2-146

2-146

Belgische Senaat

2-146

Handelingen - Nederlandse versie

DINSDAG 16 OKTOBER 2001 - NAMIDDAGVERGADERING


Waarschuwing: de blauwe kleur geeft aan dat het gaat om uit het Frans vertaalde samenvattingen.


Verklaring van de regering over haar algemeen beleid

Vraag om uitleg van de heer René Thissen aan de eerste minister over «de hervorming van het tweekamerstelsel» (nr. 2-564)

Regeling van de werkzaamheden

Berichten van verhindering


Voorzitter: de heer Armand De Decker

(De vergadering wordt geopend om 15.35 uur.)

Verklaring van de regering over haar algemeen beleid

Vraag om uitleg van de heer René Thissen aan de eerste minister over «de hervorming van het tweekamerstelsel» (nr. 2-564)

Voortzetting van de bespreking

De heer René Thissen (PSC). - Ik had graag de gelegenheid gehad de eerste minister te danken voor zijn bereidheid om de verklaring over het algemeen beleid van de regering ook in de Senaat af te leggen, het debat bij te wonen en op de vragen te antwoorden, maar ik zie dat de heer Michel hem vervangt.

Ik had daarin graag een duidelijk bewijs gezien van de erkenning, door de hele regering, van het nut en enige efficiëntie van de Senaat als vertegenwoordiger van de verschillende gemeenschappen van ons land.

Door de internationale toestand sinds 11 september en de bijzondere rol die de Senaat vervult inzake buitenlands beleid moeten wij reageren op de houding van de Belgische regering vooral omdat wij thans het voorzitterschap van de Europese Unie uitoefenen, wat een nog grotere verantwoordelijkheid met zich meebrengt en een coherent optreden vereist.

Daarom wens ik eerst en vooral verduidelijkingen over de verbazende verklaringen van enkele leden van de meerderheid die de steun en samenwerking van België aan de gerichte militaire reactie op de terroristische aanvallen bekritiseren. Is er nog genoeg vertrouwen tussen de leden van de meerderheid? Is het verantwoord verschillende opvattingen naar buiten te brengen over deze uiterst belangrijke zaak? Indien sommige parlementsleden of meerderheidspartijen uiteenlopende opvattingen hebben over de opportuniteit van een snelle, solidaire en efficiënte reactie tegen het terrorisme moeten ze daar politieke conclusies uit trekken in de plaats van onsamenhangende verklaringen af te leggen.

België en Europa hebben niet alleen militaire, maar ook diplomatieke en humanitaire prioriteiten. Daar zal echter slechts rekening mee gehouden worden wanneer er coherent wordt opgetreden tegenover degenen die terroristische daden bevelen of er hun medewerking aan verlenen.

Ik ben het met de heer Vandenberghe eens wanneer hij wijst op het belang van de Senaatscommissie "deelname aan buitenlandse missies". Die commissie is volgens mij de volgende dagen en weken de plaats bij uitstek om aan de politieke fracties, in het kader van de democratische controle, vertrouwelijke gegevens te overhandigen. Ook moet er dringend een parlementaire commissie ad hoc worden opgericht waar de parlementsleden de ministers van Binnenlandse Zaken, Justitie en Volksgezondheid kunnen ondervragen over de maatregelen die worden genomen om de binnenlandse veiligheid te verzekeren.

De recente gebeurtenissen kunnen de gelegenheid zijn om een preventief voluntaristisch veiligheidsbeleid uit te werken. Waar zijn de middelen die daarvoor nodig zijn? Beperkt de hervorming van de justitie zich tot een hergroepering van de politiediensten, waarvoor er trouwens onvoldoende middelen zijn?

Ik heb een bedenking bij de begroting 2002 die volgens mij een gewaagde gok is. Gelet op verklaringen van leden van de meerderheid kan ik moeilijk anders dan inpikken op het debat in de Kamer over de hypothesen, de nog bestaande manoeuvreerruimte en het risico op ontsporing. Met het woord "voorzichtig" ontwijkt de regering op een handige wijze de realiteit. De basis voor die begroting, namelijk de economische groei over het jaar 2001 en de daarmee samenhangende fiscale ontvangsten en het bestaande begrotingsaldo, die door de Amerikaanse recessie al ingedeukt was, heeft door de gebeurtenissen van 11 september een serieuze barst gekregen. Bij een daling van het groeicijfer van 4% in 2001 tot amper 1% in 2002 is het een beetje simplistisch te spreken over een vertrouwensprobleem, zoals minister Reynders het in zijn antwoord omschrijft.

De instorting van de conjunctuur in 2001 zal een belangrijke weerslag hebben op het consumptie-, spaar- en investeringsgedrag in 2002. Door in die omstandigheden een groeicijfer van 1,3% voor het begrotingsjaar 2002 aan te houden, zet men alles op een snelle heropleving op het einde van het eerste semester van 2002, wat getuigt van een formidabel optimisme dat nochtans moeilijk te rijmen valt met een "voorzichtig" financieel beheer.

Over enkele weken zullen we de gelegenheid hebben dit ontwerp van begroting tot in de details uit te pluizen. Alles wijst echter reeds op een overschatting van de verwachte inkomsten en een onderschatting van de primaire uitgaven, buiten rentelast. We zullen het dan ook kunnen hebben over het minimale aandeel van onder meer de gezondheidszorg en de werkloosheidsuitkeringen.

De gewijzigde economische vooruitzichten hebben de regering blijkbaar zodanig verrast dat ze nog steeds dezelfde houding aanneemt als in de gelukkige jaren die achter ons liggen.

De regering gaat er prat op dat ze gedane beloftes nakomt, wat inzake personenbelasting niet kan worden ontkend, maar tot welke prijs? Dringende sociale noodwendigheden worden naar later verschoven en de verdere afbouw van de overheidsschuld komt in het gedrang. De regering blijft herhalen dat andere regeringen hetzelfde doen, maar ze weet zeer goed dat zulks moeilijk te vergelijken is. De doofheid en kortzichtigheid van de regering leggen een zware hypotheek op de volgende regering en misschien wel op de volgende generaties.

De voorstellen van de regering ter versterking van de economie omschrijf ik als volgt: "Er was eens een fiscale hervorming". Als meester in de recycling schotelt ze ons hetzelfde, zij het aanlokkelijke, menu voor van de hervorming van de personenbelasting, namelijk afschaffing van de crisisbelasting, verlaging van de maximale aanslagvoet van 52%, verhoging van de fiscale aftrek voor kinderen ten laste, vermindering voor eenoudergezinnen, invoering van het belastingkrediet, samen goed voor 36,7 miljard. De hervorming van de personenbelasting was weliswaar nodig, maar door bijna alle beschikbare middelen daarvoor aan te wenden, moest de regering zich tevreden stellen met een mini-hervorming van de vennootschapsbelasting. Daarover bevat de regeringsverklaring maar weinig gegevens. De belofte om van 40,17 naar 34% te gaan, is een positief element, maar er was waarschijnlijk geen andere keuze aangezien een vergelijking met de andere Europese landen aantoont dat we op dat vlak koplopers zijn!

De heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken. - Aan wie hebben we dat te danken?

De heer René Thissen (PSC). - De economische toestand is gedurende jaren verslechterd. Dankzij de maatregelen die in het verleden genomen zijn, kon de regering in 1999 van een gezonde basis vertrekken.

Op die basis moeten er keuzen worden gemaakt.

De heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken. - U bent dus tegen een verlaging van de belastingen op de laagste inkomens...

De heer René Thissen (PSC). - Wij zijn niet tegen een verlaging van die belastingen, maar het geld kan geen tweemaal worden uitgegeven en de situatie is opnieuw verslechterd. Er moeten keuzen worden gemaakt. Alles zetten op de belastinghervorming...

De heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken. - Ik wens helemaal niet te polemiseren.

De heer René Thissen (PSC). - Het is de bedoeling een debat te voeren.

De heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken. - Precies daarom wijs ik er u op dat uw stelling niet helemaal juist is. Een groot deel van het beschikbare geld is terecht bestemd voor de gezondheidszorg en de sociale zekerheid. Waarom beweert u dan dat we alle eieren in één mand stoppen?

De heer René Thissen (PSC). - Ik zal mijn stelling bijschaven: u stopt niet alle eieren in één mand, maar wel de meeste.

De heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken. - Ik ben het daar niet mee eens want we hebben tientallen miljarden uitgetrokken voor een verhoging van het budget voor gezondheidszorg. Een aanzienlijk deel van de middelen gaat naar sociale zekerheid en een ander naar de belastingvermindering, met prioriteit voor de laagste inkomens.

De heer René Thissen (PSC). - Er zijn gevolgen voor de laagste inkomens, maar ook voor de hoogste. Ik wens alleen maar duidelijk te maken dat er geld is en dat de hervorming van de personenbelasting een grote impact heeft. Wij steunen die hervorming. Het bedrag dat in 2002 voor de gezondheidszorg wordt uitgetrokken zal echter niet volstaan. De regering heeft gekozen voor de vermindering van de personenbelasting en heeft er een maximum aan middelen voor vrijgemaakt. Nu krijgt ze het moeilijk.

Een aanslagvoet van 34% is wel goed, maar enkele maanden geleden legde de eerste minister in Japan ronkende verklaringen af waarin hij 30% naar voor schoof.

De heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken. - We zijn op de goede weg. De eerste minister heeft rekening gehouden met de negatieve evolutie van de situatie. Wat verwijt u hem dan?

De heer René Thissen (PSC). - Hij heeft ondoordachte beloften gedaan en vandaag dringt het door dat hij ze niet kan nakomen.

Wanneer een belastingvermindering wordt aangekondigd die enerzijds moet worden gecompenseerd door een vereenvoudiging en anderzijds door de schrapping van aftrekposten, vragen wij ons toch af wat er nu van aan is? Over welke posten gaat het? We kregen daarover geen enkele verduidelijking.

Moet de nota "Hervorming van de vennootschapsbelasting en ruling" van de minister van Financiën beschouwd worden als een bijlage bij de regeringsverklaring of gaat het slechts om persoonlijke voorstellen die de anderen niet binden?

Hoe ver staat het met die andere doelstelling van de regering, namelijk een hervorming die gunstig is voor de KMO's? Welke gevolgen zullen worden gegeven aan het actieplan voor middenstand en KMO's van minister Daems en welke middelen zijn daarvoor uitgetrokken? Gunstige punten zijn de vrijstelling van winsten die worden gereserveerd voor investeringen, de verlenging van de tijdelijke vrijstelling voor de KMO's die bijkomend personeel in dienst nemen en het behoud van de verlaagde aanslagvoet, maar is dat voldoende? We zullen hierop de komende weken en maanden nog terugkomen.

Volgens ons is de budgettair neutrale verlaging van de nominale aanslagvoet zeer nadelig voor de KMO's. Hun belastbare grondslag zal worden verhoogd zonder dat ze daarvoor compensaties krijgen. De voorgestelde maatregelen zullen het concurrentievermogen van onze KMO's helemaal niet bevorderen.

Moeten de wijzigingen inzake afschrijvingen en de aftrek van de onkosten voor voertuigen beschouwd worden als maatregelen ten gunste van de KMO's? Voor ons moeten de werkelijke kosten die de ondernemingen maken om hun inkomsten te behouden en te verbeteren, fiscaal kunnen worden afgetrokken.

De PSC is van oordeel dat de regering de bedrijfswereld klaar en duidelijk had moeten laten weten waar het om gaat. De hervorming van de vennootschapsbelasting mag niet beperkt blijven tot de vermindering van de nominale aanslagvoet. Ze moet het concurrentievermogen van de ondernemingen stimuleren en de structuur van de KMO's ondersteunen, want zij vormen een belangrijke schakel in de ontwikkeling van de economie.

Welk nut hebben de geplande maatregelen van de regering als de fiscale druk niet afneemt en ons land inzake concurrentie achterblijft op onze buurlanden?

In 1999 lanceerde de regering Dehaene een ambitieus programma voor de verlaging van de sociale lasten. Het was de bedoeling onze handicap inzake werkgeversbijdragen ten opzichte van de buurlanden over een periode van zes jaar weg te werken. In 2000 werd deze hervorming nog versneld door een nieuwe vermindering van 32 miljard op jaarbasis, met de belofte dat er in 2002 een soortgelijke inspanning zou komen. Onze buurlanden laten zich echter niet onbetuigd, zodat België, samen met Duitsland, de hoogste werkgeversbijdragen heeft. In Duitsland zijn de bijdragen echter verlaagd

Volgens het VBO hebben onze bedrijven nog steeds een handicap van ongeveer 10% inzake loonkosten. Sedert 1999 is de toename van de werkgelegenheid niet meer lager dan 1,9% per jaar geweest. De werkgelegenheid groeit naargelang de sociale lasten dalen. Het is dus belangrijk om bij een vertraging van de economische groei pro-actief op te treden. Door een nieuwe verlaging van de sociale lasten zouden de ondernemingen ten minste het huidige werkgelegenheidsniveau kunnen behouden en nieuwe arbeidsplaatsen creëren.

Om het concurrentievermogen van onze ondernemingen te vrijwaren en de werkgelegenheid te behouden of te doen stijgen, moet de regering haar belofte met betrekking tot de nieuwe verlaging van 32 miljard nakomen. In de regeringsverklaring is evenwel slechts sprake van een herschikking van de bestaande maatregelen, wat misschien tot een vereenvoudiging zou kunnen leiden.

Ik zal het thans hebben over de administratieve vereenvoudiging, waarop reeds lang door de ondernemingen werd aangedrongen. Volgens een studie van het VBO zou deze administratieve rompslomp de ondernemingen ongeveer 200 miljard per jaar kosten, dat is gemiddeld 206.000 frank per werknemer.

De regering was zich blijkbaar bewust van dit probleem en had overigens beloofd de administratieve lasten op twee jaar tijd met 10% en tegen het einde van de regeerperiode met 25% te verlagen.

In de beleidsverklaring van oktober 2000 wees de regering er zelf op dat de administratieve vereenvoudiging onder de verwachtingen bleef. Wat is de toestand nu, een jaar later? Van de aangekondigde doelstellingen is volgens ons weinig terechtgekomen, maar uw antwoord kan misschien een en ander verduidelijken.

Hoewel de regering over verscheidene instrumenten beschikte om de in de programmawet van 1998 opgenomen promotie van de zelfstandige ondernemingen te bespoedigen, heeft ze van die instrumenten vrijwel geen gebruik gemaakt. Wij hebben geen nood aan de talrijke voorstellen van de opeenvolgende ministers en regeringscommissarissen, maar aan een echte administratieve vereenvoudiging. De programmawet van 1998 biedt de mogelijkheid om die te realiseren. Het agentschap voor de administratieve vereenvoudiging functioneert inmiddels, maar hoever staat het met de andere, lang verwachte maatregelen?

Vóór zijn vertrek heeft minister Gabriëls zich nog beziggehouden met de invoering van de loketten voor het vervullen van alle nodige formaliteiten voor beginnende ondernemers. Deze loketten zijn niets meer dan een zoveelste variant op de erkende KMO-centra.

Om een onderneming of een zelfstandige handelszaak te starten, is meer nodig dan een goed ondernemingsplan of een creatieve ingesteldheid. Volgens het agentschap voor de administratieve vereenvoudiging wordt de beginnende ondernemer geconfronteerd met meer dan 300 procedures en meer dan 150 verschillende reglementeringen. Een studie van de Europese Unie, die deze week is verschenen, toont overigens aan dat België in Europa de voorlaatste plaats inneemt, net vóór Italië, met betrekking tot de tijd die nodig is om een onderneming op te richten.

We kunnen dus alleen maar hopen dat het plan-Gabriëls zo snel mogelijk wordt uitgevoerd, want het opstarten van een onderneming is een echte lijdensweg.

Voorts wil ik het standpunt van mijn fractie uiteenzetten met betrekking tot de ideeën inzake de zogenoemde politieke vernieuwing.

Waarom doet de eerste minister geen enkel voorstel om het extremisme in ons land te bestrijden? In dat opzicht geeft ze blijk van een welwillende onverschilligheid.

We hebben geleerd dat we elke vernieuwing moeten wantrouwen. In het verleden werd dat begrip immers gebruikt om talrijke toegevingen van de Franstaligen en overtredingen van de Grondwet te verdoezelen. Ik verwijs in dat verband naar de jongste institutionele akkoorden, waardoor de faciliteitengemeenten en hun inwoners aan de willekeur van het Vlaams Parlement worden overgeleverd. Hierbij werd artikel 162 van de Grondwet geschonden, dat niet voor herziening vatbaar was verklaard.

De eerste minister gebruikt de zogenaamde vernieuwing om de aandacht af te leiden van het belangrijkste punt van de regeringsverklaring, namelijk de begroting.

Dat de eerste minister het referendum en de afschaffing van de Senaat op de politieke agenda plaatst, kan worden gezien als een overtreding van de Grondwet, want de betrokken Grondwetsartikelen zijn niet voor herziening vatbaar verklaard. Het kan ook gaan om een loutere mededeling, die vóór de volgende regeerperiode geen enkel effect kan hebben.

Het is moeilijk uit te maken wat nu precies de bedoeling was.

Wat het referendum betreft, is het vandaag onmogelijk de bedoelingen van de regering in te schatten. Er bestaan in dat opzicht binnen de regering verschillende opvattingen. Een referendum kan goed of slecht zijn, afhankelijk van de vorm ervan, maar het enige bewijs van directe democratie dat de regering totnogtoe heeft geleverd, doet het ergste vermoeden. De Copernicus-raadpleging was een opeenstapeling van alle negatieve aspecten van de directe democratie: gebrek aan objectieve informatie, overdreven haast om een debat te vermijden, vragen waarin het door de regering gewenste antwoord werd gesuggereerd. Gelukkig hoeven de huidige meerderheidspartijen de regels voor een referendum niet te bepalen en is er enige tijd om daarover na te denken.

Onze partij wil intelligente mogelijkheden creëren om de burgers bij het democratisch debat te betrekken in de plaats van een referendum in te voeren dat niets meer is dan een leuk speeltje.

De Senaat kan pas worden afgeschaft na de herziening van de desbetreffende Grondwettelijke bepalingen. Een spreker van een van de meerderheidspartijen verklaarde vanmorgen dat het om ongeveer dertig artikelen gaat, die thans niet voor herziening vatbaar zijn.

De afschaffing van de Senaat vereist een grondig debat met de senatoren. De regering wil dit debat naar zich toetrekken. Een paar partijbonzen die menen alwetend te zijn, eigenen zich het recht toe te beslissen over het lot van de democratische instellingen van onze Staat.

De regionale parlementen bewijzen dat het systeem van de tweede lezing in de praktijk geen aanleiding geeft tot een wijziging van de teksten. Emile Vandervelde heeft ooit gezegd dat de Senaat een soort hof van beroep moet zijn. Zaken in hoger beroep worden niet zomaar door een andere rechtbank dan de rechtbank van eerste aanleg behandeld, maar omdat het moeilijk is om op een beslissing terug te komen. Een tweede lezing is pas zinvol wanneer ze in een andere assemblee plaatsvindt.

Bovendien mogen we het kind niet met het badwater weggooien. Het is niet omdat de Senaat in zijn huidige vorm niet voldoet, dat hij moet worden afgeschaft.

Ik ben ervan overtuigd dat een hervorming van de Senaat mogelijk is om zijn werkzaamheden te optimaliseren. De voorzitter van de Senaat heeft een bezinningsproces over de toekomst van zijn instelling op gang gebracht. De PSC zal daar constructief aan meewerken. Dit initiatief mag niet worden beschouwd als een corporatistische reflex van de senatoren. De Senaat is niet alleen de plaats waar diepgaande debatten kunnen worden gevoerd, hij is ook een ontmoetingsplaats tussen het federale niveau en de deelgebieden.

De idee om een federale paritaire raad op te richten die samengesteld zou zijn uit leden van de twee gemeenschappen en waarin alle gewesten vertegenwoordigd zouden zijn, ervaren wij als kwetsend. Die idee houdt immers geen rekening met het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en bevestigt de Vlaamse logica van een federalisme met twee, waarin Brussel niet over een autonome vertegenwoordiging beschikt.

De keuze van de regering kwetst ons, maar verbaast ons niet. Ze is een logisch gevolg van de bespreking van het Lambermontakkoord, waarbij de vertegenwoordigers van het Brussels Gewest niet echt betrokken waren. Het bestaan van het Brussels Gewest komt in de huidige samenstelling van de Senaat niet tot uiting. De voortzetting van de staatshervorming en de ernstige twijfel die deze over het voortbestaan van de Belgische Staat doet rijzen, maakt dat een hervorming van de tweede Kamer er onvermijdelijk toe moet leiden dat het Brussels Gewest als feit wordt erkend.

Ik vraag mij overigens af welke plaats de Duitstalige Gemeenschap in die federale raad zal krijgen en op welke manier de pariteit tussen de twee Gemeenschappen dan kan worden bewaard.

De heer Philippe Mahoux (PS). - De raad moet uit een oneven aantal leden bestaan.

De heer René Thissen (PSC). - Dan maakt één persoon net het verschil uit.

Het niet-permanente karakter van de raad is de uiting van de confederale visie van de Staat. In een federale Staat is de Kamer van de Staten een permanent orgaan. Haar bevoegdheden reiken verder dan de herziening van de Grondwet. De voorgestelde federale raad lijkt meer op een intergouvernementele conferentie belast met de hervorming van verdragen van supranationale organisaties dan op een tweede federale kamer. Ik vrees dat de leden van deze federale raad geen senatoren meer zullen worden genoemd, maar curatoren of vereffenaars van de federale Belgische Staat.

Het voorstel tot hervorming van de Senaat kadert in de confederale logica van de eerste minister, want sommige fracties van de meerderheid houden er blijkbaar een andere opvatting op na. We zullen die logica met constructieve argumenten en voorstellen bestrijden. Gelukkig is een hervorming in de loop van deze regeerperiode onmogelijk. Het is dan ook mogelijk om de komende twee jaar terug te komen op deze overhaaste beslissingen.

Wat de hervorming van de kiesdistricten betreft, verklaart u dat de Franstaligen in de regering de beloften die ze vóór de parlements- en gemeenteraadsverkiezingen hadden gedaan, niet zijn nagekomen. De invoering van de provinciale kiesdistricten heeft de splitsing van het kiesarrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde tot gevolg.

De heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken. - Dat is niet waar. Er is niets beslist over een splitsing.

De heer René Thissen (PSC). - Wat zal er dan precies gebeuren?

De heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken. - Ik begrijp uw redenering, maar ze heeft niets met dit debat te maken. Uit ons voorstel kunt u onmogelijk een dergelijk besluit trekken.

De heer René Thissen (PSC). - Als men tot provinciale kiesdistricten wil komen, moet Brussel-Halle-Vilvoorde uit de provincie Brabant worden geschrapt.

De heer Johan Vande Lanotte, vice-eerste minister en minister van Begroting, Maatschappelijke Integratie en Sociale Economie. - U hebt twee woorden vergeten...

De heer René Thissen (PSC). - Ik denk dat iedereen benieuwd is naar uw uitleg, zeker de Franstalige fracties.

Onze bezorgdheid is geen principieel verzet. We zijn terecht bezorgd omdat een groot aantal Franstaligen uit de rand ingevolge het jongste akkoord geen Franstalige vertegenwoordigers in Brussel meer kunnen kiezen.

De kiezers uit de rand kunnen de Franstalige kandidaten van de meerderheidspartijen niet meer straffen voor de manier waarop deze hun belangen hebben verraden. Deze toestand is schandalig, maar grondwettelijk is er blijkbaar geen enkel probleem.

Bovendien begrijp ik de volgende passage uit de beleidsverklaring niet: "Tevens zal de mogelijkheid worden geschapen om, naar het inzicht van de partijen zelf, één of meerdere kandidaten in meerdere van die provinciale kiesdistricten te laten opkomen".

Op die manier zal een einde worden gemaakt aan de onzinnige situatie dat kandidaten met een ruimere uitstraling op de lijsten gaan staan van de assemblee waar niet het zwaartepunt van de politieke controle ligt."

Het is waanzinnig om de politiek op die manier te mediatiseren. De personen die wegens hun vroegere activiteiten nationale bekendheid hebben verworven, hebben meer kans te worden verkozen. Dit heeft niets te maken met de wil van de kiezer of met het signaal om de politiek dichter bij de burger te brengen.

Is deze passage bedoeld om de heren Michel, Di Rupo en Verhofstadt toe te laten zich in alle arrondissementen tegelijk kandidaat te stellen en een aantal minder bekende personen in hun kielzog mee te slepen?

De heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken. - Populariteit blijft niet duren.

De heer René Thissen (PSC). - In het algemeen mag worden aangenomen dat de politici zich voorbereiden op de volgende verkiezingen.

De heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken. - Dat geldt niet voor mij.

De heer René Thissen (PSC). - U bent een uitzondering. Uw populariteit is eeuwigdurend. De doorsnee politicus heeft één regeerperiode om bekendheid te verwerven. De media spelen daarbij een belangrijke rol.

De idee van de eerste minister om de representativiteitsdrempel van 5% in te voeren, is niet zonder belang. Als wij een tiental jaar geleden een dergelijke maatregel hadden ingevoerd, was de ontwikkeling van sommige extremistische partijen ongetwijfeld beperkt gebleven. Het principe van de vertegenwoordiging van 5% moet duidelijk worden afgebakend. Die drempel van 5% moet niet op het volledige grondgebied worden gehaald, anders wordt het verschil tussen de sterksten en de zwaksten nog groter. Die idee moet verder worden uitgewerkt.

Ik heb weinig gehoord over de depolitisering van de benoemingen, de onverenigbaarheid van mandaten, de hervorming van de elektronische stemming, het stemrecht van Belgen in het buitenland, de omvorming van het Arbitragehof tot een echt grondwettelijk Hof en de definitie van het begrip minderheid vóór de bekrachtiging van de kaderovereenkomst over de bescherming van de minderheden.

Misschien hebben we niet goed begrepen wat de regering bedoelt met nieuwe politieke cultuur of politieke vernieuwing.

Mevrouw Myriam Vanlerberghe (SP.A). - De SP.A-fractie in de Senaat dankt de eerste minister voor de verklaring die hij vorige week heeft afgelegd. Meteen voegen wij eraan toe dat dit debat in de huidige mediamaatschappij rijkelijk laat komt om nog echt doeltreffend te zijn. Uit het aantal afwezigen durf ik afleiden dat niet alleen mijn fractie van mening is dat aan een hervorming van de Senaat moet worden gedacht. Toch willen we positief meewerken aan deze bespreking en enkele klemtonen leggen.

De eerste minister heeft uiteraard de interesse van de Senaat gewekt met zijn voorstel over de werking van onze assemblee.

Dit lijkt mij echter niet het meest dringende probleem. We staan vandaag voor grotere uitdagingen en daarom hoop ik dat we er met dit debat in zullen slagen om niet voordurend over onze toekomst bezig te zijn, alhoewel ik daar straks mijn mening wil over geven.

Eerst het echte politieke nieuws. Deze regering is twee jaar bezig. Initiatieven als het Zilverfonds, de maximumfactuur, de verhoging van de laagste pensioenen, het social-profit-akkoord, de verlaging van de personenbelasting enzovoort zijn het bewijs dat ze niet stilzit en probeert een creatief en modern beleid te voeren.

Uiteraard was er de laatste twee jaar geen groot financieel probleem, waardoor er ademruimte was. Sommigen voorspelden dat deze regering enkel door deze financiële ademruimte kon werken.

Nu is het aan de ministers om te bewijzen dat regeren ook in moeilijker tijden kan. De beleidsverklaring getuigt van de vaste wil om door te gaan, ook al beseft elke man en vrouw in de straat dat we in een moeilijke en onzekere periode zijn verzeild geraakt. De meeste mensen zijn voorzichtig bij het maken van plannen en stellen uit wat kan. De bevolking neemt een voorzichtige, afwachtende houding aan, zonder dat er sprake is van paniek.

De regering doet wat iedereen nu doet. Ze neemt geen risico's, stelt een voorzichtige begroting op, maar zorgt er toch voor dat geplande, goede maatregelen ten voordele van de mensen kunnen worden gerealiseerd.

Elf september was nu eenmaal geen film, maar harde realiteit. Het zou dan ook zeer onverstandig geweest zijn om te doen alsof ons land een eiland was dat geen rekening moest houden met het gruwelijk wereldgebeuren. Daarnaast waren er op nationaal vlak al vóór 11 september negatieve signalen, zoals de afdankingen, die een voorzichtige begroting rechtvaardigen.

In plaats van bang afwachten heeft de regering gekozen voor realisme en creativiteit. Onze fractie is bijzonder verheugd over het feit dat de begroting in evenwicht is. Dat is niet de gemakkelijkste, maar wel de moedigste oplossing voor de situatie waarin we nu verkeren. Wij geven dan ook een pluim aan de minister van begroting die heeft bewezen ook moeilijke begrotingen evenwichtig te kunnen houden.

Verder zijn wij uiterst tevreden met het sociale beleid van de regering. Het mag natuurlijk altijd meer zijn, maar wat vandaag in de begroting is ingeschreven voor sociale maatregelen kan toch tellen.

In de ziekte- en invaliditeitsverzekering wordt de maximumfactuur verder uitgewerkt. Dit is een revolutionaire vooruitgang voor zieke mensen. Chronisch zieken kunnen op extra steun rekenen. Geestelijke gezondheidszorg krijgt terecht meer aandacht. Er komt betere terugbetaling voor patiënten met zeldzame ziekten.

Er komt ook een welvaartaanpassing voor lage pensioenen van vóór 1993.

De optrekking van de inkomensplafonds in de werkloosheid is een positieve maatregel. Ook een verhoging van 4% voor het leefloon is belangrijk en noodzakelijk.

Het Zilverfonds kan ondanks de moeilijke begroting voor 2002 nog rekenen op 25 miljard. Voor de sociale zekerheid wordt in 2002 581 miljard uitgetrokken. Dat houdt een verhoging in met 7 procent. Als de actoren - zeg maar doctoren - op het terrein nu nog hun verantwoordelijkheid nemen, zal minister Vandenbroucke net zoals de vorige twee jaar de noodzakelijke hervorming proberen door te voeren en krijgen de verzekerden de garantie dat ons sociaalzekerheidsstelsel tot de beste ter wereld blijft behoren.

De sociale partners moeten de ronde tafel aangrijpen om de uitdagingen aan te gaan waar wij op sociaal vlak voor staan. Samen praten en verantwoordelijkheid nemen lijkt ons de enige gezonde basis om door te gaan.

De zwaksten in onze maatschappij verdienen veel meer dan enkele asociale opmerkingen van onder meer het VBO, dat niet aarzelt te stellen dat niet-levensnoodzakelijke geneeskundige ingrepen niet meer moeten worden terugbetaald. Wie ziek is, moet worden verzorgd en hoeft niet eerst te bewijzen hoe veel er op zijn of haar bankrekening staat. Gelijke toegang tot gezondheidszorg moet een absolute prioriteit blijven. Het verheugt onze partij dan ook dat de eerste minister deze stelling onderschrijft door te stellen dat toegankelijkheid moet en dat wachtlijsten niet kunnen in ons land. Wie een toegankelijk systeem predikt, moet in voldoende middelen voorzien. De regering doet dit met 581 miljard.

Het is niet aan de patiënten, maar wel aan de ziekenfondsen, de artsen en de ziekenhuizen om ervoor te zorgen dat ons systeem overeind blijft. Ze hebben er trouwens alle belang bij, want als ons systeem verdwijnt, zullen patiënten wegblijven, niet omdat ze plots gezond zijn, maar wel omdat ze gezondheidszorg niet meer kunnen betalen. De SP.A-fractie steunt minister Vandenbroucke dan ook die ons systeem voor iedereen toegankelijk wil houden.

Een ander aandachtspunt van de regering vormt de verkeersveiligheid. Ook op dit vlak steunen wij het beleid. Het aantal verkeersdoden is veel te hoog en het is misdadig daar niets aan te doen. Die prioriteit verdient concrete maatregelen. Preventie en vriendelijk vragen om trager te rijden helpen niet echt. Het is jammer, maar op dit vlak moet er een harde aanpak komen. Niemand heeft het recht om in het kader van "mijn auto, mijn vrijheid" andere mensenlevens op het spel te zetten.

De 10 miljard voor belastingverlaging steunen wij ook, en zeker de verhoging van de forfaitaire aftrek voor beroepskosten en de toekenning van een belastingkrediet voor mensen die niet genoeg verdienen om belastingen te kunnen betalen.

Wij rekenen er verder op dat fraude verder goed wordt opgevolgd en bestreden. Nog steeds is het een publiek geheim dat een deel van onze bevolking op onwettige manier probeert belastingen te ontduiken. Ik veronderstel evenwel dat de regering dit belangrijk blijft vinden.

De eerste minister heeft zich zijn Europees voorzitterschap waarschijnlijk anders voorgesteld. Jammer genoeg heeft de internationale actualiteit ons land en heel Europa betrokken in een zwaar conflict.

Onze fractie steunt de regering in haar beslissing om de strijd tegen het gruwelijke terrorisme aan te gaan. Wel vragen wij geen stappen te doen zonder nadenken of zonder overleg.

Tot hiertoe is dit gebeurd, maar hoogstwaarschijnlijk zal de regering nog voor moeilijke keuzes staan in deze internationale crisis. Wij pleiten voor voorzichtigheid en weloverwogen beslissingen om in de eerste plaats onschuldige slachtoffers te vermijden.

Om te eindigen kom ik terug naar het nationale niveau om stil te staan bij de voorstellen inzake politieke vernieuwing. Het referendum is voor ons goed, als de opkomstplicht erbij hoort en als het nieuwe instrument omzichtig wordt gebruikt. In de commissie voor Politieke Vernieuwing werd hierover al vaak gedebatteerd. Eerst is evenwel een herziening van de Grondwet nodig. Onze partij heeft in de Kamer voorstellen terzake voorbereid.

Het voorstel van provinciale kieskringen biedt heel wat voordelen. De kloof tussen politiek en burger zal er niet groter of kleiner door worden, want wie nu op de senaatslijst staat, wordt verkozen in een Vlaamse kieskring. Ik heb nog nooit ondervonden dat ikzelf daardoor veel minder contact met de mensen heb. Iedereen woont tenslotte ergens en moet daar veel contacten leggen om telkens weer de nodige stemmen te halen. Alleen tijdens de verkiezingscampagne is een grotere kieskring lastiger, maar een campagne duurt maar kort en de kloof met de burger dicht je niet tijdens de campagne maar met het dagdagelijkse werk. Ik ga dus akkoord met provinciale kieskringen te meer omdat het loterij-effect en de apparentering dan tot het verleden zullen behoren.

Dan is er nog het voorstel van de eerste minister waarvoor sommigen hier letterlijk zijn gaan lopen, namelijk het samenvoegen van Kamer en Senaat tot één parlement. De SP.A-fractie staat achter alles wat de werking van het parlement efficiënter en beter kan maken. Wie beweert dat we nu optimaal werken, is ziende blind of wil emotioneel geen afstand doen van het verleden. Een hervorming is noodzakelijk. Daarmee is iedereen of ongeveer iedereen het eens. Het dubbele werk dat hier gebeurt, moet worden afgeschaft, maar dat is iets totaal anders dan het afschaffen van een tweede lezing. Die kan voor sommige wetten heel nuttig zijn. Verder moet de hervorming ook ruimte laten voor langetermijnwerk. Wie de werkzaamheden rond euthanasie heeft gevolgd, weet dat niet alles even snel kan.

Een grondige hervorming beoogt volgens mij meer duidelijkheid en transparantie voor de bevolking. Wie politieke vernieuwing en openheid bepleit, kan geen instelling aanvaarden waarvan de bevolking niet begrijpt wat er gebeurt. De hervorming van 1993 is duidelijk tekortgeschoten op gebied van duidelijkheid en transparantie. Wie het goed meent met onze democratie, werkt nu volop mee aan die hervorming met als enig doel zowel Kamer als Senaat - en ik benadruk beide, want ook aan de overkant is niet alles perfect - om te vormen tot een goedwerkend democratisch geheel. Of alles daarom best in één parlement gebeurt, zal moeten blijken uit de vraag wat onze taken zijn en wie die best uitvoert. De SP.A pleit dus voor een grondig herbekijken zowel van Kamer als van Senaat.

Ik ga ervan uit dat de eerste minister met zijn voorstel de taak van het Parlement als controle-orgaan op de regering niet wil afzwakken, maar integendeel wil versterken.

De regering kan natuurlijk verder op onze medewerking rekenen, ook als het moeilijker gaat.

Tot slot wil ik nog iets zeggen over de afwezigheden, onder andere vandaag. Vanmorgen was er nog het excuus dat er commissievergaderingen waren, maar vanmiddag zijn er geen meer! Het wordt tijd dat de degenen die beweren dat er geen enkel probleem is met de werking van de Senaat en dat we goed bezig zijn, hier ook aanwezig zijn.

Mevrouw Marie Nagy (ECOLO). - Voor een regering die in gunstige economische omstandigheden en een kalm sociaal-economisch en geopolitiek klimaat tot stand is gekomen, is het niet gemakkelijk een beleidsverklaring af te leggen nadat de situatie grondig is geëvolueerd. Daarin ligt de verdienste van de verklaring van de eerste minister.

In een klimaat van onzekerheid en van oorlog tegen het terrorisme groeit de angst bij de bevolking. Ook de economische vertraging zet zich door. Het was dus belangrijk dat de regering bij de opstelling van haar begroting koos voor een voorzichtige groeiprognose. Dat hield in dat men akkoord ging over het groeipercentage, om de genomen beslissingen uit te voeren zonder de economische stabiliteit te bedreigen en om een aantal beloften na te komen. Ik denk aan de hervorming van de vennootschapsbelasting waar de neutraliteit de absolute vereiste was. Bij de begrotingscontrole van volgend jaar zal men kunnen nagaan in welke mate de compensaties inzake de vennootschapsbelasting gerealiseerd zullen zijn. Voor mijn fractie gaat het om een element van de evaluatie.

Wij zijn verheugd dat de regering de laagste sociale uitkeringen zal verhogen. Toch is dit onvoldoende. Gepensioneerden, invaliden, werklozen en bestaansminimumtrekkers kunnen op het einde van de maand moeilijk de eindjes aan mekaar knopen. Men zou meer rekening moeten houden met het feit dat economen menen dat een heropleving meer wordt beïnvloed door de verhoging van de koopkracht van de laagste inkomens, dan door een verhoging van de hoogste inkomens. In onze onzekere context moet de consumptie worden aangezwengeld. Tijdens de begrotingscontrole zal de minister van Begroting kunnen bewijzen dat deze kwestie hem evenzeer als ons ter harte gaat. Dat is een absolute vereiste voor het behoud van de sociale cohesie.

Mijn fractie is verheugd over de prioriteit voor de verkeersveiligheid. Ook de Vlaamse regering heeft daarop aangedrongen. Het aantal verkeersslachtoffers is onaanvaardbaar. De regering heeft een aantal hervormingen van het verkeersreglement en de administratieve boeten op stapel staan. Die lijken me essentieel, want 82.000 slachtoffers per jaar kan niet.

Ik wil ook de rol van België tijdens het Europees voorzitterschap in het licht stellen. Ik wou dat al doen naar aanleiding van de discussie over Kyoto en de conferentie van Bonn. Ik denk dat Europa tot een akkoord is gekomen dat de opwarming van de aarde zal beperken. In zijn verklaring wijst de eerste minister op bijkomende maatregelen inzake energiefiscaliteit die essentieel zijn om onze beloften na te komen.

De paragraaf over de voorbereiding van de volgende conferentie van de Wereldhandelsorganisatie is kort maar geeft de essentiële elementen van de Belgische houding weer. De discussies die we vanmorgen met minister Neyts hadden in het adviescomité voor de Europese aangelegenheden en de stemming in de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen doen ons verhopen dat de top van Doha de internationale markt verder zal reguleren en het milieu en de sociale problemen meer in rekening zal brengen bij de volgende onderhandelingen van de WHO. De verklaring van de eerste minister heeft ons gerustgesteld over de wil van de regering om een echt reguleringsbeleid te voeren en dit op Europees niveau voor te stellen.

De oorlog in Afghanistan is een zeer pijnlijke zaak. De houding van onze minister van Buitenlandse Zaken in deze crisis mag worden onderstreept. Het is inderdaad belangrijk om Europa te doen tussenkomen in een beslissing die oorspronkelijk unilateraal door de Verenigde Staten werd genomen. De Europese houding zal beslissend zijn voor de toekomst van Afghanistan, zijn bevolking en de mogelijkheid om op het niveau van de VN een rol te spelen. Het feit dat het voorzitterschap wordt bekleed door iemand die zijn gedacht zegt, is daarbij primordiaal.

De eerste minister zou niet erg tevreden zijn over het feit dat zijn voorstel over de hervorming van de Senaat geen eensgezinde instemming krijgt. De Voorzitter van de Senaat heeft verwoord wat velen onder ons denken, namelijk dat men een parlementaire instelling niet voor de publieke opinie te grabbel gooit vooraleer een discussie binnen de meerderheid en de parlementsleden te hebben gevoerd.

Mijn partij is voorstander van een federale Senaat. Op die basis kunnen wij een discussie over alle nuttige hervormingen aangaan. Vele daarvan zullen worden besproken in de commissie voor politieke vernieuwing. Die sterft een langzame dood, terwijl ze het probleem van de mandaten zou kunnen oplossen door bepaalde beroemde senatoren - ik denk aan de heer Tobback - in de Senaat zitting te laten hebben.

Over het referendum moet worden gedebatteerd. Dat wapen is niet zonder gevaar. Referenda mogen niet het onderwerp worden van demagogie of gemakkelijkheidsoplossingen.

Nadenken over de organisatie van de kieskringen kan interessant zijn. Het kiesarrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde zou echter buiten schot blijven. Dat is voor de Franstaligen van belang.

Wij steunen dus de regering en verwelkomen de gerealiseerde inspanningen om het beleid voort te zetten. Toch zullen we waakzaam zijn, met name tijdens de begrotingscontrole. Onze aandacht gaat vooral naar de sociale uitkeringen, de sociale minima en de middelen die de regering zal vrijmaken om deze voor velen levensnoodzakelijke inkomens te verhogen. Wij geven dus afspraak volgend jaar, maar de regering kan op de steun van Ecolo rekenen.

De heer Frans Lozie (AGALEV). - Ik kan gedeeltelijk de lichte frustratie van de eerste minister begrijpen wanneer hij bij het begin van een politiek jaar in de twee kamers een regeringsverklaring moet afleggen. Zeker wanneer ik dat vergelijk met hoe onze noorderburen het aanpakken. Daar start een politiek jaar met een vergadering van de Staten-Generaal, dat wil zeggen met een gezamenlijke vergadering van de Eerste en Tweede Kamer. De regering maakt voor deze bijeenkomst wel een regeringsverklaring op, maar ze laat die voorlezen door de koningin. In België moet de eerste minister dat zelf doen, niet eenmaal, maar tweemaal, eerst voor de Kamer en daarna voor de Senaat. Misschien is aan de frustratie hierover de idee ontsproten dat Kamer en Senaat moeten worden samengevoegd. Ik geef toe dat mijn inleiding lichtvoetig is en hopelijk zal de echte discussie over de toekomst van onze instelling dieper graven dan wat ik hier vertelde. Mijn fractiegenoot De Roeck zal daartoe straks alvast een aanzet geven. Ik zal het vooral hebben over het belang van een regeringsverklaring bij de start van een nieuw politiek jaar.

Zowel de regerings- als de oppositiepartijen hadden van deze regeringsverklaring vóór 11 september waarschijnlijk heel andere dingen verwacht dan daarna. Terecht. Vóór de gebeurtenissen van 11 september konden we verwachten dat er een balans zou worden opgemaakt van wat is gerealiseerd en van wat is gepland, van de toestand van de begroting en van de toekomst van het land, zowel financieel als politiek. Ook het voorzitterschap van de Europese Unie, dat een groot en belangrijk deel van het regeringswerk behelst, zou normaal aan bod zijn gekomen. Een derde element, dat trouwens al langer in de politieke debatten naar voren komt, is dat het stilaan tijd wordt om een evaluatie op te maken van de hervorming van onze instellingen, die in 1995 zijn ingezet met de rechtstreekse verkiezing van de deelparlementen en de nieuwe Kamer en Senaat.

Die geheel normale verwachtingen werden volkomen door elkaar gehaald door de gebeurtenissen van 11 september, een datum die nog lang een weerslag zal blijven hebben en waarvan wij het belang niet mogen overschatten, maar zeker ook niet onderschatten. Wereldwijd worden die gebeurtenissen, onder meer door de aandacht die de media eraan besteden, als een immens belangrijk feit bestempeld.

Welk oordeel men ook heeft over het belang van deze aanslagen, de gevolgen ervan zullen vérdragend zijn. Onze samenleving zal blijvend rekening moeten houden met het fenomeen van terrorisme. Wie daarvan nog niet overtuigd was, zal er na de aanslagen wel van overtuigd geworden zijn. Voor de aanpak van het terrorisme zal uiteraard nog jaren, en misschien zelfs voor altijd, een alerte houding van de overheden nodig zijn. We zullen het terrorisme niet kunnen bestrijden met de techniek van een klassieke oorlog. Gelukkig is de regering van de Verenigde Staten zich daar ook reeds vrij kort na de aanslagen van bewust geworden. Ze besefte dat de aanslagen niet met een onmiddellijke wraakreactie konden worden bestreden en dat ze te maken had met een nieuw fenomeen, waar ze omzichtig mee moet omgaan.

Uiteindelijk zullen we moeten strijden tegen terroristische netwerken, waarvan we weten dat ze ook verbonden zijn met wereldwijde netwerken van georganiseerde misdaad. We moeten een nieuw concept uitdenken om dit fenomeen te bestrijden. Deze strijd had al een naam in vorige regeerperiodes, gewapend bestuur. Dat begrip werd reeds vernoemd in de opvolgingscommissie inzake de georganiseerde criminaliteit en zal nu moeten worden geactualiseerd.

We schrijven een nieuw hoofdstuk in de geschiedenis van de NAVO. Het is de eerste keer in de geschiedenis dat artikel 5 van het NAVO-Verdrag in werking is getreden. Dat beseffen we soms onvoldoende. Het toepasbaar verklaren van artikel 5 was een belangrijke beslissing, die de Belgische regering en de landen van de Europese Unie resoluut hebben genomen. Deze stelling is niet zo vanzelfsprekend. Ik heb vorige week in Ottawa een bijeenkomst van parlementsleden uit de NAVO-staten kunnen bijwonen waar over deze stelling een discussie werd gevoerd. Onze Turkse collega's, die de terroristische aanslagen van 11 september wel veroordeelden, voerden tegenover de secretaris-generaal van de NAVO aan dat voor de aanslagen van 11 september, die vijf- tot zesduizend slachtoffers hebben veroorzaakt en vanuit het buitenland werden georganiseerd, artikel 5 wordt ingeroepen, maar dat voor de terroristische aanslagen tegen de Turkse gemeenschap, die 40.000 slachtoffers hebben gekost en eveneens in het buitenland werden georganiseerd, artikel 5 van de NAVO nooit werd ingeroepen. Ik ga niet akkoord met deze stelling van de Turkse parlementsleden, maar ze toont wel aan dat de beslissing van de NAVO-landen - waaronder België - om de solidariteit voorzien in het NAVO-verdrag te laten gelden, een historisch moment was.

De gebeurtenissen van 11 september vormen ook een nieuwe uitdaging voor de Europese Unie. Dat is positief. Doordat de Verenigde Staten rechtstreeks waren betrokken bij de aanslagen en Europa binnen de NAVO zijn rol heeft gespeeld, is er ruimte ontstaan voor de Europese Unie en voor heel Europa om een eigen diplomatieke rol te spelen, ook op bij het verdedigen van de vrede in de wereld.

De Europese Unie heeft in deze kwestie, onder meer bij monde van onze minister van Buitenlandse Zaken, met de steun van de voltallige Belgische regering, een ontzettend belangrijke rol gespeeld op het diplomatieke vlak. In de geschiedenis van de Europese Unie is dit een erg positieve evolutie. De Europese defensiegemeenschap komt nu in het zicht.

In mijn vorig leven als leraar moest ik aan de leerlingen steeds weer uitleggen dat de Europese eenmaking begonnen is met de oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, maar dat het akkoord over de Europese defensiegemeenschap, dat minder dan een jaar later formeel op papier werd gezet, nooit werd geratificeerd. Vandaag wordt de roep naar een eigen Europese verantwoordelijkheid op het vlak van de defensie steeds sterker. Ik vind dat belangrijk, maar wens toch te beklemtonen dat wij niet zo maar met elke vorm van defensie vrede kunnen nemen.

De gebeurtenissen hebben ook het belang aangetoond van de samenwerking tussen de inlichtingendiensten, die de burgers moeten blijven beschermen tegen onverantwoorde aanslagen op hun vrijheden of op hun leven. Sinds 11 september is de bevolking erg bezorgd over de situatie. Die bezorgdheid slaat op verschillende elementen.

Vandaag is de NAVO verwikkeld in een oorlogssituatie in Afghanistan. De mensen zien en beleven dat dagelijks. Onmiddellijk na de aanslag werden grote inspanningen geleverd om de hele wereldgemeenschap ervan te overtuigen dat de strijd tegen het terrorisme gezamenlijk en over alle staatkundige, religieuze of welke andere grenzen heen dan ook moet worden aangepakt. Alle landen en gemeenschappen moeten deze bezorgdheid delen en hun verantwoordelijkheid opnemen. De oorlogssituatie zoals zij vandaag op het terrein evolueert, houdt het risico in op een breuk in het wereldwijde front tegen het terrorisme. Wij moeten mijns inziens voortdurend waakzaam blijven voor wat er op internationaal vlak gebeurt.

Ook onze samenleving bestaat uit verschillende culturen. Ook vandaag nog blijven wij die verscheidenheid als een verrijking beschouwen. De rijkdom aan culturen is altijd een sterk punt geweest van Europa, ook van België. Wij moeten positieve initiatieven nemen om de solidariteit tussen de verschillende culturen van onze bevolking aan te moedigen. Ik was vanochtend dan ook erg geschokt toen ik in Het Laatste Nieuws las dat het Vlaams Blok in een nieuwe brochure weer een amalgaam maakt en laat uitschijnen dat de aanslagen in de Verenigde Staten zouden kunnen worden toegeschreven aan een bepaalde godsdienst.

Het is niet moeilijk de achterliggende bedoeling te raden van een foto van de brandende torens met de tekst "In naam van Allah". (Protest van het Vlaams Blok) Zo'n houding keur ik fundamenteel af. Het is onze taak deze opvattingen te bestrijden en te wijzen op het belang van de solidariteit en op de rijkdom van de aanwezigheid van verschillende culturen in onze samenleving.

De overheid moet echter waakzaam blijven en rekening houden met het mogelijke gevaar van biologisch terrorisme. De bevoegde ministers hebben de jongste dagen bewezen dat ze deze dreiging ernstig nemen.

Wat de oorlogssituatie in Afghanistan zelf betreft, wil ik ten slotte nog opmerken dat de zwaksten in de samenleving in elke oorlog altijd het eerste slachtoffer zijn. Dat mogen we nooit uit het oog verliezen.

Collega De Roeck zal dieper ingaan op de verklaring van de eerste minister over de toekomst van de Senaat. Ook het hoofdstuk over de mobiliteit vinden we zeer belangrijk. Vandaag beleven wij de mobiliteitsproblemen aan den lijve. De heer Malcorps zal deze problematiek bespreken.

Na 11 september is er voor de Senaat een nieuwe, bijkomende uitdaging ontstaan. Welke conclusies kunnen we uit de gebeurtenissen van 11 september trekken met betrekking tot de strijd tegen het terrorisme en de georganiseerde misdaad? We moeten met grote omzichtigheid de nodige maatregelen overwegen. Hierbij moeten we een evenwicht trachten te vinden tussen het recht op privacy en het recht op bescherming. De Senaat kan een belangrijke rol spelen bij het tot stand komen van wettelijke bepalingen met betrekking tot terrorisme. Ook al vind de regering dat de Senaat geen zinvol werk levert, toch ben ik ervan overtuigd dat wij op dit vlak onze verantwoordelijk moeten opnemen.

De heer Vincent Van Quickenborne (VU-ID). - De heer Monfils verklaarde vanmiddag in het begin van zijn uiteenzetting dat hij heel gelukkig is met de regeringsverklaring, behalve met de passage over de toekomst van de Senaat. Onze fractie neemt een volledig tegenovergestelde houding aan. De regeringsverklaring stelt ons teleur, de elementen met betrekking tot de politieke vernieuwing uitgezonderd.

Het spijt mij dat de heer Vandenberghe niet meer aanwezig is want ik voel mij verplicht te reageren op de aantijgingen die hij in naam van de CD&V aan het adres van de heer Jean-Marie Dedecker en van mijzelf heeft geformuleerd.

De heer Vandenberghe heeft hier vanochtend beweerd dat de Senaat enkel nog communiceert via de heer Jean-Marie Dedecker en mijzelf. Dat is vreemd, want als men die uitspraak vergelijkt met die uit het verleden, stelt men een bepaalde systematiek vast. Ik citeer de heer Vandenberghe in een artikel in De Morgen van april 2000: "Alle Franstalige collega's domineren de euthanasiezittingen met minutenlange tussenkomsten met als enig doel zichzelf in de kijker, in het televisiebeeld van de RTBf te plaatsen". Niet alleen collega Dedecker en ikzelf, doch ook alle Franstalige partijen delen dus in de klappen. Niettemin kreeg de voorzitter van de Kamer van Volksvertegenwoordigers, Herman De Croo, protest vanwege de CD&V-fractie toen hij voorstelde om de debatten naar aanleiding van de regeringsverklaring tijdens de avond en de nacht voort te zetten, omdat men vreesde dat de media op dat ogenblik niet langer aanwezig zouden zijn. De CD&V-fractie, en de heer Vandenberghe in het bijzonder, zetten zich af tegen infotainment, maar CD&V zit vol entertainers. De heer De Crem was een paar maanden geleden te zien in Man bijt hond, waar hij zich voorstander toonde van de afschaffing van de Senaat. Herman Van Rompuy, het geweten van België, de wijste der wijzen, was te zien in Recht van Antwoord. Laten wij de dingen bij hun naam noemen. Een parlementslid wil zijn of haar boodschap aan zoveel mogelijk mensen en kiezers kwijt en daartoe dienen de media. Het spijt me te moeten zeggen dat de heer Vandenberghe op de man speelt en niet de bal. Hij spreekt over een maatschappij waar er geen zekerheden meer zijn, maar tegelijk voedt hij met zijn uitspraken de afgunstmaatschappij, een maatschappij waar zelfs politici het elkaar niet langer gunnen dat ze hun mening kwijt kunnen. Dat vind ik beangstigend.

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Namens onze fractie wil ik zeggen dat het de moeite niet loont om hierop te repliceren.

De heer Vincent Van Quickenborne (VU-ID). - Na de aanslagen van 11 september 2001 in de Verenigde Staten is onze fractie met afschuw vervuld. Ze kunnen niet anders worden omschreven als misdaden tegen de menselijkheid. Onze politieke boodschap verschilt toch van die welke van de meerderheid komt en die ook door de grootste oppositiepartij wordt gesteund. De voorbije maanden ben ik meermaals in verschillende Arabische landen geweest: in Irak, in Jordanië, in Libanon en nog een aantal andere landen. Ik moet stellen dat wij de mening in de Arabische straat onderschatten. De communicatie is zo gebrekkig, het misverstand en de onderschatting zo groot dat ze de plaatselijke bevolking in de armen drijven van extremisten, van islamitische partijen, van verschillende groepen en splinterformaties. Ik kan u zeggen dat de legitimiteit van de PLO in Palestina er zienderogen op achteruit gaat ten voordele van Hamas en andere meer extreme partijen. Ik denk dat de aanpak en de selectieve inmenging van westerse landen, in het bijzonder van de Verenigde Staten in het Midden-Oosten, een voedingsbodem creëert voor het extremisme. Hoe kan men voor die mensen de steun van de Verenigde Staten aan weinig democratische landen als Saoedi-Arabië en Koeweit duiden? Men weet toch dat Saoedi-Arabië een land is, waar een zeer kleine minderheid aan de macht is, die zeer uitdrukkelijk de extremisten in Afghanistan lang heeft gefinancierd en Saoedische onderdanen naar dat land heeft gestuurd. Hoe kan men vandaag aan de Arabier in de straat het embargo tegen Irak, dat een mislukking is gebleken en de bevolking in diepe armoede heeft gestort, blijven verdedigen? Ik meen dat we dringend moeten nadenken over een nieuwe wereldorde, waar de unilaterale aanpak wordt vervangen door een multilaterale benadering, een verbond waarbij men elkaar in evenwicht houdt en waar respect heerst voor de andere culturen en identiteiten. Het spreekt voor zich dat de Verenigde Staten en de Europese Unie daar deel moeten van uitmaken. We moeten evenwel ook een plaats geven aan een Afrikaanse, een Arabische Unie en aan andere belangrijke wereldgemeenschappen.

Europa kan hierin een belangrijk rol van bemiddeling spelen. Maar dan moeten de Europese instellingen een grotere legitimiteit krijgen. Daarvoor is een sterk en duidelijk buitenlands beleid nodig. We zullen dan ook keuzes moeten maken, met of zonder het Verenigd Koninkrijk. Dat kunnen we door de Verenigde Naties te versterken, door een betere spreiding van de bijdragen. Vandaag houden de Verenigde Staten de Verenigde Naties in hun greep omdat ze voor een belangrijk deel van de financiering zorgen. Misschien moeten we ook eens kritisch durven nadenken over de rol van de NAVO.

Onze minister van Buitenlandse Zaken verdient alle steun op zijn buitenlandse tocht maar hij moet klaarheid scheppen, onder meer over de rol van de Engelse premier. De heer Blair doorkruist de geloofwaardigheid van een sterk en duidelijk Europees buitenlands beleid.

Ik kom nu tot het binnenlands beleid. Deze regering is een conjunctuurregering. Als het goed gaat met het land, gaat het goed met de coalitie. Maar als er een recessie op komst is, gaat dezelfde coalitie de dieperik in. Het overboord gaan van de heer Decroly in de Kamer is meer dan een veeg teken. De kritiek die binnenskamers op de regering is te horen, is niet mis. Ik richt me in het bijzonder tot mijn collega's van Agalev. De heer Geysels neemt publiek afstand van het bindmiddel van deze regering, namelijk de actieve welvaartsstaat. Ik spreek daarover geen oordeel uit; ik stel alleen vast dat hij een andere aanpak voorstaat dan deze van de SP, de VLD en de Franstalige partijen. Ik vrees dat als keuzes gemaakt moeten worden, conflicten onafwendbaar zijn. Tegelijk stellen we ook vast dat Agalev en Ecolo aarzelen in verband met de bombardementen. Hun houding verschilt fundamenteel van deze van de VLD en de SP.

De premier wilde niet bij de pakken blijven zitten. Op 24 september 2001, dertien dagen na de aanslag op de WTC-torens en vier dagen na sterk verlaagde groeiprognoses, verklaarde hij in de media dat we ofwel passief konden toezien, ofwel actief optreden. Hij opteerde uitdrukkelijk voor het tweede. We stellen vast dat de coalitie vandaag plat ligt. Er gebeurt niets meer. De ziekteverzekering ontspoort en er gebeurt niets. De broodnoodzakelijke lastenverlaging, ooit de kiesbelofte nummer één van de VLD, werd ingeslikt. We hadden die nochtans nodig. De loonhandicap van ons land ten opzichte van de buurlanden blijft gemiddeld 10%. De premier beloofde maar en zegde dat er geen sprake was van een recessie. Inmiddels merken we dat we achteruitgaan.

De woorden van de premier zijn niet vrijblijvend: ze brengen de schatkist in gevaar. Ons land heeft een stabiliteitspact. In juli 2001 trok de Hoge Raad voor Financiën aan de alarmbel en stelde dat voor een gemiddelde groei van 2,5% over vijf jaar, men meer moet doen dan blijven staan. Van 2001 tot 2005 moet de gemiddelde jaarlijkse groei 2,5% bedragen. Als de groei in 2001 en 2002 respectievelijk 1,3% en 1,5% bedraagt, moet de groei in de volgende jaren gemiddeld 3,3% bedragen. Wie kan in de geschiedenis van ons land drie opeenvolgende jaren met een groei van 3,3% vinden? Ik denk dat de regering te optimistisch is. Ofwel trekt ze nu de juiste conclusies, ofwel zadelt ze de volgende regering met een tekort op.

Dit brengt mij bij de toekomst van de Senaat. De heer Vandenberghe had het vanochtend over de keffertjes die in het zog van de eerste minister het slecht functioneren van de Senaat aanklagen. Deze uitspraak siert hem maar doet bij mij toch enkele vragen rijzen. De heer Theo Kelchtermans, een belangrijk CD&V'er, voorzitter van de commissie voor de Sociale Aangelegenheden en covoorzitter van de euthanasiecommissie, verklaart in het Belang van Limburg constant dat de Senaat voor hem niet meer hoeft. De heer Dehaene, die op het afgelopen CD&V-congres nog op handen werd gedragen, heeft reeds meermaals verkondigd dat de Senaat beter kan worden afgeschaft. De heer De Crem liet zich in het programma Man bijt hond, een programma waaraan CD&V'ers beter niet deelnemen, ontvallen dat de Senaat voor hem niet meer hoeft. Zijn deze heren volgens de heer Vandenberghe keffertjes?

De waarheid gebiedt te zeggen dat de Senaat de gevolgen draagt van de halfslachtige hervorming die hij zelf in de hand heeft gewerkt. De voorzitter van onze assemblee wil zich net als zijn voorganger niet neerleggen bij de rol van de Senaat als reflectiekamer en ontmoetingsplaats. Hij wil een echt tweekamerstelsel. Hij zegt in een interview met De Morgen van april 2000 hierover dat enkel in de plaatsen waar de democratie achterwege blijft, de Senaat wordt afgeschaft. Hij geeft hierbij als verrassend actueel voorbeeld Pakistan. In Pakistan, een bondgenoot in onze strijd tegen het terrorisme, wordt de Senaat afgeschaft omdat de democratie erop achteruit gaat.

Laat mij een tegenovergesteld voorbeeld geven. In april van dit jaar heb ik de heer Tarek Aziz ontmoet, de minister van Buitenlandse Zaken van Irak. Hij vertelde mij dat Irak van plan was om een Senaat op te richten. Vergelijkingen gaan in deze niet op.

De voorzitter stelde in zijn openingstoespraak van 9 oktober dat een federale staat in tegenstelling tot een confederale staat een sterke federale staat veronderstelt boven de gefedereerde staten. Dat is in theorie zo.

De voorzitter beweerde dat de federale staat boven de deelstaten staat. Welnu, dit is grondwettelijk fout. Ons land kent geen hiërarchie tussen de deelstaten en de federale staat; er is een nevenschikking.

De voorzitter. - Dat was een uitspraak van professor Pactet.

De heer Vincent Van Quickenborne (VU-ID). - Dan moet u niet naar hem verwijzen. Er is geen bovenschikking: decreten en ordonnanties hebben bij ons gelukkig kracht van wet.

Ik richt mij ook tot CD&V, waarvan de V voor Vlaams staat, die kiest voor een confederaal België. Deze keuze siert haar, maar door haar pleidooi voor het behoud van de Senaat kiest zij voor het federale. CD&V is niet consequent; de V staat voor vaag.

Dit land is een land sui generis: er bestaan geen federale politieke partijen, er is geen federale kieskring en er zijn maar twee volwaardige deelstaten die in voortdurende spanning en ontspanning met elkaar samenleven.

Elke federale instelling is tweeledig: het Arbitragehof, de Raad van State, de federale regering, de Kamer en de Senaat. De Kamer is nu reeds een ontmoetingsplaats van gemeenschappen en gewesten; elke volksvertegenwoordiger behoort immers tot de Nederlandse of de Franse taalgroep. Bovendien komen staatshervormingen altijd tot stand binnen de schoot van een regering en in samenwerking met de respectieve partijvoorzitters.

Van haar tweede taak, deze van reflectiekamer, heeft deze instelling zich beter gekweten. De Senaat heeft zijn nut gehad. De debatten over euthanasie zijn weliswaar nog niet beëindigd, maar alleszins hebben we belangrijk werk geleverd.

Daarenboven hebben we ook debatten gevoerd over andere onderwerpen, zoals de migratie, waar we aanbevelingen hebben geformuleerd die haaks staan op de regeringspolitiek. Ik daag u uit het interview met de heer Smet in De Morgen te lezen. Deze belangrijke uitvoerder van het migratie- en asielbeleid in ons land heeft onze aanbevelingen blijkbaar niet gelezen, hoewel de Senaat hiërarchisch toch hoger staat. In deze instelling leveren we goed werk. De vraag is natuurlijk of een bijzondere commissie in het nieuwe eengemaakte federale parlement dat niet even goed kan.

De Senaat in onze buurlanden is op de retour. In Nederland heeft een senator een parttime-job en hij wordt daarom minder betaald. In het Verenigd Koninkrijk heeft het House of Lords heel wat van zijn pluimen verloren.

Ons land in al zijn complexiteit moet niet steeds denken aan het creëren van bijkomende instellingen, maar moet wat bestaat ook kritisch onder de loep durven nemen.

We zijn eensgezind om vast te stellen dat de Senaat niet behoorlijk functioneert. Collega De Schamphelaere en ikzelf dringen reeds sinds anderhalf jaar aan op een debat over de rol en de toekomst van de Senaat. In meerdere discussies in dit plenum hebben we de voorzitter en alle verantwoordelijken gevraagd om dit debat op tijd en tijdig te voeren.

Als het dak op ons hoofd valt, heeft het geen zin te schieten op de boodschapper. Als er andere debatten moeten worden gevoerd, zoals dit over de rol van de monarchie in ons land, kan dit beter tijdig gebeuren, daarbij anticiperend in plaats van te wachten tot het te laat is.

(Applaus van de heer Jean-Marie Dedecker)

Waarom duurt het twee jaar om tot het inzicht te komen dat de vergaderingen in de commissies het best openbaar worden gehouden?

We genieten te weinig slagkracht. De Senaat kan zich nochtans beroepen op goede senatoren, beschikt over uitstekende diensten en voert daarenboven goede discussies, maar we zijn te weinig ambitieus. We moeten onszelf meer durven tonen. Dat de media nu niet aanwezig zijn, heeft waarschijnlijk een reden. Wellicht valt hier weinig nieuws te rapen, maar bovendien zijn we te weinig ambitieus op het vlak van de communicatie. Of de Senaat nu al dan niet blijft bestaan, het blijft onze taak om die communicatie te verbeteren.

De voorzitter. - Hier bestaat geen politieke sanctie.

De heer Vincent Van Quickenborne (VU-ID). - Wat bedoelt u daarmee, mijnheer de voorzitter?

De voorzitter. - Dit vormt het belangrijkste verschil met de Kamer.

De heer Vincent Van Quickenborne (VU-ID). - We kunnen de regering inderdaad niet doen vallen. Vergeten we niet dat de meerderheid vastgeklit is aan de regering en dat er momenteel niet al te veel barsten zijn ontstaan. Belangrijk zijn de inhoud en de waarde van het debat. Wat de commissies aangaat, gaat het alleszins niet over vertrouwen in de regering.

Ik besluit. In tegenstelling tot de meerderheid ben ik ervan overtuigd dat de premier en zijn ploeg het op het vlak van de politieke vernieuwing en de toekomst of de non-toekomst van de Senaat wel tot een goed einde zullen brengen.

Ieder van ons is ervan overtuigd dat de Senaat niet goed functioneert en dat dit moet worden verbeterd. Iedereen zal er dan ook mee instemmen de artikelen van de Grondwet die op de Senaat betrekking hebben, voor herziening vatbaar te verklaren. Bij de volgende verkiezingen raad ik de voorzitters van de politieke partijen aan op de Senaatslijst de personen te plaatsen die het inzicht van de premier en van de regering delen. Alleszins vindt u in mij een bondgenoot.

(Applaus van de heer Jean-Marie Dedecker en het Vlaams Blok)

De heer Jacques D'Hooghe (CD&V). - Namens de CD&V-fractie behandel ik twee hoofdstukken, namelijk volksgezondheid en Sabena, ook al werd aan dit laatste punt in de regeringsverklaring maar een korte passage gewijd. Gezien ons echter een tijdsbeperking wordt opgelegd, zal ik me voor volksgezondheid beperken tot een aantal krachtlijnen, zodat ik wat dieper kan ingaan op het Sabena-dossier.

De afgelopen weken werden we geschokt door de pleidooien van de heer De Gucht en van het kabinet van de eerste minister voor een grotendeels geprivatiseerde gezondheidszorg, dus voor een duaal systeem. Dit is niet het systeem dat wij wensen. Het budget voor de gezondheidszorg werd vastgelegd op 581 miljard, maar gezien de krappe budgettaire toestand is duidelijk het moment gekomen om in de gezondheidszorg fundamentele keuzes te maken. De CD&V-fractie wil zich in dit dossier constructief opstellen en zoeken naar oplossingen, op voorwaarde dat ze gericht zijn op een kwalitatief hoogstaande geneeskunde, dat ze budgettair gecontroleerd worden uitgevoerd en dat ze een algemeen toegankelijk systeem waarborgen. Ik heb een drietal voorstellen meegebracht, maar aangezien de minister van Sociale Zaken niet aanwezig is, zal ik ze hem doorsturen en ze op onze website zetten. Zo win ik wat tijd voor het tweede stuk van mijn uiteenzetting, het Sabena-dossier.

Dat is natuurlijk andere koek. Het wordt steeds duidelijker hoe ernstig minister Daems en ook de eerste minister in dit dossier hebben geblunderd. Vandaag riskeren 13.000 personeelsleden hun baan te verliezen door een opeenvolging van fouten die ze beiden maakten sinds april 2000, het moment van de "grote ommekeer", dixit Rik Daems. Daarom durf ik allereerst de aandacht te vragen voor het lot van die 13.000 personeelsleden en hun families. We weten dat door de overgang naar de nieuwe constructie vele banen zullen sneuvelen en de CD&V-fractie dringt dan ook aan op de sociale begeleidingsmaatregelen die tijdens de jongste besprekingen van enkele weken geleden werden overeengekomen.

Dat kan inderdaad veel geld kosten. Voor de totaliteit van het personeel worden die maatregelen geraamd op 21 à 30 miljard. Vanzelfsprekend zal maar een deel moeten worden uitbetaald, naar gelang van het aantal personeelsleden dat zal moeten afvloeien. Dat geld moet op tafel komen, maar het mag niet komen van het Fonds voor Bedrijfssluitingen, want dat zou betekenen dat de regering haar verantwoordelijk op de bedrijven afschuift. De heren Verhofstadt en Daems en de bestuurders van Sabena hebben schuld aan dit debacle. En dan bedoel ik niet de nieuwe bestuurders die sinds april in functie zijn.

Die miljarden zullen dan tenminste de eerste zijn die terechtkomen bij de mensen die het nodig hebben, en die niet in de bodemloze put in Zürich verdwijnen. Nu al kunnen de eerste minister en minister Daems terecht zware beleidsfouten in dit dossier worden verweten, maar indien ze nalaten de sociale begeleidingsmaatregelen te treffen en de verantwoordelijkheid voor hun fouten niet opnemen, dan kan hen op de koop toe onbetrouwbaarheid worden verweten. (Onderbrekingen van de VLD.)

Mevrouw Jeannine Leduc (VLD). - Welke beleidsfouten werden er sinds 1995 door leden van uw partij gemaakt? Dat zullen we eens onderzoeken.

De heer Jean-Marie Dedecker (VLD). - We kunnen misschien eens een onderzoekscommissie oprichten.

De heer Jacques D'Hooghe (CD&V). - Geen probleem. (Onderbrekingen van de VLD.)

Ik ga nu even in op de cruciale beleidsfouten in dit dossier. Allereerst is er het fameuze "hotelakkoord", dat de eerste minister helemaal alleen onderhandelde. Men moet het maar aandurven als eerste minister de contractuele relaties met Swissair - waartegen nota bene op dat moment een proces loopt ten bedrage van 1,3 miljard EURO - aan te passen zonder de voorzitter van Sabena of iemand van het directiecomité of de raad van bestuur mee te nemen.

De eerste minister moet het algemeen beleid in ons land coördineren. Hij is nu bovendien voorzitter van de Europese Unie. Hij reist naar Oekraïne, naar de Europese hoofdsteden, naar president Bush. Hij houdt zich bezig met terrorismebestrijding, met de uitbreiding van de Unie en wat weet ik al. En tussendoor wil hij op een paar verloren uurtjes ook het Sabena-dossier nog eventjes oplossen.

De heer Jean-Marie Dedecker (VLD). - Iemand moest toch het initiatief nemen!

De heer Jacques D'Hooghe (CD&V). - We zullen zien wat hij er gedaan heeft! (Uiroepen van de VLD) Het gaat hier wel over een dossier waar 13.000 personeelsleden hun job dreigen te verliezen en indirect 30.000 à 40.000 jobs op de tocht staan. Dat een eerste minister niet alle dossiers in al hun details kan kennen is normaal. Des te meer vraag ik me af waar hij het lef haalt om, zonder overleg met de eerste betrokkenen, een reuzencontract te heronderhandelen. Dat kan voor mij niet. Het risico is bijzonder groot dat hij een of ander element over het hoofd ziet en dat hij, zonder het te beseffen, een grove fout maakt. Toch zo'n initiatief nemen getuigt van een onvoorstelbare lichtzinnigheid. Zoiets is een zware professionele fout op managementvlak.

Ik wil ook nog iets zeggen over de inhoud van dat fameuze akkoord. (Uitroepen van de VLD) De eerste minister moet beseffen dat hij in hotel Astoria bestuursdaden heeft gesteld en niet iets dat een aandeelhouder mag ondernemen. Ik denk bijvoorbeeld aan de overdracht van de airbussen. Ik raad de eerste minister aan artikel 530 van de vennootschapswet te lezen. Hij zal dan zien welke risico's hij heeft genomen.

De eerste minister had het ook over de voortzetting van de commerciële activiteiten en van de samenwerking tussen Swissair en Sabena en bijgevolg ook over AMP. Nu weet iedereen dat Sabena binnen AMP continu werd achtergesteld. De eerste minister zei de spons te willen vegen over de engagementen die Swissair in het contract van 25 januari 2001 was aangegaan en over de claims van de Belgische Staat. Die uitspraken zullen nog zwaar opbreken, want bij een eindbeoordeling door een rechter zal de Belgische Staat onvermijdelijk aan het kortste eind trekken.

Over de beleidsfouten van minister Daems heb ik het al uitvoerig gehad in de gemeenschappelijke commissie van Kamer en Senaat op 3 oktober jongstleden, zodat ik daarover niet verder hoef uit te weiden.

Over de nieuwe constructie die de regering voor Sabena wil opzetten, hebben we, behalve via persberichten, nog niet veel gehoord. Afgaande op die berichten en op uitlatingen van de premier, wil men vermoedelijk de winstgevende activiteiten onderbrengen bij een nieuwe entiteit, DAT, bepaalde diensten verkopen - als er tenminste kandidaat-kopers zijn en men kan zich afvragen tegen welke voorwaarden - en de rest van Sabena opdoeken in een faillissement. Het is en blijft een constructie op het randje van het ethisch verantwoorde. Gelet op het pakket van de Zwitserse schuldeisers en op de extreem penibele situatie valt ze misschien nog te overwegen; ik durf dit nu met de gegevens waarover ik beschik niet definitief te beoordelen. Toch wijs ik erop dat pas twee weken geleden de Belgische regering de Crossair-constructie, terecht overigens, als frauduleus bestempelde. In België zou zoiets niet kunnen, beweerde minister Daems. Maar de Belgische constructie is daarvan een perfecte kopie.

Nog belangrijker voor de toekomstige constructie is de inhoudelijke evaluatie ervan. Wat nu op poten wordt gezet, moet worden afgewogen tegenover andere mogelijkheden en tegenover de risico's die eraan vasthangen. Die zijn bijzonder groot. Aangezien we niet over alle elementen beschikken - we moeten bijna op onze knieën smeken om een beetje informatie los te krijgen - rijzen er grote vragen bij deze constructie.

(Voorzitter: de heer Jean-Marie Happart, ondervoorzitter.)

Wat zijn de risico's? Een eerste risico schuilt in artikel 530 van de vennootschapswet. Onder meer door de beruchte "hotelinterventie" zal de eerste minister niet kunnen ontkennen werkelijke bestuursbevoegdheid in Sabena te hebben opgenomen. Dat stelt de Belgische Staat, en de premier zelfs hoofdelijk, bloot aan enorme schadeclaims. Die zullen er zeker komen.

Aan de nieuwe constructie zijn ook gevaren verbonden op operationeel vlak. Wat gebeurt er met de AOC-vergunningen, de certificaten die een luchtvaartmaatschappij nodig heeft? Zullen de vergunningen waarover Sabena beschikt, verloren gaan? Gaan de bilaterale akkoorden waaruit Sabena heel wat landingsrechten put, verloren? Gaat de merknaam Sabena verloren? De naam DAT is niet bekend in het buitenland. DAT heeft nooit een commerciële activiteit ontwikkeld, alles gebeurde via Sabena.

Ik hoop dat al deze elementen goed zijn afgewogen bij de nieuwe constructie, maar ik betwijfel het sterk, zeker indien het gaat om de risico's ingevolge artikel 530 van de vennootschapswet.

De Belgische regering heeft verkondigd de klachten tegen de Swissair Group weer te zullen aankaarten. De Swissair Group nam inderdaad heel wat onverantwoorde beslissingen, die een financiële put bij Sabena hebben veroorzaakt. De decharge die in april aan de bestuurders werd verleend, moet worden herbekeken.

In het verslag van het college van commissarissen lees ik dat ze een verklaring over de jaarrekening afleveren zonder voorbehoud, maar met een toelichtende paragraaf. De jaarrekening is opgesteld in de veronderstelling dat de activiteiten van de onderneming worden voortgezet. Deze veronderstelling is slechts verantwoord in de mate dat de vennootschap op de financiële steun van haar aandeelhouders kan blijven rekenen of beroep kan doen op andere financiële bronnen en - dat lijkt mij het belangrijkste - onder de voorwaarde dat het herstructureringsplan Blue Sky volledig en zonder vertraging wordt uitgevoerd. Zo luidt het verslag van de commissarissen. In april was echter al bekend dat er van het Blue Sky-plan niet veel in huis kwam.

In hetzelfde jaarverslag lees ik het bericht van de raad van bestuur: "AMP heeft voor Sabena en Swissair mogelijk gemaakt om jaarlijks 100 miljoen Euro te besparen." Iedereen weet dat in de constructie van AMP Sabena voortdurend benadeeld werd en dat enorm veel geld naar Zürich vloeide. Wat betekent dan een decharge op basis van misleidende informatie?

De juridische stappen tegenover Swissair worden geactiveerd. In het jaarverslag van Sabena 2000 staat niets vermeld over strijdige belangen van vermogensrechtelijke aard. Die bestonden nochtans. Zo waren er de leasingcontracten met Flight Lease, de verplichtingen van Sabena inzake groundhandling, en zo meer. Ik durf te veronderstellen dat die strijdige belangen van vermogensrechtelijke aard in de klachten van de Belgische Staat en Sabena zijn opgenomen. Ik zou de briefwisseling daarover eens willen zien. Vandaag kan het eventueel ontbreken van dit element misschien nog worden rechtgezet, maar ik zou het bedenkelijk vinden mocht de regering dit zelf al niet gedaan hebben.

Ik besluit dat de eerste minister en de minister van Overheidsbedrijven en Participaties zware fouten hebben begaan die het débacle van Sabena mee hebben veroorzaakt. De eerste minister heeft een rooskleurig beeld opgehangen en beloftes gedaan. Sabena staat echter op de rand van de afgrond.

De heer Didier Ramoudt (VLD). - Mijnheer D'Hooghe, uw benadering getuigt van politieke en intellectuele oneerlijkheid.

De heer Jacques D'Hooghe (CD&V). - Dat is uw standpunt, mijnheer Ramoudt.

De heer Didier Ramoudt (VLD). - Dat is inderdaad mijn standpunt.

Zoals u weet, heeft minister Daems de contracten met Sabena ter beschikking gesteld van de gemengde commissie van Kamer en Senaat. Even als ik, heeft u zich de moeite getroost om deze documenten in te kijken, maar u hebt enkel de contracten vanaf het jaar 2000 ingekeken, de contracten die werden gesloten door de huidige regering om scheefgegroeide situaties die zijn voortgesproten uit de contracten van 1995, recht te trekken.

De heer Jacques D'Hooghe (CD&V). - Ik heb ook de contracten van 1995 doorgenomen.

De heer Didier Ramoudt (VLD). - Dan zou u ook kennis moeten hebben van de rubriek `call options' en van de samenstelling van de raad van bestuur en zou u moeten weten dat Sabena in 1995 reeds was uitverkocht aan Swissair!

De heer Jacques D'Hooghe (CD&V). - In 1995 werd geopteerd voor de inbreng van privé-kapitaal. Ik vermoed dat u daar niets op tegen hebt, maar er bestond toen geen verplichting om een meerderheidsparticipatie te nemen. Minister Daems heeft dat hier uitvoerig toegelicht.

De contracten die minister Daems met een groot gebaar voor de televisie heeft overhandigd, waren in sommige gevallen onvolledig: essentiële stukken ontbraken. Ik heb reeds tweemaal schriftelijk verzocht om aanvullende informatie en nog is het dossier niet volledig. Mijnheer Ramoudt, als ik u was, zou ik in alle talen zwijgen over intellectuele oneerlijkheid.

De heer Didier Ramoudt (VLD). - Neem terug de contracten van 1995 en wij gaan dat samen uitzoeken. Dan zullen we zien wie er gelijk heeft.

De heer Jacques D'Hooghe (CD&V). - De eerste minister zou moeten toegeven dat hij een te rooskleurig beeld heeft opgehangen. Hij heeft beloften gedaan, maar Sabena staat op de rand van de afgrond, met een verlies van 13.000 directe banen en een bedreiging voor 30 à 40.000 indirecte banen.

Vorige week zijn er in verschillende bedrijven 2.000 banen verloren gegaan. De inflatie loopt op. De verzekeringsmaatschappijen kondigen voor volgend jaar forse premiestijgingen aan. De begroting is in evenwicht omdat voorzien werd in niet minder dan 19 miljard opbrengsten uit de verkoop van onroerende goederen door de Staat, een zeer dubieuze techniek.

De realiteit is dat de eerste minister de touwtjes niet meer in handen heeft. Deze regering zal ongetwijfeld de geschiedenis ingaan als de regering van de luchtkastelen. (Applaus van de CVP)

De heer Jan Remans (VLD). - De beelden van de tragedie van 11 september blijven op ons netvlies gebrand, aldus de premier in zijn beleidsverklaring. Het is waar dat de wereld sindsdien veranderd is. Er is opnieuw sprake van een heilige oorlog en van kruistochten.

Het is goed om weten dat de kruistochten in de Middeleeuwen aanleiding waren voor een aanzienlijke verbetering van de gezondheidszorg in de Westerse landen, en dit naar het model en het voorbeeld van de moslims.

Over die gezondheidszorg wil ik het nu hebben. We moeten oppassen dat de torens van de kosten voor gezondheidszorg en de vergoedingen voor ziektedagen niet worden gecrasht door onbetaalde rekeningen. Niet alleen België, maar alle Europese landen kampen met hoge ziekteverzekeringskosten. De algemene doelstelling van het gezondheidsbeleid is de verbetering van de gezondheid door een optimaal en consistent aanbod, door preventie, cure and care. Gezondheidzorg is maar een van de gezondheidsbepalende factoren naast vele andere, zoals de constitutie van de mens, preventieve maatregelen, leefstijl, arbeidsomstandigheden, wonen, voeding, hygiëne, milieu en gemeenschapsleven.

Het is een gevaarlijk misverstand te denken dat een slechte gezondheid veroorzaakt wordt door een tekort aan gezondheidszorg. Meer geneeskunde en meer gezondheidszorg leiden niet automatisch tot een betere gezondheid. Anderzijds leidt minder gezondheidszorg niet onomstotelijk tot een slechtere gezondheid. Het debat over de kosten van de gezondheidszorg wordt in hoge mate bemoeilijkt door de steeds terugkerende idee dat een slechte gezondheid gelinkt is aan een tekort aan gezondheidszorg. Voorstellen om de kosten van de gezondheidszorg te beperken, of om althans de zorgverlening aan te passen, worden zelden op een zakelijke rationele manier benaderd, maar veelal bestempeld als immoreel en asociaal. Er is in de gezondheidszorg voortdurend een opwaartse druk en per definitie ook altijd een relatieve schaarste.

België behoort tot de rijke landen van de wereld. We besteden gemiddeld evenveel aan gezondheidszorg als de andere landen van West-Europa. België scoort goed in het OMS-rapport 2000 inzake toegankelijkheid van verzorging en deelname van de bevolking aan de verzorging. Ons land bekleedt de derde plaats op de wereldranglijst. Inzake performantie staan we evenwel slechts op de 26ste plaats. Dat betekent dat de middelen beter moeten worden gebruikt. Het budget stijgt nu van 501 miljard naar 581 miljard, dus met 80 miljard in twee jaar. Net zoals de eerste minister willen we allemaal de goede gezondheidszorg behouden die we thans kennen: universeel, vlot toegankelijk, geen wachtlijsten. Toch zijn er allerlei wrijvingen.

De regering haalt diverse factoren aan voor de huidige schaarste in de gezondheidszorg: de nieuwe technieken voor diagnostiek en therapie; de vergrijzing van de bevolking; het tekort aan responsabilisering van alle actoren in de zorgverstrekking.

Die diagnose is correct, maar onvolledig. Er zijn nog andere oorzaken voor de schaarste: een verschuiving van de aard van de ziekten door de vooruitgang van de geneeskunde; het profiel van de hedendaagse patiënt en het gebrek aan stimulansen om zuinig om te springen met de beschikbare middelen.

Ik wil hierbij enkele opmerkingen formuleren.

Wat de nieuwe, dure mogelijkheden betreft, hebben we een grote achterstand op de ons omringende landen inzake de terugbetaling van innoverende geneesmiddelen. De gemiddelde termijn voor terugbetaling bedraagt meer dan 800 dagen, terwijl de Europese eis 180 dagen is. De nieuwe gezondheidswet zal hiervoor een oplossing brengen, maar de wachtlijst van nieuwe dossiers is heel lang. Heeft de regering rekening gehouden met de lange lijst van nieuwe producten?

De uitgaven voor patiënten met chronische ziekten werden het voorbije decennium door de vorige regeringen slecht geëvalueerd. Er zijn dientengevolge onoverkomelijke moeilijkheden ontstaan met betrekking tot de remgelden voor de armsten en de zwaksten. Het initiatief van de maximumfactuur is noodzakelijk om de gezondheidszorg voor deze bevolkingsgroep betaalbaar te houden. Heeft de regering rekening gehouden met de terugbetaling van de remgelden?

De uitgaven voor gezondheidszorg stijgen niet alleen wegens de kostprijs van de technieken, maar ook wegens de grote nood aan hulp van mensenhanden. Ook hier is het de verdienste van deze regering dat ze de achterstand uit het vorige decennium inzake de stijging van de lonen van de verpleegkundigen opvangt. Voorziet de regering in een mogelijkheid tot samenwerking met de gemeenschappen in het kader van het drieluik prevent, cure, care?

Farmaceutische en technologische vooruitgang is niet noodzakelijk een kostengenererende factor, maar kan ook kostenbesparend werken. Het is een uitdaging voor deze regering van de medische vooruitgang gebruik te maken om de gezondheidszorg betaalbaar te maken. Dit veronderstelt echter dat we op een gezondheidseconomische wijze omgaan met onze middelen. De effecten van het gezondheidsbeleid kunnen op basis van internationaal aanvaarde eenheden worden gemeten. Ik vermeld in dit verband het type DALY, Disability Adjusted Life Years. Hoe zal de regering gezondheidseconomische aspecten in de lijst van prioriteiten inschrijven?

Dan kom ik tot de vergrijzing van de bevolking. De vergrijzing leidt tot een toename van het aantal ziekten in de gewonnen jaren. We leven langer, maar die extra jaren gaan gepaard met relatief meer ziekte en vergen dus extra middelen. De vraag is of en in welke mate de bijkomende gezondheidskosten te wijten zijn aan de langere levensduur. Het is immers zo dat de uitgaven voor gezondheidszorg gemiddeld hoger zijn tijdens de laatste zes levensmaanden dan in heel het voorgaande leven, hoe oud de patiënt ook wordt. De discussie gaat dus niet over de kosten; de vraag is wel hoe efficiënt het medisch handelen is bij hoogbejaarden.

Maakt de regering een studie over het deel in de verhoging van de ziektekosten dat rechtstreeks te wijten is aan de grotere levensverwachting?

De regering beoogt de responsabilisering van alle actoren in de gezondheidszorg. De vrijheid van therapie voor de zorgverstrekkers moet worden getoetst aan de doelmatigheid van de verstrekte zorg. Hiertoe ontwerpen de beroepsgroepen good practices en guidelines. Die evidence-based medicine is de basis voor de financiering.

Artsen benaderen dezelfde klachten van patiënten op geheel verschillende manieren, met meer of minder diagnostiek, met meer of minder behandeling. Ook op dit vlak is er nog veel te doen. Maar deze factor alleen is slechts verantwoordelijk voor 12% van de stijging van de uitgaven voor de gezondheidszorg: 5 miljard op 80 miljard. Ik ondersteun ten volle de acties die de regering wil ondernemen tegen misbruiken. En ook de artsensyndicaten doen dat. Het is dus niet correct te denken dat de kosten van de gezondheidszorg verminderd kunnen worden met alleen op de artsen te schieten. Ook zij stellen de vraag hoe weerwerk te bieden aan de stijging van de uitgaven van de ziekteverzekering die vooral te wijten is aan drie belangrijke elementen: technologische ontwikkelingen, de vergrijzing, het non-profitakkoord.

Zorgverzekeraars kunnen hun verantwoordelijkheid opnemen om de toegankelijkheid en de terugbetaling van de gezondheidszorg te garanderen door het stellen van ziektevoorwaarden bij de patiënt en kwaliteitsnormen te bepalen bij de zorg enerzijds en door de betaalbaarheid te binden aan de levensvoorwaarden van de patiënt anderzijds. Waarom zou men geen rookverbod mogen eisen voor terugbetaling van medicatie voor aandoeningen van longen en bloedvaten? Waarom zouden sportongevallen niet worden opgenomen in een aanvullende verzekering?

Het systeem van de huidige aanvullende verzekeringen vraagt correcties. Sommige ziekenfondsen betalen bijvoorbeeld behandelingen met homeopathische middelen terug, waarvan de efficiëntie niet wetenschappelijk bewezen is.

Bij de bespreking in mei 2001 van de overschrijding van de RIZIV-begroting voor 2000 heb ik erop gewezen dat de verplichte ziekteverzekering niet alles kan dekken. Sinds meer dan tien jaar worden steeds meer delen van de ziekteverzekering opgenomen in de aanvullende verzekeringen. Ik denk bijvoorbeeld aan de hospitalisatieverzekeringen. Er zitten nu terugbetalingen in het verplichte systeem die niet in het basispakket thuishoren, terwijl geneesmiddelen en technieken, die wel in het basispakket thuishoren, er niet in zijn opgenomen. Dat is een sociale onrechtvaardigheid, die noch de regering, noch ik kan aanvaarden. De minister van Sociale Zaken en Pensioenen antwoordde mij in de maand mei: "Ik ben het met de heer Remans eens dat we een onderscheid moeten maken tussen wat in de verplichte verzekering en wat in de aanvullende verzekering moet thuishoren. In de commissie voor de Sociale Aangelegenheden werden hierover interessante debatten gevoerd. Dit is inderdaad een centrale uitdaging in het beleid." Waarom zouden we het debat daarover niet voortzetten in de commissie voor de Sociale Aangelegenheden?

De patiënt staat centraal in het beleid, niet de zorgverstrekkers, niet de verzekeringsstelsels, niet de overheid. Elke patiënt kan autonoom beslissen wat kan en wat niet kan.

De verwachtingen van de patiënten nemen drastisch toe, niet alleen omwille van de vooruitgang van de technische en medische mogelijkheden, maar ook omdat ze overstelpt worden met informatie in de media en op het internet. De patiënt komt bij zijn arts met klachten over hoofdpijn en legt uit waarom hij een CT van zijn nek wil en een NMR van zijn hoofd. Zelfbeschikking als recht op behandeling is te beschouwen als een claimrecht, maar met drie beperkingen: er moet een indicatie zijn voor medisch ingrijpen, de grenzen van het verzekerde pakket moeten vastgesteld zijn en de moraal van de arts moet medebepalend zijn, bijvoorbeeld bij euthanasie of abortus.

Als we de patiëntenrechten bespreken, moeten we het ook hebben over patiëntenplichten en de autonomie van de zorgverstrekkers. Hoe ziet de regering het wetsontwerp op de patiëntenrechten?

Er zijn economische redenen om budgetten voor gezondheidszorg onder controle te houden. De gezondheidszorg is immers slechts één gezondheidsbepalende factor. Bovendien heeft de samenleving nog andere doelstellingen dan de gezondheidszorg. De verplichte ziektekostenverzekering, waarvoor iedere werknemer en werkgever bijdraagt, leidt ook tot hoge arbeidskosten en tot een groot verschil tussen bruto- en netto-inkomens.

De economische effecten van de verbetering van de gezondheidszorg zijn echter niet zo duidelijk. De afwezigheid op het werk is de voorbije drie jaar toegenomen. Als het zou lukken de afwezigheid op het werk met 1% te verminderen, zouden de uitgaven jaarlijks met 20 miljard dalen. De redenen voor absenteïsme moeten evenwel niet altijd in de medische sfeer gezocht worden. Naast ziekte bestaan er immers vier andere hoofdredenen voor afwezigheid: stress, persoonlijke redenen, familiezaken en "verworven absenteïsme". Hoewel het verlof om dwingende persoonlijke en sociale redenen nu sterk is uitgebouwd en de wet in strikte zin geen medisch attest vereist bij afwezigheid, blijft het gros van het werkverlet gebaseerd op medische certificaten.

Het zou beter kunnen door een coördinatie van de registratie van de afwezigheden, door een demedicalisering van de afwezigheidscertificaten en door een geleidelijke of gedeeltelijk reïntegratie van zieken en gehandicapten op het werk.

Kan deze regering niet met dezelfde creativiteit en dezelfde bezorgdheid maatregelen uitwerken zoals ze dat heeft gedaan voor de langdurig werklozen?

Welke structurele maatregelen plant de regering mocht blijken dat de voorgestelde maatregelen niet volstaan?

Zal de regering een verder en diepgaand overleg willen, niet alleen met de sociale partners in de rondetafelconferentie over de sociale zekerheid, maar ook met alle zorgverstrekkers? Hoe zal de regering de patiënten duidelijk een vrije toegang tot de geneeskundige verzorging waarborgen?

De schaarste in onze gezondheidszorg is een betrekkelijk gegeven. Het thema van de kostenbeperking verdient alle aandacht. Hierbij moet in het bijzonder worden gelet op de kosteneffectiviteit van alle handelingen, niet alleen vanuit een economisch standpunt, maar ook vanuit een ethische visie.

De voorzitter. - Ik herinner eraan dat het Bureau heeft beslist aan de fractievoorzitters twintig en aan de andere leden tien minuten spreektijd toe te kennen. Ik vraag iedereen zich hieraan te houden zodat onze werkzaamheden vlot kunnen verlopen.

Mevrouw Magdeleine Willame-Boonen (PSC). - Ik beperk mij tot de internationale situatie na de aanslagen van 11 september en het Belgisch veiligheidsbeleid na deze aanslagen.

We waren allen geschokt door de aanslagen van 11 september. We mogen natuurlijk geen zwakke houding aannemen tegenover de terroristen, maar onschuldigen mogen evenmin het slachtoffer worden. Haat is geen antwoord op haat, geweld is geen oplossing voor geweld.

Ik was verontrust door de reactie van president Bush onmiddellijk na de aanslagen toen hij opriep tot een kruistocht tegen het kwade. Net als vele internationale waarnemers meen ik dat precies de fanatieke islamieten de wereld in een kruistocht willen meesleuren.

De fanatici weten perfect dat ze Amerika niet voor altijd zullen destabiliseren. Hun echte actieterrein is de moslimwereld, die zich steeds meer openstelt voor de moderniteit. Ze willen de moslimwereld aan de meest strikte godsdienstwetten onderwerpen. De inzet is niet zozeer Amerika of Afghanistan, maar wel Saoedi-Arabië, Pakistan, Bangladesh en Iran.

De radicale islam wil deze regimes destabiliseren en de straat tegen hun leiders uitspelen. Dit hebben we reeds in Pakistan kunnen vaststellen.

De criminelen die verantwoordelijk zijn voor de aanslagen van 11 september menen dat de democratieën te zwak en decadent zijn om hun waarden te verdedigen. We moeten het omgekeerde bewijzen zonder in het exces te vervallen van een collectieve afstraffing die uiteindelijk zal uitmonden in een conflict tussen het Westen en het Oosten, met als gevolg een destabilisering van de regimes in het Midden-Oosten. Tussen deze twee extremen moeten België, de Europese Unie en de internationale gemeenschap een middenweg vinden. Dit spoor moet de regering volgen.

De strijd tegen het terrorisme zal lang en moeilijk zijn. Hij dreigt tot onenigheid tussen bondgenoten te leiden omdat het moeilijk is tegen een onzichtbare vijand te strijden. Hoe moeilijk en risicovol de strijd ook moge zijn, niet vechten zou nog erger zijn.

De regering moet tijdens haar Europees voorzitterschap op internationaal vlak al haar gewicht in de schaal leggen om ervoor te zorgen dat de militaire acties tegen Afghanistan ingehouden, gericht en oordeelkundig worden uitgevoerd. De burgerbevolking moet zoveel mogelijk worden gespaard.

We moeten ook nagaan wat de diepere oorzaken van het terrorisme zijn. De strijd tegen het terrorisme is meer dan militaire acties tegen een land als Afghanistan, dat reeds twintig jaar in een eindeloze oorlog is verwikkeld. De militaire operaties moeten erop gericht zijn de terroristische organisaties, die zich op Afghaanse bodem bevinden en door het Taliban-regime worden beschermd, te ontmantelen.

In die zin zijn we dan ook solidair in de strijd tegen het terrorisme.

De internationale coalitie onder de leiding van de Verenigde Staten manifesteert zich op drie niveaus. In de eerste plaats is er het militaire niveau: de Verenigde Staten en Groot-Brittannië hebben een uitgebreide operatie opgestart tegen militaire doelwitten en terroristische bases in Afghanistan. De Europese Unie en de NAVO hebben zich solidair verklaard.

Over de ware doelstellingen van deze aanvallen en de bereikte resultaten heerst de grootste onduidelijkheid.

De intentie van de Amerikaanse beleidsverantwoordelijken om ook andere landen dan Afghanistan te treffen, verontrust mij. Om welke landen gaat het? Ik heb de indruk dat Groot-Brittannië hier niet achter staat.

De regering moet het Parlement duidelijk maken wat de Belgische solidariteit inhoudt en hoever die reikt. Wat is de omvang van de militaire campagne, wat zijn de doelstellingen en hoelang zal ze duren?

Welke rol zal België spelen? Zal België aan de internationale inspanningen deelnemen en hoe?

Bin Laden heeft opgroepen tot een heilige oorlog tegen de VS. Hij heeft hiermee twee doelstellingen voor ogen: het vertrek van de Amerikanen uit Saoedi-Arabië en steun voor de Palestijnse strijd.

De Verenigde Staten hebben duidelijk aangegeven dat ze het Taliban-regime willen omverwerpen. Dreigen ze hiermee niet in de fouten van het verleden te hervallen?

Welk politiek regime komt er na de Taliban? Er moet een regime komen dat door de meerderheid van de bevolking wordt gesteund, dat open is en de fundamentele rechten eerbiedigt, meer bepaald de rechten van de vrouwen en de etnische minderheden. Het regime zal een democratische rechtsstaat moeten instellen.

Hoe kunnen we vermijden dat de militaire campagne de interne spanningen in het Midden-Oosten nog versterken? Denken we maar aan Pakistan waar stakingen uitbreken tijdens het bezoek van de heer Powell.

De internationale orde is de afgelopen dagen gewijzigd. De vijanden van gisteren zijn vrienden geworden, terwijl ze hiervoor alleen mondeling hun solidariteit hebben moeten betuigen. Bestaat het gevaar niet dat we voor onbepaalde tijd de mogelijkheden tot opening en democratie in de Arabische wereld ondermijnen omdat de politieke regimes zich nu harder dreigen op te stellen om het straatgeweld tegen te gaan?

We behoren tot een gemeenschap van waarden die tegen agressie van buitenaf moet worden verdedigd. Solidariteit betekent geen volmacht of gehoorzaamheid aan de VS. De Europese Unie moet een evenwaardige partner van de VS zijn. Rusland, de NAVO, de Europese Unie, de kandidaat-lidstaten en andere belangrijke landen hebben bevestigd dat ze solidair zijn in hun strijd tegen het terrorisme.

Ondanks alle inspanningen van de verantwoordelijke politici speelt het Europees voorzitterschap slechts een beperkte rol. Vooral aan de andere kant van de Atlantische oceaan wordt de Europese unie niet als een volwaardige gesprekspartner aanzien. President Bush heeft de Europese Unie niet eens vermeld in zijn recente toespraak over de militaire acties, hoewel de Unie toch aanzienlijke humanitaire hulp levert.

Jammer genoeg worden militaire operaties en humanitaire acties met elkaar verward. Hierdoor dreigt op lange termijn de geloofwaardigheid van acties in gevaar te komen.

Om alle ambiguïteit te vermijden zouden de traditionele humanitaire instellingen, zoals de VN, het Internationale Rode Kruis en de NGO's, met de humanitaire hulp moeten worden belast. De internationale gemeenschap moet de miljoenen Afghaanse vluchtelingen, waarvan een deel op weg is naar de buurlanden, helpen.

Ten slotte maak ik mij zorgen over de zwakte van het Europees voorzitterschap als instelling. Dit is geen kritiek op de regering. De heren Verhofstadt en Michel hebben hun best gedaan een Europees buitenlands beleid uit te werken. Is het hun schuld dat ze zich op hun tocht door het Midden-Oosten door de heer Straw laten passeren of door de heren Chirac, Blair en Schröder in de Verenigde Staten? Is het de fout van de heer Verhofstadt dat president Bush hem niet persoonlijk op de hoogte brengt van het begin van de aanvallen? Ik stel louter vast welke plaats de Europese Unie op wereldvlak inneemt. Zodra de Unie wordt geconfronteerd met een gevoelige kwestie, kiezen sommige leden voor een eigengereid optreden en zetten ze de Europese Unie buitenspel.

Ik trek daar twee conclusies uit.

Wij weten welke inspanningen het Belgisch voorzitterschap levert. Terwijl het veiligheids- en defensiebeleid stilaan gestalte krijgt, rijzen er vragen over de bekwaamheid van de Unie om het hoofd te bieden aan de huidige uitdagingen. Zal de Unie alleen de conflicten en spanningen in de Balkan kunnen beheersen zonder de Amerikaanse steun, die zich naar het Midden-Oosten dreigt te verplaatsen? Hoe kan het Belgisch voorzitterschap het Europa van de Defensie operationeel verklaren, terwijl haar optreden op de internationale scène als zeer zwak overkomt?

Mijn tweede besluit is dat de toekomst van de Unie een dringend debat vereist over haar ambities en haar optreden. Het antwoord op het terrorisme bewijst dat er een Europa met verschillende snelheden bestaat en de institutionele structuur vlug door de feiten wordt achterhaald. De grote staten nemen het snel over van de instellingen van de Unie. Daarom dringen wij erop aan dat de verklaring van Laken het debat op een hoger niveau tilt. Het Belgisch voorzitterschap mag zich niet beperken tot een debat over de procedure of de agenda. Het debat moet de lijnen voor de toekomst uitstippelen.

De EU moet antwoorden kunnen formuleren op de grote uitdagingen. De Belgische en Europese burgers zouden niet begrijpen dat deze regering in deze erg troebele tijden haar verantwoordelijkheid inzake het Europese voorzitterschap niet opneemt.

De beleidsverklaring vertoont een aantal lacunes inzake de Belgische veiligheidspolitiek na de terroristische aanslagen. Vanmorgen werd in de commissie Binnenlandse Zaken mijn rapport over dat onderwerp goedgekeurd. Het verbaast me dat de terrorismepreventie niet in de beleidsverklaring werd behandeld. Een efficiënte strijd tegen het terrorisme vereist een pro-actief inlichtingenbeleid. Volgens de experts, die we in de commissie Binnenlandse Zaken hoorden, staan we daar ver van af. Men beschikt over te weinig middelen en over te weinig gespecialiseerd personeel, met name inzake het islamitisch terrorisme. Er worden geen Arabisch-sprekende allochtonen aangeworven noch opgeleid, een gestructureerde internationale samenwerking is nagenoeg onbestaand en er is een aanzienlijk tekort aan afluistermogelijkheden. De structuren zouden zwaar en weinig menselijk zijn. Er bestaat wel een permanente evaluatiegroep op regeringsniveau, maar organisaties waarover we tot op heden geen informatie hebben, kunnen we alleen door pro-actief onderzoek opsporen. Wie kon zich inbeelden dat de moordenaars van Massoud Belgische paspoorten hadden en één ervan de Belgische nationaliteit had? De moord op Massoud zou de aanleiding geweest zijn tot de aanslagen van 11 september.

In de beleidsverklaring wordt evenmin gesproken over het moeilijk te vinden evenwicht tussen de vereiste efficiëntie en het behoud van de individuele rechten. De buurlanden nemen wel gepaste maatregelen.

De regering zou rol van de civiele bescherming kunnen versterken met betrekking tot de chemische en biologische dreigingen en de bescherming van kerncentrales. Zij wordt echter nergens vermeld in de verklaring. Evenmin wordt iets gezegd over preventie van terrorisme of een aan de situatie aangepast gezondheidsbeleid.

Volgens Bernard Kouchner zijn de grootste troeven van het terrorisme de twijfel, de angst, de paniek. Maar de verantwoordelijken moeten hun verantwoordelijkheid opnemen. De bacterioloog, professor Henri Mollaret, vindt bijvoorbeeld dat de bioterroristische dreiging de inenting tegen de pokken opnieuw noodzakelijk maken.

Volgens professor Mollaret zijn de infectieziekten, die het Westen heeft overwonnen, niet verdwenen. De overheid moet het onderwijs op dat vlak voortzetten, ervoor waken dat ze niet opnieuw opduiken, informeren en de preventieve en curatieve strijd organiseren.

De beleidsverklaring gaat helemaal niet in op al die onderwerpen, die de man en de vrouw in de straat bezighouden en die een dringender oplossing vereisen dan de hervorming van de Senaat.

De heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken. - Ik wil niet in de polemiek gaan met mevrouw Willame, maar wel antwoorden op haar zeer belangrijke vragen over de internationale politieke actualiteit.

Nu de indruk zou kunnen ontstaan dat wij aarzelen, wil ik het standpunt van de Belgische regering duiden zoals ik het zal verdedigen op de Europese Raad "Algemene Zaken" die morgen plaatsvindt in Luxemburg.

Onze solidariteit met de Verenigde Staten en met Groot-Brittannië blijft hecht. Ook wij blijven ervan overtuigd dat alleen een multilaterale en globale benadering onder de auspiciën van de VN de samenhang van de internationale coalitie in de strijd tegen het terrorisme in al zijn aspecten kan vrijwaren.

Ook het overleg tussen de Verenigde Staten en de Europese Unie moet worden verder gezet. Er wordt vooruitgang geboekt en het is niet juist dat er geen contacten meer zouden zijn. Misschien moet er een meer systematisch doorgedreven overleg plaatsvinden, maar er wordt overleg gepleegd en informatie uitgewisseld.

De politieke unie is natuurlijk nog niet voltooid, want de Europese defensie- en veiligheidspijler moet nog worden uitgebouwd. Ik hoop dat de top van Laken de eerste fase van de operationeelverklaring zal verwezenlijken.

Inzake de humanitaire hulp kunnen wij tot onze tevredenheid vaststellen dat de Unie is tegemoetgekomen aan de oproep van de belangrijkste humanitaire organisaties en meer dan 310 miljoen euro heeft vrijgemaakt; met een bedrag van 25 miljoen euro uit de noodreserves van de begroting van de Europese Gemeenschappen voor ECHO, de dienst voor de humanitaire hulp van de Europese Unie, kan deze dienst tegemoetkomen aan de meest dringende humanitaire noden. De Unie heeft zich ertoe verbonden om zonder uitstel voor de aangekondigde hulp te blijven mobiliseren.

Wij blijven overigens aandringen op een betere toegang tot en doorgang voor deze humanitaire hulp.

Wij steunen tevens de inspanningen van de specialisten van de Verenigde Naties, van het Internationale Rode Kruis en van alle humanitaire organisaties om praktische en soepele oplossingen te vinden. Wij roepen alle buurlanden op om te helpen bij de humanitaire operaties voor het opvangen van nieuwe vluchtelingenstromen uit Afghanistan en om de daartoe vereiste middelen in te zetten.

Wij hechten bovendien erg veel belang aan de neutraliteit en de onpartijdigheid van de humanitaire hulp, alsook aan het respect voor het ongebonden karakter van de humanitaire acties, en wij blijven ijveren voor een verbetering van de toestand.

U hebt er terecht op gewezen dat de Europese Unie een politiek project moet uitwerken voor na de val van de Taliban. U hebt terecht de noodzaak beklemtoond om op diplomatische wijze suggesties voor de toekomst te formuleren.

Ons standpunt in dezen luidt als volgt. Ten eerste moet er absolute voorrang worden gegeven aan de humanitaire noodhulp.

Ten tweede is een voorkeurrol weggelegd voor de Verenigde Naties om een vredesplan voor Afghanistan uit te werken. Misschien hebben wij hiermee tot nog toe onvoldoende rekening gehouden, maar u kunt er van op aan dat wij dat meer en meer wel zullen doen.

Ten derde willen wij de installatie van een stabiel en legitiem regime steunen, dat gebaseerd is op een zo breed mogelijke, multi-etnische vertegenwoordiging. Het hoeft geen proxy-regering te zijn, gedragen door een buitenlandse kracht, maar een coalitie die een zo breed mogelijke steun geniet in eigen land en dit onder de auspiciën van de Verenigde Naties.

Verder moet de Europese Unie naast de Verenigde Naties en de internationale gemeenschap ook helpen bij het opstellen van een plan voor de wederopbouw van het land, dat zich in een bedroevende situatie bevindt.

Ten slotte zal de kans op welslagen van welke formule dan ook gering zijn, als ze niet ligt ingebed in een regionale strategie. Daarom zullen wij de klemtoon leggen op de relaties van de Europese Unie met de buurlanden van Afghanistan om zodoende de stabiliteit in de regio te vergroten. Zeer binnenkort zal een samenwerkings- en handelsovereenkomst met Pakistan worden ondertekend.

Op ons verzoek zal de Commissie in november een onderhandelingsmandaat geven voor een handels- en samenwerkingsovereenkomst met Iran. Aan de relaties met de landen in Centraal-Azië zal actief worden gewerkt. De Europees-Indische top van november zal ook de banden met dat land versterken. Gisteren heb ik de Indische minister van Buitenlandse Zaken ontmoet en wij hebben samen een zeer interessant verkennend gesprek gevoerd. Mijns inziens is het nuttig om een stap te doen in de richting van dat land en het te betrekken bij deze regionale benadering.

In het verlengde van de ministeriële trojka van september, zijn wij vastbesloten om een nauwe politieke dialoog te voeren met de Arabische moslimlanden en hun inspanningen in de strijd tegen het terrorisme te steunen.

Volgende week zal ik overigens hoogstwaarschijnlijk een ontmoeting hebben met de heer Kofi Annan en met de heer Brahimi, die belast is met dit dossier. Ik zal dan onze benadering op grond van de aangehaalde principes bepleiten.

Het conflict in het Midden-Oosten is uiteraard niet de oorzaak van het terrorisme, maar zo lang het niet is opgelost, zal het terrorisme er ruime, zij het valse rechtvaardigingsgronden in vinden. Om die reden zal ik morgen de Hoge Vertegenwoordiger, de heer Solana, verzoeken zijn inspanningen verder te zetten om de in het conflict betrokken partijen te bewegen tot het vinden van een politieke oplossing.

Wij hebben al een initiatief genomen, maar niet iedereen is erop ingegaan. Vóór de gebeurtenissen hebben wij aan een aantal internationale partners voorgesteld om een ontmoeting tussen de heren Sharon en Arafat te organiseren in de schoot van de algemene vergadering van de Verenigde Naties. Het ging eigenlijk om de oprichting van een groep van getuigen in Sharm el Sheikh onder de auspiciën van de Europese Unie.

Alle partijen die werden geraadpleegd, waren het initiatief gunstig gezind. De andere partij wou voorrang geven aan een ontmoeting Peres-Arafat. Ik ben ervan overtuigd dat ons voorstel opnieuw kan worden geactiveerd.

Wij zullen in dezen initiatieven blijven nemen en ik moet toegeven dat er schot komt in de zaak. In hun verklaringen beginnen de Verenigde Staten blijk te geven van hun bezorgdheid om de betrokken partijen gerust te stellen met het oog op het heropenen van de dialoog. De Verenigde Staten beginnen er zich zeker van bewust te worden dat het conflict in het Midden-Oosten weegt op de strijd tegen het terrorisme.

Ik wilde u een en ander meedelen opdat het standpunt van de Belgische regering uitermate duidelijk zou zijn. Wij hebben altijd het standpunt verdedigd dat de Amerikaanse reactie beperkt moest zijn, de goedkeuring diende te krijgen van de Verenigde Naties en bijzonder voorzichtig voor wat betreft de collaterale effecten.

Ik denk te kunnen bevestigen dat dit mandaat wordt geëerbiedigd en niemand kan er dan ook gerechtvaardigde kritiek op uitbrengen. Om volledig te zijn, zullen wij vanaf morgen en zeker ook op de informele top van vrijdag aandringen op een evaluatie van de toestand en van de Amerikaanse actie.

Ik ben er mij volkomen van bewust dat deze evaluatie niet alleen nodig is voor de Europese Unie, maar ook voor het behoud en de samenhang van de coalitie tegen het terrorisme. Het gaat tenslotte om een uiterst verderfelijk fenomeen, waartegen een internationale mobilisatie echt wel op haar plaats is.

Ik heb alle ambassadeurs van de moslimlanden in België ontmoet en heb mijn erkentelijkheid uitgedrukt voor hun verantwoordelijke en bijzonder gematigde houding op de islamitische conferentie van Doha enerzijds, en ik heb ze er anderzijds van verzekerd dat wij elkaar maandelijks zullen ontmoeten voor de opvolging van het werk.

In de komende dagen en weken zal ik opnieuw een bezoek brengen aan een aantal gevoelige landen. Mijns inziens boekt de Europese Unie momenteel precies een meerwaarde in haar rol om de beschavingen dichter bij elkaar te brengen. U hebt dat belangrijke element aangeroerd. U kunt er van op aan dat België alles in het werk zal stellen om zijn verbintenissen onverwijld en met overtuiging na te komen, dit op grond van alle principes die u dierbaar zijn, maar ook met kennis van de beperkingen van deze oefening.

De heer René Thissen (PSC). - Onze fractie deelt het standpunt van de regering. Wij zijn geenszins terughoudend. Zou u ons kunnen vertellen wat u denkt van de verklaringen van de meerderheidspartijen? Zij maken voorbehoud. Hebt u niet de indruk dat België en meer in het bijzonder de voorzitter van de Europese Raad daardoor in een lastig parket komt?

De heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken. - Eerlijk gezegd heb ik veeleer een bevraging dan wel verklaringen gehoord. Men vraagt zich af of de effecten en de gevolgen van de bombardementen zullen worden geëvalueerd. Men vraagt zich af hoe het zit met de humanitaire aspecten en of de Europese Unie en België zonder enig overleg de Amerikaanse en Britse strategie blindelings zullen volgen.

In mijn uiteenzetting heb ik zopas op deze vragen geantwoord. Die bevraging is voor parlementsleden niet abnormaal. Het was nuttig hierop klare antwoorden te geven, zodat zij die met vragen zitten, gerustgesteld zijn. Zo vind ik het bijvoorbeeld vrij legitiem dat parlementsleden of politieke partijen aandringen op een grotere betrokkenheid van de Verenigde Naties. Het was nuttig om ons hieraan te herinneren.

Mochten wij de indruk wekken om onder democratische partijen verdeeld te zijn of te polemiseren over het onderwerp, dan zouden wij misschien in een lastig parket kunnen komen. Maar ik denk eerlijk gezegd dat er zowel bij de democratische oppositie als bij de meerderheid een verantwoordelijke eensgezindheid bestaat. U hebt het gevaar van een verdeeld optreden juist ingeschat. Ik denk echt niet dat dit het beeld is dat wij uitstralen. Wij waken ervoor dat de Europese Unie volkomen solidair is, maar weten dat zij ook haar eigen benadering, haar eigen gevoeligheid en haar eigen beperkingen heeft.

De heer René Thissen (PSC). - Wij blijven het regeringsstandpunt steunen. De regering eerbiedigt het standpunt dat zij van meet af aan heeft ingenomen. Maar dat belet niet dat recente toespraken van sommige leden van de meerderheid, voor mijn aanvoelen enige kakofonie veroorzaken

Het ligt voor de hand dat men vragen formuleert, maar daarbij dient rekening te worden gehouden met de methode, de plaats en de reden. Dat alles maakt op ons een incoherente indruk.

De heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken. - Tot op vandaag had ik niet de indruk dat er uiteenlopende standpunten werden verdedigd die onze positie ten aanzien van de buitenwereld of van onze partners zou kunnen verzwakken.

Nog een woordje over onze concrete voornemens.

Belangrijke informatie is misschien aan uw aandacht ontsnapt. Het is wellicht goed om daarop even terug te komen.

In de eerste plaats hebben de Verenigde Staten ons verzocht om twee personen naar Florida te sturen om deel te nemen aan de task force die instaat voor de globale strategie van reageren. Wij hebben beslist een militair en een diplomaat te sturen en hebben aangedrongen op inlichtingen uit de eerste hand om het overleg te kunnen organiseren. Wij hebben bijgevolg positief gereageerd op dat verzoek.

Verder kunnen wij onze C130-vliegtuigen ter beschikking stellen voor strategische en humanitaire opdrachten, evenals een medische antenne.

In principe wisselen wij ook inlichtingen uit.

Tot daar onze concrete bijdrage.

De politieke lijn die door de regering en ook door de voltallige meerderheid wordt verdedigd, komt klaar in mijn uiteenzetting naar voren en ik zal ze dan ook als dusdanig verdedigen.

De heer Paul Galand (ECOLO). - De heer Vandenberghe en de heer Thissen zijn zo vriendelijk geweest het standpunt van Ecolo over de internationale toestand toe te lichten. Het Europees Voorzitterschap betekent niet dat elk pluralistisch democratisch debat moet worden opgeschort. Dit zou tegen het Europees democratisch project zelf ingaan en zou een overwinning zijn van het terrorisme. Debatten staan de uitwerking van een consensus binnen de meerderheid en de regering niet in de weg. Soms wordt die consensus erdoor zelfs versterkt.

Iedereen weet dat Agalev en Ecolo liever verwijzen naar de Verenigde Naties en de Europese Unie. Die laatste instelling beschikt over een parlement met rechtstreeks verkozen leden die de democratische waakzaamheid garanderen.

We menen niet dat het grote internationale terrorisme de westerse waarden als dusdanig heeft aangevallen, maar wel de algemene sociale en menselijke waarden die de basis vormen voor het internationaal recht. Ze zijn de grondbeginselen van de Verenigde Naties, de Universele verklaring van de rechten van de mens, grote conventies en grote internationale instellingen als de Internationale Arbeidsorganisatie of het Ontwikkelingsprogramma van de Verenigde Naties. We mogen echter niet naïef zijn: de westerse regeringen hebben al te lang laks opgetreden tegen de fiscale paradijzen die het terrorisme hebben gevoed. De gebrekkige cohesie tussen de westerse landen om het Oslo-proces in het Midden-Oosten te redden en voort te zetten heeft geleid tot een grote frustratie bij de publieke opinie in landen van het Midden-Oosten en de Noord-Afrika.

De evolutie van de internationale situatie toont aan hoe belangrijk de inspanningen van de vice-eerste minister om Durban te redden, voor de publieke opinie in het zuiden waren.

De groenen staan onvoorwaardelijk achter de aangekondigde Europese evaluatie van de huidige internationale situatie op de top van Gent.

Dit brengt me bij "gezondheid". Bij sommige verklaringen die in de dagen vóór de beleidsverklaring werden afgelegd, voel ik mij ongemakkelijk. Ik heb enkele bedenkingen gehoord over de verklaringen van de heer Defeyt. Dat waren niet de enige. Ons systeem van sociale zekerheid en gezondheidszorg is een van de beste. Hoe is het dan mogelijk dat sommigen het systeem op de helling zetten waarbij ze zich baseren op disfuncties die moeten worden weggewerkt of lacunes die moeten worden opgevuld? De doelstelling van het regeringsplan dat ertoe strekt dat elke frank die voor de ziekte- en invaliditeitsverzekering wordt uitgegeven echt de volksgezondheid ten goede komt, is gerechtvaardigd. Dezelfde strengheid moet gelden voor alle acties van de regering, dus ook voor de inning van de inkomsten voor de Staat die moeten dienen om de opdrachten van algemeen belang te vervullen.

Volgens Ecolo moet het gezondheidsplan niet de ziekte- en invaliditeitsverzekering op losse schroeven stellen, maar moet het ertoe bijdragen dat de verschillende lijnen van de zorg beter tot hun recht komen, waarbij de doelstellingen van de gezondheidszorg moeten worden vastgelegd op basis van een uitgebreidere kennis en van de gezondheidsbehoeften van de bevolking.

Het verheugt me dan ook dat een gratis opsporing van borstkanker bij vrouwen tussen 50 en 65 wordt georganiseerd. De initiatief is het gevolg van een Senaatsdebat. Als het project correct wordt uitgevoerd, zullen honderden vrouwen met een goede levensverwachting van de dood worden gered. Ik deel dan ook niet alle standpunten van collega Remans.

Ik wil twee fabels de kop indrukken: de voorstelling dat de ouderdom en de wetenschappelijke vooruitgang een zware last voor de toekomst zijn. Volgens Ecolo moet worden gesproken over de verlenging van de levensverwachting in goede gezondheid, want dit geldt voor de meeste ouderen. Onze samenlevingen zijn nog niet voldoende voorbereid op dit positief resultaat van de inspanningen op het gebied van volksgezondheid. Ze werden door hun eigen succes verrast. Ze hebben nog niet de noodzakelijke aanpassingen gevonden om de participatie van de nieuwe ouderen te integreren in het algemeen dynamisme van de samenleving.

De perspectieven van de ouderen zijn een van de redenen waarom Ecolo de voorkeur geeft aan "de participatieve welvaartstaat" in plaats van aan de "actieve welvaartstaat".

Het is niet de wetenschappelijke vooruitgang die te veel kost. Integendeel, als de vruchten van deze vooruitgang redelijk en rationeel worden gebruikt, kunnen de middelen nauwkeuriger worden aangewend. Dit houdt echter in dat de arts voor elke patiënt de juiste aanpak en de aangepaste behandeling kiest. Hij moet de tijd krijgen en moet worden vergoed om over die keuze na te denken, eerder dan voor de productiviteit van een mechanisme waarbij niet wordt gerekend op basis van de rendabiliteit voor de volksgezondheid, maar op basis van commerciële belangen die op het terrein van de volksgezondheid ongepast zijn.

In de beleidsverklaring wordt terecht ook het verband tussen gezondheid en milieu gelegd.

De woordvoerder van Volksgezondheid heeft duidelijk uitgelegd hoe het zit met de risico's van bioterrorisme. Dagelijks wordt om 16 uur een perscommuniqué verspreid. Een opvolgingscel werkt 24 uur per dag. De risico's mogen niet worden geminimaliseerd. In België hebben tot op heden alleen kwaadwillige zendingen de begrijpelijke angst verergerd. Wij steunen de aanpak van de regering terzake.

Ten slotte is de verhoging van het budget voor ontwikkelingssamenwerking een belangrijk element om de factoren die het ontstaan van terrorisme voeden, tegen te gaan en om voor de volksgezondheid in Noord en Zuid te ijveren.

Hoorzittingen in de Senaat hebben aangetoond dat we, wat de toekomst van de samenwerking betreft, voorzichtig te werk moeten gaan en dat nieuwe hervormingen moeten worden vermeden zolang de vorige hervormingen nog niet zijn geëvalueerd.

De heer Jan Remans (VLD). - Ik wil kort antwoorden. Ik denk dat dokter Galand dichter bij mijn standpunt staat dan hij zelf beseft. Ik heb uitdrukkelijk gezegd dat iedereen ermee akkoord gaat dat hoogbejaarden recht hebben op goede verzorging, maar dat we moeten nadenken over de efficiëntie ervan. We moeten niet alleen "technisch" handelen, maar ook kijken naar het resultaat en de efficiëntie.

De heer Joris Van Hauthem (VL. BLOK). - Het spreekt voor zich dat de beleidsverklaring van de regering en dan meer bepaald de passage over het afschaffen van de Senaat voor nogal wat beroering heeft gezorgd. Er wordt een beetje eufemistisch gesproken over de samensmelting van Kamer en Senaat, maar eigenlijk wordt de afschaffing van de Senaat bedoeld. Zonder te willen vooruitlopen op de discussies die we ongetwijfeld de komende dagen, weken en waarschijnlijk maanden zullen voeren, niet alleen in het Bureau, maar ook in de plenaire vergadering, wil ik hierbij een aantal bedenkingen formuleren.

De voorzitter van de Senaat heeft in zijn openingstoespraak op een vrij gedreven wijze gepleit voor het bicamerisme, maar hij heeft eveneens gezegd - volgens mij terecht - dat de discussie over het bicamerisme zo oud is als de democratie zelf. Bijgevolg zou dit op zich geen ideologisch debat mogen zijn en zelfs geen communautair debat, al is men bezig dat laatste er precies wel van te maken. Ik kom daarop nog terug.

Een eerste vraag is of kwalitatief wetgevend werk enkel mogelijk is in een tweekamerstelsel. Ik geloof van niet. Ik ben ervan overtuigd dat men voorbeelden kan vinden van eenkamerstelsels die uitstekend werken en kwalitatief hoogstaande wetgeving afleveren en tweekamerstelsels die vierkant draaien. Het omgekeerde geldt natuurlijk ook. Er zullen ongetwijfeld tweekamerstelsels zijn die zorgen voor kwalitatief hoogstaand wetgevend werk en eenkamerstelsels die dat niet doen. De manier waarop de programmawetten in de Senaat, nota bene door de meerderheid, werden binnengegooid met het verbod te amenderen omdat de kamerleden hun koffers al hadden gepakt, is hoe dan ook een aanfluiting van de rol van de Senaat. De wijze waarop de staatshervorming hier werd behandeld paste niet meteen bij een hoge vergadering die uitdrukkelijk bevoegd is voor staatshervorming. Het imago van de Senaat - en trouwens van elk parlement - wordt ook niet bepaald opgepoetst wanneer een aantal senatoren in Noord-Korea voor de camera's van het RTBF-programma Strip tease de paljas uithangen. De kwaliteit van de wetgeving heeft dus niet zozeer te maken met het aantal kamers waarin de wetteksten worden behandeld - hoewel dat theoretisch wel een zekere garantie zou moeten bieden - maar in de eerste plaats met de mentaliteit, de politieke cultuur, met andere woorden met de bereidheid van de meerderheid, hoe ze ook is samengesteld, toe te geven dat bepaalde ontwerpen nu eenmaal moeten worden bijgeschaafd. De huidige meerderheid doet dat manifest niet. Een eenkamerstelsel met een tweede lezing en een goed uitgeruste wetgevingsdienst zou ook in staat moeten zijn degelijk wetgevend werk te verrichten. Zonder dit model tot een fetisj te willen verheffen, lijkt het ons eventueel wel aanvaardbaar.

Maar indien men voor een tweekamerstelsel opteert, dan moet dat totaal zijn, niet zoals vandaag. Want over een zaak zijn we het allemaal wel eens, de huidige Senaat werkt slecht. Hij wordt niet meer als vol aanzien, met alle mogelijke frustraties van dien en met de oprispingen dat we hier aan bezigheidstherapie doen. Voor de grote politieke tenoren is de Senaat sinds 1993 voor een stuk verworden tot een nuttigheidsfactor. Door de grote kiesomschrijvingen kunnen zij zich immers in heel hun deelstaat laten `plebisciteren', als opstapje naar een regeringsdeelname. Belanden ze uiteindelijk toch niet op een ministerpost, dan is de rol van de Senaat voor hen meteen ook uitgespeeld. Voor hen is de Senaat vandaag niet meer dan een electorale speeltuin.

Het complete bicamerisme waarvoor wij pleiten, betekent ook dat we afwillen van de huidige ondoorzichtige bevoegdheidsverdeling tussen Kamer en Senaat en dat de Senaat opnieuw bevoegdheid voor alle domeinen moet krijgen. Vooral moet de Senaat de regering ter verantwoording kunnen roepen, want dat is de kern van alle parlementair werk en van elk parlement. Een parlement waar de regering geen verantwoording moet afleggen, waar ze dus ook geen schrik voor hoeft te hebben, wiens vertrouwen ze niet moet winnen, waar ze geen motie van wantrouwen tegen zich kan zien goedkeuren... zo'n parlement is in om het even welke constellatie ongeloofwaardig en bijgevolg zinloos.

Samenvattend herhaal ik dat de Vlaams-Blokfractie het debat over de hervorming van de Senaat wil aangaan. Onze voorkeur gaat uit naar een slagvaardig eenkamerstelsel, op voorwaarde dat daarvoor de noodzakelijke politieke cultuur voorhanden is. En dat is jammer genoeg meer dan twijfelachtig. Indien men toch kiest voor een tweekamerstelsel, moet dat compleet zijn.

Het concrete voorstel van de premier vinden we verwerpelijk. Het idee om de afgeschafte Senaat te vervangen door een paritair samengestelde federale raad, bestaande uit leden van de gemeenschappen en de gewesten, is voor ons onaanvaardbaar. Samen met een grendelgrondwet, met daarin een pariteit in de federale regering, met alle bestaande bijzondere meerderheden, wil de premier nu ook nog een paritair samengesteld parlement, samengesteld vanuit de gemeenschappen en de gewesten. Hoever willen de Vlamingen in dit land nog gaan? Hoe ver reikt hun masochisme dat ze hun politieke macht nog verder te grabbel gooien? Want daar komt dit voorstel op neer. Wil men ook het parallellisme met Brussel doorprikken? Tot nu toe werd immers de Brusselse regering, als afspiegeling van de federale regering, eveneens paritair samengesteld.

Zal in het Brussels Parlement ook een soort tweede kamer worden samengesteld, op paritair niveau? Dit kan dan een compensatie zijn voor de federale raad, die paritair zou worden samengesteld. Ik veronderstel dat dit niet de bedoeling is.

Met dit voorstel heeft de premier de doos van Pandora geopend. De machtsafkalving van Vlaanderen op het federale vlak gaat gewoon door. Dat dit voorstel wordt gelanceerd door een premier die over de communautaire problemen in zijn burgermanifesten een heel andere taal heeft gesproken, is een illustratie van de verloedering van de politieke zeden.

Wat is de bedoeling van de hertekening van de kiesomschrijvingen en de invoering van de vijf procent kiesdrempel? Is dit een beloning voor sommige coalitiepartners in Vlaanderen voor hun bereidwillige medewerking aan het paarsgroene project en een bestraffing voor de dwarsliggers van het Lambermontakkoord? Wordt het kiesarrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde gesplitst indien er provinciale kiesomschrijvingen worden ingevoerd? Dat wordt unaniem door de provincieraad van Vlaams Brabant gevraagd. De vice-premier heeft daarnet al laten weten dat dit geenszins de bedoeling is. Ik wijs er de collega's van de SP, van Agalev en van de VU-ID-fractie op dat zij hun kamerzetel zouden verliezen voor Brussel-Halle-Vilvoorde indien de vijf procent kiesdrempel wordt ingevoerd zonder een splitsing van deze kiesomschrijving. Er zouden dus drie Vlaamse zetels verloren kunnen gaan! Het Vlaams Blok zou geen zetel verliezen, maar drie Vlaamse zetels zouden naar Franstalige partijen gaan. Ik raad de regering aan eerst nauwkeurig te rekenen vooraleer voor dit scenario te kiezen.

De heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken. - Als ik niet ten gronde reageer op de zojuist geuite overwegingen en hypotheses, betekent dit niet dat de inhoud van de regeringsverklaring op die manier moet worden geïnterpreteerd. Daarin is sprake van een beginsel van provinciale kiesdistricten. Bij de concrete toepassing van dat beginsel kunnen een aantal uitzonderingsmaatregelen worden genomen. Wat de heer Van Hauthem zojuist heeft uiteengezet, is zijn eigen interpretatie, laat dat duidelijk zijn. Het is niet omdat ik daar niet op inga, dat ik ermee akkoord ga, dat is namelijk helemaal niet zo.

De heer Joris Van Hauthem (VL. BLOK). - De vice-premier heeft zelf verklaard dat de splitsing van het kiesarrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde niet aan de orde is.

De heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken. - Dat zullen we zien op het moment dat over al deze zaken een debat zal worden gevoerd. Het is niet eerlijk een eenvoudige zin op een bepaalde manier te interpreteren.

De heer Joris Van Hauthem (VL. BLOK). - Dan moet de premier duidelijker zijn.

Als de premier het principe van provinciale kiesomschrijvingen naar voor brengt, rijst uiteraard de vraag naar de situatie van Brussel-Halle-Vilvoorde. De vice-premier antwoordt dat deze splitsing niet aan de orde is. Ik mag toch de gevolgen daarvan schetsen.

De heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken. - Heeft u in de beleidsverklaring iets gelezen over de splitsing van het arrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde?

De heer Joris Van Hauthem (VL. BLOK). - Neen. Ik vraag alleen wat er zal gebeuren met het arrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde in de voorgestelde logica van provinciale kiesomschrijvingen. Als er hierover niets staat in de verklaring, dan komt de splitsing er blijkbaar niet.

Ik besluit hieruit dat in dat geval en in combinatie met de kiesdrempel van 5%, er drie Vlaamse zetels op de tocht komen te staan in Brussel-Halle-Vilvoorde.

De heer Guy Moens (SP.A). - En de minister besluit dat dit niet het rechtstreekse gevolg hoeft te zijn...

De heer Joris Van Hauthem (VL. BLOK). - Wij zullen dat zien. Ik heb alleen een hypothese geformuleerd.

Als de vice-premier hier verklaart dat als de splitsing er niet in staat, ze er ook niet zal komen, dan neem ik daarvan akte. Mocht het er wel in hebben gestaan, dan zouden we een bepaalde zekerheid hebben, die we nu nog altijd niet hebben. Ik heb de rekensom gemaakt, hou daar rekening mee!

Tot slot moest ik vaststellen dat alle voorstellen over de politieke vernieuwing in de beleidsverklaring de Commissie voor de Politieke Vernieuwing volkomen links laten liggen. Bovendien zijn ze door de PS al openlijk afgeschoten geworden. Ik vraag me dan ook af of de huidige coalitie hiervoor wel over een meerderheid beschikt. Niet alleen in de Senaat, maar ook in de Kamer en uit de uitspraken van haar voorzitter is gebleken dat er nog steeds zowel ja-stemmen als neen-stemmen zijn.

Wat is immers de reactie op het voorstel van de premier om het bindend referendum grondwettig te maken?

De PS zegt dat er over te praten valt, behalve als het over een federaal referendum zou kunnen gaan. Dat is in elk geval uitgesloten, aldus de PS-voorzitter en van de PS-kamerfractieleider. Bovendien maken zij de zeer ongelukkige verwijzing naar de Koningskwestie. De PS heeft hiermee weer eens de kern van het Belgische feit blootgelegd. Ook in 1950 waren we niet allemaal plots weer Belgen, maar waren we weer Vlamingen en Walen. Zo is het altijd geweest, zo zal het altijd zijn. De reactie van de PS heeft eens te meer aangetoond dat dit land geen democratie verdraagt.

De heer Guy Moens (SP.A). - In haar uiteenzetting heeft onze fractieleidster bepaalde aspecten van de beleidsverklaring uitvoerig toegelicht. Ze heeft er de zwaartepunten al uitgehaald. Ik zal het alleen hebben over een klein marginaal puntje, namelijk de afschaffing van de Senaat. Ik ben sedert meer dan 17 jaar onafgebroken lid van de Senaat en kan dus met enige ervaring hierover berichten?

De vraag rijst of de huidige Senaat een politiek orgaan is. Een politiek orgaan moet macht hebben. Politiek is een kwestie van macht en wij moeten dus antwoorden dat de Senaat geen macht heeft.

Sedert 1995 heeft niet de Senaat, maar de Kamer in bijna 90% van de gevallen volgens de Grondwet het laatste woord bij het verrichten van wetgevend werk. De eigenlijke macht ligt bij de Kamer. Dat wordt ook zo door de bevolking ervaren.

Een tweede criterium om het gewicht van een Parlement te bepalen, is het democratische gehalte ervan. Heeft de Senaat in zijn huidige vorm een hoog democratisch gehalte? Volgens de uitvinders van de democratie is het niet de bedoeling van een democratie de regeerders aan de macht te brengen, maar de regeerders die niet meer gewenst zijn, zonder bloedvergieten van de macht te verwijderen. Het is dus niet meer nodig "de koning te doden". Kan de Senaat de regering tot aftreden dwingen? Ook dat is het voorrecht van de Kamer. Het democratisch gehalte van onze instelling is dus bijzonder laag.

Het heeft geen zin de Senaat in zijn huidige vorm te behouden. De eerste minister vraagt in zijn regeringsverklaring of de Senaat dood is. Helaas is dat het geval. Destijds werd het feit dat Lazarus al stonk, als doorslaggevend bewijs voor zijn dood beschouwd. Een dergelijk argument kunnen we ook vandaag niet negeren.

De Senaat is al dood sedert 1995, op het ogenblik dat hij in zijn huidige vorm begon te werken. Hij wou de schijn wekken een volwaardige tweede kamer te zijn, maar de bevolking heeft dat nooit geloofd.

Is een tweede kamer - de naam ervan doet weinig ter zake - eigenlijk wel nodig? Volgens mij is dat inderdaad het geval, op voorwaarde dat ze een hoog democratisch gehalte en reële politieke macht heeft. Ik wil me niet uitspreken over de samenstelling, dus over de wijze waarop die kamer wordt verkozen of aangeduid. De discussie over de verkiezing per provincie en over de coöptatie is bijkomstig. Hoofdzaak is dat ze een eigen en typische samenstelling en ook eigen en typische middelen krijgt. Het evocatierecht zoals het thans bestaat, is een lachertje. De meerderheid grijpt het aan om mogelijke discussies te vermijden en de oppositie beroept zich er te pas en te onpas op om beslissingen uit te stellen.

Ik heb er geen enkel bezwaar tegen dat de Kamer groter wordt en dat een deel van de Senaat bij de Kamer wordt gevoegd, maar de toekomstige Senaat moet eigen en welomschreven bevoegdheden krijgen die hij op een democratische manier kan uitoefenen

De SP.A-fractie is bereid hierover een diepgaand debat te voeren opdat een nieuwe instelling wordt gecreëerd die de democratie in ons land dient. Ik besluit mijn uiteenzetting daarom met een kort adagium: "De Senaat is dood, leve de Senaat!"

De heer Johan Malcorps (AGALEV). - Ik zal mij beperken tot een onderdeel van de regeringsverklaring van de eerste minister, namelijk het hoofdstuk over de mobiliteit. Prioriteit voor de verkeersveiligheid is een belangrijke keuze. De cijfers liegen er niet om: in 2000 vielen er 1470 doden en gebeurden er 70.000 ongevallen met letsel. Daar moet eindelijk iets aan worden gedaan. Ik hoop dat in de Senaat, minstens voor de tijd die ons nog rest, in de werkgroep Mobiliteit zal geijverd worden voor de concretisering van de duidelijke standpunten die binnen die werkgroep tot stand zijn gekomen. De regering heeft haar nek uitgestoken: binnen de vijf jaar wordt ernaar gestreefd om het aantal verkeersslachtoffers met een derde te verminderen. Dat is een ambitieuze en gemakkelijk te controleren doelstelling. Het is inderdaad ook nodig dat het dossier van de verkeersveiligheid versneld wordt aangepakt. Ik heb evenwel een aantal vragen over hoe er nu concreet verder zal worden gewerkt. In juni besliste de regering immers dat er een staten-generaal van de verkeersveiligheid komt. Inmiddels is die staten-generaal opgericht en is er sprake van een publieke zitting in november of december. Liggen er in dit verband al bepaalde doelstellingen of initiatieven vast? Moet daarover nog verder overleg plaatsvinden en waar: in de federale commissie voor verkeersveiligheid, in het interministerieel overlegcomité voor verkeersveiligheid, in de staten-generaal, in de stuurgroep of in het begeleidend comité, of in het Belgisch Instituut voor Verkeersveiligheid? Er is in elk geval niet veel tijd meer om te praten en het is hoog tijd voor actie. Ik denk dat de regering dit ook begrepen heeft. Het is om het even hoe het gebeurt, als er in de praktijk maar een trendverleggend verkeersveiligheidsbeleid tot stand komt. Ik stel vast dat in de passage hierover in de beleidsverklaring er een aantal uitstekende, veelbelovende voorstellen vervat zitten, die in dat korte bestek evenwel niet konden worden uitgewerkt. Toch is het een goed begin, bijvoorbeeld, dat ervan wordt uitgegaan dat een rijbewijs in de toekomst geen vaste verworvenheid meer zal zijn en dat het vlugger zal kunnen worden ingetrokken. Om een rijbewijs te behalen zal de lat ook hoger worden gelegd. Zo zal het systeem waarbij men kan leren rijden zonder begeleider worden afgeschaft. Toch wil ik namens de Agalev-fractie duidelijk zeggen dat wij nog steeds geloven in een rijbewijs met punten en dat wij niet gaan meewerken aan het zachtjes afvoeren van dit rijbewijs met punten. We zijn nog altijd op zoek naar een politieke meerderheid daarvoor. Een rijbewijs in stappen, dat nu zowat als alternatief gelanceerd wordt door de minister van Mobiliteit is zeker het overwegen waard, maar daar is men in de meerderheid blijkbaar nog niet helemaal van overtuigd. Het kan niet de bedoeling zijn om specifiek de groep van jonge chauffeurs of van oudere chauffeurs te gaan culpabiliseren als het gaat om verkeersonveilig gedrag: we moeten de moed hebben om ons in eerste instantie bezig te houden met de recidivisten, die herhaaldelijk zware overtredingen begaan. Zij moeten geviseerd en aangepakt worden en hiervoor heb ik nog geen beter systeem gezien dan een rijbewijs met punten.

In de regering is men het er nu gelukkig over eens dat er meer verkeerscontroles moeten komen. Ik heb alle respect voor de standpunten van de heer Ansoms. De regering van haar kant zegt dat er al meer controles zijn. Het blijft evenwel een pijnpunt en nieuwe duidelijke afspraken waren nodig. De werkgroep Mobiliteit in de Senaat heeft gepleit voor meer "zwaantjes". Daarnaast moeten er ook meer bemande en onbemande camera's komen. De inschakeling van de lokale politiezones is eveneens een belangrijk element. Meer controles zijn nu gelukkig geen taboe meer, ook niet aan de andere kant van de taalgrens.

De decriminalisering en de onmiddellijke inning houden niet alleen een belangrijke vereenvoudiging in, maar hebben ook een ontradingseffect. In dat verband moeten we nagaan welke rol de gemeentebesturen kunnen spelen. De gemeenten die veel in verkeersveiligheid investeren, mogen niet worden bestraft, integendeel. Gemeenten mogen niet alleen worden beloond als ze veel pv's opstellen.

Een nieuwe classificatie van de inbreuken dringt zich op, met de nadruk op de bestraffing van de verkeersdelicten waarbij zwakke weggebruikers in gevaar worden gebracht. We steunen dan ook de straatcode die de minister van Mobiliteit voorstelt en die de wegcode, die vooral gericht is op de automobilist, moet vervangen.

Vandaag werd in Aalst alweer een jonge fietser doodgereden door een vrachtwagen, die niet was uitgerust met een dodehoekspiegel of een camera. De Senaat heeft vóór het reces een wetsvoorstel goedgekeurd waarvan Europa de dringende behandeling heeft aanvaard. Ik roep de collega's in de Kamer op dit voorstel zo snel mogelijk goed te keuren, zodat Europa deze maatregel nog tijdens het Belgisch voorzitterschap kan goedkeuren. Zoniet dreigt Europa in de ogen van onze bevolking aan geloofwaardigheid in te boeten. In de Europese Unie kunnen daardoor honderden mensenlevens worden gered.

De regeringsverklaring kondigt aan dat een dodehoekspiegel zal worden geëist voor alle vrachtwagens die bij overheidsopdrachten zijn betrokken. Die maatregel moet snel worden uitgebreid tot alle bestaande en nieuwe vrachtwagens. Dit geldt ook voor de 30 km per uur-regeling in de schoolomgeving. De regering heeft de voorstellen van voormalig senator Lindekens gedeeltelijk overgenomen.

De regering heeft een aantal maatregelen genomen en wil van de verkeersveiligheid een prioriteit maken. Dit volstaat echter niet. Onze fractie pleit voor een nieuw maatregelenpakket om het verkeer te onthaasten en zo sneller vooruit te komen. Ons verkeer is te snel. Als we het verkeer onthaasten, zullen er minder doden vallen, zal ook het milieu er baat bij vinden en zal zelfs de doorstroming verbeteren.

Het lijkt een contradictie, maar in de praktijk heeft het blokrijden uitgewezen dat het werkt. Als we allen een beetje trager rijden en minder inhalen, zullen we als groep sneller vooruitgaan.

Dit alles mag niet vrijblijvend zijn en daarom willen we ook dat er wetsvoorstellen worden ingediend. De tijd van filosoferen is voorbij, er moeten concrete acties worden ondernomen.

We zijn sterk voorstander van de promotie van autovrije centra waar dit mogelijk is. Het car free day-project op zaterdag 22 september jongstleden, dat ook door vice-eerste minister Durant werd gesteund, was een groot succes. Hoewel het samenviel met de dag van de klant, bleek dat er geen tegenstelling hoeft te zijn tussen verkeersveiligheid en de belangen van de winkeliers en de handelaars. Autoluwe of autovrije centra zijn misschien beter voor de handel dan allerlei auto's die in de weg staan. Er moeten dan ook structurele en permanent autovrije zones komen. Gent en Brugge hebben aangetoond dat dit kan.

Er moeten in de centra en de woonzones ook meer zones komen waar slechts 30 kilometer per uur mag worden gereden. Wij hebben in dit verband een wetsvoorstel ingediend. Waarom er niet van uitgaan dat 30 kilometer per uur de aangewezen snelheid is in alle woonzones en centra met het oog op de verkeersveiligheid en de leefbaarheid?

Hetzelfde geldt voor de maximumsnelheid van 70 kilometer per uur op de gewestwegen. Hierover werd op Vlaams niveau het debat al gevoerd. Wij stellen vast dat verschillende Vlaamse gemeenten zich van dit veiligheidsprobleem bewust zijn geworden en de snelheden willen beperken tot 30 kilometer per uur in de woonzones, tot 50 kilometer per uur in de bebouwde kom en in de mate van het mogelijke tot 70 kilometer per uur op de gewestwegen. We moeten dit debat ook op federaal niveau aangaan. Laten we 70 kilometer per uur als norm nemen, nadien kunnen we nagaan waar die norm moet worden verhoogd of verlaagd. Er moet echter een duidelijke federale regeling komen. Gemeenten die nu eenzijdig initiatieven nemen, zoals Londerzeel, worden teruggefloten. We zullen dan ook een wetsvoorstel indienen om tot een duidelijke regeling te komen.

Op middellange termijn kan ook worden gedacht aan nieuwe technologieën zoals de ISA, de intelligente snelheidsaanpassing of - begrenzing. Ik stel vast dat alle partijen hiervoor gewonnen zijn: voormalig eerste minister Dehaene, de VLD, de groenen. De vraag is alleen wanneer we eraan beginnen. De technologie is voorhanden, in Zweden en Nederland zijn al experimenten gelanceerd. We hoeven niet te wachten. Zeker een absolute snelheidsbegrenzer van 120 kilometer per uur is mogelijk. Misschien moeten burgemeesters en parlementsleden het goede voorbeeld geven. Ook met de variabele snelheidsbegrenzer, die rekening houdt met de maximum toegelaten snelheid in de woonzones, de bebouwde kom en de gewestwegen worden in het buitenland experimenten gedaan. Men denkt aan een experiment in Gent. Ondanks de eengezindheid komt er echter geen schot in de zaak. Misschien moet dan ook worden gedacht aan concrete stimuli zoals fiscale stimuli voor personen of gemeenten die bereid zijn in een project in te stappen. Die begrenzers bieden immers heel wat mogelijkheden. Natuurlijk zijn controles nodig, maar op middellange termijn kunnen deze andere maatregelen een alternatief bieden. Zo kunnen we zeker zijn dat de snelheidslimieten worden gerespecteerd en dat de zwakke weggebruiker wat dat betreft voorrang krijgt.

Ten slotte nog iets over het openbaar vervoer. De wil bestaat om nieuwe impulsen te geven aan het openbaar vervoer. Door stakingsacties zagen velen onder ons zich vandaag verplicht met de wagen naar Brussel te komen. Tegen mijn zin moest ik vandaag dus ook met de wagen komen.

Die acties komen nogal pijnlijk over, vooral omdat recent heel wat inspanningen werden gedaan. Na verschillende onderhandelingsrondes werden meer financiële middelen vrijgemaakt voor de spoorwegen, maar ook voor bussen en trams. Vooral voor de spoorwegen werd creativiteit aan de dag gelegd..

Terzake moeten taboes sneuvelen en moet privé-publieke samenwerking mogelijk zijn teneinde nieuwe middelen te genereren. Daarenboven moet ook een inbreng van de gewesten mogelijk worden gemaakt.

We betreuren de huidige stakingsgolf, waardoor heel het land economisch wordt verlamd en die vooral zwaar doorweegt op de armsten, vermits zij geen alternatief hebben en uitsluitend aangewezen zijn op het openbaar vervoer. Als die sector staakt, zitten ze zonder vervoer.

Cynisch is wel dat morgen als de Senaat een groot debat over de armoedeproblematiek organiseert een aantal deelnemers hier misschien niet aanwezig zal kunnen zijn door de spoorstakingen, wat toch wel aangeeft dat dit soort staking geen goed instrument is en zelfs asociaal te noemen is, vooral omdat het niet duidelijk is waarom wordt gestaakt. Als de staking wordt georganiseerd vanuit corporatistische overwegingen om bepaalde machtsposities binnen de structuur van de NMBS veilig te stellen, hebben we daar zeker vragen bij.

Dit gezegd zijnde, willen we niet meehuilen met de wolven. Het stakingsrecht moet niet worden ingeperkt, maar we moeten de bonden erop wijzen dat ze het stakingsinstrument goed moeten gebruiken zodat de mensen zich niet tegen de stakers gaan keren.

We delen de bezorgdheid van de bonden in verband met de structurele financieringstekorten en met de schuldopbouw bij de NMBS, maar ik herhaal dat inspanningen werden gedaan om meer financiële middelen vrij te maken en om bijkomend personeel aan te werven. Er zal nog meer creativiteit nodig zijn. In de toekomst moeten er ook worden samengewerkt met de gewesten en de privé, wat evenwel niet betekent dat we kiezen voor privatisering.

De bonden moeten openstaan voor wat gebeurt en moeten het gesprek durven te voeren met de minister van Mobiliteit en Vervoer en met de regering. Ik acht het niet het moment om te gaan staken.

Vertragingsmanoeuvres rond het ontwerp over spoorwegen dat in de Kamer wordt ingediend, zijn voor ons onaanvaardbaar. Het ontwerp moet snel behandeld worden met voorrang voor de democratie. Uiteindelijk wordt in Kamer en Senaat beslist over de maatregelen die moeten worden genomen. Vertraging op dit vlak is werkelijk ongewenst.

De heer Patrik Vankrunkelsven (VU-ID). - Dat we het debat over de regeringsverklaring dunnetjes moeten overdoen, bewijst dat het bestaan van de Senaat ernstig in vraag moet worden gesteld.

De voorzitter pleit, waar we hem ook ontmoeten, voor een tweekamerstelsel. In plaats van Armand De Decker zou ik hem dan ook Amant Bicaméral willen noemen. Hij geeft zijn pleidooi voor het tweekamerstelsel niet op; maar als het erop aankomt onze instelling te verdedigen, blijven we verweesd achter. Als immers een minister niet antwoordt of een nietszeggend antwoord geeft, of als het gaat om het organiseren van interessante debatten, dan komen wij altijd op de tweede plaats.

Ik vermoed dan ook dat de voorzitter van de Senaat in een andere wereld leeft. De feiten bewijzen immers dat onze activiteiten bijna totaal overbodig en daarenboven duur zijn geworden. De Senaat is veruit de duurste kamer: een senator kost gemiddeld 30 miljoen per jaar, een kamerlid 18 miljoen en een Vlaams parlementslid 11 miljoen.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - En een Europees parlementslid dan?

De heer Patrik Vankrunkelsven (VU-ID). - Ik heb het over de Belgische parlementen. In ons land is de Senaat het duurste parlement. Dat kunt u niet tegenspreken. We kosten ongeveer dubbel zoveel als de Kamer.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - En de Costa was de duurste commissie die we ooit hebben gekend.

De heer Patrik Vankrunkelsven (VU-ID). - We hebben tenminste iets gerealiseerd, mijnheer Vandenberghe, in één jaar tijd.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Een steun van 22% in uw eigen partij.

De heer Patrik Vankrunkelsven (VU-ID). - De voorzitters van de Costa samen kosten veel minder dan een senator, al dan niet actief. Per jaar kost een senator 30 miljoen. Leg dat maar eens uit aan de bevolking. In tegenstelling tot wat u zegt, mijnheer Vandenberghe, merk ik dat ook in uw fractie - tot en met in de kranten - heel wat vragen worden gesteld over het belang van de Senaat en de meerwaarde die we kunnen bieden. Alle fracties hebben voor- en tegenstanders van onze instelling. Ik stel trouwens vast dat Ecolo en bloc is weggegaan, ook al hebben hun ministers de regeerverklaring goedgekeurd. Ik vraag me dan ook af hoe deze meerderheid werkt en denk dat Verhofstadt dringend naar de meerderheidsfracties moet gaan om uit te leggen hoe een kamer werkt, dat er inderdaad gedebatteerd kan worden, dat de regering wordt gecontroleerd, dat kort op de bal kan worden gespeeld, kortom dat men op een efficiënte manier aan politiek kan doen.

Een eenkamerstelsel sluit mijns inziens reflectie en een tweede lezing voor bepaalde wetsontwerpen of -voorstellen niet uit. Het vasthouden aan rituelen kan in het leven af en toe belangrijk zijn, maar zich vastklampen aan rituelen die totaal zonder belang zijn, daar zie ik het nut niet van in. De Senaat doet me dan ook denken aan een ouderwetse manier van kopiëren: carbonpapier. Het resultaat ervan is altijd een besmeurd dubbeltje. We moeten dan ook niet zozeer over de toekomst van de Senaat debatteren, maar wel over de manier waarop in ons land het parlementair stelsel kan worden gedemocratiseerd en efficiënter kan worden gemaakt.

Ons voorstel is duidelijk: laten we evolueren naar één kamer met mogelijkheid tot bezinning en een tweede lezing en daarnaast een ontmoetingsplaats voor de gemeenschappen, waarin ook de gewesten vertegenwoordigd kunnen zijn, maar waarvoor geen aparte parlementsleden moeten worden gekozen. De verkozenen van de gemeenschappen kunnen er perfect deel van uitmaken en er pro-actief de problemen tussen de gemeenschappen oplossen.

Ik wil ook ingaan op de inleiding van de premier op de regeringsverklaring, kort en met terughoudendheid, want wie heeft de waarheid in pacht wanneer het over de grote wereldproblemen gaat? Ik wil inderdaad iets zeggen over het regeringsstandpunt rond de oorlogsvoering. De beslissing van de regering werd, zeker in het begin, gedragen door zowel de bevolking als het Parlement. Ook als dat niet het geval was geweest, had het van staatsmanschap getuigd toch door te gaan op de weg die men was ingeslagen, als het de juiste weg was. De vraag is dan ook of de gekozen tactiek, het bombarderen van Afghanistan, de juiste is. Moeten we ons daarin als Europese Unie en als Europees land inschakelen? Ik durf de vraag stellen of de randvoorwaarden wel vervuld zijn. Ten eerste is er steeds sprake geweest van gerichte bombardementen, maar we stellen vast dat deze gerichte bombardementen meer en meer overgaan in het bombarderen van steden. Ook in Groot-Brittannië hebben vandaag zes parlementsleden aan premier Tony Blair gevraagd om de bombardementen te stoppen, omdat onschuldige slachtoffers onmogelijk met onschuldige slachtoffers vergolden kunnen worden. Die voorwaarde is dus niet vervuld.

Een tweede voorwaarde was het leveren van humanitaire hulp aan de Afghaanse bevolking. Het droppen van pakketjes door Amerikaanse vliegtuigen is toch wel erg ridicuul: de gedropte voeding volstaat niet om de bevolking één dag voedsel te geven en is trouwens onaangepast aan de behoeften.

Wat gedaan werd is geen humanitaire hulp, maar zuivere propaganda.

De derde voorwaarde was dat onze regering en zeker Europa de nodige diplomatieke initiatieven zouden nemen. Ik erken dat dit in het begin, toen de grote alliantie tegen het terrorisme nog moest worden gevormd en er doorbraken moesten worden geforceerd om de voedingsbodem van het terrorisme tegen te gaan, onze eigen minister samen met de heer Solana interessante initiatieven heeft genomen. Ik wil hem daarvoor trouwens van harte feliciteren. Jammer genoeg is er de voorbije dagen niet veel meer gebeurd. De derde voorwaarde is dus ook niet vervuld. Bovendien doen er zich fenomenen voor waarbij we met recht vragen bij stellen: de Europese eenheid inzake oorlogsvoering is zoek: de merkwaardige positie van Groot-Brittannië bewijst dat. En daarenboven en niet in het minst is er de rol van de Noordelijke Alliantie. Maken we in dezelfde regio niet dezelfde fouten als voorheen? De steun aan Irak tegen Iran is faliekant afgelopen; ook de steun aan Osama bin Laden en anderen in de strijd tegen Rusland is faliekant afgelopen. Wil men nu een Alliantie steunen waarvan de verkrachtingen en oorlogsmisdaden al voldoende in kaart zijn gebracht?

Wij stellen voor om de bombardementen nu te staken. De relatieve goodwill die we bij een aantal moslimlanden hadden gekweekt, dreigt helemaal weggebombardeerd te worden. Een definitieve breuk in de dialoog met hen valt niet meer uit te sluiten. Ik vrees dat de Russen en de deskundigen die beweren dat we Osama bin Laden niet kunnen wegbombarderen, gelijk hebben. De enige oplossing bestaat in dialoog en internationale solidariteit, om vastberaden zo'n internationale netwerk te construeren om het terrorisme te versmachten.

We moeten meer dan ooit proberen te begrijpen dat de Westerse wereld op een sterk negatieve manier wordt gepercipieerd in de moslimlanden. De mensen voelen zich daar misprezen, uitgespuwd, vernederd door de arrogantie waarmee wij onze waarden willen opleggen. Jacques Chirac zei enige dagen geleden voor de Unesco dat de enige garantie op vrede bestaat in evenwicht en uitwisseling tussen de culturen en in diversiteit van verschillende culturen. Ik vraag onze regering dat ook zij in die zin wil handelen.

Ik wil nog een paar woorden zeggen over de sociale zekerheid. De regering heeft duidelijk grote moeilijkheden om uitgaven van de sociale zekerheid onder controle te houden. De ongelijkheid aan de inkomstenzijde is gekend, maar staat vandaag niet ter discussie. De ongelijkheid in de uitgaven daarentegen wordt al vele jaren aan de kaak gesteld, ook door de VU-ID-fractie. In 1993 heb ik al gewezen op de grote uitgavenverschillen tussen het noorden en het zuiden van het land. Dat soort opmerkingen werd altijd weggewuifd met het argument dat die voortkomen uit verschillen in welzijn en welvaart tussen de twee landsdelen. Nochtans zegt ook de meerderheid vandaag dat een appendectomie een appendectomie is en een hysterectomie een hysterectomie, en dat op geen enkele manier te verklaren is waarom die ingrepen in het ene ziekenhuis twee derden minder kosten dan in een ander ziekenhuis. Er bestaan ook andere verschillen die uitgelegd worden vanuit een verschillende geneeskundecultuur. Als patiënten met eenzelfde kwaal in een bepaalde streek meer naar specialisten gaan dan elders, dan kost de behandeling van hun ziekten onvermijdelijk meer omdat er dan meer dure technische onderzoeken worden uitgevoerd, ook al gaat het over pure psychosomatische aandoeningen.

Meer dan de helft van de patiënten die rechtstreeks naar een internist gaan, hebben psychosomatische klachten, die helemaal geen dure onderzoeken vergen. Als huisarts krijg ik deze mensen heel vaak over de vloer nadat ze een odyssee hebben meegemaakt van de ene naar de andere discipline. Ze blijken dan hyperventilatie of depressie te hebben. Een goede anamnese en goedkope therapie volstaan om hen te helpen.

Ik steun deze regering in haar strijd om de misbruiken weg te werken. Indien ze hierin niet slaagt, zal de sociale zekerheid ontploffen, met alle gevolgen dienaangaande. Indien de regering wel slaagt in haar strijd, worden de verschillen tussen het noorden en het zuiden van het land uitgewist en zullen er in beide landsdelen stemmen klinken om het beleid van de gezondheidszorg op te splitsen, om elk deel van het land haar eigen accenten te laten leggen en een efficiënte gezondheidszorg op poten te zetten. Ik hoop ook dat dit een discussieonderwerp kan zijn bij een volgende regeringsvorming.

De heer Jan Steverlynck (CD&V). - Ik sta er nog altijd van versteld dat een liberale premier met zo'n beleidsverklaring naar buiten durft te treden. Van de beloofde verlaging van de sociale lasten blijft maar een fractie over; de verlaging van de vennootschapsbelasting is een fictie; het sociaal statuut van de zelfstandige verbetert niet; over de administratieve vereenvoudiging wordt zelfs niet meer gesproken, laat staan dat er al iets van in huis gekomen is. Het is overduidelijk dat de blauwen in de regering een slechte beurt hebben gemaakt tijdens de afgelopen begrotingsbespreking.

Louter vanuit politieke overwegingen kan ik mij als oppositielid in de handen wrijven en enkele vreugdekreten de wereld insturen. Maar dat zal ik niet doen, omdat ik solidair ben met de vele ondernemers die nog altijd moeten bekomen van de ijskoude douche waarmee de regering hen bedacht. Wie de voorbije dagen de reacties van de beroepsorganisaties beluisterd heeft, weet dat mijn betoog allesbehalve loutere oppositietaal wordt.

Niemand van de werkgeversorganisaties, gaande van het VBO over UNIZO tot het VEV, had een vriendelijk woord voor de teleurstellende regeringsverklaring. Zelfs de vrienden - als ik die term nog mag gebruiken - van het LVZ durfden het niet aan om woorden van lof in de mond te nemen.

"In de politiek moet schaarste een uitdaging vormen aan verbeelding, verklaarde de premier in zijn regeringsverklaring. Inderdaad, deze regering heeft nogal wat verbeelding". Meer nog, ze leeft in de verbeelding. Ze houdt het voor waar dat ze dankzij de nieuwe maatregelen de sputterende economie een duwtje in de rug geeft. "De hervormingen zullen niet worden afgeremd, maar zullen noodzakelijk creatiever en diepgaander zijn", beweert de premier. Wat hij met diepgaander bedoelt, weet ik nog altijd niet, maar dat ze creatief zijn, staat buiten kijf: Creatief zonder om te zien naar het resultaat, wel te verstaan.

Neem nu de aangekondigde vennootschapshervorming. Het resultaat is niet meer dan window-dressing. De hervorming kan dan wel macro-economisch belastingneutraal zijn, het is duidelijk dat er bij de individuele vennootschappen winnaars en verliezers zullen zijn. De grootste verliezers worden net die vennootschappen die in de huidige moeilijke economische tijden weinig winst boeken. Zij zullen meer betalen om de vennootschappen die veel winst maken, nog voordelen te bezorgen. Wat is het economisch bevorderende aspect van deze maatregel?

Dan zijn er nog de nieuwe onzekerheden die op fiscaal vlak door de regeringsverklaring worden gecreëerd. Alhoewel ik meer en meer begin te betwijfelen of de liberalen de noden van de ondernemers aanvoelen, hoop ik toch dat ze weten dat ondernemers onzekerheid kunnen missen als kiespijn. Terwijl de regering terecht de invoering van het rulingsysteem aankondigt ter wille van de rechtszekerheid, vertelt ze er onmiddellijk bij dat de belastingverlaging zal worden gecompenseerd door een afschaffing van aftrekposten. Over welke aftrekposten het precies gaat en in welke mate deze posten zullen worden gewijzigd, is momenteel nog niet bekend. Wordt de aftrekmogelijkheid voor autokosten beperkt tot 50%? De minister van Financiën zegt dat hij dit overweegt. Worden de degressieve, versnelde afschrijvingen verboden in een periode waarin investeringen eigenlijk moeten worden aangemoedigd? We weten het niet.

Er is evenwel meer dan het bewust voeden van rechtsonzekerheid. De regering deinst er niet voor terug concrete beloftes niet na te komen. Enkele maanden geleden kondigde de regering aan de crisisbelasting te zullen afschaffen en dit zonder compensatie. Wat stellen we nu vast? De crisisbelasting blijft bestaan, maar tegelijkertijd wordt een nieuwe belofte de wereld ingestuurd, namelijk dat de regering de crisisbelasting op termijn zal afschaffen en dat ze het nominaal tarief van de vennootschapsbelasting op termijn tot 30% zal terugbrengen. We zullen maar aannemen dat dit ook een broekzak-vestzak zal zijn.

Over de timing voor de hervorming van de personenbelasting doen de jongste dagen trouwens heel wat tegenstrijdige berichten de ronde. Heeft de regering de verlaging van de personenbelasting al dan niet uitgesteld door de bedrijfsvoorheffing volgend jaar minder snel dan gepland te laten dalen? Ligt daarin de creativiteit van deze regering? Het enige waarin de regering slaagt, is in het brengen van onzekerheid en in het doen toenemen van de belastingdruk. Met de liberalen in de regering stijgt de belastingdruk. Vorige week konden we in een rapport van de OESO lezen dat de belastingdruk de voorbije jaren is gestegen. Hiermee wordt overigens een studie van jaren geleden opgemaakt door een professor, VLD-collega van deze Senaat, bevestigd, die aantoonde dat de belastingdruk in Belgische regeringen met liberalen steeds stijgt. Ook nu is dat het geval.

De economie heeft het moeilijk. De ondernemingen moeten herstructureren en het aantal werklozen stijgt. De lijst met afdankingen is jammer genoeg zeer lang: Sidmar, Afga Gevaert, Philips, Sabena, City Bird, ...

Wie gehoopt had op een vermindering van de lasten op arbeid, komt van een kale reis thuis. Werknemers zijn bij ons nog altijd tien procent duurder dan in het buitenland.

De zogenaamde bijkomende lastenverlaging is in werkelijkheid helemaal geen extra verlaging; het betreft alleen herschikkingen van bestaande maatregelen. De lastenverlaging op arbeid werd nochtans herhaaldelijk beloofd. Wat doet de regering feitelijk om ervoor te zorgen dat de economie opnieuw wordt aangezwengeld?

Zelfs de belofte om de administratieve rompslomp met 25% te verminderen, kan de regering niet waarmaken. Het is zielig te moeten vaststellen dat de administratieve vereenvoudiging in de regeringsverklaring zelfs niet meer aan bod komt. Vorig jaar waren er nog de verontschuldigingen van de premier. Dit jaar was er alleen nog een vage verwijzing naar een platform van e-government. Ik zal de minister van Telecommunicatie hierover deze week nog om uitleg vragen.

Ondertussen beschouwen de zelfstandige ondernemers de administratieve rompslomp als een van de grootste pijnpunten en dit naast een verbetering van hun sociaal statuut. Dat is de realiteit.

Ik herinner mij nog levendig de voorstelling van het ambitieuze plan door de nieuwe minister van Middenstand. De analyse was perfect. De discriminatie van zelfstandigen moet worden weggewerkt. Het principe van de juste retour moet worden toegepast. Zelfstandigen moeten van het stelsel ontvangen in dezelfde mate als ze ertoe bijdragen en de overheid moet evenveel bijdragen aan het stelsel van de zelfstandigen als aan dat van de werknemers. Dit principe was prachtig en kreeg applaus op alle banken. Minister Daems mocht een mooi en ambitieus plan voorstellen om de liberale achterban te tonen hoe goed de regering het voorheeft met de zelfstandige ondernemers en de KMO's.

Blijkbaar is niet iedereen binnen de regering zo enthousiast om de discriminaties weg te werken die de zelfstandigen reeds jaren ondergaan. Daaraan kunnen blijkbaar zelfs de liberalen niets veranderen! De zelfstandigen zijn mooie woorden en grootse plannen die niet uitmonden in concrete beleidsdaden, beu.

De zelfstandigen en de KMO's zijn de werkverschaffers bij uitstek in onze samenleving en de zelfstandige ondernemers vertegenwoordigen een enorme maatschappelijke waarde. Het minste dat deze groep van de overheid mag verwachten, is erkenning en waardering die uiting vindt in daden.

Een ondernemer heeft, samen met zijn gezin, niet alleen nood aan sociale zekerheid, maar hij heeft er ook recht op!

Wat is er overgebleven van het plan-Daems? De 18 miljard zijn in twee weken gesmolten als sneeuw voor de zon. Het sociaal statuut van de zelfstandige wordt enkel op het vlak van de arbeidsongeschiktheidsverzekering beperkt verbeterd. Er wordt niets gedaan voor de kinderbijslagen, de gezondheidszorg en het pensioen. Zelfs bij arbeidsongeschiktheid krijgen de zelfstandigen amper een fractie van de beloofde verhoging van de uitkering in geval van ziekte en invaliditeit. In 2002 was een verbetering gepland ten belope van 1,4 miljard. De regering trekt hiervoor maar 550 miljoen frank uit.

Het sociaal statuut van de zelfstandige schiet nog op vele andere vlakken tekort. De pensioendiscriminatie is één van de meest in het oog springende. Van een wezenlijke verbetering, een verhoging met minstens 10%, en van een hervorming van het pensioen van zelfstandigen wordt geen werk gemaakt.

Daarnaast beschikken zelfstandigen over minder mogelijkheden om op een fiscaal gunstige manier een aanvullend pensioen op te bouwen. Het wetsontwerp van minister Vandenbroucke over de aanvullende pensioenen vergroot alleen maar de discriminatie ten nadele van de zelfstandigen. Mijn wetsvoorstel ter verbetering van het vrij aanvullend pensioen voor zelfstandigen kan een deel van die discriminatie wegwerken door hogere bijdragen en betalingen voor het verleden mogelijk te maken.

En wat doet de regering voor de meewerkende echtgenoot? Die kan nog steeds geen aanvullend pensioen opbouwen, ofschoon het wetgevend kader al twee jaar bestaat. De regering, die de zaken eens anders zou aanpakken, die snel en efficiënt zou regeren, slaagt er niet in om een eenvoudig uitvoeringsbesluit te publiceren. Intussen blijft de meewerkende echtgenoot in de kou staan. Het is een regelrechte schande. De onduidelijkheid omtrent het statuut van de medewerkende echtgenoot blijft ook bestaan. En waar blijft de oplossing voor de problematiek van de schijnzelfstandigen en de schouwspelartiesten?

Voor christen-democraten is een degelijke wettelijke en aanvullende sociale bescherming voor risiconemers cruciaal en prioritair. En dat kan maar worden bereikt door het stellen van daden. Die liggen zomaar voor het grijpen. Ik verwijs onder meer naar het rapport-Cantillon.

Wie dacht dat er met de liberalen op het vlak van de financiering van het sociaal statuut van de zelfstandige héél wat zou wijzigen, komt bedrogen uit. De VLD slaagt er zelfs niet in de flagrante discriminaties, het minimum minimorum, weg te werken. Nog altijd draagt de overheid minder bij in de sociale zekerheid van de zelfstandigen in vergelijking met die van de werknemers. De overheid draagt gemiddeld 84.000 frank bij voor een zelfstandige tegenover 135.000 frank voor een werknemer. Dit zijn cijfers opgemaakt en erkend door de heer Daems, minister van Middenstand. Zijn de zelfstandigen dan maar tweederangsburgers voor de overheid?

Ook op het vlak van de financieringsmogelijkheden voor ondernemingen lees ik bitter weinig in de regeringsverklaring. De kern van de financiering van het klein- en middenbedrijf is dat de ondernemer met vooral eigen financiële middelen zijn zaak opstart en dus nood heeft aan aangepaste financierings- en kredietmogelijkheden. Het principe van een aantrekkelijke fiscale regeling voor autofinanciering wordt voorzien; voor concrete maatregelen moeten we echter wachten. Hier stopt jammer genoeg het positieve verhaal.

Een pijnpunt voor de kleine ondernemer is dat hij buiten de eigen middelen enkel een beroep kan doen op bankkrediet. Daarbij stellen we vast dat bankiers soms overdreven waarborgen vragen, waardoor de ondernemer erg afhankelijk wordt van zijn bank. De bankiers worden ook erg terughoudend met kredietverlening aan KMO's, omdat ze zich moeten schikken naar de normen van Basel II. We roepen de banken dan ook op om soepeler te zijn in hun kredietverschaffing aan KMO's en in het bijzonder aan beginnende ondernemers.

Het wordt hoog tijd dat de regering daadwerkelijke, essentiële maatregelen neemt voor beginnende ondernemers. Vermits risicokapitaalverschaffers alleen interesse tonen voor investeringen vanaf vijftig miljoen frank, is er een specifieke taak weggelegd voor het Participatiefonds, dat hiervoor meer financiële middelen moet krijgen. Het gaat om 250 miljoen over een periode van tien jaar, maar daarover vinden we helaas niets in de regeringsverklaring.

De regering zou ook de mogelijkheid van leningen van familieleden of vrienden aan ondernemers fiscaal kunnen stimuleren naar het voorbeeld van onze noorderburen, die daarvoor de naam Tante Agaathlening bedachten. Wij hebben al voorstellen in die zin gedaan, onder de naam Tante Julialening.

Er is heel wat meer nodig dan een vaag Rosetta-plus-plan dat het alleen heeft over het laten doorlopen van een werkloosheidsvergoeding van een beginnend ondernemer.

Ik hoop dat het voor iedereen duidelijk is geworden: hoewel de liberalen deel uitmaken van de regering, wordt allerminst een klimaat van goed ondernemerschap geschapen en dit in een economisch moeilijke periode. De zelfstandigen en ondernemers die bij de laatste verkiezingen voor de liberalen stemden, moeten nu wel erg ontgoocheld zijn.

Voor CD&V daarentegen staat de zorg voor zelfstandigen, ondernemers en de KMO's centraal. Zij verdienen veel meer steun. De regering verdient onze steun helemaal niet.

De heer Michel Barbeaux (PSC). - Ik wil mijn betoog beperken tot de hervorming van de administratie enerzijds en, binnen de materie van de sociale zekerheid, tot de problematiek van de gezondheidszorg. Maar eerst wil ik hierover twee opmerkelijke uitspraken aanhalen.

In een artikel in Le Soir van 29 augustus las ik een interview met de voorzitter van de Franstalige socialistische partij, waarin hij fors uithaalde naar de minister van Ambtenarenzaken. Hij verklaarde onder meer ontgoocheld te zijn door de belachelijke manier van doen van de SP-minister, die hij bovendien van manoeuvres tegen de Franstaligen verdacht. Heeft de heer Di Rupo dan geen minister in die federale regering, die een koninklijk besluit aannam dat weinig verschilde van het besluit dat na het arrest-Jadot door de Raad van State werd vernietigd?

Een andere opmerkelijke verklaring werd gedaan door de heer Defeyt, federaal secretaris van Ecolo. Naar zijn mening was de haastig doorgevoerde fiscale hervorming een grote vergissing omdat ze te veel middelen heeft opgeslorpt en veel rechtvaardiger had moeten zijn.

De kritiek op het Copernicusplan van de heer Di Rupo heeft de PSC enkele maanden geleden al geuit. Het gaat voornamelijk om drie punten: grotere politisering, meer invloed van de Vlamingen en destabilisering van de federale administratie.

De burgers, de bedrijfswereld en de ambtenaren zelf zijn vragende partij voor een hervorming van de federale ambtenarij, die al onder de vorige regering was ingezet. Naar de mening van de huidige regering gingen die hervormingen niet ver genoeg en er werd geopteerd voor een "tabula rasa": het koninklijk besluit betreffende de mandaten werd geschrapt.

Halfweg de legislatuur stellen wij nu vast dat de voornaamste maatregel van het Copernicusplan de werving van topmanagers is. Ze komen uit de privé-sector en moeten de klanten van de Staat beheren. Door hun werving aan de top zal de hervorming zich vanzelf in de gehele federale administratie doorzetten. Kenmerkend voor het hervormingsproces is dat bij de selectie van managers enkel de bekwaamheid speelt en dat politisering uit den boze is. Premier Verhofstadt zelf gaf het goede voorbeeld met de "afschaffing" van zijn ministerieel kabinet. De kanselarij van de eerste minister werd vervangen door de gloednieuwe federale overheidsdienst "kanselarij en algemene diensten" die geleid wordt door de eerste topmanager, de heer Luc Coene, voormalig kabinetschef van de eerste minister.

De heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken. - Dat is een zeer competent man.

De heer Michel Barbeaux (PSC). - Dat zal ik niet tegenspreken. Ik heb met hem samengewerkt toen de liberalen enkele jaren geleden deel uitmaakten van de regering. Maar in het tijdschrift Fedra, dat bestemd is voor alle federale ambtenaren, heb ik een aantal uitspraken van hem gelezen die bevestigen dat de oude ministeriële kabinetten gewoon voortbestaan in de nieuwe dienst, alleen in een andere vorm en met een nieuwe naam.

Hij verklaart immers dat zijn werk hetzelfde is gebleven, dat hij dezelfde dossiers behandelt in hetzelfde kantoor. De echte verandering is volgens mij dat de administratie voortaan rechtstreeks geleid wordt door de politiek. Dat staat haaks op het systeem van mandaten dat wij tijdens de vorige regeerperiode hadden bepleit.

De heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken. - Dat is onjuist. De topmanagers zullen geselecteerd worden op basis van hun beroepsbekwaamheid. Niemand zal betwisten dat de heer Coene, alsook de heer Grauls, over de vereiste capaciteiten beschikken. Deze laatste is mijn kabinetschef, ofschoon hij er een andere politieke voorkeur op nahoudt dan ikzelf.

Ook al zijn sommige punten van het Copernicusplan voor kritiek vatbaar, toch zullen in het nieuwe systeem de administratie en de meest bekwame ambtenaren een grotere rol kunnen spelen dan ten tijde van de oude kabinetten. Ik heb begrip voor het feit dat u opmerkingen formuleert. Men kan bijvoorbeeld verschillen van mening over de te vervullen voorwaarden om topmanager te kunnen worden en zich afvragen of het departement van Buitenlandse zaken kan worden geleid door iemand zonder enige ervaring in de diplomatie of in internationale betrekkingen. Ik moet evenwel de bewering weerleggen dat het lood om oud ijzer zou zijn. Er zullen veel minder willekeurige benoemingen in de kabinetten zijn omdat het om veel minder mensen zal gaan. In de administratie zal er een pluralistische reserve van ambtenaren zijn die topmanager kunnen worden. Het zal in elk geval onmogelijk worden voor een minister om enkel met de mensen van zijn eigen politieke kleur te werken en de andere te negeren.

Zelf heb ik van meet af aan gewerkt met medewerkers uit alle politieke formaties en er is volledige openheid tussen mijn kabinet en mijn departement, waar eveneens mensen van alle strekkingen werken. Ik ben blij dat zij loyaal met mij samenwerken. Naar mijn mening zal de hervorming van de kabinetten een mentaliteitswijziging teweegbrengen. Mensen die zich vroeger als het ware op een doodlopend spoor bevonden omdat ze niet tot de politieke strekking van de minister behoorden, zullen nu minder gauw gedemotiveerd raken. De ervaring leert mij dat een verschillende politieke opinie een loyale samenwerking niet in de weg staat. Het is dus fout te beweren dat er niets zal veranderen. Ook al is het nieuwe systeem niet meteen volmaakt, het is in elk geval een verbetering.

De heer Michel Barbeaux (PSC). - Ik erken dat u in uw administratie met mensen van alle politieke formaties samenwerkt. Ik ben het ook met u eens dat er vroeger problemen waren omdat het kabinet in de plaats trad van de administratie. Daarom werd op het einde van de vorige legislatuur een systeem van mandaten ontworpen met het oog op een grotere bestuursautonomie binnen het kader van een beheerscontract en een opdrachtbrief. De doelstellingen, de middelen en de evaluatieprocedure werden door het politiek niveau vastgelegd vanwege de democratische legitimiteit. Binnen het kader van het aldus aan de ambtenaren gegeven mandaat was het de bedoelding om hun autonomie te vergroten.

De heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken. - Dat is precies wat wij doen.

De heer Michel Barbeaux (PSC). - Dat hoop ik en ik denk dat sommige ministers dit ook wensen, maar ik ben niet zeker dat het ook zal gebeuren.

Zoals gezegd, vind ik de verklaringen van de heer Coene in Fedra in dit verband nogal verontrustend, aangezien hij bevestigt dat er nu een `politiek correcte' weg bestaat om politieke benoemingen te doen. Hijzelf staat aan het hoofd van een administratie, maar blijft in feite de rol van kabinetschef van de premier spelen, wat nog meer verwarring veroorzaakt dan voorheen.

De heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken. - Dat denk ik niet. De heer Coene heeft de leiding over de kanselarij, een heel bijzondere administratie omdat ze per definitie verbonden is met de functie van eerste minister. Voor de andere departementen gaat de vergelijking met dit specifieke voorbeeld niet op.

De topmanager zal bovendien een assessment moeten ondergaan. De minister zal uit de geslaagde kandidaten, van wie door hun selectie vaststaat dat ze over de nodige professionele bekwaamheid beschikken, de meest geschikte persoon voor de job of zelfs, in zekere mate, de meest gelijkgezinde kiezen, wat niet langer een laakbare attitude zal zijn.

Statistisch is dus ook al bijna zeker dat de minister voortaan met een pluralistisch team zal moeten werken.

Zonder het verleden te willen hekelen, moet ik toch zeggen dat de ministeriële kabinetten vroeger politiek nogal homogeen waren. Voor partijen die goed vertegenwoordigd waren in de administratie was het gemakkelijker om een kabinet samen te stellen. Ik zeg ook niet dat dit noodzakelijk slecht was. Alleen is het zeker dat er nu een groter pluralisme zal heersen.

U legde de vinger op de wonde: het zal voortaan veel moeilijker zijn voor een kabinet om zijn eigen gangetje te gaan zonder zich om het departement te bekommeren. Een typisch trekje van politieke kabinetten is dat ze de baas willen spelen over het departement. Dat is niet echt gezond.

Ook al is het systeem niet volmaakt, toch moet het een kans krijgen, want de voordelen zijn belangrijker dan de nadelen.

De heer Michel Barbeaux (PSC). - Wat wij vandaag vrezen, opnieuw na lezing van het tijdschrift Fedra, is dat de medewerkers van de geschrapte kabinetten zullen terechtkomen in de strategische cel van de administratie. Anders gezegd, wie vanwege zijn politieke kleur werd uitgekozen om in een kabinet - niet het uwe - te werken, zal deel uitmaken van de strategische cel en samenwerken met de topmanager, die een strenge selectieprocedure heeft doorstaan. De top van de administratie zelf zal dus gepolitiseerd zijn.

De heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken. - Wij zullen dat volgen, maar ik denk niet dat het scenario dat u schetst helemaal klopt.

Een ambtenaar die lid is van een ministerieel kabinet en die niet geslaagd is, zal uiteraard terugkeren naar zijn oorspronkelijke administratie. Andere kabinetsleden kunnen evenwel niet naar de administratie uitwijken.

De heer Michel Barbeaux (PSC). - Daar wou ik graag een bevestiging van krijgen.

De heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken. - Ik geef u een officieel antwoord.

In mijn kabinet zijn er enkele medewerkers die niet uit de administratie komen. Wanneer het kabinet verdwijnt, zijn er voor hen twee mogelijkheden: ofwel gaan ze naar het secretariaat van de minister, dat 14 personen omvat, ofwel vertrekken ze, maar ze kunnen uiteraard niet naar de administratie.

De heer Michel Barbeaux (PSC). - Zo stond het nochtans in Fedra.

De heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken. - Ik weet dat daarover een misverstand is gerezen, maar ik ben gemachtigd om u deze verduidelijking te brengen.

De heer Michel Barbeaux (PSC). - Daar ben ik blij om.

Mijn tweede opmerking over het Copernicusplan betreft de vrees voor een grotere invloed van de Vlamingen in de administratie.

In de nieuwe structuur zijn er tien verticale en vier horizontale openbare diensten. De eerste twee topmanagers voor de horizontale diensten zijn de heren Luc Coene en Frank Robben. Wij vernemen dat één van de twee overige managers ook een Vlaming zou zijn, dat betekent dus drie Vlamingen op vier. Er is dus een taalkundige onevenwichtigheid, ook al wordt die gecorrigeerd in de verticale diensten. Tenzij u dit bericht kan tegenspreken, lijkt dit mij een ernstige onevenwichtigheid in de verdeling van de functies met horizontale verantwoordelijkheid, van waaruit inzage kan gekregen worden in de tien verticale federale openbare diensten.

De heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken. - Ik kan dat niet tegenspreken.

Een selectieprocedure houdt geen rekening met de wens om op elk niveau een taalpariteit tot stand te brengen.

Zoals u weet, werd dit al uitvoerig besproken binnen de regering.

Er zal een pariteit zijn onder het totale aantal topmanagers. Toevallig zullen er voor de vier functies waarnaar u verwijst drie Vlamingen en één Franstalige zijn. Het had ook omgekeerd kunnen zijn. Het gaat niet om een gewilde bevoordeling van onze Vlaamse vrienden.

Als de hervorming een selectie invoert, kan men de examens toch niet vervalsen omdat twee van de vier "horizontalen" Franstalig zouden moeten zijn. Wat had u gezegd als er drie Franstaligen en één Nederlandstalige waren geselecteerd? Bovendien zal er pariteit zijn voor het geheel van de functies.

De heer Michel Barbeaux (PSC). - De taalpariteit is belangrijk voor de transversale functies. Ik herinner eraan dat deze pariteit in het verleden heeft bijgedragen tot de communautaire vrede binnen onze federale administratie.

De heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken. - Dat is juist. Met het oog op de pariteit hebben we trouwens een bijkomende functie gecreëerd. Ik begrijp wat u bedoelt. Desondanks kan ik u geen rationeel antwoord geven. We hebben een selectie georganiseerd voor de vier horizontale functies. Eén Franstalige slaagde, de drie anderen zijn Nederlandstalig. Wat kunnen we daaraan doen?

De heer Michel Barbeaux (PSC). - Het quotasysteem gebruiken.

Een ander probleem is dat voor alle managementfuncties tot het niveau N-3 een functionele kennis van de tweede taal vereist wordt. Het principe van de tweetaligheid van de diensten en de eentaligheid van de ambtenaren waarop de communautaire vrede steunde, werd dus vervangen door het principe van de functionele tweetaligheid van de managers. Een groot aantal Franstalige kandidaten dreigt hierdoor naast één van de 300 tot 400 managementfuncties te grijpen.

De heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken. - Dat is helemaal niet waar. Dat was misschien zo tot voor enkele jaren. Meer en meer Franstaligen kiezen echter het Nederlands als tweede taal, terwijl steeds meer Nederlandstaligen opteren voor het Engels.

Ik vind overigens dat als men een topfunctie wil bekleden in de federale administratie van een land als België, men beter tweetalig is. Dat is helemaal niet onrechtvaardig. De meeste ambtenaren beseffen dat overigens.

De heer Michel Barbeaux (PSC). - Ik ben het ermee eens dat de managers van een federale administratie de tweede landstaal moeten trachten te kennen. Het verheugt me dat meer en meer Franstaligen lessen Nederlands volgen. Bij SELOR zegt men echter dat er tweemaal minder Franstaligen dan Nederlandstaligen voor het taalexamen slagen. Tot op welk niveau zal deze functionele tweetaligheid echter nodig zijn? Zal men bijvoorbeeld in Luik of in Aarlen eisen dat het hoofd van een fiscale administratie Nederlands kent? Welk niveau van taalkennis zal vervolgens vereist zijn? Spijtig genoeg slaagt vandaag slechts tien procent van de Franstaligen voor het examen Nederlands van SELOR.

De heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken. - Ik geloof u. Men kan zich echter afvragen waarom dit zo is.

De heer Michel Barbeaux (PSC). - Het opgelegde tweetaligheidsexamen is bijzonder moeilijk.

De heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken. - Waarom zou het examen moeilijker zijn voor de Franstaligen dan voor de Nederlandstaligen? Wellicht zijn er andere redenen die het grote aantal mislukkingen verklaren.

Ik ben van oordeel dat het taalonderricht in de Franstalige Gemeenschap bijvoorbeeld onvoldoende performant is. Een taalbad zou betere resultaten opleveren. Ik was gedurende tien jaar leraar talen: ik weet waarover ik spreek.

De taallessen zijn te passief, ook al gebruikt men audiovisuele technieken. Zesmaal een taalbad van één maand in het hoger middelbaar zou betere resultaten opleveren. Ik heb dat zelf met mijn zonen ervaren. Er is dus nog ruimte voor verbeteringen.

De heer Michel Barbeaux (PSC). - Dit behoort inderdaad tot de bevoegdheid van de gemeenschappen. Zelf heb ik een taalbad ondergaan. Ik weet dus dat het nuttig is en dat het Parlement dit organiseert.

Op de problematiek van de gezondheidszorg zal ik in een vraag om uitleg nader ingaan.

Mevrouw Jacinta De Roeck (AGALEV). - Blijkbaar mag ik hier voor vandaag de Senaat sluiten.

Vorige week is volgens mij voor de zoveelste keer bewezen dat de Senaat inderdaad moet worden hervormd. Als de heer Verhofstadt in zijn beleidsverklaring een bedenking maakt over de Senaat - en dat had hij vooraf kunnen weten - dan werkt dat als een rode lap op een stier. Maar zelfs dan is er volgens de geplogenheden van deze waardige Senaat geen reactie mogelijk vanwege de Senatoren. De enige manier om dan je mening te tonen is de zaal te verlaten en dat wordt dan als ondemocratisch bestempeld. Over democratie gesproken...

De regering denkt eraan om Kamer en Senaat samen te voegen in één federaal Parlement. Met alle respect voor de regering: zij mag gerust denken aan; zij hoeft niet te denken voor ons. Het echte denkwerk zal toch in de Senaat moeten gebeuren, of beter gezegd, het gebeurt hier al.

Het is ons al langer duidelijk dat het zo niet verder kan. Zowel structureel als inhoudelijk moet er één en ander worden hervormd. Verscheidene sprekers hebben dit reeds aangekaart: overvolle agenda's, lege commissiezalen, te veel nutteloze evocaties. Is de reden het overschot aan commissies? Of zijn er te weinig Senatoren? Moeten we misschien ruimer redeneren en het rechtstreeks verkiezen van de burgemeesters koppelen aan de politieke decumul? Zeg nu zelf, hoe kan een burgemeester van een middelgrote stad die ook senator is, op dinsdag, woensdag en donderdag optimaal deelnemen aan het parlementaire werk?

De regering beschikt in de eerste plaats over de uitvoerende macht. De wetgevende macht ligt ook bij de Senaat. De Senaat en de Kamer moeten met twee derden van de stemmen beslissen over de toekomst van de Senaat. Voor ons is dus de taak weggelegd om dat denkwerk te verrichten. Er zal geen hervorming komen zonder akkoord van de Senaat.

De discussie spitst zich toe op de vraag: een één- of een tweekamerstelsel? Het is een publiek geheim dat de meerderheid van de Senaat tegen de afschaffing is gekant. Toch roep ik de werkgroep die over de Senaat zal nadenken op om de twee scenario's uit te spitten. Het voorstel van Verhofstadt laat de piste open om het hele parlementaire werk te evalueren en bijgevolg Kamer én Senaat te hervormen. Volgens mij is dat gegeven de moeite waard om te bekijken.

Het is spijtig dat door de rel van vorige week alle aandacht werd afgeleid van de inhoud van de beleidsverklaring. Noch de pers, noch de bevolking vragen ons naar de inhoud van de beleidsverklaring.

Niemand geeft ons de kans om te beklemtonen dat er vele goede, ook groene punten in de beleidsverklaring staan.

De rivaliteit tussen Kamer en Senaat mag niet het uitgangspunt zijn van de hervorming. Het uitgangspunt moet wel zijn het parlementaire werk in zowel Kamer als Senaat te optimaliseren en transparanter te maken voor de bevolking. Voor dit doel moet de juiste structuur worden uitgewerkt, hoe die er ook uitziet.

Hieraan wil ik nog kort toevoegen dat één van onze belangrijkste taken erin bestaat controle uit te oefenen op de regering. Ook die taak moet behouden blijven.

Als in een volgende beleidsverklaring nog over het werk van de Senaat gesproken wordt, hoop ik ook iets positief terug te vinden. Eén van de taken van de Senaat is de reflectie. Met het euthanasiedebat werd duidelijk bewezen dat de Senaat deze opdracht uitstekend heeft volbracht. Denk verder ook aan de werkgroepen Kinderrechten en Mobiliteit en aan de commissie Mensenhandel, die meer dan behoorlijk werken. Verder werd ook een hele reeks wetsontwerpen terecht geamendeerd door de Senaat. De rol van de Senaat is duidelijk nog niet uitgespeeld!

De heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken. - Ik heb hier en daar al op sommige sprekers geantwoord.

(Voorzitter: de heer Armand De Decker.)

Ik begrijp de kritiek op de fiscale hervorming niet goed. In alle verkiezingsprogramma's belooft men sinds jaren een belastinghervorming, die moet leiden tot een echte belastingvermindering. Ik begrijp het dus niet. De belastinghervorming is niet alleen een prioriteit van de regering, maar biedt ook de mogelijkheid de koopkracht te ondersteunen. Sommigen schijnen te vergeten dat het vooral de laagste inkomens zijn die van de belastingvermindering zullen profiteren. Vervolgens is het de bedoeling de werknemers beter te motiveren. We willen de economie stimuleren en tevens een voluntaristisch signaal geven. Voor de eerste keer is er niet alleen een fiscale stop, maar komt er ook een belangrijke en langverwachte belastingvermindering. Diegenen die dit een onrechtvaardige hervorming vinden, weten niet waarover het gaat. Deze hervorming vermindert de belastingen op de laagste inkomens en houdt dus rekening met eenieders draagkracht.

Deze kritiek is des te vreemder omdat men er meteen aan toevoegt dat er onvoldoende middelen zullen zijn voor de gezondheidszorg en de sociale zekerheid. Ik herinner eraan dat deze begroting de jongste twee jaar sterk gestegen is. Dat is geen kritiek. Ik vind deze verhoging verantwoord. Men moet me niet doen zeggen wat ik niet heb gezegd. De 581,5 miljard die de sociale gesprekspartners hadden gevraagd, zijn er gekomen. Ik hoor nu dat er 14 miljard meer nodig is. Een dergelijke ontsporing van de uitgaven voor gezondheidszorg en sociale zekerheid leidt niet noodzakelijk tot een betere geneeskunde en tot een betere verzorging. Ik vind niet dat men moet raken aan de kwaliteit van de zorgverstrekking, integendeel. Niettemin moeten de uitgaven beperkt worden door structurele ingrepen. De regering heeft in dit opzicht een evenwichtige oplossing gevonden.

Sommigen hebben kritiek op de hervorming van de vennootschapsbelasting. Het gaat om een nominale belastingvermindering, die gecompenseerd wordt door de afschaffing van bepaalde aftrekposten. Deze neutrale operatie heeft een dubbel effect. Allereerst is dit goed nieuws voor de buitenlandse investeerders, vermits onze belastingtarieven zich rondom het gemiddelde zullen situeren. Vervolgens zullen ook de investeringen worden aangemoedigd. Er werd vaak op gewezen dat sommige aftrekposten niet verantwoord waren. We proberen dat nu te corrigeren.

Wat de hervorming van de Senaat betreft, mijnheer de voorzitter, zal ik u niet trachten te overtuigen. Dat is overigens niet de bedoeling.

Ik ben de eerste minister erkentelijk omdat hij in zijn federale beleidsverklaring de hervorming van de federale parlementaire instellingen heeft aangesneden.

Daardoor brengt hij een hopelijk vruchtbaar debat op gang over het tweekamerstelsel en over de rol van het parlement in een federale staat. De eerste minister stelt een grondige wijziging voor van de bevoegdheden van de wetgevende federale assemblees zoals die voortvloeien uit de hervormingen van 1993 en die nu kunnen worden geëvalueerd.

Ik spreek geen waardeoordeel uit. U weet wat u te doen staat. Ik heb geen kritiek op de initiatieven die u denkt te nemen. Persoonlijk vind ik niettemin dat de jongste hervorming van de Senaat geen goede hervorming was.

De voorzitter. - We zijn het daarover eens.

De heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken. - Deze hervorming droeg de kiem in zich van de vraag naar het voortbestaan van de instelling. Als dit een nuttige hervorming was geweest voor de Senaat, was deze vraag vandaag niet gerezen.

De hervormingen die uit het debat zullen voortvloeien, kunnen natuurlijk nog alle richtingen uit gaan.

We moeten de eerste minister erkentelijk zijn dat hij het aangedurfd heeft het probleem van onze instellingen aan te kaarten.

We weten dat daarvoor een Grondwetswijziging noodzakelijk is. Dat kan pas tijdens de volgende zittingsperiode, althans voor zover de regering en de kamers op het einde van deze zittingsperiode een verklaring tot herziening van de Grondwet goedkeuren. Dat mag ons evenwel niet beletten daarover nu reeds na te denken.

De Senaat is met een reflectie over zijn toekomst begonnen. De regering zal die met aandacht volgen.

De eerste minister had het ook over de specifieke opdracht van de Senaat als ontmoetingsplaats tussen gemeenschappen en gewesten. Hij gaf de voorkeur aan de oprichting van een paritaire federale raad, samengesteld vanuit de gemeenschappen en waarin alle gewesten vertegenwoordigd zijn, het Brussels Gewest en de Duitstalige Gemeenschap inbegrepen. Er zijn verschillende formules mogelijk. De regering heeft in dit stadium nog geen enkele voorkeur uitgesproken.

De rechtstreekse verkiezing op basis van de bestaande kieskringen is volgens mij niet het sterkste punt van deze Senaat.

De regering zal ervoor waken dat elke hervorming weloverwogen en in overleg wordt uitgevoerd. Het is de bedoeling onze democratische instellingen te verbeteren en de burger meer macht te geven.

(Applaus)

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Het debat is waardevol, in elk geval voor degenen die er de hele dag hebben aan deelgenomen. Sommige senatoren nemen deel aan de debatten zoals in toneelstukken van Goldoni. Ze komen binnen, nemen het woord, treden op als Savonarola en gaan weer naar huis. Ze verwijzen naar de uiteenzetting van mevrouw A of mijnheer B die ze niet eens hebben gehoord. Een zeer merkwaardige opvatting over het debat. De beste debatteurs zijn zij die het debat niet volgen en die alleen naar de Senaat komen om te spreken om dan de Senaat weer te verlaten. Hoewel ze naar niemand hebben geluisterd, roepen ze zichzelf uit tot de beste debatteurs. Dat is waarschijnlijk een nieuwe vorm van politieke cultuur. Vroeger was het niet mogelijk tegelijk te verklaren dat het parlement geen niveau heeft en niet eens de moeite te doen naar de argumenten van de anderen te luisteren.

In verband met de kostprijs van de senatoren moet men het poujadisme toch niet te ver drijven. Elke parlementaire assemblee heeft vanzelfsprekend een basiskostprijs. Hoe minder parlementsleden, hoe groter de gemiddelde kost. Een parlement met meer leden heeft dus een lagere gemiddelde kost. De financiering van de partijen is ondanks de vermindering van het aantal senatoren, dezelfde gebleven, zodat de kostprijs per senator gestegen is. Ik vind dat men in het parlement ernstige argumenten moet gebruiken.

Ik deel de opvatting van de vice-eerste minister niet. De verklaring over de Senaat is een politiek afleidingsmanoeuvre. Ik zou nog kunnen aannemen dat de eerste minister in een laatste beleidsverklaring, enkele maanden voor de verkiezingen, een verklaring aflegt over de werking van de Senaat met het oog op de aanwijzing van de grondwetsartikelen die voor herziening vatbaar zijn. We zijn nu echter achttien maanden voor de verkiezingen. Theoretisch althans, want we zullen vroeger naar de kiezer gaan. Als er een voorbeeld is van een virtueel debat, dan is het wel dit, want de betrokken bepalingen van de Grondwet zijn niet vatbaar voor herziening. Natuurlijk kan het debat worden gevoerd, maar denken dat de niet-rechtstreeks verkozen senatoren de Senaat een groter gewicht zullen geven dan rechtstreeks verkozenen, is illusoir. De kracht van de politiek ligt precies in de legitimering van het mandaat. Dat was het basisargument dat ik vanmorgen heb ontwikkeld.

Er waren natuurlijk nog andere problemen met een veel hogere actualiteitswaarde dan de werking van de Senaat: de provincies, het Europees Parlement, de kostprijs van Le caprice des Dieux, de werkelijke invloed van het Europees Parlement op de politieke besluitvorming.

De internationale politieke toestand is een van de interessante thema's die aan bod zijn gekomen. De vice-eerste minister heeft hierover in de vooravond een verklaring afgelegd. Vanochtend heb ik gevraagd wat het standpunt van de regering is betreffende de verklaringen van een deel van de meerderheid dat een aantal militaire acties voorlopig moet worden bevroren of gestaakt. De groene fracties in de Duitse Bundestag hebben gisteren een gelijkaardige vraag gesteld. Binnen het uur heeft kanselier Schröder geantwoord dat daarvan geen sprake kan zijn. Het leek me logisch om dezelfde vraag te stellen. Ik heb op Belga weliswaar een verklaring gelezen, maar dit concreet punt is me nog niet duidelijk.

De heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken. - Ik heb al een volledig antwoord gegeven op die vraag. Het standpunt van de Belgische regering is zeer duidelijk: wij zijn en blijven solidair met de Amerikanen en de Britten.

Ten tweede blijven we er bij dat de aanvallen gericht en gelimiteerd moeten zijn. Dat waren de voorwaarden. We zijn ervan overtuigd dat de Verenigde Staten zich tot nu toe strikt aan die voorwaarden hebben gehouden. Er is dus geen enkele reden om die solidariteit te doorbreken.

Ik heb voor het overige verwezen naar een reeks principes over de toekomst van Afghanistan en naar de belangrijkere rol van de Verenigde Naties. Ik heb ten slotte ook gewezen op de evaluatie die volgende vrijdag zal gebeuren op de Europese top in Gent.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Ik zal nagaan of het antwoord van de vice-eerste minister overeenkomt met de voorheen afgelegde verklaring.

Ik heb de verklaringen van de heer Defeyt over de fiscale hervorming gelezen in La Libre Belgique van maandag en vrijdag jongstleden. Hij bevestigde dat de fiscale druk met 48,3 miljard zou stijgen. Hij baseerde zich hiervoor op nota's van de begrotingsbesprekingen.

Ten slotte zijn er nog heel wat punten waarop geen antwoord is gekomen, zoals het belang van Justitie en Binnenlandse zaken. We zullen hierop tijdens de gewonen parlementaire debatten zeker terugkomen.

De heer René Thissen (PSC). - Over de gezondheidszorg zullen we het zeker later nog hebben. Ik ben het ermee eens dat bepaalde kosten moeten dalen. Niettemin is de begroting voor volgend jaar ontoereikend, temeer daar ze geen rekening houdt met het tekort over 2001. Men heeft het vandaag al over 14 miljard. Ik ben ervan overtuigd dat we ons volgend jaar in een impasse zullen bevinden, ondanks de verhoging van de begroting waartoe werd beslist.

Wat de vennootschappen betreft, is het duidelijk dat een verlaging van de aanslagvoet van 40% tot 34% aantrekkelijk is voor buitenlandse bedrijven. In werkelijkheid betekent dit echter dat de Belgische ondernemingen, die al gebukt gaan onder een concurrentiehandicap van 10%, voor die aantrekkelijke belastingvoet zullen opdraaien vermits het aantal aftrekposten vermindert.

De heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken. - Dat is helemaal niet waar.

De heer René Thissen (PSC). - De heer Reynders verklaarde dat een volledig neutrale hervorming niet interessant is voor de ondernemingen en dat rekening moest worden gehouden met het terugverdieneffect van de hervorming. Daarover wordt nu niet meer gesproken. We zullen zien. Ik ben zeker niet optimistisch voor de bedrijven.

Wat de hervorming van de Senaat betreft, heeft de eerste minister niet het debat op gang gebracht, zoals de vice-eerste minister het noemde, maar een fusie aangekondigd. Hij heeft het debat dus gesloten. Hij heeft de indruk gewekt dat de Senaat spreekrecht zal krijgen. Hij heeft het debat niet op gang gebracht, maar een democratische instelling aangevallen. Waarom precies de Senaat? De heer Vandenberghe heeft hierop al geantwoord.

We denken na over de Senaat en weten dat zijn werking niet altijd optimaal is. Andere instellingen zouden beter hetzelfde doen. We weten dat verbeteringen mogelijk zijn. Dat betekent niet dat we ervan moeten uitgaan dat de senatoren moeten verdwijnen en dat ze omgekocht worden met een zitje in de Kamer.

De heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken. - Men kan een onverenigbaarheid instellen.

De heer René Thissen (PSC). - Zoals u wil.

Ik ben het volledig eens met de heer Vandenberghe dat de aankondiging van deze hervorming naar aanleiding van de beleidsverklaring, de aandacht moet afleiden van een tegenvallende begroting. De burgermaatschappij zal ons daaraan in de volgende maanden wel herinneren. Wellicht is die geloofwaardiger dan de oppositie.

Ik dank de vice-eerste minister niettemin omdat vanmiddag een echt debat heeft plaatsgevonden. Vanmorgen was dat niet het geval. We zullen hiermee rekening moeten houden als we onze werking onder de loep nemen. De regering zal dan kunnen bewijzen dat ze bereid is aan het debat en de reflectie deel te nemen.

De voorzitter. - Ik dank de vice-eerste minister voor zijn aanwezigheid. De uiteenzettingen van de fracties waren interessant en genuanceerd.

Onze instellingen behoren de Belgen toe. De Senaat zal, samen met de regering en de Kamer, in alle wijsheid over de Senaat beslissen.

Regeling van de werkzaamheden

De voorzitter. - De agenda van deze vergadering is afgewerkt.

De volgende vergaderingen vinden plaats donderdag 18 oktober 2001 om 10 uur en om 15 uur.

(De vergadering wordt gesloten om 20.55 uur.)

Berichten van verhindering

Afwezig met bericht van verhindering: mevrouw De Schamphelaere, wegens andere plichten, en mevrouw Taelman, om persoonlijke redenen.

-Voor kennisgeving aangenomen.