hugo Coveliers, Frank Creyelman, Marie-Hélène Crombé-Berton, Christine Defraigne, Michel Delacroix, Francis Delpérée, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Francis Detraux, Nathalie de T' Serclaes, Josy Dubié, Isabelle Durant, Pierre Galand, Christel Geerts, Jean-Marie Happart, Margriet Hermans, Jeannine Leduc, Nele Lijnen, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Bart Martens, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Clotilde Nyssens, Luc Paque, Fatma Pehlivan, François Roelants du Vivier, Franco Seminara, Jan Steverlynck, Fauzaya Talhaoui, Annemie Van de Casteele, Hugo Vandenberghe, Lionel Vandenberghe, Dany Vandenbossche, Ludwig Vandenhove, Joris Van Hauthem, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Wim Verreycken, Luc Willems, Paul Wille, Olga Zrihen.

Stemming 2

Aanwezig: 57
Voor: 7
Tegen: 50
Onthoudingen: 0

Voor

Yves Buysse, Hugo Coveliers, Frank Creyelman, Michel Delacroix, Francis Detraux, Joris Van Hauthem, Wim Verreycken.

Tegen

Jihane Annane, Stéphanie Anseeuw, Wouter Beke, Sfia Bouarfa, Jacques Brotchi, Christian Brotcorne, Jean-Marie Cheffert, Pierre Chevalier, Berni Collas, Jean Cornil, Marie-Hélène Crombé-Berton, Sabine de Bethune, Christine Defraigne, Francis Delpérée, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Josy Dubié, Isabelle Durant, Pierre Galand, Christel Geerts, Jean-Marie Happart, Margriet Hermans, Jeannine Leduc, Nele Lijnen, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Bart Martens, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Clotilde Nyssens, Luc Paque, Fatma Pehlivan, François Roelants du Vivier, Franco Seminara, Jan Steverlynck, Fauzaya Talhaoui, Annemie Van de Casteele, Hugo Vandenberghe, Lionel Vandenberghe, Dany Vandenbossche, Ludwig Vandenhove, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Luc Willems, Paul Wille, Olga Zrihen.

Stemming 3

Aanwezig: 57
Voor: 50
Tegen: 0
Onthoudingen: 7

Voor

Jihane Annane, Stéphanie Anseeuw, Wouter Beke, Sfia Bouarfa, Jacques Brotchi, Christian Brotcorne, Jean-Marie Cheffert, Pierre Chevalier, Berni Collas, Jean Cornil, Marie-Hélène Crombé-Berton, Sabine de Bethune, Christine Defraigne, Francis Delpérée, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Josy Dubié, Isabelle Durant, Pierre Galand, Christel Geerts, Jean-Marie Happart, Margriet Hermans, Jeannine Leduc, Nele Lijnen, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Bart Martens, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Clotilde Nyssens, Luc Paque, Fatma Pehlivan, François Roelants du Vivier, Franco Seminara, Jan Steverlynck, Fauzaya Talhaoui, Annemie Van de Casteele, Hugo Vandenberghe, Lionel Vandenberghe, Dany Vandenbossche, Ludwig Vandenhove, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Luc Willems, Paul Wille, Olga Zrihen.

Onthoudingen

Yves Buysse, Hugo Coveliers, Frank Creyelman, Michel Delacroix, Francis Detraux, Joris Van Hauthem, Wim Verreycken.

Stemming 4

Aanwezig: 57
Voor: 15
Tegen: 42
Onthoudingen: 0

Voor

Wouter Beke, Christian Brotcorne, Yves Buysse, Hugo Coveliers, Frank Creyelman, Sabine de Bethune, Michel Delacroix, Francis Delpérée, Mia De Schamphelaere, Francis Detraux, Clotilde Nyssens, Jan Steverlynck, Hugo Vandenberghe, Joris Van Hauthem, Wim Verreycken.

Tegen

Jihane Annane, Stéphanie Anseeuw, Sfia Bouarfa, Jacques Brotchi, Jean-Marie Cheffert, Pierre Chevalier, Berni Collas, Jean Cornil, Marie-Hélène Crombé-Berton, Christine Defraigne, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Josy Dubié, Isabelle Durant, Pierre Galand, Christel Geerts, Jean-Marie Happart, Margriet Hermans, Jeannine Leduc, Nele Lijnen, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Bart Martens, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Luc Paque, Fatma Pehlivan, François Roelants du Vivier, Franco Seminara, Fauzaya Talhaoui, Annemie Van de Casteele, Lionel Vandenberghe, Dany Vandenbossche, Ludwig Vandenhove, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Luc Willems, Paul Wille, Olga Zrihen.

Stemming 5

Aanwezig: 56
Voor: 15
Tegen: 38
Onthoudingen: 3

Voor

Wouter Beke, Christian Brotcorne, Yves Buysse, Hugo Coveliers, Frank Creyelman, Sabine de Bethune, Michel Delacroix, Francis Delpérée, Mia De Schamphelaere, Francis Detraux, Clotilde Nyssens, Jan Steverlynck, Hugo Vandenberghe, Joris Van Hauthem, Wim Verreycken.

Tegen

Jihane Annane, Stéphanie Anseeuw, Sfia Bouarfa, Jacques Brotchi, Jean-Marie Cheffert, Pierre Chevalier, Berni Collas, Jean Cornil, Marie-Hélène Crombé-Berton, Christine Defraigne, Amina Derbaki Sbaï, Alain Destexhe, Pierre Galand, Christel Geerts, Jean-Marie Happart, Margriet Hermans, Jeannine Leduc, Nele Lijnen, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Bart Martens, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Luc Paque, Fatma Pehlivan, François Roelants du Vivier, Franco Seminara, Fauzaya Talhaoui, Annemie Van de Casteele, Lionel Vandenberghe, Dany Vandenbossche, Ludwig Vandenhove, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Luc Willems, Paul Wille, Olga Zrihen.

Onthoudingen

Nathalie de T' Serclaes, Josy Dubié, Isabelle Durant.

Stemming 6

Aanwezig: 57
Voor: 15
Tegen: 39
Onthoudingen: 3

Voor

Wouter Beke, Christian Brotcorne, Yves Buysse, Hugo Coveliers, Frank Creyelman, Sabine de Bethune, Michel Delacroix, Francis Delpérée, Mia De Schamphelaere, Francis Detraux, Clotilde Nyssens, Jan Steverlynck, Hugo Vandenberghe, Joris Van Hauthem, Wim Verreycken.

Tegen

Jihane Annane, Stéphanie Anseeuw, Sfia Bouarfa, Jacques Brotchi, Jean-Marie Cheffert, Pierre Chevalier, Berni Collas, Jean Cornil, Marie-Hélène Crombé-Berton, Christine Defraigne, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Pierre Galand, Christel Geerts, Jean-Marie Happart, Margriet Hermans, Jeannine Leduc, Nele Lijnen, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Bart Martens, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Luc Paque, Fatma Pehlivan, François Roelants du Vivier, Franco Seminara, Fauzaya Talhaoui, Annemie Van de Casteele, Lionel Vandenberghe, Dany Vandenbossche, Ludwig Vandenhove, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Luc Willems, Paul Wille, Olga Zrihen.

Onthoudingen

Nathalie de T' Serclaes, Josy Dubié, Isabelle Durant.

Stemming 7

Aanwezig: 57
Voor: 37
Tegen: 14
Onthoudingen: 6

Voor

Jihane Annane, Stéphanie Anseeuw, Sfia Bouarfa, Jacques Brotchi, Jean-Marie Cheffert, Pierre Chevalier, Berni Collas, Jean Cornil, Marie-Hélène Crombé-Berton, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Pierre Galand, Christel Geerts, Jean-Marie Happart, Margriet Hermans, Jeannine Leduc, Nele Lijnen, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Bart Martens, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Luc Paque, Fatma Pehlivan, François Roelants du Vivier, Franco Seminara, Fauzaya Talhaoui, Lionel Vandenberghe, Dany Vandenbossche, Ludwig Vandenhove, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Luc Willems, Paul Wille, Olga Zrihen.

Tegen

Wouter Beke, Christian Brotcorne, Yves Buysse, Frank Creyelman, Sabine de Bethune, Michel Delacroix, Francis Delpérée, Mia De Schamphelaere, Francis Detraux, Clotilde Nyssens, Jan Steverlynck, Hugo Vandenberghe, Joris Van Hauthem, Wim Verreycken.

Onthoudingen

Hugo Coveliers, Christine Defraigne, Nathalie de T' Serclaes, Josy Dubié, Isabelle Durant, Annemie Van de Casteele.

Stemming 8

Aanwezig: 56
Voor: 6
Tegen: 40
Onthoudingen: 10

Voor

Wouter Beke, Sabine de Bethune, Mia De Schamphelaere, Clotilde Nyssens, Jan Steverlynck, Hugo Vandenberghe.

Tegen

Jihane Annane, Stéphanie Anseeuw, Sfia Bouarfa, Jacques Brotchi, Pierre Chevalier, Berni Collas, Jean Cornil, Marie-Hélène Crombé-Berton, Christine Defraigne, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Josy Dubié, Isabelle Durant, Pierre Galand, Christel Geerts, Jean-Marie Happart, Margriet Hermans, Jeannine Leduc, Nele Lijnen, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Bart Martens, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Luc Paque, Fatma Pehlivan, François Roelants du Vivier, Franco Seminara, Fauzaya Talhaoui, Annemie Van de Casteele, Lionel Vandenberghe, Dany Vandenbossche, Ludwig Vandenhove, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Luc Willems, Paul Wille, Olga Zrihen.

Onthoudingen

Christian Brotcorne, Yves Buysse, Jean-Marie Cheffert, Hugo Coveliers, Frank Creyelman, Michel Delacroix, Francis Delpérée, Francis Detraux, Joris Van Hauthem, Wim Verreycken.

Stemming 9

Aanwezig: 54
Voor: 9
Tegen: 39
Onthoudingen: 6

Voor

Wouter Beke, Christian Brotcorne, Sabine de Bethune, Francis Delpérée, Mia De Schamphelaere, Clotilde Nyssens, Jan Steverlynck, Hugo Vandenberghe, Patrik Vankrunkelsven.

Tegen

Jihane Annane, Stéphanie Anseeuw, Sfia Bouarfa, Jacques Brotchi, Jean-Marie Cheffert, Pierre Chevalier, Berni Collas, Jean Cornil, Marie-Hélène Crombé-Berton, Christine Defraigne, Amina Derbaki Sbaï, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Josy Dubié, Isabelle Durant, Pierre Galand, Christel Geerts, Jean-Marie Happart, Margriet Hermans, Jeannine Leduc, Nele Lijnen, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Bart Martens, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Luc Paque, Fatma Pehlivan, François Roelants du Vivier, Franco Seminara, Fauzaya Talhaoui, Annemie Van de Casteele, Lionel Vandenberghe, Dany Vandenbossche, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Luc Willems, Paul Wille, Olga Zrihen.

Onthoudingen

Yves Buysse, Frank Creyelman, Michel Delacroix, Francis Detraux, Joris Van Hauthem, Wim Verreycken.

Stemming 10

Aanwezig: 57
Voor: 8
Tegen: 41
Onthoudingen: 8

Voor

Wouter Beke, Christian Brotcorne, Sabine de Bethune, Francis Delpérée, Mia De Schamphelaere, Clotilde Nyssens, Jan Steverlynck, Hugo Vandenberghe.

Tegen

Jihane Annane, Stéphanie Anseeuw, Sfia Bouarfa, Jacques Brotchi, Pierre Chevalier, Berni Collas, Jean Cornil, Marie-Hélène Crombé-Berton, Christine Defraigne, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Josy Dubié, Isabelle Durant, Pierre Galand, Christel Geerts, Jean-Marie Happart, Margriet Hermans, Jeannine Leduc, Nele Lijnen, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Bart Martens, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Luc Paque, Fatma Pehlivan, François Roelants du Vivier, Franco Seminara, Fauzaya Talhaoui, Annemie Van de Casteele, Lionel Vandenberghe, Dany Vandenbossche, Ludwig Vandenhove, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Luc Willems, Paul Wille, Olga Zrihen.

Onthoudingen

Yves Buysse, Jean-Marie Cheffert, Hugo Coveliers, Frank Creyelman, Michel Delacroix, Francis Detraux, Joris Van Hauthem, Wim Verreycken.

Stemming 11

Aanwezig: 57
Voor: 39
Tegen: 4
Onthoudingen: 14

Voor

Jihane Annane, Stéphanie Anseeuw, Sfia Bouarfa, Jacques Brotchi, Pierre Chevalier, Berni Collas, Jean Cornil, Marie-Hélène Crombé-Berton, Christine Defraigne, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Pierre Galand, Christel Geerts, Jean-Marie Happart, Margriet Hermans, Jeannine Leduc, Nele Lijnen, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Bart Martens, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Luc Paque, Fatma Pehlivan, François Roelants du Vivier, Franco Seminara, Fauzaya Talhaoui, Annemie Van de Casteele, Lionel Vandenberghe, Dany Vandenbossche, Ludwig Vandenhove, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Luc Willems, Paul Wille, Olga Zrihen.

Tegen

Yves Buysse, Frank Creyelman, Joris Van Hauthem, Wim Verreycken.

Onthoudingen

Wouter Beke, Christian Brotcorne, Jean-Marie Cheffert, Hugo Coveliers, Sabine de Bethune, Michel Delacroix, Francis Delpérée, Mia De Schamphelaere, Francis Detraux, Josy Dubié, Isabelle Durant, Clotilde Nyssens, Jan Steverlynck, Hugo Vandenberghe.

Stemming 12

Aanwezig: 57
Voor: 55
Tegen: 0
Onthoudingen: 2

Voor

Jihane Annane, Stéphanie Anseeuw, Wouter Beke, Sfia Bouarfa, Jacques Brotchi, Christian Brotcorne, Yves Buysse, Jean-Marie Cheffert, Pierre Chevalier, Berni Collas, Jean Cornil, Hugo Coveliers, Frank Creyelman, Marie-Hélène Crombé-Berton, Sabine de Bethune, Christine Defraigne, Michel Delacroix, Francis Delpérée, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Alain Destexhe, Francis Detraux, Nathalie de T' Serclaes, Pierre Galand, Christel Geerts, Jean-Marie Happart, Margriet Hermans, Jeannine Leduc, Nele Lijnen, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Bart Martens, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Clotilde Nyssens, Luc Paque, Fatma Pehlivan, François Roelants du Vivier, Franco Seminara, Jan Steverlynck, Fauzaya Talhaoui, Annemie Van de Casteele, Hugo Vandenberghe, Lionel Vandenberghe, Dany Vandenbossche, Ludwig Vandenhove, Joris Van Hauthem, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Wim Verreycken, Luc Willems, Paul Wille, Olga Zrihen.

Onthoudingen

Josy Dubié, Isabelle Durant.

Stemming 13

Aanwezig: 57
Voor: 50
Tegen: 0
Onthoudingen: 7

Voor

Jihane Annane, Stéphanie Anseeuw, Wouter Beke, Sfia Bouarfa, Jacques Brotchi, Christian Brotcorne, Jean-Marie Cheffert, Pierre Chevalier, Berni Collas, Jean Cornil, Marie-Hélène Crombé-Berton, Sabine de Bethune, Christine Defraigne, Michel Delacroix, Francis Delpérée, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Alain Destexhe, Francis Detraux, Nathalie de T' Serclaes, Pierre Galand, Christel Geerts, Jean-Marie Happart, Margriet Hermans, Jeannine Leduc, Nele Lijnen, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Bart Martens, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Clotilde Nyssens, Luc Paque, Fatma Pehlivan, François Roelants du Vivier, Franco Seminara, Jan Steverlynck, Fauzaya Talhaoui, Annemie Van de Casteele, Hugo Vandenberghe, Lionel Vandenberghe, Dany Vandenbossche, Ludwig Vandenhove, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Luc Willems, Paul Wille, Olga Zrihen.

Onthoudingen

Yves Buysse, Hugo Coveliers, Frank Creyelman, Josy Dubié, Isabelle Durant, Joris Van Hauthem, Wim Verreycken.

Stemming 14

Aanwezig: 57
Voor: 50
Tegen: 0
Onthoudingen: 7

Voor

Jihane Annane, Stéphanie Anseeuw, Wouter Beke, Sfia Bouarfa, Jacques Brotchi, Christian Brotcorne, Jean-Marie Cheffert, Pierre Chevalier, Berni Collas, Jean Cornil, Marie-Hélène Crombé-Berton, Sabine de Bethune, Christine Defraigne, Michel Delacroix, Francis Delpérée, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Alain Destexhe, Francis Detraux, Nathalie de T' Serclaes, Pierre Galand, Christel Geerts, Jean-Marie Happart, Margriet Hermans, Jeannine Leduc, Nele Lijnen, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Bart Martens, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Clotilde Nyssens, Luc Paque, Fatma Pehlivan, François Roelants du Vivier, Franco Seminara, Jan Steverlynck, Fauzaya Talhaoui, Annemie Van de Casteele, Hugo Vandenberghe, Lionel Vandenberghe, Dany Vandenbossche, Ludwig Vandenhove, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Luc Willems, Paul Wille, Olga Zrihen.

Onthoudingen

Yves Buysse, Hugo Coveliers, Frank Creyelman, Josy Dubié, Isabelle Durant, Joris Van Hauthem, Wim Verreycken.

Stemming 15

Aanwezig: 57
Voor: 50
Tegen: 0
Onthoudingen: 7

Voor

Jihane Annane, Stéphanie Anseeuw, Wouter Beke, Sfia Bouarfa, Jacques Brotchi, Christian Brotcorne, Jean-Marie Cheffert, Pierre Chevalier, Berni Collas, Jean Cornil, Marie-Hélène Crombé-Berton, Sabine de Bethune, Christine Defraigne, Michel Delacroix, Francis Delpérée, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Alain Destexhe, Francis Detraux, Nathalie de T' Serclaes, Pierre Galand, Christel Geerts, Jean-Marie Happart, Margriet Hermans, Jeannine Leduc, Nele Lijnen, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Bart Martens, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Clotilde Nyssens, Luc Paque, Fatma Pehlivan, François Roelants du Vivier, Franco Seminara, Jan Steverlynck, Fauzaya Talhaoui, Annemie Van de Casteele, Hugo Vandenberghe, Lionel Vandenberghe, Dany Vandenbossche, Ludwig Vandenhove, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Luc Willems, Paul Wille, Olga Zrihen.

Onthoudingen

Yves Buysse, Hugo Coveliers, Frank Creyelman, Josy Dubié, Isabelle Durant, Joris Van Hauthem, Wim Verreycken.

Stemming 16

Aanwezig: 57
Voor: 57
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

Voor

Jihane Annane, Stéphanie Anseeuw, Wouter Beke, Sfia Bouarfa, Jacques Brotchi, Christian Brotcorne, Yves Buysse, Jean-Marie Cheffert, Pierre Chevalier, Berni Collas, Jean Cornil, Hugo Coveliers, Frank Creyelman, Marie-Hélène Crombé-Berton, Sabine de Bethune, Christine Defraigne, Michel Delacroix, Francis Delpérée, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Alain Destexhe, Francis Detraux, Nathalie de T' Serclaes, Josy Dubié, Isabelle Durant, Pierre Galand, Christel Geerts, Jean-Marie Happart, Margriet Hermans, Jeannine Leduc, Nele Lijnen, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Bart Martens, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Clotilde Nyssens, Luc Paque, Fatma Pehlivan, François Roelants du Vivier, Franco Seminara, Jan Steverlynck, Fauzaya Talhaoui, Annemie Van de Casteele, Hugo Vandenberghe, Lionel Vandenberghe, Dany Vandenbossche, Ludwig Vandenhove, Joris Van Hauthem, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Wim Verreycken, Luc Willems, Paul Wille, Olga Zrihen.

Stemming 17

Aanwezig: 57
Voor: 57
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

Voor

Jihane Annane, Stéphanie Anseeuw, Wouter Beke, Sfia Bouarfa, Jacques Brotchi, Christian Brotcorne, Yves Buysse, Jean-Marie Cheffert, Pierre Chevalier, Berni Collas, Jean Cornil, Hugo Coveliers, Frank Creyelman, Marie-Hélène Crombé-Berton, Sabine de Bethune, Christine Defraigne, Michel Delacroix, Francis Delpérée, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Alain Destexhe, Francis Detraux, Nathalie de T' Serclaes, Josy Dubié, Isabelle Durant, Pierre Galand, Christel Geerts, Jean-Marie Happart, Margriet Hermans, Jeannine Leduc, Nele Lijnen, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Bart Martens, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Clotilde Nyssens, Luc Paque, Fatma Pehlivan, François Roelants du Vivier, Franco Seminara, Jan Steverlynck, Fauzaya Talhaoui, Annemie Van de Casteele, Hugo Vandenberghe, Lionel Vandenberghe, Dany Vandenbossche, Ludwig Vandenhove, Joris Van Hauthem, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Wim Verreycken, Luc Willems, Paul Wille, Olga Zrihen.

Stemming 18

Aanwezig: 57
Voor: 57
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

Voor

Jihane Annane, Stéphanie Anseeuw, Wouter Beke, Sfia Bouarfa, Jacques Brotchi, Christian Brotcorne, Yves Buysse, Jean-Marie Cheffert, Pierre Chevalier, Berni Collas, Jean Cornil, Hugo Coveliers, Frank Creyelman, Marie-Hélène Crombé-Berton, Sabine de Bethune, Christine Defraigne, Michel Delacroix, Francis Delpérée, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Alain Destexhe, Francis Detraux, Nathalie de T' Serclaes, Josy Dubié, Isabelle Durant, Pierre Galand, Christel Geerts, Jean-Marie Happart, Margriet Hermans, Jeannine Leduc, Nele Lijnen, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Bart Martens, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Clotilde Nyssens, Luc Paque, Fatma Pehlivan, François Roelants du Vivier, Franco Seminara, Jan Steverlynck, Fauzaya Talhaoui, Annemie Van de Casteele, Hugo Vandenberghe, Lionel Vandenberghe, Dany Vandenbossche, Ludwig Vandenhove, Joris Van Hauthem, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Wim Verreycken, Luc Willems, Paul Wille, Olga Zrihen.

Stemming 19

Aanwezig: 56
Voor: 56
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

Voor

Jihane Annane, Stéphanie Anseeuw, Wouter Beke, Sfia Bouarfa, Jacques Brotchi, Christian Brotcorne, Yves Buysse, Jean-Marie Cheffert, Berni Collas, Jean Cornil, Hugo Coveliers, Frank Creyelman, Marie-Hélène Crombé-Berton, Sabine de Bethune, Christine Defraigne, Michel Delacroix, Francis Delpérée, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Alain Destexhe, Francis Detraux, Nathalie de T' Serclaes, Josy Dubié, Isabelle Durant, Pierre Galand, Christel Geerts, Jean-Marie Happart, Margriet Hermans, Jeannine Leduc, Nele Lijnen, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Bart Martens, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Clotilde Nyssens, Luc Paque, Fatma Pehlivan, François Roelants du Vivier, Franco Seminara, Jan Steverlynck, Fauzaya Talhaoui, Annemie Van de Casteele, Hugo Vandenberghe, Lionel Vandenberghe, Dany Vandenbossche, Ludwig Vandenhove, Joris Van Hauthem, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Wim Verreycken, Luc Willems, Paul Wille, Olga Zrihen.

Stemming 20

Aanwezig: 54
Voor: 54
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

Voor

Jihane Annane, Stéphanie Anseeuw, Wouter Beke, Sfia Bouarfa, Jacques Brotchi, Christian Brotcorne, Jean-Marie Cheffert, Pierre Chevalier, Berni Collas, Jean Cornil, Hugo Coveliers, Frank Creyelman, Marie-Hélène Crombé-Berton, Sabine de Bethune, Christine Defraigne, Michel Delacroix, Francis Delpérée, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Francis Detraux, Nathalie de T' Serclaes, Josy Dubié, Isabelle Durant, Pierre Galand, Christel Geerts, Jean-Marie Happart, Margriet Hermans, Jeannine Leduc, Nele Lijnen, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Bart Martens, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Clotilde Nyssens, Luc Paque, Fatma Pehlivan, François Roelants du Vivier, Franco Seminara, Jan Steverlynck, Annemie Van de Casteele, Hugo Vandenberghe, Lionel Vandenberghe, Dany Vandenbossche, Ludwig Vandenhove, Joris Van Hauthem, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Wim Verreycken, Luc Willems, Paul Wille, Olga Zrihen.

In overweging genomen voorstellen

Voorstel van resolutie

Voorstel van resolutie over het Europees Fonds voor Aanpassing aan de Globalisering naar aanleiding van het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad - 2006/0033 (COD) (van mevrouw Amina Derbaki Sbaï; Stuk 3-2131/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden.

Voorstellen van verklaring tot herziening van de Grondwet

Voorstel van verklaring tot herziening van artikel 1 van de Grondwet, ten einde er het beginsel van de scheiding van Kerk en Staat in op te nemen (van de heer François Roelants du Vivier; Stuk 3-2134/1).

-Verzonden naar de Commissie voor de Institutionele Aangelegenheden.

Voorstellen van verklaring tot herziening van de artikelen 1 tot 198 van de Grondwet (van de heer Joris Van Hauthem c.s.; Stukken 3-2140/1 tot 3-2341/1).

-Verzonden naar de Commissie voor de Institutionele Aangelegenheden.

Vragen om uitleg

Het Bureau heeft volgende vragen om uitleg ontvangen:

-Deze vragen worden naar de plenaire vergadering verzonden.

Evocaties

De Senaat heeft bij boodschappen van 16, 20 en 21 maart 2007 aan de Kamer van volksvertegenwoordigers ter kennis gebracht dat tot evocatie is overgegaan, op die datum, van:

Wetsontwerp houdende diverse bepalingen (IV) (Stuk 3-2121/1).

-Het wetsontwerp werd verzonden naar de volgende commissies:

Wetsontwerp tot wijziging van artikel 33 van de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer (Stuk 3-2124/1).

-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden.

Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer ten einde recidive voor vluchtmisdrijven strenger te bestraffen (Stuk 3-2125/1).

-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden.

Wetsontwerp betreffende de bestraffing van namaak en piraterij van intellectuele eigendomsrechten (Stuk 3-2126/1).

-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden.

Wetsontwerp tot wijziging van de procedure tot vaststelling van de maximale referentierentevoet voor verzekeringsverrichtingen van lange duur (Stuk 3-2127/1).

-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden.

Wetsontwerp tot invoeging van een artikel 391sexies in het Strafwetboek en tot wijziging van een aantal bepalingen van het Burgerlijk Wetboek met het oog op de strafbaarstelling en het uitbreiden van de middelen tot nietigverklaring van het gedwongen huwelijk (Stuk 3-2129/1).

-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 23 maart 1989 betreffende de verkiezing van het Europees parlement, wat betreft de vermelding van politieke partijen boven de kandidatenlijsten op de stembiljetten (Stuk 3-2343/1).

-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden.

Niet-evocaties

Bij boodschappen van 20 en 22 maart 2007 heeft de Senaat aan de Kamer van volksvertegenwoordigers terugbezorgd, met het oog op de bekrachtiging door de Koning, de volgende niet geëvoceerde wetsontwerpen:

Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 14 juli 1991 betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en bescherming van de consument, betreffende de stilzwijgende verlenging van overeenkomsten van bepaalde duur (Stuk 3-2092/1).

Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 14 juli 1991 betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en bescherming van de consument (Stuk 3-2093/1).

Wetsontwerp betreffende de bijdrage van België aan het HIPC Initiatief ("Heavily Indebted Poor Countries Initiative") in het kader van de veertiende wedersamenstelling van de werkmiddelen van de Internationale Ontwikkelingsassociatie (IOA) (Stuk 3-2098/1).

Wetsontwerp tot wijziging van de gewone wet van 16 juli 1993 tot vervollediging van de federale staatsstructuur (Stuk 3-2128/1).

-Voor kennisgeving aangenomen.

Boodschappen van de Kamer

Bij boodschappen van 15 maart 2007 heeft de Kamer van volksvertegenwoordigers aan de Senaat overgezonden, zoals ze ter vergadering van dezelfde dag werden aangenomen:

Artikel 77 van de Grondwet

Wetsontwerp houdende bepalingen inzake de woninghuur (Stuk 3-2122/1).

-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Artikel 78 van de Grondwet

Wetsontwerp betreffende de pensioenen van de openbare sector (Stuk 3-2123/1).

-Het wetsontwerp werd ontvangen op 16 maart 2007; de uiterste datum voor evocatie is maandag 2 april 2007.

Kennisgeving

Wetsontwerp betreffende de medisch begeleide voortplanting en de bestemming van de boventallige embryo's en de gameten (van mevrouw Christine Defraigne c.s.; Stuk 3-1440/1).

-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 15 maart 2007 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.

Wetsontwerp tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering met het oog op de heropening van de rechtspleging in strafzaken (van de Regering; Stuk 3-1769/1).

-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 15 maart 2007 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.

Indiening van wetsontwerpen

De Regering heeft volgende wetsontwerpen ingediend:

Wetsontwerp houdende instemming met het Verdrag van de Verenigde Naties tegen de corruptie, gedaan te New York op 31 oktober 2003 (van de Regering; Stuk 3-2136/1).

-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.

Wetsontwerp betreffende de methoden voor het verzamelen van gegevens door de inlichtingen- en veiligheidsdiensten (van de Regering; Stuk 3-2138/1).

-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Arbitragehof - Arresten

Met toepassing van artikel 113 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van het Arbitragehof kennis aan de voorzitter van de Senaat van:

-Voor kennisgeving aangenomen.

Arbitragehof - Prejudiciële vragen

Met toepassing van artikel 77 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van het Arbitragehof aan de voorzitter van de Senaat kennis van:

-Voor kennisgeving aangenomen.

Arbitragehof - Beroepen

Met toepassing van artikel 76 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van het Arbitragehof kennis aan de voorzitter van de Senaat van:

-Voor kennisgeving aangenomen.

Europees Parlement

Bij brief van 20 maart 2007 heeft de voorzitter van het Europees Parlement aan de Senaat overgezonden :

aangenomen tijdens de vergaderperiode van 12 tot en met 15 februari 2007.

-Verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging en naar het Federaal Adviescomité voor Europese Aangelegenheden.

Arbeidsauditoraten

Bij brief van 9 maart 2007 heeft de arbeidsauditeur te Kortrijk-Ieper-Veurne overeenkomstig artikel 346 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2006 van het Arbeidsauditoraat te Kortrijk-Ieper-Veurne, goedgekeurd tijdens zijn korpsvergadering van 7 maart 2007.

Bij brief van 12 maart 2007 heeft de Arbeidsauditeur te Charleroi overeenkomstig artikel 346 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2006 van het Arbeidsauditoraat te Charleroi, goedgekeurd tijdens zijn korpsvergadering van 6 maart 2007.

Bij brief van 15 maart 2007 heeft de arbeidsauditeur te Hasselt overeenkomstig artikel 346 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2006 van het Arbeidsauditoraat te Hasselt, goedgekeurd tijdens zijn korpsvergadering van 9 maart 2007.

Bij brief van 16 maart 2007 heeft de arbeidsauditeur te Oudenaarde overeenkomstig artikel 346 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2006 van het Arbeidsauditoraat te Oudenaarde, goedgekeurd tijdens zijn korpsvergadering van 15 maart 2007.

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Rechtbank van koophandel

Bij brief van 16 maart 2007 heeft de voorzitter van de Rechtbank van koophandel te Tongeren overeenkomstig artikel 340 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag voor 2006 van de Rechtbank van koophandel te Tongeren, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 15 maart 2007.

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Arbeidsrechtbanken

Bij brief van 15 maart 2007 heeft de voorzitter van de Arbeidsrechtbank te Dendermonde overeenkomstig artikel 340, §3, van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2006 van de Arbeidsrechtbank te Dendermonde, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 9 maart 2007.

Bij brief van 16 maart 2007 heeft de voorzitter van de Arbeidsrechtbank te Doornik overeenkomstig artikel 340, §3, 1º en 5º lid, van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2006 van de Arbeidsrechtbank te Doornik, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 15 maart 2007.

Bij brief van 19 maart 2007 heeft de voorzitter van de Arbeidsrechtbank te Tongeren overeenkomstig artikel 340 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2006 van de Arbeidsrechtbank te Tongeren, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 15 maart 2007.

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.