2-252

2-252

Belgische Senaat

2-252

Handelingen - Nederlandse versie

DONDERDAG 19 DECEMBER 2002 - OCHTENDVERGADERING


Waarschuwing: de blauwe kleur geeft aan dat het gaat om uit het Frans vertaalde samenvattingen.


Regeling van de werkzaamheden

Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt (Stuk 2-1380) (Evocatieprocedure)

Wetsontwerp betreffende de uitvoering van de Aanvullende Overeenkomst, ondertekend te Singapore op 10 december 1996, tot wijziging van de Overeenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk België en de Regering van de Republiek Singapore tot het vermijden van dubbele belasting inzake belastingen naar het inkomen, ondertekend te Singapore op 8 februari 1972 (Stuk 2-1330) (Evocatieprocedure)

Wetsontwerp betreffende de tenuitvoerlegging van de overeenkomst tussen het Koninkrijk België en de Verenigde Arabische Emiraten tot het vermijden van dubbele belasting en tot het voorkomen van het ontgaan van belasting inzake belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, en van het protocol, ondertekend te Washington op 30 september 1996 (Stuk 2-1331) (Evocatieprocedure)

Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen (Stuk 2-1339) (Evocatieprocedure)

Wetsontwerp betreffende de meerwaarden bij vervreemding van bedrijfsvoertuigen (Stuk 2-1340) (Evocatieprocedure)

Berichten van verhindering


Voorzitter: de heer Armand De Decker

(De vergadering wordt geopend om 10.10 uur.)

Regeling van de werkzaamheden

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Aan de orde zijn zo dadelijk het wetsontwerp tot wijziging van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt en de vraag om uitleg van de heer Van Quickenborne over de elektriciteitsmarkt. De commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden die zich over dit ontwerp heeft gebogen, komt vandaag om kwart over tien bijeen. Dat is tegen de gewone gang van zaken. Dat commissies vergaderen tijdens de openbare vergadering werd altijd aanvaard, maar niet de commissie die zich gebogen heeft over het ontwerp dat ter bespreking voorligt. Ik vraag dan ook de stemming over de schorsing van de vergadering van de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden tot de Senaat klaar is met de behandeling van dit wetsontwerp.

De voorzitter. - Mijnheer Vandenberghe, u hebt gelijk. Ik denk echter niet dat we hoeven te stemmen.

De commissie moet haar werkzaamheden schorsen terwijl de plenaire vergadering het ontwerp bespreekt dat op de agenda staat. Ik zal de griffier dus verzoeken de voorzitter van de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden te verwittigen, zodat hij de werkzaamheden van zijn commissie kan schorsen terwijl de plenaire vergadering dit ontwerp, waarvoor zijn commissie bevoegd is, bespreekt. Is de Vergadering het daarmee eens? (Instemming)

Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt (Stuk 2-1380) (Evocatieprocedure)

Algemene bespreking

De voorzitter. - De heer Jan Steverlynck verwijst naar zijn schriftelijk verslag.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Ik maak graag gebruik van de aanwezigheid van de staatssecretaris om enkele punten met betrekking tot de organisatie van de elektriciteitsmarkt onder de aandacht te brengen en mijn bezorgdheid te uiten over de vrijmaking van die sector.

Volgens de paarsgroene regering zullen daardoor de elektriciteitsprijzen voor de eindgebruikers betekenisvol dalen maar zullen de gemeenten die traditioneel forse dividendeninkomsten boeken uit de distributie van elektriciteit en aardgas, geen of bijna geen verlies aan inkomsten lijden.

Zoals de zaken er nu voorstaan, is de kans groot dat de paarsgroene beloften eens te meer loos zullen zijn. Het ontwerp dat voorligt is het zoveelste voorbeeld van kunst- en vliegwerk van deze regering. Weer eens worden slechts enkele artikelen van een wet gewijzigd. Weer eens wordt de Senaat een hels tempo opgelegd, terwijl de liberalisering van de elektriciteitsmarkt toch een uitvoerig debat verdient.

Zeker in de kerstperiode, nu er zovele lichtjes branden, zou het voor de Senaat een eer moeten zijn zich te buigen over de organisatie van de elektriciteitsmarkt. Een goede belichting kan immers voor goede ideeën zorgen. Ik had verwacht dat met de aanwezigheid van Ecolo in de meerderheid een einde zou komen aan de verfoeilijke praktijk om allerlei wetten in een recordtempo door het Parlement te duwen, alsof de senatoren ganzen zijn die onder dwang moeten worden gevoed, zodat er met Kerstmis ganzenleverpastei op tafel kan komen. Ik had gehoopt dat dankzij Ecolo de parlementsleden niet langer zouden worden volgepropt met wetten, met Kerst geen indigestie zouden hebben. Helaas is het erger dan ooit. Vandaag wordt zelfs ingegaan tegen de algemeen aanvaarde regel dat een commissie niet kan vergaderen terwijl er in de plenaire vergadering een ontwerp wordt besproken, dat door die commissie werd behandeld. Ik ben dan ook blij dat de voorzitter daarnet die regel in ere heeft hersteld.

Tot voor enkele jaren geleden gold voor de organisatie van de elektriciteitsmarkt een `natuurlijk' monopolie van overheidsbedrijven of sterk gecontroleerde privé-bedrijven. Vandaag kan de sector zo niet langer functioneren. In België hadden de intercommunales een monopolie voor het leveren van elektriciteit aan de kleinere verbruikers. In de gemengde intercommunales was bovendien Electrabel, de belangrijkste producent van elektriciteit, prominent aanwezig. Met 91,5% van de productie heeft Electrabel nagenoeg een monopolie. Bovendien waren Electrabel en SPE samen eigenaar van het transmissienet. Onder druk van Europa werd die markt meer opengesteld voor de concurrentie. Die druk van Europa, die tot de ontkoppeling van de dienstverlening leidt en dus tot belangrijke marktbewegingen, heeft echter ook bepaalde gevolgen, die we verder in het oog moeten houden.

In Vlaanderen kan iedereen vanaf 1 juli 2003 vrij zijn leverancier kiezen voor privé-gebruik van elektriciteit en gas, maar in Wallonië en Brussel kan dat pas vanaf 1 januari 2007. Hoe is dat verschil te verklaren? Is de belichting verschillend in de drie gewesten? Is de elektriciteitssterkte in Brussel en Wallonië belangrijker of minder belangrijk dan in Vlaanderen? Of verschillen de overgangsperiodes? De regering staat die verschillen toe, maar het kan natuurlijk dat de Europese Unie ze niet aanvaardt.

De openstelling van de markt is natuurlijk geen doel op zich. Wij behoren niet tot degenen die de markt aanbidden als een gouden kalf en die in de markt de oplossing zoeken voor elk probleem dat zich aandient. We zijn wel voor een economische regulering van de dienstprestaties via de markt, maar we geloven niet dat we door de markt alleen een betere dienstverlening en een grotere doelmatigheid kunnen realiseren.

Alleen een grotere doelmatigheid legt de basis voor duurzaam lagere prijzen. De prijzen doen dalen op zich is niet het doel. Dat kan trouwens ook door tijdelijke lagere winstmarges worden bereikt. De politiek van de regering kan ertoe leiden dat de vrijmaking van de elektriciteitsmarkt in ons land een maat voor niets wordt, gewoon door een slechte marktstructuur. Er moeten immers een aantal voorwaarden vervuld zijn opdat een vrijgemaakte energiemarkt in het voordeel van alle eindgebruikers uitvalt.

Zo stelde bijvoorbeeld de Commissie voor de regulering van de elektriciteit en het gas bij de voorstelling van haar jaarverslag 2001 begin dit jaar: "De vrijmaking van de Belgische elektriciteitsmarkt blijft grotendeels theorie. Er is nog altijd geen concurrentie op de elektriciteitsmarkt. Slechts een kleine drie procent van het totale verbruik koopt zijn elektriciteit niet bij de dominante leverancier op de Belgische markt. Er rijzen ernstige twijfels over de onafhankelijkheid van de beheerder van het hoogspanningsnet, die zich bovendien weinig coöperatief opstelt".

En tijdens een studiedag van de VVSG van eind april 2002 over de liberalisering van de energiesector stelde de Gentse schepen Sas van Rouveroij letterlijk: "De energiefactuur van burgers en bedrijven kan niet dalen bij een louter theoretische vrijmaking van de markt, maar enkel op basis van reële concurrentie". Dat is zeer juist, maar het ontwerp komt hieraan helemaal niet aan tegemoet, reden waarom de CD&V-fractie het wil amenderen. Hij gaat verder: "Wat daarentegen met zekerheid vaststaat is dat in een vrijgemaakte markt de hoge dividendeninkomsten van de gemeenten uit de elektriciteits- en gasdistributie, die in feite een impliciete belasting op het verbruik vormen, niet houdbaar zijn.

Er wordt verwacht dat door de vrijmaking de inkomsten van de gemeenten uit de distributie van elektriciteit en gas in Vlaanderen met twee derde gaan dalen tegen het midden van het decennium". De minderontvangst mag worden geschat op 270 à 370 miljoen euro. De bevoegdheid voor de organisatie van de gemeentebesturen is nu wel overgeheveld naar de gewesten, maar de marktorganisatie zelf is nog altijd een federale materie, aangezien er geen concurrentievervalsende omstandigheden mogen ontstaan. Ook daarom is het niet te begrijpen dat de liberaliseringsmaatregel in Vlaanderen van kracht wordt in 2003 en in Wallonië en Brussel op 1 januari 2007. Is dat verschil op zich al niet marktverstorend? Hoe kan de regering beweren dat er in België een financieel-monetaire unie is en tegelijk de elektriciteitsmarkt in Vlaanderen vrijmaken op 1 juli 2003 en in Brussel en Wallonië op 1 januari 2007? Dat verschil op zich werkt toch marktverstorend!

De heer Olivier Deleuze, staatssecretaris voor Energie en Duurzame Ontwikkeling. - Indien u die bevoegdheden opnieuw federaal wil maken, dien maar een voorstel in die zin in!

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Dat houdt geen steek. Ik zeg alleen dat die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend in het kader van de federale loyaliteit. Dat is toch evident. De regel dat er geen concurrentievervalsende maatregelen mogen worden uitgevaardigd geldt trouwens in heel Europa. Maar de regering houdt geen rekening noch met de doelstellingen van de economische politiek, noch met de federale loyaliteit.

We vinden wel dat in de elektriciteitssector een goede marktstructuur tot stand moet worden gebracht. Dat is moeilijker dan gedacht. Lagere prijzen en hogere efficiëntie komen niet uit de lucht gevallen. De basisvoorwaarden voor een concurrentiële elektriciteitsmarkt moeten door de overheid worden geschapen en onderhouden. De belangrijkste voorwaarden zijn: echte onafhankelijkheid van producenten en verkopers van elektriciteit bij de monopolistische activiteiten, zoals het netbeheer, en meerdere van elkaar onafhankelijke aanbieders bij de concurrentiële activiteiten, namelijk productie en verkoop.

Ik had verwacht dat de regering waarvan wordt gezegd dat ze al de vorige regeringen in de schaduw stelt, in een wetsontwerp over de vrijmaking van de elektriciteitsmarkt een aantal knelpunten zou aanpakken. Welke zijn die knelpunten? Er is maar één grote producent die bovendien nog een grote vinger in de pap te brokken heeft bij de transmissiebeheerder en de distributienetten. Er is te weinig vrije invoercapaciteit. De markt is verstoord. De Nederlandse elektriciteit is te duur voor import en de Franse markt is nog niet geliberaliseerd. In Vlaanderen zou de elektriciteitsmarkt in 2003 worden geliberaliseerd, maar in Wallonië en Brussel pas in 2007. De partners spelen samen kaart, maar niet hetzelfde spel! Dat kan niet anders dan tot problemen leiden. Op een gegeven ogenblik zullen de burgers door in- en uitvoerproblemen met een algemene elektriciteitspanne worden geconfronteerd.

Vroeger was netbeheer, productie en verkoop van elektriciteit geïntegreerd. Om de markt vrij te maken, is het absoluut noodzakelijk om het netbeheer enerzijds en de productie en de verkoop van elektriciteit anderzijds juridisch en ook liefst op het vlak van de eigendom te scheiden. Om dat snel en efficiënt te doen is het noodzakelijk om minstens voorlopig de eigendom van het netbeheer, transmissie en distributienet volledig in overheidshanden te geven. Later kan dan eventueel een gehele of gedeeltelijke privatisering worden doorgevoerd.

Netbeheerders waarvan de eigendom in handen is van partijen die geen belangen hebben in productie of levering van energie, zijn in beginsel onafhankelijker dan netbeheerders waarvan de eigendom in handen is van producenten of leveranciers, zelfs al is er een juridische scheiding. De eindverbruikersprijzen bestaan uit drie componenten. De eerste component is de prijs van het goed elektriciteit, de zogenaamde `commodityprijs', de tweede component heeft betrekking op de transport- en aanverwante diensten, geleverd door de netbeheerders. De derde component zijn de heffingen van de overheid: BTW en andere heffingen zoals het immateriële dividend.

Een overzicht van de kostprijsopbouw van de elektriciteitsproductie en de elektriciteitslevering in België, leert ons dat wij op basis van de productie- en transmissiekosten een mediaanpositie innemen in de geselecteerde groep landen. Ons land moet die positie echter volledig uit handen geven na het in rekening brengen van de invloed van de geliberaliseerde elektriciteitsmarkt in Duitsland en het Verenigd Koninkrijk. Deze landen zijn inzake productie- en transmissiekosten duurder dan België, maar slagen er niet in deze kosten door te rekenen aan de klanten en verwijzen daarmee België naar de staart van het peloton.

In een geliberaliseerde markt vindt de concurrentie hoofdzakelijk plaats op het terrein van de productie en verkoop van de commodity. De transmissie- en distributiediensten vormen een natuurlijk monopolie waarvan de activiteiten en tarieven gereguleerd zijn. In Nederland zijn er vier grote producenten van elektriciteit, maar zelfs dat aantal wordt te gering geacht om voldoende concurrentie te waarborgen. Omdat er vroeger alleen nationale of regionale monopolies bestonden is de grenscapaciteit van het transmissienet beperkt en niet voorbereid op een intensieve internationale handel.

Het is van groot belang dat er voldoende grote productiecapaciteit, inclusief reserve, ter beschikking is. Typisch aan de elektriciteitsmarkt is dat er geen opslag van elektriciteit mogelijk is en dus te allen tijde de productie moet gelijk zijn aan het verbruik. Bedrijfszekerheid en een betrouwbare infrastructuur zijn daarbij zeer belangrijk. Dat betekent dan ook dat de productiecapaciteit moet afgestemd zijn op het piekverbruik, met de nodige reserves voor onvoorziene omstandigheden. Omdat het piekverbruik onmiddellijk moet kunnen worden ingevuld is de elektriciteitssector zeer gevoelig voor de gevreesde capaciteitstekorten. Zoals collega Monfils weet, kan een tekort bij piekmomenten zeer negatieve gevolgen hebben.

Op middellange termijn kan er krapte in het aanbod optreden, wat de prijzen kan doen oplopen. Ook op dit terrein moet de regulator actief zijn. Ik dacht dat de regering in het ontwerp met al deze problemen rekening zou houden, maar ik stel vast dat dit helemaal niet het geval is.

Om tot een voor de eindgebruiker goed werkende elektriciteitsmarkt te komen doet de regering er goed aan volgende voorstellen in overweging te nemen. Ten eerste, om de marktwerking te bevorderen is het aangewezen dat CPTE uit het transmissiebeheer en dus uit Elia verdwijnt. Net als in Nederland moet het transmissiebeheer tijdelijk worden genationaliseerd.

Ten tweede, de transportbeheerder dient snel te investeren in de verhoging van de grenscapaciteit. De elektriciteitsmarkt blijft immers te veel gebonden aan een nationale markt die te weinig blootgesteld is aan internationale concurrentie.

Ten derde, om de marktwerking te bevorderen is het aangewezen dat Electrabel op termijn uit het netbeheer verdwijnt. Dertig procent participatie van Electrabel en de facto uitoefening van het beheer via het Electrabel filiaal Electrabel Netmanagement Flanders is volgens ons een onvolkomen structuur.

Ten vierde, om de onafhankelijkheid te waarborgen en de marktwerking te bevorderen is het aangewezen dat de intercommunale netbeheerders op termijn uit de verkoopmaatschappijen verdwijnen.

Ten vijfde, er moet snel een beslissing worden genomen om het de facto productiemonopolie van Elektrabel te doorbreken door deze vennootschap te verplichten een deel van haar capaciteit te verkopen of te veilen. Door die onduidelijkheid te lang te laten voortbestaan zullen na verloop van tijd alle capaciteitsuitbreidingen worden stopgezet, met het risico op een Californisch scenario.

Ten zesde, om voldoende reservecapaciteit te verwerven, moet de concurrentie vrij spel krijgen via een openbare aanbesteding. De overheid moet daarbij bepalen hoeveel centrales er nodig zijn voor reservecapaciteit en ze moet daartoe een publieke oproep doen.

Ten zevende, een gelijkschakeling van de transporttarieven is niet wenselijk. De vrijmaking van de elektriciteitsmarkt is net een goede gelegenheid om komaf te maken met de inefficiëntie in sommige distributiemaatschappijen. Bij perequatie wordt er altijd naar boven afgerond en richt men zich op de minst efficiënte distributeur.

Ten achtste, de toezichthouder, de CREG, moet de bevoegdheden krijgen om de mededinging actief te kunnen stimuleren. Die bevoegdheden vallen buiten het bereik van het algemeen mededingingsbeleid, dat ervoor zorgt dat de concurrentie wordt gevrijwaard. Een sectorspecifiek toezichtsorgaan biedt het voordeel de concurrentie, die niet automatisch tot stand zal komen, te kunnen stimuleren, bijvoorbeeld door asymmetrische regulering die toetreding aantrekkelijk maakt. Een effectieve sectorspecifieke regelgeving is daarom geen overbodige luxe, maar complementair aan een algemeen mededingingsbeleid. De specifieke bevoegdheden zijn echter van tijdelijke aard. Natuurlijke monopolies vereisen een permanent toezicht, wat een taak is voor het algemeen mededingingsbeleid. Het integreren van de CREG als een specifieke afdeling in de nieuwe raad voor de mededinging moet beletten dat instellingen zichzelf overleven.

De geïntegreerde mededingingsautoriteit, een zelfstandig overheidsorgaan onder de bevoegdheid van het ministerie van Economische Zaken, moet waken over een goede marktwerking. Met het oog op de eenheid van beleid tekent een algemene kamer de grote lijnen uit. Die kamer regelt de algemene mededingingszaken. Het toezicht op de naleving van sectorspecifieke regels gebeurt door ad hoc-kamers zoals de CREG en de BIPT. De toezichthouder krijgt via de ad hoc-kamers tijdelijke bevoegdheden in de sfeer van mededinging om de totstandkoming van de concurrentie te stimuleren.

We staan voor een probleem inzake de concurrentiële werking van de elektriciteitsmarkt. Ik heb reeds gewezen op het verschil in de openstelling van de elektriciteitsmarkt tussen Vlaanderen en Wallonië. Voor Vlaanderen is dat in 2003 en voor Wallonië en Brussel in 2007. Dat is een schending van de federale loyaliteit. Iemand met gezond verstand kan onmogelijk iets dergelijks voorstellen, maar toch zitten we nu in die situatie. Ik vraag mij af of het misschien te maken heeft met de kwaliteit van de elektriciteit in Vlaanderen en Wallonië. De regering zal dienaangaande ongetwijfeld opheldering verschaffen.

De voorgestelde maatregel heeft een aantal afgeleide gevolgen die de publieke opinie op gemeentelijk niveau ten zeerste beroeren. Bij het nemen van maatregelen moet rekening worden gehouden met de weerslag die dat in de deelstaten heeft. De federale loyaliteit geldt niet enkel voor de verplichtingen van de deelstaten tegenover de federale overheid, maar ook in de omgekeerde richting.

De gemeente- en de provinciewet zijn gedefederaliseerd, maar de gemeente en de provincie bestaan nog in het federale organigram. Hoewel de gemeente- en de provinciewet gedefederaliseerd zijn, moeten de federale kamers rekening blijven houden met de gemeente als werkende entiteit. Ze zorgt immers voor veiligheid en gezondheid. Vele partijen zeggen trouwens dat dit laatste niet mag worden gedefederaliseerd. Allerlei primaire maatschappelijke taken worden aan de gemeenten opgelegd. Men mag zich niet verschuilen achter de defederalisering van de gemeentewet om een energiepolitiek te voeren die ertoe leidt dat de Vlaamse gemeenten tussen 270 en 370 miljoen euro minder ontvangsten zullen hebben door het wegvallen van het immateriële dividend.

Hoe zal dat worden gecompenseerd? Ook die vraag mag niet worden afgeschoven naar de verschillende overheden. De regering is daar trouwens tegen, al is de werkelijkheid enigszins anders. Het is al te gemakkelijk om te zeggen dat de gemeenten de gemeentebelastingen maar moeten verhogen. Het is zoals met de politiehervorming. Die moest neutraal zijn. Vandaag, op een ogenblik dat de politieraden de begrotingen moeten goedkeuren, stellen we vast dat er geen wettelijke waarborg is voor het financieren van de politiehervorming. Ofwel moeten de gemeentebelastingen worden verhoogd, ofwel moeten er maatregelen komen zoals wegenisheffing voor de elektriciteit, of recuperatie van de BTW, of een grotere dotatie via het Gemeentefonds, of een Gemeentefonds bis opgericht via de federale doorstorting van de grotere inkomsten van vennootschapsbelasting op de verkoopmaatschappijen. Er is ook het voorstel van de eerste minister om een heffing in te stellen op pylonen of eventueel een heffing op het elektriciteitsverbruik.

Die voorstellen zijn ernstig. We zouden onze tijd daaraan moeten besteden in plaats van onbeduidende gevechten te leveren over zaken die niet tot een of andere meerwaarde leiden. Het is typisch een probleem dat hier zou moeten worden behandelen. Het is een kruisprobleem dat rijst in de deelgebieden en dat te wijten is aan het federale beleid. Er moeten nieuwe inkomsten worden gevonden. Daarbij rijst de vraag hoe die nieuwe inkomsten moeten worden verdeeld over de gewesten en binnen de gewesten over de gemeenten. Dat kan bijvoorbeeld op basis van elektriciteitsverbruik. Daaromtrent moet er dringend een wetgevend initiatief komen. Een heffing op het elektriciteitsverbruik via de distributienetbeheerder is voor ons de beste oplossing voor de gemeenten. Met een heffing van één à twee eurocent per kWj kan het verlies aan inkomsten van de gemeenten geheel of gedeeltelijk worden gecompenseerd.

Dan zou men de verdeling over de gewesten kunnen organiseren op basis van het elektriciteitsverbruik. Indien gewenst kan het verbruik van `groene' elektriciteit worden vrijgesteld van de heffing, maar de invoering daarvan vergt een federale beslissing. De federale overheid moet dus optreden, want de gewesten kunnen dat probleem niet oplossen.

Die maatregel is te verkiezen boven het voorstel van de eerste minister, die Elia een vergoeding wil laten betalen voor het gebruik van het territorium. Zo'n vergoeding zal immers door Elia worden doorgerekend aan de elektriciteitsverbruikers die rechtstreeks op het transmissienet zijn aangesloten. Die worden thans niet getroffen door de impliciete heffing van de intercommunales. Het gaat over een kleine 400 klanten, die echter wel 40% van het totale jaarverbruik vertegenwoordigen. Een nieuwe heffing naast een eventuele CO2-heffing zal de concurrentiepositie van onze Vlaamse ondernemingen verder doen verslechteren. Het zijn trouwens ook die afnemers die relatief het sterkst zullen worden getroffen wanneer de slechte marktwerking in België tot een prijsstijging aanleiding zou geven.

Het probleem van de energiebesteding, de invulling van de Kyoto-overeenkomst en de conclusies die we daaruit trekken, zou een echt debat zijn voor de Senaat. Het gaat immers om uiterst interessante samenhangende problemen. De Senaat is de kamer van de gemeenschappen en gewesten in een federale staat. De gevolgen van het openstellen van de elektriciteitsmarkt vormen een typisch voorbeeld van een probleem dat een internationaal karakter heeft, maar dat ook de federale staat en de deelstaten aanbelangt.

Het is een internationaal probleem omdat we de Europese regels inzake de vrije concurrentie moeten toepassen. De Senaat, die zich ook in de internationale politiek specialiseert, is zeer goed geplaatst om een houding te bepalen tegenover Frankrijk, dat zijn elektriciteitsmarkt niet openstelt, of tegenover de te dure elektriciteit uit Nederland.

Hoe komt het dat de reglementering van de Europese Unie voor het openstellen van de elektriciteitsmarkt in Vlaanderen in 2003 al wordt toegepast en in Wallonië en Brussel pas in 2007? Dat is toch lachwekkend! Daarover zou de Senaat zich moeten buigen.

De zes faciliteitengemeenten zullen vanaf 2003 elektriciteit krijgen via een andere regeling dan in Ukkel. Vanaf de grens met Wallonië geldt dan opnieuw een andere regeling. Dat is toch geen rationele organisatie. Dat is een vorm van concurrentievervalsing, van prijsvorming die ik niet begrijp.

Ten slotte zullen de Vlaamse gemeenten na 2003 met enorme minontvangsten uit dividenden worden geconfronteerd. De federale overheid zou dus ook moeten nadenken hoe dit gebrek aan inkomsten kan worden gecompenseerd. Ik heb in dat verband voorstellen voorgelegd die een federale besluitvorming vergen.

Ik had dus verwacht dat de regering in de kerstperiode, die ook de periode van het licht wordt genoemd, aan de echte problemen van de mensen zou denken. Dat ze iets zou doen met de kritiek van de oppositie dat de regering een communicatieregering is, die niets anders doet dan persberichten sturen, die het parlement totaal nutteloze wetten oplegt en het zo herleidt tot een kanaal waardoor een rioolwetgeving moet lopen. Ik had gedacht dat de regering een antwoord zou bieden op de echte problemen die de vrijmaking van de elektriciteitsmarkt meebrengt. We krijgen van de staatssecretaris echter een ontwerp met enkele technische bepalingen die niet tegemoetkomen aan de problemen die ik heb geschetst.

De heer Olivier Deleuze, staatssecretaris voor Energie en Duurzame Ontwikkeling. - Ik spreek mij niet uit over de data waarop de markten in de gewesten worden vrijgemaakt, want dat is een gewestelijke bevoegdheid. Indien sommigen wensen dat het in de toekomst opnieuw een federale bevoegdheid wordt, heb ik daarmee geen probleem. Ik zal hun voorstellen lezen.

De elektriciteitsprijzen dalen in België, niet alleen de prijs voor het vervoer, maar ook de prijs die de verbruiker betaalt. De WEFA-studie die wordt uigevoerd in opdracht van het Controlecomité voor de elektriciteit en het gas toont aan dat de elektriciteitsprijs in België daalt sedert 2000 en zich nu op hetzelfde niveau bevindt als in de ons omringende landen. Dat is goed nieuws voor de consument.

De sociale tarieven zijn in de loop van deze legislatuur fors gedaald, met 3.000 tot 5.000 frank voor een gemiddelde factuur van 20.000 frank per jaar is. Dit alles toont aan dat, wanneer men van een privé-monopolie gaat naar een situatie waar er concurrentie is op de markt, er een opening van de markt komt. Het is immers geen privatisering, want de privatisering van de elektriciteit in België is al een feit sedert 1945. Die opening van de markt, die kan leiden tot het verdwijnen van dat monopolie, is gunstig voor iedereen, zeker ook voor de zwaksten in de maatschappij.

Nooit werd de elektriciteitsmarkt zo sterk gereguleerd als nu: zowel wat de groene certificaten betreft, als de garantie voor prijzen aan de producenten van elektriciteit met windmolens of biogas, zowel wat de sociale fondsen betreft, die tijdens deze legislatuur verzesvoudigd werden, als de REG-fondsen. In een privé-monopolie is er immers geen regulering, maar alleen een vergadering met gesloten deuren van het controlecomité. Dankzij de huidige opening van de markt dalen de prijzen voor het transport van de elektriciteit, maar ook voor de consument.

Mijnheer Vandenberghe sprak ook over de inkomsten van de gemeenten. Vandaag is er een heffing op de prijs van de elektriciteit, maar die heffing is verborgen voor de klant, die ze niet ziet op zijn factuur.

Er zijn bevoegdheidsproblemen. De inkomsten van de gemeenten zijn geen bevoegdheid van de federale Staat. De federale Staat heeft al initiatieven genomen om tegemoet te komen aan de nieuwe situatie. Zo zullen de gemeenten een aandeel van 30% hebben in het transport van de elektriciteit. Dat is goed voor de inkomsten van de gemeenten. De Raad van State bevestigde in het advies over artikel 431 van de programmawet dat de inkomsten van de gemeenten een gewestelijke materie zijn, maar dat de federale staat ervoor kan zorgen dat de gemeenten een vergoeding krijgen voor eventuele nieuwe taken. Dat is dan ook de denkrichting die we volgen.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Ik denk dat de staatssecretaris mijn argumentatie niet heeft begrepen. Hij houdt zich werkelijk aan een formeel juridisch antwoord uit de oude politieke cultuur. Ik heb ook gezegd dat die bevoegdheid gedelegeerd is naar de deelstaten, maar er zijn nog bevoegdheden bij de federale overheid, anders zou dit wetsontwerp niet nodig zijn.

De heer Olivier Deleuze, staatssecretaris voor Energie en Duurzame Ontwikkeling. - Het wetsontwerp gaat niet over de inkomsten van de gemeenten, maar over de organisatie van de controle op federaal vlak.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Precies. Dat toont aan dat het een bevoegdheid is die nog altijd gemengd is, dat bepaalde aspecten van het energiebeleid vanzelfsprekend federaal zijn en een aantal andere regionaal. Dat legt een aantal pijnpunten bloot. Er moet een gezamenlijk beleid op de twee niveaus gevoerd worden. Door enkel te zeggen dat dít de bevoegdheid is van de ene en dát die van de andere, lossen we het probleem niet op.

Ik herhaal dat ook bij een bevoegdheidssplitsing de regel van de federale loyaliteit in de monetaire unie bestaat die concurrentievervalsende beslissingen in de deelgebieden verbiedt. Ik heb er dan ook bezwaar tegen dat in Vlaanderen een beslissing wordt genomen voor 2003 en in de overige landsgedeelten voor 2007. Op deze nochtans essentiële opmerkingen heb ik geen antwoord gekregen.

De heer Philippe Mahoux (PS). - Ik heb de uiteenzetting van de minister gehoord en ik ben verheugd over zijn oproep tot federale loyaliteit. Het gaat hier om een bevoegdheidsprobleem. Ik meen in ieder geval dat de federale overheid moet instaan voor de gevolgen als ze maatregelen neemt die een invloed hebben op de gemeentefinanciën. We hebben die situatie al meegemaakt met de politiehervorming en met de herwaardering van de wedden van de burgemeesters en schepenen. Die twee maatregelen hadden ook gevolgen voor de gemeentefinanciën.

Nu bevinden wij ons in een bijzondere situatie. De markt wordt vrijgemaakt, wat voor de consument kan uitmonden in een verlaging van de elektriciteitsprijs. De minister heeft erop gewezen dat de markt wel vrijgemaakt wordt voor concurrentie, maar toch sterk gereglementeerd blijft. Dankzij die reglementering kunnen de gevolgen voor de consument gunstig zijn, als we oplettend zijn.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(De tekst aangenomen door de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden is dezelfde als de tekst van het door de Kamer van volksvertegenwoordigers overgezonden ontwerp. Zie stuk Kamer 50-2050/5.)

-De stemming over het wetsontwerp in zijn geheel heeft later plaats.

Wetsontwerp betreffende de uitvoering van de Aanvullende Overeenkomst, ondertekend te Singapore op 10 december 1996, tot wijziging van de Overeenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk België en de Regering van de Republiek Singapore tot het vermijden van dubbele belasting inzake belastingen naar het inkomen, ondertekend te Singapore op 8 februari 1972 (Stuk 2-1330) (Evocatieprocedure)

Algemene bespreking

De heer François Roelants du Vivier (MR), rapporteur. - Ik verwijs naar mijn schriftelijk verslag. (Onderbreking door de heer Vandenberghe) Mijnheer Vandenberghe, ik hoop dat u mijn verslag als volledig beschouwt. Het is overigens ongewijzigd goedgekeurd door de commissie.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Het is een uitstekend verslag dat aanleiding zal geven tot een discussie. Het is trouwens ook om u te feliciteren dat ik het woord neem.

(Voorzitter: de heer Jean-Marie Happart, ondervoorzitter.)

Een rapport dat tot discussie aanleiding geeft, is een belangrijk parlementair document. Ik wil de traditie doorbreken van het wel behandelen maar niet bespreken van verdragen. Van de Senaat wordt steeds gezegd dat hij de internationale verdragen als eerste bespreekt, waarover in colloquia door professoren zelfs uitvoerig wordt uitgeweid. Maar in plaats van interessante beschouwingen aan onderwerpen zoals internationaal fiscaal recht te wijden, worden die verdragen zonder meer goedgekeurd. In deze bespreking wacht ik echter met belangstelling op de toespraak van notaris de Clippele die, naar ik aanneem, ongetwijfeld weet hoe de problemen van internationaal recht moeten worden opgelost.

De heer Philippe Mahoux (PS). - In de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging wordt zeer vaak gediscussieerd over de grond van het probleem. Wij bespreken hier een wet inzake dubbele belasting die al jaren bestaat en nog nooit werd gewijzigd. De bespreking moet dus eerder gaan over het betrokken land dan over de inhoud van de tekst. Ik denk dat die een tiental jaar geleden werd opgesteld.

De heer Olivier de Clippele (MR). - Daarover is in de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden een debat gevoerd. Ik wacht dus op de verklaringen van onze collega.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Ik heb niet deelgenomen aan dat interessante debat. Ik beperk mij dus tot het stellen van vragen.

Het debat moet in de openbare zitting van de Senaat worden gevoerd, omdat elke interventie er letterlijk wordt weergegeven. Het debat in de commissie wordt niet exhaustief in het verslag opgenomen. De rapporteurs worden immers opgehitst omdat alles zo snel mogelijk moet worden gedrukt. We behandelen nu een belangrijk belastingverdrag. Ik weet niet hoeveel personen onder het verdrag vallen. Vertegenwoordigt de staatssecretaris de minister van Financiën, mijnheer de voorzitter?

De voorzitter. - De minister zal komen.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Ik zou eerst willen weten hoeveel personen mogelijk onder dit verdrag vallen. We moeten weten waarmee we bezig zijn. Wellicht hebben we te lang gewacht. Het verdrag dateert van 1996 en wordt nu pas goedgekeurd. Als het implicaties heeft voor duizenden ondernemingen en personen, zou een dergelijke vertraging onaanvaardbaar zijn.

Afgezien van de vraag over Singapore, waarover we straks een groot debat kunnen hebben, stel ik vast dat het verdrag en de hieruit vooruitvloeiende wijzigingen terugwerkende kracht hebben. Beantwoordt de terugwerkende kracht in dit verdrag aan de eisen van het Arbitragehof terzake en aan de beginselen van de rechtszekerheid zoals die door de Raad van State worden geformuleerd? Overeenkomstig het legaliteitsbeginsel van het Strafwetboek, de Grondwet, artikel 7 EVRM, kan een strafwet onder geen enkele omstandigheid met terugwerkende kracht worden goedgekeurd. De commissie heeft dat niet onderzocht. Op de niet naleving van een belastingwet staan straffen. Een strafwet mag geen terugwerkende kracht hebben.

Wat is draagwijdte van de terugwerking? De fiscale amnestie? Onder welk fiscaal systeem vallen degenen die een aangifte hebben gedaan en waarop nu de belastingwet met terugwerkende kracht wordt toegepast. Hoe lost de regering dat probleem op? Ik reken op een antwoord van de minister op deze vragen, want daar hebben we recht op. De Raad van State heeft over de terugwerkende kracht trouwens ook opmerkingen gemaakt.

Uit de rechtspraak van het Europees Gerechtshof te Luxemburg blijkt dat het verbod op terugwerkende kracht, behoudens uitzonderingen, als algemeen rechtsbeginsel is erkend. Zo krijgt het verbod op terugwerkende kracht een nagenoeg constitutionele betekenis, aangezien het gaat om een algemeen rechtsbeginsel van Europees niveau. Het is niet zomaar een interpretatie van parlementsleden of advocaten, maar een Europees rechtsbeginsel dat we dus kunnen inroepen of toepassen op dit belastingverdrag.

De belastingmaterie valt onder de grondwettelijke waarborgen van artikel 171 van de Grondwet: geen belasting zonder wet. (Minister Reynders komt de zaal binnen.) De minister is aangekomen. Daar ben ik blij om. Ik zal mijn argumenten even voor hem samenvatten.

In mijn uiteenzetting wil ik aantonen, mijnheer de minister, dat het goedkeuren van de verdragen tot het vermijden van dubbele belasting niet automatisch mag verlopen. Enkele weken geleden heeft het ontwerp over het belastingverdrag met Nederland ook al aanleiding gegeven tot grote discussie. We moeten dan ook ingaan op de principiële vragen en niet de indruk geven dat we de belangrijke juridische problemen die het verdrag doet rijzen, niet onder ogen hebben genomen. Concreet heb ik vragen bij de retroactiviteit. Het gaat om een verdrag van 1996 met een terugwerkende kracht tot 1992. We keuren dus iets goed met een terugwerkende kracht van tien jaar. Kan dat? Kan een fiscale wet een terugwerkende kracht van tien jaar hebben?

Eerste argument: terugwerkende kracht in strafzaken is niet mogelijk. Het niet indienen van een correcte belastingaangifte wordt door allerlei strafwetten beteugeld. Iedereen weet over wat voor een indrukwekkende folterkast aan sancties het ministerie van Financiën beschikt, met inbegrip van de strafrechtelijke bepalingen. Kunnen we dan zomaar een fiscale wet met terugwerkende kracht van tien jaar goedkeuren? Welke rechtspositie heeft degene die onder deze wet valt? Wordt het niet naleven van de bepalingen strafrechtelijk gesanctioneerd? Hoe gebeurt dat dan met terugwerkende kracht van tien jaar? Vervallen de straffen dan?

Tweede argument: op het principe van niet-retroactiviteit zijn volgens de rechtspraak van het Arbitragehof en de adviezen van de Raad van State uitzonderingen mogelijk, onder de zeer strikte en beperkte voorwaarde van de volstrekte noodzakelijkheid, dat wil zeggen indien er bestuursmatig echt geen alternatief mogelijk is. Dat is ook een algemeen Europees rechtsbeginsel met een quasi constitutionele draagkracht.

De minister is ook jurist. Vindt hij dat een verdrag van 1996, geldig vanaf het fiscale jaar 1992, en goedgekeurd in een wet in 2002, beantwoordt aan de juridische vereisten van het Arbitragehof, de Raad van State en het Europees Hof? De Raad van State stelt zelfs dat de retroactiviteit onvoldoende is verantwoord in het licht van de vereiste dat terugwerkende kracht enkel kan als er bijzondere omstandigheden zijn, met name wanneer de continuïteit en de goede werking van de openbare dienst in het gedrang zouden komen. De enige motivering die in de memorie van toelichting staat, is dat de regering tot doel heeft zo spoedig mogelijk een einde te maken aan een belastingsvoordeel dat niet langer gerechtvaardigd is door de economische ontwikkeling van Singapore en dat aanleiding geeft tot misbruiken die nadelig zijn voor de Schatkist.

Er zullen dus een aantal misbruiken retroactief worden bestreden. Mijn vraag is pertinent geworden. Volgens de regering is het de bedoeling om de misbruiken met terugwerkende kracht te bestrijden. Die misbruiken zijn strafrechtelijk gesanctioneerd. Er wordt dus een strafwet gestemd met terugwerkende kracht. Dat is in strijd met de Grondwet en met artikel 7 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens. De motivering dat het internationale recht door dat verdrag voorrang heeft op het nationale recht, is totaal irrelevant. Het belastingverdrag heeft als zodanig geen voorrang op om het even wat.

Het rechtszekerheidsbeginsel is in ieder geval een quasi constitutioneel beginsel, het is een algemeen Europees rechtsbeginsel. Dit belastingsverdrag met Singapore beantwoordt daaraan niet, tenzij de minister me van het tegendeel kan overtuigen.

De heer Didier Reynders, minister van Financiën. - Momenteel is er veel werk in de verschillende commissies en in de plenaire vergaderingen. Ik begrijp dan ook dat bepaalde elementen van belangrijke dossiers, zoals deze aanvullende overeenkomst, ondertekend te Singapore op 10 december 1996, aan uw aandacht kunnen ontsnappen. (Men glimlacht). Voor alle duidelijkheid wil ik eerst iets rechtzetten.

Volgens de heer Vandenberghe gaat de retroactiviteit tot en met 1992. Maar het jaar 1992 is enkel een referentie in verband met het Wetboek der inkomstenbelasting. Wat de inkomsten betreft gaat het om het jaar 1997.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Het is terugwerkende kracht.

De heer Didier Reynders, minister van Financiën. - Ja, maar het gaat niet om een retroactiviteit van 10 jaar.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Het gaat dus over vijf jaar

De heer Didier Reynders, minister van Financiën. - Zelfs misschien over zes jaar, rekening houdend met de inkomsten van 1997. Het verdrag werd geratificeerd door Kamer en Senaat en het wetsontwerp hanteert dus dezelfde retroactiviteit.

Aangezien Kamer en Senaat dit verdrag, dat voorziet in deze retroactiviteit, geratificeerd hebben, is het ook logisch dat wij het instrument ter beschikking stellen waarmee kan worden ingegaan op de wens van deze assemblees. Wat overigens eventuele discussies vóór het Arbitragehof betreft, behandelen wij alle belastingplichtigen zonder enige discriminatie: al wie zich in dezelfde situatie bevindt, wordt op dezelfde manier behandeld.

De termijn kan lang lijken, maar er is bijna altijd retroactiviteit als we werken op basis van internationale overeenkomsten die de strijd willen aanbinden met misbruik, ontwijking, verkeerd gebruik en zelfs fraude. De internationale overeenkomst wordt immers gesloten wanneer men wil reageren op dat soort gedragingen en het vergt tijd om die overeenkomsten te laten ratificeren en te zorgen voor de noodzakelijke wetgevingsinstrumenten. Toch hebben we relatief redelijke termijnen gerespecteerd. De termijn voor de controle van de aangiften bedraagt drie jaar. In geval van fraude bedraagt die termijn vijf jaar, maar wanneer informatie moet worden uitgewisseld met het buitenland kan hij oplopen tot zeven jaar.

Ik ben het met de heer Vandenberghe wel eens dat een dergelijke retroactiviteit geen goede zaak is. We passen die alleen toe in uitvoering van een bestaand verdrag. In dit geval is er trouwens geen sprake van discriminatie tussen de belastingplichtigen en gaat de retroactiviteit niet verder terug dan zeven jaar, namelijk tot de inkomsten van 1997. Ik geef toe dat dit lang is, maar het blijft nog altijd binnen de termijn die bij uitwisseling van inlichtingen tussen de landen gebruikelijk is.

Als de Senaat in de toekomst de bevoegdheid krijgt om verdragen te ratificeren, kunnen we misschien sneller beschikken over de instrumenten die het mogelijk maken de retroactiviteit te beperken.

Artikelsgewijze bespreking

(De tekst aangenomen door de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden is dezelfde als de tekst van het door de Kamer van volksvertegenwoordigers overgezonden ontwerp. Zie stuk Kamer 50-1956/2.)

-De stemming over het wetsontwerp in zijn geheel heeft later plaats.

Wetsontwerp betreffende de tenuitvoerlegging van de overeenkomst tussen het Koninkrijk België en de Verenigde Arabische Emiraten tot het vermijden van dubbele belasting en tot het voorkomen van het ontgaan van belasting inzake belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, en van het protocol, ondertekend te Washington op 30 september 1996 (Stuk 2-1331) (Evocatieprocedure)

Algemene bespreking

De heer François Roelants du Vivier, rapporteur. - Ik verwijs naar mijn schriftelijk verslag.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Het probleem ligt bij dit ontwerp enigszins anders dan bij het vorige. Het betreft de tenuitvoerlegging van een overeenkomst die werd ondertekend op 30 september 1996.

Samen met de minister van Financiën betreur ik het dat de regering een dergelijke termijn laat verlopen tussen de datum van de ondertekening en de goedkeuring van een overeenkomst over belastingzaken. Normaal moeten we binnen het jaar de nodige maatregelen kunnen nemen om een dubbele belasting te vermijden. Die maatregelen eerst aankondigen en daarna weer uitstellen is niet goed voor het beleid noch voor de rechtszekerheid van de belastingplichtigen.

In het ontwerp lezen we het volgende: "In afwijking van de bepalingen van het Wetboek van de inkomstenbelasting 1992 met betrekking tot de termijnen inzake bezwaar wordt, zelfs wanneer zij op grond van het intern recht niet meer kunnen worden herzien, van de aanslagen die in strijd met de bepalingen van de Overeenkomst ... zijn gevestigd of gekweten, ontheffing verleend, naar aanleiding van een schriftelijk en met redenen omkleed bezwaarschrift dat binnen een termijn van één jaar met ingang van de publicatie van deze wet is ingediend."

Het gaat dus ook hier om een wet met terugwerkende kracht en dus gelden hiervoor de kritieken die ik bij het vorige ontwerp naar voren heb gebracht. Hoe lang loopt de termijn voor mogelijk bezwaar? De regering heropent de termijn van bezwaar, maar voor mij blijkt uit de tekst niet met hoeveel jaar. Misschien komt dat omdat ik, door de vele vergaderingen de jongste weken, aan de discussie hierover in de bevoegde commissie niet heb kunnen deelnemen. Alleszins wil ik van de minister vernemen of de bedoelde termijn nu drie, vijf of meer jaren bedraagt. Wat is de juiste draagwijdte van dit ontwerp?

De heer Didier Reynders, minister van Financiën. - Ik heb die overeenkomst niet bij me. Ik kan niet uit het hoofd zeggen wat de Senaat destijds heeft geratificeerd. Ik zal dat controleren.

Wat de termijn van een jaar betreft, verwijs ik naar het verslag. Ik verander niets aan het antwoord dat mijn vertegenwoordiger in de commissie heeft gegeven. Het is een gebruikelijke termijn voor dat soort operaties. Normaal gezien bedraagt die termijn drie maanden, maar voor de opvolging van overeenkomsten zoals deze, wordt hij verlengd tot een jaar.

Wat de retroactiviteit voor vroegere dienstjaren betreft, wordt in het verdrag bepaald dat inkomsten vanaf 1 januari 1995 in aanmerking komen. Dat is nog geen tien jaar zoals de heer Vandenberghe daarnet zei, maar wel bijna. In de overeenkomst die door de assemblees werd geratificeerd, wordt bepaald dat ze met terugwerkende kracht ingaat op 1 januari 1995. Die overeenkomst werd in september 1996 ondertekend en in mei 2002 goedgekeurd. We wisten toen dat het verdrag met terugwerkende kracht moest worden toegepast vanaf 1 januari 1995.

Ik herhaal dus dat, als we in de toekomst de ratificatie van bepaalde internationale instrumenten kunnen toevertrouwen aan deze assemblee, we er waarschijnlijk in zullen slagen de retroactiviteit te beperken. We zullen ze echter nooit volledig uitschakelen, want de overeenkomst wordt gesloten op basis van een vastgestelde situatie.

Als we misbruiken of ontsporingen willen bestrijden, moeten we de maatregelen wel in werking laten treden zodra ze worden aangekondigd, en niet na afloop van een parlementaire procedure. We hebben dat onlangs nog gedaan ter gelegenheid van de hervorming van de vennootschapsbelasting.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Ik blijf erbij dat mijn vraag belangrijk en pertinent was, aangezien dit ontwerp een nog verdergaande terugwerkende kracht heeft dan het vorige. Om de redenen die ik al heb uiteengezet vind ik dat juridisch zeer problematisch. We moeten blijven zoeken naar wegen om al die dubbele-belastingverdragen binnen het jaar te laten goedkeuren, ten einde een minimale rechtszekerheid te garanderen.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(De tekst aangenomen door de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden is dezelfde als de tekst van het door de Kamer van volksvertegenwoordigers overgezonden ontwerp. Zie stuk Kamer 50-1957/2.)

-De stemming over het wetsontwerp in zijn geheel heeft later plaats.

Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen (Stuk 2-1339) (Evocatieprocedure)

Algemene bespreking

De voorzitter. - De heer de Clippele, rapporteur, verwijst naar zijn verslag.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Men zou zich kunnen afvragen of de toevoeging van acht woorden aan een bestaande wetgeving van die aard is om een tussenkomst in de plenaire vergadering te verantwoorden. Het antwoord is positief. Het voorliggende ontwerp tot wijziging van de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen verdient immers de grootste aandacht. Veiligheid mag geen thema zijn dat we in de handen laten van enkele personen, maar moet de voortdurende bekommernis zijn van het parlement en van de regering.

Met dit ontwerp wil de regering aan de Cel voor Financiële Informatieverwerking de mogelijkheid geven zich door de inlichtingen- en veiligheidsdiensten alle inlichtingen te laten meedelen die ze voor de vervulling van haar opdrachten nuttig acht, zoals bepaald in artikel 15 van de wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld. Hierdoor krijgt de Cel dezelfde behandeling als de gerechtelijke overheden. De regering verantwoordt dit met de stelling dat de cel een gerechtelijke doelgerichtheid heeft omdat ze ernstige aanwijzingen van witwasoperaties die verband houden met zware criminaliteit onderzoekt en aan de Procureur des Konings mededeelt. Ze wordt geleid door een magistraat die van het parket is gedetacheerd en haar leden en personeel zijn aan een versterkt beroepsgeheim onderworpen. De regering beweert dat het ontwerp kadert in het geheel van maatregelen die bestemd zijn om de strijd tegen het terrorisme en de georganiseerde criminaliteit te versterken door een betere opsporing van geldstromen die verband houden met deze criminele activiteiten mogelijk te maken.

De Raad van State stelt in haar advies, dat in het kader van haar taken, de Cel voor Financiële Informatieverwerking krachtens artikel 15, §1 van de wet van 11 januari 1993, alle bijkomende inlichtingen die ze voor de vervulling van haar opdracht nuttig acht kan aanvragen bij de politiediensten en de administratieve diensten van de Staat binnen de door haar bepaalde termijn.

Tot de overheidsinstanties waartoe ze zich richt, behoren onder meer de inlichtingen- en veiligheidsdiensten waarin de wet van 30 november 1998 voorziet. Wanneer de Cel voor Financiële Informatiewerking ernstige aanwijzingen vindt die wijzen op het witwassen van geld brengt zij onder meer de procureur des Konings daarvan op de hoogte zodat er eventueel een rechtsvervolging kan plaatshebben. Bovendien zijn de inlichtingen- en veiligheidsdiensten krachtens de artikelen 19 en 20 van de voormelde wet van 30 november 1998 gemachtigd om samen te werken met de gerechtelijke en administratieve overheden en om hen technische bijstand te verlenen.

De door de inlichtingen- en veiligheidsdiensten ingewonnen informatie wordt naargelang van de inhoud ervan in een bepaald classificatieniveau ondergebracht met toepassing van de artikelen 4 en 5 van de wet van 11 december 1998.

De persoon die toegang wenst te krijgen tot deze geclassificeerde informatie moet beschikken over een veiligheidsmachtiging. Die machtiging wordt echter niet vereist vanwege de gerechtelijke overheden. Voorliggend ontwerp strekt er juist toe de Cel voor Financiële Informatieverwerking vrij te stellen van elke veiligheidsmachtiging.

De Raad van State wijst op de omstandigheid dat bepaalde informatie niet in het strafdossier wordt opgenomen omdat ze geclassificeerd is. Het openbaar ministerie beschikt aldus over informatie waarvan de partijen geen kennis hebben.

Het gevaar bestaat dat het ontwerp dit verschil nog zal accentueren. Het is voor een staat van wezenlijk belang zich uit te rusten met rechtsinstrumenten om de georganiseerde misdaad en meer bepaald de verrichtingen voor het witwassen van geld zo doeltreffend mogelijk te bestrijden, maar de wetgever moet ook een billijk evenwicht handhaven tussen de bescherming van de hogere belangen van de staat en de uitoefening van de fundamentele rechten vanuit het oogpunt onder meer van de artikelen 6 en 8 van het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens.

Het is precies dat punt dat ik onder de aandacht wil brengen. Ik neem aan dat deze assemblee toch enige belangstelling heeft voor deze vraag. De wet van 1998 op de veiligheidsdiensten is inderdaad een belangrijke stap vooruit in de strijd tegen allerhande witwaspraktijken die een meer integrerend deel uitmaken van de georganiseerde criminaliteit in de ruime zin van het woord.

In die zin kan de wet van 1998 beschouwd worden als een aanzet tot noodzakelijke maatregelen om de toenemende georganiseerde criminaliteit efficiënt te bestrijden.

Uit het activiteitenverslag 2001-2002 van de Cel voor Financiële Informatieverwerking blijkt overigens dat het aantal witwasdossiers in de jongste vijf jaar ongeveer verdubbeld is, met een exponentiële groei van de dossiers die te maken hebben met illegale handel in goederen, mensenhandel, prostitutie en terrorisme. Ik wijs erop dat we in Parijs op 7 en 8 februari 2002, op initiatief van de Franse assemblee, een grote internationale bijeenkomst gehad hebben waar we namens de vijftien parlementen van de Europese Unie een resolutie hebben goedgekeurd om de strijd tegen het witwassen van crimineel geld - met inbegrip van terrorisme - veel krachtiger aan te pakken omdat er nog allerlei grenzen zijn die maken dat we het niet kunnen vatten.

In dat perspectief is het ontwerp natuurlijk wel belangrijk, ook met het oog op de snelheid van de transacties. Ik heb in Parijs veel vernomen. Men doet in één dag bijvoorbeeld een betaling over veertig landen.

De juridische procedure aangaande het onderzoek naar de oorsprong en de bestemming van het geld kan tien tot vijftien jaar in beslag nemen omdat voor het verwerven van de informatie voor elk land afzonderlijk de toelating moet worden verworven op basis van een goedgekeurde onderzoeksmaatregel binnen de rechtsorde van elk land. Het verwerven van de toelating voor alle veertig landen afzonderlijk neemt enorm veel tijd in beslag. Door een betaling over dertig of veertig landen te laten circuleren, kunnen financiële transacties op een eenvoudige manier worden witgewassen. Het opzoeken van de oorsprong van een betaling is een juridische hindernissenloop, die zelfs de beste juridische hink-stapspringer voor onoverkomelijke problemen plaatst.

Het doorgeven van informatie van allerlei diensten is een goed middel om de georganiseerde criminaliteit te bestrijden. Met de basisdoelstelling van het ontwerp kan ik instemmen, maar we moeten ons afvragen of het niet vatbaar is voor verbetering.

Ik wil het in dat verband hebben over de artikelen 6 en 8 van het EVRM. Er zouden parallelle dossiers bestaan die informatie bevatten die enkel en alleen toegankelijk is voor degenen die over het veiligheidsattest beschikken. Mijnheer de minister, u herinnert zich ongetwijfeld uit uw vroegere praktijk als advocaat dat er een periode is geweest dat het parket over twee dossiers beschikte: het officiële dossier dat het voorwerp uitmaakte van het publieke debat voor de strafrechter en een dossier dat het parket informatie verschafte inzake andere processen-verbaal die ontlastend waren voor de betichte of dat informatie bevatte waarvan het parket geen gebruik wenste te maken, maar die niet ter beschikking werd gesteld van de verdediging. Ik heb ooit in een belangrijke zaak voor het Hof van Cassatie kunnen aantonen dat er een parallel dossier bestond bij het openbaar ministerie, waarvan ik noch mijn cliënt kennis hadden. Het Hof van Cassatie oordeelde dat het feit dat het openbaar ministerie een strafdossier had dat de advocaat van de betichte niet kende, geen schending was van de wapengelijkheid der procespartijen. Volgens de rechtspraak van het Europees Hof voor de rechten van de mens is l'égalité des armes een van de essentiële elementen van een eerlijk proces. De rechtspraak van de parallelle dossiers waaruit informatie ten laste of ten ontlaste kan worden geput en die niet ter beschikking van de betichte wordt gesteld, is een schending van artikel 6 wanneer de strafmaat moet worden bepaald.

Met dit ontwerp garanderen we de Cel de toegang tot die informatie. De geclassificeerde informatie van de veiligheidsdiensten kan aanleiding geven tot handelingen van strafvervolging. In het verleden werden we geconfronteerd met het fenomeen van de onwettige telefoontap, waarbij strafprocedures werden opgestart op basis van op onwettige wijze verzamelde informatie.

De rechtsstatelijke kwaliteit van de procedure was dus vanaf het begin aangetast. Dit probleem is in het ontwerp niet geregeld. Daarenboven is er een politiek probleem. In het Parlement bestaat een begeleidingscommissie voor de veiligheidsdiensten. Die oefent via het Controlecomité I de controle uit op de veiligheidsdiensten. De afgelopen drie en een half jaar heb ik er altijd op aangedrongen dat de leden van die parlementaire begeleidingscommissie zouden beschikken over de vereiste veiligheidsmachtiging. Wanneer de leden van het Comité I wel beschikken over de veiligheidsmachtiging en wij niet, is er een probleem. Bijna iedere vergadering met het Comité I zijn er rapporten met geclassificeerde documenten waarover we niets weten. Hoe kan de begeleidingscommissie dan ernstig controleren? Volgens de wet van 1998 is dat nochtans haar opdracht, maar door het niet verlenen van een veiligheidsmachtiging wordt dit onmogelijk gemaakt.

Daarnaast is er, nog afgezien van de artikelen 6 en 8 van het EVRM, het probleem van de discriminatie. De leden van de Cel voor financiële informatieverwerking, allen van de rechterlijke macht, krijgen de veiligheidsmachtiging a priori wel. Waarom krijgen de parlementsleden van de begeleidingscommissie, die krachtens de wet de controle moeten uitoefenen op de veiligheidsdiensten, die dan niet? De parlementaire controle kan toch niet worden beperkt, wel worden ingebed. In de VS bestaan er parlementaire commissies die zich met veiligheidsproblemen bezighouden. De leden leggen niet onmiddellijk persverklaringen af na de vergadering.

Zolang het probleem van de veiligheidsmachtiging niet is opgelost, blijft het probleem van de parlementaire controle op de staatsveiligheid bestaan. Ik ben niet wantrouwig, maar een parlementaire controle op deze diensten is belangrijk.

Een veiligheidsmachtiging voor de Cel is goed, maar daarmee is het probleem van de wapengelijkheid en van de procesinformatie niet geregeld. Er zullen meer personen over de informatie kunnen beschikken, maar de leden van de parlementaire begeleidingscommissie kunnen dat tot op heden nog altijd niet. Dit is een tekortkoming.

(Voorzitter: de heer Armand De Decker.)

De heer Didier Reynders, minister van Financiën. - Ik verwijs naar het verslag. In de commissie werd daarover uitvoerig gedebatteerd naar aanleiding van amendementen op dit ontwerp. Ik begrijp wel dat de toegang tot geclassificeerde documenten, door welke overheden ook, nog vragen oproept. Het is uiteraard niet de bedoeling van dit ontwerp om dat probleem op te lossen. Het wil wel een bijkomende overheid creëren naast die welke momenteel reeds kunnen optreden tegen witwaspraktijken.

Ik zou het erg op prijsstellen mocht er in Kamer of Senaat een debat kunnen plaatshebben over de toegang tot geclassificeerde documenten.

De voorzitter. - Ik veronderstel dat het amendement dat de heer Steverlynck heeft ingediend vooral tot doel heeft de regering erop te wijzen dat moet worden voorzien in veiligheidscertificaten voor de leden van het Vast Comité van toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten en de opvolgingscommissie die dezelfde aangelegenheden behandelen. Maar dat moet inderdaad op een andere manier worden geregeld.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(De tekst aangenomen door de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden is dezelfde als de tekst van het door de Kamer van volksvertegenwoordigers overgezonden ontwerp. Zie stuk Kamer 50-1861/3.)

De voorzitter. - De heer Steverlynck heeft amendement 1 ingediend (zie stuk 2-1339/2) dat luidt:

-De stemming over het amendement wordt aangehouden.

-De aangehouden stemming en de stemming over het wetsontwerp in zijn geheel hebben later plaats.

Wetsontwerp betreffende de meerwaarden bij vervreemding van bedrijfsvoertuigen (Stuk 2-1340) (Evocatieprocedure)

Algemene bespreking

De voorzitter. - De heer Ramoudt verwijst naar zijn schriftelijk verslag.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Dit wetsontwerp is een gevolg van de wegblokkades door vrachtwagenchauffeurs in 2000, die ons nog allen voor ogen staan.

Het wetsontwerp voorziet in een vrijstelling van de belastingen op een meerwaarde die tot stand komt bij de vervreemding van een bedrijfsvoertuig als die meerwaarde wordt geherinvesteerd in een milieuvriendelijk bedrijfsvoertuig. Het wetsontwerp kan pas in werking treden bij koninklijk besluit, na goedkeuring door de Europese Commissie. Die goedkeuring werd tegen eind november 2002 verwacht. Ik neem aan dat ze nog niet werd gegeven.

Het ontwerp vereist vier maatregelen:

Ten eerste, een investering in activa, een vrijstelling herwaarderingsmeerwaarde bedrijfsvoertuigen, een nieuw artikel 44bis van het WIB 1992,

Ten tweede, de gespreide taxatiemeerwaarden, de wijziging van artikel 47 van het WIB 1992,

Ten derde, de investeringsaftrek, artikel 68-77 van het WIB 1992,

Ten vierde, de investeringsreserve, nieuw artikel 194quater van het WIB 1992.

De maatregelen een, twee en vier vereisen een investering binnen een bepaalde termijn, die verschilt van geval tot geval en onderverdeeld is in maatregel één en twee, in een termijn bij gedwongen verwezenlijking, bijvoorbeeld bij brand of onteigening, en een termijn bij vrijwillige verwezenlijking van de meerwaarde.

De eerste maatregel, artikel 44bis, luidt: "de herbelegging moet uiterlijk bij de stopzetting van de beroepswerkzaamheid gebeuren en binnen een bepaalde termijn:

1)van een jaar na het verstrijken van het belastbare tijdperk waarin de schadeloosstelling is ontvangen voor meerwaarden vermeld in §1, tweede lid, 1º, en

2)van twee jaar vanaf de eerste dag van het kalenderjaar waarin de meerwaarden vermeld in §1, tweede lid, 2º zijn verwezenlijkt."

De tweede maatregel is die van het gewijzigd artikel 47 §3: "de herbelegging moet uiterlijk bij de stopzetting van de beroepswerkzaamheid gebeuren en binnen een termijn:

1)die verstrijkt na drie jaar volgend op het einde van het belastbare tijdperk waarin de schadeloosstelling is ontvangen voor meerwaarden vermeld in §1, 1º.

2)van drie jaar vanaf de eerste dag van het belastbare tijdperk waarin de meerwaarden vermeld in §1, 2º zijn verwezenlijkt."

Een derde maatregel voorziet in de aanpassing voor de investeringsaftrek en het vierde punt is het nieuwe artikel 194quater: "een bedrag gelijk aan de investeringsreserve moet door de vennootschap worden geïnvesteerd binnen een termijn van drie jaar die aanvangt op de eerste dag van het belastbare tijdperk waarvoor de investeringsreserve is aangelegd en ten laatste bij de ontbinding van de vennootschap". Ik heb daar lezing van gegeven en ik moet vaststellen dat niemand mij heeft kunnen volgen. Dat wilde ik juist aantonen. Al die maatregelen die door de regering worden voorgesteld, zijn bij normale lezing niet te begrijpen. Mijn vraag aan de regering is dus: kan het niet iets eenvoudiger geformuleerd worden? U weet hoe moeilijk het is een belastingwet te lezen. De normale burger die geacht wordt de belastingswetten te kennen, begrijpt er niets van. Ik dacht nochtans dat de paarsgroene meerderheid een echte sociale politiek zou voeren met begrijpelijke wettelijke termen die voor de burger onmiddellijk leesbaar zijn. Zoals u heeft kunnen horen is dat niet zo.

Ik heb twee bezwaren. Het eerste betreft de termijnen. Waarom bepaalt dit wetsontwerp één- en tweejarige termijnen, terwijl in andere gevallen drie jaar wordt voorgeschreven? Is een termijn van één of twee jaar in dit wetsontwerp niet te kort? Wat is de normale leveringstermijn van een vrachtwagen? Is het realistisch dat een vrachtwagen binnen een termijn van een jaar kan besteld en geleverd worden, opdat een belastingplichtige kan voldoen aan de voorwaarden van deze vrijstelling van meerwaarden op bedrijfsvoertuigen? Het gaat om nieuwe, ecologische voertuigen. Mag niet verwacht worden dat de leveringstermijn voor dergelijke bedrijfsvoertuigen langer zal zijn dan de normale leveringstermijn?

Mijn tweede opmerking betreft het begrip `belastbaar tijdperk' in plaats van `kalenderjaar'. In alle gevallen wordt er verwezen naar het belastbaar tijdperk, met uitzonder van dit wetsontwerp, met betrekking tot de vrijwillig verwezenlijkte meerwaarden op bedrijfsvoertuigen. In de personenbelasting valt het belastbaar tijdperk samen met het kalenderjaar. In de praktijk zal er geen verschil zijn. De vrijstelling voor verwezenlijkte meerwaarden op bedrijfsvoertuigen is evenwel tevens van toepassing in de vennootschapsbelasting. Het belastbaar tijdperk in een vennootschapsbelasting varieert naargelang van het boekjaar dat eventueel verkort of verlengd kan worden. Is deze maatregel ook van toepassing op vennootschappen? Waarom wijkt de minister in dit ontwerp af van het gebruikelijke begrip belastbaar tijdperk? Geeft dit geen problemen in de vennootschapsbelasting wanneer zij niet per kalenderjaar boekhouden?

De heer Didier Reynders, minister van Financiën. - Het doel van het ontwerp is inderdaad niet de vereenvoudiging. Het gaat om een gunstige fiscale maatregel voor de vervoerders. De tekst van het ontwerp is een goede tekst, die voorvloeit uit de onderhandelingen met de sector. Het is een belangrijke fiscale maatregel voor een sector met veel mogelijkheden.

We zullen waarschijnlijk nog wel eens fiscale maatregelen moeten nemen. Die zullen niet echt vereenvoudigingen omvatten. Ze zullen zelfs terugwerkende kracht hebben en, zoals in dit geval, voor een groot aantal belastingplichtigen gunstig zijn.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Ik heb geen bezwaar tegen de maatregel, ook niet als hij ingewikkeld is. Ik heb wel bezwaar tegen de ingewikkelde formulering. De kracht van de wetgever is dat hij ingewikkelde zaken eenvoudig kan formuleren. Ik betwist het initiatief zelf niet.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(De tekst aangenomen door de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden is dezelfde als de tekst van het door de Kamer van volksvertegenwoordigers overgezonden ontwerp. Zie stuk Kamer 50-1973/3.)

-De stemming over het wetsontwerp in zijn geheel heeft later plaats.

De voorzitter. - We zetten onze werkzaamheden voort vanmiddag om 15.00 uur.

(De vergadering wordt gesloten om 12.05 uur.)

Berichten van verhindering

Afwezig met bericht van verhindering: de heer Steverlynck, wegens andere plichten.

-Voor kennisgeving aangenomen.