2-32

Belgische Senaat

Gewone Zitting 1999-2000

Plenaire vergaderingen

Donderdag 2 maart 2000

Namiddagvergadering

Beknopt Verslag

Inhoudsopgave

Inhoudsopgave. 1

Inoverwegingneming van voorstellen. 5

Mondelinge vragen. 5

Mondelinge vraag van mevrouw Magdeleine Willame-Boonen aan de vice-eerste minister en minister van Werkgelegenheid over «de correcte interpretatie van de wetgeving en de reglementering inzake tewerkstelling en arbeid» (nr. 2-162) 5

Mondelinge vraag van de heer Réginald Moreels aan de vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken over «de schendingen van de mensenrechten in Tsjetsjenië» (nr. 2-161) 5

Mondelinge vraag van de heer Theo Kelchtermans aan de minister van Landsverdediging over «de verhuizing van de militaire luchthaven van Melsbroek» (nr. 2-166) 6

Mondelinge vraag van de heer Paul Galand aan de minister van Landsverdediging over «de voorzorgsmaatregelen als gevolg van de grotere risico's die de Kfor-militairen thans in Kosovo lopen» (nr. 2-169) 7

Mondelinge vraag van de heer Olivier de Clippele aan de minister van Financiën over «de termijn die vanaf het aanslagjaar 1999 van toepassing is voor het indienen van een bezwaarschrift betreffende de vennootschapsbelasting» (nr. 2-159) 8

Mondelinge vraag van mevrouw Erika Thijs aan de minister van Binnenlandse Zaken over «de wateroverlast op 4 en 5 juli 1999 in het zuiden en het oosten van de provincie Limburg» (nr. 2-160) 8

Mondelinge vraag van de heer Jacques Devolder aan de minister van Binnenlandse Zaken over «de hotelprijzen aangerekend tijdens Euro 2000» (nr. 2-163) 9

Mondelinge vraag van mevrouw Anne-Marie Lizin aan de minister van Binnenlandse Zaken over «de oplevering van het Telerad-systeem» (nr. 2-168) 10

Mondelinge vraag van de heer Johan Malcorps aan de minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu over «de maatregelen die de regering zal nemen om ademhalingsproblemen bij kinderen aan te pakken» (nr. 2-164) 11

Mondelinge vraag van de heer Wim Verreycken aan de minister van Economie en Wetenschappelijk Onderzoek over «het taalgebruik bij de Koninklijke Musea voor kunst en geschiedenis» (nr. 2-158) 11

Mondelinge vraag van de heer Vincent Van Quickenborne aan de minister van Economie en Wetenschappelijk Onderzoek over «de verkoop via het internet in België» (nr. 2-167) 12

Mondelinge vraag van de heer Olivier de Clippele aan de minister van Sociale Zaken en Pensioenen over «de discriminatie tussen sociaal verzekerden als gevolg van de aanpassing van de SIS-kaarten» (nr. 2-170) 12

Mondelinge vraag van de heer Jean-François Istasse aan de minister van Justitie over «de oprichting door de kerkelijke overheid van een interdiocesane commissie voor de behandeling van klachten wegens seksueel misbruik in de pastorale relaties» (nr. 2-171) 13

Stemmingen. 13

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst tussen de Belgisch‑Luxemburgse Economische Unie en de Republiek Tunesië inzake de wederzijdse bevordering en bescherming van investeringen, gedaan te Tunis op 8 januari 1997 (Stuk 2‑252) 13

Wetsontwerp houdende instemming met het Statuut van Rome van het Internationaal Strafgerechtshof, gedaan te Rome op 17 juli 1998 (Stuk 2‑329) 14

Regeling van de werkzaamheden. 14

Vraag om uitleg van mevrouw Sabine de Bethune aan de vice-eerste minister en minister van Werkgelegenheid over «de naleving van de wet van 20 juli 1990 ter bevordering van de evenwichtige vertegenwoordiging van mannen en vrouwen in organen met adviserende bevoegdheid» (nr. 2‑56) 14

Vraag om uitleg van de heer Didier Ramoudt aan de vice-eerste minister en minister van Mobiliteit en Vervoer over «de maatregelen tegen de geluidshinder voor de luchthaven van Zaventem en hun toepasbaarheid op de regionale luchthavens» (nr. 2‑75) 16

Vraag om uitleg van mevrouw Marie‑José Laloy aan de vice-eerste minister en minister van Mobiliteit en Vervoer over «de prioriteiten van de regering in verband met het gewestelijk expressnet (GEN)» (nr. 2‑76) 17

Vraag om uitleg van mevrouw Nathalie de T' Serclaes aan de vice-eerste minister en minister van Mobiliteit en Vervoer over «de kosteloze begeleiding van uitzonderlijk vervoer door de provinciale verkeerseenheden van de rijkswacht» (nr. 2‑77) 17

Vraag om uitleg van de heer Ludwig Caluwé aan de vice-eerste minister en minister van Mobiliteit en Vervoer over «de rijkswachtbegeleiding bij uitzonderlijk vervoer» (nr. 2‑85) 17

Regeling van de werkzaamheden. 19

Berichten van verhindering. 19

Bijlage.... 20

Votes nominatifs. 20

Naamstemmingen. 20

Indiening van voorstellen. 21

In overweging genomen voorstellen. 21

Vragen om uitleg. 21

Evocatie. 21

Non-Evocaties. 21

Boodschappen van de Kamer 21

Indiening van wetsontwerpen. 22

Arbitragehof – Arresten. 22

Arbitragehof – Prejudiciële vragen. 22

 

Voorzitter: Mevrouw Sabine de Bethune, eerste ondervoorzitter

(De vergadering wordt geopend om 15.05 uur.)

Inoverwegingneming van voorstellen

De voorzitter. – De lijst van de in overweging te nemen voorstellen werd rondgedeeld.

Leden die opmerkingen mochten hebben, kunnen die vóór het einde van de vergadering mededelen.

Tenzij er afwijkende suggesties zijn, neem ik aan dat die voorstellen in overweging zijn genomen en verzonden naar de commissies die door het Bureau zijn aangewezen. (Instemming)

(De lijst van de in overweging genomen voorstellen wordt in de bijlage opgenomen.)

Mondelinge vragen

Mondelinge vraag van mevrouw Magdeleine Willame-Boonen aan de vice-eerste minister en minister van Werkgelegenheid over «de correcte interpretatie van de wetgeving en de reglementering inzake tewerkstelling en arbeid» (nr. 2-162)

Mevrouw Magdeleine Willame-Boonen (PSC). –De wetgeving betreffende de herinschakeling van langdurig werklozen vereist meer uitleg, opdat de werkgevers en de bevoegde diensten ze correct kunnen toepassen. Ik verneem dat sommige kabinetsmedewerkers van de minister weigeren de inhoud van de besluiten, hoewel die volgens de administratie wel degelijk in uw kabinet zijn opgesteld, toe te lichten en dat ze systematisch naar de administratie verwijzen voor verdere inlichtingen. Ze zeggen ook nooit welke dienst daarvoor bevoegd is.

Stemt die houding overeen met de door de regering gewenste doorzichtigheid? Is het beantwoorden van vragen van burgers over de concrete toepassing van soms moeilijke teksten een opdracht van het kabinet of niet? In de veronderstelling dat de kabinetsmedewerker de vraagsteller niet kan helpen, moet hij dan niet minstens expliciet de bevoegde dienst of zelfs de bevoegde persoon in de administratie vermelden?

Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Werkgelegenheid. – Als ik het goed begrijp, kreeg een van de kennissen van mevrouw Willame niet snel genoeg een antwoord op zijn vragen. Dat kan gebeuren. Zoals iedere administratie kan ook een ministerieel kabinet met een hoge werkdruk geconfronteerd worden, waardoor een snel antwoord niet altijd mogelijk is.

Mijn kabinet doet zijn uiterste best. Ik maak trouwens van de gelegenheid gebruik om mijn medewerkers te danken. Elke dag staan zij paraat om aan iedereen uitleg te verstrekken over het door ons gevoerde werkgelegenheidsbeleid of over het regeringsbeleid in het algemeen. Ik dank ook mijn administratie waar een speciale dienst de burgers, die uitleg komen vragen over de toepassing van de wetten en besluiten inzake het werkgelegenheidsbeleid, te woord staat.

Voor het overige ben ik er niet van overtuigd dat hierover een mondelinge vraag gesteld moest worden. Het Bureau van de Senaat heeft deze beslissing genomen. Een telefoontje zou wellicht veel doeltreffender geweest zijn.

Mevrouw Magdeleine Willame-Boonen (PSC). – Ik denk dat de minister mijn vraag niet heeft begrepen. Het gaat hier niet om snelheid.

Ik begrijp dat men niet zomaar een antwoord kan geven. Ik was verontwaardigd over het feit dat het kabinet weigerde de mensen te verwijzen naar een bepaalde dienst van de administratie en dat ze uiteindelijk geen antwoord hebben gekregen. Ik vraag nooit dat onmiddellijk een antwoord wordt gegeven. Ik begrijp dat sommigen terugdeinzen voor moeilijke vragen, vooral over koninklijke besluiten. Ik ben wel verontwaardigd dat kabinet en administratie elkaar de bal terugkaatsen, zonder een antwoord te geven

Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Werkgelegenheid. – Nu kan mevrouw Willame de persoon die geen voldoening heeft gekregen, vertellen dat ze in de Senaat een mondelinge vraag heeft gesteld!

Mevrouw Magdeleine Willame-Boonen (PSC). –De minister drijft werkelijk de spot met mijn vraag.

Mondelinge vraag van de heer Réginald Moreels aan de vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken over «de schendingen van de mensenrechten in Tsjetsjenië» (nr. 2-161)

De heer Réginald Moreels (CVP). – Het mensenrechtenbeleid van de minister van Buitenlandse Zaken is veelbelovend en biedt sinds enkele maanden hoopvolle perspectieven. Misschien vindt hij het eigenaardig dit te horen van een lid van de oppositie. In elk geval komt een Belgische minister van Buitenlandse Zaken niet alle dagen in The Economist, en daarmee heeft minister Michel België zeker een ander imago gegeven op het vlak van buitenlands beleid en mensenrechten. Ook al zijn we het op bepaalde punten niet eens, ik zal doorgaan met mijn stem te laten horen, maar steeds in een constructieve sfeer. Ik hoop ook dat er meer en meer terreinbezoeken zullen worden afgelegd. In de periode dat ik deel uitmaakte van humanitaire missies en daarna als lid van de vorige regering heb ik precies door deze terreinbezoeken enorm veel bijgeleerd. Ze zijn mijns inziens een toegevoegde waarde voor het buitenlands beleid.

Ik ben van mening dat we in het buitenlands beleid ten opzichte van Rusland een double track approach moeten aanhouden. Ik heb dat ook neergeschreven in een vrije tribune, die misschien ooit wel eens gepubliceerd wordt. Enerzijds moeten we tegenover Rusland een nieuwe vorm van waardigheidsdiplomatie voeren. De Russische en Slavisch-orthodoxe cultuur is een van de grote culturen van onze planeet. De afgelopen jaren, sinds het einde van de Koude Oorlog, werd Rusland vernederd, meer bepaald tijdens de Kosovo-crisis door de overeenkomst, gesloten in aanwezigheid van de president van de Verenigde Staten, over een nieuwe oliepijplijn van de Kaspische Zee via een Turkse haven naar de Zwarte Zee. Deze vernedering heeft zeker invloed gehad op de reactie van Rusland dat, soms bijna bekrompen, teruggrijpt naar het beginsel van territoriale integriteit en nationale soevereiniteit. Dit heeft zeker in de oorlog in Tsjetsjenië meegespeeld.

Wanneer anderzijds Rusland in zijn waardigheid als grootmacht wordt erkend, kan het des te sterker worden gevraagd ook verantwoording af te leggen over de zware schendingen van de mensenrechten, vermits het de Universele Verklaring van de rechten van de mens, de Europese conventie inzake de rechten van de mens, de Conventie van Genève en de aanvullende protocollen en de Conventie tegen folteringen uit 1984 heeft ondertekend. Deze schendingen gebeuren trouwens niet alleen aan Russische zijde, maar eveneens aan Tsjetsjeense zijde. Iedereen weet natuurlijk dat de Abdat, de weerwraak, de enige vorm van legitiem geweld in Tsjetsjenië en de enlèvement contre rançon, een gewoonte die uit de vorige eeuw stamt, nog altijd een enorme impact hebben op het terrorisme aan Tsjetsjeense kant.

Volgens artikel 33 van de Europese conventie voor de rechten van de mens kan een staat klacht indienen tegen schendingen van de rechten van de mens in een andere staat gedurende een bepaald conflict. In hoeverre overweegt de minister dit? Een dergelijke demarche zou de selectiviteit in de verdediging van de mensenrechten, die staten altijd verweten wordt, doorbreken. Het verwijt klinkt immers dat bijvoorbeeld wel tegen Oostenrijk, maar niet tegen Centraal-Afrika wordt opgetreden.

Zal de Belgische regering, als lid van de Raad van Europa en als actief promotor van de mensenrechten bij het Europees Hof voor de rechten van de mens een procedure starten met betrekking tot de naleving van de mensenrechten in Tsjetsjenië, zodat de noodzakelijke selectiviteit bij de acties van ons land en van de internationale gemeenschap op het vlak van de mensenrechten, voldoende ethisch tegenwicht krijgt? Zal de minister dit punt zo vlug mogelijk in de Raad van algemene zaken aan de orde brengen?

De heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken. – Ik ga ermee akkoord dat een goed mensenrechtenbeleid evenwichtig moet zijn om niet als selectief te worden bestempeld. Ik heb kunnen bewijzen dat België ter zake zijn stem heeft kunnen laten horen. Maar voorzichtigheid is steeds geboden.

Over de situatie in Tsjetsjenië ben ik bezorgd. De informatie over mensenrechtenschendingen daar verontrusten mij. Ik heb aan mijn Russische collega Ivanov daarover een brief geschreven. Ik heb ook de Russische ambassadeur geconvoceerd. Ik heb de voorzitter van de Europese Raad gevraagd deze kwestie aan de dagorde te stellen op de komende Raad Algemene Zaken van 20 en 21 maart a.s. Ik stuurde ook een brief aan de Secretaris-generaal van de VN om de steun van België toe te zeggen voor ieder initiatief om de VN toegang te verschaffen tot Tsjetsjenië.

(Voorzitter: de heer Jean-Marie Happart, ondervoorzitter.)

In de Raad van Europa heeft de commissaris voor de mensenrechten op 24 februari een bezoek aan de regio gebracht. Gisteren bracht hij verslag uit aan de Raad van ministers. Dat verslag beschrijft de toestand als tragisch. De ambtenaren van de Raad van Europa hebben een samenwerking voorgesteld met de Russische afgevaardigde voor de mensenrechten.

Elke actie in de Raad van Europa vereist consensus. Anderzijds kan elke lidstaat een zaak aanhangig maken bij het EHRM als de mensenrechten door een andere lidstaat worden geschonden. Dergelijke procedure duurt jaren. Sinds 1949 werden slechts achttien dergelijke zaken aanhangig gemaakt. De afschrikwekkende werking ervan is dus niet bewezen. Een zaak weegt wel zwaarder wanneer ze door een groep van staten wordt aangespannen. Dat kan nu worden overwegen. Anderzijds gaat de commissie voor de mensenrechten binnenkort van start met haar werkzaamheden. Een aantal acties kunnen worden overwogen maar niet onmiddellijk uitgevoerd. Ik zal alles in het werk stellen om Rusland het humanitair recht en de mensenrechten te doen respecteren. Ik heb ten slotte de Russische ambassadeur gevraagd om in de bevoegde commissies van Kamer of Senaat vragen te beantwoorden.

Mondelinge vraag van de heer Theo Kelchtermans aan de minister van Landsverdediging over «de verhuizing van de militaire luchthaven van Melsbroek» (nr. 2-166)

De heer Theo Kelchtermans (CVP). – In zijn nota De krijgsmacht: een realistische en pragmatische benadering schrijft de minister van Landsverdediging dat het, gezien de specifieke eisen van de 15e Wing Luchttransport, zoals een ligging in de omgeving van Brussel en een integratie in de burgerluchtvaartstructuur, het van essentieel belang is deze eenheid in Melsbroek te behouden. Thans vernemen we echter dat de verhuis van de militaire vlieghaven van Melsbroek een essentieel onderdeel vormt van de beslissing over de nachtvluchten.

Zijn de specifieke eisen van de 15e Wing dan op zo’n kort tijdsbestek veranderd dat een verhuis noodzakelijk is? Of is deze beslissing achter de rug van de minister genomen? Hij heeft de naam een beminnelijk man te zijn, maar in dat geval raad ik hem aan dat niet te accepteren.

We zijn verheugd dat de regering in het kader van haar beslissing – als het tenminste om een regeringsbeslissing gaat – dadelijk geopteerd heeft voor een alternatief, namelijk de voormalige luchtmachtbasis van Brustem. Verschillende bronnen binnen het leger bevestigen evenwel dat er een verborgen agenda is om de 15e Wing uiteindelijk naar Gosselies, Chièvres of Bierset over te brengen. Wellicht moeten we het bezoek van volksvertegenwoordiger Henry en adjunct-stafchef Mardaga aan de basis van Brustem in deze context bekijken. Hun conclusie was vrij duidelijk: de basis verkeert in een zeer slechte staat en een investering van 6 tot 7 miljard zal nodig zijn om ze operationeel te maken. De ongerustheid in het leger neemt dan ook toe. Kan de minister formeel ontkennen dat het de uiteindelijke bedoeling is om de 15e Wing niet in Brustem, maar in Chièvres, Gosselies of Bierset onder te brengen?

De minister zei dat hij een studie afwacht die de technische, sociale en financiële implicaties van een verhuis nagaat. Wanneer mogen we het resultaat hiervan verwachten? Zal de regering rekening houden met de conclusies van de studie?

Indien zou blijken dat een bijkomende investering noodzakelijk is, zal dit ten koste gaan van het toch al krappe defensiebudget? Ik meen begrepen te hebben dat de minister daar anders over denkt, maar ik wil dat graag door hem horen bevestigen of ontkennen.

De heer André Flahaut, minister van Landsverdediging. –Drie weken geleden al heeft een van de CVP-collega’s van de heer Kelchtermans in de commissie voor de Landsverdediging van de Kamer dezelfde vraag gesteld. Ook de vorige voorzitter van zijn partij stelde me op 15 februari al een identieke vraag in de Kamer.

Een allesomvattende studie over de operationele, sociale, technische en financiële aspecten van een mogelijke verhuis wordt momenteel uitgevoerd. Op basis van het resultaat van die studie zal de regering een definitieve beslissing nemen. Dan zal ook vastgelegd worden wie de hoge kosten, die nu reeds op 7 miljard worden geraamd, zal moeten dragen. Mijn departement kan hiervoor alleszins niet instaan.

Zodra de studie is afgewerkt, zal ik de commissies voor de Landsverdediging van Kamer en Senaat uitnodigen om de verschillende sites die in aanmerking komen, te bezoeken. We mogen terzake geen geïmproviseerde beslissing nemen. We moeten voldoende tijd nemen om alle aspecten en implicaties grondig te bestuderen.

De heer Theo Kelchtermans (CVP). – Uit verklaringen van de minister en interne bronnen van het leger blijkt inderdaad dat over de verhuizing naar Brustem nog geen definitieve beslissing genomen is en dat alle mogelijkheden nog open liggen. Nochtans is het vroeger altijd als een officiële regeringsbeslissing voorgesteld dat het Brustem zou worden. De minister ontkent dat nu.

De heer André Flahaut, minister van Landsverdediging. – De beslissing van de regering is de volgende: de installaties van de luchthaven van Melsbroek moeten naar elders worden overgebracht, maar gelet op de financiële implicaties en technische aspecten moet de minister van Landsverdediging het probleem onderzoeken.

De heer Theo Kelchtermans (CVP). – Toch vermeldde de regeringsbeslissing de basis van Brustem uitdrukkelijk als de nieuwe locatie van de luchthaven van Melsbroek.

De heer André Flahaut, minister van Landsverdediging. – In de regeringsbeslissing is er geen sprake van Brustem.

De heer Theo Kelchtermans (CVP). – Dan is de berichtgeving naar de buitenwereld anders dan de communicatie binnen de regering.

De heer André Flahaut, minister van Landsverdediging. – Brustem is een mogelijkheid. We moeten nagaan hoeveel de verhuizing zal kosten.

Ik heb altijd duidelijk gezegd dat het ministerie van Landsverdediging deze kosten niet voor zijn rekening kan nemen. Iemand zal dus moeten betalen, BIAC misschien.

Ik heb opdracht gegeven voor een studie over de mogelijke vestigingsplaatsen. Bij mijn ontmoeting met de heer Henri op de voormalige basis van Brustem heb ik verklaard dat ik het normaal vind dat, zodra de studie is beëindigd, de leden van de commissies Landsverdediging van Kamer en Senaat de in aanmerking komende locaties bezoeken.

Mondelinge vraag van de heer Paul Galand aan de minister van Landsverdediging over «de voorzorgsmaatregelen als gevolg van de grotere risico's die de Kfor-militairen thans in Kosovo lopen» (nr. 2-169)

De heer Paul Galand (ECOLO). – De pers heeft bericht over de toegenomen risico’s voor de Belgische militairen betrokken bij de operaties voor de vredeshandhaving van de KFOR in Kosovo.

Er is opnieuw meer spanning, vooral in het noorden van Kosovo, waar het Belgisch bataljon opereert, en volgens recente berichten hergroeperen Servische troepen zich aan de grens. Geografisch gezien is dit een kwetsbare zone.

Ik veronderstel dat de staf ditmaal de nodige lessen heeft getrokken uit de fouten van het verleden, die het leven van soldaten in vredesmissies in gevaar hebben gebracht en waardoor sommigen onder hen om het leven zijn gekomen.

De indeling van internationale troepen in nationale in de plaats van multinationale korpsen lijkt de positie van soldaten in vredesmissies te verzwakken in geval van incidenten, aangezien dan een enkele natie en een enkele publieke opinie meer rechtstreeks worden getroffen.

Wij herinneren ons ook de valstrik waarin de Nederlandse soldaten in Bosnië zijn gelopen. Ze vermochten niets tegen de verovering van Srebrenica en de daaropvolgende misdaden, waarop geen internationale reactie is gekomen. Overigens is geen enkele buitenlandse macht de Belgische para’s van de internationale troepenmacht in Rwanda te hulp gekomen.

Ik wil de logistieke moeilijkheden in verband met de internationale vredesmissies niet minimaliseren, maar ik vraag me af of een multinationale samenstelling van de troepen op elk niveau geen sterker preventief signaal zou uitzenden en geen krachtiger internationale reactie zou uitlokken?

Kan de minister preciseren of in Kosovo nieuwe preventieve maatregelen zijn genomen gelet op de toegenomen risico’s op het terrein en de lessen uit het verleden? Is naar het bovengenoemde voorstel trouwens al een gedetailleerd onderzoek gevoerd?

De heer André Flahaut, minister van Landsverdediging. – De operaties van KFOR in Kosovo worden op brigadeniveau uitgevoerd door multinationale eenheden. Het Belgische contingent is ondergebracht in een multinationale eenheid onder Franse leiding. Vanaf april werken we in de vermelde zone samen met de Luxemburgers. Tijdens de laatste weken werden detachementen van multinationele brigades om preventieve redenen naar de Franse sector ten noorden van Mitrovica gestuurd. Het is uitgesloten dat Belgische militairen politietaken of controles van menigten uitvoeren. De Belgen houden zich enkel met specifiek militaire opdrachten bezig.

Tijdens internationale ontmoetingen heb ik erop aangedrongen dat de militairen alle mogelijke scenario’s in geval van een invasie van Kosovo door Servische legereenheden onderzoeken. Ik heb ook mijn ongerustheid uitgedrukt over het risico dat we ons militair vastrijden en de noodzaak benadrukt om het diplomatiek overleg opnieuw op te starten om een politieke oplossing op internationaal niveau te zoeken.

De heer Paul Galand (ECOLO). – Ik dank u voor uw antwoord. Ik weet dat u veel aandacht heeft voor de veiligheid van de militairen.

Als ik het goed begrijp, heeft u de garantie gekregen dat, indien ook maar één soldaat van de KFOR in moeilijkheden verkeert, de andere naties hem te hulp zullen snellen.

De heer André Flahaut, minister van Landsverdediging. – Indien de Belgische troepen in het noorden van Kosovo massaal zouden worden aangevallen door Servische troepen, zullen de andere KFOR-troepen hen te hulp snellen.

Dankzij de flexibiliteit binnen de KFOR-troepen kan bij incidenten in Mitrovica evenzeer versterking worden gestuurd waar dat nodig is.

Ik herhaal dat de militairen lessen hebben getrokken uit de slechte ervaringen in het verleden. Wanneer manschappen met opdracht in het buitenland zijn – op dit ogenblik zijn er 1349 militairen op missie, waaronder meer dan 800 in Kosovo – dan is er altijd een risico aanwezig. De Belgische bevolking moet dit beseffen.

Mondelinge vraag van de heer Olivier de Clippele aan de minister van Financiën over «de termijn die vanaf het aanslagjaar 1999 van toepassing is voor het indienen van een bezwaarschrift betreffende de vennootschapsbelasting» (nr. 2-159)

De heer Olivier de Clippele (PRL-FDF-MCC). – Artikel 771 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen bepaalt dat de bezwaarschriften moeten worden ingediend, op straffe van verval, binnen een termijn van drie maanden vanaf de datum van de verzending van het aanslagbiljet. Het is een nieuwe termijn die in werking getreden is vanaf het aanslagjaar 1999. Ik heb evenwel vernomen dat bedrijven aanslagbiljetten krijgen met betrekking tot het jaar 1999 waarvan de achterkant bedrukt is met een bericht dat onder verwijzing naar de oude wet vermeldt hoe de belastingplichtige een bezwaarschrift moet indienen. Aangezien de termijn vroeger langer was dan nu, is de informatie niet in overeenstemming met de huidige wetgeving.

Vindt de minister niet dat een maatregel nodig is om te voorkomen dat belastingplichtigen die volgens de door het bestuur verspreide verkeerde inlichtingen een bezwaarschrift hebben ingediend, hun rechten niet kunnen laten gelden?

De heer Didier Reynders, minister van Financiën. – De informatie op het aanslagbiljet kan aanleiding geven tot verwarring. Artikel 371 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen werd inderdaad gewijzigd. Het legt een termijn op die volgens de administratie in ongeveer 80.000 gevallen niet correct werd weergegeven.

Het probleem kan geregeld worden op basis van de wet van 11 april 1994 over de openbaarheid van bestuur. Artikel 2, 4°, stipuleert dat, als een document de eventuele beroepsmogelijkheden of de te respecteren termijnen niet vermeldt, de termijn niet begint te lopen.

Als het aanslagbiljet bijgevolg een foute termijn vermeldt, wordt aangenomen dat de te respecteren termijn niet werd vermeld en kan de klacht niet onontvankelijk worden beschouwd op grond van zogenaamde laattijdigheid.

De wet op de openbaarheid van bestuur volstaat dus om het probleem te regelen. Ik heb niettemin instructies gegeven opdat de betrokken dienst de ingediende klachten niet onontvankelijk zou verklaren. Ik heb de administratie ook gevraagd of het mogelijk is alle belastingplichtigen te informeren.

Mondelinge vraag van mevrouw Erika Thijs aan de minister van Binnenlandse Zaken over «de wateroverlast op 4 en 5 juli 1999 in het zuiden en het oosten van de provincie Limburg» (nr. 2-160)

Mevrouw Erika Thijs (CVP). – Op 4 en 5 juli 1999 deden zich zware onweders en overstromingen voor in het zuiden en oosten van de provincie Limburg. De zwaarst getroffen gemeenten in deze regio zijn Bilzen, Lanaken, Riemst, Tongeren en Voeren.

Meer dan 500 huizen liepen onder water. De schade wordt op meerdere tientallen miljoenen geschat.

Via de gouverneur van Limburg werd een dossier ingediend om deze calamiteit als ramp te erkennen.

Een hoeveelheid neerslag van meer dan 60 liter per vierkante meter en van 81 liter per vierkante meter op 24 uur is misschien niet uitzonderlijk, maar de tijdsduur waarin die grote hoeveelheid water is gevallen, speelt een cruciale rol. De hoeveelheid neerslag die in deze gemeenten in twee uur is gevallen, was uitzonderlijk. Men moet precies weten hoeveel water er in de bewuste uren van de nacht van 4 op 5 juli is gevallen.

De overstroming was niet het gevolg van de grote hoeveelheid water, maar van de grote hoeveelheid op zeer korte tijd.

Tot op heden hebben de betrokken gemeenten nog geen bericht ontvangen. De inwoners leven nu reeds meer dan een half jaar in de grootste onzekerheid. Sommigen durven niet opruimen uit vrees geen schadevergoeding te zullen ontvangen. Voor een aantal van hen zijn de financiële verliezen zeer zwaar. De schade was uitzonderlijk groot, heel wat schadedossiers worden geraamd op verscheidene honderdduizenden franken. De totale schade wordt geraamd op meer dan 200 miljoen frank. Aangezien deze schade niet wordt verzekerd, moet de getroffen bevolking zelf voor de kosten opdraaien.

Zullen deze zware onweders en overstromingen in de bovenvermelde Limburgse gemeenten als ramp worden erkend ?

Wanneer zal de beslissing aan de betrokken gemeenten worden bezorgd?

De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken. –Ik heb het advies gevraagd van het KMI met betrekking tot het uitzonderlijk en onvoorzienbaar karakter van het onweer van vier en vijf juli 1999 dat sommige gemeenten van de provincies Limburg en Luik heeft getroffen. In een eerste advies van dertien augustus 1999 heeft het KMI gesteld dat de gemeten neerslaghoeveelheden niet uitzonderlijk waren volgens de criteria vastgesteld in de ministerraden van 18 april 1986 en 9 oktober 1987. Naar aanleiding van de tornado die midden augustus 1999 de streek van Doornik en bepaalde gemeenten van de provincie van Vlaams Brabant trof, heeft de ministerraad beslist deze criteria opnieuw te evalueren. Een interdepartementale werkgroep werd hiertoe opgericht. Tijdens één van de eerste vergaderingen werd door het kabinet van Economische Zaken meegedeeld dat er een wetsvoorstel in voorbereiding was waardoor wateroverlast zou worden opgenomen in de brandverzekering. Zo zou het niet langer een risico zijn waarvoor het Rampenfonds kan tussenbeide komen. Ik heb het dan ook opportuun geacht de werkzaamheden van de werkgroep tijdelijk op te schorten.

Ingevolge het schrijven van de burgemeester van één der getroffen gemeenten heb ik een bijkomend advies gevraagd aan het KMI en aan de inspecteur van Financiën. Ik heb dat advies gekregen op 5 januari 2000, een week na de zware stormen en overstromingen van de kerstperiode. Ook daarvoor werd het advies van het KMI en de inspecteur van Financiën gevraagd. Het advies van het KMI was eerder genuanceerd, dat van de inspecteur van Financiën negatief.

Als minister van Binnenlandse Zaken rest mij nog de mogelijkheid om de getroffen bevolking een tegemoetkoming voor de geleden schade te bezorgen. Dan moet ik het advies van de minister van Begroting vragen. Ik zal dit doen voor de vier rampen die zich in de loop van 1999 voordeden: de onweders en wateroverlast van 31 mei 1999 in de provincies Vlaams Brabant, Waals Brabant en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, de zware regenval van 4 en 5 juli in Luik en Limburg, de zware regenval van 6 juli in Virton en ten slotte de zware regenval en stormen van eind december 1999. Dit dossier zal ik ten laatste morgen naar de minister van Begroting sturen, bij wie ik het dossier zal verdedigen. Afhankelijk van zijn antwoord zal ik het dossier voorleggen aan de eerstvolgende ministerraad.

Mevrouw Erika Thijs (CVP). – Indien het antwoord van de minister van Begroting negatief is, is men verplicht het advies te volgen van het KMI, dat de hoeveelheid regen van 4 op 5 juli niet als uitzonderlijk beschouwt. Ik wil er nogmaals op wijzen dat er in Riemst 81 liter water in twee uur tijd is gevallen terwijl het KMI het heeft over 24 uur. Men mag dit verschil niet uit het oog verliezen.

Dat men overweegt dergelijke risico’s op te nemen in de brandverzekeringspolis, is een goed idee. Voor de inwoners van de getroffen gemeenten waarnaar ik heb verwezen, biedt deze maatregel echter geen uitkomst omdat hij pas van kracht wordt zodra hij in de polis wordt opgenomen.

De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken. – De wet is de wet: ik verwijs naar de voorschriften. Er is trouwens ook de ervaring. Met name naar aanleiding van de storm die de streek van Doornik en een deel van Vlaams-Brabant heeft geteisterd, heb ik beseft dat de criteria niet aangepast waren. De regering heeft de goede beslissing genomen deze problemen van nu af aan door middel van een verzekeringsmechanisme te regelen. Een ontwerp dat door mijn collega van Economie werd voorbereid, is reeds aangenomen: het Rampenfonds zal slechts aanvullend bijdragen, vanaf het moment dat aan de verzekeringsvoorwaarden niet is voldaan.

Het technisch advies dat ik heb ontvangen, is genuanceerd en het advies van de inspecteur van Financiën is negatief.

Aangezien het mijn wens is dat voor deze gebeurtenissen een schadevergoeding wordt uitbetaald, ben ik verplicht de procedure te volgen: ik probeer een gunstig advies te krijgen van de minister van Begroting.

Ik zal deze dossiers met veel energie verdedigen en ik hoop iedereen te kunnen overtuigen.

Mondelinge vraag van de heer Jacques Devolder aan de minister van Binnenlandse Zaken over «de hotelprijzen aangerekend tijdens Euro 2000» (nr. 2-163)

De heer Jacques Devolder (VLD). – Het is wellicht overbodig te herhalen dat ons land over enkele maanden Euro 2000 onthaalt. Dit voetbalevenement zal niet alleen het voetbalimago van België ten goede komen, het zal ook een niet te versmaden economische weerslag hebben. Experts hebben het in dat verband over een miljardenbedrag.

Wij stellen vast dat de hotelprijzen in de speelsteden op sommige plaatsen zonder meer werden verdubbeld. De verhoopte economische weerslag zal zodoende makkelijk kunnen worden bewerkstelligd, maar het blijft zeer de vraag of dit het imago van deze steden ten goede komt.

We mogen de hoteluitbaters echter niet van enige ‘schrokkerigheid’ verdenken. Zij hebben hun kamers aan de gebruikelijke tarieven in optie toevertrouwd aan het subcomité Accomodatie van het organiserend comité, dat de dubbele prijzen heeft aangerekend aan de gasten. Ik denk dat België met het geld van de belastingbetaler fors in de veiligheid en de infrastructuur van EURO 2000 heeft geïnvesteerd. We kunnen dan ook niet opgetogen zijn met deze gang van zaken.

Vindt de minister het niet opportuun om bij het overleg tussen de overheid en de organisatoren van het Europese kampioenschap deze laatsten hierop tactvol attent te maken?

De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken. – Ook ik ben bezorgd omtrent de positieve beeldvorming van ons land tijdens Euro 2000. Daarom hecht ik veel belang aan een goed gastheerschap en aan gepaste accommodatie voor de bezoekende supporters.

(Voorzitter: de heer Armand De Decker.)

Voor de veiligheid en voor het goede verloop van het evenement is het belangrijk te weten waar de supporters verblijven zodat we, zo nodig, in alternatieve logeerglegenheid kunnen voorzien. Mijn departement is vooral belast met de veiligheid en kan voor dat laatste punt alleen maar zijn goede diensten aanbieden. Er vindt overleg plaats tussen mijn departement en de diensten voor toerisme van de gewesten en de gaststeden. Vorig jaar heb ik trouwens aan alle burgemeesters van het land een nota gezonden over de veiligheid van Euro 2000 waarin ik hen erop wijs dat zij in logeergelegenheid moeten voorzien – tegen betaling uiteraard – voor de bezoekende supporters. Dat is overigens een factor van veiligheid. Bovendien werd hen gevraagd om hiervoor samen te werken met de toeristische diensten, meer bepaald met het hotelwezen.

Met de steden en de gemeenten die over een grote toeristische aantrekkingskracht en een ruim logementsaanbod beschikken, wordt overleg gepleegd om ze voor te bereiden op de komst van de vele buitenlandse supporters.

Het probleem van de huisvesting werd regelmatig aangekaart tijdens mijn vergaderingen met de Stichting Euro 2000, de organisator van het voetbalkampioenschap. Ik kan op geen enkele wijze ingrijpen in het prijzen van de hotelkamers, noch in de akkoorden die werden afgesloten tussen het Euro 2000 Accomodation Agency en de hoteluitbaters.

Ter voorbereiding van Euro 2000 werd een binationaal informatieplatform opgericht binnen het Coördinatie- en crisiscentrum van de regering. Daar worden de gegevens over de beschikbare logeerplaatsen in de verschillende steden en gemeenten tijdens het tornooi bijgehouden en dagelijks aangepast. Telkens als we nuttig kunnen zijn en ons een vraag wordt gesteld, zullen we onze gegevens over de beschikbare logeerplaatsen in ons land doorspelen. Er worden 1,2 miljoen voetbalfans in Nederland en België verwacht. We zullen de beschikbare logeergelegenheid dus nodig hebben.

 

De heer Jacques Devolder (VLD). – Ik weet wel dat de minister niet rechtstreeks tussenbeide kan komen. Er zijn wel vele miljoenen van de belastingbetaler aan veiligheid besteed. De hoteluitbaters zijn echter ontevreden omdat de subcommissie, zonder enige inspraak van de hotelsector, de prijzen heeft verdubbeld. Dat schaadt het imago van de gaststeden.

Mijn vraag blijft dus of de minister als coördinator van het hele gebeuren de betrokkenen niet tactvol kan terechtwijzen tijdens het eerstvolgende overleg.

Volgens de Brugse hoteluitbaters maken bepaalde mensen misbruik van hun monopoliepositie.

De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken. – Mijnheer Devolder, ik begrijp volkomen uw reactie. Wij zijn uiteraard blij Euro 2000 te gast te hebben. Wij hopen dat deze manifestatie een groot feest wordt en goed is voor het imago van ons land.

Ik weet ook wat het ons zal kosten. Het is normaal dat wij de veiligheid verzekeren, maar zoals u, hoop ik dat het ook een positieve weerslag zal hebben op heel onze economie. Ik wens met name dat de gehele horeca er baat bij heeft. U weet evenwel zoals ik dat het om contracten van privaatrecht gaat.

 

Mondelinge vraag van mevrouw Anne-Marie Lizin aan de minister van Binnenlandse Zaken over «de oplevering van het Telerad-systeem» (nr. 2-168)

Mevrouw Anne-Marie Lizin (PS). – Ik zou graag weten wie het materiaal van het Telerad-netwerk in ontvangst heeft genomen. Wat weet u vandaag over wat men vroeger al wist over de ontoereikendheid van dit systeem? U hebt via de heer Deleuze gezegd dat het netwerk functioneerde en dat de veiligheid verzekerd was. De heer Vande Lanotte was daar vroeger al ongerust over. Sedertdien wil men ons doen geloven dat de slechte werking van dit systeem veroorzaakt werd door de beruchte milleniumbug van het jaar 2000, terwijl dat duidelijk niet de reden is waarom de meetresultaten manueel moeten worden opgenomen.

In 1997 werd tijdens de voorlopige oplevering in de waarborg bepaald dat het systeem voor 99% beschikbaar moest zijn tot aan de definitieve oplevering. Het systeem is nooit voor 70% beschikbaar geweest. De vereniging Vinçotte en Control Atome hebben toen dus een ongeldig document ondertekend.

Hebben uw voorgangers een audit uitgevoerd? Zal u dit dossier onderzoeken, alsook de reden waarom er geen audit werd uitgevoerd? Zal u het Rekenhof vragen dit contract te onderzoeken?

De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken. – Ik heb gezegd en bevestig nogmaals dat de veiligheid van de bevolking verzekerd was. Er bestaan een aantal veiligheidssystemen, in de eerste plaats in de centrales zelf, en elk incident moet aan de overheid worden gemeld. Als de apparaten ter plaatse niet automatisch informatie doorgeven, kan die manueel worden verzameld.

Ik heb nooit gezegd dat het Telerad-contract het beste contract ooit was, integendeel. Aanvankelijk leek het evenwel aantrekkelijk.

De werken zijn gestart in mei 1992 en hebben zes jaar geduurd. De definitieve oplevering in 1998 gebeurde in twee fasen. De eerste aankopen van materiaal gebeurden in 1993. Dat verklaart waarom de computers niet waren aangepast aan de milleniumbug.

Vanaf 29 juli 1999 heb ik besloten naar de Ministerraad te gaan om er zeker van te zijn dat er geen probleem zou zijn met de overgang naar het jaar 2000 en om van meer nabij te zien wat er gebeurde met het contract van meer dan 600 miljoen, dat bovendien werkingskosten van 80 miljoen per jaar met zich brengt.

Men zegde ons dat, om de nodige aanpassingen te doen, er een bijkomende uitgave van 80 miljoen nodig was. De regering koos voor een beperkte aanpassing van 20 miljoen. De firma Fabricom wou pas aan de werken beginnen nadat de eerste frank was betaald. Dat was begin december. De werken zullen eind maart beëindigd zijn.

Voor de overgang naar het jaar 2000 hebben we onze toevlucht moeten nemen tot de manuele verzameling van de informatie om de ontwikkelingen te volgen. In die omstandigheden was de veiligheid verzekerd.

Ik heb het geenszins opgegeven om dit dossier uit te klaren. Ik zal de regering aanraden een diepgaande audit te laten uitvoeren. Tegen juli hoop ik over een duidelijke en precieze diagnose te beschikken. Ik sluit niet uit beroep aan te tekenen bij het Rekenhof. We moeten klaarheid krijgen.

De nucleaire veiligheid vergt een betere coördinatie van de diensten. Het is hoog tijd dat het Federale Agentschap wordt opgericht, zodat we over een efficiëntere middel beschikken voor het maken van keuzes en voor de samenwerking tussen de diensten.

Mevrouw Anne-Marie Lizin (PS). – Ik dank de minister voor zijn antwoord. We zitten op dezelfde golflengte wat de noodzaak betreft duidelijkheid te brengen in de sector van de nucleaire veiligheid en inzake de federale verantwoordelijkheid terzake. Mijn vragen hebben niet de bedoeling de minister met de vinger te wijzen. Ik weet dat de huidige minister van Binnenlandse Zaken slechts nieuwe controles kan doen. Ik meen dat dit echt moet gebeuren.

De bescherming van de bevolking is een verantwoordelijkheid van de federale overheid, maar ook een bevoegdheid van de burgemeesters. Wij vinden dat geenszins van ondergeschikt belang.

Voor wellicht veel geringer innamen heeft men voor dioxine veel gedetailleerder analyses gemaakt. Dit dossier, dat aangepast materieel vereist, sleept al jaren aan. Op een bepaald ogenblik moeten we degenen die deze opdracht correct hadden moeten uitvoeren, verantwoordelijk stellen.

De minister weet dat nog altijd enkel de regionale apparaten functioneren. Ik denk dat het IRE fier kan zijn op zijn realisaties. Het is hoog tijd om in dit dossier opnieuw zijn oor bij deze instelling te luisteren te leggen om precies te weten te komen hoe het met veel minder kosten en in een veel kortere tijdspanne apparaten heeft kunnen plaatsen die vandaag nog altijd goed werken.

Ik sluit niet uit dat ik het dossier later verder zal uitspitten. Ik wacht echter op de visie van de minister en van de regering wanneer hij de audit zal voorstellen.

De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken. – Ik deel de bezorgdheid van mevrouw Lizin. Zij stelt de juiste vragen. Ik ben niet met een beetje plutonium naar een meetpaal moeten gaan om me die vragen te stellen. Als ik mevrouw Lizin een raad mag geven, dan zeg ik haar dat ze hier geen gewoonte van mag maken, want een kleine hoeveelheid plutonium kan een gevaar betekenen voor degene die er zonder voorzorgsmaatregelen en zonder toestemming mee omgaat.

Mondelinge vraag van de heer Johan Malcorps aan de minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu over «de maatregelen die de regering zal nemen om ademhalingsproblemen bij kinderen aan te pakken» (nr. 2-164)

De voorzitter. – De heer Olivier Deleuze, staatssecretaris voor Energie en Duurzame Ontwikkeling, antwoordt namens mevrouw Magda Aelvoet, minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu.

De heer Johan Malcorps (AGALEV). – Uit een onderzoek van het UZA blijkt dat de helft van de baby's in Antwerpen last heeft van ademhalingsproblemen. Veel kinderen beneden één jaar moeten een aërosolbehandeling ondergaan. De onderzoekers geven als oorzaak expliciet de luchtvervuiling en het overmatig gebruik van antibiotica, waardoor de baby's geen natuurlijke weerstand kunnen opbouwen. In feite gaat het om een flagrante schending van de rechten van het kind. Het recht op zuivere lucht wordt borelingen ontzegd.

Meer onderzoek is dan ook dringend nodig. Het onderzoek moet worden uitgebreid naar de rest van het land, naar andere grote steden zoals Brussel, Gent, Luik, maar ook naar minder stedelijke gebieden. Ook is er dringend nood aan onderzoek naar de band tussen de toename van astma en cara bij kinderen en de afgenomen immuniteit, enerzijds, en milieuproblemen, in het bijzonder luchtvervuiling, anderzijds. Ook moet er dringend duidelijkheid komen over de band tussen overmatig gebruik van antibiotica, vooral bij baby’s en kinderen, en de toename van immuniteitsproblemen.

Dit is ook een pleidooi om snel werk te maken van een betere regeling voor zorgverlof. Het is voor kinderen veel gezonder enkele dagen te kunnen thuisblijven en op een natuurlijke wijze te kunnen recupereren, dan meteen met antibiotica te worden bestookt. Hiervoor moeten vader of moeder ook enkele dagen thuis kunnen blijven om zieke kinderen op te vangen.

We hoeven echter ook niet op nieuwe onderzoeken wachten om preventief op te treden. We weten welke stoffen in de uitlaat van auto's gevaarlijk zijn voor de gezondheid van jonge kinderen. Ik denk bijvoorbeeld aan de kleine stofdeeltjes in dieselroet en de stikstofoxiden en vluchtige organische stoffen die samen ozon vormen. Ik heb hier vroeger reeds op gewezen.

Kan de minister mij meedelen welke maatregelen de regering op korte en op langere termijn zal nemen om dit acute probleem voor de volksgezondheid aan te pakken? Moet IRCEL niet dringend een gecoördineerde aanpak van zowel onderzoek als actieprogramma’s terzake uitwerken?

De heer Olivier Deleuze, staatssecretaris voor Energie en Duurzame Ontwikkeling. – Uit veel studies blijkt dat astma bij kinderen toeneemt ingevolge allergieën, indoorpollutie, luchtverontreiniging en infecties. De opsporing en preventie behoren tot de bevoegdheid van de gemeenschappen. De luchtvervuiling is een gewestelijke aangelegenheid. Er bestaan bevoegde instellingen in de gewesten. De intergewestelijke cel heeft tot taak gegevens over luchtvervuiling te verzamelen en de bevolking te informeren over overschrijdingen. Er bestaan daarover verschillende wetenschappelijke studies. Ik wil een nieuw programma voorleggen dat door alle partijen wordt gefinancierd en betrekking heeft op chronische respiratoire aandoeningen. Ik hoop dat aldus op termijn het astmaprobleem kan worden aangepakt.

Mondelinge vraag van de heer Wim Verreycken aan de minister van Economie en Wetenschappelijk Onderzoek over «het taalgebruik bij de Koninklijke Musea voor kunst en geschiedenis» (nr. 2-158)

De heer Wim Verreycken (VL. BLOK). Op vrijdag 18 februari bezocht een klas van het Onze-Lieve-Vrouw-College van Vilvoorde in de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis de tentoonstelling Indian Summer. Bij de receptie werden ze in het Frans verwelkomd, zelfs een beroep op een “chef” bracht geen soelaas, want ook hij begreep geen woord Nederlands. Hij verzekerde de begeleidende leerkracht dat brieven met taalklachten over het KMKG onmiddellijk in de prullenmand belanden. De dame van de receptie en haar chef zouden de leerlingen en hun leerkrachten voor agressieve racisten hebben uitgescholden en hen voor de keuze hebben geplaatst: Frans praten of raus. Blijkbaar kenden ze wel enkele woorden van de derde landstaal.

Moet de betrokken school de omslachtige weg van een klacht bij de Vaste Commissie voor Taaltoezicht volgen of zal de minister de wettigheid in het museum zelf herstellen? Zal hij zich namens de federale overheid, die de musea beheert, bij de leerlingen en leerkrachten van het Onze-Lieve-Vrouw-College te Vilvoorde verontschuldigen?

Zal hij al de musea die door zijn ministerie beheerd worden, ervan op de hoogte brengen dat zij geacht worden de taal van de meerderheid van het land te beheersen?

Een half uur vóór deze vergadering vernam ik dat dezelfde vraag al op 29 februari in de Kamercommissie is gesteld. Ik heb mijn vraag echter al op 23 februari ingediend. Aangezien we per vergadering maar één enkele vraag mogen stellen, werd deze vraag naar vandaag verschoven, zodat de twee vragen elkaar overlappen. Het spijt mij dat wij de minister twee keer voor hetzelfde onder vuur nemen, maar het geeft hem misschien de gelegenheid ons al iets mee te delen over het intern onderzoek dat hij in de Kamer aankondigde.

De heer Rudy Demotte, minister van Economie en Wetenschappelijk Onderzoek. – Er was inderdaad een taalprobleem tijdens het bezoek van het Onze Lieve Vrouwecollege van Vilvoorde aan het KMKG. Het deed zich niet voor met een verantwoordelijke van het museum, maar met een bewaker. Er is een intern onderzoek aan de gang. Ik wacht op de resultaten ervan. Ik heb al gevraagd maatregelen te nemen. Om het lopende onderzoek niet te verstoren kan ik geen persoonlijke beoordeling meegeven. Ik ben wel van plan contact op te nemen met het betrokken college. Ik zal het museum herinneren aan de elementaire houding die aan een federale instelling is opgelegd.

De heer Wim Verreycken (VL. BLOK). – Ik ben er zeker van dat de school in kwestie het zal appreciëren dat de minister met hen contact opneemt. Dat is minstens een blijk van goede wil. Ik vraag alleen nog om verder op de hoogte te worden gehouden van de afloop van de enquête die de minister heeft gestart en van de maatregelen die hij eventueel zal nemen.

Mondelinge vraag van de heer Vincent Van Quickenborne aan de minister van Economie en Wetenschappelijk Onderzoek over «de verkoop via het internet in België» (nr. 2-167)

De heer Vincent Van Quickenborne (VU-ID). – De zogeheten informatie- en communicatietechnologie is in volle expansie. Dit opent perspectieven op ongelofelijk veel terreinen. Denken we maar aan het één-loket-principe waarbij de burger op een veel eenvoudiger manier door de overheid bediend zal kunnen worden of nog aan de ontwikkelingen inzake het op afstand leren en dergelijke. Het voorbije etmaal kondigde de minister van Telecommunicatie eindelijk een drastische prijsverlaging aan voor het surfen op internet.

Ondanks dit positivisme kan men niet verbergen dat ons land een ernstige achterstand vertoont, met name op het vlak van de zogeheten e-commerce of de handel via het internet.

In het algemeen stelt zich dan ook de vraag welke concrete plannen de regering heeft om het gebruik van internet te stimuleren, inzonderheid met betrekking tot de handel via het Internet. Hoe kan of wil de regering de universele dienstverlening met betrekking tot het gebruik van het Internet garanderen?

In het bijzonder rijst de vraag of de regeling van de verkoop op afstand, zoals vastgelegd in de Wet op de Handelspraktijken, integraal van toepassing is op elke verkoop van een dienst of product van een onderneming aan een consument?

Kan de minister verklaren waarom vele, zo niet alle verkopers ‘on line’ enkel kredietkaarten aanvaarden? Een betaling met een dergelijke kaart wordt immers aanzien als een betaling en volgens de wet op het consumentenkrediet mag geen enkel voorschot worden geëist vóór het einde van de verzakingstermijn. Wat zal de minister terzake ondernemen?

De heer Rudy Demotte, minister van Economie en Wetenschappelijk Onderzoek. – Ik ben me bewust van het belang van de elektronische handel en zijn verdere ontplooiing. Ik heb maatregelen getroffen om deze handel te bevorderen. Op wetgevend vlak gaat het om vier initiatieven. Ten eerste heb ik een beleidsnota bij de ministerraad ingediend. Ten tweede is er een wetsontwerp over de elektronische handtekening in behandeling in de Kamer. Dit ontwerp integreert het begrip van universele dienstverlening. Ik nam eveneens een initiatief om de vervolging van informatiecriminaliteit mogelijk te maken evenals het sanctioneren van het onrechtmatig gebruik van sites. Daarnaast zal ik binnenkort met collega Daems een sensibiliseringscampagne lanceren.

De wet op de handelspraktijken bevat een nieuwe afdeling over de overeenkomsten op afstand. Het betreft een omzetting van een Europese richtlijn. De verkopers op Internet vereisen een onmiddellijke betaling via het nummer van de kredietkaart. Dit is onwettig. Ik bereid nu regels voor in samenwerking met de sector om dit te regelen. In afwachting komt de Economische Inspectie niet tussen.

De heer Vincent Van Quickenborne (VU-ID). – Ik neem nota van de initiatieven. Ik had graag inzage in de beleidsnota. Acht de regering het nuttig dat iedereen toegang krijgt tot het Internet? Veel mensen beschikken niet over de nodige middelen.

Ik begrijp dat de minister nu een gedoogpolitiek hanteert tegenover bedrijven die on line-producten aanbieden en onmiddellijke betaling via de kredietkaart eisen. Ik denk aan een aantal supermarkten. Is de minister zich bewust van de risico’s die daarmee zijn verbonden? Consumenten kunnen gemakkelijk het slachtoffer worden van malafide praktijken. Ik hoop dat de minister aandacht heeft voor de rechten van de consument.

De heer Rudy Demotte, minister van Economie en Wetenschappelijk Onderzoek. – Het derde punt is een moeilijk probleem, want het gaat over concurrentie. Ik zal de Economische Inspectie vragen dit verder te bestuderen.

Ik zal de beleidsnota aan de leden van de bevoegde commissie en aan de vraagsteller toezenden.

Mondelinge vraag van de heer Olivier de Clippele aan de minister van Sociale Zaken en Pensioenen over «de discriminatie tussen sociaal verzekerden als gevolg van de aanpassing van de SIS-kaarten» (nr. 2-170)

De voorzitter. – De heer Rik Daems, minister van Telecommunicatie en Overheidsbedrijven en Participaties, antwoordt namens de heer Frank Vandenbroucke, minister van Sociale Zaken en Pensioenen.

De heer Olivier de Clippele (PRL-FDF-MCC). – De vorige regering heeft in 1998 een sociale-zekerheidskaart ingevoerd, de zogenaamde SIS-kaart. De toepassing van deze maatregel is thans in een stroomversnelling terechtgekomen, aangezien iedere sociaal verzekerde sinds 1 januari van dit jaar over een SIS-kaart moet beschikken om sociale bijstand te kunnen genieten.

Ik heb vernomen dat deze maatregel niet gelijk wordt toegepast op alle sociaal verzekerden. Uit de inlichtingen die mij door de verzekeringsorganismen werden verstrekt, blijkt dat een onderscheid wordt gemaakt tussen de sociaal verzekerden. Er is sprake van stabiele en onstabiele categorieën. Dit onderscheid wordt niet gemaakt in het ministerieel besluit van 20 december 1999, noch in het koninklijk besluit van 22 februari 1998.

De zelfstandigen worden ambtshalve ondergebracht in de tweede categorie van de onstabiele verzekerden. Alle zelfstandigen dienen hun kaart dus vaker op te laden dan de andere sociaal verzekerden.

Waarom werd een dergelijke discriminatie ingevoerd en zal aan dit probleem worden verholpen?

De heer Rik Daems, minister van Telecommunicatie en Overheidsbedrijven en Participaties – Het onderscheid tussen “stabiele” en “onstabiele” verzekerden bestaat niet. Het ministerieel besluit maakt alleen een onderscheid tussen sociaal verzekerden waarvan de SIS-kaart op 31.12.1999 vervalt en deze waarvan SIS-kaart tot na die datum geldig blijft.

Het gaat hier alleen over de zelfstandigen die verzekerd zijn voor kleine risico’s. Voor andere categorieën sociaal verzekerden moet de SIS-kaart niet moet worden geladen, maar wel bijgewerkt. Het is echter wel juist dat vooral de zelfstandigen met dit probleem te maken hebben.

De heer Olivier de Clippele (PRL-FDF-MCC). – Ik dank de minister voor zijn antwoord. Ik ben vooral blij met zijn commentaar bij het antwoord van minister Vandenbroucke. Ik zal dit dossier blijven volgen zodat deze discriminatie van de zelfstandigen kan worden weggewerkt.

Mondelinge vraag van de heer Jean-François Istasse aan de minister van Justitie over «de oprichting door de kerkelijke overheid van een interdiocesane commissie voor de behandeling van klachten wegens seksueel misbruik in de pastorale relaties» (nr. 2-171)

De voorzitter. – De heer Rik Daems, minister van Telecommunicatie en Overheidsbedrijven en Participaties, antwoordt namens de heer Marc Verwilghen, minister van Justitie.

De heer Jean-François Istasse (PS) .- De kerkelijke overheid van ons land heeft de oprichting binnen het aartsbisdom van een interdiocesane commissie voor de behandeling van klachten wegens seksueel misbruik in de pastorale relaties aangekondigd. Deze commissie zal de klachten van de slachtoffers behandelen, onderzoeken instellen, hoorzittingen houden en de schuldigen straffen die rechtstreeks onder hun bevoegdheid vallen.

De kerkelijke overheid vindt dat ze haar maatschappelijke verantwoordelijkheid op zich neemt door een soort gerechtelijke procedure in te stellen waardoor ze het onderzoek van klachten over feiten die onder de toepassing van het Strafwetboek vallen, naar zich toehaalt in plaats van ze door de gerechtelijke instanties te laten behandelen.

De kerkelijke overheid wil de indruk wekken dat haar initiatief overeenstemt met de wet door in de procedure te bepalen dat aan indieners van een klacht tweemaal moet worden gezegd dat ze zich tot het gerecht kunnen wenden. Toch is het initiatief een inbreuk op het principe van de scheiding tussen Kerk en Staat.

Volgens mij is het niet de taak van de Kerk om te oordelen over de strafmaat voor daders van dergelijke feiten noch over de begeleidings- of preventiemaatregelen die ten opzichte van hen moeten worden genomen De Kerk moet zich evenmin uitspreken over wat al dan niet ondernomen moet worden om tegemoet te komen aan de rechtsbehoeften van de slachtoffers.

Ik vraag de minister van Justitie dan ook om zijn standpunt terzake en vraag hem welke maatregelen hij zal nemen om niet alleen het principe van de scheiding tussen Kerk en Staat maar ook de beginselen van de rechtstaat te vrijwaren.

De heer Rik Daems, minister van Telecommunicatie en Overheidsbedrijven en Participaties. – Ik geef u het antwoord van mijn collega, de heer Verwilghen. De kerkelijke commissie buigt zich niet alleen over klachten van slachtoffers. Sommige kerkelijke autoriteiten kunnen de commissie ook op de hoogte brengen van feiten van seksueel misbruik. Men kan zich evenwel afvragen of dit geen manier is om de slachtoffers te ontmoedigen om naar de rechter te stappen.

Het is duidelijk dat een eventuele strafrechtelijke procedure het intern onderzoek schorst. Moet bij de vaststelling van ernstige feiten echter alleen de interne hiërarchie worden ingelicht of moet over die feiten ook een klacht worden ingediend bij het parket?

De scheiding tussen Kerk en Staat moet uiteraard behouden blijven. Over elk ernstig feit dat in het Strafwetboek voorkomt, moet vanzelfsprekend bij het gerecht klacht worden ingediend.

Stemmingen

(De naamlijsten worden in de bijlage opgenomen.)

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst tussen de Belgisch‑Luxemburgse Economische Unie en de Republiek Tunesië inzake de wederzijdse bevordering en bescherming van investeringen, gedaan te Tunis op 8 januari 1997 (Stuk 2‑252)

De heer Philippe Mahoux (PS). – Wij staan hier nogmaals voor een wetsontwerp betreffende de bescherming van investeringen zonder de minste sociale of milieuclausule. Het verslag over de mensenrechten in Tunesië dat de minister van Buitenlandse Zaken heeft uitgebracht, zet mij er meer dan ooit toe aan een lans te breken voor het invoegen van dergelijke clausules.

De heer Patrik Vankrunkelsven (VU-ID). – De Volksunie fractie zal zich om dezelfde reden als de PS bij de stemming onthouden. Inzake mensenrechten en persvrijheid is de toestand in Tunesië allesbehalve humaan. We weten wel dat economische samenwerking precies een middel kan zijn om daaraan te verhelpen maar om een signaal te geven wensen we ons toch bij de stemming te onthouden.

Stemming nr. 1

Aanwezig: 55

Voor: 47

Tegen: 0

Onthoudingen: 8

Het wetsontwerp is aangenomen.

Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.

Wetsontwerp houdende instemming met het Statuut van Rome van het Internationaal Strafgerechtshof, gedaan te Rome op 17 juli 1998 (Stuk 2‑329)

De heer Philippe Mahoux (PS). – De verdedigers van de mensenrechten wachten sinds 1948 op dit moment. Het gaat vandaag dus om een historische stemming. Voortaan zijn de politieke verantwoordelijken die de mensenrechten niet eerbiedigen niet langer veilig voor vervolgingen. De ratificering is een stap naar een internationale juridische orde. Onze fractie zal dit ontwerp dus goedkeuren.

Mevrouw Clotilde Nyssens (PSC). –Om dezelfde redenen zullen wij het ontwerp goedkeuren. Wij willen evenwel de aandacht vestigen op artikel 31.1.c waarmee juristen en onze fractie het niet eens zijn. Het voert immers opnieuw de rechtvaardiging in van oorlogsmisdaden als die betrekking hebben op onontbeerlijke goederen. De Verenigde Staten en Israël hebben weinig elegante procédés aangewend om die clausule op te nemen. Wij wensen dat België een publieke verklaring aflegt vóór de opheffing van die clausule, nog vóór amendementen worden ingediend. Dit artikel schendt trouwens nog andere bepalingen van het humanitair recht. Wij vestigen de aandacht van de Kamer op dit punt, zodat een interpretatieve verklaring kan worden voorgesteld.

 

De heer Alain Destexhe (PRL-FDF-MCC). – Onze fractie is verheugd over deze belangrijke vooruitgang. We betreuren dat de Verenigde Staten geen partij zijn bij deze conventie. We hadden gewenst dat de procureur meer onafhankelijkheid genoot naar het voorbeeld van de huidige procureurs van de internationale straftribunalen. Toch maakt het principe van de universele jurisdictie het mogelijk degenen die zich schuldig maken aan misdaden tegen de menselijkheid te veroordelen in alle landen van de wereld.

De heer Jacky Morael (ECOLO). – We zullen deze tekst goedkeuren hoewel de clausule van artikel 31 ons zorgen baart. Ook de niet-ratificatie door de Verenigde Staten verontrust ons omdat de burgers van een land dat de Conventie niet heeft geratificeerd, slechts door het Internationaal Strafgerechtshof kunnen worden vervolgd met de toestemming van de Veiligheidsraad. De vrees bestaat dat de Verenigde Staten, als permanent lid van de Veiligheidsraad, op die manier een dossier blokkeren. Voor het overige is dit ontwerp een enorme stap vooruit.

Stemming nr. 2

Aanwezig: 54

Voor: 54

Tegen: 0

Onthoudingen: 0

Het wetsontwerp is aangenomen. (Applaus)

Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.

Regeling van de werkzaamheden

De voorzitter. – Gaat de Senaat akkoord om vertrouwen te geven aan zijn voorzitter om datum en agenda van de volgende plenaire vergaderingen te bepalen? (Instemming)

Vraag om uitleg van mevrouw Sabine de Bethune aan de vice-eerste minister en minister van Werkgelegenheid over «de naleving van de wet van 20 juli 1990 ter bevordering van de evenwichtige vertegenwoordiging van mannen en vrouwen in organen met adviserende bevoegdheid» (nr. 2‑56)

Mevrouw Sabine de Bethune (CVP). – Sedert 1 januari 2000 is de wet ter bevordering van de evenwichtige aanwezigheid van mannen en vrouwen in organen met adviserende bevoegdheid volledig van kracht. Dit betekent dat deze adviesorganen voor niet meer dan tweederden uit leden van hetzelfde geslacht mogen bestaan.

Op dit algemeen principe bestaan twee uitzonderingen. Ten eerste voorziet artikel 2bis, paragraaf 2 van de wet in de mogelijkheid om af te wijken van de tweederderegel wanneer een bepaald adviesorgaan, individueel getoetst, onmogelijk aan de opgelegde samenstelling kan voldoen. De afwijking wordt pas toegestaan nadat de ministerraad zijn akkoord heeft verleend.

Ten tweede kan de Koning krachtens artikel 3 van de wet een adviesorgaan van het toepassingsgebied van de wet uitsluiten bij een in Ministerraad overlegd besluit omwille van functionele redenen of om redenen die verband houden met zijn bijzondere aard.

Uit onderzoek uitgevoerd in februari 1999 door de Dienst gelijke kansen blijkt dat slechts tien procent de in de wet opgelegde samenstelling toepast. Nu blijkt dat de ministerraad vóór nieuwjaar maatregelen heeft genomen om de situatie zogenaamd te regulariseren. De uitzonderingsmaatregel voorzien in paragraaf 2 van artikel 2bis werd in ruime mate toegepast. Minstens 82 organen krijgen in één besluit toestemming om gedurende één jaar van de tweederderegel af te wijken. Dat zou volgens mijn berekeningen overeenstemmen met minstens één derde van de federale adviesorganen.

Ik twijfel eraan of de opgelegde procedure naar de geest van de wet werd nageleefd. Ik heb de indruk dat artikel twee werd misbruikt.

Kan de minister de exacte lijst van de adviesorganen waarvoor een uitzondering werd toegestaan voorleggen? Welke redenen hebben de respectieve voogdijministers aangevoerd bij hun aanvraag om een uitzondering toe te staan? Op welke datum zijn deze afzonderlijke aanvragen tot afwijking bij de minister toegekomen?

Wanneer heeft de minister de ministerraad ingelicht over de onmogelijkheid van de adviesraden om aan de voorwaarden te voldoen? Waarop heeft de regering zich gebaseerd om de afwijkingen toe te staan? Kunnen wij inzage krijgen in de dossiers over de adviesorganen? Kan de Raad van State eventueel vaststellen dat de adviesraden onwettig zijn samengesteld en dat de adviezen daarom niet geldig zijn?

Wat de toepassing van artikel 3 van de wet betreft, zou de regering op 16 december een ontwerp-KB hebben goedgekeurd waarbij tal van organen onttrokken zouden worden aan de wet. De wet voorzag nochtans in een strikte interpretatie van de uitzonderingen. De organen zouden slechts nominatim bij een gemotiveerd in ministerraad overlegd KB kunnen worden vrijgesteld. Mij lijkt de uitsluiting op basis van artikel 3 niet altijd correct toegepast te zijn. Ik kan akkoord gaan met uitzonderingen voor directieraden van openbare diensten, maar heb bedenkingen bij de uitzondering voor wetenschappelijke instellingen en voor de vakbondsdelegaties. Al deze uitzonderingen moeten worden beschouwd als een uitholling van de wet.

(Voorzitter: de heer Jean-Marie Happart, ondervoorzitter.)

Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Werkgelegenheid. – Om de aanwezigheid van vrouwen in de adviesorganen van de federale overheid te bevorderen is de wetgever in twee fasen te werk gegaan. In 1990 werd bepaald dat elk mandaat in een adviesorgaan aanleiding moest geven tot de kandidatuur van minstens één man en één vrouw. Anderzijds bepaalt de wet van 17 juli 1997 tot wijziging van de wet van 20 juli 1990 dat een adviesorgaan maximaal voor twee derden mag bestaan uit leden van hetzelfde geslacht. De organen die deze verplichting niet in acht nemen konden geen geldige adviezen meer uitbrengen na 31 december 1999, behalve indien voor hen een afwijking werd toegestaan of indien ze buiten het toepassingsgebied van de wet vallen. Ik vind ook dat de adviezen van organen die na 31 december 1999 niet voldoen aan de vereisten van de wet van 1990 kunnen aangevochten worden voor de Raad van State.

Op 29 oktober 1999 heb ik aan de Ministerraad een nota voorgelegd over de verplichtingen inzake evenwichtige vertegenwoordiging en de gevolgen van de niet-naleving van de wet. De dienst gelijkheid van kansen raamde het aantal niet-conforme organen op 90%. Een interministeriële werkgroep moet de stand van zaken opmaken en voorleggen aan de Ministerraad van 26 november 1999. De Ministerraad heeft op mijn voorstel een aantal afwijkingen toegestaan die slechts één jaar geldig maar vernieuwbaar zijn.

De wet bepaalt de te volgen procedure wanneer een orgaan in de onmogelijkheid verkeert te voldoen aan de vertegenwoordigingsregel. De minister voor het gelijke-kansenbeleid oordeelt of die onmogelijkheid al dan niet gegrond is vooraleer een afwijking wordt aangevraagd aan de Ministerraad, die binnen de twee maanden een beslissing neemt.

Op 23 december 1999 heeft de Ministerraad afwijkingen toegestaan voor de organen die een als gegrond geachte, want voldoende gemotiveerde aanvraag hadden ingediend.

Mijn nota stelde voor als gegrond te verklaren de aanvragen van organen die het evenwicht niet konden waarmaken als gevolg van vaststaande feiten. Hetzelfde geldt voor dossiers betreffende de onmogelijkheid om dit evenwicht binnen de gestelde termijnen te bereiken om praktische of administratieve redenen en voor dossiers waarin beide redenen worden aangegeven.

Op 23 december hebben 80 instellingen een afwijking gekregen. Binnenkort zal de Ministerraad zich buigen over aanvragen die niet werden ingediend omdat ze niet voldoende gemotiveerd waren. Artikel 2bis, §2, laat afwijkingen om feitelijke redenen toe. Artikel 3 bepaalt dat instellingen niet in aanmerking kunnen worden genomen om functionele redenen of vanwege hun specifiek karakter. Een dergelijke beslissing moet in een koninklijk besluit worden vastgelegd.

De minister van Ambtenarenzaken en ik zelf hebben beslist om artikel 3 van de wet van 1997 toe te passen voor alle organen die op basis van het personeelsstatuut worden samengesteld en die worden ingesteld in alle ministeries, openbare instellingen, wetenschappelijke instellingen en inr sommige instellingen verbonden aan het ministerie van Ambtenarenzaken. Het ontwerp van koninklijk besluit werd op 12 januari voorgelegd aan het Comité B en zal vervolgens voor koninklijke bekrachtiging worden overgezonden.

Mevrouw de Bethune velt een scherp oordeel over de beslissing van de Ministerraad om de wet toe te passen. De instellingen die door de uitsluitingsbeslissing worden beoogd, beschikten over een voldoende termijn om de wet na te leven. De termijnen die verbonden waren aan de uitvoering van de wet van 20 juli 1990, hebben ons de mogelijkheid gegeven een stand van zaken op te stellen. In hele maatschappelijke geledingen zijn vrouwen nog altijd ondervertegenwoordigd. Dit gaat in tegen het gelijkheidsbeginsel.

Dwingende maatregelen zijn dus zeker gerechtvaardigd om de pariteit sneller te bereiken. Op 17 november 1999 heb ik het Adviescomité voor gelijke kansen voor mannen en vrouwen een advies gevraagd over de toepassing van de wet van 20 juli 1990. Ik wacht nu op dat advies en ik zal de Raad samenbrengen met de werkgroep die werd belast met de herziening van de wet. De Ministerraad heeft me op 16 december 1999 gemachtigd om binnen het jaar een hervormingsvoorstel te doen. Mijn collega van Ambtenarenzaken en de vakbonden zullen van nabij worden betrokken bij deze hervorming en ik reken op de medewerking van de bevoegde adviescomités van Kamer en Senaat.

Uiteraard geven de inmiddels door de Ministerraad genomen besluiten geen flatterend beeld van onze samenleving. Toch waren ze nodig omwille van de continuïteit van de openbare dienst. Vanaf morgen zal ik de kwestie opnieuw op de Ministerraad brengen.

Mevrouw Sabine de Bethune (CVP). – Ik verheug me over de wil van de minister om de pariteit te realiseren. Ik kijk uit naar de beslissingen van de ministerraad van morgen. Ik hoop dat de driemaandelijkse rapportage borg kan staan voor de opvolging van dit dossier. Ik blijf erg ongerust wegens het groot aantal adviesorganen dat een uitzondering kreeg. Het gaat om de helft van de federale adviesorganen. Ik blijf de wettelijkheid van deze maatregel betwisten. Had men niet wetgevend moeten werken in plaats van een KB uit te vaardigen? Ik meen dat de ministerraad zijn bevoegdheden te buiten is gegaan. Ik vrees dat annulatieberoepen bij de Raad van State succes zullen hebben. Er bestaat een rechtsonzekerheid.

De minister wil de wet van 1990 amenderen. Ik hoop dat de wet zal worden versterkt. Nu gaat een enorm potentieel aan talent verloren door het gebrek aan inbreng van de vrouwelijke bevolkingshelft. De vorige regering is karig geweest met het geven van uitzonderingen op deze wet. Zo heeft minister Smet destijds geen uitzondering willen geven aan de Gelijke Kansenraad ten nadele van de mannelijke vertegenwoordiging.

Ik kijk uit naar de positieve maatregelen van de minister om de organen die een uitzondering kregen tot een resultaatsverbintenis te brengen, om ten minste de éénderderegel te respecteren. Waar blijft het actieplan? Een wettelijke ingreep zal niet volstaan om te vermijden dat men na een jaar een verlenging van de uitzondering moet vragen.

Ik roep ten slotte de minister op de wet te verstrengen door een toepassing ervan op de federale beheersorganen. Ik verwijs naar een beslissing van de vorige Vlaamse regering toen minister Grouwels die verplichting oplegde.

Het incident is gesloten.

Vraag om uitleg van de heer Didier Ramoudt aan de vice-eerste minister en minister van Mobiliteit en Vervoer over «de maatregelen tegen de geluidshinder voor de luchthaven van Zaventem en hun toepasbaarheid op de regionale luchthavens» (nr. 2‑75)

(Voorzitter: mevrouw Sabine de Bethune, eerste ondervoorzitter.)

De heer Didier Ramoudt (VLD). – Er rezen veel vragen over de implementatie van het regeerakkoord inzake de luchthaven van Zaventem.

De structuur van BIAC houdt in dat de federale overheid mee belanghebbende is in de exploitatie. Er werden maatregelen genomen om de leefkwaliteit in de buurt van de luchthaven op een aanvaardbaar peil te houden. Wij ondersteunen dat, omdat de commerciële belangen van de luchthaven werden bedreigd, maar vooral om het leefcomfort van de omwonenden op een normaal peil te brengen. Er zijn daarvoor heel wat ingrepen nodig. Er is de geluidsoverlast. De regering zou isolatiepremies voorstellen of de vrijwillige onteigening of terugkoop mogelijk maken. Daarvoor zou een fonds worden opgericht gespijsd door boetes van ongehoorzame luchtvaartmaatschappijen en een gerichte verhoging van gebruiksheffingen. Een tweede probleem betreft de ontsluiting van de luchthaven via het openbaar vervoer. Dat vraagt grote infrastructuurwerken. Er zijn daarbij een belangen- en een bevoegdheidsconflict op komst. De federale overheid zou als mede-exploitant het gelijkheidsbeginsel schenden omdat enkel aan Vlaamse omwonenden van Zaventem voordelen worden gegeven. Daardoor wordt de exploitatie van gewestelijk luchthavens geschaad. Anderzijds is er een bevoegdheidsconflict omdat onteigeningen en infrastructuur gewestelijke bevoegdheden zijn zodat de gewesten financieel mee opdraaien.

Ik ben ervan overtuigd dat de minister het niet zo ver zal laten komen.

De implementatie van de regeringsbeslissing over de luchthaven van Zaventem zal niet zo eenvoudig zijn als algemeen wordt gedacht.

Hoe zal de minister deze regeringsbeslissing implementeren en ervoor zorgen dat er geen bevoegdheids- of belangenconflicten ontstaan? Heeft de minister contact opgenomen met de bevoegde gewestministers? Wordt er een interkabinettenwerkgroep opgericht? Werden de gewestministers tijdig bij de zaak betrokken? Zullen alle Belgen die rond luchthavens wonen op dezelfde manier worden behandeld? Zullen alle luchthavens dezelfde behandeling krijgen ingeval er een isolatiefonds wordt opgericht?

Mevrouw Isabelle Durant, vice-eerste minister en minister van Mobiliteit en Vervoer. – De maatregelen van de federale regering om de geluidshinder te beperken, hebben alleen betrekking op de luchthaven van Brussel-Nationaal. Nochtans kan dit akkoord en de geplande samenwerking met de bevoegde gewestministers via de ICMIT (Interministeriële Conferentie Mobiliteit, Infrastructuur en Telecommunicatie), leiden tot een grotere bewustwording en de vermindering van de geluidshinder door vliegtuigen in het hele land.

De ICMIT, uitgebreid met de minister voor Milieu, vergaderde vorige vrijdag op mijn kabinet. Op die vergadering werd een lijst opgesteld van de bepalingen van het akkoord die een rechtstreekse samenwerking met de gewesten vereisen. Er werd ook een gezamenlijke werkmethode vastgesteld. Ten slotte hebben de verschillende gewestministers hun standpunt kenbaar gemaakt. Het overleg is dus begonnen. Het is de bedoeling op termijn de maatregelen voor de verschillende luchthavens te harmoniseren, met respect voor de eigen bevoegdheden.

 

De heer Didier Ramoudt (VLD). – Uit het antwoord van de minister kan ik afleiden dat de kansen op het creëren van een bevoegdheidsconflict aanzienlijk zullen verminderen. Toch is de minister niet ingegaan op mijn waarschuwing dat er hoe dan ook een belangenconflict blijft bestaan. De federale regering stelt voor om aan de omwonenden van de luchthaven van Zaventem, die op Vlaams grondgebied wonen, een aantal financiële faciliteiten te verlenen in de vorm van isolatiepremies, terugkoopmogelijkheden, enzovoort. Ik ben het hiermee volkomen eens, maar de federale regering is betrokken partij in de exploitatie van de luchthaven van Zaventem en zij riskeert twee soorten Belgen te creëren door aan de omwonenden van de andere luchthavens niet dezelfde faciliteiten te geven.

Mevrouw Isabelle Durant, vice-eerste minister en minister van Mobiliteit en Vervoer. – Het overleg is nog maar pas begonnen. De verschillende bevoegdheidsniveaus moeten worden gerespecteerd.

Over het isolatiefonds werd enkel een principiële beslissing genomen. Wij willen nu samen met de Gewesten juridische en institutionele oplossingen uitwerken om die beslissing uit te voeren.

De heer Didier Ramoudt (VLD). – Ik ben er zeker van dat de minister de nodige inspanningen zal doen om belangenconflicten te voorkomen. We zullen dit dossier van zeer nabij volgen opdat er geen nutteloze opofferingen gebeuren.

Het incident is gesloten.

Vraag om uitleg van mevrouw Marie‑José Laloy aan de vice-eerste minister en minister van Mobiliteit en Vervoer over «de prioriteiten van de regering in verband met het gewestelijk expressnet (GEN)» (nr. 2‑76)

Mevrouw Marie-José Laloy (PS). – In het kader van haar tienjarig investeringsplan stelt de NMBS een duurzaam exploitatieschema voor om tegemoet te komen aan de mobiliteits- en milieuproblemen. In 1998 had de Waalse regering, alvorens deel te nemen aan de financiering van het GEN, waarborgen gevraagd voor de versterking van de verbindingen Wallonië-Brussel. In 1999 bevestigden de ministers van Vervoer de prioriteit van het GEN en waren ze er voorstander van om op enkele lijnen van Waals-Brabant het treinverkeer over vier sporen te laten verlopen.

De NMBS blijft het GEN in een totaalproject plaatsen dat gericht is op de HST en de luchthaven van Zaventem, aangezien de vier sporen voor de lijnen van Waals-Brabant uitgesteld zijn tot 2009.

Wat zijn de werkelijke prioriteiten van de regering? Hoe staat het met de contacten met de betrokken gewesten om het GEN-project te laten vorderen?

Mevrouw Isabelle Durant, vice-eerste minister en minister van Mobiliteit en Vervoer. – Dit zuiver indicatieve project wordt op 180 miljard geëvalueerd en overstijgt het GEN.

De regeringsplannen voor het GEN passen in het kader van de herziening 2001-2010 van het tienjarenplan voor investeringen en de concrete beslissingen inzake het GEN. Met de discussies over het tienjarenplan zal in de loop van het tweede trimester worden begonnen. De gewesten zullen geraadpleegd worden. Over de aanleg van het GEN bestaat een consensus die werd opgenomen in een samenwerkingsakkoord.

Om de mobiliteit naar Brussel echt te verbeteren moet dit een totaalproject zijn dat ook begeleidingsmaatregelen bevat.

De werkgroep op hoog niveau over het GEN bereidt een samenwerkingsakkoord voor. De eerste fase betreft de tariefintegratie tussen de MIVB, De Lijn, de TEC en de NMBS. Die groep buigt zich tegelijk over het vervoersaanbod, de begeleidingsmaatregelen, de financiering en de organisatie.

Het probleem van de vier sporen zal uiteraard meer tijd vragen. Er wordt voorgesteld dat de vier partners hun voorstellen voor advies voorleggen aan de werkgroep op hoog niveau.

Het incident is gesloten.

Vraag om uitleg van mevrouw Nathalie de T' Serclaes aan de vice-eerste minister en minister van Mobiliteit en Vervoer over «de kosteloze begeleiding van uitzonderlijk vervoer door de provinciale verkeerseenheden van de rijkswacht» (nr. 2‑77)

Vraag om uitleg van de heer Ludwig Caluwé aan de vice-eerste minister en minister van Mobiliteit en Vervoer over «de rijkswachtbegeleiding bij uitzonderlijk vervoer» (nr. 2‑85)

De voorzitter. – Ik stel voor deze vragen om uitleg samen te voegen. (Instemming)

Mevrouw Nathalie de T’ Serclaes (PRL-FDF-MCC). – In tegenstelling tot in onze buurlanden, waar de transporteur de begeleiding bij uitzonderlijk vervoer moet betalen, neemt in ons land de rijkswacht alle kosten op zich. In Henegouwen bijvoorbeeld gaat het om 150 tot 200 opdrachten per jaar, waarbij twee of drie rijkswachters gedurende acht tot tien meestal nachtelijke en dus dure uren worden ingezet. Deze kosteloosheid trekt internationale transporteurs aan die uitzonderlijke konvooien door België willen vervoeren hoewel dit gemakkelijk kan worden vermeden.

Alleen een bepaling in het verkeersreglement en een koninklijk besluit van 1968 betreffende de technische voorwaarden regelen deze administratieve situatie. De transporteur is enkel verplicht een vergunning aan te vragen bij het ministerie van Verkeerswezen voor slechts 200 frank. De rijkswacht moet binnen twee dagen voor de escorte zorgen.

In Frankrijk, Nederland en Duitsland kost een dergelijk transport de transporteur ongeveer 20.000 frank per dag.

Kan de vice-eerste minister bevestigen dat dit juist is? Moet de kostenverdeling niet worden herzien? Moet dit onderwerp niet worden aangekaart op de Europese Raden?

De heer Ludwig Caluwé (CVP). –Het uitgangspunt van mijn vraag verschilt met die van mevrouw de T' Serclaes over hetzelfde onderwerp. Mijn vraag gaat over klachten in verband met de dienstverlening van de rijkswacht bij de begeleiding van uitzonderlijk vervoer. Bij de vraag van mevrouw de T' Serclaes merk ik op dat het Vlaamse Gewest reeds een heffing toepast op uitzonderlijk vervoer, als vergoeding voor de beschadiging van het wegdek. Van beschadiging van het wegdek is nochtans niet altijd sprake. Uitzonderlijk vervoer is immers niet steeds zwaar vervoer en zelfs zwaar vervoer beschadigt niet noodzakelijk het wegdek, bijvoorbeeld indien de last gelijkmatig wordt verspreid. Behalve deze vergoeding geheven door het Vlaamse Gewest, bestaat er ook een kleine federale vergoeding.

De dienstverlening door de rijkswacht komt niet steeds tegemoet aan de verwachtingen van de transportfirma's. Zij vragen of de verschillende provinciale verkeerseenheden dezelfde procedures en regels inzake begeleiding hanteren. Verder vraagt de transportsector waarom rijkswachtbegeleiding nooit mogelijk blijkt te zijn op vrijdagavond hoewel het verbod voor uitzonderlijk vervoer pas ingaat op zaterdagavond. Kan de rijkswacht zijn taak staken en de volgende dag verder zetten indien het transport zijn bestemming nog niet heeft bereikt?

Er zijn ook klachten over het Ministerie van vervoer dat de vergunning voor uitzonderlijk vervoer moet afleveren. De vergunning wordt pas verleend als de originele bestelbon van de klant er is. Hierdoor kan de geplande reisdag in het gedrang komen, te meer daar de reisdag twee dagen op voorhand moet worden meegedeeld. Bovendien wordt de transportsector soms geconfronteerd met plotse wijzigingen in de reglementering. Met betrekking tot de signalisatie werden bijvoorbeeld drie wijzigingen in twee jaar tijd doorgevoerd. De sector werd hier niet bij betrokken.

Er is weinig overleg met de betrokken sectoren. Bovendien wordt een extra heffing overwogen. Een betere begeleiding en informatie van de firma's voor uitzonderlijk vervoer is ook aangewezen. Zo heeft een Franse firma, die niet bekend was met het Belgische wegennet, een jaar geleden in Walem een brug aan flarden gereden, waardoor die weg niet meer bruikbaar was voor uitzonderlijk vervoer.

De sector is goed voor een omzet van 10 miljard frank. Het zou jammer zijn mocht die sector naar het buitenland uitwijken. Een betere dienstverlening zou daarom erg welkom zijn.

Mevrouw Isabelle Durant, vice-eerste minister en minister van Mobiliteit en Vervoer. – Het aantal escortes en het aantal overeenstemmende werkuren is zeer sterk gestegen tussen 1997 en 1999. Ik beschik over geen enkel objectief element om dit te verklaren. Dankzij die escortes is het aantal overvallen gedaald, maar werden veel meer vergoedingen aan de rijkswachters uitbetaald omdat het vooral om nachtwerk gaat.

In Frankrijk en in Duitsland worden de escortes betaald door de geldtranporteurs. In Nederland zijn ze gratis, want ze worden beschouwd als een opdracht van bescherming van de bevolking. Wat de weerslag van de kosteloosheid op de doortocht door België van uitzonderlijke transporten betreft, blijkt dat nogal wat transporten België als vertrek-of aankomstpunt hebben.

In ons land is er een wettelijke grondslag voor het vorderen van een retributie. Het betreft de rijkswachtwet van 2 december 1957, de wet van 5 augustus 1992 op de politiediensten en het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende een algemeen reglement op de verkeerspolitie, evenals de richtlijn, genomen ter uitvoering van dit besluit, betreffende het vervoer van ondeelbare voorwerpen.

De escortes moeten de weggebruikers beschermen die zich in de buurt van de geldtransporten bevinden. Onrechtstreeks zorgen ze ook voor het goede verloop van de transporten. Als we nadenken over de betaling van deze escortes zal dit leiden tot een ruimere analyse waarbij rekening wordt gehouden met alle domeinen waar aan de organisatoren een retributie kan worden gevraagd. Denken wij maar aan wielerwedstrijden, nucleaire transporten of ander wegvervoer. Al deze escortes betekenen een aanzienlijke werklast.

Op het eerste gezicht bepalen de wetteksten waarover ik het had, dat de begeleiding van uitzonderlijk vervoer door de wet wordt geregeld en dus niet betaald hoeft te worden. Gelet op de hoge bedragen, de stijgende regelmaat van het geldtransport en de gewaarborgde bescherming van de geldtransporteurs, wordt de kwestie actueel. Ik heb dit besproken met mijn collega van Binnenlandse Zaken, die overweegt de kosten te verdelen tussen de overheid en de privé-sector. Wij moeten inderdaad zorgen voor een rechtvaardiger situatie. Daar wordt aan gewerkt.

Het algemeen commando van de rijkswacht werkt op basis van vier principes: de veiligheid van de andere weggebruikers, een strikte beperking van het uitzonderlijk vervoer, een vlotte verkeersafhandeling en een personeelsbestand dat enkel voor de escortes ter beschikking staat. Er zijn drie soorten interventies: een algemeen toezicht, de bijstand op een moeilijke doorgang en de algehele escorte langs de volledige route.

Het is waar dat vanaf zaterdagochtend 6 uur tot maandagochtend 6 uur op de gewone wegen en 9 uur op de autowegen geen uitzonderlijk vervoer is toegestaan. Bovendien is de vrijdagavond het vervoer pas vanaf 21 uur toegestaan. De rijkswacht moet ook rekening houden met de beschikbaarheid van de manschappen. Het is dus weinig opportuun om op vrijdagavond uitzonderlijk vervoer te organiseren. Daarom wordt op dat ogenblik slechts op een selectieve wijze en bij hoge uitzondering nachtelijk uitzonderlijk vervoer begeleid. De rijkswacht is gehouden aan de eigen dienstorganisatie. Bij de toekenning van een escorte moet men daarmee rekening houden.

De personeelsleden die deelnemen aan het transport oordelen zelf of het transport al dan niet moet worden onderbroken. Er wordt ook rekening gehouden met economische factoren. Zij mogen echter niet primeren op de veiligheid.

Mevrouw Nathalie de T’ Serclaes (PRL-FDF-MCC). – Ik had de gelegenheid een bezoek te brengen aan de provinciale eenheid van Henegouwen. Naast haar omvangrijke taken moet die eenheid ook instaan voor escortes, en ervoor zorgen dat ze de haar toegekende kredieten niet overschrijdt. Het is niet de bedoeling problemen te scheppen voor de transporteurs, maar na te gaan hoe de overheden hun verschillende taken kunnen uitvoeren. Overleg met de minister van Binnenlandse Zaken is dus zeer interessant en zal er hopelijk voor zorgen dat de problemen worden opgelost.

De heer Ludwig Caluwé (CVP). – Ik dank de minister voor het uitgebreid antwoord en het verheugt mij dat zij bereid is aandacht te besteden aan de mondelinge opmerkingen die ik bij mijn schriftelijke vraag heb geformuleerd.

Ik begrijp uiteraard dat het niet mogelijk is uitgebreid in te gaan op elk detail, maar hoop dat ze een onderzoek zal wijden aan de wijze waarop de vergunning wordt aangevraagd en het tijdstip waarop deze wordt afgeleverd. Bovendien is het nuttig deze materie te bespreken met de gewesten. Blijkbaar voert het Vlaams Gewest op dit vlak een eigen beleid, dat op termijn misschien zal botsen met de maatregelen die op federaal niveau worden genomen.

Ten slotte raad ik het opleggen van een vergoeding aan de transportfirma’s ten stelligste af. In Nederland bestaat een dergelijke vergoeding immers niet. Aangezien België als transportland in concurrentie staat met Nederland, bestaat het gevaar dat een belangrijk deel van het transport naar Nederland zal worden afgeleid.

Het incident is gesloten.

Regeling van de werkzaamheden

De voorzitter. – De vraag om uitleg van mevrouw Nyssens aan de minister van Justitie wordt uitgesteld en de heer Monfils heeft zijn vraag om uitleg aan dezelfde minister omgezet in een schriftelijke vraag.

De Senaat gaat tot nadere bijeenroeping uiteen.

(De vergadering wordt gesloten om 18.25 uur.)

Berichten van verhindering

Afwezig met bericht van verhindering: mevrouw Cornet d’Elzius, wegens ambtsplichten; mevrouw De Schamphelaere, om gezondheidsredenen; de heer Siquet, om persoonlijke redenen; de heren Dedecker, Tobback, Mahassine en Colla, wegens andere plichten.

Voor kennisgeving aangenomen.


 


Bijlage

 

Votes nominatifs

Naamstemmingen

Vote nº 1

Stemming nr. 1

Présents: 55
Pour: 47
Contre: 0
Abstentions: 8

Aanwezig: 55
Voor: 47
Tegen: 0
Onthoudingen: 8


Pour


Voor

Michel Barbeaux, Ludwig Caluwé, Marcel Cheron, Mohamed Daif, Georges Dallemagne, Sabine de Bethune, Olivier de Clippele, Armand De Decker, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Josy Dubié, Paul Galand, André Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Mimi Kestelijn-Sierens, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Kathy Lindekens, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Michiel Maertens, Philippe Mahoux, Johan Malcorps, Guy Moens, Philippe Monfils, Jacky Morael, Philippe Moureaux, Marie Nagy, Clotilde Nyssens, Francis Poty, Didier Ramoudt, Jan Remans, Jacques Santkin, René Thissen, Hugo Vandenberghe, Luc Van den Brande, Ingrid van Kessel, Myriam Vanlerberghe, Iris Van Riet, Magdeleine Willame-Boonen, Paul Wille.


Contre


Tegen

N.


Abstentions


Onthoudingen

Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Roeland Raes, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Joris Van Hauthem, Patrik Vankrunkelsven, Vincent Van Quickenborne, Wim Verreycken.

Vote nº 2

Stemming nr. 2

Présents: 54
Pour: 54
Contre: 0
Abstentions: 0

Aanwezig: 54
Voor: 54
Tegen: 0
Onthoudingen: 0


Pour


Voor

Michel Barbeaux, Ludwig Caluwé, Jurgen Ceder, Marcel Cheron, Frank Creyelman, Mohamed Daif, Georges Dallemagne, Sabine de Bethune, Olivier de Clippele, Armand De Decker, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Josy Dubié, Paul Galand, André Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Jeannine Leduc, Kathy Lindekens, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Michiel Maertens, Philippe Mahoux, Johan Malcorps, Guy Moens, Philippe Monfils, Jacky Morael, Philippe Moureaux, Marie Nagy, Clotilde Nyssens, Francis Poty, Roeland Raes, Didier Ramoudt, Jan Remans, Jacques Santkin, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Erika Thijs, René Thissen, Hugo Vandenberghe, Luc Van den Brande, Joris Van Hauthem, Ingrid van Kessel, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, Vincent Van Quickenborne, Iris Van Riet, Wim Verreycken, Magdeleine Willame-Boonen, Paul Wille.


Contre


Tegen

N.


Abstentions


Onthoudingen

N.

 


Indiening van voorstellen

Wetsvoorstellen

Artikel 81 van de Grondwet

Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 276 van het Strafwetboek (van de heer Ludwig Caluwé; Gedr. St. 2-355/1).

Wetsvoorstel tot aanvulling van artikel 2.15. van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer, wat rolschaatsers en skateboarders betreft (van mevrouw Clotilde Nyssens; Gedr. St. 2-356/1).

Deze voorstellen zullen worden vertaald, gedrukt en rondgedeeld.

Er zal later over de inoverwegingneming worden beslist.

In overweging genomen voorstellen

Wetsvoorstellen

Artikel 81 van de Grondwet

Wetsvoorstel tot wijziging van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, met het oog op een evenwichtige aanwezigheid van vrouwen en mannen in de raden van bestuur (van mevrouw Sabine de Bethune c.s.; St. 2-302/1).

Verzonden naar de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden.

Wetsvoorstel tot aanvulling van artikel 755 van het Burgerlijk Wetboek (van de heer Olivier de Clippele; St. 2-310/1).

Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Wetsvoorstel betreffende de bescherming van embryo's in vitro (van de heer Marcel Colla; St. 2-321/1).

Verzonden naar de verenigde commissies voor de Justitie en voor de Sociale Aangelegenheden.

Wetsvoorstel tot wijziging van de wet van 13 juli 1987 betreffende het kijk- en luistergeld (van de heren Didier Ramoudt en Jean-Marie Dedecker; St. 2-325/1).

Verzonden naar de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden.

Voorstel tot herziening van het Reglement

Voorstel tot invoeging van een artikel 86ter in het Reglement van de Senaat houdende oprichting van een Adviescomité voor de rechten van het kind (van mevrouw Sabine de Bethune c.s.; St. 2-307/1).

Verzonden naar het Bureau.

Vragen om uitleg

Het Bureau heeft volgende vragen om uitleg ontvangen:

van de heer Olivier de CLIPPELE aan de Minister van Landbouw en Middenstand over «het getuigschrift van basiskennis van het bedrijfsbeheer als vereiste tot nieuwe inschrijvingen in het handelsregister» (nr. 2-97)

van de heer Michel BARBEAUX aan de Minister van Ambtenarenzaken en Modernisering van de openbare besturen over «de voorstellen voor de modernisering van de openbare besturen» (nr. 2-98)

Deze vragen worden naar de plenaire vergadering verzonden .

Evocatie

De Senaat heeft bij boodschap van 28 februari 2000 aan de Kamer van volksvertegenwoordigers ter kennis gebracht dat tot evocatie is overgegaan, op die datum, van :

Wetsontwerp tot wijziging van de artikelen 42 en 51 van de samengeordende wetten van 19 december 1939 betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders (St. 2-338/1).

Non-Evocaties

Bij boodschappen van 29 februari 2000 heeft de Senaat aan de Kamer van volksvertegenwoordigers terugbezorgd, met het oog op de koninklijke bekrachtiging, de volgende niet geëvoceerde wetsontwerpen :

Wetsontwerp betreffende het ontslag van bepaalde militairen en de verbreking van de dienstneming of wederdienstneming van bepaalde kandidaat-militairen, de vaststelling van de rendementsperiode en het terugvorderen door de Staat van een deel van de door de Staat gedragen kosten voor de vorming en van een gedeelte van de tijdens de vorming genoten wedden (Gedr. St. 2-337/1).

Wetsontwerp tot wijziging van artikel 53, derde lid, van de wetten betreffende de schadeloosstelling voor beroepsziekten, gecoördineerd op 3 juni 1970 (Gedr. St. 2-339/1).

Voor kennisgeving aangenomen

Boodschappen van de Kamer

Bij boodschappen van 24 februari 2000 heeft de Kamer van volksvertegenwoordigers aan de Senaat overgezonden, zoals ze ter vergadering van die dag werden aangenomen :

Artikel 78 van de Grondwet

Wetsontwerp tot wijziging van artikel 171, 5°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (St. 2-357/1).

Het ontwerp werd ontvangen op 25 februari 2000; de uiterste datum voor evocatie is maandag 13 maart 2000.

De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 24 februari 2000.

Artikel 81 van de Grondwet

Wetsontwerp tot wijziging van de artikelen 1409, 1409bis, 1410 en 1411 van het Gerechtelijk Wetboek, met het oog op de aanpassing van het bedrag van het loon dat niet vatbaar is voor overdracht of beslag (van mevrouw Bea Cantillon; St. 2-358/1).

Het ontwerp werd ontvangen op 25 februari 2000; de onderzoekstermijn, die overeenkomstig artikel 79, eerste lid, van de Grondwet 15 dagen bedraagt, verstrijkt op maandag 13 maart 2000.

De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 24 februari 2000.

Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.

Indiening van wetsontwerpen

De Regering heeft volgende wetsontwerpen ingediend :

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties inzake de oprichting in België van een verbindingsbureau van deze organisatie, ondertekend te Brussel op 5 februari 1997 (Gedr. St. 2-359/1).

Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.

Wetsontwerp houdende instemming met het Nader Aanvullend Protocol bij het Verdrag tussen de Staten die partij zijn bij het Noord-Atlantisch Verdrag en de overige Staten die deelnemen aan het Partnerschap voor de Vrede nopens de rechtspositie van hun krijgsmachten, gedaan te Brussel op 19 december 1997 (Gedr. St. 2-360/1).

Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.

Arbitragehof – Arresten

Met toepassing van artikel 113 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van het Arbitragehof kennis aan de voorzitter van de Senaat van :

het arrest nr. 20/2000, uitgesproken op 23 februari 2000, inzake de prejudiciële vragen betreffende artikel 4bis van de wet van 4 juli 1989 "betreffende de beperking en de controle van de verkiezingsuitgaven voor de verkiezingen van de federale Kamers, de financiering en de open boekhouding van de politieke partijen" en betreffende artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, gesteld door de Raad van State (rolnummers 1457 en 1461, samengevoegde zaken);

het arrest nr. 21/2000, uitgesproken op 23 februari 2000, inzake het beroep tot gedeeltelijke vernietiging van artikel 3, tweede en derde lid, van het decreet van de Franse Gemeenschap van 6 april 1998 houdende wijziging van sommige bepalingen inzake kinderwelzijn en hulpverlening aan de jeugd, ingesteld door de VZW "Bureau d'accueil et de défense des jeunes" en door V. Macq (rolnummer 1480);

het arrest nr. 22/2000, uitgesproken op 23 februari 2000, inzake het beroep tot vernietiging van artikel 20 van de wet van 5 juli 1998 betreffende de collectieve schuldenregeling en de mogelijkheid van verkoop uit de hand van de in beslag genomen onroerende goederen, ingesteld door de Beroepsvereniging van het Krediet en anderen (rolnummer 1600);

het arrest nr. 23/2000, uitgesproken op 23 februari 2000, inzake het beroep tot vernietiging van de wet van 23 november 1998 tot invoering van de wettelijke samenwoning, ingesteld door P. Beliën en anderen (rolnummer 1616);

het arrest nr. 24/2000, uitgesproken op 23 februari 2000, inzake de prejudiciële vraag over artikel 31, tweede lid, van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Gent (rolnummer 1730).

– Voor kennisgeving aangenomen.

Arbitragehof – Prejudiciële vragen

Met toepassing van artikel 77 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van het Arbitragehof aan de voorzitter van de Senaat kennis van :

de prejudiciële vragen betreffende artikel 10, 1°, 2° en 3°, van de wet van 12 december 1997 tot bekrachtiging van de koninklijke besluiten genomen met toepassing van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese Economische en Monetaire Unie, en van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, gesteld door de Raad van State (rolnummers 1859, 1860 en 1861, samengevoegde zaken).

Voor kennisgeving aangenomen.