3-31

3-31

Belgische Senaat

3-31

Handelingen - Nederlandse versie

DONDERDAG 18 DECEMBER 2003 - NAMIDDAGVERGADERING


Waarschuwing: de blauwe kleur geeft aan dat het gaat om uit het Frans vertaalde samenvattingen.


Inoverwegingneming van voorstellen

Mondelinge vragen

Vraag om uitleg van mevrouw Erika Thijs aan de vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken over «de infiltratie van de maffia in het Belgisch overheidsbestel in zaken van mensenhandel» (nr. 3-82)

Vraag om uitleg van mevrouw Erika Thijs aan de vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken over «de procedure voor het stemmen van Belgen in het buitenland bij de Europese en Vlaamse verkiezingen» (nr. 3-59)

Voordracht van kandidaten voor het ambt van assessor bij de afdeling wetgeving van de Raad van State

Stemmingen

Vraag om uitleg van de heer Christian Brotcorne aan de vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken over «het onderbrengen van illegale immigranten in infrastructuur van de provinciale verkeerseenheden van de federale politie» (nr. 3-81)

Mondelinge vragen

Vraag om uitleg van mevrouw Sabine de Bethune aan de minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid over «de werking van het Nationaal Contactpunt waarin de overheid, de sociale organisaties en de NGO's samen toekijken op de naleving van de richtlijnen van de OESO voor multinationale ondernemingen» (nr. 3-79)

Vraag om uitleg van mevrouw Sabine de Bethune aan de minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid over «de mogelijke rol van het Nationaal Contactpunt in het onderzoek naar de activiteiten van Belgische bedrijven in Oost-Congo en de rapporten van de Verenigde Naties terzake» (nr. 3-78)

Vraag om uitleg van mevrouw Clotilde Nyssens aan de vice-eerste minister en minister van Justitie over «het uitblijven van de oprichting van een centraal bestand van berichten van beslag» (nr. 3-71)

Vraag om uitleg van mevrouw Sabine de Bethune aan de vice-eerste minister en minister van Justitie over «het omgangsrecht» (nr. 3-76)

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de vice-eerste minister en minister van Justitie over «het stijgend geweld tegen de joodse bevolking in België» (nr. 3-83)

Ontwerp van programmawet (Stuk 3-424) (Evocatieprocedure)

Ontwerp van wet houdende diverse bepalingen (Stuk 3-425)

Samenstelling van commissies

Ontwerp van programmawet (Stuk 3-424) (Evocatieprocedure)

Ontwerp van wet houdende diverse bepalingen (Stuk 3-425)

Berichten van verhindering

Bijlage


Voorzitter: de heer Staf Nimmegeers, eerste ondervoorzitter

(De vergadering wordt geopend om 15.10 uur.)

Inoverwegingneming van voorstellen

De voorzitter. - De lijst van de in overweging te nemen voorstellen werd rondgedeeld.

Leden die opmerkingen mochten hebben, kunnen die vóór het einde van de vergadering mededelen.

Tenzij er afwijkende suggesties zijn, neem ik aan dat die voorstellen in overweging zijn genomen en verzonden naar de commissies die door het Bureau zijn aangewezen. (Instemming)

(De lijst van de in overweging genomen voorstellen wordt in de bijlage opgenomen.)

Mondelinge vragen

Mondelinge vraag van de heer Jean-Marie Dedecker aan de vice-eerste minister en minister van Justitie en aan de vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken over «de goedkeuring door de Arabisch-Europese Liga van de terroristische aanslagen in Turkije» (nr. 3-114)

De heer Jean-Marie Dedecker (VLD). - De Arabisch Europese Liga keurt de bomaanslagen in Istanbul van eind november goed. In de pers, meer bepaald in het Algemeen Dagblad, liet de Nederlandse woordvoerder van de beweging, Naïma Elmaslouhi, op zaterdag 13 december weten dat de aanslagen volgens haar voortspruiten uit onvrede van Turkse moslims met het optreden van de VS in Irak en van Israël in de Palestijnse gebieden. Ze verklaarde: "Die mensen voelen zich onderdrukt en vernederd en zij willen zich verzetten. Dat is een logische reflex. Dat verzet steunen we."

Volgens de AEL is het jammer dat burgers omkomen bij aanslagen, maar dat militairen bij terreur de dood vinden, achten ze toelaatbaar.

De houding van moslimextremisten neemt steeds dreigender vormen aan. Het Nederlandse VVD-Tweede-Kamerlid Wilders heeft anderhalve maand geleden doodsbedreigingen gekregen. De politicus staat bekend als een bestrijder van extremisme in het algemeen en van islamitisch extremisme in het bijzonder. Zijn partijgenote Ayaan Hirsi Ali kreeg vorig jaar al bedreigingen uit die hoek.

Graag had ik van mevrouw de minister vernomen welke concrete maatregelen er worden genomen om te voorkomen dat deze vorm van gevaarlijk extremisme ook in ons land de kop opsteekt. Ze weet ongetwijfeld dat AEL-Nederland door AEL-België is gesticht en dat beide dezelfde koepelorganisatie hebben.

Op welke wijze tracht de regering te beletten dat moslims worden geïndoctrineerd door een beweging die terroristische activiteiten, ook buiten de bezette gebieden in het Midden-Oosten, goedkeurt en aanmoedigt?

Ons land huisvest immers talrijke internationale en supranationale organisaties en er is hier ook een belangrijke joodse bevolkingsgroep. Het is niet denkbeeldig dat sommigen zich geroepen voelen om ook hier aanslagen tegen joodse doelwitten uit te voeren.

Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Justitie. - Een van de prioriteiten van de Veiligheid van de Staat is het verzamelen van informatie over de terroristische organisaties en de extremistische bewegingen die hen steunen, het analyseren van de impact van deze informatie op de veiligheid van de Belgische staat maar ook op die van de andere staten die het terrorisme bestrijden. De regering wordt dus geregeld geïnformeerd over de evolutie van het toezicht op ons grondgebied, maar ook over de contacten die met andere inlichtingen- en veiligheidsdiensten worden gelegd.

In deze context wordt er bijzondere aandacht besteed aan individuele personen en groepen die bedreigingen uiten tegen andere groepen van personen of tegen officiële instanties. Het is inderdaad niet uitgesloten dat conflicten die in het buitenland ontstaan, een weerslag hebben op ons grondgebied. Om risicosituaties te evalueren wordt er geregeld vergaderd met de verschillende diensten van de staat die instaan voor de veiligheid.

Zo wordt er een evaluatie gemaakt van het toezicht op de plaatsen waar erediensten worden gehouden. Dat toezicht gebeurt hoofdzakelijk door de lokale politie. Dat betekent dat er een goede samenwerking moet zijn tussen de politiediensten en de betrokken religieuze autoriteiten.

Omdat de gestelde vraag voornamelijk betrekking heeft op maatregelen die in verband met het antiterrorisme door de regering werden uitgewerkt, kan ik, gelet op de veiligheid, hierover niet meer uitleg verschaffen.

De heer Jean-Marie Dedecker (VLD). - Ik betwijfel niet dat onze inlichtingendiensten hun taak naar behoren vervullen. Mijn vraag heeft expliciet betrekking op de AEL, die een politieke beweging is in België, die heeft deelgenomen aan de verkiezingen en die een afdeling heeft opgericht in Nederland. De beide afdelingen hebben daarenboven dezelfde leiders.

Ik heb opgevangen dat sommige wetsvoorstellen niet in overweging worden genomen omdat ze uit een welbepaalde hoek afkomstig zijn, terwijl er vanuit een andere hoek oorlogsverklaringen worden geuit en terreuraanslagen worden goedgekeurd. We hebben het hier niet over een gewone terreurgroep, maar over een politieke partij. Ik vind het shockerend dat de regering geen standpunt inneemt.

Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Justitie. - Ik kan geen verdere toelichtingen geven.

Mondelinge vraag van mevrouw Clotilde Nyssens aan de vice-eerste minister en minister van Justitie over «het gebrek aan personeel in de justitiepaleizen om de gevangenen te begeleiden» (nr. 3-119)

Mevrouw Clotilde Nyssens (CDH). - De beroepsunie van magistraten heeft onlangs, bij monde van sommige van zijn leden, met name van de heer Patrick Mandoux, raadsheer bij het Hof van Beroep van Brussel, aandacht gevraagd voor het chronisch tekort aan personeel in de paleizen van justitie. Een direct gevolg van dat tekort is dat volledige zittingen verloren gaan omdat er moet worden gewacht op gevangenen die van de cellen van die paleizen naar de zittingzaal moeten worden gebracht.

Sommige gevangenen komen vroeg in het gerechtsgebouw aan. Er is dus genoeg personeel voor het overbrengen van gevangenen van de gevangenis naar het gerechtsgebouw. Dat is niet het geval voor de begeleiding van gevangenen van de cellen naar de zittingzaal.

Op 11 december laatstleden werkten er slechts vier politieagenten op het paleis van justitie in Brussel. Dat is onaanvaardbaar.

Ik hoef niet te herinneren aan de grote gerechtelijke achterstand in Brussel. Sommige beklaagden verblijven maanden in voorhechtenis vooraleer te worden vrijgesproken. Andere, gevaarlijke gevangenen worden in vrijheid gesteld omdat hun dossier niet binnen een redelijke termijn kon worden onderzocht.

Er wordt nu een veiligheidskorps opgericht om de gevangenen te vervoeren en de aanwezigheid van zaalpolitie te garanderen. De vijftig eerste veiligheidsbeambten hebben maandag de eed afgelegd. Er zouden echter erg weinig vrijwilligers zijn om in het paleis van justitie van Brussel te werken.

Hoe zal de minister personeel voor Brussel aantrekken? Hoe zal het veiligheidskorps geografisch worden verdeeld? Hoeveel mensen zullen aan Brussel worden toegewezen? Hoe ver staat het met de oproep voor kandidaten binnen het leger en de administratie? Welke maatregelen zal de minister nemen om deze noodsituatie op korte termijn te verhelpen?

Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Justitie. - Het probleem is niet nieuw, maar er zijn oplossingen in zicht. Dat is een goede zaak. Deze week hebben inderdaad 50 veiligheidsbeambten de eed afgelegd. Op termijn moeten er 310 komen en 8 administratieve beambten. Voor Brussel worden er 160 mensen in het vooruitzicht gesteld. Dat is bijna het dubbel van het huidige effectief van 80 tot 100 politieagenten die theoretisch op drukke dagen in het paleis van justitie van Brussel aanwezig zijn.

Op 11 december laatstleden waren er 35 politieagenten in het paleis. De Brusselse politiediensten moesten toen het hoofd bieden aan drie belangrijke manifestaties. Bovendien dienden ze de Europese Top voor te bereiden en het proces van Semira Adamu te volgen. Het ging dus om een heel uitzonderlijke situatie.

Er volgt nu een tweede oproep tot kandidaten onder de militairen. De administratie van Defensie zou reeds 42 spontane kandidaturen hebben ontvangen. Na de oproep zouden zich nog eens 50 bijkomende kandidaten kunnen aandienen.

De lijst van vacante betrekkingen werd deze week naar de administratie van Defensie gestuurd om de oproep zo snel mogelijk te verspreiden. In januari 2004 volgt de oproep tot kandidaten via interne mobiliteit binnen de openbare administraties en via externe indienstnemingen via SELOR, met name voor Brussel. Gelet op de geringe belangstelling via interne mobiliteit, verkreeg ik van de regering de toelating om tot externe indienstnemingen over te gaan.

Er zal eveneens worden geput uit de reserve voor niveau C van SELOR.

De selectie-interviews voor het administratief omkaderingspersoneel zullen tijdens de komende weken plaatsgrijpen. Tegen eind januari 2004 moet de ploeg aan het werk kunnen. De selectie voor de Nederlandstalige kandidaten voor de administratieve ploeg - adviseurs en experts via mobiliteit - heeft plaats op 8 januari, die voor de Franstalige kandidaten op 13 januari.

De moeilijkheden in verband met zittingen die niet doorgaan lijken te wijten te zijn aan een tekort aan politieagenten, maar ook aan een gebrek aan overleg tussen de politie en de gerechtelijke instanties over de planning van de zittingen.

Sinds september heeft de politie van Brussel zijn manschappen in het paleis versterkt, met name op woensdag. Ik onderhandel momenteel met de betrokken korpschefs van de magistratuur om een programma uit te werken dat rekening houdt met de bijzondere kenmerken van het parket, de zittende magistratuur, de rechtbank van eerste aanleg. Ik heb de gerechtelijke achterstand in Brussel op een omvattende wijze willen aanpakken en me niet willen beperken tot de problematiek van de zittingen die niet kunnen doorgaan. Daarom gaan onze onderhandelingen zowel over organisatorische maatregelen - beheer en coördinatie van de zittingen - als over de uitbreiding van het aantal personeelsleden en de logistieke middelen. De samenwerkingsprotocollen zullen waarschijnlijk in januari worden afgerond. Ik zal u daarover inlichten. Ik hoop aldus het probleem te kunnen oplossen.

Mevrouw Clotilde Nyssens (CDH). - U sprak over twee rekruteringen, een Franstalige en een Nederlandstalige. Is de kennis van de beide talen vereist of gaat het over twee eentalige examens?

Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Justitie. - Voor het administratief omkaderingspersoneel zijn er twee selecties via SELOR, één voor de Nederlandstalige kandidaten en één voor de Franstalige kandidaten. Ze hebben op een verschillende datum plaats. Ik had het niet over de andere kandidaturen, enkel over de administratieve staf.

Mondelinge vraag van mevrouw Sabine de Bethune aan de vice-eerste minister en minister van Justitie over «het gebruik van e-mail door politieke, economische en socio-culturele organisaties» (nr. 3-126)

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - De wet betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij van 11 maart 2003 trad op 21 maart van dit jaar in werking.

Volgens verschillende bronnen aanvaardt de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer dat e-mailadressen nog eenmaal kunnen worden gebruikt, tot uiterlijk 31 december 2003, maar dan alleen om de toestemming van de geadresseerden te vragen voor het gebruik van hun e-mailadres in de toekomst. Die deadline zorgt voor nogal wat praktische problemen bij verenigingen maar ook bij politieke organisaties.

Is de minister van oordeel dat mededelingen van politieke partijen, maar ook van economische of sociaal-culturele verenigingen onder het toepassingsgebied van voornoemde wet ressorteren en als `reclame' moeten worden beschouwd?

Klopt het dat voor de toepassing van de zogenaamde opt in-formule, ook de mail die de bestemmeling uitnodigt om voor die formule te kiezen, onder het toepassingsgebied van de wet valt? Zal het versturen van dergelijke mail na 1 januari 2004 worden vervolgd en in voorkomend geval worden bestraft?

Mag de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer de deadline van 31 december hanteren? Wat is de juridische basis voor die gedoogperiode?

Bestaat de mogelijkheid dat die gedoogperiode wordt verlengd zodat een informatiecampagne kan worden opgezet voor verenigingen en politieke organisaties?

Zal de minister in uitzonderingen voorzien op het verbod van elektronische post voor reclame, zoals bepaald in artikel 14, §1, van de wet, in het bijzonder voor verenigingen met sociaal-culturele inslag of politieke organisaties?

Kan een wetswijziging worden overwogen om voor elektronische post van sociaal-culturele verenigingen en politieke organisaties eerder te opteren voor de opt out-formule dan voor de opt in-formule?

Hoe zal de controle effectief worden georganiseerd en welke operationele middelen worden ter beschikking gesteld?

Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Justitie. - In antwoord op uw eerste vraag, wijs ik erop dat met de wet van 11 maart 2003 richtlijn 2002/58/EG wordt omgezet. Die richtlijn geeft geen definitie van direct marketing. In considerans 30 van richtlijn 95/46/EG, de belangrijkste richtlijn inzake gegevensbescherming, wordt daarentegen nader bepaald dat de mededelingen door liefdadigheids- en politieke instellingen als direct marketing moeten worden beschouwd.

Wat de tweede vraag betreft, is het volkomen juist dat een e-mail waarbij om de instemming van de betrokken persoon wordt verzocht om hem via mail reclame toe te zenden, onder het toepassingsgebied van de wet valt.

In artikel 13, §2 van richtlijn 2002/58, wordt bepaald dat de toestemming van de betrokken persoon moet worden gegeven op het ogenblik dat de elektronische gegevens worden verzameld. Anders gezegd, de verenigingen hebben geen andere keuze dan schriftelijk om de instemming van de betrokken persoon te verzoeken.

Ik wijs erop dat de richtlijn op 12 juli 2002 werd goedgekeurd in overleg met de vertegenwoordigers van de sector direct marketing en dat de verenigingen meer dan een jaar tijd hebben gehad om zich daaraan aan te passen en vooraf per e-mail om de instemming van de betrokkenen te vragen.

Wat uw derde en vierde vraag betreft, wijs ik erop dat de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer sedert 26 juli jongstleden niet langer onder de FOD Justitie ressorteert, maar onder de Kamer. U zou uw vragen dus beter rechtstreeks tot de Commissie richten. In de rubriek Nieuws, op de website van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, kunt u overigens nuttige informatie vinden over de standpunten van de Commissie.

In antwoord op uw vijfde en zesde vraag kan ik u zeggen dat de richtlijn inderdaad geen uitzondering toelaat op dat punt.

Wat uw laatste vraag betreft, komt het de Kamer, waaronder de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer thans ressorteert, toe de middelen te bepalen die de Commissie nodig heeft om effectief na te gaan of de wet wordt nageleefd.

De voorzitter. - Ik stel voor de vergadering te schorsen in afwachting dat de ministers hier aanwezig kunnen zijn.

(De vergadering wordt geschorst om 15.30 uur. Ze wordt hervat om 15.41 uur.)

(Voorzitter: de heer Armand De Decker.)

Mondelinge vraag van de heer Jurgen Ceder aan de vice-eerste minister en minister van Justitie en aan de vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken over «het toezicht op een Palestijnse overvaller» (nr. 3-123)

De heer Jurgen Ceder (VL. BLOK). - In de ochtend van 16 december heeft de politie acht personen opgepakt die verdacht worden van betrokkenheid bij meerdere overvallen, onder andere bij de overval op het postkantoor van Nederbrakel eind vorig jaar, waarbij explosieven werden gebruikt.

Een van de gearresteerde personen is Khalil Mouhammed Abdallah Al-Nawawreh. Deze 25-jarige Palestijn was vorig jaar één van de bezetters van de Geboortekerk in Betlehem. Na onderhandelingen op internationaal niveau werd hij door Israël verbannen en samen met enkele anderen door België opgevangen, op voorwaarde dat hij onder toezicht van de autoriteiten zou blijven. Nu blijkt dat dit toezicht niet verhinderd heeft dat deze Palestijn mogelijk zou hebben deelgenomen aan verschillende gewapende overvallen.

Gisteren heeft het departement van de minister toegegeven dat sinds juni geweten is dat betrokkene niet meer bij zijn gastgezin in Bertrix verblijft en contacten onderhield met fundamentalistische en terroristische kringen in Brussel. We mogen nog van geluk spreken dat geen andere politieke doelwitten werden aangevallen, want niets zou die personen belet hebben aanslagen te plegen tegen Israëlische, joodse of andere doelwitten.

Waaruit bestaat dat toezicht op de in België opgevangen bezetters van de Geboortekerk? Hoe kon die persoon zware criminele activiteiten uitvoeren terwijl hij onder toezicht stond? Zijn er banden tussen deze criminele bende en andere bezetters van de Geboortekerk? Diende de opbrengst van de overvallen voor de financiering van politieke activiteiten of terrorisme? Hoe zal het toezicht worden georganiseerd om dergelijke feiten onmogelijk te maken?

De heer Patrick Dewael, vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken. - De aanwezigheid van betrokkene in ons land vloeit rechtstreeks voort uit een beslissing van de Europese Unie. De Raad voor Algemene Zaken en Buitenlandse Betrekkingen heeft op 21 mei vorig jaar beslist 13 Palestijnen die betrokken waren bij de kerkbezetting, voor één jaar in de Europese Unie op te nemen. De 13 personen werden verdeeld over een aantal lidstaten. De Belgische minister van Buitenlandse Zaken had zich bereid verklaard één persoon op te nemen.

Op grond van de gegevens waarover ik beschik, is de kwalificatie van terrorist onaanvaardbaar. De EU gaat ervan uit dat het om bannelingen gaat, wat gevolgen heeft voor de verblijfsvoorwaarden in de EU-lidstaten. Betrokkene heeft dus geen verblijfsvergunning conform het Belgische recht. Hij is geen asielzoeker en ressorteert niet onder de vreemdelingenwetgeving. We kunnen hem bijvoorbeeld geen huisarrest geven. Zolang hij geen strafbare feiten pleegt, mag hij zich vrij bewegen op ons grondgebied. De enige verplichtingen die de EU ons oplegt, is dat hem een vaste verblijfplaats wordt toegewezen en dat hij een meldingsplicht heeft.

Mochten zich feiten voordoen, dan moeten die krachtens de notificatie enkel aan de Europese Unie worden gemeld. Noch de minister van Binnenlandse Zaken, noch de minister van Buitenlandse Zaken, noch enige andere Belgische instantie kan eenzijdig op dat engagement terugkomen.

Ik heb naar aanleiding van de feiten die zich nu hebben voorgedaan, overleg gepleegd met de minister van Buitenlandse Zaken en hem gevraagd de kwestie bij de Europese Unie aan te kaarten.

De regeling gold aanvankelijk voor één jaar, maar in mei van dit jaar werd ze voor twee jaar verlengd.

De betrokkene heeft de meldingsplicht tamelijk goed nageleefd. De eigenaar van de woning waarin hij verbleef, heeft regelmatig gerapporteerd aan de lokale politie, die ook instructies had gekregen om aan de betrokkene bijzondere aandacht te besteden. Vanaf mei van dit jaar heeft de betrokkene zich steeds minder van zijn meldingsplicht gekweten. Hij werd echter wel permanent gevolgd. Telkens werd vastgesteld dat hij de meldingsplicht niet naleefde, moest hij via overleg ervan worden overtuigd terug naar Bertrix te gaan. De klassieke middelen bij een asielprocedure konden niet worden aangewend. Op een bepaald ogenblik werd vastgesteld dat hij in Anderlecht contacten bleef onderhouden. Maar hij kon zich, zoals gezegd, vrij over het grondgebied bewegen. Hij kon niet onder huisarrest worden geplaatst.

Nu is een nieuwe situatie ontstaan. Hij is bij een huiszoeking opgepakt en zijn naam wordt in verband gebracht met enkele diefstallen. De onderzoeksrechter heeft hem onder aanhoudingsmandaat geplaatst. De raadkamer beslist morgen of dat mandaat wordt bevestigd. België moet het dossier opnieuw bij de Europese Unie aankaarten.

Ik heb dit dossier vanop een afstand gevolgd. Het is een vrij eigenaardige regeling, die in Europees verband tot stand is gekomen. Dertien bannelingen werden verspreid over lidstaten van de Europese Unie die bereid waren hen op te vangen. Ik heb vernomen dat Ierland, dat twee bannelingen heeft opgevangen, met gelijkaardige problemen wordt geconfronteerd.

De heer Jurgen Ceder (VL. BLOK). - Ik geef toe dat de betrokken persoon een bijzonder statuut geniet, maar we kunnen ook niet zeggen dat hij een diplomatieke onschendbaarheid genoot.

De minister aanvaard de kwalificatie van terrorist niet, maar misschien is hij na de recente feiten van gedacht veranderd. We kenden echter wel de achtergrond van de betrokkene. Hij had deelgenomen aan de bezetting van de Geboortekerk in Betlehem, waarbij geweld was gebruikt. Israël had ons ingelicht tot welke organisaties deze persoon behoorde. De minister wist sinds juni dat de betrokkene zijn meldingsplicht niet langer naleefde en dat hij contacten onderhield met bepaalde terroristische of fundamentalistische organisaties.

Waarom werd niet eerder tot huiszoekingen overgegaan? Er is ook niet overgegaan tot een voorlopige aanhouding. Men heeft alles laten begaan, met de gekende gevolgen.

De heer Patrick Dewael, vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken. - Volgens de heer Ceder aanvaard ik de omschrijving van terrorist niet, maar ben ik op basis van de nieuwe feiten allicht tot een ander inzicht gekomen. Mijn standpunt is evenwel rechtlijnig. Iedereen is onschuldig tot bewijs van het tegendeel. De bewuste persoon is nu in verdenking gesteld en onder aanhoudingsmandaat geplaatst. Ik herhaal dit met klem, omdat ook sommige leden van de Kamer ervan uitgingen dat hij schuldig is aan de feiten.

Ik ben helemaal niet op de hoogte sinds juni. Na de eedaflegging van de regering werd ik immers pas voor het eerst in de loop van september met het dossier geconfronteerd op basis van inlichtingen van de dienst Vreemdelingenzaken.

Ik volg dat dossier niet op de voet, maar toen bleek dat de bewuste persoon de meldingsplicht niet meer respecteerde, hebben mijn diensten al het mogelijke gedaan hem ertoe te bewegen terug naar Bertrix te gaan. Met succes! Mijn diensten zijn evenwel niet verplicht de betrokkene 24 uur op 24 te volgen of onder politiebewaking te plaatsen, gelet op zijn statuut. Ingevolge de gepleegde feiten kan de situatie nu wijzigen.

Uit de gegevens blijkt helemaal niet dat de personen waarmee hij in Anderlecht in contact is gekomen, fundamentalisten of terroristen zijn. Om die reden kan ik hem ook niet preventief laten oppakken.

Na het plegen van feiten van gemeenrecht, wat hij zou hebben gedaan, kan tegen hem een aanhoudingsmandaat worden uitgevaardigd.

De voorzitter. - Mag ik erop wijzen dat het Reglement een spreektijd van drie minuten voorschrijft voor de behandeling van een mondelinge vraag.

Mondelinge vraag van de heer Frank Creyelman aan de vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken over «de uitvoering van de arresten van de Raad van State en het Arbitragehof naar aanleiding van de onregelmatige integratie van de voormalige luchtvaartpolitie in de federale politie» (nr. 3-122)

De heer Frank Creyelman (VL. BLOK). - De leden van de voormalige luchtvaartpolitie werden door de hervorming van de politiediensten geïntegreerd in de rijkswacht en na afschaffing daarvan in de federale politie.

Een arrest van de Raad van State bevestigde dat die integratie op onregelmatige wijze gebeurde. Het Arbitragehof kwam in zijn arrest van 22 juli 2003 tot hetzelfde conclusie.

Sommige ex-leden van de luchtvaartpolitie wachten reeds meer dan twee jaar op de uitvoering van die uitspraken. Op twee augustus 2002 werd de Belgische Staat zelfs veroordeeld tot het betalen van een dwangsom per dag dat de arresten niet zouden worden uitgevoerd.

Wanneer zullen de arresten van de Raad van State en van het Arbitragehof in deze materie worden uitgevoerd?

Hoe groot is het bedrag van de schadevergoeding dat de Belgische Staat moet betalen aan de gedupeerden?

De heer Patrick Dewael, vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken. - Het koninklijk besluit waarbij de vroegere leden van de luchtvaartpolitie werden ingeschaald in de nieuwe politiestructuur werd vernietigd door de Raad van State, die eveneens een dwangsom heeft opgelegd van 2.000 euro per dag bij niet-uitvoering van het arrest.

De overheid heeft het arrest uitgevoerd, in die zin dat de politieagenten opnieuw werden ingeschaald bij de federale politie, ditmaal bij wet. Die inschaling werd op haar beurt door het Arbitragehof vernietigd op 22 juli 2003.

Is die dwangsom verschuldigd? Er werd uitvoering gegeven aan het arrest van de Raad van State. Nadien werd de nieuwe regeling evenwel vernietigd door het Arbitragehof.

De inning van de dwangsom behoort tot de bevoegdheid van mijn collega van Financiën. Terzake werd door beide departementen reeds overleg gepleegd en momenteel buigt de minister van Financiën zich over dat dossier.

Mijn diensten onderzoeken hoe het arrest, waarbij elf artikelen van het nieuwe politiestatuut werden vernietigd, moet worden uitgevoerd. Dat onderzoek zal eerstdaags worden beëindigd. Op basis van die studie zal ik vervolgens voorstellen formuleren.

Hierop wil ik evenwel niet vooruitlopen, te meer daar dit een complexe materie is. Daarenboven worden onderhandelingen gevoerd met de politievakbonden. Omdat ik die alle kansen wil geven, leg ik nu best niet te veel publieke verklaringen af.

Mondelinge vraag van de heer Ludwig Vandenhove aan de vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken over «de derde basisopleiding voor aspirant-inspecteurs van politie en de implementatie van ASTRID in de politieschool van Limburg» (nr. 3-124)

De heer Ludwig Vandenhove (SP.A-SPIRIT). - Gisteren heb ik op het terrein enkele dingen vernomen waarop ik graag de aandacht van de minister wil vestigen.

Sinds de politiehervorming moet de minister van Binnenlandse Zaken jaarlijks een contract afsluiten met de politiescholen. Mijn eerste vraag - en eigenlijk de minst belangrijke vraag van de drie - is dan ook wanneer dat gaat gebeuren.

Mijn tweede vraag is belangrijker. Blijkbaar is in een overleg met de directies van de scholen niet beslist, maar opgelegd - niet alle directies zijn er uiteraard tevreden mee - dat voor de inrichting van bepaalde cursussen niet langer rekening wordt gehouden met de keuzevrijheid van de cursist, maar dat de cursussen veeleer worden gegeven daar waar er het meest openstaande betrekkingen zijn. Dat brengt ons uiteraard meteen in het centrum van het land, in Brussel, zodat in de andere politiescholen minder cursussen kunnen worden gevolgd en studenten zich dus naar Brussel moeten verplaatsen, met alle gevolgen van dien. Dat geldt natuurlijk niet alleen voor Limburg, maar ook voor de andere politiescholen. Is deze informatie correct en is de minister van plan in te grijpen?

De berichten over een derde punt zijn nogal dubbelzinnig. Er wordt gezegd dat er op het ogenblik twee concrete toepassingen van ASTRID zijn in twee scholen, namelijk in West-Vlaanderen en in Henegouwen, en dat er bijkomend drie projecten zouden worden geïmplementeerd. Dat is één versie. De andere versie luidt dat de huidige twee projecten zouden verhuizen. Welke versie is de correcte en in welke mate komen de andere provincies dan aan bod?

De heer Patrick Dewael, vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken. - In de beheerscontracten moeten bepaalde normen in verband met infrastructuur, personeelsformatie, pedagogie en dergelijke meer worden vastgelegd. De beheerscontracten zijn er nog niet, omdat de scholen uitstel hebben gevraagd. Ze willen zich eerst toeleggen op de nieuwe opleidingseisen. Dat wil echter niet zeggen dat er helemaal geen regels zijn. De normen zoals ze in de beheerscontracten zullen worden bepaald, worden in feite reeds toegepast, zij het met een zekere soepelheid. Scholen die een strikter reglementair kader wensen, kunnen op dat punt zelf hun verantwoordelijkheid opnemen.

Het is niet de bedoeling de opleiding te centraliseren. Een kwart van het politiepersoneel werkt echter in Brussel en 46% van de betrekkingen die in mobiliteit worden opengesteld, bevinden zich in Brussel, tegenover bijvoorbeeld 0,8% in Limburg. De realiteit vereist dus dat een belangrijk deel van de aspiranten in Brussel wordt opgeleid. Overigens hebben we de financiële leefbaarheid van de overige scholen niet in gevaar willen brengen. Ze hebben allemaal de waarborg gekregen dat ze elk jaar ten minste 60 aspirant-inspecteurs kunnen opleiden.

Het punt van de implementering van ASTRID in de Limburgse politieschool zal ik opnemen tijdens een vergadering met ASTRID die gepland is voor volgende week dinsdag. Ik heb de hele dag uitgetrokken om dat dossier ter plaatse door te nemen en ik zal de vraag van de heer Vandenhove zeker meenemen.

Mondelinge vraag van mevrouw Marie-José Laloy aan de eerste minister over «het Rijksarchief voor Waals-Brabant» (nr. 3-117)

De voorzitter. - de heer Didier Reynders, minister van Financiën, antwoordt namens de heer Guy Verhofstadt, eerste minister.

Mevrouw Marie-José Laloy (PS). - Het voornemen om het Rijksarchief voor Waals-Brabant onder te brengen in Péronnes-lez-Binche in Henegouwen, gaat in tegen het ministerieel besluit van 17 december 1999, dat Louvain-la-Neuve officieel heeft aangewezen als vestigingsplaats om het hoofd te bieden aan de nieuwe situatie die ontstaan is als gevolg van de splitsing van de provincie Brabant in 1995.

De overdracht van een perceel grond door de UCL, de goedkeuring van de toekomstige vestigingsplaats door het Rijksarchief en het afgeven van een bouwvergunning, hebben de hoop gevoed dat Waals-Brabant snel zou beschikken over een waardige infrastructuur voor zijn historisch archief.

Dat plan is jammer genoeg niet doorgegaan. De goedkeuring door de Ministerraad, op 28 februari 2003, van de verwerving van de voormalige kolenwasserij van Péronnes-lez-Binche, waarvan een gedeelte na verbouwing zou dienen voor de inrichting van het archief voor Waals-Brabant, betekent een ommezwaai waar de Wetenschappelijke Raad en de Commissie voor het beheer van het Rijksarchief niet mee gediend zijn.

Het deponeren van het archief is een dienst aan het publiek, wat een locatie dichtbij de bevolking impliceert. Als bewaarder van het collectieve geheugen van de inwoners van Waals-Brabant is het ook een symbool dat de provincie niet mag worden ontnomen.

Welke oplossing ziet de minister voor de lokalisering van het Rijksarchief voor Waals-Brabant, dat een deel vormt van het culturele patrimonium van deze jonge provincie?

De heer Didier Reynders, minister van Financiën. - Het voornemen om het Rijksarchief voor Waals-Brabant op het terrein van de UCL te vestigen, blijft bestaan. De studie is voltooid. Aangezien we zeer onlangs de bevestiging van het behoefteprogramma hebben ontvangen, zal de aanbestedingsprocedure begin 2004 van start gaan. Het gebouw zal bestaan uit leeszalen, een bibliotheek en kantoren, alsook uit een afdeling archief volgens de compactus-opslag. De leeszalen en de bibliotheek staan inderdaad ten dienste van het publiek, mevrouw Laloy.

In februari is er een beslissing genomen betreffende het terrein van Péronnes-lez-Binche. Het gaat om de oprichting van een hulppost bestemd voor: de inzameling en de bewaring van documenten uit het archief van de federale besturen en andere archiefstukken, vooral het definitief historisch archief dat niet in Namen en Louvain-la-Neuve kan worden opgeslagen; het sorteren, het stofvrij maken, ontsmetten en verpakken van historisch archief dat niet op andere plaatsen kan worden behandeld en, ten slotte, voor het beheer van de virtuele en materiële overbrenging van documenten tussen de depots Namen en Louvain-la-Neuve.

De toegang van publiek op die plaats zal beperkt zijn tot het personeel van de besturen die er hun archief onderbrengen. Het depot zal ook dienen voor het opslaan van bodemmonsters. Het gaat dus wel degelijk om een hulpdepot.

De vestiging van het depot van het Rijksarchief in Louvain-la-Neuve blijft behouden.

Mevrouw Marie-José Laloy (PS). - Ik dank de regering voor dit cadeau aan de inwoners van Waals Brabant. Dat is uitstekend nieuws. Het verbaast mij dat de commissie ad hoc nog niet werd ingelicht. Ik zal mij daarmee belasten.

Mondelinge vraag van de heer Pierre Galand aan de minister van Ontwikkelingssamenwerking en aan de minister van Financiën over «de erkenning van de NGO's die gemachtigd zijn een fiscaal attest af te geven voor giften ten belope van een gecumuleerd bedrag van meer dan 30 euro per kalenderjaar» (nr. 3-118)

De heer Pierre Galand (PS). - De NGO's voor ontwikkelingssamenwerking zijn, zoals andere erkende instellingen, gemachtigd om gedurende een vaste verlengbare periode fiscale attesten af te geven.

De overheid wil hiermee giften en schenkingen aanmoedigen om zo bij te dragen tot de internationale actie van samenwerking met de landen van de derde wereld. Dat is positief.

Heel wat NGO's genoten of genieten dit voordeel. Meer dan 240 NGO's werden de laatste jaren erkend, 82 hadden hun zetel in Vlaanderen, 97 in Brussel en 70 in Wallonië.

Kan de minister zeggen welke erkenningsprocedure de erkende NGO's hebben doorlopen? Welke maatregelen werden er genomen om de toegang tot zulke giften te ontzeggen aan verenigingen die banden hebben met sekten of dubieuze circuits op het vlak van kinderhandel?

De heer Didier Reynders, minister van Financiën. - Het nieuwe element dat in de vorige regeerperiode in de erkenningsprocedure werd ingebracht, is de erkenning voor langere duur zodat de verenigingen, hoofdzakelijk vzw's, niet ieder jaar verlengingen moeten aanvragen.

De procedure verloopt goed. Het is de bedoeling erkenningen te geven voor drie tot zes jaar. Deze belangrijke vereenvoudiging vereist soms wel scherpere controles.

Er zijn altijd twee ministers bevoegd, namelijk de minister van Financiën en de minister die bevoegd is voor de materie in kwestie op het federale, communautaire dan wel gewestelijke niveau. De ministers van Financiën en van Ontwikkelingssamenwerking doen samen uitspraak over de vraag om erkenning van instellingen die ontwikkelingslanden bijstaan. De aanvraag wordt ingediend bij de minister van Financiën die het dossier naar de directe belastingen stuurt voor controle van de boekhouding en naar de federale overheidsdienst Buitenlandse Zaken. In dit stadium wordt het dossier nog vaak aangevuld met inlichtingen verstrekt door de vzw die de erkenning vraagt. De minister van Ontwikkelingssamenwerking brengt de minister van Financiën op de hoogte van zijn beslissing en die laatste verwittigt de vzw.

De vzw die de aanvraag doet, moet alle nuttige inlichtingen verstrekken. De algemene directie van Ontwikkelingssamenwerking dringt aan op pertinente en controleerbare gegevens.

Het onderzoek van het dossier gebeurt meestal uitsluitend op basis van documenten die de aanvrager bezorgt. Als de vzw geen gevolg geeft aan een verzoek om bijkomende inlichtingen, wordt het dossier onontvankelijk verklaard bij gebrek aan gegevens die nuttig zijn voor het onderzoek.

De wetgever heeft dit kader gecreëerd om de erkenning van instellingen die de ontwikkelingslanden bijstaan, mogelijk te maken. De erkenning kan dus niet worden geweigerd op grond van de materiële onmogelijkheid om de inlichtingen die de aanvrager verstrekt te controleren als dat niet te wijten is aan de organisatie die de aanvraag doet. Aangezien de activiteiten van de betrokken organisaties meestal op het buitenland gericht zijn, zijn de inlichtingen die ze verstrekken minder gemakkelijk te controleren.

Het spreekt voor zich dat niet in alle sectoren op dezelfde wijze kan worden gecontroleerd.

De fiscale administratie controleert vooral de boekhouding en gaat het aandeel na van de administratiekosten in het geheel van de inkomsten. Dat mag niet meer zijn dan 20%. Het onderzoek van de toezichthoudende overheid, hier de algemene directie van Ontwikkelingssamenwerking, heeft betrekking op de relevantie van de activiteiten van de vzw. Het moet gaan om activiteiten op het vlak van ontwikkelingssamenwerking die kaderen in projecten van de Belgische overheid of van internationale organisaties waarvan België lid is.

Als Financiën bij de controle van de boekhouding op elementen stoot die nuttig zijn voor het onderzoek van de algemene directie van Ontwikkelingssamenwerking, geeft ze die vanzelfsprekend door.

Het gebeurt zelden dat de controle van de boekhouding elementen aan het licht brengt over het sektarische karakter van een organisatie of over de misdrijven en inbreuken waar de heer Galand naar verwijst. Mocht dat wel het geval zijn dan wordt de toezichthoudende overheid onmiddellijk op de hoogte gebracht. Die laatste vraagt vaak bijkomende inlichtingen op grond van het dossier van Ontwikkelingssamenwerking of naar aanleiding van opmerkingen van de gerechtelijke overheid, de politiediensten of het parlement. Indien er een vermoeden zou zijn dat de vzw iets te maken heeft met de feiten die de heer Galand heeft vermeld, is Ontwikkelingssamenwerking verplicht bijkomende inlichtingen op te vragen. Als inderdaad blijkt dat er een probleem is, kan de erkenning worden geweigerd. Weigeren om informatie te verstrekken, kan ook bezwaarlijk zijn.

Tot zover de procedure.

Ik heb gewezen op de wijze waarop de diensten van Ontwikkelingssamenwerking hun controles meenden te moeten doen. Ik sluit mij altijd aan bij het advies van de diensten van de toezichthoudende overheid. De controle van Financiën is bijkomend. Als de bevoegde minister een erkenning weigert, volgen er geen verdere stappen.

Om een antwoord te kunnen geven op de concrete vragen van de heer Galand zouden we enkele concrete gevallen moeten onderzoeken. Voor sommige dossiers moet er bij het onderzoek rekening gehouden worden met het verslag van de parlementaire onderzoekscommissie naar de sekten.

De heer Pierre Galand (PS). - Ik heb lang bij Oxfam gewerkt en ik kende de procedure. In vroegere statistische analyse van de lijst van NGO's die fiscale vrijstelling genieten, heb tot mijn verrassing vastgesteld dat sommige NGO's alles behalve organisaties voor ontwikkelingssamenwerking waren. Gelukkig is dat nu niet meer het geval. We moeten echter waakzaam blijven want Brussel wordt een belangrijk centrum voor de financiering van de ontwikkelingssamenwerking, onder meer via de EU. Heel wat internationale verenigingen waarvan de doelstellingen `onduidelijk' zijn, vestigen zich in Brussel om een beroep te kunnen doen op Europese financiering. Sommigen verzamelen fondsen op het Belgische grondgebied om fiscale vrijstelling te kunnen genieten en deel te nemen aan witwascircuits.

Ik wens geen verenigingen aan de kaak te stellen, maar een consultatie van de organisaties die de cofinanciering coördineren - Coprogram voor Vlaanderen en Acodev voor Wallonië - zou ons iets leren over een reeks verenigingen en de minister van Ontwikkelingssamenwerking en de diensten van Financiën inlichten over bepaalde NGO-praktijken die afhangen van netwerken zonder enige binding met ontwikkelingssamenwerking en zich schuldig maken aan witwaspraktijken, of van sekten die zich in België komen vestigen. Ik noem de Mennonieten die ik aan het werk zag en die ongelooflijk behendig zijn in het inzamelen van fondsen. Ze zijn vooral actief in de kringen van de Europese ambtenaren et breiden voortdurend uit. Hetzelfde voor Humana. Waakzaamheid is dus geboden.

Mondelinge vraag van de heer Jean-Marie Dedecker aan de minister van Financiën over «de forfaitaire bepaling van het aantal privé-kilometers voor belastingplichtigen die over een dienstwagen beschikken» (nr. 3-115)

De heer Jean-Marie Dedecker (VLD). - De minister wenst de regeling vervat in de interne instructie van 31 mei 2000 inzake de forfaitaire bepaling van het aantal privé-kilometers voor ambtenaren die over een dienstwagen beschikken uit te breiden tot alle belastingplichtigen die over een dienstwagen beschikken. De achterliggende gedachte is dat het gelijkheidsbeginsel niet geschonden mag worden.

Het forfait wordt dan 5.000 kilometer voor wie op hoogstens 25 kilometer, en 7.500 kilometer voor wie op meer dan 25 kilometer van zijn werk woont. In vele gevallen werd in bedrijven reeds een forfait in acht genomen van 5.000 kilometer. Recentelijk herbekijken controleurs de afstand tussen woonplaats en werkplaats voor de raming van de kosten en worden supplementen opgelegd.

Graag ontving ik van de geachte minister een antwoord op de volgende vragen. Met ingang van welke datum wordt deze regeling precies uitgebreid tot de niet ambtenaren? Welke gevolgen heeft de regeling voor de bestaande akkoorden gesloten met de administratie? Kunnen controleurs nog dossiers met het oog op de raming van de privé-kilometers herbekijken, of zijn ze voor de vorige fiscale jaren retroactief gebonden door de forfaitregeling? Kunnen alle belastingplichtigen die over een dienstwagen beschikken zich nu reeds beroepen op de regeling, bijvoorbeeld in gerechtelijke geschillen met de administratie?

De heer Didier Reynders, minister van Financiën. - De regel die de voordelen voor de gebruikers van personenwagens forfaitair vastlegt op 5.000 kilometer voor wie hoogstens op 25 kilometer, en op 7.500 kilometer voor wie op meer dan 25 kilometer van zijn werk woont, is dezelfde als deze voor de waardebepaling van voordelen van alle aard die voortvloeien uit het persoonlijk gebruik van voertuigen van de overheid door personen met een overheidsopdracht, overheidsmandaat of overheidsambt. Het betreft de circulaire van 1 april 1999 en de instructie van 31 mei 2000.

Ik heb deze regel uitgebreid naar niet ambtenaren. De richtlijnen zullen aan de belastingdiensten worden meegedeeld en staan op de website van de FOD Financiën. De bestaande akkoorden blijven van kracht maar in de toekomst zullen, met uitzondering van enkele buitengewone omstandigheden, voor iedereen dezelfde regels gelden.

De heer Jean-Marie Dedecker (VLD). - Er is ontzettend veel verwarring. Er komt een omzendbrief om de forfaitaire bepaling van het aantal privé-kilometers voor iedereen gelijk te maken. Mag ik het zo interpreteren dat, wat in het verleden is gebeurd, nog afhankelijk is van de plaatselijke controleur?

De heer Didier Reynders, minister van Financiën. - De bestaande akkoorden tussen de bedrijven en de fiscale administratie blijven van kracht, maar er moet eenzelfde regeling komen voor iedere belastingplichtige. Het is altijd mogelijk een speciaal akkoord te sluiten tussen een bedrijf en de fiscale administratie in geval van buitengewone omstandigheden. De verwarring, waarover u spreekt, is niet ontstaan door verklaringen van mijnentwege, maar door een artikel in de pers.

De heer Jean-Marie Dedecker (VLD). - Ik ben de laatste die een persartikel durft te betwisten.

De heer Didier Reynders, minister van Financiën. - Mijn standpunt is alleszins heel duidelijk: voorlopig werken we met de bestaande akkoorden, maar we streven naar eenzelfde regeling voor iedereen. Voor bedrijven blijft de mogelijkheid bestaan om een specifiek akkoord af te sluiten met de belastingadministratie.

Mondelinge vraag van de heer François Roelants du Vivier aan de minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid en aan de minister van Leefmilieu, Consumentenzaken en Duurzame Ontwikkeling over «de recente verklaringen van Europees commissaris Loyola de Palacio over de noodzaak voor de Europese Unie om haar doelstellingen inzake beperking van de emissie van broeikasgassen te herzien» (nr. 3-116)

De heer François Roelants du Vivier (MR). - De Europese commissaris belast met Vervoer en Energie, mevrouw de Palacio, heeft op maandag 15 december, tijdens een vergadering van de ministers van Energie, verklaard dat de Europese Unie haar doelstellingen inzake emissies absoluut moet herzien, wil haar beleid niet tot mislukken gedoemd zijn. Zij voegde eraan toe: "Dezelfde strategie aanhouden zonder de discussie onder de Vijftien opnieuw te openen, terwijl onze belangrijkste economische concurrenten beslist hebben om Kyoto niet te ratificeren, zou een dramatische vergissing zijn".

Op vragen van journalisten over de gevolgen van die verklaringen antwoordde de woordvoerder van de commissaris: "Als de Europese Unie zich als enige inspanningen blijft getroosten voor de beperking van de emissies, terwijl de Verenigde Staten en Rusland forfait geven, dan verzwakt zij haar concurrentiepositie zonder ook maar iets te doen aan het probleem van de klimaatwijziging". Mevrouw Wallström, commissaris belast met het Milieu, heeft zich hierover in heel andere bewoordingen uitgelaten.

Persoonlijk ben ik er niet van overtuigd dat de weigering van Rusland onherroepelijk is. De uitdaging van de klimaatopwarming is zo groot, dat het onverantwoord is de Amerikaanse en Russische houding in te roepen om onze ambities te matigen.

Hoe beoordeelt de regering de uiteenlopende opvattingen van beide commissarissen en meer bepaald het voornemen van mevrouw de Palacio om het huidige beleid van de Unie inzake de beperking van de emissie van broeikasgassen op de helling te zetten? Welk standpunt zal België in de Unie verdedigen ten aanzien van de - mijns inziens voorlopige - weigering van Rusland om het Kyotoprotocol te ratificeren?

Mevrouw Freya Van den Bossche, minister van Leefmilieu, Consumentenzaken en Duurzame Ontwikkeling. - De klimaatwijziging is een globaal probleem dat noodzakelijkerwijze om een globale oplossing vraagt. Er waren tien jaar nodig om het Kyoto-protocol operationeel te maken: van de COP 1 te Berlijn tot de zopas afgelopen COP 9 te Milaan. Volgens mevrouw Wallström, commissaris belast met Milieu, is het weinig waarschijnlijk dat er op korte termijn een doeltreffend alternatief kan worden uitgewerkt.

Zelf was ik ook geschokt door de verklaring van mevrouw de Palacio, commissaris belast met Vervoer en Energie. Dinsdag heeft de heer Prodi mevrouw de Palacio echter tegengesproken. Volgens de commissievoorzitter verleent de Commissie haar vastberaden steun aan het Kyotoprotocol en aan de integrale tenuitvoerlegging ervan door de Europese Unie. Wij veranderen niet van mening en komen niet terug op de vooropgestelde doelstellingen. De jongste Conferentie over de klimaatwijziging te Milaan heeft bevestigd dat het internationaal engagement voor het protocol sterk blijft. De heer Prodi heeft zelfs gezegd dat hij er vast van overtuigd is dat Rusland het protocol zal ratificeren vóór het in werking treedt.

Ik deel uw mening over Rusland, dat overigens ook de beste schaakspelers voortbrengt... België steunt het Kyoto-protocol ten volle en hoopt formeel dat Rusland het zo snel mogelijk zal ratificeren.

België moet de lasten van zijn klimaatbeleid zo snel mogelijk verdelen tussen de gewesten en de federale overheid. De Nationale Klimaatcommissie heeft vandaag overigens gediscussieerd over verschillende scenario's voor de verdeling. Op de volgende commissievergadering in januari zal waarschijnlijk tot verdeling worden overgegaan

Belangrijker is nog dat het nieuwe Nationale Klimaatplan, inclusief een federaal hoofdstuk, in elk geval moet worden uitgewerkt. Wij moeten immers alles in het werk stellen - en wij zullen dat standpunt op het Europese niveau verdedigen - om de klimaatomstandigheden op wereldschaal te veranderen ook als wij op een weigering van Rusland stoten. In het totaal nemen er toch 160 Staten deel.

De heer François Roelants du Vivier (MR). - Ik dank u voor uw voluntaristisch antwoord. De Russen zijn inderdaad grote schaakspelers. Toch moeten zij zich ervoor hoeden dat hun schaakbord niet opwarmt en wegbrandt... Zij moeten ons niet tot het uiterste te drijven vooraleer te beslissen het Kyoto-protocol te ondertekenen.

De commissievoorzitter is tussenbeide gekomen in het debat. Ik dank u dat u hem hebt geciteerd. Het standpunt van de Europese Unie is geen duimbreed gewijzigd. België moet in dezen zo snel mogelijk optreden. U hebt zich daartoe duidelijk verbonden. Waarvoor ook mijn dank.

De voorzitter. - Wij schorsen onze werkzaamheden enkele minuten tot minister Moerman hier aanwezig is.

(De vergadering wordt geschorst om 16.30 uur. Ze wordt hervat om 16.50 uur.)

Vraag om uitleg van mevrouw Erika Thijs aan de vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken over «de infiltratie van de maffia in het Belgisch overheidsbestel in zaken van mensenhandel» (nr. 3-82)

De voorzitter. - De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister, antwoordt namens de heer Patrick Dewael, vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken.

Mevrouw Erika Thijs (CD&V). - In haar jaarverslag over het jaar 2002 stelt het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding dat uit dossiers blijkt dat criminele organisaties toegang zoeken tot essentiële delen van het staatsapparaat. Door middel van corruptie op politioneel en politiek niveau trachten ze invloed uit te oefenen met de bedoeling het opzetten en het in stand houden van circuits van mensenhandel te vergemakkelijken. Onmiskenbaar is mensenhandel verweven met georganiseerde misdaad. Dat blijkt ook uit de opeenvolgende rapporten van de Onderzoekscommissie georganiseerde misdaad van de Senaat.

Niet alleen volgens het Centrum, maar ook volgens de voormelde rapporten van de Onderzoekscommissie van de Senaat, schiet het speur- en vervolgingswerk van de betrokken Belgische diensten hierbij tekort, zowel in manschappen, middelen als juridische slagkracht. Het Centrum verwijst naar het eindrapport van de opvolgingscommissie georganiseerde misdaad waarin een aantal opmerkelijke verklaringen staan van de bevoegde magistraat over de disfuncties in de corruptiebestrijding. Volgens Philippe Ullmann, destijds door het College van procureurs-generaal aangesteld als bijstandsmagistraat in de financieel-economische criminaliteit, hebben veel speurders de huidige anticorruptiedienst CDBC verlaten omdat ze niet meer gemotiveerd zijn. Ik verwijs naar het jaarverslag 2001. Nochtans had de regering beloofd een prioriteit te maken van de bestrijding van de mensenhandel.

Daarom de volgende vragen. Waarom weigeren de regeringspartijen hun steun aan het opnieuw installeren van de subcommissie Mensenhandel en Prostitutie in de Senaat? Waarom mag in tegenstelling tot het vroegere Hoog Comité van Toezicht, het CDBC geen preventieve controles meer uitoefenen en werkt het alleen nog op vordering van een vaak overbelaste onderzoeksrechter of van het parket? Is dat niet geheel in strijd met het beginsel van een `gewapend bestuur' dat preventief en proactief kan optreden? Worden hieromtrent verbeteringen - dit wil zeggen verregaandere bevoegdheden - eventueel Europees gecoördineerd, voorbereid? Is de minister gewonnen voor de uitbouw van het federaal parket als echte geïntegreerde antimaffiadienst?

De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister. - In het federaal veiligheids- en detentieplan van de vorige regering - het plan van 30 mei 2000 - werd een duidelijke rol toebedeeld aan een gerevitaliseerde en gemoderniseerde Centrale Dienst voor de bestrijding van de corruptie, de CDBC. Ten gevolge van de hervorming van het politielandschap werd die dienst bij de federale politie ondergebracht. Op 1 januari 2001 werd de dienst geïntegreerd in de directie van de Bestrijding van de Economische en Financiële Criminaliteit van de algemene directie van de gerechtelijke politie.

Het personeelskader van de CDBC telt 63 personeelsleden, inclusief het diensthoofd en twee personeelsleden voor administratieve ondersteuning. Het reële personeelscijfer op dit ogenblik is 60, met name 57 operationele speurders, 1 diensthoofd en 2 personeelsleden voor administratieve ondersteuning. Die 57 operationele speurders worden vooral ingezet in repressieve corruptieonderzoeken inzake overheidsopdrachten, subsidies en financiële aangelegenheden. Daarbij worden ze soms ondersteund door of werken ze samen met de gerechtelijke diensten van het arrondissement, de GDA's. De aanwerving van vier gespecialiseerde middenkaders - twee boekhouders en twee technische ingenieurs - is aan de gang.

De beschreven situatie in het eindrapport van de opvolgingscommissie georganiseerde misdaad behoort dus tot het verleden.

In het voornoemde federaal veiligheidsplan had het project 80 reeds voorzien in "een integrale en pluridisciplinaire aanpak van de corruptie inzake repressie en preventie". Er werd namelijk beslist om naast een repressieve anti-corruptiedienst een preventieve dienst integriteitsbewaking op te richten. De oprichting van die dienst is een onderdeel van het Copernicusplan. De dienst werd, gezien de functieomschrijving, ondergebracht in de federale overheidsdienst Budget en Beheerscontrole. Op dat ogenblik behoort een preventief beleid niet meer tot de bevoegdheden van de CDBC.

In een ruimere context wil de minister van Binnenlandse Zaken nog meedelen dat het onderzoek naar de geldstroom en naar het wederrechtelijk vermogen, in de actieplannen rond mensenhandel - de economische en seksuele exploitatie - en mensensmokkel - de illegale immigratie en mensensmokkel - van het federaal veiligheidsplan 2003-2004 werd opgenomen. De gerechtelijke diensten van het arrondissement stellen in het raam van hun onderzoeken tegen bovenlokale of internationale mensenhandel- en mensensmokkelorganisaties systematisch een financieel onderzoek voor.

Mevrouw Erika Thijs (CD&V). - Uit de krantenberichten van vorige week blijkt dat de sector mensenhandel een nieuwe richting heeft gekozen: illegale netwerken, vooral de werkcircuits, worden geïnfiltreerd. Om daarover meer te weten te komen, moeten extra speurders worden ingezet. Om meer te weten te komen denk ik dat het beter is dat we de minister van Binnenlandse Zaken uitnodigen in de commissie waar hij dan wat meer uitleg kan geven.

Vraag om uitleg van mevrouw Erika Thijs aan de vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken over «de procedure voor het stemmen van Belgen in het buitenland bij de Europese en Vlaamse verkiezingen» (nr. 3-59)

De voorzitter. - De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister, antwoordt namens de heer Patrick Dewael, vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken.

Mevrouw Erika Thijs (CD&V). - De stemprocedure voor Belgen in het buitenland voor de Europese en Vlaamse verkiezingen van 13 juni 2004 is op het ogenblik aan de orde in de commissie voor de Binnenlandse Aangelegenheden en voor de Administratieve Aangelegenheden, maar de behandeling ervan dreigt te worden uitgesteld. Daarom richt ik mij vandaag tot de minister.

Bij de jongste verkiezingen op 18 mei 2003 werd de nieuwe procedure toegepast, zodat Belgen die in het buitenland verblijven, vlot hun stem konden uitbrengen. Hiervoor werd de kieswetgeving aangepast en we moeten toegeven dat het nieuwe systeem een succes was. Bijna de helft van de Belgen in het buitenland bracht zijn stem uit. Omdat de Vlaamse kieswetgeving in de bijzondere wet tot hervorming van de instellingen van 1980 zit, is er in het federale parlement een bijzondere meerderheid nodig.

Daarom had ik graag van de minister vernomen of de regering van plan is om het kiessysteem van 18 mei voor de Belgen in het buitenland ook voor de regionale verkiezingen te laten gelden. Zo ja, hoe zullen de kosten dan verdeeld worden? Vorig jaar werden Belgen in het buitenland al vóór de kerstperiode via affiches opgeroepen om zich op de kieslijsten in te schrijven. Vandaag kan dat niet, omdat er nog geen gepaste wetgeving bestaat. De regering zou best zeer snel een standpunt innemen. Het dossier wordt weliswaar besproken in de commissie, maar ik geloof nooit dat wij op tijd tot een eindbesluit zullen komen. Vandaar dat ik reken op de minister.

De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister. - Ik stel vast dat in het Parlement diverse wetsvoorstellen zijn ingediend om stemrecht toe te kennen aan de Belgen in buitenland voor de verkiezingen van de gewest- en gemeenschapsraden en het Europese Parlement op 13 juni 2004. De bespreking van die wetsvoorstellen behoort tot de prerogatieven van het Parlement.

De regering moet nagaan of de termijnen waarin de kiesprocedure in het buitenland voorziet en waaraan mevrouw Thijs refereert, kunnen worden nageleefd. Ik besef zeer goed dat het om een strikte timing gaat. Het departement van Buitenlandse Zaken is in eerste instantie bevoegd voor de organisatie van de verkiezingen voor Belgen in het buitenland en dient dus te worden betrokken bij het onderzoek van de termijnen.

Mevrouw Erika Thijs (CD&V). - Uit uw antwoord ben ik niet veel wijzer geworden. Ik hoop dat de commissie snel werk maakt van dit dossier.

De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister. - Dat hangt niet van mij af.

Mevrouw Erika Thijs (CD&V). - Als lid van de oppositie, hangt dat ook niet van mij af. De snelheid waarmee de meerderheid een beslissing denkt te nemen, zal bepalen of de Belgen in het buitenland aan de verkiezingen kunnen deelnemen.

Voordracht van kandidaten voor het ambt van assessor bij de afdeling wetgeving van de Raad van State

De voorzitter. - Bij brief van 16 december 2003 deelt de eerste voorzitter van de Raad van State mede dat de algemene vergadering van de Raad ter openbare zitting van 14 oktober 2003, overeenkomstig artikel 80 van de gecoördineerde weten op de Raad van State, overgegaan is tot het opmaken van een drievoudige lijst van de kandidaten voorgedragen voor de benoeming tot het ambt van assessor (F) dat bij de afdeling wetgeving vacant is geworden.

De eerste voorzitter van de Raad van State heeft de kandidaturen van de volgende personen ontvangen:

Werden door de Raad van State voorgedragen, evenwel zonder eenparigheid van stemmen:

Aangezien de voordracht niet unaniem is, zijn artikel 70, §1, zevende lid, en artikel 80, tweede lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, zoals gewijzigd door de wet van 8 september 1997, van toepassing: "Indien er geen eenparigheid van stemmen is bij een eerste of bij een nieuwe voordracht naar aanleiding van een weigering, kunnen de Kamer van volksvertegenwoordigers of de Senaat beurtelings, binnen een termijn van ten hoogste dertig dagen vanaf de ontvangst van de mededeling van deze voordracht, hetzij de door de Raad van State voorgedragen lijst bevestigen, hetzij een tweede lijst met drie namen die uitdrukkelijk wordt gemotiveerd, voordragen".

Het Bureau stelt voor dit punt naar de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden te verzenden teneinde de kandidaten te horen, overeenkomstig artikel 70, §1, achtste lid, en artikel 80, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. (Instemming)

Stemmingen

(De naamlijsten worden in de bijlage opgenomen.)

Wetsontwerp houdende instemming met het Internationaal Verdrag ter bestrijding van de financiering van terrorisme, en met de Bijlage, aangenomen te New York op 9 december 1999 (Stuk 3-338)

Stemming 1

Aanwezig: 57
Voor: 57
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

-Het wetsontwerp is aangenomen.

-Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en Georgië tot het vermijden van dubbele belasting en tot het voorkomen van het ontgaan van belasting inzake belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, ondertekend te Brussel op 14 december 2000 (Stuk 3-364)

Stemming 2

Aanwezig: 60
Voor: 60
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

-Het wetsontwerp is aangenomen.

-Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.

Wetsontwerp tot wijziging van artikel 627, 6º, van het Gerechtelijk Wetboek (Stuk 3-396)

Stemming 3

Aanwezig: 65
Voor: 65
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

-Het wetsontwerp is aangenomen.

-Het zal aan de Koning ter bekrachtiging worden voorgelegd.

De heer Louis Siquet (PS). - Ik wilde voor stemmen.

Wetsontwerp betreffende het Europees aanhoudingsbevel (Stuk 3-395)

De voorzitter. - We stemmen eerst over amendement 4 van mevrouw Van dermeersch en de heer Ceder.

Stemming 4

Aanwezig: 65
Voor: 9
Tegen: 56
Onthoudingen: 0

-Het amendement is niet aangenomen.

De voorzitter. - We stemmen nu over artikel 5.

Stemming 5

Aanwezig: 65
Voor: 56
Tegen: 0
Onthoudingen: 9

-Artikel 5 is aangenomen.

De voorzitter. - We stemmen nu over het wetsontwerp in zijn geheel.

Stemming 6

Aanwezig: 65
Voor: 65
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

-Het wetsontwerp is aangenomen.

-Het zal aan de Koning ter bekrachtiging worden voorgelegd.

Vraag om uitleg van de heer Christian Brotcorne aan de vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken over «het onderbrengen van illegale immigranten in infrastructuur van de provinciale verkeerseenheden van de federale politie» (nr. 3-81)

De voorzitter. - De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister, antwoordt namens de heer Patrick Dewael, vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken.

De heer Christian Brotcorne (CDH). - Sedert de Balkanoorlog worden de politiediensten die de directe omgeving van de autosnelwegen controleren, meer bepaald de provinciale verkeerseenheden van de federale politie op de E40 richting Oostende, geconfronteerd met een aanhoudende stroom illegale immigranten die het Verenigd Koninkrijk proberen te bereiken.

Sedert 1996 ontdekken de leden van onze politiediensten geregeld grote groepen immigranten op de parkeerplaatsen langs ons autowegennet. Dikwijls zijn het volledige gezinnen met zeer jonge kinderen, die illegaal ons land zijn binnengekomen. Meestal worden die gezinnen 's nachts door mensensmokkelaars in kleine groepjes naar de parkeerplaatsen gebracht, waar ze in opleggers met bestemming het Verenigd Koninkrijk proberen te geraken.

De leden van onze politiediensten onderscheppen dus over het algemeen personen in erbarmelijke hygiënische omstandigheden over wier gezondheidstoestand ze niet kunnen oordelen. De leden van onze betrokken politiediensten werden al meermaals geconfronteerd met gevallen van tuberculose of hepatitis.

Door de belangstelling van de media voor deze problematiek kregen die politiediensten enige tijd de medewerking van de gemeentebesturen, die hen infrastructuur ter beschikking stelden voor de opvang van onderschepte illegale immigranten. Nu moeten de betrokken politiediensten steeds vaker zelf zorgen voor opvang, onderdak en opvolging.

Zo moesten de provinciale verkeerseenheden van Brabant onlangs ongeveer 400 onderscherpte illegale immigranten opvangen in hun lokalen, met alle gevolgen van dien voor de werking van de betrokken diensten.

Er bestaan gezondheidsrisico's voor de personeelsleden en het is niet mogelijk de onderschepte immigranten menswaardig op te vangen omdat er geen douches, drank en eten voorhanden zijn. Er zijn wel aanpassingen gebeurd, zoals het plaatsen van een sanitaire vrachtwagen, maar de onderschepte personen worden nu nog ondergebracht in de garages van de betrokken politiediensten.

Die situatie is onaanvaardbaar, zowel uit het oogpunt van de waardigheid van de onderschepte personen als dat van het respect voor het werk en de persoon van de betrokken politieagenten.

Dit is niet de gepaste opvang voor mensen die op zoek zijn naar een nieuwe waardigheid. Bovendien kunnen de betrokken politiediensten geen absolute voorrang meer geven aan hun eigenlijke opdracht, namelijk de controle van het verkeer.

In de provincie Oost-Vlaanderen is een gewestelijk bureau opgericht voor de behandeling van die gevallen. Het personeel bestaat uit federale politieagenten en personeelsleden van de dienst Vreemdelingenzaken.

1º Hoeveel politiediensten zijn thans betrokken bij de opvang van illegale immigranten?

2º Hoeveel personen worden thans ondergebracht in de infrastructuur van onze politiediensten? Wat zijn de maandelijkse cijfers voor het afgelopen jaar?

3º Zal de minister maatregelen nemen om die situatie te verhelpen? Zo ja, behoort de uitbreiding van het experiment van Oost-Vlaanderen tot de rest van het land tot die maatregelen?

4º Wanneer zullen die maatregelen ingaan?

De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister. - Ik lees het antwoord voor van minister van Binnenlandse Zaken, de heer Dewael.

Alle eerstelijnspolitiediensten kunnen met onderschepte illegalen worden geconfronteerd. Die blijven echter maar enkele uren in de lokalen van de politiediensten, terwijl de documenten worden opgesteld en in afwachting van de beslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken. De politie verschaft hen dus eigenlijk geen onderdak.

Het is dus ook niet mogelijk te zeggen hoeveel personen zich op een bepaald ogenblik bij de politiediensten bevinden. Er kan wel een cijfer van de onderschepte personen worden gegeven.

Ik geef enkele cijfers over het aantal personen dat bepaalde eenheden van de federale politie in november 2003 hebben onderschept:

De oprichting van het gewestelijk bureau waarnaar wordt verwezen, is eigenlijk nog maar een plan. Met de uitvoering ervan is nog niet begonnen en het heeft alleen betrekking op Oost-Vlaanderen. De inrichting van de infrastructuur die nodig is voor de uitvoering van de taken van de politieagenten en voor een correcte opvang van onderschepte illegalen behoort tot de verantwoordelijkheid van elke politiedienst.

De heer Christian Brotcorne (CDH). - Ofwel is de minister van Binnenlandse Zaken slecht ingelicht, want in de informatie waarover ik beschik en die uitgaat van de betrokken diensten is wel degelijk sprake van onderdak, ofwel behandelt hij het dossier op geringschattende wijze en meent hij dat er geen sprake is van onderdak omdat het maar over een paar uren gaat.

Zeggen dat wat in Oost-Vlaanderen is opgezet en eventueel kan worden uitgebreid een nog niet uitgevoerd plan is, getuigt volgens mij van dezelfde houding.

Mijnheer de staatssecretaris, u kunt wellicht niet antwoorden in de plaats van de minister. Toch zeg ik u dat ik meen dat meer aandacht moet worden geschonken aan de problemen van de agenten die de illegalen moeten onderscheppen en aan het vrijwaren van de menselijke waardigheid van de onderschepte personen.

Mondelinge vragen

Mondelinge vraag van mevrouw Jacinta De Roeck aan de vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken en aan de minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid over «de wapenexportlicentie voor een munitiefabriek in Tanzania» (nr. 3-120)

Mondelinge vraag van mevrouw Isabelle Durant aan de vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken over «de wapenexportlicentie voor een munitiefabriek in Tanzania» (nr. 3-121)

Mondelinge vraag van mevrouw Sabine de Bethune aan de vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken en aan de minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid over «de samenstelling van de raad van bestuur van de Nationale Delcrederedienst en zijn beslissingsbevoegdheid» (nr. 3-125)

De voorzitter. - Ik stel voor deze mondelinge vragen samen te voegen. (Instemming)

Mevrouw Jacinta De Roeck (SP.A-SPIRIT). - De regionalisering van de wapenhandel staat een coherent buitenlands beleid in de weg. De federale regering zal immers hoe langer hoe minder vat hebben op de ethische en de sociale aspecten van de leveringen. De huidige discussie over de bouw van een wapenfabriek in Tanzania bewijst eens te meer dat de regionalisering een vergissing is.

We krijgen erg uiteenlopende informatie. Kan de minister mij duidelijk zeggen waarover het gaat? Gaat het over de bouw van een wapenfabriek of enkel over de levering van machines die munitie produceren? Werd de exportlicentie reeds verleend? Zo niet, bestaat er al een principieel akkoord van de federale overheid om het verlenen van de licentie niet te verhinderen?

Wat is de beslissing - formeel of informeel - van de Delcrederedienst in dit dossier? Ondersteunt ze dit project onvoorwaardelijk?

Waarop is het standpunt van de Delcrederedienst gebaseerd? Op louter economische gronden of waren er ook sociale of ethische overwegingen?

Welke rol hebben de vertegenwoordigers van de federale ministers gespeeld? Hebben ze sociale of ethische bedenkingen geformuleerd? Er zouden vanuit dit Tanzaniaanse bedrijf voorheen reeds wapens zijn geleverd aan rebellen die strijden in Congo en Burundi.

Hoe kan de uitvoering van de plannen in overeenstemming worden gebracht met de uitgesproken wil van ons buitenlands beleid om de vrede in de regio van Centraal-Afrika te bevorderen?

Is er geen nood aan een federale centrale instantie, al dan niet geïntegreerd in de Delcrederedienst, die de sociale, ecologische en ethische aspecten van elke regionale beslissing onderzoekt?

Mevrouw Isabelle Durant (ECOLO). - De Delcrederedienst kreeg een vraag tot risicodekking voor een bedrag van 8,8 miljoen euro voor de uitvoer van een productie-eenheid voor militaire wapens en burgerlijk materiaal naar Tanzania.

Volgens de pers zou de Delcrederedienst het dossier met zijn akkoord aan de politieke instanties hebben doorgestuurd. Deze beslissing zou zijn genomen in afwezigheid van de vertegenwoordiger van de minister van Buitenlandse Zaken.

Gelet op de bedoelingen van België, en in het bijzonder van de minister van Buitenlandse Zaken, in die regio en zonder afbreuk te willen doen aan de economische bevoegdheden van de Delcrederedienst, wens ik mijn bezorgdheid te uiten.

Tanzania bevindt zich in een onstabiele geopolitieke situatie. De meeste wapens die worden gebruikt in de conflicten in de regio van de Grote Meren komen uit grenslanden, waaronder Tanzania. Die streek barst van de wapens. In het noordoosten van de Democratische Republiek Congo circuleren 1,5 miljoen lichte wapens. Het nationale Congolese leger kan slechts 5 tot 10% van de strijders en guerrillero's, kinderen en volwassenen, opslorpen. Er blijven dus veel wapens circuleren, wat het door ons gewenste overgangsproces belemmert.

Ik ben dus bezorgd. Hoewel een munitiefabriek in de regio van de Grote Meren verantwoord kan zijn voor het reguliere leger van Tanzania, maakt zoiets mij ook sceptisch met betrekking tot de vredeswil van velen, minister Michel op kop.

Wat zou de houding zijn geweest van de vertegenwoordiger van minister Michel op de vergadering van de Delcrederedienst indien hij daar aanwezig was geweest? Zou hij van zijn vetorecht gebruik hebben gemaakt?

Valt het beleid van pacificatie en steun aan een overgangsproces te rijmen met de steun aan een dergelijk uitvoerproject?

In hoeverre moeten ethische, sociale en leefmilieucriteria in overweging worden genomen om een vraag aan de Delcrederedienst te evalueren?

Welke rol wil de minister België laten spelen inzake ontwapening, demilitarisering en demobilisering in de Democratische Republiek Congo naar het voorbeeld van wat er enkele jaren geleden in Mozambique is gebeurd? Ik meen dat we hier veeleer naar een militarisering gaan, wat voor dat land nadelig is.

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - De raad van bestuur van de Delcrederedienst bestaat uit 20 leden en 20 plaatsvervangers, allen benoemd door de Koning bij een in Ministerraad overlegd besluit. In werkelijkheid is de raad van bestuur niet volledig samengesteld bij gebrek aan benoemingen. Artikel 455 van de programmawet van 24 december 2002 wijzigt artikel 12 van de wet op de nationale Delcrederedienst, waardoor onder andere de samenstelling van de raad van bestuur wordt gewijzigd. Die wijziging is nog steeds niet uitgevoerd.

Graag kreeg ik van de minister duidelijkheid over de huidige samenstelling van de raad van bestuur. Hoeveel vaste leden en plaatsvervangers zijn thans effectief benoemd? Welke mandaten werden nog niet ingevuld?

Wanneer wordt artikel 455 van de voornoemde programmawet over de samenstelling van de raad van bestuur van de Delcrederedienst toegepast? Waarom heeft de regering de nieuwe samenstelling van de raad van bestuur, die gepland was in september 2003, uitgesteld?

Volgens artikel 13 van de Delcrederewet kan in bepaalde gevallen de bevoegdheid om waarborgen te verlenen, worden overgedragen aan de directeur-generaal. Bestaat er een intern reglement waarin die overdracht wordt geregeld? De voorwaarden zijn niet in de wet ingeschreven. Dit is geen onbelangrijke aangelegenheid, aangezien er vaak gebruik wordt van gemaakt bij het nemen van delicate beslissingen.

Moet er een quorum worden bereikt in de raad van bestuur om geldig te kunnen stemmen? Zo ja, wordt bij het niet-bereiken van het voorziene quorum de beslissing dan automatisch overgelaten aan de directeur-generaal?

Op de vergadering van dinsdag 16 december stond het exportdossier van machines voor de productie van munitie in Tanzania door het Luikse bedrijf New Lachaussée op de agenda van de Delcrederedienst. Werd de kredietgarantie voor New Lachaussée voor de activiteiten in Tanzania goedgekeurd? Hoeveel leden van de raad van bestuur waren toen aanwezig? Heeft een aanwezige ministeriële afgevaardigde gebruik gemaakt van zijn schorsingsbevoegdheid overeenkomstig artikel 16 van de Delcrederewet? Zo ja, wie was die ministeriële afgevaardigde en waarom heeft hij zijn vetorecht gebruikt?

Mevrouw Fientje Moerman, minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid. - De aanvraag voor New Lachaussée Tanzania stond geagendeerd op de raad van bestuur van de Nationale Delcrederedienst (NDD) van 16 december 2003. De leverancier is het Belgische bedrijf New Lachaussée, dat op 24 oktober 2003 een contract heeft getekend met het Tanzaniaanse ministerie van Defensie voor de levering van militair materieel. De debiteur is dus het Tanzaniaanse ministerie van Defensie. De waarde van het contract is als volgt: 4.959.043,20 euro voor het hoofdcontract, 3.901.450,40 euro voor het contractdeel dat de opties betreft. Het gaat dus om een totaal te herverzekeren bedrag van 8.860.493,60 euro.

De werking van de Delcrederedienst is vastgelegd in de wet van 31 augustus 1939. Deze wet is in de afgelopen 64 jaar verschillende malen herzien. De wet van 17 juni 1991 bepaalt de besluitvormingsprocedure. De beslissingen worden bij gewone meerderheid genomen. Daarvoor zijn 11 van de 20 stemmen nodig. Dekking kan worden verleend hetzij voor rekening van de Staat hetzij voor eigen rekening van de Delcrederedienst. Zoals valt af te leiden uit de beslissingen die op 16 december 2003 door de raad van bestuur van de Delcrederedienst werden genomen, was het wettelijk vereiste quorum aanwezig, namelijk 11 van de 20 leden. De zaak New Lachaussée Tanzania kon met een gewone meerderheid door de raad worden goedgekeurd. De raad heeft het voorstel aanvaard.

De wet op de Nationale Delcrederedienst van 31 augustus 1939 bepaalt dat de ministeriële afgevaardigden tijdens de vergaderingen van de raad beslissingen kunnen schorsen. Dat is op 16 december niet gebeurd. Onder voorbehoud deel ik mee dat er geen vertegenwoordiger van de minister van Buitenlandse Zaken is. Ik heb wel een vertegenwoordiger in de raad van beheer. Mijn vertegenwoordiger heeft mij na de vergadering laten weten dat hij wegens andere verplichtingen de vergadering van de raad van 16 december niet heeft kunnen bijwonen. De minister van Economie was dus niet vertegenwoordigd bij de behandeling van dit dossier.

De raad van beheer heeft beslist het voorstel tot herverzekering van risico's te aanvaarden op voorwaarde dat een exportlicentie wordt afgegeven. De beoordeling of een exportlicentie wordt afgegeven en de daadwerkelijke afgifte ervan is geen federale bevoegdheid meer. Door de bijzondere wet van 12 augustus 2003 werd aan de gewesten overgedragen de bevoegdheid inzake in- uit- en doorvoer van wapens, munitie en speciaal voor militair of voor ordehandhaving dienstig materieel en de daaraan verbonden technologie evenals van producten en technologieën voor tweeërlei gebruik. De licenties voor het leger en de federale politie zijn een restcompetentie van de FOD Economie.

De raad van bestuur heeft dus die beslissing genomen op voorwaarde dat er een wapenexportlicentie door het gewest wordt afgeleverd, wat bij mijn weten nog niet is gebeurd. In tempore non suspecto, namelijk op 9 september 2003, heeft de raad van bestuur van de dienst beslist, precies naar aanleiding van de regionalisering van de wapenwet, om voor militaire zaken alleen de louter verzekeringstechnische aspecten van de kredietverzekering te onderzoeken. Deze beslissing werd als volgt verwoord: "À l'avenir et ce, dans l'esprit de la nouvelle législation, circonscrire l'examen des affaires militaires aux aspects techniques de l'assurance-crédit."

De ethische afweging die gepaard gaat met de toekenning van de wapenuitvoerlicentie, valt samen met een beslissing over deze uitvoerlicentie, wat sinds de wet van 12 augustus een bevoegdheid van de gewesten is.

Mevrouw Jacinta De Roeck (SP.A-SPIRIT). - Het antwoord van de minister bewijst dat mijn stemgedrag in augustus het juiste was.

De regionalisering van de wapenhandel impliceert dat federaal alleen economisch wordt beoordeeld of wapenexport al dan niet kan, zonder dat daarbij rekening wordt gehouden met sociale of ethische aspecten. Ik zal dan ook een wetsvoorstel indienen dat ervoor zorgt dat een federale instantie de gewesten advies verstrekt over de sociale, ecologische en ethische aspecten. We kunnen niet pronken met een buitenlands beleid dat vrede nastreeft in het gebied van de Grote Meren, en tegelijk wapens exporteren of wapenfabrieken in de regio steunen.

Mevrouw Isabelle Durant (ECOLO). - Ik ben natuurlijk niet tevreden met dit antwoord. Tijdens de debatten over de regionalisering van de wetgeving op de wapenuitvoer is hier gezegd dat het federale niveau niet het monopolie van de ethiek had en dat de gewesten even goed ethische overwegingen konden laten gelden bij hun besluitvorming. Ik draai het argument om: evenmin als het federale niveau hebben de gewesten een ethisch monopolie. Ik vind dus dat ook het federale niveau ethische kwesties moet behandelen.

Zelfs als de beslissing van de Delcrederedienst een economische beslissing is, begrijp ik de afwezigheid niet van twee belangrijke federale vertegenwoordigers: die van Buitenlandse Zaken en van Economie. Ik vind het abnormaal dat er zelfs geen vragen worden gesteld als het gaat om een regio zoals die van de Grote Meren, om het ondersteunen van een ethisch beleid gedurende het politiek overgangsproces, om de demilitarisering en ontwapening van een gebied waar een overvloed aan wapens tegen eender welke prijs circuleren.

Ik begrijp het antwoord dus absoluut niet. De federale vertegenwoordigers blijven afwezig en er is geen enkel teken van ethische bezorgdheid. De hete aardappel wordt naar de gewesten doorgeschoven.

Zelfs als de bevoegdheid wettelijk zo is geregeld, is zulks niet fatsoenlijk. De aanwezigheid van de federale vertegenwoordigers had het op zijn minst mogelijk moeten maken zich te informeren en zo nodig een beslissing te nemen die gepaard gaat met strikte voorwaarden.

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Mijn fractie is van oordeel dat de opdracht van de Delcrederedienst ruimer is dan de economische verzekeringslogica en ook rekening moet houden met ethische criteria. Elke onderneming is daar overeenkomstig de OESO-richtlijnen toe gehouden. We zullen een wetsvoorstel indienen dat dit uitdrukkelijk in de wet op de Delcrederedienst inschrijft.

Dit concrete dossier is in strijd met de wapenwet. We onderschrijven de analyse van Bart Horemans van Pax Christi in De Morgen. Het is ook in strijd met het zogenaamde ethische buitenlandse beleid van de regering omdat het de instrumenten waarover het beschikt om een ethisch beleid te voeren, niet aanwendt. De afwezigheid van de vertegenwoordiger van de minister van Buitenlandse Zaken op de raad van bestuur van de Delcrederedienst wijst op struisvogelpolitiek. In de plaats van uit een visie van conflictpreventie zijn mening te laten gelden, blijft het departement afwezig.

Voor CD&V kan dit niet. Vorig jaar zijn in de regio 3 miljoen doden gevallen. De steun van de Delcrederedienst voor de export van machines die munitie produceren naar een land waar geen controle bestaat op lichte wapens en dat een draaischijf is voor de wapenhandel naar buurlanden die bij een gewapend conflict betrokken zijn, lijkt CD&V volledig in strijd met elk vredesbeleid in de regio.

Mevrouw Fientje Moerman, minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid. - Ik ben mevrouw de Bethune nog het antwoord schuldig op haar vraag over de stand van zaken bij de aanwijzing van de nieuwe leden van de raad van bestuur van de Delcrederedienst. Vice-eerste minister Vande Lanotte coördineert dit dossier momenteel.

Wat de minister van Buitenlandse Zaken betreft, is het niet zo dat zijn waarnemer afwezig is gebleven, hij heeft er gewoon geen aangewezen.

Vraag om uitleg van mevrouw Sabine de Bethune aan de minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid over «de werking van het Nationaal Contactpunt waarin de overheid, de sociale organisaties en de NGO's samen toekijken op de naleving van de richtlijnen van de OESO voor multinationale ondernemingen» (nr. 3-79)

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Sinds het begin van de jaren tachtig moet elk OESO-land over een Nationaal Contactpunt beschikken waarin overheid, sociale organisaties en NGO's samen toekijken op de naleving van de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen.

Ten eerste, is over de concrete werking van het Nationaal Contactpunt relatief weinig geweten.

Graag krijg ik een antwoord op de volgende vragen.

Sinds wanneer werkt het Nationaal Contactpunt in België?

Hoeveel mensen zijn werkzaam binnen dit Nationaal Contactpunt?

Wat zijn de specifieke taken van het Nationaal Contactpunt?

De werking van elk Nationaal Contactpunt zou moeten voldoen aan de volgende criteria: zichtbaarheid, toegankelijkheid, heldere procedures en het afleggen van verantwoording. In welke mate voldoet het Belgisch Contactpunt aan deze criteria?

Bestaat in het kader van de toegankelijkheid en de openbaarheid een specifieke website van het Nationaal Contactpunt, zoals in de meeste OESO-landen? Zo neen, waarom werd dit tot op heden niet gerealiseerd en is dit door de regering gepland?

Ten tweede, het Nationaal Contactpunt valt in België onder de bevoegdheid van Economische Zaken.

Bestaat er geregeld overleg of geregelde samenwerking met andere betrokken departementen zoals Buitenlandse Zaken en Ontwikkelingssamenwerking, gezien het uitzonderlijke belang van een interdepartementale samenwerking voor de concretisering van de richtlijnen?

Wordt ook aan promotie gedaan binnen de regering teneinde het bestaan en het belang van deze richtlijnen te benadrukken?

Ten derde, moet het Belgisch Nationaal Contactpunt jaarlijks een verslag betreffende zijn werking en de genomen maatregelen ter promotie van de OESO-richtlijnen voor de multinationale ondernemingen bij het OESO-Comité Internationale Investeringen en Multinationale Ondernemingen indienen.

Heeft ons land steeds aan deze verplichting voldaan?

Is dit jaarlijks verslag openbaar?

Ten vierde, een van de taken van het Nationaal Contactpunt heeft betrekking op het onderzoeken van klachten.

Hoeveel klachten werden de jongste twee jaren ingediend bij het Nationaal Contactpunt?

Welk gevolg wordt aan deze klachten gegeven, er rekening mee houdende dat deze richtlijnen niet bindend zijn?

Indien gevolg wordt gegeven aan een klacht, welke procedure wordt dan gevolgd?

Is de eindbeslissing openbaar?

Mevrouw Fientje Moerman, minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid. - De eerste reeks vragen gaat over de concrete werking van het Nationaal Contactpunt.

Het Nationaal Contactpunt is in België als een van de eerste van de OESO-landen opgericht in 1980. De voorzitter en de secretaris zijn actief binnen de FOD Economie.

De taken van een NCP worden beschreven in de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen, namelijk promotie van de richtlijnen en hun bekendheid vergroten, antwoorden op vragen van andere NCP's, de ondernemingen, de vakbonden, de NGO's en het publiek en van niet-OESO-lidstaten. Tenslotte dient het: "vragen tot het in behandeling nemen van een specifieke zaak te onderzoeken en tot een goed einde te brengen".

Het Belgisch NCP voldoet aan de criteria van zichtbaarheid, toegankelijkheid, heldere procedures en het afleggen van verantwoording. De ondernemingen weten de weg te vinden via het VBO, Agoria en Fedichem, evenals rechtstreeks. Ook de vakbonden zitten in het NCP. De NGO-wereld ontmoeten we meerdere keren per jaar in Parijs in het kader van de OESO-consultaties.

De specifieke website van het NCP is in voorbereiding en zal eerstdaags kunnen worden bezocht. De OESO-richtlijnen staan op de site van de OESO. Hier zijn tevens de coördinaten van alle NCP's te vinden.

De tweede reeks vragen ging over het NCP als vallende onder de bevoegdheid van de FOD economie.

Door de samenstelling van het NCP is er overleg met de betrokken partijen. Het NCP is samengesteld uit ten eerste, de overheid FOD Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, FOD Financiën, FOD Tewerkstelling en Arbeid, FOD Justitie en FOD Economie, alsmede een afgevaardigde van iedere regio. Ten tweede, uit de bedrijfswereld met het VBO, Agoria en Fedichem en de drie vakbonden.

Het NCP vergadert in principe minimaal tweemaal per jaar, doch meerdere keren indien nodig. Ieder lid kan een punt op de agenda laten plaatsen.

Er wordt aan promotie gedaan van de richtlijnen via de diverse organismen die deel uitmaken van het NCP. De diverse organismen publiceren geregeld een bijdrage omtrent de richtlijnen in hun publicaties en halen de richtlijnen aan ten overstaan van hun leden. Ook de diverse betrokken FOD's geven bekendheid aan de richtlijnen via hun contacten binnen en buiten. Waar mogelijk worden de richtlijnen aangehaald in de betrokken milieus.

De derde serie vragen ging over het verslag van het NCP.

Ons land heeft steeds voldaan aan de verplichting van de OESO-richtlijnen om jaarlijks een verslag in te dienen. De eerste jaarvergadering van de NCP's vond plaats in juni 2001. Dit verslag wordt voor de overmaking aan de OESO goedgekeurd door het NCP.

Tot op heden werd dit jaarverslag nog niet gepubliceerd. Het is evenwel niet uitgesloten dat in een dergelijke mogelijkheid wordt voorzien voor het vierde jaarverslag in juni 2004.

De laatste reeks vragen ging over het onderzoek van klachten.

In totaal werden meer dan veertig klachten behandeld in het Belgisch NCP. De jongste twee jaar kregen we evenwel slechts één verzoek tot in behandeling nemen.

Een officieel ingediende zaak wordt behandeld volgens de procedures zoals vermeld in de richtlijnen die in feite geïnspireerd werden op de werking van het Belgisch NCP. De klachten worden onderzocht en er wordt gezocht naar een oplossing, indien mogelijk, zo niet wordt een uitspraak gedaan omtrent de al dan niet naleving van bepaalde OESO-richtlijnen.

Een klacht dient gespecificeerd te zijn. Er moet worden aangegeven welke OESO-richtlijnen werden overtreden en waarom.

De procedure ziet eruit als volgt.

Er is een initieel onderzoek dat bepaalt of de zaak in behandeling wordt genomen. Daarna gebeurt een grondige analyse van de informatie en de argumenten van beide partijen. Beide partijen worden dus gehoord. Er wordt geprobeerd een akkoord te bereiken. Indien er een overeenstemming tussen de partijen is, kan een publieke verklaring worden opgesteld. Indien geen overeenstemming mogelijk is, zal dit publiek worden gemaakt. De eindbeslissing is in principe openbaar.

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Ik dank de minister voor haar gedetailleerde antwoord, maar wil haar ook aanmoedigen om een veel actiever beleid te voeren rond het Nationaal Contactpunt en het naleven van de OESO-richtlijnen in ons land. Wanneer we een vergelijkend onderzoek zouden doen naar de manier waarom de nationale contactpunten in andere OESO-landen functioneren, dan zouden we schrikken van het verschil en vastellen dat België niet goed scoort.

Het beleid kan volgens verschillende assen worden gedynamiseerd en uitgebouwd. Drie punten lijken me vandaag essentieel. Een eerste is de informatie- en sensibiliseringsfunctie. De minister zei in haar antwoord dat de leden uit de bedrijfs- en vakbondswereld de richtlijnen bekend maken via hun eigen kanalen. In de meeste landen die de nationale contactpunten op een proactieve manier runnen, voeren overheid en contactpunten zelf al een heel actief informatie- en sensibiliseringsbeleid. Dat zou ook de opdracht van het contactpunt in ons land moeten zijn.

Ten tweede is een vereiste van transparantie evident. Een concretisering daarvan is het publiek maken van het jaarverslag aan het CIME.

Ten derde moet de klachtenprocedure herzien worden. In andere OESO-landen bestaan procedures die het grote publiek en NGO's de mogelijkheid geven om klachten te formuleren wanneer ze denken dat de OESO-richtlijnen worden overtreden. Bovendien hebben ze het recht om vragen te stellen. De OESO-richtlijnen zijn zo'n basisrichtlijnen dat een veel ruimere mogelijkheid tot klacht belangrijk is. Dit kan er ook voor zorgen dat de OESO-richtlijnen beter worden gerespecteerd.

Ik roep de regering dus op om veel proactiever met het Nationaal Contactpunt te werken en ervoor te zorgen dat de OESO-richtlijnen breder worden bekendgemaakt en beter worden nageleefd.

Vraag om uitleg van mevrouw Sabine de Bethune aan de minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid over «de mogelijke rol van het Nationaal Contactpunt in het onderzoek naar de activiteiten van Belgische bedrijven in Oost-Congo en de rapporten van de Verenigde Naties terzake» (nr. 3-78)

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Mijn tweede vraag over het Nationaal Contactpunt is gerichter. Ook na nieuwjaar zal ik hierover trouwens nog vragen stellen, want het thema is lang niet uitgeput.

In de VN-rapporten van het panel van experts over de illegale exploitatie van de natuurlijke rijkdommen in de Democratische Republiek Congo werden bedrijven uit verschillende landen genoemd die zich schuldig zouden hebben gemaakt aan deze illegale praktijken. Hierdoor zijn ze manifest in overtreding met de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen.

Vele van de genoemde bedrijven hebben meteen hun twijfels geuit over de manier van onderzoeken, omdat ze niet de mogelijkheid kregen zich te verdedigen. De Veiligheidsraad van de VN is op deze vraag ingegaan en heeft het panel van experts in 2002 de opdracht gegeven deze bedrijven te horen in verband met de beschuldigingen.

In Canada heeft het Nationaal Contactpunt meteen de genoemde bedrijven gecontacteerd om na te gaan of zij inderdaad de OESO-richtlijnen hadden overtreden. Het NCP moedigde de bedrijven tevens aan om zo nauw mogelijk met het VN-panel samen te werken. Tegelijkertijd lichtte het NCP de bedrijven in dat de Canadese regering van hen verwacht dat zij de OESO-richtlijnen bij hun activiteiten in het buitenland zo goed mogelijk naleven. De Canadese overheid heeft van het NCP dus een partner gemaakt, een instrument om de bedrijven die door het VN-panel op de korrel werden genomen, te confronteren met hun verantwoordelijkheid en weer `op het rechte pad' te brengen.

Mijn vraag is nu hoe het NCP in ons land heeft gefunctioneerd in dit concreet dossier.

Een aantal Belgische bedrijven werd in de VN-rapporten over de plunderingen in Oost-Congo vermeld. Werden deze beschuldigingen door het Nationaal Contactpunt getoetst aan de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen?

Werd er contact opgenomen met de genoemde bedrijven om samen na te gaan of ze al dan niet de richtlijnen overtreden hadden? Zo neen, waarom niet?

Zo ja, wat waren de bevindingen en de conclusies?

Heeft een NGO of een andere organisatie bij het Nationaal Contactpunt enige officiële klacht in verband met deze beschuldigingen aan het adres van een aantal bedrijven ingediend?

Mevrouw Fientje Moerman, minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid. - Aangezien niet alleen Belgische bedrijven genoemd werden in het VN-panel rapport en daar de informatie in het rapport over een aantal Belgische bedrijven erg summier was - soms werd alleen de naam van het bedrijf vermeld - werd gekozen voor een gemeenschappelijke aanpak binnen de OESO. Dit werd door alle OESO-landen gevolgd. De tien betrokken nationale contactpunten hebben een delegatie van het panel ontvangen. Het panel beloofde verdere informatie aan de NCP's over te maken.

In een aantal gevallen werden geen beschuldigingen geuit en was er alleen de opname in de namenlijst, waardoor het niet mogelijk is deze beschuldiging te toetsen. Iedereen binnen de tien betrokken NCP's en, binnen de OESO, het CIME, dat deze materie behandelt, was het hiermee eens.

Er werd meermaals bij het panel aangedrongen op het verkrijgen van meer informatie. Het punt staat overigens weer op de agenda van de december vergadering van de OESO-CIME. Er zal verder worden gezocht naar een gemeenschappelijke aanpak.

Er werd contact opgenomen met de bedrijven die in het jongste panelrapport van eind oktober 2003 in de categorieën 2 en 3 werden ondergebracht. Een aantal bedrijven werden reeds gehoord in een voorafgaand informeel gesprek met de voorzitter en de secretaris van het NCP. Het is niet mogelijk om daar momenteel al conclusies uit te trekken. Met de anderen werd afgesproken dat er de komende weken een gesprek zou volgen.

De besluiten zullen worden genomen door het Nationaal Contactpunt. De voorzitter en de secretaris zullen hun bevindingen over de preliminaire contacten meedelen. De individuele bedrijven zullen worden gehoord. Dit alles gebeurt onder de strikte vertrouwelijkheidsregel die werd opgenomen in de OESO-richtlijn.

Tot op heden werd door geen enkele NGO of enige andere organisatie een officiële klacht ingediend.

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Ik noteer dat er momenteel een procedure loopt en dat met de genoemde bedrijven gesprekken worden gevoerd.

Ik vrees echter dat in de periode waarin het onderzoek liep, het Nationaal Contactpunt bij ons niet pro-actief genoeg is geweest. Men had met de genoemde bedrijven de zaak kunnen onderzoeken en nagaan hoe ze hun beleid konden bijsturen.

Het Nationaal Contactpunt kan er bij ons blijkbaar niet op toezien dat de bedrijven zich aan de OESO-richtlijnen houden en ze interpreteren. Rechtstreeks contact met bedrijven die in risicoregio's of risicodossiers te maken hebben met de OESO-richtlijnen in kwestie moet worden vermeden.

Ik zal na nieuwjaar op de zaak terugkomen. Het is belangrijk de conclusies van de VN-panels van dichtbij te volgen. We moeten toezien op de manier waarop beleidsconclusies worden getrokken en we moeten ervoor zorgen dat de verantwoordelijkheid precies wordt omschreven.

Vraag om uitleg van mevrouw Clotilde Nyssens aan de vice-eerste minister en minister van Justitie over «het uitblijven van de oprichting van een centraal bestand van berichten van beslag» (nr. 3-71)

Mevrouw Clotilde Nyssens (CDH). - De toestand ven bepaalde griffies is bekend alsook de moeilijkheid om er de berichten van beslag te raadplegen. De wet van 29 mei 2000 bepaalt dat het centraal bestand van berichten van beslag, delegatie, overdracht en collectieve schuldenregeling de geïnformatiseerde gegevensbank is die de berichten van beslag centraliseert. De Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders is verantwoordelijk voor het beheer van dat bestand.

Waarom bestaat dat centraal bestand nog altijd niet? Wie is daarvoor verantwoordelijk? Wat zijn daarvoor de redenen? Is de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders bij machte om de haar door de wet toevertrouwde taak uit te voeren? Wanneer treedt de wet van mei 2000 in werking?

Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Justitie. - Ik stel zoals mevrouw Nyssens de vertraging vast met betrekking tot de uitvoering van de wet van 29 mei 2000 houdende oprichting van een centraal bestand van berichten van beslag, delegatie, overdracht en collectieve schuldenregeling alsook tot wijziging van sommige bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek. Die vertraging lijkt me abnormaal. Deze wet wil bepaalde tekortkomingen in het bestaande publiciteitssysteem inzake uitvoeringsmaatregelen wegwerken en vooral een geïnformatiseerd centraal bestand voor beslagberichten oprichten. Dat is een grote vooruitgang tegenover het huidig systeem met handgeschreven fiches in elk gerechtelijk arrondissement.

Een koninklijk besluit van 31 mei 2001, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 20 juni 2001, doet de bepalingen die geen betrekking hebben op het centraal bestand in werking treden. Er moest immers worden gezorgd voor de nodige infrastructuur.

De Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders werd door de wet belast met het beheer, de bewaking en de verantwoordelijkheid voor het centraal bestand. Ik heb die Kamer én mijn administratie opnieuw gevraagd me alle nodige informatie te bezorgen. Zodra ik die heb, zal ik alle vereiste maatregelen nemen en zal ik kunnen meedelen wanneer het bestand in werking kan treden.

Ik ben het met mevrouw Nyssens eens en zal er alles aan doen om de wet van 29 mei 2000 zo snel mogelijk in 2004 in werking te laten treden.

Mevrouw Clotilde Nyssens (CDH). - Ik dank de vice-eerste minister dat zij de partners met een wettelijke opdracht opnieuw aanspoort.

Vraag om uitleg van mevrouw Sabine de Bethune aan de vice-eerste minister en minister van Justitie over «het omgangsrecht» (nr. 3-76)

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Talrijke ouders blijven na een echtscheiding verstoken van elk contact met hun kinderen, en dit ondanks een vonnis, een onderlinge overeenkomst of een voorlopige maatregel die hen het recht geeft op een regelmatig contact met hun kinderen.

We moeten vaststellen dat het omgangsrecht een moeilijk af te dwingen recht is en dat heel vele klachten in verband met het naleven van het omgangsrecht geseponeerd worden.

Nochtans hebben kinderen het recht op hun beide ouders en is het omgangsrecht ook voor de ouders essentieel.

In deze problematiek dragen de minister van Justitie en het college van procureurs een grote verantwoordelijkheid.

Zij kunnen erover waken dat de vonnissen in verband met het omgangsrecht prioritair worden behandeld. Dit zou althans vele drama's kunnen voorkomen en de relaties van kinderen met hun gescheiden ouders kunnen versterken.

Daarom verzoek ik de minister om uit te leggen wat haar beleid is inzake het doen naleven van het omgangsrecht.

Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Justitie. - Het probleem van het contact van kinderen met hun gescheiden ouders, zowel in het raam van het voornaamste als het subsidiaire omgangsrecht is tegelijk erg complex en delicaat.

Ik wil de verschillende wettelijke en praktische bepalingen schetsen die momenteel van kracht zijn. Zodoende kan iedereen zich ervan vergewissen dat de gerechtelijke autoriteiten correct handelenen in elke fase van de procedure, en dit in het belang van de kinderen.

Vooreerst zijn er de burgerlijke beslissingen. De magistraten die een advies moeten uitbrengen of die een uitspraak moeten doen in dergelijke familiale dossiers, houden uiteraard steeds rekening met het hoger belang van het kind. Ik denk hierbij onder meer aan de jeugdrechtbanken, aan de voorzitters van de rechtbanken van eerste aanleg die in kort geding zetelen en aan de rechtbanken die in beroep zetelen. Belangrijk hierbij is dat het openbaar ministerie de rechtbank alle informatie bezorgt waarover het zelf beschikt. Het openbaar ministerie vertegenwoordigt in dezen de belangen van het kind. Vaak doet dit ook voorstellen om de partijen te horen. Het kan bijvoorbeeld een bemiddeling in familiezaken voorstellen of de partijen uitnodigen om contact op te nemen met de bevoegde diensten voor jeugdhulp. Dikwijls worden ook onderzoeksdaden verricht, zoals de sociale onderzoeken van de maatschappelijke assistenten van de justitiehuizen, zodat er uitspraken kunnen volgen die uitvoerbaar zijn, omdat ze volledig op maat zijn van de realiteit van het betrokken gezin.

Voor de uitvoering van burgerlijke uitspraken moet er een beroep worden gedaan op een deurwaarder. Hij meldt eventuele problemen bij het parket en kan desgewenst bijstand vragen van de openbare macht.

Alles wordt in het werk gesteld opdat de uitspraak van de rechtbank kan worden gerespecteerd in het raam van een verzoening. Er kunnen zich twee situaties voordoen. Indien het voornaamste omgangsrecht - het hoederecht - moet worden hersteld, wordt de rechterlijke beslissing soms onder dwang uitgevoerd. Het is inderdaad vaak in het belang van het kind dat het snel terugkeert naar zijn eigen vertrouwde omgeving. Op die manier moet een wettelijke regeling worden hersteld die betrekking heeft op de familiale en sociale toekomst van het kind. Die regeling beantwoordt in principe aan de belangen van het kind.

Voor het subsidiair omgangsrecht - het bezoekrecht - is de gedwongen uitvoering afhankelijk van buitengewone omstandigheden. Uiterste voorzichtigheid is geboden bij het nemen van fysieke maatregelen, rekening houdend met de psychologische en menselijke problemen die zich kunnen voordoen. Zo kunnen bijvoorbeeld bepaalde nieuwe feiten de familieverhoudingen fundamenteel wijzigen sedert de rechterlijke beslissing werd genomen. Soms loopt het kind gevaar als gevolg van het gedrag van degene die het hoederecht heeft en moeten er ten aanzien van het kind beschermende maatregelen worden genomen. Die maatregelen worden soms genomen in afwachting van een nieuwe burgerlijke beslissing die het hoederecht kan wijzigen in het belang van het kind op dat moment.

In verband met de rol van het Parket valt te zeggen dat de Procureur des Konings op verschillende niveaus tussenbeide komt. Eerst moet de klacht worden genoteerd en moet de overtreding worden vastgesteld, eventueel door ter plaatse te gaan. Er wordt steeds over gewaakt dat de tussenkomst van de politie in alle rust gebeurt om de emotionele impact van de overtredingen niet te verhogen. Daarna kan de Procureur des Konings aan de politie bij kantschrift vragen om er bij de ouder die de overtreding begaat de aandacht op te vestigen dat hij of zij zich blootstelt aan problemen en om in het belang van het kind met de andere ouder contact te hebben. In sommige gevallen roept de Procureur des Konings de ouder op in het Justitiepaleis en wijst hem of haar op de wettelijke beschikkingen. Dat gebeurt een tweede keer ofwel door de magistraten zelf ofwel door criminologen of door psychologen, zoals in Brussel. Bij overtredingen wordt er vaak een beroep gedaan op bemiddeling in strafzaken. In die context wordt steeds rekening gehouden met het belang van het kind.

In het belang van het kind bestaat de ultieme remedie soms in het vervolgen voor de correctionele rechtbank. Er moet onderstreept worden dat talrijke klachten zonder gevolg kunnen blijven, omdat de situatie inmiddels geregulariseerd werd. Indien de situatie volledig strop zit, gebeurt het dat de Procureur des Konings overgaat tot het vorderen van een aanhoudingsmandaat bij een onderzoeksrechter. Die maakt soms gebruik van alternatieve maatregelen teneinde toch nog een oplossing voor het conflict te vinden. Ook wanneer de situatie wordt onderzocht door de correctionele rechtbank, gebeurt het nog dat er een oplossing uit de bus komt en dat het dossier meerdere malen wordt voortgezet tijdens andere zittingen, zodat kan worden nagegaan of een van de partijen de verbintenissen wel degelijk nakomt.

Er zijn twee algemene vaststellingen. Ten eerste: steeds meer betrokken partijen of advocaten doen een beroep op het mechanisme van de rechtstreekse dagvaarding voor de correctionele rechtbank, of ze stellen zich dadelijk burgerlijke partij bij de onderzoeksrechter. Deze snelle reacties hebben jammer genoeg soms als resultaat dat er geen oplossing wordt gevonden binnen het hoger geschetste kader. Ten tweede, indien de weigering om de beslissing uit te voeren afkomstig is van adolescenten of van kinderen die over voldoende maturiteit beschikken, wordt er niet overgegaan tot de gedwongen uitvoering van de veroordeling.

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Ik dank de minister voor deze bloemlezing burgerlijk recht, maar ik kreeg niet echt een antwoord mijn vraag. Ik stel vast dat gezien de gerechtelijke achterstand deze dossiers niet prioritair worden behandeld, maar vaak worden geseponeerd. Ik had graag van de minister vernomen hoe zij hieraan denkt te verhelpen. Ik heb nu wel een zicht op de globale aanpak maar weet daarmee nog niet of er schot in de zaak komt.

Ik weet wel dat het een delicate problematiek is maar welke justitiële strategie denkt de minister te ontwikkelen om die dossiers doeltreffender te kunnen aanpakken?

Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Justitie. - Ik denk dat wij samen moeten nadenken over een meer doeltreffende aanpak en misschien kunnen wij aan het college van procureurs-generaal vragen om in dezen een nieuwe dynamiek op gang te brengen.

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de vice-eerste minister en minister van Justitie over «het stijgend geweld tegen de joodse bevolking in België» (nr. 3-83)

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - De afgelopen weken is er zowel op de nationale als de internationale scène grote belangstelling en bezorgdheid ontstaan rond het toenemende antisemitisme in de Westerse landen.

Een en ander kwam ter sprake naar aanleiding van de rel over het publiceren van een ontwerp van studie van het in Wenen gevestigde centrum voor bestrijding van racisme en xenofobie. Volgens de Financial Times is de studie een werkstuk van de Technische Universiteit te Berlijn met vrij kritische besluiten over sommige moslim - en pro-Palestijnse groepen.

Vandaag brengt de Zwitserse krant Neue Zürcher Zeitung op pagina 4 een zeer uitgebreid interview met de directrice van het voornoemde centrum in Wenen. Ik leid eruit af dat de directie in Wenen van oordeel was dat de bewuste ontwerpstudie iets beter moest worden onderbouwd vooraleer ze in definitieve vorm kon worden gepubliceerd. Wij wachten natuurlijk vol spanning op die publicatie.

De directrice geeft toe dat volgens de studie het antisemitisme in Europa toeneemt, maar dat het niet in elk land dezelfde vorm aanneemt. In Frankrijk waren 62% van de racistische incidenten in het jaar 2000 ingegeven door antisemitisme, terwijl in landen als Oostenrijk en Duitsland het antisemitisme andere vormen aanneemt.

Deze vaststelling kan vergeleken worden met de cijfers van het Centrum voor gelijkheid van kansen en racismebestrijding en het Forum der joodse organisaties, waaruit blijkt dat het aantal anti-joodse daden sinds het jaar 2000 is vertienvoudigd. Ook al gaat het niet om honderden gevallen, toch is het duidelijk dat het aantal gesignaleerde incidenten in belangrijke mate toeneemt.

Bovendien neemt ook de ernst van de incidenten toe: aanslagen tegen synagogen, lichamelijk geweld, doodsbedreigingen, beledigingen, verspreiding van propagandamateriaal met hakenkruisen, bekladden van de koffers van personen die in Zaventem met een El Al-vlucht arriveren.

Er moet rekening mee worden gehouden dat maar een beperkt aantal van de klachten aan het centrum worden gemeld. Bij beledigingen op de openbare weg kan de dader immers moeilijk worden geïdentificeerd.

Er is een duidelijke toename van het fysiek geweld, wat voor een deel het gevolg is van de crisis in het Midden-Oosten en de voorstelling van het conflict in de Westerse wereld. De handelwijze van de beleidsvoerders in Israël wordt gelijkgesteld met de opvattingen van de joodse bevolking met betrekking tot de Palestijnse gebieden.

Volgens het Centrum zou ook de opkomst van het AEL het antisemitisme doen toenemen.

Graag had ik van de minister van Justitie vernomen of de regering conclusies heeft getrokken uit de cijfers die ik heb aangehaald. Welke maatregelen moeten er worden genomen om de toename van het geweld tegen de joodse bevolking in ons land tegen te gaan?

Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Justitie. - Het is een onloochenbare en angstaanjagende vaststelling dat het antisemitisme, waarvan we hoopten dat het na de tweede wereldoorlog nooit meer de kop zou opsteken, de neiging vertoont zich opnieuw in ons land te verspreiden.

Daden die tegen de joodse gemeenschap zijn gericht, ook aanslagen tegen synagogen of tegen leden van de joodse gemeenschap, zoals de aanval op de grootrabbijn van Brussel of op leerlingen van de Maïmonideschool, nemen sedert enkele jaren toe. De situatie mag uiteraard niet worden gedramatiseerd. België kan tot nu toe nog geen antisemitisch land worden genoemd. Het gevoel van onbehagen binnen de joodse gemeenschap en bij alle democraten van dit land wanneer ze getuige zijn van die verfoeilijke verbale of fysieke agressie, is begrijpelijk.

Sta mij toe dat ik u ronduit mijn mening over deze kwestie geef. Ik ben ervan overtuigd dat de leden van de joodse gemeenschap in België zich voor de overgrote meerderheid goed voelen in ons land, dat ook hun land is. Het is natuurlijk niet allemaal rozengeur en maneschijn. Er is nog veel te doen op het vlak van onderwijs en opleiding, zodat wederzijds respect door allen als een verrijking wordt beschouwd. Ik voel mij persoonlijk gekwetst wanneer iemand van de joodse of van een andere cultus op straat wordt aangevallen wegens zijn overtuiging.

Als minister van Justitie doe ik mijn best om bijzondere beschermingsmaatregelen via het Nationaal Veiligheidsplan te stimuleren. Het is onaanvaardbaar dat jongeren op weg naar de synagoge systematisch worden uitgescholden.

Onze democratie heeft de verdienste dat heel wat religies en culturen er zich kunnen ontplooien. Ik heb de indruk dat de meerderheid van de joodse gemeenschap zich daarvan bewust is en onze inspanningen steunt.

We zijn in de vorige regeerperiode samen met vertegenwoordigers van de erkende godsdiensten, de gewesten, gemeenschappen en het Centrum voor gelijkheid van kansen en racismebestrijding rond de tafel gaan zitten om te werken aan transversale programma's. We mogen dit probleem immers niet alleen vanuit het oogpunt van de veiligheid benaderen. We moeten ons ook buigen over de media, de opvoeding, de vorming tot dialoog en de gemeenschappelijke acties. Het Centrum voor gelijkheid van kansen en racismebestrijding krijgt hier de centrale rol toebedeeld. Mevrouw Arena werkt onvermoeibaar aan het begeleiden van de discussies, conform de unanieme wens van de gemeenschappen. Wij doen hetzelfde voor de preventie. De joodse gemeenschap moet zich veilig voelen in onze staat die, nu meer dan ooit, het naast elkaar bestaan van de verschillende culturele, filosofische en godsdienstige strekkingen van haar inwoners moet verzekeren.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Ik dank de minister voor haar antwoord. Het onderwerp kan nu niet worden uitgeput, maar ik denk dat we in de loop van volgend jaar op de diverse aspecten van deze problematiek zullen kunnen terugkomen.

Ontwerp van programmawet (Stuk 3-424) (Evocatieprocedure)

Ontwerp van wet houdende diverse bepalingen (Stuk 3-425)

Voortzetting van de algemene bespreking

Mevrouw Isabelle Durant (ECOLO). - Het is niet gemakkelijk een algemene en dus beknopte uiteenzetting te houden over een wetsontwerp met 500 artikelen die op uiteenlopende onderwerpen betrekking hebben.

Zoals in de begroting voor 2004 die in de Kamer behandeld werd, vinden we ook in de programmawet enkele vaste gegevens. Een eerste vaststelling is dat de regering op heel wat domeinen gas terugneemt. Ik stel dat vooral vast bij het solidariteitsbeleid, zowel op het vlak van leefmilieu, sociale bijstand aan kinderen van illegalen en ontwikkelingssamenwerking als de steun voor bepaalde Brusselse beleidsdomeinen en de deelgebieden in het algemeen.

Wat de sociale en fiscale prioriteiten betreft, worden twee maten gehanteerd.

In de begroting 2004 staat dat de regering de werkloosheidsuitgaven met 46 miljoen euro wil verminderen door de strijd tegen de sociale fraude op te voeren. Daarvoor moeten 5.442 werklozen gedurende een jaar of 65.309 gedurende een maand worden uitgesloten. In 2002 waren er 6.755 uitsluitingen. Tegelijkertijd wordt er wel een fiscale amnestie afgekondigd!

De programmawet voorziet in de niet-indexering van de uitkeringen voor arbeidsongevallen en beroepsziekten, een onrechtvaardige maatregel die de zwakste werknemers treft.

Andere aanslag op de solidariteit: het fonds voor alimentatievorderingen. De regering vernietigt in vijf maanden vier jaar parlementair werk, dertig jaar strijd van vrouwenverenigingen en dertig jaar armoedebestrijding. De toepassing van de wet negen maanden uitstellen is nog niet genoeg voor de regering, ze zet ook de doelstellingen zelf op de helling. Het betalen van de alimentatievorderingen moet als een recht en niet langer als bijstand worden beschouwd. Ik vrees dat dit fonds opnieuw voor lang wordt begraven.

Dezelfde redenering geldt voor de sociale bijstand aan kinderen van illegalen. Het Arbitragehof schreef in zijn arrest nr. 106 van 22 juli 2003 dat het weigeren van sociale bijstand aan die kinderen onaanvaardbaar is wegens de internationale verplichtingen die België moet naleven. De regering probeert zich hieraan te onttrekken.

In artikel 483 staat dat de materiële hulp die onontbeerlijk is voor de ontwikkeling van het kind uitsluitend verstrekt wordt in een federaal opvangcentrum. Dat betekent de facto dat er geen hulp meer zal worden verleend want de ouders die hier illegaal verblijven, zullen hun kind niet naar een opvangcentrum durven brengen. Het zou bovendien de gezinsleden van elkaar scheiden.

Ons amendement strekt ertoe het arrest van het Arbitragehof te volgen en de OCMW's te vragen die bijstand te verlenen.

Op een ander terrein zullen de deelgebieden, als werkgevers, een deel betalen van de financiële lasten die voortvloeien uit de toepassing van bepaalde artikelen van de programmawet. De ambtenaren van de gemeenten, provincies, gemeenschappen en gewesten zullen nog altijd loopbaanonderbreking kunnen krijgen, maar de deelgebieden zullen ook de uitkeringen - verzekerd door de RVA - moeten betalen.

Vooral de vrouwen zullen slachtoffer zijn van deze maatregel. Dat is erg jammer voor een regering die opnieuw vrouwvriendelijk wil zijn.

Dit is een echte straf voor de 86 statutaire ambtenaren van de Franstalige gemeenschap, de 5.935 benoemde onderwijzers en de ambtenaren van de gemeenten die dit voordeel thans genieten. Die maatregel brengt de gemeenten in nog zwaardere financiële moeilijkheden.

Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest is twee keer betrokken partij want naast de extra financiële lasten komt nog de stagnatie van het budget voor het samenwerkingsakkoord met de federale staat. De constante verhoging van dat budget in de voorbije vier jaar begon net vruchten af te werpen, maar dat is nu brutaal onderbroken.

We stellen vast dat de naleving van de verbintenissen inzake leefmilieu en gezondheid systematisch wordt uitgesteld. De regering wil met de economische actoren geen begeleidings- en aanmoedigingsbeleid uitbouwen zodat ze hun activiteiten kunnen conformeren aan de product- en emissienormen.

De vorige regering besliste om de zaak van de GGO's door het Parlement te laten beslechten, maar de huidige regering onttrekt het debat opnieuw aan het parlement en beslist om met koninklijke besluiten te werken. Ze wil zich niet openlijk uitspreken voor de invoering van aansprakelijkheidsmechanismen voor de producenten of landbouwers die GGO's zouden gebruiken.

Ik begrijp niet waarom in de programmawet in een gebruiksplafond werd voorzien voor het Kyotofonds. Gebrek aan ambitie wordt blijkbaar de regel. Niet alleen wordt het akkoord met de gewesten over de verdeling van de inspanningen maand na maand uitgesteld, bovendien stelt de federale overheid een plafond in voor het gebruik van de middelen waarover ze beschikt. Verschillende studies die in de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden werden besproken, tonen nochtans aan dat we de Kyotodoelstellingen kunnen halen door te besparen op het energieverbruik. Hierdoor creëren we meer banen en economische activiteiten. Bovendien is het federale niveau in dezen bevoegd. Waarom moet de bal naar de gewesten worden doorgespeeld, tenzij om te verbergen dat het de federale regering aan wil ontbreekt en dat de minister van Leefmilieu over geen enkele marge beschikt? Ze moet zich dan maar opwerpen als onderwijzeres en ambassadeur van de duurzame ontwikkeling om het politieke discours van de SP.A groener te maken en de paarse coalitie een gerust geweten te geven. Dit is slechts een illusie, zoals blijkt uit dit punt in de programmawet.

Ook andere punten van de begroting 2004 tonen dit aan. De meerderheid heeft niet de moed om de productie van broeikasgassen aan te pakken, bijvoorbeeld door eenvoudige fiscale maatregelen te nemen. In de dotatie en de middelen die de federale regering als hoofdaandeelhouder toekent aan de NMBS heeft ze de mogelijkheid om de alternatieve mobiliteit van personen en goederen te steunen en aan te moedigen. Ze doet echter het tegenovergestelde. Het is duidelijk dat de regering de engagementen die ze in de begroting 2003 is aangegaan, niet nakomt. Ze vraagt de NMBS, een bedrijf in herstructurering, om het budgettair evenwicht te prefinancieren, wat ingaat tegen alle regels van goed bestuur en steun voor alternatieve mobiliteit. Dat is natuurlijk makkelijk voor een minister die zowel bevoegd is voor begroting als voor overheidsbedrijven.

(Voorzitter: de heer Hugo Vandenberghe, ondervoorzitter.)

Ook de splitsing van de NMBS in twee gescheiden juridische eenheden is een extra verzwakking van het bedrijf. Dit is het begin van de ontmanteling van de NMBS. De deur wordt op een kier gezet voor de regionalisering van de exploitatie van de treinen en voor discrete vormen van privatisering van sommige delen van de opdrachten van de spoorwegen.

Ik ben het volledig eens met de opmerkingen die de heer Wille vanochtend heeft gemaakt. Het gaat om gegevens die de afgelopen jaren werden verzameld, ook door de Europese Commissie. Ik heb persoonlijk actief meegewerkt aan het debat over het witboek van de Europese Commissie om de mobiliteit per spoor in de Unie aan te moedigen, in het bijzonder voor het goederenvervoer, dat blijft toenemen terwijl het aandeel van het spoor in dit vervoer alsmaar afneemt.

Men moet mij echter uitleggen hoe de splitsing van de NMBS tot de evolutie zal bijdragen. De Commissie is geen vragende partij en heeft het huidige model goedgekeurd. Dat model bood trouwens betere waarborgen inzake onafhankelijkheid dan het systeem dat nu wordt voorgesteld, waarin de beheerder van de infrastructuur niet alleen instaat voor de werking en de veiligheid van het netwerk, maar tegelijkertijd ook de regulator is, degene die de bijdragen vastlegt en bepaalt aan wie de sporen worden toegekend. Hij krijgt dus ruimere taken en de autonomie die de Europa wordt gevraagd, wordt ingeperkt.

Vice-eerste minister Vande Lanotte heeft me in de commissie trouwens niet tegengesproken. Ook de heer Schouppe zat eigenaardig genoeg op mijn golflengte. De heer Vande Lanotte leek zelf niet te veel in zijn project te geloven, toch niet met betrekking tot de Europese voorschriften. Hij erkende dat de Commissie ons niets vraagt en dat het huidige model aan de Europese voorschriften voldoet.

Hij klonk overigens niet helemaal overtuigd; in de commissie verklaarde hij dat niets definitief was en dat een vandaag genomen maatregel morgen opnieuw ongedaan kan worden gemaakt.

In Europa merken we overigens dat een aantal landen afziet van een splitsing of opteert voor een ander model omdat ze vaststellen dat een dergelijke maatregel geen managementvoordelen oplevert. Bovendien komt de voorgestelde splitsing neer op het kadastreren en verdelen van de activa tussen beheerder en exploitant. Dat is de kern van het probleem. Het gaat om een Vlaamse eis, zoals de heer Wille heel duidelijk heeft aangegeven. Het Waalse net telt meer kilometers, is in minder goede staat en de investeringen volstaan zelfs niet om de capaciteit te handhaven.

De slechte keuzes die in het verleden werden gemaakt in verband met het goederenvervoer, hebben de onderneming afgewend van haar belangrijkste opdracht en hebben de herstructurering van B-Cargo vertraagd. De keuze voor vrachtwagens heeft geleid tot veel tijdverlies. Wat overblijft is een failliet IFB en een zieltogend B-Cargo.

Dat is ook de oorzaak van de slechte resultaten voor de haven van Antwerpen. Een splitsing zal hieraan niets veranderen. Deze slechte resultaten en de onvermijdelijke toename van het containervervoer vloeien voort uit verkeerde keuzes in het verleden, het uitblijven van de herstructurering van B-Cargo en het failliet van IFB bij gebrek aan leiding.

De splitsing zoals ze in de programmawet is geprogrammeerd, is ten slotte zo vaag dat de essentie ervan via besluiten moet worden uitgevoerd. Ik begrijp overigens niet dat de parlementsleden van de meerderheid een dergelijk debat uit handen geven, vooral dan de Senaat die de tijd zou kunnen nemen om de Europese modellen te onderzoeken, de Europese Commissie uit te nodigen om te vernemen wat haar wensen en doelstellingen zijn en ten slotte aanbevelingen uit te werken om de NMBS een plaats te geven in de liberalisering die stilaan op gang komt.

Voor de heer Wille is liberalisering het wondermiddel. Het Europees Parlement heeft er inderdaad mee ingestemd de liberalisering versneld uit te voeren. De groenen waren overigens de enigen die unaniem tegen waren. In de liberale en socialistische fracties werd verdeeld gestemd. De meerderheid was echter vóór een versnelde liberalisering. De heer Vinck, die er nochtans niet van verdacht kan worden een groene of een fantast te zijn, zegt meer tijd nodig te hebben rekening houdend met de noodzakelijke herstructureringen. De heer Vinck en alle andere spoorbazen vragen meer tijd. Het Europees Parlement heeft echter geoordeeld dat sneller gewerkt moest worden.

De bedrijven hebben tijd nodig om zich voor te bereiden op een liberalisering - die ik niet wens, maar die onvermijdelijk is; er is ook tijd nodig om de ontsporingen te vermijden die in andere domeinen worden vastgesteld.

In de volledig geliberaliseerde luchtvaartsector concurreren de lagekostenmaatschappijen met de trein op de kleine Europese afstanden. Een vliegtuigreis tegen 20 euro voor een traject waarvoor ook een treinverbinding bestaat, is slecht voor de mobiliteit. De klant kiest de laagste prijs.

Alle Europese regeringen waaraan liberalen en socialisten deelnemen, halen hun neus op voor het initiatief van de Commissie om de infrastructuur zo te tariferen dat de kosten voor de verschillende vervoersmodi in evenwicht worden gebracht. Is dat de alternatieve mobiliteit steunen?

De huidige regering denkt aan speciale brandstofprijzen voor het wegvervoer. Ik ben sterk begaan met de economische toestand van de transportondernemingen, maar is het zo dat de overstap naar andere vervoersmodi wordt aangemoedigd? Neen, natuurlijk. Het wegvervoer wordt integendeel aangemoedigd.

Het beate geloof in de liberalisering en de onvermijdelijke privatisering die ermee gepaard gaat, houdt geen steek, niet alleen om ideologische redenen, maar ook omwille van de pragmatische, economische en ecologische realiteit van het spoorvervoer.

Liberalisering moet beter begeleid worden dan vandaag het geval is, en dit om sociale en veiligheidsredenen. Het is niet ouderwets dat te beweren. In Groot-Brittannië beseft men dat zeer goed.

Heeft men al eens ernstig nagedacht over de toekomst van het Europese spoor? Is het de bedoeling na fusies en overnames nog slechts een handvol grote spoorwegmaatschappijen over te houden, zoals nu het geval is in de luchtvaartsector? Dat is een vraag waarover de Senaat had kunnen nadenken.

Het grote verschil met de spoorwegen bestaat erin dat zij werken met een net waarop ook alle treinen voor binnenlands vervoer rijden.

Sommigen zouden misschien wel willen dat die interne mobiliteit aan de gewesten wordt toevertrouwd. Ik niet, omwille van de bekende verschillen tussen de netten in het noorden en het zuiden van het land. In de buurlanden is wel een andere keuze gemaakt. Daar werden de secundaire lijnen toevertrouwd aan de gewesten en neemt het aantal reizigers toe. In Frankrijk en Duitsland zijn die regio's echter zo groot als België. De vergelijking gaat dus niet op.

Weten we wel over welke middelen de regio's in Europa beschikken om hun treinen te exploiteren? Als men de exploitatie van de treinen vandaag toevertrouwt aan het Vlaams of het Waals Gewest, moeten we ook weten over welke midden ze kunnen beschikken om voldoende mobiliteit te kunnen aanbieden.

Ik denk dat het dossier niet goed wordt ingeschat, evenmin als de evoluties die moeten worden gevrijwaard en verdedigd. Dat is niet alleen nodig uit ideologisch oogpunt, maar ook uit economisch en ecologisch oogpunt, voor de reizigers die recht hebben op een kwalitatief hoogstaande openbare spoorwegdienst, de spoorwegarbeiders die verknocht zijn aan hun beroep en de ondernemingen die moeten worden aangespoord tot een gecombineerd vervoer.

De heer Paul Wille (VLD). - Het is een communautaire zaak.

Mevrouw Isabelle Durant (ECOLO). - De heer Wille zegt dat de beslissing om te splitsen een communautaire zaak is.

Uit communautaire overwegingen zullen beslissingen worden genomen die de NMBS niets bijbrengen, die het management ervan moeilijker maken, die ons ertoe zullen verplichten een kadaster van de activa op te stellen en verdelingen door te voeren. Dat alles garandeert ons echter niet dat het spoor meer mobiliteit zal bieden voor reizigers en goederen.

Het spoorwegnet kan ons evenwel helpen de Kyotodoelstelling te bereiken.

Voor een regionalisering van de NMBS is geen bijzondere wet nodig, ook geen institutioneel forum of tweederde meerderheid. Ze gebeurt discreet, via beslissingen zoals die welke ons, met de medeplechtigheid van de voltallige meerderheid, worden voorgesteld in het kader van deze programmawet. Ik neem daarvan akte. Ik betreur dat deze zaak zo weinig reacties uitlokt en dat zo veel leden afwezig zijn wanneer gesproken wordt over de toekomst van het spoor en de regionalisering ervan.

De NMBS had deze extra verzwakking echt niet nodig. Ze heeft het zo al moeilijk genoeg om met de vakbondsorganisaties tot een akkoord te komen over het ondernemingsplan en een nieuw beheerscontract op te stellen. Destijds werd het aangekondigd als de tegenhanger van het ondernemingsplan voor de opdrachten van openbare dienstverlening. Ik hoor er nu niets meer over, hoewel het in de vorige regeerperiode uitvoerig werd besproken.

Hoe kan trouwens de moeilijke bespreking van het ondernemingsplan tot een goed einde worden gebracht als nu ook het sociaal statuut van de spoorwegarbeiders wordt aangepakt. Waarom wordt de programmawet aangewend voor de splitsing van een onderneming uit communautaire overwegingen? Ik heb de heer Wille wel zien hoofdschudden. Waarom improviseert men nu met een wet terwijl men die achteraf zal proberen te corrigeren met een besluit? De heer Vande Lanotte zegt dat het een ruime wet is en dat met uitvoeringsbesluiten zal worden gewerkt. Ik heb in de commissie geen overtuigend antwoord gekregen. Ik vond de heer Vande Lanotte ook weinig overtuigend.

Tot zover de belangrijkste redenen waarom wij tegen deze programmawet zullen stemmen.

De heer Wim Verreycken (VL. BLOK). - Gisteren werden de sportman en de sportvrouw van het jaar aangewezen. Ik vind het vreemd dat de Senaat niet genomineerd werd. Geen sportman kan immers een sterkere prestatie leveren dan degene die vandaag wordt gedemonstreerd. In enkele uren kan de Senaat een wet van 700 pagina's en met meer dan 500 artikelen behandelen.

Het is gewoon onmogelijk een dergelijke turf aandachtig en begrijpend te lezen op één dag, laat staan ten gronde te bespreken.

De heer Ludwig Caluwé (CD&V). - De arbeidsproductiviteit in België is niet voor niets de hoogste ter wereld. Als Senaat leveren we hiertoe een belangrijke bijdrage.

De heer Wim Verreycken (VL. BLOK). - Ik stel dan ook voor dat de Senaat volgend jaar meedingt naar de sporttrofee van de arbeidsverdienste. Ik ben ervan overtuigd dat we ze zullen winnen.

De heer Ludwig Caluwé (CD&V). - Ik mis mevrouw Van Brempt omdat het welzijn op het werk door zulke grote arbeidsprestaties in belangrijke mate wordt aangetast.

De heer Wim Verreycken (VL. BLOK). - Mevrouw Van Brempt is waarschijnlijk aan het werken.

Ook in de commissie is gebleken dat vragen naar een grondige behandeling neerkomt op het gooien van parels voor de zwijnen. De regering, de uitvoerende macht, verplicht haar meerderheid dit gewrocht zonder enige opmerking goed te keuren.

De Senaat, ooit bedacht als reflectiekamer, mag alleen instemmen en mag nooit een kritisch geluid laten horen. Nooit, over geen enkel onderwerp mag worden getwijfeld aan het haast goddelijke vermogen tot onfeilbaarheid van de regering, de eerste minister en de partijvoorzitters van de meerderheid. De waarheid van die stelling wordt belichaamd door collega Coveliers.

Dat collega Coveliers niet aanwezig is, verbaast me niet, want toen ik hoorde dat men in Irak een man met verwilderde baard had aangehouden, die van de macht verdreven was, dacht ik meteen aan hem!

De programmawet moet de uitvoering van de begroting mogelijk maken. Zo luidt althans de theorie. Waarom staat in de programmawet de vzw-wetgeving vermeld? Waarom de Dienst Voogdij over minderjarige vreemdelingen? Die dienst werd gecreëerd in de vorige programmawet, is nog steeds niet operationeel wegens gebrek aan personeelsleden, maar wordt nu gewijzigd door deze wet. Snel, maar hopeloos inefficiënt.

Wat doet de poespas over de asielzoekers en hun verblijfsvergunningen in een programmawet die de begroting moet begeleiden? Ware het niet beter van de programmawet gebruik te maken om een socialistische minister te kapittelen die een begroting onderuithaalt door een Limburgs vakantiecentrum te ontnemen aan het sociale toerisme in eigen land, het te kopen voor 20 miljoen euro om het twee jaar later opnieuw te verkopen tegen een kwart miljoen euro?

Ondanks alle opmerkingen van omwonenden en van parlementsleden dreef dit lid van de uitvoerende macht zijn zinnetje door en krijgen de belastingbetalers vandaag voor de zoveelste keer het deksel op de neus.

De regering stapelt de enormiteiten op. Hoe is het anders te verklaren dat enerzijds een premier als een trekpop, in de volksmond een paljas, steeds maar `hoera, hoera belastingverlaging' roept, terwijl anderzijds een programmawet op een drafje door de Kamers wordt gejaagd, waarbij circa 1 miljard euro aan nieuwe verkapte belastingen en retributieverhogingen aan de veelbezongen `burger', die van de partij voor de burger, wordt opgelegd. Weten `de mensen', het troetelnaampje dat socialisten aan geldschieters geven, wel dat al de hoera-belastingverlagingen vandaag opnieuw door deze programmawet worden teruggenomen?

Het moet me toch ook van het hart dat er blijkbaar een hiërarchie der wetten bestaat, waarvan de normen mij totaal ontgaan. Zo wordt deze programmawet, met de verborgen pak-de-poen-show, met de karwats door Kamer en Senaat gejaagd. Dat gebeurt zonder veel mediagedruis omdat deze wet niet in oneliners kan worden gevat, en zonder veel ministers. Zo was er bijvoorbeeld het hilarische moment in de Kamer toen minister Flahaut zich wou laten vervangen door minister Onkelinx, terwijl enkel minister Michel in het hafrond aanwezig was, die minister Onkelinx kwam vervangen. Hierdoor antwoordde minister Michel op vragen over landsverdediging: `geen antwoord'.

In schril contrast tot de minimale aandacht voor deze dure programmawet staat de heisa rond de wetten die politieke dissidenten moeten kortwieken, zeg maar de Waalse wetten tegen het Vlaams Blok, met als triest hoogtepunt de wet over de partijfinanciering. Waalse politici decreteren dat geen geld van belastingbetalers naar het Vlaams Blok mag gaan, dat met andere woorden de middelen van onze meer dan 700.000 kiezers moeten worden misbruikt om ons, dissidenten van het regime, monddood te maken. Daarvoor worden wel alle mediavrienden opgevorderd door mediapaus Yves Desmet, daarover worden wél praatprogramma's georganiseerd, daarover leggen ministers en individuele spokenjagers wel met heilige tremolo's in de stem grote verklaringen af.

De dames en heren van deze toevallige meerderheid moeten maar voortdoen. Dat de pater en zijn volgelingen maar in hun naam en in hun opdracht maar op kosten van de belastingbetaler procederen. Laat hen maar af en toe denken dat een rechtbank ons, dissidenten, ten val zal brengen. Welnu, op ons is zeker het woord van Goethe toepasselijk: `Vallen is geen schande, blijven liggen wel'.

Wees ervan overtuigd dat wij nooit zullen blijven liggen, maar dat wij u zullen blijven bekampen en dit niet voor rechtbanken, maar daar waar de kiezer ons wilde: in het parlement.

In dit parlement geeft de afwezige paarse regering ons trouwens alle kansen om haar te bekampen. Ter illustratie overloop ik nog enkele blikvangers in de programmawet.

Wat moet ik denken van de kronkels in de artikelen over mobiliteit? Er wordt een jaar uitstel gevraagd voor een reeks maatregelen die het woon- werkverkeer kunnen beïnvloeden, dat alleen werd toegekend omdat de socialisten niet gelukkig waren met de maatregelen.

Het getuigt ook niet van ernst dat de zoveelste herstructurering van de NMBS in een programmawet wordt afgehandeld, waardoor een grondig debat met verkeersspecialisten onmogelijk wordt. Het rommeltje dat mevrouw Durant, die jammer genoeg afwezig is, ervan gemaakt heeft, met als enig resultaat dat zij haar persoonlijke vete met Etienne Schouppe heeft kunnen beslechten, is niet te redden via een programmawet, maar verdient een volwaardig debat.

De regering weet echter wat ze doet. Uit een debat over de grond van de zaak zou immers het besluit kunnen groeien dat de NMBS dringend moet worden gesplitst, omdat aan beide zijden van de taalgrens andere inzichten bestaan over partijbenoemingen in een overheidsbedrijf. Na een splitsing zou Vlaanderen wel komaf maken met de afschuwelijk archaïsche afkorting NMBS en wellicht kiezen voor Het Spoor, zoals het ook heeft gekozen voor De Lijn.

Wat moet ik denken over de discussie over de dienstencheques? Daarmee wordt nogmaals aangetoond dat de inzichten in Wallonië en Vlaanderen volkomen verschillend zijn. Wij zijn gewoon twee landen! Vlaanderen wil de dienstencheques immers voor iedereen toegankelijk maken en zo ruim mogelijk verspreiden op zoveel mogelijk plaatsen, terwijl Wallonië uitgaat van het adagium dat wat goed is voor de PS ook goed is voor Wallonië, zodat alleen maar overheidsinstellingen met PS-benoemde ambtenaren worden belast met de uitreiking ervan.

Wat moet ik denken over de artikelen over de hervormde politie, die zich evenwel beperken tot detacheringen van de federale naar de lokale politie?

Hier lag een gouden gelegenheid om de situatie te regelen van de leden van de voormalige luchthavenpolitie. De integratie van die manschappen, eerst in de ex-rijkswacht en later in de federale politie, gebeurde onregelmatig. De Raad van State gaf de klagers van dit voormalige korps reeds gelijk, wat ook het Arbitragehof deed op 22 juli 2003, zoals blijkt uit de mondelinge vraag van daarnet.

De Raad van State heeft de Belgische Staat op 2 augustus 2002 veroordeeld tot het betalen van een dwangsom van 2.000 euro per dag bij niet-uitvoering van het arrest, die inmiddels zou zijn opgelopen zijn tot 5,5 miljoen euro. Toch geeft niemand een kick. Als er een regeling nodig is, dan is het toch wel in deze materie. Spijtig, maar de programmawet zet die onrechtvaardigheid in de politiehervorming niet recht.

Wat te denken van de zogenaamde ecoboni in de programmawet? De groenen zijn electoraal weggeveegd - ook hier in de Senaat - maar hun erfenis blijft nazinderen. De groenen hebben de bedrijven op kosten gejaagd, waardoor hun winstmogelijkheden verminderden en tegelijk hun aanwervingcapaciteit werd gehypothekeerd. De recycling-industrie die de duurdere producten van de bedrijven moet verwerken, verklaarde onlangs in de media dat ze niet kan waarborgen dat uit gerecycleerd verpakkingsmateriaal geen chemische stoffen naar de verpakte voedingswaren zullen terugvloeien. Nochtans was recyclage een heilige koe van de groenen, die minister Tavernier zelfs een klacht tegen minister Reynders waard was, omdat hij de groene maatregelen niet snel genoeg wilde uitvoeren.

Ondanks alle pogingen tot het schaamteloos opvrijen van het groene electoraat door de socialisten aan beide kanten van de taalgrens, durfde toch al één PS'er het aan het recyclagedogma te betwijfelen. Hij verklaarde tijdens het kamerdebat: "Recyclage is evenwel niet in alle sectoren in dezelfde mate mogelijk. Als we de lat geheel gelijk gaan leggen kan dat tot economische moeilijkheden en risico's voor de volksgezondheid leiden." Een zeer mooie uitspraak, maar eigenlijk wilde de spreker zeggen: "Ik werd gecontacteerd door een Waals bedrijf dat graag een uitzondering zou willen..." Maar inderdaad, niemand kan waarborgen dat de kosten die mensen moeten maken, ook leiden tot ernstige resultaten. Wat doen eigenlijk die herdoopte maar niet gewijzigde ecotaksen nog in de wet?

Wat moet ik ten slotte denken van de artikelen 380 en 381? Artikel 380 bepaalt dat de ontzetting uit politieke en burgerlijke rechten voor iemand die uitstel of opschorting van straf heeft gekregen, ingaat op het ogenblik dat het uitstel begint te lopen, zolang dat niet wordt herroepen. Deze cryptische zin wordt gevolgd door artikel 381, dat luidt: "Artikel 380 is vanaf zijn inwerkingtreding van toepassing, ook voor de veroordeelde personen die uitstel hebben verkregen." Einde van het cryptogram. Wat wordt hier eigenlijk bedoeld? Gewoon dat Guy Coëme in 2004 aan de verkiezingen moet kunnen deelnemen. Deze twee artikelen geven hem de gelegenheid al zijn veroordelingen opzij te schuiven en in 2004 aan de verkiezingen deel te nemen. Slechts één krant, La Dernière Heure, heeft dat nieuws uitgebracht en De Tijd heeft het overgenomen. In de Senaat wordt er echter niet over gesproken. Voor een dergelijke onzin gebruikt de regering de programmawet. De PS, de motor achter processen en wetten tegen een politieke partij waarvan nooit iemand veroordeeld is, misbruikt de programmawet om veroordeelde PS-criminelen op te vissen. Nog hypocrieter en ongeloofwaardiger is onmogelijk! Erger dan deze twee idiote artikelen kan niet en ik ben er zeker van dat niemand van de regering hierover iets zal zeggen, omdat ze met recht en reden beschaamd moet zijn dat ze zoiets door de strot van het parlement duwt, zonder erbij te zeggen waarover het gaat. In geen enkele commissie is hierover gesproken, maar mijn analyse is duidelijk correct.

(Voorzitter: de heer Armand De Decker.)

Zoals ik bij het begin al zei, is het onmogelijk om deze vergaarbakwet - of vuilnisbakwet om de terminologie te gebruiken van de VLD, toen die nog in de oppositie zat - grondig te bespreken. Wat is trouwens de zin van een grondige bespreking, indien de regering haar meerderheidsslaven opdraagt geen enkele wijziging, geen enkel amendement te aanvaarden? Dat deze programmawet ten minste 60 artikelen bevat die stommiteiten uit de vorige programmawet rechtzetten, kan de regeringspret niet bederven. Geen amendementen, geen wijzigingen, geen opmerkingen. Pink op de naad van de broek, blik op oneindig, parlementair controleverstand op nul. Niet wij denken, "de leider Verhofstadt" denkt voor ons. Voor een dergelijk Cubaans model bedankt het Vlaams Blok feestelijk en wij zullen dan ook onze dissidentie tegenover dit regime van door-de-strot-duwers handhaven en voortzetten, het devies Je maintiendrai, indachtig.

De heer Ludwig Caluwé (CD&V). - Ik zal me beperken tot één artikel van de programmawet, dat over de belasting op de ploegenarbeid.

De afgelopen vijf jaar worden we met een stijgende werkloosheid geconfronteerd. De werkgelegenheidsambities van de vorige coalitie werden helemaal niet gehaald. Een van de grote problemen is de verbetering van onze concurrentiekracht. Volgens recente rapporten van de Centrale Raad voor het bedrijfsleven hebben we een blijvend concurrentienadeel van 10 procent ten opzichte van onze voornaamste handelspartners, Nederland, Duitsland en Frankrijk. Dat nadeel is tussen 1999 en nu nog verder opgelopen.

Ik weet wel dat het concurrentienadeel niet onmiddellijk kan worden weggewerkt. Ons voorstel om de bijdragen voor de kinderbijslagen en voor de gezondheidszorg uit de socialezekerheidsbijdragen te halen is misschien nogal drastisch. Maar we moeten de inspanningen toch ten minste al toespitsen op die punten waarin de concurrentie met onze voornaamste handelspartners het grootst is, zoals de belasting op de ploegenarbeid, die in de ons omringende landen niet of toch minder wordt belast.

Voor alle grote investeringsbeslissingen van multinationals die hier gevestigd zijn, concurreren we met vestigingen in Nederland, Duitsland en Frankrijk. Een geschoolde arbeider van de petroleumraffinaderij Esso kost in Antwerpen per jaar 15.000 euro meer dan in Rotterdam, ook al ontvangt die Antwerpse arbeider minder in zijn loonzakje. Wanneer een multinational een beslissing moet nemen om extra te investeren of een vestiging gedeeltelijk of helemaal te sluiten, dan is de rekening natuurlijk snel gemaakt.

Het probleem doet zich ook voor in de auto-industrie. Toen tweeënhalf jaar geleden de Opelfabriek in Antwerpen werd bedreigd, kon de vestiging overleven dankzij de enorme productiviteit van het personeel.

Opel-Antwerpen is trouwens op vier na het productiefste automobielbedrijf ter wereld. Het is alleen hierdoor dat de arbeiders het aantal afvloeiingen hebben kunnen beperken tot een duizendtal en de volledige sluiting hebben kunnen afwenden.

Er zijn toen gesprekken gevoerd tussen de directie, de vakbonden en de overheid. De ministers Van Mechelen en Gabriëls hebben de deur platgelopen en ferme beloften gedaan, onder andere dat ze zouden ijveren voor de vermindering van de loonlasten en voor de verbetering van het fiscaal en sociaal statuut van de ploegenpremies. In diezelfde periode waren er ook gesprekken tussen de directie van Ford-Genk en de eerste minister. Ook daar beloofde de regering iets te doen aan het sociaal en fiscaal statuut van de ploegenpremies.

Einde 2001 was van die mooie beloften niets gerealiseerd; einde 2002 weer niet; begin 2003 nog altijd niet. En ook in het regeerakkoord van deze zomer werd daarover niets gezegd.

We weten intussen dat dit komt door de ideologische verdeeldheid binnen de coalitie. De socialisten, meer bepaald minister Vandenbroucke en voorzitter Steve Stevaert, kantten zich tegen het voorstel. Stevaert verklaarde in juni tijdens een tv-debat waaraan ook de Vlaamse minister-president en ikzelf deelnamen, dat hij tegenstander was van een verlaagde belasting op de ploegenpremies.

Ik beweer niet dat dit de oorzaak is van de noodlottige beslissing die Ford-Genk een paar maanden later nam, maar ik sluit ook niet uit dat er minder ontslagen waren gevallen indien de regering onmiddellijk na haar aantreden het statuut van de ploegenpremies drastisch had gewijzigd.

Vandaag zegt de general manager van Opel-Antwerpen, die voor de uitdaging staat een nieuw model binnen te halen, dat de loonkosten dringend moeten dalen. Niet wat de mensen netto verdienen, want dat mag voor hem gerust wat meer zijn, maar wat arbeid sociaal en fiscaal aan het bedrijf kost. Ook hij heeft het vooral over de ploegenpremies.

De programmawet stelt op dit punt echter niet veel voor. Eerste minister Verhofstadt wil wel, maar de socialistische coalitiepartner verzet zich er nog altijd tegen. Uiteindelijk kan een bedrijf maar een half procent van de loonkost van een ploegenarbeider in mindering brengen bij de bedrijfsvoorheffing. Een half procent, terwijl ons concurrentienadeel tegenover Duitsland tien procent bedraagt.

Deze maatregel is weeral louter symbolisch, louter voor de perceptie, louter opdat de regering kan zeggen dat ze iets heeft gerealiseerd van al haar beloftes van de voorbije jaren.

In ons wetsvoorstel wordt de ploegenpremies behandeld als een onkostenvergoeding voor de meerkosten die het werken in ploegen voor een werknemer met zich brengt. Daarom moeten die premies worden vrijgesteld van sociale en fiscale lasten. Op die manier heeft niet alleen het bedrijf, maar ook de werknemer een reëel voordeel bij de vrijstelling. Dat is niet het geval in het voorstel van de regering, waar het voordeel louter naar de werkgever gaat. De ploegenpremies worden voor de werknemer nog altijd torenhoog belast. Dat geldt trouwens eveneens voor de overuren. Ook daarin verschillen we sterk met de ons omringende landen.

We zullen ons wetsvoorstel als amendement indienen. Misschien wordt het toch nog goedgekeurd. Indien niet, dan hoop ik dat een grondige bespreking in de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden in de loop van de komende weken en maanden de meerderheid misschien tot inkeer zal brengen.

Mevrouw Anne-Marie Lizin (PS). - De heer Timmermans is uitgebreid ingegaan op de vijf artikelen die betrekking hebben op Landsverdediging. Ik zal het daar dus niet over hebben, maar wel over de alimentatievorderingen, een negatief punt in de programmawet.

Al sedert het begin van de regeerperiode hebben we de indruk dat de regering deze aangelegenheid niet behandelt in overeenstemming met de wet tot oprichting van de Dienst voor alimentatievorderingen. Het standpunt dat in de tekst van de programmawet wordt weergegeven, strookt niet met de tendensen die in die wet worden verwoord.

Het maximum maandelijks inkomen wordt vastgesteld op 1100 euro. De wet zal dus op heel weinig mensen van toepassing zijn. Zo is ze bijvoorbeeld niet van toepassing op mensen met een OCMW-statuut. Enkel de lopende dossiers zullen worden behandeld; er worden geen nieuwe dossiers geopend. Ten slotte gaat het enkel om de alimentatie van de kinderen en niet van de moeders. De tekst komt dus niet tegemoet aan de behoeften met betrekking tot de alimentatievorderingen.

Zowel de Franstalige als de Nederlandstalige Vrouwenraad zijn het erover eens dat de voorgestelde formule geen nauwkeurige tijdsbepaling inhoudt, dat ze niet overeenstemt met de tendens die in de wet was vastgelegd, dat ze geen rekening houdt met de risico's waarop door de OCMW's is gewezen en dat ze geen oplossing biedt voor het probleem.

Wat zijn de volgende stappen? De antwoorden zijn twijfelachtig en de minister van Financiën zegt niet op welke manier hij tewerk zal gaan.

Dit dossier blijft jammer genoeg een van de pijnpunten van deze regering.

De gekozenen die met deze materie begaan zijn, zullen op een gegeven moment duidelijk moeten laten blijken dat ze het niet eens zijn met de inhoud van dit hoofdstuk.

Samenstelling van commissies

De voorzitter. - Bij de Senaat is een voorstel ingediend om in de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden de heer Jan Van Duppen door mevrouw Myriam Vanlerberghe te vervangen als plaatsvervangend lid. (Instemming)

Ontwerp van programmawet (Stuk 3-424) (Evocatieprocedure)

Ontwerp van wet houdende diverse bepalingen (Stuk 3-425)

Voortzetting van de algemene bespreking

Mevrouw Jacinta De Roeck (SP.A-SPIRIT). - Het zal u niet verwonderen dat ik mij volledig kan aansluiten bij het betoog van mevrouw Lizin. Het artikel over het alimentatiefonds heeft ook mij diep ontgoocheld. Ik heb daarover al meer dan eens het woord genomen, maar dat haalt blijkbaar allemaal niets uit.

De vraag naar een alimentatiefonds leeft al meer dan 30 jaar bij de vrouwenverenigingen. De oprichting ervan wordt weer eens met 9 maanden uitgesteld; dat is een volle dracht. De regering zou dus van een goed alimentatiefonds moeten kunnen bevallen.

Na 30 jaar wachten betekenen 9 maanden maar een klein uitstel; evenmin als talloze andere mensen kan ook ik het echter niet aanvaarden. Niet alleen vrouwen en mannen wachten op de oprichting van dat fonds, vooral kinderen hebben het broodnodig. Als het fonds er niet komt, komen zij niet rond.

Een wetsvoorstel dat vorige zittingsperiode door verschillende vrouwelijke parlementsleden samen met minister Reynders en over de partijgrenzen heen werd uitgewerkt en goedgekeurd, schuift de regering nu als een banaal kladwerkje voor zich uit. Ik vrees stilaan dat uitstel, afstel wordt.

Een ander artikel in de programmawet waar ik bedenkingen bij heb, is dat over de toename van de belastingvermindering en de verlaging van de werkgeversbijdragen voor de hogere lonen. Ik begrijp dat in de huidige situatie van hoge werkloosheid ook van hoger gediplomeerden een inspanning wordt gevraagd om bepaalde categorieën vlugger aan de slag te helpen. Maar wat biedt deze programmawet voor de lagere looncategorieën?

Ik denk vooral aan de leefloontrekkers. In de vorige zittingsperiode werd gevraagd om het leefloon met 10% te verhoging. Uiteindelijk kwam er een verhoging met 4% en de belofte dat de ontbrekende 6% in een volgende zittingsperiode zouden worden toegekend. Ik heb in juni of juli al vruchteloos gevraagd waar die 6% bleven. Vandaag vind ik ze weer niet terug in de tekst. De allerlaagste inkomens krijgen geen 6% verhoging, ze krijgen zelfs geen 3%. Als de loonlastenverlaging voor de hogere lonen onze economie ten goede komt, waarom zou een verhoging van het leefloon dat dan niet doen? Als de koopkracht van de leefloontrekkers toeneemt, heeft dat zeker en vast een gunstig effect op de economische resultaten van sommige KMO's.

Vanmiddag hebben wij nog vergaderd met verenigingen van armen uit het Vlaamse landsgedeelte. Vier jaar geleden waren nauwelijks twintig personen aanwezig op een soortgelijke vergadering. Vandaag hebben bijna zeventig armen deelgenomen aan een discussie over het thema `Wonen en gezondheid'. Zij hebben onder andere uitgelegd dat zij zich geen koelkast met een A-label kunnen veroorloven en zich met een C-label moeten tevreden stellen, met alle nadelige gevolgen van dien voor hun energierekening. Als groene denk ik dan ook aan de nadelige gevolgen voor het leefmilieu.

In feite dwingen wij die mensen om energieverslindende producten te kopen en te leven op een manier die helemaal niet leefmilieuvriendelijk is. In een land dat zo welvarend is als het onze, is dat onaanvaardbaar.

Voorts zijn er twee typisch groene maatregelen, die helaas fel worden afgezwakt en uitgesteld. Over de ecoboni heb ik reeds gesproken. Ik wil het nu hebben over de productnormen. Op gewestelijk niveau bestaan er al jaren programma's inzake de vermindering van het gebruik van pesticiden. Het uitwerken van dergelijke programma's is zeer belangrijk voor de gezondheid van de bevolking en voor de bescherming van het leefmilieu. Bij de uitvoering van die programma's worden we geconfronteerd met de achterstand die op dat vlak op federaal niveau bestaat. Tijdens de vorige regeerperiode is beslist dat het eerste reductieprogramma op 31 januari 2004 eindelijk van start gaat. In de programmawet wordt bepaald dat die maatregel wordt uitgesteld tot eind 2004. De betekenis van de vermindering van het gebruik van biociden en gewasbeschermingsmiddelen kan nochtans niet worden ontkend. Deze regering, die zich de groenste aller regeringen noemt, bewijst daarmee dat ze eigenlijk niet zo groen is. We hebben inmiddels al enige druk uitgeoefend op minister Van den Bossche, die in de commissie heeft verklaard van dit punt ondanks alles een prioriteit te willen maken. Het probleem is dat minister Van den Bossche de bevoegdheid over deze materie met minister Demotte deelt. Ik hoop dat de beide ministers zich voor deze problematiek zullen inzetten. De drukkingsgroepen buiten de politiek kijken hoopvol toe en ze nemen de gemaakte beloften au sérieux. Als onafhankelijke groene zal ik erop toezien dat dit groene aandachtspunt niet wordt verdaagd. Ik zal zowel minister Van den Bossche als minister Demotte hierover geregeld ondervragen. Ik vertrouw erop dat zij hun beloften nakomen.

Ik vind de programmawet enigszins ontgoochelend. Dat zal ik bij de stemming duidelijk laten blijken.

Mevrouw Christiane Vienne (PS). - Ik wil op mijn beurt iets zeggen over de Dienst voor alimentatievorderingen en enkele belangrijke data in herinnering brengen.

De wet werd gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 21 februari 2003 en ze treedt in werking in september 2003. Op 16 juli 2003 wordt de inwerkingtreding uitgesteld tot 1 september 2004. Zoals minister Reynders in de commissie heeft verklaard, wordt de uitvoering van de wet vandaag met drie maanden vervroegd tot 1 juni 2004.

Met uitvoering van de wet wordt hier bedoeld het verzamelen van de nodige fondsen en niet het uitvoeren van de stortingen.

175.000 gezinnen zijn hierbij betrokken. 19% van de alimentatievergoedingen worden niet betaald en één kind op vier met gescheiden ouders ziet nooit zijn vader.

De gemiddelde alimentatievergoeding bedraagt 150 euro en het Planbureau heeft de kosten op 7,5 miljoen euro geschat.

Hoe ziet de toestand er vandaag uit? Het universele karakter wordt vandaag aangetast. Tegen alle verwachtingen in zal er een plafond worden toegepast.

Kinderen komen hier veel ter sprake, maar er zijn ook heel wat gescheiden vrouwen zonder volledige loopbaan die er op gevorderde leeftijd alleen voor staan.

De geplande invorderingen zullen de vraag niet volledig kunnen dekken en zullen nauwelijks volstaan om een reserve aan te leggen voor het fonds. Wie zal er bijpassen? De regeringsverklaring zwijgt daarover in alle talen.

Wanneer worden de eerste bedragen aan de gezinnen gestort?

De gekozen formule is ver van ideaal. Vroeg of laat zullen we alle mogelijke wisseloplossingen opnieuw onder ogen moeten nemen. We kunnen niet wachten tot het systeem faalt en alle betrokken gezinnen nog langer in moeilijkheden laten zitten.

Als bij het aanvatten van de invorderingen niet onmiddellijk een datum voor de eerste stortingen wordt vastgelegd, moeten we nieuwe voorstellen uitwerken.

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Ik zal mij beperken tot de toelichting bij één artikel over noord-zuidsolidariteit. Ik heb het amendement terzake voor het eerst in de plenaire vergadering ingediend. Daarin stel ik voor om een noodfonds voor de NGO's op te richten. We zijn daartoe genoopt nadat de Kamer zojuist de begroting heeft besproken. De afgelopen weken hebben de NGO's met concrete cijfers aangetoond dat het paarse budget voor ontwikkelingssamenwerking gezichtsbedrog is. CD&V heeft dat ook bij het begrotingsdebat in de Kamer aangeklaagd. Maar we zijn vooral verontrust over het beleid zelf. Een jarenlang gegroeide consensus over een aantal essentiële punten in het beleid inzake ontwikkelingssamenwerking wordt immers brutaal herzien. We vinden die trendbreuk zeer verontrustend en willen met dit signaalamendement een oproep doen tot bijsturing.

De trendbreuk is drievoudig. Ten eerste is het bereiken van de 0,7%-norm in het budget voor ontwikkelingssamenwerking een goede zaak, maar het mag geen doel op zich worden. De betekenis van de begroting voor ontwikkelingssamenwerking is dat de regering jaarlijks een bepaald bedrag reserveert voor het zuiden. Dat geld kan bijgevolg niet meer gebruikt worden voor het eigen beleid hier in het noorden. De paarse regering stapt daar evenwel van af. Onder het mom van de horizontale budgetlijnen wordt met budgetten geschoven teneinde het groeipad naar 0,7% te realiseren. Een spectaculaire stijging is enkel het gevolg van de overschrijving van middelen van andere departementen op het budget van ontwikkelingssamenwerking. In werkelijkheid stijgt het budget niet, meer nog het Belgisch asielbeleid wordt voortaan ook betaald met geld dat voor het zuiden bestemd is. Voor CD&V is deze trendbreuk onaanvaardbaar omdat het budget van ontwikkelingssamenwerking gebruikt wordt voor de Belgische politiek. De mensen in het zuiden zijn daar het slachtoffer van.

Een tweede trendbreuk ligt in het feit dat de minister van ontwikkelingssamenwerking jarenlang de woordvoerder van het zuiden was, maar nu door de inventieve begrotingstrucs van de paarse regering een minister zonder portefeuille wordt. Bovendien heeft hij nog een aantal bevoegdheden aan de minister van Buitenlandse zaken moeten afstaan. Een minister die geen autonome beheersbevoegdheid heeft over zijn budget, kan bij gebrek aan geloofwaardigheid nog moeilijk beschouwd worden als woordvoerder van het zuiden. CD&V vindt dat een duidelijke en spijtige trendbreuk met het verleden met als enig slachtoffer de mensen in het zuiden.

De derde trendbreuk heeft betrekking op de NGO's. Ze hebben op vraag van de overheid hun kwaliteit opgedreven door de opgelegde beleidsvoorwaarden uit te voeren. Daartegenover plaatste de overheid de erkenning van hun autonomie en de gegarandeerde budgetten. De inzet van de NGO's om zich naar die beleidsvoorwaarden te schikken wordt evenwel niet gehonoreerd door de huidige paarse meerderheid, integendeel. Door de aanzienlijke vermindering van de budgetten van NGO's, komt de paarse regering die eerder aangegane engagementen niet meer na.

In het verleden behandelde de regering de directe, indirecte en multilaterale hulp op gelijke voet. De aanzienlijke vermindering van het budget voor indirecte hulp doorbreekt dat evenwicht waardoor de NGO's aan gezag inboeten. Voor CD&V is dat onaanvaardbaar omdat opnieuw de mensen in het zuiden het slachtoffer zijn.

CD&V sluit zich aan bij de kritiek van de NGO's, die aantonen dat de stijging van de begroting van Ontwikkelingssamenwerking alleen te wijten is aan inventieve begrotingtrucs. Ik geef daarvan een vijftal voorbeelden.

De 847 miljoen euro in 2004 is grotendeels het resultaat van een verwerking van uitgaven van Financiën, Buitenlandse Zaken in de begroting Ontwikkelingssamenwerking. De totale uitgaven voor ontwikkelingssamenwerking inclusief de uitgaven van andere departementen, zou in totaal 1,3 miljard in 2004 bedragen. Waar haalt de regering ruim 450 miljoen euro extra op een ogenblik dat ze reeds een groot aantal begrotingen van de andere departementen in het budget Ontwikkelingssamenwerking heeft ondergebracht?

De minister van Ontwikkelingssamenwerking heeft geen zeggenschap over zijn begroting aangezien vele bedragen van andere departementen in zijn begroting worden ingeschreven terwijl de bevoegdheid bij de bevoegde ministers blijft.

Circa 70 miljoen euro van de 847 miljoen komt onder de rechtstreekse bevoegdheid van de minister van Buitenlandse Zaken. Dat is ongeveer 10 procent van de totale begroting van ontwikkelingssamenwerking.

De begroting Bilaterale samenwerking daalt in werkelijkheid met 8 miljoen euro. De schijnbare stijging is alleen het gevolg van de overschrijving van leningen van staat tot staat van Financiën naar Ontwikkelingssamenwerking.

De begroting Indirecte samenwerking daalt met ruim 70 miljoen euro. Vooral de NGO's worden getroffen. Vandaar het amendement dat we in de programmawet willen inschrijven om een soort noodfonds op te richten voor de NGO's.

De beleidsnota van de minister van Ontwikkelingssamenwerking staat vol met lovenswaardige intenties. Voor CD&V moeten die echter ook gerealiseerd worden. Een analyse van de begroting Ontwikkelingssamenwerking is echter zeer ontnuchterend. De regering vergeet de daad bij het woord te voegen. De bevolking in het zuiden wordt andermaal het slachtoffer. Daarom moet de regering dringend haar beleid bijsturen en in de nodige financiële middelen voorzien.

Mevrouw Sfia Bouarfa (PS). - Ik zal het namens onze fractie hebben over de punten die in de commissie voor de Sociale Aangelegenheden werden behandeld, in het bijzonder over de bepalingen in de programmawet die de akkoorden van de werkgelegenheidsconferentie en de op het begrotingsconclaaf aangenomen maatregelen uitvoeren.

Tijdens de bespreking van de regeringsverklaring in oktober sprak ik reeds over de wettelijke reële groeinorm voor gezondheidszorg. Die gaat van 2,5% naar 4,5%. Het regeerakkoord wordt dus gerespecteerd en de maatregel maakt het systeem voor meer burgers toegankelijk. Tegelijk wordt rekening gehouden met de behoeften van de sector. Wij verheugen ons daarover.

Drie maatregelen inzake ziekteverzekering dragen zeker onze goedkeuring weg:

Die maatregelen passen ook in de strijd tegen de sociale fraude. We nemen er akte van dat momenteel wordt gewerkt aan een totaal plan tegen sociale fraude. Ik heb in de commissie gezegd dat die actie in de eerste plaats moet gericht zijn tegen hen die de sociale fraude organiseren, met name het zwartwerk op grote schaal. Zwartwerk bedreigt immers de solidariteit en ligt aan de oorsprong van een slechte werking van de arbeidsmarkt. Zwartwerk vernietigt arbeid omdat het zowel de concurrentie als de fiscale en parafiscale druk vervalst.

De minister herinnerde eraan dat hij bovenal arbeidsplaatsen wil scheppen. Ik ben het daarmee eens en noteer dat de minister mijn wens deelt dat de strijd tegen de fraude efficiënt gebeurt en rekening houdt met de concrete situatie van bepaalde mensen. Zo mag de invoering van dienstencheques niet in de eerste plaats leiden tot onderzoek naar het verleden van werknemers.

Wat die dienstencheques betreft, is het voor ons belangrijk dat de betrokken werknemers, in het bijzonder zij die een aanvullende werklozensteun of een integratietegemoetkoming ontvangen, op langere termijn een contract van onbepaalde duur kunnen krijgen voor ten minste een deeltijdse betrekking. Inzake de PWA willen wij, zoals de regering, niet het bestaan van twee concurrerende systemen aanmoedigen. Echte arbeidsovereenkomsten geven meerwaarde aan en vertrouwen in dat soort arbeid.

Wij houden het cijfer van 25.000 nieuwe banen in het oog. De diepgaande evaluatie, die ten laatste in september 2005 moet plaatshebben, zal doorslaggevend zijn. Het gaat om een nieuw sociaal experiment, want in het verleden werd nog nooit geprobeerd de situatie van zwartwerkers te regulariseren.

Wij schenken dus vertrouwen aan de regering en gaan akkoord dat op dat vlak een onontbeerlijke samenwerking met de gemeenschappen en gewesten moet totstandkomen.

Ook de volgende maatregelen dragen onze goedkeuring weg.

Dit is zo voor de uitbreiding van de taak van Fedasil. Er komt een beperkt recht op materiële steunverlening voor minderjarigen met ouders zonder papieren. Volgens mij is de term `illegale kinderen', zoals vermeld in het verslag, niet juist. Dat suggereert dat het gaat om onwettige of ongewenste kinderen, terwijl het gaat om kinderen waarvan de ouders geen verblijfsdocumenten hebben. Die vergissing moet worden rechtgezet. Dat recht op steunverlening lijkt ons essentieel. Het onwettig verblijf van de ouders mag geenszins de fysieke en psychische integriteit van de kinderen aantasten.

De mogelijkheden om bepaalde doelgroepen die het sterkst aan discriminatie blootstaan in de arbeidmarkt in te schakelen worden versterkt. Dat is uitstekend, omdat het geven van een job een veel positievere maatregel is dan de toekenning van financiële hulp.

Meer rechten voor personen in een precaire situatie is eveneens een positieve maatregel. Wij stemmen in met de op dat vlak aangekondigde maatregelen, in het bijzonder de mogelijkheid om zijn rechten te doen gelden voor de arbeidsrechtbank wanneer een OCMW in gebreke blijft.

-De algemene bespreking is gesloten.

De voorzitter. - Teneinde de artikelsgewijze bespreking van het ontwerp van programmawet in alle sereniteit te laten verlopen, stel ik voor dat de werkzaamheden van de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden nu worden geschorst zodat iedereen de gelegenheid heeft om zijn amendementen te verdedigen. De commissie zal wellicht omstreeks 22 uur haar werkzaamheden kunnen voortzetten.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Als de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden heel de nacht zou vergaderen, dan vragen wij morgen de lezing van het verslag.

De voorzitter. - Iedereen moet een beetje goede wil aan de dag leggen. Het lijkt mij zeer redelijk de werkzaamheden van de commissie tijdens de artikelsgewijze bespreking te schorsen. We weten overigens niet hoe de werkzaamheden van de Kamer zullen verlopen.

Artikelsgewijze bespreking van het ontwerp van programmawet (Stuk 3-424) (Evocatieprocedure)

(De tekst aangenomen door de commissies. is dezelfde als de tekst van het door de Kamer van volksvertegenwoordigers overgezonden ontwerp. Zie stuk Kamer 51-473/38.)

(De tekst van de amendementen wordt uitzonderlijk in de bijlage opgenomen.)

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Amendement 1 op artikel 20 strekt ertoe de kostprijs van de voorziene structurele lastenverlaging, die 146 miljoen euro bedraagt, te verhogen met 18,67 euro per kwartaal. Met dit amendement willen we bereiken dat de voor de verkiezingen door sommige regeringsleden aangekondigde lastenverlaging van 1,5 miljard euro ook effectief wordt uitgevoerd. Dit kan door de forfaitaire bijdragevermindering op te trekken tot 573,14 euro per kwartaal.

Met amendement 2 willen we in Titel II een nieuw hoofdstuk 2bis (nieuw) invoegen met het oog op een substantiële lastenverlaging op ploegenarbeid, nachtarbeid en onregelmatige arbeid.

De maatregel van de regering inzake ploegen- en nachtarbeid kunnen we omschrijven als een druppel op een hete plaat, rekening houdend met de honderdduizenden werknemers die in dit systeem werkzaam zijn, enerzijds, en het bedrag dat in de begroting is vastgelegd om deze maatregel te financieren, anderzijds. Een korting van 1% van de te storten bedrijfsvoorheffing is bijzonder beperkt, zeker als we weten dat bijvoorbeeld in Duitsland ploegenarbeid 's nachts volledig is vrijgesteld.

Voor 2004 is voor deze maatregel 42 miljoen euro vastgelegd in de begroting. Als we voor ploegen- en nachtarbeid samen de voorzichtige hypothese van 500.000 fulltime-equivalenten nemen, dan is het voordeel per fulltime-equivalent 84 euro op jaarbasis. Dit is onvoldoende en zal enkel resulteren in een erg kleine verhoging van het nettoloon.

De enige zinvolle maatregel is de loonkost van de ploegensystemen op het niveau van de buurlanden te brengen.

Ons amendement sluit aan bij het economisch visieplan van CD&V, waarvan de belangrijkste punten zijn opgenomen in de schriftelijke verantwoording.

Amendement 3 strekt ertoe een artikel 24bis (nieuw) in te voegen dat artikel 339 van de programmawet van 24 december 2002 vervangt. Met dit amendement willen we de werkgelegenheidsgraad van oudere werknemers verhogen. Bovendien zullen oudere werknemers door deze wijziging niet zo snel meer het slachtoffer worden van een herstructurering. De leeftijd om gebruik te kunnen maken van een doelgroepvermindering voor oudere werknemers wordt daarom verlaagd van 57 naar 55 jaar en het bedrag van de vermindering wordt voor de oudere werknemers verhoogd tot 1.000 euro.

Hiermee nemen we een voorstel over dat in het regeerakkoord staat. We confronteren de collega's van de meerderheid met een engagement dat de meerderheid is aangegaan. Het verbaast ons dat het niet in de programmawet staat.

Amendement 4 strekt ertoe een hoofdstuk 4bis (nieuw) in te voegen. We willen dat het maximumbedrag waarop de werkloosheidsvergoeding, zoals bepaald in artikel 111, derde lid, wordt berekend, jaarlijks kan worden aangepast aan de evolutie van de conventionele lonen. Tevens wordt voorzien in de mogelijkheid om de andere bedragen, zoals de minimumbedragen of het bedrag voor samenwonende werknemers, na de periode van vijftien maanden te verhogen naargelang van de ontwikkeling van de conventionele lonen. Hetzelfde wordt mogelijk voor de anciënniteitstoeslag en de inkomensgarantieuitkering. Dit sociaal amendement strekt ertoe mensen die dit type uitkeringen genieten, dezelfde welvaartsevolutie te laten kennen als mensen met een conventioneel loon. De minister verklaarde zich in commissie niet akkoord met deze amendementen, die nochtans redelijk zijn voor de beoogde doelgroep.

Amendement 5 strekt ertoe artikel 31 te doen vervallen. Het gevaar bestaat dat een aantal werkgevers, die voortaan zelf de premies moeten betalen, minder zullen overgaan tot vervanging of alles in het werk zullen stellen om de werknemer toch geen loopbaanonderbreking te laten nemen. Deze gevolgen zijn voorspelbaar, aangezien heel wat werkgevers nu reeds onvoldoende financiële ademruimte hebben.

Amendement 6 strekt ertoe het tweede lid van artikel 31 aan te vullen. De redenering achter het financieel verantwoordelijk stellen van bepaalde werkgevers voor de financiering van de premies voor loopbaanonderbreking is dat er voorheen een vervangingsverplichting bestond, waardoor terugverdieneffecten in de werkloosheid en de sociale zekerheidsbijdragen ontstonden die de premies compenseerden. Na de afschaffing van de vervangingsverplichting was dit niet langer het geval. Door de werkgevers die de werknemer in loopbaanonderbreking vervangen, de premies niet te laten betalen wordt deze redenering consequent doorgezet. Bovendien kan op die manier een positief werkgelegenheidseffect ontstaan.

Met amendement 7 willen we in Titel II een hoofdstuk 5bis (nieuw) invoegen. Wij willen het ouderschapsverlof uitbreiden tot zes maanden per ouder per kind, in plaats van drie maanden per ouder per kind, en de periode waarin het ouderschapsverlof wordt genomen, te verruimen tot het kind de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt. De minister wees er in commissie op dat die periode te ruim is. We zijn dan ook bereid een subamendement in te dienen dat ertoe strekt een kortere periode in te voeren. Ik veronderstel dat ouderschapsverlof alleszins nodig zal zijn tot het kind twaalf jaar is. Het amendement strekt er eveneens toe het ouderschapsverlof deeltijds op te nemen, waardoor het in de tijd kan worden gespreid.

Dit amendement is belangrijk voor ons, omdat het de stress in de gezinnen zal verminderen en mensen hun kinderwens in vervulling kan laten gaan. In deze aangelegenheid mogen we niet materialistisch zijn, maar desondanks spelen praktische factoren ook een rol.

Ik hoopte dat de minister dit amendement zou steunen. Net voor de verkiezingen sprak hij zich in een interview in De Standaard samen met de voorzitster van de Nederlandstalige Vrouwenraad, gewezen senator Van der Wildt, immers uit ten voordele van een verlenging van het ouderschapsverlof.

Bovendien staat in het regeerakkoord dat het de bedoeling is het ouderschapsverlof te verlengen. Langzamerhand groeit er rond deze maatregelen dus een maatschappelijke consensus. Ik hoop dan ook dat onze collega's ons hierin steunen.

Voor amendement 8 verwijs ik naar de schriftelijke verantwoording.

Amendement 9 strekt ertoe een artikel 56bis in te voegen. Hiermee willen we bekomen dat de vergoedingen en renten uitgekeerd bij een dodelijk arbeidsongeval jaarlijks worden aangepast aan de evolutie van de welvaart.

Amendement 10 strekt ertoe artikel 57 te doen vervallen. We zijn het niet eens met de niet-indexering van de jaarlijkse vergoedingen en de renten voor blijvende ongeschiktheden van 16 tot en met 19% en de afschaffing van de uitbetaling van het derde van de rente in kapitaal. Bovendien creëert deze regeling een nieuwe discriminatie tussen de ongevallen die na 1 december 2003 en die die vóór die datum werden bekrachtigd of geregeld. Daarom stellen we voor artikel 57 te schrappen.

Met amendement 11 op artikel 57 willen we bekomen dat de vergoedingen en renten uitgekeerd bij een arbeidsongeval, jaarlijks worden aangepast aan de evolutie van de welvaart.

Amendement 12 strekt ertoe een artikel 57bis in te voegen om te bekomen dat de loongrenzen die gehanteerd worden voor de vaststelling van de vergoedingen en renten uitgekeerd bij een arbeidsongeval, jaarlijks worden aangepast aan de evolutie van de welvaart.

Amendement 13 strekt ertoe artikel 58 te doen vervallen. We zijn het niet eens met de niet-indexering van de jaarlijkse vergoedingen en de renten voor blijvende ongeschiktheden van 16 tot en met 19% en de afschaffing van de uitbetaling van het derde van de rente in kapitaal. Bovendien creëert deze regeling een nieuwe discriminatie tussen de ongevallen die na 1 december 2003 en die die vóór die datum werden bekrachtigd of geregeld.

Amendement 14 strekt ertoe een artikel 60bis in te voegen. We willen hiermee bekomen dat de vergoedingen en schadeloosstellingen uitgekeerd bij een beroepsziekte, jaarlijks worden aangepast aan de evolutie van de welvaart.

Amendement 15 strekt ertoe artikel 71 te doen vervallen. Het eerste lid van dit artikel bepaalt de voorwaarden waaraan een onderneming moet voldoen om erkenning te bekomen. In een volgend lid wordt de Koning evenwel gemachtigd om bijkomende voorwaarden vast te leggen.

Tegen deze nevenschikking van voorwaarden, opgelegd door de wetgever, en de blanco volmacht aan de Koning om bijkomende voorwaarden op te leggen, kunnen verscheidene bezwaren worden geuit.

Het daaropvolgende lid bepaalt echter dat de federale overheid - is dat de Koning of de wetgever? - op verzoek van een gewest of een gemeenschap in een bilateraal samenwerkingsakkoord bijkomende erkenningsvoorwaarden kan opleggen aan alle ondernemingen die in een bepaald gewest of gemeenschap actief willen zijn.

De Raad van State heeft zich hierover terecht zeer negatief uitgelaten. Het is duidelijk dat deze bepaling aan gewesten en gemeenschappen een bevoegdheid toekent, namelijk om het initiatief te nemen om samen met de federale overheid bijkomende voorwaarden op te leggen aan ondernemingen die actief zijn in het betrokken gewest/gemeenschap. In toepassing van artikel 77 van de Grondwet kan een dergelijke bevoegdheid enkel middels een bijzondere wet aan een gewest of gemeenschap worden toegekend. Het artikel dient dus uit het huidige ontwerp te worden geschrapt omdat het om een ontwerp gaat dat onder de toepassing valt van artikel 78 van de Grondwet.

De heer René Thissen (CDH). - Mijnheer de voorzitter, ik neem deel aan de commissievergadering. Mag ik nu meerdere amendementen verdedigen? (Instemming)

Amendement 42 betreft de begeleiding van vreemde kinderen in een opvangcentrum. In de huidige wetgeving staat niet expliciet dat de ouders en de kinderen samen moeten worden opgevangen. Als de ouders van hun kinderen worden gescheiden, wordt volgens ons het recht op een privé- en gezinsleven geschonden. Met dit amendement willen we die grove onrechtvaardigheid opheffen.

Met amendement 44 willen we de artikelen 57 en 58 doen vervallen. Het betreft de werknemers die het slachtoffer zijn van een arbeidsongeval. De regering wil een bijkomende besparing van 24 miljoen euro opleggen door de drempel te verhogen tot 20% blijvende ongeschiktheid. Wij willen dat verhinderen, te meer daar van indexering geen sprake is. Wij zijn dus voorstander van het behoud van de drempel van 16%.

Amendement 45 heeft als doel het derde en vierde lid van paragraaf 2 te schrappen. De Raad van State is van mening dat de bepalingen in §2, derde en vierde lid, de omzetting van een exclusieve federale bevoegdheid in een gedeelde bevoegdheid van, enerzijds, de federale Staat en, anderzijds, de gemeenschappen en de gewesten beogen. Volgens de CDH gaat het om een gevaarlijk precedent omdat alle bevoegdheden van het land op die manier te splitsen zijn. Het arbeidsrecht is een federale aangelegenheid en dat moet zo blijven. Dat principe wordt door dit artikel met voeten getreden.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Amendement nummer 46 heeft betrekking op artikel 71. Er werd reeds ten overvloede aangetoond dat artikel 71 een miskenning inhoudt van artikel 77 van de Grondwet.

Er rijst een probleem met het voorgestelde artikel 2, §2, derde lid. Luidens die bepaling kan de federale overheid bijkomende erkenningsvoorwaarden opleggen "op verzoek van een gewest of een gemeenschap". Dat brengt met zich mee dat een exclusieve federale bevoegdheid wordt omgevormd tot een gedeelde bevoegdheid tussen de federale Staat enerzijds en de gewesten en de gemeenschappen anderzijds.

De Raad van State heeft ons al gewaarschuwd en ook voor studenten eerste kandidatuur is het ook al duidelijk dat zulk mechanisme niet door een wet kan worden opgelegd.

Blijkbaar wil men ons nogmaals de eer gunnen van een arrest van het Arbitragehof dat die bepaling zal vernietigen.

Ook de uitvoeringsbesluiten zullen vatbaar zijn voor vernietiging. Uitvoeringsbesluiten die op grond van een onwettelijke basis worden genomen kunnen geschorst worden met de prejudiciële vraag aan het Arbitragehof.

De risico's zijn enorm, maar deze regering heeft daar geen schrik van. Als de meerderheid op haar standpunt blijft, dan zal artikel 71 spijtig genoeg ofwel vernietigd moeten worden, ofwel moeten worden gewijzigd door een volgende programmawet.

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Amendement 16 strekt ertoe in Titel III een hoofdstuk 2bis (nieuw) in te voegen. We willen bekomen dat de pensioenbedragen jaarlijks worden aangepast aan de evolutie van de conventionele lonen.

Amendement 17, dat ertoe strekt een artikel 93bis (nieuw) in te voegen, is een belangrijk amendement. Ik herinner me overigens dat de minister nogal wat moeite had om dit amendement in de commissie te weerleggen.

Noch in de programmawet van 24 december 2002, noch in de ontwerpen van uitvoeringsbesluiten die in uitvoering van de artikelen 41 tot en met 82 van voormelde programmawet zijn getroffen, wordt uitdrukkelijk bepaald dat zelfstandigen met lage bedrijfsinkomsten kunnen deelnemen aan het Vrij Aanvullend Pensioen voor zelfstandigen (VAPZ). Voorheen was dat wél mogelijk.

Concreet betekent dit dat vanaf 2004 zelfstandigen met een inkomen van minder dan 5.949,50 euro gewoon niet meer kunnen deelnemen aan het VAPZ, terwijl zij momenteel toch nog een bijdrage kunnen betalen die berekend wordt op een inkomen van 5.949,50 euro. Een gelijkstelling met de laagste inkomensgrens werd ingevoerd door de wet van 25 januari 1999 houdende sociale bepalingen.

Op dit moment, tot eind 2003, is er dus wél de mogelijkheid om in dergelijke gevallen een minimumbijdrage te betalen. Vanaf 2004 kan dat niet meer. Doordat artikel 52bis door de programmawet vanaf 2004 integraal wordt vervangen en in het nieuwe artikel niet in dergelijke bepaling is voorzien, is die mogelijkheid om bij lage inkomsten alsnog VAPZ-bijdragen te betalen er niet meer. Dit gegeven lijkt strijdig met de geest van de wetgeving en de bedoeling van de regering om het VAPZ te verbeteren en te democratiseren, ruimer te verspreiden dus. In zijn huidige vorm is de nieuwe regelgeving omtrent het VAPZ, zoals die van kracht zal worden op 1 januari 2004, een stap achteruit in plaats van een verbetering.

Starters hebben vaak bij het opstarten van hun activiteit heel wat investeringskosten en daardoor zijn hun bedrijfsinkomsten de eerste jaren vaak laag. Zij kunnen dan geen aanvullend pensioen opbouwen. Op een moment dat we meer mensen willen stimuleren om een bedrijf op te starten, zadelen we hen al dadelijk op met een handicap om een volwaardige sociale bescherming op te bouwen!

De medewerkende echtgenoten hebben sinds 1 januari 2003 weliswaar de mogelijkheid toe te treden tot het volledige sociaal statuut der zelfstandigen, het zogenaamde maxi-statuut, maar verreweg de meeste medewerkende echtgenoten met maxi-statuut betalen bijdragen berekend op het - verlaagde - minimumplafond. Ook zij komen niet in aanmerking voor een VAPZ. We geven hen dus wel toegang tot het wettelijk statuut, maar sluiten de poort voor het aanvullend pensioen!

Mogelijk betreft het hier een vergetelheid van de wetgever. Met ons amendement willen wij deze ongerijmdheid alsnog rechtzetten.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Mijnheer de voorzitter, ik stel vast dat de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden nog steeds in vergadering bijeen is, hoewel u daarstraks hebt gezegd dat ze tijdens de artikelsgewijze bespreking van de programmawet haar werkzaamheden zou stilleggen.

De voorzitter. - Mag ik nogmaals vragen dat de fractievoorzitters er bij de commissie op aandringen dat ze haar werkzaamheden schorst zoals afgesproken, opdat de commissieleden hun amendementen kunnen komen verdedigen.

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Met amendement 19 vragen we een nieuw hoofdstuk 6 en een nieuw artikel 99bis in te voegen.

We verwijzen daarvoor naar een belofte die de eerste minister zelf deed in de Financieel Economische Tijd van 15 mei 2003, in volle verkiezingscampagne. Hij beloofde toen de zogenaamde solidariteitsbijdrage op de pensioenen geleidelijk af te zullen schaffen. De eerste minister geloofde - toen, vandaag niet meer, zo stel ik vast - dat het perfect mogelijk is de solidariteitsbijdrage af te schaffen en het verlies te compenseren met de belasting op wat de gepensioneerden meer mogen bijverdienen zonder dat aan hun pensioen wordt geraakt.

Het is sterk aan te bevelen beloftes aan de kiezers onverwijld uit te voeren. Ik zeg dit speciaal voor minister Frank Vandenbroucke. Maar wat perfect doenbaar was in mei 2003 is ondertussen blijkbaar verdwenen in de vergeethoek van de beloftes.

De heer René Thissen (CDH). - Met amendement 35 vragen wij een hoofdstuk 6bis in te voegen dat betrekking heeft op het overlevingspensioen.

De huidige wetgeving baart ons zorgen. Mensen die een overlevingspensioen genieten, kunnen nog een beroepsactiviteit uitoefenen, maar wanneer ze die activiteit om een bepaalde reden moeten stopzetten, moeten ze kiezen tussen het overlevingspensioen en een andere uitkering zoals een werkloosheidsuitkering of een ziektevergoeding.

We hadden in de vorige regeerperiode eenzelfde voorstel gedaan. De minister verklaarde dat hij het genegen was, maar dat hij er om budgettaire redenen niet kon op ingaan. Ook nu kregen we hetzelfde antwoord.

Het gaat om een belangrijke aangelegenheid en de minister heeft dat blijkbaar goed begrepen. Ik heb akte genomen van zijn belofte dat hij het probleem nog in deze regeerperiode zal proberen op te lossen. Ik had graag dat hij dat in plenaire vergadering bevestigde. Ons amendement zal dan wel worden verworpen, maar we hebben toch een belofte van de minister. Ik hoop alleen dat hij het voorbeeld van andere ministers niet zal volgen, maar dat hij zal doen wat hij heeft beloofd.

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Amendement 18 wil een artikel 99ter (nieuw) invoegen. Dat heeft tot doel de kinderbijslagen voor kinderen van zelfstandigen op hetzelfde niveau te brengen als die voor kinderen van werknemers. We nemen aan dat dit niet in een keer kan en stellen daarom een redelijke termijn van vier jaar voor, waarin die kinderbijslagen geleidelijk worden opgetrokken.

De extra lasten voor het statuut van de zelfstandigen zouden integraal gecompenseerd moeten worden door het verhogen van de rijkstoelage aan het stelsel. Dit is natuurlijk een heel breed debat, maar we vonden het belangrijk te stellen dat alle kinderen gelijk zijn en dat men er bijgevolg dringend werk moet van maken om de kinderbijslagen voor alle kinderen op hetzelfde pijl te brengen.

Met amendement 20 B willen we garanderen dat de mogelijkheid van nazicht door de Commissie voor Toezicht op de Geneesmiddelen blijft bestaan door te eisen dat voor publicatie alle correcties steeds aan deze Commissie moeten worden voorgelegd.

Amendement C gaat over de vraag welke benamingen er moeten worden vermeld in 7º van art. 104 §12. Vanuit verschillende hoeken wordt gepleit ook de Gemeenschappelijke Internationale Benaming, de DCI of het in België beter bekende INN, eveneens in de wet op te nemen, al was het maar om alle mogelijke verwarring te voorkomen.

Amendement 22 heeft als doel een artikel 125bis (nieuw) in te voegen.

Door de weglating van de wettelijke verplichting om zich te richten tot huisartsen en specialisten wordt de mogelijkheid gecreëerd om zich vrij te organiseren in een beroepsorganisatie. De mogelijkheid om zich tot beide categorieën te richten blijft evenwel bestaan. Om als representatief te worden erkend en dus aan de rechtstreekse verkiezingen te mogen deelnemen moet de organisatie wel een minimumpercentage geneesheren bereiken, dat door de Koning wordt vastgelegd.

Ik hoop dat we voor dit amendement ook steun krijgen van leden van de meerderheid. In de commissie voor de Sociale Aangelegenheden hebben meerdere collega's uit de meerderheid mij bevestigd dat ze deze zaak belangrijk vinden. In verschillende partijen bestaan wetsvoorstellen om dat punt te concretiseren. Dit amendement is een kans om ook dat probleem via de programmawet te regelen.

Amendement 23 heeft als doel een artikel 130bis in te voegen.

De wijziging die aan artikel 87 van de ziekte- en invaliditeitsverzekeringswet (ZIV-wet) wordt aangebracht heeft als doel het loon, dat in aanmerking wordt genomen om de ziekte- en invaliditeitsuitkeringen te berekenen, jaarlijks aan te passen.

Amendement 24 heeft als doel artikel 130ter in te voegen. Deze bepaling moet het mogelijk maken de bedragen van de ziekte- en invaliditeitsuitkeringen alsook de minimum- en de maximumuitkeringen jaarlijks aan te passen aan de evolutie van de conventionele lonen. Deze wijzigingen hebben eveneens betrekking op de moederschapsuitkering.

Amendement 25 heeft als doel artikel 132bis in te voegen. Het gaat om de invaliden.

Vele invaliden ontvangen slechts de minimumuitkering. Die moet een minimale bestaanszekerheid garanderen. Om deze bestaanszekerheid te vergroten, wordt in dit artikel het minimum dagbedrag, in het stelsel van de regelmatige werknemers, voor de invalide gezinshoofden en de alleenstaande invaliden opgetrokken. Voor de invalide gezinshoofden wordt voor de bepaling van het minimum dagbedrag een opsplitsing gemaakt tussen diegenen met een beperkt bijkomend partnerinkomen en diegenen zonder bijkomend partnerinkomen.

Amendement 26 strekt ertoe een artikel 132ter (nieuw) in te voegen. Zodoende wordt de forfaitaire tegemoetkoming voor `hulp van derden' voor invalide gezinshoofden verdubbeld van 5,26 euro per dag (of 136,76 euro per maand) naar 10,52 euro per dag (of 273,52 euro per maand).

Amendement 27 strekt ertoe een artikel 132quater (nieuw) in te voegen. Zodoende wordt de forfaitaire tegemoetkoming voor `hulp van derden' voor primair arbeidsongeschikten verdubbeld van 5,26 euro per dag (of 136,76 euro per maand) naar 10,52 euro per dag (of 273,52 euro per maand).

Amendement 28 strekt ertoe een artikel 132quinquies (nieuw) in te voegen. Zodoende kunnen, wanneer in een gezin de beide partners invalide zijn, beiden maximaal beschikken over een invaliditeitsuitkering als samenwonenden, ook wanneer zij verantwoordelijk zijn en kosten hebben voor de opvoeding van één of meerdere kinderen. Dit amendement beoogt om in een gezin waarin twee arbeidsongeschikte personen samenwonen minstens één van deze personen het statuut van gezinshoofd toe te kennen.

Amendement 29 strekt ertoe een artikel 132sexies (nieuw) in te voegen.

Vandaag verliezen invalide gezinshoofden hun statuut als gezinshoofd - en hun uitkering wordt dientengevolge berekend op basis van het lagere, voor een samenwonende geldende percentage - als hun echtgenoot meer dan 647,4746 euro verdient.

Het voorgestelde artikel trekt dat plafond op tot aan het bedrag dat thans van toepassing is voor de werkloze echtgenoot die een anciënniteitstoeslag ontvangt of die als PWA'er aan de slag is. Conform artikel 225, §3, derde lid, geldt voor de werkzoekenden belastingvrijstelling voor de anciënniteitstoeslag of voor het inkomen dat zij als PWA-tewerkgestelde ontvangen.

Het nieuwe plafond wordt op die manier opgetrokken tot 745,3487 euro.

De heer René Thissen (CDH). - Amendement 39 strekt ertoe artikel 230 te doen vervallen. Het amendement wil de huidige regeling behouden, zoals bepaald door de wet van 26 augustus 2003 houdende verbod op de reclame voor tabaksproducten en tot oprichting van een Fonds ter bestrijding van het tabaksgebruik, ook bekend als de wet-Francorchamps.

De wettelijke grondslag die deze wet aan het Fonds verleent, is belangrijk en moet behouden blijven. Die bepaling was niet uit de lucht gegrepen, maar was in zekere zin het resultaat van twee jaar onderhandelingen tussen de betrokken overheden om te komen tot een coherent antitabaksbeleid.

Het advies van de Raad van State over het samenwerkingsakkoord, dat aangevoerd wordt om het Fonds af te schaffen, was niet zo afdoend als de artikelsgewijze commentaar laat uitschijnen, en sloot de totstandkoming van dat samenwerkingsakkoord niet uit.

Bovendien kan men niet stellen dat de afschaffing van het Fonds gecompenseerd wordt door artikel 258 van de programmawet dat middelen toekent aan de strijd tegen het tabakverbruik. Het opvoeren op de begroting is op zich niet voldoende om het Fonds in het leven te roepen.

Bovendien geldt het opvoeren alleen voor het lopende jaar. Het is dus geen verbintenis op lange termijn. Terwijl men de strijd tegen het tabakverbruik als `uiterst prioritair' beschouwt, geeft artikel 230 van de programmawet een verkeerd signaal aan wie preventieve maatregelen willen nemen en ook aan de gehele bevolking. Daarom stellen wij voor dat artikel te doen vervallen.

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Het hoeft geen betoog dat wij het vorige, zeer belangrijke amendement steunen.

Amendement 30 strekt ertoe een artikel 252bis (nieuw) in te voegen. Met dit amendement willen wij de gezinsbijslagen substantieel verhogen. Enkel op die manier kunnen de gezinsbijslagen evolueren naar kostendekkende bedragen. De Gezinsbond berekent een kostendekkende gezinsbijslag op gemiddeld 275 euro voor een kind tussen 0 en 17 jaar, maar dit bedrag stijgt met de leeftijd.

Amendement 31 strekt ertoe een artikel 253bis (nieuw) in te voegen dat artikel 76bis, §1, van de gecoördineerde wet van 19 december 1939 op de kinderbijslagen voor loonarbeiders aanvult. Zodoende worden de bedragen van de kinderbijslag (artikel 40), de verhoogde kinderbijslag (artikel 42bis), de leeftijdsbijslagen (artikelen 44 en 44bis), de bedragen zoals bepaald in artikel 47 (gehandicapte kinderen), de wezenbijslag (artikel 50bis), de verhoogde kinderbijslag voor kinderen van een arbeidsongeschikte werknemer (artikel 50ter), het kraamgeld (artikel 73bis), de adoptiepremie (artikel 73quater, §2), jaarlijks aangepast aan de evolutie van de conventionele lonen.

Amendement 32 strekt ertoe een artikel 256bis in te voegen.

Zodoende worden het kraamgeld, de kinderbijslag en de adoptiepremie voor zelfstandigen jaarlijks aangepast. De Koning stelt het verhogingscoëfficiënt vast op advies van het algemeen beheerscomité van het sociaal statuut der zelfstandigen wordt voorgesteld.

Amendement 33 strekt ertoe artikelen 256ter en 256quater te voegen. Zodoende willen wij de gezinsbijslagen van zelfstandigen en die van de werknemers gelijkschakelen.

Amendement 34 strekt ertoe de bedragen elk jaar aan te passen aan de ontwikkeling van de conventionele lonen.

De heer René Thissen (CDH). - Ons amendement 40 strekt ertoe de artikelen 279 en 280 te doen vervallen.

De bijdrage ten laste van de bedrijven als compensatie voor het deficit van de sociale zekerheid, die bedoeld was als een eenmalige inhouding, wordt verlengd in de tijd.

Nu we, gelet op de betere situatie die we al enkele jaren kennen, gehoopt hadden dat de regering maatregelen zou treffen om die bijdrage af te schaffen, heeft ze beslist ze aan te passen. Ze heeft ook de gelegenheid te baat genomen om extra inhoudingen door te voeren.

Dit is niet de goede manier om het sociaal statuut van de zelfstandigen te verbeteren en het initiatief aan te moedigen.

De heer Etienne Schouppe (CD&V). - Amendement 71 is een technisch amendement, dat betrekking heeft op de verjaring van de roerende voorheffing en de bedrijfsvoorheffing. Normaal worden die voorheffingen niet ingekohierd. Ze zijn evenwel betaalbaar volgens de termijnen vastgelegd in de artikelen 412 en 412bis van het wetboek inkomstenbelastingen 1992. Bijgevolg worden volgens de ontworpen tekst de roerende voorheffing en de bedrijfsvoorheffing in feite onverjaarbaar.

Amendement 72 heeft betrekking op artikel 301, paragraaf 1, tweede lid, waarin het begrip `belastbare bezoldigingen' wordt gedefinieerd. Vanuit legistiek oogpunt is het beter deze definitie mee op te nemen in de tweede paragraaf, samen met de andere definities.

Het derde lid van dezelfde paragraaf verwijst naar de bewijsvoering. Daarbij zou de Koning de bevoegdheid krijgen om de nadere modaliteiten voor het leveren van het bewijs te bepalen. Het is ons inziens niet de bedoeling dat de Koning het bewijs of de bewijsmiddelen bepaalt, maar wel de voorwaarden en de formaliteiten die de werkgevers moeten vervullen opdat zij recht hebben op de vrijstelling vermeld in het eerste lid. In die zin werd het tweede lid geherformuleerd.

Amendement 73 is zeer uitgebreid. Om de omschakeling naar een nieuwe dynamiek in de industriële sector mogelijk te maken, pleiten wij voor het herinvoeren van het systeem van de reconversiemaatschappij. In antwoord op een mondelinge vraag over de afdankingen bij Ford-Genk en bij de toeleveranciers bevestigde de minister dat hij bereid was dit initiatief te verdedigen bij de Europese instanties. Aangezien het systeem pas in werking kan treden wanneer de bevoegde Europese instanties hun goedkeuring hebben gegeven, stellen wij voor dat alle noodzakelijke maatregelen nu reeds worden uitgewerkt ten einde tijd te winnen.

Amendement 74 heeft betrekking op de invoeging van een afdeling, bestaande uit de artikelen 302ter tot 302sexies, die verband houden met de verhoging van de investeringsaftrek.

Met artikel 302ter stellen wij voor het basispercentage van de gewone investeringsaftrek voor de natuurlijke personen te verhogen van de huidige 3,5% voor het aanslagjaar 2004 tot minstens 6%. Dit gebeurt door de verhoging van het basispercentage op te trekken tot 4 percentpunten. Dit voorstel draagt bij tot het scheppen van een gunstiger investeringsklimaat.

In artikel 302quater verhogen we het basispercentage van de gewone investeringsaftrek voor KMO's overeenkomstig artikel 201, eerste lid, paragraaf 1, van 3% voor aanslagjaar 2004 naar minstens 6%. Dit gebeurt door de verhoging van het basispercentage op te trekken tot 4 percentpunten. Ook dit moet bijdragen tot het scheppen van een gunstiger investeringsklimaat.

Artikel 302quinquies strekt ertoe in uitvoering van ons VISIE-plan de gewone investeringsaftrek voor andere binnenlandse vennootschappen dan KMO's opnieuw in te voeren. Deze vennootschappen moeten van dezelfde regeling kunnen genieten als de in artikel 201, eerste lid, 1º, van het wetboek inkomstenbelastingen 1992 bedoelde KMO's.

Artikel 302sexies regelt de inwerkingtreding van de nieuwe bepalingen.

Amendement 75 beoogt een vereenvoudiging van de boekhouding voor de vennootschappen. Gelet op het verdwijnen van het opstellen van een afzonderlijke jaarrekening voor verschillende activiteiten binnen eenzelfde vennootschap, past het dat de boekhouding van de verschillende deelactiviteiten op een soepele manier kan gepubliceerd worden. De interne boekhouding is niet publiek, maar door dat in het jaarverslag apart te vermelden komen we tegemoet aan de vraag naar administratieve vereenvoudiging.

Amendement 76 heeft betrekking op het Alimentatiefonds. We moeten tot onze spijt vaststellen dat er in de begroting geen aparte post is opgenomen voor het Alimentatiefonds. De administratieve en budgettaire moeilijkheden die de oprichting van het Alimentatiefonds met zich meebrengt, mogen nochtans geen rechtvaardigingsgrond zijn om de wet die op 21 februari 2003 is goedgekeurd slechts gedeeltelijk uit te voeren, te meer dat die moeilijkheden amper opwegen tegen de ernst van sommige toestanden waarin tal van alimentatiegerechtigden moeten leven.

Er is dringend nood aan een uitbreiding van de bestaande voorschottenregeling voor de kinderen tot de gedupeerde echtgenoten zelf. Dit moet nu en niet later gebeuren. De regering draagt hierin een verpletterende verantwoordelijkheid. Dit geldt des te meer aangezien ze zelf in de toelichting bevestigt dat "de onderhoudsgerechtigde recht heeft op de tenuitvoerlegging van het vonnis of de akte waarin het onderhoudsgeld werd vastgesteld' en dus niet enkel het kind".

Ik verdedig nu amendement 77. Tijdens de vorige regeerperiode is er een brede consensus gegroeid rond het weglaten van enige inkomensgrens om te kunnen genieten van de voorschottenregeling. De wet van 21 februari voorzag in geen beperkingen. Het vertrouwen dat is gewekt bij duizenden ouders en kinderen dreigt geschonden te worden wanneer er nu opnieuw inkomensgrenzen worden ingevoerd. De administratieve en budgettaire moeilijkheden die de oprichting van het Alimentatiefonds met zich brengt, mogen geen rechtvaardigingsgrond zijn om de wet die op 21 februari 2003 is goedgekeurd, slechts gedeeltelijk uit te voeren, te meer gezien die moeilijkheden amper opwegen tegen de ernst van sommige toestanden.

We stellen ook een verhoging van het bedrag voor. De kosten van een kind dat ouder wordt en bijvoorbeeld hogere studies aanvat, kunnen onmogelijk worden gedekt door een voorschot van 175 euro. Het maximumbedrag van de voorschotten waarop zij aanspraak kunnen maken, dient dan ook te worden opgetrokken tot 250 euro. Kinderen dienen immers per definitie als behoeftig te worden beschouwd.

Ik verdedig amendement 78. Het zullen vooral mensen in financiële moeilijkheden zijn, die zich zullen wenden tot het Alimentatiefonds. Mede gelet op het feit dat er in een beperking wordt voorzien op het uit te keren voorschot (maximum 175 euro), is het niet verantwoord aan de onderhoudsgerechtigden nog een inlevering op te leggen van het toegekende voorschot op een onderhoudsuitkering.

Ik verdedig amendement nu 79. Het gegeven dat onderhoudsgeld onbetaald blijft, dient zich uiteraard ook nog op het moment van de aanvraag tot tussenkomst voor te doen.

Volgens de thans van toepassing zijnde OCMW-wet volstaat het dat het onderhoudsgerechtigde kind zijn verblijfplaats in België heeft om aanspraak te kunnen maken op termijnvoorschotten. Het opleggen van een bijkomende voorwaarde, namelijk dat ook de onderhoudsplichtige in België moet wonen of er een inkomen moet verwerven, zal een verenging van het toepassingsgebied meebrengen waardoor onderhoudsgerechtigden die nu een voorschot ontvangen, in de toekomst hiervan uitgesloten kunnen worden.

In amendement 80 stellen we voor een redactionele aanpassing te doen om binnen een kort tijdsbestek te kunnen optreden zo de onderhoudsplichtige in gebreke blijft de onderhoudsuitkering te betalen.

We verantwoorden amendement 81 als volgt. De programmawet voorziet in een terugbetaling door de federale overheid aan de OCMW's a rato van 95% van de niet terugvorderbare voorschotten. Gelet op de verhoging van de maandelijkse maximum toe te kennen voorschotten, van 125 euro naar 175 per onderhoudsgerechtigd kind, komt het gepast voor dit percentage te verhogen omdat deze wijziging bijkomende administratiekosten teweegbrengt. De federale overheid dient hiervoor de nodige middelen uit te trekken en de OCMW's terug te betalen a rato van 105%. Dit geldt des te meer omdat de administratie haar werkingskosten dekt door de invorderingen ten laste van de onderhoudsplichtige te verhogen met 10% enerzijds en door 5% in te houden op de geïnde sommen die aan de onderhoudsgerechtigde worden uitgekeerd anderzijds. De OCMW's mogen niet de dupe worden van het uitstel van de inwerkingtreding van het fonds.

Amendement 82 strekt ertoe artikel 348 te doen vervallen. Gelet op het advies van de Raad van State gaat het hier om een materie die in een bijzondere wet dient te worden ingeschreven die losstaat van dit ontwerp van programmawet. De bepaling is met andere woorden ongrondwettelijk.

Deze amendementen willen alvast voorkomen dat de toekenning van de staatswaarborg voor de verbintenissen van gewestelijke huisvestingsmaatschappijen met betrekking tot het door het Amortisatiefonds van de leningen voor de sociale huisvesting gebeurt via deze programmawet.

De verantwoording voor amendement 83 is dezelfde als voor het vorige amendement.

Met amendement 84 geven we gevolg aan het voorstel van de heer Stevaert om het vergunningsrecht voor het verstrekken van sterke drank af te schaffen.

Met amendement 85 begeven we ons op het pad van recycled content. De vrijstelling op basis van recycled content zal niet kunnen worden toegekend op het ogenblik dat de wet in voege treedt. Dit zal aanleiding geven tot discriminatie van de producenten van dranken die op deze vrijstelling een beroep willen doen.

Eigenlijk zouden eerst de bepalingen inzake de vrijstellingen moeten in voege treden en bijvoorbeeld drie maanden daarna de milieuheffing en de bonus. Op deze wijze kunnen de administratie en de ondernemingen zich voorbereiden op de nieuwe situatie. De voorwaarden voor het bekomen van de vrijstellingen zouden dan zijn uitgewerkt. Pas daarna zal het financieel mechanisme in werking treden. Zoals het nu is voorzien, zal een eerste situatie zich aandienen op 1 april 2004, waarna de vrijstellingen zullen moeten worden gevraagd, zowel voor de herbruikbaarheid als voor de recycled content. Dit houdt ook in dat de producten in de loop van het jaar van prijs zullen veranderen. De consument zal er niet meer wijs uit geraken. De distributiesector evenmin.

De amendementen 86, 87 en 88 strekken ertoe een andere datum van inwerkingtreding van dit artikel in te stellen.

Amendement 89 strekt ertoe nieuwe artikelen 372bis tot 372quater in te voegen. Ook hier nemen we een voorstel over dat reeds door de VLD en de SP.A werd gelanceerd. We stellen met name voor de BTW voor de horecasector terug te schroeven tot 6%. Dat lijkt een haalbaar voorstel dat de beloften inlost waarmee de horecasector werd gepaaid.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - De heer Schouppe ontwikkelt hier een zeer interessante redenering. De horeca heeft een zeer slecht jaar achter de rug, dus met de eindejaarsfeesten in het vooruitzicht zou het een mooi signaal zijn mocht het idee van de heer Schouppe worden gerealiseerd. Hij wil de luchtballons die de meerderheid doet opgaan, laten landen in de realiteit. Hij wil verhinderen dat de luchtballons in de ijselijke stratosfeer blijven hangen zodat die goede ideeën niet worden gerealiseerd. Het uur is gevorderd, maar de wijsheid komt met het vallen van de avond. Ik heb er dan ook vertrouwen in dat de collega's van de VLD dit amendement zullen steunen.

De heer Etienne Schouppe (CD&V). - Zoals u ziet zijn we niet alleen bereid goede voorstellen van de meerderheid te steunen, maar willen we ze zelfs overnemen.

Nog in amendement 89 stellen we voor de tijdelijke verlenging van de verlaagde BTW voor de renovatiebouw van huizen tussen 5 en 15 jaar, die eind dit jaar afloopt, opnieuw te verlengen. Voor deze werken in huizen van 15 jaar geldt een verlaagd tarief; tot nog toe gold dit ook voor huizen van 5 tot 15 jaar. We stellen voor die maatregel te verlengen. De bouwsector staat er nu niet beter voor dan enkele jaren geleden toen deze maatregel werd afgekondigd.

Verder stellen we in dit amendement voor dat de niet-aftrekbaarheid van milieuheffingen opnieuw zou worden geannuleerd en dat de milieuheffingen opnieuw aftrekbaar worden gemaakt voor de bedrijven.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Amendement 53 strekt ertoe artikel 375 te doen vervallen. Het gaat hier om het probleem van de verzoeken om wraking waarover de jongste dagen zoveel te doen was. In de commissie hebben we aan de hand van arresten van het Hof van Cassatie voldoende aangetoond dat dit probleem onmiddellijk kan worden opgelost. Waarom het moeilijk maken als gemakkelijk ook gaat.

Amendement 54 strekt ertoe artikel 377, dat de Koning buitengewone en bijzondere machten toekent, te wijzigen. De Raad van State heeft bezwaren bij dit artikel.

Amendement 55 strekt ertoe een artikel 383bis (nieuw) in te voegen. Zoals de eminente juristen van deze assemblee weten, kan een griffier niet betekenen. Dat kan alleen een gerechtsdeurwaarder.

Amendement 56 strekt ertoe een artikel 382ter (nieuw) in te voegen. Er bestaat geen wettelijke regeling voor het uitreiken van een attest van verblijfplaats. Daar niemand tot het onmogelijke is gehouden, is het aangewezen te bepalen dat de verblijfplaats wordt bepaald door de vrederechter op basis van stukken.

Amendement 57 strekt ertoe een artikel 382quater (nieuw) in te voegen, dat artikel 2 van de wet van 3 mei 2003 aanvult met een paragraaf 8. Artikel 1034bis en volgende van het Gerechtelijk Wetboek zijn in paragraaf 6 van de wet van 3 mei 2003 van toepassing verklaard op het verzoekschrift. De uitspraak gebeurt dus in openbare zitting, en niet in de raadkamer. Het gevolg daarvan is dat deze beslissing ook niet uitvoerbaar is bij voorraad, aangezien artikel 1029 (uitspraak in raadkamer en uitvoerbaarheid bij voorraad) enkel mogelijk is voor eenzijdige verzoekschriften. Ik vermoed dat dit amendement een grote kans maakt.

Amendement 58 strekt ertoe een artikel 383quinquies (nieuw) in te voegen om aan te geven dat de op basis van onderhavig artikel door de vrederechter genomen beslissingen uitvoerbaar zijn bij voorraad.

De argumenten liggen in de lijn van deze aangehaald bij amendement 57.

Amendement 59 strekt ertoe een artikel 382sexies (nieuw) in te voegen.

Enkele weken geleden werd in Journal des tribunaux een oproep gedaan om een amendement aan te passen van mevrouw de T' Serclaes dat in de vorige legislatuur werd goedgekeurd, maar een ongelukkige formulering hanteerde. In artikel 6 van de wet van 3 mei 2003 willen we toevoegen: "een nalatenschap aanvaarden onder voorrecht van boedelbeschrijving of deze na notariële boedelbeschrijving verwerpen", wat in die wet niet meer vermeld staat. Nalatenschappen die toevallen aan onbekwaam verklaarden en minderjarigen kunnen enkel onder voorbehoud van boedelbeschrijving worden aanvaard. Bovendien kan men niet als dusdanig "verwerpen onder voorrecht van boedelbeschrijving."

Vanzelfsprekend wil ik gevolg geven aan de opmerkingen van de Journal des tribunaux. Vandaar deze tekstcorrectie, die geen enkele politieke betekenis heeft.

Amendement 60 vult het vierde lid van paragraaf 4 van artikel 6 van de desbetreffende wet aan, omdat voor de vervreemding van souvenirs en andere persoonlijke voorwerpen de verwijzing naar paragraaf 3 ontbreekt, zoals voor de bescherming van de woning en de huisraad van de beschermde persoon.

Amendement 61 trekt het maximale bedrag aan tegemoetkomingen op tot 75.000 euro.

Indien men meer meent te moeten toekennen, is het eerder aangewezen de commissie de mogelijkheid te bieden om, nadat reeds een eerste keer een aanvraag tot het bekomen van noodhulp werd ingewilligd, nog een tweede maal een bedrag uit te keren. Dit bedrag is opnieuw beperkt tot 7.500 euro, zodat 15.000 euro als maximum aan noodhulp kan worden toegekend.

Amendement 62 strekt ertoe artikel 388 te doen vervallen. In de algemene bespreking heb ik er al op gewezen waarom het niet nodig is om volmachten te geven om de Europese verordening op de Europese vennootschap uit te voeren. Verder verwijs ik naar de schriftelijke verantwoording.

De amendementen 63 en 64 bevatten technische verbeteringen.

Voor de amendementen 65 tot en met 68 verwijs ik naar de schriftelijke verantwoording.

De heer Etienne Schouppe (CD&V). - Amendement 90 strekt ertoe een artikel 429bis (nieuw) in te voegen. Wanneer in het kader van een faillissement een schuldkwijtschelding wordt voorgesteld, zijn de schuldeisers uit de privé-sector vaak wel bereid een minnelijke aanzuiveringsregeling uit te werken, maar de vertegenwoordigers van de openbare sector, het ministerie van Financiën of van Sociale Zaken, weigeren dit steeds. Met ons amendement scheppen we voor de overheid de mogelijkheid in te stemmen met zo'n minnelijke schikking en zorgen we ervoor dat de ambtenaren die deze regeling aanvaarden, geen persoonlijke verantwoordelijkheid dragen. Zo willen we de nefaste rol van de overheid in sommige faillissementen vermijden.

Met amendement 91 willen we de basis voor compensaties aan de gemeenten niet beperken tot het vervoer van elektriciteit. We willen de basis uitbreiden met het vervoer van gas. Dat zou de gemeenten met een deficit zuurstof geven.

Amendement 69 strekt ertoe de artikelen 450 tot 460 te doen vervallen. Deze artikelen hebben betrekking op de herstructurering van de spoorwegen. We wensen dat deze artikelen een normale behandeling krijgen in plaats van ze nu via de programmawet door de strot te duwen. We weten haast zeker dat we binnen het jaar problemen krijgen met deze herstructurering.

Met amendement 70 op artikel 453 willen we bekomen dat geen enkele minister via een koninklijk besluit kan afwijken van de prioriteiten van de openbare dienstverlening.

Met amendement 92 op artikel 478 willen we gevolg geven aan een mondelinge toezegging van de minister. Volgens de tekst van het artikel zou het voor een werknemer van de NMBS niet mogelijk zijn om tot het directieniveau door te dringen. Dat betekent dat technici met basiskennis voor een dergelijke functie beperkt zijn. Volgens de minister zouden ze de band met de NMBS moeten doorknippen en via een zelfstandig mandaat eventueel een directiefunctie opnemen.

-De stemming over de amendementen wordt aangehouden.

-De aangehouden stemmingen en de stemming over het wetsontwerp in zijn geheel hebben later plaats.

Artikelsgewijze bespreking van het ontwerp van wet houdende diverse bepalingen (Stuk 3-425)

(De tekst aangenomen door de commissies is dezelfde als de tekst van het door de Kamer van volksvertegenwoordigers overgezonden ontwerp. Zie stuk Kamer 51-474/8.)

(De tekst van de amendementen wordt uitzonderlijk in de bijlage opgenomen.)

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Amendement 1 wil de woorden "binnen de budgettaire middelen" die aan de definitieve versie van de programmawet nog werden toegevoegd, daar opnieuw uit laten schrappen.

Amendement 2 wil in het artikel de zinsnede "zijn van toepassing op" vervangen door "zijn na verloop van de in artikel 501 §1 bedoelde termijn van 3 maanden van toepassing op".

Amendement 3 is bedoeld als tekstverbetering. Als het als zodanig wordt aanvaard, trek ik dit amendement weer in. (Instemming)

In amendement 4 stel ik voor het aantal rechters in handelszaken te verhogen. Daarom wil ik artikel 2 van de wet van 15 juni 1970 op de personeelsformatie van de rechtbanken van koophandel aanpassen.

-De stemming over de amendementen en over de artikelen waarop zij betrekking hebben wordt aangehouden.

-De overige artikelen worden zonder opmerking aangenomen.

-De aangehouden stemmingen en de stemming over het wetsontwerp in zijn geheel hebben later plaats.

De voorzitter. - De agenda van deze vergadering is afgewerkt.

De volgende vergaderingen vinden plaats vrijdag 19 december 2003 om 11 uur en om 17 uur.

(De vergadering wordt gesloten om 21.30 uur.)

Berichten van verhindering

Afwezig met bericht van verhindering: mevrouw Van de Casteele, wegens andere plichten.

-Voor kennisgeving aangenomen.

Bijlage

Naamstemmingen

Stemming 1

Aanwezig: 57
Voor: 57
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

Voor

Sfia Bouarfa, Mimount Bousakla, Christian Brotcorne, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Pierre Chevalier, Hugo Coveliers, Marie-Hélène Crombé-Berton, Sabine de Bethune, Stefaan De Clerck, Armand De Decker, Jean-Marie Dedecker, Christine Defraigne, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Francis Detraux, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Antoine Duquesne, Isabelle Durant, Pierre Galand, Jean-Marie Happart, Patrick Hostekint, Jean François Istasse, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Philippe Moureaux, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Clotilde Nyssens, Fatma Pehlivan, Francis Poty, Didier Ramoudt, François Roelants du Vivier, Erika Thijs, René Thissen, Jacques Timmermans, Annemie Van de Casteele, Hugo Vandenberghe, Lionel Vandenberghe, Luc Van den Brande, Ludwig Vandenhove, Anke Van dermeersch, Jan Van Duppen, Frank Vanhecke, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, Karim Van Overmeire, Marc Van Peel, Wim Verreycken, Christiane Vienne, Luc Willems, Paul Wille, Marc Wilmots, Alain Zenner.

Stemming 2

Aanwezig: 60
Voor: 60
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

Voor

Sfia Bouarfa, Mimount Bousakla, Christian Brotcorne, Yves Buysse, Ludwig Caluwé, Jurgen Ceder, Pierre Chevalier, Hugo Coveliers, Marie-Hélène Crombé-Berton, Sabine de Bethune, Stefaan De Clerck, Armand De Decker, Jean-Marie Dedecker, Christine Defraigne, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Francis Detraux, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Antoine Duquesne, Isabelle Durant, Pierre Galand, Michel Guilbert, Jean-Marie Happart, Patrick Hostekint, Jean François Istasse, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Philippe Moureaux, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Clotilde Nyssens, Fatma Pehlivan, Francis Poty, Didier Ramoudt, François Roelants du Vivier, Erika Thijs, René Thissen, Jacques Timmermans, Annemie Van de Casteele, Hugo Vandenberghe, Lionel Vandenberghe, Luc Van den Brande, Ludwig Vandenhove, Anke Van dermeersch, Jan Van Duppen, Joris Van Hauthem, Frank Vanhecke, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, Karim Van Overmeire, Marc Van Peel, Wim Verreycken, Christiane Vienne, Luc Willems, Paul Wille, Marc Wilmots, Alain Zenner.

Stemming 3

Aanwezig: 65
Voor: 65
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

Voor

Sfia Bouarfa, Mimount Bousakla, Christian Brotcorne, Yves Buysse, Ludwig Caluwé, Jurgen Ceder, Pierre Chevalier, Hugo Coveliers, Frank Creyelman, Marie-Hélène Crombé-Berton, Sabine de Bethune, Stefaan De Clerck, Armand De Decker, Jean-Marie Dedecker, Christine Defraigne, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Alain Destexhe, Francis Detraux, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Antoine Duquesne, Isabelle Durant, Pierre Galand, Jacques Germeaux, Michel Guilbert, Jean-Marie Happart, Patrick Hostekint, Jean François Istasse, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Philippe Moureaux, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Clotilde Nyssens, Luc Paque, Fatma Pehlivan, Francis Poty, Didier Ramoudt, François Roelants du Vivier, Etienne Schouppe, Erika Thijs, René Thissen, Jacques Timmermans, Annemie Van de Casteele, Hugo Vandenberghe, Lionel Vandenberghe, Luc Van den Brande, Ludwig Vandenhove, Anke Van dermeersch, Jan Van Duppen, Joris Van Hauthem, Frank Vanhecke, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, Karim Van Overmeire, Marc Van Peel, Wim Verreycken, Christiane Vienne, Luc Willems, Paul Wille, Marc Wilmots, Alain Zenner.

Stemming 4

Aanwezig: 65
Voor: 9
Tegen: 56
Onthoudingen: 0

Voor

Yves Buysse, Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Francis Detraux, Anke Van dermeersch, Joris Van Hauthem, Frank Vanhecke, Karim Van Overmeire, Wim Verreycken.

Tegen

Sfia Bouarfa, Mimount Bousakla, Christian Brotcorne, Ludwig Caluwé, Pierre Chevalier, Hugo Coveliers, Marie-Hélène Crombé-Berton, Sabine de Bethune, Stefaan De Clerck, Armand De Decker, Jean-Marie Dedecker, Christine Defraigne, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Antoine Duquesne, Pierre Galand, Jacques Germeaux, Michel Guilbert, Jean-Marie Happart, Patrick Hostekint, Jean François Istasse, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Philippe Moureaux, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Clotilde Nyssens, Luc Paque, Fatma Pehlivan, Francis Poty, Didier Ramoudt, François Roelants du Vivier, Etienne Schouppe, Louis Siquet, Erika Thijs, René Thissen, Jacques Timmermans, Annemie Van de Casteele, Hugo Vandenberghe, Lionel Vandenberghe, Luc Van den Brande, Ludwig Vandenhove, Jan Van Duppen, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, Marc Van Peel, Christiane Vienne, Luc Willems, Paul Wille, Marc Wilmots, Alain Zenner.

Stemming 5

Aanwezig: 65
Voor: 56
Tegen: 0
Onthoudingen: 9

Voor

Sfia Bouarfa, Mimount Bousakla, Christian Brotcorne, Ludwig Caluwé, Pierre Chevalier, Hugo Coveliers, Marie-Hélène Crombé-Berton, Sabine de Bethune, Stefaan De Clerck, Armand De Decker, Jean-Marie Dedecker, Christine Defraigne, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Antoine Duquesne, Pierre Galand, Jacques Germeaux, Michel Guilbert, Jean-Marie Happart, Patrick Hostekint, Jean François Istasse, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Philippe Moureaux, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Clotilde Nyssens, Luc Paque, Fatma Pehlivan, Francis Poty, Didier Ramoudt, François Roelants du Vivier, Etienne Schouppe, Louis Siquet, Erika Thijs, René Thissen, Jacques Timmermans, Annemie Van de Casteele, Hugo Vandenberghe, Lionel Vandenberghe, Luc Van den Brande, Ludwig Vandenhove, Jan Van Duppen, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, Marc Van Peel, Christiane Vienne, Luc Willems, Paul Wille, Marc Wilmots, Alain Zenner.

Onthoudingen

Yves Buysse, Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Francis Detraux, Anke Van dermeersch, Joris Van Hauthem, Frank Vanhecke, Karim Van Overmeire, Wim Verreycken.

Stemming 6

Aanwezig: 65
Voor: 65
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

Voor

Sfia Bouarfa, Mimount Bousakla, Christian Brotcorne, Yves Buysse, Ludwig Caluwé, Jurgen Ceder, Pierre Chevalier, Hugo Coveliers, Frank Creyelman, Marie-Hélène Crombé-Berton, Sabine de Bethune, Stefaan De Clerck, Armand De Decker, Jean-Marie Dedecker, Christine Defraigne, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Alain Destexhe, Francis Detraux, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Antoine Duquesne, Pierre Galand, Jacques Germeaux, Michel Guilbert, Jean-Marie Happart, Patrick Hostekint, Jean François Istasse, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Philippe Moureaux, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Clotilde Nyssens, Luc Paque, Fatma Pehlivan, Francis Poty, Didier Ramoudt, François Roelants du Vivier, Etienne Schouppe, Louis Siquet, Erika Thijs, René Thissen, Jacques Timmermans, Annemie Van de Casteele, Hugo Vandenberghe, Lionel Vandenberghe, Luc Van den Brande, Ludwig Vandenhove, Anke Van dermeersch, Jan Van Duppen, Joris Van Hauthem, Frank Vanhecke, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, Karim Van Overmeire, Marc Van Peel, Wim Verreycken, Christiane Vienne, Luc Willems, Paul Wille, Marc Wilmots, Alain Zenner.

Ontwerp van programmawet (Stuk 3-424) (Evocatieprocedure)

Amendementen

Artikel 20

Amendement 1 van de dames de Bethune en De Schamphelaere (Stuk 3-424/2)

Artikelen 21bis en 21ter (nieuw)

Amendement 2 van de dames de Bethune en De Schamphelaere (Stuk 3-424/2)

Artikel 24bis (nieuw)

Amendement 3 van de dames de Bethune en De Schamphelaere (Stuk 3-424/2)

Artikelen 30bis en 30ter (nieuw)

Amendement 4 van de dames de Bethune en De Schamphelaere (Stuk 3-424/2)

Artikel 31

Amendement 5 van mevrouw de Bethune c.s. (Stuk 3-424/2)

Subsidiair amendement 6 van mevrouw de Bethune c.s. op amendement 5 (Stuk 3-424/2))

Amendement 43 van de heer Thissen (Stuk 3-424/2)

Artikel 31bis (nieuw)

Amendement 7 van de dames de Bethune en De Schamphelaere (Stuk 3-424/2)

Artikelen 39bis tot 39quinquies (nieuw)

Amendement 8 van de dames de Bethune en De Schamphelaere (Stuk 3-424/2)

Artikel 56bis (nieuw)

Amendement 9 van de dames de Bethune en De Schamphelaere (Stuk 3-424/2)

Artikel 57

Amendement 10 van de dames de Bethune en De Schamphelaere (Stuk 3-424/2)

Subsidiair amendement 11 van de dames de Bethune en De Schamphelaere op amendement 10 (Stuk 3-424/2)

Amendement 44 van de heer Thissen(Stuk 3-424/2)

Artikel 57bis (nieuw)

Amendement 12 van de dames de Bethune en De Schamphelaere (Stuk 3-424/2)

Artikel 58

Amendement 13 van de dames de Bethune en De Schamphelaere (Stuk 3-424/2)

Amendement 44 van de heer Thissen (Stuk 3-424/2)

Artikel 60bis (nieuw)

Amendement 14 van de dames de Bethune en De Schamphelaere (Stuk 3-424/2)

Artikel 71

Amendement 15 van de dames de Bethune en De Schamphelaere (Stuk 3-424/2)

Amendement 45 van de heer Thissen (Stuk 3-424/2)

Subsidiair amendement 46 van de heer Hugo Vandenberghe en mevrouw de Bethune op amendement 45 (Stuk 3-424/2)

Artikelen 85bis en 85ter (nieuw)

Amendement 16 van de dames de Bethune en De Schamphelaere (Stuk 3-424/2)

Artikel 93bis (nieuw)

Amendement 17 van de dames de Bethune en De Schamphelaere (Stuk 3-424/2)

Artikel 99bis (nieuw)

Amendement 17 van de dames de Bethune en De Schamphelaere (Stuk 3-424/2)

Amendement 35 van de heren Paque en Thissen (Stuk 3-424/2)

Artikel 99ter (nieuw)

Amendement 18 van de dames de Bethune en De Schamphelaere (Stuk 3-424/2)

Artikel 104

Amendement 20, B en C, van de dames de Bethune en De Schamphelaere (Stuk 3-424/2)

Artikel 125bis (nieuw)

Amendement 22 van de dames de Bethune en De Schamphelaere (Stuk 3-424/2)

Artikelen 130bis en 130ter (nieuw)

Amendement 23 van de dames de Bethune en De Schamphelaere (Stuk 3-424/2)

Amendement 24 van de dames de Bethune en De Schamphelaere (Stuk 3-424/2)

Artikelen 132bis tot 132sexies (nieuw)

Amendement 25 van de dames de Bethune en De Schamphelaere (Stuk 3-424/2)

Amendement 26 van de dames de Bethune en De Schamphelaere (Stuk 3-424/2)

Amendement 27 van de dames de Bethune en De Schamphelaere (Stuk 3-424/2)

Amendement 28 van de dames de Bethune en De Schamphelaere (Stuk 3-424/2)

Amendement 29 van de dames de Bethune en De Schamphelaere (Stuk 3-424/2)

Artikel 230

Amendement 39 van de heren Paque en Thissen(Stuk 3-424/2)

Artikelen 252bis (nieuw)

Amendement 30 van de dames de Bethune en De Schamphelaere (Stuk 3-424/2)

Artikelen 253bis (nieuw)

Amendement 31 van de dames de Bethune en De Schamphelaere (Stuk 3-424/2)

Artikel 256bis (nieuw)

Amendement 32 van de dames de Bethune en De Schamphelaere (Stuk 3-424/2)

Artikelen 256ter en 256quater (nieuw)

Amendement 33 van de dames de Bethune en De Schamphelaere (Stuk 3-424/2)

Artikel 273bis (nieuw)

Amendement 34 van de dames de Bethune en De Schamphelaere (Stuk 3-424/2)

Artikelen 279 en 280

Amendement 40 van de heren Paque en Thissen (Stuk 3-424/2)

Artikel 297

Amendement 71 van de heer Schouppe (Stuk 3-424/2)

Artikel 301

Amendement 72 van de heer Schouppe (Stuk 3-424/2)

Artikelen 302bis-1 tot 302bis-15 (nieuw)

Amendement 73 van de heer Schouppe (Stuk 3-424/2)

Artikelen 302ter tot 302sexies (nieuw)

Amendement 74 van de heer Schouppe (Stuk 3-424/2)

Artikel 313bis (nieuw)

Amendement 75 van de heer Schouppe (Stuk 3-424/2)

Artikel 328

Amendement 76 van de heer Schouppe (Stuk 3-424/2)

Artikel 329

Amendement 77 van de heer Schouppe (Stuk 3-424/2)

Artikel 330

Amendement 78 van de heer Schouppe (Stuk 3-424/2)

Artikel 331

Amendement 79 van de heer Schouppe (Stuk 3-424/2)

Artikel 334

Amendement 80 van de heer Schouppe (Stuk 3-424/2)

Artikel 342

Amendement 81 van de heer Schouppe (Stuk 3-424/2)

Artikel 348

Amendement 82 van de heer Schouppe (Stuk 3-424/2)

Artikel 349

Amendement 83 van de heer Schouppe (Stuk 3-424/2)

Artikelen 349bis tot 349novies (nieuw)

Amendement 84 van de heer Schouppe (Stuk 3-424/2)

Artikel 370

Amendement 85 van de heer Schouppe (Stuk 3-424/2)

Eerste subsidiair amendement 86 van de heer Schouppe op amendement 85 (Stuk 3-424/2)

Tweede subsidiair amendement 87 van de heer Schouppe op amendement 85 (Stuk 3-424/2)

Derde subsidiair amendement 88 van de heer Schouppe op amendement 85 (Stuk 3-424/2)

Artikelen 372bis tot 372quater (nieuw)

Amendement 89 van de heer Schouppe (Stuk 3-424/2)

Artikel 375

Amendement 53 van de heer Hugo Vandenberghe (Stuk 3-424/2)

Artikel 377

Amendement 54 van de heer Hugo Vandenberghe (Stuk 3-424/2)

Artikel 382bis tot 382septies (nieuw)

Amendement 55 van de heer Hugo Vandenberghe (Stuk 3-424/2)

Amendement 56 van de heer Hugo Vandenberghe (Stuk 3-424/2)

Amendement 57 van de heer Hugo Vandenberghe (Stuk 3-424/2)

Amendement 58 van de heer Hugo Vandenberghe (Stuk 3-424/2)

Amendement 59 van de heer Hugo Vandenberghe (Stuk 3-424/2)

Amendement 60 van de heer Hugo Vandenberghe (Stuk 3-424/2)

Artikelen 384bis tot 384quater (nieuw)

Amendement 61 van de heer Hugo Vandenberghe (Stuk 3-424/2)

Artikel 388

Amendement 62 van de heer Hugo Vandenberghe (Stuk 3-424/2)

Artikel 394

Amendement 63 van de heer Hugo Vandenberghe (Stuk 3-424/2)

Artikel 394bis en 394ter (nieuw)

Amendement 64 van de heer Hugo Vandenberghe (Stuk 3-424/2)

Amendement 65 van de heer Hugo Vandenberghe (Stuk 3-424/2)

Artikel 395bis en 395ter (nieuw)

Amendement 66 van de heer Hugo Vandenberghe (Stuk 3-424/2)

Amendement 67 van de heer Hugo Vandenberghe (Stuk 3-424/2)

Artikel 398bis (nieuw)

Amendement 68 van de heer Hugo Vandenberghe (Stuk 3-424/2)

Artikel 429bis (nieuw)

Amendement 90 van de heer Schouppe (Stuk 3-424/2)

Artikelen 435bis tot 435quinquies (nieuw)

Amendement 91 van de heer Schouppe c.s. (Stuk 3-424/2)

Artikelen 450 tot 460

Amendement 69 van de heer Schouppe (Stuk 3-424/2)

Artikel 453

Subsidiair amendement 70 van de heer Schouppe op amendement 69 (Stuk 3-424/2)

Artikel 478

Amendement 92 van de heer Schouppe (Stuk 3-424/2)

Artikel 483

Amendement 41 van de heren Paque en Thissen (Stuk 3-424/2)

Amendement 93 van mevrouw Durant en de heer Guilbert (Stuk 3-424/8)

Artikel 509

Amendement 94 van mevrouw Thijs (Stuk 3-424/8)

Artikel 511 (nieuw)

Amendement 95 van mevrouw de Bethune (Stuk 3-424/8)

Ontwerp van wet houdende diverse bepalingen (Stuk 3-425)

Amendementen

Artikel 4

Amendement 1 van de heer Hugo Vandenberghe (Stuk 3-425/2)

Artikel 19

Amendement 2 van de heer Hugo Vandenberghe (Stuk 3-425/2)

Artikel 20

Amendement 3 van de heer Hugo Vandenberghe (Stuk 3-425/2)

Artikel 25bis (nieuw)

Amendement 4 van de heer Hugo Vandenberghe (Stuk 3-425/2)

Artikel 25bis (nieuw)

Eerste subsidiair amendement 5 van de heer Hugo Vandenberghe op amendement 4 (Stuk 3-425/2)

Artikel 25bis (nieuw)

Tweede subsidiair amendement 6 van de heer Hugo Vandenberghe op amendement 4 (Stuk 3-425/2)

Artikel 26

Amendement 7 van de dames Thijs en de Bethune (Stuk 3-425/5)

In overweging genomen voorstellen

Wetsvoorstellen

Artikel 77 van de Grondwet

Wetsvoorstel houdende wijziging van de organieke wet betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (van de heer Christian Brotcorne; Stuk 3-408/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden.

Artikel 81 van de Grondwet

Wetsvoorstel tot aanvulling van de artikelen 15 en 107 van de nieuwe gemeentewet (van de heer Christian Brotcorne; Stuk 3-400/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden.

Wetsvoorstel tot opheffing van artikel 276 van het Burgerlijk Wetboek (van mevrouw Christine Defraigne; Stuk 3-406/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Wetsvoorstel tot wijziging van de besluitwet van 24 januari 1945 betreffende de profylaxis der geslachtsziekten (van de heer Michel Delacroix; Stuk 3-407/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.

Wetsvoorstel betreffende de contraceptieve en therapeutische sterilisatie (van mevrouw Christine Defraigne; Stuk 3-419/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.

Vragen om uitleg

Het Bureau heeft volgende vragen om uitleg ontvangen:

van mevrouw Nathalie de T' Serclaes aan de vice-eerste minister en minister van Justitie over "de bevoegdheid voor de opleiding van de magistraten" (nr. 3-84)

van de heer Jan Van Duppen aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over "de koppeling van het voorschrijfgedrag van huisartsen aan een mogelijke verhoging van het honorarium" (nr. 3-85)

-Deze vragen worden naar de plenaire vergadering verzonden.

Evocatie

De Senaat heeft bij boodschap van 12 december 2003 aan de Kamer van volksvertegenwoordigers ter kennis gebracht dat tot evocatie is overgegaan, op die datum, van:

Ontwerp van programmawet (Stuk 3-424/1).

-Het wetsontwerp werd verzonden naar de volgende commissies:

Boodschappen van de Kamer

Bij boodschappen van 11 en 12 december 2003 heeft de Kamer van volksvertegenwoordigers aan de Senaat overgezonden, zoals ze ter vergadering van dezelfde dagen werden aangenomen:

Artikel 77 van de Grondwet

Herziening van artikel 44, eerste lid, van de Grondwet, teneinde de Kamers op de tweede dinsdag van september bijeen te roepen (Stuk 3-415/1).

-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Institutionele Aangelegenheden.

Ontwerp van wet houdende diverse bepalingen (Stuk 3-425/1).

-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Justitie en naar de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden.

Artikel 78 van de Grondwet

Wetsontwerp houdende een sociaal plan voor de contractuele personeelsleden in dienst bij de Belgische strijdkrachten in Duitsland van wie het contract wordt verbroken ingevolge de terugkeer van deze strijdkrachten naar België (Stuk 3-414/1).

-Het ontwerp werd ontvangen op 12 december 2003; de uiterste datum voor evocatie is maandag 29 december 2003.

Kennisgeving

Wetsontwerp betreffende terroristische misdrijven (Stuk 3-332/1).

-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 11 december 2003 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.

Informele mededeling van verdragen

Bij brieven van 4 en 16 december 2003 heeft de minister van Financiën aan de Senaat ter kennisgeving overgezonden:

Deze teksten zullen tevens worden gepubliceerd op de website van de Federale Overheidsdienst Financiën (www.fiscus.fgov.be).

Deze Overeenkomsten werden nog niet aan de Kamers ter goedkeuring voorgelegd.

-Verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.

Directie-generaal internationale samenwerking - Belgische technische coöperatie

Bij brief van 8 december 2003 heeft de minister van Ontwikkelingssamenwerking, overeenkomstig de artikelen 36 en 39 van de statuten van de Belgische technische coöperatie, bepaald bij het koninklijk besluit van 15 februari 1999 tot uitvoering van artikel 13 van de wet van 21 december 1998 tot oprichting van de "Belgische technische coöperatie NV" in de vorm van een vennootschap van publiek recht aan de Senaat overgezonden, het beleidsverslag, de jaarrekening en het verslag van het College van commissarissen van de Belgische technische coöperatie over het dienstjaar 2002.

-Verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.

Arbitragehof - Arresten

Met toepassing van artikel 113 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van het Arbitragehof kennis aan de voorzitter van de Senaat van:

-Voor kennisgeving aangenomen.

Arbitragehof - Prejudiciële vragen

Met toepassing van artikel 77 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van het Arbitragehof aan de voorzitter van de Senaat kennis van:

-Voor kennisgeving aangenomen.

Arbitragehof - Beroepen

Met toepassing van artikel 76 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van het Arbitragehof kennis aan de voorzitter van de Senaat van:

-Voor kennisgeving aangenomen.

Dienst voor de administratieve vereenvoudiging

Bij brief van 16 december 2003 heeft de Dienst voor de administratieve vereenvoudiging, overeenkomstig artikel 21 van het koninklijk besluit van 23 december 1998 betreffende de Dienst voor de administratieve vereenvoudiging, aan de Senaat overgezonden, zijn jaarverslag 2001-2002.

-Verzonden naar de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden en naar de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden.

Europees Parlement

Bij brief van 11 december 2003 heeft de voorzitter van het Europees Parlement aan de Senaat overgezonden:

aangenomen tijdens de vergadering van 17 tot 20 november 2003.

-Verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging en naar het Federaal Adviescomité voor Europese Aangelegenheden.