1-220
BELGISCHE SENAAT
GEWONE ZITTING 1998-1999
____
BEKNOPT VERSLAG
PLENAIRE VERGADERING
Woensdag 18 november 1998
________
De vergadering wordt om 14.10 u. geopend.
De heer Hatry (PRL-FDF) (in het Frans). - In de eerste plaats
verheugt het mij dat de sociale gesprekspartners begrepen hebben dat ze het
beter eens werden over een collectieve overeenkomst voor twee jaar in de plaats
van te rekenen op de beloften van de regering. Gelet op de internationale
concurrentienorm ten opzichte van onze drie buurlanden en belangrijkste
concurrenten, de collectieve overeenkomst die in 1994 is afgelopen en de
geldende wettelijke regeling, worden de toegelaten maxima niet vastgesteld door
de regering, maar door de sociale gesprekspartners.
In dit stadium bestaat er geen enkele garantie inzake matiging. Mevrouw de
minister, u hebt gezegd dat het mogelijk is 6 % te halen door veel meer te
geven. Met uw berekeningswijze probeert u alles wat u doet belangrijker te doen
lijken, terwijl in de bedrijven geprobeerd wordt alles te bagatelliseren. Als
bijvoorbeeld een collectieve overeenkomst wordt gesloten voor twee opeenvolgende
jaren en het inflatiepercentage bedraagt 3 % voor elk van die jaren,
betekent zulks door de inflatie het tweede jaar maar 1,5 %, wat in het totaal
neerkomt op 4,5 % over twee jaar. Als in een collectieve overeenkomst beslist
wordt 12 % te geven op 1 december van het tweede jaar, dan vertegenwoordigt die
12 % in feite maar 0,5 % van het totaal. Zo komt men tot 5 % op jaarbasis. En zo
geeft men in sommige bedrijven toch grotere verhogingen. We moeten proberen deze
mathematische onregelmatigheden te voorkomen, want ze zouden voor een jezuøietencollege
voldoende grond zijn om de personen die ze begaan weg te sturen wegens
schijnheiligheid !
Op de Top van Luxemburg over werkgelegenheid, in november 1997, hebben de
lidstaten zich ertoe verbonden een meerjarenactieplan in te voeren met, op
nationaal niveau, 19 Europese richtsnoeren inzake werkgelegenheid. Die nationale
plannen zijn voorgesteld op de Top van Cardiff. België heeft zich ertoe
verbonden binnen zes jaar de loonlasten te verminderen door de
werkgeversbijdragen af te stemmen op het gemiddelde van de buurlanden, wat een
vermindering met 3,4 % betekent of ongeveer 108 miljard. Dit plan moet in
drie stappen van twee jaar worden uitgevoerd, waarbij elke stap overeenstemt met
de duur van het interprofessioneel en sectoraal overleg. Er werd beslist over te
gaan tot de vermindering van de fiscale en parafiscale lasten om de
werkgelegenheid te bevorderen en tot de vermindering van de inhoudingen op
arbeid, wat een progressieve vermindering van de totale fiscale lasten in elke
lidstaat betekent.
Het Belgische plan voorziet tevens in een vermindering van de
werkgeversbijdragen in drie stappen van twee jaar en de vrijmaking, in 1999 en
2000, van 18 miljard op jaarbasis, vanaf 1 januari 1999 en niet vanaf 1 juli
1999, zoals later beslist werd. Voor 2000 hebt u een manoeuvreerruimte gehouden,
want er werd bepaald dat de datum zal worden vastgelegd naar gelang van de
budgettaire mogelijkheden.
Over die getallen bent u verderop in uw plan veel nauwkeuriger. In de algemene
beleidsverklaring die de eerste minister op 13 oktober jongstleden in de Kamer
heeft uitgesproken, heeft hij aangekondigd dat de inwerkingtreding van het plan
ter verlaging van de werkgeversbijdragen tot 1 juli 1999 zal worden uitgesteld,
waardoor hij terugkomt op zijn verbintenissen ten aanzien van de Europese Unie.
U zult uw houding tijdens de volgende Top in Wenen moeten rechtvaardigen. Die
aankondiging komt des te ongelegener daar de laatste gegevens over de
werkloosheid niet zeer bemoedigend zijn. Als men de grootte van de werkloosheid
immers vergelijkt met het BBP, ziet de toestand in Vlaanderen er veel
rooskleuriger uit dan in het Brussels Gewest en vooral ten opzichte van Wallonië.
Dat betekent dat de gevolgen van uw plan voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest
en het Waals Gewest veel zwaarder zullen zijn dan voor Vlaanderen.
De situatie in België blijkt nog minder gunstig wanneer men bedenkt dat het
achterop is wat de omzetting van Europese richtlijnen in intern recht betreft en
dat de regering niet voornemens is de Maribel-steun terug te betalen.
Dat België het land is dat het meest achterop is wat de omzetting van
richtlijnen betreft, staat immers als een paal boven water. In het begin van het
jaar waren wij erin geslaagd die achterstand te verkleinen, aangezien het
percentage van niet-omgezette richtlijnen van 8,5 % tot 7,1 % was teruggebracht,
maar sedert september gaat het weer in stijgende lijn.
Uw houding betreffende de terugbetaling van de Maribel-steun zal u veel
problemen bezorgen. De advocaat-generaal van het Europees Hof van Justitie volgt
uw argumenten in het geheel niet. In zijn recent advies heeft hij duidelijk
onderstreept dat die steun leidde tot een onmiskenbaar verschillende behandeling
onder Belgische ondernemingen, de handel tussen de Staten beøinvloedde
door de concurrenten in de andere lidstaten te benadelen. Voorts achtte hij het
nutteloos te gewagen van een wanverhouding tussen de verleende steun en de
sanctie om zich aan de terugbetaling van de steun te onttrekken.
Op de volgende vragen zou ik graag een duidelijk antwoord krijgen.
Is het uitstel van de inwerkingtreding van het plan ter vermindering van de
sociale bijdragen wel in overeenstemming met de verbintenissen van België
ten aanzien van de Europese Unie ? Wat is uw mening daarover ?
Artikel 109Q, lid 3, van het Verdrag van de Europese Gemeenschap bepaalt dat
elke lidstaat aan de Commissie een jaarverslag bezorgt betreffende de
belangrijkste maatregelen ter uitvoering van het werkgelegenheidsbeleid. Hoe zal
in dat verslag worden verwezen naar richtsnoer nummer 11 van het actieplan van
de Belgische regering ?
Artikel 109Q, lid 4, bepaalt dat de Raad aan de lidstaten aanbevelingen kan
doen.
Zal België ten slotte niet het slachtoffer worden van een dergelijke
aanbeveling ? Wij weten immers dat de problemen met Europa alsmaar
toenemen. De Commissie plaatst ons op de laatste rij en uw provocerende houding,
mevrouw, inzake het niet terugbetalen van de Maribel bis en ter
zal de zaken er zeker niet op verbeteren.
Mevrouw Smet, minister van tewerkstelling en arbeid, belast met het
beleid van gelijke kansen voor mannen en vrouwen (in het Frans). - Mijnheer
Hatry, het eerste deel van uw betoog verbaast mij. U zegt enerzijds dat het u
verheugt dat de sociale partners tot een akkoord over de loonnorm zijn gekomen.
Anderzijds voegt u er aan toe dat er achterpoortjes zijn en dat u geen
vertrouwen hebt in de uitvoering van het akkoord.
De sociale partners zijn het eens geworden zowel over het akkoord als over de
toepassing ervan. Correcties zijn desgevallend mogelijk en de wet blijft van
toepassing.
Uw overzicht van de beloften van de regering is correct. Ik heb de sociale
partners vanmorgen nog ontmoet en zij gaan uit van de datum van 1 juli. Als de
begroting het evenwel toelaat, zal de regering de verlaging van de bijdragen
vroeger laten ingaan, bijvoorbeeld bij het begin van het tweede kwartaal.
Het komt België toe de regeling voor de verlaging van de sociale bijdragen
vast te stellen. De keuze van de datum of een vertraging bij de uitvoering
zullen niet voor moeilijkheden zorgen met de Europese autoriteiten.
De bedoeling van het Maribel bis-plan was dat het heel ruim en niet-specifiek
zou zijn. In de praktijk kon 60 % van de arbeiders het voordeel ervan genieten.
De regering wil alle bedrijven een definitieve verlaging van de sociale
bijdragen toekennen. We hebben de zaak evenwel gefaseerd en dat zorgt voor
moeilijkheden.
Ik vind het niet verantwoord dat Europa bezwaren heeft tegen die fasering. Ik
ken natuurlijk de argumentatie van de advocaat-generaal en de kans bestaat dat
wij uiteindelijk het pleit verliezen, maar dat zal jaren duren. Intussen blijven
wij vruchtbare contacten hebben met de Commissie. Zo konden wij het reeds eens
worden over de regels voor de berekening en de compensatie van de teveel geøinde
bedragen.
Wat de omzetting van de richtlijnen betreft, is er op mijn departement slechts
vertraging voor enkele zeldzame punten. In bepaalde gevallen immers legt de wet
raadplegingen op en dat vergt heel wat tijd. Ons land zal niet worden gegispt
wegens een eventueel uitstel van de lasten met betrekking tot artikel 109Q.
Kortom, wij moeten vertrouwen stellen in de sociale gesprekspartners. Het
akkoord over de loonnorm blijft gelden, wij hebben argumenten om Maribel bis
te verantwoorden en ons actieplan zou in principe geen probleem mogen vormen op
Europees niveau.
De heer Hatry (PRL-FDF) (in het Frans). - Mijn interventie was
niet nutteloos. In het antwoord van de minister heb ik immers vier nieuwe
elementen ontdekt.
Als er voldoende financiële ruimte is, zullen de aangekondigde maatregelen
voor de bedrijven met slechts drie in plaats van zes maanden worden uitgesteld.
Dat is goed nieuws.
Ik heb ook een nieuw argument gehoord dat men had kunnen gebruiken om Maribel in
Luxemburg te verdedigen, namelijk dat de 60 % maar een eerste stap was,
ingegeven door de budgettaire mogelijkheden van het ogenblik. Anders zou het
plan op alle werknemers van toepassing zijn geweest.
Mevrouw Smet, minister van tewerkstelling en arbeid, belast met het
beleid van gelijke kansen voor mannen en vrouwen (in het Frans). - Dat
argument werd in Luxemburg gebruikt.
De heer Hatry (PRL-FDF) (in het Frans). - België is van
de vijftiende naar de zevende plaats opgeschoven in de rangschikking van de
landen die werk maken van de omzetting van de Europese richtlijnen. Dat verheugt
mij.
U sprak over jaarlijkse stromen en daardoor hebt u zich in ingewikkelde
rekeningen verstrikt. Door andere ingewikkelde rekeningen voor te stellen heb ik
alleen maar willen aantonen hoe de bedrijven door de mazen van het net zouden
kunnen kruipen.
Ik zou het op prijs stellen mocht België vrijuit gaan in deze zaak.
- Het incident is gesloten.
Algemene bespreking
De heer Nothomb (PSC), verslaggever (in het Frans). - Ik
verwijs naar mijn schriftelijk verslag, maar ik wil toch aanstippen dat het
Verdrag van Maastricht in verschillende bepalingen voorzag met betrekking tot
het Europese burgerschap : het vrije verkeer van personen, de vrije
vestiging, maar ook het stemrecht en het recht op diplomatieke bescherming. Het
verheugt mij dat die laatste twee punten samen worden behandeld in de Kamer en
de Senaat.
- De algemene bespreking is gesloten.
- De artikelen worden zonder opmerking aangenomen.
- Over het geheel zal later worden gestemd.
Algemene bespreking
De heer Nothomb (PSC), verslaggever (in het Frans). - Wij
moeten drie overeenkomsten tussen de BLEU, Moldova, Letland en Estland
goedkeuren met betrekking tot de bevordering en de bescherming van
investeringen. Mijn verslag betreft Moldova en Letland. Ik heb het ook over de
overeenkomst met Estland. Die ontwerpen liggen in het verlengde van de
bilaterale overeenkomsten die sedert 1964 met een vijftigtal landen werden
gesloten. Ze kaderen in de MOI-onderhandelingen.
De Belgische investeringen in die landen zijn niet echt belangrijk, maar de
autoriteiten hopen dat ze dankzij die overeenkomsten zullen toenemen. Zelf
investeren die landen niet in ons eigen land.
Volgens UNCTAD investeert ons land weinig in het buitenland, terwijl het zelf
profiteert van buitenlandse investeringen, die voor heel wat werkgelegenheid
zorgen. Van de 400 miljard dollar buitenlandse investeringen gaat heel weinig
naar Moldova, Letland en Estland.
Wij hebben er baat bij de investeringen in ons land te bevorderen, mits de
rechten van de werknemers en het milieu worden beschermd. De MOI heeft tot doel
terzake voor een grote rechtszekerheid te zorgen. Bij ontstentenis van
dergelijke regeling moesten bilaterale nationale en regionale wetgevingen die
leemte opvullen. Als alle WHO-leden echter bilaterale verdragen zouden sluiten,
dan zouden er dat 7 500 zijn.
België had reeds in december 1996 gepleit voor de opname van sociale en
milieunormen in het kader van de GATT en dus van de WHO. Vele
ontwikkelingslanden zijn echter geen voorstander van de opneming van zulke
clausules in handelsakkoorden. Door onderhandelingen in het kader van de WHO zou
daarover een breed debat kunnen worden gehouden. Op 3 december eerstkomend moet
een raadgevende groep samenkomen bij de OESO om eventueel een in het kader van
de WHO te sluiten akkoord voor te bereiden. Het resultaat van de
onderhandelingen blijft onzeker, maar het lijkt mij belangrijk om de jonge
economische tijgers en de ontwikkelingslanden een woordje te laten meespreken.
Het is immers met die landen dat akkoorden ter bescherming van de investeringen
worden gesloten teneinde voor een grotere rechtszekerheid te zorgen en zodoende
de investeringen te bevorderen die deze landen nodig hebben. (Applaus.)
- De algemene bespreking is gesloten.
- De artikelen worden zonder opmerking aangenomen.
- Over het geheel zal later worden gestemd.
- De artikelen worden zonder opmerking aangenomen.
- Over het geheel zal later worden gestemd.
- De artikelen worden zonder opmerking aangenomen.
- Over het geheel zal later worden gestemd.
- De artikelen worden zonder opmerking aangenomen.
- Over het geheel zal later worden gestemd.
Algemene bespreking
De heer Hatry (PRL-FDF), verslaggever (in het Frans). - In de
commissie heeft de minister ons een uiteenzetting gegeven over de geschiedenis,
de structuur, de evolutie en de problemen van de « Cooperation Council
of the Arab States of the Gulf ». Tijdens de bespreking hebben wij
enkele belangrijke kwesties aangekaart. In de eerste plaats hebben wij ons
afgevraagd welke terugwerkende kracht moest worden toegekend. Die terugwerkende
kracht stemt overeen met het ogenblik waarop het akkoord met die landen is
ondertekend maar is in andere gevallen soms abnormaal. Voor de ACS-landen,
bijvoorbeeld, geldt een terugwerkende kracht van 20 jaar. De meeste
commissieleden hebben zich echter aangesloten bij het standpunt van de minister
dat de terugwerkende kracht gerechtvaardigd is.
Voorts poogt de « Cooperation Council » met de Europese Unie
een vrijhandelszone tot stand te brengen. De Europese Unie is daar niet tegen
gekant, evenmin als tegen de invoering van clausules ter bescherming van de
nieuwe industrieën in die landen. De landen van de Golf zijn er niet in
geslaagd om onder elkaar een vrijhandelszone op te zetten. Het is dan ook
abnormaal dat de Unie die landen als een vrijhandelszone beschouwt.
Tot zover mijn betoog als rapporteur. Uit mijn eigen naam wil ik onderstrepen
dat deze stap van de « Cooperation Council » het algemene
probleem doet rijzen van de vrijhandelszones die vele groepen van landen met de
Europese Unie willen opzetten. Binnen de Europese Commissie pleiten sommigen
voor een veralgemening van die zones terwijl anderen van mening zijn dat dit
fenomeen zou kunnen leiden tot de totstandkoming van zones waar de vereisten,
verplichtingen en rechten vaag blijven. Graag had ik van de minister vernomen
hoe het met die controverse staat.
Het verslag is door de negen aanwezige leden eenparig aangenomen en het ontwerp
is aangenomen met 6 stemmen, bij 2 onthoudingen. (Applaus.)
De heer Derycke, minister van buitenlandse zaken (in het Frans). -
Sommigen zijn nog steeds voorstander van een veralgemening van de
vrijhandelszones maar in feite wordt het steeds moeilijker die optie toe te
passen. Steeds meer landen en groepen van landen verschuilen zich achter de
regels van de WHO. De Commissie tracht nog totaalakkoorden met bepaalde regio's
te sluiten, maar met wisselend succes. De besprekingen met de « Cooperation
Council » hebben nog wel een politieke, doch geen economische
draagwijdte. Het is al moeilijk om met Zuid-Afrika een partnerschapsakkoord af
te sluiten. Een vrijhandelszone tot stand brengen is praktisch onmogelijk,
temeer daar de landbouw enorme problemen doet rijzen. Tenslotte worden wij
geconfronteerd met twee grote problemen : de bescherming van de technologie
en de bescherming van de cultuur.
Voorzitter : de heer Swaelen
Er bestaat dus een groot verschil tussen de theorie en de toepassing ervan. In
Parijs hebben wij grote moeilijkheden gehad met de OESO en de MOI. Wij moeten
enige voorzichtigheid aan de dag leggen wat onze belangen betreft, zelfs op het
niveau van de Unie.
De Voorzitter. - Ik heb een vraag voor de minister in verband
met de betiteling van het wetsontwerp. De Franse tekst heeft het over « le
Conseil de Coopération des Etats arabes de Golfe », terwijl in
de Nederlandse tekst enkel het Engelse « Cooperation Council of the
Arab States of the Gulf » staat. Mijn vraag, voorgesteld door de heer
Verreycken, is dan ook of het mogelijk is om een Nederlandse vertaling te geven
voor die instelling.
De heer Derycke, minister van buitenlandse zaken. - Het
probleem is hier dat de officiële benaming « Cooporation Council »
niet te vertalen is als « Coöperatieraad ». Beide
termen betekenen niet hetzelfde.
De Voorzitter. - Er moet toch een equivalent gevonden kunnen
worden in het Nederlands.
De heer Verreycken (Vlaams Blok). - Elk ander land zou de
cultuurfierheid opbrengen om dergelijke termen in de eigen taal om te zetten.
Het Nederlands is rijk genoeg om een Engelse term te vertalen en dit kan voor
mij niet door de beugel. Ik heb een amendement ingediend voor een vertaling van
de term maar ik zou liever de vertaaldienst van de Senaat vragen om een
suggestie in dat verband.
De heer Hatry (PRL-FDF) (in het Frans). - Daar is een meer
prozaïsche verklaring voor. Wellicht heeft men het oog op de eenvoud
verwezen naar twee van de werktalen van de Europese Unie, het Frans en het
Engels.
De heer Derycke, minister van buitenlandse zaken. - De Engelse
term is vermoedelijk te verklaren door het feit dat het verdrag in het Engels is
afgesloten. We kunnen de term vertalen als « coöperatieraad »,
maar het gaat hier niet om een samenwerkingsraad. Ik ben het trouwens beu om
lessen Vlaams te krijgen van de heer Verreycken.
De heer Verreycken (Vlaams Blok). - De Senaat hanteert twee
werktalen, met name het Nederlands en het Frans. Ik begrijp niet waarom we die
niet hier kunnen hanteren en wij dienaangaande de Taaldienst niet raadplegen.
De heer Derycke, minister van buitenlandse zaken. - Als dit
het Vlaams-zijn van de heer Verreycken kan versterken, mag hij zijn gang gaan.
De Voorzitter. - Ik denk dat we de normale procedure kunnen
blijven volgen en morgen tot de stemming kunnen overgaan. Ofwel heeft die
instelling een officiële benaming in het Engels en het Frans en dan is er
een amendement ofwel is de Engelse benaming officieel en kan die als een
technische verbetering worden vertaald. Ik verzoek de minister om die vraag te
stellen aan zijn departement.
De heer Derycke, minister van buitenlandse zaken. - Ik zal
morgen op die vraag een antwoord geven.
- De algemene beraadslaging is gesloten.
Mevrouw Sémer (SP), verslaggever. - Vijftien jaar
na de afsluiting van het Zesde Protocol ligt het wetsontwerp eindelijk voor ter
goedkeuring in de Senaat. Voor het zomerreces werd al een resolutie goedgekeurd
waarin de regering werd aangemaand werk te maken van de ratificering van het
Zesde Protocol bij het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens.
De niet-ratificatie van het protocol was in tegenstrijd met de nadruk die ons
land op het internationale forum legt op de eerbiediging van de mensenrechten.
De ratificatie zal ons land meer legitimiteit verschaffen op dat vlak.
De doodstraf zal dan nooit meer kunnen worden ingevoerd, ook niet in
oorlogstijd. Het Zesde Protocol zal dan immers primeren boven de nationale
wetgeving. Ik verzoek de minister bij de Verenigde Naties aan te dringen op een
resolutie voor een wereldwijd verbod op de doodstraf Het moment is daarvoor
aangebroken, vermits op 10 december de vijftigste verjaardag wordt gevierd van
de universele verklaring van de rechten van de mens. (Applaus.)
- De algemene bespreking is gesloten.
- De artikelen worden zonder opmerking aangenomen.
- Over het geheel zal later worden gestemd.
- De artikelen worden zonder opmerking aangenomen.
- Over het geheel zal later worden gestemd.
- De artikelen worden zonder opmerking aangenomen.
- Over het geheel zal later worden gestemd.
Bespreking
Mevrouw Thijs (CVP), verslaggever. - Op 20 november 1989 werd
het VN-verdrag inzake de rechten van het kind goedgekeurd. Unicef stelt voor op
20 november een dag voor de rechten van het kind in te voeren. Op die manier kan
de publieke opinie worden gesensibiliseerd, kan het beleid worden getoetst door
een rapport aan het Parlement, kunnen kinderen bewust worden gemaakt van hun
rechten en kunnen NGO's worden ondersteund die zich bezighouden met de
kinderrechten.
Het beschikkend gedeelte van het voorstel van resolutie bepaalt dat op 20
november een jaarlijkse dag voor de rechten van het kind wordt ingesteld; dat op
deze dag activiteiten worden georganiseerd door en voor kinderen in samenwerking
met de NGO's; dat op deze dag een jaarlijks verslag aan het Parlement wordt
overhandigd; dat België het voortouw moet nemen opdat 20 november
wereldwijd een dag van het kind wordt.
De meeste leden commissieleden gingen akkoord met het voorstel. Op 20 november
wordt de oprichtingsakte van een Europese stichting voor de rechten van het kind
ondertekend. Een lid wijst erop dat het probleem van de kindsoldaten wordt
behandeld in een voorstel van resolutie dat onlangs in de Senaat werd ingediend.
Sommigen hopen dat het niet bij een symbolische daad blijft. De regering moet
ook werk maken van de bestrijding van de mensenhandel.
Vroeger werd het begrip van de rechten van het kind geassocieerd met de idee van
een kindvriendelijke samenleving. Thans staan de juridische rechten van het kind
centraal. Volgens het VN-verdrag draait alles rond « protection,
provision and participation ». Het is belangrijk dat de kinderen zelf
hun stem laten horen. De Verenigde Staten hebben het Verdrag niet ondertekend
omdat de « provision » te veel zou kosten. Eén lid
vindt het jammer dat de resolutie geen aandacht besteedt aan de abortus.
De commissie gaat akkoord met een amendement dat ertoe strekt de woorden « een
spreekbuis waarlangs ze hun stem kunnen laten horen » te vervangen
door « een gelegenheid om hun stem te laten horen ». Een
amendement dat het recht op leven voor de geboorte expliciet in de tekst wil
opnemen, wordt verworpen. De commissie keurde eenparig het voorstel van
resolutie goed; één lid onthield zich. (Applaus.)
De heer Ceder (Vlaams Blok). - Ik ben voorstander van een dag
voor de rechten van het kind. Toch mag de inspraak het gezin niet overschrijden.
De belangen van de kinderen worden nog steeds het best gediend door de ouders.
Elk jaar komen miljoenen kinderen om door ziekte, oorlog of verkeersongevallen.
Abortus blijft echter de grootste doodsoorzaak. In sommige ontwikkelingslanden
is er zelfs kindermoord bij de geboorte omdat het geslacht de ouders niet
uitkomt. Ik betreur dat in de resolutie met geen woord hierover wordt gerept.
Wij hebben een amendement ingediend dat het recht op leven ook voor de geboorte
garandeert. De zogenaamde christen-democraten hebben dit in commissie verworpen,
zogezegd omdat het hier niet ter zake zou zijn. Dat argument zou geloofwaardiger
zijn als zij ooit enig ander initiatief in verband met abortus hadden genomen.
(Applaus bij het Vlaams Blok.)
De heer Hostekint (SP). - Het ergert mij dat geen van de
indieners hier aanwezig is, en dat in het totaal slechts negen leden
belangstelling hebben voor deze belangrijke materie.
De resolutie zelf is een goede zaak.
De rechten van het kind worden sedert jaren op een grove wijze met de voeten
getreden.
De schending van kinderrechten zijn in ons land pas sinds de affaire-Dutroux
onderwerp van een politiek debat. De schending van kinderrechten is een
internationaal fenomeen. Wanneer men een bezoek brengt aan ontwikkelingslanden,
raakt men onder de indruk van de manier waarop volwassenen kinderen behandelen.
Politici moeten voortdurend bekommerd zijn om het probleem van de schending van
kinderrechten en aandacht hebben voor hetgeen kinderen te zeggen hebben.
Het is jammer dat dit agendapunt op een drafje wordt afgehandeld. Vrijdag 20
november wordt de verjaardag van het UNO-verdrag inzake de rechten van het kind
met de nodige luister gevierd. Het mag niet bij deze viering blijven !
De term kinderen is een rekbaar begrip. Jongeren van 17 jaar kan men op bepaalde
vlakken ook nog als kinderen beschouwen.
Er wordt veel met kinderen gesold, onder meer in de mensenhandel, de prostitutie
en in de sport.
Ik vraag dat deze resolutie niet enkel een symbolische daad is. Iedereen die
enige politieke verantwoordelijkheid draagt, moet iets aan de schending van de
kinderrechten doen.
Mevrouw Thijs (CVP). - Ik vind het ongepast dat de heer
Hostekint collega de Bethune bekritiseert omwille van haar afwezigheid. Zij is
verontschuldigd. Het feit dat ze het voorstel van resolutie heeft ingediend,
bewijst reeds haar interesse voor dit onderwerp. Het is belangrijker dat de
resolutie morgen wordt goedgekeurd.
De heer Hostekint (SP). - Tijdens de bespreking in de
Commissie heb ik mevrouw de Bethune gefeliciteerd voor haar initiatief. Ik
betreur het echter dat van de tien ondertekenaars van de resolutie er vandaag
niet één aanwezig is. Zij hadden toch kunnen afspreken.
De heer Derycke, minister van buitenlandse zaken. - Ik sta
persoonlijk positief tegenover deze resolutie. België heeft één
van de meest vooruitstrevende wetgevingen op het vlak van de kinderrechten.
Ik zal deze resolutie voorleggen aan de bevoegde ministers en ook mijn
verantwoordelijkheid terzake opnemen.
- De bespreking is gesloten.
Bespreking van het amendement
De Voorzitter. - De heer Ceder heeft een amendement (nr. 3)
ingediend dat luidt als volgt :
« In het derde gedachtestreepje van de derde considerans de woorden «
Het recht op leven dient aan ieder kind te worden gegarandeerd; »
vervangen door de woorden « Het recht op leven, ook vóór
de geboorte, dient aan ieder kind te worden gegarandeerd; ».
- De stemming over dit amendement wordt aangehouden.
REGELING VAN DE WERKZAAMHEDEN
De Voorzitter. - Aangezien mevrouw Lizin vandaag afwezig en
verontschuldigd is, mag haar vraag om uitleg aan de minister van buitenlandse
zaken tot een volgende vergadering worden uitgesteld.
- De artikelen worden zonder opmerkingen aangenomen.
- Over het geheel zal later worden gestemd.
- De vergadering wordt om 16 uur gesloten.
- Morgen, om 10 en 15 uur, openbare vergadering.
VERHINDERD
Mevrouw Lizin, met opdracht in het buitenland; mevrouw Mayence-Goossens, om
persoonlijke redenen; mevrouw de Bethune, de heren Hazette en De Decker, wegens
andere plichten, en de heer Foret, wegens beroepsplichten.