Belgische Senaat
Gewone Zitting 1999-2000
Plenaire vergaderingen
Donderdag 20 januari 2000
Namiddagvergadering
Beknopt Verslag
Onderzoek
van de geloofsbrieven en eedaflegging van een nieuw lid
Inoverwegingneming
van voorstellen
In
overweging genomen voorstellen
Indiening
van een ontwerp van bijzondere wet
Arbitragehof
– Prejudiciële vragen
Centrale
Raad voor het Bedrijfsleven
Voorzitter:
de heer Armand De Decker
(De vergadering wordt geopend om 15.15 uur.)
De voorzitter. – Bij de Senaat is het dossier aanhangig van de heer Michel Barbeaux, senator-opvolger voor het Franse kiescollege, die in aanmerking komt om het mandaat van de heer Philippe Maystadt, die ontslag heeft genomen, te voltooien.
Het bureau is zopas bijeengekomen om de geloofsbrieven van de heer Barbeaux te onderzoeken.
Ik stel U voor onmiddellijk het verslag van het Bureau te horen. (Instemming)
De heer Frans Lozie (AGALEV), rapporteur. – De heer Michel Barbeaux, die op 13 juni 1999 tot eerste opvolger van lijst nr. 10 voor het Franse kiescollege is verkozen, en wier geloofsbrieven als zodanig op 1 juli 1999 door de Senaat zijn geldig verklaard, komt in aanmerking om het mandaat te voltooien van de heer Philippe Maystadt, die ontslag genomen heeft.
Overeenkomstig artikel 235 van het Kieswetboek is het Bureau overgegaan tot een aanvullend onderzoek van de geloofsbrieven van de heer Michel Barbeaux. Het heeft bevonden dat hij nog steeds aan de verkiesbaarheidsvereisten, opgelegd door de Grondwet, voldoet.
Bijgevolg heeft het Bureau de eer U eenparig voor te stellen, de heer Michel Barbeaux als lid van de Senaat toe te laten.
– De besluiten van het verslag worden aangenomen.
– De heer Barbeaux legt de grondwettelijke eed af.
De voorzitter. – Ik geef de heer Barbeaux akte van zijn eedaflegging en verklaar hem aangesteld in zijn functie van senator. (Algemeen applaus)
De voorzitter. – De lijst van de in overweging te nemen voorstellen werd rondgedeeld.
Leden die opmerkingen mochten hebben, kunnen die vóór het einde van de vergadering mededelen.
Tenzij er afwijkende suggesties zijn, neem ik aan dat die voorstellen in overweging zijn genomen en verwezen naar de commissies die door het Bureau zijn aangeduid.
De heer Philippe
Mahoux (PS).
– Ik zeg nu al dat ik een stemming zal vragen over het voorstel nr. 236.
Mevrouw Magdeleine
Willame-Boonen (PSC). – Ik zal dat ook doen.
De voorzitter. –Aldus zal geschieden.
(De lijst van de in overweging genomen voorstellen wordt in de bijlage opgenomen.)
De heer Olivier de
Clippele (PRL-FDF-MCC). – Het arrest van de Raad van State van 16 december 1999 heeft het
koninklijk besluit van 3 mei 1999 vernietigd dat eerst op 1 augustus 1999 in
werking moest treden en nadien op 1 januari 2000. Dat besluit betreffende de
tijdelijke of mobiele bouwplaatsen, dat door uw voorganger, minister Miet Smet,
werd genomen, was beter bekend als het besluit betreffende de
veiligheidscoördinatoren op de bouwplaatsen. Het wilde de aanstelling van een
veiligheidscoördinator opleggen op alle bouwplaatsen waar minstens twee
vakgroepen werkzaam zijn, bijvoorbeeld een schilder en een tegelzetter.
De hoofdreden voor de vernietiging is het spoedeisende
karakter van het koninklijk besluit, zodat de afdeling wetgeving van de Raad
van State niet werd geraadpleegd, terwijl het spoedeisend karakter niet was
aangetoond.
Bovendien was de Raad van State niet te spreken over het
feit dat geen sociaal overleg is gepleegd vooraleer het koninklijk besluit door
uw voorganger werd genomen.
Naast
het veiligheidsaspect van de bouwplaatsen bevatte het vernietigde koninklijk
besluit ook een passage betreffende de verkoop van gebouwen waarin soortgelijke
werken waren uitgevoerd. De artikelen 34 tot 36 legden de notarissen en de
beroeps- en privé-verkopers verrassend een nieuwe verplichting op. Zij moesten
de koper namelijk een dossier betreffende latere werken overhandigen.
Voorzover ik weet, is daarover ook geen overleg gepleegd
met de notarissen en de verenigingen van eigenaars, ook al zijn zij de eerste
betrokkenen.
Wat bent u van plan met dat vernietigd besluit? Zal u het
opnieuw indienen of ter ondertekening voorleggen aan de Koning?
Komt er een nieuw, soortgelijk besluit? Zo ja, bent u nog altijd van plan om de sociale partners, de notarissen en de representatieve verenigingen van eigenaars te raadplegen? Dit koninklijk besluit zou immers burgerrechtelijke gevolgen kunnen hebben.
Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en
minister van Werkgelegenheid. – Het koninklijk besluit werd nietig verklaard
omdat de urgentie krachtens de rechtspraak van de Raad van State met afdoende
redenen moet worden omkleed. De Raad baseert zich op een belangrijke Europese
richtlijn met betrekking tot de voorkoming van arbeidsongevallen. Eerstdaags
zal een nieuw koninklijk besluit worden ingediend. Sinds mijn aantreden heb ik
de datum van inwerkingtreding van het besluit uitgesteld teneinde de
onderhandelingen te kunnen verruimen, de specifieke moeilijkheden van kleine
bouwplaatsen in beschouwing te nemen en bepaalde eisen van architecten en
notarissen opnieuw te bekijken.
De heer Michiel Maertens (AGALEV). – Vorige week was de problematiek van de Hertog van Wellington en zijn Belgisch salaris aan de orde, voortvloeiend uit de heldendaden van een verre voorvader te Waterloo.
Een paar weken geleden haalde ook collega Devolder een gelijkaardige problematiek aan, maar dan in omgekeerde orde, namelijk dit van de historische visserijrechten van de Bruggelingen in de Engelse territoriale wateren.
Mochten dit zuiver historische discussies zijn, dan zou ik daar geen vraag over stellen. Maar die historische rechten hebben invloed op de dagelijkse broodwinning van boeren en vissers. En dat is belangrijk. Daarom stel ik de minister voor deze zaken in een protocol te regelen met de Britse regering.
Is hij bereid dit te doen en met welke beleidsopties?
De heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken. – In verband met de zaak over de Hertog van Wellington hebben een aantal burgers de Belgische Staat voor de rechter gedaagd naar aanleiding van een beslissing uit 1988 waarbij aan de Hertog van Wellington gronden werden gegeven ter vervanging van een vroeger jaarsalaris van 100.000 BEF. Dit bedrag werd ingeschreven in de Belgische begroting. Deze zaak is nog aanhangig bij het gerecht. Ik kan er dus geen verklaringen over afleggen in het Parlement. Over de financiële aspecten kan de minister van Financiën uitleg geven.
Wat de historische visserijrechten in de Engelse territoriale wateren betreft, verwijs ik naar het antwoord van minister Gabriëls op de vraag van senator Devolder van een paar weken geleden.
Beide kwesties hebben een ander karakter en een andere oorsprong. Bovendien is de gerechtelijke procedure voor de zaak Wellington nog aan de gang. Daarom acht ik het op dit ogenblik niet gepast daarover te praten met de Britse regering;
De heer Patrik Vankrunkelsven (VU-ID). – Een tijdje geleden kreeg ik een brief van een man die leed aan botontkalking of osteoporose. Tot zijn ontsteltenis kreeg hij geen terugbetaling van een geneesmiddel tegen deze aandoening omdat hij van het mannelijk geslacht was. Het medicament wordt wel terugbetaald aan vrouwen. Ik kan aannemen dat er bij het RIZIV enige verwarring was toen er terzake een beslissing moest worden genomen. De meeste studies over botontkalking worden trouwens uitgevoerd bij vrouwen omdat ze, eenmaal ze de menopauze hebben bereikt, meer aan deze aandoening lijden. Dit heeft te maken met oestrogenen. De jongste jaren wijzen studies bij mannen uit dat de geneesmiddelen Fosamax of Alendronate ook bij mannen aanleiding geven tot toename van de botmassa en hen in elk geval kan behoeden voor fracturen.
Door de verhoogde levensverwachting komt osteoporose ook bij mannen meer en meer voor
en leidt tot fracturen met hospitalisatie, hoge medische kosten en vaak langdurige invaliditeit en zelfs mortaliteit.
Is de minister van oordeel dat mannen met osteoporose evenveel recht hebben op een goede medische behandeling als vrouwen? Heeft ze wetenschappelijke argumenten om aan te nemen dat Alendronate niet actief is bij mannen? Is ze van plan om op basis van deze recente literatuur ook voor de behandeling van osteoporose bij mannen Fosamax terug te betalen ?
De heer Frank Vandenbroucke, minister van Sociale Zaken en Pensioenen. –Ik antwoord mede in naam van mevrouw Aelvoet.
Uiteraard heeft iedereen recht op een goede medische behandeling en mag er geen discriminatie op dit vlak bestaan, hetgeen niet betekent dat een medicijn dat voor het ene geslacht terugbetaalbaar is, dat ook moet zijn voor het andere geslacht.
In de bijsluiter van Fosamax is als indicatie “de behandeling van osteoporose bij de gemenopauzeerde vrouw" vermeld. De Farmaceutische Raad baseert zijn adviezen over terugbetaling steeds op de wetenschappelijke bijsluiter. Ze kan een advies over terugbetaling geven dat minder ruim is maar nooit ruimer dan de bijsluiter.
Volgens professor Kaufman van het universitair ziekenhuis Gent, één van de grootste Belgische experts in dit domein, was osteoporose bij mannen tot nu toe een miskend probleem.
Op Europees vlak heeft een werkgroep van experts getracht om richtlijnen voor te stellen voor de registratie van deze middelen. Een voorstel om de registratie van een geneesmiddel voor osteoporose voor mannen toe te laten werd niet aanvaard.
Tot voor kort was er geen enkele goede klinische studie in verband met osteoporose bij mannen gepubliceerd. Recent zijn wel resultaten bekend geworden van een studie dat een gunstig effect van een geneesmiddel op de botdensiteit bij mannen aantoont. Waarschijnlijk wil het betrokken bedrijf deze studie gebruiken om de registratie aan te vragen. Eens de bevoegde organen rond registratie zich hebben uitgesproken, kan de discussie over de terugbetaling starten.
De heer Jan Remans (VLD). – Sedert 1 januari 2000 werken apothekers en ziekenhuizen verplicht met de SIS-kaart. Dit is een groot voordeel voor de informatieverwerking en betekent een enorme vooruitgang voor de verzekerden. De verzekerbaarheid is controleerbaar en gegarandeerd.
Het is de bedoeling dat op termijn ook andere zorgverleners, zoals geneesheren, kinesisten en thuisverpleegkundigen met de SIS-kaart kunnen werken. Vooral voor de zorgverleners die gemachtigd zijn gebruik te maken van de derdebetalersregeling zou het gebruik van de SIS-kaart heel wat voordelen opleveren. Op die manier wordt de administratie immers vereenvoudigd en worden fouten vermeden.
Graag had ik van de minister vernomen wanneer het gebruik van de SIS-kaart naar andere zorgverleners zal worden uitgebreid. Wanneer zal deze operatie zijn afgerond?
Kan het gebruik van de SIS-kaart worden toegelaten voor zorgverleners die zich daarvoor nu reeds vrijwillig kandidaat stellen en die gemachtigd zijn gebruik te maken van de derdebetalersregeling?
De heer Frank Vandenbroucke, minister van Sociale Zaken en Pensioenen. – In de schoot van het RIZIV werd vorig jaar een werkgroep opgericht tot evaluatie van de SIS-kaart. De laatste vergadering had plaats op 17 januari. Het is gebleken dat het veralgemeend gebruik van de kaart geen ernstige moeilijkheden met zich heeft gebracht. De uitbreiding van de aflevering van de SAM-kaart die dient om de SIS-kaart te lezen zal worden besproken op de vergadering van 3 februari. De besluiten zullen dan aan het verzekeringscomité worden voorgelegd. Uiteraard zal overleg worden gepleegd met de betrokken beroepsverenigingen. Er zal ook worden onderzocht of de reglementering niet moet worden aangepast. Het is alleszins de bedoeling om vrij snel tewerk te gaan.
De heer Louis
Siquet (PS).
–Na contact met het Ecologisch Kennis Centrum van Nederland, op 9 november
1999, heeft de centrale voor de consumentenbescherming van de Oostkantons, in
Eupen, het kabinet van de minister ingelicht over het feit dat 1.500 ton afval
van vervuild hout uit Nederland zou zijn ingevoerd om er houtplaten van te
maken, en dit met instemming van het directoraat van de Nederlandse
milieubescherming, waarvan het nummer bekend is.
De vervuiling bestaat onder meer uit chroom en arsenicum,
uiterst giftige en gevaarlijke stoffen wanneer de platen worden gezaagd,
gesneden, doorboord, enz.
De leiding van de centrale voor de consumentenbescherming
is voorzichtig geweest. Ze heeft overdreven mediabelangstelling vermeden, ook
om te voorkomen dat bovendien jobs verloren gaan.
Mevrouw de minister, twee maanden later kan, zoals uw
medewerker bevestigt, nog geen definitief antwoord worden gegeven, ook al is
een onderzoek gestart.
U begrijpt wellicht dat de leiding van de centrale voor
de consumentenbescherming geen genoegen kan nemen met deze toestand. Ik ben dan
ook zo vrij u enkele vragen te stellen.
Wat is het echte gevaar voor de gezondheid?
Hoever staat uw onderzoek naar deze zaak?
Was uw ministerie op de hoogte van het probleem?
Heeft het een vergunning gegeven voor de invoer van het
afval?
Mevrouw Magda Aelvoet, minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu.
– Er bestaan twee parallelle dossiers over de invoer van dat soort hout. Onze
ambassade in Nederland heeft ons verwittigd dat de export van de 1.500 ton
waarover u het had, in het vooruitzicht werd gesteld. Volgens het onderzoek van
mijn dienst werd dat hout niet in België ingevoerd omdat het gewest, dat
verantwoordelijk is voor de afgifte van invoervergunningen voor afval, het
heeft geweigerd.
Tegelijk
werden wij in oktober ingelicht over de mogelijke invoer van besmet hout om te
worden verwerkt tot platen. De departementen van Economische Zaken en
Volksgezondheid werden belast met een onderzoek. Men heeft echter, omdat de
hoeveelheden zeer klein waren, geen sporen in de afgewerkte producten kunnen
terugvinden.
In dit verband kan men niet spreken van een gevaar voor
de volksgezondheid. Houtafval kan worden verwerkt tot platen of worden gebruikt
als brandstof, wat onder de bevoegdheid van de gewesten valt. De federale
overheid is enkel bevoegd als het afval wordt gebruikt als grondstof voor een nieuw
product.
Wij vergelijken nu onze wettelijke situatie met die van Nederland. In Nederland wordt dat afval als besmet afval beschouwd dat niet als grondstof mag worden gebruikt. In België is de gewestelijke of de federale overheid bevoegd, al naargelang het gebruik dat van het afval wordt gemaakt. Wij moeten de toestand grondig bestuderen. Wij bekijken de wet op de productnormen opnieuw, wat tijd vergt. Wij gaan ook contact opnemen met de gewesten om te weten of zij de potentiële invoer van dat afval op dezelfde manier inschatten.
De heer Louis Siquet (PS). – Ik dank mevrouw de minister voor haar antwoord.
Ik vestig er nochtans haar
aandacht op dat het Nederlandse milieubestuur over een uitvoernummer beschikt.
Het verbaast me dus dat zij geen weet heeft van deze uitvoer.
Mevrouw Magda
Aelvoet,
minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu. – Zoals ik al
zei, wordt de invoervergunning afgeleverd door de gewestelijke overheid. Uit
contacten tussen mijn diensten en de bevoegde gewestelijke diensten blijkt dat
de gewestelijke diensten geen invoervergunning voor deze 1.500 ton houtafval
hebben afgeleverd.
Mevrouw Clotilde
Nyssens (PSC). – Wij volgen met aandacht de regularisatie-operatie van mensen zonder
papieren op het terrein. Veel personen die in onze gemeenten een dossier hebben
ingediend, zijn ongerust, vooral zij die reeds contact hadden met de Dienst
Vreemdelingenzaken in het kader van voorgaande procedures. Het is voor deze
personen niet makkelijk om een dossier samen te stellen, terwijl ze dit met
zoveel mogelijk documenten willen stofferen. Veel van die mensen hebben
nochtans een dossier bij de Dienst Vreemdelingenzaken waarin reeds documenten
zitten die nuttig kunnen zijn bij het onderzoek van hun aanvraag.
Ik heb de volgende vraag: wanneer een persoon zich tot de
Dienst Vreemdelingenzaken richt om een document te “recupereren” dat nuttig kan
zijn in het kader van de nieuwe wet, moet de Dienst dit dan aan de betrokkene
overhandigen of zal de minister, om de zaak te vergemakkelijken, een systeem in
het leven roepen waarbij oude stukken van ambtswege aan het nieuwe dossier
worden toegevoegd? Deze personen zijn vooral bezorgd omdat ze nieuwe documenten
moeten voorleggen en vooral geen overtuigingsstukken willen missen in hun
aanvraag voor regularisatie. Heeft de minister ook berichten over dit probleem
opgevangen en hebben de ambtenaren van de Dienst Vreemdelingenzaken instructies
ontvangen om deze documenten aan de betrokkenen te overhandigen?
De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse
Zaken. – Over het algemeen verloopt de regularisatieprocedure vrij goed dankzij
de samenwerking van de verschillende diensten en de steun van de bevolking.
Voor de
toegang tot de dossiers moeten een aantal regels in acht genomen worden. Om een
afschrift te krijgen van een stuk moet men een schriftelijk verzoek richten aan
de Dienst, die onderzoekt of de betrokkene inzage ervan mag krijgen. Indien dat
zo is, worden de kopieën afgeleverd tegen betaling van 2 frank per blad met een
minimum van 50 frank.
Het
dossier van personen die een aanvraag hebben ingediend op grond van artikel 9 §
3 van de wet van 1980 wordt ambtshalve aan de regularisatie-commissie
overgezonden.
Voor
2.673 personen werd de toegang tot de dossiers toegestaan. Er werden slechts 18
weigeringen betekend. De Dienst kan evenwel niet alle dossiers uitpluizen om de
stukken te vinden die nuttig zouden kunnen zijn. De betrokkenen moeten zelf een
aanvraag indienen.
Als de aanvraag tot regularisatie steunt op het criterium
van de duur van de behandeling, volstaat de vermelding van het nummer van het
dossier dat door de Dienst werd geopend om zijn aanvraag te ondersteunen.
Indien u weet heeft van welbepaalde moeilijkheden, wil ik die graag van u
vernemen.
Mevrouw Clotilde
Nyssens (PSC). – Ik dank de minister voor zijn antwoord, maar ik zou nog een detail
willen vermelden. Zal de termijn binnen welke de Dienst Vreemdelingenzaken na
een geldig schriftelijk verzoek de stukken moet afleveren kort genoeg zijn om
de betrokkene in staat te stellen zelf de in de wet vastgestelde termijnen voor
de indiening en de invulling van zijn aanvraag na te leven? Ik weet niet hoe
snel de Dienst Vreemdelingenzaken werkt, maar ik neem aan dat rekening wordt
gehouden met de termijnen die in de nieuwe wet zijn vastgelegd…
De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse
Zaken. – Voor deze regularisatie-operatie werd de personeelsbezetting
uitgebreid. De diensten kennen de prioriteiten en weten dat alles in het werk
moet gesteld worden opdat de noodzakelijke aanvullingen binnen de maand na de
indiening van de aanvraag kunnen geschieden.
Mevrouw Marie Nagy
(ECOLO). –
Volgens talrijke bronnen, waaronder sommige OCMW’s, zouden bepaalde gemeenten
moeite hebben om de toevloed van vragen om inlichtingen en regularisatieaanvragen
te verwerken. Deze toestand is niet algemeen, aangezien de aanvragen
geconcentreerd zijn op bepaalde plaatsen. Ofschoon de meeste gemeenten voor
meer personeel en speciale loketten gezorgd hebben met het oog op de verwerking
van de regularisatieaanvragen, zijn er blijkbaar toch problemen. Kan de
minister mij zeggen welke concrete maatregelen genomen werden opdat zijn
departement, de besturen die daarvan afhangen en de gemeenten zoveel mogelijk
aanvragen kunnen behandelen?
De minister heeft er in een circulaire op gewezen dat de
rol van de gemeenten erin bestaat inlichtingen en regularisatieformulieren te
verstrekken en dat zij zich daartoe moeten beperken. Volgens talrijke bronnen
pogen de gemeenten, met de beste bedoelingen, het dossier te onderzoeken en
doen ze aldus het werk van het secretariaat van de Regularisatieommissie.
Ik zal geen wetsvoorstel indienen tot verlenging van de
termijnen, maar vraag mij af of het niet raadzaam is om tijdens deze laatste
week de openingsuren van sommige gemeentediensten en sommige OCMW’s uit te
breiden, of ze zelfs tijdens het weekend open te stellen. Kunnen dergelijke
maatregelen overwogen worden, zodat de betrokkenen de nodige inlichtingen en
formulieren kunnen krijgen en weten dat zij hun dossier eventueel kunnen aanvullen
in de loop van de maand van het sociaal onderzoek? Heeft u bijzondere
instructies gegeven voor de mensen die in voorlopige hechtenis zitten, opdat
zij worden ingelicht over de mogelijkheden tot regularisatie en voor de
indiening van hun aanvraag de nodige stappen kunnen doen?
De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse
Zaken. – Ik heb geen enkel alarmerend bericht ontvangen. Wij hebben lang niet
de lawine van aanvragen die sommigen hadden aangekondigd. De aanvragers
handelen dus met kennis van zaken.
Een
parlementslid dat een wetsvoorstel indient, weet dat het onmogelijk in minder
dan één week door beide assemblees kan worden besproken en goedgekeurd.
Bovendien is dat niet eens nodig.
Om de
ongerustheid weg te nemen heb ik een omzendbrief aan de gemeenten gezonden. Ik
heb daarin gepreciseerd dat zij zelf niet hoeven te oordelen over de
ontvankelijkheid, noch over de grond van de aanvragen en dat ze de aanvragers
mogen doorverwijzen naar iemand die hen kan helpen bij het invullen van de vragenlijst.
De termijn voor het indienen verstrijkt op 30 januari om middernacht. De
gemeenten zullen moeten oordelen of het nodig is de openingsuren voor het
ontvangen van de aanvragen uit te breiden. De gedetineerden kunnen hun aanvraag
indienen bij de gevangenisdirecteur, die ze aangetekend zal verzenden aan de
gemeenten.
Als u specifieke probleemgevallen kent, zou ik daarvan graag op de hoogte worden gebracht.
Mevrouw Marie Nagy
(ECOLO). – Ik
wil een aanvullende vraag stellen over de informatie aan gedetineerden. Hoe
konden die personen, die zich in een afgeschermd milieu bevinden, vernemen dat
ze eventueel het recht hadden de stap te doen? Is er een informatiecampagne
voor die personen in voorlopige hechtenis geweest?
De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse
Zaken. –Hun informatie is de algemene informatie. U weet dat men in de
gevangenissen van het Rijk alle informatiebronnen kan raadplegen, met name de
pers en de kranten.
Mevrouw Marie Nagy
(ECOLO). –
Er bestaat dus geen specifieke informatie?
De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse
Zaken. – Neen, de minister van Justitie heeft zeker geen bijzondere maatregel
genomen. Maar u weet dat de algemene informatie even goed in de gevangenissen
als in de gezinnen doordringt.
De heer Mohamed Daif
(PS). – In
overeenstemming met de Europese richtlijn heeft België de Grondwet gewijzigd.
De Europese onderdanen krijgen daardoor stemrecht en kunnen zich verkiesbaar
stellen bij de gemeenteraads- en provincieraadsverkiezingen. Ik vond het
spijtig dat dit stemrecht niet werd uitgebreid tot de niet-Europeanen. Ik hoop
dat deze discriminatie tussen Europeanen en niet-Europeanen zo vlug mogelijk
verdwijnt. Wat het stemrecht voor Europeanen betreft, wens ik te vernemen welke
maatregelen u genomen hebt om de Europese burgers te informeren over de
procedure en in de eerste plaats over de noodzakelijke inschrijving op de
kieslijsten.
Hebt u in dat verband contact opgenomen met de
burgemeesters?
Zal u een sensibisatiecampagne organiseren?
Dit lijkt me zeker niet overbodig, vermits er voor de
niet-Europeanen geen stemplicht bestaat.
De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse
Zaken. – Ik vestig de aandacht op het feit dat de niet-Belgen alleen kunnen
stemmen bij de gemeenteraadsverkiezingen en niet bij de provincieraadsverkiezingen.
In mijn
omzendbrief van 9 december 1999 wijs ik de gemeenten erop dat de niet-Belgen
zonder zich fysiek te hoeven verplaatsen een formulier kunnen aanvragen dat ze
moeten invullen en moeten terugzenden naar het gemeentebestuur.
In de
loop van februari zal een verklarende folder worden uitgegeven die in de drie
landstalen zal worden opgesteld. Hij zal de vormvoorschriften voor de
inschrijving op de kieslijsten op een eenvoudige wijze uitleggen, evenals de
voorwaarden om een geldige stem uit te brengen. Deze folder kan worden
verkregen in de postkantoren en op de gemeentediensten. Ik zal de
gemeentebesturen in een omzendbrief om hun medewerking vragen.
In de
lente zullen de pers en de audiovisuele media uitleg geven over deze folder die
beknopt zal worden verspreid op de internet-site van het ministerie van
Binnenlandse Zaken.
Ten
slotte zullen maatregelen worden genomen om EU-burgers aan te moedigen zich op
de kieslijsten te laten plaatsen. Vanaf dat ogenblik geldt de opkomstplicht.
De heer Mohamed
Daif (PS). –
Ik dring erop aan dat de scholen, en in het bijzonder de Europese scholen, ook
over deze folder worden ingelicht.
De heer Mohamed
Daif (PS). –
Ik dank de minister voor haar antwoord en voor het feit dat ze in een
sensibiliserings- en informatiecampagne heeft voorzien.
Ik vestig de aandacht op de scholen en in het bijzonder
op de Europese scholen. Die moeten volgens mij goed worden geïnformeerd en
moeten deze folder zeker krijgen.
De heer Ludwig Caluwé (CVP). – Op 28 oktober 1999 ondervroeg ik de minister over het ongedaan maken van de in maart 1998 totstandgekomen daling van de internettelefoontarieven zoals aangerekend door Belgacom. Ik vroeg hem welke inspanningen hij had gedaan om deze voorgenomen stijging te vermijden.
In de week volgend op mijn vraagstelling, werd
een akkoord bereikt over de daling van de interconnectietarieven met 18 tot 25
procent. Algemeen, en ook uitdrukkelijk door de minister, werd de discussie
rond de interconnectietarieven als een van de belangrijkste belemmeringen
beschouwd om ook te komen tot een nieuwe daling van de internettelefoontarieven
voor de eindgebruiker. De minister verklaarde dan ook dat de daling van de
interconnectietarieven, ruimte zou openen voor deze prijsdalingen.
Ondertussen is 1 januari 2000 gepasseerd en zijn de interconnectietarieven
effectief gedaald. De eindgebruiker heeft echter nog niets gehoord over een
mogelijke daling van de tarieven die hij aangerekend krijgt.
Welke inspanningen heeft de minister in de voorbije maanden gedaan om deze prijsdalingen opnieuw te laten plaatsvinden? Wanneer denkt hij dat de consumenten deze daling mogen verwachten?
De heer Rik Daems, minister van Telecommunicatie en Overheidsbedrijven en Participaties. – De communicatiekost is een bepalende factor om een bepaalde kritische massa gebruikers te kunnen bereiken. Dat is dan ook een zorg van de regering, vooral omdat het een belangrijke factor is voor de werkgelegenheid.
We hebben de nodige indicaties gegeven voor een tariefdaling. Het gevolg daarvan is een beduidende verlaging van de interconnectietarieven voor de speciale nummers. Bepaalde operatoren bieden nu al tarieven die lager zijn dan 35 frank. Op korte termijn zal het waarschijnlijke gevolg zijn dat ook bij de gewone verbindingen de tarieven gevoelig zullen dalen.
We zullen de operatoren nu opnieuw rond de tafel brengen omdat de verlaging in de interconnectie ook moet worden vertaald naar de consument. Het is niet de bedoeling alleen de winsten te doen stijgen. Alle betrokken partijen zullen daarbij water in de wijn moeten doen.
De voorzitter. – Minister Daems antwoordt namens eerste minister Verhofstadt.
De heer Jurgen Ceder (VL. BLOK). – Op 10 januari hielden zowat 150 Vlaams Blok-sympathisanten een rustige manifestatie in Antwerpen. Terwijl ze naar een toespraak luisterden, werden ze vanachter een politiekordon gefotografeerd door fotografen van de politie, door persfotografen en door een kabinetslid van de staatssecretaris voor ontwikkelingssamenwerking. Op het moment dat het kabinetslid herkend werd als een Agalev-militant uit Hemiksem, tevens echtgenoot van een Agalev-verkiezingskandidate, maakte hij zich snel uit de voeten.
Deze vaststelling is merkwaardig omdat momenteel bij de onderzoeksrechter in Gent een onderzoek loopt naar de verantwoordelijken van een illegale fotoverzameling op internet van politiek ‘rechts’ geachte mensen, waarbij opgeroepen wordt om over deze militanten zoveel mogelijk privé-informatie te verzamelen. In dit onderzoek wordt ook de naam van het betrokken kabinetslid genoemd.
Bevond het kabinetslid van de staatssecretaris zich in Antwerpen in opdracht van de regering? Zo ja, welke bedoeling heeft de regering met het systematisch laten fotograferen van deelnemers aan Vlaams Blok-acties? Is het toegestaan dat kabinetsleden tijdens normale werkuren foto’s verzamelen van politieke andersdenkenden? Meent de eerste minister dat een dergelijke activiteit te rijmen is met het recht op privacy en het verbod om taken van de ordediensten over te nemen?
De voorzitter. – De heer Rik Daems, minister van Telecommunicatie en Overheidsbedrijven en Participaties antwoordt namens de heer Guy Verhofstadt, eerste minister.
De heer Rik Daems, minister van Telecommunicatie en Overheidsbedrijven en Participaties. – Noch de staatssecretaris, noch een ander lid van de regering heeft een formele opdracht gegeven aan een kabinetslid om foto’s van welke actie dan ook te gaan nemen.
Wat het gerechtelijk onderzoek betreft, dat is uiteraard geheim. Er kan dus niet worden nagegaan of enig kabinetslid daarvan het voorwerp is.
Foto’s nemen op een publieke plaats is niet verboden. Het hangt van het gebruik en de context af of er eventueel een probleem is. Normaal zou een kabinetslid het voorbeeld moeten geven en de wet moeten naleven en dus geen taak van de ordediensten mogen overnemen. Uit niets blijkt dat dit hier het geval is. Er is dus niets aan de hand.
De heer Jurgen Ceder (VL. BLOK). – Ik kan de minister verzekeren dat ik zeer graag word gefotografeerd en zou zelfs wensen dat het vaker gebeurt. Ik weet echter niet of alle militanten van het Vlaams Blok dit evenzeer op prijs stellen. Als een kabinetslid een privé-verzameling van foto’s van Vlaams Blokkers wil aanleggen om boven zijn bed te hangen, is dat voor mij geen probleem. Wat niet kan, is het aanleggen van gegevensbanken en het bijhouden van lijsten met de namen van personen met bepaalde politieke overtuigingen. Aangezien in een vraag als deze geen namen mogen worden genoemd, zal ik de eerste minister nog een persoonlijke brief zenden waarin ik de naam van de betrokken persoon kenbaar zal maken. Hij kan dan optreden als hij dat wil.
De heer Rik Daems, minister van Telecommunicatie en Overheidsbedrijven en Participaties. – Als sommige militanten van het Vlaams Blok er problemen mee hebben dat ze worden gefotografeerd tijdens manifestaties op een openbare plaats, dan kunnen ze zich onherkenbaar maken.
De heer Ludwig Caluwé (CVP). – De voorbije dagen verklaarde de vice-eerste minister dat de beslissing omtrent de inplanting van nieuwe asielcentra in Ekeren en Wommelgem door de Ministerraad genomen werd. Volgens zijn kabinet werden de voorstellen drie keer aan de Ministerraad voorgelegd, zonder dat daar enige opmerking over werd gemaakt. Ook gisteravond bevestigde de vice-eerste minister nogmaals dat de Ministerraad de vestiging van nieuwe centra wel degelijk goedkeurde. “Dit is geen standpunt. Dit is een pure feitelijkheid.”, zegde hij
De eerste minister, blijkbaar gevolg gevend aan de oproep van de partijvoorzitter van de vice-eerste minister om orde op zaken te stellen in de regering, verklaarde gisteravond nochtans dat nog geen beslissing genomen werd en dat de vice-eerste minister de beslissing enkel voorbereidde.
Mag ik vragen wie gelijk heeft? Bereidt de vice-eerste minister de beslissing enkel voor of is ze reeds genomen en heeft de eerste minister in dat geval ongelijk?
Tevens zou ik graag weten of de vice-eerste minister de lokale verantwoordelijken vooraf op de hoogte heeft gebracht? Dat dit bij vorige inplantingen niet gebeurde, was toen immers de belangrijkste kritiek.
Tevens wil ik vragen welke inspanningen de vice-eerste minister heeft gedaan om alternatieven te vinden voor Ekeren en Wommelgem? Indien deze beslissing wordt aangehouden, zou de helft van de plaatsen in open asielcentra in Vlaanderen zich in de brede Antwerpse agglomeratie bevinden. Daarbij komt nog dat een groot aantal asielzoekers die aan landelijke OCMW’s worden toegewezen, zich in het Antwerpse vestigen.
De lokale verantwoordelijken zijn er, zeker in Kapellen en in Lint, met grote inspanningen in geslaagd om de onrust die hieromtrent bij de bevolking was ontstaan op het ogenblik van de beslissing, op te vangen en om te zetten tot aanvaarding en zelfs ondersteuning. Toch lijkt een betere spreiding over het Vlaamse land aangewezen te zijn. Welke inspanningen heeft de vice-eerste minister tot op heden in dit verband gedaan?
De heer Johan Vande Lanotte, vice-eerste minister en minister van Begroting, Maatschappelijke Integratie en Sociale Economie. – Er is geen onduidelijkheid tussen de Eerste minister en mezelf. Het is wel waar dat de Eerste Minister zich onduidelijk heeft uitgedrukt toen hij na een lang interview nog over deze zaak werd ondervraagd.
Over de inplanting van een asielcentrum wordt beslist door de ministerraad en niet door een individuele minister. Inzake de uitvoering van de beslissing moet nog veel onderzocht worden.
Er is geen concentratie van asielzoekers in de provincie Antwerpen. Dat was wel het geval in 1994, toen een groot aantal kandidaat-vluchtelingen afhankelijk waren van het Antwerpse OCMW. Begin 1999 is dit aantal gedaald met tachtig procent dankzij het spreidingsbeleid. Antwerpen, inclusief Kapellen en Wommelgem, vangt momenteel ongeveer vijf procent van de asielzoekers op, wat evenredig is met haar bevolkingsaandeel van ongeveer 4,5%.
Er zijn weinig alternatieven om asielcentra op te richten. In Wommelgem waren er de legerinstallaties. Wij zoeken echter ook centra waarin wij kinderen en gehandicapten kunnen opvangen. Ekeren was daarvoor het meest geschikt.
Het gaat in Ekeren om de opvang van een honderdtal mensen. Indien men nu zegt dat de opvang van kinderen en gehandicapten is alsof er een bom is ingeslagen, dan geeft dit stof tot nadenken.
De definitieve beslissing tot de oprichting van een centrum te Ekeren is vrijdag genomen. Jammer genoeg is deze beslissing zaterdag reeds bekendgemaakt en werd ze in een zondagsblad gepubliceerd. Op die manier wordt het onmogelijk om op een ernstige manier te communiceren. In de volgende weken zullen wij pogen correcte informatie te geven en de vooroordelen trachten weg te werken. Wij moeten aan de Antwerpenaren duidelijk maken dat zij hun deel in de opvang opnemen maar ook niet meer.
De heer Ludwig Caluwé (CVP). – Het komt er dus op neer dat de vice-eerste minister gelijk had en niet de eerste minister. Mijn indruk dat de vice-eerste minister de regering leidt in plaats van de eerste minister wordt erdoor bevestigd.
Het huidig asielbeleid heeft een aanzuigeffect waardoor er telkens nieuwe centra moeten worden gezocht.
In Antwerpen en omgeving zijn de helft van de open centra gevestigd. De minister heeft niet gezegd dat hij naar alternatieven heeft gezocht, bijvoorbeeld in Oost-Vlaanderen. De lokale verantwoordelijken zullen inderdaad de problemen zo goed mogelijk trachten op te vangen maar ik zou toch aan de regering willen vragen om grondig na te denken en haar beslissing om in Ekeren een centrum te vestigen, eventueel te herzien.
De heer Johan Vande Lanotte, vice-eerste minister en minister van Begroting, Maatschappelijke Integratie en Sociale Economie. – Wij zoeken niet naar alternatieven. Wij zijn immers nog steeds op zoek naar bijkomende opvangplaatsen. De huidige capaciteit is nog steeds ontoereikend.
Ik dank u voor uw antwoord op mijn vraag over de gevolgen
van het ongeval dat op 20 september jongstleden in Tokaimura is gebeurd.
Beschikt u over een verslag over dit ongeval? Hebben de verantwoordelijken van
het SCK detailinformatie verstrekt over het stralingsniveau aan de grond en in
de lucht, zowel tijdens als na het ongeval? Welke contacten heeft u met de
Japanse overheid? Hebben zij voldoende snel details over het ongeval
vrijgegeven?
Het Japanse Veiligheidsagentschap kreeg voor zijn houding
harde kritiek te verwerken. Het gelijkt op zijn Belgische tegenhanger, die
nochtans over zeer weinig ambtenaren beschikt. Hoever staat het met de
oprichting van ons agentschap? Over welke middelen beschikt het agentschap, hoe
werkt het en binnen welke termijn zal het echt functioneren?
Na het ongeval hebben de Japanners hun
veiligheidsprocedures gewijzigd. Zo hebben zij ontdekt dat de Mox die ze van
Groot-Brittannië ontvangen, niet betrouwbaar is. Waarop baseren zij zich voor
de publicatie van die informatie? Heeft België inlichtingen verzameld over dit
onderwerp? Is de Belgische techniek betrouwbaarder? Zo ja, waarom?
Beschikt u over het verslag over de bestraling van de brandweer en van het personeel van de fabriek van Tokaimura? Dit verslag zou zijn opgesteld door het Franse Instituut voor Nucleaire Veiligheid, het ISPN, en is relatief vertrouwelijk. Zou u het kunnen opvragen bij uw Franse collega?
De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse
Zaken. – Deze materie behoort tot mijn bevoegdheid. Mijn administratie, de
dienst voor de bescherming tegen ioniserende stralingen en het Federale
Agentschap voor nucleaire controle hebben me vanaf het begin ingelicht over het
verloop van het ongeval van Tokaimura. Ook het CEN heeft me een voorlopig verslag
gestuurd. Sindsdien heb ik geen enkel ander document meer ontvangen. De
bestraling van drie werknemers was ernstig, maar vlug bleek ook dat er geen
gevolgen voor het milieu van verder gelegen landen zouden zijn. De bij ons
genomen maatregelen hebben dat bevestigd. Toch waren het onderzoek en de
informatieverspreiding een absolute prioriteit gedurende de dagen na het
ongeval. Ik heb dus persberichten gepubliceerd.
In
België wordt geen uranium omgezet. Zulk een ongeval kan dus bij ons niet
gebeuren. De beste plaatsen om studies over dat soort ongevallen te doen zijn
de gespecialiseerde internationale organisaties. Door de Japanse overheid
werden reeds rapporten verspreid. Geen enkel gegeven werd als vertrouwelijk
beschouwd.
Het
probleem van een ongeval waarbij de kritieke drempel wordt bereikt, wordt al
sedert lang bestudeerd in de Belgische bedrijven die brandstof produceren.
Nieuwe bepalingen zullen worden opgenomen in de nieuwe wetgeving die nu in
voorbereiding is.
Het
ongeval te Tokaimura heeft geen enkele directe band met de fabrikatie van Mox.
U stelt een vraag over het respect door een Britse industrieel van de
voorwaarden in het contract dat hij had afgesloten met zijn Japanse cliënt.
Indien ik een Brits minister was, zou ik u met kennis van zaken kunnen
antwoorden. Onze regering kan zich niet in deze zaak mengen.
De
installatie van het Federaal Agentschap voor nucleaire controle, waarvan de
oprichting dateert van 1995, is dringend.
De wetgeving die het agentschap operationeel moet maken
is nog niet klaar. De regering heeft het Parlement moeten voorstellen het
verval op te heffen van een wetsontwerp dat door één van de twee Kamers was
goedgekeurd. Ik doe mijn best om dit agentschap te installeren. Op dit ogenblik
werken er maar een beperkt aantal mensen. Zij zullen niettemin een bijzonder
belangrijke rol spelen. Ik hoop dat het agentschap in de tweede helft van dit
jaar kan worden opgericht. Maar men maakt het mij niet gemakkelijk.
Het IPSN-verslag zou inderdaad gegevens bevatten over de slachtoffers van het ongeluk. Het medisch geheim zou echter worden ingeroepen. Ik ontmoet binnenkort mijn Franse collega. Ik zal hem uw vraag zeker overmaken.
Mevrouw Anne-Marie
Lizin (PS).
–Ik dank u. Kan u ons bevestigen dat een dergelijk voorval niet mogelijk is met
de Belgische Mox?
De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse
Zaken. – Uw vraag om uitleg had betrekking op het incident in Tokaimura. Ik kan
u geen antwoord geven over de Mox.
Mevrouw Anne-Marie
Lizin (PS).
– Bij elk incident wordt gezegd dat het niet kan voorvallen of het niet meer
kan voorvallen. De wetgeving wordt aangepast, maar telkens is er een nieuw
ongeval.
De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse
Zaken. – Er is geen enkel rechtstreeks verband tussen het incident van
Tokaimura, dat betrekking had op de chemische opwerking van uranium, en de
aanmaak van Mox.
Mevrouw Anne-Marie
Lizin (PS).
– U heeft ook bevestigd dat men u de taak om het Agentschap op te richten niet
makkelijk maakt. Wie is men?
De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse
Zaken. – Ik weet het niet.
Mevrouw Anne-Marie
Lizin (PS).
– Ik heb mijn eigen idee daarover.
– Het
incident is gesloten.
Mevrouw Clotilde
Nyssens (PSC). – De artikelen 7 en 8 van het Europees verdrag betreffen het vrije verkeer
van personen en het tot stand brengen van de interne markt. Op basis van die
principes menen Italianen die in België geboren zijn maar die hun Italiaanse
nationaliteit behouden hebben, dat zij zich vrij in ons land kunnen verplaatsen
met een verblijfskaart. Velen onder hen gaan zelfs geregeld de grens over. Bij
controles wordt hen gezegd dat hun verblijfskaart geen identiteitsbewijs is.
Zij moeten dus hun paspoort of hun nationale identiteitskaart voorleggen. Vaak
bezitten ze die niet meer en hebben ze hun paspoort niet bij zich.
(Voorzitter: mevrouw Sabine de Bethune, eerste
ondervoorzitter.)
In een
arrest van 21 september 1999 heeft het Hof van Justitie bevestigd dat de
teksten tot uitvoering van grote principes, met name die van de artikelen 7 en 8
nog niet van aard zijn dat de controles op het grondgebied van de Lidstaten
kunnen afgeschaft worden. De Italianen hebben dus gevraagd of een
verblijfskaart binnen afzienbare tijd kan gelden als paspoort dan wel of deze
kaart op het niveau van de Europese Gemeenschap kan worden vervangen door een
document dat in alle Lidstaten geldig is. Daarop heeft de Europese commissaris
zeer omzichtig geantwoord dat een paspoort of een identiteitskaart nog steeds
noodzakelijk zijn.
(Voorzitter: de heer Armand De Decker.)
Worden
er werkelijk controles uitgevoerd binnen de Europese Unie, tussen de
verschillende Lidstaten? Is het juist dat de verblijfskaart niet volstaat om
zich vrij te verplaatsen?
De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse
Zaken. – Het klopt dat een Europees onderdaan, zelfs als hij in België is
geboren, een paspoort nodig heeft van zijn land van herkomst om door de Unie te
reizen, want zijn verblijfsvergunning wordt niet erkend als een geldig bewijs
van zijn identiteit en nationaliteit.
Mijn departement
had een besluit tot toepassing van artikel 6, §1 van de wet van
19 juli 1991 voorbereid, maar er werd beroep aangetekend bij het
Arbitragehof tegen de wijze waarop deze wet het taalgebruik op de
identiteitskaart regelt. Het Hof heeft het beroep bij arrest van
30 juni 1999 verworpen. Anderzijds heeft de Raad van de EU een
gemeenschappelijk optreden vastgesteld om de verblijfsvergunning voor
onderdanen van derde landen eenvormig te maken.
Het
voorbereide besluit moet dus worden gewijzigd, want de burgers van de Unie
moeten uit het toepassingsgebied ervan worden uitgesloten en het dient te
worden aangepast aan de bepalingen van het gemeenschappelijk optreden voor de
onderdanen van derde landen.
Voorts
behandelt de Europese Commissie een ontwerpverordening voor een eenvormige
verblijfsvergunning voor Europese onderdanen. Een interministeriële commissie
bespreekt het ontwerp.
Het gaat
dus om een complex dossier. Artikel 7 van het gemeenschappelijk optreden
bepaalt dat het geharmoniseerde document rechtsgeldig moet zijn vóór
1 januari 2002.
Op Europees niveau wordt naar een oplossing gezocht. Ik
houd u op de hoogte. Ik hoop ook dat de Europese verordening uiteindelijk zal
leiden tot het vrij verkeer van Europese burgers.
Mevrouw Clotilde
Nyssens (PSC). – Europa is stap voor stap opgebouwd.
– Het
incident is gesloten.
Mevrouw Anne-Marie
Lizin (PS).
– Uit de pers vernemen wij dat Tractebel in 1996 belangrijke commissies heeft
gestort aan Kazachstan. Dat zou enkel die onderneming aangaan ware het niet dat
de toenmalige eerste minister in april 1998, op een voor het Tractebel-contract
cruciaal moment, een bezoek bracht aan dat land. Was hij op de hoogte van de
aan de gang zijnde operaties? Wat was zijn bedoeling? Is het juist dat de
Veiligheidsdienst sinds 1992 op de hoogte was van de feiten? Heeft die de
regering op de hoogte gebracht en waren er contacten met Tractebel?
Is de huidige regering in het bezit van de conclusies van
de toenmalige eerste minister over zijn reis? Moeten de door Tractebel gestelde
handelingen niet worden nagetrokken? Ik herinner eraan dat de witwaswet van
februari 1999 zowel de begunstigde als de opdrachtgever betreft.
De heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse
Zaken. – De bewuste contracten lijken in 1996 en 1997 te zijn gesloten. Alle
moeilijkheden waren in maart 1998 geregeld, dus een maand vóór het bezoek van
de eerste minister. Het is dus weinig waarschijnlijk dat zijn bezoek daar enige
invloed op heeft gehad. Niets laat ook vermoeden dat Tractebel toen wist wie de
begunstigden van de commissies waren, of dat de eerste minister op de hoogte
was van het bestaan ervan.
De
eerste minister heeft zijn opvolger geen enkel dossier gelaten over die reis.
Dat is normaal voor een afgehandelde zaak. Mevrouw de senator kan hem
voorzichtig meer verduidelijkingen vragen, want hij heeft zitting in de Senaat.
Het
dossier is in handen van de Belgische en de Zwitserse justitie, die de vereiste
onderzoeken zullen doen.
Mevrouw Anne-Marie
Lizin (PS).
– Twee collega’s zouden ons inderdaad nuttige verduidelijkingen kunnen geven, meer
bepaald over het onderhoud tussen de Belgische eerste minister en de president
van Kazachstan. Dat zal helaas niet meer voor vandaag zijn. Ik zal het nog
proberen.
– Het incident is gesloten.
De voorzitter. – Het Bureau stelt voor volgende week deze agenda voor:
Donderdag 27 januari 2000 te 15 uur
Inoverwegingneming van voorstellen.
Mondelinge vragen.
Herziening van titel II van de Grondwet, om nieuwe bepalingen in te voegen die de bescherming van de rechten van het kind op morele, lichamelijke, geestelijke en seksuele integriteit verzekeren (van mevrouw Nathalie de T’ Serclaes); Gedr. St. 2‑21/1 tot 5.
Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie betreffende uitlevering tussen de Lid‑Staten van de Europese Unie, en met de Bijlage, gedaan te Dublin op 27 september 1996; Gedr. St. 2‑206/1.
Vanaf 17
uur :
Naamstemming over de afgehandelde grondwetsbepaling (Stemming met de meerderheid bepaald in artikel 195, laatste lid, van de Grondwet).
Naamstemming over het afgehandelde wetsontwerp in zijn geheel.
Stemming over de motie ingediend tot besluit van de vraag om uitleg van de heer Georges Dallemagne aan de Minister van Justitie over "de vrijlating van generaal Pinochet" (nr. 2‑49), gesteld in plenaire vergadering op 20 janvier 2000.
Vragen om uitleg :
- van mevrouw Anne‑Marie Lizin aan de Eerste Minister over "de plaats van de vrouwen in de actieve welvaartstaat" (nr. 2‑53);
- van mevrouw Sabine de Bethune aan de Vice‑Eerste Minister en Minister van Werkgelegenheid over "de naleving van de wet van 20 juli 1990 ter bevordering van de evenwichtige vertegenwoordiging van mannen en vrouwen in organen met adviserende bevoegdheid" (nr. 2‑56);
- van de heer Vincent Van Quickenborne aan de Vice‑Eerste Minister en Minister van Werkgelegenheid over "de tewerkstelling op zondag in toeristische centra" (nr. 2‑57);
- van mevrouw Jacinta De Roeck aan de Minister van Landbouw en Middenstand over "de correctheid inzake onderzoek naar het gebruik van chloormequat in de fruitteelt" (nr. 2‑58).
– De Senaat is het eens met deze regeling van de werkzaamheden.
(De naamlijsten worden in de bijlage opgenomen.)
De voorzitter. – De heer Mahoux heeft de stemming gevraagd over de inoverwegingneming van dit wetsvoorstel.
De heer Philippe
Mahoux (PS).
– Ik wil het hebben over het wetsvoorstel 2/236/1 over de amnestie voor de
slachtoffers van de repressie. Dit wetsvoorstel wil amnestie verlenen aan
collaborateurs en valt ook het verzet aan. Deze tekst is ontoelaatbaar omdat
hij niet alleen amnestie vraagt voor de collaborateurs, maar ook het verzet in
opspraak brengt. Wij vragen bijgevolg dat gestemd wordt over de
inoverwegingneming van dit wetsvoorstel en voegen er nu al aan toe dat wij
tegen zullen stemmen.
De heer Philippe
Monfils (PRL-FDF-MCC). – Er zit zeker een logica in de ideeën van het Vlaams Blok, aangezien
het regelmatig wetsvoorstellen doet voor amnestie terwijl het weet dat de
democratische partijen zich bij de inoverwegingneming hiertegen systematisch
verzetten. Een andere handelswijze is ondenkbaar, omdat het een belediging zou
zijn voor hen die geleden hebben en hun bloed hebben gegeven voor onze
bevrijding. Om die reden zal de PRL-FDF-MCC-fractie natuurlijk tegen de
inoverwegingneming van dit voorstel stemmen.
De heer Wim Verreycken (VL. BLOK). – Ik maak mij geen begoochelingen over de uitkomst van de stemming. Er zijn in deze terminale staat altijd pleitbezorgers geweest om elk eerlijk onderzoek van het repressiedossier te dwarsbomen.
In feite is er weinig verschil tussen de prins-regent van België en Pinochet. Wij bestrijden wel de repressie ver van ons land, maar de inoverwegingneming van elk verzoek tot het houden van een parlementair debat over de zaak wordt telkens opnieuw afgewezen. Ik ben het verplicht aan het rechtvaardigheidsgevoel van de Vlamingen om telkens opnieuw dit repressiedossier voor te leggen. De afwijzing van de inoverwegingneming zegt alles over het peil van de afwijzers, maar niets over het peil van de indieners. Ik hoop dat we eindelijk tot een volwassen democratisch parlementair debat kunnen komen in deze Senaat en dat dit voorstel in overweging wordt genomen.
Mevrouw Jeannine Leduc (VLD). – De VLD is altijd akkoord gegaan met de inoverwegingneming van dergelijke voorstellen, maar met de grond ervan zijn we het uiteraard niet eens. In overweging nemen doen wij echter altijd.
Mevrouw Magdeleine
Willame-Boonen (PSC). – De PSC-fractie zal tegen de inoverwegingneming van het voorstel van
het Vlaams Blok stemmen. Ik wil heftig protesteren tegen het betoog van de heer
Verreycken, die België
gelijkschakelt met een aantal belangrijke dossiers die momenteel in de Senaat
worden besproken. Ik denk in het bijzonder aan het euthanasiedebat.
De heer Hugo Vandenberghe (CVP). – De voorbije legislaturen hebben verschillende fracties voorstellen in verband met de gevolgen van de Tweede Wereldoorlog ingediend. De CVP heeft altijd voor de inoverwegingneming gestemd, omdat een dergelijke stem niets zegt over de inhoud van de voorstellen. Dat we ons ook vandaag voor de inoverwegingneming zullen uitspreken betekent dus geenszins dat we het inhoudelijk met het voorstel eens zijn. We begrijpen echter niet dat een bezinningskamer 55 jaar na de Tweede Wereldoorlog niet in staat is een sereen debat over deze problemen te voeren.
Mevrouw Marie Nagy (ECOLO). – Ik ben het roerend eens met de fractievoorzitters van de PS en van de PRL-FDF-MCC. Het spreekt voor zich dat niemand zich om de tuin laat leiden met betrekking tot het democratische karakter van een wetsvoorstel van het Vlaams Blok. Alleen al door het in overweging te nemen zouden we een smet werpen op de eer van al wie gevochten heeft en vervolgd werd voor de verdediging van de democratie en solidariteit.
Deze mensen worden plotseling het instrument van de drijverijen van een partij waarvan de ideologische grondslagen ons bekend zijn. Het zou gevaarlijk zijn om hierover op deze basis een discussie te openen en volkomen onfatsoenlijk om de geschiedenis te herwerken op grond van een dergelijk voorstel.
Mijn partij – en ik denk dat ik namens alle Groenen mag spreken – zal de inoverwegingneming van dit voorstel niet steunen.
De heer Patrik Vankrunkelsven (VU-ID). – We zullen voor de inoverwegingneming stemmen, hoewel ik vind dat er betere basissen zijn dan dit voorstel om in de Senaat een sereen debat te voeren.
De voorzitter. – We stemmen nu over de inoverwegingneming van het wetsvoorstel van de heer Verreycken.
Stemming nr. 1
Aanwezig: 62
Voor: 26
Tegen: 36
Onthoudingen: 0
– Het wetsvoorstel is niet in overweging genomen.
De voorzitter. – We stemmen eerst over amendement nr. 1 van de heer Vandenberghe en mevrouw van Kessel.
Stemming nr. 2
Aanwezig: 61
Voor: 19
Tegen: 40
Onthoudingen: 2
– Het amendement is niet aangenomen.
De voorzitter. – We stemmen over amendement nr. 2 van de heer Vandenberghe en mevrouw van Kessel.
Stemming nr. 3
Aanwezig: 60
Voor: 13
Tegen: 40
Onthoudingen: 7
– Het amendement is niet aangenomen.
De voorzitter. – We stemmen over amendement nr. 3 van de heer Vandenberghe en mevrouw van Kessel.
Stemming nr. 4
Aanwezig: 61
Voor: 13
Tegen: 46
Onthoudingen: 2
– Het amendement is niet aangenomen.
De voorzitter. – We stemmen over de amendementen nr. 4-A van de heer Vandenberghe en mevrouw van Kessel en nr. 20-1° van de heer Thissen.
Stemming nr. 5
Aanwezig: 60
Voor: 18
Tegen: 40
Onthoudingen: 2
– De amendementen zijn niet aangenomen.
– Dezelfde stemuitslag wordt aanvaard voor de
amendementen nr. 20-2°, 23 en 20-3° van de heer Thissen, voor de amendementen
nr. 4-B en 4-C van de heer Vandenberghe en mevrouw van Kessel, voor de
amendementen nr. 20-4° en 20-5° van de heer Thissen, evenals voor het
subsidiair amendement nr. 5 van de heer Vandenberghe en mevrouw van Kessel.
– Deze amendementen zijn dus niet aangenomen.
De voorzitter. – We stemmen over amendement nr. 6 van de heer Vandenberghe en mevrouw van Kessel.
Stemming nr. 6
Aanwezig: 61
Voor: 13
Tegen: 41
Onthoudingen: 7
– Het amendement is niet aangenomen.
– Dezelfde stemuitslag wordt aanvaard voor de
amendementen nr. 7, 8, 9, 10 en 11 van de heer Vandenberghe en mevrouw van
Kessel.
– Deze amendementen zijn dus niet aangenomen.
De voorzitter. – We stemmen over amendement nr. 25 van de Thissen.
Stemming nr. 7
Aanwezig: 61
Voor: 18
Tegen: 41
Onthoudingen: 2
– Het amendement is niet aangenomen.
De voorzitter. – We stemmen over amendement nr. 12 van de heer Vandenberghe en mevrouw van Kessel.
Stemming nr. 8
Aanwezig: 61
Voor: 13
Tegen: 46
Onthoudingen: 2
– Het amendement is niet aangenomen.
De voorzitter. – We stemmen over amendement nr. 13 van de heer Vandenberghe en mevrouw van Kessel.
Stemming nr. 9
Aanwezig: 61
Voor: 18
Tegen: 41
Onthoudingen: 2
– Het amendement is niet aangenomen.
– Dezelfde stemuitslag wordt aanvaard voor
amendement nr. 14 van de heer Vandenberghe en mevrouw van Kessel.
– Dit amendement is dus niet aangenomen.
De voorzitter. – We stemmen over amendement nr. 15 van de heer Vandenberghe en mevrouw van Kessel.
Stemming nr. 10
Aanwezig: 61
Voor: 13
Tegen: 41
Onthoudingen: 7
– Het amendement is niet aangenomen.
– Dezelfde stemuitslag wordt aanvaard voor de
amendementen nr. 16, 17, 18 en 19 van de heer Vandenberghe en mevrouw van
Kessel.
– Deze amendementen zijn dus niet aangenomen.
De voorzitter. – We stemmen over amendement nr. 22 van de Thissen.
Stemming nr. 11
Aanwezig: 61
Voor: 18
Tegen: 41
Onthoudingen: 2
– Het amendement is niet aangenomen.
De voorzitter. – We moeten nu stemmen over het wetsontwerp in zijn geheel.
De heer René
Thissen (PSC). – Wij stemmen natuurlijk in met het principe van de oprichting van
een voedselagentschap en erkennen de normerende bevoegdheid van de minister van
Volksgezondheid terzake.
Niettemin vraagt de regering ons een blanco cheque,
zonder dialoog vooraf en zonder controle achteraf. De regering heeft geprobeerd
dit ontwerp op een middag door de Senaat te jagen, maar de senatoren, zowel die
van de meerderheid als van de oppositie, hebben een debat gevraagd over deze
kwestie. Spijtig genoeg werd geen enkel amendement aanvaard.
Mijnheer de voorzitter, ik vraag mij bijgevolg af wat het nut is van de evocatieprocedures als de reflectiekamer die de Senaat toch is, tot niets dient. Wij moeten dit bespreken. Het gaat om de toekomst van onze instelling.
De heer Philippe
Monfils (PRL-FDF-MCC). – Het is ontoelaatbaar dat een parlementslid de tijd die hij krijgt
voor een vraag om uitleg voor andere doeleinden gebruikt.
De heer René
Thissen (PSC). –Mijnheer Monfils, dat is onze reden om tegen dit ontwerp te stemmen.
De heer Philippe
Monfils (PRL-FDF-MCC). – Vergeet niet dat de haast om een agentschap voor de
voedselveiligheid op te richten geboden was omdat de regering waarvan uw partij
deel uitmaakte de dioxinecrisis niet de baas kon. Een beetje ernst van
uwentwege mag dan ook wel. U zou beter de anderen niet de les lezen terwijl u
samen met uw partij verantwoordelijk bent voor wat er onder de vorige regering
is gebeurd. (Applaus)
De voorzitter. – We stemmen nu over het wetsontwerp in zijn geheel.
Stemming nr. 12
Aanwezig: 61
Voor: 41
Tegen: 18
Onthoudingen: 2
– Het wetsontwerp is ongewijzigd aangenomen. Bijgevolg wordt de Senaat geacht te hebben beslist het niet te amenderen.
– Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden met het oog op de bekrachtiging door de Koning.
De heer Michiel Maertens (AGALEV). – Het Nederlandse Visserijblad meldde op 3 december j.l. dat de Nederlandse visserijsector de juridische procedure tegen de Belgische overheid stopzet in verband met het KB dat de tongvisserij binnen de driemijlszone voor grotere Eurokotters verbiedt. De Nederlandse Vissersbond gaat ervan uit dat het visverbod per 1 april 2000 door de Belgische overheid toch wordt opgeheven, aangezien onze eigen Belgische Rederscentrale de Nederlandse Visserijorganisaties heeft laten weten hetzelfde standpunt te huldigen.
Dit verwondert mij omdat de voorzitter van de Rederscentrale vorig jaar in zijn blad nog wees op de toeristische meerwaarde van de kustvisserij voor de kustregio. Ook de werkgelegenheid haalde hij aan als argument om nieuwe toekomstmogelijkheden voor de kustvisserij te zoeken.
Misschien kreeg de Rederscentrale haar informatie over het KB van uw diensten, wat er zou kunnen op wijzen dat uw departement de kustvisserij niet meer steunt.
De Belgische Rederscentrale is nog nauwelijks het prefix "Belgisch" waard. Ze is niet enkel volledig geïnfiltreerd door de Nederlandse reders die onder Belgische vlag varen, maar ze heeft in maart vorig jaar, samen met de Nederlandse reders, het KB aangevochten dat uw voorganger uitvaardigde om de economische band te verzekeren tussen de Belgische vloot en onze eigen vissershavens. Moet de minister geen initiatief nemen om het Belgische karakter te waarborgen? Zoniet evolueert onze kustvloot naar een toeristische attractie, terwijl de grote bokkers een economisch instrument worden in de handen van de Nederlandse visserij.
Dat de kustvisserij hopeloos verouderd zou zijn, is een totaal voorbijgestreefde stelling, wat wordt bewezen door tientallen FIVA-renovatiedossiers en honderden Europese miljoenen die klaar liggen om de kustvisserij te renoveren.
Het KB werd door uw voorganger reeds met een jaar verlengd en ligt in de lijn van de renovatieoperatie en de EU-verordening 3760/92.
De 3-mijlszone moet volgens de EU-reglementering volledig worden voorbehouden voor de kustvissers. Ook de Nederlanders kunnen er volgens het Beneluxakkoord komen vissen, als hun schepen maar klein genoeg zijn. Maar de Nederlanders denken daar anders over. Krachtens artikel 6 van de Benelux-nabuurschapsregeling van februari 1958 hebben de Nederlandse eurokotters in onze kustzone gevist tot de EU-reglementering 3760/92 er kwam. De Nederlandse visserijsector beseft blijkbaar niet dat de bijzondere rechten van het Beneluxakkoord niet primeren op de Europese regelgeving.
Omdat onze kustvissers geen gehoor vonden bij hun Rederscentrale, blokkeerden 15 kleine vissersvaartuigen in maart 1998 de Oostendse haven. De kustvissers eisten de exclusiviteit voor de kustvissersvaartuigen tot 70 brutoton in de kustzone. Op het daaropvolgend overleg blokten de Nederlanders de beperking voor de tongvisserij resoluut af en wezen zij op het achteropgebleven Belgisch investeringsbeleid voor de kustvisserij. Inmiddels is de situatie door het FIVA-decreet van de Vlaamse overheid en de Europese steun grondig veranderd.
Van een Belgisch-Nederlandse overlegcommissie voor visserijzaken, is niets in huis gekomen. Ook voor de kabeljauw- en de garnaalvisserij in de driemijlszone is er voor de kustvissers nog steeds geen beschermende maatregel.
De vorige minister heeft na de blokkade een KB ondertekend waarbij de tongvisserij in de driemijlszone tot en met 31 maart 1999 voorbehouden werd voor kleine vissersvaartuigen tot 70 brutoton. Deze maatregel werd vorig jaar met een jaar verlengd.
De minister beschouwde dit als een eerste stap in een duurzaam visserijoverleg dat in de toekomst moest leiden tot een structurele bescherming van de kustvisserij. Dit overleg is er nooit gekomen. Hij beloofde ook dat deze maatregel zou worden verlengd als het niet tot een duurzame oplossing zou komen. Aangezien er geen duurzame oplossing is en de EU-regelgeving duidelijk is, kan de huidige minister niet anders dan het KB verlengen.
Dat de Nederlanders meteen de procedure zullen heropstarten, kan enkel in het voordeel van de kustvissers zijn, vermits deze zaak haar beslag zal moeten krijgen bij het Europese Hof. Maar als het KB niet wordt verlengd en er geen nieuw overleg komt, is de kustvisserij nog altijd met uitsterven bedreigd. Het KB moet dus zeker nog worden gehandhaafd tot er een definitieve oplossing is. Bovendien moet het worden uitgebreid voor de garnaal- en kabeljauwvangsten.
(Voorzitter: mevrouw Sabine de Bethune, eerste ondervoorzitter.)
Is de minister bereid opnieuw met de Nederlanders in overleg te treden en binnen welke termijn?
Zal hij het beleid van zijn voorganger ter bescherming van de kustvisserij voorzetten en op welke wijze? Zal hij het betreffende KB jaarlijks verlengen tot er een definitieve en duurzame oplossing is voor de kustvisserij? Is hij bereid deze zaak door het Europese Hof te laten beslechten?
Is hij bereid na te gaan of de zogenaamde Belgische Eurokotters die in deze zaak dwars liggen, geen Nederlandse Eurokotters zijn die onder Belgische vlag varen?
Ik begrijp dat de
Costa-voorstellen om de zeevisserij te defederaliseren niet van aard zijn om de
minister ertoe aan te zetten veel energie in de sector te stoppen. Maar het zou
hem sieren een structureel gezonde visserij aan het Gewest te kunnen
overdragen.
De heer Didier Ramoudt (VLD). – De kustvisserij is economisch bijzonder belangrijk voor onze kuststreek. Dit segment van de vloot heeft bovendien nog toekomstperspectieven. Dit blijkt uit de talrijke renovatieprojecten en de toegezegde Europese steun.
De verlenging van het KB vormt een tijdelijke oplossing. Maar ik wil ook de aandacht vestigen op het probleem van de massale overname van Belgische vaartuigen door Nederlandse reders. Voor de kustvisser is de verleiding groot om toe te geven aan het Nederlandse geld.
Voor oude schepen worden dikwijls bedragen gegeven die het dubbele zijn van de werkelijke waarde. Door de dalende rendabiliteit is voor de vissers de keuze vlug gemaakt. De Nederlanders willen niet zozeer de schepen kopen, dan wel de PK’s verwerven om die op te sparen om dan met grote schepen de Belgische kust leeg te vissen. Dat is dus een vicieuze cirkel waar Vlaanderen armer van wordt. Bovendien scoort de kust nog altijd hoog inzake werkloosheid. Op een moment dat het voornemen bestaat om de bevoegdheid inzake visserij naar Vlaanderen over te hevelen, mag de aandacht voor deze sector niet verslappen. Er mag geen onomkeerbare schade worden toegebracht aan dit kwetsbare marktsegment.
Collega Maertens had het reeds over de aanmatigende rol van de Rederscentrale. Ik stel vast dat in het blad van deze centrale steeds meer advertenties voorkomen om de verkoop van vaartuigen aan Nederlanders te vergemakkelijken.
Hoe zal de minister de massale opkoop van kustvaartuigen door buitenlandse, vooral Nederlandse reders beperken en de Belgische vloot stimuleren voor een Belgische verankering? Welke stappen zal hij ondernemen om duidelijkheid te scheppen in de rol van de Belgische Rederscentrale tegenover de Nederlanders? Welke bevoegdheid heeft deze beroepsvereniging? Welke maatregelen zal hij nemen om ook de kustvisserij een volwaardige stem te geven in de overlegstructuren van de visserijsector?
De heer Jaak Gabriëls, minister van Landbouw en Middenstand. – Er werden belangrijke vragen gesteld over een sector die onmiskenbaar een nationaal belang heeft.
Vooreerst wil ik zeggen dat de Belgisch-Nederlandse overlegcommissie kustvisserij wel degelijk tot stand is gekomen. Er zijn reeds twee vergaderingen geweest en dat heeft er mee voor gezorgd dat het KB van 18 maart 1999 tot stand is gekomen.
Op de agenda van de Belgisch-Nederlandse overlegcommissie zal het punt over de verlenging van het KB van 18 maart 1999 zeker ter sprake worden gebracht. Vermits het KB geldt tot 31 mei 2000, moet het overleg daarvoor afgerond zijn. De voorzitter van de vergadering is de directeur-generaal van DG2. Hij nam reeds het initiatief om het KB een jaar te doen verlengen.
Ik ben bereid het beleid van mijn voorganger over de bescherming van de kustvisserij en van het juveniele tongbestand voort te zetten. Uit een wetenschappelijke studie is het belang van de driemijlszone gebleken. De verlenging van het bestaande KB kan dus noodzakelijk zijn voor de supplementaire bescherming van het tongbestand.
Ik ben bereid deze toestand jaarlijks evalueren.
Inzake de beslechting voor het Europees Hof, is het KB juridisch blijkbaar onaanvechtbaar.
De grootste oppositie komt van de Nederlandse vissers die binnen de Belgische driemijlszone op tong vissen met grote vaartuigen. We mogen dus gerust zijn. We zijn ons trouwens aan het herpakken. Natuurlijk is visserij geen louter Belgische bevoegdheid meer. Het is een Europese aangelegenheid. Ik meen dat we op de Europese raden goed hebben gescoord. Het is belangrijk dat de wetenschappelijke studie in verband met de biologische criteria bepalend zal zijn voor de visbestanden. We zullen ons daaraan moeten houden. Hoe dan ook blijft de visserij een belangrijke nijverheid waarover wij bekommerd blijven.
Aan collega Ramoudt kan ik zeggen dat wij de wetgeving over de uitvlagging strikt zullen toepassen. Wij zullen geen aderlatingen meer toestaan.
Ik zal op 31 januari met mijn kabinet in Oostende te gast zijn om het toekomstige visserijbeleid te bespreken.
Het is mijn intentie een partnerschap tussen overheid en privé aan te gaan om de toekomstige uitdagingen aan te kunnen. We moeten daarvoor nu structurele maatregelen nemen. Ik nam reeds contacten met de universitaire wereld om dat partnerschap een goede, permanente begeleiding te geven.
We zijn de laatste onderhandelingen goed doorgekomen. Dat blijkt uit de vernieuwing van de vloot en de visquota. De voorzitter van de Rederscentrale heeft ons daarvoor gefeliciteerd. De Nederlandse vissers hebben hun regering er zelfs van beschuldigd zich te hebben laten doen door de Belgen. Ik hoop dat we dit kunnen doorzetten.
De heer Michiel Maertens (AGALEV). – Ik feliciteer de minister voor zijn prestaties op de Europese visserijraden. Ik herhaal toch dat we moeten komen tot een duurzaam visserijbeheer. Ik ben blij dat de wetenschappelijke studies in de toekomst de doorslag zullen geven.
De overnamepolitiek is een moeilijk Europees probleem. Veel wijst erop dat de visserij zich herpakt. Ik wil de minister vragen op 31 januari te Oostende een serieus gesprek te hebben met de Rederscentrale over de invloed van de Nederlanders op de productorganisatie.
– Het
incident is gesloten.
De heer Wim Verreycken (VL. BLOK). – Ik betreur dat deze vraag enigszins aan belang heeft ingeboet omdat de feiten zich tijdens het reces hebben voorgedaan. Toch kunnen we wellicht met enige afstand naar het probleem kijken.
Het is niet omdat de mediabelangstelling voor de kaping en voor het geweld gepleegd tegen een van onze landgenoten tijdens deze kaping geluwd is, dat wij ons niet meer ervoor moeten interesseren.
De betrokkene werd uitgekozen als extra te folteren slachtoffer, niet omdat hij weerspannig zou zijn, maar omdat hij een westerling was. Het is de taak van een staat om zijn onderdanen te beschermen tegen agressie, ook als die in het buitenland wordt gepleegd.
In de Verenigde staten worden daders van agressie tegen Amerikaanse onderdanen jaren na de feiten nog opgepakt, ook als zij zich op het grondgebied van een bevriende staat wagen. De Amerikaanse overheid legt steeds een gerechtelijk dossier aan. Heeft het Belgisch parket een dossier aangelegd tegen de groep Harkat-UL-Muhadijin? Zal de minister zijn positief injunctierecht aanwenden? Wordt ook gezocht naar de eventuele medeplichtigheid van de Pakistaanse regering? Zal de ambassadeur van dit land tot de orde worden geroepen? Welke maatregelen overweegt de minister mocht blijken dat Pakistan betrokken is? Hebben de diensten voor slachtofferhulp enige hulp geboden?
Enkele jaren geleden werden meer dan de helft van de kandidaten voor de moslimraad afgewezen nadat bleek dat ze banden hadden met fundamentalisten. Waren er geweigerde kandidaten met banden met de groep die de kaping opeiste?
De heer Marc Verwilghen, minister van Justitie. – Daar het slachtoffer geen klacht heeft ingediend werd er geen dossier geopend bij het parket van Turnhout. Daar de daders bovendien in ons land niet werden teruggevonden, kan ik geen injunctierecht uitoefenen. Er kan immers geen strafvordering worden ingesteld. De staatsveiligheid volgt de ontwikkeling van de verschillende stromingen in de islamitische wereld. De groep Harkat-Ul-Muhajidin is niet in België vertegenwoordigd en er is geen betrokkenheid vanuit België aangetoond. Diplomatieke acties behoren tot de bevoegdheid van de minister van buitenlandse zaken.
De Pakistaanse overheid kan niet worden vervolgd in België. De minister van Justitie kan wel in overleg met zijn collega van buitenlandse zaken een einde maken aan de uitleveringsovereenkomst met Pakistan en de ministeriële machtiging weigeren aan ambtelijke opdrachten van de gerechtelijke overheden van Pakistan.
Ons land heeft ook niet de mogelijkheid om personeelsleden van de Pakistaanse overheid in België te vervolgen. Er kan enkel om hun uitlevering worden verzocht. Pakistan heeft echter geen uitleveringsplicht voor onderdanen. Ze kunnen eventueel uitgeleverd worden door een ander land waar ze zich zouden bevinden, hoewel dit dan voor politieke misdrijven weer moeilijk wordt.
Daar er geen dossier is bij het parket van Turnhout werd ook geen slachtofferhulp aangeboden. Voor eventuele psychologische hulp kan het slachtoffer een beroep doen op de diensten van de Vlaamse Gemeenschap. Geen van de Pakistaanse kandidaten voor de moslimraad werd in verband gebracht met terroristische activiteiten of met sympathieën voor dergelijke organisaties.
De heer Georges
Dallemagne (PSC). –Volgens onafhankelijke medische rapporten zou de gezondheidstoestand
van generaal Pinochet hem verhinderen aan Spanje te worden uitgeleverd om er
terecht te staan. De Britse minister van Binnenlandse zaken, Jack Straw, zou
van oordeel zijn dat de uitleveringsprocedure onderbroken moet worden. Wegens
de hooggespannen verwachtingen inzake het ontstaan van grensoverschrijdende
justitie heeft dit bericht veel deining veroorzaakt.
In België hebben mensen zich burgerlijke partij gesteld
tegen generaal Pinochet. Een uitleveringsverzoek werd ingediend, aangezien
België de mogelijkheid heeft de misdaden die de oud-president ten laste worden
gelegd, te vervolgen. De landen die om uitlevering gevraagd hebben, hebben
overigens een termijn gekregen om te reageren en hun mening kenbaar te maken.
Wat is de uiteindelijke beslissing van de Britse minister? Mijn fractie
betreurt de huidige gang van zaken.
Als een beschuldigde mentaal in staat moet zijn zijn
proces te volgen, moet een eventuele ongeschiktheid evenwel op objectieve wijze
worden aangetoond. De Belgische regering zou moeten beschikken over de
verslagen van de medische deskundigen en een tegenexpertise laten uitvoeren.
Bovendien zou Chili in de huidige stand van de wetgeving
aan generaal Pinochet de straffeloosheid kunnen garanderen zodat geen enkel
proces mogelijk is. Zijn aanhouding was nochtans een belangrijke stap in de
richting van grensoverschrijdende justitie.
Mijnheer de minister, beschikt u over andere
inlichtingen? Wat zijn de verschillende juridische opties? Is het
uitleveringsverzoek geldig? Zijn de humanitaire redenen voldoende om af te zien
van de noodzaak om recht te spreken? Is het denkbaar dat generaal Pinochet bij
verstek wordt veroordeeld? Zo ja, waarop wachten wij om een dergelijke
procedure te voeren? Wat zijn de reële kansen dat er in Chili een proces komt,
rekening houdend met het feit dat Pinochet zal beschermd worden hetzij om
humanitaire redenen, hetzij door zijn statuut als senator en door de
amnestiewet?
Welke vriendschappelijke signalen kan de Belgische
regering naar Chili uitzenden? Vele Chileense vluchtelingen hebben zich bij ons
gevestigd. Onze regering moet dus een duidelijke houding aannemen.
De heer Philippe
Mahoux (PS).
– De regering moet alles in het werk stellen opdat generaal Pinochet zou worden
veroordeeld voor zijn misdaden. Volgens de Chileense wetgeving wordt hij in
zijn land beschermd door de parlementaire onschendbaarheid. Ik betreur het dat
er geen medische tegenexpertise kan worden uitgevoerd.
Los van de motie, die door alle democratische partijen
zal worden goedgekeurd, zullen wij blijven ijveren opdat gerechtigheid
geschiede voor het Chileense volk en voor de slachtoffers van het
Pinochetregime.
Mevrouw Marie Nagy
(ECOLO). –
De misdaden waarvan generaal Pinochet wordt beschuldigd hebben betrekking op
zware schendingen van de mensenrechten tijdens de militaire dictatuur. Toen
Pinochet afstand deed van zijn ambt als staatshoofd, heeft hij zich via een wet
ingedekt tegen elke toekomstige interventie van de Chileense justitie. Het is
paradoxaal om het begrip “humanitaire reden” in te roepen voor personen die
misdaden tegen de mensheid hebben begaan.
Om de wet te wijzigen die senator Pinochet voor het leven
beschermt, zou de Grondwet van Chili moeten worden gewijzigd. Voor een
internationaal erkende misdaad tegen de mensheid bestaat er echter geen
humanitaire reden om geen vervolging in te stellen.
België heeft asiel gegeven aan Chileense vluchtelingen
die door militaire rechtbanken waren veroordeeld en van wie de straf vervolgens
werd omgezet in een burgerrechtelijke straf. Gaan wij dan, enerzijds, een
volkomen open asielbeleid voeren en, anderzijds, een humanitaire
straffeloosheid gedogen ten opzichte van iemand die nooit van enige
menselijkheid blijk heeft gegeven?
De heer Josy Dubié
(ECOLO). – Toen
ik journalist was, heb ik als laatste Allende geïnterviewd vóór zijn dood.
Gelet op de gruweldaden van Pinochet vind ik het onduldbaar dat hij teruggaat
naar Chili. Naast zijn titel van senator voor het leven, waardoor hij
parlementaire onschendbaarheid geniet, heeft hij zichzelf ook tot generaal voor
het leven uitgeroepen. Daarom zal het leger nooit aanvaarden dat hij berecht
wordt. Net als eenieder die, zoals ik, de slachtoffers van deze onderdrukking
heeft opgevangen, vind ik het onaanvaardbaar dat hij naar zijn land terugkeert.
De heer Marc Verwilghen, minister van Justitie. –
Onze regering handhaaft haar uitleveringsverzoek. Met de Franse en de Zwitserse
regering werd contact opgenomen om een gemeenschappelijke houding te bepalen.
Onze ambassadeur te Londen heeft de vertegenwoordigers van het Home Office
ontmoet en ons uitleveringsverzoek bevestigd. Anderzijds is het mogelijk dat de
procureur van de Kroon een klacht van een humanitaire organisatie inleidt.
Voor de
tweede vraag verwijs ik naar een verklaring die België in 1997 heeft afgelegd
als zou de uitlevering niet worden toegestaan als ze, wegens leeftijd of
gezondheidstoestand, voor de betrokkene ernstige gevolgen zou kunnen hebben. De
Britse autoriteiten zouden aan de Belgische regering de gegevens moeten
bezorgen op grond waarvan deze de ernst van de gevolgen van een uitlevering
voor de betrokkene kan inschatten. Het Home Office heeft me echter meegedeeld
dat de inhoud van het medisch verslag vertrouwelijk moet blijven.
Onderzoeksrechter Vandermeersch heeft de Britse autoriteiten verzocht een college aan te duiden van experts-artsen en het te gelasten met een diepgaand onderzoek van de betrokkene en het opstellen van een gemotiveerd advies over diens gezondheidstoestand.
De heer Georges Dallemagne (PSC).– Ik noteer met genoegen dat de
regering in deze zaak zover mogelijk wil gaan. Ik hoop dat de misdadiger
veroordeeld zal worden. Wij moeten aan de Chileense regering vragen wat zij in
dit verband mogelijk acht.
De heer Marc Verwilghen, minister van Justitie. –Ik heb vanmiddag vernomen dat
de minister van Buitenlandse zaken contacten heeft gehad in die zin.
De voorzitter. – Mevrouw Leduc, de heren Vandenberghe, Mahoux, Monfils, mevrouw Vanlerberghe, de heren Dubié, Lozie, Dallemagne, Vankrunkelsven en mevrouw Lizin hebben een motie ingediend die luidt:
“De Senaat,
Gehoord de vraag om uitleg van senator Dallemagne aan de minister van Justitie over de vrijlating van generaal Pinochet,
Gehoord het antwoord van de minister,
Meent dat de terugkeer van ex-dictator Augusto Pinochet naar Chili een nederlaag zou zijn voor allen die terecht de bestraffing voorstaan van wie schuldig is aan ernstige schendingen van de mensenrechten. Het is immers bijna zeker dat de gewezen Chileense dictator, die beschermd wordt door zijn onschendbaarheid als senator voor het leven, in Chili nooit zal kunnen worden berecht.
Bijgevolg vraagt de Senaat de regering alles in het werk te stellen om de ex-dictator voor een onafhankelijke rechtbank te dagen om er terecht te staan voor zijn misdaden.”
– Over deze motie wordt later gestemd.
– Het
incident is gesloten.
De voorzitter. – De agenda van deze vergadering is afgewerkt.
De volgende vergadering vindt plaats donderdag 27 januari 2000 om 15 uur.
(De vergadering wordt gesloten om 18.40 uur.)
Afwezig met bericht van verhindering: de heer Dedecker, met opdracht in het buitenland, de heer Van Quickenborne, wegens ambtsplichten, mevrouw Lindekens en de heer Colla, om gezondheidsredenen.
– Voor kennisgeving aangenomen.
Naamstemmingen |
|
|
Vote nº 1 |
Stemming nr. 1 |
|
Présents: 62 |
Aanwezig: 62 |
|
|
|
|
Ludwig Caluwé, Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Sabine de Bethune, Paul De Grauwe, Jean Luc Dehaene, Mia De Schamphelaere, Jacques Devolder, André Geens, Theo Kelchtermans, Mimi Kestelijn-Sierens, Jeannine Leduc, Roeland Raes, Didier Ramoudt, Jan Remans, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Martine Taelman, Erika Thijs, Hugo Vandenberghe, Luc Van den Brande, Chris Vandenbroeke, Joris Van Hauthem, Patrik Vankrunkelsven, Iris Van Riet, Wim Verreycken, Paul Wille. |
|
|
|
|
|
Michel Barbeaux, Philippe Bodson, Marcel Cheron, Mohamed Daif, Georges Dallemagne, Olivier de Clippele, Armand De Decker, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Josy Dubié, Paul Galand, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Marie-José Laloy, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Michiel Maertens, Philippe Mahoux, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Philippe Monfils, Jacky Morael, Philippe Moureaux, Marie Nagy, Clotilde Nyssens, Francis Poty, Jacques Santkin, Louis Siquet, René Thissen, Louis Tobback, Myriam Vanlerberghe, Magdeleine Willame-Boonen, Alain Zenner. |
|
|
|
|
|
N. |
|
|
Vote nº 2 |
Stemming nr. 2 |
|
Présents: 61 |
Aanwezig: 61 |
|
|
|
|
Michel Barbeaux, Ludwig Caluwé, Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Georges Dallemagne, Sabine de Bethune, Jean Luc Dehaene, Mia De Schamphelaere, Theo Kelchtermans, Clotilde Nyssens, Roeland Raes, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Erika Thijs, René Thissen, Hugo Vandenberghe, Luc Van den Brande, Joris Van Hauthem, Wim Verreycken, Magdeleine Willame-Boonen. |
|
|
|
|
|
Marcel Cheron, Mohamed Daif, Olivier de Clippele, Armand De Decker, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Josy Dubié, Paul Galand, André Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Mimi Kestelijn-Sierens, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Michiel Maertens, Philippe Mahoux, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Philippe Monfils, Jacky Morael, Philippe Moureaux, Marie Nagy, Francis Poty, Didier Ramoudt, Jan Remans, Jacques Santkin, Louis Siquet, Martine Taelman, Louis Tobback, Myriam Vanlerberghe, Iris Van Riet, Paul Wille, Alain Zenner. |
|
|
|
|
|
Chris Vandenbroeke, Patrik Vankrunkelsven. |
|
|
Vote nº 3 |
Stemming nr. 3 |
|
Présents: 60 |
Aanwezig: 60 |
|
|
|
|
Ludwig Caluwé, Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Sabine de Bethune, Mia De Schamphelaere, Theo Kelchtermans, Roeland Raes, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Erika Thijs, Hugo Vandenberghe, Luc Van den Brande, Joris Van Hauthem, Wim Verreycken. |
|
|
|
|
|
Marcel Cheron, Mohamed Daif, Olivier de Clippele, Armand De Decker, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Josy Dubié, Paul Galand, André Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Mimi Kestelijn-Sierens, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Michiel Maertens, Philippe Mahoux, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Philippe Monfils, Jacky Morael, Philippe Moureaux, Marie Nagy, Francis Poty, Didier Ramoudt, Jan Remans, Jacques Santkin, Louis Siquet, Martine Taelman, Louis Tobback, Myriam Vanlerberghe, Iris Van Riet, Paul Wille, Alain Zenner. |
|
|
|
|
|
Michel Barbeaux, Georges Dallemagne, Clotilde Nyssens, René Thissen, Chris Vandenbroeke, Patrik Vankrunkelsven, Magdeleine Willame-Boonen. |
|
|
Vote nº 4 |
Stemming nr. 4 |
|
Présents: 61 |
Aanwezig: 61 |
|
|
|
|
Ludwig Caluwé, Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Sabine de Bethune, Mia De Schamphelaere, Theo Kelchtermans, Roeland Raes, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Erika Thijs, Hugo Vandenberghe, Luc Van den Brande, Joris Van Hauthem, Wim Verreycken. |
|
|
|
|
|
Michel Barbeaux, Philippe Bodson, Marcel Cheron, Mohamed Daif, Georges Dallemagne, Olivier de Clippele, Armand De Decker, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Josy Dubié, Paul Galand, André Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Mimi Kestelijn-Sierens, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Michiel Maertens, Philippe Mahoux, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Philippe Monfils, Jacky Morael, Philippe Moureaux, Marie Nagy, Clotilde Nyssens, Francis Poty, Didier Ramoudt, Jan Remans, Jacques Santkin, Louis Siquet, Martine Taelman, René Thissen, Louis Tobback, Myriam Vanlerberghe, Iris Van Riet, Magdeleine Willame-Boonen, Paul Wille, Alain Zenner. |
|
|
|
|
|
Chris Vandenbroeke, Patrik Vankrunkelsven. |
|
|
Vote nº 5 |
Stemming nr. 5 |
|
Présents: 60 |
Aanwezig: 60 |
|
|
|
|
Michel Barbeaux, Ludwig Caluwé, Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Georges Dallemagne, Sabine de Bethune, Mia De Schamphelaere, Theo Kelchtermans, Clotilde Nyssens, Roeland Raes, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Erika Thijs, René Thissen, Hugo Vandenberghe, Luc Van den Brande, Joris Van Hauthem, Wim Verreycken, Magdeleine Willame-Boonen. |
|
|
|
|
|
Marcel Cheron, Mohamed Daif, Olivier de Clippele, Armand De Decker, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Josy Dubié, Paul Galand, André Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Mimi Kestelijn-Sierens, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Michiel Maertens, Philippe Mahoux, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Philippe Monfils, Jacky Morael, Philippe Moureaux, Marie Nagy, Francis Poty, Didier Ramoudt, Jan Remans, Jacques Santkin, Louis Siquet, Martine Taelman, Louis Tobback, Myriam Vanlerberghe, Iris Van Riet, Paul Wille, Alain Zenner. |
|
|
|
|
|
Chris Vandenbroeke, Patrik Vankrunkelsven. |
|
|
Vote nº 6 |
Stemming nr. 6 |
|
Présents: 61 |
Aanwezig: 61 |
|
|
|
|
Ludwig Caluwé, Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Sabine de Bethune, Mia De Schamphelaere, Theo Kelchtermans, Roeland Raes, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Erika Thijs, Hugo Vandenberghe, Luc Van den Brande, Joris Van Hauthem, Wim Verreycken. |
|
|
|
|
|
Philippe Bodson, Marcel Cheron, Mohamed Daif, Olivier de Clippele, Armand De Decker, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Josy Dubié, Paul Galand, André Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Mimi Kestelijn-Sierens, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Michiel Maertens, Philippe Mahoux, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Philippe Monfils, Jacky Morael, Philippe Moureaux, Marie Nagy, Francis Poty, Didier Ramoudt, Jan Remans, Jacques Santkin, Louis Siquet, Martine Taelman, Louis Tobback, Myriam Vanlerberghe, Iris Van Riet, Paul Wille, Alain Zenner. |
|
|
|
|
|
Michel Barbeaux, Georges Dallemagne, Clotilde Nyssens, René Thissen, Chris Vandenbroeke, Patrik Vankrunkelsven, Magdeleine Willame-Boonen. |
|
|
Vote nº 7 |
Stemming nr. 7 |
|
Présents: 61 |
Aanwezig: 61 |
|
|
|
|
Michel Barbeaux, Ludwig Caluwé, Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Georges Dallemagne, Sabine de Bethune, Mia De Schamphelaere, Theo Kelchtermans, Clotilde Nyssens, Roeland Raes, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Erika Thijs, René Thissen, Hugo Vandenberghe, Luc Van den Brande, Joris Van Hauthem, Wim Verreycken, Magdeleine Willame-Boonen. |
|
|
|
|
|
Philippe Bodson, Marcel Cheron, Mohamed Daif, Olivier de Clippele, Armand De Decker, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Josy Dubié, Paul Galand, André Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Mimi Kestelijn-Sierens, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Michiel Maertens, Philippe Mahoux, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Philippe Monfils, Jacky Morael, Philippe Moureaux, Marie Nagy, Francis Poty, Didier Ramoudt, Jan Remans, Jacques Santkin, Louis Siquet, Martine Taelman, Louis Tobback, Myriam Vanlerberghe, Iris Van Riet, Paul Wille, Alain Zenner. |
|
|
|
|
|
Chris Vandenbroeke, Patrik Vankrunkelsven. |
|
|
Vote nº 8 |
Stemming nr. 8 |
|
Présents: 61 |
Aanwezig: 61 |
|
|
|
|
Ludwig Caluwé, Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Sabine de Bethune, Mia De Schamphelaere, Theo Kelchtermans, Roeland Raes, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Erika Thijs, Hugo Vandenberghe, Luc Van den Brande, Joris Van Hauthem, Wim Verreycken. |
|
|
|
|
|
Michel Barbeaux, Philippe Bodson, Marcel Cheron, Mohamed Daif, Georges Dallemagne, Olivier de Clippele, Armand De Decker, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Josy Dubié, Paul Galand, André Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Mimi Kestelijn-Sierens, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Michiel Maertens, Philippe Mahoux, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Philippe Monfils, Jacky Morael, Philippe Moureaux, Marie Nagy, Clotilde Nyssens, Francis Poty, Didier Ramoudt, Jan Remans, Jacques Santkin, Louis Siquet, Martine Taelman, René Thissen, Louis Tobback, Myriam Vanlerberghe, Iris Van Riet, Magdeleine Willame-Boonen, Paul Wille, Alain Zenner. |
|
|
|
|
|
Chris Vandenbroeke, Patrik Vankrunkelsven. |
|
|
Vote nº 9 |
Stemming nr. 9 |
|
Présents: 61 |
Aanwezig: 61 |
|
|
|
|
Michel Barbeaux, Ludwig Caluwé, Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Georges Dallemagne, Sabine de Bethune, Mia De Schamphelaere, Theo Kelchtermans, Clotilde Nyssens, Roeland Raes, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Erika Thijs, René Thissen, Hugo Vandenberghe, Luc Van den Brande, Joris Van Hauthem, Wim Verreycken, Magdeleine Willame-Boonen. |
|
|
|
|
|
Philippe Bodson, Marcel Cheron, Mohamed Daif, Olivier de Clippele, Armand De Decker, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Josy Dubié, Paul Galand, André Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Mimi Kestelijn-Sierens, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Michiel Maertens, Philippe Mahoux, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Philippe Monfils, Jacky Morael, Philippe Moureaux, Marie Nagy, Francis Poty, Didier Ramoudt, Jan Remans, Jacques Santkin, Louis Siquet, Martine Taelman, Louis Tobback, Myriam Vanlerberghe, Iris Van Riet, Paul Wille, Alain Zenner. |
|
|
|
|
|
Chris Vandenbroeke, Patrik Vankrunkelsven. |
|
|
Vote nº 10 |
Stemming nr. 10 |
|
Présents: 61 |
Aanwezig: 61 |
|
|
|
|
Ludwig Caluwé, Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Sabine de Bethune, Mia De Schamphelaere, Theo Kelchtermans, Roeland Raes, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Erika Thijs, Hugo Vandenberghe, Luc Van den Brande, Joris Van Hauthem, Wim Verreycken. |
|
|
|
|
|
Philippe Bodson, Marcel Cheron, Mohamed Daif, Olivier de Clippele, Armand De Decker, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Josy Dubié, Paul Galand, André Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Mimi Kestelijn-Sierens, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Michiel Maertens, Philippe Mahoux, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Philippe Monfils, Jacky Morael, Philippe Moureaux, Marie Nagy, Francis Poty, Didier Ramoudt, Jan Remans, Jacques Santkin, Louis Siquet, Martine Taelman, Louis Tobback, Myriam Vanlerberghe, Iris Van Riet, Paul Wille, Alain Zenner. |
|
|
|
|
|
Michel Barbeaux, Georges Dallemagne, Clotilde Nyssens, René Thissen, Chris Vandenbroeke, Patrik Vankrunkelsven, Magdeleine Willame-Boonen. |
|
|
Vote nº 11 |
Stemming nr. 11 |
|
Présents: 61 |
Aanwezig: 61 |
|
|
|
|
Michel Barbeaux, Ludwig Caluwé, Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Georges Dallemagne, Sabine de Bethune, Mia De Schamphelaere, Theo Kelchtermans, Clotilde Nyssens, Roeland Raes, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Erika Thijs, René Thissen, Hugo Vandenberghe, Luc Van den Brande, Joris Van Hauthem, Wim Verreycken, Magdeleine Willame-Boonen. |
|
|
|
|
|
Philippe Bodson, Marcel Cheron, Mohamed Daif, Olivier de Clippele, Armand De Decker, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Josy Dubié, Paul Galand, André Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Mimi Kestelijn-Sierens, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Michiel Maertens, Philippe Mahoux, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Philippe Monfils, Jacky Morael, Philippe Moureaux, Marie Nagy, Francis Poty, Didier Ramoudt, Jan Remans, Jacques Santkin, Louis Siquet, Martine Taelman, Louis Tobback, Myriam Vanlerberghe, Iris Van Riet, Paul Wille, Alain Zenner. |
|
|
|
|
|
Chris Vandenbroeke, Patrik Vankrunkelsven. |
|
|
Vote nº 12 |
Stemming nr. 12 |
|
Présents: 61 |
Aanwezig: 61 |
|
|
|
|
Philippe Bodson, Marcel Cheron, Mohamed Daif, Olivier de Clippele, Armand De Decker, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Josy Dubié, Paul Galand, André Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Mimi Kestelijn-Sierens, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Michiel Maertens, Philippe Mahoux, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Philippe Monfils, Jacky Morael, Philippe Moureaux, Marie Nagy, Francis Poty, Didier Ramoudt, Jan Remans, Jacques Santkin, Louis Siquet, Martine Taelman, Louis Tobback, Myriam Vanlerberghe, Iris Van Riet, Paul Wille, Alain Zenner. |
|
|
|
|
|
Michel Barbeaux, Ludwig Caluwé, Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Georges Dallemagne, Sabine de Bethune, Mia De Schamphelaere, Theo Kelchtermans, Clotilde Nyssens, Roeland Raes, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Erika Thijs, René Thissen, Hugo Vandenberghe, Luc Van den Brande, Joris Van Hauthem, Wim Verreycken, Magdeleine Willame-Boonen. |
|
|
|
|
|
Chris Vandenbroeke, Patrik Vankrunkelsven. |
|
Wetsvoorstellen
Artikel 77 van de Grondwet
Wetsvoorstel tot wijziging van het Kieswetboek met het oog op de afschaffing van de devolutieve werking van de lijststem en van de lijsten van kandidaat-opvolgers bij de parlementsverkiezingen (van de heer Georges Dallemagne c.s.; Gedr. St. 2-293/1).
Wetsvoorstel tot wijziging van de gewone wet van 16 juli 1993 ter vervollediging van de federale staatsstructuur, met het oog op de afschaffing van de devolutieve werking van de lijststem en van de lijsten van kandidaat-opvolgers bij de verkiezingen van het Vlaamse en het Waalse Parlement (van de heer Georges Dallemagne c.s.; Gedr. St. 2-294/1).
Wetsvoorstel tot wijziging van de wet van 12 januari 1989 tot regeling van de wijze waarop de Brusselse Hoofdstedelijke Raad wordt verkozen, met het oog op de afschaffing van de devolutieve werking van de lijststem en van de lijsten van kandidaat-opvolgers (van de heer Georges Dallemagne c.s.; Gedr. St. 2-295/1).
Artikel 81 van de Grondwet
Wetsvoorstel tot wijziging van het koninklijk besluit van 17 september 1969 betreffende de vergelijkende examens en examens georganiseerd voor de werving en de loopbaan van het Rijkspersoneel (van mevrouw Sabine de Bethune c.s.; Gedr. St. 2-260/1).
Wetsvoorstel tot bevordering van de verkeersveiligheid in de schoolomgevingen (van mevrouw Kathy Lindekens c.s.; Gedr. St. 2-261/1).
Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 119.1 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, inzake de erkende onthaalmoeders (van mevrouw Anne-Marie Lizin; Gedr. St. 2-266/1).
Wetsvoorstel tot wijziging, wat de intresten op het terug te betalen gedeelte van de onteigeningsvergoeding betreft, van de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemene nutte (van mevrouw Erika Thijs en mevrouw Ingrid van Kessel; Gedr. St. 2-268/1).
Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 4 van de wet van 24 juli 1973 tot instelling van een verplichte avondsluiting in handel, ambacht en dienstverlening (van de heer Philippe Monfils; Gedr. St. 2-269/1).
Wetsvoorstel tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek en de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering, inzake de burgerrechtelijke en de strafrechtelijke aansprakelijkheid (van mevrouw Clotilde Nyssens; Gedr. St. 2-298/1).
Wetsvoorstel tot wijziging van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, met het oog op een evenwichtige aanwezigheid van vrouwen en mannen in de raden van bestuur (van mevrouw Sabine de Bethune en de heer Jean-Luc Dehaene; Gedr. St. 2-302/1).
Wetsvoorstel houdende verplichting om de terreinen waarop werken van openbaar nut zijn uitgevoerd in hun oorspronkelijke staat te herstellen (van de heer Jean-Marie Happart; Gedr. St. 2-303/1).
Wetsvoorstel tot aanvulling van artikel 72 van de nieuwe gemeentewet inzake de onverenigbaarheden (van de heer Frans Lozie en mevrouw Jacinta De Roeck; Gedr. St. 2-304/1).
– Deze voorstellen zullen worden vertaald, gedrukt en rondgedeeld.
– Er zal later over de inoverwegingneming worden beslist.
Voorstel
van resolutie
Voorstel van resolutie inzake de ratificatieprocedure van het facultatief protocol bij het VN-Verdrag voor de uitbanning van alle vormen van discriminatie van de vrouw (van mevrouw Kathy Lindekens en mevrouw Iris Van Riet; Gedr. St. 2-299/1).
– Dit voorstel zal worden vertaald, gedrukt en rondgedeeld.
– Er zal later over de inoverwegingneming worden beslist.
Voorstel
van herziening van het Reglement
Voorstel tot invoeging van een artikel 24bis in het reglement van de Senaat, inzake de adviezen van de Hoge Raad voor de Justitie (van mevrouw Clotilde Nyssens; Gedr. St. 2-301/1).
– Dit voorstel zal worden vertaald, gedrukt en rondgedeeld.
– Er zal later over de inoverwegingneming worden beslist.
Wetsvoorstellen
Artikel 77 van de Grondwet
Wetsvoorstel ter bevordering van een paritaire vertegenwoordiging van vrouwen en mannen op de kandidatenlijsten voor de wetgevende verkiezingen (van mevrouw Sabine de Bethune c.s.; Gedr. St. 2-230/1).
– Verzonden naar de commissie voor de Binnenlandse en voor de Administratieve Aangelegenheden.
Artikel 81 van de Grondwet
Wetsvoorstel strekkende om bij elk ziekenhuis een dienst in te stellen die is gespecialiseerd in pijnbehandeling en pijnbestrijding (van de heer Philippe Mahoux; Gedr. St. 2-156/1).
– Verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.
Wetsvoorstel tot aanvulling van het Wetboek van registratie-, hypotheek- en griffierechten, wat het registratierecht voor de aankoop van een woning betreft (van de heer Frank Creyelman; Gedr. St. 2-163/1).
– Verzonden naar de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden.
Wetsvoorstel tot wijziging van de wet van 28 maart 1984 op de uitvindingsoctrooien teneinde rechtsbescherming te verlenen aan biotechnologische uitvindingen (van de heer Philippe Monfils; Gedr. St. 2-176/1).
– Verzonden naar de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden.
Wetsvoorstel tot wijziging van de artikelen 1 en 65 van de gemeentekieswet (van mevrouw Martine Taelman en de heer Vincent Van Quickenborne; Gedr. St. 2-201/1).
– Verzonden naar de commissie voor de Binnenlandse en voor de Administratieve Aangelegenheden.
Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 73 van de nieuwe gemeentewet (van de heer.Chokri Mahassine; Gedr. St. 2-205/1).
– Verzonden naar de commissie voor de Binnenlandse en voor de Administratieve Aangelegenheden.
Wetsvoorstel tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek en het Wetboek van strafvordering in verband met de terugbetaling van de gerechtskosten (van mevrouw Clotilde Nyssens; Gedr. St. 2-207/1).
– Verzonden naar de commissie voor de Justitie.
Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 20 van de wet van 19 oktober 1921 tot regeling van de provincieraadsverkiezingen (van de heren Vincent Van Quickenborne en Patrik Vankrunkelsven; Gedr. St. 2-210/1).
– Verzonden naar de commissie voor de Binnenlandse en voor de Administratieve Aangelegenheden.
Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 45 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten (van de heer Olivier de Clippele; Gedr. St. 2-213/1).
– Verzonden naar de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden.
Wetsvoorstel tot wijziging van de artikelen 40 en 41 van het Wetboek der successierechten (van de heer Olivier de Clippele; Gedr. St. 2-220/1).
– Verzonden naar de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden.
Wetsvoorstel ter bevordering van de evenredige vertegenwoordiging van mannen en vrouwen bij verkiezingen (van mevrouw Anne-Marie Lizin c.s.; Gedr. St. 2-224/1).
– Verzonden naar de commissie voor de Binnenlandse en voor de Administratieve Aangelegenheden.
Wetsvoorstel tot wijziging van de gemeentekieswet van 4 augustus 1932 met betrekking tot het stemrecht en de verkiesbaarheid van de onderdanen van de lidstaten van de Europese Unie bij de gemeenteraadsverkiezingen (van mevrouw Clotilde Nyssens; Gedr. St. 2-240/1).
– Verzonden naar de commissie voor de Binnenlandse en voor de Administratieve Aangelegenheden.
Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 21 van de nieuwe gemeentewet (van de heer Wim Verreycken; Gedr. St. 2-248/1).
– Verzonden naar de commissie voor de Binnenlandse en voor de Administratieve Aangelegenheden.
Wetsvoorstel strekkende om het recht op palliatieve zorg voor eenieder te garanderen en om het kader voor het verlenen van de palliatieve zorg vast te stellen (van mevrouw Clotilde Nyssens c.s.; Gedr. St. 2-249/1).
– Verzonden naar de verenigde commissies voor de Justitie en voor de Sociale Aangelegenheden.
Wetsvoorstel tot wijziging van de artikelen 56 en 57 van de gemeentekieswet van 4 augustus 1932 (van de heren Frans Lozie en Marc Hordies; Gedr. St. 2-257/1).
– Verzonden naar de commissie voor de Binnenlandse en voor de Administratieve Aangelegenheden.
Het Bureau heeft volgende vragen om uitleg ontvangen:
van de heer Johan MALCORPS aan de Minister van Financiën over «de opportuniteit van een beleid inzake autofiscaliteit gericht op milieu en gezondheid» (nr. 2-54)
van de heer Ludwig CALUWÉ aan de Vice-Eerste Minister en Minister van Mobiliteit en Vervoer over «de rol van de gewesten in het spoorbeleid» (nr. 2-55)
van Mevrouw Sabine de BETHUNE aan de Vice-Eerste Minister en Minister van Werkgelegenheid over «de naleving van de wet van 20 juli 1990 ter bevordering van de evenwichtige vertegenwoordiging van mannen en vrouwen in organen met adviserende bevoegdheid» (nr. 2-56)
van de heer Vincent VAN QUICKENBORNE aan de Vice-Eerste Minister en Minister van Werkgelegenheid over «de tewerkstelling op zondag in toeristische centra» (nr. 2-57)
van Mevrouw Jacinta DE ROECK aan de Minister van Landbouw en Middenstand over «de correctheid inzake onderzoek naar het gebruik van chloormequat in de fruitteelt» (nr. 2-58)
van de heer Vincent VAN QUICKENBORNE aan de Minister van Telecommunicatie en Overheidsbedrijven en Participaties over «de toekomst van de Brussels International Airport Company» (nr. 2-59)
– Deze vragen worden naar de plenaire vergadering verzonden .
De Regering heeft volgende wetsontwerpen ingediend:
Wetsontwerp tot bepaling van de criteria bedoeld in artikel 39, § 2, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten (Gedr. St. 2-262/1).
– Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Institutionele Aangelegenheden.
Wetsontwerp tot uitvoering van artikel 62 van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten (Gedr. St. 2-263/1).
– Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Institutionele Aangelegenheden.
Wetsontwerp houdende instemming met het Verdrag inzake wederzijdse administratieve bijstand in fiscale aangelegenheden, en met de bijlagen A, B en C, gedaan te Straatsburg op 25 januari 1988 (Gedr. St. 2-267/1).
– Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.
Wetsontwerp houdende instemming met het Protocol bij het Verdrag van 1979 betreffende grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand met betrekking tot een verdere beperking van zwavelemissies, en met de Bijlagen I, II, III, IV en V, ondertekend te Oslo op 14 juni 1994 (Gedr. St. 2-305/1).
– Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.
Wetsontwerp houdende instemming met het WEU-Akkoord inzake veiligheid, gedaan te Brussel op 28 maart 1995 (Gedr. St. 2-306/1).
– Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.
– Deze wetsontwerpen zullen worden gedrukt en rondgedeeld.
De Regering heeft volgend ontwerp van bijzondere wet ingediend:
Ontwerp van bijzondere wet tot wijziging van artikel 41 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof (Gedr. St. 2-265/1).
– Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Institutionele Aangelegenheden.
– Dit wetsontwerp zal worden gedrukt en rondgedeeld.
Met toepassing van artikel 113 van de
bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van
het Arbitragehof kennis aan de voorzitter van de Senaat van :
– het arrest nr. 133/99, uitgesproken op 22 december
1999, inzake het beroep tot vernietiging van het decreet van de Vlaamse
Gemeenschap van 28 april 1998 inzake het Vlaamse beleid ten aanzien van
etnisch-culturele minderheden, ingesteld door K. Möller en anderen (rolnummer
1464);
– het arrest nr. 134/99, uitgesproken op 22
december 1999, inzake het beroep tot vernietiging van de artikelen 3 en 4 van
de wet van 10 februari 1998 tot wijziging van de wet van 27 december 1973
betreffende het statuut van het personeel van het operationeel korps van de rijkswacht
en van de wet van 11 juli 1978 tot regeling van de betrekkingen tussen de
overheid en de vakbonden van het rijkswachtpersoneel van het operationeel
korps, ingesteld door A. Henneau en anderen (rolnummer 1418);
– het arrest nr. 135/99, uitgesproken op 22
december 1999, inzake de prejudiciële vraag betreffende artikel 2, 4°, littera b, eerste streepje van het
decreet van het Vlaamse Gewest van 23 januari 1991 inzake de bescherming van
het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen (zoals opgesteld vóór
de wijziging bij het decreet van 20 december 1995), gesteld door de Rechtbank
van eerste aanleg te Brussel (rolnummer 1476);
– het arrest nr. 136/99, uitgesproken op 22
december 1999, inzake de prejudiciële vraag over artikel 7, § 4, van de besluitwet
van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders
(in de versie van vóór de wijziging bij artikel 74 van de wet van 13 februari
1998), gesteld door de Arbeidsrechtbank te Dendermonde (rolnummer 1584);
– het arrest nr. 137/99, uitgesproken op 22
december 1999, inzake de prejudiciële vraag over artikel 167 van de wet
betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en
uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, gesteld door de Arbeidsrechtbank te
Leuven (rolnummer 1595);
– het arrest nr. 138/99, uitgesproken op 22
december 1999, inzake de prejudiciële vraag over artikel 17 van het koninklijk
besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen
voor werknemers, gesteld door de Arbeidsrechtbank te Bergen (rolnummer 1676);
– het arrest nr. 139/99, uitgesproken op 22
december 1999, inzake de vordering tot schorsing van artikel 17 van de wet van
24 maart 1999 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de
vakverenigingen van het personeel van de politiediensten, ingesteld door de VZW
Autonome vakbond van de gerechtelijke politie en anderen (rolnummer 1795);
– het arrest nr. 140/99, uitgesproken op 22
december 1999, inzake de vordering tot schorsing van de artikelen 19, 3°, 4° en
5°, en 60, § 1, van de wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en
fiscale beroepen, ingesteld door J. Decock (rolnummer 1805).
– Voor kennisgeving aangenomen.
Met toepassing van artikel 77 van de bijzondere
wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van het
Arbitragehof aan de voorzitter van de Senaat kennis van :
– de prejudiciële vraag betreffende artikel 182,
§ 3, van het Waalse Wetboek van ruimtelijke ordening, stedebouw en patrimonium,
gesteld door de vrederechter van het Eerste kanton van Charleroi (rolnummer
1811);
– de prejudiciële vraag betreffende artikel 45
van de wet van 27 december 1961 houdende statuut van de onderofficieren van het
actief kader der land-, lucht- en zeemacht, gesteld door de Rechtbank van
eerste aanleg te Luik (rolnummer 1818);
– de prejudiciële vraag betreffende artikel 109bis, § 1, 1°, van het Gerechtelijk
Wetboek, gesteld door het Hof van Cassatie (rolnummer 1794);
– de prejudiciële vraag betreffende artikel
1675/13, § 3 en 4, van het Gerechtelijk Wetboek, gesteld door de Rechtbank van
eerste aanleg te Brussel (rolnummer 1825);
– de prejudiciële vraag over artikel 6 van de wet
van 2 juni 1998 tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 22 van 24 oktober
1934 waarbij aan bepaalde veroordeelden en aan de gefailleerden verbod wordt
opgelegd bepaalde ambten, beroepen of werkzaamheden uit te oefenen en waarbij
aan de rechtbanken van koophandel de bevoegdheid wordt toegekend dergelijk
verbod uit te spreken, gesteld door de Correctionele Rechtbank te Hasselt
(rolnummer 1827);
– de prejudiciële vraag betreffende artikel 2 van
het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 27 juni 1990 houdende oprichting van
een Vlaams Fonds voor de sociale integratie van personen met een handicap,
gesteld door het Hof van Cassatie (rolnummer 1831).
– Voor kennisgeving aangenomen.
Met toepassing van artikel 76 van de
bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van
het Arbitragehof aan de voorzitter van de Senaat kennis van :
– de beroepen tot vernietiging van de artikelen
63 tot 68, 84 tot 91 en 202 van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 18
mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, ingediend door P.
Snoy, M.-N. Orban, J. De Backer, P. Nys en M. Nys, F. Kamp en de
Beroepsvereninging van de Vastgoedsector (rolnummers 1700, 1701, 1703, 1710,
1725 et 1832, samengevoegde zaken);
– het beroep tot vernietiging van artikel 2 van
de wet van 29 april 1999 tot wijziging, wat de wedden van de magistraten van de
Rechterlijke Orde betreft, van het Gerechtelijk Wetboek, ingesteld door R.
Bondewel en anderen (rolnummer 1828).
– het beroep tot gedeeltelijke of volledige
vernietiging van de artikelen 2, 3, 4, 9 en 12, 1°, b en c, van de wet van 30
april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers, ingesteld
door de VZW "Mouvement contre le racisme, l'antisémitisme et la
xénophobie".
– Voor kennisgeving aangenomen.
Bij brief van 17 december 1999, zendt de voorzitter van de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven volgende adviezen over, goedgekeurd tijdens zijn plenaire vergadering van 16 december 1999 :
– advies over het ontwerp van koninklijk besluit
betreffende het door huishoudelijke apparaten voortgebrachte luchtgeluid (Stuk
CRB 1999/913);
– advies over het ontwerp van koninklijk besluit
tot wijziging van het koninklijk besluit van 17 maart 1997 inzake batterijen en
accu's die gevaarlijke stoffen bevatten (Stuk CRB 1999/914);
– advies over het ontwerp van koninklijk besluit
betreffende het op de markt brengen van biociden (Stuk CBR 1999/915);
– advies over twee ontwerpen van koninklijk
besluit tot wijziging van de kenmerken van de benzines en van de gasolie-diesel
(Stuk CBR 1999/916);
– advies over een ontwerp van koninklijk besluit houdende verbod van het op de markt brengen van bepaalde producten die kortketenige gechloreerde paraffines bevatten (Stuk CBR 1999/917);
– advies betreffende de beheersing van uitstoot van
vluchtige organische stoffen als gevolg van de opslag van benzine vanaf
terminals naar benzinestations (Stuk CBR 1999/918);
– advies betreffende de vraag naar eventuele
opmerkingen over het voorontwerp van koninklijk besluit houdende bepaling van
de adviestermijnen inzake de vaststelling van bepaalde productnormen (Stuk CBR
1999/919);
– advies betreffende de omzetting in het Belgisch
recht van de Europese richtlijn 1999/60/EG van 17 juni 1999 tot wijziging van
richtlijn 78/660/EEG met betrekking tot de in ecu's uitgedrukte bedragen (Stuk
CBR 1999/920).
– Neergelegd ter Griffie.
Bij brief van 13 januari 2000 heeft de
voorzitter van het Europees Parlement aan de Senaat overgezonden:
– een wetgevingsresolutie van het Europees
Parlement betreffende het voorstel voor een besluit van de Raad tot sluiting
van de Overeenkomst betreffende de vaststelling van mondiale technische
reglementen voor wielvoertuigen, uitrusting en onderdelen die kunnen worden
aangebracht en/of gebruikt op wielvoertuigen (“Parallelle Overeenkomst”);
– een resolutie van het Europees Parlement over
de derde ministerconferentie van de Wereldhandelsorganisatie in Seattle;
– een resolutie van het Europees Parlement over
klimaatverandering : follow-up van de vijfde Conferentie van de partijen bij de
UNFCC (Bonn, 25 oktober tot en met 5 november 1999);
– een resolutie van het Europees Parlement over
de Europese Raad van Helsinki;
– een resolutie over Indonesië;
– een resolutie over het vredesproces in Sierra
Leone;
– een resolutie van het Europees Parlement over
de ratificatie van het Verdrag van Rome tot oprichting van een Permanent
Internationaal Strafgerechtshof;
– een resolutie van het Europees Parlement over
de overstromingen in Zuid-Frankrijk,
aangenomen tijdens de vergaderperiode van 13 tot en met 17 december 1999.
– Verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.