5-76

5-76

Belgische Senaat

5-76

Handelingen - Nederlandse versie

DONDERDAG 18 OKTOBER 2012 - NAMIDDAGVERGADERING


Waarschuwing: de blauwe kleur geeft aan dat het gaat om uit het Frans vertaalde samenvattingen.


Overlijden van een oud-senator

Onderzoek van de geloofsbrieven en eedaflegging van een nieuw lid

Mondelinge vragen

Inoverwegingneming van voorstellen

Regeling van de werkzaamheden

Berichten van verhindering

Bijlage

In overweging genomen voorstellen

Samenstelling van commissies

Vragen om uitleg

Kamer van volksvertegenwoordigers

Evocatie

Boodschappen van de Kamer

Indiening van wetsontwerpen

Ontslag en benoeming van regeringsleden

Grondwettelijk Hof - Arresten

Grondwettelijk Hof - Prejudiciële vragen

Grondwettelijk Hof - Beroepen

Parlementair Comité belast met wetsevaluatie

Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding


Voorzitster: mevrouw Sabine de Bethune

(De vergadering wordt geopend om 15.00 uur.)

Overlijden van een oud-senator

De voorzitster. - De Senaat heeft met groot leedwezen kennis gekregen van het overlijden van mevrouw Monique Rifflet-Knauer, gewezen provinciaal senator.

Uw voorzitster heeft het rouwbeklag van de Vergadering aan de familie van ons betreurd gewezen medelid betuigd.

Onderzoek van de geloofsbrieven en eedaflegging van een nieuw lid

De voorzitster. - Bij de Senaat is het dossier aanhangig van mevrouw Leona Detiège, senator-opvolgster voor het Nederlandse kiescollege.

Het Bureau is bijeengekomen om de geloofsbrieven van mevrouw Detiège te onderzoeken.

Het woord is aan de heer De Bruyn, rapporteur, om voorlezing te doen van het verslag van het Bureau.

De heer De Bruyn (N-VA), rapporteur. - Het Bureau heeft kennisgenomen van de brief van 11 oktober 2012 waarbij mevrouw Marleen Temmerman haar ontslag meldt als rechtstreeks verkozen senator voor de lijst nr. 10, sp.a, met ingang van 15 oktober 2012.

Het Bureau heeft vastgesteld dat mevrouw Fauzaya Talhaoui en mevrouw Dalila Douifi, eerste en derde opvolgsters van deze lijst, de eed als rechtstreeks verkozen senator hebben afgelegd.

De heer Guy Swennen, tweede opvolger, heeft aan dit mandaat verzaakt.

Derhalve is het Bureau overgegaan tot het aanvullend onderzoek van de geloofsbrieven van mevrouw Leona Detiège, die op 6 juli 2010 door de Senaat werd aangewezen als vierde opvolgster voor de lijst nr. 10. Hierbij werd vastgesteld dat zij nog steeds alle verkiesbaarheidsvereisten vervult.

Het Bureau heeft dan ook de eer u voor te stellen mevrouw Leona Detiège als lid van de Senaat toe te laten. (Applaus)

De voorzitster. - Ik verzoek mevrouw Detiège de grondwettelijke eed af te leggen.

-Mevrouw Leona Detiège legt de grondwettelijke eed af.

De voorzitster. - Ik geef mevrouw Leona Detiège akte van haar eedaflegging en verklaar haar aangesteld in haar functie van senator.

Mevrouw Detiège, u hebt een indrukwekkende politieke loopbaan. Ik wens u een vruchtbare legislatuur toe.

Mondelinge vragen

Mondelinge vraag van de heer Ludo Sannen aan de vice-eersteminister en minister van Financiën en Duurzame Ontwikkeling over «het idee van een Europese supercommissaris inzake begrotingen van nationale parlementen» (nr. 5-671)

De heer Ludo Sannen (sp.a). - Het zijn drukke dagen voor de minister van Financiën. Vanmorgen had hij het op de radio over de Belgische begroting en over de Europese top die vandaag van start gaat. Hij verklaarde dat hij zeer tevreden zou zijn, mocht er op de top een akkoord worden bereikt over de bankenunie.

Er staan echter nog andere dossiers op de agenda van de Europese top, onder andere het rapport van de voorzitter van de Europese raad, de heer Van Rompuy, over de toekomst van de Economische en Monetaire Unie. In dat rapport geeft de voorzitter een aanzet om op Europees niveau te komen tot een beter geïntegreerd financieel, begrotings- en economisch kader. In zijn ogen moet het parlement voortaan een grotere rol spelen, voornamelijk inzake het toezicht op het beleid van de monetaire unie. De voorzitter hoopt dat hij van de top een mandaat zal krijgen om tegen de bijeenkomst van 13 tot 14 december een concreet plan voor te leggen dat moet leiden tot een hechtere monetaire unie.

Ook anderen voelden zich geroepen om in dat verband enkele ideeën te lanceren. Zo deed de Duitse minister van Financiën, de heer Wolfgang Schäuble, een concreet voorstel met betrekking tot de eurocrisis. Hij gaf daarbij aan dat zijn voorstel al afgetoetst was bij enkele collega's uit andere lidstaten.

De heer Schäuble stelt voor om in de toekomst een Europese commissaris voor de euro aan te stellen, wiens bevoegdheden uitgebreider zouden zijn dan die van de huidige Europese commissaris voor monetaire zaken. Hij hoopt dat die nieuwe supercommissaris ook de bevoegdheid zal krijgen om begrotingen die door nationale parlementen zijn goedgekeurd, eventueel te verwerpen. Daarnaast stelt hij voor dat de Europarlementsleden voortaan een grotere rol krijgen, met dien verstande dat er dan een duidelijke opsplitsing moet worden gemaakt tussen de bevoegdheden van de parlementsleden uit de eurozone, enerzijds, en de parlementsleden van buiten de eurozone, anderzijds. Hij pleit voor de oprichting van een conventie, die een en ander concreet moet uitwerken.

In de Duitse pers was te lezen dat het voorstel vooraf doorgesproken was met andere Europese partners. Zo steunde de Nederlandse staatssecretaris Ben Knapen het voorstel; hij voegde er zelfs aan toe dat de supercommissaris de mogelijkheid zou moeten krijgen om in te grijpen bij landen met een overheidsschuld die hoger ligt dan 60 procent van hun bruto binnenlands product.

Wat verwacht de minister van Financiën van de top die vandaag van start gaat? Wat is zijn mening over het voorstel van minister Schäuble? Heeft die laatste vooraf met ons land overleg gepleegd over zijn voorstel. Ten slotte kreeg ik graag enige verduidelijking over de standpunten die de Belgische regering tijdens deze top zal innemen.

De heer Steven Vanackere, vice-eersteminister en minister van Financiën en Duurzame Ontwikkeling, belast met Ambtenarenzaken. - Dit is een boeiend debat. Het is echter cruciaal dat we een duidelijk onderscheid maken tussen de voorstellen die circuleren met betrekking tot de 17 eurolanden, enerzijds, en de uitdaging waar alle 27 lidstaten mee geconfronteerd worden, anderzijds. Voorzitter Van Rompuy bepleit inderdaad een sterker Europa met betrekking tot een aantal aangelegenheden en beperkt zich daarbij niet noodzakelijk tot de vraag hoe er een grotere integratie kan worden bereikt tussen de eurolanden.

Het klopt wel dat de beide voorstellen waarnaar hier verwezen is, vooral handelen over de eurozone. Ik denk dat we het erover eens zijn dat de eurozone nood heeft aan twee dingen: een sterker bestuur en meer democratische legitimiteit.

Het is niet zo eenvoudig en het is ook van belang de dubbele kant te onderscheiden.

Minister Schäuble heeft inderdaad gepleit voor een supercommissaris voor economische en monetaire zaken, die zelfstandig beslissingen kan nemen over de begrotingen van de eurolanden. Hij maakt in dat verband de vergelijking met de positie van de Europese commissaris voor mededinging. Die commissaris heeft ook een aantal individuele bevoegdheden die hij niet hoeft te delen met de andere leden binnen het college. Eind juli heb ik nog met minister Schäuble in Berlijn over zijn voorstel gesproken.

Het idee heeft zeker zijn verdiensten. Het maakt het Europees begrotingstoezicht sneller en slagkrachtiger. Zo'n commissaris ligt in de lijn van de communautaire methode die België sinds jaar en dag verdedigt. Hij kan een belangrijke stap vormen naar een versterking van de economische en budgettaire unie.

Ik heb wel één belangrijke opmerking en die heb ik uiteraard ook bij minister Schäuble ter sprake gebracht. Zo'n supercommissaris kan er enkel komen als we ook de democratische legitimiteit van de eurozone versterken. Minister Schäuble pleitte in de jongste eurogroep van 8 oktober voor een eurocommissie in het Europees parlement. Daarover bestaat in dat parlement veel scepticisme. Aan de ene kant ligt het moeilijk dat die commissie waarin parlementsleden zitten van niet-eurolanden, een eurocommissaris ter verantwoording kan roepen. Aan de andere kant zijn weinig Europese parlementsleden gewonnen voor het opsplitsen van hun parlement in categorieën. Dat debat is nog niet helemaal achter de rug.

Over dat idee moeten we zorgvuldig en Europeesgezind nadenken, zij het met één belangrijke kanttekening: we mogen geen versterking accepteren die niet voldoende democratisch gelegitimeerd is.

De vraag is hoe we deze belangrijke hervormingen zullen realiseren. In haar regeringsverklaring deze ochtend voor de Europese top heeft bondskanselier Merkel een warm pleidooi gehouden voor een sterkere en democratischer eurozone. Haar pleidooi onderschrijf ik zonder aarzelen. Ze sprak niet over een conventie. De kans bestaat dat die mogelijkheid aan bod komt in de aanloop naar het finaal rapport van de vier voorzitters over de versterking van de Economische en Monetaire Unie, dat in december zal verschijnen. Wat voor mij van belang is, is dat we de hervormingen voor een betere eurozone doorvoeren. Om de diverse doelstellingen te verenigen, zullen wij als Belgen de nadruk leggen op compromis en consensus.

Ik verwacht dat dit debat over het voorstel van de heer Schäuble tijdens deze top niet zal worden afgerond. Het debat daarover zal moeten doorgaan, ook binnen deze assemblee. Ik hoop wel dat de bijzonder belangrijke discussie over de bankenunie tijdens deze top tot positieve resultaten leidt, bijvoorbeeld tot een duidelijk omschreven akkoord tegen het einde van het jaar. Stap voor stap, zo komen we het verst.

De heer Ludo Sannen (sp.a). - Het verheugt me dat de minister het belang van de democratische legitimiteit heeft benadrukt. Die is inderdaad heel belangrijk, willen we een draagvlak voor Europa handhaven. De democratische legitimiteit moet overeind blijven, ook als het tot een sterkere integratie komt. Er zal inderdaad een spanningsveld zijn tussen de integratie binnen de eurolanden, enerzijds, en die tussen alle zevenentwintig lidstaten, anderzijds. Maatregelen voor de eerste groep hebben ook consequenties voor de tweede groep, de landen die hopelijk ooit tot de eurozone zullen behoren. Het beleid zal hoe dan ook met beide groepen rekening moeten houden.

Bovendien moeten we onze afspraken omtrent de eurozone laten weerspiegelen in ons mandaat voor voorzitter Van Rompuy van de Europese Raad. We kunnen het hebben over twee snelheden of twee dynamieken, maar die moeten wel in een totaalverhaal geïntegreerd blijven. Anders wordt het onmogelijk het Europa van de 27 verder te laten evolueren in democratische richting.

Mondelinge vraag van de heer Piet De Bruyn aan de vice-eersteminister en minister van Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Europese Zaken over «het nieuwe rapport van de Verenigde Naties over Oost-Congo» (nr. 5-677)

De voorzitster. - Mevrouw Sabine Laruelle, minister van Middenstand, KMO's, Zelfstandigen en Landbouw, antwoordt.

De heer Piet De Bruyn (N-VA). - Een nieuw VN-rapport over Oost-Congo stelt dat Rwanda niet alleen betrokken is bij de rebellenbeweging M23, maar ook dat de rebellen actief aangestuurd worden door James Kabarebe, de Rwandese minister van Defensie. Volgens het rapport van de VN-experts krijgen de leiders van M23 rechtstreeks militaire bevelen van de Rwandese stafchef, generaal Charles Kayonga, die op zijn beurt instructies ontvangt van de Rwandese minister van Defensie. Het rapport meldt ook dat Rwanda de rebellen van M23 zware wapens en nieuwe rekruten heeft geleverd.

Een ander opvallend en nieuw element uit genoemd rapport is dat de VN-experts ook Uganda van betrokkenheid bij de operaties van M23 beschuldigen. De Oegandese hulp is volgens het rapport subtieler dan die van Rwanda. Uganda duldt wel dat de politieke tak van de rebellenbeweging opereert vanuit Kampala.

Past de minister zoals in het verleden nog altijd een eerder voorzichtige vorm van diplomatie toe, waarbij Rwanda enkel op de vingers wordt getikt? Of zal hij het nieuwe VN-rapport eindelijk gebruiken als een zoveelste bewijs om zijn Europese collega's aan te sporen Rwanda duidelijk te maken dat zijn steun aan de rebellenbeweging onaanvaardbaar is en sancties zal opleveren? Wat is het standpunt van de minister ter zake?

Mevrouw Sabine Laruelle, minister van Middenstand, KMO's, Zelfstandigen en Landbouw. - De minister van Buitenlandse Zaken heeft ook kennisgenomen van de perscommentaren over het VN-rapport over Oost-Congo. Het rapport zal besproken worden in de VN-Veiligheidsraad. Omdat de minister momenteel in Turkije is met een handelsmissie, zal hij volgende week een gedetailleerd antwoord geven over deze zaak.

Mondelinge vraag van de heer Jacques Brotchi aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «het uitwerken van een kadaster van activiteiten van de geneesheren-specialisten» (nr. 5-669)

De heer Jacques Brotchi (MR). - Bij het begin van dit parlementaire jaar wil ik u graag opnieuw vragen hoever het staat met het uitwerken van een kadaster van activiteiten van de geneesheren-specialisten.

Ik krijg soms de indruk dat ik u bij elke opening van het parlementaire jaar moet ondervragen over dit onderwerp, dat u in 2010 een van uw prioriteiten noemde. Ik verheugde me overigens op uw antwoord, want u hebt aangekondigd dat het kadaster in 2011 zou worden verwezenlijkt.

U verklaarde toen: "Het kadaster van de gezondheidswerkers is één van de instrumenten waarmee we het probleem van de planning beter kunnen begrijpen en de echte behoeften inzake gezondheidszorg kunnen inschatten. (...)Voor de specialisten werd eind 2009 een willekeurige steekproef uitgevoerd bij 3000 artsen om de resultaten statistisch te valideren. Daaruit blijkt dat meer dan 90% van de in het kadaster opgenomen specialisten nog steeds als arts actief is in België. Op basis daarvan en van de resultaten van de kruising van gegevens die in 2011 zal gebeuren, zal de planningscommissie concrete voorstellen kunnen doen voor het behoud van het evenwicht tussen het aanbod en de vraag."

Mevrouw de minister, u weet net als ik dat in 2009, 2010, 2011 en ook dit jaar in bepaalde disciplines een tekort aan geneesheren-specialisten is genoteerd. Hoewel sommige specialiteiten bijzonder goed vertegenwoordigd zijn, bestaat aan andere een verontrustend tekort, bijvoorbeeld aan oncologen en anesthesisten, met alle gevolgen van dien voor die laatsten en voor de zieken die een ingreep moeten ondergaan. Wordt het geen tijd om die kwestie voorgoed op te lossen?

Ik weet niet wat ik nog kan toevoegen aan de vragen die ik u hierover vroeger al heb gesteld. Ik vertel u niets nieuws als ik zeg dat we dankzij een kadaster, enerzijds, de huidige situatie beter zouden kunnen beheersen, en, anderzijds, jongeren bij de aanvang van hun studies beter zouden kunnen voorlichten over de echte behoeften en over de specialiteiten die geen perspectieven meer openen. De planning is van wezenlijk belang voor studenten die zeer lange geneeskundestudies aanvatten en die het risico lopen na een studieparcours van zes, zeven jaar of langer geen aangepaste job te vinden.

Al verschillende jaren houd ik een krachtig pleidooi over de noodzaak van een kadaster van de activiteiten van de huisartsen en u hebt naar me geluisterd.

Ik geef me er rekenschap van dat 2011 een moeilijk jaar is geweest op federaal niveau en dat een deel van 2012 zeer druk is geweest vanwege de achterstand in bepaalde dossiers en de recente verkiezingen, om nog te zwijgen van de weerslag van de crisis op de openbare financiën en de goedkeuring van bepaalde monstermaatregelen.

Omdat het kadaster een van uw prioriteiten was, zult u niet verwonderd zijn dat het dat ook voor mij nog steeds zo is en herhaal ik dus nogmaals de heel eenvoudige vraag: wanneer zullen we over een kadaster van de activiteiten van de geneesheren-specialisten kunnen beschikken?

Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, belast met Beliris en de Federale Culturele Instellingen. - Ten eerste wil ik erop wijzen dat ik de oprichting van het kadaster niet voor het jaar 2011 heb aangekondigd. De federale gegevensbank van de gezondheidswerkers, zoals bedoeld in artikel 35quaterdecies van koninklijk besluit nr. 78, dat kortweg "het kadaster" wordt genoemd, is al sinds twee jaar volledig operationeel.

Momenteel zijn de artsen, de tandartsen, de zorgkundigen, de verpleegkundigen, de kinesitherapeuten, de vroedvrouwen, de apothekers, de erkende paramedische beroepen en de hulpverleners-ambulanciers al in die gegevensbank opgenomen.

De enkele categorieën van gezondheidswerkers die nog ontbreken, zullen er zeer binnenkort in worden opgenomen. In tegenstelling tot een wijdverbreid idee worden de persoonsgegevens in het kadaster echter niet automatisch gekoppeld aan de gegevens van het RIZIV.

Krachtens de wet mag het kadaster alleen gegevens bevatten over de naam, de voornamen, de beroepstitels, de bijzondere beroepsbekwaamheden, het hoofdadres van de beroepsuitoefening en het sociaal statuut van de gezondheidswerkers.

Overeenkomstig de bepalingen van besluit nr. 78 mag de overigens zeer complexe operatie om gegevens van het kadaster aan die van het RIZIV te koppelen, zoals ik in 2011 voor de geneesheren-specialisten heb aangekondigd en zoals momenteel voor de kinesitherapeuten gebeurt, alleen gericht plaatsvinden in het raam van specifieke projecten die tegemoetkomen aan de behoeften van de Planningscommissie-medisch aanbod.

Ik deel uw mening dat er permanent nood is aan een kadaster van de activiteiten van de gezondheidswerkers. Met zo'n kadaster zouden we een zeer precies zicht krijgen op het aanbod van de arbeidskrachten in de gezondheidssector, zouden we tot een echte planning kunnen overgaan en ons bijgevolg niet hoeven te beperken tot een eenvoudige numerus clausus.

Om die reden heeft de Ministerraad van 22 juni jongstleden op mijn verzoek besloten dat het nuttig zou zijn, met name voor de planning in de gezondheidssector, de gegevens van de databank van gezondheidswerkers ofte het kadaster permanent te kruisen met de RIZIV-gegevens en om dus elk initiatief in die zin te steunen. We leggen er ons voortdurend op toe om een zo precies mogelijk idee te krijgen van de reële arbeidskracht van alle beroepen in het kadaster.

De heer Jacques Brotchi (MR). - In 2011 hebt u aangekondigd dat u aan die bijzonder belangrijke koppeling werkte. We hebben het dan niet over het kadaster op zich, maar over het activiteitenkadaster zoals u het voor de huisartsen hebt opgesteld. Met dat activiteitenkadaster van de huisartsen hebben we kunnen aantonen dat er een tekort bestaat en ons kunnen voorbereiden op de pensionering van een bepaalde groep.

Vanochtend sprak ik in het operatieblok met mijn anesthesist. Hij wees erop dat we ons nu volop in de "papyboom" bevinden en dat binnen twee jaar tal van anesthesisten met pensioen gaan. Daarmee rijst een enorm probleem voor de toekomst.

Dat activiteitenkadaster is dus van wezenlijk belang en als het beschikbaar is, zou ik graag weten waar ik het kan raadplegen. Het is een wezenlijk element in de planning en ziekenhuizen zouden dankzij dat kadaster kunnen weten of ze een beroep moeten blijven doen op buitenlandse artsen dan wel of ze kunnen volstaan met een goede organisatie op basis van de huidige studenten.

Mondelinge vraag van mevrouw Elke Sleurs aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «een mogelijke hervorming van het systeem van de remgelden» (nr. 5-676)

Mevrouw Elke Sleurs (N-VA). - In een recente studie benadrukt het KCE dat ons systeem van remgelden in de verplichte ziekteverzekering best wordt vereenvoudigd en dat hiervoor een globale visie moet worden uitgewerkt. De aanpassingen kunnen zorgen voor minder uitgaven in de ziekteverzekering met behoud van kwaliteit en doeltreffendheid.

Daarnaast suggereert de voorzitter van een Vlaamse regeringspartij om, met het oog op de begrotingsopmaak, de sociale zekerheid nog eens goed onder de loep te nemen.

Deze twee elementen inspireren me tot volgende vragen.

Overweegt de regering met het oog op de opmaak van de begroting het huidige systeem van de remgelden te hervormen?

Hoeveel kan een dergelijke hervorming opleveren?

Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, belast met Beliris en de Federale Culturele Instellingen. - Momenteel, en dan vooral voor geneesmiddelen, bestaat er geen expliciete regel die bepaalt in welke terugbetalingscategorie een verrichting of geneesmiddel moet vallen, maar het percentage ten laste van de patiënt, het remgeld, verschilt wel afhankelijk van de gekozen categorie.

Aan het Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg (KCE) werd gevraagd te onderzoeken of de regels kunnen worden verduidelijkt. De studie van het KCE leverde geen direct antwoord op, maar reikte eerder een theoretische basis aan om een verband te kunnen leggen tussen de maatschappelijke waarde van een verrichting of product en de hoogte van het remgeld.

Op basis van de studie van het KCE kunnen we het remgeldstelsel dus niet hervormen, aangezien ze veronderstelt dat alle gezondheidszorgactoren, zoals onder andere het Nationaal Intermutualistisch College, de denkoefening maken om te bepalen welke verrichtingen een hoge maatschappelijke waarde hebben.

Daarna moeten we ons afvragen of verrichtingen met een hoge maatschappelijke waarde moeten worden aangemoedigd door middel van een zeer laag of zelfs geen remgeld. En omgekeerd, of er hogere remgelden nodig zijn voor verrichtingen die als minder noodzakelijk worden geacht.

Deze analyse van een hervorming van het remgeldsysteem had niet tot doel besparingen op te leveren, maar wel te zoeken naar een nieuw evenwicht in het kader van een op wetenschappelijke bewijzen gestoelde verdeling van de lasten.

Mevrouw Elke Sleurs (N-VA). - Het antwoord van de minister stelt me toch een beetje teleur. Het KCE had inderdaad niet de bedoeling te zorgen voor besparingen, maar geeft wel duidelijke richtlijnen en ideeën om het systeem van het remgeld te moderniseren. Ik hoop dan ook dat de minister met de studie rekening zal houden. En als dat dan besparingen oplevert, des te beter, aangezien de sociale zekerheid onder druk komt te staan. Ik hoop echt dat ze de studie van het KCE zal gebruiken om een globale visie op de aanpassing van het remgeld te ontwikkelen.

Mondelinge vraag van mevrouw Olga Zrihen aan de minister van Werk over «het statuut van de werklozen die PWA-activiteiten uitvoeren» (nr. 5-667)

Mevrouw Olga Zrihen (PS). - Er gelden zeer strikte voorwaarden voor de uitoefening van PWA-activiteiten door werklozen.

Die prestaties worden immers uitgeoefend door uitkeringsgerechtigde volledig werklozen die gedurende ten minste twee jaar werkloos zijn, of uitkeringsgerechtigde volledig werklozen van 45 jaar en ouder die ten minste sedert zes maanden werkloos zijn, of werklozen die ten minste gedurende 24 maanden werkloosheidsuitkeringen hebben gekregen in de loop van de 36 maanden die voorafgaan aan hun inschrijving bij het PWA, of werkzoekenden die recht hebben op een leefloon of financiële steun.

Die voorwaarden vormen een probleem voor de definitie van het statuut van de werklozen die deze PWA-activiteiten uitoefenen.

Er rijzen ook nog twee andere belangrijke problemen: ondanks hun prestaties blijven de "PWA-werknemers" enerzijds onderworpen aan de werkloosheidscontrole, maar anderzijds worden ze niet beschouwd als werknemers in de eigenlijke betekenis van het woord.

Werden al concrete initiatieven genomen om het statuut van de werklozen die toegang hebben tot PWA-prestaties te verduidelijken? Zij klagen immers over discriminatie wegens hun benaming en de maatregelen die door de FOREM en de RVA tegen hen genomen worden.

Mevrouw Monica De Coninck, minister van Werk. - Ik begrijp uw bezorgdheid over het lot van de PWA-werknemers en ik besef ook dat de toegang tot dat systeem beperkt is. Het is echter een politieke keuze die in het verleden gemaakt werd.

De invoering van de dienstencheques, die de werklozen die tot dat systeem toetreden uitzicht geven op een echte betrekking, heeft de PWA-regeling nog minder aantrekkelijk gemaakt.

Het federaal regeerakkoord bepaalt uitdrukkelijk dat het doelgroepenbeleid, met inbegrip van de huidige tewerkstellingsmaatregel, geregionaliseerd wordt.

Het lijkt mij dan ook niet opportuun nu nog nieuwe initiatieven te nemen met betrekking tot de PWA-regeling.

In de toekomst zijn het de Gewesten die moeten beslissen in welke mate ze nog gebruik zullen maken van deze tewerkstellingsmaatregel, waarvoor het federale kader zal blijven bestaan.

De Gewesten zullen hoe dan ook beschikken over de middelen die thans worden toegewezen aan de PWA's.

Mevrouw Olga Zrihen (PS). - Uw antwoord lost het probleem dat ik heb aangehaald niet helemaal op.

Er zijn immers verschillende instanties die zich bezighouden met de wedertewerkstelling van werklozen en we stellen vast dat de PWA-maatregelen het hun mogelijk maken een volwaardige betrekking te krijgen.

Ik vind echter dat het blijven volgen van een aantal van deze personen in het kader van het activeringsbeleid eigenlijk verloren tijd is, terwijl die begeleiding nuttiger zou zijn voor anderen, die helemaal niet werken.

Kunnen we in afwachting van de overheveling naar de regionale autoriteiten, nu al niet overwegen om de personen die een beroep doen op de PWA-regeling niet langer te onderwerpen aan de controle op de activering van de werkloosheid?

Dat was de bedoeling van mijn vraag.

Mondelinge vraag van mevrouw Mieke Vogels aan de staatssecretaris voor Asiel en Migratie, Maatschappelijke Integratie en Armoedebestrijding over «de nieuwe stijgende armoedecijfers bekend gemaakt naar aanleiding van de internationale dag van verzet tegen de armoede» (nr. 5-674)

Mevrouw Mieke Vogels (Groen). - Gisteren, 17 oktober, was het de internationale dag van het verzet tegen armoede. Naar aanleiding daarvan publiceerde de FOD Economie nieuwe cijfers over het aantal gezinnen in armoede. Vorig jaar moesten 15,3% van de Belgen rondkomen met een inkomen dat onder de armoedegrens ligt. Het aantal Belgen in armoede heeft daarmee het hoogste niveau bereikt sinds het begin van de economische crisis.

Nochtans blijkt uit de beleidsnota's dat de strijd tegen armoede op elk bestuursniveau bovenaan de prioriteitenlijst staat. De verantwoordelijke ministers en staatssecretarissen sloven zich uit in het opmaken van actieplannen. Zo heeft de federale staatssecretaris een plan bestaande uit 118 actiepunten. De Vlaamse minister voor armoedebestrijding doet nog beter en werkte maar liefst 194 voorstellen uit om de armoede te bestrijden. Bij elke update van de armoedebarometer blijkt echter dat ondanks de 322 actiepunten de armoede en het aantal kinderen in armoede blijven toenemen.

De reactie van de staatssecretaris op die stijgende cijfers deed mij schrikken. Ze liet namelijk weten dat ze zich zou aansluiten bij de actiegroepen tegen armoede en een geknoopt, wit laken aan het raam zou hangen van haar huis in Merchtem en haar kabinet in Brussel `als symbool van onze vastberadenheid om samen te strijden tegen armoede bij kinderen, alleenstaande ouders, bejaarden, werklozen, enzovoort'. Dat is hetzelfde als wanneer premier Di Rupo zou meelopen in een betoging van de vakbonden tegen de besparingen van de regering. Mensen in armoede vragen niet dat de staatssecretaris een geknoopt laken uithangt, ze vragen wel dat ze maatregelen neemt om de armoedecijfers te doen dalen.

Ik ben blij dat minister De Coninck aanwezig is, want haar bevoegdheid komt nu ook ter sprake. De verenigingen tegen armoede klagen namelijk ook aan dat de werkloosheidsuitkeringen sneller zullen worden verlaagd, omdat zulks haaks staat op het armoedebestrijdingsbeleid. In Duitsland, waar een gelijkaardig degressief systeem bestaat, leven twee werklozen op drie in armoede. Er is dus een duidelijk verband tussen het versneld afbouwen van uitkeringen en armoede.

Wat zal de staatssecretaris doen om ervoor te zorgen dat de armoedecijfers die de FOD Economie zopas heeft bekendgemaakt, zullen dalen in plaats van nog te stijgen?

Is de regering bereid om de versnelde daling van de werkloosheidsuitkering terug te draaien in tijden van economische crisis en toenemende werkloosheid?

Mevrouw Maggie De Block, staatssecretaris voor Asiel en Migratie, Maatschappelijke Integratie en Armoedebestrijding. - Het is inderdaad meer dan nodig dat er een dag wordt uitgekozen om de strijd van zoveel mensen tegen alle vormen van armoede in de kijker te stellen. Door de financiële en economische crisis lopen juist de meest kwetsbaren uit onze samenleving het risico om in armoede terecht te komen of erin te blijven.

Het klopt dat ik heb opgeroepen om een wit laken met een knoop uit te hangen, maar mevrouw Vogels maakt daar een karikatuur van. Natuurlijk is dat niet de oplossing voor het armoedeprobleem. Ik zag het alleen als een manier om iedereen te sensibiliseren. Het is een beetje zoals de Wereldaidsdag op 1 december, wanneer iedereen een rood lintje draagt. Ook daarmee worden aids en hiv niet uit de wereld geholpen, maar preventiecampagnes hebben wel hun nut en kunnen de problematiek onder de aandacht brengen. Het gaat om een sensibilisering. Bij armoede gaat die speciale dag samen met concrete maatregelen om armoede aan te pakken. Mevrouw Vogels begrijpt zeker wat ik bedoel, ze is een beetje de moeder van de actieplannen. Ik herinner me nog dat ze als minister ook een preventieplan tegen aids lanceerde met de welluidende titel "Eerst blabla en dan boemboem".

Armoede los je helaas niet op met één wonderformule of één magische maatregel. Er is een coherent beleid nodig, waarbij iedereen zijn of haar verantwoordelijkheid dient op te nemen. Als voormalig minister herinnert mevrouw Vogels zich zonder twijfel nog hoe moeilijk het is om een impact te krijgen op de armoedecijfers. Dat was het zelfs in tijden van hoogconjunctuur.

Mijn boodschap van gisteren was dubbel. Alleen door samenwerking kunnen we vooruitgang boeken in de strijd tegen armoede, en met aandacht voor de EU2020-doelstellingen.

Mevrouw Vogels heeft het goed gelezen: het federaal plan armoedebestrijding telt 118 maatregelen die door de hele regering gedragen worden en die onder zes belangrijke strategische doelstellingen vallen. Een daarvan heeft een rechtstreekse impact op het armoederisicocijfer: het verzekeren van een sterke sociale bescherming. Uit de cijfers blijkt dat de sociale uitkeringen het armoederisicopercentage verminderen van 27% naar 15%, wat neerkomt op een reductie met 45%. Een goede sociale bescherming is met andere woorden onontbeerlijk om armoede te voorkomen. Verder zijn er initiatieven rond energiekosten, schuldenlast, sociale tarieven enzovoort.

De regering engageert zich ook om rekening houdend met de beschikbare financiële middelen en met de marges van de welvaartsenveloppe, de laagste socialezekerheidsuitkeringen en de bijstandsuitkeringen geleidelijk aan op te trekken. Daarbij zal ze rekening houden met de sociale voordelen die met die vervangingsinkomens samengaan om op termijn de drempel van het armoederisico in aanmerking te nemen. Ze zal dat uiteraard doen in overleg met de sociale partners.

Als staatssecretaris voor Armoedebestrijding ijver ik er sterk voor om dit engagement na te leven.

Mevrouw Mieke Vogels (Groen). - Ik ben blij dat de staatssecretaris zich mijn campagne ter bestrijding van aids herinnert. Het voorkomen van aids heeft alles te maken met persoonlijk gedrag van mensen, namelijk met veilig vrijen. Het voorkomen van armoede heeft weinig te maken met persoonlijk gedrag, maar wel met structurele ingrepen, en die verwacht ik van de staatssecretaris en van de regering. Wie langdurig ziek is, kiest daar niet voor, maar wordt arm door de te lage uitkeringen. Daaraan kan "eerst blabla en dan boemboem" niets veranderen. Armoedebestrijding heeft te maken met inkomensherverdeling en met het optrekken van uitkeringen tot boven de Europese armoedegrens. Pas als die actiepunten een prioriteit worden van de regering zal er een einde komen aan de stijging van de armoede.

Mondelinge vraag van de heer Philippe Mahoux aan de minister van Werk over «het controleren van werknemers door middel van quality monitoring» (nr. 5-668)

De heer Philippe Mahoux (PS). - Het basisprincipe van quality monitoring is de opname van de verschillende contacten van de werknemers met de klanten van hun bedrijf. Het kan gaan om telefonische contacten, e-mailcontacten, voicemailberichten of contacten via om het even welke technologie. Sommigen beweren dat men door de kwaliteit van de contacten met potentiële klanten te monitoren de prestaties van een onderneming kan optimaliseren en tegelijkertijd de werknemers kan stimuleren.

Ik ben van oordeel dat een voortdurend toezicht op de werknemers via telefoontap of een ander technologie een zware aanslag vormt op de bescherming van de grondrechten en meer bepaald op de persoonlijke levenssfeer. In februari 2005 heb ik overigens een wetsvoorstel ingediend dat ertoe strekt de wettelijke regels inzake het toezicht te perfectioneren door rekening te houden met de specifieke situatie van werknemers in het raam van de geolokalisatie. Ik heb toen voorgesteld om dat toezicht ondergeschikt te maken aan een akkoord tussen de sociale partners.

In september 2005 heeft de Commissie voor de Bescherming van de Persoonlijke Levenssfeer ter zake een positief advies uitgebracht. De Commissie heeft overigens gepreciseerd dat het akkoord tussen de sociale partners gewettigd moet zijn in het licht van de regels inzake finaliteit, toelaatbaarheid en proportionaliteit. Ten slotte moeten ook de transparantie- en informatieregels worden geëerbiedigd.

Inzake die regels die het respect voor de persoonlijke levenssfeer van de werknemers absoluut dienen te waarborgen, ben ik vandaag vooral bezorgd over de methode van de quality monitoring. Het zou ontoelaatbaar zijn dat de permanente telefoontap, die bovendien buiten het weten van de werknemers gebeurt, zich kan ontwikkelen in de ondernemingen.

Beschikt u over concrete informatie over die praktijk? Denkt u niet dat er maatregelen moeten worden genomen om de fundamentele rechten van de werknemers te vrijwaren?

Mevrouw Monica De Coninck, minister van Werk. - Mijn administratie heeft geen concrete informatie over praktijken van permanente telefoontap buiten het weten van de werknemers. Die zijn overigens strijdig met de wet. Het Toezicht op de Sociale Wetten ontvangt van tijd tot tijd vragen van ondernemers die bepaalde controlemaatregelen in het arbeidsreglement wensen op te nemen. Het gaat dan evenwel niet over praktijken buiten het weten van de werknemers.

Het spreekt voor zichzelf dat het opnemen en vastleggen waarover u het hebt, onaanvaardbaar en onduldbaar zijn. Dank zij de huidige technische mogelijkheden kan men een echte Big Brother installeren die aandachtig de handel en wandel van de werknemers volgt en al hun handelingen opneemt en vastlegt. We willen het niet zover laten komen. Het getuigt van gebrek aan eerbied voor de waardigheid van de werknemer. Bij het betreden van de onderneming ziet een werknemer niet af van zijn recht op een persoonlijke levenssfeer. We blijven het hebben over een samenwerking tussen personen. Die moet vertrouwen inboezemen en geen wantrouwen. Ik ben van oordeel dat het merendeel van de werkgevers bij het uitoefenen van de controle eigen aan hun gezag, zich laten leiden door hun gezond verstand. Dat kunnen we spijtig genoeg niet bij wet opleggen, evenmin als we alle mogelijke situaties nauwgezet kunnen reglementeren.

Artikel 314bis van het Strafwetboek verbiedt overigens om van communicatie kennis te nemen en ze op te nemen zonder de instemming van alle deelnemers aan die communicatie.

Over het algemeen is telefoontap dus verboden. In callcenters echter is het kennisnemen en het opnemen van elektronische communicatie in afwijking van het Strafwetboek bij artikel 128 van de wet inzake elektronische communicatie uitsluitend toegestaan met het oog op de kwaliteitscontrole op de dienstverlening. Dat artikel bepaalt ook de voorwaarden en de modaliteiten ervan. De gegevens mogen maximum een maand lang worden bewaard. De controle mag niet buiten het weten van de werknemers worden uitgevoerd; zij moeten worden ingelicht. De regels inzake finaliteit, toelaatbaarheid, proportionaliteit en transparantie dienen te worden geëerbiedigd. Permanente telefoontap bijvoorbeeld lijkt me disproportioneel. De Commissie voor de Bescherming van de Persoonlijke Levenssfeer moet van het bestaan van de opnames op de hoogte worden gebracht.

De heer Philippe Mahoux (PS). - Ik dank de minister voor haar antwoord, waarin ze opnieuw bevestigt dat bepaalde praktijken onwettig zijn. Haar optimisme over de spontane stijl in de arbeidsverhoudingen deel ik niet volkomen. Mocht dat zo zijn, dan zouden we het toch wel weten!

Ik wil de minister er alleen aan herinneren dat voor enkele jaren al een soortgelijke praktijk zou worden ingevoerd bij Belgacom. Op initiatief van het Parlement is toen beslist dat systemen voor de continue geolokalisatie van werknemers alleen mogen worden ingezet met het akkoord van de vakbonden opgenomen in de collectieve arbeidsovereenkomsten van de privésector of met het akkoord van de paritaire structuren in de openbare sector.

Ik benadruk dus dat het noodzakelijk is om op de hoogte te blijven van dat type praktijken. Voor het overige verwittigen de vakbonden van de privésector me van het bestaan van dat soort praktijken en van de gevaren die eruit voortvloeien.

Het is echter ook de rol van uw departement om inlichtingen in te winnen over die praktijken en vervolgens wetgevend of regelgevend op te treden en het onontbeerlijke dwingende kader te bepalen voor een tussen de vakbonden en de werkgevers overlegde toepassing ervan.

Mondelinge vraag van mevrouw Fauzaya Talhaoui aan de minister van Landsverdediging over «de mogelijke deelname van België aan de NAVO-ondersteuning van Turkije in het conflict in Syrië» (nr. 5-670)

Mevrouw Fauzaya Talhaoui (sp.a). - Al enkele weken is het onduidelijk of het conflict tussen Turkije en Syrië verder zal escaleren. De kans is reëel dat de Turkse regering alsnog een militaire confrontatie zal aangaan met de Syrische autoriteiten. De berichtgeving leert ons dat er nog geen troepen de grens zijn overgestoken, maar dat er over de grenzen heen toch verschillende beschietingen plaatsvonden en dat aan beide kanten militaire apparatuur in gereedheid wordt gebracht.

De secretaris-generaal van de NAVO, Anders Rasmussen, liet ondertussen ook weten dat de NAVO alle nodige plannen klaar heeft om lidstaat Turkije te beschermen als dat nodig blijkt. Alle NAVO-leden zijn verplicht elkaar bij te staan indien één van de NAVO-leden wordt aangevallen. Het gaat om artikel 5 van het NAVO-verdrag.

In De Standaard konden we ook lezen dat minister Reynders tijdens zijn bezoek aan de vluchtelingenkampen in Turkije liet weten dat hij blijft inzetten op de `bevrijde zones' die de rebellen vooral in het noorden al konden innemen, en dat we hun misschien wapens konden leveren, al voegde hij eraan toe dat het daar nu nog te vroeg voor is. Wanneer er een "echte autoriteit" in de bevrijde zones is, zo stelde hij, wordt voor hem ook steun van buitenlandse militairen, liefst uit de regio, mogelijk. Maar ook Belgische militairen zijn volgens de minister een optie, bijvoorbeeld voor opleiding of logistiek.

België is lid is van de NAVO; volgens mij is de minister van defensie dan ook de aangewezen persoon om enkele vragen over militaire steun aan Turkije te stellen.

Is ons land inderdaad van plan om militaire steun te bieden als de NAVO-partners ons daarom vragen? Is daarover in de regering al gesproken? Wat is het regeringsstandpunt daaromtrent? Zoals we in Afghanistan en in Libië hebben gezien, kan een conflict heel snel escaleren.

De heer Pieter De Crem, minister van Landsverdediging. - De vraag van mevrouw Talhaoui gaat over de NAVO-ondersteuning van Turkije in het conflict in Syrië. De vraag was iets langer dan ik had verwacht. Mijn antwoord zal kort zijn. Ik zou mij er gemakkelijk kunnen vanaf maken door te zeggen dat die vraag aan de minister van Buitenlandse Zaken moet worden gesteld, maar we kunnen het ook iets ruimer bekijken.

Een inzet van Belgische militairen in het kader van een NAVO-opdracht, op grond van artikel 4 en/of artikel 5 van het NAVO-Verdrag, moet uiteraard gebeuren nadat de Belgische regering een officieel verzoek daartoe van de NAVO heeft ontvangen. Dat is tot op heden niet gebeurd.

Bovendien moet ook de Ministerraad akkoord gaan om een dergelijke operatie in gang te zetten en een engagement aan te gaan. Ook dat is op dit moment niet gebeurd.

Dat bleek ook uit de besluiten van de NAVO-Top vorige week.

Wanneer de internationale gemeenschap op of aan de grens van het Syrische grondgebied een militaire of humanitaire actie wil organiseren, moet eerst een resolutie in de Verenigde Naties worden goedgekeurd.

Mevrouw Fauzaya Talhaoui (sp.a). - Ik stelde de vraag omdat een situatie soms snel kan escaleren. Ik weet ook wel dat officieel geen verzoek aan België werd gericht en dat er nog discussies lopen in de VN. Desalniettemin hoop ik dat de regering al nadenkt over het antwoord dat ze zal geven, als de vraag ooit zou worden gesteld. Ik hoop vooral dat we niet in een hachelijk avontuur worden meegesleept.

Mondelinge vraag van de heer Willy Demeyer aan de minister van Justitie over «de uitbreiding van het veiligheidskorps van de justitiepaleizen» (nr. 5-666)

De heer Willy Demeyer (PS). - Sedert september beschikt het gerechtelijk arrondissement Luik over een nieuw gerechtsgebouw. Daarmee wordt het centrale karakter van de justitie te Luik bevestigd, wat mij ten zeerste verheugt.

De werklast van de politiezone Luik, die nu ook nog moet instaan voor de bescherming van dat gerechtsgebouw, is dus nog toegenomen.

De politie van de hoven en rechtbanken, alsook de bewaking van de gedetineerden wanneer ze voor de gerechtelijke overheden verschijnen, zijn opdrachten van de federale politie. Krachtens de artikelen 61 en 62 van de wet op de geïntegreerde politiedienst en overeenkomstig de richtlijn MFO-1 worden die opdrachten van de federale politie uitgevoerd door de lokale politie.

De algemene beleidsnota bepaalt: "in de FOD Justitie moet het veiligheidskorps worden uitgebouwd (...) omgevormd tot een korps belast met het veiligheidstoezicht in de gerechtsgebouwen, tijdens de terechtzittingen en bij het transport van de gedetineerden."

Die maatregel zou de lokale politie in staat moeten stellen zich te concentreren op haar basisopdrachten en, overeenkomstig het regeerakkoord, meer aanwezig te zijn op straat.

Hoe staat het met de uitbreiding van het veiligheidskorps? Krijgt de politiezone Luik binnenkort extra personeel?

Mevrouw Annemie Turtelboom, minister van Justitie. - Het regeerakkoord voorziet inderdaad in de ondersteuning van de politie voor een reeks meer operationele taken, zoals het toezicht op de gerechtsgebouwen; dat soort taken stemt overeen met de opdrachten van het veiligheidskorps. Zoals u kunt vaststellen, zal het veiligheidskorps aanzienlijk moeten uitbreiden.

Om de nieuwe opdrachten van de diensten te kunnen garanderen, werd een vraag om extra personeelsleden ingediend voor de begroting 2013. Er is onder andere ook een vraag ingediend voor de versterking van het veiligheidskorps van Luik, inzonderheid voor het gerechtsgebouw. Dergelijke beslissingen zullen uiteraard genomen worden in het kader van het begrotingsconclaaf.

Mondelinge vraag van mevrouw Christine Defraigne aan de minister van Justitie over «de stemplicht» (nr. 5-672)

Mevrouw Christine Defraigne (MR). - Mevrouw de minister, enkele dagen vóór de gemeente- en provincieraadsverkiezingen hebt u verklaard dat Justitie de kiezers die niet zouden gaan stemmen, niet zou vervolgen.

Die aankondiging heeft grote koppen gehaald in de pers. De krant die in mijn streek het meest gelezen wordt, heeft erover bericht op de eerste, de tweede en de derde bladzijde en schreef: ga niet stemmen, u loopt geen enkel risico!

Tot bewijs van het tegendeel is de stemming een grondwettelijke verplichting. Voor zover ik weet, maakt deze bepaling geen deel uit van de bepalingen die op korte of lange termijn voor herziening vatbaar zijn gesteld. De stemming is grondwettelijk verplicht en wie niet komt stemmen is strafbaar.

U weet hoe ongeïnteresseerd onze burgers in het algemeen soms zijn voor de staat en de politiek, maar deze uitlatingen hebben duidelijk invloed gehad op een aantal kiezers: 25% is niet komen stemmen in de stad Luik, dat is nooit eerder gezien!

U bent enigszins teruggekomen op die woorden, want in Le Soir hebt u gezegd dat Justitie niet vervolgt, maar dat men toch moet gaan stemmen.

Het is nogal verbazend en opmerkelijk dat de minister aanspoort om de wet en de Grondwet niet na te leven. Men kan zich zelfs afvragen of dit geen negatieve injunctie is ten opzichte van het parket, wat formeel verboden is door de Grondwet.

U bewijst de burgers een slechte dienst. Indien bepaalde parketten desondanks beslissen toch vervolgingen in te stellen en er een prioriteit van het strafbeleid van te maken, zullen burgers gestraft worden en boetes moeten betalen. Men kan zich ook afvragen of hier eventueel geen sprake is van mededaderschap aan een overtreding.

Hoe beoordeelt u de gevolgen van uw aankondiging? Hoe bent u van plan het probleem van de stemplicht aan te pakken? Een minister van Justitie mag niet actievoeren voor een partij.

Mevrouw Annemie Turtelboom, minister van Justitie. - De opkomstplicht bestaat sinds 1893. Ook werd het algemeen meervoudig stemrecht ingevoerd. Sedertdien is niets veranderd.

De opkomstplicht is vastgelegd in artikel 62, derde lid, van de Grondwet: "De samenstelling van de kiescolleges wordt door de wet geregeld. De verkiezingen geschieden volgens het stelsel van evenredige vertegenwoordiging dat door de wet wordt vastgesteld. De stemming is verplicht en geheim. Zij heeft plaats in de gemeente, behoudens de bij de wet te stellen uitzonderingen."

"Opkomstplicht" mag niet worden verward met "stemplicht": niemand kan verplicht worden een stem uit te brengen voor een lijst of een kandidaat.

Voor de lokale verkiezingen wordt stemrecht verleend aan de kiezers uit de EU en de kiezers die van buiten de EU komen, volgens specifieke voorwaarden.

Ik heb in mijn hoedanigheid van minister van Justitie de parketten niet gevraagd geen vervolging in te stellen tegen de personen die niet zouden gaan stemmen. Net als mijn voorganger in 2009 en 2010 heb ik het College van procureurs-generaal gevraagd alle parketten een richtlijn te bezorgen met het uitdrukkelijk verzoek de voorzitters en de bijzitters te vervolgen die zich niet in het stembureau zouden hebben gemeld.

Mevrouw Christine Defraigne (MR). - Mevrouw de minister, u hebt duidelijk gezegd dat Justitie de personen die niet zouden gaan stemmen, niet zou vervolgen. De vervolging van de voorzitters en bijzitters die zich niet in de stembureaus zouden hebben gemeld, is één zaak, maar de vervolging van de kiezers die zich niet zouden hebben gehouden aan de grondwettelijke stemplicht is een andere zaak.

U gaat onzorgvuldig om met de Grondwet en de strafwet. Ik stel uw uitlatingen gelijk met een negatieve injunctie, en zoals ik gezegd heb, laat u onze burgers belangrijke risico's lopen.

Het democratisch signaal dat u gegeven hebt met uw verklaringen is niet alleen een flater, maar ook een politieke fout.

Mondelinge vraag van mevrouw Zakia Khattabi aan de minister van Justitie over «de strafrechtelijke schikkingen» (nr. 5-673)

Mevrouw Zakia Khattabi (Ecolo). - De wet die in mei 2011 werd aangenomen om strafrechtelijke schikkingen te maken, werd door de groenen ten zeerste gelaakt. Door deze wet kunnen de meest welgestelden immers aan vervolging ontsnappen tegen betaling van een bepaald bedrag. Er werd dus een klassenjustitie ingevoerd op maat van de witteboordencriminaliteit.

We hebben daarvan bevestiging gekregen bij de ontknoping van een zaak die door Le Canard enchaîné aan het licht werd gebracht en waarover in de Belgische pers sedertdien ruimschoots werd bericht. In dat geval kon de persoon die de 234e plaats inneemt op de ranglijst van de rijkste mensen ter wereld - en die in de zaak-Tractebel veroordeeld werd voor fiscale fraude - aan een gevangenisstraf ontsnappen mits betaling van 23 miljoen euro.

Los van dit dossier, zou ik graag de stand van zaken kennen in verband met de minnelijke schikkingen in strafzaken sedert de uitbreiding van de wet.

Hoeveel schikkingen werden getroffen sedert de inwerkingtreding van de wet? Wat is de aard van die schikkingen? Op welk ogenblik van de strafprocedure werden ze getroffen? Welke bedragen werden betaald als tegenprestatie en waarvoor zullen ze worden bestemd?

Mevrouw Annemie Turtelboom, minister van Justitie. - Sedert de wijziging van de wet van 6 mei 2011 is het verval van strafvordering tegen betaling van een geldsom mogelijk zolang er geen definitieve uitspraak is gedaan - incluis een uitspraak in beroep voor het Hof van Cassatie - en voor zover de persoon die de feiten gepleegd heeft, bereid is de schade te vergoeden.

Op 24 mei 2012 werd een gezamenlijke omzendbrief van de minister van Justitie en het College van procureurs-generaal goedgekeurd.

De uitbreiding van de schikking maakt het mogelijk op een realistische wijze tal van problemen op te lossen die verband houden met de complexiteit van het dossier, de competentie van de verschillende actoren en de duur van de strafprocedures.

Het verruimd verval van de strafvordering tegen betaling van een geldsom - VVSBG - werd reeds viermaal toegepast in het arrondissement Antwerpen en vijfmaal in het arrondissement Brussel.

Op vroegere parlementaire vragen heb ik al geantwoord dat de Belgische Staat via het VVSBG tussen juni 2011 en juni 2012 ongeveer 40 607 540,42 euro ontvangen heeft voor het arrondissement Antwerpen en 24 777 746 euro voor het arrondissement Brussel. Wegens de korte termijn die mij werd toegestaan voor het antwoord op uw vraag heb ik deze cijfers niet kunnen actualiseren. Ik zal u later de meest recente cijfers mededelen.

De bedragen die geïnd worden in het kader van de schikkingen komen toe aan de Schatkist.

Mevrouw Zakia Khattabi (Ecolo). - Ik dank u voor uw antwoord. U zegt dat u wegens de opgelegde termijn niet meer details kunt geven. Ik herinner u eraan dat ik een maand geleden reeds een schriftelijke vraag heb ingediend over dit onderwerp.

U weet wellicht dat onze fractie een wetsvoorstel heeft ingediend tot opheffing van de uitbreiding van de strafrechtelijke schikking. Deze regering geeft de rechtzoekende over het algemeen een onduidelijk beeld over haar justitiebeleid. Enerzijds wordt de strafrechtelijke schikking uitgebreid, maar anderzijds wenst men de straffen te verzwaren voor overtredingen waarvoor dat volgens ons niet nodig lijkt.

In het beste geval is uw beleid onduidelijk en treedt u ondoordacht op, in het slechtste geval bevestigt u onze analyse en is uw regering verantwoordelijk voor de invoering van een klassenjustitie.

Mondelinge vraag van de heer Filip Dewinter aan de minister van Justitie over «de overbevolking in de Antwerpse gevangenis» (nr. 5-675)

De heer Filip Dewinter (VB). - Iedereen is op de hoogte van de overbevolking, het personeelstekort en de hoge werkdruk in de Antwerpse gevangenis. In de Begijnenstraat zijn er momenteel 740 gedetineerden, hoewel er maar plaats is voor 430. Ik weet dat de minister zal antwoorden dat in november honderd extra plaatsen in Wortel vrijkomen en in december zeventig in Turnhout, en dat de voltooiing van de gevangenis in Beveren ook extra capaciteit zal bieden. Idem dito voor de forensische psychiatrische centra in Gent en in Antwerpen. Dat lost het probleem in Antwerpen vandaag evenwel helemaal niet op.

Einde september, in volle gemeentelijke verkiezingscampagne, heeft de minister voorgesteld om een gevangenisboot in Antwerpen in te richten met een capaciteit van 500 tot 600 mensen. In Nederland zijn al drie dergelijke boten in gebruik, met naar ik heb vernomen positieve gevolgen.

Hoe wil de minister het probleem van de overbevolking van de Antwerpse gevangenis oplossen, vooral rekening houdend met de nieuwe stakingsaanzeggingen? Vorige week werd overigens opnieuw een korte syndicale actie gevoerd.

Wat is de stand van zaken met betrekking tot de gevangenisboot in Antwerpen? Ik kan me immers niet inbeelden dat het voorstel alleen een electorale stunt was en dat de minister hieraan verder geen gevolg meer zal geven.

Mevrouw Annemie Turtelboom, minister van Justitie. - Ik ben me bewust van de problematische situatie in de gevangenis in de Begijnenstraat te Antwerpen. Die instelling biedt plaats aan 439 gedetineerden, maar wordt geregeld door een 700-tal gedetineerden bevolkt. De voorbije dagen was er zelfs een uitzonderlijke piek.

Onlangs werden twee nieuwe vleugels geopend: een sectie in Turnhout met 74 plaatsen en een nieuwe vleugel te Wortel met 114 plaatsen. Bij de opvulling daarvan wordt maximaal voorrang gegeven aan gedetineerden uit Antwerpen, teneinde de penitentiaire instelling in de Begijnenstraat zoveel mogelijk te ontlasten.

Op lange termijn voorziet het masterplan ook in de bouw van een gevangenis te Beveren met 300 plaatsen. Het einde van de werken is tegen begin 2014 gepland. Die instelling moet de sectie `veroordeelden' van de penitentiaire instelling in de Begijnenstraat te Antwerpen vervangen. Ook het FPC Antwerpen, dat gepland is in 2015, met 180 plaatsen zal de psychiatrische annex van de Begijnenstraat ontlasten. Daarnaast is voorzien in de bouw van een nieuw arresthuis, ter vervanging van de sectie `beklaagden' van de penitentiaire instelling in de Begijnenstraat. De studieronde is nog niet voltooid, maar dat geplande arresthuis zal op termijn plaats bieden aan een 300-tal gedetineerden. Met andere woorden, de capaciteit voor Antwerpen-stad zal op middellange termijn worden verhoogd van 439 naar 780 plaatsen.

Als minister van Justitie sta ik open voor alle mogelijkheden om nieuwe capaciteit te creëren. Mijn diensten onderzoeken de inrichting van een gevangenisboot, maar moeten uiteraard rekening houden met technische bezwaren en adviezen van andere overheden. Een dergelijk proces kan, zeker in Vlaanderen, enige tijd in beslag nemen.

De heer Filip Dewinter (VB). - Ik begrijp dat de Antwerpse gevangenissen nog enige tijd met de huidige overbevolking zullen blijven kampen en dat de lijdensweg nog niet ten einde is. Er worden alternatieven gepland, maar het duurt nog even vooraleer ze zullen worden gerealiseerd.

Uiteraard zijn de cipiers het meest bezorgd over de huidige overbevolking en over de problemen die ze met zich meebrengt, maar de minister heeft geen oplossing voor de korte termijn.

Wat me meer zorgen baart, is de houding van de minister ten aanzien van de gevangenisboot, waar ik een groot voorstander van ben. Ik betreur dat de voorstellen van de minister niet veel meer inhouden dan campagne voeren. In de praktijk heeft ze niet de intentie om dat idee uit te voeren en er werk van te maken.

Het is nochtans een goed voorstel. In Nederland zijn op verschillende plaatsen dergelijke gevangenisboten ingericht. Dat zou ook in Antwerpen mogelijk zijn, mits de betrokken politieke verantwoordelijken enige goede wil aan de dag leggen. Ik hoop dat de minister alsnog werk wil maken van dat voorstel.

Inoverwegingneming van voorstellen

De voorzitster. - De lijst van de in overweging te nemen voorstellen werd rondgedeeld.

Zijn er opmerkingen?

Aangezien er geen opmerkingen zijn, beschouw ik die voorstellen als in overweging genomen en verzonden naar de commissies die door het Bureau zijn aangewezen.

(De lijst van de in overweging genomen voorstellen wordt in de bijlage opgenomen.)

Regeling van de werkzaamheden

De voorzitster. - Het Bureau stelt voor volgende week deze agenda voor:

Donderdag 25 oktober 2012 om 15 uur

Actualiteitendebat en mondelinge vragen.

Inoverwegingneming van voorstellen.

-De Senaat is het eens met deze regeling van de werkzaamheden.

De voorzitster. - De agenda van deze vergadering is afgewerkt.

De volgende vergadering vindt plaats op donderdag 25 oktober om 15 uur.

(De vergadering wordt gesloten om 16.25 uur.)

Berichten van verhindering

Afwezig met bericht van verhindering: de heer Morael, om gezondheidsredenen, de heer Pieters, om familiale redenen, de heren Anciaux en Miller, met opdracht in het buitenland, de heren Deprez en Tommelein, wegens andere plichten.

-Voor kennisgeving aangenomen.

Bijlage

In overweging genomen voorstellen

Wetsvoorstellen

Artikel 81 van de Grondwet

Wetsvoorstel tot wijziging van de arbeidswet van 16 maart 1971 voor wat het zondagswerk betreft (van de heer Bart Tommelein; Stuk 5-1800/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden

Wetsvoorstel tot oprichting van een Hoge Raad voor deontologie van de gezondheidszorgberoepen en tot vaststelling van de algemene beginselen voor de oprichting en de werking van de Orden van de gezondheidsberoepen (van mevrouw Marleen Temmerman en de heer Bert Anciaux; Stuk 5-1803/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden

Wetsvoorstel tot oprichting van een Nederlandstalige Orde van artsen en een Franstalige en Duitstalige Orde van artsen (van mevrouw Marleen Temmerman en de heer Bert Anciaux; Stuk 5-1804/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden

Wetsvoorstel tot oprichting van een Nederlandstalige Orde van apothekers en een Franstalige en Duitstalige Orde van apothekers (van mevrouw Marleen Temmerman en de heer Bert Anciaux; Stuk 5-1805/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden

Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 216bis van het Wetboek van strafvordering betreffende de minnelijke schikking in strafzaken (van de dames Zakia Khattabi en Freya Piryns; Stuk 5-1809/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie

Wetsvoorstel tot wijziging van de artikelen 209 en 210 van het Wetboek van strafvordering (van de heer Philippe Mahoux c.s.; Stuk 5-1810/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie

Voorstellen van resolutie

Voorstel van resolutie over het instellen op Europees niveau van sociale en milieurechten via een herziening van het douanewetboek (van de heer Jacky Morael c.s.; Stuk 5-1807/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging

Voorstel van resolutie betreffende de overeenkomsten tussen de Europese Unie en de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie (BLEU) en diverse Staten inzake de wederzijdse bevordering en bescherming van investeringen (van de heer Jacky Morael en mevrouw Freya Piryns; Stuk 5-1808/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging

Samenstelling van commissies

Met toepassing van artikel 21-4, tweede zin, van het Reglement werden de volgende wijzigingen in de samenstelling van de volgende commissies aangebracht:

Commissie voor de Institutionele Aangelegenheden:

Commissie voor de Justitie:

Commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden:

Commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden:

Commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging:

Parlementaire overlegcommissie:

Bijzondere Commissie voor de opvolging van buitenlandse missies

Vragen om uitleg

Het Bureau heeft volgende vragen om uitleg ontvangen:

Kamer van volksvertegenwoordigers

Bij boodschap van 9 oktober 2012 heeft de Kamer van volksvertegenwoordigers aan de Senaat laten weten dat zij zich ter vergadering van die dag geconstitueerd heeft.

-Voor kennisgeving aangenomen.

Evocatie

De Senaat heeft bij boodschap van 18 oktober 2012 aan de Kamer van volksvertegenwoordigers ter kennis gebracht dat tot evocatie is overgegaan, op die datum, van het volgend wetsontwerp:

Wetsontwerp tot verbetering van de aanpak van seksueel misbruik en feiten van pedofilie binnen een gezagsrelatie (Stuk 5-1769/1).

-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Boodschappen van de Kamer

Bij boodschappen van 19 juli 2012 heeft de Kamer van volksvertegenwoordigers aan de Senaat overgezonden, zoals ze ter vergadering van dezelfde dag werden aangenomen:

Artikel 77 van de Grondwet

Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten met het oog op de verbetering van de aanpak van seksueel misbruik en feiten van pedofilie binnen een gezagsrelatie (Stuk 5-1770/1).

-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Wetsontwerp tot wijziging van het Kieswetboek en van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten, ingevolge de instelling van een nieuwe beschermingsstatus die strookt met de menselijke waardigheid (Stuk 5-1775/1).

-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Artikel 78 van de Grondwet

Wetsontwerp tot hervorming van de regelingen inzake onbekwaamheid en tot instelling van een nieuwe beschermingsstatus die strookt met de menselijke waardigheid (Stuk 5-1774/1).

-Het ontwerp werd ontvangen op 20 juli 2012; de uiterste datum voor evocatie is dinsdag 23 oktober 2012.

-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 19 juli 2012.

Kennisgeving

Wetsontwerp houdende instemming met de Economische Partnerschapsovereenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Cariforumstaten, anderzijds, en de Slotakte, gedaan te Bridgetown, Barbados, op 15 oktober 2008 (Stuk 5-1496/1).

-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 19 juli 2012 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst tussen de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie en de Regering van de Staat Qatar inzake de wederzijdse bevordering en bescherming van investeringen, gedaan te Dawhaw op 6 november 2007 (Stuk 5-1529/1).

-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 19 juli 2012 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst tussen de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie, enerzijds, en de Republiek Tadzjikistan, anderzijds, inzake de wederzijdse bevordering en bescherming van investeringen, gedaan te Brussel op 10 februari 2009 (Stuk 5-1553/1).

-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 19 juli 2012 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.

Wetsontwerp houdende instemming met de Wijzigingen van de Bijlagen II en III bij het Verdrag van Parijs van 22 september 1992 inzake de bescherming van het marien milieu van de Noordoostelijke Atlantische Oceaan, aangenomen te Oostende op 29 juni 2007 (Stuk 5-1573/1).

-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 19 juli 2012 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.

Wetsontwerp houdende instemming met het Verdrag nr. 176 van de Internationale Arbeidsorganisatie betreffende de veiligheid en gezondheid in mijnen, aangenomen te Genève op 22 juni 1995 (Stuk 5-1589/1).

-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 19 juli 2012 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.

Wetsontwerp houdende instemming met het Aanvullend Akkoord tussen het Koninkrijk België en de Europese Organisatie voor de veiligheid van de luchtvaart bij het Internationaal Verdrag tot samenwerking in het belang van de veiligheid van de luchtvaart "Eurocontrol" van 13 december 1960, inzake de voorrechten en immuniteiten van de Organisatie, en zijn Gemeenschappelijke Verklaring, gedaan te Brussel op 17 juli 2006 (Stuk 5-1590/1).

-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 19 juli 2012 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.

Wetsontwerp houdende instemming met het Akkoord over het wegvervoer tussen de Belgische Regering en de Macedonische Regering, ondertekend te Skopje op 10 september 1998 (Stuk 5-1606/1).

-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 19 juli 2012 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.

Wetsontwerp houdende instemming met het Akkoord over het wegvervoer tussen de Regering van het Koninkrijk België en de Regering van Georgië, ondertekend te Brussel op 19 maart 2002 (Stuk 5-1607/1).

-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 19 juli 2012 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.

Wetsontwerp houdende instemming met het Akkoord tussen de Regering van het Koninkrijk België en de Regering van de Republiek Kazachstan over het internationaal wegvervoer, ondertekend te Brussel op 5 december 2006 (Stuk 5-1608/1).

-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 19 juli 2012 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.

Wetsontwerp houdende instemming met het Akkoord tussen de Regering van het Koninkrijk België en de Regering van de Republiek Albanië betreffende het internationaal wegvervoer, ondertekend te Tirana op 25 april 2006 (Stuk 5-1609/1).

-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 19 juli 2012 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.

Wetsontwerp houdende instemming met het Akkoord tussen de Regering van het Koninkrijk België en de Regering van de Russische Federatie over het internationale wegvervoer, ondertekend te Moskou op 2 maart 2007 (Stuk 5-1614/1).

-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 19 juli 2012 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst tussen de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie, enerzijds, en de Republiek Togo, anderzijds, inzake de wederzijdse bevordering en bescherming van investeringen, gedaan te Lomé op 6 juni 2009 (Stuk 5-1615/1).

-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 19 juli 2012 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst tussen de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie, enerzijds, en Montenegro, anderzijds, inzake de wederzijdse bevordering en bescherming van investeringen, gedaan te Podgorica op 16 februari 2010 (Stuk 5-1616/1).

-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 19 juli 2012 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst tussen de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie, enerzijds, en de Regering van de Republiek Kosovo, anderzijds, inzake de wederzijdse bevordering en bescherming van investeringen, gedaan te Pristina op 9 maart 2010 (Stuk 5-1617/1).

-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 19 juli 2012 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.

Wetsontwerp houdende instemming met het Facultatief protocol bij het Verdrag inzake de veiligheid van VN-personeel en geassocieerd personeel, gedaan te New York op 8 december 2005 (Stuk 5-1630/1).

-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 19 juli 2012 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.

Wetsontwerp houdende instemming met het Verdrag tussen het Koninkrijk België en het Koninkrijk der Nederlanden voor de ontwikkeling van de samenwerking en van de wederzijdse administratieve bijstand op het gebied van de sociale zekerheid, gedaan te Brussel op 6 december 2010 (Stuk 5-1654/1).

-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 19 juli 2012 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.

Wetsontwerp houdende instemming met het Protocol van 2002 bij het Verdrag van Athene van 1974 inzake het vervoer van passagiers en hun bagage over zee, gedaan te Londen op 1 november 2002 (Stuk 5-1671/1).

-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 19 juli 2012 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.

Wetsvoorstel tot wijziging van de gecoördineerde wetten van 31 december 1949 op het toekennen van de academische graden en het programma van de universitaire examens en van de wet van 7 juli 1970 betreffende de algemene structuur van het hoger onderwijs (van mevrouw Fatma Pehlivan en de heer Jan Durnez c.s.; Stuk 5-1697/1).

-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 19 juli 2012 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.

Indiening van wetsontwerpen

De Regering heeft volgende wetsontwerpen ingediend:

Wetsontwerp houdende instemming met volgende internationale akten:

1º het Internationaal Verdrag van 1990 inzake de voorbereiding op, de bestrijding van en de samenwerking bij olieverontreiniging, gedaan te Londen op 30 november 1990;

2º het Protocol van 2000 inzake de voorbereiding op, de bestrijding van en de samenwerking bij de voorvallen van verontreiniging door schadelijke en potentieel gevaarlijke stoffen, gedaan te Londen op 15 maart 2000. (Stuk 5-1777/1).

-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst betreffende de sociale zekerheid tussen het Koninkrijk België en de Republiek Argentinië, gedaan te Buenos Aires op 3 maart 2010 (Stuk 5-1778/1).

-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en de Republiek der Filipijnen inzake het verrichten van betaalde werkzaamheden door bepaalde gezinsleden van het diplomatiek en consulair personeel, gedaan te Brussel op 23 december 2009 (Stuk 5-1779/1).

-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst tussen de Belgische Regering en de Macedonische Regering inzake het verrichten van betaalde werkzaamheden door bepaalde gezinsleden van het diplomatiek en consulair personeel, gedaan te Brussel op 6 juli 2010 (Stuk 5-1780/1).

-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en de Republiek Albanië inzake het verrichten van betaalde werkzaamheden door bepaalde gezinsleden van het diplomatiek en consulair personeel, gedaan te Brussel op 14 oktober 2010 (Stuk 5-1781/1).

-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en de Republiek Servië inzake het verrichten van betaalde werkzaamheden door bepaalde gezinsleden van het diplomatiek en consulair personeel, gedaan te Belgrado op 17 februari 2010 (Stuk 5-1782/1).

-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en de Regering van de Federale Republiek Brazilië inzake het verrichten van betaalde werkzaamheden door bepaalde gezinsleden van het diplomatiek en consulair personeel, gedaan te Brussel op 4 oktober 2009 (Stuk 5-1783/1).

-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst betreffende de sociale zekerheid tussen het Koninkrijk België en de Federale Republiek Brazilië, ondertekend te Brussel op 4 oktober 2009 (Stuk 5-1785/1).

-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.

Wetsontwerp houdende instemming met het Verdrag van Singapore inzake het merkenrecht, het Uitvoeringsreglement en de Resolutie van de Diplomatieke Conferentie, gedaan te Singapore op 27 maart 2006 (Stuk 5-1787/1).

-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.

Wetsontwerp houdende instemming met de Uitwisseling van brieven tussen het Koninkrijk België en de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie betreffende de opening en de uitbating van een apotheek in de zetel van de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie, ondertekend te Brussel op 3 februari 2009 en 3 maart 2009 (Stuk 5-1788/1).

-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en Bosnië en Herzegovina inzake het verrichten van betaalde werkzaamheden door bepaalde gezinsleden van het diplomatiek en consulair personeel, gedaan te Brussel op 28 oktober 2010 (Stuk 5-1789/1).

-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.

Wetsontwerp houdende instemming met de Multilaterale Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, de Republiek Albanië, Bosnië en Herzegovina, de Republiek Bulgarije, de Republiek Kroatië, de Republiek IJsland, de Republiek Montenegro, de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, het Koninkrijk Noorwegen, de Republiek Servië, Roemenië en de Missie van de Verenigde Naties voor interimbestuur in Kosovo (UNMIK) betreffende de totstandbrenging van een Europese Gemeenschappelijke Luchtvaartruimte, gedaan te Luxemburg op 9 juni 2006 (Stuk 5-1795/1).

-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.

Wetsontwerp houdende instemming met de volgende internationale Akten:

1º het Achtste Protocol ter aanvulling van de Stichtingsakte van de Wereldpostvereniging;

2º het Eerste Protocol ter aanvulling van het Algemeen Reglement van de Wereldpostvereniging;

3º de Wereldpostconventie en het Slotprotocol;

4º de Overeenkomst betreffende de uitbetalingsdiensten van de post,

gedaan te Genève op 12 augustus 2008 (Stuk 5-1796/1).

-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.

Wetsontwerp houdende instemming met het Aanvullend protocol tussen het Koninkrijk België en de Internationale Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling, ondertekend te Brussel op 28 februari 2005 (Stuk 5-1801/1).

-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.

Wetsontwerp houdende instemming met het Europees Verdrag inzake het internationaal vervoer van gevaarlijke goederen over de binnenwateren (ADN), gedaan te Genève op 26 mei 2000 (Stuk 5-1802/1).

-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.

Ontslag en benoeming van regeringsleden

Bij brief van 18 oktober 2012 zendt de eerste minister een afschrift over van het koninklijk besluit met als opschrift "Regering - Ontslag - Benoeming".

-Voor kennisgeving aangenomen.

Grondwettelijk Hof - Arresten

Met toepassing van artikel 113 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, geeft de griffier van het Grondwettelijk Hof kennis aan de voorzitter van de Senaat van:

Grondwettelijk Hof - Prejudiciële vragen

Met toepassing van artikel 77 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, geeft de griffier van het Grondwettelijk Hof aan de voorzitter van de Senaat kennis van:

-Voor kennisgeving aangenomen.

Grondwettelijk Hof - Beroepen

Met toepassing van artikel 76 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, geeft de griffier van het Grondwettelijk Hof kennis aan de voorzitter van de Senaat van:

-Voor kennisgeving aangenomen.

Parlementair Comité belast met wetsevaluatie

Bij brief van 11 oktober 2012 heeft de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie, overeenkomstig artikel 11 van de wet van 25 april 2007 tot oprichting van een Parlementair Comité belast met wetsevaluatie aan de Senaat overgezonden, het verslag met een overzicht van de wetten die tijdens het voorbije gerechtelijk jaar (2012) moeilijkheden bij de toepassing of de interpretatie hebben opgeleverd voor de hoven en rechtbanken.

-Ter Griffie gedeponeerd.

Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding

Bij brief van 9 oktober 2012 heeft de directeur van het Centrum voor gelijkheid van kansen en racismebestrijding, overeenkomstig artikel 6 van de wet van 15 februari 1993 tot oprichting van een Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding, aan de Senaat overgezonden, het jaarverslag 2011 "Mensenhandel en -smokkel".

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie en de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden.