3-183 | Belgische Senaat | 3-183 |
Waarschuwing: de blauwe kleur geeft aan dat het gaat om uit het Frans vertaalde samenvattingen.
Inoverwegingneming van voorstellen
Voorzitter: mevrouw Anne-Marie Lizin
(De vergadering wordt geopend om 15.10 uur.)
De voorzitter. - De heer Albert Blondin heeft aan de Senaat overgezonden een verzoekschrift over de pensioenen uitgekeerd door de Dienst voor Overzeese Sociale Zekerheid.
-Verzonden naar de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden en aan de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.
Bij brief van 27 september 2006 heeft de heer Ronald Parys, burgemeester van Ternat, aan de Senaat overgezonden, een motie met betrekking tot de splitsing van de kieskring Brussel-Halle-Vilvoorde en het gerechtelijk arrondissement Brussel.
-Verzonden naar de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden.
De voorzitter. - De lijst van de in overweging te nemen voorstellen werd rondgedeeld.
Leden die opmerkingen mochten hebben, kunnen die vóór het einde van de vergadering mededelen.
Tenzij er afwijkende suggesties zijn, neem ik aan dat die voorstellen in overweging zijn genomen en verzonden naar de commissies die door het Bureau zijn aangewezen. (Instemming)
(De lijst van de in overweging genomen voorstellen wordt in de bijlage opgenomen.)
Mevrouw Margriet Hermans (VLD). - Het is een hele eer dat België vanaf januari 2007 voor twee jaar lid zal zijn van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties. Naar aanleiding daarvan verklaarde de minister van Buitenlandse Zaken dat België zich onder meer wil inzetten voor de problematiek van de kindsoldaten. Kindsoldaten worden nog altijd ingezet in vele conflictgebieden, helaas niet alleen in de Centraal-Afrikaanse landen, waar ze optreden als strijdkrachten. Zo zouden er in de Democratische Republiek Congo meer dan elfduizend kindsoldaten circuleren, ondanks een ontwapenings- en demobilisatieprogramma van meer dan 200 miljoen dollar. Die kinderen vechten zowel in gewapende milities als bij regeringstroepen, aldus een rapport van Amnesty International. De kinderen worden niet alleen gerekruteerd door de regeringen, ook hun ouders maken geen enkel bezwaar om ze naar die legers te sturen omdat ze hopen daar garanties te krijgen voor hun opvoeding, opvang en dergelijke. Vaak worden kinderen ook gedwongen gerekruteerd door gewapende oppositiegroepen die in strijd tegen de machthebbers elke strijder kunnen gebruiken. Vanuit mensenrechtenperspectief en het Verdrag inzake de Rechten van het Kind is er geen enkel excuus of argument denkbaar om kinderen te misbruiken en te exploiteren als soldaat.
Om al die redenen kreeg ik van de minister graag een antwoord op de volgende vragen.
Welke invulling zal België in de Veiligheidsraad geven aan zijn voornemen om de kindsoldaten te demobiliseren? Welke concrete doelstellingen streeft de minister na en wat is de deadline?
Ook inzake de opvang, verwerking van traumata, herintegratie en heropvoeding van kindsoldaten is een bijzondere inspanning vereist. Ik verneem vandaag dat mevrouw De Temmerman haar initiatief inzake kindsoldatenopvang in Uganda zal ombouwen tot scholing omdat ze oordeelt dat de situatie van de kindsoldaten er verbeterd is. Toch is het een realiteit dat er nog altijd elfduizend kindsoldaten in Afrika zijn.
Welke bijkomende inspanningen zal België doen, onder meer inzake bijkomende budgetten, om de kindsoldaten te demobiliseren?
De heer Karel De Gucht, minister van Buitenlandse Zaken. - Sinds 1999 keurde de VN-Veiligheidsraad een lange reeks aanbevelingen goed inzake de bescherming van kinderen en in het bijzonder van meisjes tegen seksuele uitbuiting in gewapende conflicten, de problematiek van kleine wapens bij aanslepende conflicten en aandacht voor kinderen bij ontwapening, demobilisatie en reïntegratieprogramma's en vredesprocessen.
Sinds 2001 publiceert de secretaris-generaal jaarlijks een lijst van groepen die kindsoldaten inzetten. Die groepen worden door de Veiligheidsresolutie 1612 aangezet tot het onmiddellijk opzetten van concrete in de tijd beperkte actieplannen, die een einde maken aan de schendingen. Alle VN-vredesbewarende operaties en VN-landenteams wordt opgedragen die groepen bij te staan in het uitwerken van de actieplannen. Hiertoe werden monitoring and reporting task forces opgezet met experts van UNICEF, het Department of Peacekeeping Operations (DPKO), het VN-Commissariaat voor vluchtelingen (UNHCR), het UNDP en een aantal centrale NGO's. Die task forces brengen verslag aan de door resolutie 1612 opgezette werkgroep Kinderen en gewapende conflicten van de Veiligheidsraad, waarin ook België vanaf januari 2007 deel zal uitmaken als niet-permanent lid. Mogelijk zal ons land de werkgroep zelfs voorzitten. Hierbij wordt ook nauw samengewerkt met de speciale vertegenwoordiger van de secretaris-generaal voor de problematiek van kinderen en gewapende conflicten.
België zal actief meewerken aan de verdere operationalisering van een toolkit die begin september 2006 werd goedgekeurd. Dat is een lijst van maatregelen die de werkgroep kan nemen in opvolging van een specifiek landenrapport met inbegrip van aanbevelingen aan de Veiligheidsraad zelf. Deze maatregelen gaan van assistentie, bijvoorbeeld capacity building, demarches, verbeteringen van de monitoring, bijsturing of versterking van onder meer vredesoperaties tot de zogenaamde `andere maatregelen', zoals het doorspelen van informatie uit de werkgroep naar de bestaande sanctiecomités.
Mevrouw Margriet Hermans (VLD). - Ik ben blij dat de minister zich persoonlijk engageert en dat er heel wat actoren werden aangesproken om de problematiek aan te pakken, want dat blijft noodzakelijk.
De voorzitter. - Ik stel voor deze mondelinge vragen samen te voegen. (Instemming)
De heer Christian Dupont, minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen, antwoordt.
De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Ik protesteer formeel tegen het feit dat, net zoals vorige week, de minister van Justitie niet aanwezig is om onze vragen te beantwoorden. De minister van Justitie is voortdurend op televisie te zien, maar voor de Senaat, een gekozen constitutioneel orgaan, heeft ze geen tijd. Ik had van de voorzitter van de Senaat meer daadkracht verwacht in de eis om respect van de regering voor deze instelling. In deze regeerperiode zal de houding van de regering niet meer veranderen. Deze regering heeft een totaal gebrek aan democratische ingesteldheid. Ik zal mijn vraag dan ook niet stellen.
Mevrouw Clotilde Nyssens (CDH). - Ik ben het eens met de heer Vandenberghe. We kunnen ons inderdaad afvragen of we in een mediademocratie leven. De problematiek van de strafuitvoeringsrechtbanken is fundamenteel. Na alle faits divers die evenveel inkt als bloed deden vloeien, verwachten de mensen concrete antwoorden.
Vandaag zullen we hierover zeker niet van gedachten kunnen wisselen, maar toch zou ik mijn vraag willen stellen, al was het maar om de inhoud te kennen van het schriftelijke antwoord van de minister.
De Hoge Raad voor de Justitie werd niet opgericht om adviezen uit te brengen, maar wel als een grondwettelijke orgaan tussen de uitvoerende, de wetgevende en de rechterlijke macht. Uit eerbied voor de Raad en voor al wie in de gevangenis meer wil weten over het lot dat hem of haar is beschoren, stel ik dus mijn vraag.
De voorzitter. - Het spreekt vanzelf dat ik mevrouw de minister zal inlichten over de mening van de heer Vandenberghe.
De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Wij hebben allemaal een mening. Wat telt zijn daden.
Mevrouw Clotilde Nyssens (CDH). - De Hoge Raad voor de Justitie heeft woensdag zijn verslag 2005 voorgesteld. Hij heeft heel wat bedenkingen bij de strafuitvoeringsrechtbanken. Hij vreest immers dat ze snel overbelast zullen zijn. Ze zullen een veel groter aantal zaken moeten behandelen zonder dat ze daarvoor extra middelen krijgen. Zelfs de verhoging van het aantal kamers van zes naar negen waartoe de regering op het einde van de begrotingsronde 2007 heeft besloten, stelt de Hoge Raad voor de Justitie niet gerust.
Volgens een lid van het bureau dat wordt geciteerd in de media, zou het takenpakket met 70% stijgen, en dat niet alleen voor de magistraten. Ook de sociale diensten zullen versterkt moeten worden.
Beschikt u al over een volledige formatie magistraten en assessoren? Zal de begroting volstaan om de bevoegdheden inzake sociaal verweer in te vullen?
Verder is er sprake van een stapsgewijze inwerkingtreding. Zijn die stappen al duidelijk uitgewerkt? Zo ja, kunt u ze detailleren?
Tot slot zullen volgens de beleidsverklaring personen die ter beschikking worden gesteld van de regering ook door een strafuitvoeringsrechtbank worden gevolgd. Hoe ver staat het met die hervorming en met de uitvoering ervan?
De heer Christian Dupont, minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen. - Eerst en vooral zou ik mevrouw de minister willen verontschuldigen. Ze is verhinderd wegens verplichtingen in de Kamer.
De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Waarom altijd de Kamer? Ook wij zijn verkozen. De regering is arrogant.
Elk debat wordt onmogelijk door de afwezigheid van de verantwoordelijke minister.
Mevrouw de voorzitter, u zou alles in het werk moeten stellen opdat we hier een echt debat zouden kunnen voeren.
De heer Christian Dupont, minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen. - Ik lees het antwoord van de minister.
Op 1 februari 2007 zullen de strafuitvoeringsrechtbanken daadwerkelijk opgericht worden. Door de wet bij het Parlement in te dienen heeft heel de regering zich ertoe verbonden om de middelen ter beschikking te stellen die de strafuitvoeringsrechtbanken nodig hebben om hun taak naar behoren te vervullen. Namens de minister van Justitie kan ik bevestigen dat dit wel degelijk het geval zal zijn. Tijdens de bespreking van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf werd meer dan eens gesteld dat ze in twee fasen in werking zou treden. De eerste fase betreft de uitvoeringsbepalingen van straffen van meer dan drie jaar.
De zeer aanzienlijke toename van de werklast waarnaar de Hoge Raad van Justitie verwijst, heeft vooral te maken met de straffen van minder dan drie jaar. De bepalingen in verband met die straffen worden echter pas in een tweede fase en ten vroegste begin 2008 uitgevoerd.
In een eerste fase nemen de strafuitvoeringsrechtbanken de huidige opdrachten van de commissies voor voorwaardelijke invrijheidstelling over. Daarnaast zullen ze, voor zover het straffen van meer dan drie jaar betreft, ook bevoegd zijn voor de beperkte detentie, het elektronisch toezicht en de invrijheidstellingen met het oog op de verwijdering uit het land. De werklast zal dus wel degelijk toenemen, maar begin 2007 stijgt ook het aantal kamers van zes naar negen. Momenteel zijn er slechts zes commissies voor voorwaardelijke invrijheidstelling. Het personeel en de begroting nemen dus met 50% toe.
De minister van Justitie wenst tevens te beklemtonen dat de overgang van zes naar negen kamers geen enkel verband houdt met de opname van de commissies voor de bescherming van de maatschappij in de strafuitvoeringsrechtbanken. Voor die eventuele opname zijn er extra financiële middelen nodig, die gevraagd en toegekend werden tijdens het jongste begrotingsconclaaf.
De strafuitvoeringsrechtbanken zullen overigens kunnen rekenen op een meer uitgebreide administratieve ondersteuning dan de commissies voor voorwaardelijke invrijheidstelling. Terwijl elke commissie vandaag over twee administratieve krachten beschikt, zal elke kamer van de strafuitvoeringsrechtbanken over een adjunct-griffier en een bediende beschikken en het openbaar ministerie bij de strafuitvoeringsrechtbank over een adjunct-secretaris. Bovendien hebben we de contractuele bedienden van de huidige commissies een nieuw contract aangeboden zodat hun ervaring niet verloren gaat.
Van bij hun oprichting zullen de strafuitvoeringsrechtbanken kunnen beschikken over het nieuwe softwareprogramma `Surtap' om de dossiers efficiënter te beheren en te volgen. De begroting 2007 voorziet ook in de vereiste middelen om de psychosociale equipes van de strafinrichtingen te versterken en om de justitieassistenten in dienst te nemen die met toepassing van de nieuwe wet nodig zullen zijn om de slachtoffers voor te lichten en de daders te begeleiden.
De oprichting van de strafuitvoeringsrechtbanken vormt een opmerkelijke mijlpaal in onze gerechtelijke geschiedenis en de minister van Justitie deelt met alle betrokken actoren de zorg om de uitvoering van de wet tot een goed einde te brengen. Om die reden werd er naast extra financiële middelen ook voorzien in een permanent overleg met alle betrokken actoren, meer in het bijzonder met de magistraten van de huidige commissie voor voorwaardelijke invrijheidstelling, om de inwerkingtreding van de strafuitvoeringsrechtbanken zo goed mogelijk voor te bereiden. Vrijdag is overigens een nieuwe vergadering gepland.
Tot daar de antwoorden van de minister van Justitie. In mijn ogen komen ze tegemoet aan de bezorgdheid van de vraagstellers.
Mevrouw Clotilde Nyssens (CDH). - Ik neem akte van de voorlezing van het antwoord.
De voorzitter. - De heer Christian Dupont, minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen, antwoordt.
Mevrouw Anke Van dermeersch (VL. BELANG). - Artikel 95 van de kieswet luidt als volgt: `Wie zonder wettige reden afwezig blijft als bijzitter van een kiesbureau, maakt zich schuldig aan een misdrijf dat beteugeld wordt met een geldboete tussen 2.750 en 11.000 euro.'
In België bestaat er stemplicht, maar desondanks komen heel wat kiezers niet opdagen. De artikelen 207 tot 210 van het Kieswetboek voorzien nochtans in een aantal strafbepalingen ter zake.
Van de minister had ik graag vernomen hoeveel wetsdokters de parketten op zondag 8 oktober 2006 hebben uitgestuurd om zieke bijzitters die niet opdaagden te controleren? Kan hij dat cijfer uitsplitsen per gerechtelijk arrondissement of parket?
Bij hoeveel afwezigen werd gecontroleerd of ze al dan niet in staat waren hun plicht na te komen?
In hoeveel gevallen stelde de wetsdokters vast dat de betrokkene daadwerkelijk ziek was?
Hoeveel gecontroleerden weigerden zich te laten onderzoeken door de wetsdokter?
Hoeveel medische verslagen werden overgelegd aan de parketten?
Werden al voorstellen tot minnelijke schikking getroffen? Zo ja, hoeveel?
Welke houding wordt aangenomen ten aanzien van kiezers die niet zijn komen opdagen?
De heer Christian Dupont, minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen. - Ik lees het antwoord van de minister.
De verkiezingen vonden pas plaats op 8 oktober 2006. Het is dus onmogelijk om de zeer gedetailleerde cijfergegevens die de senator vraagt, nu al ter beschikking te stellen.
Ik stel voor dat zij haar vraag op een nuttiger tijdstip stelt of dat ze deze omvormt tot een schriftelijke vraag. Aangezien het om gedetailleerde cijfergegevens gaat, is de laatste oplossing wellicht de beste.
Mevrouw Anke Van dermeersch (VL. BELANG). - Met zulk een antwoord sta ik geen stap verder, want op mijn schriftelijke vragen wordt nooit binnen het jaar geantwoord.
De voorzitter. - De heer Christian Dupont, minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen, antwoordt.
De heer Stefaan Noreilde (VLD). - De regering kondigde in haar beleidsverklaring een nieuw pakket maatregelen aan inzake de internering van psychiatrische delinquenten. Het spreekt voor zich dat die mensen in een gevangenis niet op hun plaats zitten. De regering doet hiermee dan ook een positieve en noodzakelijke stap vooruit. Bovendien zouden op die manier 800 plaatsen vrijkomen in de gevangenissen. In plaats van te verdwijnen, komen er immers 800 ziekenhuisbedden bij, bestemd voor de internering van psychiatrische delinquenten die geen of slechts een gering risico voor de samenleving betekenen.
De gevaarlijke geïnterneerden blijven eerst nog een periode in de gevangenis opgesloten. Later krijgen ze een van de 250 plaatsen toegewezen in de nieuwe instelling voor psychiatrische delinquenten te Gent of een van de 150 in die te Antwerpen.
Van de minister had ik graag vernomen hoeveel psychiatrische delinquenten vandaag in de gevangenis zitten? Worden ze in de periode van vandaag tot aan hun overplaatsing extra begeleid? Is hiervoor een extra bedrag op de begroting uitgetrokken?
Zijn de locaties voor de nieuwe instellingen in Gent en Antwerpen reeds definitief toegewezen. Zo ja, waar? Voor wanneer is de opening van die instellingen gepland?
Welke bedragen zijn er voor de nieuwe instellingen op de begroting uitgetrokken? Zal nieuw personeel worden in dienst genomen of is er enkel sprake van verschuivingen? Over hoeveel voltijdse equivalenten per instelling gaat het?
De heer Christian Dupont, minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen. - Ik lees het antwoord van minister Onkelinx.
Momenteel zitten er 850 psychiatrische delinquenten in de gevangenis. Het gaat om 500 geïnterneerden in Vlaanderen en 350 in Wallonië waarvan 170 in Paifve. Tot voor kort werden de psychiatrische delinquenten behandeld zoals gedetineerden, maar dat is sedert september 2006 niet langer het geval. Ik heb immers multidisciplinaire zorgequipes opgericht in de psychiatrische afdelingen en in de afdelingen sociaal verweer van elke gevangenis. Die equipes bestaan minimaal uit een psycholoog, een maatschappelijk werker, een psychiater, een ergotherapeut, een opvoeder en een psychiatrisch verpleegkundige. Ik heb de hiervoor vereiste bedragen op de begroting vrijgemaakt.
De `Wondelgemse Meersen' zijn definitief toegewezen als locatie voor de instelling in Gent en de Regie der Gebouwen zal de grond nog in 2006 aankopen. De opening is gepland voor 2009.
In Antwerpen is de locatie Stuyvenberg toegewezen. Zodra er duidelijkheid is over de verhuizing van het Stuyvenbergziekenhuis naar de ziekenhuiscampus Noord, kan de verkoop plaatsvinden en kan worden gestart met de bouwwerken.
Over de invulling van de personeelsformatie zullen de departementen Volksgezondheid en Justitie overleg plegen. Ze zullen zich daarbij laten leiden door de personeelsnormen in het zonet opgerichte zorgcircuit. Het is de bedoeling om de ziekenhuiscampus te beveiligen; er zal dus zowel verzorgend als bewakingspersoneel aanwezig zijn.
Mevrouw Nele Jansegers (VL. BELANG). - Enkele dagen terug mochten wij uit de kranten vernemen dat er bij uitgeprocedeerde asielzoekers en illegalen een toenemend verzet groeit tegen hun uitwijzing en dat agressie tegenover hun begeleiders steeds frequenter wordt. Naar verluidt was er drie jaar geleden in één op de 20 gevallen politiebegeleiding noodzakelijk om een uitwijzing tot een goed einde te brengen. Nu zou die in één op de tien gevallen nodig zijn.
Tegelijkertijd vernemen wij van de politievakbonden dat de politiediensten die zich hiermee bezighouden daardoor op verschillende vlakken onder zware druk komen te staan. Er is sprake van een saturatiepunt wat de werkdruk in het algemeen betreft, maar ook van een drastische stijging van het aantal arbeidsongevallen en van zware psychologische druk op de agenten ingevolge de intensieve en permanente controles op hun werkzaamheden.
Hoeveel arbeidsongevallen werden er de voorbije jaren bij deze politiedienst geregistreerd en is het correct dat er een drastische stijging is van het aantal arbeidsongevallen?
Overweegt de minister maatregelen te nemen om deze vicieuze cirkel te doorbreken en een einde te stellen aan de nu al jaren heersende malaise in het uitwijzingsbeleid? Zo ja, welke?
Welke maatregelen worden er genomen om de druk op de agenten te verlichten en om hun veiligheid tijdens het uitvoeren van hun werk te verzekeren?
Welke vliegtuigmaatschappijen staan weigerachtig om illegalen terug naar hun land van herkomst te vervoeren en wordt er iets ondernomen om deze maatschappijen op betere gedachten te brengen? Hoeveel uitwijzingen gebeurden met speciale chartervluchten? Zal hier meer gebruik van worden gemaakt?
De heer Patrick Dewael, vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken. - De luchtvaartpolitie van Zaventem bevestigt dat er inderdaad een stijging werd vastgesteld van het aantal arbeidsongevallen bij het personeel van de dienst die voor repatriëringen instaat. Die tendens is inmiddels gestopt nadat in uitvoering van de aanbevelingen van de commissie-Vermeersch een aantal nieuwe maatregelen werden getroffen. In 2005 werden er 17 arbeidsongevallen geregistreerd. Tot en met september van dit jaar staat de teller op 10. De in de pers aangekondigde stijging van het gebruik van dwang wordt door de Federale Politie ten stelligste tegengesproken. De informatie waar ik momenteel over beschik strookt niet met wat recent in een aantal kranten werd geschreven.
Er zijn al heel wat maatregelen genomen. Ik verwees al naar de aanbevelingen van de commissie-Vermeersch met betrekking tot de politie die vertaald werden in een aangepaste richtlijn. Ik geef u een concreet voorbeeld. De toelating om gebruik te maken van speciale gordels en van bepaalde technieken heeft ertoe geleid dat er minder geweld moet worden gebruikt tegenover eventuele weerspannige personen. Hierdoor lopen de politiemensen veel minder kans op een persoonlijk letsel.
Er werden ook heel wat inspanningen geleverd om de ondankbare en miskende taak waarmee de overheid deze mensen belast beter te omkaderen. Er werd voor gezorgd dat de omstandigheden waarin die taak moet worden uitgevoerd zowel voor hen als voor de te repatriëren personen zo optimaal mogelijk zijn. Ter gelegenheid van de werkzaamheden van de commissie-Vermeersch heb ik de betrokkenen en hun vertegenwoordigers meermaals ontmoet. Dat leidde tot concrete afspraken die ook in de praktijk zijn uitgevoerd.
Er zijn geen luchtvaartmaatschappijen die op algemene wijze weigeren om illegalen terug te brengen naar hun land van herkomst. In individuele gevallen kan een verwijdering met een commerciële vlucht soms niet doorgaan, wegens het verzet van de te verwijderen persoon. Dan weigert de boordcommandant de betrokkene immers vaak de toegang tot zijn toestel. Indien het vertrek met een gewone lijnvlucht niet mogelijk is, wordt er geopteerd voor een `beveiligde' vlucht. Mijn diensten organiseerden dit jaar al 14 dergelijke vluchten en namen ook deel aan een beveiligde vlucht georganiseerd door Nederland en een beveiligde vlucht georganiseerd door Groot-Brittannië. Op die manier werden 133 personen ook effectief gerepatrieerd.
Ik probeer zoveel mogelijk de vrijwillige terugkeer te stimuleren. Wanneer een vreemdeling niet vrijwillig wil vertrekken, rest er geen andere keuze dan de naleving van de wet effectief af te dwingen. Het aantal beveiligde vluchten kan alleen worden verhoogd als alle andere opties falen.
Mevrouw Nele Jansegers (VL. BELANG). - In Het Belang van Limburg van 16 oktober zegt NSPV-woordvoerder Willy Baugniet dat het rapport-Vermeersch voorlopig onaangeroerd blijft en dat er inderdaad een aantal nieuwe dwangmiddelen in gebruik zijn, maar dat bijvoorbeeld het gebruik van de Franse gordel in het rapport wel wordt aanbevolen maar nog niet wettelijk geregeld is. De minister zegt zojuist dat het gebruik ervan werd vastgelegd in een richtlijn. Ik zou daarover graag meer duidelijkheid krijgen.
De heer Patrick Dewael, vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken. - Al de aanbevelingen van de commissie-Vermeersch worden thans in uitvoering gebracht. Er zijn wel meer escortes, maar dat betekent niet dat er meer verzet en meer geweld zou zijn. Dat is alleen het gevolg van het feit dat de aanbevelingen van de commissie-Vermeersch worden uitgevoerd. De commissie-Vermeersch heeft immers aanbevolen meer voorzichtigheid aan de dag te leggen. Dat betekent dat wanneer de veiligheid niet kan worden gewaarborgd in een lijnvlucht, er moet worden overgegaan tot een escorte. Dat was ook de vraag van de politievakbond, die vertegenwoordigd is in de commissie-Vermeersch.
Het detachement federale politie in Zaventem krijgt meer ademruimte, zoals gevraagd. In de begroting 2007 worden in totaal 32 extra agenten toegewezen aan dit detachement.
De heer Lionel Vandenberghe (SP.A-SPIRIT). - Op 27 oktober 2004 heb ik de minister een schriftelijke vraag gesteld over de grootschalige studie naar het succes van extreem rechts die hij in de media had aangekondigd. Op 23 mei 2006, anderhalf jaar later, antwoordde de minister mij dat er nood is aan een echte tolerantiebarometer. Ook de betrokken actoren pleiten nagenoeg unaniem voor zo'n onderzoeksinstrument, waarmee onderzoekers de evolutie van tolerantie in de wijken kunnen meten en dat, indien nodig, als alarm kan fungeren.
Bij de aanvang van dit parlementaire jaar wil ik de minister opnieuw naar de ontwikkeling van deze tolerantiebarometer vragen. De arrestatie op 7 september 2006 van 19 extreemrechtse figuren uit het milieu van Bloed, Bodem, Eer en Trouw wegens xenofobie en wapenbezit en de recente gemeenteraadsverkiezingen, met in verschillende Vlaamse én Waalse gemeenten een vooruitgang van extreem rechtse partijen, tonen duidelijk aan dat deze problematiek meer dan ooit actueel is.
Aan welke onderzoeksinstelling werd de ontwikkeling van de tolerantiebarometer uitbesteed?
Hoever staat dit onderzoek?
Zal deze tolerantiebarometer niet enkel in steden, maar ook in gemeenten bruikbaar zijn?
Wordt er ook onderzoek gedaan naar specifieke oplossingen die kunnen worden aangewend wanneer een alarmerend niveau van intolerantie bereikt wordt, zodat de tolerantiebarometer een echt beleidsinstrument voor de nieuw aan te treden stads- en gemeentebesturen kan zijn?
De heer Christian Dupont, minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen. - Het Centrum voor gelijkheid van kansen en racismebestrijding heeft op mijn vraag, in het kader van het regeringsplan tegen racisme, vreemdelingenhaat en antisemitisme, professor Marc Swyngedouw van de KULeuven en professor Andrea Rea van de ULB gevraagd een verkennende studie uit te voeren over de indicatoren voor het verzamelen van gegevens over xenofobe gevoelens, over de manier waarop die gevoelens tot uiting worden gebracht en over het discriminerend gedrag dat er soms uit voortvloeit.
De studie werd eind juli voltooid en het Centrum werkt nu aan een voorstel tot invoering van een instrument waarmee regelmatig de vinger aan de pols van de Belgische samenleving kan worden gelegd. Dit voorstel zou moeten leiden tot het sluiten van overeenkomsten voor het einde van het jaar.
Ik heb al kredieten gereserveerd voor de invoering van de barometer en ben van plan de ontwikkeling ervan toe te vertrouwen aan universiteiten, die in dit kader zullen samenwerken met het Centrum.
De aanpak die tot op heden werd gevolgd, neigt veeleer naar een algemeen beeld van de stand van zaken inzake racisme en is niet toegespitst op één gemeenschap of één stad. Op vraag van de gemeentebesturen heb ik het Centrum verzocht het voorstel zodanig op te stellen dat het de ontwikkeling van lokale samenwerkingsverbanden mogelijk maakt.
De heer Lionel Vandenberghe (SP.A-SPIRIT). - Ik vind het positief dat de studie eindelijk klaar is. Zal ze ook worden gepubliceerd? Wordt in een latere fase ook de Universiteit Antwerpen bij het project betrokken? Antwerpen heeft immers veel ervaring met deze problematiek.
De heer Christian Dupont, minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen. - De verkennende studie werd toevertrouwd aan de KULeuven en de ULB. Voor de studie zelf wordt een open procedure gevolgd waarvoor alle universiteiten in aanmerking komen.
Mevrouw Erika Thijs (CD&V). - De jongste dagen deden zich opnieuw verschillende gevallen van koolmonoxidevergiftiging voor. Reeds verschillende malen heb ik hierover vragen gesteld. Buiten de CO-foon werden echter nog maar weinig maatregelen genomen.
Hoe ver staat het met het nieuwe registratiesysteem voor intoxicatiegevallen? Zal de minister met de verschillende instanties, zoals brandweer, politie en ziekenhuizen, overleggen om tot een betere registratie te komen?
De FOD Volksgezondheid zou in verschillende talen een algemene sensibilisatiecampagne omtrent CO-vergiftiging moeten opzetten. Niet iedereen kijkt naar het journaal of leest een krant. Vooral kansarme gezinnen hebben, nu het stilaan kouder wordt, met dit probleem te maken.
Ook de huisartsen moeten opmerkzaam zijn voor dit probleem. Is de minister hiervoor bevoegd? Welke initiatieven worden de komende weken genomen?
De heer Rudy Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. - De dienst Gezondheidsmonitoring en het Antigifcentrum hebben de afgelopen dagen of weken geen opvallende onregelmatigheden gemeld.
Het Antigifcentrum staat sinds 1995 in voor de verzameling van gegevens over dit onderwerp. Het registratiesysteem steunt op vragenlijsten ad hoc die jaarlijks naar de spoeddiensten van de ziekenhuizen en naar de diensten voor hyperbare geneeskunde worden verstuurd. De registratiegegevens worden aangevuld met gegevens van dossiers die bij de parketten worden ingediend.
Het meest recente CO-rapport, dat voor 2005, werd in juni voltooid. De evolutie is van jaar tot jaar stabiel. In 2005 werden 1.224 mensen in 576 ongevallen het slachtoffer van een CO-vergiftiging.
Binnen de FOD werd een nieuw systeem voor geïnformatiseerde gegevensverzameling voorbereid. Daar het aantal gevallen van CO-vergiftiging relatief klein is en er geen algemene geïnformatiseerde follow-up van de gegevens op het niveau van de ziekenhuizen is, zou dat systeem bijzonder duur uitvallen. De gegevensverwerking deed ook problemen rijzen met betrekking tot de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.
Ik ben van plan de follow-up van gevallen van CO-vergiftiging te integreren in een algemeen project voor de monitoring van gezondheidgegevens op het niveau van de spoeddiensten. Teneinde de rapportering van de gegevens te optimaliseren wordt momenteel de laatste hand gelegd aan een project voor een sensibilisatiecampagne in de ziekenhuizen, die speciaal gericht is op de slachtoffers en hun familie.
Voor een sensibilisatiecampagne voor het grote publiek zal moeten worden samengewerkt met de gemeenschappen, die voor de preventieve gezondheidszorg bevoegd zijn.
De sensibilisatie van de huisartsen wordt best besproken in de organen die instaan voor de coördinatie van de permanente opleiding van artsen in het kader van de accreditatie.
Mevrouw Erika Thijs (CD&V). - Ik heb de indruk dat de minister gewoon hetzelfde antwoord heeft gegeven als vorig jaar. Verschillende diensten melden me dat bij de ad-hocregistratie niet altijd rekening wordt gehouden met de chronische intoxicatie. Ook vergeet men soms wel eens te registreren. Hierdoor krijgt men een vertekend beeld.
Als de federale overheden en de gemeenschappen constant de bal naar elkaar doorspelen, zal er natuurlijk nooit echt werk van de sensibilisatie worden gemaakt. Ik stel dan ook voor dat de bevoegde departementen eens met elkaar overleggen. Elk jaar vallen in oktober-november en februari-maart ontzettend veel slachtoffers. Sensibilisatie is dus heel belangrijk.
Net zo belangrijk is dat de campagnes in verschillende talen worden opgesteld. Onder de slachtoffers bevinden zich heel wat allochtonen die de waarschuwingen die tijdens een weerbericht worden gegeven, niet altijd begrijpen.
Wie is, ten slotte, bevoegd voor de bepaling van de agenda voor de permanente opleiding van de huisartsen?
De heer Rudy Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. - Ik kan het altijd voorstellen.
Mevrouw Joëlle Kapompolé (PS). - Zowel op federaal als op gewestelijk niveau wordt het debat over maatschappelijke vooruitgang, werkgelegenheid en prestaties gedomineerd door twee indicatoren, namelijk de economische groei, uitgedrukt in groei van het BNP, en het BBP per inwoner.
Rijkdom en welvaart gelijkstellen met het BBP en de prestaties van een gebied gelijkstellen met zijn groei is vatbaar voor kritiek. Groei doet bijvoorbeeld ongelijkheden en armoede niet automatisch afnemen, impliceert niet automatisch vooruitgang op het vlak van onderwijs en gezondheidszorg en gaat vaak gepaard met een hogere druk op het milieu.
Er zijn al talloze studies gemaakt over de mogelijkheid om aan de bestaande indicatoren andere toe te voegen betreffende de belangrijkste aspecten van de menselijke of de duurzame ontwikkeling. Zo zou ik een studie willen citeren die werd verricht voor de Conseil régional du Nord-Pas de Calais en voor het Institut wallon de l'évaluation, de la prospective et de la statistique (Waals Instituut voor evaluatie, toekomstverwachting en statistiek), die de aandacht vestigt op drie indicatoren: de HDI, Human Development Index of index voor menselijke ontwikkeling, de HPI, Human Poverty Index of de menselijke armoede-index en de GEM, Gender Empowerment Measure.
Het Federaal Planbureau heeft als bijlage bij het derde Federaal Rapport inzake Duurzame Ontwikkeling een tabel met indicatoren voor duurzame ontwikkeling gepubliceerd.
Vrijdag jongstleden heeft de Federale Raad voor Duurzame Ontwikkeling overigens een symposium over dat thema georganiseerd, waaraan mevrouw de staatssecretaris heeft deelgenomen.
Hoe denkt de regering daarover? Wil ze vooruitgang boeken op dat vlak? Welke synergieën worden met de deelgebieden uitgewerkt?
Mevrouw Els Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van Begroting en Overheidsbedrijven. - Deze discussie loopt al lang, en niet alleen in België. Een van de discussiepunten is of men een samengestelde alternatieve index moet gebruiken dan wel een reeks van sleutelindicatoren.
In het eerste geval kunnen we denken aan de indices die vraagstelster heeft geciteerd en die voor alle landen werden berekend door het UNDP. Er bestaan nog andere samengestelde indices zoals de Index of Sustainable Economic Welfare (ISEW), de Ecologische Voetafdruk, enzovoorts. Natuurlijk dekken die indicatoren ofwel niet alle pijlers van de duurzame ontwikkeling, ofwel gaat er bij hun samenstelling informatie verloren.
Daarom wordt op intranationaal en internationaal niveau vaak gebruik gemaakt van een reeks indicatoren die alle pijlers van de duurzame ontwikkeling dekken en voldoende specifiek blijven.
Vraagstelster heeft zelf verwezen naar het derde verslag van de Federale Raad voor Duurzame Ontwikkeling, maar op andere bestuursniveaus worden gewoonlijk andere methoden gebruikt. Dat onderwerp werd ook aangesneden op het forum `Redefining prosperity: een duurzame visie op groei en consumptie', dat op 13 oktober jongstleden werd georganiseerd door de Federale Raad voor Duurzame Ontwikkeling.
Mevrouw Kapompolé heeft aan het forum deelgenomen, maar ik nodig haar uit om ook kennis te nemen van de verschillende bijdragen in het schriftelijke verslag.
Op haar eerste vraag kan ik antwoorden dat momenteel in twee verschillende fora initiatieven worden genomen.
Enerzijds werk ik, in samenwerking met de gewesten en de gemeenschappen, aan een gemeenschappelijk referentiekader dat past in de federale strategie voor duurzame ontwikkeling. Anderzijds verwijs ik naar de resolutie die werd goedgekeurd door de Senaat en waarin wordt voorgesteld om een reeks sleutelindicatoren voor duurzame ontwikkeling goed te keuren.
De adviezen van de Federale Raad voor Duurzame Ontwikkeling liggen aan de basis van de participatieve methode waarop de uitwerking van die initiatieven steunt.
In antwoord op de tweede vraag kan ik bevestigen dat de regering voortaan over het derde Federale Rapport inzake Duurzame Ontwikkeling kan beschikken om haar beleid te oriënteren.
De regering gebruikt ook een systeem van monitoring om na te gaan of de maatregelen van het federaal plan daadwerkelijk zijn genomen. Dat systeem werd ontwikkeld door de Interdepartementale Commissie voor Duurzame Ontwikkeling. Naar alle waarschijnlijkheid zal de discussie over de vraag of naast een reeks van sleutelindicatoren ook een alternatieve index moet worden ingevoerd, ook in de komende jaren worden voortgezet. Voortaan worden die indicatoren vaak als educatief instrument in het debat gebruikt.
Mevrouw Christel Geerts (SP.A-SPIRIT). - Onlangs werd in het Waasland kennis genomen van de nieuwe NMBS-dienstregeling. Die gaat in vanaf 10 december 2006 en is heel wat slechter dan voordien.
Ik geef enkele voorbeelden. De spreiding van de treinen tussen Gent en Antwerpen wordt slechter. Nu bedraagt de wachttijd tussen twee opeenvolgende IC-treinen in beide richtingen maximaal 34 minuten. In het ontwerp van nieuwe dienstregeling is dat 40 minuten. Bijna alle reistijden vanuit Sint-Niklaas naar bestemmingen voorbij Antwerpen, richting Hasselt, Herentals en Nederland, duren langer. Reizigers van Sint-Niklaas richting Brussel moeten nog steeds 14 minuten wachten in Dendermonde. De rechtstreekse verbinding tussen Sint-Niklaas en Brussel is niet alleen te weinig frequent, maar duurt bovendien voor amper 50 km niet minder dan 67 minuten.
Herhaaldelijk werd gewezen op de slechte treinbediening vanuit Sint-Niklaas. Diverse acties werden ondernomen en er werd heel wat papier vol geschreven om de slechte bediening uitvoerig met cijfers te illustreren.
Toen de nieuwe dienstregeling bekend raakte, was de verbazing dan ook groot. De gemeenteraad van Sint-Niklaas zal daar trouwens nog de nodige ruchtbaarheid aan geven. We hadden op zijn minst gerekend op een begin van inhaaloperatie, maar niets is minder waar. Het Waasland wordt nog slechter bediend dan voorheen. De ongelukkig gekozen uurregeling zal leiden tot een onaantrekkelijke dienstregeling op deze belangrijke spoorwegas in Vlaanderen, tot een ongelijkmatige bezetting van de treinen en langere reistijden voor de reizigers.
De roep naar een goede verbinding met Brussel klinkt weer luid en er wordt ook voorgesteld om de dienstregeling te verbeteren door een extra treinserie, zodat de wachttijden korter worden.
Op basis van welke criteria kwam die nieuwe dienstregeling tot stand? Waarom wordt ten opzichte van deze regio niet remediërend opgetreden? Kan deze nieuwe dienstregeling nog worden geëvalueerd en gewijzigd?
De heer Bruno Tuybens, staatssecretaris voor Overheidsbedrijven, toegevoegd aan de minister van Begroting en Consumentenzaken. - Het opstellen van dienstregelingen is een bijzonder moeilijke klus, omdat met heel wat factoren, zoals werkzaamheden aan de infrastructuur, te realiseren aansluitingen en het beschikbaar treinmateriaal, rekening moet worden gehouden. Door de dichtheid van het spoorwegnet en de onderlinge interacties durven beduidende verbeteringen op een bepaalde plaats van het net elders wel eens anders uit te draaien. Een mooi voorbeeld hiervan is de ingebruikneming van het viersporige baanvak tussen Leuven en Brussel, waardoor de commerciële snelheid van de IC A-treinen, Eupen/Leuven/Brussel/Gent/Oostende vergroot en de treinen vroeger in Gent aankomen. Dit maakte het echter ook noodzakelijk de dienstregeling van de IC G-treinen Antwerpen/Gent/Oostende aan te passen.
De NMBS wil profiteren van de nieuwe infrastructuren die de infrastructuurbeheerder Infrabel in december 2006 ter beschikking stelt. Denk maar aan de viersporen Leuven/Brussel, de bocht van Leuven of de vier sporen Halle/Brussel.
Verder werd er aandacht besteed aan de uitbreiding van het aanbod, vooral voor de pendelaars, en aan het aanbieden, waar mogelijk, van commerciële reistijden, opnieuw vooral voor de pendelaars. Met de huidige spoorinfrastructuur en de aan de gang zijnde grote infrastructuurwerken was het spoortechnisch niet mogelijk vanuit de regio Waasland een beter presterende treindienst te bieden.
Dienstregelingen zijn in principe één jaar geldig. In december 2007 start de aanleg van het derde en vierde spoor op lijn 50A, meer bepaald tussen Denderleeuw en Brussel. Deze belangrijke infrastructuurwerken zullen een ruime impact hebben op alle treinverbindingen. De dienstregelingen van de verschillende gecadanceerde treinen en piekuurtreinen zullen vanaf december 2007 opnieuw gewijzigd worden. De huidige toestand is dus geldig voor een overgangsperiode van één jaar. De dienstregeling december 2007 zal vermoedelijk een oplossing bieden voor een deel van de hier opgeworpen bezwaren.
Mevrouw Christel Geerts (SP.A-SPIRIT). - Dat het opstellen van dienstregelingen een gigantisch moeilijke klus is, kan ik me wel voorstellen. Toch vind ik dat een zwak argument om de systematisch slechte bediening van de regio Waasland van de tafel te vegen. De staatssecretaris moet toch toegeven dat het niet normaal is dat we van de 70 minuten die het ons kost om in Brussel te geraken, bijna een kwartier in Dendermonde stil staan. Dat staat toch haaks op wat we van het openbaar vervoer mogen verwachten. De staatssecretaris verwees meermaals naar de pendelaars. Mijn vraag werd vooral geïnspireerd door die vele werknemers die dagelijks van Sint-Niklaas naar Brussel pendelen.
Ik hoop dat de spoortechnische ingrepen die de staatssecretaris in het vooruitzicht stelt voor Sint-Niklaas inderdaad een verbetering zullen inhouden. Toch denk ik dat er ook een dosis goede wil nodig is om komaf te maken met de slechte bediening van onze regio.
(Voor de tekst aangenomen door de commissie voor de Institutionele Aangelegenheden, zie stuk 3-1853/2.)
De heer Hugo Vandenberghe (CD&V), corapporteur. - Ik verwijs naar mijn schriftelijk verslag.
De voorzitter. - De heer Happart verwijst naar zijn schriftelijk verslag.
De heer Hugo Vandenberghe (CD&V), corapporteur. - Ik geef het standpunt van CD&V. Het `belangenconflict' rond de Vlaamse huisvestingscode moet uiteraard correct worden geïnterpreteerd. CD&V is van oordeel dat er geen belangenconflict is en dat we daarom ook geen standpunt moeten innemen.
We stellen vast dat de Waalse partners, noch de regeringen en parlementen van het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschap, hebben aangegeven welk belangenconflict er precies bestaat. Er worden juridische argumenten aangehaald, zoals de bescherming van het privéleven of het discriminatieverbod, maar collega Delpérée heeft tijdens de discussie in de commissie erkend dat juridische overwegingen hier niet ter zake doen.
De heer Francis Delpérée (CDH). - Dat heb ik niet gezegd. Ik heb me alleen uitgesproken over het politieke aspect omdat we het over een belangenconflict hadden. Ik heb het niet over het juridische probleem gehad. Er kan niet worden beweerd dat dit niet bestaat.
De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - U hebt mijn woorden verkeerd begrepen. Ik heb benadrukt dat u hebt gezegd dat het juridische aspect geen rol speelt in een belangenconflict. Dat is trouwens wat ook ik in de commissie heb verklaard.
Andere leden van de meerderheid, zoals mevrouw de T' Serclaes zijn wel de juridische toer opgegaan door te stellen dat het belangenconflict een juridisch conflict is.
Als de Senaat met de regeling van een belangenconflict belast wordt en er is enig sérieux, dan zou men van de Waalse regering, de Franse Gemeenschapsregering, het Waals Parlement of het Parlement van de Franse Gemeenschap toch een geschreven nota mogen verwachten. Als een advocaat een zaak aan de rechtbank wil voorleggen, moet hij dat met een geschreven stuk doen. In Bantoelanden is dat niet zo, maar in de Westerse cultuur wel.
Ik ga niet in op het debat ten gronde; de taalvereiste die met het oog op een integratiepolitiek in de Vlaamse wooncode is opgenomen. Dat is in wezen de bevoegdheid van de Vlaamse gekozenen. Waar mensen samenleven, is het volgens mij terecht dat ernaar wordt gestreefd dat ze elkaars taal verstaan en de taal waarin de bevoegde overheid mededelingen doet aan het publiek opdat burenruzies niet zouden uitgroeien tot communautaire problemen. We kunnen de stappen van de Vlaamse regering vergelijken met de eisen die de Nederlandse regering-Balkenende oplegt in het kader van de integratiepolitiek of met die van de deelstaat Baden-Württemberg, waar het begrip Leitkultur wordt gehanteerd en nieuwkomers verondersteld worden een aantal grote Duitsers te kennen. Ook Nederland kent een cultuurherleving. Maandag werd de canon van de Nederlandse geschiedenis voorgesteld, vijftig ijkpunten die elke inwoner van het land zou moeten kennen.
We moeten leren leven met de vaststelling dat er verschillende opvattingen kunnen bestaan, maar ook dat er normen zijn, dat men zich moet integreren en dat men bereid moet zijn in verscheidenheid samen te leven.
CD&V vindt dit belangenconflict achterhaald. Het is niet meer van deze tijd. Er is niets verkeerds aan dat er in een bepaald gebied een bepaalde taal moet worden gesproken. Dat is in vele landen het geval. Het is ook niet zo dat het gebruik van andere talen in de privésfeer in Vlaanderen niet mogelijk is. De voorwaarden van het Vlaamse decreet moeten juist worden geïnterpreteerd. Men mag er geen karikatuur van maken.
Ik stel vast dat niemand de exclusieve bevoegdheid ter zake van het Vlaamse Gewest betwist. De juridische argumenten waarop men beweert te steunen, zijn naar mijn oordeel in het advies van de Raad van State heel overtuigend weerlegd. Wie het daar niet mee eens is, is uiteraard gerechtigd de zaak aan de bevoegde rechterlijke instanties voor te leggen, zodat die kunnen oordelen of er een schending is van het gelijkheidsbeginsel of van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.
De paarse regering heeft de afgelopen zeven jaar heel wat wetten laten goedkeuren die veel dieper in het privéleven ingrijpen dan deze heel bescheiden formule die de Vlaamse regering voorstelt.
Ten slotte herinner ik eraan dat artikel 143 van de Grondwet de procedure vastlegt voor de voorkoming en de regeling van belangenconflicten, zowel tussen wetgevende vergaderingen als tussen verschillende regeringen. Terecht wordt gesteld dat de bijzondere wetgever in gebreke is gebleven door die bepalingen niet uit te voeren, zodat de meest fantaisistische incidenten in een belangenconflict worden verkleed. In dit geval bestaat er niet eens een geschreven stuk. Ik zou dus niet weten waarover we precies een debat moeten voeren. Een parlement dat een belangenconflict inroept, zou toch ten minste moeten aantonen dat het niet lichtzinnig handelt op basis van een of andere ingeving van het ogenblik, zeker wanneer de minister van Justitie advocaten die bij vergissing een procedure te veel hebben aangespannen, doet veroordelen tot fabuleuze administratieve boetes.
Kortom, de CD&V-fractie zal instemmen met de conclusie van de commissie. Voor ons bestaat er geen belangenconflict en dus kan de Senaat ook niet in gebreke gebleven zijn.
De heer Philippe Mahoux (PS). - Ik hoor dat de heer Vandenberghe de Franstaligen en hun vertegenwoordigers in het parlement als Bantoes beschouwt.
Dat is beledigend, zowel voor de Franstaligen als voor de Bantoes. Maar dat ligt in de lijn van het misprijzen voor de Franstaligen dat de voorzitter van zijn partij onlangs heeft geuit.
Ik kom tot de kern van het probleem. (Onderbrekingen van de heer Vandenberghe) Ik heb duidelijk gehoord wat u hebt gezegd, mijnheer Vandenberghe.
Ik kom dus tot de kern van het probleem. Artikel 143 van de Grondwet ... (Onderbrekingen van de heer Vandenberghe) Ik heb u goed gehoord, mijnheer Vandenberghe. Het ligt in de lijn van wat u en uw partij geregeld over de Franstaligen beweren. (Onderbrekingen van de heer Vandenberghe) Mevrouw de voorzitter, mag ik voortgaan?
De heer Hugo Vandenberghe (CD&V) (persoonlijk feit). - Ik blijf bij wat ik heb gezegd. De heer Mahoux is overigens niet de man om mij de les te lezen. Hij zou minstens de inspanning kunnen doen om de twee landstalen te leren, voordat hij iemand wil leren hoe een uiteenzetting te begrijpen.
De heer Philippe Mahoux (PS). - Artikel 143 van de Grondwet belast de Senaat met de organisatie van een politiek overleg over kwesties die de belangen van één van de gemeenschappen van dit land in het gedrang brengen en met het zoeken van mogelijke politieke oplossingen te zoeken.
Ik stel vast dat de Senaat nu voor de eerste keer geen gemotiveerd advies aan het Overlegcomité kan geven. Ik ga niet zover om te zeggen dat de Senaat hier blijk geeft van onmacht, zoals sommigen in de pers hebben geschreven. Het is wel juist dat het niet mogelijk bleek in de Senaat eensgezindheid te bereiken over standpunten die, zoals men juist kon horen, diametraal tegenover elkaar staan.
In de commissie kwamen de standpunten ruim aan bod, wat heeft geleid tot de vaststelling dat een consensus niet mogelijk was. Men moet dus vaststellen dat het zonder een paritaire Senaat erg moeilijk is eensgezindheid te bereiken, tenzij men meent dat het mogelijk is dat de Senaat zich over dat soort problemen kan uitspreken volgens de meerderheidsregel. Dat gaat in tegen de onpartijdige rol die de Senaat in die gevallen moet vervullen.
Er bestaat een echte blokkering. De standpunten van de gemeenschappen lopen zo sterk uiteen dat er blijkbaar geen enkele politieke oplossing voor het belangenconflict in de Senaat kan worden gevonden.
Toch bestaat volgens ons dat belangenconflict wel degelijk, terwijl de Nederlandstaligen niet inzien in welke zin dat ontwerp van decreet, dat aan huurders van een sociale woning oplegt Nederlands te leren, de belangen van de Franstaligen zou kunnen schaden.
Er kan over de grond van het probleem worden gepraat, namelijk of het politiek of ethisch gerechtvaardigd is taalkennis op te leggen om een woning te krijgen. Volgens mij is dat uiteraard niet aanvaardbaar, maar daarover gaat de discussie niet.
De vraag is of de belangen van de Franstaligen worden geschaad. Volgens ons worden die belangen ernstig geschaad, omdat dit ontwerp een inbreuk vormt op de taalfaciliteiten. Het is moeilijk om in deze assemblee een consensus te bereiken over dat onderwerp, aangezien de standpunten daarover diametraal tegenover elkaar staan.
Zoals de Raad van State heeft gezegd, kan de taalbereidheid niet worden opgelegd aan huurders van sociale woningen op het grondgebied van de gemeenten met een bijzonder taalstatuut. Door de taalfaciliteiten hebben die mensen het recht zich in het Frans tot hun verhuurder te wenden.
Het doel van het ontwerp, een goede communicatie tussen verhuurder en huurder tot stand brengen, is op die manier bereikt. De door sommigen stelselmatig geuite stelling dat de taalfaciliteiten een voorlopige toestand vormen, wordt dus impliciet op de helling gezet - en die term is nog zwak.
Bovendien voorziet het ontwerp van decreet voor de kandidaat-huurder enkel in de verplichting zijn bereidheid te tonen om Nederlands te leren. De Vlaamse Regering is dan bevoegd om de regels vast te stellen op basis waarvan kan worden nagegaan of aan die verplichting wordt voldaan. Wat gebeurt er als die verplichting niet wordt nagekomen? Hoe wordt dat gedefinieerd? Opnieuw rijst het probleem van de Franstaligen van de gemeenten met een bijzonder taalstatuut. Het belangenconflict hangt samen met de situatie van die mensen.
De bevoegdheid ter zake is dus veel te ruim en er mag, zoals de Raad van State preciseert, geen afbreuk worden gedaan aan de grondrechten en in het bijzonder aan het recht op behoorlijke huisvesting, dat in artikel 23 van de Grondwet wordt gewaarborgd. Toch is dit niet het onderwerp van de discussie.
Ik wijs er ook op dat die toe-eigening van bevoegdheid elke parlementaire controle onmogelijk maakt, met name wanneer het erom gaat het respect voor de rechten van de Franstaligen in de gemeenten met taalfaciliteiten te waarborgen.
Het is onaanvaardbaar dat, door gebruik te maken van haar bevoegdheden inzake huisvesting, de Vlaamse Regering een doel nastreeft dat zij slechts kan bereiken door de taalfaciliteiten op de helling te zetten, namelijk door de integratie van niet-Belgen in Vlaanderen, de homogenisering van de bevolking van het Vlaamse Gewest en de strijd tegen de verfransing van de rand.
Dat zijn de woorden van minister Keulen. De clausule van de taalbereidheid moet uit de bepalingen met betrekking tot de kandidaat-huurders die in gemeenten met taalfaciliteiten en in de taalgrensgemeenten wonen, worden verwijderd om een einde stellen aan de schending van de rechten van de Franstaligen.
Dit standpunt is volledig in tegenspraak met dat van andere collega's van de Senaat. We kunnen dus alleen maar vaststellen dat het inderdaad onmogelijk is tot een oplossing te komen.
De heer Joris Van Hauthem (VL. BELANG). - Het betoog van de heer Mahoux toont duidelijk aan dat wie het Nederlands niet beheerst, niet begrijpt waarover het decreet gaat. Uit zijn betoog blijkt dat hij het decreet niet eens heeft gelezen. Het decreet gaat immers niet over de faciliteitengemeenten; op die gemeenten heeft de regeling geen betrekking. Het is dus manifest onjuist te beweren dat de rechten van de Franstaligen in de faciliteitengemeenten worden aangetast.
Van de Senaat wordt een gemotiveerd advies aan het Overlegcomité verwacht. Dat is bizar, want het Overlegcomité heeft die zaak al behandeld in maart 2006. De verschillende regeringen hebben toen evenmin een consensus gevonden. Het Waals Parlement en het Parlement van de Franse Gemeenschap hebben er dan maar niets beter op gevonden dan een belangenconflict in te roepen tegen het decreet, meer bepaald tegen de maatregel die erin bestaat dat wie in Vlaanderen een sociale huur- of koopwoning wil, tenminste aantoont dat hij bereid is Nederlands te leren, iets wat overigens gratis kan. De maatregel wordt in het zuiden van het land aangegrepen om een rel te ontketenen en om het decreet als `assimilatiepolitiek' van de Vlaamse regering te bestempelen. Dat is flauwekul! Naast inkomensgrenzen wordt enkel als voorwaarde gesteld dat de aanvrager bereid is de taal te leren van de regio waar hij zich komt vestigen. Wat kan daar tegenin worden gebracht? Juridisch gezien is er een belangenconflict omdat drie vierden van het Waals Parlement en het Parlement van de Franse Gemeenschap gezegd hebben dat er volgens hen een belangenconflict bestaat. Maar in onze ogen bestaat er geen belangenconflict. Op welk punt zijn de belangen van de Franse Gemeenschap en van het Waals gewest geschaad? De Franse Gemeenschap ziet zichzelf niet alleen als de vertegenwoordiger van de Franstaligen in Wallonië en in Brussel - wat ze constitutioneel is - maar ook als de vertegenwoordiger van de Franstaligen in heel België. Die opstelling hebben we al gezien bij vorige belangenconflicten en zelfs bij procedures voor het Arbitragehof. Ze wordt expliciet vermeld in een aantal arresten van het Arbitragehof, onder meer in de zaak Carrefour. Dat is uiteraard institutionele nonsens, maar het wordt wel als een politiek argument gebruikt.
Toen de drie parlementen een eerste keer over dit punt hebben vergaderd in de Senaat, werd gewag gemaakt van schending van de Grondwet en zelfs van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.
Als dat het standpunt van de Franstalige collega's is, wat houdt hen dan tegen om naar de Raad van State te stappen en te eisen dat de partijfinanciering wordt afgenomen van alle partijen die de Vlaamse wooncode in het Vlaams Parlement durven goed te keuren en aldus het EVRM schenden? Op die vraag zal ik wellicht geen antwoord krijgen.
Zowel tijdens de ontmoeting met de drie parlementen als in onze commissie werd het argument ingeroepen dat de Raad van State heel duidelijk heeft gesteld dat in deze aangelegenheid geen enkel probleem rijst. Volgens de Raad van State gaat het ten eerste om een maatregel inzake huisvesting - een bevoegdheid van het Vlaamse Gewest - en bestaat er ten tweede geen grondwettelijk probleem. In de commissie moesten we daarenboven vaststellen dat mevrouw de T' Serclaes een vertaling vroeg van het advies van de Raad van State, wellicht omdat ze het niet begreep, zoals ook de heer Mahoux het decreet niet verstaat.
Waarmee zijn we dan bezig? Is het dan niet nuttig kandidaat-huurders van een sociale woning ertoe aan te zetten de taal te leren van de streek waar ze gaan wonen?
Tijdens de korte bespreking in de commissie heeft zowel de heer Roelants als de heer Delpérée verklaard dat de Senaat de consensus die moet uitmonden in een gemotiveerd advies, onmogelijk kan bewerkstellingen omdat hij niet paritair is samengesteld! Blijkbaar wordt vooruitgelopen op de samenstelling van de nieuwe Senaat na de volgende verkiezingen! Mensen van CD&V en mijnheer Yves Leterme, weet wat u te wachten staat als u met paars wil regeren! Voor de pariteit passen wij in elk geval!
De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - U mag geen intentieproces voeren, mijnheer Van Hauthem. Wij zullen niet zwichten.
De heer Joris Van Hauthem (VL. BELANG). - Ik voer geen intentieproces tegen u, mijnheer Vandenberghe, ik stel alleen vast welke intenties sommigen hier hebben. Zij volgen de dwaze redenering dat als de Senaat niet paritair is samengesteld, hij de gemeenschappen onmogelijk met elkaar kan verzoenen.
Net als vele voorgaande, toont dit belangenconflict aan dat de Senaat inderdaad niet kan trancheren en geen consensus kan bewerkstellingen. Dat vaststellen vind ik op zich een goede zaak.
Laten we wel wezen, de obstructie van het Waals Parlement en van het Parlement van de Franse Gemeenschap tegen de Vlaamse Wooncode heeft niets te maken met het EVRM, noch met de Grondwet, maar alles met een bepaalde politieke filosofie van de Franstaligen die zich opstellen als een overal te beschermen minderheid.
Als ik sommige Franstaligen bezig hoor, dan begin ik te geloven dat ze zelfs op de Fiji-eilanden in het Frans behandeld zouden moeten worden, mochten ze zich daar ooit vestigen.
De heer Francis Delpérée (CDH). - Na de Bantoe is Fiji aan de beurt.
De heer Joris Van Hauthem (VL. BELANG). - Mijnheer Delpérée, ik heb familie in Wallonië, in Spanje, in New York, in Brazilië en in Argentinië. Ze hebben allemaal de taal geleerd van het land waar ze zich hebben gevestigd. Ze hebben niet geëist in hun moedertaal te worden behandeld.
Franstaligen die zich bij ons komen vestigen, zien er geen graten in om zich in het openbare leven van de Franse taal te bedienen.
Ten zuiden van de taalgrens zou men toch eens moeten nadenken.
In Halle-Vilvoorde, waarover het voor de Franstaligen blijkbaar toch gaat, is de werkloosheid - gelukkig - zeer laag, maar 37 procent van de werklozen in Halle-Vilvoorde zijn wel Franstaligen. De voornaamste reden van hun werkloosheid is precies die gebrekkige kennis van het Nederlands.
Ik neem aan dat wie in de sociale huisvesting terechtkomt niet tot de economisch sterken hoort.
Wanneer de Vlaamse regering dan beslist om, weliswaar als voorwaarde om een sociale woning te kunnen huren, een incentive te geven om de taal te leren, zodat die mensen ook meer kansen hebben op de arbeidsmarkt, oordelen de Franstaligen dat dit niet hoeft. De obstructie door het Waals Parlement en het Parlement van de Franse Gemeenschap is ingegeven door communautaire koorts, maar is ook asociaal en antisociaal.
De Franstaligen in de rand wensen zich niet aan te passen. Ze huldigen nog altijd de filosofie dat niemand hun iets kan maken. Naar aanleiding van de voorbije gemeenteraads- en provincieraadsverkiezingen heb ik, in Lennik dan nog wel, Franstalige pamfletten van de Union francophone in de bus gekregen, met een voorwoord van de heer Reynders, voorzitter van de MR, maar tot nader order ook nog altijd vice-premier en minister van Institutionele Hervormingen. Hij eindigt zijn voorwoord, bestemd voor de kiezers van Halle-Vilvoorde, met de woorden: `s'il y a une patrie à donner aux francophones, s'il y a une patrie à leur faire aimer, c'est une patrie francophone, une Belgique francophone'. Met andere woorden: la Belgique sera latine ou ne sera pas!
De obstructie van het Waals Parlement en van het Parlement van de Franse Gemeenschap is een pure politieke obstructie. Ik ben het dan ook eens met het besluit van onze commissie, namelijk dat het geen zin meer heeft dat de Senaat een gemotiveerd advies bezorgt aan het Overlegcomité. De Senaat is inderdaad niet in staat een consensus te vinden, want volgens de heer Mahoux komt consensus er immers op neer dat de betwiste bepaling uit de wooncode moet worden geschrapt. Dat is de enige consensus die de Franstaligen kennen. Ik ben dan ook blij dat de Senaat wat dat betreft geen consensus gevonden heeft, dat we niet de volle termijn van 30 dagen hebben uitgeput, dat het dossier nu snel naar het Overlegcomité gaat en dat de bepaling nadien snel door het Vlaams Parlement kan worden goedgekeurd.
De heer Francis Delpérée (CDH). - We moeten vandaag een gemotiveerd advies geven over het belangenconflict waartoe de Vlaamse Wooncode aanleiding heeft gegeven.
Ik zal slechts twee opmerkingen formuleren. De eerste betreft de teksten die ter zake van toepassing zijn. De andere heeft betrekking op de context van het dossier waarover we ons moeten uitspreken.
Er is ten eerste - de heer Mahoux heeft eraan herinnerd - artikel 143 van de Grondwet dat bepaalt dat de Senaat bij wege van gemotiveerd advies uitspraak doet over belangenconflicten tussen de vergaderingen die wetgevend optreden bij wege van wet, decreet of ordonnantie, onder de voorwaarden en op een wijze die een bijzondere wet vaststelt.
Ik heb in de commissie al gezegd dat dit een merkwaardige grondwettelijke bepaling is. De Grondwet bepaalt dat de Senaat moet tussenkomen bij de preventie en regeling van belangenconflicten. Iedereen weet echter dat de Senaat geen paritaire instelling is. Hoe is een echte arbitrage mogelijk tussen de componenten van een Senaat als die niet op gelijke voet staan of wanneer er, op zijn minst, binnen de Senaat geen orgaan met een gelijkwaardige samenstelling bestaat? Dat is een eerste vaststelling.
Tweede eigenaardigheid. Volgens de Grondwet moet de Senaat een gemotiveerd advies geven, maar ze definieert de bestemmeling van dat advies niet. De Grondwet zegt evenmin waarover dit advies moet gaan. Moet de Senaat zich uitspreken over het bestaan van dit conflict of moet hij oplossingen uitwerken voor de regeling ervan?
Andere eigenaardigheid. Men zou kunnen denken dat een bijzondere wet tot hervorming der instellingen - dat staat in artikel 143 van de Grondwet - die voorwaarden zou preciseren. Er bestaat daarover echter geen bijzondere wet en er staat daarover niets in de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen. Dat is een anomalie. Artikel 143 leidt een slapend bestaan. Daarom heeft de gewone wetgever enkele procedurevoorwaarden vastgelegd.
De tweede tekst is de gewone wet van 9 augustus 1980 tot hervorming der instellingen. Daarin staat bijzonder bondig wanneer de Senaat moet optreden en op welke wijze hij dat moet doen.
De gewone wet kan uiteraard binnen de Senaat geen paritair orgaan instellen voor de behandeling van belangenconflicten. Daarom is de procedure van de gewone wet van geen tel voor de Franse Gemeenschap en, a fortiori, voor het Waalse en Brusselse Gewest.
Nochtans heeft de gewone wet een verdienste. Ze bepaalt wie de bestemmeling van het advies is, namelijk het Overlegcomité. Dat zal op paritaire wijze kennis nemen van het conflict. Daarentegen spreekt de gewone wet zich niet uit over de aard van het gemotiveerd advies dat de Senaat moet uitbrengen. Gaat het over het bestaan of over de inhoud van het conflict? Moet er een regeling van het conflict worden voorgesteld of moeten eventueel amendementen worden voorgesteld voor het ontwerp van decreet, naar het voorbeeld van de alarmbelprocedure waarvan sprake is in een ander Grondwetsartikel? Dat blijft een mysterie.
In werkelijkheid fungeert de Senaat als een filter. Als hij tot een consensus kan komen, des te beter, zo niet, dan is dat jammer.
Het Overlegcomité zal dus voldoende verbeelding aan de dag moeten leggen om tot een oplossing te komen.
Ik kom nu tot de context van het dossier.
De Senaat moet zich niet uitspreken over een bevoegdheidsconflict, maar over een belangenconflict. Bevoegdheidsconflicten dienen te worden behandeld door de Raad van State of door het Arbitragehof. Dat sluit niet uit dat er een juridisch probleem kan rijzen, maar dat is niet het onderwerp van het debat van vandaag.
Toch moet ik vaststellen dat er een belangenconflict is, en dat om een eenvoudige reden. Het feit dat het Vlaamse Gewest restrictieve maatregelen neemt inzake sociale huisvesting, dreigt gevolgen te hebben voor de twee andere gewesten. De mensen wier aanvraag voor een sociale woning door het Vlaamse Gewest werd verworpen, zouden zich tot het Waalse of Brusselse gewest kunnen richten om hun naam aan de eindeloze lijst van aanvragers voor een sociale woning te laten toevoegen.
Ik ben altijd verheugd dat iemand de taal van zijn buur en van de andere inwoners van het land leert, dat iemand vreemde talen spreekt - ik kan me niet voorstellen dat iemand in deze assemblee daar tegen zou zijn -, voor zover er geen sprake is van expliciete of verdoken dwang. Ik kan enkel toejuichen dat iemand zich integreert in de gemeenschap waarin hij leeft, voor zover er geen sprake is van gedwongen assimilatie. Ik begrijp dan ook niet dat er volgens de auteurs van het ontwerp van decreet een band moet bestaan tussen het aanleren van een taal en, voor zover mogelijk, op termijn de kennis van die taal, en het verkrijgen van een sociale woning. Er ontbreekt een schakel. De integratie van bewoners van een sociale woning gebeurt niet door de overheid, maar via de relaties tussen particulieren.
Sommige uitlatingen die ik tijdens een ontmoeting van parlementaire delegaties heb opgevangen, zijn enigszins angstaanjagend. Een parlementslid van een democratische partij aarzelde niet om te zeggen dat voor de `optimale ontwikkeling van gemeenschapszin het gebruik van een gemeenschappelijke taal vereist is'. Dat is werkelijke een archaïsche visie op het sociale leven.
Ik betreur dat de Senaat niet in staat is een gemotiveerd advies uit te brengen, bij te dragen aan het kalmeren van de geesten en de uitwerking van evenwichtige oplossingen. Ik ben echter een realist en ik meen dat het voor het ogenblik beter is geen olie op het vuur te gooien.
De CDH-fractie zal voor de conclusie van de commissie stemmen, niet omdat er geen belangenconflict bestaat, maar omdat het belangenconflict niet binnen deze assemblee kan worden opgelost.
De heer Lionel Vandenberghe (SP.A-SPIRIT). - Ik zal niet herhalen wat in de commissie al werd gezegd. Ik zal ook proberen niet te veel in te gaan op wat hier al werd gezegd.
Iedereen wist vooraf in welke situatie wij zouden terechtkomen. In onze assemblee hebben gemeenschapssenatoren zitting, die toch niet tegen een decreet van hun eigen assemblee kunnen stemmen. We zijn ook allemaal in een eigen kiesgebied gekozen.
Het juridische probleem moet niet hier worden besproken, maar toch werden hier al veel juridische argumenten gehanteerd.
De Vlaamse wooncode is eigenlijk een goed bedoelde regeling om aan de noden van bepaalde sociaal achtergestelde bevolkingsgroepen tegemoet te komen. Vanuit een sociaal engagement zijn wij verplicht die mensen te helpen.
Het is de bedoeling betaalbare woningen ter beschikking te stellen van wie het minder breed heeft. Als het om anderstaligen gaat, hebben die mensen bovendien nog aanpassingsproblemen. Het Vlaams Parlement heeft ook een inburgeringsdecreet aangenomen, waardoor mensen van allerlei origine de kans krijgen zich in onze contreien gemakkelijker aan te passen. De Vlaamse overheid wil de mensen daarin bijstaan. Daar is niets mis mee.
Wanneer men een samenleving wil opbouwen en een goede verstandhouding tussen de mensen tot stand wil brengen, moet men toch met elkaar kunnen praten. Het is van belang dat buren de taal van de streek kunnen spreken, zeker als het gaat om de kleine ongemakken van het samenleven in een wijk of appartementsgebouw.
In kwetsbare groepen zijn er ook meer werklozen, vaak jongeren. Zij geraken minder gemakkelijk aan de slag als ze de taal onvoldoende kennen. Kinderen van anderstalige gezinnen presteren minder goed op school vanwege de taalachterstand.
De Vlaamse regering trekt aanzienlijke budgetten uit zodat anderstaligen gratis lessen Nederlands kunnen volgen. We zijn ervan overtuigd dat het aanleren van de streektaal het samenleven bevordert en ingaat tegen de veelbesproken verzuring van de maatschappij.
De maatregel om aan de huurder een engagement te vragen om de taal te leren kan niemand toch als een misdrijf beschouwen? Meer nog, wie zich hiertegen verzet, schaadt de belangen van een precaire bevolkingsgroep, die juist alle hulp kan gebruiken. Wat is er mis met de verplichting om aan te tonen dat men bereid is Nederlands te leren? Men moet geen spoken zien!
In het leerproces is de motivatie heel belangrijk. Belonen bevordert het leren. Wie echt een sociale woning wil, zal ook bereid zijn te verklaren dat hij de taal wil leren. Het huren van een woning wordt in het vooruitzicht gesteld voor wie bereid is om de streektaal te leren. Zo simpel is het. Wat is daar verkeerd aan? Waar is het probleem, collega's?
-De bespreking is gesloten.
-De stemming over de conclusie van de commissie heeft later plaats.
De voorzitter. - De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken, antwoordt.
De heer Jan Steverlynck (CD&V). - De Europese Commissie heeft onlangs bekendgemaakt niet akkoord te gaan met de bronheffing op dividenden die aan buitenlandse vennootschappen worden uitgekeerd. Die bronheffing valt weg voor betalingen van dividenden aan binnenlandse vennootschappen. Hierdoor wordt één van de basisregels van de interne markt overtreden. Lidstaten mogen bedrijven van andere lidstaten immers niet zwaarder belasten dan hun eigen bedrijven.
De regering had tot eind september de tijd om een afdoend antwoord te bezorgen aan de Commissie. Volstaat dit antwoord niet, dan kan de Commissie de zaak aanhangig maken bij het Europees Hof van Justitie.
Hoeveel ontving de Staat aan bronheffing op dividenden die aan buitenlandse bedrijven werden uitgekeerd in 2003, 2004 en 2005?
Welk antwoord zal de minister geven aan de Europese Commissie?
Wanneer zal deze bronheffing effectief worden afgeschaft of overweegt de minister een gelijkaardige belasting op dividendbetalingen aan binnenlandse vennootschappen?
De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken. - Ik lees het antwoord van minister Reynders.
De statistieken waarover de Administratie van de Invordering beschikt, laten geen opsplitsing toe van de bronheffing op dividenden volgens de aard van de vennootschap waaraan ze worden uitgekeerd.
België gaat niet akkoord met het standpunt van de Europese Commissie inzake bronheffing op dividendbetalingen aan buitenlandse moedermaatschappijen die gevestigd zijn in de Europese Unie of in de Europese Economische Ruimte. Deze kwestie zal dus worden voorgelegd aan het Europees Hof van Justitie.
Gezien de geleidelijke afbouw van de winstdelingsvoeten waarin wordt voorzien door de moeder-dochterrichtlijn, zal het probleem met ingang van 1 januari 2009 opgelost zijn zonder dat de Belgische wetgever dient op te treden.
De heer Jan Steverlynck (CD&V). - Het antwoord verwijst naar 2009. Er is echter nog geen oplossing voor 2007 en 2008. Ik verneem nu dat de regering de wet niet zal wijzigen en dus minstens twee jaar in overtreding is.
(De naamlijsten worden in de bijlage opgenomen.)
De voorzitter. - Wij stemmen over de conclusie van de commissie, die voorstelt geen gemotiveerd advies uit te brengen aan het Overlegcomité.
Stemming 1
Aanwezig: 52
Voor: 51
Tegen: 0
Onthoudingen: 1
-De conclusie van de commissie is aangenomen.
-Ze zal worden medegedeeld aan de eerste minister, aan de voorzitter van het Vlaams Parlement, aan de voorzitter van het Waals Parlement en aan de voorzitter van het Parlement van de Franse Gemeenschap.
De voorzitter. - Het Bureau stelt voor volgende week deze agenda voor:
Donderdag 26 oktober 2006 om 15 uur
Inoverwegingneming van voorstellen.
Actualiteitendebat en mondelinge vragen.
Wetsontwerp tot wijziging van artikel 46bis van het Wetboek van Strafvordering; Stuk 3-1824/1 tot 4.
Voorstel van resolutie over de positie van oudere vrouwen (van mevrouw Christel Geerts c.s.); Stuk 3-1589/1 tot 6.
Vanaf 17 uur: Naamstemmingen over de afgehandelde agendapunten in hun geheel.
Vragen om uitleg:
-De Senaat is het eens met deze regeling van de werkzaamheden.
De voorzitter. - Ik stel voor deze vragen om uitleg samen te voegen. (Instemming)
De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken, antwoordt.
Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Het pensioenstelsel van de DOSZ was oorspronkelijk gebaseerd op het kapitalisatieprincipe. Tegelijkertijd werden de gestorte bijdragen aan de hand van een bepaalde coëfficiënt geherwaardeerd. Het uiteindelijk uitbetaalde pensioen varieert naargelang van een aantal criteria.
De conclusies van een audit van de overzeese sociale zekerheid door het Rekenhof zijn allesbehalve positief: de financiële toestand van het stelsel is precair. Het Rekenhof wijst ook de regering als verantwoordelijke aan: `Gedurende verscheidene jaren heeft de regering immers de DOSZ ertoe verplicht zijn kapitaal aan te spreken om de betaling van de sociale prestaties te financieren en heeft ze niet de subsidies gestort waartoe ze volgens de wet verplicht was.'
Om aan de bevindingen van het Rekenhof tegemoet te komen, heeft de regering in de programmawet van 20 juli 2006 een aantal maatregelen opgenomen die middels uitvoeringsbesluiten uiterlijk tegen einde december 2006 in werking zouden moeten treden.
De programmawet bevat een aantal evidenties zoals de gelijkschakeling man-vrouw en de stroomlijning van de pensioengerechtigde leeftijd. De jongste weken hebben de enkele tienduizenden toekomstige rechthebbenden echter heel wat kritiek geuit. Ze zijn ten zeerste verontrust over een aantal herzieningen per koninklijk besluit inzake revalorisering, rentevoetberekening en indexering. Die besluiten laten op zich wachten. Hierdoor zijn de rechthebbenden niet in staat om de oude en nieuwe schalen met elkaar te vergelijken zodat eenieder een weloverwogen keuze kan maken. Sowieso zullen de maatregelen een vermindering van de nog niet opgenomen pensioenrechten tot gevolg hebben. Daarom vraagt men om deze schalen zo snel mogelijk te publiceren en ook om de nodige overgangsmaatregelen te nemen, temeer omdat er op politiek niveau nog geen beslissing is genomen over de toekomst van de DOSZ.
De DOSZ werd oorspronkelijk opgericht als een instrument van het Belgische buitenlandse beleid en had als doel de bevordering van de Belgische Economische expansie. Uiteraard gaat het hoofdzakelijk om mensen die ontwikkelingswerk in het Zuiden verrichten zoals de coöperanten of economische opdrachten vervullen in overzeese gebieden. Om die reden ligt de bevoegdheid over de DOSZ bij verschillende ministers.
Welke lijn volgde de regering bij de uitwerking van de bepalingen van de programmawet van 20 juli 2006? Is de minister van Ontwikkelingssamenwerking bij de uitwerking van de wetsbepalingen betrokken geweest?
In de sector van de internationale samenwerking is heel wat beroering ontstaan. Het is opvallend dat de belanghebbenden op generlei wijze worden betrokken bij de uitwerking van een dergelijke ingrijpende hervorming. Nu werd de hervorming sluiks in een programmawet opgenomen.
Wanneer zullen de uitvoeringsbesluiten worden gepubliceerd? Zal hierover met de sector worden overlegd?
Blijven de in het verleden opgebouwde pensioenrechten integraal gevrijwaard, inclusief voor de DOSZ-aangeslotenen die pas op 65 jaar hun rechten opnemen?
Om welke reden is de regering gekant tegen een overgangsperiode? Welke houding neemt de minister van Ontwikkelingssamenwerking in deze aan?
Is de minister bereid om alle beslissingen over het DOSZ te nemen en de in het verleden aangegane verplichtingen te honoreren in nauw overleg met het parlement en de sociale partners?
Welke rol is in de toekomst nog weggelegd voor de DOSZ?
De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - De programmawet die op 28 juli jongstleden in het Belgisch Staatsblad verscheen, verandert grondig de wetgeving die de door de Dienst voor Overzeese Sociale Zekerheid uitgekeerde pensioenen regelt en dit vanaf 1 januari 2007.
Hierbij gaat het om de wet van 16 juni 1960 betreffende de prestaties geleverd tijdens de koloniale periode, maar vooral om de wet van 17 juli 1963 voor de prestaties geleverd door de ontwikkelingswerkers, zowel uitgestuurd door de Staat als door de NGO's, en van privéwerknemers na de onafhankelijkheid van Congo, Rwanda en Burundi.
Bovenvermelde wetswijzigingen gaan terug op een verslag van het Rekenhof van 15 februari 2006. Daarin lees ik onder meer: `Het stelsel is in de loop der jaren uitgegroeid tot een kapitalisatiesysteem, zonder dat echter activa voorhanden zijn voor het dekken van de wiskundige reserves. Gedurende verscheidene jaren heeft de regering immers de DOSZ ertoe verplicht zijn kapitaal aan te spreken om de betaling van de sociale prestaties te financieren en heeft ze niet de subsidies gestort waartoe ze volgens de wet verplicht was.'
Ook volgende passage is van belang: `Het Rekenhof stelt vast dat de huidige financieringswijze de zelfregulering niet in de hand werkt.'
De DOSZ werd opgericht als een instrument van het Belgische buitenlandse beleid en het bevorderen van de Belgische economische expansie. Het verslag van het Rekenhof bevestigt dit met evenveel woorden.
Wanneer de aanpassingen opgenomen in de programmawet evidenties bevatten, zoals de gelijkschakeling van man en vrouw en het stroomlijnen van de pensioengerechtigde leeftijd met wat gangbaar is in andere Belgische pensioenstelsels, is het verontrustend dat per koninklijk besluit ook herzieningen inzake revalorisering, rentevoetberekening en indexering in het vooruitzicht worden gesteld. Een en ander zal een vermindering van de nog niet opgenomen pensioenrechten tot gevolg hebben, niettegenstaande ze in het verleden werden opgebouwd.
De in het verleden opgebouwde pensioenrechten dienen als een uitgesteld loon te worden beschouwd en de dienvolgens in het vooruitzicht gestelde uitkeringen dienen onverkort gerespecteerd te blijven.
Een tewerkstelling in het buitenland bracht meestal mee dat, in tegenstelling tot de Belgische situatie, slechts één van de partners erin slaagde een beroepsactiviteit uit te oefenen, zodat het overgrote deel van de uitkeringstrekkers terugvalt op één pensioen.
Kan de minister mij mededelen of hij, in het licht van deze opmerkingen, een meer redelijke houding in het vooruitzicht kan stellen?
De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken. - Ik zal eerst het antwoord op de vraag van mevrouw de Bethune voorlezen want de tekst van dat antwoord is de meest volledige en bevat elementen die ook de heer Vandenberghe interesseren.
Met de wet van 20 juli 2006 wordt een grondige hervorming ingevoerd van de pensioenregeling in de overzeese sociale zekerheid. Deze hervorming was noodzakelijk om juridisch-sociale redenen, zoals de gelijkheid van man en vrouw en loopbaanvereisten die gelijk moeten lopen met deze die gangbaar zijn in België, evenals om markteconomische redenen.
Met deze wet heeft de wetgever de Koning de bevoegdheid gegeven om dit laatste aspect te realiseren. Wel moet de wetgever deze besluiten binnen het jaar bekrachtigen.
Voor ik nader inga op de vragen, wens ik te benadrukken dat het niet om een besparingsoperatie gaat. De reglementaire wijzigingen komen tegemoet aan de aanbevelingen in de audit van het Rekenhof, maar worden ook afgestemd op de geest van het vorig jaar gesloten Generatiepact. Daarbij wordt gedacht aan overgangsmaatregelen, die rekening houden met bepaalde verworven rechten.
Op het ogenblik wordt besproken welke maatregelen moeten worden genomen en hoe ze in koninklijke besluiten zullen worden omgezet.
Aangezien we ons nog in de voorbereidende fase bevinden, is het nog niet mogelijk details te geven. De leidraad voor de maatregelen kan, met het nodige voorbehoud, als volgt worden samengevat.
De verworven rechten inzake verworven kapitaal en herwaardering blijven gewaarborgd. `Verworven rechten' moeten we in de eerste plaats begrijpen als de rechten van de verzekerden die reeds een pensioen krijgen.
Daarbij zullen ook verworven rechten gelden voor de verzekerden ouder dan 55 jaar die bijdragen hebben gestort vóór 1 januari 2007. Voor hen zal de huidige berekeningswijze worden voortgezet voor de berekening van het pensioen op basis van de bijdragen die vóór deze datum werden gestort. Voor de berekening van het pensioen op basis van de bijdragen gestort na deze datum zullen de nieuwe reglementaire bepalingen worden toegepast.
Voor wie jonger is dan 55 zijn de verworven rechten op datum van 31 december 2006 eveneens gegarandeerd, maar zal de volledige toekomstige pensioenopbouw, zowel voor de nieuwe als voor de toekomstige evolutie van de op 31 december 2006 verworven rechten, verlopen volgens de nieuwe regels.
In dit verband vestig ik er wel de aandacht op dat er in geen geval zal worden afgeweken van de nieuwe pensioenleeftijd die met ingang van 1 januari 2007 op 65 jaar is vastgelegd. Een vervroegd pensioen opnemen blijft vanaf 1 januari 2007 dus enkel mogelijk vanaf de leeftijd van 60 jaar.
Wat de nieuwe berekeningswijze van het pensioen betreft, zullen voor de bijdragen gestort vanaf 1 januari 2007 nieuwe mortaliteitstabellen en een nieuwe rentevoet worden gehanteerd. Afhankelijk van deze rentevoet moet nog worden bepaald of er al dan niet een herwaardering komt.
Het begrip `uitgesteld loon' kan in deze materie geen betekenis hebben, omdat de pensioenrechten zijn opgebouwd op basis van forfaitaire rechten, vastgesteld door de wet, die geen enkele binding hebben met het verdiende loon.
Voor alle duidelijkheid voeg ik er nog aan toe dat dit een voorstel is waarover we overleg zullen plegen met de sociale partners en de NGO's. Over dit alles hebben we overigens al contact gehad met de sociale partners en vertegenwoordigers van de NGO's. Bij de verdere uitvoering zullen we dit ook blijven doen.
Evenwel zal, zoals zowel in de bijlage bij het auditrapport van het Rekenhof als in de gemeenschappelijke brief van de minister van Sociale Zaken wordt aangegeven, eerlang een regeringscommissaris bij de DOSZ worden aangesteld. Hij zal een analyse maken van het reglementaire kader en de economische en sociale context waarbinnen de DOSZ actief is. Daarbij zal hij voorstellen uitwerken met betrekking tot de toekomstige positionering, taakinvullingen en de werkwijze van de DOSZ. Hij zal ook een raming moeten maken van mogelijke budgettaire, sociale en organisatorische gevolgen van deze voorstellen. De arbeidsvoorwaarden van het personeel en de instelling zullen in geen geval worden aangetast. Ten slotte zal de commissaris in voorkomend geval de implementatie leiden van de in aanmerking genomen voorstellen.
Ik hoop de hervorming tegen nieuwjaar 2007 rond te krijgen. De DOSZ zal in de loop van de maand november een communicatiecampagne opzetten voor de betrokkenen.
Het is niet mijn bedoeling om ook het indexeringmechanisme, bedoeld in de wet van 16 juni 1960 betreffende de koloniale sociale zekerheid, te wijzigen.
Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Ik zal het debat niet ten gronde voeren, want ik stel vast dat de bevoegde minister hier niet durft te verschijnen.
Dat men dergelijke maatregelen in de programmawet heeft opgenomen, vind ik onbehoorlijk. Nooit werd bij de artikelen in kwestie toegelicht dat het de bedoeling was een dergelijke maatregel te nemen. Men heeft geen overleg gepleegd met de sector. Op die manier is een paniekgolf ontstaan in de NGO-sector, de privésector, de sector van de internationale ambtenaren en missionarissen. Een bijkomend element is dat de meeste mensen in het buitenland verblijven en moeite hebben om de juiste informatie te krijgen.
Er kan onmogelijk aan de opgebouwde pensioenrechten worden geraakt.
Bij de berekeningen moet men rekening houden met de menselijke factor en de specifieke context. Vele mensen hebben voor een internationale loopbaan gekozen. Vaak gaat het om een lucratieve carrière, maar dikwijls zijn het ook risicovolle loopbanen, een speciaal engagement of een roeping om zich solidair met anderen in een ander deel van de wereld in te zetten. Bij het maken van die keuze hebben deze mensen zekerheid gevonden in een stabiel pensioenstelsel. Bij velen was dit trouwens determinerend voor hun loopbaankeuze. Vaak heeft de partner ook de eigen loopbaan moeten onderbreken. Wanneer men de komende weken en maanden de bepalingen gaat concretiseren, moet men rekening houden met de specificiteit en de risico's van de sector.
De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Jammer genoeg kunnen we over deze kwestie niet met de minister in debat gaan. Louter voor het verslag wil ik toch het volgende zeggen. Ik kan het volstrekt niet eens zijn met de bewering van de minister dat een pensioen geen uitgesteld loon is voor personen met een dergelijke loopbaan. We zullen aan de sociale organisaties in België meedelen dat de regering pensioenrechten beschouwt als giften en dat degene die ze geeft, ze op ieder ogenblik weer kan terugnemen. In het oude recht gold altijd: `donner et retenir ne vaut'. Nochtans is dat wat de regering hier komt zeggen.
De voorzitter. - De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken, antwoordt.
De heer Jan Steverlynck (CD&V). - De regering heeft al meermaals verkondigd dat ze de intentie heeft om België aantrekkelijk te maken voor bedrijfspensioenfondsen.
Op 13 juli 2006 werd het wetsontwerp betreffende het toezicht op de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening door de Kamer aangenomen. Het regeringsinitiatief volgde op de vraag tot omzetting van de Europese richtlijn inzake het toezicht op de instellingen voor bedrijfspensioenvoorzieningen. De regering maakte van de gelegenheid gebruik om de Belgische wetgeving concurrentieel te maken met de instellingen van landen als Ierland, Luxemburg, Nederland en Groot-Brittannië.
Niet alleen over de manier waarop het wetsontwerp in het parlement werd aangenomen - de regering diende na de indiening nog meer dan honderd amendementen in voor de oprichting van een nieuw juridisch vehikel - maar ook over de te beperkte inhoud rijzen er vele vragen.
Naast het prudentieel toezicht en het juridische kader via een nieuwe rechtsvorm is een nieuwe fiscale gunstige regeling een absolute voorwaarde om de concurrentiekracht van ons land aan te scherpen en multinationale bedrijven aan te trekken die hier hun pensioenfonds willen vestigen. Er is immers sterke concurrentie van landen als Ierland en Luxemburg. Omdat pensioenfondsen die in ons land worden opgericht, vermogensbeheerders, de banksector en ook de tewerkstelling ten goede komen, blijf ik aandringen op een snelle en efficiënte uitvoering van maatregelen die de fiscale aantrekkelijkheid van ons land op dat vlak bevorderen.
Een aantrekkelijk fiscaal statuut dat internationaal herkenbare elementen bevat, is daarbij een must. Een goed uitgangspunt zou hierbij het fiscaal regime van een instelling voor collectieve belegging kunnen zijn, zonder dat het fonds op zich een instelling voor collectieve belegging of ICB hoeft te worden.
Tot op heden nam de regering geen enkel initiatief op fiscaal vlak, hoewel ik via verschillende parlementaire vragen reeds meermaals naar een wetgevend fiscaal initiatief vroeg.
In zijn antwoord op mijn vraag om uitleg over de concurrentiepositie van België als vestigingsplaats voor pan-Europese pensioenfondsen deelde de minister mee dat een interkabinettenwerkgroep een wetsontwerp bespreekt dat binnen afzienbare termijn bij het parlement zal worden ingediend. Op de vraag over het geplande fiscaal regime kreeg ik echter geen afdoend antwoord. Op 27 april stelde ik opnieuw een parlementaire vraag. Een afdoend antwoord kwam er weer niet. De Ministerraad van 21 en 22 maart 2004 belastte nochtans de ministers van Financiën, van Pensioenen en van Economie met het bijeenroepen van een werkgroep om te onderzoeken hoe België zich kan profileren als vestigingsplaats voor pan-Europese pensioenfondsen. Over eventuele resultaten van die werkgroep werd nooit iets vernomen.
In het reeds vermelde wetsontwerp was er blijkbaar geen ruimte voor het fiscale hoofdstuk.
Ik was dan ook verwonderd in De Tijd meermaals te lezen dat de regering met de goedkeuring van het ontwerp op 13 juli een nieuwe, fiscaal vriendelijke wetgeving uittekende om de fondsen van grote buitenlandse bedrijven in België te verankeren en nieuwe pensioenfondsen aan te trekken, terwijl er op fiscaal vlak in dit ontwerp eigenlijk niets is voorzien.
Ten slotte beloofde de regering in een antwoord op een parlementaire vraag van collega Erika Thijs een omvattend pakket van promotie-initiatieven inzake het Belgische IBP-beleid uit te werken. De regering beloofde dat de initiatieven klaar zouden zijn tegen de budgettaire controle van juli 2006.
Waarom nam de minister tot op heden geen initiatieven op fiscaal vlak?
Waarom wordt via de media voortdurend verkeerde informatie verspreid, namelijk dat er een allesomvattend wettelijk kader is, terwijl op fiscaal vlak door het parlement nog niets werd goedgekeurd?
Waarom werd in het wetsontwerp dat op 13 juli 2006 in de Kamer werd goedgekeurd geen fiscaal hoofdstuk ingebouwd? Dat had perfect gekund, indien de regering reeds initiatieven had genomen. Ze diende trouwens honderden amendementen in over het juridisch statuut.
Welke concrete fiscale maatregelen zal de regering nemen om de pan-Europese pensioenfondsen te stimuleren?
Wanneer zal de regering deze fiscale maatregelen nemen?
Heeft de regering al de beloofde promotie-initiatieven uitgewerkt en hoe zien die eruit?
De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken. - Ik lees het antwoord van minister Reynders.
Op 20 juli 2006 werd een voorontwerp van wet betreffende het fiscale regime van de organismen voor de financiering van de pensioenen en van de instellingen voor de pensioenen goedgekeurd. Dit voorontwerp is aan de Raad van State gezonden. Eerstdaags zal de Raad van State haar definitief advies ter zake uitbrengen en zal onverwijld een wetsontwerp bij de Kamer worden ingediend.
De heer Jan Steverlynck (CD&V). - Dit antwoord is wat mager. Er is blijkbaar een initiatief genomen, maar op mijn vraag over welke concrete maatregelen genomen zijn, blijft de minister het antwoord schuldig. Hij antwoordt evenmin op de vraag over de beloofde promotie-initiatieven. De minister antwoordde nochtans op een vraag van collega Thijs dat na de begrotingsopmaak concrete maatregelen konden worden getroffen. De regering wenst blijkbaar niet te antwoorden op mijn concrete vragen over de fiscale regeling van de pensioenfondsen. Deze vragen zijn nochtans uitermate belangrijk voor de multinationale bedrijven die in ons land bedrijfspensioenfondsen willen oprichten. Er blijft onduidelijkheid op dit vlak.
De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken. - De regering benadrukte dat binnenkort in de Kamer een wetsontwerp zal worden ingediend. Ik veronderstel dat mijn collega's in het kader van het debat dat daarover zal plaatsvinden, alle elementen van antwoord zullen kunnen meedelen.
De voorzitter. - De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken, antwoordt.
De heer Berni Collas (MR). - Sehr geehrte Frau Vorsitzende, sehr geehrter Staatssekretär, werte Kollegen, ich hatte bereits vergangenes Jahr die Gelegenheit, in der vorliegenden Problematik zu intervenieren, aber da in meinem Auge noch einiges im Argen liegt, sehe ich mich dazu veranlasst hier nachzuhaken.
Mevrouw de voorzitter, mijnheer de staatssecretaris, beste collega's, ik heb vorig jaar al de gelegenheid gehad een bijdrage te leveren tot de oplossing van dit probleem, maar aangezien er toch nog enkele moeilijkheden zijn, zie ik me verplicht dit onderwerp opnieuw ter sprake te brengen.
Zoals vermeld in mijn vraag om uitleg van 28 april 2005, wordt de provincie Luik met het bijzondere probleem van de tweetaligheid geconfronteerd. Het CIC van Luik moet samengesteld zijn uit veertien politiemensen die Duits spreken en begrijpen. De helft moet van de lokale politie komen en de andere helft van de federale politie, teneinde vierentwintig uur op vierentwintig de dienst te kunnen verzekeren.
Ik kom terug op het probleem van het CIC te Luik en de dekking van het ASTRID-netwerk in het oosten van het land.
De 101-centrale van de federale politie te Eupen is sinds 1 oktober 2006 gesloten. De dispatching wordt georganiseerd door de CIC-centrale van Luik. Die behandelt eveneens de 101-noodoproepen. Spijtig genoeg beschikt de centrale nog altijd niet over voldoende tweetalig personeel om een permanente dienst in de Duitse taal te verzekeren.
Een ander probleem is dat het ASTRID-netwerk niet het hele grondgebied van de negen Duitstalige gemeenten bestrijkt. Hierdoor moet de politie met het oude analoge systeem werken. De aansluiting van het analoge netwerk op het digitale netwerk - back-to-back system - is technisch mogelijk tot einde 2007, maar het geeft geen voldoening.
Ik heb volgende vragen.
Hoever staat het met de aanwerving van de veertien Duitstalige personeelsleden, zowel bij de federale politie als bij de lokale politie?
Hoever staat het met de dekking van het ASTRID-netwerk in de negen Duitstalige gemeenten?
De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken. - Ik lees het antwoord van minister Dewael.
Het CIC voor de provincie Luik telt momenteel acht Duitstalige personeelsleden. Volgens de algemene directie operationele ondersteuning is dit aantal voldoende om te functioneren.
Vier personeelsleden komen van de federale politie en vier van de lokale politie.
Bovendien volgen een operator van de federale politie en een neutrale centralist een cursus Duits, maar ze zijn nog niet als tweetalig erkend.
Wat de dekking van het radionetwerk betreft, kan ik u meedelen dat ASTRID momenteel een radionetwerk in de provincie Luik installeert. Oorspronkelijk zouden er 59 antennes in de provincie Luik worden geplaatst.
Met het oog op de plaatsing van ongeveer 80 bijkomende masten over het hele Belgische grondgebied, de provincie Luik inbegrepen, werden in nauw overleg met het Raadgevend Gebruikerscomité objectieve criteria opgesteld.
In het kader van deze uitbreiding van het ASTRID-netwerk werden al verschillende bijkomende masten voor de provincie Luik besteld. Voor negen stuks werd al een dossier geopend, later komen er nog acht bij.
Voor de installatie van de 59 oorspronkelijke masten was het moeilijk om een bouwvergunning te verkrijgen. Twee van de 59 masten moeten nog worden geplaatst, in Manderfeld en in Sankt Vith. Voor deze laatste zal de bouwaanvraag binnenkort worden ingediend. Voor Manderfeld is de aanvraag aanvaard, maar de gemeente weigert de bouwvergunning toe te kennen.
Er werden negen nieuwe bijkomende masten voor de provincie Luik besteld. Voor elk van de sites werd een dossier aangelegd: Recht, Schönberg, Aldringen, Amel, Waimes, Stoumont, Lierneux, Stavelot en Jalhay.
De gemeenten en de hulpdiensten van de Oostkantons zullen gebruik kunnen maken van de radiodekking van het netwerk van de sites Recht, Schönberg, Aldringen, Amel en Stavelot.
Naast de negen masten waarvoor een dossier werd geopend, voorziet het ASTRID-netwerk nog in acht andere bijkomende masten in de provincie Luik. De vestigingsplaats van deze masten is nog niet precies bepaald.
Via het ASTRID-netwerk wil men de hulpdiensten een efficiënt communicatieinstrument ter beschikking stellen. Alles wordt in het werk gesteld om zo snel mogelijk de laatste masten te bouwen, zodat het radiocommunicatienetwerk compleet is.
Alle betrokken overheden moeten, zowel rekening houdend met de veiligheid van de burgers als met de ruimtelijke ordening, samenwerken in de dossiers voor de plaatsing van de ASTRID-masten.
De heer Berni Collas (MR). - Ik dank de staatssecretaris voor de informatie over de ASTRID-dekking.
Wat het CIC betreft, moet zo snel mogelijk het nodige personeel worden aangeworven. Ook al functioneert het centrum momenteel, toch moeten problemen of vertragingen bij noodhulpoproepen in het Duits worden vermeden. Als mensen een noodoproep richten tot het CIC van Luik en ze kunnen zich niet verstaanbaar maken, dan kan dat verstrekkende gevolgen hebben.
De voorzitter. - De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken, antwoordt.
(Voorzitter: de heer Staf Nimmegeers, eerste ondervoorzitter.)
De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Bij arrest van 30 mei 2006 heeft het Hof van Justitie het besluit vernietigd van de Europese Ministerraad waardoor de Europese Commissie in naam van de Europese Unie een overeenkomst mocht afsluiten met de Verenigde Staten.
Die overeenkomst bepaalde dat Europese luchtvaartmaatschappijen die verbindingen naar of vanuit de Verenigde Staten verzorgen of over het grondgebied van de Verenigde Staten vliegen, aan de Amerikaanse autoriteiten elektronische toegang moeten geven tot de gegevens in het boeking- en vertrekcontrolesysteem.
Het slaat op 34 gegevens, gaande van de identiteit over het adres tot en met de eetgewoonten.
Het was de Europese Commissie die onderhandelde met de Verenigde Staten, omdat de Europese regels over de gegevensbescherming in het geding waren.
Op 14 mei 2004 oordeelde de Commissie dat het Amerikaanse Bureau voor Douane- en Grensbescherming voldoende bescherming waarborgt. Drie dagen later al kwam er een besluit van de Europese Ministerraad waardoor de Commissie groen licht kreeg om een overeenkomst te sluiten met de Verenigde Staten die op 28 mei 2004 werd ondertekend in Washington en ook meteen van kracht werd. De bezwaren van het Europees Parlement werden daarbij opzij geschoven.
Het Hof van Justitie heeft die beslissing nu vernietigd maar de vernietiging had pas rechtsgevolg op 30 september 2006. In antwoord op mijn vraag om uitleg van 8 juni 2006 stelde de minister dat er vóór 30 september 2006 een ad-hocoplossing voor de juridische problemen zou worden gevonden.
Intussen is er een overeenkomst gesloten tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten van Amerika inzake de verwerking en de overdracht van persoonsgegevens, de zogenaamde PNR-gegevens door luchtvaartmaatschappijen aan het ministerie van Binnenlandse Veiligheid van de Verenigde Staten van Amerika.
Onder punt 1 van de besluiten van die overeenkomst lees ik: `Vertrouwend op de voortgezette uitvoering van genoemde verbintenissen door het DHS, het Department of Homeland Security, zoals geïnterpreteerd in het licht van de verdere gebeurtenissen, zorgt de Europese Unie ervoor dat luchtvaartmaatschappijen die internationale passagiersvluchten van of naar de Verenigde Staten uitvoeren, PNR-gegevens uit hun boekingssysteem verwerken, zoals gevraagd door het DHS.'
Onder punt 3 lees ik verder: `Het DHS verwerkt de ontvangen PNR-gegevens en behandelt de personen wier gegevens worden verwerkt, overeenkomstig de toepasselijke wetgeving en de grondwettelijke vereisten van de Verenigde Staten zonder onwettige discriminatie en met name zonder aanzien van nationaliteit en/of land van verblijf.'
Punt 5 bepaalt: `Indien de Europese Unie of een of meer van haar lidstaten een systeem van identificatie van luchtreizigers invoert dat luchtvaartmaatschappijen ertoe verplicht de autoriteiten toegang te bieden tot de PNR-gegevens inzake personen van wie de reisroute een vlucht van of naar de Europese Unie inhoudt, zal het DHS, voor zover haalbaar en op basis van strikte wederkerigheid, de medewerking van de onder zijn bevoegdheid vallende luchtvaartmaatschappijen actief bevorderen.'
Geef toe dat die overeenkomst van een uitzonderlijke vaagheid getuigt. Ik vraag me dus af of de rechtsbeginselen wel in acht worden genomen en of we niet opnieuw een vordering voor het Europese Hof van Justitie moeten instellen.
De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken. - Ik lees het antwoord van minister De Gucht.
Op 30 mei 2006 vernietigde het Hof van Justitie de gelijkwaardigheidsbeschikking 2004/535/EG van de Commissie van 14 mei 2004, alsook het besluit 2004/496/EG van de Raad, tot goedkeuring van de op 28 mei 2004 ondertekende overeenkomst tussen de EG en de VS over de verwerking en de overdracht van PNR-gegevens. Het Hof volgde de argumentering van het Europees Parlement dat deze instrumenten niet de juiste rechtsgrondslag hebben. Het Hof ging evenwel niet in op de inhoud van de overeenkomst. Het erkende wel de internationaalrechtelijke gevolgen van zijn arrest en stond toe dat de in de overeenkomst vastgestelde opzegtermijn werd gerespecteerd. Teneinde de rechtszekerheid van passagiers en luchtvaartmaatschappijen te vrijwaren, moest wel onmiddellijk een nieuwe overeenkomst worden bereikt.
Na korte, maar moeilijke onderhandelingen op basis van een strikt mandaat van de Raad, hebben de Commissie en het Voorzitterschap op 6 oktober een nieuwe overeenkomst bereikt met de VS. Deze overeenkomst is gebaseerd op de opgezegde overeenkomst en laat de in 2004 onderhandelde verbintenissen - undertakings - die de garantie bieden dat de VS een adequaat beschermingsniveau respecteren, ongewijzigd. Rekening houdend met de intussen gewijzigde Amerikaanse wetgeving met betrekking tot de bestrijding van het terrorisme, werd de nieuwe overeenkomt gesloten met het Department of Homeland Security. Er werd ook een unilaterale brief opgesteld waarin de VS de bepalingen van de overeenkomst en de verbintenissen interpreteren in het licht van de nieuwe wetgeving.
Er werd overeengekomen dat deze overeenkomst slechts tot 31 juli 2007 geldig zal zijn en dat onverwijld gestart wordt met de onderhandelingen over een nieuw totaalakkoord inzake de overdracht van Advance Passenger Information.
Het op 6 oktober bereikte akkoord draagt bij tot de verhoging van de rechtszekerheid en de gelijke behandeling van de Europese burgers die naar de VS reizen. De discrepantie tussen de betreffende nationale wetgevingen dreigde immers tot moeilijkheden te leiden. Bovendien was een snel akkoord nodig, zodat de Europese luchtvaartmaatschappijen die naar de VS vliegen zich voor deze vluchten konden aanpassen aan de Amerikaanse wetgeving.
Voor België stemt het bereikte akkoord inzake de verwerking van persoonsgegevens overeen met de vereisten vermeld in hoofdstuk VI van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Het kan dus onmiddellijk worden toegepast.
De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Ik zal de discussie nu niet aangaan. Het gaat erom of de gegevens die in de VS worden opgeslagen, een vergelijkbare bescherming hebben die verzoenbaar is met de vereisten van het Europese recht. De nationale wetgevingen zijn inderdaad verschillend, maar men vergeet dat alle 46 landen van de Raad van Europa onder het gezag van de desbetreffende conventie vallen en dat de lidstaten van de Europese Unie een richtlijn hebben uitgevaardigd die betrekking heeft op de databescherming. Dat zijn de grote juridische problemen die rijzen.
Ik heb geen antwoord gekregen op de kern van mijn vraag. We zullen dus verder de rechtsmiddelen moeten aanwenden om de fundamentele rechten van onze burgers te beschermen.
De voorzitter. - De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken, antwoordt.
De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Volgens De Huisarts is het nicotinegehalte dat rokers per sigaret inhaleren de voorbije tien jaar met gemiddeld tien procent gestegen.
De Huisarts baseert zich hierbij op een onderzoek van het Massachusetts Department of Public Health.
De stijging doet zich voor bij alle merken en alle soorten.
Een hoger nicotinegehalte betekent ook een hogere kans op verslaving.
Welke conclusies trekt de minister uit het onderzoek?
Op welke wijze wordt het nicotinegehalte in de sigaretten gecontroleerd?
Werden hierbij reeds overtredingen vastgesteld?
Welke maatregelen wil de minister nemen om het nicotinegehalte in de sigaretten in de toekomst beter te controleren en onder controle te houden?
De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken. - Ik lees het antwoord van minister Demotte.
Indien wat de heer Vandenberghe beweert, klopt, kan ik enkel concluderen dat de tabaksfabrikanten zeer inventief zouden moeten zijn om de wetgeving te omzeilen en de resultaten van de standaard internationale analysemethode te manipuleren. Volgens de controleresultaten van mijn administratie zijn er weinig problemen.
De tabakscontroledienst van de FOD Volksgezondheid heeft in de eerste helft van dit jaar 51 verschillende sigarettenmerken laten analyseren, onder meer met betrekking tot het nicotinegehalte.
Rekening houdend met de meetonzekerheid van de analysemethoden waren er twee merken met een te hoog nicotinegehalte. Voor teer en CO werden meer overschrijdingen van de maximum toegelaten gehaltes vastgesteld, respectievelijk 9 en 11 overschrijdingen.
De tabaksfabrikanten van wie de sigaretten een te hoog gehalte aan nicotine, teer en CO bevatten, kregen een waarschuwing. De producten in overtreding zullen door de tabakscontroledienst worden opgevolgd. Zo zullen bij een volgende controle de merken die in overtreding zijn, opnieuw worden geanalyseerd.
In de Belgische wetgeving - het koninklijk besluit van 13 augustus betreffende het fabriceren en het in de handel brengen van producten op basis van tabak en soortgelijke producten - zijn reeds sedert 1990 maximumgehaltes voor nicotine en teer vastgelegd. Het maximum toegelaten gehalte aan nicotine bedroeg in 1990 1,5 mg per sigaret. Sedert 1990 heeft de wetgever deze normen reeds tweemaal strenger gemaakt. In 1997 werd het op 1,2 gebracht. In 2004 werd het maximum nicotinegehalte teruggebracht op 1,0 mg per sigaret.
De tabaksindustrie heeft sedert 1990 het nicotinegehalte van sigaretten dus reeds tweemaal moeten verlagen.
Sedert 2004 zijn er ook specifieke maximumgehaltes vastgelegd voor CO: 10 mg per sigaret.
De voorzitter. - De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken, antwoordt.
Mevrouw Annemie Van de Casteele (VLD). - Ik stel deze vraag omdat ik nog geen antwoord heb gekregen op het schrijven dat ik samen met collega Noreilde tot de minister richtte.
Gisteren nog hebben we hier in de Senaat een ontmoeting gehad met vrouwen van interparlementaire groepen die zich bezighouden met de problematiek in samenwerking met Europa Donna. Bij steeds meer (jonge) vrouwen met borstkanker wordt een borstamputatie onvermijdelijk. Het is daarbij van belang dat onmiddellijk een borstreconstructie kan worden uitgevoerd. Momenteel bestaan daartoe drie technieken: een eenvoudige reconstructie met behulp van een prothese, een gesteelde huidflap of spier-huidflap, of de zogenaamde reconstructie met vrije flap, met alleen autoloog weefsel waarbij via microchirurgische technieken de bloedcirculatie in de gereconstrueerde borst wordt verzekerd. Daarom noemt men dit ook een `warme' borstoperatie. Het gevoel is na afloop hetzelfde als voordien en dat is voor de vrouw psychologisch van groot belang. Voor de eerste twee technieken bestaan specifieke RIZIV-nomenclatuurnummers, voor de derde techniek niet, wat heel wat verwarring veroorzaakt.
Momenteel zou voor de derde techniek een bestaand nomenclatuurnummer moeten worden gebruikt, dat evenwel niet overeenstemt met de complexiteit, de duur van en de expertise die nodig is voor de ingreep.
Het ontbreken van een redelijke terugbetaling leidt niet alleen tot een risico van verkeerd gebruik van nomenclatuurnummers. Het kan ook een risico inhouden voor vrouwen die in aanmerking komen voor een `warme' borstreconstructie, in die zin dat de ingrepen stapsgewijs worden uitgevoerd, terwijl ze normaal gezien gelijktijdig kunnen gebeuren. Het risico bestaat ook dat artsen terughoudend zijn om de behandeling uit te voeren of supplementen gaan aanrekenen.
Kent de minister het probleem?
Is hij bereid de Technische Geneeskundige Raad van het RIZIV ermee te belasten na te gaan of voor de borstreconstructie met vrije flap en de eventuele revisies in een eigen nomenclatuurnummer kan worden voorzien?
Wat zou een billijke vergoeding zijn voor die techniek?
Kunnen hiervoor de nodige budgettaire middelen worden vrijgemaakt?
De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken. - Ik lees het antwoord van minister Demotte.
De problematiek van de borstreconstructie na een borstamputatie wegens kanker kennen wij al lang.
Het koninklijk besluit van 26 maart 2003 heeft de nomenclatuur inzake plastische heelkunde grondig herzien. De nieuwe nomenclatuur bevat specifieke verstrekkingen voor de reconstructie van de geamputeerde borst volgens verschillende methodes en indien nodig, het opnieuw modelleren van de heterolaterale borst.
Er bestaat een verstrekking voor de borstreconstructie na een mutilerende ingreep door implantatie van een prothese.
Voor complexere gevallen of voor patiënten bij wie een implantatie van een prothese om medische redenen niet is aangewezen, bestaat een reeks andere verstrekkingen voor de borstreconstructie: gesteelde myocutane gevasculariseerde flap of groterugspierflap.
Met betrekking tot het opnieuw modelleren van de contralaterale borst wordt eveneens in verstrekkingen voorzien.
Borstreconstructie na een borstamputatie wegens kanker komt in de huidige nomenclatuur voor de geneeskundige verstrekkingen goed aan bod.
Ten tweede, in hetzelfde hoofdstuk van de plastische heelkunde, maar dan wel in de verstrekkingen inzake algemene plastische heelkunde zijn microchirurgische ingrepen opgenomen, en in het bijzonder de technieken voor de reconstructie met vrije flap.
Vrije flappen maken complexe reconstructie mogelijk met myocutane elementen die bloedvaten en zenuwen bevatten. Het gaat om verstrekkingen betreffende zowel de donorplaats als de receptorplaats, met gebruik van microchirurgische technieken.
Momenteel zijn de gebruikelijke toepassingsregels van kracht. In dat verband krijgt het RIZIV talrijke vragen die op de volgende voltallige zitting van de Technische Geneeskundige Raad zullen worden geanalyseerd.
Ten derde, met deze toelichting is de senator wellicht voldoende geïnformeerd over de verschillende verstrekkingen die thans van kracht zijn.
We zullen de Technische Geneeskundige Raad zeker de vraag stellen of een wijziging van de recente nomenclatuur opportuun is.
De budgetten voor de verstrekkingen met betrekking tot de vrije flappen werden vastgelegd bij de wijziging van de nomenclatuur inzake plastische heelkunde in de veronderstelling dat het aantal gevallen waarvoor die verstrekkingen een indicatie waren, stabiel zou blijven.
Mevrouw Annemie Van de Casteele (VLD). - Het gaat om een zeer technische materie en mede daardoor was het antwoord in het Nederlands gelezen door staatssecretaris Donfut moeilijk te volgen.
Ik meen te begrijpen dat de minister zegt dat ingrepen om medische redenen worden vergoed. De vraag naar de vergoeding van prestaties om esthetische redenen neemt echter toe, vooral van jonge vrouwen die zich na een dergelijke ingrijpende ziekte opnieuw goed moeten kunnen voelen. De toestand evolueert voortdurend. De nomenclatuur moet dus worden aangepast en de nodige middelen moeten ter beschikking worden gesteld.
Ik dring erop aan dat het probleem opnieuw wordt voorgelegd aan de volgende Technische Geneeskundige Raad. De minister laat overigens verstaan dat de raad de talrijke vragen in dat verband zal onderzoeken. Wij zullen in elk geval waakzaam blijven toekijken.
De voorzitter. - De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken, antwoordt.
Mevrouw Annemie Van de Casteele (VLD). - Het aantal patiënten met chronische wonden neemt toe door de veroudering van de bevolking en de prevalentie van chronische ziektes.
Dankzij moderne wondverbanden kunnen die chronische wonden toch worden behandeld zodat de complicaties tot een minimum worden herleid en in veel gevallen ook de levenskwaliteit verbetert en functieverlies en ziekteverlof kan worden verminderd.
De verbanden kunnen vaak meerdere dagen op de wonde blijven zodat ook de verzorgingskosten lager zijn. Op die manier zijn aan het gebruik hiervan ook economische voordelen verbonden.
De terugbetaling van die verbanden heeft evenwel die evolutie op het terrein niet gevolgd. Naar aanleiding van een informatiecampagne voor parlementsleden werd de minister hierover al ondervraagd. Hij stelde toen dat een koninklijk besluit in voorbereiding was om een forfait van 20 euro per maand in te voeren. Om te weten of de kosten van wondverband in de MAF, de maximumfactuur, worden opgenomen, moest de begrotingsbespreking worden afgewacht, aangezien de meerkost op ongeveer 1 miljoen euro werd geschat. We zijn inmiddels enkele maanden verder en ik heb begrepen dat het ontwerp van koninklijk besluit ergens geblokkeerd is.
Werd het ontwerp van koninklijk besluit dat de minister aankondigde door de RIZIV-organen goedgekeurd? Zo neen, waarom niet?
In welke procedure voorziet het besluit voor de toekenning van het forfait? Geldt het forfait zowel ambulant als voor patiënten in een ziekenhuis?
Is in de begroting ruimte gevonden om de kosten van de remgelden voor wondverband in de maximumfactuur op te nemen?
De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken. - Ik lees het antwoord van de minister.
De Technische Raad voor diagnostische middelen en verzorgingsmiddelen heeft het betrokken ontwerp van koninklijk besluit reeds goedgekeurd. Het wordt momenteel besproken door het Verzekeringscomité, dat enkele technische problemen signaleerde.
De Overeenkomstencommissie `apothekers-verzekeringsinstellingen' zal op zijn vergadering van 27 oktober 2006 een oplossing voor die problemen proberen te vinden. Hierna zal het ontwerp opnieuw voor advies aan het Verzekeringscomité worden voorgelegd.
De tegemoetkoming wordt toegekend door de adviserende geneesheer van het ziekenfonds van de betrokken rechthebbende, na een aanvraag door de behandelende arts. De aanvraag gebeurt met een gestandaardiseerd aanvraagformulier. De tegemoetkoming wordt enkel toegekend aan rechthebbenden die lijden aan wonden die na een behandeling gedurende dertig dagen nog niet geheeld zijn.
De maximale tegemoetkoming geldt zowel voor ambulante patiënten in een openbare officina als voor ambulante patiënten in het ziekenhuis. Deze twee patiëntengroepen vormen ongeveer 90% tot 95% van het totaal aantal patiënten die gebruik maken van actieve verbandmiddelen.
Deze maximale tegemoetkoming heeft geen betrekking op rechthebbenden die in het ziekenhuis opgenomen zijn. De kosten van de actieve verbandmiddelen wordt immers door het ziekenhuis gedragen.
Het supplement ten laste van de rechthebbende zal vanaf 1 januari 2007 in aanmerking komen voor de maximumfactuur. Dat maakt deel uit van de maatregelen ten voordele van chronisch zieken. Er zal 759.000 euro voor de uitvoering van de maatregel worden vrijgemaakt.
Mevrouw Annemie Van de Casteele (VLD). - Hopelijk kunnen de technische problemen op 27 oktober worden opgelost. Blijkbaar gaat het om de vraag of bepaalde wondverbanden via Farmanet kunnen worden verdeeld.
Het verheugt me dat vanaf 1 januari 2007 een deel van de kosten via de MAF zal worden terugbetaald. Het budget van 759.000 euro lijkt me echter nogal laag.
De voorzitter. - De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken, antwoordt.
De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Krachtens artikel 4, paragraaf 1, 3º van de wet van 5 april 1994 mag een gepensioneerde zonder beperking een activiteit uitoefenen die bestaat in het scheppen van wetenschappelijke werken zonder weerslag op de arbeidsmarkt.
Over de cumulatie van een rustpensioen met de vergoeding van het voorzitterschap van een visitatiecommissie bestaat echter enige discussie. Er wordt immers gesteld dat het voorzitterschap van een visitatiecommissie, die het wetenschappelijk niveau van onze universiteiten moet controleren, geen wetenschappelijk karakter heeft en dat deze activiteit, ondanks haar eenmalig karakter, een beroepsbezigheid is, met weerslag op de arbeidsmarkt.
De opdracht van een visitatiecommissie heeft nochtans een uitgesproken wetenschappelijk karakter. Het tegendeel beweren is hetzelfde als te zeggen dat men naar de wedstrijd Anderlecht-Juventus kijkt als men de wielerwedstrijd Milaan-San Remo volgt.
Bovendien kan alleen een gepensioneerde met expertise die opdracht vervullen, omdat een magistraat of professor in functie niet over de nodige tijd beschikt.
Wie een visitatieopdracht uitvoert, neemt ook geen plaats op de arbeidsmarkt in. Het gaat immers om een eenmalige, uiterst gespecialiseerde, vertrouwensvolle functie, die wordt uitgeoefend door personen met een uitzonderlijke wetenschappelijke kwalificatie en een grote wijsheid.
Ik heb de minister hierover reeds meermaals ondervraagd, maar hij is in handen van een verkokerde bureaucratie, die, zoals ten tijde van Galilei, het zonlicht negeert en die blijft beweren dat een visitatiecommissie geen wetenschappelijk karakter heeft. Alsof het om een partijtje petanque gaat.
Als de bureaucratie zo'n lachwekkend standpunt blijft innemen, dan moet de minister dat maar openlijk op het spreekgestoelte van de Senaat bevestigen, zodat ik het in al mijn toespraken kan aanhalen als een voorbeeld van de wijze waarop de meerderheid, ook al beschikt ze over talloze zonnekoningen, het zonlicht permanent ontkent.
De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken. - Ik lees het antwoord van minister Tobback.
Artikel 4, paragraaf 1, eerste lid, 3º, van de wet van 5 april 1994 houdende regeling van de cumulatie van pensioenen van de openbare sector met inkomsten voortvloeiend uit de uitoefening van een beroepsactiviteit of met een vervangingsinkomen, bepaalt dat in de kalenderjaren die volgen op dat waarin de persoon die een rustpensioen geniet, de leeftijd van 65 jaar bereikt, de betrokken persoon, na voorafgaande verklaring, een beroepsactiviteit mag uitoefenen die bestaat in het scheppen van wetenschappelijke werken of in het tot stand brengen van een artistieke schepping die geen weerslag heeft op de arbeidsmarkt, voor zover de betrokkene geen handelaar is in de zin van het Wetboek van koophandel.
Opdat de uitoefening van een beroepsactiviteit die bestaat in het scheppen van wetenschappelijke werken onbeperkt gecumuleerd kan worden met een rustpensioen, dienen drie voorwaarden tegelijk vervuld te zijn: een wetenschappelijke activiteit, zonder weerslag op de arbeidsmarkt, zonder de hoedanigheid van handelaar.
Het voorzitterschap van een visitatiecommissie moet worden beschouwd als een opdracht die de deelname aan en de coördinatie van een reeks audittaken omvat die, uitgaande van een wetenschappelijk vastgelegd methodologisch kader, de bedoeling hebben de kwaliteit van opleidingen en onderwijsprocessen te bepalen en verbeteringsvoorstellen dienaangaande te formuleren.
Werken op basis van een wetenschappelijk referentiekader omtrent processen die de overdracht van wetenschap betreffen, heeft echter niet tot gevolg dat de uitgevoerde werkzaamheden, die daarenboven voor rekening van een opdrachtgever gebeuren, en het eruit voortvloeiend evaluatierapport zelf als wetenschappelijk werk in de zin van de cumulatiewetgeving kunnen worden beschouwd.
Wetenschappelijke werken in de zin van deze wetgeving zijn veeleer originele creaties waarin wetenschappelijke kennis wordt ontwikkeld met het oog op de verspreiding ervan onder een publiek van specialisten of geïnteresseerden.
Het voorzitterschap van een visitatiecommissie voldoet niet aan deze voorwaarden en kan niet worden beschouwd als wetenschappelijk werk in de zin van de cumulatiewetgeving, maar dient eerder te worden beschouwd als een toepassing van kennis.
Bovendien voldoet deze activiteit ook niet aan de voorwaarde dat zij geen weerslag heeft op de arbeidsmarkt. De door de betrokkenen geleverde diensten kunnen ook worden geleverd door personen die nog actief zijn op de arbeidsmarkt, wat in de praktijk trouwens ook gebeurt.
De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Tot mijn grote ontgoocheling heb ik het verwachte antwoord gekregen. Het zal bij mij een mooie plaats krijgen als een typevoorbeeld van verkokerde, bureaucratische prietpraat: het controleren van wetenschappelijke activiteiten is geen wetenschappelijke activiteit.
Voor het controleren van wetenschappelijke activiteiten moet men de nodige competentie, hoedanigheden, wijsheid, ervaring en curriculum hebben. De bureaucratie doet iets wat geen enkele ernstige jurist in ons land nog doet, namelijk de historische ratio legis van een begrip extrapoleren als een dogma.
De paarse regering heeft altijd beweerd tegen dogma's te zijn. Op de vele vragen die ik stel, krijg ik evenwel een dogmatisch antwoord. Op zinnige vragen van de oppositie wordt afwijzend gereageerd met een dogmatisch refrein.
Met dit antwoord houdt de regering ook geen rekening met een ander politiek punt van haar programma: het actief inschakelen van oudere personen. Terecht wordt gezegd dat de leeftijd de belangrijkste discriminatiefactor in ons land is. Als de minister van Pensioenen en zijn ambtenaren volharden in hun standpunt aangaande de voorzitters van de visitatiecommissies, die zich jarenlang verdienstelijk hebben gemaakt in openbare functies, waar de wedden lager liggen dan in de privésector, en later geroepen worden om de gemeenschap diensten te bewijzen, dan geven zij geen enkele blijk van hartelijkheid, edelmoedigheid of zin voor menselijkheid. Ze verschuilen zich achter een bureaucratisch verhaal dat geen enkele juridische consistentie heeft.
De voorzitter. - De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken, antwoordt.
Mevrouw Jacinta De Roeck (SP.A-SPIRIT). - Op 10 maart kondigde de minister aan dat hij het belastingzegel en het registratierecht op huurcontracten zou afschaffen in het kader van een vereenvoudiging van de registratie van huurcontracten.
Uit cijfers van de FOD Financiën blijkt dat amper een huurder op vier zijn huurcontract laat registreren. Registratie is nochtans wettelijk verplicht en nodig om het contract tegen derden inroepbaar te maken, een cruciaal element als het ooit tot een rechtszaak komt of een procedure voor de vrederechter. Bij verandering van eigenaar kan ook de huurprijs voor de huurder niet zomaar de hoogte in.
De afschaffing van het zegel is een goede zaak. De minister kondigde aan dat de huurder via e-mail, of via een kopie van het contract per brief de registratie in orde zou kunnen maken.
Graag kreeg ik een antwoord op volgende vragen:
1. Welke timing plant de minister om de vereenvoudiging effectief te realiseren? Is er reeds een wetsontwerp klaar? Zo nee, hoever staat het ermee?
2. Hoe zal de vereenvoudiging er in concreto uitzien? Is er reeds een akkoord met de administratie van het Kadaster, Registratie en Domeinen over de maatregelen om de vereenvoudiging door te voeren?
De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken. - Ik lees het antwoord van de staatssecretaris.
De afschaffing van de fiscale zegel die vereist was bij de registratie van huurovereenkomsten, werd opgenomen in de afschaffing van het Wetboek Zegelrechten. De ministerraad plant de inwerkingtreding van deze vereenvoudiging, door de invoering van het nieuwe Wetboek diverse rechten en taksen, voor begin volgend jaar.
De werkgroep die zich met deze materie bezighoudt, heeft voorgesteld het vaste recht van 25 euro, dat verschuldigd is voor de registratie van huurcontracten met betrekking tot onroerende goederen bestemd voor bewoning, integraal af te schaffen.
Tijdens een bijeenkomst van de werkgroep werd ook een aanpassing van het Wetboek van registratierechten voorgesteld, zodat de huurcontracten voortaan via het internet ter registratie kunnen worden aangeboden. De bespreking van de voorstellen is nog volop aan de gang. De voorstellen zullen normaal worden opgenomen in de programmawet en begin 2007 in werking treden.
De verhuurder zal voortaan instaan voor de registratie van het huurcontract. Indien hij dat nalaat, kan hij geen aanspraak maken op enige huuropzeg ten laste van de huurder. De verhuurder kan het contract volledig gratis laten registreren. Hij kan zich hiervoor nog steeds persoonlijk op het registratiekantoor aanmelden, maar de huurovereenkomst ook via e-mail versturen. Dat laatste was tot nu toe onmogelijk, omdat de registratie aan de hand van de originele akte diende te gebeuren en er een fiscale zegel van vijf euro moest worden gekleefd. Met de algemene administratie Patrimoniumdocumentatie werd al overeenstemming bereikt over de nodige aanpassingen in het Wetboek van registratierechten. In de komende maanden willen we de praktische uitwerking ervan in handen nemen.
Mevrouw Jacinta De Roeck (SP.A-SPIRIT). - De minister geeft heel wat antwoorden, maar hij blijft erg vaag over de timing. De afschaffing van het zegelrecht is iets voor `volgend jaar', de afschaffing van het vaste recht komt in de programmawet en wordt `begin 2007' van kracht en de laatste maatregel is iets voor `de komende maanden'.
Ik ben vast van plan de timing in het oog te houden. De belofte is immers al op 10 maart van vorig jaar gemaakt. Zeker nu een en ander zo duidelijk in de beleidsverklaring is opgenomen, durf ik te hopen dat op 10 maart volgend jaar alle maatregelen van kracht zullen zijn.
De voorzitter. - De agenda van deze vergadering is afgewerkt.
De volgende vergadering vindt plaats vrijdag 20 oktober om 10.00 uur.
(De vergadering wordt gesloten om 18.30 uur.)
Afwezig met bericht van verhindering: de heer Dubié, om gezondheidsredenen, mevrouw Pehlivan, de heren Brotchi en Roelants du Vivier, in het buitenland, de heren Cheffert en Wilmots, wegens andere plichten.
-Voor kennisgeving aangenomen.
Stemming 1
Aanwezig: 52
Voor: 51
Tegen: 0
Onthoudingen: 1
Voor
Jihane Annane, Stéphanie Anseeuw, Wouter Beke, Sfia Bouarfa, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Berni Collas, Hugo Coveliers, Frank Creyelman, Marie-Hélène Crombé-Berton, Sabine de Bethune, Michel Delacroix, Francis Delpérée, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Alain Destexhe, Francis Detraux, Nathalie de T' Serclaes, Christel Geerts, Margriet Hermans, Nele Jansegers, Joëlle Kapompolé, Flor Koninckx, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Nele Lijnen, Philippe Mahoux, Bart Martens, Philippe Moureaux, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Clotilde Nyssens, Luc Paque, Etienne Schouppe, Jan Steverlynck, Fauzaya Talhaoui, Annemie Van de Casteele, Hugo Vandenberghe, Lionel Vandenberghe, Luc Van den Brande, Ludwig Vandenhove, Anke Van dermeersch, Joris Van Hauthem, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Karim Van Overmeire, Wim Verreycken, Luc Willems, Paul Wille, Olga Zrihen.
Onthoudingen
Anne-Marie Lizin.
Wetsvoorstellen
Artikel 81 van de Grondwet
Wetsvoorstel tot wijziging van de samengeordende wetten van 19 december 1939 betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders en van het koninklijk besluit van 8 april 1976 houdende regeling van de gezinsbijslag ten voordele van zelfstandigen (van de heer Patrik Vankrunkelsven en mevrouw Margriet Hermans; Stuk 3-1842/1).
-Verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.
Wetsvoorstel tot wijziging van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie, teneinde de persoonlijke levenssfeer beter te beschermen in het kader van de op locatiegegevens gebaseerde diensten of de locatiediensten via mobiele telefoon (van de heer Christian Brotcorne; Stuk 3-1856/1).
-Verzonden naar de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden.
Wetsvoorstel tot wijziging van de wet van 22 maart 1999 betreffende de identificatieprocedure via DNA-onderzoek in strafzaken met het oog op de uitbreiding van de regeling van de verplichte DNA-afname bij bepaalde groepen van veroordeelden (van mevrouw Anke Van dermeersch en de heer Jurgen Ceder; Stuk 3-1857/1).
-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.
Wetsvoorstel betreffende de toepassing van een nieuwe berekeningswijze inzake rustpensioenen voor verschillende ambten (van de heer Christian Brotcorne; Stuk 3-1858/1).
-Verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.
Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 138 van het Strafwetboek met het oog op een strengere bestraffing van terroristische misdrijven (van de heer Michel Delacroix; Stuk 3-1859/1).
-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.
Wetsvoorstel tot wijziging van het Wetboek van strafvordering teneinde het openbaar ministerie te verplichten de correctionele straf die het wil vorderen reeds te bepalen bij de regeling van de rechtspleging of de dagvaarding (van de heer Michel Delacroix; Stuk 3-1860/1).
-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.
Het Bureau heeft volgende vragen om uitleg ontvangen:
-Deze vragen worden naar de plenaire vergadering verzonden.
Bij boodschap van 10 oktober 2006 heeft de Kamer van volksvertegenwoordigers aan de Senaat laten weten dat zij zich ter vergadering van die dag geconstitueerd heeft.
-Voor kennisgeving aangenomen.
De Senaat heeft bij boodschappen van 13 en 17 oktober 2006 aan de Kamer van volksvertegenwoordigers ter kennis gebracht dat tot evocatie is overgegaan, op die datum, van:
Wetsontwerp tot wijziging van het Strafwetboek met het oog op het strenger bestraffen van geweld tegen bepaalde categorieën van personen (Stuk 3-1791/1).
-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Justitie.
Wetsontwerp tot wijziging van diverse bepalingen betreffende de afwezigheid en de gerechtelijke verklaring van overlijden (Stuk 3-1792/1).
-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Justitie.
Wetsontwerp betreffende de transseksualiteit (Stuk 3-1794/1).
-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Justitie.
Wetsontwerp houdende diverse bepalingen betreffende gezondheid (Stuk 3-1812/1).
-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.
Bij boodschappen van 18 oktober 2006 heeft de Senaat aan de Kamer van volksvertegenwoordigers terugbezorgd, met het oog op de bekrachtiging door de Koning, de volgende niet geëvoceerde wetsontwerpen:
Wetsontwerp betreffende GSM-R (Stuk 3-1789/1).
Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, tot aanmoediging van de inspanning die een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn levert voor de integratie van daklozen (Stuk 3-1797/1).
Wetsontwerp tot wijziging van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn wat betreft bejaarde hulpgenieters die hun patrimonium verminderen (Stuk 3-1798/1).
Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 24 januari 1977 betreffende de bescherming van de gezondheid van de gebruikers op het vlak van de voedingsmiddelen en andere producten (Stuk 3-1799/1).
Wetsontwerp betreffende de openingsuren in handel, ambacht en dienstverlening (Stuk 3-1801/1).
-Voor kennisgeving aangenomen.
De Regering heeft volgend wetsontwerp ingediend:
Wetsontwerp houdende instemming met het Verdrag betreffende de voorrechten en immuniteiten van het Internationaal Hof voor het Recht van de Zee, gedaan te New York op 23 mei 1997 (Stuk 3-1861/1).
-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.
Met toepassing van artikel 113 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van het Arbitragehof kennis aan de voorzitter van de Senaat van:
-Voor kennisgeving aangenomen.
Met toepassing van artikel 77 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van het Arbitragehof aan de voorzitter van de Senaat kennis van:
-Voor kennisgeving aangenomen.