2-211 | Belgische Senaat | 2-211 |
Waarschuwing: de blauwe kleur geeft aan dat het gaat om uit het Frans vertaalde samenvattingen.
Overlijden van een oud-senator
In memoriam H.K.H. Prinses Lilian, Prinses van België
Inoverwegingneming van voorstellen
Wetsontwerp betreffende de sluiting van ondernemingen (Stuk 2-1136) (Evocatieprocedure)
Voorzitter: de heer Armand De Decker
(De vergadering wordt geopend om 15.10 uur.)
De voorzitter. - De voorzitter van de Raad van de Duitstalige Gemeenschap, de heer Alfred Evers, heeft op 12 juni 2002 aan de Senaat bezorgd een resolutie aan de federale regering en aan het federale parlement in verband met de hervorming van de politieke instellingen, die zijn Raad op 10 juni 2002 heeft aangenomen.
-Verzonden naar de commissie voor de Institutionele Aangelegenheden.
De voorzitter. - De Senaat heeft met groot leedwezen kennis gekregen van het overlijden van de heer Willem Content, eresenator, gewezen senator voor het arrondissement Brugge.
Uw voorzitter heeft het rouwbeklag van de Vergadering aan de familie van ons betreurd gewezen medelid betuigd.
De voorzitter (voor de staande vergadering). - Hare Koninklijke Hoogheid Prinses Lilian, Prinses van België, is vrijdag jongstleden gestorven in haar domein van Argenteuil, in de leeftijd van vijfentachtig jaar.
Bij vele Belgen roept zij herinneringen op aan een moeilijke periode in de geschiedenis van ons land, maar overigens is zij jammer genoeg een al te miskende persoon gebleven.
Juffrouw Lilian Baels werd in 1916, tijdens de Eerste Wereldoorlog, in Londen geboren uit een burgerlijk Oostends gezin. Zij was de dochter van Hendrik Baels, de latere minister van Landbouw, Openbare Werken en Binnenlandse Zaken en Gouverneur van West-Vlaanderen. Zij genoot een opleiding in België, in beide landstalen, en in Groot-Brittannië. Charles d'Ydewalle beschreef de rijzige jonge vrouw in deze vleiende termen: elegant en "mooi als een Griekse nacht".
In 1941, tijdens de Tweede Wereldoorlog, treedt zij in het huwelijk met koning Leopold III en wordt aldus de tweede moeder van de drie moederloze prinsjes. Doorheen de fysieke en morele beproevingen van de bezetting van België en nadien de deportatie naar Duitsland en Oostenrijk en de ballingschap in Zwitserland, heeft zij het lijden van de koninklijke familie verzacht, haar man, de Vorst, gesteund, en samen met hem de opvoeding voortgezet van prinses Joséphine-Charlotte en haar twee broers, de toekomstige koningen Boudewijn en Albert II. In 1962 verklaarde Leopold III het volgende over zijn echtgenote: "Zij heeft mij een gezin teruggegeven, zij heeft mij geholpen de kinderen groot te brengen die Koningin Astrid mij geschonken had, en heeft met toewijding en tederheid voor hen gezorgd, waardoor zij zijn kunnen worden wat zij nu zijn".
Na de troonsafstand van Leopold III in 1951 en het einde van de `Koningskwestie' begint voor haar een ander, meer teruggetrokken leven, gewijd aan haar familie en aan de aanmoediging van het geneeskundig onderzoek.
In Laken richt Prinses Lilian een sociaal secretariaat op, dat heel wat Belgen zal helpen. In 1957 moet haar zoon, prins Alexander, in de Verenigde Staten een hartoperatie ondergaan. Aldus ontstaat de belangstelling van de Prinses voor het onderzoek en de praktijk van de hartchirurgie. Ze richt de Hartstichting met haar naam op. Dankzij haar onvermoeibare toewijding kunnen meer dan drieduizend kinderen in de Verenigde Staten een openhartoperatie ondergaan. Vervolgens kunnen verscheidene Belgische chirurgen met de hulp van haar stichting in de Verenigde Staten verblijven om er te studeren en kennis te maken met de nieuwe technieken. Dankzij dat initiatief ontwikkelen de Belgische cardiologische centra zich op voorbeeldige wijze. Prinses Lilian organiseert internationale colloquia over cardiovasculaire chirurgie op haar domein van Argenteuil. Elk jaar worden de meest prominente medici uit alle hoeken van de wereld bij haar uitgenodigd en worden de meest diverse wetenschappelijke onderwerpen aangesneden. Weinigen weten dat de discrete inzet van de Prinses in 1989 werd bekroond met de titel van erelid van het Londense `Royal College of Physicians' en met de prijs van de `Medical Foundation Giovanni Lorenzini' van Houston. Deze gecultiveerde dame, die met gratie de kunst van het ontvangen wist te beoefenen, had de gave om niet alleen de wetenschappelijke elite uit de hele wereld aan te trekken, maar ook mensen uit toneel- en literaire kringen.
In Argenteuil wijdt ze zich aan haar man, die ze regelmatig vergezelt op zijn verre expedities en bekommert ze zich om de opvoeding van hun drie kinderen, Alexander, Marie-Christine en Maria-Esmeralda.
Na het overlijden van Koning Leopold III in 1983 blijft de Prinses van Retie steeds de terughoudendheid in acht nemen, die haar al jaren eigen was. Maar uit trouw aan haar beroemde man en met bewonderenswaardige volharding, blijft ze de gedachtenis van de vierde Koning der Belgen in ere houden en oefent ze geduld tot de honderdste verjaardag van zijn geboortedag om zijn postuum werk uit te laten geven. De titel ervan luidt: `Kroongetuige: over de grote gebeurtenissen tijdens mijn koningschap'.
Ze overlijdt dag op dag een jaar na het verschijnen van het boek en het vervullen van de wens van haar echtgenoot.
België bewaart van prinses Lilian het beeld van een Grote Dame. Ze was intelligent en mooi, wilskrachtig en voornaam. Haar huwelijk uit liefde en haar lot werden getekend door de tragedie van de Tweede Wereldoorlog.
Ik bied nogmaals het rouwbeklag aan van onze Hoge Vergadering aan Hunne Koninklijke Hoogheden Prins Alexander, Prinses Marie-Christine en Prinses Maria-Esmeralda, alsook aan Zijne Majesteit de Koning en de Koninklijke Familie.
De heer Guy Verhofstadt, eerste minister. - Namens de regering sluit ik mij aan bij de blijken van medeleven ter nagedachtenis van prinses Lilian, weduwe van wijlen koning Leopold III, die morgen in de Onze-Lieve-Vrouwekerk van Laken wordt bijgezet. Ik wil eer betuigen aan de manier waarop de prinses zich heeft ingezet voor de Cardiologische Stichting, die zoveel kinderen met hartproblemen heeft geholpen en die ook van groot wetenschappelijk belang was voor onze kennis van hart- en vaatziekten.
Namens de regering heb ik Koning Albert en de kinderen van prinses Lilian ons oprechte medeleven betuigd.
(De vergadering neemt een minuut stilte in acht.)
De heer Philippe Monfils (MR). - Op 10 januari 2002 heb ik de minister ondervraagd over de dramatische dood van een meisje van enkele maanden oud. Haar overlijden is misschien te wijten aan de aanzienlijke vertraging bij het vervoer van het kind en aan de gebrekkige organisatie van de hulpdiensten.
De minister had beloofd de zaak te zullen ophelderen. We zijn nu zes maanden later en we weten nog steeds niet hoe het is kunnen gebeuren.
Gisteren verscheen in de pers het bericht dat er een baby zou zijn overleden ten gevolge van de slechte organisatie van het ziekenvervoer. Om de vijftien kilometer tussen Meise en het dichtstbijzijnde ziekenhuis, de VUB, af te leggen, had de ziekenwagen een half uur nodig. Men zegt dat de bestuurder een verkeerde weg heeft genomen.
We zouden nu eindelijk wel eens willen weten of de twee drama's inderdaad het gevolg zijn van tekortkomingen dan wel of het om beweringen gaat die geen steek houden. In dat laatste geval hoop ik dat de minister degenen die verantwoordelijk zijn voor het uiten van deze beschuldigingen, terechtwijst.
Wat is de ware toedracht van de zaak van de kleine Quentin en van het overlijden van het meisje waarover ik op 10 januari heb gesproken?
Mevrouw Magda Aelvoet, minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu. - Over het geval waarover de heer Monfils me in het begin van dit jaar heb ondervraagd, heb ik alles gezegd wat ik wist. Het onderzoek is nog steeds aan de gang. Ik kan dus niets méér vertellen.
Wat het incident betreft dat zich in Meise heeft voorgedaan, heeft het door mijn diensten gevoerde onderzoek de volgende elementen aan het licht gebracht.
De nooddienst 100 heeft om 18.51 uur een dringende oproep ontvangen voor `een kind met ademhalingsmoeilijkheden'. Om 19.03 uur was de ziekenwagen van de brandweer van Londerzeel ter plaatse.
Het MUG van het AZ VUB werd om 18.53 uur opgeroepen en was elf minuten later ter plaatse.
Inmiddels heeft de bediende van de dienst 100 per telefoon meegedeeld welke maatregelen er moesten worden genomen in afwachting van de komst van de hulpdiensten.
Het onderzoek wijst uit dat de bediende de juiste beslissingen heeft genomen en de nodige raad heeft gegeven.
De gerechtelijke politie heeft de ondervraging van de betrokken personen afgesloten.
De heer Philippe Monfils (MR). - Ik denk dat een rechtzetting via de pers nodig is. Als de gegevens die de minister ons heeft meegedeeld, inderdaad kloppen, dan hebben de hulpdiensten niet gefaald. Twaalf minuten maken het verschil niet.
In een ziekenwagen kan men altijd een probleem krijgen.
Ik verzoek de minister een perscommuniqué op te stellen of de nodige personen te contacteren om deze zaak recht te zetten.
Wat het eerste geval betreft, heb ik niet de indruk dat de minister bijkomende inlichtingen hebt gegeven. Na haar voorlopig antwoord hebben we niets meer over de zaak vernomen. Er is een verschil tussen de gerechtelijke klacht en de administratieve kant van de zaak. Via het gerecht kan niet alles worden opgelost. Andere senatoren hebben een vraag om uitleg gesteld over de organisatie van de hulpdiensten en de eventuele tekortkomingen ervan in het algemeen.
Als de minister nog andere inlichtingen heeft over de eerste zaak, zouden we die graag kennen.
Het zou goed zijn de toedracht van de tweede zaak recht te zetten in de media, die in dit geval de waarheid geweld hebben aangedaan.
Mevrouw Magda Aelvoet, minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu. - In de kranten van vandaag zetten de betrokken diensten hun standpunt uiteen.
Ik heb alles gezegd wat ik over deze zaak weet.
De heer Philippe Monfils (MR). - Het zou goed zijn dat niet enkel de betrokkenen, maar ook de verantwoordelijke minister een rechtzetting laat publiceren.
Het is normaal dat zij de verantwoordelijkheid op zich neemt en zegt in welk opzicht de beweringen ongegrond zijn.
De heer Ludwig Caluwé (CD&V). - Seanergy, een consortium van elektriciteitsproducent Electrabel en het bagger- en bouwbedrijf De Nul, heeft bij de minister een aanvraag ingediend voor de inplanting van een windmolenpark in de Noordzee op de vlakte van de Raan voor de kust van Knokke-Heist. Seanergy kreeg al een positief advies van de Beheerseenheid van het Mathematisch Model van de Noordzee (BMM). Dit laatste is verwonderlijk.
Tijdens de hoorzittingen die we in het Vlaams parlement hebben georganiseerd omtrent de langetermijnvisie op het Schelde-estuarium, sprak de gerenommeerde professor Jean-Jacques Peters, riviermorfoloog, immers uitdrukkelijk zijn voorbehoud uit over windmolens op de vlakte van de Raan: "Toen ik over dat windmolenpark las, kreeg ik rillingen: dat is nu wat men niet mag doen. In een dynamisch systeem als het Schelde-estuarium mag men niet zomaar ingrijpen. Ik zeg wel niet dat niets mogelijk is (...). Windenergie is belangrijk voor de toekomst, maar dat geldt ook voor de keuze van de locatie. De vlakte van de Raan is immers een zeer delicaat systeem, dat reeds aan vele invloeden onderhevig is."
De inplanting van windmolens op de vlakte van de Raan lijkt trouwens uitdrukkelijk in strijd met de langetermijnvisie voor het Schelde-estuarium. Zo lezen we als toekomstperspectief voor 2030: "Het beheer van het mondingsgebied is op natuur gericht: open, natuurlijk en veerkrachtig. Het mondingsgebied blijft als eenheid behouden; er vindt geen versnippering van het gebied plaats door nieuwe gebruiksfuncties. De natuurwaarde en dynamiek van de vlakte van de Raan worden beschermd."
Vlaanderen en Nederland hebben in het tweede memorandum van overeenstemming omtrent deze problematiek onder andere bepaald dat Vlaanderen en Nederland, met het Streefbeleid 2030 als gezamenlijk uitgangspunt, een gemengde organisatiestructuur zullen opzetten voor ingrepen in het mondingsgebied. Omwille van de mogelijke inplanting van het windmolenpark op de vlakte van de Raan, lijkt dit op de agenda van deze gezamenlijke organisatiestructuur te moeten komen.
In de samenvatting van het MER over de inplanting van een windmolenpark op de vlakte van de Raan heb ik zeer weinig gelezen over de problematiek van kust en zee. Wel erkent men dat de exploitatie van windmolens zowel de stromingen, de golven als het sedimenttransport verstoort. Vermits hierover evenwel geen wetenschappelijke kennis bestaat, komt men tot de conclusie dat de verstoring alleen lokale gevolgen zal hebben. Professor Peters komt tot andere conclusies.
Zal de minister bij haar beslissing rekening houden met wat hieromtrent is neergeschreven in de langetermijnvisie op het Schelde-estuarium? Zal ze vooraleer te beslissen overleg plegen met Vlaanderen en Nederland?
Mevrouw Magda Aelvoet, minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu. - De Langetermijnvisie Schelde-estuarium werd uitgewerkt en goedgekeurd door Nederland en het Vlaams Gewest. Deze visie voorziet specifiek in het volgende: "het mondingsgebied blijft als eenheid behouden; er vindt geen versnippering van het gebied plaats door nieuwe gebruiksfuncties"... "de natuurwaarden en dynamiek van de Vlakte van de Raan worden beschermd". Voor Nederland is het duidelijk dat de Scheldemond in deze context niet enkel het deel gelegen in de territoriale zee van Nederland omvat, maar eveneens het deel in de Belgische territoriale wateren. Nederland meent dus dat het project Seanergy in tegenstrijd kan zijn met het akkoord tussen de twee overheden.
De bevoegdheden van het Vlaams Gewest in de territoriale zee zijn duidelijk afgelijnd: ze betreffen de waterwegen en hun aanhorigheden, de havens en hun aanhorigheden, de zeewering, de loodsdiensten en de bebakeningsdiensten van en naar de havens evenals de reddings- en sleepdiensten. De akkoorden tussen het Vlaams Gewest en Nederland voor het beheer van de Scheldemond kunnen dus enkel betrekking hebben op deze bevoegdheidsdomeinen. Voor ieder ander domein, zoals de exploitatie van de rijkdommen en de industriële activiteiten, is er een akkoord van de federale overheid vereist. Als gevolg hiervan is het niet gegrond dat Nederland zich op de akkoorden met de Vlaamse overheid zou beroepen om weerstand te bieden tegen het windmolenpark Seanergy.
Met Nederland hebben wij in het raam van de Europese richtlijn en de Espoo-conventie een overleg gehad op 30 oktober 2001, maar over de Langetermijnvisie Schelde werd niet expliciet gesproken. Een tweede overleg tussen Nederland en de federale staat België is gepland op 17 juni 2002.
Wat de contacten tussen het Vlaams Gewest en de federale staat inzake de Langetermijnvisie Schelde betreft, kan ik meedelen dat wij in de ambtelijke werkgroep `Vrijwaring van de Noordzee van nadelige milieueffecten ingevolge baggerspecie-lossingen' op de hoogte worden gehouden van de bilaterale samenwerking tussen het Vlaams Gewest en Nederland, maar alleen in verband met de baggerspecie-stortingen, diepgang van de Schelde, enzovoort.
Van de besprekingen tussen Nederland en Vlaanderen inzake andere aspecten van samenwerking in het Schelde-estuarium zijn wij formeel niet op de hoogte, laat staan dat wij hierbij betrokken zijn of hieromtrent geconsulteerd worden. Dat verwachten wij ook niet.
Er is een informeel overleg tussen mijn kabinet en het kabinet van Vlaams leefmilieuminister Vera Dua omtrent het windmolenpark op de vlakte van de Raan. Uiteraard hebben wij weet van het bestaan van de Langetermijnvisie Schelde en houden we daar in de mate van het mogelijke en in afweging met andere elementen rekening mee, maar zolang de bevoegdheidsverdeling tussen het Vlaams Gewest en de Belgische Staat is wat ze grondwettelijk is, blijft de federale Staat soeverein voor de beslissing inzake vergunningen voor windmolenparken in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België en is zij in deze materie tot geen enkele vorm van overleg met het Vlaams Gewest verplicht, net zoals het Vlaams Gewest niet verplicht is tot overleg met de federale Staat inzake haar specifieke bevoegdheden.
De heer Ludwig Caluwé (CD&V). - Ik dank de minister voor haar antwoord, dat me evenwel verontrust aangezien ze sterk de nadruk legt op het onderscheid tussen de bevoegdheden van de federale en van de Vlaamse overheid. Het komt erop neer dat de federale overheid zich niet gebonden voelt door de langetermijnvisie op het Schelde-estuarium. De beslissing tot inplanting van een windmolenpark heeft echter tot gevolg dat deze langetermijnvisie de facto niet uitvoerbaar is, dat versnippering op de vlakte van de Raan plaatsvindt en dat de belangen van het Vlaams Gewest in sterke mate worden geschaad. Het Vlaams Parlement zal zich moeten beraden over de wijze waarop op deze ontwikkelingen moet worden gereageerd.
De heer Jean Cornil (PS). - Een aantal verenigingen van verplegers en verpleegsters hebben me meegedeeld dat het departement een koninklijk besluit voorbereidt tot wijziging van de bepalingen betreffende de bijzondere beroepstitel `gegradueerde verpleger in intensieve zorg en spoedgevallenzorg'.
De betrokken beroepsverenigingen pleiten voor het behoud van die titel, die voor hen een erkenning inhoudt van de opleiding die ze hebben gevolgd. Volgens hen zou het ontwerp van koninklijk besluit de `bijzondere beroepstitels' afschaffen en ze vervangen door `een bijzondere beroepsbekwaamheid'. Deze nieuwe benaming zou van toepassing zijn op zeer uiteenlopende opleidingen, waarvan sommige niet meer dan 250 uur vergen.
Mevrouw de minister, ik begrijp dat u het probleem van het nijpend tekort aan verplegers en verpleegsters wil oplossen, maar denkt u niet dat een wijziging van de opleiding en van de titels nadelig kan zijn voor de kwaliteit van de verzorging?
Mevrouw Magda Aelvoet, minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu. - De aanvraag tot wijziging van de benaming - en niet van de kwalificatie - van sommige titels ging uit van de vakverenigingen van de betrokken sector in het kader van de onderhandelingen van maart 2000 over het akkoord voor de social profit-sector.
U herinnert zich ongetwijfeld de regeringsbeslissing om een belangrijke som in de sector te investeren. Naast financiële beloften om het beroep aantrekkelijker te maken, hebben de vakverenigingen wensen geformuleerd met betrekking tot de waardering en de mobiliteit. We hebben toen ingestemd met een wijziging van de naam, maar niet van het aantal uren en de kwaliteit.
Het koninklijk besluit, dat zich momenteel bij de Raad van State bevindt, voorziet in de vervanging van de benaming `bijzondere beroepstitel' door `bijzondere beroepsbekwaamheid'.
Sommige beroepsverenigingen beschouwen deze naamswijziging als een degradatie. We hebben dit uitvoerig toegelicht en we hebben erop gewezen dat het uitsluitend gaat om een wijziging van de benaming. De betrokken personen - vooral degenen die in de intensive-careafdeling werken - zijn bijzonder gehecht aan de oude titel.
Aanvankelijk hebben we getracht hen te overtuigen, maar de beroepsverenigingen bleven bij hun standpunt. De vakverenigingen pleiten voor de naleving van het akkoord.
Ik blijf zoeken naar een oplossing van dit probleem omdat ik niet wil dat het akkoord in het gedrang komt, maar ik wil evenmin een toestand handhaven waarmee de beroepsverenigingen niet gelukkig zijn.
De heer Jean Cornil (PS). - Het probleem is hoofdzakelijk een kwestie van communicatie en van aanpak. Ik hoop dat mijn vraag de toestand enigszins heeft opgehelderd en dat ze de bezorgdheid, die in de eerste plaats van etymologische aard is, heeft weggenomen.
De voorzitter. - De heer Didier Reynders, minister van Financiën, antwoordt namens de heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken.
De heer Patrik Vankrunkelsven (VU-ID). - De Europese Unie heeft blijkbaar plannen om het aantal Raden van ministers terug te dringen van 16 naar 10. Onder meer de Raad van ministers van ontwikkelingssamenwerking zou verdwijnen en dat betekent dat de problematiek van ontwikkelingssamenwerking waarschijnlijk zal worden behandeld door de Raad van ministers van Buitenlandse Zaken. Dit is een beetje verontrustend omdat we vaststellen dat een minister van Buitenlandse Zaken soms een heel andere visie heeft op ontwikkelingssamenwerking. Het zou dus wel eens kunnen dat ontwikkelingssamenwerking op die manier verwordt tot een soort glijmiddel voor geopolitieke, economische of strategische belangen.
We zien bijvoorbeeld dat de middelen die de Verenigde Staten spenderen aan ontwikkelingssamenwerking, niet in de eerste plaats naar armoedebestrijding gaan, maar wel naar landen waar de Verenigde Staten bepaalde strategisch belangen te verdedigen hebben. In Europa daarentegen gaan de meeste middelen vandaag wel degelijk naar de armste landen.
Daarom kreeg ik graag een antwoord op volgende vragen.
Wat denkt de minister over de plannen om het aantal Raden van ministers te reduceren?
Kan hij ermee akkoord gaan dat de Raad van ministers van Ontwikkelingssamenwerking wordt geïntegreerd in die van Buitenlandse Zaken?
Wat is het standpunt van de Belgische regering in deze?
De heer Didier Reynders, minister van Financiën. - Ik lees u het antwoord dat ik kreeg van vice-eerste minister Michel.
Het Spaanse voorzitterschap zal in Sevilla een rapport presenteren over concrete maatregelen om de werking van de Raad te verbeteren. Het rapport werd ons nog niet toegestuurd, maar we verwachten het zeer binnenkort omdat het op de Raad algemene zaken van maandag aanstaande moet worden besproken. Uit gesprekken met het Spaanse voorzitterschap hebben we echter al kunnen opmaken dat het terugdringen van het aantal Raden van ministers wel degelijk zal worden aangekaart. Hoe dit voorstel precies zal worden uitgewerkt, is nog onduidelijk.
Het standpunt van de Belgische regering is dat het verminderen van het aantal Raden van ministers geen doel op zich mag zijn. De regering is niet overtuigd van de gegrondheid van het voorstel. Hier moeten we echter doen opmerken dat het terugdringen van het aantal Raden van ministers een vraagstuk is dat tot het interne reglement van de Raad behoort. Er kan dus met een gewone meerderheid van de lidstaten van de Raad over worden beslist. Een categorieke weigering zou België dan ook de mogelijkheid kunnen ontzeggen om aan de debatten deel te nemen en dus invloed uit te oefenen op de onderhandelingen. In samenspraak met de gewesten en de gemeenschappen, die ook bij deze zaak betrokken zijn aangezien ze België op bepaalde specifieke gebieden vertegenwoordigen, werd dan ook besloten een tegenvoorstel uit te werken. Met dit tegenvoorstel, dat door de Interministeriële conferentie buitenlands beleid werd goedgekeurd, kan België tijdens de onderhandelingen een proactieve houding aannemen.
Uit de informatie waarover we beschikken blijkt dat het voorzitterschap wel degelijk overweegt ontwikkelingssamenwerking in de Raad niet langer als een afzonderlijk pakket te behandelen, maar op te nemen in een Raad van ministers met de algemene naam Raad buitenlandse betrekkingen. België is van mening dat ontwikkelingssamenwerking in de Raad apart moet worden behandeld. Bovendien moet de minister bevoegd voor Ontwikkelingssamenwerking de werkzaamheden van de Raad kunnen volgen. Dat sluit echter niet uit dat buitenlandse betrekkingen en ontwikkelingssamenwerking in eenzelfde Raad van ministers wordt behandeld, op voorwaarde dat beide pakketten duidelijk van elkaar worden gescheiden, zowel in de benaming van de Raad als in de opstelling van de agenda. Dankzij een dergelijke opsplitsing kan het specifieke karakter van ontwikkelingssamenwerking worden behouden. De lidstaten kunnen dan ook andere vertegenwoordigers naar de Raad van ministers sturen naar gelang van de agenda. Dit gebeurt trouwens al voor andere raden en bevoegdheden.
De heer Patrik Vankrunkelsven (VU-ID). - Ik dank de minister voor zijn antwoord, maar stel vast dat hij al een stukje meegaat in de plannen om het aantal Raden van ministers te verminderen. Ik wil daarvoor waarschuwen. De minister maakt ook gewag van een alternatief voorstel, maar zegt niet wat het inhoudt.
De heer Didier Reynders, minister van Financiën. - In verband met ontwikkelingssamenwerking heb ik toch een antwoord gegeven, maar voor het geheel van de hervorming moeten we nog wachten op het eindverslag van het voorzitterschap en daarna misschien op een voorstel van België.
De heer Jean-Marie Dedecker (VLD). - Teneinde inzicht te verwerven in de eigendomsstructuur van de bouwgronden in Vlaanderen richtte ik op 24 september jl. een schrijven aan de directeur-generaal van Akred. Per brief van 13 november 2001 zei het kabinet van Financiën mij eerst medewerking toe, maar met een schrijven van het kabinet Financiën van 20 maart 2002 werd mij medewerking geweigerd op basis van twee argumenten: ten eerste, aangezien de federale administratie van het kadaster losstaat van zowel de regionale als de lokale besturen zijn er blijkbaar uiteenlopende definities voor de begrippen `grond' en `bouwgrond', naargelang van de aard van het bestuur.
Ten tweede, er kan geen gunstig gevolg worden gegeven tot het opzoeken van de identiteit van eigenaars van percelen met de kadastrale aard `bouwgrond' van een bepaalde oppervlakte. Een dergelijke selectie zou een inbreuk betekenen op de persoonlijke levenssfeer van de betrokken eigenaars.
De gevraagde informatie bestaat en wordt bevestigd in de mij recent bezorgde balans van de federale overheid 1999 waarin duidelijk wordt gestipuleerd dat perceelsgegevens afkomstig van de geïnformatiseerde gegevensbank inzage geven over onder meer de eigendomsrechten, de kadastrale perceelsoppervlakten, 67 verschillende kadastrale aarden, waaronder zeer duidelijk aangegeven bouwgrond. Het door het ministerie van Financiën uitgegeven naslagwerk vermeldt tevens de waardering voor de databanken van de overheid voor een bedrag van circa 262 miljoen Belgische frank, waarvan 246 miljoen voor het departement Financiën. Voor die prijs moet al iets kunnen. Het verslag gaat over het jaar 1999. Ik ga wellicht niet ten onrechte van de veronderstelling uit dat het genoemde departement tussen 1999 en 2002 op het gebied van de informatica nog enige vooruitgang heeft geboekt.
Ik meen vanuit mijn functie als senator recht te hebben op alle informatie die niet tot het domein van de staatsgeheimen behoort. Bovendien wordt in de wet bepaald dat de gewestelijke directeur van het kadaster officieel aangestelde gedelegeerden van openbare instellingen toelating kan geven om, zonder een vergoeding te betalen, de kadastrale bescheiden te raadplegen voor doeleinden van algemeen nut.
Mijnheer de minister, ik vraag u dan ook uitdrukkelijk waarom uw departement mij elke medewerking weigert om tot een inzicht te komen in een elementair maatschappelijk gegeven, meer bepaald in de eigendomsstructuur van de bouwgronden in Vlaanderen?
De heer Didier Reynders, minister van Financiën. - Mijn brief van 13 november 2001 is een standaardbrief waarin de goede ontvangst en de refertes worden meegedeeld. Dit schrijven zegt niets over de grond van de zaak. Ik ben bereid de registratie van het kadaster en de domeinen een programma te laten ontwikkelen dat per gemeente nagaat op hoeveel artikelen uit de kadastrale legger één of meer percelen met als kadastrale aard `bouwgrond' gekadastreerd staan. Dit werd u trouwens bij brief van 20 maart 2002 meegedeeld.
Wat uw vraag in de brief van 11 oktober 2001 betreft, kan ik slechts verwijzen naar de reeds eerder meegedeelde antwoorden. Het ministerie van Financiën is niet bevoegd of heeft geen betrouwbare gegevens over de beschikbare bouwgronden.
De wetgeving stedenbouw is geregionaliseerd.
Een verkavelingvergunning geeft gewoonlijk slechts aanleiding tot het creëren van kadastrale percelen als de verkoop werkelijk heeft plaatsgevonden. Het is mij niet duidelijk van welke balans van de federale overheid van 1999 de heer Dedecker gewag maakt. Misschien kan hij mij meer inlichtingen geven.
Als hij de ligging van de door hem beoogde kadastrale percelen opgeeft, zal hem de identiteit van de betrokken eigenaar per afzonderlijke zending worden meegedeeld.
Ik meen hiermee te hebben aangetoond dat mijn departement wel degelijk bereid is alle mogelijke medewerking te verlenen, maar met in achtneming van de procedure voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.
De heer Jean-Marie Dedecker (VLD). - Ik zal de minister het boek waarin hij publiciteit maakt voor zijn diensten, waarin dus staat dat we deze inlichtingen kunnen bekomen, volgende week overhandigen. Ik zal hem ook duidelijk maken welke gegevens ik precies wens te bekomen.
De voorzitter. - De heer Didier Reynders, minister van Financiën, antwoordt namens de heer Rik Daems, minister van Telecommunicatie en Overheidsbedrijven en Participaties, belast met Middenstand.
Mevrouw Marie Nagy (ECOLO). - Op 10 januari jongstleden verklaarde minister Daems in zijn antwoord op een mondeling vraag van onze collega Alain Destexhe dat de Financietoren was verkocht voor een bedrag van 12,55 miljard frank, dus 11,155 miljard na aftrek van het registratierecht, en dat de Regie der Gebouwen zich ertoe had verbonden de toren vanaf 1 januari 2002 gedurende 25 jaar te huren voor 24 miljoen euro per jaar. De koper staat in voor de asbestverwijdering uit het gebouw.
Het begint er steeds meer op te lijken dat alle ambtenaren van de Financietoren ingevolge de asbestverwijdering zullen moeten verhuizen vóór 1 januari 2005. Gedurende de werkzaamheden, die naar schatting drie jaar in beslag zullen nemen, moet de Staat dan echter tweemaal huur betalen. Een eerste maal aan de nieuwe eigenaar van de Toren, de NV Financietoren-Breevast, ook al werd de huurprijs verminderd tot 16 miljoen euro. Een tweede maal aan de eigenaar van de vervangingskantoren. Om de logica van de sale and leaseback-formule beter te begrijpen, kreeg ik graag opheldering over de volgende punten.
Kan de minister bevestigen dat alle ambtenaren van de Financietoren gedurende de werkzaamheden elders zullen worden ondergebracht?
Zullen de ambtenaren van Financiën na het beëindigen van de renovatie opnieuw naar hun vroegere kantoren verhuizen? De verhuizing naar de vervangingskantoren vergt immers een aanzienlijke investering, in het bijzonder wegens het overbrengen van de informatica-uitrusting en de daarmee gepaard gaande veiligheidsmaatregelen. Als de ambtenaren niet opnieuw verhuizen, welke bestemming krijgt het gebouw dan dat de Staat tot 2025 zal huren?
Op de vraag van Alain Destexhe antwoordde minister Daems: "De kosten van de asbestverwijdering en de renovatiekosten zijn ten laste van de verhuurder. De huurder en de verhuurder moeten evenwel nog tot een overeenkomst komen inzake de aard en de kostprijs van de werkzaamheden. Zodra de Regie haar akkoord heeft gegeven, vallen de risico's op het vlak van de uitvoering en de overschrijding van de geraamde kosten ten laste van de verhuurder." Hebben de partijen inmiddels een akkoord bereikt? Wat zal er gebeuren als de werkzaamheden langer dan drie jaar duren?
Naar verluidt heeft een Duitse vastgoedmakelaar in december van vorig jaar een zeer aantrekkelijk aanbod gedaan. Waarom werd dit aanbod afgewezen?
Wat is het financiële voordeel van de sale and leaseback-formule, gelet op de nieuwe ontwikkelingen, in het bijzonder de verplichting van de Staat om tweemaal huur te betalen?
De heer Didier Reynders, minister van Financiën. - Mijn collega die bevoegd is voor de Regie der Gebouwen heeft mij verzocht u zijn antwoord mee te delen.
De Regie der Gebouwen, het ministerie van Financiën en de verhuurder zoeken een oplossing voor het probleem van de gedeeltelijke of volledige verhuizing van het personeel van de Financietoren gedurende de werkzaamheden. De verhuurder moet vóór het einde van deze maand op de hoogte worden gebracht van de beslissing.
De beste oplossing is dat de diensten die de toren moeten verlaten, definitief elders worden ondergebracht. Deze oplossing kan evenwel alleen worden overwogen als men er zeker van is dat andere diensten van het ministerie van Financiën of van een ander ministerie na de werkzaamheden naar de Financietoren zullen komen. De diensten van de Regie werken hiertoe momenteel in samenwerking met de diensten van Financiën een plan uit. Dit is tegelijkertijd een antwoord op uw vraag over de betaling van de dubbele huursom, althans op lange termijn.
Ik heb mijn collega die bevoegd is voor de Regie laten weten dat mijn departement voorstander is van een nieuwe en definitieve huisvesting. Dit is de beste oplossing, gezien de kosten voor de installatie van de informatica en andere kosten. Bovendien zorgt ook de asbestverwijdering voor heel wat problemen. De Ministerraad heeft beslist dat een stapsgewijze renovatie terwijl ambtenaren ter plaatse blijven enkel kan worden overwogen op voorwaarde dat de minister van Volksgezondheid en de minister van Tewerkstelling en Arbeid kunnen waarborgen dat er geen gevaar bestaat voor de veiligheid en de gezondheid.
Het contract met de eigenaar bepaalt dat de Regie ten laatste op 31 december 2002 het programma van de renovatiewerkzaamheden zal bezorgen. Dit document zal geen betrekking hebben op werkzaamheden die niet binnen de drie jaar kunnen worden uitgevoerd. Men zal trachten een akkoord te bereiken over het lastenboek en over de begroting voor juni 2004.
Als de eigenaar de termijn van drie jaar die ingaat op 1 januari 2005 overschrijdt, moet hij een boete van 5000 euro per dag vertraging betalen.
De keuze is gebaseerd op de geactualiseerde nettokost voor de Staat, die in alle scenario's minder hoog was in het aanbod van Breevast.
Andersen heeft de verkoop van de Financietoren vergeleken met twee scenario's waarin de federale Staat eigenaar blijft. Deze studie bevestigt dat de nettokost voor de Regie en voor de Staat lager is als de toren wordt verkocht. Andersen heeft in deze vergelijking rekening gehouden met de renovatiekosten voor de Regie, de onderhoudskosten voor de eigenaar, de kosten voor opfrissing na negen jaar en voor een beperkte renovatie in 2021, en de restwaarde van het gebouw na 2025.
Tot zover het antwoord van de heer Daems, dat ik heb aangevuld met het standpunt van de minister van Financiën.
Mevrouw Marie Nagy (ECOLO). - Ik dank de minister voor de toelichtingen over het personeel van het ministerie van Financiën.
We moeten trachten in dit dossier de problemen te voorkomen waarmee we in gelijkaardige dossiers hebben moeten afrekenen. Ik zal geregeld nagaan of de huidige vooruitzichten inzake de kostprijs kloppen. De asbestverwijdering kan immers een aantal problemen opleveren.
De voorzitter. - De heer Didier Reynders, minister van Financiën, antwoordt namens de heer Marc Verwilghen, minister van Justitie.
Mevrouw Clotilde Nyssens (CDH). - Gerechtsdeskundigen, zowel artsen als psychologen, klagen over de laattijdige uitbetaling, de niet uitbetaling en zelfs de terugvordering van hun ereloon.
Zeer dikwijls dienen ze hun ereloonstaten in nadat ze de prestaties hebben geleverd. De commissie voor de gerechtskosten in strafzaken zou de uit te betalen erelonen steeds strenger beoordelen. Bovendien hebben meerdere experts me eisen tot terugvordering van deze erelonen laten zien.
Voert de minister van Justitie of de commissie voor de gerechtskosten in strafzaken een nieuw beleid? Als dat het geval is, moeten de magistraten daarvan dan niet op de hoogte worden gebracht, zodat ze de gerechtsdeskundigen vooraf over de spelregels kunnen informeren?
De heer Didier Reynders, minister van Financiën. - Van de 5.500 gerechtsdeskundigen die voor het gerecht werken, is een dertigtal niet tevreden.
Het gaat om personen die de reglementering niet naleven en waarvan de kostenstaten bijgevolg aan de commissie voor de gerechtskosten in strafzaken worden voorgelegd. Evenals de dienst voor de gerechtskosten, moet deze commissie erop toezien dat de reglementering wordt toegepast.
De beschuldiging dat de gerechtsdeskundigen niet worden betaald, is volkomen onterecht. Aan de zeer kleine minderheid van deskundigen waarvan de kostenstaten aan de commissie voor de gerechtskosten in strafzaken worden voorgelegd, wordt onmiddellijk een voorschot gestort.
In verband met individuele gevallen zal de minister van Justitie u graag een persoonlijk antwoord verstrekken.
Mevrouw Clotilde Nyssens (CDH). - Ik dank de minister voor zijn antwoord. Dertig personen spreken me daarover geregeld aan.
De voorzitter. - De heer Didier Reynders, minister van Financiën, antwoordt namens de heer Rik Daems, minister van Telecommunicatie en Overheidsbedrijven en Participaties, belast met Middenstand.
De heer Johan Malcorps (AGALEV). - In de Kamer antwoordde minister Daems op 29 mei op een vraag van de heer Georges Lenssens over de erkenning van Maasmechelen als toeristische gemeente dat hij op dergelijke aanvragen niet kan ingaan. Het gaat me hier niet zozeer om Maasmechelen als wel om het principe van de erkenning in het algemeen. De minister gaf zijn partijgenoot echter de pap in de mond en suggereerde dat die een wetsvoorstel zou indienen om de criteria voor de erkenning als toeristische gemeente aan te passen, ik neem aan uit te breiden of fors te versoepelen.
Bij mijn weten is er nu al veel kritiek op het misbruik van die criteria voor zuiver commerciële doeleinden, die weinig of niets te maken hebben met toerisme, tenzij men meubelwinkeltoerisme of shoppingcentratoerisme als volwaardige vormen van toerisme wenst te erkennen.
In feite gaat het dikwijls om nauwelijks verholen pogingen om de wettelijke regeling van sluitingsuren of rustdagen ter bescherming van werknemers en zelfstandige neringdoeners in die sectoren, uit te hollen of helemaal onderuit te halen.
Kan de minister mij mededelen aan welke aanpassingen minister Daems of de regering concreet denkt?
Erkent hij de noodzaak van sluitingstijden en rustdagen? En als hij een wijziging van de criteria belangrijk vindt, waarom neemt hij dan zelf geen initiatief? Of bestaat daarover geen consensus binnen de regering?
De heer Didier Reynders, minister van Financiën. - Ik geef lezing van het antwoord van minister Daems.
De erkenning van een gemeente als toeristische gemeente bevat aspecten die onder het toepassingsgebied vallen van drie verschillende wetten: de arbeidswetgeving, waarvoor de minister van Werkgelegenheid bevoegd is en de wetten op de wekelijkse rustdag en op de verplichte avondsluiting, die beide onder de bevoegdheid vallen van de minister van Telecommunicatie en Overheidsbedrijven en Participaties.
Als de administratie vragen ontvangt over de erkenning van toeristische gemeenten houdt ze uitsluitend rekening met de wettelijke criteria. De bedoeling van de wet is ervoor te zorgen dat de aanwezige handel de echte toeristische activiteiten in een stad of dorp ondersteunt. Het klopt dat de criteria zoals ze momenteel vastliggen en die onder meer een verwijzing inhouden naar seizoensgebonden activiteiten, niet meer aan de realiteit beantwoorden.
Een wetswijziging mag uiteraard niet tot doel hebben om de concurrentie scheef te trekken tussen de grote winkelbedrijven in zogenaamde toeristische centra en de winkels in een niet toeristische gemeente. Afwijkingen in het kader van toeristische gemeenten dienen een uitzondering te blijven en mogen niet voor zuiver commerciële doeleinden worden misbruikt.
Over concrete aanpassingen is nog niets beslist. Ik sta open voor voorstellen, maar steeds met respect van de basisprincipes van de wet. Terzake is binnen de administratie trouwens een werkgroep opgericht die met de bevoegde diensten van de gemeenschappen en gewesten overleg pleegt over een aanpassing van de criteria. Ik wacht de resultaten af.
Inzake het behoud van de rustdagen kan ik alleen maar vaststellen dat uit een enquête van de interprofessionele organisaties over de sluitingsuren en de rustdagen is gebleken dat de betrokkenen zelf voorstander zijn om die te behouden. Minister Daems neemt derhalve zelf geen initiatief.
De heer Michel Barbeaux (CDH). - Het Lambermont-bis-akkoord en het akkoord van Sint-Bonifatius, die werden opgenomen in de bijzondere wetten van 13 juli 2001 tot wijziging van de bijzondere wetten van 8 augustus 1980 en 16 januari 1989, maken het mogelijk om de schulden van de scholen die werden gedekt door het oude Nationale Waarborgfonds voor de schoolgebouwen, te herschikken.
In het verleden werden leningen met Staatswaarborg verstrekt aan een aantal gesubsidieerde vrije en officiële scholen. Via het oude Fonds stond de Staat garant voor de betaling van de verschuldigde bedragen: het schuldsaldo, de intresten of de schadevergoedingen.
Artikel 73, §3 van de bijzondere wet van 16 januari 1989 bepaalt: "De verbintenissen welke ter uitvoering van het bepaalde in artikel 22, §1, §1bis, en §2, van dezelfde wet van 29 mei 1959, vóór de inwerkingtreding van deze wet lastens de Staat zijn aangegaan, blijven voor de geheelheid te zijnen laste."
Vandaag blijkt dat de groeiende afbetalingslast de financiële leefbaarheid van tientallen scholen bedreigt, zowel in het noorden als in het zuiden van het land. De Staat dreigt daarvoor als borg te moeten opdraaien. Het akkoord van Sint-Bonifatius moet dit probleem regelen, zowel ten voordele van de scholen als van de Staat, dankzij de mogelijkheid van een schuldherschikking.
De vraag is gerezen of de bijzondere financieringswet een dergelijke herschikking mogelijk maakt. Houdt dit niet impliciet een herfinanciering van de gemeenschappen in?
Ik was betrokken bij de voorbereiding van de bijzondere wet van 16 januari 1989. Volgens mij zijn die lasten van het verleden wel degelijk een federale bevoegdheid. De Staat moet bijgevolg door een goed beheer proberen te voorkomen dat hij moet betalen als borg. De lasten verbonden aan de schuldherschikking houden dan ook geen herfinanciering van de gemeenschappen in.
Het vermelde artikel 73, §3 is trouwens een uitzondering op het algemene principe inzake de overheveling van rechten en verplichtingen naar de gemeenschappen en gewesten, zoals bepaald in artikel 61, §1 van dezelfde financieringswet volgens hetwelk: "de gemeenschappen en gewesten de rechten en verplichtingen van de Staat die betrekking hebben op de bevoegdheden die hen worden toegekend, overnemen, met inbegrip van de rechten en verplichtingen die voortkomen uit hangende en toekomstige gerechtelijke procedures."
A contrario zijn de verplichtingen die voortvloeien uit hangende en toekomstige procedures over verplichtingen die federaal zijn gebleven, wel degelijk federaal, zelfs als die verplichtingen nieuwe lasten opleggen. Er moet trouwens een onderscheid worden gemaakt tussen verplichtingen en lasten.
De lasten van het verleden die voortvloeien uit verplichtingen die federaal zijn gebleven na de overheveling van bevoegdheden waren trouwens niet gekend toen de bijzondere wet van 16 januari 1989 werd goedgekeurd. In de daaropvolgende jaren werd daarover veel gediscussieerd en onderhandeld.
Deelt de minister mijn mening? Vindt hij het eveneens een bewijs van goed beheer dat de leningen worden herschikt in plaats van een beroep te moeten doen op de Staatswaarborg? Binnen welke termijn zal hij het akkoord uitvoeren, eventueel door het akkoord te vragen van de minister van Begroting, als de Inspectie van Financiën bezwaar maakt tegen zijn ontwerp van besluit?
De heer Didier Reynders, minister van Financiën. - De inspectie van Financiën treedt dermate onafhankelijk op dat de adviezen over een zo belangrijke zaak kunnen verschillen.
Over de bevoegdheidsverdeling terzake tussen de Staat en de gemeenschappen bestaan er twee opvattingen die beide hun oorsprong vinden in artikel 73, §3 van de bijzondere wet van 16 januari 1989. Volgens een eerste opvatting houdt een schuldherschikking nieuwe verplichtingen voor de federale Staat in, terwijl de federale bevoegdheid beperkt is tot de verplichtingen van vóór 1 januari 1989. Volgens die opvatting betekent dit een nieuwe last voor de federale Staat. Op basis van die benadering heeft de Inspectie van Financiën een negatief advies uitgebracht over de betreffende schuldherschikking.
Volgens een tweede - volgens mij correcte - opvatting blijft de Staat door die schuldherschikking binnen de grenzen van een goed beheer voor de verplichtingen van vóór 1989. Het gaat niet om nieuwe engagementen. Indien de schulden niet worden herschikt, zullen de scholen immers meer en meer een beroep doen op de Staatswaarborg. Dat zal de federale begroting uiteindelijk meer kosten dan een schuldherschikking. Een herschikking is dus een daad van goed beheer.
Daarom heb ik een brief geschreven aan mijn collega van Begroting waarin ik me verzet tegen de opvatting van de Inspectie van Financiën en hem zijn akkoord vraag voor de schuldherschikking. Zodra de minister van Begroting daarop - ik vermoed positief - zal hebben geantwoord, kan het ontwerp van koninklijk besluit aan de Ministerraad worden voorgelegd. Ik hoop dat dit nog vóór het zomerreces kan gebeuren. Ik ben dus duidelijk voorstander van een schuldherschikking die voordelig is voor de federale openbare financiën.
De heer Michel Barbeaux (CDH). - Ik ben blij met dit antwoord. De Inspectie van Financiën verwart de begrippen verbintenis en verplichting. Artikel 73, §3 spreekt over verplichtingen en niet over verbintenissen. Die verplichtingen kunnen nieuwe verbintenissen inzake de uitvoering met zich brengen. De minister heeft duidelijk onderstreept dat een schuldherschikking de Staat minder zal kosten dan het optreden als borg. Ik hoop dat de minister van Begroting die mening deelt. Wij wachten met ongeduld op de goedkeuring van het koninklijk besluit.
-Het incident is gesloten.
De voorzitter. - De lijst van de in overweging te nemen voorstellen werd rondgedeeld.
Leden die opmerkingen mochten hebben, kunnen die vóór het einde van de vergadering mededelen.
Tenzij er afwijkende suggesties zijn, neem ik aan dat die voorstellen in overweging zijn genomen en verzonden naar de commissies die door het Bureau zijn aangewezen. (Instemming)
(De lijst van de in overweging genomen voorstellen wordt in de bijlage opgenomen.)
De heer Jan Steverlynck (CD&V), rapporteur. - Het wetsontwerp, dat op 8 mei 2002 werd geëvoceerd, is op 5 juni 2002 in de commissie voor de Sociale Aangelegenheden besproken.
In een inleidende uiteenzetting wees de vice-eerste minister en minister van Werkgelegenheid erop dat het wetsontwerp het resultaat is van meer dan tien jaar samenwerking tussen de sociale partners in de Nationale Arbeidsraad, de ambtenaren van het Fonds voor de sluiting van bedrijven en van het Bestuur van de Arbeidsreglementering van het ministerie van Arbeid en Tewerkstelling. Het resultaat is een coördinatie van verschillende wetgevende teksten die de problematiek van de sluiting van bedrijven regelen, tot één wet met een coherente voorstelling van de reglementering ter zake die eveneens de jurisprudentie van de hoven en rechtbanken in overweging neemt.
De vice-eerste minister wenste niet alle elementen te herhalen van de inleidende uiteenzetting die zij hield in de Kamer, en beperkte zich tot enkele overwegingen bij opmerkingen die werden gemaakt in de loop van de besprekingen.
Zo heeft ze aangegeven waarom het wetsontwerp de opdracht van het Fonds uitbreidt tot de werknemers van de non-profitsector en van de zelfstandige beroepen. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan een richtlijn van de Ministerraad van de Europese Unie betreffende de bescherming van de gesalarieerde werknemers in het geval van onvermogen van de werkgever (nr. 80/987/EEG). Maar volgens de minister was het ook om voor de hand liggende redenen van billijkheid niet meer mogelijk werknemers van die wetgeving uit te sluiten. Hierdoor kunnen de werknemers van de non-profitinstellingen en van de vrije beroepen in geval van onvermogendheid van hun werkgever een beroep doen op de waarborg van het Fonds in verband met lonen, opzegvergoedingen en aanvullende vergoedingen bij het brugpensioen. De startbijdrage voor de non-profitsector zal waarschijnlijk worden vastgelegd op 0,04% van de loonmassa en kan daarna worden aangepast naargelang de stijging of de daling van de middelen van het Fonds.
Verder beklemtoonde de vice-eerste minister dat de besprekingen in de Kamer hebben geleid tot de goedkeuring van twee belangrijke nieuwe amendementen.
Het eerste slaat op artikel 10 van het ontwerp, dat zegt dat de Koning bij een in Ministerraad overlegd besluit de drempel van 20 werknemers, bepaald in paragraaf 1 van hetzelfde artikel, kan wijzigen na advies van het bevoegde paritaire comité, indien het gaat om een specifieke sector, of van de Nationale Arbeidsraad, indien het over alle werknemers gaat. Op dit ogenblik hebben de werknemers die werken in een onderneming met maximum twintig werknemers, reeds recht op een tussenkomst van het Fonds wanneer het verplichtingen van de falende werkgever betreft, maar ze ontvangen niet de bijzondere sluitingsvergoeding, die verder gaat dan de draagkracht van voornoemde Europese richtlijn.
Door het tweede amendement wordt in artikel 11 hetzelfde mechanisme eveneens opgenomen voor de bedrijven zonder industriële of commerciële doeleinden. Daardoor kan de Koning, wanneer het Fonds voldoende middelen heeft, beslissen dat de toepassing van deze wet wordt uitgebreid tot al haar bepalingen bovenop de subrogatie van de verplichtingen van de falende werkgever.
Er zal een gescheiden boekhouding worden gevoerd voor de profit- en de non-profitsector. Dit onderscheid zal uiteraard het bepalen van gedifferentieerde bijdragen mogelijk maken na raadpleging van de representatieve organisaties van deze sectoren.
In de algemene bespreking heeft de heer Steverlynck kritiek geuit op de uitbreiding van dit ontwerp tot werknemers van de vrije beroepen. Niet alleen kan de overheid de beoefenaars van de vrije beroepen omwille van hun eigen specifieke kenmerken niet zomaar gelijkstellen met de non-profitorganisaties, maar ook werden de specifieke interprofessionele organisaties van vrije beroepen niet geconsulteerd.
Verder vroeg hij zich af of er wel gevallen bestaan - en, zo ja, hoeveel er zijn - waarbij een beoefenaar van een vrij beroep zich onttrekt aan de plicht om de contractueel bedongen vergoedingen uit te betalen in geval van stopzetting van de activiteiten. Concrete cijfers hieromtrent zijn evenwel niet beschikbaar. Voor het notariaatspersoneel bestaat bijvoorbeeld een specifiek fonds voor het geval een stopzetting van de activiteit zich zou voordoen. Notarissen zullen bijgevolg wel bijdragen betalen voor het sluitingsfonds, maar het personeel zal hiervan nooit gebruik kunnen maken.
Verder vroeg hij welke extra bijdrage de overheid van de beoefenaars van een vrij beroep zal vragen? Zal dit dezelfde zijn als de bijdrage die wordt gevraagd aan de non-profitorganisaties? In welke groep zullen de vrije beroepen worden ingedeeld voor de boekhouding van het Fonds?
In haar antwoord erkende vice-eerste minister Onkelinx de eigenheid van de vrije beroepen, maar ze wees erop dat de werknemers die door de beoefenaars van een vrij beroep worden tewerkgesteld, dezelfde rechten moeten kunnen genieten als de andere werknemers.
De vice-eerste minister bevestigde dat in de boekhouding van het fonds een onderscheid zal worden gemaakt tussen de non-profitorganisaties en de vrije beroepen. De Inspectie van Financiën heeft, louter indicatief, in een eerste raming een bijdrage van 0,04% voor de vrije beroepen vooropgesteld. Mogelijk kan deze bijdrage later worden verlaagd, mocht blijken dat er zich binnen de vrije beroepen geen problemen voordoen bij de stopzetting van de activiteit.
Vervolgens bevestigde de vice-eerste minister dat de representatieve organisaties van de vrije beroepen niet formeel bij de voorbereiding van het ontwerp werden geraadpleegd, maar dat dit wel zal gebeuren wanneer de exacte bijdragen worden vastgesteld.
Verder stelde de heer D'Hooghe nog een vraag over de spreiding van de uitbetaling van de sluitingspremies en de implicaties daarvan op het recht op werkloosheidsuitkeringen.
Mevrouw Pehlivan merkte ten slotte op dat het wetsontwerp de discriminatie tussen arbeiders en bedienden op het vlak van ontslagpremies in stand houdt.
Er werd één amendement ingediend door de heer Steverlynck, die voorstelde de vrije beroepen uit het toepassingsgebied van de wet te halen. Dit amendement werd verworpen met 6 stemmen tegen 2. Ten slotte heeft de commissie met 6 stemmen bij 2 onthoudingen het wetsontwerp in zijn geheel goedgekeurd. Het vertrouwen werd geschonken aan de rapporteur voor het uitbrengen van een verslag.
Ik zal nu het standpunt van de CD&V-fractie toelichten. Het vrije beroep wordt steeds belangrijker in onze samenleving. De groep van beoefenaars van vrije beroepen is aanzienlijk toegenomen en groeit nog altijd. We constateren een toename van het economische belang van het vrije beroep en van de werkgelegenheid in deze sector. Er zijn op het ogenblik meer dan 150.000 beoefenaars van vrije beroepen, die samen ongeveer 158.000 medewerkers tewerkstellen.
De sterke ontwikkeling van de economische rol van de vrije beroepen hangt samen met veranderende omgevingsfactoren, zoals de groeiende economische activiteit, de groei van de dienstverlenende sector, de technologische ontwikkelingen en de internationalisering van de markt, en met de ontwikkelingen binnen het vrije beroep zelf. De beoefenaars van vrije beroepen beschouwen zichzelf meer en meer als economische actoren. Ook in de Europese en Belgische mededingingsreglementeringen worden vrije beroepen als ondernemingen beschouwd en hun beroepsverenigingen als ondernemingsverenigingen. Ik verwijs naar de recente cassatiearresten hierover.
In de toekomst zal het dan ook noodzakelijk worden de specifieke eigen kenmerken van het vrije beroep te verzoenen met de algemene ondernemingsregels. De klassieke troeven van de vrije beroepen, onder meer een hoge maatschappelijke toegevoegde waarde, intellectuele onafhankelijkheid, morele autonomie, persoonlijke verantwoordelijkheid, kwaliteit en het vertrouwen van cliënt of patiënt, zullen moeten worden verzoend met de veranderende omstandigheden in het zakenleven en de behoeften van de moderne consument. Er moet een nieuw evenwicht komen tussen de moderne eisen van het zakendoen en de beroepsuitoefening, aan de ene kant, en de typische specifieke rol en waarden van het vrije beroep, aan de andere kant. Dat zijn belangrijke uitdagingen voor de beoefenaars van de vrije beroepen.
De CD&V-fractie hekelt de inconsequente houding van de federale en de regionale regeringen tegenover de beoefenaars van vrije beroepen. We stellen vast dat de regering de beoefenaars van de vrije beroepen in specifieke gevallen op dezelfde leest schoeit als de andere werkgevers. Dat is ook het geval in dit wetsontwerp over de sluiting van ondernemingen. Andere wetgevingen daarentegen bepalen dat diezelfde beoefenaars van vrije beroepen geen beroep kunnen doen op de fiscale, sociale en economische stimuli die gelden voor de ondernemingen. Ik denk bijvoorbeeld aan de regionale expansiesteun en het Vlaams systeem van opleidingscheques.
De beoefenaars van de vrije beroepen zijn economische actoren en moeten dus ook als dusdanig erkend worden. Ze vormen een volwaardige sociaal-economische sector.
Voorts stelt de CD&V-fractie vast dat de uitbreiding van de bevoegdheid van het Fonds voor Sluiting van Ondernemingen naar de beoefenaars van vrije beroepen gebeurd is zonder overleg met de representatieve organisaties van vrije beroepen. De vice-eerste minister erkende dat en bevestigde dat de representatieve organisaties van vrije beroepen wel betrokken zullen worden bij de vaststelling van de bijdrage aan het Fonds. Twee representatieve interprofessionele organisaties van het vrije beroep, namelijk FVIB en UNPLIB, zijn erkend in de Hoge Raad voor de Zelfstandigen en de KMO en zijn bijgevolg goed geplaatst om deze rol te vervullen. Ik hoop dan ook dat deze organisaties in de toekomst formeel zullen worden geraadpleegd. De groep van beoefenaars van vrije beroepen wenst terecht een volwaardige erkenning als sociaal-economische belangengroep. Het is niet meer dan normaal dat ook met deze belangrijke groep overleg wordt gepleegd.
Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Werkgelegenheid. - De problematiek van de opname van de vrije beroepen in het Fonds voor de sluiting van ondernemingen werd besproken in de commissie. Omdat de heer Steverlynck daarop terugkomt, wil ik de vijf argumenten herhalen die ons ertoe hebben gebracht de zelfstandigen in het fonds op te nemen.
Eerst en vooral gaat het om de uitvoering van de Europese richtlijn 80/987 die ons verbiedt een onderscheid te maken tussen werknemers uit de privé-sector. Indien we niet alle werknemers in aanmerking nemen, riskeren we een klacht bij het Hof van Justitie.
Daarnaast moet de sociale billijkheid worden geëerbiedigd. Er is geen enkele reden om de bedienden van advocaten, notarissen of andere zelfstandigen niet op dezelfde manier te behandelen. Ook die werkgevers kunnen onvermogend worden. Dat geldt des te meer nu voor bepaalde vrije beroepen een internationalisering aan de gang is en bijvoorbeeld grote internationale advocatenbureaus met de noorderzon kunnen verdwijnen.
De wet heeft niet enkel betrekking op het faillissement, maar op de insolvabiliteit in het algemeen.
Wie een vrij beroep uitoefent, is een werkgever zoals de andere en heeft dus rechten en plichten tegenover de werknemers. Er bestaat een belangwekkende evolutie. Ik wijs bijvoorbeeld op de oprichting van paritaire commissies zoals die van de notarissen. Die sectoren gaan zich dus organiseren zoals de andere sectoren van de arbeidsmarkt.
Wij hebben rekening gehouden met de kwetsbaarheid van de zelfstandigen. Voor de vrije beroepen en de non-profitsector in het algemeen komt er een afzonderlijke boekhouding binnen het fonds. Een drama zoals dat van Sabena zal dus geen enkele financiële invloed hebben op de bijdragen van de sector van de zelfstandigen of van de non-profitsector aan het Fonds voor de sluiting van ondernemingen. De bijdragen van de vrije beroepen en die van bedrijven uit de non-profitsector kunnen verschillen teneinde rekening te houden met de reële risico's. Voor de berekening van de bijdragen kunnen de representatieve organisaties van de verschillende bedrijfstakken worden geraadpleegd.
Dat is mijn antwoord op een bezorgdheid die ik begrijp. Ik hoop dat het ontwerp straks zal worden goedgekeurd. Ik dank al degenen die er hebben aan meegewerkt. Aan dit wetsontwerp wordt reeds jaren gewerkt. Het is innoverend voor de vrije beroepen en de non-profitsector. De praktijk van het Fonds voor de sluiting van ondernemingen wordt in de wetgeving opgenomen. Daarop werd al lang gewacht. Er moeten nu een hele reeks uitvoeringsbesluiten worden genomen. De modernisering van het fonds loont de moeite, want een faillissement kan de werknemers in een ondraaglijke economische situatie brengen.
De heer René Thissen (CDH). - Onze fractie zal het ontwerp goedkeuren en volgt de argumentatie van de minister.
De minister sprak over een evolutie. Zij beschouwt de vrije beroepen als een economische sector. Dan is ook een andere benadering nodig inzake hulp aan ondernemingen.
Dat behoort niet tot haar bevoegdheid, maar het gaat om een bepaald beleid. Ik hoop dat in de toekomst alle partijen op dezelfde wijze de noodzaak zullen inzien om de vrije beroepen aan te moedigen zich te ontwikkelen en aldus werkgelegenheid te scheppen, dankzij incentives zoals er worden gegeven aan de industriële en commerciële ondernemingen.
Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Werkgelegenheid. - Ik bevestig dat dit op die manier werd opgevat in dit ontwerp. Het is niet de eerste keer dat dit gebeurt inzake werkgelegenheidsbeleid. Er bestaan bijzondere steunvormen voor zelfstandigen, met name voor hen die personeel in dienst nemen. Het plan `plus één, plus twee, plus drie' ondersteunt de werkgelegenheid bij de vrije beroepen. Het betreft inderdaad geen federale bevoegdheid, maar ik denk dat wij uitgaan van dezelfde filosofie.
-De algemene bespreking is gesloten.
(De tekst aangenomen door de commissie voor de Sociale Aangelegenheden is dezelfde als de tekst van het door de Kamer van volksvertegenwoordigers overgezonden ontwerp. Zie stuk Kamer 50-1687/8.)
De voorzitter. - Artikel 2 luidt:
Voor de toepassing van deze wet verstaat men onder:
1º werknemers: personen die, krachtens een overeenkomst, tegen loon arbeid verrichten onder het gezag van een andere persoon;
2º werkgevers: de personen die de onder 1º genoemde werknemers tewerkstellen;
3º onderneming: a) de technische bedrijfseenheid bedoeld in artikel 14, §1, van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven; elke afdeling van de onderneming wordt hiermee gelijkgesteld;
b) de onderneming zonder handels- of industriële finaliteit; elke afdeling van de onderneming wordt hiermee gelijkgesteld.
De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, wat voor de toepassing van deze wet onder onderneming zonder handels- of industriële finaliteit moet worden verstaan.
De beoefenaars van vrije beroepen worden voor de toepassing van deze wet met ondernemingen zonder handels- of industriële finaliteit gelijkgesteld.
Voor de toepassing van deze wet moet onder beoefenaars van vrije beroepen worden verstaan: elke zelfstandige beroepsactiviteit van levering van diensten of goederen die geen handelsdaad of ambachtelijke activiteit uitmaakt in de zin van de wet van 18 maart 1965 op het ambachtsregister en die niet beoogd wordt door de wet van 14 juli 1991 betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en bescherming van de consument, met uitsluiting van activiteiten van landbouw en veeteelt;
4º verbrekingsvergoeding: de vergoeding bedoeld bij de artikelen 39 en 40 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten;
5º Fonds: het Fonds tot vergoeding van de in geval van sluiting van ondernemingen ontslagen werknemers, ingesteld door artikel 27.
Op dit artikel heeft de heer Steverlynck amendement 1 ingediend (zie stuk 2-1136/2) dat luidt:
Dit artikel wijzigen als volgt:
In de ontworpen tekst van 3º, b), de woorden "de beoefenaars van vrije beroepen worden voor de toepassing van deze wet met ondernemingen zonder handels- of industriële finaliteit gelijkgesteld; voor de toepassing van deze wet moet onder beoefenaars van vrije beroepen worden verstaan: elke zelfstandige beroepsactiviteit van levering van diensten of goederen die geen handelsdaad of ambachtelijke activiteit uitmaakt in de zin van de wet van 18 maart 1965 op het ambachtsregister en die niet worden bevoegd door de wet van 14 juli 1991 betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en bescherming van de consument, met uitsluiting van activiteiten van landbouw en veeteelt." vervangen door de woorden "de beoefenaars van vrije beroepen vallen niet onder de toepassing van deze wet".
De heer Jan Steverlynck (CD&V). - We hebben een amendement ingediend opdat de groep van de vrije beroepen niet zou worden opgenomen in deze wet. Ten eerste hebben we geen duidelijk antwoord gekregen omtrent het aantal gevallen waarin een beroep zal kunnen worden gedaan op het Fonds. De minister heeft daarnet wel gezegd dat er een onderscheid zal zijn in de bijdragen en dat er een internationalisering aan de gang is van een aantal dienstverlenende sectoren. Het is echter duidelijk dat de groepen van vrije beroepen die slechts één of enkele medewerkers tewerkstellen, mee zullen betalen. Bovendien hebben sommige groepen, onder meer de notarissen, een specifiek fonds.
Ten tweede is er de vaststelling dat diezelfde categorie van vrije beroepen, die als een economische sector wordt beschouwd, althans op het Vlaamse niveau, niet kan genieten van sociale, fiscale en economische maatregelen. Aangezien ze momenteel als werkgever niet op dezelfde manier worden behandeld, wensen we deze groep uit het ontwerp te halen.
Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Werkgelegenheid. - Ik herhaal dat dit ontwerp zich richt tot alle werknemers, ongeacht of ze in kleine of grote bedrijven werken, in de non-profitsector of bij beoefenaars van vrije beroepen. We willen ze beschermen tegen faillissement en onvermogen. We zijn niet blind voor de verschillen tussen de werkgevers. De bijdrage aan het Fonds voor de sluiting van ondernemingen zal worden vastgesteld naar gelang van het risico.
Gelukkig zijn er minder gevallen van onvermogen in de non-profitsector en bij de vrije beroepen dan elders. Daarom hebben wij het onderscheid gemaakt en zullen we met de representatieve organisaties onderhandelen over een bijdrage volgens het risico. We moeten rekening houden met de belangen van de werkgevers, maar ook met die van alle werknemers.
De bediende van een notaris, een arts of een advocaat die ermee ophoudt of onvermogend wordt, heeft ook recht op steun. Die steun wordt voortaan geregeld via dit wetsontwerp.
De heer Jan Steverlynck (CD&V). - Maar toch zijn er groepen, onder meer de notarissen, die ervoor gezorgd hebben dat, wanneer ze in zo'n situatie terechtkomen, eerst het eigen fonds wordt aangesproken. Daardoor is het risico onbestaande dat ze ooit een beroep moeten doen op het Fonds voor de sluiting van ondernemingen. Toch moet er een bijdrage worden betaald, wat voor die groep een loonkostverhoging is.
-De stemming over het amendement wordt aangehouden.
-De aangehouden stemming en de stemming over het wetsontwerp in zijn geheel hebben later plaats.
De heer Olivier de Clippele (MR). - De heren Moens en Istasse hebben zopas een amendement ingediend. Ik vraag dat dit amendement in de commissie wordt besproken.
De heer René Thissen (CDH). - Ik denk dat het reglement inderdaad de mogelijkheid biedt tot terugzending naar de commissie als een lid dat wenst. Ik hoop dat de bespreking van dit wetsvoorstel binnenkort kan worden afgerond. Het is nu al een maand dat de meerderheid er niet in slaagt een akkoord te bereiken over dit uitstekend voorstel van de heer de Clippele!
-Tot terugzending wordt besloten.
Mevrouw Mia De Schamphelaere (CD&V). - Overgewicht is een wereldwijd probleem. Over de gehele wereld zijn ruim 500 miljoen mensen te zwaar, zowel in ontwikkelde landen als in ontwikkelingslanden. Volgens een recente studie zou in ons land de helft van de mensen te zwaar zijn. Een te hoog gewicht geeft een verhoogde kans op bijvoorbeeld hart- en vaatziekten, hoge bloeddruk, diabetes en bepaalde vormen van kanker.
Vele vrouwen met een normaal gewicht vinden zichzelf echter ook te dik. Ze willen graag voldoen aan het slankheidsideaal dat hen in tijdschriften en op televisie wordt voorgehouden, maar dat voor velen onder hen niet haalbaar is. Vermageren is belangrijk, maar dan op een gezonde manier. Alleszins moet worden vermeden middelen te gebruiken die de gezondheid in gevaar kunnen brengen.
In tal van magazines en kranten verschijnt veel reclame voor pillen en poeders die zogezegd `dé oplossing' bieden om snel en effectief af te vallen op een natuurlijke en gezonde manier. Deze producten zijn meestal vrij verkrijgbaar bij de apotheker en worden door het publiek dan ook als degelijk beschouwd. Toch is bekend dat de meeste producten die in het verleden werkzaam waren, op korte of op langere termijn ernstige en nadelige effecten hebben veroorzaakt.
Welke reglementering geldt er voor deze producten? Kunnen ze vrij worden aangeboden of zijn er reglementaire bepalingen? Welke producten vallen onder de geneesmiddelenwet en welke onder het koninklijk besluit over dieetvoedingsmiddelen voor medisch gebruik? Welke criteria worden hiertoe gehanteerd? Bestaat er een garantie voor de kwaliteit van het aangeboden product? Wordt de schadelijkheid ervan getest? Welke rol speelt het Federaal Agentschap voor Voedselveiligheid hierin? Worden de advertenties voor vermageringspillen getoetst op misleiding en foutieve informatie? Door welke instantie?
Mevrouw Magda Aelvoet, minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu. - De betreffende producten kunnen ofwel bij de geneesmiddelen ofwel bij de voedingsmiddelen worden ondergebracht.
De producten vallen onder de toepassing van de geneesmiddelenwetgeving wanneer ze voldoen aan de definitie van geneesmiddel zoals bepaald in artikel 1 van de wet van 25 maart 1964 op de geneesmiddelen. De ministeriële circulaire van 28 juli 1987 verduidelijkt bepaalde categorieën van producten die ongetwijfeld door dit artikel 1 zijn beoogd. Hiertoe behoren de stoffen en bereidingen die bestemd zijn om te helpen vermageren en meer bepaald de hongerremmers. De circulaire preciseert evenwel dat het hier niet gaat om de traditionele maaltijdvervangers die uitsluitend gericht zijn op een verminderde calorietoevoer of een wijziging van het volume van de spijsbrij, bij voorbeeld door plantaardige vezels. Producten die een invloed hebben op het metabolisme, meer bepaald door enzymatische blokkering, moeten volgens deze circulaire eveneens als geneesmiddelen worden beschouwd.
Vooraleer ze op de markt worden gebracht, moeten alle geneesmiddelen worden geregistreerd. Dit betekent dat ze worden beoordeeld op grond van hun kwaliteit, hun veiligheid en doeltreffendheid. De fabricage, de distributie en ook de geneesmiddelen zelf moeten worden gecontroleerd op ongewenste bijwerkingen in het raam van de geneesmiddelenbewaking. Onlangs nog werd de verkoop van een reeks eetlustremmende geneesmiddelen verboden op grond van een Europese beslissing en dit omwille van ernstige schadelijke bijwerkingen
Als schadelijke bijwerkingen worden vastgesteld in de categorie geneesmiddelen kunnen die producten niet op de markt worden toegelaten. Als de effecten pas later worden vastgesteld, wordt het product van de markt gehaald. Het gebeurt immers wel vaker dat geneesmiddelen in de eerste fase als positief worden beoordeeld en dat achteraf toch nevenwerkingen worden vastgesteld.
De producten voor gewichtsbeheersing die niet onder de geneesmiddelenwetgeving vallen zijn de voedingsmiddelen die bestemd zijn om in energiebeperkte diëten te worden gebruikt, alsook de dieetvoedingsmiddelen voor medisch gebruik. Deze dienen te voldoen aan de wet van 24 januari 1977 betreffende de bescherming van de gezondheid van de verbruikers op het stuk van de voedingsmiddelen en andere producten en haar uitvoeringsbesluiten, in het bijzonder het koninklijk besluit van 18 februari 1991 betreffende voedingsmiddelen bestemd voor bijzondere voeding. De voedingsmiddelen bestemd voor bijzondere voeding dienen te voldoen aan strikte samenstellingseisen betreffende energie-inhoud, eiwitten, vetten, voedingsvezel, vitaminen en mineralen. Voor de dieetvoedingsmiddelen bestemd voor medisch gebruik is notificatie verplicht en is in een registratieprocedure voorzien bij de Algemene eetwareninspectie. Controle op de uitvoering van de wet van 24 januari 1977 valt onder de bevoegdheid van de Algemene eetwareninspectie, thans het Federaal agentschap voor de voedselveiligheid.
Er dient evenwel ook aandacht te worden besteed aan voorgedoseerde producten die ontsnappen aan de geneesmiddelenwetgeving doordat ze in hun voorstelling geen gebruik maken van de term vermageren, maar van de term afslanken die niet als dusdanig in de wetgeving is opgenomen. Het koninklijk besluit van 29 augustus 1997 betreffende de fabricage van en de handel in voedingsmiddelen die uit planten of uit plantenbereidingen samengesteld zijn of deze bevatten, biedt op dit vlak bescherming voor de gezondheid van de consument. Een notificatie van dergelijke producten is immers verplicht en laat toe om zowel de beweringen alsook de samenstelling te verifiëren en aldus misleiding van de consument en gebruik van bepaalde componenten in toxische dosis te vermijden.
De reclame voor geneesmiddelen is gereglementeerd door het koninklijk besluit van 7 april 1995 inzake de reclame en informatie betreffende geneesmiddelen voor humaan gebruik. Ook deze reclame moet conform de gegevens zijn bekomen door registratie.
Voor voedingsmiddelen verwijs ik naar het koninklijk besluit van 17 april 1980 betreffende de reclame voor voedingsmiddelen. Hier is specifiek in opgenomen dat het verboden is in de reclame voor voedingsmiddelen gebruik te maken van verwijzingen naar vermageren. Ook in het koninklijk besluit van 18 februari 1991 betreffende voedingsmiddelen voor bijzondere voeding is een strikte reglementering voor de reclame van deze voedingsmiddelen weergegeven. De regelgeving voor deze waren is sedert korte tijd op Europees vlak geharmoniseerd. In de huidige Europese regelgeving is geen sprake meer van een a priori controle door de overheid.
Mevrouw Mia De Schamphelaere (CD&V). - Ik dank de minister voor het overzicht van de bestaande reglementering. Die ziet er weliswaar ideaal uit op papier, maar wordt niet toegepast. Er bestaan immers tal van achterpoortjes. De minister gaf het voorbeeld van het gebruik van het woord afslanken in plaats van de term vermageren. Een ander achterpoortje is het bij een product, waarvoor medische begeleiding voorgeschreven is, bijvoegen van een attest dat door de huisarts moet worden ingevuld, in plaats van het vooraf voorleggen van een voorschrift.
Onlangs heeft een studie ook uitgewezen dat proteïnediëten die onder het koninklijk besluit op dieetvoedingsmiddelen voor medisch gebruik vallen, overal te koop worden aangeboden en niet uitsluitend in de apotheek, zoals wordt voorgeschreven in de reglementering. De verdeelketen voor zulke producten is zeer ruim. Zodra het Federaal agentschap goed werkt, is controle op deze booming markt dan ook noodzakelijk.
-Het incident is gesloten.
(De naamlijsten worden in de bijlage opgenomen.)
De voorzitter. - We stemmen over amendement 23 van mevrouw Nyssens.
Stemming 1
Aanwezig: 51
Voor: 13
Tegen: 33
Onthoudingen: 5
-Het amendement is niet aangenomen.
De voorzitter. - We stemmen nu over het wetsontwerp in zijn geheel.
Stemming 2
Aanwezig: 51
Voor: 45
Tegen: 0
Onthoudingen: 6
-Het ontwerp werd geamendeerd en zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.
Mevrouw Clotilde Nyssens (CDH). - Ik ben het volkomen eens met de doelstelling van dit wetsontwerp, temeer daar de Senaat de tekst heeft verbeterd. Toch is geen rekening gehouden met de kritiek van de balie. Ik onthoud me omdat ik niet gevolgd werd met betrekking tot het begrip balans.
De voorzitter. - We stemmen over amendement 7 van de heer Vandenberghe en mevrouw De Schamphelaere.
Stemming 3
Aanwezig: 52
Voor: 14
Tegen: 33
Onthoudingen: 5
-Het amendement is niet aangenomen.
-Dezelfde stemuitslag wordt aanvaard voor de amendementen 8 en 10 van de heer Vandenberghe en mevrouw De Schamphelaere. Deze amendementen zijn dus niet aangenomen.
De voorzitter. - We stemmen over amendement 25 van de heer Vandenberghe en mevrouw De Schamphelaere.
Stemming 4
Aanwezig: 53
Voor: 5
Tegen: 35
Onthoudingen: 13
-Het amendement is niet aangenomen.
De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Ik heb mij onthouden om duidelijk te maken dat de meerderheid er niet in slaagt om het quorum te halen voor de stemming over een ontwerp dat voor haar in elk geval belangrijk is.
(Samenspraken)
De voorzitter. - We stemmen over amendement 32 van de heer Vandenberghe en mevrouw De Schamphelaere.
Stemming 5
Aanwezig: 53
Voor: 13
Tegen: 35
Onthoudingen: 5
-Het amendement is niet aangenomen.
-Dezelfde stemuitslag wordt aanvaard voor de amendementen 33 en 34 van de heer Vandenberghe en mevrouw De Schamphelaere. Deze amendementen zijn dus niet aangenomen.
De voorzitter. - We stemmen over amendement 35 van de heer Vandenberghe en mevrouw De Schamphelaere.
Stemming 6
Aanwezig: 53
Voor: 8
Tegen: 35
Onthoudingen: 10
-Het amendement is niet aangenomen.
-Dezelfde stemuitslag wordt aanvaard voor amendement 38 van de heer Vandenberghe en mevrouw De Schamphelaere. Het amendement is dus niet aangenomen.
De voorzitter. - We stemmen nu over het wetsontwerp in zijn geheel.
Stemming 7
Aanwezig: 54
Voor: 40
Tegen: 0
Onthoudingen: 14
-Het wetsontwerp is ongewijzigd aangenomen. Bijgevolg wordt de Senaat geacht te hebben beslist het niet te amenderen.
-Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden met het oog op de bekrachtiging door de Koning.
De voorzitter. - We stemmen over amendement 1 van de heer Steverlynck.
Stemming 8
Aanwezig: 53
Voor: 8
Tegen: 37
Onthoudingen: 8
-Het amendement is niet aangenomen.
De voorzitter. - We stemmen nu over het wetsontwerp in zijn geheel.
Stemming 9
Aanwezig: 54
Voor: 40
Tegen: 0
Onthoudingen: 14
-Het wetsontwerp is ongewijzigd aangenomen. Bijgevolg wordt de Senaat geacht te hebben beslist het niet te amenderen.
-Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden met het oog op de bekrachtiging door de Koning.
De voorzitter. - Het Bureau stelt voor volgende week deze agenda voor:
Donderdag 20 juni 2002 om 15 uur
In memoriam de heer Gaston Geens, Minister van Staat.
Inoverwegingneming van voorstellen.
Mondelinge vragen.
Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 20 juli 1990 ter bevordering van de evenwichtige aanwezigheid van mannen en vrouwen in organen met adviserende bevoegdheid; Stuk 2-1069/1 tot 4.
Vanaf 17 uur: Naamstemming over het afgehandelde wetsontwerp in zijn geheel.
Vragen om uitleg:
-De Senaat is het eens met deze regeling van de werkzaamheden.
De heer Georges Dallemagne (CDH). - BIAC, de maatschappij die de luchthaven Brussel-Nationaal exploiteert, heeft enkele weken geleden een nieuwe pier geopend waardoor in de toekomst 40 miljoen passagiers kunnen worden opgevangen in plaats van de huidige 20 miljoen.
Het valt te vrezen dat een dergelijke toename van het luchtverkeer het noodzakelijke evenwicht tussen de ontwikkeling van de luchthaven en het recht op privé-leven van de omwonenden zal verstoren.
De nieuwe uitbreiding doet ook enkele vragen rijzen inzake de volksgezondheid en de eerbied voor het milieu. Krachtens het beheerscontract moet BIAC van 325.000 naar 450.000 bewegingen gaan. Is een dergelijke toename wel wenselijk, gelet op de engagementen die België in Kyoto is aangegaan en op de problemen inzake de volksgezondheid en de risico's voor de bevolking in een gebied waar zoveel vliegtuigen overvliegen? De Noorse regering heeft onlangs beslist de CO2-uitstoot in drie jaar met 300.000 ton te doen afnemen door een inperking van het luchtverkeer.
Men kan zich trouwens afvragen of het wel verstandig is om deze verkeerstoename toe te laten in een luchthaven waarvan de grootste startbaan in de richting van Brussel ligt en eindigt op minder dan twee kilometer van het dichtst bevolkte gewest van het land.
Is het na de aanslagen van 11 september nog normaal dat over het Brussels gewest wordt gevlogen? Er wonen daar 55.000 inwoners per vierkante kilometer en er bevinden zich enkele mogelijke doelwitten voor zelfmoordaanslagen zoals de Europese gebouwen, bepaalde ambassades, de Seveso-zone en het NAVO-hoofdkwartier.
Is het verstandig om zoveel vrijheid te laten aan BIAC, dat zal worden geprivatiseerd? Moet de Staat niet garant staan voor het algemeen belang en controle uitoefenen op de evolutie van het luchtvaartverkeer? Dit heeft net als het autoverkeer een limiet. Moet de Staat niet eerlijk zijn tegenover alle partijen en een duidelijk standpunt innemen, vooraleer de privatisering wordt voortgezet?
De Ministerraad besliste in februari 2000 om nieuwe routes en procedures te onderzoeken zodat niet langer dag en nacht over de dichtst bevolkte zones moet worden gevlogen. De nieuwe regels hebben er echter nauwelijks toe bijgedragen dat dit doel werd bereikt.
Moet de Staat geen gebruik maken van de onderhandelingen over de nieuwe exploitatievergunning voor het geprivatiseerde BIAC en het proces dat Brusselaars tegen de Staat hebben aangespannen om zijn luchtvaartbeleid te herzien? Moet in een stedelijke luchthaven zoals Brussel-Nationaal het aantal bewegingen niet afnemen om nog aanvaarbaar te zijn? Een dergelijke vermindering zou een vliegverbod boven Brussel mogelijk maken. Ook kan de rendabiliteit van BIAC steunen op een kleiner aantal, maar eventueel wel duurdere bewegingen, eerder dan op een onbeperkt aantal bewegingen tegen een van de laagste prijzen in Europa. De korteafstandsvluchten kunnen in sommige gevallen en voor sommige bestemmingen gemakkelijk worden vervangen door de hogesnelheidslijnen die momenteel worden aangelegd. Voor de langeafstandsvluchten kan worden gedacht aan een coördinatie met andere luchthavens.
Kan de minister meer informatie geven over de volgende punten:
Mevrouw Isabelle Durant, vice-eerste minister en minister van Mobiliteit en Vervoer. - Een verhoging van het aantal passagiers betekent niet noodzakelijk dat het aantal vliegtuigen toeneemt. De gemiddelde bezettingsgraad per vliegtuig bedroeg in 2000 in Brussel slechts 71 passagiers, tegenover 141 in Heathrow, 112 in Frankfurt en 106 in Orly. Met een betere bezetting zou het jaarlijks aantal passagiers kunnen worden verhoogd zonder lineaire verhoging van het aantal bewegingen. Dit is een voorafgaande opmerking, ook al ben ik het met de heer Dallemagne eens dat de uitbreiding van de luchthaven zorgwekkend blijft. Ik heb dit dossier sinds mijn aantreden aangepakt en dit leidt nu tot een reeks akkoorden die voor de verschillende partijen min of meer bevredigend zijn.
Volgens het beheerscontract tussen de Staat en BIAC mogen er per uur 64 gecoördineerde vliegtuigbewegingen zijn; dit aantal is uitbreidbaar tot 68. Vanaf 31 december 2000 kon de operationele capaciteit worden opgedreven tot 80 bewegingen per uur. Dit staat momenteel in het beheerscontract.
Artikel 158 van de programmawet van december vorig jaar bepaalt dat met het oog op de omvorming van BIAC van een onderneming van publiek recht tot een onderneming van privaat recht, het beheerscontract kan worden vervangen door een exploitatielicentie. In deze licentie kunnen voorwaarden worden opgenomen ter vervanging van het beheerscontract, dat dan geen reden van bestaan meer heeft. Het doel is het algemeen belang te vrijwaren.
Indien nodig moet door de wet een onafhankelijke economische regulator worden ingesteld. Die moet toezien op de toekenning van de exploitatielicentie en moet eventueel aanpassingen voorstellen aangaande de toewijzing van licenties. Ook moet hij toezien op de naleving van de licentievoorwaarden en voorkomen dat misbruik wordt gemaakt van een dominante positie. Ten slotte staat hij in voor een periodieke controle van de tarieven.
Het Bestuur der Luchtvaart zal zijn opdrachten inzake de reglementering en de controle in de lucht behouden aangezien we afhangen van Europese en internationale instellingen.
De heer Dallemagne heeft gewezen op de maatregelen tegen het vliegen over Brussel, die na de aanslagen van 11 september actueel waren. Die maatregelen pasten in de context van de annulering van alle transatlantische vluchten en dus van een kleiner aantal vluchten. Ook tijdens de Europese Top was het verboden boven Brussel te vliegen, maar dit was een zeer tijdelijke onderbreking. Een absoluut vliegverbod boven Brussel zou heel wat problemen veroorzaken omdat er dan nog meer hinder zou zijn in gemeenten zoals Meise, Grimbergen of Vilvoorde, die weliswaar minder dicht bevolkt zijn dan Brussel, maar toch bewoond zijn.
(Voorzitter: de heer Jean-Marie Happart, ondervoorzitter.)
Het is ongetwijfeld nuttiger om ervoor te zorgen dat de vliegtuigen die toestemming krijgen om boven Brussel te vliegen worden uitgekozen op basis van hun prestaties en hun grootte. Dit is een van de opdrachten die werd toevertrouwd aan Probru, een groep die eerst een verslag heeft opgesteld over de nachtvluchten en nu de start- en landingsprocedures overdag bestudeert. De richtlijnen zijn de volgende:
De internationale expert heeft zich gebogen over de aanpassing van de nachtprocedures. De interministeriële conferentie van februari 2000, waarin het Vlaams Gewest, Brussel en de federale overheid vertegenwoordigd zijn, heeft zijn conclusies goedgekeurd.
Wat de vluchtprocedures betreft, hebben de betrokken regeringen gekozen voor het `stabiel geconcentreerd'-model, een van de voorstellen van Probru. Dit houdt in dat alle nachtvluchten worden geconcentreerd op baan 25R, met een bocht naar links of naar rechts aan het baken van Affligem.
De federale regering heeft BIAC en Belgocontrol de opdracht gegeven zo snel mogelijk de procedures uit te werken voor de door de internationale expert voorgestelde vluchten. Die hebben geen betrekking op de routes, maar op de technieken om zo snel mogelijk hoogte te nemen. Bij het opstijgen blijven de vliegtuigen over het Brussels Gewest vliegen. Om te weten hoeveel vliegtuigen boven Brussel vliegen, gaat men de gebruiksfrequenties van de banen na. Ik kan ze overhandigen om u een idee te geven van het aantal opstijgingen en landingen.
De grote toestellen die naar het zuiden en het oosten vliegen, vliegen boven Brussel. Ze bereiken boven Brussel een hoogte tot 4000 voet, waarna ze aan de bakens van Huldenberg of Sprimont naar hun eindbestemming afbuigen. Dit komt overeen met vijf opstijgingen per dag. De andere vliegtuigen die naar links afbuigen, vliegen boven Brussel op een hoogte van 2000 voet, alvorens naar dezelfde bestemmingen af te buigen. Hier gaat het om 125 opstijgingen per dag.
De maatregelen om de verwachte toename van het aantal vluchten op te vangen, moeten worden bestudeerd door de expert die door Probru werd aangesteld om de beste start- en landingsprocedures overdag te zoeken.
Bij de uitwerking van de scenario's zal dus rekening worden gehouden met het huidige verkeer en met de verwachte toename tot 2010, ook al betekenen meer passagiers niet noodzakelijk meer vluchten.
Mocht er een duidelijk conflict zijn tussen de doelstelling om de hinder te beperken en het verkeersvolume op de luchthaven, dan zal hij verschillende scenario's moeten voorstellen waarbij met verschillende niveaus van verkeer rekening wordt gehouden. Sinds 11 september is het verkeer inderdaad afgenomen, maar er is een langzaam herstel ook al zijn we nog ver verwijderd van het oude niveau. Men hoopt dat de opening van de tweede pier niet volledig verlieslatend zal zijn.
Het kader voor de nachtvluchten is getekend. Het geluidsvolume per vliegtuig per beweging zal afnemen omdat tegen 2003 de `quota count 12' moet worden nageleefd. Het gaat om het geluid dat het vliegtuig aan de bron produceert. De vloten zullen worden vernieuwd en er zullen vliegtuigen komen die minder luidruchtig zijn. Ook de totale verkeersomvang per seizoen zal van nu tot 2003 afnemen. In juli volgend jaar zal met het verdwijnen van de B727's van DHL de situatie voor de omwonenden nog wat verbeteren.
De Luchtvaartinspectie staat in voor de `luchtpolitie' en stelt inbreuken vast. Als het om strafrechtelijke inbreuken gaat, beslist de procureur des Konings of vervolging wordt ingesteld. De administratie beschikt niet over statistieken over het percentage maatschappijen dat bekeuringen hebben gekregen of betaald.
Voor een antwoord op de vraag over de verkoop van de terreinen verwijs ik naar mijn collega Daems. Hij heeft het koninklijk besluit dat de Staat toelaat haar onroerende goederen aan BIAC te verkopen mede ondertekend. Het koninklijk besluit werd gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 31 december 2001.
Er bestaat geen beperking voor het jaarlijks aantal dagvluchten op Brussel-Nationaal. Vlaams minister van Leefmilieu Vera Dua heeft het aantal nachtbewegingen beperkt tot maximum 25.000 per jaar.
Uit al deze elementen en de cijfergegevens die ik u schriftelijk overhandig, blijkt dat ik echt iets wil doen aan de problemen van alle omwonenden. Ik kan de luchthaven niet verplaatsen. Ik heb ook geen controle over het weer en de wind die vliegtuigen in 80% van de gevallen verplichten over Brussel te vliegen. Sinds april 2001 is de Chabert-route, die heel wat problemen veroorzaakte voor de inwoners van de noordrand, afgeschaft. Dit heeft al geleid tot een vermindering met ongeveer 9.000 vluchten per jaar tijdens de weekends. Voor de dagvluchten hopen we procedures op te stellen waarbij de dichtst bevolkte gebieden, dus Brussel, zoveel mogelijk worden ontzien. We zullen trouwens wachten op de uitkomst van de klacht die door de omwonenden, Inter-Environnement en Bruxelles Air Libre werden ingediend. Ik heb gesproken met verenigingen uit Brussel en uit de noordrand. Het viel me op dat wie de vluchten boven één gebied wil weghouden in conflict komt met verenigingen die de vliegtuigen boven een ander gebied willen weghouden.
Ik ben een groot voorstander van goederenverkeer per HST en van elke maatregel die het luchttransport kan doen afnemen. Er zou trouwens een HST-halte moeten komen op de luchthaven, zowel voor goederen als voor passagiers. Op Charles de Gaulle kan een combiticket worden gekocht voor vliegtuig en trein zodat het aantal vluchten voor de korte en middellange afstand kan worden beperkt. BIAC opteert ook voor deze oplossing, ook al zijn we nog niet zo ver. Een HST-halte nu zou overigens een gevaar inhouden voor de pendelaars omdat het een kopstation is.
Uit al deze antwoorden blijkt dat de regering dit dossier wil aanpakken. In ons land is jammer genoeg geen onbewoond gebied. Er moeten dus keuzes worden gemaakt om te trachten de dichtst bevolkte gebieden te sparen zonder dat dit ten koste gaat van andere gebieden die ook dicht bevolkt zijn.
De heer Georges Dallemagne (CDH). - De minister heeft niet al mijn vragen beantwoord. Beschikt ze over objectieve gegevens die aantonen dat de hinder is afgenomen? Velen vinden dat er niet veel veranderd is. Zijn ze wellicht te veeleisend? Er zijn echter enorm veel klachten over geluidshinder door vluchten op lage hoogte boven wijken waar dat niet toegelaten zou mogen zijn.
Ik betreur het dat de minister geen informatie geeft over het aantal bekeuringen dat werd opgesteld en over het aantal boetes dat daadwerkelijk werd geïnd. Naar verluidt zouden de meeste bekeuringen zonder gevolg blijven. Dat is bepaald geen stimulans voor een normale luchtvaart zonder overlast.
België heeft inderdaad geen onbewoonde gebieden en er moet ook rekening gehouden worden met de geschiedenis van de luchthaven. Betekent dat evenwel dat verhuizing onbespreekbaar is? Zijn er in dit verband nog langetermijnprojecten die ermee rekening houden dat deze luchthaven slecht gelegen is en een hypotheek legt op de stadsontwikkeling van het Brussels Gewest?
Moet niet eerst die vraag worden beantwoord?
De geluidsoverlast, de uitlaatgassen hebben ook gevolgen voor de volksgezondheid. Stelt de minister middelen ter beschikking om die problemen te bestuderen, zoals dat in andere luchthavenregio's gebeurt? Denkt zij na over de gevolgen voor de volksgezondheid?
Ik begrijp ook niet waarom men aan een onderneming die men aan het privatiseren was, grond heeft verkocht onder de marktprijs. Ik wens een duidelijk antwoord.
Mevrouw Isabelle Durant, vice-eerste minister en minister van Mobiliteit en Vervoer. - Om te weten of de hinder daadwerkelijk is afgenomen, mag de meting noch aan BIAC, noch aan de administratie worden toevertrouwd omdat deze laatste over te weinig middelen beschikt. De overlast waarover de omwonenden klagen, is moeilijk objectief vast te stellen. Daarom hebben we een ombudsdienst opgericht. Het gaat om een onafhankelijke dienst die de klachten van de omwonenden noteert, antwoordt op hun vragen en de klachten vergelijkt met de geluidsmetingen. Als er een klacht komt van een omwonende over een vlucht op lage hoogte bijvoorbeeld, zal de ombudsdienst nagaan of de vastgestelde procedures werden gevolgd. Op de dienst die een maand geleden van start ging, werken vier personen. De dienst wordt geleid door een zeer deskundig persoon, die wordt bijgestaan door personeel dat gedetacheerd wordt door Belgocontrol. Hoewel hij geen rechtsmacht heeft, kan hij in zijn jaarverslag de maatschappijen rangschikken volgens het aantal overtredingen. Dit verslag zal ongetwijfeld uitvoerig worden besproken door de omwonenden.
Ik geloof vast in informatie en objectivering, zonder daarom de subjectieve waarneming van de omwonende te willen negeren.
Wat slaap- of concentratiestoornissen betreft, is het bijzonder moeilijk na te gaan in welke mate deze een gevolg zijn van de overlast veroorzaakt door de luchthaven. Spelen geen andere persoonlijke lichamelijke of psychologische factoren een rol? Op basis van de objectieve WHO-normen inzake geluidsoverlast en in samenwerking met geluidsdeskundigen hebben we een isolatieprogramma uitgewerkt dat echter veeleer de noordrand dan Brussel betreft. Het garandeert echter niet dat de omwonenden helemaal niets meer horen.
We hebben een studie besteld over de verhuizing van de luchthaven naar een geografisch en economische verantwoorde plaats. Brussel heeft indertijd voor een functie als knooppunt geopteerd. Op deze economische en politieke keuze kan moeilijk nog worden teruggekomen. De studie concludeert dan ook dat er weinig andere mogelijkheden voorhanden zijn dan Brussel-Nationaal en de regionale luchthavens die niet onder federaal toezicht staan.
Wat de grondverkoop betreft, stel ik voor dat de heer Dallemagne minister Daems daarover ondervragen. We hebben lang onderhandeld omdat we, in het belang van de federale Staat, niet onder de marktprijs wilden verkopen en tegelijk ook rekening wilden houden met de belangen van BIAC.
Tijdens het Belgische voorzitterschap hebben we ons ook ingezet voor de oplossing van het conflict tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten over de hushkit-verordening, die de geluidsoverlast door oude vliegtuigen moet verminderen. Dank zij de samenwerking tussen de lidstaten werd binnen de ICAO, de International Civil Aviation Organization, een akkoord bereikt om dit conflict te beëindigen en vooral om de normen vast te leggen die de lidstaten, en dus ook België, in staat moeten stellen hun maatregelen te handhaven.
Andere landen vragen totaal het tegenovergestelde omdat de groei van het luchtverkeer de motor is van hun economische ontwikkeling. Niemand ontkent het belang van de luchtverkeer. De internationale werkzaamheden hebben ertoe geleid hebben dat we niet verplicht kunnen worden minder te doen dat wat nu door de omwonenden al onvoldoende wordt geacht. Niettemin vind ik dat we heel wat vooruitgang hebben geboekt.
-Het incident is gesloten.
De heer Georges Dallemagne (CDH). - Ik stel deze vraag als gemeentemandataris.
De wet van 14 december 2000 tot vaststelling van sommige aspecten van de organisatie van de arbeidstijd in de openbare sector, die een Europese richtlijn omzet, beoogt het scheppen van werkgelegenheid.
Hoewel we het principe van de wet niet betwisten, zorgt de toepassing ervan in bepaalde openbare diensten voor problemen. Ik denk aan de gemeentediensten, zoals de diensten van Brussel-Stad die bevoegd zijn voor de stadsreiniging, de gemeentelijke uitrusting, wegwerkzaamheden en sportieve evenementen, die 's avonds en in het weekend moeten werken. De beperking van het aantal overuren zorgt voor organisatorische problemen en maakt het werk buiten de normale uren minder aantrekkelijk. Nochtans verdient dit moeilijke en vaak ondankbare werk meer waardering.
Zou het mogelijk zijn om, binnen de perken van de Europese richtlijn, de wet van 14 december 2000 te wijzigen om de negatieve gevolgen ervan te verlichten en alleszins het dwingende karakter ervan af te zwakken?
Naar verluidt zou u een dergelijk initiatief in het vooruitzicht stellen. Is dit juist? Zo ja, binnen welke termijn en op welke manier?
De heer Luc Van den Bossche, minister van Ambtenarenzaken en Modernisering van de openbare besturen. - De wet op de organisatie van de arbeidstijd in de openbare sector voorziet in een gemiddelde arbeidsduur van 38 uur per week. Dit gemiddelde wordt berekend over een referentieperiode van vier maanden, wat een zekere mate van soepelheid mogelijk maakt in de organisatie van de diensten.
Afhankelijk van de te vervullen opdrachten moet het personeel op bepaalde tijdstippen van het jaar langer aanwezig zijn, terwijl andere periodes kalmer kunnen zijn.
Na de inwerkingtreding van de wet op de organisatie van de arbeidstijd hebben sommige diensten ons gevraagd de wet te versoepelen.
Allereerst heeft de Veiligheid van de Staat gevraagd niet meer aan de wet onderworpen te zijn en eigen schikkingen te kunnen treffen, zoals ook de politie en het leger dat kunnen.
Daarnaast vragen de openbare televisieomroepen ons de gemiddelde arbeidstijd te mogen berekenen over een referentieperiode die langer is dan vier maanden.
Ten slotte vragen vele diensten overuren te mogen betalen.
Uw vraag betreft deze laatste mogelijkheid.
Omdat ik het belangrijk vind dat de openbare diensten hun opdrachten kunnen uitvoeren, heb ik aan de Ministerraad van 7 juni een voorontwerp van wet voorgelegd met de volgende wijzigingen:
Ingevolge deze wijzigingen zullen de diensten voortaan aan hun personeel kunnen vragen overuren te presteren. Het aantal uren wordt echter beperkt tot maximum 10 uur per week, vermits de Europese richtlijn de wekelijkse arbeidstijd in de landen van Unie strikt beperkt tot 48 uur.
Dit voorontwerp werd op 7 juni door de Ministerraad goedgekeurd en moet nu voorgelegd worden aan het Comité A en aan de Raad van State, die binnen een maand advies moet uitbrengen. Ten slotte zal het bij de Kamer worden ingediend.
De heer Georges Dallemagne (CDH). - Deze voorstellen komen tegemoet aan de bezorgdheid van de plaatselijke besturen, die bepaalde opdrachten nog moeilijk kunnen vervullen. Bovendien wordt de belangrijke Europese richtlijn, die een groei van de werkgelegenheid beoogt, niet omzeild.
Zal dit wetsontwerp nog vóór het reces bij het Parlement worden ingediend? Zo niet, zal deze wet dan een retroactieve werking hebben?
De heer Luc Van den Bossche, minister van Ambtenarenzaken en Modernisering van de openbare besturen. - Een retroactieve werking is mogelijk, maar het ontwerp zal niet vóór de vakantie kunnen worden ingediend.
Ik heb dit punt al op de agenda geplaatst van Comité A, dat normaal gesproken nog in juni vergadert. Vervolgens moet ik de resultaten van de syndicale onderhandelingen bij de RTBF afwachten en ten slotte aan de Raad van State vragen zijn advies binnen een maand uit te brengen. Het ontwerp zal dus in september bij Kamer en Senaat ingediend kunnen worden.
Ik herhaal dat ik in een retroactieve werking wil voorzien.
De heer Georges Dallemagne (CDH). - Het probleem is vooral in Brussel bijzonder ernstig, omwille van de talrijke sportieve, culturele en andere manifestaties die er dagelijks plaatsvinden en begeleid moeten worden. Nadien moeten de straten nog schoongeveegd worden. Deze problemen zijn vandaag onoplosbaar.
De heer Luc Van den Bossche, minister van Ambtenarenzaken en Modernisering van de openbare besturen. - Ik ben het met u eens.
-Het incident is gesloten.
De voorzitter. - De agenda van deze vergadering is afgewerkt.
De volgende vergadering vindt plaats op donderdag 20 juni om 15 uur.
(De vergadering wordt gesloten om 17.50 uur.)
Afwezig met bericht van verhindering: de heren Colla en Roelants du Vivier, met opdracht in het buitenland, de heer Remans, in het buitenland, de heer Malmendier, om familiale redenen, de heer Dubié, om gezondheidsredenen, en mevrouw Kestelijn-Sierens, wegens andere plichten.
-Voor kennisgeving aangenomen.
Stemming 1
Aanwezig: 51
Voor: 13
Tegen: 33
Onthoudingen: 5
Voor
Michel Barbeaux, Ludwig Caluwé, Georges Dallemagne, Sabine de Bethune, Mia De Schamphelaere, Jacques D'Hooghe, Clotilde Nyssens, Jan Steverlynck, Erika Thijs, René Thissen, Hugo Vandenberghe, Chris Vandenbroeke, Magdeleine Willame-Boonen.
Tegen
Marcel Cheron, Christine Cornet d'Elzius, Jean Cornil, Olivier de Clippele, Armand De Decker, Jean-Marie Dedecker, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, André Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Frans Lozie, Michiel Maertens, Philippe Mahoux, Johan Malcorps, Guy Moens, Philippe Monfils, Jacky Morael, Philippe Moureaux, Marie Nagy, Fatma Pehlivan, Francis Poty, Louis Siquet, Martine Taelman, Myriam Vanlerberghe, Vincent Van Quickenborne, Iris Van Riet.
Onthoudingen
Yves Buysse, Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Wim Verreycken.
Stemming 2
Aanwezig: 51
Voor: 45
Tegen: 0
Onthoudingen: 6
Voor
Michel Barbeaux, Ludwig Caluwé, Marcel Cheron, Christine Cornet d'Elzius, Jean Cornil, Georges Dallemagne, Sabine de Bethune, Olivier de Clippele, Armand De Decker, Jean-Marie Dedecker, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Jacques D'Hooghe, André Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Frans Lozie, Michiel Maertens, Philippe Mahoux, Johan Malcorps, Guy Moens, Philippe Monfils, Jacky Morael, Philippe Moureaux, Marie Nagy, Fatma Pehlivan, Francis Poty, Louis Siquet, Jan Steverlynck, Martine Taelman, Erika Thijs, René Thissen, Hugo Vandenberghe, Chris Vandenbroeke, Myriam Vanlerberghe, Vincent Van Quickenborne, Iris Van Riet, Magdeleine Willame-Boonen.
Onthoudingen
Yves Buysse, Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Clotilde Nyssens, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Wim Verreycken.
Stemming 3
Aanwezig: 52
Voor: 14
Tegen: 33
Onthoudingen: 5
Voor
Michel Barbeaux, Ludwig Caluwé, Georges Dallemagne, Sabine de Bethune, Armand De Decker, Mia De Schamphelaere, Jacques D'Hooghe, Clotilde Nyssens, Jan Steverlynck, Erika Thijs, René Thissen, Hugo Vandenberghe, Chris Vandenbroeke, Magdeleine Willame-Boonen.
Tegen
Sfia Bouarfa, Marcel Cheron, Christine Cornet d'Elzius, Jean Cornil, Olivier de Clippele, Jean-Marie Dedecker, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, André Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Frans Lozie, Michiel Maertens, Philippe Mahoux, Johan Malcorps, Guy Moens, Philippe Monfils, Jacky Morael, Philippe Moureaux, Marie Nagy, Fatma Pehlivan, Francis Poty, Louis Siquet, Martine Taelman, Myriam Vanlerberghe, Vincent Van Quickenborne, Iris Van Riet.
Onthoudingen
Yves Buysse, Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Wim Verreycken.
Stemming 4
Aanwezig: 53
Voor: 5
Tegen: 35
Onthoudingen: 13
Voor
Ludwig Caluwé, Sabine de Bethune, Mia De Schamphelaere, Jan Steverlynck, Erika Thijs.
Tegen
Sfia Bouarfa, Marcel Cheron, Christine Cornet d'Elzius, Jean Cornil, Olivier de Clippele, Armand De Decker, Jean-Marie Dedecker, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Paul Galand, André Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Frans Lozie, Michiel Maertens, Philippe Mahoux, Johan Malcorps, Guy Moens, Philippe Monfils, Jacky Morael, Philippe Moureaux, Marie Nagy, Fatma Pehlivan, Francis Poty, Louis Siquet, Martine Taelman, Myriam Vanlerberghe, Vincent Van Quickenborne, Iris Van Riet.
Onthoudingen
Michel Barbeaux, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Georges Dallemagne, Jacques D'Hooghe, Clotilde Nyssens, Gerda Staveaux-Van Steenberge, René Thissen, Hugo Vandenberghe, Chris Vandenbroeke, Wim Verreycken, Magdeleine Willame-Boonen.
Stemming 5
Aanwezig: 53
Voor: 13
Tegen: 35
Onthoudingen: 5
Voor
Michel Barbeaux, Ludwig Caluwé, Georges Dallemagne, Sabine de Bethune, Mia De Schamphelaere, Jacques D'Hooghe, Clotilde Nyssens, Jan Steverlynck, Erika Thijs, René Thissen, Hugo Vandenberghe, Chris Vandenbroeke, Magdeleine Willame-Boonen.
Tegen
Sfia Bouarfa, Marcel Cheron, Christine Cornet d'Elzius, Jean Cornil, Olivier de Clippele, Armand De Decker, Jean-Marie Dedecker, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Paul Galand, André Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Frans Lozie, Michiel Maertens, Philippe Mahoux, Johan Malcorps, Guy Moens, Philippe Monfils, Jacky Morael, Philippe Moureaux, Marie Nagy, Fatma Pehlivan, Francis Poty, Louis Siquet, Martine Taelman, Myriam Vanlerberghe, Vincent Van Quickenborne, Iris Van Riet.
Onthoudingen
Yves Buysse, Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Wim Verreycken.
Stemming 6
Aanwezig: 53
Voor: 8
Tegen: 35
Onthoudingen: 10
Voor
Ludwig Caluwé, Sabine de Bethune, Mia De Schamphelaere, Jacques D'Hooghe, Jan Steverlynck, Erika Thijs, Hugo Vandenberghe, Chris Vandenbroeke.
Tegen
Sfia Bouarfa, Marcel Cheron, Christine Cornet d'Elzius, Jean Cornil, Olivier de Clippele, Armand De Decker, Jean-Marie Dedecker, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Paul Galand, André Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Frans Lozie, Michiel Maertens, Philippe Mahoux, Johan Malcorps, Guy Moens, Philippe Monfils, Jacky Morael, Philippe Moureaux, Marie Nagy, Fatma Pehlivan, Francis Poty, Louis Siquet, Martine Taelman, Myriam Vanlerberghe, Vincent Van Quickenborne, Iris Van Riet.
Onthoudingen
Michel Barbeaux, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Georges Dallemagne, Clotilde Nyssens, Gerda Staveaux-Van Steenberge, René Thissen, Wim Verreycken, Magdeleine Willame-Boonen.
Stemming 7
Aanwezig: 54
Voor: 40
Tegen: 0
Onthoudingen: 14
Voor
Michel Barbeaux, Sfia Bouarfa, Marcel Cheron, Christine Cornet d'Elzius, Jean Cornil, Georges Dallemagne, Olivier de Clippele, Armand De Decker, Jean-Marie Dedecker, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Paul Galand, André Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Frans Lozie, Michiel Maertens, Philippe Mahoux, Johan Malcorps, Guy Moens, Philippe Monfils, Jacky Morael, Philippe Moureaux, Marie Nagy, Clotilde Nyssens, Fatma Pehlivan, Francis Poty, Louis Siquet, Martine Taelman, René Thissen, Myriam Vanlerberghe, Vincent Van Quickenborne, Iris Van Riet, Magdeleine Willame-Boonen.
Onthoudingen
Yves Buysse, Ludwig Caluwé, Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Sabine de Bethune, Mia De Schamphelaere, Jacques D'Hooghe, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Jan Steverlynck, Erika Thijs, Hugo Vandenberghe, Chris Vandenbroeke, Joris Van Hauthem, Wim Verreycken.
Stemming 8
Aanwezig: 53
Voor: 8
Tegen: 37
Onthoudingen: 8
Voor
Ludwig Caluwé, Sabine de Bethune, Mia De Schamphelaere, Jacques D'Hooghe, Jan Steverlynck, Erika Thijs, Hugo Vandenberghe, Chris Vandenbroeke.
Tegen
Michel Barbeaux, Sfia Bouarfa, Marcel Cheron, Christine Cornet d'Elzius, Jean Cornil, Georges Dallemagne, Olivier de Clippele, Jean-Marie Dedecker, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Paul Galand, André Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Frans Lozie, Michiel Maertens, Philippe Mahoux, Johan Malcorps, Guy Moens, Philippe Monfils, Jacky Morael, Philippe Moureaux, Marie Nagy, Fatma Pehlivan, Francis Poty, Louis Siquet, Martine Taelman, Myriam Vanlerberghe, Vincent Van Quickenborne, Iris Van Riet, Magdeleine Willame-Boonen.
Onthoudingen
Yves Buysse, Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Clotilde Nyssens, Gerda Staveaux-Van Steenberge, René Thissen, Joris Van Hauthem, Wim Verreycken.
Stemming 9
Aanwezig: 54
Voor: 40
Tegen: 0
Onthoudingen: 14
Voor
Michel Barbeaux, Sfia Bouarfa, Marcel Cheron, Christine Cornet d'Elzius, Jean Cornil, Georges Dallemagne, Olivier de Clippele, Armand De Decker, Jean-Marie Dedecker, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Paul Galand, André Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Frans Lozie, Michiel Maertens, Philippe Mahoux, Johan Malcorps, Guy Moens, Philippe Monfils, Jacky Morael, Philippe Moureaux, Marie Nagy, Clotilde Nyssens, Fatma Pehlivan, Francis Poty, Louis Siquet, Martine Taelman, René Thissen, Myriam Vanlerberghe, Vincent Van Quickenborne, Iris Van Riet, Magdeleine Willame-Boonen.
Onthoudingen
Yves Buysse, Ludwig Caluwé, Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Sabine de Bethune, Mia De Schamphelaere, Jacques D'Hooghe, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Jan Steverlynck, Erika Thijs, Hugo Vandenberghe, Chris Vandenbroeke, Joris Van Hauthem, Wim Verreycken.
Wetsvoorstellen
Artikel 81 van de Grondwet
Wetsvoorstel tot verbetering van de verstandhouding tussen de burgers en de overheid (van de heer Jean Cornil en mevrouw Marie Nagy; Stuk 2-1194/1).
-Verzonden naar de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden.
Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 10 van de wetten op de Rijkscomptabiliteit, gecoördineerd op 17 juli 1991, met het oog op de instelling van een gendertoets op de federale begroting (van mevrouw Sabine de Bethune; Stuk 2-1200/1).
-Verzonden naar de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden.
Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 505 van het Strafwetboek betreffende de heling (van de heer François Roelants du Vivier; Stuk 2-1201/1).
-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.
Voorstel van resolutie
Voorstel van resolutie betreffende de economische en sociale situatie in Argentinië alsook betreffende de gebeurtenissen die het land in december 2001 in een zware crisis hebben gebracht (van de heer Jean Cornil c.s.; Stuk 2-1195/1).
-Verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.
Het Bureau heeft volgende vragen om uitleg ontvangen:
van de heer François Roelants du Vivier aan de minister van Economie en Wetenschappelijk Onderzoek, belast met het Grootstedenbeleid, over "de reactie van de regering op de publicatie van het Witboek voor de modernisering van de nationale wetenschappelijke instellingen" (nr. 2-814)
van de heer François Roelants du Vivier aan de Eerste minister over "de bestemming van de cultuurgoederen van de slachtoffers van de jodenvervolging in België" (nr. 2-815)
van de heer Philippe Mahoux aan de vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken over "Madagaskar" (nr. 2-816)
van mevrouw Sabine de Bethune aan de minister van Justitie over "de zitting van het Comité voor de rechten van het kind in Genève op 23 mei 2002" (nr. 2-817)
van mevrouw Clotilde Nyssens aan de vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken over "de toestand in Madagaskar" (nr. 2-818)
van mevrouw Mia De Schamphelaere aan de minister van Justitie over "de islamitische eredienst" (nr. 2-819)
-Deze vragen worden naar de plenaire vergadering verzonden.
Bij boodschap van 11 juni 2002 heeft de Senaat aan de Kamer van volksvertegenwoordigers terugbezorgd, met het oog op de koninklijke bekrachtiging, het volgende niet geëvoceerde wetsontwerp:
Wetsontwerp tot wijziging van artikel 25 van de wet van 10 augustus 2001 houdende hervorming van de personenbelasting en van de artikelen 136, 140, 141 en 178, §3, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (Stuk 2-1162/1).
-Voor kennisgeving aangenomen.
Bij boodschappen van 6 juni 2002 heeft de Kamer van volksvertegenwoordigers aan de Senaat overgezonden, zoals ze ter vergadering van dezelfde dag werden aangenomen:
Artikel 77 van de Grondwet
Wetsontwerp tot uitbreiding van de mogelijkheden tot inbeslagneming en verbeurdverklaring in strafzaken (Stuk 2-1197/1).
-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Justitie.
Wetsontwerp tot wijziging van deel II, boek II, titel V, van het Gerechtelijk Wetboek betreffende de tucht en tot intrekking van de wet van 7 mei 1999 tot wijziging, wat het tuchtrecht voor de leden van de Rechterlijke Orde betreft, van het Gerechtelijk Wetboek (Stuk 2-1198/1).
-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Justitie.
Artikel 78 van de Grondwet
Wetsontwerp tot wijziging van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, wat de personen betreft die activiteiten mogen verrichten in het kader van een plaatselijk werkgelegenheidsagentschap (Stuk 2-1196/1).
-Het ontwerp werd ontvangen op 7 juni 2002; de uiterste datum voor evocatie is maandag 24 juni 2002.
De Regering heeft volgende wetsontwerpen ingediend:
Wetsontwerp houdende instemming met de Samenwerkingsovereenkomst in het kader van de Ruimtevaartactiviteiten tussen de Nationale Commissie voor Ruimteactiviteiten en de Federale diensten voor Wetenschappelijke, technische en culturele Aangelegenheden, ter uitvoering van de Verklaring van belangstelling betreffende de Samenwerking met betrekking tot Ruimtevaart die op 1 april 1997 door de Regeringen van het Koninkrijk België en van de Republiek Argentinië werd ondertekend, ondertekend te Luik op 3 oktober 1997 (Stuk 2-1203/1).
-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.
Wetsontwerp betreffende de toetreding van België tot de Inter-Amerikaanse Investeringsmaatschappij (Stuk 2-1204/1).
-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden.
Met toepassing van artikel 113 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van het Arbitragehof kennis aan de voorzitter van de Senaat van:
-Voor kennisgeving aangenomen.
Met toepassing van artikel 77 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van het Arbitragehof aan de voorzitter van de Senaat kennis van:
-Voor kennisgeving aangenomen.
Bij brief van 7 juni 2002 hebben de directeurs van de Nationale Delcrederedienst, overeenkomstig artikel 22 van de wet van 31 augustus 1939 op de Nationale Delcrederedienst, aan de Senaat overgezonden het verslag over de werkzaamheden van de Dienst tijdens het jaar 2001.
-Verzonden naar de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden.
Bij brief van 7 juni 2002 heeft de voorzitter van het Europees Parlement aan de Senaat overgezonden:
aangenomen tijdens de vergaderperiodes van 13 tot 16 mei 2002.
-Verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging en naar het Federaal Adviescomité voor Europese Aangelegenheden.