2-282 | Belgische Senaat | 2-282 |
Waarschuwing: de blauwe kleur geeft aan dat het gaat om uit het Frans vertaalde samenvattingen.
Wetsontwerp tot oprichting van federale raden van landmeters-experten (Stuk 2-1553)
Voorzitter: de heer Armand De Decker
(De vergadering wordt geopend om 14.30 uur.)
Mevrouw Iris Van Riet (VLD), rapporteur. - De commissie voor de Sociale Aangelegenheden besprak het ontwerp tijdens haar vergaderingen van 18 en 21 maart in aanwezigheid van de minister van Sociale Zaken en Pensioenen, de heer Vandenbroucke.
In de commissie bestond een vrij grote eensgezindheid over het belang van het aanvullende pensioen dat mensen de mogelijkheid moet geven na hun pensionering het welvaartspeil van vroeger te behouden. Uit de informatie die de minister beschikbaar stelde, blijkt immers dat het wettelijk pensioen gemiddeld slechts 35 tot 40% van het laatste loon bedraagt. Sommige leden benadrukten dat het stimuleren van een tweede pensioenpijler echter niet mag betekenen dat de overheid het wettelijk pensioen laat verwateren tot een basispensioen. Ze wensen dat het wettelijk pensioen een leefbaar inkomen garandeert en willen zich daar voor blijven inzetten.
De leden hechtten ook veel belang aan het sociale onderdeel van voorliggende wet. Een lid wees op de lacunes in de tekst, meer bepaald op het feit dat de wetgeving niet van toepassing is op ambtenaren en zelfstandigen. De minister verwees naar de programmawet die eind vorig jaar werd goedgekeurd en die voorziet in een gelijkaardige regeling voor zelfstandigen. Hij erkent dat er mogelijk problemen zullen rijzen met betrekking tot de betaalbaarheid van de pensioenen van de ambtenaren van lokale besturen en van de zelfstandigen en zegt dat een volgende regering zich daarover zal moeten buigen. Bovendien benadrukte de minister dat contractuelen in dienst van de overheid wel degelijk vallen onder het toepassingsgebied van deze wet.
Een lid maakte zich zorgen over de administratieve rompslomp die de wet met zich zal brengen door de informatieplicht. Hij betwist niet dat er duidelijke informatie moet worden verstrekt, maar vreest dat de overvloed van informatie zal leiden tot verwarring en onduidelijkheid bij de werknemers en tot administratieve overlast voor de pensioenfondsen. Hij diende ter zake dan ook twee amendementen in, die door de commissie werden verworpen.
Verscheidene leden hebben vragen bij de overgangssituatie omdat er vandaag al heel wat pensioeninstellingen en pensioenfondsen in de bedrijven bestaan. De huidige pensioenreglementen moeten worden aangepast aan de nieuwe wetgeving, net zoals sommige statuten van pensioeninstellingen. De minister verklaarde dat wordt overwogen een pensioenvereniging op te richten, die zich zal buigen over de onaangepastheid van bepaalde statuten van pensioeninstellingen, maar dat dit wegens tijdsgebrek nog niet is gebeurd.
In datzelfde kader rijst eveneens de vraag naar de rol van de fondsen voor bestaanszekerheid. Uit de bespreking is gebleken dat ze enkel nog een rol kunnen spelen bij de invulling van de solidariteit van een pensioenplan. Ze zullen evenwel onder toezicht komen van de Controledienst voor Verzekeringen.
Verscheidene leden vroegen zich af welke gevolgen de wet zal hebben voor de mobiliteit van de werknemers. De minister wees op de mogelijkheden die het ontwerp biedt. Een werknemer die van werkgever verandert, kan zijn pensioenrechten ofwel achterlaten ofwel meenemen naar de nieuwe werkgever om ze daar voort op te bouwen, ofwel zijn pensioenrechten elders opbouwen.
Een commissielid had vragen bij de fiscale behandeling van het aanvullende pensioen. Hij stelde vast dat er in dat verband nog heel wat onvolkomenheden blijven bestaan en dat door het ontwerp in sommige gevallen de fiscale behandeling negatiever zal uitvallen dan nu het geval is. Hij diende een aantal amendementen in om dat te voorkomen. Alle amendementen ter zake werden verworpen.
Hij stelde zich ook vragen bij de fiscale behandeling van het aanvullende pensioen dat wordt aangeboden door vzw's. Hij vond de beschrijving van dat type werkgevers vaag. De minister moest toegeven dat de fiscale behandeling van vzw's dubbelzinnig blijft, maar dat het probleem deel uitmaakt van de grotere problematiek van het fiscaal statuut van de vzw's. De commissie keurde het wetsontwerp goed zoals het door de Kamer van Volksvertegenwoordigers was overgezonden, met acht stemmen bij één onthouding.
Tot slot diende een commissielid nog een amendement in met betrekking tot de opting out. Volgens dat amendement moet elke CAO voorzien in de mogelijkheid van een opting out. Ook dat amendement werd verworpen.
Ten slotte wil ik ook nog het standpunt van mijn partij verwoorden. De VLD vindt het ontwerp belangrijk omdat ervan wordt uitgegaan dat het aanvullende pensioen een supplement kan zijn voor het wettelijk pensioen. Er kan een groot verschil zijn tussen het inkomen voor en na het pensioen. Het aanvullende pensioen kan die belangrijke inkomenskloof in grote mate temperen zodat gepensioneerden hun levensstijl kunnen blijven aanhouden.
De democratisering van het aanvullende pensioen is ook een belangrijke doelstelling. We moeten dus zo veel mogelijk mensen stimuleren om een aanvullend pensioen op te bouwen. Het solidariteitsmechanisme waarin de wet voorziet, biedt bovendien een antwoord op de vrees van velen, met name dat in de tweede pijler elke vorm van solidariteit afwezig zou blijven. De praktijk in bedrijven leert ons dat dit niet het geval is. Vele ondernemingen hebben belangrijke solidariteitsmechanismen uitgebouwd en zijn op die manier zelfs vooruitgelopen op de wetgever. Tijdens de commissiebesprekingen waren een aantal leden terecht bekommerd over het feit dat de wet niet van toepassing is op ambtenaren. Het pensioenstelsel van ambtenaren is uiteraard veel gunstiger, maar dat sluit niet uit dat moet worden nagedacht over een aanvullend pensioen voor die doelgroep. Nederland kan ons daarbij inspireren. Ambtenaren bouwen daar massaal een aanvullend pensioen op.
De VLD heeft ook vragen bij de administratieve overbelasting waarop collega Steverlynck terecht wees. Een goede en duidelijke communicatie is nodig, maar de vrees bestaat dat we nu overhellen naar te weinig communicatie, wat leidt tot administratieve overlast.
Er is uiteraard ook de bekommernis voor de overgang van het huidige regime naar de nieuwe wetgeving. We starten immers niet met een leeg veld. Bedrijven hebben nu aanvullende pensioenformules aan hun werknemers aangeboden, ze hebben pensioenreglementen opgesteld en pensioenfondsen opgericht. Sommigen vrezen dat heel wat waardevolle zaken verloren zullen gaan door de confrontatie met de nieuwe wet. We moeten dat op de voet volgen. Ik betreur dat daar niet meer aandacht aan werd besteed.
Ook de opting out blijft een knelpunt. De wet voorziet maar in beperkte mogelijkheden om aan opting out te doen. Gevreesd wordt dat alleen grote bedrijven voldoende aandacht hebben om de opting out in hun sector af te dwingen, terwijl kleinere bedrijven dat niet zullen doen. Sommige ondernemingen vrezen ook het opgelegde rendement. Pensioenfondsen zijn verplicht een minimum rendement te halen, zoniet moet het verschil door de werkgever worden bijgepast.
Vele werkgevers zullen door die verplichting worden afgeschrikt en dan ook aarzelen om de stap naar het aanvullende pensioen te zetten.
In de Kamer heeft mijn collega De Block al aangedrongen op een evaluatie van de wet halverwege de komende legislatuur. Ik sluit me daar graag bij aan. Die evaluatie moet duidelijk maken of we de wet moeten verfijnen en welke factoren de democratisering van het aanvullende pensioen stimuleren en welke die beletten.
-De algemene bespreking is gesloten.
(De tekst aangenomen door de commissie voor de Sociale Aangelegenheden is dezelfde als de tekst van het door de Kamer van volksvertegenwoordigers overgezonden ontwerp. Zie stuk Kamer 50-1340/12.)
De voorzitter. - Artikel 9 luidt:
De sectorale collectieve arbeidsovereenkomst kan aan een werkgever de mogelijkheid bieden om de uitvoering van het pensioenstelsel voor alle of een deel van zijn werknemers geheel of gedeeltelijk zelf te organiseren in een pensioenstelsel op het niveau van de onderneming, dat, tenzij anders bepaald in deze titel, de regels moet volgen die gelden voor ondernemingspensioenstelsels. Bij de invoering van dit stelsel kan rekening worden gehouden met een pensioenstelsel dat reeds bestaat op het niveau van de onderneming.
Bij een pensioenstelsel van het type "vaste bijdragen" mogen de stortingen niet lager zijn dan de stortingen bepaald bij het sectoraal pensioenstelsel. Bij een pensioenstelsel van het type "vaste prestaties" mogen de verworven reserves op geen enkel ogenblik lager zijn dan de verworven reserves die voortvloeien uit het sectoraal pensioenstelsel.
Wanneer een werkgever gebruik maakt van die mogelijkheid, legt hij, onverminderd de toepassing van de procedures bedoeld in de artikelen 7 en 11, die beslissing, het ontwerp van pensioenreglement en de keuze van de pensioeninstelling voorafgaandelijk voor advies voor aan de ondernemingsraad of, bij ontstentenis, aan het comité voor preventie en bescherming op het werk, of bij ontstentenis, aan de vakbondsafvaardiging. Bij ontstentenis van een vakbondsafvaardiging worden de werknemers voorafgaandelijk op de hoogte gebracht door middel van aanplakking.
De werkgever deelt het pensioenreglement mee aan de rechtspersoon bedoeld in artikel 3, §1, 5º, a), vóór het pensioenstelsel van toepassing wordt.
Op dit artikel heeft de heer Steverlynck amendement 3 ingediend (zie stuk 2-1531/2) dat luidt:
Het eerste lid van dit artikel vervangen als volgt:
"De sectorale collectieve arbeidsovereenkomst biedt een werkgever steeds de mogelijkheid om de uitvoering van het pensioenstelsel voor alle of een deel van zijn werknemers geheel of gedeeltelijk zelf te organiseren. Hierbij kan rekening gehouden worden met een pensioensstelsel dat reeds bestaat op het niveau van de onderneming."
Artikel 26 luidt:
§1. De pensioeninstelling deelt ten minste éénmaal per jaar aan de aangeslotenen, behalve aan de rentegenieters, een pensioenfiche mee waarop ten minste volgende gegevens worden vermeld:
1º het bedrag van de verworven reserves, in voorkomend geval met vermelding van het bedrag dat overeenstemt met de waarborgen bedoeld in artikel 24;
2º behalve voor de pensioentoezeggingen van het type vaste bijdragen zonder tariefgarantie, het bedrag van de verworven prestaties en de datum waarop deze opeisbaar zijn;
3º de variabele elementen waarmee bij de berekening van de bedragen onder 1º en 2º wordt rekening gehouden;
4º het bedrag van de verworven reserves van het vorige jaar.
Bij deze gelegenheid deelt de pensioeninstelling de aangeslotene mee dat de tekst van het reglement op eenvoudig verzoek kan worden verkregen bij de persoon die daartoe overeenkomstig het reglement is aangeduid.
§2. De pensioeninstelling deelt op eenvoudig verzoek aan de aangeslotene een historisch overzicht van de gegevens bedoeld in §1, 1º en 2º mee.
Dit overzicht kan worden beperkt tot de periode van aansluiting bij de pensioeninstelling en tot de periode na 1 januari 1996.
§3. De pensioeninstelling deelt ten minste om de vijf jaar het bedrag van de te verwachten rente bij pensionering, zonder aftrek van de belastingen, mee aan alle aangeslotenen vanaf de leeftijd van 45 jaar.
Daarbij wordt uitgegaan van de volgende hypotheses:
1º voor de actieve werknemers:
a) de stortingen blijven doorlopen;
b) voor de toezeggingen van het type vaste prestaties wordt rekening gehouden met de beloofde prestaties;
c) voor de toezeggingen van het type vaste bijdragen worden de verworven reserves en de nog te storten bijdragen gekapitaliseerd aan de rentevoet bedoeld in artikel 24, §2, eerste lid;
2º voor de gewezen werknemers:
a) voor de toezeggingen van het type vaste prestaties, indien de aangeslotene gekozen heeft voor de mogelijkheid bedoeld in artikel 32, §2, 3º, a) wordt er rekening gehouden met de gereduceerde prestaties;
b) voor de toezeggingen van het type vaste bijdragen en de toezeggingen in een onthaalstructuur worden de verworven reserves gekapitaliseerd aan de rentevoet bedoeld in artikel 24, §2, eerste lid.
Op dit artikel heeft de heer Steverlynck amendement 1 ingediend (zie stuk 2-1531/2) dat luidt:
Dit artikel vervangen als volgt:
"Art. 26. - De pensioeninstelling deelt ten minste eenmaal per jaar aan de aangeslotenen, behalve aan de rentegenieters, een pensioenfiche mee waarop minstens volgende gegevens worden vermeld:
1º het bedrag van de verworven reserves, in voorkomend geval met vermelding van het bedrag dat overeenstemt met de waarborg bedoeld in artikel 24;
2º behalve voor de pensioentoezeggingen van het type vaste bijdragen zonder tariefgarantie, het bedrag van de verworven prestaties en de datum waarop deze opeisbaar zijn;
3º de variabele elementen waarmee bij de berekening van de bedragen onder 1º en 2º wordt rekening gehouden.
Bij deze gelegenheid deelt de pensioeninstelling de aangeslotene mee dat de tekst van het reglement op eenvoudig verzoek kan worden bekomen bij de persoon die daartoe overeenkomstig het reglement is aangeduid."
Artikel 42 luidt:
De pensioeninstelling of de in de collectieve arbeidsovereenkomst of het pensioenreglement aangeduide persoon stelt elk jaar een verslag op over het beheer van de pensioentoezegging. Dit verslag wordt ter beschikking gesteld van de inrichter, die het op eenvoudig verzoek meedeelt aan de aangeslotenen.
Het verslag moet informatie over de volgende elementen bevatten:
1º de wijze van financiering van de pensioentoezegging en de structurele wijzigingen in die financiering;
2º de beleggingsstrategie op lange en korte termijn en de mate waarin daarbij rekening wordt gehouden met sociale, ethische en leefmilieuaspecten;
3º het rendement van de beleggingen;
4º de kostenstructuur;
5º in voorkomend geval de winstdeling.
Op dit artikel heeft de heer Steverlynck amendement 2 ingediend (zie stuk 2-1531/2) dat luidt:
Dit artikel vervangen als volgt:
"Art. 42. - De pensioeninstelling of de in de collectieve arbeidsovereenkomst of het pensioenreglement aangeduide persoon stelt elk jaar een verslag op over het beheer van de pensioentoezegging. Dit verslag wordt ter beschikking gesteld van de inrichter, die het op eenvoudig verzoek meedeelt aan de aangeslotenen.
Het verslag moet informatie over de volgende elementen bevatten:
1º de kostenstructuur;
2º in voorkomend geval de winstdeling.
Voor zover de activa die dienen voor de financiering van het pensioenplan afgezonderd zijn en uitsluitend bestemd voor de financiering van het plan, bevat het verslag daarenboven volgende elementen:
1º de wijze van financiering van de pensioentoezegging en de structurele wijzigingen in die financiering;
2º de beleggingsstrategie op lange en korte termijn en de mate waarin daarbij rekening wordt gehouden met sociale, ethische en leefmilieuaspecten;
3º het rendement van de beleggingen."
Artikel 99 luidt:
Artikel 1751 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 13 augustus 1947 en gewijzigd bij de wetten van 27 juli 1953, 14 februari 1961 en 27 december 1965, het koninklijk besluit nr. 13 van 18 april 1967, de wetten van 22 december 1977, 8 augustus 1980 en 28 december 1992, wordt vervangen als volgt:
"Art. 1751. - §1. Het tarief van de taks bedraagt 9,25%.
§2. Dit tarief wordt verminderd tot 4,40% wat betreft:
1º de verzekeringen in geval van leven;
2º de verzekeringen in geval van overlijden;
3º de contracten van lijfrente of tijdelijke renten gesloten met een verzekeringsonderneming;
4º de collectieve toezeggingen die moeten worden beschouwd als een aanvulling van de wettelijke uitkeringen bij arbeidsongeschiktheid door arbeidsongeval of ongeval ofwel beroepsziekte of ziekte, indien ze worden uitgevoerd door de verzekeringsondernemingen bedoeld in artikel 2, §1, van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen en door de pensioeninstellingen bedoeld in artikel 2, §3, van dezelfde wet, en indien deze collectieve toezeggingen op eenzelfde en niet-discriminerende wijze toegankelijk zijn voor alle aangeslotenen, zijnde alle werknemers of regelmatig bezoldigde bedrijfsleiders van eenzelfde onderneming of een bijzondere categorie ervan;
5º de pensioentoezeggingen die worden uitgevoerd door de verzekeringsondernemingen bedoeld in artikel 2, §1, van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen en door de pensioeninstellingen bedoeld in artikel 2, §3, van dezelfde wet;
6º de individuele voortzetting van pensioentoezeggingen als bedoeld in artikel 33 van de wet van ... betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid.
§3. Elke toezegging begrepen in de plannen die worden uitgevoerd door de verzekeringsondernemingen bedoeld in artikel 2, §1, van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen en door de pensioeninstellingen bedoeld in artikel 2, §3, van dezelfde wet, wordt onderworpen aan het tarief dat op die bepaalde toezegging van toepassing is overeenkomstig §1 en §2, indien:
- het collectief plan en de eventueel voorziene alternatieve individuele keuzemogelijkheden, op eenzelfde en niet-discriminerende wijze toegankelijk zijn voor alle aangeslotenen, zijnde alle werknemers of regelmatig bezoldigde bedrijfsleiders van eenzelfde onderneming of een bijzondere categorie ervan, en
- de eventuele toezegging bij overlijden van de aangeslotene, de eventuele toezegging bij arbeidsongeschiktheid van de aangeslotene en de eventuele toezegging medische kosten van de aangeslotene, kan onderschreven worden zonder uitsluiting op basis van een medisch onderzoek indien meer dan tien personen bij dat collectief plan zijn aangesloten, en
- dat plan door de verzekeringsonderneming of pensioeninstelling op een gedifferentieerde wijze wordt beheerd zodat te allen tijde voor elke belastingplichtige of belastingschuldige de toepassing van het specifieke regime inzake inkomstenbelastingen en met het zegel gelijkgestelde taksen kan worden gewaarborgd, zowel inzake de behandeling van de bijdragen of premies als van de uitkeringen.
In geval van een collectief plan waarbij voor alle aangeslotenen in een globaal premiebudget wordt voorzien en iedere aangeslotene zelf vrij de aanwending van dit premiebudget mag invullen en ventileren over de verschillende in het plan aangeboden dekkingen, moet er in een standaard toezegging worden voorzien. In afwachting van een keuze of indien de aangeslotene geen keuze maakt, wordt de standaard toezegging voor deze aangeslotene toegepast. Voor elke dekking wordt in een standaard dekking voorzien. Het verbod van uitsluiting op grond van een medisch onderzoek geldt zowel voor deze standaard dekking als de standaard toezeggingen; de standaard dekkingen en de standaard toezegging moeten in het reglement worden omschreven en een betekenisvolle inhoud hebben.
§4. Bij niet-naleving van één van de in §3 vermelde voorwaarden wordt op alle toezeggingen begrepen in een in §3 bedoeld plan, het in §1 bepaalde tarief toegepast.".
Op dit artikel heeft de heer Steverlynck amendement 4 ingediend (zie stuk 2-1531/2) dat luidt:
Dit artikel vervangen als volgt:
"Art. 99. - Artikel 1751 van het Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen, ingevoegd bij de wet van 13 augustus 1947 en gewijzigd bij de wetten van 27 juli 1953, 14 februari 1961 en 27 december 1965, het koninklijk besluit nr. 13 van 18 april 1967, de wetten van 22 december 1977, 8 augustus 1980 en 28 december 1992, wordt vervangen als volgt:
"Art. 1751. - §1. Het tarief van de taks bedraagt 9,25%.
§2. Het tarief van de taks wordt verminderd tot 4,4% ten aanzien van:
1º de verzekeringen in geval van leven en overlijden;
2º de contracten van lijfrente of tijdelijke renten gesloten met een verzekeringsonderneming;
3º de collectieve toezeggingen die moeten worden beschouwd als een aanvulling van de wettelijke uitkeringen bij arbeidsongeschiktheid door arbeidsongeval of ongeval ofwel beroepsziekte of ziekte, indien ze worden uitgevoerd door de verzekeringsondernemingen bedoeld in artikel 2, §1, van de wet van 9 juli 1975, betreffende de controle der verzekeringsondernemingen en door de pensioeninstellingen bedoeld in artikel 2, §3, van dezelfde wet, en indien deze collectieve toezeggingen op eenzelfde en niet-discriminerende wijze toegankelijk zijn voor alle aangeslotenen, zijnde alle werknemers of regelmatig bezoldigde bedrijfsleiders van eenzelfde onderneming of een bijzondere categorie ervan;
4º de pensioentoezeggingen die worden uitgevoerd door de verzekeringsondernemingen zoals bedoeld in artikel 2, §1, van de wet van 9 juli 1975, betreffende de controle der verzekeringsondernemingen en door de pensioeninstellingen zoals bedoeld in artikel 2, §3, van dezelfde wet;
5º de individuele voortzetting van pensioentoezeggingen als bedoeld in artikel 33 van de wet van ... betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid;
6º de andere persoonsverzekeringen die begrepen zijn in een collectieve aanvullende pensioentoezegging indien zij worden uitgevoerd door de verzekeringsondernemingen bedoeld in artikel 2, §1, van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen en door de pensioeninstellingen bedoeld in artikel 2, §3, van dezelfde wet en indien deze collectieve toezeggingen op eenzelfde en niet-discriminerende wijze toegankelijk zijn voor alle aangeslotenen, zijnde alle regelmatig bezoldigde werknemers van eenzelfde onderneming of een bijzondere categorie ervan.
§3. Elke toezegging begrepen in de plannen die worden uitgevoerd door de verzekeringsondernemingen bedoeld in artikel 2, §1, van de wet van 9 juli 1975, betreffende de controle der verzekeringsondernemingen en door de pensioeninstellingen bedoeld in artikel 2, §3, van dezelfde wet, wordt onderworpen aan het tarief dat op die bepaalde toezegging van toepassing is overeenkomstig §1 en §2, indien:
- het collectief plan en de eventueel voorziene alternatieve individuele keuzemogelijkheden, op eenzelfde en niet-discriminerende wijze toegankelijk zijn voor alle aangeslotenen, zijnde alle werknemers of regelmatig bezoldigde bedrijfsleiders van eenzelfde onderneming of een bijzondere categorie ervan, en
- dat plan door de verzekeringsonderneming of pensioeninstelling op een gedifferentieerde wijze wordt beheerd zodat ten allen tijde voor elke belastingplichtige of belastingschuldige de toepassing van het specifieke regime inzake inkomstenbelastingen en met het zegel gelijkgestelde taksen kan worden gewaarborgd, zowal inzake de behandeling van de bijdragen of premies als van de uitkeringen.""
-De stemming over de amendementen wordt aangehouden.
-De aangehouden stemmingen en de stemming over het wetsontwerp in zijn geheel hebben later plaats.
(Voorzitter: mevrouw Marie-José Laloy.)
De voorzitter. - De heer Jean-Pierre Malmendier verwijst naar zijn schriftelijk verslag.
-De algemene bespreking is gesloten.
(De tekst aangenomen door de commissie voor de Sociale Aangelegenheden is dezelfde als de tekst van het door de Kamer van volksvertegenwoordigers overgezonden ontwerp. Zie stuk Kamer 50-2326/3.)
-De artikelen 1 en 2 worden zonder opmerking aangenomen.
-Over het wetsontwerp in zijn geheel wordt later gestemd.
De voorzitter. - De heer François Roelants du Vivier verwijst naar zijn schriftelijk verslag.
-De algemene bespreking is gesloten.
(De tekst aangenomen door de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden is dezelfde als de tekst van het door de Kamer van volksvertegenwoordigers overgezonden ontwerp. Zie stuk Kamer 50-2285/5.
Voor een tekstcorrectie, zie stuk 2-1517/3.)
De voorzitter. - Artikel 6 luidt:
Artikel 10 van dezelfde wet wordt vervangen door de volgende bepaling:
"Art. 10. - De volgende personen worden vrijgesteld van bewijs van ondernemersvaardigheden:
1º de overlevende echtgenoot, de wettelijk samenwonende of de overlevende partner als meewerkende echtgenoot onderworpen aan het sociaal statuut der zelfstandigen geregeld bij het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967, hetzij in een eerste fase tot 1 januari 2006 enkel op basis van de verplichte regeling voor ziekte- en invaliditeitsverzekering, sector der uitkeringen en uitgevoerd bij het koninklijk besluit van 13 januari 2003 tot wijziging van het koninklijk besluit van 20 juli 1971 houdende instelling van een verzekering tegen arbeidsongeschiktheid ten voordele van de zelfstandigen, hetzij tot 1 januari 2006 op vrijwillige basis en vanaf dezelfde datum op verplichte basis aan het volledige statuut der zelfstandigen en die de beroepsactiviteit voortzet van een ondernemingshoofd. dat zelf voldeed aan de gestelde eisen of er definitief van vrijgesteld was;
2º de vennootschap die aan de gestelde eisen voldeed in hoofde van een overleden zaakvoerder of orgaan, wanneer diens overlevende echtgenoot, de wettelijk samenwonende of diens overlevende partner zaakvoerder of orgaan is geworden van de vennootschap. Gaat het om een partner, andere dan echtgenoot of wettelijk samenwonende, dan moet uit het Rijksregister van de natuurlijke personen, opgericht bij wet van 8 augustus 1983, een samenwonen blijken van minstens zes maanden.".
Op dit artikel heeft de heer Steverlynck c.s. amendement 1 ingediend (zie stuk 2-1517/2) dat luidt:
Dit artikel vervangen als volgt:
"Art. 6. - Artikel 10 van dezelfde wet wordt vervangen door volgende bepaling:
"Art. 10. - De volgende personen worden vrijgesteld van bewijs van ondernemersvaardigheden:
1º de overlevende echtgenoot, de wettelijk samenwonende of de overlevende partner, die de beroepsactiviteit verder zet van een ondernemingshoofd dat zelf voldeed aan de gestelde eisen of er definitief van vrijgesteld was;
2º de vennootschap die aan de gestelde eisen voldeed in hoofde van een overleden zaakvoerder of orgaan, wanneer diens overlevende echtgenoot, de wettelijk samenwonende of diens overlevende partner zaakvoerder of orgaan is geworden van de vennootschap.
Gaat het om een partner, andere dan echtgenoot of wettelijk samenwonende, dan moet uit het Rijksregister van de natuurlijke personen, opgericht bij wet van 8 augustus 1983, een samenwonen blijken van minstens zes maanden.""
-De stemming over het amendement wordt aangehouden.
-De aangehouden stemming en de stemming over het wetsontwerp in zijn geheel hebben later plaats.
De voorzitter. - Ik stel voor deze wetsontwerpen samen te bespreken. (Instemming)
De heer Olivier de Clippele verwijst naar zijn schriftelijk verslag.
-De algemene bespreking is gesloten.
(De tekst aangenomen door de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden is dezelfde als de tekst van het door de Kamer van volksvertegenwoordigers overgezonden ontwerp. Zie stuk Kamer 50-2151/7.)
-De artikelen 1 tot 6 worden zonder opmerking aangenomen.
-Over het wetsontwerp in zijn geheel wordt later gestemd.
(De tekst aangenomen door de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden is dezelfde als de tekst van het door de Kamer van volksvertegenwoordigers overgezonden ontwerp. Zie stuk Kamer 50-2152/9.)
-De stemming over het wetsontwerp in zijn geheel heeft later plaats.
De voorzitter. - Ik stel voor deze wetsvoorstellen samen te bespreken. (Instemming)
De heer Thissen verwijst naar zijn schriftelijk verslag.
-De algemene bespreking is gesloten.
(Voor de tekst aangenomen door de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden, zie stuk 2-1289/6.)
-De artikelen 1 tot 13 worden zonder opmerking aangenomen.
-Over het wetsvoorstel in zijn geheel wordt later gestemd.
(Voor de tekst aangenomen door de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden, zie stuk 2-1562/1.)
-De artikelen 1 tot 7 worden zonder opmerking aangenomen.
-Over het wetsvoorstel in zijn geheel wordt later gestemd.
(Voorzitter: de heer Jean-Marie Happart, ondervoorzitter.)
De voorzitter. - Mevrouw Pehlivan verwijst naar haar schriftelijk verslag.
-De algemene bespreking is gesloten.
(De tekst aangenomen door de commissie voor de Sociale Aangelegenheden is dezelfde als de tekst van het door de Kamer van volksvertegenwoordigers overgezonden ontwerp. Zie stuk Kamer 50-2233/3.)
-De stemming over het wetsontwerp in zijn geheel heeft later plaats.
De voorzitter. - Mevrouw Cornet d'Elzius verwijst naar haar schriftelijk verslag.
-De algemene bespreking is gesloten.
(De tekst aangenomen door de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden is dezelfde als de tekst van het door de Kamer van volksvertegenwoordigers overgezonden ontwerp. Zie stuk Kamer 50-2142/8.)
-De artikelen 1 tot 5 worden zonder opmerking aangenomen.
-Over het wetsontwerp in zijn geheel wordt later gestemd.
De voorzitter. - Mevrouw Taelman verwijst naar haar schriftelijk verslag.
-De algemene bespreking is gesloten.
(De tekst aangenomen door de commissie voor de Justitie is dezelfde als de tekst van het wetsvoorstel. Zie stuk 2-1457/1.)
-De artikelen 1 tot 5 worden zonder opmerking aangenomen.
-Over het wetsvoorstel in zijn geheel wordt later gestemd.
De heer Frank Vandenbroucke, minister van Sociale Zaken en Pensioenen. - Mijnheer de voorzitter, de heer Van Quickenborne en ikzelf zijn overeengekomen dat hij zijn vraag om uitleg over de inkomensvervangende tegemoetkoming voor gehandicapten schriftelijk zal stellen en dat ik ze schriftelijk zal beantwoorden. (Instemming)
(De vergadering wordt geschorst om 15.00 uur. Ze wordt hervat om 18.20 uur.)
(Voorzitter: mevrouw Sabine de Bethune, eerste ondervoorzitter.)
De voorzitter. - De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken, antwoordt namens de heer Guy Verhofstadt, eerste minister.
De heer Georges Dallemagne (CDH). - De eerste minister heeft zich tijdens zijn reis naar Porto Alegre opgeworpen als de verdediger van de duurzame ontwikkeling. Ik weet niet of u daar ook voorstander van bent. Ik weet wel dat u de verdediger bent van de Europese Unie en dat u duurzame ontwikkeling beschouwt als een gemeenschappelijke doelstelling van het beleid van de Unie en haar lidstaten.
Aangezien ik van de minister van Mobiliteit en Vervoer geen antwoord heb gekregen op mijn vragen over het leefmilieu, zou ik de regering willen vragen hoe die doelstellingen kunnen worden bereikt als het luchtverkeer op de grootstedelijke luchthaven Brussel-Nationaal onbeperkt mag toenemen.
Ik heb enkele precieze vragen.
Hoeveel verontreinigende gassen - kooldioxide en stikstofmonoxide - worden uitgestoten door het luchtverkeer vanuit Brussel-Nationaal?
Bevestigt u dat het luchtverkeer in Brussel-Nationaal in 2000 verantwoordelijk was voor 25% van de jaarproductie van NOx in het Brussels Gewest?
Hoe wil de regering, met zulke verontreinigingsniveaus, de Kyoto-akkoorden - een verlaging van de uitstoot met 7% - naleven, alsook de normen inzake verontreiniging die door de Europese richtlijnen werden uitgevaardigd voor de stedelijk gebieden, als de nationale luchthaven streeft naar een toename van het luchtverkeer met 450.000 bewegingen of 36%? Door het ontbreken van beperkingen vormt deze luchthaven een uitzondering, want de meeste andere belangrijke Europese luchthavens moeten van hun regeringen bepaalde grenzen in acht nemen.
In de luchtvaartsector mogen de verontreinigingsbronnen dus worden verhoogd. Welke maatregelen moeten als gevolg daarvan worden opgelegd aan de andere sectoren om aan onze totale verplichtingen te voldoen?
Kunt u mij de resultaten bezorgen van de effectbeoordeling die had moeten worden uitgevoerd vóór de toelating werd gegeven voor de bouw van een nieuwe terminal die 40 miljoen passagiers kan ontvangen in de plaats van huidige 20 miljoen?
Een Europese richtlijn van 27 juni 1985 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten op het milieu is specifiek van toepassing op de luchthavens en bepaalt dat "het beste milieubeleid erin bestaat het ontstaan van vervuiling of hinder van meet af aan te vermijden, veeleer dan later de gevolgen ervan te bestrijden."
Hoe verzoent de regering de vereisten van die richtlijn met het expansiebeleid ten aanzien van de luchthaven Brussel-Nationaal?
Houdt het expansiebeleid inzake het luchtverkeer in Brussel-Nationaal rekening met de door de Europese Unie in het vooruitzicht gestelde kerosinebelasting en landingsrechten die overeenstemmen met het niveau van de uitstoot van de vliegtuigen? In Noorwegen en Zwitserland moet al BTW betaald worden op de vliegtuigtickets en accijnzen op kerosine. De regering van Tony Blair heeft onlangs een verslag gepubliceerd waarin de beperking van het luchtverkeer wordt aanbevolen via de invoering van bijkomende heffingen, om te kunnen voldoen aan de verplichtingen van de Britse regering inzake controle van de uitstoot. Wat doet de Belgische regering in dat opzicht?
De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken. - Ik geef het antwoord van de eerste minister.
Eerst en vooral wijs ik erop dat juridisch gezien de luchthaven van Brussel-Nationaal niet langer mag worden bestempeld als een grootstedelijke luchthaven. Met toepassing van richtlijn 2002/30/EG van 26 maart 2002 betreffende de vaststelling van regels en procedures met betrekking tot de invoering van geluidgerelateerde exploitatiebeperkingen op luchthavens in de Gemeenschap en ondanks de eisen van de minister van Mobiliteit in de Raad Vervoer wordt die benaming voorbehouden voor de luchthavens Berlin-Tempelhof, Stockholm-Bromma, London City en Belfast City.
Het niveau van de uitstoot van verontreinigende gassen - kooldioxide en stikstofmonoxide - wordt voortdurend gecontroleerd door twee meetpunten. De gegevens zijn rechtstreeks toegankelijk voor het publiek via de website www.vmm.be die ook een verwijzing bevat naar de Brusselse en Waalse websites.
Voor het eigenlijke luchtverkeer verstrekt het milieurapport van BIAC (Brussels International Airport Company) precieze gegevens: de verwarmingsinstallaties van gebouw 16 van BIAC stoten 0,32 ton/jaar SO2 of zwaveldioxide uit en 12,4 ton/jaar NOx of stikstofoxiden.
De verbranding van kerosine door vliegtuigmotoren was in Zaventem in 2000 verantwoordelijk voor de uitstoot van 11 µg/m³ SO2 per dag en 39 NO2. In Steenokkerzeel was dat 6 µg/m³ SO2 per dag en 33 NO2.
Die metingen werden in 2000 evenwel stopgezet en vervangen door de meting van vluchtige organische stoffen. Op dit ogenblik beschikken wij echter nog niet over betrouwbare gegevens.
Er dient op te worden gewezen dat, enerzijds, die cijfers ruimschoots onder de Europese voorschriften liggen en, anderzijds, de NOx-waarden die over het algemeen worden gegeven voor de buurt rond de luchthaven bijna uitsluitend betrekking hebben op het wegvervoer.
Overeenkomstig het akkoord dat gesloten werd op de interministeriële conferentie voor milieu op 22 februari 2001, werd op de Ministerraad van 14 juni 2001 beslist de inspanning die moet worden geleverd voor de beperking van de uitstoot te verdelen over de gewesten.
De gehanteerde middelen beïnvloeden immers rechtstreeks het industrieel beleid, dat onder de bevoegdheid van de gewesten valt. Het Vlaams en het Waals Gewest willen hun uitstoot van broeikasgassen stabiliseren tegen 2002, als er een sterk engagement komt van de federale overheid.
In het samenwerkingsakkoord over het klimaat is voorts overeengekomen dat uiterlijk in 2005 een voorstel zal worden voorgelegd om de nationale doelstelling, namelijk een vermindering met 7,5%, over de gewesten te verdelen. Er werd echter beslist dit al in 2004 te doen, omdat er een nauwe band bestaat met de Europese richtlijn over de handel in emissiequota en de vaststelling van de plannen voor de nationale toewijzingen tegen 2004.
Het beheerscontract van BIAC legt geen doelstelling vast inzake de toename van het verkeer. Het bepaalt het aantal gecoördineerde bewegingen die BIAC overeenkomstig artikel 12 van het beheerscontract moet verzekeren. Het gaat dus om een capaciteit. Volgens de recente gegevens van de SADP-studie, (Strategic Airport Development Plan), zal het verkeer de komende jaren maar in beperkte mate toenemen, ongeveer 3% volgens de raming.
Toch kan de hogere norm van Kyoto de uitbreiding afremmen, wat in dat geval aanleiding zou geven tot een aanhangsel bij het beheerscontract van BIAC of de herziening ervan, of zelfs een dwingend optreden van de overheid die bevoegd is voor het milieu.
In ieder geval moeten we ons niet te veel concentreren op het aantal bewegingen, maar wel een duidelijke strategie opzetten om de verontreiniging bij de bron te verminderen.
De effectbeoordeling voorafgaand aan de bouw van pier A is ook voorafgegaan aan de bouw van pier B. We moeten toegeven dat het eindrapport Zaventem van 1990 ambitieus was. Het is beschikbaar bij BIAC, de rechtsopvolger van Brussels Airport Terminal Company (BATC) en van de Regie der Luchtwegen, die het hebben opgesteld.
Wij zijn zeer goed op de hoogte van richtlijn 85/337/EEG waarnaar in de overwegingen van richtlijn 2002/30/EG expliciet wordt verwezen. Overweging 9 luidt immers "Het rechtmatige belang van de luchtvervoerssector bij de toepassing van de kosteneffectieve oplossingen voor het halen van geluidsbeheersdoelstellingen dient te worden onderkend".
De regering voldoet aan de vereisten van die richtlijn, want telkens als wijzigingen worden overwogen in het beheer van het luchtverkeer of van de infrastructuur, worden eerst milieueffectbeoordelingen gemaakt. De richtlijn wil de economische ontwikkeling verzoenen met de bescherming van het milieu, wat neerkomt op het bevorderen van duurzame ontwikkeling. Dat komt tot uiting in het luchthavenbeleid dat we sedert 1999 voeren.
De luchthavenautoriteiten volgen nauwgezet de ontwikkelingen inzake luchtvaartheffingen, parafiscaliteit en fiscaliteit. Ze zijn op de hoogte van de huidige ideeën en praktijken omtrent de voorbeeldfunctie van de heffingen, de internationalisering van de luchtvaartindustrie en het vervoer en het gebruik van belasting en ontheffing als strategische elementen.
Thans probeert de ECAC, de European Civil Aviation Conference, die aanbevelingen formuleert ten behoeve van de Europese regeringen, een eenvormig systeem van heffingen uit te werken dat rekening houdt met de uitstoot.
Het tarievenstelsel van Brussel-Nationaal houdt al rekening met de mogelijke verontreiniging van de verschillende vliegtuigen. Een kerosinebelasting kan alleen worden ingevoerd als daarover op Europees niveau overeenstemming wordt bereikt. Ik heb dat debat op gang gebracht tijdens de informele Raad Vervoer en Milieu onder het Belgisch voorzitterschap in 2001. De Europese Commissie moet nu een initiatief nemen.
De heer Georges Dallemagne (CDH). - Ik dank de minister voor zijn antwoord.
Ik heb echter geen antwoord gekregen op mijn vraag naar het aandeel van het luchtverkeer in de totale verontreiniging in het Brussels Gewest.
Het is moeilijk op strategisch en politiek gebied beslissingen te nemen zonder een antwoord te krijgen op deze fundamentele vraag. Ik zal ze dus blijven stellen. Het feit dat ik het aantal microgram van een of ander element ken, geeft mij nog geen idee over de totale verontreiniging die te wijten is aan de luchthaven Brussel-Nationaal.
Ik betreur ook dat we tot 2004 of 2005 moeten wachten op een duidelijk actieplan voor de vermindering van de uitstoot van broeikasgassen. Dat lijkt mij zeer laat. Ik betreur ook dat niet onmiddellijk voorstellen worden gedaan voor de beperking van het luchtverkeer: 450.000 bewegingen, dat is meer dan in de meeste Europese grootstedelijke luchthavens, zoals Orly bijvoorbeeld. Het gaat daarenboven ook niet om een maximale capaciteit, maar om een actuele capaciteit in verhouding tot de bestaande installaties. We zouden dit op zijn minst als een duidelijke limiet moeten beschouwen. Nu spreekt men over capaciteit, niet over een limiet. Het aantal bewegingen zou met 36% toenemen ten opzichte van het huidige aantal, dat nu al voor voldoende geluidsoverlast zorgt in het Brussels Gewest.
Ik heb ook genoteerd dat volgens uw informatie de milieueffectbeoordeling van 1990 ook rekening hield met de nieuwe terminal van 40 miljoen reizigers. Volgens mij is dat niet het geval. Ik zal daar eventueel later op terugkomen.
Ik onthoud ook dat België op Europees niveau een initiatief heeft genomen met betrekking tot de kerosinebelasting.
-Het incident is gesloten.
De voorzitter. - Ik stel voor om de drie vragen in verband met de oorlog in Irak samen te voegen.
De heer Michiel Maertens (AGALEV). - Onze vragen zijn gericht aan de eerste minister of aan de minister van Buitenlandse Zaken. Ze gaan alle drie over het bilateraal akkoord van 19 juli 1971. In overleg met mijn collega's wil ik mijn vraag wel aan de minister van Buitenlandse Zaken richten in plaats van aan de eerste minister. Minister Michel kan dan op de drie vragen samen antwoorden
Vrijdagmorgen om 9 uur wordt in de commissie Deelname aan buitenlandse missies hetzelfde onderwerp behandeld. Kunnen wij onze vragen om uitleg in die commissie stellen of moeten ze in plenaire vergadering worden gesteld? Er is in ieder geval een overlapping en de bevoegde ministers zijn nu niet aanwezig.
De voorzitter. - De heer Michel is tot morgenmiddag verontschuldigd wegens een missie in het buitenland. Meer weten we op het ogenblik niet. Misschien kan de heer Duquesne ons meer informatie geven namens de regering.
De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken. - Zowel de eerste minister als de minister van Buitenlandse Zaken menen dat de geschikte plaats voor deze discussie de commissie is die vorige vrijdag is samengekomen en waar al vragen werden gesteld, die trouwens beantwoord werden. Die commissie komt vrijdag opnieuw samen.
De voorzitter. - De vergadering heeft vrijdagochtend plaats.
De heer Josy Dubié (ECOLO). - Ik aanvaard dat antwoord niet. Tien dagen geleden heb ik een vraag om uitleg ingediend over een welbepaald probleem. Nu zegt men mij dat die zaak in de commissie zal worden besproken. Als parlementslid heb ik recht op een antwoord op die vraag, die kiezers mij verzocht hebben te stellen. Sedert ik mijn vraag heb ingediend, is de situatie snel veranderd, we hebben ondertussen kennis gekregen van het beruchte geheime rapport. Ik zou mijn vraag dan ook willen aanvullen, en ik denk niet dat de heer Duquesne - die ik overigens ten zeerste waardeer - mij onvoorbereid een antwoord kan geven over nieuwe elementen die hij niet kent. Ik zou de heer Michel ook willen zeggen dat de eerste minister en hijzelf gelogen hebben toen ze beweerden dat België ingevolge de bewuste overeenkomst verplicht is de Amerikaanse troepen en materialen doorgang te verlenen over ons grondgebied. Uit een aandachtige lezing van die overeenkomst blijkt dat dit niet waar is. In de inleiding wordt bepaald dat de bepalingen van de overeenkomst van toepassing zijn om de doelstellingen van het Noord-Atlantisch Verdrag te realiseren.
De voorzitter. - U hebt het nu over de grond van de zaak, die thans niet aan de orde is.
De heer Josy Dubié (ECOLO). - Ik wil graag een oplossing die het mij mogelijk maakt mijn vragen te stellen aan de minister van Buitenlandse Zaken. U begrijpt toch de ernst van de zaak!
Bovendien heb ik geen zitting in de commissie waarnaar men dat probleem wil verwijzen. Dit heeft geen zin.
De voorzitter. - Wij staan garant voor uw rechten als parlementslid en proberen een praktische oplossing te vinden.
De heer Josy Dubié (ECOLO). - Ik wil de garantie dat ik mijn vraag kan stellen. Het is een juridische vraag die een volgens mij leugenachtige argumentatie aan het licht brengt. Ik wil dat kunnen aantonen ten aanzien van de betrokken persoon.
De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Onze vragen om uitleg moeten in openbare zitting kunnen worden gesteld, al is het maar omdat onze fractie tot besluit van mijn vraag om uitleg een motie wil indienen om de Senaat uit te nodigen een standpunt in te nemen.
Om een zinvol debat te kunnen voeren over het geheim akkoord, dat nu gelukkig bekend werd gemaakt, moet de bevoegde minister aanwezig zijn; hetzij de Eerste minister, hetzij de minister van Buitenlandse Zaken.
De voorzitter. - We hebben net vernomen dat de bevoegde minister eventueel morgennamiddag of vrijdagochtend op de vragen kan antwoorden.
De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Het is niet onze bedoeling om het de minister van Binnenlandse Zaken moeilijk te maken. We zijn bereid onze vragen uit te stellen.
De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken. - Ik probeer in de Senaat altijd aanwezig te zijn als ik het geluk heb door senatoren te worden ondervraagd. Ik probeer ook vriendelijk te zijn voor mijn collega's, als ze mij dat vragen. Vandaag ben ik hier bij u, hoewel ik nu in Antwerpen wordt verwacht. U zult wel begrijpen dat ik niet gemakkelijk de plaats kan innemen van mijn collega's om te antwoorden op vragen die tot hun bevoegdheden behoren.
De voorzitter. - We hebben inderdaad geluk dat u bij ons bent. Wat de drie vragen betreft, proberen we nu een datum overeen te komen waarop de minister van Buitenlandse Zaken aanwezig kan zijn om dit interessante debat mogelijk te maken.
De heer Josy Dubié (ECOLO). - Onze vragen zijn juist bedoeld om een debat uit te lokken. De drie vragen gaan over hetzelfde onderwerp. Het is dan ook belangrijk dat de bevoegde minister aanwezig is. Ondanks alle sympathie die ik heb voor de heer Duquesne, denk ik niet dat hij kan antwoorden op mijn vragen, die naar nieuwe elementen verwijzen.
Mijn vraag gaat immers over de mogelijke betrokkenheid van België in een aanvalsoorlog. Dat betekent toch wel iets.
De voorzitter. - De dag en het uur waarop dit debat zal plaatshebben in de plenaire vergadering, zal later worden meegedeeld. (Instemming)
De heer Ludwig Caluwé (CD&V). - Mijn vraag spruit voort uit een persoonlijke ervaring, maar ik wil ze veralgemenen. Op 23 februari 2001 diende ik in het Vlaams Parlement een voorstel van decreet in houdende de mogelijkheid voor de gemeenten het woonrecht aan bepaalde voorwaarden te onderwerpen. Op 14 juni 2001 werd dit voorstel voor advies naar de Raad van State verstuurd. Sindsdien heb ik er niets meer over vernomen.
De adviesvraag was niet aan een bepaalde termijn gebonden. Het was immers niet nodig binnen drie dagen of zelfs niet binnen een maand over het advies te beschikken, maar het was wel de bedoeling het voorstel in het parlementaire jaar 2001-2002 te behandelen. Ondertussen ligt het parlementaire jaar 2002-2003 al bijna achter ons en, ondanks herinneringsbrieven van de voorzitter van het Vlaams Parlement en herinneringstelefoontjes van mijzelf, valt er van dat advies nog niets te bespeuren.
Kan de minister mij mededelen of zo een lange termijn van advies over een wetgevend initiatief normaal is? Stelt de minister een verschil vast tussen de duurtijd voor adviesvragen afkomstig van het federale parlement en die van vragen afkomstig van de deelstaten? Stelt de minister een verschil vast tussen de duurtijd van de adviestermijn voor voorstellen afkomstig van de meerderheid en die voor voorstellen afkomstig van de oppositie? Welke maatregelen heeft de minister genomen om de feitelijke duurtijd van de adviestermijn te beperken? Werden er met deze maatregelen resultaten geboekt?
De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken. - Uit de informatie die ik verkregen heb bij de Raad van State, blijkt dat de termijn waarbinnen advies wordt verstrekt over een voorstel van wet, decreet of ordonnantie op vraag van een parlement, inderdaad langer kan duren dan de termijn waarbinnen adviezen aan de leden van de verschillende regeringen worden verstrekt. De eerste voorzitter van het hoge rechtscollege deelt mij bovendien mede dat de vragen om advies van de voorzitters van de parlementaire vergaderingen maximum 5% uitmaken van alle vragen om advies die jaarlijks worden ingediend. Daarom is het zo goed als onmogelijk een statistisch bruikbare conclusie te trekken uit de verschillen in termijn tussen de ene en de andere soort vragen om advies.
Bovendien moet er rekening mee worden gehouden dat de vragen om advies over voorstellen die door verkozenen zijn ingediend, vaak nieuwe juridische vragen oproepen en dus een langere studie vergen dan tal van ontwerpen die door de regeringen zijn ingediend. Het is dus begrijpelijk dat over het eerste soort van advies vaak een langere termijn gaat.
Op uw tweede en derde vraag kan ik op basis van de gegevens die mij werden overgezonden door de Raad van State, antwoorden dat de vragen om advies van het federaal parlement en deze van de gemeenschaps- of de gewestparlementen binnen eenzelfde termijn worden behandeld. Er is ook geen verschil tussen de termijnen van advies over voorstellen van de meerderheid en die van de oppositie.
Om de werkelijke duur van de adviestermijn te beperken, hebben de Kamers een wetsontwerp tot wijziging van sommige aspecten van de wetgeving met betrekking tot de inrichting en de werkwijze van de afdeling wetgeving van de Raad van State aangenomen. Dit wetsontwerp beoogt een grotere doeltreffendheid en een verbetering van de werking van dit hoge rechtscollege.
De verschillende voorgestelde maatregelen hebben betrekking op het aantal personeelsleden bij de afdeling wetgeving, de interne organisatie van de Raad van State in zijn verschillende geledingen, de procedure van adviesaanvraag en de inhoud van de door de afdeling wetgeving uitgebrachte adviezen.
Wat de procedure van adviesaanvraag en de inhoud van de door de afdeling wetgeving uitgebrachte adviezen betreft, verwijs ik naar artikel 7 van het genoemde wetsontwerp. Deze wettelijke bepaling zal artikel 84 van de gecoördineerde wetten van 12 januari 1973 op de Raad van State vervangen, dat onder meer de volgorde van de behandeling van de adviesaanvragen regelt.
Inzake de adviezen, gevraagd met toepassing van artikel 84, eerste lid, 1º - adviesaanvragen binnen een termijn van ten hoogste een maand - en 2º - adviesaanvragen binnen een termijn van ten hoogste drie dagen - van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, worden de volgende aanpassingen aangebracht:
Indien de adviesaanvraag betrekking heeft op een voorontwerp of een voorstel van wet, decreet of ordonnantie, of op een amendement op een dergelijk ontwerp of voorstel, dient de afdeling wetgeving binnen de gestelde termijn of binnen een bijkomende termijn, door de adviesaanvrager verleend, mededeling te doen van een advies, dat ten minste betrekking heeft op de drie voornoemde punten.
Talrijke bepalingen hebben dus betrekking op de regering. Een betere werkorganisatie in de Raad van State zal een betere opvolging mogelijk maken. Aangezien de termijnen voor wetsontwerpen ook gelden voor wetsvoorstellen, geldt ook de eerbiediging van die termijnen voor wetsvoorstellen. Bovendien kan de voorzitter van de assemblee altijd een afgevaardigde aanwijzen om bij het onderzoek van het voorstel in dialoog te treden met de Raad van State. Er is dus een evenwichtige formule gevonden.
Wat het personeelsbestand van de Raad van State betreft, voorziet het wetsontwerp onder meer in twee essentiële wijzigingen: acht tot tien leden van het coördinatiebureau worden overgeplaatst naar het auditoraat, om bij voorrang ingezet te worden in de afdeling wetgeving; de griffie wordt met twee eenheden versterkt om het hoofd te bieden aan het toenemend aantal adviesaanvragen in de afdeling wetgeving.
Die wijziging beantwoordt aan de vraag van de Raad van State zelf met betrekking tot het personeelsbestand.
Wat uw laatste vraag betreft, heeft deze nieuwe wet tot op heden nog geen resultaten opgeleverd omdat ze nog niet in werking is getreden. Toch ben ik ervan overtuigd dat de voormelde maatregelen met betrekking tot de procedure voor de adviesaanvragen de mogelijkheid zullen bieden de doelstelling van de hervorming te halen, te weten de afdeling wetgeving in staat stellen haar adviezen binnen meer voorzienbare termijnen uit te brengen. De Raad van State zal de termijnen die worden toegemeten of eventueel worden verlengd, in acht kunnen nemen en zal bovendien zijn adviezen kunnen toespitsen op datgene waarvoor de adviesaanvrager werkelijk belangstelling heeft of waarover hij daadwerkelijk bezorgd is. Zowel voor de adviesaanvragen binnen een termijn van dertig dagen als voor die binnen een termijn van vijf werkdagen gaat het om de bevoegdheid van de steller van de handeling, de rechtsgrond en de te vervullen voorgeschreven vormvereisten.
Daarnaast ben ik de mening toegedaan dat de maatregelen die betrekking hebben op het aantal personeelsleden bij de afdeling wetgeving en op de interne organisatie van de Raad van State, eveneens de beoogde resultaten zullen bereiken
De heer Ludwig Caluwé (CD&V). - Ik heb twee bedenkingen bij het omstandige antwoord van de minister.
Ten eerste is het beperken van de verplichting om advies te vragen niet het beste middel om het probleem van de te lange termijnen op te lossen.
Ten tweede zegt de minister dat het federale parlement en de deelstaatparlementen op gelijke voet worden behandeld en dat de Raad van State geen verschil maakt tussen meerderheid en oppositie. Hij voegt er echter aan toe dat hij geen statistisch materiaal, geen cijfers heeft om dat te bewijzen. Ik kan dus niet anders dan besluiten dat het slechts om beweringen gaat, want ik stel vast dat we al twee jaar wachten op een advies over een voorstel van decreet dat bovendien ook door leden van de meerderheid van het Vlaams Parlement is ondertekend. Ik begrijp dat er juridische problemen zijn, maar juist daarom hadden we de Raad van State om advies gevraagd. Twee jaar is veel te lang. Voorstellen van decreet worden blijkbaar achtergesteld.
-Het incident is gesloten.
De voorzitter. - De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken, antwoordt namens de heer Didier Reynders, minister van Financiën.
De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Bij het overlijden van een persoon wordt de totale nalatenschap van roerende en onroerende goederen die aan de wettelijke erfgenamen wordt toegewezen, op de gebruikelijke wijze geschat en betalen de erfgenamen de daarop eisbare successierechten.
Het kan echter ook gebeuren dat na die regelmatige vereffening en verdeling plots een testament opduikt dat de erfrechtelijke regeling, zoals die werd uitgevoerd, wijzigt. De problemen worden nog groter indien daaropvolgend nog procedures worden gevoerd over de interpretatie van het testament, die uiteindelijk leiden tot een definitief arrest van het Hof van Beroep.
Indien een rechterlijke beslissing de erfrechtelijke verdeling volledig wijzigt, verplicht de fiscus de erfgenamen een nieuwe aangifte te doen met een herschatting van de roerende en de onroerende goederen. Indien er daar onroerende goederen bij betrokken zijn, leidt die herschatting wellicht tot een belangrijke meerwaarde in vergelijking met die die werd gedaan door de beëdigde schatter op het ogenblik van het openvallen van de nalatenschap. Voor die interpretatie baseert de overheid zich op artikel 37.3 en artikel 40.4 van het Wetboek van de successierechten. Daarbij kunnen eventueel nog boetes en interesten worden verrekend in de periode tussen het vellen van het definitieve arrest en het ogenblik dat de nieuwe aangifte van een nalatenschap dient te gebeuren.
Vindt de minister dergelijke praktijk billijk gelet op het declaratoir karakter van de vereffening en gelet op het feit dat de verdeling ingaat op de dag van het overlijden van de decujus. Zou het niet normaal zijn om gewoon de schatting op het ogenblik van het overlijden te handhaven gelet op het declaratoir effect van de verdeling?
Een andere mogelijkheid bestaat erin een dading te sluiten tussen de erfgenamen die al jaren in proces zijn, om de nadelige gevolgen te voorkomen van een procesvoering en van een herschatting. Ook hier wordt voorgehouden dat artikel 37.3 van het Wetboek van de successierechten van toepassing is en dat er een nieuwe aangifte moeten worden gedaan in geherwaardeerde waarde, in toepassing van artikel 25 van het Wetboek van de successierechten. Voor de wettelijke erfgenamen verandert er echter niets. Zij hebben bij het openvallen van de nalatenschap te goeder trouw de volledige aangifte van de daarop geplaatste waarde gedaan en de daarop verschuldigde successierechten betaald.
Waarom moet dan op een eventuele dading die ook een declaratoir effect heeft, een herwaardering en een actualisering van de nalatenschap gebeuren en waarom moeten daarop opnieuw successierechten worden betaald? Beschouwt de minister dat als een juiste interpretatie van de wet en kan niet worden aangenomen dat door het arrest de partijen een dading over de nalatenschap kunnen doorvoeren waarbij rekening wordt gehouden met het feit dat al de successierechten zijn betaald? In feite leidt de ontstane situatie - van een normale aangifte van een nalatenschap en de betaling van de successierechten en daaropvolgend de wijziging van de erfregeling door een later opgedoken testament - tot een dubbele belastingheffing tegen een verschillende waardering van de nalatenschap. Aangezien er maar één dode is, kunnen goederen geen tweemaal worden geërfd. We zien nu dat de fiscus een manier heeft gevonden om tweemaal successierechten te innen. Eens na de eerste aangifte van de nalatenschap en mogelijk tien of vijftien jaar later als een herwaardering van de nalatenschap plaatsvindt waarbij de waarde van de onroerende goederen kan verhoogd zijn. De vraag die ik me stel is of de successierechten die aanvankelijk werden betaald, bij een herwaardering van een nalatenschap ook niet moeten worden geherwaardeerd. Op de vroeger betaalde successierechten zou in zo een geval een herwaarderingscoëfficiënt kunnen worden toegepast.
In ieder geval lijkt het mij dat het later opgedoken testament of de nieuwe elementen die een herverdeling van de nalatenschap vereisen, als elementen van overmacht moeten worden aangezien voor de erfgenamen. Het komt mij ook voor dat de regeling waarbij tweemaal successierechten worden betaald ingevolge een dubbele waardering van de onroerende goederen op verschillende ogenblikken, niet overeenstemt met de wet, en zeker niet met de algemene rechtsbeginselen krachtens dewelke aan de eigenaars geen bijzondere en buitensporige last mag worden opgelegd.
De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken. - Ik geef u het antwoord van de minister van Financiën.
In het burgerlijk recht is er slechts één devolutie en ingevolge een fictie van de wet wordt de devolutie altijd geacht bestaan te hebben op het ogenblik van het overlijden. Telkens wanneer de erfelijke goederen ingevolge een na het overlijden voorgevallen feit anders overgaan dan volgens de schijnbare toestand bij het overlijden, is er sprake van een `verandering in devolutie'. De ontdekking van een testament kan zo'n verandering teweegbrengen.
Krachtens artikel 37, 3º, van het Wetboek der Successierechten moet een nieuwe aangifte van nalatenschap worden ingediend telkens wanneer er een verandering in devolutie plaatsheeft, ongeacht het feit of deze verandering in devolutie aanleiding geeft tot het heffen van bijrechten dan wel tot een teruggave. Overeenkomstig artikel 40 van hetzelfde Wetboek geldt voor deze nieuwe aangifte een termijn van vijf maanden, te rekenen vanaf de gebeurtenis als het overlijden in België plaatsvond. De goederen die betrokken zijn bij de verandering in devolutie moeten krachtens artikel 25 van hetzelfde Wetboek worden aangegeven en belast op hun waarde ten dage van de gebeurtenis die aanleiding geeft tot de verandering in devolutie. Zo wordt de nieuwe erfopvolger belast op het tijdstip waarop en de waarde waarmee zijn patrimonium werd vermeerderd.
De werkwijze die de heer Vandenberghe heeft beschreven, stemt dan ook volkomen overeen met de wet. Er is helemaal geen sprake van een dubbele heffing van de successierechten, want de successierechten betaald op basis van de oorspronkelijke devolutie worden in mindering gebracht van de successierechten berekend op de definitieve devolutie. Er worden ook geen boeten of interesten aangerekend als de nieuwe aangifte tijdig wordt ingediend en de erop verschuldigde rechten tijdig worden betaald.
De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Het antwoord voldoet mij niet omdat de minister het declaratoir effect van de vereffening en de verdeling ontkent. Het algemeen rechtsbeginsel is dat de erfgenamen de decujus opvolgen de dag van diens overlijden. De dag van de ontdekking van het testament heeft daarop geen invloed. De belastingen worden gevestigd op de dag van het overlijden. Als later de nalatenschap wordt herschat omdat een testament werd gevonden, dan komt dat neer op een ontkenning van het declaratoir effect van de vereffening en van de verdeling bij de erfrechtelijke regeling. De erflater is immers niet gestorven op de dag dat het testament wordt gevonden. Hij is dan al lang dood. Zo kan het gebeuren dat vijftien jaar na iemands overlijden de erfgenamen gelukkig worden gemaakt met een testament, maar dat de fiscus ze de dag nadien komt zeggen dat de waarde van de betrokken onroerende goederen met bijvoorbeeld 300% is gestegen! Dat is toch niet redelijk. Ik zal tijdens de volgende legislatuur dan ook een wetsvoorstel indienen om de wet aan te passen, zodat de fiscus niet tweemaal belastingen kan heffen terwijl een persoon slechts eenmaal kan overlijden.
-Het incident is gesloten.
De voorzitter. - De twee overblijvende vragen om uitleg worden uitgesteld.
De agenda van deze vergadering is afgewerkt.
De volgende vergaderingen vinden plaats donderdag 3 april 2003 om 10 uur, om 15 uur en om 19 uur.
(De vergadering wordt gesloten om 19.10 uur.)
Afwezig met bericht van verhindering: de heer Steverlynck, om familiale redenen.
-Voor kennisgeving aangenomen.