Belgische Senaat
Gewone Zitting 1999-2000
Plenaire vergaderingen
Donderdag 17 februari 2000
Namiddagvergadering
Beknopt Verslag
Inoverwegingneming
van voorstellen
Voordracht
van kandidaten voor het ambt van assessor bij de afdeling wetgeving van de Raad
van State
Wetsontwerp
tot wijziging van de artikelen 569 en 628 van het Gerechtelijk Wetboek (Stuk 2‑309)
In
overweging genomen voorstellen
Voorzitter:
de heer Armand De Decker
(De vergadering wordt geopend om 15.00 uur.)
De heer Philippe
Mahoux (PS).
– Ik zou aan de vice-eerste minister een probleem willen voorleggen dat een
voorbeeld vormt van de ongelijke behandeling van bedienden en arbeiders.
In het brugpensioenstelsel werd het statuut van arbeiders
en bedienden niet gelijkgesteld.
De bedienden ontvangen hun vakantiegeld in het jaar waarin
ze met brugpensioen gaan, de arbeiders pas in het daaropvolgende jaar.
Dat vakantiegeld wordt evenwel in aanmerking genomen voor
de vaststelling van de plafonds die bepalen of de bruggepensioneerde arbeider
al dan niet recht heeft op een korting krachtens artikel 146 en volgende van
het Wetboek van inkomstenbelastingen.
De arbeider heeft dus, als gevolg van de uitbetaling van
het vakantiegeld, in tegenstelling tot de bediende geen recht op de
belastingkorting van de artikelen 146 en volgende.
Om deze kennelijke discriminatie tussen bedienden en
arbeiders weg te werken is het voldoende het vakantiegeld van de arbeider uit
te betalen in het jaar dat hij met brugpensioen gaat zoals dat van de
bedienden. Wat denkt de vice-eerste minister hiervan?
Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en
minister van Werkgelegenheid. – Dat arbeiders en bedienden niet op dezelfde
manier behandeld worden, heeft een historische reden die niet meer verantwoord
is. De situatie is niet eenvoudig en heeft betrekking op drie besturen,
namelijk Werkgelegenheid, Financiën en Sociale Zaken. Aangezien het
vakantiegeld voor arbeiders door bijdragen gefinancierd wordt, zou een
vervroegde storting neerkomen op een dubbele bijdrage voor dat jaar. Artikel
171, 6° van het Wetboek op de Inkomstenbelasting heeft enkel betrekking op de
bedienden. Een wijziging van de belasting op het vakantiegeld voor arbeiders
impliceert dus ook een wijziging van dat artikel. Tot slot is mijn departement
betrokken partij, aangezien die vervroegde storting betrekking zou moeten
hebben op alle vormen van contract- of loopbaanbeëindiging. Toch sta ik er
positief tegenover en overweeg ik met mijn collega’s een werkgroep op te
richten.
De heer Philippe
Mahoux (PS).
– Het wijzigen van een reglementering vergt veel energie maar ik weet hoe
belangrijk u het vindt dat de huidige regeling voor de arbeiders wordt
gewijzigd.
Mevrouw Jacinta De Roeck (AGALEV). – Met verwondering las ik de resultaten van het onderzoek van het Belgisch Instituut voor Verkeersveiligheid naar het aantal ongevallen bij voetgangers die het zebrapad oversteken. Eén cijfer valt erg op: een stijging met 19,6% van de ongevallen op oversteekplaatsen. Meestal gaat het daarbij om kinderen en bejaarden. Sinds 1 april 1996 hebben voetgangers inderdaad voorrang op het zebrapad. Ze moeten de naderende automobilisten waarschuwen door een teken of met oogcontact.
Wat vindt de minister van dit cijfer? Is ze even erg geschrokken als ik?
Wat wil de minister doen om dit te verhelpen?
Wat denkt ze van de opmerking van de
Voetgangersbeweging, en ik citeer: “Laten we nu eindelijk een duidelijk en
eenvormig teken afspreken. Zoiets als de arm uitsteken voor fietsers die
afdraaien. Dan is er geen discussie meer. Dan kan de politie ook beter
controleren en desnoods beboeten.” Heeft de minister hierover al overleg
gepleegd met de Voetgangersbeweging?
Mevrouw Isabelle Durant, vice-eerste minister en minister van Mobiliteit en Vervoer. – De toename van het aantal ongevallen met voetgangers die oversteken op zebrapaden is inderdaad verontrustend.
Om te weten of er een direct verband is met de gewijzigde voorrangsregeling op zebrapaden, is bijkomend onderzoek nodig. Het verkeersreglement schrijft immers nieuwe gedragsregels zowel voor de bestuurders als voor de voetgangers. Het BIVV voerde daarover verschillende sensibiliseringscampagnes.
Daarnaast moeten ook begeleidende maatregelen worden genomen door de wegbeheerders zodat de voorrangsregeling zonder gevaar kan worden toegepast.
In de praktijk zijn er nog problemen met betrekking tot de naderingssnelheid van het autoverkeer en de zichtbaarheid van de oversteekplaatsen.
Ik sluit mij aan bij de besluiten van het onderzoek van het BIVV. Er is bijkomend onderzoek nodig naar het gedrag van bestuurders en voetgangers. Ik zal het BIVV daarmee belasten. De aanbevelingen van het BIVV moeten op ruimere schaal worden toegepast. De sensibilisering moet worden voortgezet onder meer via een BIVV-campagne in mei, als zowel de Verenigde Naties als het Vlaams Gewest de aandacht vestigen op de zwakke weggebruiker.
Het maken van een teken door de voetgangers of oogcontact worden door het verkeersreglement niet verplicht gesteld, maar zijn sterk aanbevolen. Ik heb er geen bezwaar tegen dat een eenvormig teken wordt afgesproken, maar ik wil dat niet verplichten. Het zou kunnen dat de voetganger hierdoor meer risico’s gaat nemen, terwijl het niet zeker is dat de naderende automobilist zijn teken heeft waargenomen, tenzij hij op zijn beurt een teken geeft, bijvoorbeeld met de lichten. Dergelijke afspraken zouden het principe van de voorrang voor de voetganger uithollen en bij ongevallen aanleiding geven tot betwistingen voor de rechter.
De voorstellen van de wegbeheerders om de oversteekplaatsen veiliger te maken, zullen bij de administratie gunstig onthaald worden.
Mevrouw Jacinta De Roeck (AGALEV). – Ik hoop dat tijdens de sensibilisatiecampagne van mei de aandacht zal gaan naar de lagere scholen en naar de seniorenraden.
Voor kinderen is
oogcontact niet doenbaar, omdat ze te klein zijn. Het opsteken van de arm werkt
wel bij fietsers, waarom dan niet bij voetgangers?
De heer
Georges Dallemagne (PSC). – In Bukavu is de burgermaatschappij alweer het
slachtoffer van de bezetting door het RCD. Op 12 februari jongstleden. werd de
aartsbisschop van Bukavu naar Butembo gebracht, dat door Rwanda wordt
gecontroleerd. De wereldorganisatie tegen foltering bevestigt deze verdwijning,
die samenvalt met het bezoek van kardinaal Etsou aan de Verenigde Staten. Het
RCD verklaarde de aartsbisschop persona non grata omdat hij in zijn kerstbrief
1999 zou hebben aangezet tot etnische haat. In die brief werd evenwel alleen
aangedrongen op gerechtigheid en de terugtrekking van de buitenlandse troepen.
De voorganger van Mgr. Kataliko werd vermoord en de Kerk werd ervan beschuldigd
te hebben aangezet tot een week van burgerlijke ongehoorzaamheid, die goed is
opgevolgd. Van de drie personen die tijdens die staking werden aangehouden zou
er één in levensgevaar verkeren. Volgens de speciaal rapporteur voor de
mensenrechten neemt de repressie in Kivu toe. Leden van
mensenrechtenorganisaties werden aangehouden en gefolterd. Volgens de heer
Garetton zijn de systematische schendingen van het recht op leven misschien
zelfs misdaden tegen de menselijkheid.
Welke maatregelen
heeft u genomen tegen deze ernstige schendingen van de mensenrechten en opdat
Mgr. Kataliko wordt vrijgelaten? De burgermaatschappij heeft een gunstige
invloed op het proces van vrede en verzoening in Kivu.
De heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken.
– De mensenrechten worden in Congo met voeten getreden. Zowel in de
regeringszone als in de door de rebellen gecontroleerde zone is de toestand
dramatisch. Tijdens de Afrikaanse week in de Veiligheidsraad hebben wij
verantwoordelijken van de Verenigde Naties ontmoet, die ons vertelden dat de
mensenrechten het ergst werden geschonden in het door de rebellen bezette
gedeelte.
Uit de
contacten die mijn departement op alle niveaus met de diverse machthebbers in
de regio onderhoudt, blijkt steeds meer dat wij ons terecht zorgen maken.
Afgelopen
week hebben de secretaris-generaal van mijn departement en mijn adviseur voor
Afrika de Rwandese autoriteiten erop gewezen dat deze schendingen
onaanvaardbaar zijn. Zij hebben herinnerd aan de verplichtingen die de strijdende
partijen en de plaatselijke overheden inzake internationale mensenrechten
moeten naleven. Zij hebben de Rwandese autoriteiten gevraagd dat deze hun
bondgenoten in Congo en in de regio zouden herinneren aan deze verplichtingen.
België
heeft zijn Europese partners bewust gemaakt van het probleem opdat de Europese
Unie erop aandringt dat de mensenrechten in het oostelijk gedeelte van Congo
worden nageleefd.
Wat Mgr.
Kataliko heeft meegemaakt is onaanvaardbaar. Dergelijke praktijken kan ik
alleen maar veroordelen, omdat ze indruisen tegen het fundamentele recht op
vrije meningsuiting.
België
zal erop toe blijven zien dat het Europese initiatief rekening houdt met het
lot van Mgr. Kataliko en van de burgerbevolking.
De heer Georges
Dallemagne (PSC). – Ik dank de vice-eerste minister voor zijn antwoord en voor de
initiatieven die hij in verband met deze situatie heeft genomen. Gelet op de
ernstige schendingen van de mensenrechten, verdienen de gebeurtenissen al zijn
aandacht. Volgens de gegevens waarover wij thans beschikken, eisten deze
schendingen reeds tienduizenden slachtoffers. Ik dank hem dus voor de aandacht
die hij aan deze situatie besteedt.
De heer Ludwig Caluwé (CVP). –In het raam van de besluitvorming omtrent de nachtvluchten besliste de ministerraad dat 40% van de reizigers die via Zaventem aankomen of vertrekken, tegen het jaar 2010 gebruik moet maken van het openbaar vervoer. Dat is een stijging met 22%. Het gaat hier om een nobele doelstelling; om ze te realiseren worden een hele reeks investeringen gepland.
Krijgt de NMBS extra middelen voor deze investeringen of moeten ze worden gerealiseerd binnen de huidige investeringsenveloppe?
Zullen deze investeringen buiten de 60/40- verdeelsleutel gehouden worden?
Indien de NMBS geen bijkomende middelen
toegeschoven krijgt, over welke investeringsruimte beschikt de NMBS buiten wat
nodig zal zijn voor het investeringsprogramma voor de ontsluiting van Zaventem
waarover de regering vorige vrijdag een beslissing nam? Welke geplande
investeringen zullen moeten worden geschrapt? Bestaat de kans dat de tweede
spoorontsluiting tot de Antwerpse Haven, waarvoor de NMBS ingevolge de
beslissingen rond Zaventem reeds een aanvraag tot herziening van het gewestplan
bij de Vlaamse regering heeft ingediend, op de lange baan geschoven wordt?
(Voorzitter: mevrouw Sabine de Bethune, eerste ondervoorzitter.)
Mevrouw Isabelle Durant, vice-eerste minister en minister van Mobiliteit en Vervoer. – Op 11 februari kwam de regering tot een akkoord over de infrastructuur die de toegang tot de luchthaven moet verbeteren. De uitvoeringsmodaliteiten van dit akkoord moeten nog worden uitgewerkt in het raam van het investeringsplan 2001-2010. De spoorinvesteringen in en rond Brussel buiten de HST worden ofwel gefinancierd binnen het NMBS-investeringsplan ofwel binnen het GEN-project, waarvan de financiering deel uitmaakt van een principeakkoord afgesloten tijdens de regeringsvorming. Daarin staat dat de financiering van het GEN niet ten koste mag zijn van de financiering van de NMBS. Het GEN-project is in ontwikkeling. De groep op hoog niveau die belast is met voorstellen aan de interministeriële conferentie, heeft zijn werkzaamheden hervat op 15 februari. Over het GEN moet een globaal samenwerkingsakkoord worden gesloten tussen de federale overheid en de gewesten. Het investeringsplan voor de NMBS voor 2001-2010 moet worden herzien. De onderhandelingen moeten parallel worden gevoerd. Het is nog niet mogelijk nu te zeggen welke keuzen zullen worden gemaakt en hoe de verdeling van de kosten zal gebeuren. Wat de 60/40-verdeelsleutel betreft, heb ik de heer Caluwé onlangs uitvoerig geïnformeerd.
Het geheel van de NMBS-investeringen moet dus worden geherdefinieerd. De projecten moeten daarvoor worden geglobaliseerd. Ze worden in het algemeen belang geselecteerd op basis van de globale mobiliteitsnoden. Dat is nodig als men een overstap van weg- naar spoorvervoer wil krijgen. Dat geldt in het bijzonder voor het goederenvervoer. In dat kader is het evident dat de tweede spoortoegang voor de Antwerpse haven een belangrijk project is, net zoals de spoorlijn Brussel-Luxemburg waarvoor de regering zich heeft geëngageerd.
Voor de problemen met de bouwvergunningen ben ik niet bevoegd. Er zijn trouwens nog andere belangrijke vragen, onder meer inzake veiligheid, rollend materieel en stations die ook moeten worden geïntegreerd in het investeringsplan. De onderhandelingen zullen dan ook moeilijk zijn. De discussie zal beginnen in het tweede semester van dit jaar.
De heer Ludwig Caluwé (CVP). –
Ik blijf zitten met mijn vragen. Er is in de regering een beslissing genomen
die vooruitloopt op allerlei onderhandelingen die nog moeten plaatshebben. Zo
zullen de investeringen inzake spoorverkeer naar de luchthaven inderdaad
gebeuren en zijn ze prioritair. Dit zal negatief werken op andere projecten.
Volgens de minister zijn er twee financieringswijzen: het GEN en de normale
NMBS-investeringsenveloppe. Is de conclusie dan dat elke spoorinvestering in de
richting van de luchthaven eigenlijk wordt opgenomen in de GEN-investeringen?
In feite kunnen deze investeringen deel uitmaken van een gewestelijk expresnet.
Indien het antwoord negatief is, dan moeten de extra-investeringen worden
opgenomen in het investeringsplan van de NMBS, met alle nadelige gevolgen
hiervan voor andere investeringen.
(Voorzitter: de heer Jan Remans.)
Mevrouw Isabelle Durant, vice-eerste minister en
minister van Mobiliteit en Vervoer. – Mijnheer Caluwé, ik blijf bij mijn
antwoord. Voor de verbinding met de luchthaven zijn inderdaad twee
financieringsbronnen mogelijk. Het gedeelte dat bestemd is voor de
investeringen in het in voorbereiding zijnde GEN zal in het tienjarig
investeringsplan worden opgenomen. De onderhandelingen hierover zijn nog niet
begonnen. Er liggen voorstellen ter tafel en in het kader van het akkoord over
de nachtvluchten zullen beslissingen worden genomen. Voor de verbinding met de
luchthaven zijn er drie mogelijkheden. De bijzonderheden zullen in het
investeringsplan worden uitgewerkt. Ik herhaal dus dat in de mate dat dit plan
een oplossing moet bieden voor mobiliteitsproblemen, zowel voor goederen als
voor reizigers, er stevig onderhandeld zal moeten worden over de omvang van dit
investeringsplan en de financiering van de keuzes die gemaakt moeten worden. De
tweede toegang tot de Antwerpse haven waarover u bezorgd is, is inderdaad
bijzonder belangrijk voor het goederenvervoer. In dit stadium kan ik echter
alleen zeggen dat dit besproken zal worden in het kader van het tienjarenplan
op basis van een voorstel van de NMBS en eventuele tegenvoorstellen die ik zal
doen. Daarna zal de regering erover debatteren en zal een definitief plan
worden voorgelegd. De problematiek van het goederenvervoer is bijzonder
belangrijk als wij onze belofte willen nakomen om de verhouding tussen het
wegvervoer en het treinvervoer om te gooien.
Mevrouw Sabine de Bethune (CVP). – In augustus 1996 vond te Stockholm het eerste Wereldcongres plaats over commerciële seksuele uitbuiting van kinderen plaats. Tijdens dit Congres werd gewezen op de wereldwijde omvang van de problematiek en op de noodzaak om er dringend iets aan te doen. Kinderen hebben het recht om op te groeien in een beschermende, veilige omgeving, met respect voor hun integriteit. Alle vormen van seksuele uitbuiting van kinderen schenden dit fundamentele recht.
Met unanimiteit keurden de 122 aanwezige landen een Agenda voor Actie goed voor de bestrijding van kinderprostitutie, kinderpornografie en de handel in kinderen. Met name België speelde tijdens dit Congres een toonaangevende rol.
Eén van de verplichtingen waartoe de landen zich bij de onderschrijving van deze Agenda voor Actie hebben geëngageerd was het opstellen van een nationaal actieplan, tegen het einde van 2000. Bedoeling van dat nationaal actieplan is het coördineren en identificeren van maatregelen en acties die in een land dienen te worden genomen.
ECPAT (End Child Prostitution, child pornography And Trafficking in children for sexual purposes) – International werd belast met de opvolging van dit Congres en de daar gemaakte afspraken. Op 20 september 1999 bracht ECPAT-International haar derde opvolgingsrapport uit, getiteld “A step forward”. Wat België betreft, meldt dit rapport dat nog geen nationaal actieplan werd opgesteld.
Beschikt België over een nationaal actieplan voor de bestrijding van commerciële seksuele uitbuiting van kinderen ? Zo niet, hoever staat het met de voorbereiding van dergelijk actieplan ?
Wat zijn de krachtlijnen van het nationaal actieplan en de termijnen voor de uitvoering ervan ?
Wie werden betrokken bij de voorbereiding en
de tenuitvoerlegging van dit actieplan ?
De heer Marc Verwilghen, minister van Justitie. – Een wereldtop gaat meestal gepaard met ronkende verklaringen en actieplannen. Ons land heeft op Europees vlak zowel als op het vlak van de Internationale organisaties recentelijk verschillende initiatieven genomen.
In het raam van de EU heeft ons land een viertal gemeenschappelijke acties voorgesteld en de aanvaarding ervan verkregen vanwege de informele raad van ministers van binnenlandse zaken en van justitie te Dublin, in september 1996. In de eerste plaats wordt het mandaat van de drugseenheid van Interpol uitgebreid tot de kindermishandeling en het seksueel misbruik van kinderen. Voorts is er de installatie, op Europees niveau, van een aanmoedigings- en uitwisselingsprogramma voor de verantwoordelijken voor de acties tegen de mensenhandel en de uitbuiting van kinderen. Er is voorts de verwezenlijking van een repertorium van de kennis in de strijd tegen de georganiseerde criminaliteit. Er worden tenslotte acties ondernomen tegen de mensenhandel en de seksuele uitbuiting van kinderen.
In de schoot van de VN werd door ons land een dynamiserende bijdrage geleverd tot de werkgroep die werd opgericht omtrent de verkoop en de prostitutie van kinderen en de pornografie waarin kinderen voorkomen. België heeft ertoe bijgedragen dat in het rapport de aanbevelingen van Stockholmconferentie werden verwerkt. In de commissie voor de mensenrechten te Genève en in de VN te New York heeft ons land zijn prioriteiten kenbaar gemaakt inzake de strijd tegen de uitbuiting van kinderen.
De bijzondere VN-rapporteur voor kinderhandel en -prostitutie en pornografie met kinderen, heeft na haar bezoek aan ons land uitgebreid gerapporteerd hieromtrent bij de VN. Dit onderstreept nogmaals dat ons land tot iedere vorm van internationale samenwerking bereid is.
In de schoot van de Raad van Europa heeft ons land de aanzet gegeven tot de oprichting van een werkgroep betreffende de seksuele uitbuiting van kinderen, afhangend van het comité voor crimineel beleid, teneinde een aanbeveling te bekomen vanwege deze Europese organisatie.
In mei 1999 heeft de regering aan de VN haar tweede nationaal verslag overhandigd. Dit verslag werd opgemaakt op basis van onze internationale verplichtingen ingevolge de VN-conventie over de rechten van het kind. De besluiten hebben aanleiding gegeven tot een reeks van ontwikkelingen die, mede door de gebeurtenissen in ons land in 1996, de publieke opinie en de politieke overheden meer bewust hebben gemaakt van de gevaren van de uitbuiting van kinderen.
In uitvoering van een beslissing van de ministerraad van 13 september 1996 werd een nationaal comité opgericht dat tot taak heeft alle internationale verplichtingen van ons land te inventariseren.
Als reactie op de zaak-Dutroux en na de
conferentie van Stockholm werd in ons land een studie geïnitieerd over de
internationale aanpak van de problematiek rond minderjarige slachtoffers van
seksueel en fysiek geweld. Deze studie werd door ons land op het getouw gezet
op een vergadering van 29 november 1996 tijdens de bespreking van het befaamde
STOP-programma in de schoot van de Raad van Europa. Vanaf 1998 zal de studie
trouwens verder door dit programma worden gefinancierd. De werkgroep STOP heeft
dan tot taak de resultaten van de studie concreet om te zetten. In de werkgroep
zetelen experten uit de magistratuur, uit de politiewereld, uit
niet-gouvernementele organisaties en uit de wetenschappelijke wereld. De studie
zal slaan op de haalbaarheid van een internationaal gegevensbestand over
vermiste kinderen, een over de slachtoffers van pedopornografisch materiaal en
een over slachtoffers van seksuele delicten.
Op nationaal vlak is er de omzendbrief van het
college van procureurs-generaal tot uitvoering van de ministeriële richtlijnen
inzake de strijd tegen de mensenhandel en de pornografie. En in het nationaal
veiligheidsplan dat nu klaar ligt is een van de negen prioriteiten de strijd
tegen de commerciële uitbuiting van de kinderen. Een vijftiental
gespecialiseerde diensten ten slotte leveren ondertussen suggesties en
bemerkingen voor een geïntegreerd beleid. Wij hopen eind maart hun conclusies
te kunnen bundelen. Op die manier sluit ons land nauw aan bij de aanbevelingen
van het wereldcongres van Stockholm.
Mevrouw Sabine de Bethune (CVP). – Het is goed om te horen dat de minister deze materie op de voet volgt. Hij heeft verwezen naar alle initiatieven die sinds 1996 werden genomen.
Heb ik goed begrepen dat we bij de bespreking van de negen prioriteiten van het veiligheidsplan dieper op de concrete invulling kunnen ingaan? De minister kan het dan ook hebben over de opdracht die hij aan een vijftiental diensten heeft gegeven om na te gaan hoe zij op een concrete en gecoördineerde manier kunnen werken. Zal dit in een nota of een actieplan worden gegoten en zal dit worden gekaderd binnen het veiligheidsplan? In dat geval zouden we eind maart, begin april een beter zicht kunnen krijgen op de timing en de geraamde kosten voor de uitvoering van de maatregelen.
Is dit het
nationale luik dat aansluit bij de internationale initiatieven waarover de
minister het zo uitvoerig had? Ik meen dat het nationale beleid nog in een
planningsfase zit. De opdrachten zijn gegeven en het is nu wachten op de
reactie van de vijftien diensten en de wijze waarop de minister de richtsnoeren
van het veiligheidsplan concreet zal invullen.
De heer Marc Verwilghen, minister van Justitie. – Op nationaal vlak beschikken we reeds over de richtlijn betreffende het opsporings- en het vervolgingsbeleid met betrekking tot kinderpornografie en seksuele exploitatie van minderjarigen. Dit is echter niet voldoende. Voor een van de negen prioriteiten van het veiligheidsplan hebben we voor een andere denkoefening gekozen. We passen de veiligheidsketen toe: we zullen nagaan welke maatregelen kunnen worden genomen ter voorkoming van het probleem. We willen eerst preventief optreden en pas in een tweede fase repressief. Als tot een repressief optreden moet worden overgegaan, moet ook de derde schakel, de nazorg, worden ingevuld. Die is in de eerste plaats gericht op de slachtoffers, maar ook op de maatschappij en de daders.
Dit laatste bevindt zich momenteel in een planningsfase omdat ik als minister van Justitie in deze materie niet over exclusieve bevoegdheden beschik. Zeker de preventieve fase moet in vele gevallen worden toevertrouwd aan de Gemeenschappen. Om die reden heb ik het plan ook aan hen voorgelegd met de vraag of ze voor 31 maart eventuele opmerkingen meedelen. Pas daarna zal een definitieve beslissing worden genomen. Op basis van deze definitieve beslissing zal de kost kunnen worden berekend van de initiatieven in de preventieve, de repressieve en de nazorgfase.
– Het
incident is gesloten.
De heer Jacques
Santkin (PS).
– In het kader van de herstructurering van het ministerie van Financiën werd
een inningsadministratie opgericht die voortvloeide uit het bestuur der directe
belastingen en BTW. Er zijn plannen voor zes inningscentra waaronder één voor
de provincie Luxemburg.
Volgens sommige inlichtingen die bij uw administratie de
ronde doen, zouden bijkomende regionale inningscentra opgericht worden in de
streek van Samber en Maas ten nadele van de provincie Luxemburg.
U weet dat er in Wallonië een immer weerkerend probleem
is in verband met de verzoening van de belangen van de streek van Samber en
Maas en die van de andere subregio’s. Indien dit project concreet wordt
uitgevoerd, wordt er eens te meer voorbijgegaan aan de specifieke noden van een
zone als Luxemburg. Dit behelst onder meer ‑ ik zal ze niet alle
opsommen, want u kent ze ‑ de geografische afstanden in een totaal
verschillend landschap en de mobiliteit. De problemen zijn niet dezelfde als in
Brussel met het voorstadsnet, maar ze zijn van dezelfde aard.
Deze negatieve herstructurering zou des te erger zijn
omdat ze bij die van 1990 en 1993 komt en ik u niet moet uitleggen dat elke
herstructurering in dit domein altijd een vermindering van de dienstverlening
aan de bevolking betekent.
Aangezien men de mond vol heeft van het dichten van de
koof tussen burger en politiek, zou het op zijn minst eigenaardig zijn een
dergelijke maatregel te nemen.
Een ander aspect is de vrees van het personeel met
betrekking tot deze herstructurering.
Kunt u mij geruststellen en mij bevestigen dat het gaat
om ongegronde geruchten?
De heer Didier Reynders, minister van Financiën. – In
het departement zijn er hervormingen aan de gang maar voor de sector van de
inning werd geen enkele beslissing genomen. Ik stel echter vast dat de afstand
tussen de diensten der inning en de belastingplichtigen groter wordt, wat
ingaat tegen de filosofie dat de openbare diensten dicht bij de burger moeten
staan. Ik heb de betrokken administraties gevraagd het ontwerp te herwerken
door te trachten in heel het land centra op te richten die zo dicht mogelijk
bij de bevolking staan. Ik zal me vanaf maart ter plaatse van de toestand
vergewissen.
Er
rijzen nochtans twee problemen. Eerst en vooral moet rekening worden gehouden
met de bestaande gebouwen en zo nodig moeten middelen worden vrijgemaakt om te
verhuizen of te bouwen. Daarna moet het personeelsbestand worden aangepast. Ik
heb een voorstel gedaan tot werving van contractueel personeel voor de
administratie van de inning om de bestaande personeelsformaties aan te vullen.
Die moeten trouwens worden uitgebreid. De administratie moet immers niet alleen
zorgen voor de invordering van de belastingen maar ook een dialoog verzekeren
met de belastingplichtigen die moeilijkheden hebben om hun belastingen te
betalen. We hebben dus nood aan personeel dat voldoende is opgeleid en dicht
bij de belastingplichtige staat.
Ik kan u
dus geruststellen. Wij pogen de door mijn voorgangers opgestelde plannen aan te
passen aan de nood tot nabijheid van de diensten. Ik weet dat in de provincie
Luxemburg die verwachting groot is.
De heer Jacques
Santkin (PS).
– Ik dank de minister voor zijn duidelijk antwoord. Ik heb genoteerd dat er nog
geen enkele definitieve beslissing werd genomen. Het verheugt me dat met de
werkelijkheid op het terrein rekening wordt gehouden, zelfs als sommigen mijn
standpunt als subregionalistisch zullen bestempelen. Ik deel de overtuiging van
de minister over de noodzaak om de administratie dichter bij de burger te
brengen zodat er een constructieve dialoog op gang kan komen tussen de
ambtenaren en de personen of families – en niet de klanten, met alle
respect voor de heer Reynders – die met voorbijgaande moeilijkheden
kampen. De dialoog met de administratie is in deze aangelegenheid, misschien
nog meer dan in andere, erg belangrijk.
De heer
Réginald Moreels (CVP). – Ondanks een internationaal koffie-akkoord
bestaat op dit ogenblik op de wereldmarkt geen uitvoer- en prijsmechanisme waarmee
de producerende ontwikkelingslanden kunnen worden beschermd. De overproductie
op de koffiemarkt houdt aan en de koffieprijzen blijven sterk fluctueren,
waarbij de kleine koffieboeren in ontwikkelingslanden steeds de nadelen
ondervinden van prijsdalingen en speculanten steeds de voordelen opstrijken van
prijsstijgingen.
Ook in
verband met de International Coffee Organisation kunnen België en de EU
belangrijke stappen zetten. In 1999 werd het mandaat van de ICO tot halverwege
2001 verlengd, het ogenblik waarop ons land Voorzitter wordt van de EU. Dit is
een bijkomende reden waarom België een stimulerende rol dient te spelen met het
oog op structurele bijsturingen van de internationale koffiehandel.
Essentieel
in dit verband is dat biologisch verantwoorde productietechnieken, zoals die
vooral in de lokale economieën van ontwikkelingslanden worden gebruikt, door de
regels van de internationale koffiehandel worden gestimuleerd.
België is
één van de weinige landen van de EU die nog accijnzen heffen op koffie. De EU
vraagt al lang dat die accijnzen worden afgeschaft. Het zou alvast getuigen van
een ontwikkelings- en milieuvriendelijk fiscaal beleid indien de accijnzen in
een eerste beweging zouden worden afgeschaft voor biologisch geteelde koffie.
Heeft de Belgische Regering plannen in verband
met de opheffing van de bestaande accijnzen op koffie? Is de minister van
Financiën bereid een dergelijke maatregel te overwegen vanuit de specifieke
invalshoek van de eerlijke-wereldhandel, gekoppeld aan de principes van de
duurzame ontwikkeling? Wat belet dat biologisch geteelde koffie in een aparte
categorie wordt ondergebracht binnen het systeem van de accijnzen, juist met de
bedoeling om deze categorie vrij te stellen van accijnzen?
(Voorzitter: de heer Armand De Decker.)
De heer Didier Reynders, minister van Financiën. – Steunend op de bepalingen van artikel 3, paragraaf 3 van de richtlijn 9212 EG van de Raad van Europa van 25 februari 1992 die de lidstaten in de mogelijkheid stelt om nationale accijnzen te behouden, heeft België beslist om de accijns op koffie te handhaven. Gezien de jaarlijkse begrotingsopbrengst van meer dan 500 miljoen Belgische frank, werd tot op heden de eventuele afschaffing van de accijns op koffie nog nooit overwogen. Ik vraag me af waarom u of uw voorganger nog niet vroeger aan dit voorstel heeft gedacht. Daar in België geen apart cijnstarief voorzien is voor biologisch geteelde koffie, is de afschaffing van de accijns voor dit soort koffie niet van toepassing. Het zou trouwens technisch onmogelijk zijn een onderscheid te maken in de accijnstarieven om redenen van controle. Ik kan wel een nieuw onderzoek instellen over een apart cijnstarief voor biologisch geteelde koffie.
De heer Réginald Moreels (CVP). – Ik weet natuurlijk dat België zijn accijnzen op koffie handhaaft. De reden waarom dit nu aan bod komt, is de toenemende aandacht voor duurzame ontwikkeling en fair trade. Een aantal voedsel- en textielproducten wordt door de WHO naar voren geschoven als producten die moeten voldoen aan eerlijke-handelsnormen.
Waarom koffie? Wij
steunen de Max Havelaar- koffie nu al een vijftal jaar. Naast de steun aan deze
organisaties zou een fiscale stimulus meer dan welkom zijn, temeer omdat de
kostprijs ervan maar een paar miljoen zou bedragen. Het zou een ook belangrijk
signaal zijn, ook internationaal. Dat dit technisch onmogelijk zou zijn, geloof
ik niet. Als de politieke wil daartoe bestaat, is alles mogelijk.
De voorzitter. – Ik stel
de Senaat voor deze mondelinge vragen samen te voegen. (Instemming)
De heer Chokri Mahassine (SP). – Op de interministeriële conferentie voor het migrantenbeleid van 12 maart 1996 werd beslist de beroepskaart voor in België gevestigde vreemdelingen die een zelfstandige activiteit willen uitoefenen, af te schaffen. Dit werd nog eens bevestigd op de interministeriële conferentie van 29 april 1998, met een concreet voorstel tot wetswijziging en koninklijk besluit. Er moest enkel nog het advies van de Raad van State worden gevraagd. Het oorspronkelijk doel van de beroepskaart is immers voorbijgestreefd, aangezien een inschrijving in het handelsregister al een toetsing van de zelfstandige en zijn activiteit impliceert. Ook het Centrum voor gelijkheid van kansen en racismebestrijding en het NCMV zijn al enige tijd vragende partij voor de afschaffing van deze beroepskaart. We waren dan ook verbaasd in De Standaard van 4 februari te lezen dat minister Gabriëls de zaak nog bestudeert, onder meer op basis van een nieuw wetsvoorstel dat bij de Senaat werd ingediend.
Waar zit het nog te
bestuderen probleem? Waarom wordt de beslissing van de interministeriële
conferentie niet gewoon uitgevoerd? Is er al een advies van de Raad van State
en zo ja, hoe luidt het?
De heer Vincent Van Quickenborne (VU-ID). – Mijn vraag gaat meer specifiek over het statuut van degenen die geregulariseerd zijn. Op 4 februari 2000 besliste de ministerraad de reglementering voor de arbeidskaarten te wijzigen. De personen die zullen worden geregulariseerd zullen worden vrijgesteld van de verplichting een arbeidsvergunning aan te vragen.
Een bepaalde categorie vreemdelingen, verblijvend op Belgisch grondgebied, kregen de mogelijkheid zonder problemen de arbeidsmarkt te betreden. Er is evenwel onduidelijkheid over het statuut van deze personen, meer bepaald voor het opstarten van een zelfstandige activiteit. Vreemdelingen, in hoofdzaak niet-Europese vreemdelingen, zijn immers krachtens de wet van 1965 nog steeds verplicht een beroepskaart aan te vragen. De uitvoeringsbesluiten van deze wet voorzien in een vrijstelling voor vluchtelingen en staatlozen.
Kan de minister verduidelijken en desgevallend motiveren of en waarom deze begunstigden een beroepskaart moeten aanvragen?
Heeft de minister gegevens over vzw’s, opgericht door niet-Europese vreemdelingen, die ondanks het ontbreken van een winstoogmerk pure commerciële activiteiten ontwikkelen?
Bestaan dergelijke verenigingen, worden ze
door de diensten van de minister gecontroleerd, zijn ze conform aan en
respecteren ze de bestaande reglementering?
De heer Jaak Gabriëls, minister van Landbouw en Middenstand. –De heer Mahassine stelde een vraag over de afschaffing van de beroepskaart voor vreemdelingen. Het doel van de beroepskaart blijft de voorafgaande controle op het economisch nut van de voorgenomen zelfstandige activiteiten.
De Raad van State heeft in augustus 1999 inderdaad een advies uitgebracht over een voorontwerp van wetswijziging. Op dit ogenblik wordt een wetsontwerp aangepast aan deze opmerkingen. Het zal binnenkort bij het Parlement worden ingediend.
Ik beantwoordde de vragen van de heer Van Quickenborne al bij de bespreking van zijn wetsvoorstel in de commissie. Op de ministerraad van 4 februari werd inderdaad beslist de reglementering inzake arbeidskaarten te wijzigen. De geregulariseerden met onbeperkt verblijf zullen bij KB worden vrijgesteld van de verplichting tot arbeidsvergunning.
De wet van 1965 betreffende de zelfstandige beroepsactiviteiten voor vreemdelingen wordt gewijzigd naar analogie met de regeling voor werknemers.
Ingevolge een KB van 1969 inzake sociale zekerheid moeten de mandatarissen die commerciële activiteiten ontwikkelen, titularis zijn van een arbeidskaart en niet van een beroepskaart. Dergelijke aanvragen worden doorverwezen naar de Gewesten.
De heer
Jan Remans (VLD). – Naarmate we ouder worden, verliezen onze
beenderen geleidelijk een deel van hun mineralen. Deze toestand, die gekend is
onder de naam osteoporose, maakt ons kwetsbaar voor breuken. Die kunnen
aanleiding geven tot operatie, tot acute pijn en bedlegerigheid bij
wervelindeukingen, tot chronische pijn en bultvorming vooral bij vrouwen boven
de menopauze, tot werkonbekwaamheid en zelfs tot blijvende lichamelijke
mindervaliditeit.
De
botmineraaldensiteit kan worden gemeten. De meest geschikte techniek is DXA.
De Belgian
Bone Club heeft de indicatie voor botdensitometrie vastgelegd volgens
internationaal erkende criteria. De huidige mogelijkheden inzake therapie
pleiten voor een actieve politiek ter opsporing van osteoporose. Een therapie
zonder voorafgaande botdensitometrie is onverantwoord.
De therapie
zelf vraagt een adequate controle, zeker in de jaren dat het botverlies het
grootste is, ofwel spontaan door de menopauze, ofwel geïnduceerd door ziektes
of medicatie.
Ik zal mijn
inleiding hiertoe beperken, want de minister heeft enkele weken geleden in zijn
antwoord op een vraag van de heer Vankrunkelsven bewezen deze materie goed te
beheersen.
In 1997
werd de botdensitometrie in ons land terugbetaald aan 860 frank voor een onderzoek
met een apparaat dat meer dan drie miljoen kost en voor een intensieve arbeid
van 20 à 30 minuten. Hoewel de kosten dus vrij beperkt zijn en daardoor ook het
totale budget voor botdensitometrie bescheiden is, werd de terugbetaling zonder
duidelijke motivatie afgeschaft.
In de
huidige situatie varieert de prijs volgens de centrum tussen 800 en 1500 frank
voor een meting van 1 à 2 botregio’s, volledig ten laste van de patiënt.
Kan de
minister ervoor zorgen dat de terugbetaling van de botdensitometrie door middel
van de DXA-techniek opnieuw gebeurt? Het herstel van de terugbetaling dringt
zich op wanneer men bedenkt dat botdensitometrie actueel het meest nuttige
technisch onderzoek is omtrent osteoporose, dat de kostprijs redelijk is en dat
het RIZIV zelf botdensitometriewaarden heeft geselecteerd als criterium voor de
terugbetaling van bepaalde geneesmiddelen bij osteoporose.
Kan de minister aanvaarden dat patiënten met
beperkt budget voor een onaanvaardbaar dilemma staan? Ofwel wordt hen een
medicament ontzegd dat hen voordelen biedt, omdat ze niet de financiële
middelen hebben om de botdensitometrie te bekostigen, ofwel moeten ze uit eigen
zak de kosten daarvan betalen. De botdensitometrie is vereist om terugbetaling
van het medicament te bekomen.
De heer Frank Vandenbroucke, minister van Sociale Zaken en Pensioenen. – Ik ben het ermee eens dat het om een belangrijk onderzoek gaat om tot een correcte diagnose te komen van osteoporose. Het bleek echter dat het werd aangevraagd voor om het even welke indicatie, wat aanleiding gaf tot belangrijke uitgavenstijgingen. De vorige regering vroeg daarom aan de technisch-geneeskundige raad van het RIZIV maatregelen te nemen ter beheersing van de uitgaven terzake. Brutaal stelde de raad voor het onderzoek te schrappen voor terugbetaling.
Ik ben het met senator Remans eens dat dit moet worden herbekeken. Experts moeten uitmaken in welke condities terugbetaling mogelijk is. Tegenover een screening heb ik meer reserves. Experts moeten uitmaken wanneer dit verantwoord is. Er bestaan daarover al wetenschappelijke studies. Ik zal opdracht geven dit te onderzoeken. Ook de budgettaire impact van de geconditioneerde terugbetaling moet worden onderzocht en de nodige middelen worden gevonden, soms boven de toegestane groeinorm.
Men vraagt mij het budget in evenwicht te houden en tegelijk allerlei terugbetalingen toe te staan. Dat is een moeilijke evenwichtsoefening. Ik ben voorstander van meer middelen voor interventies met bewezen wetenschappelijk nut. Ik deel zeker de bekommernissen van de vraagsteller en zal daar naar handelen.
De heer Jan Remans (VLD). – Ik
heb geen screening gevraagd, wel of volgens internationaal erkende criteria
nood aan onderzoek kan worden opgenomen. Ik heb een voorstel daarover.
De heer Jan Remans (VLD). – Het
regeerakkoord bepaalt dat het aanbod van zware medische diensten moet bijdragen
tot de beheersing van het volume van prestaties en moet gesteund zijn op de
behoeften van de bevolking. Er is geen tekort aan wetenschappelijke studies. De
wildgroei in de gespecialiseerde voorzieningen voor hartzorg heeft de overheid
er toe gebracht een blokkering door te voeren van het aantal
hartkatheterisatiediensten en hartchirurgiediensten.
Die regelgeving bevat echter geen specifieke
bepalingen om die diensten uit te baten op verschillende vestigingsplaatsen bij
fusie of associatie van diensten. Het koninklijk besluit maakt dat nochtans
mogelijk. De statuswaarde van deze voorzieningen en de aantrekkelijke
nomenclatuur oefenen een sterke fascinatie uit en dreigen het bestaande
overaanbod nog te vergroten. Dit houdt het risico in van overconsumptie en kwaliteitsverlies
en een niet te beheersen uitgavenstroom.
Een ontwerp-KB over een zorgprogramma voor
cardiale pathologie werd net voor de Kamerontbinding goedgekeurd, maar werd nog
niet gepubliceerd. Het past in een ruimer geheel van zorgprogramma’s en wil het
aantal centra terugbrengen van 33 tot 23. De tekst vertoont sporen van een
preëlectoraal klimaat. Door Franstalige desiderata werden versoepelingen
aangebracht. Daarmee is het hek van de dam.
De nieuwe regering moet orde op zaken stellen.
De gemeenschappen moeten nagaan of de voor het moratorium erkende centra aan al
de voorschriften beantwoorden en anders overgaan tot sluiting. Nieuwe centra
kunnen niet direct of indirect worden erkend. Associatie of fusie mogen niet
leiden tot kloneren van een erkende dienst op een nieuwe vestigingsplaats. In
afwachting mogen de gemeenschappen dergelijke associaties niet goedkeuren. Het
witwassen van zwarte of de oprichting van nieuwe centra moet onmogelijk worden
gemaakt door een wijziging van het nog niet gepubliceerde KB over de
zorgprogramma’s.
Is het KB van 19 oktober 1993 nog steeds geldig
of wordt dit KB opnieuw ingesteld in afwachting van een wijziging van het
zorgprogramma cardiologie?
De heer Frank Vandenbroucke, minister van Sociale Zaken en Pensioenen. – Ik deel de bekommernis van de heer Remans.
Inzake de beperking van het aantal hartcentra gelden de volgende bepalingen. Ten eerste is er de blokkering van het aantal hartkatheterisatiediensten op het aantal dat op 23 december 1994 erkend was. Dat zijn er 33. Op die blokkering werd bij besluit van 28 maart 1995 een afwijking ingesteld. Ten tweede is er de blokkering van het aantal hartchirurgiediensten op het aantal waar voor 15 oktober 1993 hartchirurgie werd verricht.
De vorige ministers hebben een zorgprogramma cardiale pathologie opgesteld dat in programmacriteria en erkenningsnormen voorziet. Elk zorgprogramma richt zich tot een homogene patiëntengroep. Zorgprogramma A vereist geen beperking of programmering. Om in zorgprogramma B een wildgroei te voorkomen, werd een programmering ingesteld er werden erkenningsnormen en garanties ingebouwd. Alle deelprogramma’s B moeten gezamenlijk als één globaal programma op eenzelfde vestigingsplaats worden aangeboden. Voor B1 is een uitzondering opgenomen indien aan een aantal voorwaarden wordt voldaan.
De organisatie van een globaal zorgprogramma B
op twee plaatsen is slechts mogelijk bij een associatie op ten hoogste twee
plaatsen met drie deelprogramma’s en waarbij aan alle normen behalve die voor
het activiteitenniveau wordt voldaan. Bij KB komt er binnenkort nog een
voorwaarde, met name dat voor de inwerkingtreding van het KB van 16 juni 1999
een hartkatheterisatiedienst voor invasief onderzoek en een
hartkatheterisatiedienst voor interventionele cardiologie en een hartchirurgiedienst
erkend en uitgebaat worden. Zo kan de wildgroei voortaan worden beteugeld. De
mogelijkheden tot uitbating op verschillende vestigingsplaatsen worden aldus
beperkt.
Sinds het KB van 23 juni 1998 is het toegelaten
dat elk onderdeel van het voorwerp van een associatie zich op verschillende
plaatsen bevindt voor zover op elke plaats aan elk van de normen wordt voldaan.
Voor het activiteitenniveau kan het volstaan met twee derde. Nieuwe diensten
zijn in deze context niet mogelijk. Mijn diensten onderzoeken thans
aanpassingen om te voorkomen dat de bestaande zorgprogrammatiecriteria worden
omzeild.
De gemeenschappen hebben de bevoegdheid en de
eindverantwoordelijkheid voor de erkenning en de controle voor de naleving van
de federale erkenningsnormen.
Het KB van 19 oktober 1993 zal slechts worden
opgeheven op de datum van inwerkingtreding van de KB’s van 16 oktober 1999. Van
een lacune inzake diensten en zorgprogramma’s kan dus geen sprake zijn.
De heer Jan Remans (VLD). –
Begrijp ik het goed dat de minister in het B 1-programma door een fusie
wel één bypass per centrum toestaat?
De heer Frank Vandenbroucke, minister van Sociale Zaken en Pensioenen. – Ja, maar onder de strenge voorwaarden die ik u heb aangehaald.
– Het
incident is gesloten.
De voorzitter (voor de staande vergadering). – De Senaat heeft met groot leedwezen kennis gekregen van het overlijden van de heer Arnaud Decléty, gewezen provinciaal senator voor Henegouwen en rechtstreeks verkozen senator voor het arrondissement Doornik-Ath-Moeskroen, en van de heer Guillaume Reynders, gewezen rechtstreeks verkozen senator voor het arrondissement Leuven.
Uw voorzitter
betuigt het rouwbeklag van de vergadering aan de familie van onze betreurde
gewezen medeleden. (De vergadering neemt
enkele ogenblikken stilte in acht.)
De voorzitter. – De lijst van de in overweging te nemen voorstellen werd rondgedeeld.
Leden die opmerkingen mochten hebben, kunnen die vóór het einde van de vergadering mededelen.
Tenzij er afwijkende suggesties zijn, neem ik
aan dat die voorstellen in overweging zijn genomen en verwezen naar de
commissies die door het Bureau zijn aangeduid. (Instemming)
(De lijst van de in overweging genomen voorstellen wordt
in de bijlage opgenomen.)
De voorzitter. – Het Bureau stelt voor volgende week deze agenda voor:
Donderdag
24 februari 2000 te 15 uur
Inoverwegingneming van voorstellen.
Mondelinge vragen.
Voorstel van resolutie betreffende de kindsoldaten (van mevrouw Erika Thijs c.s.); Gedr. St. 2‑9/1 tot 7.
Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst tussen de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie en de regering van de Republiek Slovenië inzake de wederzijdse bevordering en bescherming van investeringen, gedaan te Ljubljana op 1 februari 1999; Gedr. St. 2‑251/1 tot 3.
Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst tussen de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie en de regering van de Republiek der Filipijnen inzake de wederzijdse bevordering en bescherming van investeringen, ondertekend te Manilla op 14 januari 1998; Gedr. St. 2‑253/1 tot 3.
Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst tussen de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie en de Regering van het Koninkrijk Marokko inzake de wederzijdse bevordering en bescherming van investeringen, gedaan te Rabat op 13 april 1999; Gedr. St. 2‑254/1 tot 3.
Wetsontwerp houdende instemming met het Protocol bij het Verdrag van 1979 betreffende grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand, inzake de beheersing van emissies van vluchtige organische stoffen of hun grensoverschrijdende stromen, en met de bijlagen I, II, III en IV, gedaan te Genève op 18 november 1991; Gedr. St. 2‑255/1 tot 3.
Wetsontwerp houdende instemming met het Verdrag inzake wederzijdse administratieve bijstand in fiscale aangelegenheden, en met de bijlagen A, B en C, gedaan te Straatsburg op 25 januari 1988; Gedr. St. 2‑267/1 tot 3.
Wetsontwerp houdende instemming met het Protocol bij het Verdrag van 1979 betreffende grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand met betrekking tot een verdere beperking van zwavelemissies, en met de bijlagen I, II, III, IV en V, ondertekend te Oslo op 14 juni 1994; Gedr. St. 2‑305/1 tot 3.
Wetsontwerp houdende instemming met het WEU-Akkoord inzake veiligheid, gedaan te Brussel op 28 maart 1995; Gedr. St. 2‑306/1 tot 3.
Vanaf
16.30 uur :
Naamstemmingen over de afgehandelde agendapunten in hun geheel.
Stemming over de moties ingediend tot besluit van de vraag om uitleg van mevrouw Gerda Staveaux-Van Steenberge aan de Vice-Eerste Minister en Minister van Buitenlandse Zaken over “de kandidatuur van Turkije voor het lidmaatschap van de Europese Unie” (nr. 2‑83), gesteld in plenaire vergadering op 17 februari 2000.
Vragen om uitleg :
- van mevrouw Anne-Marie Lizin aan de Vice-Eerste Minister en Minister van Buitenlandse Zaken over “het vredesplan voor de westelijke Sahara en het referendum over het zelfbeschikkingsrecht dat onder de bescherming van de VN gehouden moet worden” (nr. 2‑79);
- van de heer Vincent Van Quickenborne aan de Vice-Eerste Minister en Minister van Buitenlandse Zaken over “de toestand in Noord-Korea” (nr. 2‑80);
- van de heer Georges Dallemagne aan de Vice-Eerste Minister en Minister van Buitenlandse Zaken over “de vredesonderhandelingen van Arusha over Burundi” (nr. 2‑84);
- van de heer Ludwig Caluwé aan de Minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu over “het koninklijk besluit van 30 december 1992 betreffende de erkenning en de inrichtingsvoorwaarden van de slachthuizen en andere inrichtingen” (nr. 2‑88);
- van mevrouw Sabine de Bethune aan de Minister van Justitie over “de toepassing van de anti-stalkingwet” (nr. 2‑86);
- van de heer Ludwig Caluwé aan de Minister van Justitie over “het uitblijven van het koninklijk besluit waarbij de medewerking van de operatoren van telecommunicatienetwerken aan de vorderingen van een onderzoeksrechter wordt geregeld” (nr. 2‑89);
- van de heer Vincent Van Quickenborne aan de Minister van Telecommunicatie en Overheidsbedrijven en Participaties over “de maatschappelijke rol van de Nationale Loterij” (nr. 2‑72).
– De
Senaat is het eens met deze regeling van de werkzaamheden.
De voorzitter. – Bij brief van 9 februari 2000 deelt de eerste voorzitter van de
Raad van State mede dat de algemene vergadering van de Raad ter openbare
zitting van 1 februari 2000, overeenkomstig artikel 70 van de gecoördineerde
weten op de Raad van State, overgegaan is tot het opmaken van een drievoudige
lijst van de kandidaten voorgedragen voor de benoeming tot het ambt van
assessor (F) bij de afdeling wetgeving dat vacant is geworden.
De eerste voorzitter van de Raad van State heeft de kandidaturen van de volgende personen ontvangen:
- de heer Henri Bosly, gewoon hoogleraar aan de faculteit rechten van de Université catholique de Louvain;
- de heer Francis Delperée, gewoon hoogleraar aan de faculteit rechten van de Université catholique de Louvain, assessor bij de afdeling wetgeving van de Raad van State;
- de heer Philippe de Smedt, verantwoordelijke van de juridische dienst van de vakbond voor Bedienden, Technici en Kaders van België – ABVV;
-
de heer Francis Haumont, hoogleraar aan
de Université catholique de Louvain.
Werden door de Raad van State voorgedragen, evenwel zonder eenparigheid van stemmen :
- de heer Francis Delperée, gewoon hoogleraar aan de faculteit rechten van de Université catholique de Louvain, assessor bij de afdeling wetgeving van de Raad van State;
- de heer Henri Bosly, gewoon hoogleraar aan de faculteit rechten van de Université catholique de Louvain;
-
de heer Francis Haumont, hoogleraar aan
de Université catholique de Louvain.
Deze voordracht gebeurde niet met unanimiteit
van de stemmen. Dit houdt in dat de Senaat nu twee opties heeft: ofwel de door
de Raad van State voorgedragen lijst bevestigen; ofwel een nieuwe lijst met
drie namen die uitdrukkelijk wordt gemotiveerd voordragen.
Het Bureau stelt
voor dit punt naar de commissie voor de Binnenlandse Zaken en Administratieve
Aangelegenheden te verwijzen. (Instemming)
De voorzitter. – Bij de Senaat is een voorstel ingediend om in de commissie Deelname
aan Buitenlandse Missies de heer Jan Remans door de heer André Geens als lid te
vervangen. (Instemming)
(De naamlijsten worden in de bijlage opgenomen.)
De voorzitter. – We stemmen eerst over amendement nr. 1 van mevrouw Staveaux-Van Steenberge
Stemming nr. 1
Aanwezig: 49
Voor: 4
Tegen: 45
Onthoudingen: 0
– Het amendement is niet aangenomen.
– Dezelfde uitslag wordt aanvaard voor amendement
nr. 12 van de heer Verreycken. Het amendement is dus niet aangenomen.
De voorzitter. – We stemmen over amendement nr. 16 van de heer Vandenberghe en
mevrouw De Schamphelaere.
Stemming nr. 2
Aanwezig: 50
Voor: 9
Tegen: 37
Onthoudingen: 4
– Het amendement is niet aangenomen.
– Dezelfde uitslag wordt aanvaard voor amendement
nr. 17 van de heer Vandenberghe en mevrouw De Schamphelaere. Het amendement is
dus niet aangenomen.
De voorzitter. – We stemmen over de amendementen nr. 2 van mevrouw Nyssens en nr. 16
van de heer Vandenberghe en mevrouw De
Schamphelaere.
Stemming nr. 3
Aanwezig: 52
Voor: 15
Tegen: 37
Onthoudingen: 0
– De amendementen zijn niet aangenomen.
– Dezelfde uitslag wordt aanvaard voor amendement nr.
19 van de heer Vandenberghe en mevrouw De Schamphelaere. Het amendement is dus
niet aangenomen.
De voorzitter. – We stemmen over amendement nr. 20 van de heer Vandenberghe en
mevrouw De Schamphelaere.
Stemming nr. 4
Aanwezig: 54
Voor: 11
Tegen: 43
Onthoudingen: 0
– Het amendement is niet aangenomen.
De voorzitter. – We stemmen over amendement nr. 39 van de heer Vandenberghe en
mevrouw De Schamphelaere.
Stemming nr. 5
Aanwezig: 54
Voor: 11
Tegen: 39
Onthoudingen: 4
– Het amendement is niet aangenomen.
– Dezelfde uitslag wordt aanvaard voor amendement
nr. 21 van de heer Vandenberghe en mevrouw De Schamphelaere. Het amendement is
dus niet aangenomen.
De voorzitter. – We stemmen over de amendementen nr. 4 van mevrouw Nyssens.
Stemming nr. 6
Aanwezig: 51
Voor: 4
Tegen: 43
Onthoudingen: 4
– Het amendement is niet aangenomen.
De voorzitter. – We stemmen over amendement nr. 22 van de heer Vandenberghe en
mevrouw De Schamphelaere.
Stemming nr. 7
Aanwezig: 54
Voor: 11
Tegen: 39
Onthoudingen: 4
– Het amendement is niet aangenomen.
– Dezelfde uitslag wordt aanvaard voor de
amendementen nr. 23 en 24 van de heer Vandenberghe en De Schamphelaere. Deze
amendementen zijn dus niet aangenomen.
De voorzitter. – We stemmen over amendement nr. 25 van de heer Vandenberghe en mevrouw
De Schamphelaere.
Stemming nr. 8
Aanwezig: 53
Voor: 11
Tegen: 42
Onthoudingen: 0
– Het amendement is niet aangenomen.
De voorzitter. – We stemmen over de amendementen nr. 3 van mevrouw Nyssens.
Stemming nr. 9
Aanwezig: 54
Voor: 11
Tegen: 39
Onthoudingen: 4
– Het amendement is niet aangenomen.
De voorzitter. – We stemmen over de amendementen nr. 5 van mevrouw Nyssens.
Stemming nr. 10
Aanwezig: 54
Voor: 4
Tegen: 46
Onthoudingen: 4
– Het amendement is niet aangenomen.
De voorzitter. – We stemmen over amendement nr. 26 van de heer Vandenberghe en
mevrouw De Schamphelaere.
Stemming nr. 11
Aanwezig: 55
Voor: 11
Tegen: 44
Onthoudingen: 0
– Het amendement is niet aangenomen.
De voorzitter. – We stemmen over amendement nr. 27 van de heer Vandenberghe en
mevrouw De Schamphelaere.
Stemming nr. 12
Aanwezig: 56
Voor: 12
Tegen: 40
Onthoudingen: 4
– Het amendement is niet aangenomen.
– Dezelfde uitslag wordt aanvaard voor de
amendementen nr. 28, 29, 30 en 31 van de heer Vandenberghe en De Schamphelaere.
Deze amendementen zijn dus niet aangenomen.
De voorzitter. – We stemmen over amendement nr. 32 van de heer Vandenberghe en
mevrouw De Schamphelaere.
Stemming nr. 13
Aanwezig: 55
Voor: 12
Tegen: 43
Onthoudingen: 0
– Het amendement is niet aangenomen.
– Dezelfde uitslag wordt aanvaard voor amendement
nr. 33 van de heer Vandenberghe en mevrouw De Schamphelaere. Het amendement is
dus niet aangenomen.
De voorzitter. – We stemmen over de amendementen nr. 7 van mevrouw Nyssens.
Stemming nr. 14
Aanwezig: 57
Voor: 17
Tegen: 40
Onthoudingen: 0
– Het amendement is niet aangenomen.
De voorzitter. – We stemmen over de amendementen nr. 6 van mevrouw Nyssens.
Stemming nr. 15
Aanwezig: 57
Voor: 4
Tegen: 49
Onthoudingen: 4
– Het amendement is niet aangenomen.
De voorzitter. – We stemmen over amendement nr. 34 van de heer Vandenberghe en
mevrouw De Schamphelaere.
Stemming nr. 16
Aanwezig: 56
Voor: 13
Tegen: 43
Onthoudingen: 0
– Het amendement is niet aangenomen.
De voorzitter. – We stemmen over de amendementen nr. 14 van de heer Verreycken.
Stemming nr. 17
Aanwezig: 57
Voor: 4
Tegen: 52
Onthoudingen: 1
– Het amendement is niet aangenomen.
De voorzitter. – We stemmen over amendement nr. 35 van de heer Vandenberghe en
mevrouw De Schamphelaere.
Stemming nr. 18
Aanwezig: 57
Voor: 13
Tegen: 40
Onthoudingen: 4
– Het amendement is niet aangenomen.
De voorzitter. – We stemmen over de amendementen nr. 11 van mevrouw Nyssens.
Stemming nr. 19
Aanwezig: 57
Voor: 17
Tegen: 40
Onthoudingen: 0
– Het amendement is niet aangenomen.
De voorzitter. – We stemmen over amendement nr. 37 van de heer Vandenberghe en
mevrouw De Schamphelaere.
Stemming nr. 20
Aanwezig: 56
Voor: 13
Tegen: 43
Onthoudingen: 0
– Het amendement is niet aangenomen.
De voorzitter. – We stemmen over amendement nr. 38 van de heer Vandenberghe en
mevrouw De Schamphelaere.
Stemming nr. 21
Aanwezig: 57
Voor: 13
Tegen: 40
Onthoudingen: 4
– Het amendement is niet aangenomen.
De voorzitter. – We stemmen over het wetsontwerp in zijn geheel.
Mevrouw Clotilde
Nyssens (PSC). – Mijn fractie zal zich onthouden. Dit wetsontwerp bevat wel een
aantal positieve punten, maar het bevat ook enkele belangrijke tekortkomingen.
Het wijzigt een wet die maar op 1 september laatstleden in werking is getreden.
Men had die wet beter eerst geëvalueerd, vooraleer ze te wijzigen. Wij vragen
ons ook af waarom een zo belangrijk ontwerp dringend moet worden aangenomen
vlak voor de gemeenteraadsverkiezingen. Ziet men bovendien niet af van de
toekenning van stemrecht aan niet-Europese vreemdelingen voor de
gemeenteraadsverkiezingen? Vanochtend hebben sprekers van verschillende
partijen daar negatief op geantwoord. Wij stellen evenwel vast dat de
toekenning van dat stemrecht een prioriteit was en wij weten nog steeds niet of
die vreemdelingen in 2006 mogen stemmen. Dit ontwerp is een compromis tussen de
liberale en de groene opvattingen.
Bovendien is het filosofisch debat over de begrippen
nationaliteit en actief burgerschap niet ten gronde gevoerd. Sommige inwoners
van ons land willen de Belgische nationaliteit niet verwerven, maar wel
deelnemen aan het politieke leven in de ruime betekenis en dus aan de
gemeenteraadsverkiezingen. Wij hopen dus dat het debat nog niet gesloten is.
Ten slotte verkiezen wij termijnen van vijf jaar in
plaats van die van drie jaar die het ontwerp invoert. Aangezien er geen
criteria zijn, lijkt die periode van drie jaar ons onvoldoende. Ze kan de
bevoegde kamercommissie te veel macht geven. De duur voor de procedure inzake
nationaliteit was beter vijf jaar geweest in plaats van zeven.
De heer Philippe
Mahoux (PS).
– De Franstalige socialistische fractie ziet de aanneming van dit wetsontwerp
met voldoening tegemoet. Het ontwerp herneemt overigens de grote lijnen van voorstellen
die wij tijdens de vorige zittingperiode hebben ingediend. Met dit ontwerp
behoort het vernederende onderzoek naar de integratie voorgoed tot het verleden
en staat de gehechtheid van de burgers aan het Europees Verdrag voor de Rechten
van de Mens voorop. Wij wensen dat de wet snel in werking treedt en dat de
niet-Europese vreemdelingen kunnen deelnemen aan de gemeenteraadsverkiezingen.
De heer Hugo Vandenberghe (CVP). – Einde december 1998 werd een nieuwe wet op de nationaliteit goedgekeurd. Het is een beginsel van goede wetgeving dat men eerst de gevolgen van een nieuwe wet onderzoekt vooraleer deze wet te wijzigen. Dat is hier niet gebeurd.
De huidige wetswijziging bewijst de ongeloofwaardige politieke opstelling van de VLD. De toenmalige fractieleider van de VLD, de heer Coveliers, heeft bij de vorige wijziging van de nationaliteitswet verklaard dat die wet te ver ging en dat men daarmee een verkeerd signaal gaf.
Vandaag staan we voor een wet die veel verder gaat. Het burgerschap en de nationaliteit worden volledig van elkaar losgekoppeld. Dat zal een nefaste invloed hebben op de samenleving.
De termijnen voor het verlenen van de Belgische nationaliteit worden door deze wet de kortste in vergelijking met de ons omringende landen. Een onwettig verblijf wordt zelfs in rekening gebracht om deze termijnen te berekenen. De termijn waarbinnen de Procureur des Konings en de Staatsveiligheid advies moeten geven is ook onrealistisch laag.
De wetgeving op het
verlenen van de nationaliteit zou buiten de partijpolitiek moeten blijven. Deze
wet zal de integratie niet ten goede komen. Er is immers geen maatschappelijk
draagvlak voor deze wet. Om deze redenen, en om de redenen die ik deze
voormiddag heb uiteengezet, zal de CVP tegen dit ontwerp stemmen.
De heer Wim Verreycken (VL. BLOK). – Straks zal de meerderheid in dit halfrond instemmen met een nieuw beginsel in het Belgisch, met name het vermoeden van integratie.
De aanvrager van de Belgische nationaliteit moet enkel een aanvraagformulier ondertekenen waarmee hij verklaart de wetten en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens te zullen verdedigen. De aanvrager moet niet eens de taal kennen waarin de wetten zijn gesteld.
Degenen die dit ontwerp goedkeuren zullen ook instemmen met het gratis verspreiden van identiteitskaarten en het afstammingsbeginsel, een historisch en democratisch criterium, wordt volledig naar de prullenmand verwezen.
Het Vlaams Blok zal
tegenstemmen. Ons standpunt is hetzelfde als dat van de heer Verwilghen dat een
tijd geleden werd weergegeven in “De Morgen” : “Ik vind dat er al veel te veel
genaturaliseerd is. Men heeft met de nationaliteit gesmeten. Dat moet
eindigen.”
Mevrouw Marie Nagy
(ECOLO). –
Mijn fractie steunt dit ontwerp. Het vormt een belangrijke vooruitgang. Ik
betreur, mevrouw Nyssens, uw verzet tegen een tekst die u zou aanvaarden indien
u niet in de oppositie zou zitten. Natuurlijk is het een compromis, maar het
verbetert de rechten van de mensen. Uw laatste compromis terzake heeft in de
grondwet enkel de mogelijkheid vastgelegd dat de niet-Belgen kiesrecht hebben
voor de gemeenteraadsverkiezingen van dit jaar en van 2006. Men moet soms het
fatsoen opbrengen om te aanvaarden wat anderen hebben kunnen bekomen.
De heer Frans Lozie (AGALEV). – Ik ben blij met de stemming van vandaag. We zetten een nieuw stap naar de ontmythologisering van het begrip Belgische nationaliteit. Alleen is het spijtig daar daarmee de discriminatie op straat niet verdwijnt.
De naturalisatie biedt meer en betere arbeidskansen en versnelt dus de integratie. Naturalisatie is geen snoepje dat het integratieproces afsluit. Wij vertrekken vanuit het vermoeden van integratiewil en niet uit een vooringenomenheid tegenover de niet-Belgen. Als er bijvoorbeeld voldoende taalcursussen worden aangeboden, leren zij heel vlug de taal van hun regio.
Vandaag wordt een
belangrijke stap gezet in de richting van een multiculturele samenleving.
De heer Patrik Vankrunkelsven (VU-ID). –VU-ID zal tegen de versoepeling van de naturalisatie stemmen. Niet omdat wij in alle omstandigheden tegen een versoepeling gekant zouden zijn, maar omdat wij van oordeel zijn dat deze wet niet tot minder discriminatie zal leiden. Wij hadden de versoepeling willen koppelen aan een verplichting tot integratie.
Zolang de vertegenwoordiging van de Vlamingen in Brussel niet is gegarandeerd, zal de naturalisatie hun positie nog verzwakken.
De vorige
meerderheid draagt een grote verantwoordelijkheid. De weigering van een goed
debat over het stemrecht voor allochtonen bij de gemeenteraadsverkiezingen,
heeft immers de basis gelegd voor deze wet.
De voorzitter. – We stemmen nu over het wetsontwerp in zijn geheel.
Stemming nr. 22
Aanwezig: 59
Voor: 42
Tegen: 12
Onthoudingen: 5
– Het wetsontwerp is ongewijzigd aangenomen. Bijgevolg wordt de Senaat geacht te hebben beslist het niet te amenderen.
– Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden met het oog op de bekrachtiging door de Koning.
(Applaus
van de meerderheid)
Stemming nr. 23
Aanwezig: 59
Voor: 42
Tegen: 10
Onthoudingen: 7
– Het wetsontwerp is aangenomen.
– Het zal aan de Koning ter bekrachtiging worden voorgelegd.
De voorzitter. – We stemmen over de gewone motie die voorrang heeft.
Stemming nr. 24
Aanwezig: 59
Voor: 46
Tegen: 13
Onthoudingen: 0
– De gewone motie is aangenomen.
De voorzitter. – Ik stel de Senaat voor deze vragen om uitleg samen te voegen. (Instemming)
Mevrouw Meryem Kaçar (AGALEV). –Met de aanvaarding van Turkije als kandidaat-lidstaat, kwam de Europese Raad van Helsinki van 10 en 11 december 1999 de associatieakkoorden van 1966 tussen Turkije en de Europese Gemeenschap na.
Het verheugt ons dat ook voor Turkije de criteria van Kopenhagen gelden. Deze beslissing zal het democratiseringsproces in Turkije bevorderen. Dit impliceert politieke en economische hervormingen waarin ook de rechten van minderheden en mensenrechten vervat zitten. De democratische hervormingsgezinden zullen meer slagkracht krijgen om de noodzakelijke hervormingen uit te voeren. Door Turkije een duidelijk boodschap te geven zullen de argumenten van de anti-Westerse oppositie uitgehold worden. Het doorslaggevende argument van deze groep was immers de voor Turkije nadelige toepassing van de douaneunie.
Dat Turkije nu de eisen van de EU ernstig neemt, blijkt uit het publieke debat over de afschaffing van doodstraf en het bericht dat Turkije bereid is Koerdische radio en televisieprogramma’s toe te laten
Wat zal de strategie zijn van de EU bij de toetredingsonderhandelingen met Turkije? Welke inspanningen zal de Belgische regering doen?
Wanneer zal Turkije volwaardig lid worden?
In de conclusies
van de Europese Raad van Helsinki is er sprake van passende controlemechanismen
op de politieke en economische verplichtingen van de lidstaat. Hoe zullen deze
controlemechanismen eruitzien? Werden zij al concreet ingevuld?
Mevrouw Gerda Staveaux-Van Steenberge (VL. BLOK). – Naar aanleiding van het promoveren van Turkije tot kandidaat-lidstaat van de EU op de top van Helsinki verklaarde de minister dat de eerbiediging van de mensenrechten en de rechten van de minderheden, inzonderheid van de Koerden, hem bekommerden. Turkije zou de criteria van Kopenhagen moeten respecteren vooraleer te kunnen toetreden. De minister oordeelde ook dat het statuut van kandidaat-lid Turkije ertoe zou aanzetten werk te maken van het respect voor de mensenrechten en de minderheden.
Op 20 januari meldde Amnesty International dat dertien lichamen werden opgegraven en dat de verdwijning van Koerden door de schuld van de islamitische Hezbollah blijft voortduren. In januari werd een belangrijke leider van deze groepering door de politie in Istanboel gedood. Volgens A.I. zouden delen van de Hezbollah samenwerken met de Turkse veiligheidsdiensten. Toch zou Turkije de EU-eisen ernstig nemen want het zou bereid zijn de Koerdische radio- en televisieprogramma’s toe te staan. De Turkse minister van Buitenlandse zaken werd wel door de Hoge Raad van de Veiligheid op zijn plaats gezet omdat hij daardoor de grondwet had overtreden en kon worden vervolgd wegens Koerdische sympathieën.
Dat Turkije nog steeds onrechtmatig een deel van Cyprus bezet wordt niet besproken. België heeft zich daartegen nochtans verzet.
Wat is de houding
van België tegenover de blijvende bezetting van Cyprus door Turkije? Hoever
staan de onderhandelingen tussen Griekenland en Turkije over Cyprus? Welke
acties zal de regering ondernemen om Turkije het verband te doen onderzoeken
tussen verdwijningen van Koerden door de Hezbollah en de opgraving van tien
lichamen op 19 januari 2000 te Istanboel en drie lichamen op 20 januari te
Ankara? Wat zal onze houding zijn als Turkije weigert dit onderzoek uit te
voeren? Zal de regering dan de toetreding van Turkije tot de EU blijven
steunen? Meent de regering niet dat Turkije zich zou moeten distantiëren van de
gewapende Hezbollah als teken dat het land het ernstig meent met de
mensenrechten?
De heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken. – De Europese Raad besliste in Helsinki dat Turkije een kandidaat-lidstaat is die voorbestemd is om tot de Unie toe te treden op basis van dezelfde criteria die gelden voor andere kandidaat-lidstaten. Die status impliceert niet dat wordt onderhandeld over de toetredingsvoorwaarden. De EU heeft altijd strikt toegezien op het respect voor de Kopenhagen-criteria. Er worden geen onderhandelingen aangeknoopt indien de Unie er niet van overtuigd is dat de politieke criteria vervuld zijn. België heeft de kandidatuur van Turkije gesteund maar ziet dit als een aansporing aan Turkije om de weg naar democratisering en eerbiediging van de mensenrechten en minderheden verder te zetten. Nu is het nog te vroeg om te voorspellen wanneer toetredingsonderhandelingen kunnen starten.
Vandaag is moeilijk te voorspellen in welk tempo Turkije de nodige hervormingen zal doorvoeren om zich op lidmaatschap voor te bereiden. Ik verheug me erover dat Koerdische programma’s op radio en televisie worden toegelaten. Het rapport van de Commissie van oktober 1999 stelt vast dat ernstige lacunes blijven bestaan inzake mensenrechten en bescherming van minderheden. Marteling blijft een wijd verbreide praktijk en de vrijheid van meningsuiting wordt beperkt. De Turkse Nationale Veiligheidsraad blijft een cruciale rol spelen. Er werden het afgelopen jaar beslissingen genomen om aan deze bezwaren tegemoet te komen. Het is nog te vroeg om te zien of aan de Kopenhagencriteria wordt voldaan. De regering hoopt dat de status van kandidaat ertoe bijdraagt het democratiseringsproces te versnellen en dat de EU daarin een constructieve rol kan spelen. Lidmaatschap bevat een ruim gamma verplichtingen waarvoor Turkije ingrijpende hervormingen moet doorvoeren onder meer op economisch vlak. Wij zijn verheugd over de verklaringen van premier Ecevit dat de vereiste hervormingen sneller tot een goed einde zullen komen dan werd verwacht.
Voor elke kandidaat wordt een partnerschap voor toetreding ingesteld. Dit omvat de prioriteiten voor de voorbereiding op toetreding en de financiële middelen om de kandidaten daarbij te helpen. De voorbereidingen zijn nu aan de gang en de Commissie zal in oktober een partnerschap voor toetreding voor Turkije voorleggen. De Europese Raad voorziet bovendien in passende controlemechanismen. Er zijn daarvoor nu nog geen voorstellen. De jaarlijkse rapporten van de Commissie zullen een rol spelen. De intensere dialoog en de versterkte samenwerking in het raam van communautaire programma’s zal bijdragen tot groter wederzijds contact.
Ik besluit met de hoop dat de beslissingen van
Helsinki ertoe bijdragen de Europees-Turkse relaties nieuw leven in te blazen.
Van Belgische zijde pleiten we ervoor in de Raad een aangepaste
pretoetredingsstrategie uit te werken.
Aan mevrouw Staveaux kan ik zeggen dat België
de inval van Turkije in Cyprus steeds veroordeeld heeft en de republiek van
Noord-Cyprus nooit heeft erkend. De onderhandelingen voor een oplossing
verlopen niet tussen Griekenland en Turkije maar tussen de Griekse en Turkse
gemeenschappen op Cyprus onder auspiciën van de VN. Wij hebben bij al onze
contacten Turkije gewezen op de belangrijkheid van het respect voor de
mensenrechten en blijven dit doen. Ons land heeft steeds elke vorm van
terrorisme in Turkije veroordeeld. De EU stond op de top van Helsinki aan
Turkije het statuut van kandidaat-lidstaat toe. Van een toetreding kan pas
sprake zijn indien aan een aantal strikte voorwaarden wordt voldaan, onder meer
inzake mensenrechten. Turkije zal blijk moeten geven van inspanningen terzake.
De acties tegen de Hezbollah duiden erop dat de Turkse regering schoon schip
wil maken met deze organisatie.
Mevrouw Meryem Kaçar (AGALEV). – Ik dank de minister voor zijn antwoord.
Ik meen dat Turkije in zijn democratiseringsproces zeker Europese steun zal
kunnen gebruiken. Ik zal de inspanningen van Europa, en van België in het
bijzonder, op de voet volgen.
De voorzitter. – Mevrouw Staveaux-Van Steenberge heeft een motie ingediend die luidt:
«De Senaat,
Gehoord de
vraag om uitleg van mevrouw Staveaux-Van Steenberge over de kandidatuur van
Turkije voor het lidmaatschap van de Europese Unie;
Gehoord het
antwoord van minister Michel op deze vraag;
Gelet op de
recente schendingen van de mensenrechten in Turkije;
Gelet op
het feit dat Turkije nog steeds op onrechtmatige wijze een deel van Cyprus
bezet;
Gelet op
het feit dat het Koerdische volk in Turkije geen culturele autonomie geniet;
Gelet op
het feit dat fundamentele vrijheden, zoals de persvrijheid, onbestaande is in
Turkije;
Gelet op
het feit dat de Turkse overheid zich niet distantieert van de gewapende
Islamitische militie Hizbullah;
Verzoekt de
Belgische regering
De Turkse
overheden ertoe aan te zetten het verband te onderzoeken tussen verdwijningen
van verschillende Koerden en de opgraving van 10 lichamen op 19 januari 2000 te
Istanbul en 3 lichamen op 20 januari 2000 te Ankara;
Turkije aan
te manen zich te distantiëren van de gewapende Islamitische Hizbulla en werk te
maken van de toepassing van de mensenrechten;
Turkije aan
te zetten tot het invoeren van fundamentele rechten en vrijheden zoals de
persvrijheid en de vrijheid op vergaderen
Turkije te
veroordelen wegens de bezetting van een deel van Cyprus
Zich te verzetten tegen de kandidatuur van Turkije voor toetreding tot de EU.»
De heren Daif, Remans, Destexhe, Dubié, Lozie en Malcorps hebben een gewone motie ingediend.
– Over deze moties wordt later gestemd.
– Het
incident is gesloten.
De heer Jan Remans (VLD). – Het verheugt ons dat de regering een nakende lastenverlaging koppelt aan nieuwe jobs. De kans op slagen is afhankelijk van de mogelijkheden tot vorming en opleiding.
Krachtens de CAO 1999-2000 werd in de bouw een stelsel van alternerende opleiding ingevoerd. Zo kunnen in één jaar 250 jongeren tussen de 18 en 25 jaar extra worden opgeleid. Ze krijgen tijdens de opleiding 17.800 tot 21.700 frank en ook nog een aanmoedigingspremie.
Met dit initiatief gaat de bouwsector in op de aanbevelingen van de federale en regionale regeringen om specifieke inspanningen te leveren voor de tewerkstelling van ongeschoolde jonge werkzoekenden. Toch is het jammer dat de vergoedingen en de premies onderworpen zijn aan patronale lasten van 20%.
Kan de
overheid een tegemoetkoming overwegen in de patronale lasten voor initiatieven
als deze van de bouwsector en voor andere vormen van alternerend leren?
(Voorzitter: de heer Jean-Marie Happart,
ondervoorzitter.)
Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Werkgelegenheid. – Het systeem dat in de bouw wordt toegepast is specifiek voor deze sector en wijkt af van de gebruikelijke regels voor de andere beroepen. De vergoedingen en premies worden toegekend in het raam van een CAO. Rekening houdend met het feit dat de sector ruim 0,15% van de loonmassa aan de opleiding van risicogroepen besteedt, geniet de sector een vrijstelling op het niveau van de aanwerving van stagiaires.
Tijdens de opleiding geniet de sector een vrijstelling van de sociale werkgeversbijdragen met uitzondering van de bijdrage voor de jaarlijkse vakantie. Daarbij komt nog de premie voor het fonds van de sluiting van bedrijven en enkele andere bijdragen. De regering kan moeilijk nog meer doen. De sector onderhandelt met de RSZ voor de sociale bijdrage op de premies voor de jongeren in opleiding.
– Het incident is gesloten.
De heer Georges
Dallemagne (PSC). – Sinds mijn laatste vraag over Tsjetsjenië is Grozny ingenomen en
zou een zuivering worden doorgevoerd. De Tsjetsjeense strijders hebben zich in de
bergen teruggetrokken. Volgens Le Monde, zijn ontbering, verkrachting en
marteling het dagelijks deel van de gevangenen in de Russische kampen. Moskou
beweert dat het om een operatie tegen terroristen gaat, maar de Tsjetsjenen
zien hierin een oorlog tegen hun land. Deze totalitaire praktijken roepen
herinneringen op aan de periode van Stalin. De verdragen van Genève en het
humanitair recht worden voortdurend met de voeten getreden zonder dat er enige
reactie komt van de internationale gemeenschap. Intussen staan de westerse
verantwoordelijken te trappelen in Moskou om hun, betrekkingen met Rusland te
normaliseren.
Op de situatie in Oostenrijk en in de zaak Pinochet zaten
de westerse landen niet om een reactie verlegen, maar de oorlog in Tsjetsjenië
blijft in een schuldige stilte gehuld. Ik begrijp wel dat er rekening diende te
worden gehouden met de onzekerheid rond het toekomstig bewind in Moskou en met
de risico’s verbonden aan de instabiliteit in de regio, maar het is niet
normaal dat het Westen toenadering zoekt tot Rusland.
We kunnen de situatie
niet laten verzanden onder het voorwendsel dat het gaat om de binnenlandse
aangelegenheden van een grootmacht.
Kan de minister de
alarmerende berichten over de doorgangskampen bevestigen? Hoe zou hij die
manipulaties omschrijven? Hoe zal hij reageren? Welke initiatieven heeft hij
genomen in de geest van de resolutie die door de Senaat werd aangenomen?
De heer Paul Galand
(ECOLO). –
Rekening houdend met de ernst van de situatie, heeft België recent, dank zij
het optreden van de minister, zijn houding bijgestuurd. De manier waarop hij
opgekomen is voor de mensenrechten, was goed voor het imago van ons land.
Wij
deden er goed aan een debat te houden en de goedgekeurde resolutie blijft
actueel. Als het waar is wat Le Monde schrijft, dan moeten we een onderzoek
instellen naar de bevindingen van instanties zoals de internationale
straftribunalen. Dit bewijst ook dat het belangrijk is op te komen voor de
oprichting van een internationaal gerechtshof. Ik hoop dat we in het Europees
parlement alles in het werk zullen stellen om tot vastberaden standpunten te
komen.
Wij moeten alles in
het werk stellen om het lijden van de burgerbevolking te lenigen en ons
verzetten tegen gedragingen die veel weg hebben van misdaden tegen de
menselijkheid of van oorlogsmisdaden.
De heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse
Zaken. – Aangezien er geen observatiemissie in Tsjetsjenië is, beschikken we niet
over een onpartijdige evaluatie. België steunt het plan om zo snel mogelijk een
OVSE-missie te zenden. De Russische autoriteiten antwoorden ons echter dat de
situatie nog niet geheel veilig is. In Grozny zijn de gevechten zo goed als
opgehouden en 3.000 Tsjetsjeense strijders zouden de stad hebben verlaten.
Wij
zullen elke vraag vanwege het HCR of het ICRK voor een bijkomende bijdrage
welwillend bestuderen. De raad van algemene zaken van de Europese Unie heeft de
Tsjetsjeense crisis op 24 januari opnieuw besproken en heeft bevestigd dat de
maatregelen waarover met Rusland overeenstemming werd bereikt ten uitvoer
zullen worden gelegd. De dialoog met dat land moet worden voortgezet en moet
vooral op Tsjetsjenië gericht zijn. Rusland moet zijn internationale
verplichtingen met betrekking tot het humanitair recht nakomen en proberen
onverwijld een politieke oplossing te vinden, indien mogelijk door de Raad of
de OVSE daarbij te betrekken.
Gisteren
heb ik minister Ivanov een brief gezonden waarin ik mijn ongerustheid over de
situatie in Tsjetsjenië uit, informatie vraag en hem aanspoor om de
verdenkingen over de schendingen van mensenrechten die op Rusland wegen, weg te
nemen.
Ik heb trouwens
gevraagd om de Russische ambassadeur te ontmoeten om hem te ondervragen.
Natuurlijk is Grozny
even veel waard als Wenen. Alle steden en alle landen van de wereld zijn even
veel waard als Wenen. Maar het gewicht van België is belangrijker in Europa dan
in de wereld. Dat belet ons niet om onze acties en demarches uit te breiden.
Wij zijn bezorgd over alle ernstige situaties in de wereld. Toch moeten we ons
niet te veel illusies maken over het diplomatiek gewicht van ons land.
Het probleem van de
relaties tussen Rusland en de internationale gemeenschap zou het onderwerp
moeten zijn van een debat dat we hier zouden kunnen voeren.
Als we het debat nu
niet ten gronde voeren, zullen we altijd met hetzelfde probleem worden
geconfronteerd. Het antwoord op de ontsporing van Rusland is willicht een
nieuwe definitie van de betrekkingen tussen dat land en de internationale
gemeenschap. Soms moet men bepaalde volkeren opnieuw doen inzien dat ze hun lot
in eigen handen kunnen nemen.
De heer Georges
Dallemagne (PSC). – Ik verheug me over de vernieuwde diplomatieke activiteit van
België. Zij moet worden ontplooid in de Europese Unie en zodoende het imago van
Europa verstevigen. Maar wij mogen de crisissen overal elders in de wereld niet
vergeten.
Men moet uiteraard geen troepen naar Grozny zenden. De
heer Jack Lang heeft voorgesteld om een internationaal onderzoeksteam af te
vaardigen. Dat soort van initiatieven kan op onze steun rekenen. Op de
eerstvolgende vergadering van de Commissie voor de Mensenrechten te Genève zou
België een initiatief kunnen nemen in de vorm van een resolutie.
– Het incident
is gesloten.
De voorzitter. – Ik stel
de Senaat voor deze vragen om uitleg samen te voegen. (Instemming)
De heer Josy Dubié
(ECOLO). –
Alvorens het over het Amerikaanse spionageprogramma “Echelon” te hebben, zou ik
eerst aan de inhoud van enkele juridische instrumenten willen herinneren : in
de eerste plaats de artikelen 22 en 24 van de Belgische Grondwet, die de
eerbiediging voor het privé-leven en het briefgeheim waarborgen, vervolgens
enkele vergelijkbare bepalingen uit de Universele Verklaring van de rechten van
de mens, het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens, het
Internationaal Verdrag betreffende de burgerlijke en politieke rechten en
richtlijn 95/46.
Dit zijn fundamentele instrumenten voor de vrijwaring van
de democratie.
De declassificering van geheime NSA-documenten brengt het
bestaan van een wereldwijd spionagenetwerk aan het licht voor het aftappen van
telefoon, fax en elektronische post. Dit gaat ook België aan. Met toepassing
van een Amerikaanse wettelijke bepaling wordt dat netwerk niet voor berichten
van de Verenigde Staten zelf gebruikt. Wat goed is voor de Amerikanen is dus
niet goed voor de wereld.
Er bestaan bewijzen dat dit spionagesysteem ten bate van
Amerikaanse privé-bedrijven werd gebruikt. Deze uiting van cynisch imperialisme
is onaanvaardbaar. Het Verenigd Koninkrijk neemt overigens deel aan dit
uitgebreide spionagenetwerk.
Hoe beoordeelt de regering deze praktijken? Hoe denkt zij
de artikelen van onze Grondwet en de bepalingen van de internationale verdragen
die wij hebben geratificeerd, te doen eerbiedigen? Welke maatregelen is zij
voornemens te nemen opdat het Verenigd Koninkrijk ophoudt hand- en spandiensten
te leveren voor dat netwerk dat ten koste van de Europese Unie functioneert?
(Applaus van Ecolo-Agalev)
De heer Frans Lozie (AGALEV). –In de pers wordt gemeld dat België sinds 1994 deelneemt aan de voorbereiding van ILETS, (International Law Enforcement Telecommunications Seminar), een afluistersysteem van de FBI waaraan heel wat EU-landen deelnemen.
Is de minister op de hoogte van dit initiatief? Sinds wanneer werkt België mee aan een dergelijk project? Hoeveel geld werd daarin al geïnvesteerd? Vanuit welke instanties wordt hierop enige democratische controle uitgeoefend? Op grond van welke wettelijke basis kan ons land dergelijke inbreuken op de privacy plegen?
Het Amerikaanse Echelon zou vooral gericht zijn op activiteiten van landen die deelnemen aan de WHO-onderhandelingen en heeft dus duidelijk om economische en commerciële motieven. Wat is de zin van internationale afspraken over vrije handel als afluistersystemen de eerlijke concurrentie op de helling zetten?
Hebben fundamentele
mensenrechten en democratische vrijheden nog enige betekenis als alle landen
dergelijke afluisterpraktijken met de mond afkeuren maar terzelfder tijd in
eigen initiatieven investeren?
De heer Georges
Dallemagne (PSC). – Het bestaan van dit afschuwelijke spionageprogramma werd bevestigd
op de vergadering van het Comité I van de Senaat van maandag 14 februari.
Tijdens welke periode heeft deze spionageactiviteit zich
ontwikkeld? Wie werd er bespioneerd, met welk doel, voor wie? Heeft de minister
contact opgenomen met zijn Amerikaanse en Britse collega’s? Is het normaal dat
wij door bevriende landen worden bespied? Overweegt u te protesteren of
sancties te nemen tegen de staten die de rechten van de Belgische burgers
schenden? Zal u tegenmaatregelen nemen? Moet een gemeenschappelijke reactie van
de dertien lidstaten van de Europese Unie geen prioriteit krijgen? Wat is de
economische schade die deze praktijken hebben veroorzaakt? Zijn er andere
redenen? Wat moeten we doen om te voorkomen dat dit zich herhaalt?
Mevrouw Anne-Marie
Lizin (PS).
– Het Comité I heeft uitstekend werk geleverd. De Veiligheid van de Staat noch
de Militaire Veiligheid beschikten over dergelijke inlichtingen. Wat is de
reactie van de regering op die informatie, die door de Amerikaanse regering
niet wordt weerlegd? Mochten deze afluisterpraktijken nadelige gevolgen hebben
voor bepaalde ondernemingen, bijvoorbeeld in de oliesector, waar onze belangen
kunnen verschillen van de Amerikaanse, kunnen er dan juridische stappen worden
ondernomen?
Kan men zich
beschermen tegen dergelijke indringing, als men weet dat efficiënte
encryptiemethodes alleen kunnen gebruikt worden als de Verenigde Staten
daarvoor toestemming geven en dat zij zich aldus het recht toe-eigenen de
informatie van de anderen te controleren?
Heeft onze ambassade
te Washington een officieel Amerikaans standpunt kunnen vernemen? Klopt het dat
andere landen een beschermingssysteem, oppidum genaamd, uittesten? Hebben wij
er geen belang bij een technische cel te installeren bij de eerste minister,
zodat de Staat iets blijft betekenen?
De arrestatie op ons grondgebied
van een Frans kolonel door de Franse Staatsveiligheid die de aanvalsplannen van
de NAVO aan Joegoslavië had doorgespeeld, werd slechts mogelijk met de hulp van
en op verzoek van de Amerikaanse diensten. Wij zullen het er nog over hebben
want de situatie in Kosovo is nog niet gestabiliseerd. Hebben wij nog enige
autonomie als dergelijke zaken zich vlakbij de zetel van de regering kunnen
afspelen zonder dat wij daar iets van weten?
De heer Vincent Van Quickenborne (VU-ID). – Ook onze fractie wil haar ongerustheid uitdrukken over dit spionagenetwerk. Ik wil de economische schade als gevolg daarvan niet onderschatten. Zo zouden Airbus en Thompson miljardencontracten zijn kwijtgespeeld.
In België zijn er bedrijven waarin Amerikaanse bedrijven participeren. Zo participeert Ameritec in Belgacom. Het begrip fair trade krijgt door dit systeem een nieuwe betekenis. Het is als beleggen met voorkennis.
Heeft de minister
aanwijzingen dat Belgische bedrijven slachtoffer werden van dit systeem? Zijn
er aanwijzingen dat Belgische technologie is gebruikt in deze activiteiten? Zo
zou men gebruik gemaakt hebben van spraaktechnologie. Is er druk uitgeoefend op
Belgische operatoren om samen te werken? Met de komst van Internet wordt het
gevaar voor dergelijke systemen nog groter. Welke initiatieven zal de regering
nemen om de privacy van burgers en ondernemingen te beschermen?
De heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse
Zaken. – Ik beschik niet over voldoende informatie om alle vragen te beantwoorden.
Ik zal de antwoorden dus bezorgen naarmate ik dat kan.
Volgens
een studie van het Europees Parlement zou er een wereldwijd afluistersysteem
bestaan en de Verenigde Staten lijken dit te bevestigen. Hiermee staan we voor
een volkomen onaanvaardbare situatie. Europa zou het slachtoffer zijn van
spionage op grote schaal en daaruit dienen de gepaste conclusies te worden
getrokken.
De pers heeft melding gemaakt van een verslag van de Senaatscommissie belast met de controle van het Comité I. Gezien het delicate karakter van de zaak kan ik geen voorbarig oordeel vellen. Op grond van de betekenisvolle elementen in dit dossier dient alles in het werk te worden gesteld om de sociale en economische effecten in te schatten van wat zich mogelijk heeft voorgedaan.
(Voorzitter: de heer Armand De Decker.)
De heer Josy Dubié
(ECOLO). –
Wat is gebeurd, is zeer ernstig en we moeten er diplomatieke lessen uit
trekken. De vice-eerste minister heeft in Londen in de zaak-Pinochet iets
ondernomen, waarvoor mijn gelukwensen. Zijn diensten moeten ijver aan de dag
leggen om de berichten die door de pers werden verspreid te bevestigen of te
logenstraffen.
De heer Frans Lozie (AGALEV). – Het rapport van de commissie die de
inlichtingendienst opvolgt sprak nog niet over deelname van België aan systemen
zoals hier besproken. Ik wil de suggestie doen dat de minister kennis neemt van
de vier rapporten die werden gemaakt ter voorbereiding van de conferentie die
volgende week plaatsheeft in het Europees Parlement. Daarin staat heel expliciete
informatie. Dan kunnen we snel tot de conclusie komen dat er op internationaal
vlak een aantal stappen moeten worden gezet.
De voorzitter. – Ik deel de leden mee dat de opvolgingscommissie van de Senaat van het Comité P en het Comité I dit comité heeft belast met een aanvullende enquête- en informatieopdracht over deze zaak met inbegrip van het rapport van het Europees Parlement. Nadat onze commissie die documenten zal hebben ingezien, zullen ze uiteraard, zoals het rapport van het Comité I en P, dat nu officieel is, via de gewone weg van het Comité P aan het Parlement en de regering worden toegezonden.
– Het incident
is gesloten.
De heer Johan Malcorps (AGALEV). – Er komen steeds meer auto's in het verkeer. In een jaar tijd zijn er 8% bijgekomen. Het autoverkeer heeft ook een steeds groter invloed op ons leefmilieu en op onze gezondheid. Zo is het verantwoordelijk voor astma, longkanker en hartziekten. Volgens de WHO zouden er 80.000 personen per jaar sterven aan de gevolgen van de luchtvervuiling veroorzaakt door het autoverkeer.
Bovendien rijdt 42%
van alle wagens op diesel. Daarmee bekleden we de eerste plaats na Oostenrijk.
Ongeveer 77% van het totale vrachtvervoer verloopt via de weg.
De kleine pm 10- en pm 2,5-stofdeeltjes zijn
gevaarlijk. Gemiddeld 30 à 50 % van de vervuiling in de steden is aan deze
deeltjes te wijten. Volgens het Amerikaans Milieubureau is dieseluitstoot
ronduit kankerverwekkend. Het aanvullend risico op longkanker bedraagt 33 tot
47 %. Dieselwagens stoten ook meer stikstofoxyde uit. Dieselwagens veroorzaken
meer milieukosten dan benzinewagens.
Wanneer zal de minister iets ondernemen voor de
variabilisering van de autokosten? Waarom wordt de aankoop van zuivere auto's
niet aangemoedigd? Het is jammer dat de minister niet, zoals zijn collega van
vervoer, voorstander is van LPG.
Zal de minister eventuele maatregelen in
overleg met de actiegroepen, of enkel maar in overleg met FEBIAC voorbereiden?
Denkt hij aan de invoering van eco-boni voor deeltjescatalysatoren op
dieselwagens om op de Euro-4 norm te anticiperen? Zal de minister fiscaal het
gebruik van zwavelarme diesel aanmoedigen? Zal de minister het gebruik van LPG
stimuleren? Wat denkt de minister over de bestaande fiscale begunstiging van
dieselwagens? Elke milieu- of economische basis is daarvoor weggevallen. België
zou het voorbeeld van onze buurlanden kunnen volgen en dieselwagens hoger
taxeren.
Mevrouw Mimi Kestelijn-Sierens (VLD). – Ik sluit me aan bij de heer Malcorps. De meest vervuilende wagens
moeten worden aangepakt. Diesel is inderdaad verantwoordelijk voor respiratoire
aandoeningen. En toch blijft België het gebruik van dieselwagens fiscaal
aanmoedigen. Tussen 1985 en 1998 is het gebruik van diesel verdubbeld. Het
gebruik van auto's moet worden afgeremd, maar niet het bezit. Ik hoop dat de
minister het gebruik van nieuwe propere wagens zal aanmoedigen. De gemiddelde
leeftijd van het wagenpark is gestegen van 6 jaar in 1985 tot 7,5 jaar in 1998.
Ook de inverkeerstellingsbelasting zou moeten worden verminderd.
(Voorzitter: de heer Jean-Marie Happart,
ondervoorzitter.)
De heer Vincent Van Quickenborne (VU-ID). – Uit de persartikelen blijkt dat vooral op korte ritten de diesel
het meest vervuilt. Ook schakelen leasingfirma's meer en meer over op
dieselvoertuigen. De spread tussen de benzineprijs en dieselprijs is bij ons
het hoogst. We hoeven niet te wachten tot een algehele fiscale hervorming om de
nodige wijzigingen aan te brengen.
De heer Didier Reynders, minister van Financiën. – De vraag in verband met een fiscaal beleid op het vlak van autogebruik dat gunstig zou zijn voor het milieu en de gezondheid, heeft betrekking op verschillende fiscale materies: de accijnzen, de BTW, de inkomstenbelastingen, de verkeersbelasting, de belasting op de inverkeerstelling, de accijnscompenserende belasting en de aanvullende verkeersbelasting. Pas na een grondige studie van al deze aspecten kan ik een antwoord geven op de vragen van de heer Malcorps.
Vorige week is een eerste bespreking in de commissie gehouden over deze materie. Ik wil zeker en vast een beleid inzake fiscaliteit van autogebruik voeren dat gericht is op het milieu en de gezondheid. Ik ben bijvoorbeeld bereid om een beleid dat gericht is op het variabel maken van de autokost in te voeren. Men moet ermee rekening houden dat de prijzen van brandstof opnieuw gestegen zijn. Daarom heeft men mij recent gevraagd om de accijnzen op brandstof te verlagen.
Ik wil eerst overleg plegen met de autosector en met mijn collega's Durant en Aelvoet om een globale aanpak te bespreken. Pas daarna is een globale aanpak mogelijk en kan ik antwoorden op de vragen van de heer Malcorps.
Ik wil ook maatregelen nemen, bijvoorbeeld ter aanmoediging van het gebruik van LPG en maatregelen op het vlak van het verschil in accijnzen tussen benzine en diesel.
De heer Johan Malcorps (AGALEV). – Ik besef dat het om een complex probleem gaat maar het is belangrijk dat we er op korte termijn werk van maken. Ik besef ook dat dit niet het goede moment is om het probleem aan te pakken, nu de benzineprijzen stijgen. Onafhankelijk van de schommelingen op de markt blijft het probleem echter bestaan en moet het worden aangepakt. Ik ben in ieder geval blij dat een heleboel collega's me daarin wil steunen.
– Het incident
is gesloten.
De heer Frans Lozie (AGALEV). – Ik zal aanvangen met enkele concrete vragen. In de zomer van 1997 werd een tuchtrechterlijk vooronderzoek gestart tegen twee BOB'ers, de heren De Baets en Bille. Dat vooronderzoek loopt nog steeds.
Is een dergelijk lange termijn voor een vooronderzoek in een tuchtprocedure aanvaardbaar? Bestaan er reeds elementen ten laste van de betrokken BOB'ers? Wanneer mag men de resultaten van dit vooronderzoek verwachten?
Het hoofd van de antenne-Neufchâteau bij de BOB
van Brussel, de heer Duterme, heeft vijf herlezers van de zogenaamde X-dossiers
aangeduid. In december 1999 werden deze herlezers administratief ondervraagd
door de officieren belast met het reeds vermelde tuchtrechterlijk
vooronderzoek.
Is de minister hiervan op de hoogte? Waren er
herlezers die geweigerd hebben mee te werken aan deze ondervragingen? Zo ja,
waarom? Heeft de minister een kopie van deze ondervragingen? Trekt hij hieruit
conclusies? Zullen de betrokken BOB'ers in het bezit kunnen komen van de tekst
van de ondervragingen van de herlezers? De ondervragingen gebeurden immers in
het raam van het vooronderzoek tegen hen.
In de zomer van 1997 werden de BOB's verwijderd
uit de antenne-Neufchâteau. In dit raam bestaan er een aantal brieven van de
heren Duterme, Brabant, Bourlet en Langlois. Hieruit bleek dat de verwijdering
van de BOB'ers beslist werd door de rijkswachthiërarchie en niet door de
magistratuur.
Beschikt de minister over deze briefwisseling?
Gaat hij akkoord met deze gang van zaken? De heer Bourlet maakt in zijn brief
gewag van chantage die de heer Brabant, hoofd van de rijkswachtbrigade van
Brussel, in zijn brief zou hebben vermeld. Welke maatregelen heeft de
rijkswachttop genomen in dit verband?
Volgens persberichten in augustus 1999 verliet
de heer Brabant de generale staf van de rijkswacht. Welke redenen liggen aan de
basis van die plotse mutatie? Bestaat er een verband met een intern onderzoek dat
werd gevoerd, waarbij de heer Coekx een aantal rapporten heeft geschreven over
een twintigtal rijkswachters? Loopt er momenteel nog een onderzoek tegen de
heer Brabant? Welke elementen worden hem ten laste gelegd? Welke functie heeft
de betrokkene vandaag?
Ook het hoofd van de personeelszaken bij de
rijkswacht werd gemuteerd. Ik weet niet waarheen. Wat is hiervoor de reden?
Loopt er een onderzoek tegen hem?
De tweede in rang bij de BOB van Brussel, de
heer Duterme, rechtstreekse chef van de heren De Baets en Bille ten tijde van
de cel-Neufchateau werd plots verlaagd in rang. Wat was hiervoor de reden?
Is het juist dat de algemene inspectie van de
rijkswacht reeds geruime tijd op de hoogte was van de malaise bij BOB van
Brussel? Is het juist dat de functie van groepscommandant van Brabant-Brussel
al enkele maanden vacant is? Hoe is deze vacature tot stand gekomen? Wie zal
deze functie terug opnemen?
Pas op 2 juni 1998 werden de heren De Baets en
Bille gevraagd om Brussel te verlaten, in opvolging van een advies van de
procureur-generaal te Brussel van 15 mei 1998, naar aanleiding van een brief
van de personeelschef van de BOB van Brussel. Zij konden zich hierbij niet
verdedigen in een onderzoek dat reeds een jaar tegen hen liep. Waarom werden
deze heren niet overgeplaatst naar een ander gerechtelijk arrondissement,
vermits het advies van de procureur-generaal slechts betrekking had op het
gerechtelijk arrondissement Brussel en de BOB'ers een uitstekende staat van
dienst hadden.
Op 3 februari 1999 werden de heren De Baets en
Bille, op bevel van de commandant van de rijkswacht overgeplaatst naar de
Koninklijke School van de rijkswacht, waardoor hun tijdelijke mutatie
definitief werd. Tijdens deze hele periode werden aan de betrokkenen geen
vragen gesteld. Bovendien was de commandant van de rijkswacht ervan op de
hoogte dat het onderzoek van onderzoeksrechter Pignolet tot geen enkel
strafbaar feit ten laste van hen had geleid. Waarom werd dan toch een sanctie
getroffen?
Uit een brief van 26 februari 1999 gericht aan
de advocaat van de betrokken rijkswachters blijkt dat de beslissing tot
verwijdering uitsluitend door de generale staf van de rijkswacht werd genomen.
Gaat de minister ermee akkoord dat dit een
beslissing is van de generale staf, die op geen enkele manier wordt
gerechtvaardigd maar wel zware gevolgen heeft voor de betrokken rijkswachters?
Uit al deze feiten blijkt dat er een enorme
malaise bij de BOB van Brussel ontstaan is naar aanleiding van de
gebeurtenissen rond de antenne- Neufchâteau in het kader van het onderzoek
Dutroux. Recent werden allerlei mutaties bij de leiding van de BOB van Brussel
doorgevoerd. Zijn deze ingrepen uitsluitend het werk van de rijkswachttop?
Verwacht de minister nog andere ingrepen in de rijkswachttop? Welke zijn de
concrete doelstellingen nagestreefd door de minister of door de
rijkswachthiërarchie?
De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse
Zaken. – De bevoegdheid van de minister van Binnenlandse Zaken voor de
Rijkswacht is zeer beperkt. Ik heb geen enkele bevoegdheid inzake benoemingen,
tuchtzaken en operaties.
Ik
antwoord dus op basis van de informatie die de Rijkswacht mij heeft bezorgd.
Sinds 8 juni 1998 werd met een vooronderzoek begonnen. Op 18 december
werden de betrokkenen erover ingelicht dat op het afronden van dat onderzoek
zou worden gewacht vooraleer tuchtmaatregelen te nemen. Toen op
20 december 1999 het ontslag van rechtsvervolging werd uitgesproken,
heeft de Rijkswacht de procureur-generaal verzocht een verslag op te stellen
over de eventueel vastgestelde beroepsfouten.
Het administratief onderzoek werd gevoerd onder de verantwoordelijkheid van de Rijkswachtleiding en niet op aanmaning van de minister. Tot de tijdelijke verwijdering van twee speurders van de cel van Neufchâteau werd besloten in overleg met rechter Langlois en tot die van de BOB van Brussel in samenspraak met de procureur-generaal. De aanwijzing van de officieren valt onder de bevoegdheid van de Rijkswachtcommandant. De mutatie van luitenant-kolonel Brabant houdt geen enkel verband met de situatie van de heren De Baets en Bille of met het verslag-Coeckx. Tegen de heer Brabant loopt een tuchtonderzoek zonder enig verband met een gerechtelijk onderzoek.
Het hoofd van de
personeelsdienst, majoor Driessens, werd overgeplaatst naar de groep Brabant-Brussel
zonder dat er een onderzoek loopt. De BOB van Brussel is zo belangrijk dat men
beslist heeft een hogere officier als tweede in bevel te benoemen. De vroegere
chef van de post van Neufchâteau is op die manier nummer drie geworden. De
processen-verbaal van de klachten over de BOB van Brussel die bij algemene
inspectie werden ingediend, werden aan de gerechtelijke autoriteiten
overgemaakt. De vroegere groepscommandant kreeg een opdracht in het buitenland
en werd ad interim vervangen door zijn adjunct.
De betrokkenen werden
over al deze voorlopige overplaatsingen gehoord en konden hun keuze kenbaar
maken. Tegen De Baets en Bille werde geen sancties genomen. De genomen
ordemaatregelen waren tijdelijk. De betrokkenen zijn hiervan op de hoogte. De
directeur‑generaal voor het personeelsbeleid heeft de procureur-generaal
gevraagd hem mee te delen of hij ingevolge het onderzoek maatregelen moest
nemen tegen andere rijkswachters. Hij wacht op een antwoord.
Ik word pas achteraf
en schriftelijk over belangrijke overplaatsingen ingelicht. Ze verbazen me
soms. Ik heb uiteraard inlichtingen ingewonnen over de overplaatsingen waarvan
de pers melding maakt.
Ik benadruk dat dit
alles niet onder de verantwoordelijkheid van de minister van Binnenlandse Zaken
valt.
De heer Frans Lozie (AGALEV). – Ik dank de minister voor zijn gedetailleerd antwoord.
In verband met de tuchtprocedures krijgt de minister blijkbaar pas het volledige rapport onder ogen als sancties moeten worden genomen. Ook bij mutaties krijgt de minister maar beperkte informatie. Met het oog op een democratische controle op de politiediensten zal met deze bevindingen toch rekening moet worden gehouden als in het raam van de politiehervormingen sommige wetten moeten worden gewijzigd.
Ik betwist de stelling van de Rijkswacht dat de tijdelijke verwijdering van de betrokkene uit het onderzoek in Neufchâteau er kwam op verzoek van de onderzoeksrechter. De onderzoeksrechter heeft het wel gelegitimeerd. Hij heeft zich zelfs moeten verzetten tegen een definitieve verwijdering.
De minister zegt dat de rijkswachters wel werden gehoord. Maar zij hebben niet de kans gekregen zich te verdedigen. Juridisch zijn mutaties inderdaad ordemaatregelen. Maar als ervaren topspeurders meer dan twee jaar verbod krijgen te werken in gerechtelijke onderzoeken, dan wordt dat door de betrokkenen toch als een sanctie ervaren.
Het gerechtelijk
onderzoek is nu afgelopen. Ik hoop dat we geen maanden op de conclusies van het
tuchtonderzoek zullen moeten wachten.
De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse
Zaken. – Ik oefen mijn disciplinaire bevoegdheid uit als het nodig is. Ik wil
dat de onderzoeken objectief verlopen. De tuchtstraffen zijn belangrijk omdat
ze soms ernstige gevolgen hebben.
Over het
algemeen ben ik strenger dan de rijkswacht zelf. De tekortkomingen moeten
uiteraard wel worden bewezen.
Het tuchtrecht is herzien, maar de
eerstvolgende opdracht is de politiehervorming. Daarna ben ik bereid om over
sommige punten te praten, zoals de macht van de oversten inzake tucht, het
beroep, de rechtspraak en de verlichting van het gewicht van de hiërarchie.
–Het incident is gesloten.
De voorzitter. – De agenda van deze vergadering is afgewerkt.
De volgende
vergadering vindt plaats op donderdag 24 februari 2000 om 15.00 uur.
(De vergadering wordt gesloten om 19.25 uur.)
Afwezig met bericht van verhindering: de heer Creyelman, om gezondheidsredenen.
– Voor kennisgeving aangenomen.
Naamstemmingen
|
|
|
Vote nº 1 |
Stemming nr. 1 |
|
Présents: 49 |
Aanwezig: 49 |
|
|
|
|
Jurgen Ceder, Roeland Raes, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Wim Verreycken. |
|
|
|
|
|
Michel Barbeaux, Philippe Bodson, Marcel Cheron, Marcel Colla, Christine Cornet d'Elzius, Mohamed Daif, Georges Dallemagne, Armand De Decker, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Paul Galand, André Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Mimi Kestelijn-Sierens, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Kathy Lindekens, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Chokri Mahassine, Philippe Mahoux, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Philippe Monfils, Jacky Morael, Philippe Moureaux, Marie Nagy, Clotilde Nyssens, Francis Poty, Didier Ramoudt, Jan Remans, Jacques Santkin, Erika Thijs, Hugo Vandenberghe, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, Vincent Van Quickenborne, Iris Van Riet, Magdeleine Willame-Boonen. |
|
|
|
|
|
N. |
|
|
Vote nº 2 |
Stemming nr. 2 |
|
Présents: 50 |
Aanwezig: 50 |
|
|
|
|
Jurgen Ceder, Mia De Schamphelaere, Roeland Raes, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Erika Thijs, Hugo Vandenberghe, Patrik Vankrunkelsven, Vincent Van Quickenborne, Wim Verreycken. |
|
|
|
|
|
Philippe Bodson, Marcel Cheron, Marcel Colla, Christine Cornet d'Elzius, Mohamed Daif, Armand De Decker, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Paul Galand, André Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Mimi Kestelijn-Sierens, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Kathy Lindekens, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Chokri Mahassine, Philippe Mahoux, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Philippe Monfils, Jacky Morael, Philippe Moureaux, Marie Nagy, Francis Poty, Didier Ramoudt, Jan Remans, Jacques Santkin, Myriam Vanlerberghe, Iris Van Riet, Paul Wille. |
|
|
|
|
|
Michel Barbeaux, Georges Dallemagne, Clotilde Nyssens, Magdeleine Willame-Boonen. |
|
|
Vote nº 3 |
Stemming nr. 3 |
|
Présents: 52 |
Aanwezig: 52 |
|
|
|
|
Michel Barbeaux, Jurgen Ceder, Georges Dallemagne, Mia De Schamphelaere, Clotilde Nyssens, Roeland Raes, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Erika Thijs, Hugo Vandenberghe, Chris Vandenbroeke, Ingrid van Kessel, Patrik Vankrunkelsven, Vincent Van Quickenborne, Wim Verreycken, Magdeleine Willame-Boonen. |
|
|
|
|
|
Philippe Bodson, Marcel Cheron, Christine Cornet d'Elzius, Mohamed Daif, Armand De Decker, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Josy Dubié, Paul Galand, André Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Mimi Kestelijn-Sierens, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Kathy Lindekens, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Chokri Mahassine, Philippe Mahoux, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Jacky Morael, Philippe Moureaux, Marie Nagy, Francis Poty, Didier Ramoudt, Jan Remans, Jacques Santkin, Myriam Vanlerberghe, Iris Van Riet, Paul Wille. |
|
|
|
|
|
N. |
|
|
Vote nº 4 |
Stemming nr. 4 |
|
Présents: 54 |
Aanwezig: 54 |
|
|
|
|
Jurgen Ceder, Mia De Schamphelaere, Roeland Raes, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Erika Thijs, Hugo Vandenberghe, Chris Vandenbroeke, Ingrid van Kessel, Patrik Vankrunkelsven, Vincent Van Quickenborne, Wim Verreycken. |
|
|
|
|
|
Michel Barbeaux, Philippe Bodson, Marcel Cheron, Marcel Colla, Christine Cornet d'Elzius, Mohamed Daif, Georges Dallemagne, Armand De Decker, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Josy Dubié, Paul Galand, André Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Mimi Kestelijn-Sierens, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Kathy Lindekens, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Chokri Mahassine, Philippe Mahoux, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Philippe Monfils, Jacky Morael, Philippe Moureaux, Marie Nagy, Clotilde Nyssens, Francis Poty, Didier Ramoudt, Jan Remans, Jacques Santkin, Myriam Vanlerberghe, Iris Van Riet, Magdeleine Willame-Boonen, Paul Wille. |
|
|
|
|
|
N. |
|
|
Vote nº 5 |
Stemming nr. 5 |
|
Présents: 54 |
Aanwezig: 54 |
|
|
|
|
Jurgen Ceder, Mia De Schamphelaere, Roeland Raes, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Erika Thijs, Hugo Vandenberghe, Chris Vandenbroeke, Ingrid van Kessel, Patrik Vankrunkelsven, Vincent Van Quickenborne, Wim Verreycken. |
|
|
|
|
|
Philippe Bodson, Marcel Cheron, Marcel Colla, Christine Cornet d'Elzius, Mohamed Daif, Armand De Decker, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Josy Dubié, Paul Galand, André Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Mimi Kestelijn-Sierens, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Kathy Lindekens, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Chokri Mahassine, Philippe Mahoux, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Philippe Monfils, Jacky Morael, Philippe Moureaux, Marie Nagy, Francis Poty, Didier Ramoudt, Jan Remans, Jacques Santkin, Myriam Vanlerberghe, Iris Van Riet, Paul Wille. |
|
|
|
|
|
Michel Barbeaux, Georges Dallemagne, Clotilde Nyssens, Magdeleine Willame-Boonen. |
|
|
Vote nº 6 |
Stemming nr. 6 |
|
Présents: 51 |
Aanwezig: 51 |
|
|
|
|
Michel Barbeaux, Georges Dallemagne, Clotilde Nyssens, Magdeleine Willame-Boonen. |
|
|
|
|
|
Philippe Bodson, Marcel Colla, Christine Cornet d'Elzius, Mohamed Daif, Armand De Decker, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Josy Dubié, André Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Mimi Kestelijn-Sierens, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Kathy Lindekens, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Chokri Mahassine, Philippe Mahoux, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Philippe Monfils, Jacky Morael, Philippe Moureaux, Marie Nagy, Francis Poty, Didier Ramoudt, Jan Remans, Jacques Santkin, Erika Thijs, Hugo Vandenberghe, Chris Vandenbroeke, Ingrid van Kessel, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, Vincent Van Quickenborne, Iris Van Riet, Paul Wille. |
|
|
|
|
|
Jurgen Ceder, Roeland Raes, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Wim Verreycken. |
|
|
Vote nº 7 |
Stemming nr. 7 |
|
Présents: 54 |
Aanwezig: 54 |
|
|
|
|
Jurgen Ceder, Mia De Schamphelaere, Roeland Raes, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Erika Thijs, Hugo Vandenberghe, Chris Vandenbroeke, Ingrid van Kessel, Patrik Vankrunkelsven, Vincent Van Quickenborne, Wim Verreycken. |
|
|
|
|
|
Philippe Bodson, Marcel Cheron, Marcel Colla, Christine Cornet d'Elzius, Mohamed Daif, Armand De Decker, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Josy Dubié, Paul Galand, André Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Mimi Kestelijn-Sierens, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Kathy Lindekens, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Chokri Mahassine, Philippe Mahoux, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Philippe Monfils, Jacky Morael, Philippe Moureaux, Marie Nagy, Francis Poty, Didier Ramoudt, Jan Remans, Jacques Santkin, Myriam Vanlerberghe, Iris Van Riet, Paul Wille. |
|
|
|
|
|
Michel Barbeaux, Georges Dallemagne, Clotilde Nyssens, Magdeleine Willame-Boonen. |
|
|
Vote nº 8 |
Stemming nr. 8 |
|
Présents: 53 |
Aanwezig: 53 |
|
|
|
|
Jurgen Ceder, Mia De Schamphelaere, Roeland Raes, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Erika Thijs, Hugo Vandenberghe, Chris Vandenbroeke, Ingrid van Kessel, Patrik Vankrunkelsven, Vincent Van Quickenborne, Wim Verreycken. |
|
|
|
|
|
Michel Barbeaux, Philippe Bodson, Marcel Cheron, Christine Cornet d'Elzius, Mohamed Daif, Georges Dallemagne, Armand De Decker, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Josy Dubié, Paul Galand, André Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Mimi Kestelijn-Sierens, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Kathy Lindekens, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Chokri Mahassine, Philippe Mahoux, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Philippe Monfils, Jacky Morael, Philippe Moureaux, Marie Nagy, Clotilde Nyssens, Francis Poty, Didier Ramoudt, Jan Remans, Jacques Santkin, Myriam Vanlerberghe, Iris Van Riet, Magdeleine Willame-Boonen, Paul Wille. |
|
|
|
|
|
N. |
|
|
Vote nº 9 |
Stemming nr. 9 |
|
Présents: 54 |
Aanwezig: 54 |
|
|
|
|
Michel Barbeaux, Georges Dallemagne, Mia De Schamphelaere, Clotilde Nyssens, Erika Thijs, Hugo Vandenberghe, Chris Vandenbroeke, Ingrid van Kessel, Patrik Vankrunkelsven, Vincent Van Quickenborne, Magdeleine Willame-Boonen. |
|
|
|
|
|
Philippe Bodson, Marcel Cheron, Christine Cornet d'Elzius, Mohamed Daif, Armand De Decker, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Josy Dubié, Paul Galand, André Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Mimi Kestelijn-Sierens, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Kathy Lindekens, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Chokri Mahassine, Philippe Mahoux, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Philippe Monfils, Jacky Morael, Philippe Moureaux, Marie Nagy, Francis Poty, Didier Ramoudt, Jan Remans, Jacques Santkin, Louis Tobback, Myriam Vanlerberghe, Iris Van Riet, Paul Wille. |
|
|
|
|
|
Jurgen Ceder, Roeland Raes, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Wim Verreycken. |
|
|
Vote nº 10 |
Stemming nr. 10 |
|
Présents: 54 |
Aanwezig: 54 |
|
|
|
|
Michel Barbeaux, Georges Dallemagne, Clotilde Nyssens, Magdeleine Willame-Boonen. |
|
|
|
|
|
Philippe Bodson, Marcel Cheron, Christine Cornet d'Elzius, Mohamed Daif, Armand De Decker, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Josy Dubié, Paul Galand, André Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Mimi Kestelijn-Sierens, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Kathy Lindekens, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Chokri Mahassine, Philippe Mahoux, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Philippe Monfils, Jacky Morael, Philippe Moureaux, Marie Nagy, Francis Poty, Didier Ramoudt, Jan Remans, Jacques Santkin, Erika Thijs, Louis Tobback, Hugo Vandenberghe, Chris Vandenbroeke, Ingrid van Kessel, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, Vincent Van Quickenborne, Iris Van Riet, Paul Wille. |
|
|
|
|
|
Jurgen Ceder, Roeland Raes, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Wim Verreycken. |
|
|
Vote nº 11 |
Stemming nr. 11 |
|
Présents: 55 |
Aanwezig: 55 |
|
|
|
|
Jurgen Ceder, Mia De Schamphelaere, Roeland Raes, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Erika Thijs, Hugo Vandenberghe, Chris Vandenbroeke, Ingrid van Kessel, Patrik Vankrunkelsven, Vincent Van Quickenborne, Wim Verreycken. |
|
|
|
|
|
Michel Barbeaux, Philippe Bodson, Marcel Cheron, Marcel Colla, Christine Cornet d'Elzius, Mohamed Daif, Georges Dallemagne, Armand De Decker, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Josy Dubié, Paul Galand, André Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Mimi Kestelijn-Sierens, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Kathy Lindekens, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Chokri Mahassine, Philippe Mahoux, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Philippe Monfils, Jacky Morael, Philippe Moureaux, Marie Nagy, Clotilde Nyssens, Francis Poty, Didier Ramoudt, Jan Remans, Jacques Santkin, Louis Tobback, Myriam Vanlerberghe, Iris Van Riet, Magdeleine Willame-Boonen, Paul Wille. |
|
|
|
|
|
N. |
|
|
Vote nº 12 |
Stemming nr. 12 |
|
Présents: 56 |
Aanwezig: 56 |
|
|
|
|
Jurgen Ceder, Mia De Schamphelaere, Réginald Moreels, Roeland Raes, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Erika Thijs, Hugo Vandenberghe, Chris Vandenbroeke, Ingrid van Kessel, Patrik Vankrunkelsven, Vincent Van Quickenborne, Wim Verreycken. |
|
|
|
|
|
Philippe Bodson, Marcel Cheron, Marcel Colla, Christine Cornet d'Elzius, Mohamed Daif, Armand De Decker, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Josy Dubié, Paul Galand, André Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Mimi Kestelijn-Sierens, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Kathy Lindekens, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Chokri Mahassine, Philippe Mahoux, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Philippe Monfils, Jacky Morael, Philippe Moureaux, Marie Nagy, Francis Poty, Didier Ramoudt, Jan Remans, Jacques Santkin, Louis Tobback, Myriam Vanlerberghe, Iris Van Riet, Paul Wille. |
|
|
|
|
|
Michel Barbeaux, Georges Dallemagne, Clotilde Nyssens, Magdeleine Willame-Boonen. |
|
|
Vote nº 13 |
Stemming nr. 13 |
|
Présents: 55 |
Aanwezig: 55 |
|
|
|
|
Jurgen Ceder, Jean Luc Dehaene, Mia De Schamphelaere, Roeland Raes, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Erika Thijs, Hugo Vandenberghe, Chris Vandenbroeke, Ingrid van Kessel, Patrik Vankrunkelsven, Vincent Van Quickenborne, Wim Verreycken. |
|
|
|
|
|
Michel Barbeaux, Philippe Bodson, Marcel Cheron, Marcel Colla, Christine Cornet d'Elzius, Mohamed Daif, Georges Dallemagne, Armand De Decker, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Josy Dubié, Paul Galand, André Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Mimi Kestelijn-Sierens, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Kathy Lindekens, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Chokri Mahassine, Philippe Mahoux, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Philippe Monfils, Jacky Morael, Philippe Moureaux, Marie Nagy, Clotilde Nyssens, Francis Poty, Didier Ramoudt, Jan Remans, Jacques Santkin, Louis Tobback, Myriam Vanlerberghe, Iris Van Riet, Magdeleine Willame-Boonen, Paul Wille. |
|
|
|
|
|
N. |
|
|
Vote nº 14 |
Stemming nr. 14 |
|
Présents: 57 |
Aanwezig: 57 |
|
|
|
|
Michel Barbeaux, Jurgen Ceder, Georges Dallemagne, Jean Luc Dehaene, Mia De Schamphelaere, Réginald Moreels, Clotilde Nyssens, Roeland Raes, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Erika Thijs, Hugo Vandenberghe, Chris Vandenbroeke, Ingrid van Kessel, Patrik Vankrunkelsven, Vincent Van Quickenborne, Wim Verreycken, Magdeleine Willame-Boonen. |
|
|
|
|
|
Philippe Bodson, Marcel Cheron, Marcel Colla, Christine Cornet d'Elzius, Mohamed Daif, Armand De Decker, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Josy Dubié, Paul Galand, André Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Mimi Kestelijn-Sierens, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Kathy Lindekens, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Chokri Mahassine, Philippe Mahoux, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Philippe Monfils, Jacky Morael, Philippe Moureaux, Marie Nagy, Francis Poty, Didier Ramoudt, Jan Remans, Jacques Santkin, Louis Tobback, Myriam Vanlerberghe, Iris Van Riet, Paul Wille. |
|
|
|
|
|
N. |
|
|
Vote nº 15 |
Stemming nr. 15 |
|
Présents: 57 |
Aanwezig: 57 |
|
|
|
|
Michel Barbeaux, Georges Dallemagne, Clotilde Nyssens, Magdeleine Willame-Boonen. |
|
|
|
|
|
Philippe Bodson, Marcel Cheron, Marcel Colla, Christine Cornet d'Elzius, Mohamed Daif, Armand De Decker, Paul De Grauwe, Jean Luc Dehaene, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Josy Dubié, Paul Galand, André Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Mimi Kestelijn-Sierens, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Kathy Lindekens, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Chokri Mahassine, Philippe Mahoux, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Philippe Monfils, Jacky Morael, Réginald Moreels, Philippe Moureaux, Marie Nagy, Francis Poty, Didier Ramoudt, Jan Remans, Jacques Santkin, Erika Thijs, Louis Tobback, Hugo Vandenberghe, Chris Vandenbroeke, Ingrid van Kessel, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, Vincent Van Quickenborne, Iris Van Riet, Paul Wille. |
|
|
|
|
|
Jurgen Ceder, Roeland Raes, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Wim Verreycken. |
|
|
Vote nº 16 |
Stemming nr. 16 |
|
Présents: 56 |
Aanwezig: 56 |
|
|
|
|
Jurgen Ceder, Jean Luc Dehaene, Mia De Schamphelaere, Réginald Moreels, Roeland Raes, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Erika Thijs, Hugo Vandenberghe, Chris Vandenbroeke, Ingrid van Kessel, Patrik Vankrunkelsven, Vincent Van Quickenborne, Wim Verreycken. |
|
|
|
|
|
Michel Barbeaux, Philippe Bodson, Marcel Cheron, Marcel Colla, Christine Cornet d'Elzius, Mohamed Daif, Georges Dallemagne, Armand De Decker, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Josy Dubié, Paul Galand, André Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Mimi Kestelijn-Sierens, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Kathy Lindekens, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Chokri Mahassine, Philippe Mahoux, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Philippe Monfils, Jacky Morael, Philippe Moureaux, Marie Nagy, Clotilde Nyssens, Francis Poty, Didier Ramoudt, Jacques Santkin, Louis Tobback, Myriam Vanlerberghe, Iris Van Riet, Magdeleine Willame-Boonen, Paul Wille. |
|
|
|
|
|
N. |
|
|
Vote nº 17 |
Stemming nr. 17 |
|
Présents: 57 |
Aanwezig: 57 |
|
|
|
|
Jurgen Ceder, Roeland Raes, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Wim Verreycken. |
|
|
|
|
|
Michel Barbeaux, Philippe Bodson, Marcel Cheron, Marcel Colla, Christine Cornet d'Elzius, Mohamed Daif, Georges Dallemagne, Armand De Decker, Paul De Grauwe, Jean Luc Dehaene, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Josy Dubié, Paul Galand, André Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Mimi Kestelijn-Sierens, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Kathy Lindekens, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Chokri Mahassine, Philippe Mahoux, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Philippe Monfils, Jacky Morael, Réginald Moreels, Philippe Moureaux, Marie Nagy, Clotilde Nyssens, Francis Poty, Didier Ramoudt, Jan Remans, Jacques Santkin, Erika Thijs, Louis Tobback, Hugo Vandenberghe, Chris Vandenbroeke, Ingrid van Kessel, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, Vincent Van Quickenborne, Iris Van Riet, Magdeleine Willame-Boonen, Paul Wille. |
|
|
|
|
|
Mia De Schamphelaere. |
|
|
Vote nº 18 |
Stemming nr. 18 |
|
Présents: 57 |
Aanwezig: 57 |
|
|
|
|
Jurgen Ceder, Jean Luc Dehaene, Mia De Schamphelaere, Réginald Moreels, Roeland Raes, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Erika Thijs, Hugo Vandenberghe, Chris Vandenbroeke, Ingrid van Kessel, Patrik Vankrunkelsven, Vincent Van Quickenborne, Wim Verreycken. |
|
|
|
|
|
Philippe Bodson, Marcel Cheron, Marcel Colla, Christine Cornet d'Elzius, Mohamed Daif, Armand De Decker, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Josy Dubié, Paul Galand, André Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Mimi Kestelijn-Sierens, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Kathy Lindekens, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Chokri Mahassine, Philippe Mahoux, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Philippe Monfils, Jacky Morael, Philippe Moureaux, Marie Nagy, Francis Poty, Didier Ramoudt, Jan Remans, Jacques Santkin, Louis Tobback, Myriam Vanlerberghe, Iris Van Riet, Paul Wille. |
|
|
|
|
|
Michel Barbeaux, Georges Dallemagne, Clotilde Nyssens, Magdeleine Willame-Boonen. |
|
|
Vote nº 19 |
Stemming nr. 19 |
|
Présents: 57 |
Aanwezig: 57 |
|
|
|
|
Michel Barbeaux, Jurgen Ceder, Georges Dallemagne, Jean Luc Dehaene, Mia De Schamphelaere, Réginald Moreels, Clotilde Nyssens, Roeland Raes, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Erika Thijs, Hugo Vandenberghe, Chris Vandenbroeke, Ingrid van Kessel, Patrik Vankrunkelsven, Vincent Van Quickenborne, Wim Verreycken, Magdeleine Willame-Boonen. |
|
|
|
|
|
Philippe Bodson, Marcel Cheron, Marcel Colla, Christine Cornet d'Elzius, Mohamed Daif, Armand De Decker, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Josy Dubié, Paul Galand, André Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Mimi Kestelijn-Sierens, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Kathy Lindekens, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Chokri Mahassine, Philippe Mahoux, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Philippe Monfils, Jacky Morael, Philippe Moureaux, Marie Nagy, Francis Poty, Didier Ramoudt, Jan Remans, Jacques Santkin, Louis Tobback, Myriam Vanlerberghe, Iris Van Riet, Paul Wille. |
|
|
|
|
|
N. |
|
|
Vote nº 20 |
Stemming nr. 20 |
|
Présents: 56 |
Aanwezig: 56 |
|
|
|
|
Jurgen Ceder, Jean Luc Dehaene, Mia De Schamphelaere, Réginald Moreels, Roeland Raes, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Erika Thijs, Hugo Vandenberghe, Chris Vandenbroeke, Ingrid van Kessel, Patrik Vankrunkelsven, Vincent Van Quickenborne, Wim Verreycken. |
|
|
|
|
|
Michel Barbeaux, Philippe Bodson, Marcel Cheron, Christine Cornet d'Elzius, Mohamed Daif, Georges Dallemagne, Armand De Decker, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Josy Dubié, Paul Galand, André Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Mimi Kestelijn-Sierens, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Kathy Lindekens, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Chokri Mahassine, Philippe Mahoux, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Philippe Monfils, Jacky Morael, Philippe Moureaux, Marie Nagy, Clotilde Nyssens, Francis Poty, Didier Ramoudt, Jan Remans, Jacques Santkin, Louis Tobback, Myriam Vanlerberghe, Iris Van Riet, Magdeleine Willame-Boonen, Paul Wille. |
|
|
|
|
|
N. |
|
|
Vote nº 21 |
Stemming nr. 21 |
|
Présents: 57 |
Aanwezig: 57 |
|
|
|
|
Jurgen Ceder, Jean Luc Dehaene, Mia De Schamphelaere, Réginald Moreels, Roeland Raes, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Erika Thijs, Hugo Vandenberghe, Chris Vandenbroeke, Ingrid van Kessel, Patrik Vankrunkelsven, Vincent Van Quickenborne, Wim Verreycken. |
|
|
|
|
|
Philippe Bodson, Marcel Cheron, Marcel Colla, Christine Cornet d'Elzius, Mohamed Daif, Armand De Decker, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Josy Dubié, Paul Galand, André Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Mimi Kestelijn-Sierens, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Kathy Lindekens, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Chokri Mahassine, Philippe Mahoux, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Philippe Monfils, Jacky Morael, Philippe Moureaux, Marie Nagy, Francis Poty, Didier Ramoudt, Jan Remans, Jacques Santkin, Louis Tobback, Myriam Vanlerberghe, Iris Van Riet, Paul Wille. |
|
|
|
|
|
Michel Barbeaux, Georges Dallemagne, Clotilde Nyssens, Magdeleine Willame-Boonen. |
|
|
Vote nº 22 |
Stemming nr. 22 |
|
Présents: 59 |
Aanwezig: 59 |
|
|
|
|
Philippe Bodson, Marcel Cheron, Marcel Colla, Christine Cornet d'Elzius, Mohamed Daif, Olivier de Clippele, Armand De Decker, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Josy Dubié, Paul Galand, André Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Mimi Kestelijn-Sierens, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Kathy Lindekens, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Chokri Mahassine, Philippe Mahoux, Johan Malcorps, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Philippe Monfils, Jacky Morael, Philippe Moureaux, Marie Nagy, Francis Poty, Didier Ramoudt, Jan Remans, Jacques Santkin, Louis Tobback, Myriam Vanlerberghe, Iris Van Riet, Paul Wille. |
|
|
|
|
|
Jurgen Ceder, Jean Luc Dehaene, Mia De Schamphelaere, Roeland Raes, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Erika Thijs, Hugo Vandenberghe, Chris Vandenbroeke, Ingrid van Kessel, Patrik Vankrunkelsven, Vincent Van Quickenborne, Wim Verreycken. |
|
|
|
|
|
Michel
Barbeaux, Georges Dallemagne, Réginald Moreels, Clotilde Nyssens, Magdeleine
Willame-Boonen. |
|
|
Vote nº 23 |
Stemming nr. 23 |
|
Présents: 59 |
Aanwezig: 59 |
|
|
|
|
Philippe Bodson, Marcel Cheron, Marcel Colla, Christine Cornet d'Elzius, Mohamed Daif, Olivier de Clippele, Armand De Decker, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Josy Dubié, Paul Galand, André Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Mimi Kestelijn-Sierens, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Kathy Lindekens, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Chokri Mahassine, Philippe Mahoux, Johan Malcorps, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Philippe Monfils, Jacky Morael, Philippe Moureaux, Marie Nagy, Francis Poty, Didier Ramoudt, Jan Remans, Jacques Santkin, Louis Tobback, Myriam Vanlerberghe, Iris Van Riet, Paul Wille. |
|
|
|
|
|
Jurgen Ceder, Jean Luc Dehaene, Mia De Schamphelaere, Réginald Moreels, Roeland Raes, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Erika Thijs, Hugo Vandenberghe, Ingrid van Kessel, Wim Verreycken. |
|
|
|
|
|
Michel Barbeaux, Georges Dallemagne, Clotilde Nyssens, Chris Vandenbroeke, Patrik Vankrunkelsven, Vincent Van Quickenborne, Magdeleine Willame-Boonen. |
|
|
Vote nº 24 |
Stemming nr. 24 |
|
Présents: 59 |
Aanwezig: 59 |
|
|
|
|
Michel Barbeaux, Philippe Bodson, Marcel Cheron, Marcel Colla, Christine Cornet d'Elzius, Mohamed Daif, Georges Dallemagne, Olivier de Clippele, Armand De Decker, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Josy Dubié, Paul Galand, André Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Mimi Kestelijn-Sierens, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Kathy Lindekens, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Chokri Mahassine, Philippe Mahoux, Johan Malcorps, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Philippe Monfils, Jacky Morael, Philippe Moureaux, Marie Nagy, Clotilde Nyssens, Francis Poty, Didier Ramoudt, Jan Remans, Jacques Santkin, Louis Tobback, Myriam Vanlerberghe, Iris Van Riet, Magdeleine Willame-Boonen, Paul Wille. |
|
|
|
|
|
Jurgen Ceder, Jean Luc Dehaene, Mia De Schamphelaere, Réginald Moreels, Roeland Raes, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Erika Thijs, Hugo Vandenberghe, Chris Vandenbroeke, Ingrid van Kessel, Patrik Vankrunkelsven, Vincent Van Quickenborne, Wim Verreycken. |
|
|
|
|
|
N. |
|
Wetsvoorstel
Artikel 81 van de Grondwet
Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 16 van de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte (van mevrouw Martine Taelman; Gedr. St. 2-341/1).
– Dit voorstel zal worden vertaald, gedrukt en rondgedeeld.
– Er zal later over de inoverwegingneming worden beslist.
Wetsvoorstellen
Artikel 81 van de Grondwet
Wetsvoorstel tot wijziging van het koninklijk besluit van 17 september 1969 betreffende de vergelijkende examens en examens georganiseerd voor de werving en de loopbaan van het Rijkspersoneel (van mevrouw Sabine de Bethune c.s.; Gedr. St. 2-260/1).
– Verzonden naar de commissie voor de Binnenlandse en voor de Administratieve Aangelegenheden.
Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 4 van de wet van 24 juli 1973 tot instelling van een verplichte avondsluiting in handel, ambacht en dienstverlening (van de heer Philippe Monfils; Gedr. St. 2-269/1).
– Verzonden naar de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden.
Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 91 van de nieuwe gemeentewet met het oog op de invoering van een code voor een gezinsvriendelijke politiek (van mevrouw Sabine de Bethune c.s.; Gedr. St. 2-292/1).
– Verzonden naar de commissie voor de Binnenlandse en voor de Administratieve Aangelegenheden.
Voorstel
van resolutie
Voorstel van resolutie over het invoeren van een belasting op internationale kapitaalbewegingen (van de heer Philippe Mahoux; Gedr. St. 2-314/1).
– Verzonden naar de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden.
Voorstel
van verklaring tot herziening van de Grondwet
Voorstel van verklaring tot herziening van de artikelen 99 en 104 van de Grondwet om nieuwe bepalingen in te voegen betreffende de gelijke vertegenwoordiging van vrouwen en mannen (van mevrouw Sabine de Bethune c.s.; Gedr. St. 2-250/1).
– Verzonden naar de commissie voor de Institutionele Aangelegenheden.
Voorstel
tot oprichting van een onderzoekscommissie
Voorstel tot instelling van een parlementaire onderzoekscommissie belast met het onderzoek van de verantwoordelijkheden bij de moord op tien para's in Rwanda in april 1994 (van de heer Frans Lozie; Gedr. St. 2-333/1).
– Verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.
Het Bureau heeft volgende vragen om uitleg ontvangen:
van de heer Didier RAMOUDT aan de Vice-Eerste Minister en Minister van Mobiliteit en Vervoer over «de maatregelen tegen de geluidshinder voor de luchthaven van Zaventem en hun toepasbaarheid op de regionale luchthavens» (nr. 2-75)
van Mevrouw Marie-José LALOY aan de Vice-Eerste Minister en Minister van Mobiliteit en Vervoer over «de prioriteiten van de regering in verband met het gewestelijk expressnet (GEN)» (nr. 2-76)
van Mevrouw Nathalie de T' SERCLAES aan de Vice-Eerste Minister en Minister van Mobiliteit en Vervoer over «de kosteloze begeleiding van uitzonderlijk vervoer door de provinciale verkeerseenheden van de rijkswacht» (nr. 2-77)
van Mevrouw Mimi KESTELIJN-SIERENS aan de Minister van Financiën over «de oplichting van de fiscus met BTW-carrousels» (nr. 2-78)
van Mevrouw Anne-Marie LIZIN aan de Vice-Eerste Minister en Minister van Buitenlandse Zaken over «het vredesplan voor de westelijke Sahara en het referendum over het zelfbeschikkingsrecht dat onder de bescherming van de VN gehouden moet worden» (nr. 2-79)
van de heer Vincent VAN QUICKENBORNE aan de Vice-Eerste Minister en Minister van Buitenlandse Zaken over «de toestand in Noord-Korea» (nr. 2-80)
van de heer Georges DALLEMAGNE aan de Vice-Eerste Minister en Minister van Buitenlandse Zaken over «de vredesonderhandelingen van Arusha over Burundi» (nr. 2-84)
van de heer Ludwig CALUWÉ aan de Vice-Eerste Minister en Minister van Mobiliteit en Vervoer over «de rijkswachtbegeleiding bij uitzonderlijk vervoer» (nr. 2-85)
van Mevrouw Sabine de BETHUNE aan de Minister van Justitie over «de toepassing van de anti-stalkingwet» (nr. 2-86)
van Mevrouw Anne-Marie LIZIN aan de Vice-Eerste Minister en Minister van Buitenlandse Zaken over «de toestand in Kosovo en de Europese vergissingen» (nr. 2-87)
van de heer Ludwig CALUWÉ aan de Minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu over «het koninklijk besluit van 30 december 1992 betreffende de erkenning en de inrichtingsvoorwaarden van de slachthuizen en andere inrichtingen» (nr. 2-88)
van de heer Ludwig CALUWÉ aan de Minister van Justitie over «het uitblijven van het koninklijk besluit waarbij de medewerking van de operatoren van telecommunicatienetwerken aan de vorderingen van een onderzoeksrechter wordt geregeld» (nr. 2-89)
– Deze vragen worden naar de plenaire vergadering verzonden .
Bij boodschappen van 10 februari 2000 heeft de Kamer van volksvertegenwoordigers aan de Senaat overgezonden, zoals ze ter vergadering van diezelfde dag werden aangenomen:
Artikel 78 van de Grondwet
Wetsontwerp betreffende het ontslag van bepaalde militairen en de verbreking van de dienstneming of wederdienstneming van bepaalde kandidaat-militairen, de vaststelling van de rendementsperiode en het terugvorderen door de Staat van een deel van de door de Staat gedragen kosten voor de vorming en van een gedeelte van de tijdens de vorming genoten wedden (Gedr. St. 2-337/1).
– Het wetsontwerp werd ontvangen op 11 februari 2000; de uiterste datum voor evocatie is maandag 28 februari 2000.
– De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 10 februari 2000.
Wetsontwerp tot wijziging van de artikelen 42 en 51 van de samengeordende wetten van 19 december 1939 betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders (Gedr. St. 2-338/1).
– Het ontwerp werd ontvangen op 11 februari 2000; de uiterste datum voor evocatie is maandag 28 februari 2000.
– De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 10 februari 2000.
Wetsontwerp tot wijziging van artikel 53, derde lid, van de wetten betreffende de schadeloosstelling voor beroepsziekten, gecoördineerd op 3 juni 1970 (Gedr. St. 2-339/1).
– Het ontwerp werd ontvangen op 11 februari 2000; de uiterste datum voor evocatie is maandag 28 februari 2000.
– De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 10 februari 2000.
Artikel 80 van de Grondwet
Wetsontwerp houdende wijziging van de wet van 5 augustus 1991 tot bescherming van de economische mededinging (Gedr. St. 2-336/1).
– Het wetsontwerp werd ontvangen op 11 februari 2000; de uiterste datum voor evocatie is woensdag 16 februari 2000.
– De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 10 februari 2000.
Bij boodschappen van 15 en 17 februari 2000 heeft de Senaat aan de Kamer van volksvertegenwoordigers terugbezorgd, met het oog op de koninklijke bekrachtiging, de volgende niet geëvoceerde wetsontwerpen :
Wetsontwerp tot wijziging van de artikelen 167, 170, 192 en 193 van het Burgerlijk Wetboek en van artikel 8 van het Wetboek van zegelrechten (Gedr. St. 2-315/1).
Wetsontwerp houdende wijziging van de wet van 5 augustus 1991 tot bescherming van de economische mededinging (Gedr. St. 2-336/1).
– Voor kennisgeving aangenomen
Bij brief van 9 februari 2000 heeft de eerste voorzitter van het Rekenhof, overeenkomstig artikel 8 van de wet van 2 augustus 1955, aan de Senaat overgezonden, de beheersrekening van de amortisatiekas voor 1998.
– Neergelegd ter Griffie.
Bij brief van 7 februari 2000 heeft de
voorzitter van het Europees Parlement aan de Senaat overgezonden :
– een resolutie over het Witboek van de Commissie
betreffende de modernisering van de regels inzake de toepassing van de
artikelen 85 en 86 van het EG-Verdrag;
– een resolutie van het Europees Parlement over
de recente stormen in Europa;
– een resolutie over het jaarlijks verslag van de
Commissie aan de Raad en het Europees Parlement over de resultaten van de
meerjarige oriëntatieprogramma's voor de vissersvloot aan het einde van 1997;
– een resolutie over de situatie van de
mensenrechten in China,
aangenomen tijdens de vergaderperiode van 17 tot en met 21 januari 2000.
– Verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.