4-94

4-94

Belgische Senaat

4-94

Handelingen - Nederlandse versie

DONDERDAG 12 NOVEMBER 2009 - NAMIDDAGVERGADERING


Waarschuwing: de blauwe kleur geeft aan dat het gaat om uit het Frans vertaalde samenvattingen.


Inoverwegingneming van voorstellen

Mondelinge vragen

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst betreffende de sociale zekerheid tussen het Koninkrijk België en Quebec, ondertekend te Quebec op 28 maart 2006 (Stuk 4-1391)

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en de Republiek Chili tot het vermijden van dubbele belasting en tot het voorkomen van het ontgaan van belasting inzake belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, en met het Protocol, gedaan te Brussel op 6 december 2007 (Stuk 4-1401)

Wetsontwerp houdende instemming met het Akkoord over wederzijdse administratieve bijstand op het gebied van de douane tussen de Regering van het Koninkrijk België en de Regering van de Republiek Mauritius, gedaan te Brussel op 10 april 2007 (Stuk 4-1402)

Wetsontwerp houdende goedkeuring van de wijzigingen van de statuten van de internationale Bank voor wederopbouw en ontwikkeling bij resolutie 596 van 30 januari 2009 van de Raad van Gouverneurs van de internationale Bank voor wederopbouw en ontwikkeling met het oog op de hervorming van het stemgewicht en deelname van de ontwikkelings- en transitielanden in de Internationale bank voor wederopbouw en ontwikkeling (Stuk 4-1420)

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten van Amerika inzake de verwerking en overdracht van persoonsgegevens van passagiers (PNR-gegevens) door luchtvaartmaatschappijen aan het Ministerie van Binnenlandse veiligheid van de Verenigde Staten van Amerika (PNR-Overeenkomst 2007), gedaan te Brussel op 23 juli 2007 en te Washington op 26 juli 2007 (Stuk 4-1432)

Voorstel tot wijziging van de artikelen 13 en 15 van het reglement van de Senaat (van de heer André Van Nieuwkerke c.s., Stuk 4-1364)

Parlementaire Assemblee van de Raad van Europa en Assemblee van de West-Europese Unie

Stemmingen

Regeling van de werkzaamheden

Vraag om uitleg van mevrouw Lieve Van Ermen aan de eerste minister, belast met de Coördinatie van het Migratie- en asielbeleid en aan de vice-eersteminister en minister van Werk en Gelijke Kansen, belast met het Migratie- en asielbeleid over «de genderkloof in België» (nr. 4-1154)

Vraag om uitleg van de heer Louis Ide aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, belast met Maatschappelijke Integratie over «de veiligheid in ziekenhuizen» (nr. 4-1130)

Vraag om uitleg van de heer Louis Ide aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, belast met Maatschappelijke Integratie over «pathogeeninactivatie van bloedplaatjes en de nood aan een structureel systeem van hemovigilantie» (nr. 4-1132)

Vraag om uitleg van mevrouw Cindy Franssen aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, belast met Maatschappelijke Integratie over «het verminderen van de ongelijkheden op gezondheidszorggebied» (nr. 4-1139)

Vraag om uitleg van de heer Louis Ide aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, belast met Maatschappelijke Integratie en aan de minister van Justitie over «het medisch wapenattest» (nr. 4-1140)

Vraag om uitleg van mevrouw Freya Piryns aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, belast met Maatschappelijke Integratie over «de vergoeding voor het verplichte consult in het kader van een euthanasieverzoek» (nr. 4-1142)

Vraag om uitleg van mevrouw Sabine de Bethune aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, belast met Maatschappelijke Integratie over «de toegang van minderjarigen tot betaalbare en discrete gezondheidszorg» (nr. 4-1146)

Vraag om uitleg van mevrouw Lieve Van Ermen aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, belast met Maatschappelijke Integratie en aan de minister voor Ondernemen en Vereenvoudigen over «de spectaculaire prijsstijging van de hospitalisatieverzekeringen» (nr. 4-1147)

Vraag om uitleg van de heer Louis Ide aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, belast met Maatschappelijke Integratie over «de parkeerproblematiek voor gezondheidswerkers» (nr. 4-1161)

Vraag om uitleg van de heer Patrik Vankrunkelsven aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, belast met Maatschappelijke Integratie over «de situatie omtrent apparaten om bloedstolling te meten (INR-apparaten)» (nr. 4-1156)

Vraag om uitleg van de heer Patrik Vankrunkelsven aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, belast met Maatschappelijke Integratie over «de uitbreiding van de derdebetalersregeling naar minderjarigen» (nr. 4-1157)

Vraag om uitleg van mevrouw Christiane Vienne aan de vice-eersteminister en minister van Ambtenarenzaken, Overheidsbedrijven en Institutionele Hervormingen over «de stiptheid van de treinen» (nr. 4-1137)

Vraag om uitleg van de heer Yves Buysse aan de vice-eersteminister en minister van Ambtenarenzaken, Overheidsbedrijven en Institutionele Hervormingen over «de eventuele verkoop van de Oesterparking aan de stad Brugge» (nr. 4-1159)

Vraag om uitleg van de heer Franco Seminara aan de vice-eersteminister en minister van Werk en Gelijke Kansen, belast met het Migratie- en asielbeleid over «de verschillen tussen het statuut van arbeiders en van bedienden» (nr. 4-1131)

Vraag om uitleg van mevrouw Caroline Désir aan de minister van Buitenlandse Zaken over «de presidentsverkiezingen in Tunesië» (nr. 4-1141)

Vraag om uitleg van de heer Louis Ide aan de minister van Justitie en aan de staatssecretaris voor Mobiliteit over «de parkeerproblematiek voor gezondheidswerkers» (nr. 4-1160)

Vraag om uitleg van mevrouw Sabine de Bethune aan de minister van Ontwikkelingssamenwerking over «het nieuw Indicatief Samenwerkingsprogramma met Burundi» (nr. 4-1145)

Vraag om uitleg van mevrouw Sabine de Bethune aan de minister van Ontwikkelingssamenwerking over «de inspanningen van België ter bevordering van de geboorteregistratie in landen in het Zuiden» (nr. 4-1165)

Vraag om uitleg van de heer Guy Swennen aan de minister van Binnenlandse Zaken over «de milieupolitie» (nr. 4-1143)

Vraag om uitleg van de heer Guy Swennen aan de staatssecretaris voor Begroting, voor Migratie- en asielbeleid, voor Gezinsbeleid en voor de Federale Culturele Instellingen over «de studie met betrekking tot echtscheiding en co-ouderschap» (nr. 4-1144)

Vraag om uitleg van mevrouw Cindy Franssen aan de staatssecretaris voor Maatschappelijke Integratie en Armoedebestrijding over «het ontmoedigen van bedelen in de Brusselse metrostations» (nr. 4-1138)

Berichten van verhindering

Bijlage


Voorzitter: de heer Armand De Decker

(De vergadering wordt geopend om 15.05 uur.)

Inoverwegingneming van voorstellen

De voorzitter. - De lijst van de in overweging te nemen voorstellen werd rondgedeeld.

Leden die opmerkingen mochten hebben, kunnen die vóór het einde van de vergadering mededelen.

Tenzij er afwijkende suggesties zijn, neem ik aan dat die voorstellen in overweging zijn genomen en verzonden naar de commissies die door het Bureau zijn aangewezen. (Instemming)

(De lijst van de in overweging genomen voorstellen wordt in de bijlage opgenomen.)

Mondelinge vragen

Mondelinge vraag van de heer John Crombez aan de vice-eersteminister en minister van Financiën en Institutionele Hervormingen over «de fiscale ontvangsten» (nr. 4-939)

De heer John Crombez (sp.a). - Heel kort na de opmaak van de begroting is de discussie over de toestand ervan, en met name over de fiscale ontvangsten, essentieel.

In de antwoorden op opmerkingen van voornamelijk de Open Vld-fractie luidt het vaak dat het zeer moeilijk is om iets aan de toestand te doen, maar dat het tekort waarschijnlijk nog groter zal zijn dan aanvankelijk verwacht en dat de ontvangsten nog meer zullen tegenvallen. Steeds luidt het ook dat de crisis de oorzaak van de tegenvallende inkomsten is.

In 2008 hadden de elementen die de administratie van financiën aandroeg, niets te maken met de crisis, terwijl ze er toch al op wezen dat het niet goed ging met de fiscale ontvangsten. We kunnen dus vermoeden dat er meer aan de hand is dan alleen de crisis.

De minister van Begroting zei daarover vanmorgen iets zeer opmerkelijks. Tijdens een radio-interview verklaarde hij dat de regering wist dat de ontvangsten lager zouden zijn dan aanvankelijk bij de opmaak van de begroting geraamd. Dat is een bijzonder vreemde uitspraak, want eigenlijk betekent het dat de begroting al bij de opmaak fout was en dat de regering dat zeer goed wist.

Is de minister van Financiën het eens met de uitspraak van de minister van Begroting dat de regering van tevoren wist dat de ontvangsten die ze inschreef, niet klopten?

Is deze uitspraak volgens de minister gebaseerd op ramingen van de administratie van Financiën die aangaven dat de ontvangsten lager liggen dan wat de regering in de begroting inschreef?

De heer Didier Reynders, vice-eersteminister en minister van Financiën en Institutionele Hervormingen. - De fiscale ontvangsten zijn een technisch verhaal, maar de heer Crombez is daarin thuis. Ik kan dus een aantal details over de ramingen geven.

Tot dusver hebben we gezegd dat we de raming van de administratie als uitgangspunt moeten nemen. Dat is de beste oplossing. Ik heb zelf een kopie van de nota van de studiedienst naar het parlement gezonden.

Ik heb een tabel met een overzicht van de ontwikkeling van de fiscale ontvangsten na negen maanden in 2009. Wij kunnen dus vergelijken met 2008.

In 2009 hebben we na negen maanden in totaal 58 miljard 879 miljoen euro aan ontvangsten voor de directe en indirecte belastingen. In 2008 was dat na negen maanden 67 miljard 832 miljoen euro. Dat is een verschil in absolute cijfers van 8 miljard 953 miljoen euro en in relatieve termen een verschil van 13,2%.

Uit deze cijfers blijkt dat de minderwaarde van 10 miljard 59 miljoen euro na acht maanden, na negen maanden is teruggelopen tot 8 miljard 953 miljoen euro. Dat is een positieve ontwikkeling.

Die minderwaarde gaat terug op een aantal posten.

De eerste is de bedrijfsvoorheffing, 3,7 miljard euro, als gevolg van de maatregelen van het herstelplan. Er is uitstel van betaling van de bedrijfsvoorheffing voor heel wat bedrijven in België.

Vervolgens zijn er de voorafbetalingen, 2,4 miljard euro. Die afwijking is een direct gevolg van de crisis, met name door de fel geslonken winsten van de vennootschappen, alsook van de teruggave van een gedeelte van de voorafbetalingen verricht in 2008.

Voor de btw is er één miljard euro minder. Als direct gevolg van de crisis is de consumptiequote sterk verminderd ten voordele van de spaarquote. Het recordbedrag op de spaarboekjes is daarvan een duidelijk bewijs.

Ten slotte zijn ook de roerende voorheffing, 500 miljoen minder, en de registratierechten, ook 500 miljoen minder, sterk gedaald door de impact van de crisis op respectievelijk de dividenden en de vastgoedmarkt.

Wat de duiding van de actuele cijfers in het kader van de jaarraming betreft, kan ik het volgende meedelen. Globaal is er voor 2009 een minderwaarde geraamd van 8,9 miljard euro. Na negen maanden is dit cijfer al bereikt. Voor bepaalde posten zal er nog een recuperatie gebeuren via de bedrijfsvoorheffing - in het herstelplan werd beslist tot een uitstel van betaling en dat moet worden gerecupereerd op het einde van het jaar - terwijl voor andere posten, bijvoorbeeld de voorafbetalingen, nog verdere verliezen zullen worden geleden. De inkohiering werd in 2009 versneld en er zijn meer terugbetalingen.

Alles samen blijkt nu al dat de vooropgestelde doelstelling voor 2009, die is opgenomen in de Rijksmiddelenbegroting 2009-2010, realistisch is. De globale fiscale ontvangsten voor 2009 zijn immers geraamd op 84,7 miljard tegenover een ontvangst van 93,6 miljard in 2008 of een minderwaarde van 8,9 miljard.

Ik blijf dus bij de raming van mijn studiedienst. De cijfers na negen maanden zijn al beter dan die na acht maanden. Het blijft uiteraard een raming en veel hangt van een eventuele gunstige evolutie gedurende de laatste maanden van het jaar.

De heer John Crombez (sp.a). - De manier waarop met de cijfers wordt omgesprongen is verontrustend. Iemand uit de meerderheid trekt aan de alarmbel over de ontvangsten en de minister van Begroting bevestigt dat. In een persbericht zegt die dat de ontvangsten lager zullen zijn dan gepland. Deze morgen zei hij - nog sterker - dat de regering wist dat ze lager zouden zijn dan verwacht.

Het antwoord is verontrustend omdat er blijkbaar een versnelling is van de inkohiering, met name van de terugbetalingen. Als de ontvangsten dit jaar op het voorspelde niveau zitten, betekent dit dat de basis voor volgend jaar slechter wordt. Het is inderdaad het beste om uit te gaan van de cijfers van de administratie, maar het antwoord van de minister betekent dat er ofwel dit jaar nog een groter tekort zal zijn, ofwel dat er een probleem is voor volgend jaar. Het door de meerderheid zelf gesignaleerde probleem moet alleszins ernstig worden genomen.

De voorzitter. - Ik feliciteer de heer Crombez met zijn eerste toespraak. (Applaus)

Mondelinge vraag van mevrouw Lieve Van Ermen aan de staatssecretaris voor Begroting, voor Migratie- en asielbeleid, voor Gezinsbeleid en voor de Federale Culturele Instellingen over «de handel in valse regularisatiedocumenten (art. 127)» (nr. 4-929)

Mevrouw Lieve Van Ermen (LDD). - Er zouden steeds meer valse documenten in omloop zijn die mensen aan een verblijfsvergunning moeten helpen. De staatssecretaris laat in een reactie aan de krant De Morgen onder meer weten dat de `echtheid van de documenten gemakkelijk kan worden gecontroleerd'.

Hiermee toont de staatssecretaris aan dat hij absoluut niet op de hoogte is van de gebruikte fraudetechnieken, laat staan dat hij in staat is om in te schatten hoe gemakkelijk of moeilijk het is om fraude te bestrijden.

Zijn er al cijfers bekend over het aantal frauduleus ingediende vragen? Zijn de verschillende fraudemethodes al in kaart gebracht? Zo ja, door welke diensten? Welke diensten houden zich met die fraudeonderzoeken bezig? Bestaan er richtlijnen over de verschillende fraudetechnieken voor het informeren en aansturen van de onderzoekende diensten?

De heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Begroting, toegevoegd aan de eerste minister, en staatssecretaris voor Gezinsbeleid, toegevoegd aan de minister van Werk, en wat de aspecten inzake personen- en familierecht betreft, toegevoegd aan de minister van Justitie. - Ik kan geen gegevens meedelen over het aantal fraudezaken omdat mijn diensten hierover geen statistieken bijhouden. Het is dus moeilijk om inzicht te krijgen in de frauduleuze praktijken.

In het geciteerde krantenartikel heb ik alleen te kennen gegeven dat ik mij bewust ben van de mogelijkheid dat een aantal personen valse documenten proberen te gebruiken ter staving van hun verblijfsaanvraag. Iedere antifraudemaatregel die we zullen nemen, zal bovendien nieuwe fraudetechnieken doen ontstaan. Men kan immers nooit helemaal beletten dat malafide personen kwetsbare groepen uitbuiten.

Wat mijn diensten daarentegen wel doen, is de nodige aandacht besteden aan de dagelijkse aanvragen zodat terugkerende of vaak gebruikte fraudetechnieken ontdekt kunnen worden. Men mag ook niet vergeten dat de Dienst Vreemdelingenzaken al jaren dergelijke aanvragen tot machtiging tot verblijf behandelt en dus heel wat ervaring heeft met die fraudetechnieken. De Dienst Vreemdelingen heeft ook de wettelijke mogelijkheid om onrechtmatig verkregen verblijfsvergunningen terug in te trekken. Artikel 13, §2bis, en artikel 13, §3, derde lid van de wet van 15 december 1980 bepalen dat een einde kan worden gesteld aan het verblijf indien er valse informatie of valse documenten zijn neergelegd of er fraude is gepleegd.

In het kader van de aanvragen op grond van artikel 3, punt 2.8 b van de instructie van 19 juli 2009 zullen ook de gewesten de ingediende arbeidsovereenkomsten met de nodige zorgvuldigheid onderzoeken. Vanuit mijn kabinet is overleg gepleegd met de verschillende gewesten. Er is samen met hen gezocht naar onder meer een optimalisering van de toegang tot bepaalde gegevensbanken waardoor malafide werkgevers efficiënt kunnen worden opgespoord.

Elke dienst in de DVZ die dossiers beheert, moet alert zijn voor fraude. In het kader van de aanvragen op grond van artikel 9bis van de wet van 1980, zal het bureau Opsporingen instaan voor de coördinatie van de gemelde en vermeende fraudegevallen. Het komt in de eerste plaats echter het parket toe misdrijven te onderzoeken, bijvoorbeeld schriftvervalsing, misbruik van vertrouwen en bedrog.

Met het oog op een efficiënte aanpak van de fraudegevallen kan ik hier geen uitgebreide uiteenzetting geven over de richtlijnen die mijn diensten hanteren in de strijd tegen deze malafide praktijken. Een grote media-aandacht zou sommige personen zelfs tot bepaalde gedachten kunnen brengen of ze doen denken dat de valse stukken voor het grijpen liggen, wat de aanpak van het fenomeen niet ten goede zou komen.

Mevrouw Lieve Van Ermen (LDD). - Ik wijs toch nog eens op de bijzonder moeilijke situatie. Die bewijsstukken zijn immers op officiële papieren gemaakt. Wij vernemen dat de bevoegde ambtenaren die hun taken correct willen uitvoeren met de handen in het haar zitten en niet weten hoe zij die dijkbreuk, die tsunami van verdachte dossiers, moeten indammen. Ze voelen zich door de ondoordachte beslissingen en gammele wetgeving echt in de steek gelaten.

Mondelinge vraag van de heer Patrik Vankrunkelsven aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, belast met Maatschappelijke Integratie over «de terugbetaling van het geneesmiddel Firazyr» (nr. 4-927)

De heer Patrik Vankrunkelsven (Open Vld). - Om zeker te zijn van de aanwezigheid van de minister heb ik gekozen voor een mondelinge vraag, en niet voor een vraag om uitleg. Ik dank de minister voor haar aanwezigheid.

Voor de acute behandeling van aanvallen van hereditair angio-oedeem is Firazyr eenvoudiger en veiliger in gebruik dan de bestaande medicatie die bij ons wordt terugbetaald. De kostprijs van de behandeling is vergelijkbaar. In de beoordeling van het geneesmiddel Firazyr was de Commissie Tegemoetkoming Geneesmiddelen neutraal. Toch werd de terugbetaling van het geneesmiddel door de minister geweigerd op basis van de kostprijs.

De berekening van de kostprijs roept vragen op. In de beslissing van de minister is sprake van een kostprijs van 10 à 16 miljoen euro. Nochtans kan het product tegen dezelfde kostprijs en met dezelfde indicatiestelling worden gebruikt als de huidige behandeling, die een budget van 250 000 euro vereist. Dat is 50 keer minder dan de schatting. In principe zou men zelfs moeten uitkomen op een nuloperatie omdat het gebruik van de bestaande behandeling evenredig zal afnemen. Door de besparing op de hospitalisatiekosten, kan Firazyr voor de ziekteverzekering over het geheel genomen zelfs een besparing inhouden.

Kan de minister deze zaak opnieuw bekijken en deze materiële vergissing corrigeren zodat het geneesmiddel kan worden terugbetaald?

Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, belast met Maatschappelijke Integratie. - Ik wens te preciseren dat de staatssecretaris voor Begroting van mening was dat de potentiële budgettaire weerslag van de terugbetaling van deze specialiteit te hoog lag. Zelf had ik hem een vraag voor akkoord verstuurd en was ik dus voor de terugbetaling. Zonder het akkoord van mijn collega van Begroting kan ik geen terugbetaling aanvaarden.

Tijdens de gesprekken, zowel met de CTG als nadien met de firma, was er inderdaad sprake van de herziening van de berekeningswijze van de budgettaire weerslag.

De firma kan uiteraard een nieuw dossier indienen, met een duidelijke uitleg over de berekeningswijze. Op die manier kunnen alle twijfels worden weggewerkt.

De tweede aanvraag kan sneller worden onderzocht omdat het dossier al een eerste maal werd geanalyseerd en besproken.

Zelf blijf ik er voorstander van om genoemde specialiteit op de lijst van de terugbetaalde geneesmiddelen op te nemen.

De heer Patrik Vankrunkelsven (Open Vld). - Ik dank de vice-eersteminister voor haar zeer duidelijke antwoord.

Mondelinge vraag van mevrouw Caroline Désir aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, belast met Maatschappelijke Integratie over «geneesmiddelen voor kinderen» (nr. 4-931)

Mevrouw Caroline Désir (PS). - Een groot aantal pediatrische geneesmiddelen zou niet op kinderen zijn getest. Artsen zouden zich in hun voorschriften uitsluitend baseren op de dosering voor volwassenen. Die praktijk zou de kwaliteit, de veiligheid en de doeltreffendheid van de behandeling in het gedrang kunnen brengen. Gebrekkige informatie over de dosering kan leiden tot medische fouten.

Verbruikersverenigingen dringen er al lang bij de farmaceutische sector op aan dat pediatrische geneesmiddelen op hun doelgroep zouden worden getest. Zij oordelen dat tests nodig zijn voor elke leeftijdscategorie en vragen de ouders zelf geen geneesmiddelen toe te dienen aan hun kinderen in een dosering die geldt voor volwassenen.

Heeft het departement van de minister aandacht voor die problematiek? Wat is de stand van zaken?

Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, belast met Maatschappelijke Integratie. - Het voorschrijven van geneesmiddelen aan kinderen zonder dat die geneesmiddelen grondig werden onderzocht, houdt de zorgverleners al meer dan twintig jaar bezig. Na overleg met de lidstaten heeft de Europese Commissie bij het Europees Parlement een verordening ingediend die in december 2006 werd goedgekeurd en die geleidelijk aan van toepassing werd tussen die datum en januari 2009.

Overeenkomstig die verordening moet elk nieuw, nog niet in de Europese Unie geregistreerd geneesmiddel voor pediatrisch gebruik, zijn onderzocht alvorens het aan kinderen mag worden voorgeschreven. De industrie kan niet ontsnappen aan die verplichting, tenzij het pediatrische comité van het Europees Geneesmiddelenbureau EMEA voor een bepaald product een afwijking toestaat omdat het gebruik van dat geneesmiddel bij kinderen niet van toepassing is.

Voor de bestaande geneesmiddelen zonder pediatrische indicatie die aan kinderen worden voorgeschreven, worden andere wettelijke bepalingen in het vooruitzicht gesteld. Als voor een bestaand geneesmiddel een nieuwe Europese vergunning nodig is, kan het bedrijf op vrijwillige basis een bescherming van tien jaar bekomen op voorwaarde dat een bijkomend onderzoek naar de pediatrische gevolgen volgens het PIP, het pediatrisch onderzoeksplan, wordt verricht. Tot op heden is dat gebeurd voor een twintigtal geneesmiddelen.

België speelt een zeer actieve rol via het Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten. Het agentschap is betrokken bij de evaluatie van de PIP's, neemt deel aan de beperkte werkgroep voor pediatrische formules en zit sinds zijn oprichting het pediatrisch comité van het Europees agentschap voor.

De komende maanden en jaren zullen de resultaten van dit werk zichtbaar worden. Voor de bestaande geneesmiddelen zal de informatie vollediger zijn. Voor de geneesmiddelen die nog in ontwikkeling zijn voor volwassenen zal de informatie veel sneller ter beschikking zijn.

De kinderen zullen dus steeds beter worden beschermd.

Mevrouw Caroline Désir (PS). - Ik dank de minister voor haar antwoord. Het verheugt me dat de Europese reglementering het dossier vooruit helpt en dat België via het agentschap de zaak nauwlettend volgt.

Mondelinge vraag van mevrouw Myriam Vanlerberghe aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, belast met Maatschappelijke Integratie over «de wettelijke erkenning en structurele financiering van de palliatieve thuiszorgequipes voor kinderen» (nr. 4-938)

Mevrouw Myriam Vanlerberghe (sp.a). - Op 5 maart heeft de Kamer een wetsontwerp goedgekeurd met het oog op de erkenning en structurele financiering van de palliatieve thuiszorgequipes voor kinderen. Volgens artikel 5 treedt die wet in werking `op een door de Koning te bepalen datum en uiterlijk op 31 december 2009'.

Aangezien die datum stilaan nadert, zou ik graag vernemen wat de stand van zaken is van de uitvoering van deze wet. Is alles in gereedheid gebracht, zodat de palliatieve thuiszorgequipes wettelijk erkend en structureel gefinancierd zullen worden vanaf 1 januari? Is het nodige budget beschikbaar? Hebben de thuiszorgequipes al duidelijkheid gekregen over het budget voor het jaar 2010?

Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, belast met Maatschappelijke Integratie. - De Interministeriële Conferentie Volksgezondheid besliste in overleg met de gemeenschappen een koninklijk besluit op te stellen waarin de erkenningsnormen voor de palliatieve thuiszorgequipes voor kinderen worden vastgelegd. Dit ontwerp van koninklijk besluit bevindt zich momenteel voor advies bij de diensten van de staatssecretaris voor Begroting, waarna het naar de Raad van State zal worden verzonden. Het zal vóór 1 januari 2010 in het Belgisch Staatsblad worden gepubliceerd.

Sinds 2005 krijgen de equipes een financiering ten bedrage van 372 000 euro uit het budget van de financiële middelen van de ziekenhuizen. In 2009 werd dat bedrag verhoogd met 400 000 euro van het Nationaal Kankerplan. In 2010 zullen de erkende teams in totaal een bedrag van 1 400 000 krijgen uit het budget van de financiële middelen van de ziekenhuizen, verdeeld volgens het activiteitsniveau.

De FOD Volksgezondheid plant in de loop van de volgende maanden een begeleidingscomité, waar de stand van zaken aan de equipes zal worden meegedeeld.

Mevrouw Myriam Vanlerberghe (sp.a). - Als ik het goed begrijp, zullen de equipes net als vorig jaar worden gefinancierd, maar ik vraag me af of het om een structurele maatregel gaat.

Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, belast met Maatschappelijke Integratie. - Inderdaad. Nadien zal na een evaluatie een definitieve beslissing volgen.

Mevrouw Myriam Vanlerberghe (sp.a). - Ik pleit ervoor ten spoedigste duidelijk aan de equipes mede te delen dat ze zich geen zorgen hoeven te maken over hun financiering. Dit jaar was de maatregel immers nog niet structureel.

Mondelinge vraag van de heer Wouter Beke aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, belast met Maatschappelijke Integratie over «diabetes» (nr. 4-940)

De heer Wouter Beke (CD&V). - Naar aanleiding van Werelddiabetesdag op 14 november heeft de Senaat twee jaar geleden in de commissie voor de Sociale Aangelegenheden unaniem een resolutie goedgekeurd. Het is een goede traditie in deze periode van het jaar de balans op te maken van de uitvoering van deze resolutie.

Eind oktober verschenen nieuwe diabetescijfers na een congres van de Internationale Diabetes Federatie in Montréal. Deze cijfers geven een angstwekkend beeld. Twee jaar geleden waren er wereldwijd 230 miljoen diabetespatiënten, vandaag zijn dat er 300 miljoen, bijna 10 keer meer dan in 1985. België lijden 610 000 mensen aan diabetes, dat is 8% van de bevolking.

Ik heb voor de minister dan ook volgende vragen.

Sinds het aannemen van de resolutie staan we intussen twee jaar verder. Wat is de stand van zaken? Hoe zit het met het registratiesysteem, een van de aanbevelingen van toen? Bij een vorige vraag hierover bevestigde de minister dat de verdere digitalisering van de medische diensten en de implementatie van eHealth nieuwe perspectieven zou openen om op grotere schaal gegevens te verzamelen. Is er al vooruitgang te merken op dat punt? Wat is de evolutie in de ontwikkeling van de diabetespas en de eventuele integratie ervan in eHealth?

Sinds september zijn de zorgtrajecten, waar we twee jaar geleden om vroegen, inderdaad opgestart. Hoe ontwikkelen die zich? Hier komen namelijk enkele belangrijke speerpunten tot uiting: de multidisciplinaire aanpak van de ziekte, enerzijds, en het belang van de eerste lijn, anderzijds.

Vandaag is iedereen in de ban van de Mexicaanse griep. De regering heeft het Parlement om volmachten gevraagd, er is een griepcommissaris, er wordt massaal ingeënt, gemobiliseerd en geresponsabiliseerd. Dat is een goede zaak, want het we hebben te maken met een belang probleem, maar laten we even de cijfers naast elkaar leggen. Bij diabetes gaat het om zo'n 600 000 mensen, terwijl er nu 130 000 mensen met Mexicaanse griep geregistreerd zijn. Elk jaar sterven tussen 5 600 en 6 000 mensen ten gevolge van diabetes. Voor de Mexicaanse griep spreken we nu gelukkig over `maar' 8 doden. De verschillende maatregelen die de minister heeft genomen, zijn goed. Wellicht ontbreekt hier echter de sense of urgency. Er moet niet alleen één groot plan tegen diabetes komen, zoals ook de Verenigde Naties al langer vragen, maar het is tevens raadzaam hiervoor een commissaris aan te stellen.

Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, belast met Maatschappelijke Integratie. - Het eHealth-platform heeft tijdens de laatste vergadering van de raad van bestuur voorstellen gedaan voor de homologatiecriteria van de informaticaprogramma's voor de huisarts en voor het uitwisselen van gegevens tussen de zorgverstrekkers via een gedefinieerde architectuur, hubs en metahubs. Deze voorstellen zullen een betere communicatie mogelijk maken tussen de zorgverstrekkers, onder meer degenen die betrokken zijn bij de behandeling van diabetespatiënten.

De diabetespas heeft naar mijn mening aan belang ingeboet door de invoering van het zorgtraject diabetes.

Het zorgtraject diabetes realiseert in belangrijke mate datgene waarvoor in de resolutie van 2007 is gepleit met betrekking tot de diabetespas.

Er bestaan momenteel zorgtrajecten voor twee chronische ziekten, namelijk het zorgtraject chronische nierinsufficiëntie, gestart op 1 juni 2009, en het zorgtraject diabetes type 2, gestart op 1 september 2009. Het RIZIV beschikt nog over geen cijfergegevens met betrekking tot het recent gestarte zorgtraject diabetes type 2.

Ter ondersteuning van de zorgtrajecten starten proefprojecten `lokale multidisciplinaire netwerken'. Initiatiefnemers zijn de huisartsenkringen in samenwerking met de geïntegreerde diensten thuiszorg. Deze netwerken werven één of meerdere zorgtrajectpromotoren aan om de samenwerking tussen de verschillende zorgverleners in het kader van de zorgtrajecten te ondersteunen.

Twee projecten zijn gestart, 37 zijn goedgekeurd en hebben een financieringsovereenkomst ter ondertekening gekregen, en 19 nieuwe projecten worden binnenkort ter goedkeuring voorgelegd aan het verzekeringscomité.

Ik ben geen voorstander van de aanstelling van een regeringscommissaris voor diabetes. De Interministeriële Conferentie Volksgezondheid is volgens mij een efficiënt en adequaat instrument, dat de coördinatie van bewustmakingsacties en opvang mogelijk maakt voor aandoeningen waarvoor verschillende ministers en bevoegdheidsniveaus verantwoordelijk zijn. Deze conferentie toonde haar efficiëntie al aan in het kader van de vaccinatiecampagnes of van de opsporing van borstkanker. In dat kader zou, indien er ter zake politieke wil van de verschillende beleidsniveaus is, de Interministeriële Conferentie kunnen besluiten een specifieke werkgroep op te richten om een coherente aanpak van diabetes te coördineren.

De heer Wouter Beke (CD&V). - Het verheugt ons dat naar aanleiding van de resolutie een aantal initiatieven werden genomen. Het is de rol van het parlement toe te zien op de uitvoering van de resoluties.

Diabetes is een zaak van preventie en behandeling. Het is een zaak van Volksgezondheid, maar er zijn ook veel afgeleide effecten, onder meer de discriminaties op de arbeidsmarkt en in de verzekeringssector. Een interministeriële conferentie is een noodzakelijke voorwaarde, maar de vraag is of dit voldoende is. De Wereldgezondheidsorganisatie heeft het over een diabetespandemie. Als ik de vergelijking maak met de grote mobilisatie en vooral de responsabilisering die uitgaat van het griepcommissariaat, dan merk ik dat de sense of urgency niet aanwezig is bij de man of de vrouw in de straat. Ik vraag me af of de aanstelling van een diabetescommissaris geen wezenlijke bijdrage zou kunnen zijn.

Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, belast met Maatschappelijke Integratie. - Het voorstel van de heer Beke zouden we dan ook voor andere ziekten moeten toepassen, bijvoorbeeld voor kanker. Ik ben alleszins bereid mee te werken aan een evaluatie van het zorgtraject voor diabetes en het concrete voorstel in de commissie voor de Sociale Aangelegenheden te bespreken.

Mondelinge vraag van de heer Louis Ide aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, belast met Maatschappelijke Integratie over «de Mexicaanse griep en de mythen rond het vaccin» (nr. 4-941)

De heer Louis Ide (Onafhankelijke). - De heer Beke heeft natuurlijk gelijk wanneer hij opmerkt dat er nog tal van andere ziekten zijn die onze belangstelling verdienen, maar er zijn toch al 130 000 patiënten met het Mexicaanse griepvirus geregistreerd en als het een echte pandemie wordt, zal dat aantal oplopen tot twee miljoen. In de lijn van het voorstel van de heer Beke zou ik overigens ook een commissaris kunnen vragen voor MRSA, kanker, hart- en vaatziekten.

Ik wil mijn vraag beginnen met de minister een verhaaltje te vertellen. Jaren geleden heeft IBM 6 miljard nanochips ontwikkeld. Die nanochips kunnen we niet zien onder de microscoop. Wanneer die chips zouden worden ingeplant bij mensen, dan zou IBM de wereldbevolking kunnen volgen en manipuleren. Beangstigend, niet? Gelukkig kan IBM deze chips niet inplanten. Maar weet de minister dat IBM daarom in een laboratorium een nieuw virus heeft ontwikkeld, het A/H1N1-virus, waartegen in datzelfde lab een vaccin werd ontwikkeld? Op die manier kan IBM die 6 miljard chips toe te dienen aan de wereldbevolking.

Ik ben zelf gevaccineerd en zit dus met zo'n chip, maar ik ben nog goed bij zinnen. Alle gekheid op een stokje, maar een dame kwam dit verhaal voor waar verkondigen in het ziekenhuis waaraan ik verbonden ben. De hoofdgeneesheer heeft haar krachtdadig aan de deur gezet en de andere ziekenhuizen gewaarschuwd.

De meeste artsen doen hun uiterste best om de doelgroepen gevaccineerd te krijgen; in vele ziekenhuizen wordt een vaccinatiecouverture van 75% bereikt. Als griepcoördinator in een ziekenhuis stuit het me wel tegen de borst dat bepaalde artsen mee doen aan deze stemmingmakerij. Vergeet niet dat in de ziekenhuizen heel wat mensen, vrijwillig en gratis, met deze campagne bezig zijn. Dat een burger raaskalt, tot daar aan toe, die weet niet beter, maar dat artsen hieraan meedoen, dat pik ik niet langer.

De klacht van het zogenaamde burgerinitiatief tegen de griepvaccinatie sneuvelde voor de rechtbank. Gelukkig maar. Ik hoop dat de organisatoren ervan veel gerechtskosten mogen betalen wegens het oneigenlijke gebruik van rechtsmiddelen. Indien de minister het wenst, kan ik haar een collectie rommel bezorgen van wat al die zogenaamde collegae te zeggen hebben over de griepvaccins.

Net zoals ik geschokt ben over de houding van die vaccinatiehaters, ben ik geschandaliseerd door het misbruik van vaccins door bepaalde voetbaldokters. Artsen moeten werken volgens richtlijnen, de therapeutische vrijheid is zelfs ondergeschikt aan algemeen aanvaarde medische richtlijnen. De Orde der geneesheren van West-Vlaanderen deed daar al jaren geleden een belangrijke uitspraak over toen een arts een beroep deed op zijn therapeutische vrijheid voor het voorschrijven van antibiotica. Hij vond dat hij zich niet aan de richtlijnen van het ziekenhuis diende te houden. Hij werd zwaar teruggefloten door de Orde. Hetzelfde gaat hier op: de voetbaldokters moeten zich schikken naar het algemeen belang.

De minister van Volksgezondheid van Nederland is zelfs van plan deze artsen te schorsen. Hij kondigde ook aan harder ten strijde te trekken tegen onjuiste informatie over bestrijding van ziekten, niet alleen van Mexicaanse griep, maar ook bijvoorbeeld ook de Q-koorts, die welig tiert in Nederland. Hij vergeleek de verspreiders van indianenverhalen met middeleeuwse kwakzalvers.

Wat gaat de minister doen met de ene en de andere soort artsen? Heeft ze via de registratie al zicht op het succes van de vaccinatie? De Artsennieuwsbrief suggereert dat de vaccinatiehaters meer voet aan de grond krijgen in Franstalig België met als gevolg minder vaccinaties dan in Vlaanderen. Klopt dat?

Wat weet de minister al over de vaccins die de clubdokters toedienden? Waar haalden ze die? Wat weet de minister over eventuele richtlijnen van de Wereldgezondheidsorganisatie met betrekking tot vaccinatie van voetballers?

Verder nog een paar praktische vragen waarmee goedmenende artsen worstelen terwijl ze zoveel mogelijk vaccins trachten te zetten. Voor alle duidelijkheid, ik heb niets tegen registratie in het kader van de farmacovigilantie, integendeel. Maar moet dit verplicht via het eHealth-platform? Het schrijven van de heer Christiaan Decoster van de FOD Volksgezondheid met in bijlage de publicatie in het Belgische Staatsblad van 9 november 2009 suggereert dat. Doch bij mijn weten heeft de minister steeds volgehouden dat het gebruik van eHealth-platform nooit verplicht zou zijn. Ze heeft dat in dit huis verklaard. Hoe zit het nu?

Vervolgens had ik ook graag geweten of wijkgezondheidscentra ook het honorarium van 22,46 euro kunnen aanrekenen voor het zetten het vaccin tegen Mexicaanse griep, ook al zet niet een arts dit, maar bijvoorbeeld een verpleegkundige onder supervisie van een arts. Wat is dan het verschil met het ziekenhuis waar men niets ontvangt voor de geleverde prestaties?

Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, belast met Maatschappelijke Integratie. - De Wereldgezondheidsorganisatie heeft ons laten weten dat er geen formele aanbeveling werd gedaan voor de vaccinatie van topsporters. Op mijn vraag is een onderzoek over de precieze feiten in verband met de vaccinatie van de profvoetballers gestart. Op dit ogenblik hebben we nog niet alle informatie en is het dus nog te vroeg om conclusies te trekken of maatregelen te nemen.

Het is eveneens te vroeg om te concluderen of de vaccinatiecampagne een groter succes heeft in Vlaanderen dan elders. Overal spannen huisartsen zich in om hun risicopatiënten te bereiken en te vaccineren. In Vlaanderen, Brussel en Wallonië doen de artsen dat op verschillende manieren. Sommige artsen hebben zich gegroepeerd, andere werken samen met de gemeente en nog andere vaccineren in hun eigen praktijk, al dan niet met een speciaal uurrooster. Die verschillende mogelijkheden voor de organisatie van de vaccinatie werden toegelaten omdat de eerste lijn in ons land zeer gevarieerde manieren van werken heeft.

Voor de tweede vaccinatiefase wordt wel de verplichting opgelegd de vaccinatie te laten uitvoeren in het kader van een consultatie van een arts, net zoals dat het geval is voor de seizoensgriep, opdat de arts zijn patiënt zo goed mogelijk kan informeren over de voor- en nadelen van deze vaccinatie. Tijdens de eerste vaccinatiefase, waarin huisartsen elkaar vaccineerden en waarin het ziekenhuispersoneel werd gevaccineerd, werd, alweer gelijklopend aan de maatregelen voor de seizoensgriep, niet in een specifieke vergoeding voorzien.

Het onterecht gebruik van vaccins en het onjuist informeren van personen zijn deontologische fouten. Het organisme dat waakt over de deontologie bij artsen is de Orde van geneesheren. Het is dan ook aan de Orde om op te treden indien artsen de deontologie niet respecteren.

Het eHealth-platform bevat noch de registratietoepassing, noch de basisgegevens, maar treedt alleen op als dienstverlener, om te bepalen of de gebruiker wel degelijk een arts is, of hij wel degelijk de houder is van het globaal medisch dossier van de patiënt en ook voor de bepaling van de naam en voornaam van de patiënt, via een raadpleging van het Rijksregister.

Er is echter een uitzondering voor de registratie van de veiligheidsloggings die wel door eHealth opgeslagen worden en die tonen welke arts welke handeling heeft uitgevoerd, zoals de invoering en de raadpleging van de gegevens.

Deze loggings zijn onmisbaar om a posteriori de legitimiteit van de toegang te kunnen nagaan, wat in geval van klacht vereist kan zijn. Het is echter belangrijk te preciseren dat de loggings geen basisgegevens bevatten.

De gegevensbank bevindt zich fysiek inderdaad op dezelfde plaats als de servers die de basisdiensten van het eHealth-platform herbergen, maar wel in opgesplitste informaticalokalen waar ook servers staan die draaien voor de RSZ, de FOD Financiën, de RVA en de KSZ. Die centrale opstelling biedt belangrijke schaalvoordelen en garandeert een technische supervisie van een kwaliteit die bij geografische spreiding niet haalbaar is. De gegevensbank valt onder de juridische verantwoordelijkheid van de FOD Volksgezondheid en niet van het eHealth-platform. Het toezicht op en de verantwoordelijkheid voor de gegevens is toegewezen aan dokter Daniel Reynders.

Elke afzonderlijke instelling heeft uitsluitend toegang tot de eigen gegevens en servers. De regeling voor de toegang van wie instaat voor de technische supervisie, is ondertekend door de verantwoordelijke voor de gegevensbehandeling. Die persoon beschikt tevens over een controlemogelijkheid. Voor de federale gegevensbank betreffende de vaccinatie tegen de A/H1NI-griep oefent dokter Daniel Reynders die controle uit.

Het eHealth-platform slaat dus geen registratietoepassingen op en behalve de loggings, evenmin gegevens.

De heer Louis Ide (Onafhankelijke). - De professoren Van Damme en Van Ranst hadden het tot mijn genoegen bij het rechte eind, aangezien de Wereldgezondheidsorganisatie voor profvoetballers geen formele aanbevelingen heeft gedaan.

De Orde van geneesheren zou er goed aan doen op te treden tegen artsen die foute informatie verstrekken. Intussen heb ik zelf de Orde al ingelicht over de twee soorten artsen aan wier houding ik me buitenmate stoor. Ik verwacht dus vroeg of laat een uitspraak van de Orde.

Sommige huisartsen hebben hun patiënten al opgeroepen, maar raken nog steeds niet aan hun vaccins. Zou het niet goed zijn een meldpunt op te richten waar ze met die problemen terechtkunnen? Ik hoop dat het om sporadische problemen gaat.

De minister tracht me ervan te overtuigen dat het eHealth-platform de privacy eerbiedigt. Ik geloof haar wel, maar heb er nog steeds het raden naar of de registratie via het eHealth-platform wel verplicht is. (De minister knikt instemmend)

Mondelinge vraag van mevrouw Nahima Lanjri aan de staatssecretaris voor Maatschappelijke Integratie en Armoedebestrijding over «het toekennen van financiële steun aan asielzoekers» (nr. 4-933)

De voorzitter. - Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, belast met Maatschappelijke Integratie, antwoordt.

Mevrouw Nahima Lanjri (CD&V). - Ik dank de minister omdat ze namens de staatssecretaris antwoordt, maar dit thema valt ook onder haar bevoegdheid.

We hebben in de Senaat heel wat evaluatiewerk verricht rond de opvangcrisis. Op 2 juli werd het evaluatierapport van de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden over de Opvangwet in de Senaat goedgekeurd. Daarin hebben we heel wat concrete aanbevelingen geformuleerd rond de opvang.

De Opvangwet van 12 januari 2007 voorziet in materiële steun voor asielzoekers en maakte een einde aan de financiële steun die voordien werd gegeven. Om de huidige crisis in de opvang aan te pakken, werd onlangs beslist om aan bepaalde groepen asielzoekers uitzonderlijk toch weer financiële steun te verlenen. Normaal gezien moet het daarbij gaan om mensen die hier al geruime tijd verblijven, teneinde geen aanzuigeffect te creëren. Aldus werd code 207 opgeheven.

Via het OCMW van Antwerpen kreeg ik nu te horen dat er zich al verschillende weken personen aanbieden die amper 4 maanden in België zijn. Het gaat dus niet om mensen die al jarenlang in de opvang zitten. Nieuwkomers worden onmiddellijk naar OCMW's doorverwezen. Er wordt hier geen rekening gehouden met het spreidingsplan, niet met de financiële spreiding, laat staan met de feitelijke spreiding in het veld om een concentratie in getto's in grootsteden te voorkomen. Vóór de Opvangwet er was, werkte het spreidingsplan niet goed: de grootsteden droegen de meeste lasten en hadden de meeste asielzoekers op hun grondgebied.

Er verblijven nog altijd 1200 asielzoekers in hotels. Soms moesten hotels worden ontruimd omdat het bouwwerven waren. Los daarvan is een hotel geen plaats waar je mensen weken- of maandenlang kan opvangen. Er kan op die manier geen adequate begeleiding aan asielzoekers worden gegeven.

Welke concrete maatregelen heeft de staatssecretaris al genomen om de huidige crisis aan te pakken?

Welke aanbevelingen uit ons rapport - het is geen rapport dat gemaakt is om zomaar opzij te leggen - kregen reeds uitvoering? Welke aanbevelingen zal men nog uitvoeren?

Zijn er sinds deze zomer nog ergens extra opvangplaatsen in gebruik genomen?

Welke maatregelen zijn genomen om een einde te maken aan de opvang in hotels?

Hoe komt het dat mensen die hier nauwelijks vier maanden zijn, al worden doorverwezen naar OCMW's? Wanneer is die beslissing genomen en is er overleg en communicatie geweest met de OCMW's hieromtrent? Bestaat er voor die mensen een spreidingsplan dat rekening houdt met zowel de financiële als feitelijke spreiding van de asielzoekers? Ook dat laatste was overigens een aanbeveling uit het rapport van de Senaat.

Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, belast met Maatschappelijke Integratie. - Ik wil eerst staatssecretaris Courard verontschuldigen. Hij verblijft in het buitenland. Ik zal in zijn plaats antwoorden. Ik wil mevrouw Lanjri echter ook verwijzen naar de bijeenkomst van de commissie voor de Binnenlandse Zaken en Administratieve Aangelegenheden van 8 december waar de staatssecretaris een uitvoerige toelichting over de problematiek zal geven.

Ik bevestig dat de regering zowel voor 2009 als voor 2010 bijkomende middelen heeft vrijgemaakt om Fedasil de mogelijkheid te geven de crisis aan te pakken. Er worden nieuwe plaatsen gecreëerd. Aangezien het echter een gevoelige materie betreft, kunnen wij enkel communiceren wanneer de contracten definitief rond zijn. Er wordt permanent overlegd met alle betrokken partners, de OCMW's inbegrepen, om op het terrein tot werkbare initiatieven te komen. Recentelijk werd door Fedasil een instructie uitgevaardigd voor een vrijwillige opheffing van de verplichte plaats van inschrijving, uiteraard met de bedoeling de druk op het netwerk weg te nemen. De doelgroep van die maatregel zijn de bewoners die al vier maanden in het opvangnetwerk verblijven, een woning hebben gevonden en een huurcontract hebben ondertekend. Die mensen kunnen, na een sociaal onderzoek, door een OCMW ten laste worden genomen.

Dat is wat ik voor het ogenblik kan zeggen. De staatssecretaris onderhandelt momenteel met de betrokken partners en zijn collega's. De discussies gaan met name over het scheppen van plaatsen. Ik denk dat hij tegen 8 december in detail op al uw vragen zal kunnen antwoorden.

Mevrouw Nahima Lanjri (CD&V). - Wat mij ten zeerste verontrust, is dat de beslissing om zich in een gemeente te vestigen werd genomen ten voordele van een groep die hier nog maar vier maanden verblijft. Die maatregel had kunnen gelden voor mensen die hier al minstens een jaar of langer in de opvang zitten. De voorkeur zou moeten gaan naar mensen die hier het langst verblijven. Bovendien gaat, wanneer geen spreidingsplan wordt opgelegd, het gros van de asielzoekers zich vestigen in de grootsteden. Dit had men kunnen voorkomen. In het rapport van de Senaat staat uitdrukkelijk dat, wanneer de verplichte plaats van huisvesting wordt opgeheven, het spreidingsplan moet werken. Dat is nu niet het geval. De asielzoekers mogen zich waar dan ook vestigen en uiteraard zullen ze naar de grootsteden trekken. Het spreidingsplan bestond en men had het opnieuw kunnen toepassen. Nu zal er vanuit de grootsteden begrijpelijk weerwerk komen. Ik pleit voor een menselijke opvang en goede oplossingen, maar men mag niet alles op de grootsteden afwentelen.

Ik vraag de regering dus haar beslissing te herbekijken, het spreidingsplan in te voeren en de voorkeur te geven aan de mensen die hier het langst verblijven en niet aan nieuwkomers. Dat kan immers voor een aanzuigeffect zorgen. Ik wil een goede oplossing, maar er moet een draagvlak blijven, ook in de steden.

Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, belast met Maatschappelijke Integratie. - Ik zal uw opmerkingen doorgeven aan staatssecretaris Courard.

Mondelinge vraag van mevrouw Nele Lijnen aan de minister van Pensioenen en Grote Steden over «de invoering van de pensioenportefeuille» (nr. 4-932)

Mevrouw Nele Lijnen (Open Vld). - De vergrijzing van de bevolking komt op ons af. Voor veel werknemers blijft het pensioen echter een ver-van-hun-bed-show. Met de gevolgen op lange termijn van carrièrewendingen of beslissingen inzake de combinatie arbeid en gezin wordt vaak geen rekening gehouden. Vooral vrouwen zijn de dupe, aangezien zij op jongere leeftijd deeltijds gaan werken, tijdelijk uittreden of themaverlof nemen. Er gaan dan ook terecht stemmen op om bewustmakingscampagnes op te zetten opdat werknemers doordachte keuzes zouden maken tijdens hun loopbaan en daarvan de correcte en concrete gevolgen voor hun loon- en dus ook hun pensioenvorming kunnen inschatten.

Daarom stellen wij voor om een pensioenportefeuille in te voeren, waardoor elke werkende tijdens zijn of haar actieve periode jaarlijks een overzicht krijgt van de stand van zaken van zijn of haar pensioenopbouw. Tevens zouden werknemers via een speciaal te ontwerpen calculator simulaties moeten kunnen uitvoeren waarmee ze de invloed van carrièrewendingen op hun pensioen kunnen berekenen en bewust kunnen kiezen voor themaverloven. Dergelijke pensioenportefeuille kan gelden als een permanente, jaarlijks weerkerende bewustmakingscampagne.

De pensioenportefeuille is een noodzakelijk maar ontoereikend instrument. Er moet daarnaast ook gezorgd worden voor gezinsvriendelijke maatregelen en voorzieningen, zoals glijdende werktijden, betaalbare kinderopvang en goedkope gezinshulp via de dienstencheques. Tevens moet de zogenaamde pensioensplit overwogen worden, waardoor het opnemen van gezinstaken een gedeelde verantwoordelijkheid van beide partners wordt.

Tot nog toe hebben we tegen de invoering van de pensioenportefeuille geen principiële bezwaren gehoord. Wel wordt geschermd met praktische bezwaren.

Is de minister van mening dat het meer dan noodzakelijk is om alle werknemers te sensibiliseren over de gevolgen van job- en loopbaankeuzes, meer in het bijzonder over het kiezen voor deeltijds werk of het opnemen van vol- of deeltijds tijdskrediet?

Is de minister voorstander van een snelle invoering van een pensioenportefeuille? Zal de minister initiatieven nemen om de praktische problemen zo snel mogelijk uit de wereld te helpen?

Zal de minister financiële middelen vrijmaken om de pensioenportefeuille op korte termijn te realiseren?

De heer Michel Daerden, minister van Pensioenen en Grote Steden. - Er zijn al meerdere initiatieven ter zake genomen: ontwikkeling van de website www.kenuwpensioen.be, automatische mededeling op de leeftijd van 55 jaar van het loopbaanoverzicht met de raming van de toekomstige pensioenrechten en mededeling van een gepersonaliseerde raming.

Als sommige voorzorgen in acht worden genomen, ben ook ik van mening dat het noodzakelijk is om de burgers, werknemers, zelfstandigen en ambtenaren in te lichten over hun pensioenberekening en over de gevolgen van bepaalde loopbaankeuzes.

Dankzij het nieuwe beheerscontract van de RVP en het Capeloprogramma zal de burger in de toekomst beter en sneller worden geïnformeerd over het toekomstige pensioen. Ik zal daar later zeker op terugkomen.

Ten slotte zullen middelen ter beschikking worden gesteld voor de realisatie van de twee projecten.

Mevrouw Nele Lijnen (Open Vld). - De minister verwijst zeer terecht naar de website www.kenuwpensioen.be, die voorlopig echter alleen maar toegankelijk is voor 55-plussers. Ik roep de minister op de website toegankelijk te maken voor alle werknemers, zodat ze zich vanaf het begin van hun loopbaan kunnen informeren over de gevolgen van hun carrièrekeuzes en over hun pensioenopbouw tijdens hun loopbaan.

De minister heeft ook gezegd dat op korte termijn een informatiecampagne zal worden georganiseerd. Ik juich dat toe en zal de zaak van nabij verder opvolgen.

Mondelinge vraag van de heer Franco Seminara aan de minister van Justitie over «de verslaving aan kansspelen» (nr. 4-930)

De voorzitter. - De heer Carl Devlies, staatssecretaris voor de Coördinatie van de Fraudebestrijding en staatssecretaris, toegevoegd aan de minister van Justitie, antwoordt.

De heer Franco Seminara (PS). - Spelverslaving is een enigszins geïsoleerd en weinig bestudeerd fenomeen. De gevolgen ervan - gezinsontwrichting, bankroet en faillissement - leiden vaak naar het OCMW of naar criminaliteit, zelfmoord of alcoholisme.

Volgens de voorzitter van de Kansspelcommissie, de regulerende instantie voor privéondernemingen - internet- en televisiespelen, casino's, speelautomatenhallen en drankgelegenheden -, die als belangrijkste opdracht heeft de spelers te beschermen, is ongeveer 1% van de Belgische bevolking spelverslaafd.

Het gaat dus om een echt probleem van volksgezondheid waaraan aandacht moet worden besteed en dat speciale maatregelen vereist.

Spijtig genoeg werden in ons land geen ernstige studies over dit onderwerp verricht.

De voorzitter van de Kansspelcommissie vraagt dat studies worden verricht naar het verband tussen schulden en kansspelen en naar de rol van kansspelen in assisenzaken. Zal de minister een initiatief nemen om hieraan tegemoet te komen?

Kan het Belgische voorzitterschap van de Europese Unie in de tweede helft van 2010 een prioriteit maken van de strijd tegen de verslaving?

Zijn overeenkomsten mogelijk met het oog op de uitwisseling van informatie over een verbod op spelen op Europees niveau of in elk geval tussen landen met dezelfde wetgeving?

De heer Carl Devlies, staatssecretaris voor de Coördinatie van de Fraudebestrijding en staatssecretaris, toegevoegd aan de minister van Justitie. - De vragen verbazen mij enigszins. Het wetsontwerp dat de wet op de kansspelen wijzigt en dat goedgekeurd werd in de Kamer, wordt sinds enkele weken in de Senaatscommissie besproken en de vragen die u stelt, worden daarin behandeld. Twee deskundigen inzake spelverslaving hebben er in een hoorzitting de vragen van de senatoren beantwoord. Ik zal de gestelde vragen niettemin beantwoorden.

Wat de studies betreft, beschikt de Kansspelcommissie over een bestand van ongeveer 10 000 personen die zelf een spelverbod vragen. De Nationale Bank beschikt over een lijst van personen met financiële problemen.

De kruising van beide gegevensbanken kan een aanwijzing geven over de mogelijke band tussen schulden en spel. We zouden een dergelijke studie, die ons meer informatie kan geven over de gevaren verbonden aan het spel, aan de Kansspelcommissie kunnen toevertrouwen, met respect voor de privacy uiteraard. Ik onderzoek die mogelijkheid op dit ogenblik.

Wat de criminogene gevolgen van het spel betreft, maken de beschikbare statistieken geen melding van de redenen van de vervolgingen. Zij maken alleen melding van de juridische kwalificatie: diefstal, moord, verduistering en dergelijke meer. Een ambitieuze studie daaromtrent zou niet alleen de band tussen criminaliteit en spel moeten onderzoeken, maar ook de diepere oorzaken van de criminaliteit moeten analyseren.

In de huidige stand van zaken moet de wenselijkheid van een dergelijk onderzoek worden onderzocht door de FOD Justitie, eventueel samen met de Kansspelcommissie.

Die commissie bereidt op dit ogenblik een dossier voor om kansspelen te laten opnemen in het volgende nationale veiligheidsplan dat aan de regering zal worden voorgelegd.

Rekening houden met de gevolgen van kansspelen voor de veiligheid is al een stap in de richting van een omkadering.

De vraag om van spelverslaving een prioriteit te maken van het Europees voorzitterschap, werd voorgelegd aan de regering, meer bepaald aan de minister van Buitenlandse Zaken. De prioriteiten werden echter nog niet afgelijnd.

De kwestie van de kansspelen kon rekenen op de aandacht van de Franse en Zweedse voorzitterschappen. Het Franse voorzitterschap heeft verklaard dat voor de internetspelen een juridisch kader moet worden uitgewerkt. Het Zweedse voorzitterschap heeft de sociale kosten van de kansspelen onder de aandacht gebracht.

Het Belgische voorzitterschap zou dit thema logischerwijze verder moeten uitdiepen. Ik zal dat aan de regering voorleggen in het kader van het algemeen beleid. Ik wil pleiten voor de organisatie van een Europese dag van de bescherming van de speler en voor de opname van de spelverslaving in het Europees verslavingsfonds.

Een doeltreffend beleid voor de bescherming van de speler vereist allereerst dat de Europese Unie duidelijkheid schept wat kansspelen betreft en voor een grotere rechtszekerheid zorgt om de steeds talrijker prejudiciële vragen en inbreukprocedures te voorkomen.

Vorige dinsdag vond in Leuven een studiedag plaats over de reglementering van kansspelen in Europa. Ik heb daar onderstreept dat een Europees kader inzake kansspelen belangrijk is voor de bescherming van de speler.

De voorzitter van de Kansspelcommissie heeft daar meer specifiek gepleit voor een bescherming van de spelers en meer bepaald de kwetsbare en jongste spelers, over een zo groot mogelijk grondgebied.

Hij heeft er ook op aangedrongen dat informatie over het spel en over de pathologische gevolgen ervan op grote schaal zou worden verspreid. De Europese informatiedagen voor de bescherming van de speler moeten in alle landen van Europese Unie tegelijk worden georganiseerd met de steun van radio en televisie.

Hij heeft ook gezegd dat het spelverbod dat door de speler zelf wordt gevraagd, tot alle Europese landen moet kunnen worden uitgebreid. Een doeltreffende bescherming vereist dat die uitsluiting wordt gecontroleerd en dat er gevolgen worden aan verbonden.

Het Belgische voorzitterschap van de Europese Unie biedt een ideale gelegenheid om werk te maken van dergelijke maatregelen. Daarom moet de problematiek van de kansspelen en meer bepaald de spelverslaving, zeker aan bod komen tijdens het Belgische voorzitterschap.

Het lijkt me evident dat de uitwisseling van informatie tussen de lidstaten over het spelverbod ook ter sprake wordt gebracht, temeer omdat gebruik kan worden gemaakt van het internet.

Begin dit jaar heb ik een onderhoud gehad met de Nederlandse minister van Justitie. Hij lijkt voorstander te zijn van informatie-uitwisseling over de lijst met spelers die zelf een spelverbod vragen. In de lente van volgend jaar zal ik daarover ook een gesprek hebben met de Franse minister van Begroting.

De heer Franco Seminara (PS). - Ik dank de staatssecretaris voor deze preciseringen.

Het verheugt me dat het probleem op de agenda staat en dat de regering ermee bezig is. Sommige landen staan duidelijk verder.

Ik hoop dat de staatssecretaris bij de regering met de nodige kracht voor die demarche zal pleiten.

De kwestie is bijzonder belangrijk aangezien 1% van de Belgische bevolking met spelverslaving kampt.

Mondelinge vraag van mevrouw Anke Van dermeersch aan de minister van Justitie over «de vrijlating van verdachten van moord ingevolge de overbelasting van het hof van assisen» (nr. 4-934)

Mevrouw Anke Van dermeersch (VB). - De agenda voor het jaar 2010 van het Brusselse hof van assisen zit nu al overvol. Dat komt onder andere omdat het proces-Habran moet worden overgedaan. Daarnaast staan nog de processen op stapel tegen Leopold Storme en tegen de moordenaars van de politieagente Kitty Van Nieuwenhuysen.

Als gevolg daarvan worden naar verluidt vijf mannen vrijgelaten die verdacht worden van moord of doodslag omdat het Brusselse gerecht er niet in slaagt hen tijdig te laten berechten. Dat gebeurt onder druk van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Als de betrokkenen nog langer in voorarrest worden gehouden, riskeert België een veroordeling door dat Hof.

Het is zelfs denkbaar dat een eventuele veroordeling later door het Hof ongeldig zal worden verklaard wegens een overschrijding van de redelijke termijnen. Het is dan ook perfect denkbaar dat België opnieuw door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens zal worden veroordeeld en dat ons land misschien zelfs een schadevergoeding zal moeten betalen aan die eventuele moordenaars.

Dat stemt misschien allemaal wel overeen met de letter van de wet, maar het druist regelrecht in tegen het meeste elementaire rechtsgevoel van de burger. Er zijn namelijk twee aspecten aan die schandelijke vrijlatingen verbonden. Het eerste aspect is verdragsrechtelijk. Het probleem is gedeeltelijk veroorzaakt, of toch zeker verscherpt, door de zinloze bemoeizucht van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens met de vormvereisten van de Belgische assisenprocedure, die overigens momenteel wordt hervormd. Die regelneverij druist regelrecht in tegen het rechtvaardigheidsgevoel. Zo moest bijvoorbeeld het proces-Habran worden overgedaan wegens een futiliteit. Ik heb in de debatten over de hervorming van de assisenprocedure dan ook voorgesteld zeker een gemotiveerd antwoord te geven op de conclusies van de verdediging van de beschuldigde. Mijn amendementen werden echter verworpen. Het ontbreken van een motivering is voor een groot deel van de burgers inderdaad een futiliteit. De burgers zien alleen dat mensen die waarschijnlijk een moord of doodslag hebben gepleegd, worden vrijgelaten.

Het belangrijkste aspect is echter intern Belgisch. Justitie werkt te traag en de rechtbanken hebben een himalaya van achterstallige dossiers opgebouwd. Specifiek voor Brussel zijn noodmaatregelen nodig. Een andere oorzaak van de niet-naleving van de redelijke termijnen is het feit dat de onderzoeksprocedure te traag en te omslachtig verloopt.

Bevestigt de minister dat de veronderstelde moordenaars zullen moeten worden vrijgelaten omdat het gerecht niet kan volgen? Om hoeveel gevallen gaat het precies?

Heeft de minister reeds maatregelen genomen om die vrijlatingen te verhinderen en zo ja, welke? Wordt bijvoorbeeld een extra kamer van het hof van assisen in Brussel geïnstalleerd, eventueel tijdelijk, om het probleem op te lossen?

Heeft de minister reeds maatregelen genomen om de procedures voor de gerechtelijke onderzoeken te versnellen en zo ja, welke? Welke maatregelen worden in dat verband nog voorbereid?

De heer Stefaan De Clerck, minister van Justitie. - De informatie die is verspreid over de procedures voor het hof van assisen, is niet helemaal correct.

Ik heb geen bevestiging gekregen van een mogelijke vrijlating van vijf van moord verdachte personen die in vrijheid zouden zijn gesteld omdat hun zaak niet op tijd de rechtsdagbepaling heeft gekregen voor het hof van assisen. Dit dossier, indien het al bestaat, heeft men niet kunnen identificeren.

De pers heeft melding gemaakt van een ander dossier. De belanghebbende werd inderdaad op 10 augustus doorverwezen naar het hof van assisen van Brussel-Hoofdstad en op verzoek vrijgelaten door de Kamer van Inbeschuldigingstelling op 5 november 2009. Die beslissing tot opschorting van uitvoering van de gevangenneming is echter uitsluitend gebaseerd op de analyse van de huidige vereisten van de openbare veiligheid.

De voorwaarden die aan die opschorting worden gesteld, hangen af van de woonplaats van de belanghebbende, van zijn inspanningen om werk te zoeken, van zijn medische behandeling en van de oproepingen die hem onder andere door het parket zullen worden opgestuurd. Er is bij deze beslissing, absoluut geen sprake van dat de redelijke termijn van de voorlopige hechtenis wordt overschreden.

Dat neemt echter niet weg dat de problematiek van de assisenprocedures inderdaad bestaat.

Volgens de informatie van de procureur-generaal bij het hof van beroep van Brussel klopt het niet dat voor geen enkele zaak voor het hof van assisen van het administratief arrondissement van Brussel-Hoofdstad nog een rechtsdagbepaling kan worden gevraagd voor 2011.

De huidige toestand van het hof van beroep in Brussel is als volgt. Zes zaken zijn vastgesteld, de laatste op 8 maart 2010. Voor drie dossiers met gedetineerden moet nog een rechtsdagbepaling worden gevraagd, omdat ze respectievelijk op 30 september, 30 september en 28 oktober 2009 werden doorverwezen. Ze zullen in 2010 een rechtsdagbepaling krijgen naargelang van de mogelijkheden. Uiteraard is dit mede afhankelijk van de organisatie van het dossier-Habran. Vanaf 8 maart 2010 kunnen in principe data worden vastgelegd.

De samenstelling van het assisenhof uit de magistraten bij het hof van beroep en de rechtbank van eerste aanleg behoort tot de bevoegdheid van de rechterlijke orde. De organisatie van een assisenproces is afhankelijk van de personeelsbezetting en van diverse factoren, waaronder het aantal zaken en de eventuele concentratie ervan op een bepaald tijdsbestek, de complexiteit ervan en de geschatte duurtijd, alsmede de vereisten van de logistieke omkadering.

Het is me niet bekend of bijkomende zittingszalen werden gevraagd.

Uit de personeelssamenstelling van betrokken rechtsmachten leid ik geen specifieke personeelsproblemen af. Het kader van het hof van beroep te Brussel telt 71 magistraten. Er zijn momenteel slechts twee vacante plaatsen. De procedures tot invulling van die betrekkingen verlopen op normale wijze. Ook bij de rechtbank van eerste aanleg te Brussel zijn er slechts twee vacante plaatsen van rechter op een kader van 105 magistraten. Bovendien zijn er ook nog 43 toegevoegde rechters op dit ogenblik benoemd voor het rechtsgebied van het hof van beroep te Brussel. De personeelsformatie van het parket-generaal, namelijk 26 personeelsleden, bij het hof van beroep te Brussel is volledig ingevuld.

Op 6 november heb ik een brief gestuurd naar de eerste voorzitter bij het hof van beroep van Brussel waarin ik hem mijn bezorgdheid meedeel over het binnen redelijke termijnen vastleggen van de rechtsdagbepaling voor zaken die voor assisen moeten verschijnen.

Ik heb hem ook gevraagd mij eventuele moeilijkheden mede te delen. Hij heeft me laten weten dat hij de mogelijkheid onderzoekt om bij wijze van uitzonderingsmaatregel het aantal zittingen van het hof van assisen te verdubbelen. Hij zou een soort dubbele kamer maken voor assisen, zodat het dossier-Habran in de ene kamer kan worden behandeld en de andere assisendossiers tegelijkertijd in de andere kamer.

Ik zal dit van zeer nabij volgen, want het zou inderdaad niet goed zijn dat de redelijke termijn nog verder wordt overschreden.

Mevrouw Anke Van dermeersch (VB). - Ik dank de minister voor zijn zeer uitgebreid en volledig antwoord. Heb ik het goed begrepen dat men eventueel overweegt het dubbele aantal zittingen te houden, maar dan toch wel met hetzelfde aantal magistraten? Er wordt toch niet gezegd dat het aantal magistraten niet zou volstaan?

De heer Stefaan De Clerck, minister van Justitie. - Inderdaad met hetzelfde aantal magistraten.

Mevrouw Anke Van dermeersch (VB). - Dat is goed.

Er zijn voldoende magistraten, er zijn geen extra zalen gevraagd en uitzonderlijk wordt het aantal zittingen verdubbeld vanwege het proces-Habran, wat is dan precies het probleem?

De heer Stefaan De Clerck, minister van Justitie. - Het probleem is dat het proces-Habran, een langlopend proces, bij de andere assisenzaken in Brussel wordt gevoegd. Het komt er bovenop. Als dat proces tussen de andere zaken in één assisenkamer moet worden behandeld, dan raken die andere zaken geblokkeerd. Daarom zou men met dezelfde magistraten, die ook niet allemaal vanuit het hof van beroep van Brussel moeten komen, in een tijdelijk gesplitste kamer werken. Op die manier kunnen er tegelijkertijd twee assisenprocessen worden gevoerd en lopen we geen verdere vertraging op.

Mondelinge vraag van de heer Hugo Coveliers aan de minister van Justitie over «het zetelen van magistraten in `sporttribunalen'» (nr. 4-935)

De heer Hugo Coveliers (VB). - Terwijl de minister met enkele gegadigden het landschap van Justitie wil hervormen, leggen andere parlementen in ons land leden van de rechterlijke orde bijkomende taken op. In een besluit van 20 juni 2008 richt de Vlaamse regering een soort van sporttribunaal op. Nu ben ik nogal allergisch voor uitzonderingsrechtbanken. Internationale rechtbanken en hoven zijn dat trouwens ook. Daarom past het dit `sporttribunaal' - men noemt het disciplinaire raad of disciplinaire commissie - toch eens even van naderbij te bekijken.

Ik geef toe dat het ook komt omdat dat tribunaal onlangs in een uitspraak nogal sterk formalistisch reageerde en voor een formalistisch feit een bijzonder zware sanctie uitsprak. Het is bijna vergelijkbaar met een taxichauffeur die een jaar rijverbod krijgt omdat hij geen parkeerticket betaalde.

In artikel 64 van het besluit van de Vlaamse regering van 20 juni 2008 staat letterlijk: `Voor de benoeming van de leden en de plaatsvervangende leden van de disciplinaire raad en de disciplinaire commissie die magistraat zijn, kán het advies van het ministerie van Justitie worden ingewonnen.' De Vlaamse regering wil dus zomaar iemand uit de rechterlijke orde kunnen benoemen tot voorzitter of plaatsvervanger - hij wordt daar apart voor betaald, namelijk 200 euro per zitting - en misschien, als het past, zal ze hierover advies vragen aan het ministerie van Justitie, wat dat ook mag zijn.

Het Gerechtelijk Wetboek, artikel 293 en volgende, bepaalt dat magistraten slechts met een koninklijk besluit een afwijking op de algemene regel op het cumulatieverbod kunnen bekomen. Bovendien is een advies van de korpschef vereist.

Intussen is artikel 259bis van het Gerechtelijk Wetboek, namelijk de oprichting van de Hoge Raad voor de Justitie, in werking getreden. Moet, conform artikel 151 van de Grondwet, de Hoge Raad voor de Justitie geen advies formuleren bij de benoeming van een magistraat bij een sporttribunaal? Moet de Raad geen advies geven over de vraag of een magistraat in aanmerking komt om een bijkomende bezoldigde bezigheid kan aannemen in opdracht van de Vlaamse regering?

Ook het feit dat de magistraten in groepjes zijn benoemd, wekt mijn achterdocht. Als men formalisme eist van topsporters, moet men er zelf voor zorgen de eigen vormvoorschriften na te leven. Ook het feit dat er geen beroepsmogelijkheid is, is discretionair en autoritair. De vraag is welke gevolgen dit zal hebben bij een eventuele behandeling voor een ander hof. De kwaliteit van de rechtspraak zou wel eens ter sprake kunnen komen.

Hoeveel magistraten vroegen en bekwamen een afwijking om in deze sporttribunalen te zetelen?

Kreeg elk van deze magistraten een gunstig advies van de korpschef?

Heeft de Vlaamse regering het advies van de minister van Justitie gevraagd?

Werd er, rekening houdend met artikel 259bis van het Gerechtelijk Wetboek advies gevraagd aan de Hoge Raad voor de Justitie?

Waar en wanneer werden al deze adviezen gepubliceerd?

De heer Stefaan De Clerck, minister van Justitie. - Het decreet van 13 juli 2007 inzake medische en ethisch verantwoorde sportuitoefening richt twee verschillende disciplinaire organen op: de disciplinaire commissie en de disciplinaire raad voor hoger beroep. Elk bestaat uit drie leden, onder wie een voorzitter, die door de Vlaamse Regering worden benoemd voor een verlengbare termijn van vijf jaar. De voorzitter en de plaatsvervangende voorzitter zijn magistraten.

Vier magistraten werden aangewezen op voorstel van de minister van Justitie: een voorzitter en een plaatsvervangende voorzitter in de disciplinaire commissie, en een voorzitter en een plaatsvervangende voorzitter in de disciplinaire raad.

De Vlaamse regering heeft vooraf het advies van de minister van Justitie gevraagd. De minister van Justitie heeft, in toepassing van artikel 295 van het Gerechtelijk Wetboek, vooraf het advies ingewonnen van hun rechterlijke overheden.

De bekendmaking van de benoemingsbesluiten valt onder de bevoegdheid van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. De betekening van de machtigingsbesluiten gebeurt door de minister van Justitie aan de gerechtelijke overheden en aan de betrokkenen, via de gerechtelijke overheden.

Artikel 151 van de Grondwet en artikel 259bis van het Gerechtelijk Wetboek zijn niet van toepassing en bijgevolg is de Hoge Raad voor de Justitie niet bevoegd.

Naast dit formele antwoord deel ik nog mee dat het uiteraard goed zou zijn om te gepasten tijde het debat te voeren over de vele gelijkaardige commissies en zou er, gelet op onze vele geregionaliseerde structuren, eens moeten worden nagedacht hoe dit soort van gerechtelijke instanties functioneert. Deze discussie past ook in die over de administratieve rechtbanken in de brede zin van het woord.

In het kader van de debatten over de hervorming van het gerechtelijk landschap zouden we dan ook best nagaan of we ook niet op dat terrein stappen moeten doen. Zonder te willen zeggen dat dit allemaal opnieuw moet worden gefederaliseerd, meen ik wel dat een en ander beter moet worden geïntegreerd in een gerechtelijke orde die naam waardig. Ik ben alleszins bereid om na te gaan hoe we de discussie hierover in de toekomst kunnen voortzetten.

De heer Hugo Coveliers (VB). - Worden de adviezen samen met de machtigingsbesluiten en de benoemingsbesluiten gepubliceerd?

De heer Stefaan De Clerck, minister van Justitie. - Neen.

De heer Hugo Coveliers (VB). - Versta ik het goed dat alleen de minister die adviezen krijgt en dat die nergens worden gepubliceerd.

De heer Stefaan De Clerck, minister van Justitie. - Ze worden alleen aan de magistraten zelf bezorgd.

De heer Hugo Coveliers (VB). - Ik ben het helemaal met de minister eens dat we eens moeten nagaan of dat allemaal wel zinvol is. Het zou goed zijn dat we een overzicht kregen over het aantal magistraten dat in alle mogelijke commissies zetelt, van de Raad van architecten tot de Tuchtraad van de advocaten en dies meer. Te meer omdat sommige van die functies worden vergoed en andere niet. Als men dan ziet in welk tempo die commissies bijeenkomen en men vergelijkt het inkomen dat die magistraten daaruit halen, dan is dat een niet onbelangrijk bijkomend inkomen voor de magistraat in kwestie. Ik zeg niet dat dit overal gebeurt, maar soms creëert dat enige afgunst tussen magistraten, omdat zij er soms van uitgaan dat de Vlaamse regering deze mensen om andere criteria dan de juridische referenties benoemt. Die schijn is er en, zoals men weet: Not only must Justice be done; it must also be seen to be done.

Daarom moeten we het cumulverbod, dat niet ten onrechte in het Gerechtelijk Wetboek is gekomen, toch eens opnieuw bekijken. Als we bij de burger de verwarring willen vermijden tussen de rechtspraak die door de overheid wordt georganiseerd om conflicten te beslechten, en de administratieve regeling, is het beter dat we die twee duidelijk uit elkaar halen en dat we voor een rechtzoekende die zich door een administratief rechtscollege geschaad voelt, een mogelijkheid creëren om bij een civiel rechtscollege terecht te kunnen. Dat is de essentie van mijn pleidooi.

De strafmaat is uiteraard een zaak voor de appreciatie van de rechter, waar ik mij niet mee wil bemoeien.

(Voorzitter: de heer Hugo Vandenberghe, eerste ondervoorzitter.)

De heer Stefaan De Clerck, minister van Justitie. - Misschien kunnen we in de Senaat in het kader van het debat over de nieuwe code voor het sociaal strafrecht die in de Kamer is goedgekeurd, de vergelijking doortrekken. Daar is men immers na een lange traditie van administratieve afhandeling van vele dossiers uiteindelijk toch overgegaan naar een gerechtelijke afhandeling. Het toont aan dat een geïntegreerd functioneren van administratieve en gerechtelijke instanties perfect te organiseren is.

De heer Hugo Coveliers (VB). - Ik vermoed zelfs dat we niet anders zullen kunnen, omdat men bezig is bepaalde afdelingen van de gerechtelijke orde zo te overladen met dat soort van zaken dat het hele systeem zal vastlopen. Men zal niet alleen ongelooflijk veel mankracht moeten steken in al die raden, vergaderingen en commissies, maar er ontstaat ook een ernstig gevaar voor collusie. Sommige magistraten, procureurs en dergelijke spelen ook voor procureur in een bepaalde sporttak en krijgen het imago dat soms aan die sporttak vastkleeft. Dat moet worden bekeken. Dat staat al in het aloude verslag-Van Reepinghen, dat de basis legde voor artikel 392 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek.

Mondelinge vraag van mevrouw Zakia Khattabi aan de minister van Justitie over «de organisatie van de overplaatsing van gevangenen» (nr. 4-937)

Mevrouw Zakia Khattabi (Ecolo). - Het Verdrag over de organisatie van de overplaatsing van gevangenen naar Tilburg is ondertekend. Ik wil niet vooruitlopen op het debat dat hierover volgende week in deze assemblee plaatsvindt, maar wens toch enkele vragen te stellen.

Volgens de minister zijn de eerste overplaatsingen begin 2010 gepland. Dat betekent dat de uitvoering van de overeenkomst al ver is gevorderd. Kan de minister meer informatie geven over de selectie van de gevangenen? Volgens welke procedure zullen de gevangenen worden geselecteerd? Als de selectie gebeurt op basis van vrijwilligheid, zullen de gedetineerden hierover worden ingelicht? Zo niet, welke informatie zullen ze krijgen? Welke procedure zal worden gevolgd? Zal er een oproep worden gedaan?

Wat zal de rol zijn van de diensten, de directies, de psychosociale diensten? Als de selectie op vrijwillige basis gebeurt, hoe zit het dan met de follow-up van de kandidaten? Zal er een motiveringsgesprek worden gevoerd?

Is er een typeprofiel van gedetineerden die kunnen worden overgebracht? Wat zijn de criteria voor het vastleggen van het profiel? Kunnen de `kandidaat-gevangenen' een overbrenging weigeren? Hebben deze gedetineerden een intensieve cursus Nederlands gevolgd of zullen ze dat kunnen doen?

Ik heb ook nog enkele vragen over de eerbiediging van bepaalde rechten van de gevangenen en hun families. Hoe zal het bezoek worden geregeld? Hoe kunnen de families en de advocaten naar de gevangenis? Waar bevindt die gevangenis zich precies? Wat is het mobiliteitsplan? Wie zal de kosten op zich nemen van de verplaatsing van de familie en de advocaten?

Niemand ontkent de rol van de gevangenissen bij de reclassering van gevangenen. Wat gebeurt er met de reclasseringsprojecten? Zullen de organisaties die instaan voor de reclassering van gevangenen en onder de bevoegdheid van de gemeenschappen vallen, zich ter plaatse begeven om de begeleiding van de gevangenen voort te zetten?

Tot slot, hoe zal het Belgische recht op het Nederlandse recht aansluiten?

De heer Stefaan De Clerck, minister van Justitie. - Ik hoop volgende week het volledige verdrag in de Senaat te kunnen toelichten, alle details te geven en u de tekst te bezorgen.

Ik kan evenwel nu al enkele vragen beantwoorden, maar niet altijd even gedetailleerd. De principes van het verdrag worden nog uitgewerkt.

Het Belgische recht zal in de gevangenis van toepassing zijn. Het personeel zal Nederlands zijn, maar de directie Belgisch. Het Nederlandse recht zal alleen worden toegepast wanneer de Nederlandse politie intervenieert, bijvoorbeeld wanneer er een moord is gepleegd of als er zich een drugsprobleem voordoet.

Het verdrag tussen België en Nederland over het ter beschikking stellen van een strafinrichting in Nederland voor de uitvoering van vrijheidsstraffen opgelegd op grond van Belgische veroordelingen werd op zaterdag 31 oktober ondertekend.

De volgende stap is de bespreking van het verdrag in het parlement en de aanneming van het wetsontwerp. Het wetsontwerp betreffende de goedkeuring van het verdrag wordt conform artikel 75, laatste alinea van de Grondwet, eerst in de Senaat ingediend en nadien overgezonden aan de Kamer van Volksvertegenwoordigers.

De datum van uitvoering van het verdrag is vastgelegd op 1 januari 2010. Dat zou natuurlijk ideaal zijn, maar eerst moeten de Belgische en de Nederlandse parlementen het verdrag ratificeren. De algemene directie van de strafinrichtingen werkt aan de noodzakelijke voorbereidingen, zodat het verdrag kan worden uitgevoerd. Meer details kan ik niet geven.

De commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging van de Senaat zal het wetsontwerp komende week behandelen. De tekst van het verdrag zal ter beschikking zijn van alle parlementsleden.

Initieel zullen de gedetineerden vrij kunnen kiezen om naar Nederland te worden overgeplaatst. Er zijn vijfhonderd plaatsen gereserveerd. Als er niet genoeg vrijwilligers zijn, kan de overplaatsing worden opgelegd. Tilburg is als een afdeling van een Belgische penitentiaire instelling. De gevangenis bevindt zich op veertig kilometer van de Belgische grens. Dat is dus niet ver. De Vlaamse gemeenschap zal alle diensten leveren zoals in een Belgische gevangenis met een Nederlandstalig regime. De gevangenen in Tilburg zullen dezelfde behandeling krijgen als de gevangenen in een Vlaamse gevangenis.

De gevangenen die zullen worden overgebracht zijn degenen die uiteraard niet meer voor een rechtbank moeten verschijnen, niet in het kader van een beroepsprocedure, noch in het kader van de strafuitvoering. Ze zullen dus een deel van hun straf uitzitten in Tilburg.

De gedetineerden moeten beantwoorden aan een aantal voorwaarden die opgenomen zijn in de tekst van het verdrag: niet de Nederlandse nationaliteit hebben, want dergelijke overbrengingen zijn geregeld in andere overeenkomsten; geen ontsnappingsrisico vormen of geen sociaal risico vormen op het vlak van de veiligheid van de penitentiaire instelling.

De screening en de besprekingen gebeuren door het directoraat-generaal strafinrichtingen. Ik wacht op hun voorstellen voor de definitie van het profiel van de gedetineerden die naar Tilburg zullen worden overgebracht.

In principe zullen Franstalige gedetineerden niet naar Nederland worden overgebracht: de sociale situatie en het contact met de familie primeren.

In de gevangenis van Tilburg zal het Belgische recht van toepassing zijn.

(Voorzitter: de heer Armand De Decker.)

Mevrouw Zakia Khattabi (Ecolo). - Ik dank de minister voor zijn antwoord. Het roept echter andere vragen op. Ik zal die stellen tijdens het debat dat volgende week wordt gehouden.

De voorzitter. - Mevrouw Khattabi, ik feliciteer u met uw eerste toespraak in de Senaat.

(Algemeen applaus)

Mondelinge vraag van de heer Philippe Monfils aan de minister van Landsverdediging over «het vastlopen van de onderhandelingen met de vakbonden over het strategisch plan van Defensie» (nr. 4-928)

De heer Philippe Monfils (MR). - Het plan van minister De Crem betreft alle sectoren van Landsverdediging, met name de infrastructuur, het materieel en het personeel.

Al mag de budgettaire toestand ons ertoe nopen dat plan te aanvaarden, toch zijn de gevolgen voor een groot deel van het personeel pijnlijk.

We mogen ervan uitgaan dat er van de 6200 militairen die een andere job krijgen toegewezen, 3 800 van standplaats veranderen. In bepaalde gevallen brengt die verhuizing grote problemen met zich. Het personeel van Bierset heeft de terugkeer uit Duitsland al moeten verwerken en nu moet een deel ervan nog naar Heverlee. De militairen van Bastenaken en Aarlen worden honderden kilometers ver overgeplaatst.

Opdat de militairen het plan zouden aanvaarden, is er uiteraard een sociaal begeleidingsplan nodig.

Mijnheer de minister, op mijn vraag hierover in de commissie voor de Landsverdediging van 21 oktober jongstleden hebt u geantwoord dat in een individuele sociale begeleiding wordt voorzien. U had zich ertoe verbonden om over dat precieze punt de vakbonden te raadplegen en ze te betrekken bij de uitwerking van die individuele begeleiding.

Tot op vandaag kwam daarvan echter niets terecht.

Op een eerste vergadering hebben de vakbonden u gevraagd welk budget wordt uitgetrokken voor de individuele sociale begeleiding en of het plan voor Aarlen, Bastenaken en Henegouwen nog kan worden aangepast, wat ook bepaalde parlementsleden al hadden gevraagd. Op de eerste vergadering kwam er geen antwoord. Toen ongelukkig genoeg ook op de tweede vergadering het antwoord uitbleef, zijn de vakbonden opgestapt.

U hebt nu een derde vergadering bijeengeroepen zonder agenda en zonder voorafgaand contact. Uiteraard hebben de vakbonden hebben dan ook hun nationale betoging gehandhaafd.

Bent u bereid uw belofte na te komen en geld uit te trekken voor de individuele sociale begeleiding van militairen die samen met hun gezin moeten verhuizen?

Houdt u rekening met ieders persoonlijke situatie?

Bent u gezien de opmerkingen van de parlementsleden zinnens om bepaalde punten van uw plan voor het personeel in Luxemburg en Henegouwen te wijzigen? Dat zou mijns inziens warm onthaald worden door de militairen en uw globaal plan niet wijzigen?

Bent u voornemens om de onderhandelingen met de vakbonden te hervatten? Zo ja, waar en wanneer? Ik beoog hier niet de vernietiging door de Raad van State van een aantal elementen van het vakbondsoverleg. Dat is een ander probleem waarvoor u een wetgevend initiatief dient te nemen. Ik heb het hier uitsluitend over de sociale gevolgen van het plan dat u door de regering hebt laten goedkeuren.

De heer Pieter De Crem, minister van Landsverdediging. - Het strategisch plan vormt een coherent geheel waarin Defensie op korte termijn een evenwicht moet vinden en zijn ambitie met een verminderd budget kan handhaven.

Met 34 000 mannen en vrouwen moet dat doel in de gegeven budgettaire situatie haalbaar zijn. Door het effectief te verminderen ontstaat er evenwel een overcapaciteit aan infrastructuur met een niet te verwaarlozen functioneringskost. Infrastructuur afbouwen en kwartieren sluiten is dus onvermijdelijk. De overblijvende kwartieren zullen echter een coherent geheel vormen.

Ik heb, samen met mijn stafchef, het initiatief genomen voor dat voorstel op basis van de gemeenschappelijke voorbereiding door zijn diensten en mijn kabinet.

Net als u ben ik mij ervan bewust dat deze hervorming zal gepaard gaan met onder meer een reeks mutaties van het betrokken personeel. Ik herinner u er echter aan dat er geen enkel ontslag valt. Op 12 oktober jongstleden heb ik het plan aan de vakbondsorganisaties voorgesteld met de mededeling dat we in overleg met hen een begeleidingsplan zouden uitwerken.

Op een eerste vergadering op 22 oktober hebben we het begeleidingsplan en een planning uitgewerkt. De vakbondsorganisaties wilden inderdaad weten in welk budget voor de begeleiding is voorzien. Zoals ik ook in de commissie heb gezegd, is voor die begeleidingsmaatregelen vooraf geen budgettaire enveloppe vastgelegd. Dat gebeurt pas als de onderhandelingen afgerond zijn.

Het plan vormt een geheel. De inhoud ervan aanpassen of de uitvoering vertragen zou uiterst negatieve budgettaire implicaties hebben. Het plan is noodzakelijk om de toekomst van de Belgische strijdkrachten te verzekeren en dient dan ook snel te worden uitgevoerd.

Ik wil dit nog vóór het einde van de legislatuur realiseren. Alleen op die wijze is de hervorming op termijn levensvatbaar. Het zou voor mij veel gemakkelijker zijn de kwartieren die moeten verdwijnen, te behouden en de sluiting tot de volgende legislatuur uit te stellen. Dat is echter niet het beleid waarvoor ik ga.

Ik heb mijn medewerkers dus de opdracht gegeven om, samen met de vakbondsorganisaties, begeleidingsmaatregelen uit te werken. Drie organisaties hebben vanaf de tweede vergadering besloten om de onderhandelingstafel te verlaten en komende zondag te betogen. Ik betreur die beslissing, maar ik respecteer ze.

Ondertussen hebben die organisaties gelukkig hun voorstellen kenbaar gemaakt. Ik heb dus aan mijn medewerkers gevraagd het voorbereidend werk voort te zetten met de vakbond die aan de onderhandelingstafel is gebleven.

Ik wil de geplande maatregelen niet opleggen. Integendeel. Ik wil ze, samen met alle representatieve vakbondsorganisaties zo vlug mogelijk concretiseren.

Ik meen te begrijpen dat de drie betrokken organisaties niet vóór de betoging van zondag aan de onderhandelingstafel wensen terug te keren. Vanaf maandag tracht ik de dialoog weer op gang te brengen.

Ondertussen heeft mijn administratie een voorstel van maatregelen uitgewerkt. Naast financiële maatregelen zijn ook een reeks praktische maatregelen uitgewerkt.

Zo wordt onder meer voorgesteld de personeelsleden te raadplegen zodat rekening kan worden gehouden met hun professionele en hun gezinssituatie.

We stellen voor om de betrokkenen te helpen in het vinden van een andere woning, om hun verhuizings- en installatiekosten te helpen betalen, om faciliteiten voor de huurwaarborg toe te kennen.

We bieden faciliteiten voor de families met kinderen wat uurroosters, kinderopvang, tussenkomst in de schoolkosten betreft.

Onze sociale dienst wordt geactiveerd via de oprichting van een enig loket en prioriteit wordt gegeven aan strikt sociale tussenkomsten, toewijzing van logement, verlof, enzovoorts.

Over alle maatregelen wordt zo vlug mogelijk onderhandeld. Ik dring erop aan dat elke situatie met de nodige aandacht wordt onderzocht. De onzekere toekomst maakt het personeel ongerust. Om die ongerustheid weg te werken heb ik mijn departement instructies gegeven om ervoor te zorgen dat iedereen zo vlug mogelijk op de hoogte wordt gebracht van zijn situatie.

Ik wens niet terug te komen op het infrastructuurplan. Het moet zo vlug mogelijk worden uitgevoerd. Het is een evenwichtig en samenhangend geheel. Het raakt alle provincies. Mijn provincie en mijn kieskring blijven evenmin gespaard. Veranderingen zouden compenserende maatregelen vergen, met name andere sluitingen en een aanpassing van de finale organisatie. In dit dossier moeten we niet alleen beslissingen nemen. We moeten die beslissingen ook uitvoeren. Ik zal rekening houden met individuele wensen en met de suggesties van de vakbonden. Ik ben ook te allen tijde bereid tot dialoog, maar ik herhaal dat ik niet terugkom op het infrastructuurplan.

De heer Philippe Monfils (MR). - Ik wens twee zaken op te merken.

Mijnheer de minister, u blijft onverzettelijk vasthouden aan het geografisch plan. Op de vergadering van 21 oktober had ik menen te begrijpen - ik was overigens niet de enige - dat u bereid was u te beraden over Henegouwen en over de bijzondere situatie in Aarlen en Bastenaken. Na de discussie in de gemengde commissie Kamer-Senaat, stelt u zich echter opnieuw onverzettelijk op. Ik neem daar nota van en ik betreur dat. Ik dacht immers dat een mouw kon worden gepast aan bepaalde voor het personeel uiterste moeilijke situaties. Ik verwijs opnieuw naar Bastenaken, maar we gaan de discussie van 21 oktober niet opnieuw voeren.

Mijn tweede opmerking betreft het overleg. Voor een dialoog moet je met twee zijn, om te onderhandelen ook. De vakbondsafvaardiging verwijt u echter dat op de tweede vergadering elk antwoord uitbleef. Ik weet wel dat men de sociale tegemoetkomingen niet op honderdduizend euro na kon vastleggen, maar men had een enveloppe kunnen aangeven, een stappenplan bepalen en uitleggen hoe er per geval wordt beslist.

In de openbare vergadering van de Senaat zet u de deur op een kier. Dat verheugt me, maar mocht u dat tijdens de onderhandelingen hebben gedaan, dan zou er vandaag meer dan één vakbondsorganisatie aan de tafel hebben gezeten en had u ons beslist de betoging van zondag kunnen besparen.

Militairen zijn moedige mensen. Ze betogen niet op een donderdag of een vrijdag zoals andere sectoren, maar alleen als ze met verlof zijn. En het moet al veel gebeuren voor ze hun kazerne verlaten!

Ik vraag u niets onverlet te laten om het contact te herstellen en cijfers, concrete voorstellen en een planning voor beslissende onderhandelingen voor te stellen.

Ik hoop alleszins dat begrip wordt opgebracht voor de gevolgen die de verhuizing met zich brengt en dat voor de militairen en hun gezinnen een aanvaardbare oplossing wordt gevonden.

De heer Pieter De Crem, minister van Landsverdediging. - Ik zal uiteraard rekening houden met de suggesties en de aanbevelingen van de heer Monfils.

Het probleem van de planning snijd ik volgende week in de Kamercommissie voor Defensie aan. Ik zal ook rekening houden met de opmerkingen van de heer Monfils over de verhuizing en de moeilijkheden die daarbij rijzen.

Mondelinge vraag van de heer Jean-Paul Procureur aan de staatssecretaris voor Mobiliteit over «de veiligheidsdiensten van de vliegtuigmaatschappij El Al op de luchthaven van Zaventem» (nr. 4-936)

De heer Jean-Paul Procureur (cdH). - De Israëlische luchtvaartmaatschappij El Al neemt draconische veiligheidsmaatregelen, zowel bij de inscheping en bij het uitstappen als tijdens de vlucht. Ze is trouwens één van de weinige maatschappijen die gewapende agenten in haar vliegtuigen meeneemt.

In de hall van de luchthaven van Zaventem blokkeren die agenten bagage en gaan zij over tot fouillering en lange ondervragingen, die soms arbitrair lijken te zijn. Een Belgische die naar Palestina ging voor een pelgrimstocht werd gedurende drie uur ondervraagd en onderging een fouillering. De Israëlische veiligheidsdiensten hebben bovendien haar bagage 48 uur achtergehouden. Sommige reizigers hebben het ook over vragen over het privéleven of persoonlijke meningen.

We moeten inderdaad waakzaam zijn en de veiligheid van de passagiers garanderen, maar de gehanteerde middelen moeten worden gecontroleerd om misbruiken te voorkomen.

Moeten de veiligheidsagenten van El Al een identificatiebadge van de luchthaven dragen? Hebben zij de vereiste toelatingen en afwijkingen gekregen om passagiers te fouilleren en te ondervragen? Mogen zij wapens dragen?

Heeft de staatssecretaris of de Directeur-generaal Luchtvaart het veiligheidsprogramma van El Al goedgekeurd? Kan de burger die zich bovenmate gebruuskeerd zou voelen een beroep doen op de officiële aanwezigheid van een lid van de veiligheidsdiensten van de luchthaven?

Werden de veiligheidsmaatregelen van die maatschappij op Brussel-Nationaal geëvalueerd?

De heer Etienne Schouppe, staatssecretaris voor Mobiliteit. - De veiligheidsagenten van de luchtvaartmaatschappij El Al worden niet vrijgesteld van de controles waaraan het personeel dat actief is in de beperkte toegangszones van de luchthaven zich moet onderwerpen. Ze moeten dus een identificatiebadge hebben.

Er werd overeengekomen dat Israëlische veiligheidsagenten aanwezig kunnen zijn bij de registratie en de inscheping van passagiers. Ze kunnen passagiers ondervragen, maar wanneer een grondig onderzoek van een passagier of van zijn bagage noodzakelijk lijkt, moet een vertegenwoordiger van de luchthaveninspectie aanwezig zijn. Enkel die laatste is bevoegd om een passagier te fouilleren.

Momenteel beschikken twee Israëlische veiligheidsagenten over een vergunning om een wapen te dragen op de luchthaven van Brussel-Nationaal. Die werd hun gegeven door de FOD Binnenlandse Zaken en het Directoraat-generaal Luchtvaart voor de airside zones van de luchthaven.

Over de toegepaste veiligheidsmaatregelen wordt geregeld overleg gepleegd en ze worden vastgelegd in het kader van het Nationaal Veiligheidscomité voor de burgerluchtvaart en het lokaal Veiligheidscomité van de luchthaven van Brussel-Nationaal, waarin alle openbare diensten en de politie vertegenwoordigd zijn.

Kan een burger die zich bovenmate gebruuskeerd zou voelen de aanwezigheid van een lid van de veiligheidsdienst van de luchthaven vragen? Wanneer een grondig onderzoek van een passagier of van zijn bagage noodzakelijk is, moet er altijd een vertegenwoordiger van de luchthaveninspectie aanwezig zijn.

Op uw vraag of ikzelf of de Directeur-generaal Luchtvaart een evaluatierapport hebben ontvangen over de veiligheidsmaatregelen die gelden voor deze luchtvaartmaatschappij op Brussel-Nationaal, kan ik antwoorden dat er inderdaad klachten zijn geweest die aanleiding hebben gegeven tot een onderzoek. Daaruit bleek dat er geen flagrante inbreuken waren op de normen, maar dat sommige akkoorden vaag waren. Er werd een overleg georganiseerd met alle betrokken Belgische en Israëlische veiligheidsdiensten. Dat overleg moet op korte termijn leiden tot een formeel akkoord over de veiligheidsprocedures van El Al.

De heer Jean-Paul Procureur (cdH). - Ik dank de minister voor deze verduidelijkingen. Hij bevestigt dat de klacht in kwestie geen alleenstaand geval is. Meerdere klachten wijzen inderdaad in dezelfde richting. Een nieuwe evaluatie was dus noodzakelijk. We zullen dit dossier aandachtig volgen en erop terugkomen om de resultaten van de nieuwe evaluatie te kennen.

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst betreffende de sociale zekerheid tussen het Koninkrijk België en Quebec, ondertekend te Quebec op 28 maart 2006 (Stuk 4-1391)

Algemene bespreking

Mevrouw Olga Zrihen (PS), rapporteur. - De commissie heeft dit wetsontwerp onderzocht tijdens haar bijeenkomst van 28 oktober.

Québec neemt in Canada een bijzondere plaats in en heeft een eigen socialezekerheidssysteem ontwikkeld. Het lopende Belgisch-Canadese verdrag inzake sociale zekerheid beantwoordt niet aan die specifieke situatie. Om een gelijke behandeling te garanderen tussen onze landgenoten in Québec en in de rest van Canada, diende een verdrag met Québec te worden afgesloten.

De conventie waarover dit verslag handelt, regelt de situatie van werknemers en zelfstandigen die tijdens hun loopbaan onderworpen waren aan de socialezekerheidssystemen van België en Québec of die van het ene naar het andere regime overstappen.

De beoogde takken van de sociale zekerheid zijn de pensioenen, de prestaties bij overlijden en invaliditeit, de gezondheidszorg en de moederschapsverzekering, de arbeidsongevallen en de beroepsziekten. De conventie wil dubbele heffingen voorkomen voor onderdanen van Québec die een beroepsactiviteit uitoefenen in België en voor Belgen die een beroepsactiviteit in Québec hebben. Ze wil tevens de in de twee landen verworven socialezekerheidsrechten behouden en de gelijkheid van behandeling garanderen voor de onderdanen die op het grondgebied van de andere contractpartij verblijven. De conventie zal bovendien de overgang van het ene sociale zekerheidsregime naar een ander vergemakkelijken.

De onderhandelingen zijn zonder grote problemen verlopen. Beide partijen streefden hetzelfde doel na, namelijk het bieden van alle noodzakelijke garanties aan hun onderdanen.

De artikelen 1 tot 3 en het geheel van het wetsontwerp werden eenparig door de negen aanwezige leden aangenomen.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(De tekst aangenomen door de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging is dezelfde als de tekst van het wetsontwerp. Zie stuk 4-1391/1.)

-De artikelen 1 tot 3 worden zonder opmerking aangenomen.

-De stemming over het wetsontwerp in zijn geheel heeft later plaats.

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en de Republiek Chili tot het vermijden van dubbele belasting en tot het voorkomen van het ontgaan van belasting inzake belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, en met het Protocol, gedaan te Brussel op 6 december 2007 (Stuk 4-1401)

Algemene bespreking

De voorzitter. - Mevrouw de Bethune verwijst naar haar schriftelijke verslag.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(De tekst aangenomen door de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging is dezelfde als de tekst van het wetsontwerp. Zie stuk 4-1401/1.)

-De artikelen 1 en 2 worden zonder opmerking aangenomen.

-De stemming over het wetsontwerp in zijn geheel heeft later plaats.

Wetsontwerp houdende instemming met het Akkoord over wederzijdse administratieve bijstand op het gebied van de douane tussen de Regering van het Koninkrijk België en de Regering van de Republiek Mauritius, gedaan te Brussel op 10 april 2007 (Stuk 4-1402)

Algemene bespreking

De voorzitter. - De heer Mahoux verwijst naar zijn schriftelijke verslag.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(De tekst aangenomen door de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging is dezelfde als de tekst van het wetsontwerp. Zie stuk 4-1402/1.)

-De artikelen 1 en 2 worden zonder opmerking aangenomen.

-De stemming over het wetsontwerp in zijn geheel heeft later plaats.

Wetsontwerp houdende goedkeuring van de wijzigingen van de statuten van de internationale Bank voor wederopbouw en ontwikkeling bij resolutie 596 van 30 januari 2009 van de Raad van Gouverneurs van de internationale Bank voor wederopbouw en ontwikkeling met het oog op de hervorming van het stemgewicht en deelname van de ontwikkelings- en transitielanden in de Internationale bank voor wederopbouw en ontwikkeling (Stuk 4-1420)

Algemene bespreking

Mevrouw Olga Zrihen (PS), rapporteur. - Dit wetsontwerp heeft tot doel de wijzigingen goed te keuren van de statuten van de Internationale bank voor wederopbouw en ontwikkeling - IBRD, International Bank for Reconstruction and Development - die deel uitmaakt van de Wereldbank. De Raad van gouverneurs van de IBRD heeft die wijzigingen geformuleerd in zijn resolutie 596. Ze hebben tot doel het stemgewicht en de inspraak van de ontwikkelings- en de transitielanden in de bank te verhogen. Ze maken deel uit van een eerste reeks maatregelen. De voorgestelde statuutwijziging wil de basisstemmen verdubbelen en de verhouding tussen het aantal basisstemmen en het totaal aantal stemmen vastleggen.

België steunde de voorgestelde wijzigingen op een actieve wijze in de Raad van bestuur en de Raad van gouverneurs. De voorgestelde statuutwijziging is noodzakelijk om de overeengekomen hervorming van de stemgewichten en de inspraak in de IBRD uit te voeren. Het is dus van belang dat België, gelet op zijn vooraanstaande rol in de IBRD als belangrijk aandeelhouder en als leider van de grootste kiesgroep, de voorstellen binnen een redelijke termijn goedkeurt.

Aangezien het om een aanpassing van een internationale overeenkomst gaat, kan België zijn goedkeuring slechts formeel bevestigen tegenover de IBRD nadat de wijzigingen door het parlement zijn goedgekeurd.

De artikelen 1 en 2, alsook het geheel van het wetsontwerp, werden eenparig door de negen aanwezige leden aangenomen.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(De tekst aangenomen door de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging is dezelfde als de tekst van het wetsontwerp. Zie stuk 4-1420/1.)

-De artikelen 1 en 2 worden zonder opmerking aangenomen.

-De stemming over het wetsontwerp in zijn geheel heeft later plaats.

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten van Amerika inzake de verwerking en overdracht van persoonsgegevens van passagiers (PNR-gegevens) door luchtvaartmaatschappijen aan het Ministerie van Binnenlandse veiligheid van de Verenigde Staten van Amerika (PNR-Overeenkomst 2007), gedaan te Brussel op 23 juli 2007 en te Washington op 26 juli 2007 (Stuk 4-1432)

Algemene bespreking

De voorzitter. - De heer Fontaine verwijst naar zijn schriftelijke verslag.

De heer Benoit Hellings (Ecolo). - Deze overeenkomst herinnert ons aan het begin van debat dat we twee weken geleden hielden over de Europese richtlijn van 15 maart 2006 betreffende de verzameling van persoonsgegevens op de telefoonnetten en het internet in Europa.

De registratie van persoonsgegevens in informaticabestanden neemt toe, en dat in naam van een vage en ongedefinieerde terreurdreiging.

Die tendens is op een gevaarlijke wijze versterkt sinds de terreuraanslagen van 11 september.

Deze overeenkomst houdt in dat elke burger die vanop een Europese luchthaven naar de Verenigde Staten reist, als een potentiële verdachte wordt beschouwd. Het wetsontwerp bepaalt dat de Passenger Name Record (PNR)-gegevens van alle passagiers die vanuit Europa het Amerikaanse luchtruim binnenkomen, preventief worden verzameld. Die gegevens worden geanalyseerd vanuit het oogpunt van het risico op terrorisme.

Voor het eerst in de geschiedenis van de Europese Unie wordt een systeem voor het verzamelen van gegevens met een expliciet repressief karakter a priori toegepast op alle burgers die naar de Verenigde Staten reizen.

Voor Ecolo kan een repressief apparaat, politieel of gerechtelijk, enkel gericht zijn op mensen die onwettige daden stellen of van wie wordt vermoed dat ze misdaden zullen plegen. De overeenkomst is nog niet geratificeerd, maar de meeste Europese luchtvaartmaatschappijen vrezen dat ze verbod zullen krijgen om over het Amerikaanse grondgebied te vliegen of er te landen en bezorgen alvast de persoonsgegevens aan de bevoegde diensten van de Verenigde Staten.

Op 19 augustus jongstleden mocht een vliegtuig van Air France, op weg van Parijs naar Mexico, het Amerikaanse luchtruim niet in. Het moest boven de Atlantische Oceaan van koers veranderen, wat enorme vertragingen veroorzaakte. Mensenrechtenactivist Paul-Émile Dupret werd door de bemanning op de hoogte gebracht van het feit dat hij voorkwam op een no fly list, een lijst van personen die terreuracties zouden kunnen ondernemen tegen de Verenigde Staten. De heer Dupret is een militant van extreem links en heeft kritiek op het beleid van de Verenigde Staten ten opzichte van het Zuiden. Hij heeft dat recht. Hij had geen explosieven of messen bij zich en ook geen plan voor een aanslag tegen de Verenigde Staten. Hij wou via Mexico naar Colombia en maakte daarvoor gebruik van het Amerikaanse luchtruim.

Een kruising van statistische gegevens over deze passagier met andere gegevens waarover de Amerikaanse inlichtingendiensten beschikten, verklaart de handelswijze van de Amerikaanse veiligheidsdiensten. Een algoritme, een vergelijking - en geen formeel bewijs - zette de Amerikaanse autoriteiten ertoe aan een vliegtuig om te leiden.

Hoe kunnen we aanvaarden dat de veiligheid van een vlucht in het gedrang wordt gebracht en dat de reputatie van één van de passagiers wordt aangetast zonder dat er ook maar enig vermoeden is gerezen?

Als we toestaan dat persoonsgegevens worden overgedragen, zullen we in de toekomst wellicht vaker met dit soort ontsporingen worden geconfronteerd. De angst voor het terrorisme zet de regeringen in het algemeen en de regering van de Verenigde Staten er in het bijzonder toe aan alles te willen controleren. In een geglobaliseerde economie is het echter onmogelijk alles te controleren. De regeringen registreren daarom alles en de regering van de Verenigde Staten vraagt ons haar te helpen bij het verzamelen van gegevens.

De massa informatie is veel te groot om ze te analyseren. Ingewikkelde software berekent de risico's en de onderlinge verbanden, wat desastreuze gevolgen heeft zoals in het geval van de Air Francevlucht.

In een model waarbij de openbare veiligheid wordt geregeld door de statistiek en niet door bewijzen, is geen plaats voor revolte. De ongewone passagier op de vlucht naar Mexico heeft dat op een pijnlijke en onaanvaardbare wijze ondervonden.

De regering van de Verenigde Staten vraagt ons de fundamentele vrijheden van de Europese burgers in te perken. Wat een tegenstrijdigheid! Op die manier helpt ze de terroristen immers hun politieke doel te bereiken.

Om die reden zal Ecolo tegen dit wetsontwerp stemmen.

De heer Hugo Coveliers (VB). - Het behoeft geen betoog dat de perceptie van het begrip `privacy' sterk verschilt naargelang van het werelddeel waar men verblijft, zoals ook wel eens de perceptie van mensenrechten durft te verschillen naargelang van het werelddeel waar men verblijft.

We moeten zeer voorzichtig zijn met een eventuele selectieve verontwaardiging naar aanleiding van een verdrag. Dat op 19 november 2001 in de Verenigde Staten al een wet is gestemd in verband met de terroristische dreiging, lijkt mij zeer logisch als men weet wat er nauwelijks twee maanden voordien in New York is gebeurd.

Dat het tot een botsing komt tussen de Europese en Amerikaanse opvatting over de privacy is ook zeer duidelijk. Daarom is het precies de verdienste van de onderhandelingen dat de Amerikaanse douane een toegeving heeft gedaan om ervoor te zorgen dat de privacygegevens die worden meegedeeld, en die eigenlijk conform de Amerikaanse wetgeving niet geheim zijn, toch geheim worden gehouden wanneer het over Europese burgers gaat.

We moeten rekening houden met het verschil in perceptie, met het feit dat het gaat om een werelddeel waar men enigszins getraumatiseerd is door het terrorisme en dat misschien meer op zijn hoede is voor aanslagen dan Europa, waar men probeert te voorkomen dat het opnieuw tot zeer zware incidenten via de luchtvaart komt. Overigens geef ik als passagier naar de Verenigde Staten zeer graag alle gegevens over mijn whereabouts, wat betreft eten, drinken, religie, noem maar op, op voorwaarde dat ik er zeker van ben dat geen enkele van de andere passagiers die in mijn vliegtuig zitten met terroristische bedoelingen over de oceaan wil vliegen. Is er wel zo iemand aan boord, dan is het waarschijnlijk de laatste keer voor iedereen die in dat vliegtuig zit.

Wij zullen dit verdrag goedkeuren omdat het een afweging is van een aantal vrijheden, in het kader van de privacy zoals die in Europa gepercipieerd wordt, die wij afstaan, terwijl wij in ruil daarvoor de gigantische vrijheid krijgen van de bijna-zekerheid dat we veilig over en weer kunnen vliegen.

Wij doen niet mee aan die selectieve verontwaardiging. Ook in België bestaan er lijsten met personen en groeperingen die worden gevolgd. Daarover heb ik Ecolo nog nooit horen interpelleren.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(De tekst aangenomen door de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging is dezelfde als de tekst van het wetsontwerp. Zie stuk 4-1432/1.)

-De artikelen 1 en 2 worden zonder opmerking aangenomen.

-De stemming over het wetsontwerp in zijn geheel heeft later plaats.

Voorstel tot wijziging van de artikelen 13 en 15 van het reglement van de Senaat (van de heer André Van Nieuwkerke c.s., Stuk 4-1364)

Algemene bespreking

De voorzitter. - Het woord is aan de heer Delpérée voor een mondeling verslag.

De heer Francis Delpérée (cdH), rapporteur. - Het Bureau heeft me gevraagd een mondeling verslag uit te brengen over een voorstel tot wijziging van de artikelen 13 en 15 van het reglement van de Senaat.

De wet van 26 mei 2003 tot regeling van de vertegenwoordiging van de Wetgevende Kamers in en buiten rechte is zeer duidelijk.

Voor het optreden in rechte vertegenwoordigt de voorzitter de assemblee, zowel als eiser als ter verdediging.

Wat het optreden buiten rechte betreft, is de tekst daarentegen onvolledig, aangezien hij verwijst naar het reglement van de assemblee. Dat zegt daarover echter niets. Die leemte moet worden opgevuld door het invoeren van een parallellisme tussen de vertegenwoordiging van de Senaat voor het optreden buiten rechte en de interne bevoegdheidsverdeling binnen de assemblee.

Dat wil zeggen dat in zaken waarvoor de Quaestuur bevoegd is, de quaestoren de Senaat voor het optreden buiten rechte zullen vertegenwoordigen. Voor zaken waarvoor zij niet bevoegd zijn, oefent de voorzitter zijn residuaire bevoegdheid uit om de vertegenwoordiging van onze assemblee te garanderen.

De voorgestelde tekst is geïnspireerd op artikel 11 van het huidige reglement dat quaestoren de mogelijkheid biedt, voor de aangelegenheden en voor de tijd die ze bepalen, de uitoefening van hun bevoegdheden met inbegrip van de bevoegdheid de Senaat buiten rechte te vertegenwoordigen, over te dragen aan een of twee van hen of aan de ambtenaren-generaal.

Dat zijn de voorgestelde wijzigingen aan het reglement van de Senaat. Het voorstel werd eenparig door de vijftien leden van het Bureau aangenomen.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(De tekst aangenomen door het Bureau is dezelfde als de tekst van het wetsvoorstel. Zie stuk 4-1364/1.)

-De artikelen 1 en 2 worden zonder opmerking aangenomen.

-De stemming over het wetsvoorstel in zijn geheel heeft later plaats.

Parlementaire Assemblee van de Raad van Europa en Assemblee van de West-Europese Unie

De voorzitter. - De volgende wijziging wordt voorgesteld in de samenstelling van de Senaatsafvaardiging bij de Parlementaire Assemblee van de Raad van Europa en de Assemblee van de West-Europese Unie:

Derhalve is de delegatie van de Senaat bij de Parlementaire Assemblee van de Raad van Europa en de Assemblee van de West-Europese Unie samengesteld als volgt:

Effectieve vertegenwoordigers:

Plaatsvervangende vertegenwoordigers:

-Hiervan zal kennis worden gegeven aan de minister van Buitenlandse Zaken en aan de voorzitters van beide Europese vergaderingen.

Stemmingen

(De naamlijsten worden in de bijlage opgenomen.)

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst betreffende de sociale zekerheid tussen het Koninkrijk België en Quebec, ondertekend te Quebec op 28 maart 2006 (Stuk 4-1391)

Stemming 1

Aanwezig: 57
Voor: 56
Tegen: 0
Onthoudingen: 1

De heer Louis Ide (Onafhankelijke). - Ik vind het zo ironisch dat in de memorie van toelichting wordt vermeld dat Québec een bijzondere plaats inneemt in Canada en zijn eigen socialezekerheidsstelsel heeft ontwikkeld. België kan hier nog iets van leren.

-Het wetsontwerp is aangenomen.

-Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en de Republiek Chili tot het vermijden van dubbele belasting en tot het voorkomen van het ontgaan van belasting inzake belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, en met het Protocol, gedaan te Brussel op 6 december 2007 (Stuk 4-1401)

Stemming 2

Aanwezig: 57
Voor: 57
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

-Het wetsontwerp is eenparig aangenomen.

-Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.

Wetsontwerp houdende instemming met het Akkoord over wederzijdse administratieve bijstand op het gebied van de douane tussen de Regering van het Koninkrijk België en de Regering van de Republiek Mauritius, gedaan te Brussel op 10 april 2007 (Stuk 4-1402)

Stemming 3

Aanwezig: 57
Voor: 57
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

-Het wetsontwerp is eenparig aangenomen.

-Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.

Wetsontwerp houdende goedkeuring van de wijzigingen van de statuten van de internationale Bank voor wederopbouw en ontwikkeling bij resolutie 596 van 30 januari 2009 van de Raad van Gouverneurs van de internationale Bank voor wederopbouw en ontwikkeling met het oog op de hervorming van het stemgewicht en deelname van de ontwikkelings- en transitielanden in de internationale Bank voor wederopbouw en ontwikkeling (Stuk 4-1420)

Stemming 4

Aanwezig: 56
Voor: 56
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

-Het wetsontwerp is eenparig aangenomen.

-Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten van Amerika inzake de verwerking en overdracht van persoonsgegevens van passagiers (PNR-gegevens) door luchtvaartmaatschappijen aan het Ministerie van Binnenlandse veiligheid van de Verenigde Staten van Amerika (PNR-Overeenkomst 2007), gedaan te Brussel op 23 juli 2007 en te Washington op 26 juli 2007 (Stuk 4-1432)

Stemming 5

Aanwezig: 57
Voor: 47
Tegen: 7
Onthoudingen: 3

Mevrouw Olga Zrihen (PS). - Ik heb me onthouden. Tijdens de commissiebesprekingen hebben de leden van onze fractie uitvoerig uiting gegeven aan hun ongenoegen over de wijze waarop bepaalde gegevens worden behandeld en over het feit dat we niet over alle garanties beschikken voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.

Deze overeenkomst werd gesloten tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten. Als parlementaire assemblee moeten we bijzonder waakzaam zijn bij dit soort initiatieven. We zijn zeker niet buitengewoon radicaal, maar wat de heer Dupret is overkomen, is toch bijzonder onrustwekkend.

We zijn moeten erop toezien dat rechten van de burgers worden beschermd, in het bijzonder de persoonsgegevens die op hen betrekking hebben. Nu wordt zelfs genoteerd welk soort maaltijd een passagier kiest voordat hij in het vliegtuig stapt. Dat gaat veel verder dan de rechten die aan sommige luchtvaartmaatschappijen werden verleend.

-Het wetsontwerp is aangenomen.

-Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.

Voorstel tot wijziging van de artikelen 13 en 15 van het reglement van de Senaat (van de heer André Van Nieuwkerke c.s., Stuk 4-1364)

Stemming 6

Aanwezig: 56
Voor: 56
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

-Het voorstel tot wijziging van het Reglement van de Senaat is eenparig aangenomen.

Regeling van de werkzaamheden

De voorzitter. - Het Bureau stelt voor volgende week deze agenda voor:

Donderdag 19 november 2009

's ochtends om 10 uur

Evocatieprocedure

Wetsontwerp betreffende een algemene regeling voor rookvrije gesloten plaatsen toegankelijk voor het publiek en ter bescherming van werknemers tegen tabaksrook; Stuk 4-1392/1 tot 5.

Toe te voegen:

Wetsvoorstel betreffende een algemeen rookverbod in gesloten plaatsen toegankelijk voor het publiek en ter bescherming van werknemers tegen tabaksrook (van de heren Dirk Claes en Louis Ide); Stuk 4-601/1 tot 4;

Wetsvoorstel betreffende een algemene regeling voor de rookvrije gesloten plaatsen toegankelijk voor het publiek en de bescherming van werknemers tegen tabaksrook (van de heer Dirk Claes c.s.); Stuk 4-1141/1 tot 3.

Voorstel van resolutie betreffende het proces achter gesloten deuren en de opsluiting van de Birmaanse oppositieleidster Aung San Suu Kyi na de vermeende schending van haar huisarrest (van mevrouw Olga Zrihen en de heer Philippe Mahoux); Stuk 4-1355/1 en 2.

's namiddags om 15 uur

Inoverwegingneming van voorstellen.

Actualiteitendebat en mondelinge vragen.

Hervatting van de agenda van de ochtendvergadering.

Vanaf 17.30 uur: Naamstemmingen over de afgehandelde agendapunten in hun geheel.

Vragen om uitleg:

-De Senaat is het eens met deze regeling van de werkzaamheden.

Vraag om uitleg van mevrouw Lieve Van Ermen aan de eerste minister, belast met de Coördinatie van het Migratie- en asielbeleid en aan de vice-eersteminister en minister van Werk en Gelijke Kansen, belast met het Migratie- en asielbeleid over «de genderkloof in België» (nr. 4-1154)

(Voorzitter: de heer Hugo Vandenberghe, eerste ondervoorzitter.)

De voorzitter. - De heer Etienne Schouppe, staatssecretaris voor Mobiliteit, antwoordt.

Mevrouw Lieve Van Ermen (LDD). - Ik had deze vraag ook graag gesteld aan de minister van Begroting en aan de minister van Financiën.

Mevrouw Ingrid Pelssers, Vlaams emancipatieambtenaar, vindt dat het tijd is voor acties en is echt niet verbaasd over de 33ste plaats voor België op de Global Gender Gap Index van het World Economic Forum. `We zijn niet goed bezig. De positie van vrouwen in dit land is ondermaats', zegt Ingrid Pelssers in De Standaard van 28 oktober 2009.

Ze vindt het wel even slikken dat zelfs een land als Mongolië, een land met een bruto binnenlands product van slechts een tiende van dat van België, beter scoort op die index. `We leven in een welvarend land. Je zou verwachten dat de positie van de Belgische vrouw beter zou zijn.', voegt ze eraan toe.

In plaats van vooruitgang ziet Pelssers een status-quo en op enkele vlakken zelfs achteruitgang. `Enkele jaren geleden stond Vlaanderen in de top van Europa als het ging om het aantal vrouwen op hoge posities, maar we hebben die plek verloren. De omringende landen evolueren, wij staan stil.', dixit mevrouw Pelssers.

De werkgever van mevrouw Pelssers, de Vlaamse overheid, wil ook meer vrouwen op de werkvloer. Sinds 2006 werkt de overheid met een streefcijfer voor het percentage vrouwen in de hogere regionen. In 2010 moet het aandeel vrouwelijke werknemers in het middenkader 33% bedragen en in 2015 moet dat percentage ook aan de top worden behaald.

Het eerste jaar na de invoering van het streefcijfer daalde echter het aantal vrouwelijke werknemers. Dit jaar staat het weer op het niveau van 2006, zo'n 26%.

Ingrid Pelssers is sinds vier jaar de emancipatieambtenaar van de Vlaamse overheid en nog dagelijks loopt ze tegen de sterk ingesleten tradities aan. Soms heeft ze het gevoel dat de Belgische begroting makkelijker tot stand komt.

Voor Ingrid Pelssers is de tijd van de bewustmakingscampagnes voorbij. Zij is geen groot voorstander van ingrijpende maatregelen zoals quota, maar het lijkt wel die kant te moeten opgaan.

`Een quotaregeling lijkt in het genderdebat wel een taboewoord', zegt Ingrid Pelssers. Zij begrijpt niet goed waarom. `Het taalevenwicht is voor iedereen logisch, maar het is ook een vorm van discriminatie. Ik wil niet beweren dat het voor vrouwen puur draait om discriminatie. De vrouw moet ook zelf het heft in handen nemen. Volgens het boek De mythe van het glazen plafond zijn vrouwen niet ambitieus genoeg. Scandinavische landen scoren erg goed, maar je kunt mij niet wijs maken dat Zweedse vrouwen wezenlijk verschillen van Belgische. Het beleid speelt ook een grote rol.'

Op basis van de ervaring van een specialiste wil ik de regering dan ook vragen om op alle beleidsterreinen acties te ondernemen om de neerwaartse trend om te buigen.

De heer Etienne Schouppe, staatssecretaris voor Mobiliteit. - Ik lees het antwoord van mevrouw Milquet.

Ik wil allereerst enkele zaken verduidelijken inzake de recente studie van het World Economic Forum over de ongelijkheid tussen mannen en vrouwen en de score van ons land in de Global Gender Gap Index. Die index steunt op vier parameters: de kansen op de arbeidsmarkt, gelijkheid in het onderwijs, de gezondheidszorg en politieke vertegenwoordiging. De scores schommelen tussen 1 en 0: hoe dichter bij 1, hoe meer er sprake is van gelijkheid; hoe dichter bij 0, hoe meer er sprake is van ongelijkheid.

In 2009 haalde België een score van 0,717 terwijl die voor 2008 0,716 bedroeg. Het verschil is klein, maar België zakte in het klassement wel van de 28ste naar de 33ste plaats. Die score moet echter worden genuanceerd.

De achteruitgang van ons land zou hoofdzakelijk te wijten zijn aan het feit dat de loonkloof tussen mannen en vrouwen groter is geworden. Om de loonkloof te meten, weten we dat het onderzoek zich baseert op de Executive Opinion Survey van het World Economic Forum dat gebaseerd is op de waarnemingen van een honderdtal bedrijfsleiders. Deze indicator geeft dus niet de werkelijke loonkloof weer, maar is het resultaat van de waarnemingen van enkele managers. Een dergelijke werkwijze is toch wel bedenkelijk.

Sinds 2007 publiceert België jaarlijks een officieel rapport over de loonkloof tussen mannen en vrouwen. In dat rapport worden de loonverschillen tussen mannen en vrouwen berekend op basis van de enquête naar de structuur en de verdeling van de lonen, aangevuld met gegevens van de RSZ. De berekeningen worden gemaakt volgens de officiële Europese indicatoren. Na dat rapport organiseren de sociale partners elk jaar acties om ondernemingen en organisaties voor het probleem te sensibiliseren. Hierdoor raken velen op de hoogte van het bestaan en de gevolgen van de loonkloof. Dat is een goede zaak, aangezien bewustmaking absoluut broodnodig is in de strijd tegen de loonkloof.

Ik kom nog even terug op `de slechte score van België'. Hoe paradoxaal het ook mag klinken, toch denk ik dat de betere bewustmaking van het probleem grotendeels verklaart waarom België slecht scoort in het klassement. Door de manier waarop wordt geëvalueerd, halen landen waar de loonverschillen tussen mannen en vrouwen weinig bekend zijn, een betere score.

Ondanks de grote vooruitgang die we hebben gemaakt wat de bewustmaking van de bevolking betreft en ondanks het feit dat de loonkloof de laatste jaren iets is geslonken, worden we wel degelijk geconfronteerd met een aanhoudende loonkloof - 11% in 2009 - en met een glazen plafond dat moeilijk te doorbreken is.

Ik ben ook van mening dat de tijd is aangebroken om actie te ondernemen. Ik heb daarom enkele initiatieven genomen. Enkele maanden geleden heb ik aan de sociale partners een voorstel voorgelegd om rubriek 102 `personeelskosten' van de sociale balans te wijzigen om ze te kunnen opdelen volgens het geslacht. Ik heb de voorzitters van de paritaire comités aangeschreven om hen te vragen de kwestie van gelijke beloning systematisch op de agenda van de sectorale onderhandelingen te plaatsen.

Aangezien de gelijkheid van mannen en vrouwen op de arbeidsmarkt een economische en democratische aangelegenheid is, heb ik de sociale partners gevraagd om per sector een ambitieuze doelstelling vast te leggen om de loonkloof tussen mannen en vrouwen tegen 2016 te overbruggen, in een tijdspanne van drie interprofessionele akkoorden.

Ik heb ook stappen gedaan om het koninklijk besluit van 14 juli 1987 te wijzigen. Het besluit bepaalt dat er jaarlijks een rapport dient te worden gepubliceerd over de gelijke kansen in privéondernemingen. Het is de bedoeling de inzameling van gegevens bij de bedrijven te verbeteren en te systematiseren, zodat we een goed beeld krijgen van de gelijke behandeling van mannen en vrouwen, bijvoorbeeld wat betreft de arbeidsduur of de mogelijkheid beroepsopleidingen te volgen die door de onderneming worden aangeboden.

Bovendien zal ik tegen maart 2010 nog eens alle voorzitters van de paritaire comités aanschrijven om hen in te lichten over de loonkloof die binnen hun sector bestaat. Ik zal hen ook vragen mij voor juli 2010 hun voorstellen te bezorgen met concrete maatregelen om die kloof te dichten. In het kader van het Interprofessionele Akkoord 2011-2012 zullen op basis van de antwoorden maatregelen worden voorgesteld.

Quota zijn voor mij geen taboe. Het voorbeeld van Noorwegen is wat dat betreft zeer bemoedigend. In dat land moet sinds 2004 voor naamloze vennootschappen en sinds 2006 voor beursgenoteerde vennootschappen in de raden van bestuur minstens 40% van elk geslacht vertegenwoordigd zijn. In 2007 behaalde 60% van de beursgenoteerde vennootschappen dit quotum, in 2008 was dit al 84%.

Op basis van een onderzoek over vrouwen aan de top, dat binnenkort publiek wordt gemaakt, wil ik een aantal denksporen omtrent de quota voorstellen.

Mevrouw Lieve Van Ermen (LDD). - Het verheugt met dat er beleidsmatig zoveel acties worden ondernomen. Laten we het evenwel niet alleen over equal pay hebben. In een recent krantenartikel heeft een docente van het King's College in Londen het over de gender fatigue die in de plaats van de gender bias gekomen is. Er treedt met andere woorden een man-vrouwmoeheid op. Niemand ligt nog wakker van het probleem, omdat men ervan uitgaat dat het al is opgelost. We moeten dus blijven hameren op de genderkloof. Bovendien is er een groot verschil tussen het beleid en de situatie op de werkvloer. Ik hoop dat de genomen acties een positief resultaat zullen opleveren.

Vraag om uitleg van de heer Louis Ide aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, belast met Maatschappelijke Integratie over «de veiligheid in ziekenhuizen» (nr. 4-1130)

De voorzitter. - De heer Etienne Schouppe, staatssecretaris voor Mobiliteit, antwoordt.

De heer Louis Ide (Onafhankelijke). - De veiligheid van het ziekenhuispersoneel ligt me na aan het hart. Daarom heb ik reeds in het verleden vragen gesteld over de agressie tegenover ziekenhuispersoneel, getuige mijn schriftelijke vragen 3223 en 3224.

Toch was mijn verontwaardiging groot toen ik hoorde van de brand in de spoedafdeling van het Sint-Jansziekenhuis te Brussel, die werd veroorzaakt door een patiënt die zijn matras in brand stak. Het diensthoofd van de spoedafdeling deed na de feiten zijn beklag in verschillende media over het steeds toenemende geweld in de ziekenhuizen. De genoemde brandstichting was daarvan een triest dieptepunt. De brand was geen alleenstaand geval in zijn ziekenhuis. Reeds drie personeelsleden zijn dit jaar arbeidsongeschikt moeten thuisblijven ingevolge de agressie van een patiënt.

Verder deed het diensthoofd zijn relaas over het platform over agressie in ziekenhuizen, dat de FOD Volksgezondheid beloofde op te zetten. De bedoeling van het platform was om de namen van gevaarlijke patiënten door te geven, ervaringen uit te wisselen en een beeld te krijgen van de omvang van het probleem. Maar een jaar na de belofte van de FOD Volksgezondheid blijkt er nog steeds geen platform te bestaan.

Voorts stelt het diensthoofd in De Standaard van 16 oktober 2009 dat `de overheid ook een rol kan spelen. Een bewakingsagent op de afdeling helpt. Beheerders van de ziekenhuizen hebben financieel niets te winnen bij zo een agent. Hun personeel kan wel beter werken, maar het brengt financieel niets op. Een subsidie voor bewaking zou dat probleem kunnen oplossen.'

Is men van plan om het beloofde platform nog te realiseren? Zo ja, wat is de timing die de minister vooropstelt?

Vindt de minister dat subsidies geven voor de beveiliging van ziekenhuizen een oplossing is? Zo niet, welke acties stelt ze voor om het geweld in te dijken?

De heer Etienne Schouppe, staatssecretaris voor Mobiliteit. - Ik lees het antwoord van de minister.

Ik ben op de hoogte van het incident in het Sint-Jansziekenhuis en vind dat net als u zeer jammer. De jongste jaren werden wel degelijk concrete maatregelen genomen voor de veiligheid en de preventie van criminaliteit in de ziekenhuissector. Mijn diensten werken op dit gebied nauw samen met die van mijn collega van Binnenlandse Zaken.

Het platform waarnaar u verwijst, bestaat wel degelijk sinds 2007. Het federale netwerk Veiligheid en criminaliteitspreventie in ziekenhuizen telt nu 138 leden. Het gaat om ziekenhuizen, veiligheidsverantwoordelijken, technopreventieadviseurs, en zo meer. Met dit netwerk willen de minister van Binnenlandse Zaken en ikzelf de aandacht vestigen op de problematiek van de veiligheid en de beveiliging van de ziekenhuizen. Het netwerk biedt iedereen de mogelijkheid op geregelde tijdstippen informatie te verzamelen en via informatievergaderingen goede praktijken uit te wisselen die ziekenhuizen kunnen overnemen bij het uitbouwen of verder uitbouwen van hun veiligheids- en preventiebeleid. De informatievergaderingen vormen tevens een unieke gelegenheid om ons beleid te toetsen aan de praktijk en om de behoeften in kaart te brengen.

Op basis van deze eerste werkzaamheden werd in 2009 een nationale campagne tegen agressie gelanceerd. Naast een sensibilisering van de patiënten, wordt ook een reeks instrumenten ter beschikking gesteld van de beheerders en ziekenhuisprofessionals, waaronder een handleiding voor een programma voor preventie van agressie in ziekenhuizen, specifiek bedoeld voor zowel algemeen directeurs als voor de veiligheidscoördinatoren van de ziekenhuizen.

De provincies zijn weliswaar in het federale netwerk vertegenwoordigd, maar ook op provinciaal niveau werd een beperkt aantal initiatieven genomen. De beslissing om al dan niet een provinciaal netwerk te creëren behoort tot de autonomie van de provincies. De FOD Binnenlandse Zaken en de FOD Volksgezondheid ondersteunen de provinciale initiatieven.

Om een precies beeld te krijgen van de problematiek van de criminaliteit in de ziekenhuizen werd een Monitor Criminaliteit ontwikkeld. De monitor levert aanwijzingen voor de aanpassing van het beleid en voor maatregelen die rechtstreeks inspelen op de problematiek. De eerste ziekenhuismonitor werd eind 2008 afgenomen en had betrekking op het aantal feiten van diefstal, vandalisme en agressie in de ziekenhuizen in 2007 en het ontwikkelde preventiebeleid. Het antwoordpercentage was vrij bevredigend: 62% van de inrichtingen namen deel. Hieruit bleek dat verbale en fysieke agressie en diefstallen de belangrijkste probleempunten zijn in de ziekenhuizen. De resultaten tonen ook aan dat de ziekenhuizen in veiligheidsbeleid investeren: 68,9% van de ziekenhuissites beschikt over veiligheidsdiensten. Bovendien werden systematisch organisatorische preventiemaatregelen genomen. Op de meeste locaties werd ook in mechanische en elektronische maatregelen voorzien. 32,1% van de ziekenhuizen heeft veiligheidsinstructies uitgewerkt.

Bewakingsagenten zijn belangrijk in de strijd tegen ziekenhuiscriminaliteit. Sinds 2007 kunnen de ziekenhuizen een beroep doen op bewakingsagenten die federaal worden gefinancierd. Daardoor kunnen laaggekwalificeerde jongeren in ziekenhuizen worden gerekruteerd als bewakingsagent. De regering heeft hiervoor in een jaarlijkse enveloppe van 17 605 000 euro voorzien.

Om daarvoor in aanmerking te komen, moeten de ziekenhuizen een aanvraag indienen bij de FOD Volksgezondheid. Van de 503 VTE arbeidsplaatsen die ter beschikking werden gesteld van de ziekenhuizen in het kader van het globaal project `Veiligheid in de ziekenhuizen', werd aan 150 ziekenhuizen samen 413,47 VTE toegekend waarvan uit een recente enquête blijkt dat er in 2008 214,77 VTE aangeworven waren en in 2009 381,55 aangeworven zijn. Van die 413,47 VTE werden 62,50 VTE voor andere functies toegekend daar bepaalde ziekenhuizen al een eigen veiligheidsdienst hadden of de beveiliging aan een bewakingsonderneming toevertrouwen.

Op de studiedag van 5 maart 2009 voor leden van het federale netwerk is overigens gebleken dat het komende werkjaar nieuwe initiatieven nodig zijn. Zo zullen nieuwe aanbevelingen moeten worden geformuleerd inzake de toegang tot ziekenhuizen, de evaluatie van de werking van de stewards, de vorming van referentiepersonen rond agressie in ziekenhuizen en de rapportering van incidenten van agressie.

Ondertussen hebben mijn collega van Binnenlandse Zaken en ik gebrainstormd over mogelijke opties voor de toekomst. Daarover wordt dit najaar nog overleg gepleegd met de leden van de werkgroep `Veiligheid en criminaliteitspreventie in de ziekenhuizen'. Zij kunnen, met de expertise waarover zij beschikken, een essentiële bijdrage leveren aan een doeltreffende aanpak van de ziekenhuiscriminaliteit.

Op basis van de resultaten van de ziekenhuismonitor zal de integrale en geïntegreerde benadering van die problematiek worden voortgezet en aangepast. Een nieuwe ziekenhuismonitor is voorzien in de lente van 2010. Een vergelijking van de resultaten van deze enquête met die van de enquête van 2008 zal een eventuele afbakening van de trend mogelijk maken.

De heer Louis Ide (Onafhankelijke). - Ik dank de staatssecretaris en de vice-eersteminister voor het uitgebreide antwoord.

In 2010 zal er dus een nieuwe ziekenhuismonitor zijn. Ik ben benieuwd of de resultaten ervan zullen overeenstemmen met de aangiften die bij de politie werden gedaan. Dat was het onderwerp van mijn schriftelijke vragen 4-3223 en 4-3224.

Ik wil wel benadrukken dat er een onderscheid is tussen veiligheid in het ziekenhuis in het algemeen - hierbij gaat het ook om diefstallen in patiëntenkamers - en agressie tegen gezondheidsmedewerkers in dienst. Dit laatste is compleet onaanvaardbaar en moet niet alleen preventief, maar ook repressief worden aangepakt. Dat is echter eerder een zaak voor de minister van Justitie.

Vraag om uitleg van de heer Louis Ide aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, belast met Maatschappelijke Integratie over «pathogeeninactivatie van bloedplaatjes en de nood aan een structureel systeem van hemovigilantie» (nr. 4-1132)

De voorzitter. - De heer Etienne Schouppe, staatssecretaris voor Mobiliteit, antwoordt.

De heer Louis Ide (Onafhankelijke). - Ik heb over INTERCEPT al twee uitgebreide vragen gesteld: de mondelinge vraag nr. 4-776 en de vraag om uitleg nr. 4-1104. Ik vraag nog een verduidelijking.

In haar antwoord op mijn vraag 4-776 stelde de minister: `In het licht van de nieuwe gegevens met betrekking tot INTERCEPT is het opportuun de Hoge Gezondheidsraad aan te spreken voor een nieuw advies. Ik zal hem ook vragen het bestaande advies nr. 8390 te actualiseren en opnieuw de veiligheid inzake bloedingsrisico te evalueren, en daarnaast ook advies te geven over het minimumaantal bloedplaatjes dat een eenheid concentraat moet bevatten.'

Hoe staat het met dit nieuwe advies? Kan de minister mij dat bezorgen of nog beter publiek maken?

De minister haalde in haar antwoord op mijn vraag 4-1104 al aan dat er inzake profylactische toediening geen probleem zou zijn. Wat echter in andere situaties? Wat met het onderscheid tussen aferese en het gebruik van bloedplaatjes geoogst via buffy coat?

Het verhaal over de transfusie van bloedplaatjes die al dan niet met INTERCEPT of een andere pathogeen reductiepreparaat zijn behandeld, heeft me alvast geleerd dat er dringend nood is aan een structureel systeem van hemovigilantie naar analogie met de farmacovigilantie.

Op mijn mondelinge vraag van 15 mei antwoordde de minister: `Momenteel zijn in ons land geen hemovigilantiegegevens beschikbaar die wijzen op een verhoogd bloedingsrisico bij patiënten die met INTERCEPT behandelde bloedplaatjes hebben gekregen. Ik geef het FAGG en de FOD Volksgezondheid tevens instructies om de hemovigilantiemaatregelen strikt op te volgen.'

Dat wil niet zeggen dat er geen vorm van hemovigilantie is, wel dat alles nog in zijn kinderschoenen staat. Ik heb ook stellig de indruk dat de mankracht voor de nationale hemovigilantie te beperkt is. Eigenlijk begint het bij het begin. De transfusiecomités dienen echt operationeel te worden gemaakt, ze moeten alle artsen en verpleegkundigen sensibiliseren, er moet een sluitende registratie komen. Deze informatiestroom moet ons zaken leren en ervoor zorgen dat we indien nodig snel kunnen ingrijpen. Dat is pas kwalitatief goed werken.

Wat denkt de minister ervan eens structureel werk te maken van de hemovigilantie?

Wat denkt de minister ervan het transfusiecomité en zijn leden te honoreren?

Kan de minister zorgen voor meer mankracht voor hemovigilantie?

Kan een beroep worden gedaan op externe specialisten? Kan een netwerk van specialisten worden uitgebouwd, zowel met academici, als niet-academici?

Wil de minister daarin investeren en welk budget plant ze daarvoor?

Verder zou ik graag een concreet antwoord krijgen op volgende vragen.

Is de Hoge Gezondheidsraad op een of andere manier op de hoogte gebracht van bloedingsproblemen die te maken zouden kunnen hebben met het toedienen van bloedplaatjes behandeld met INTERCEPT? Indien ja, werd er actie ondernomen en waar werden deze problemen vastgesteld?

Is het FAGG op de een of ander manier op de hoogte gebracht van bloedingsproblemen die te maken zouden kunnen hebben met het toedienen van bloedplaatjes behandeld met INTERCEPT? Zo ja, welke actie is er ondernomen en waar werden deze problemen vastgesteld?

Op mijn vraag om uitleg 4-1104 antwoordde de minister dat het FAGG in mei contact had met de HOVON-stichting. Was dit nadat ik op 15 mei mijn mondelinge vraag stelde? Waarom is er sindsdien geen verder contact geweest? Plannen het FAGG en/of de Hoge Gezondheidsraad nog contacten? Was er bijvoorbeeld een vertegenwoordiging aanwezig op het internationaal congres van de American Association of Blood Banks, waar de HOVON 82-studie werd voorgesteld? Zo ja, wat zijn de bevindingen? Zo nee, was het niet opportuun geweest iemand te sturen, gezien de geavanceerde wetgeving?

De heer Etienne Schouppe, staatssecretaris voor Mobiliteit. - Ik lees het antwoord van minister Onkelinx.

De Hoge Gezondheidsraad heeft in verband met de therapeutische efficiëntie van met INTERCEPT behandelde bloedplaatjesconcentraten onlangs een advies uitgebracht. Ik zal de Hoge Gezondheidsraad vragen dit advies openbaar te maken.

De Hoge Gezondheidsraad heeft het bloedingsrisico van met INTERCEPT behandelde bloedplaatjes geëvalueerd en kwam tot het besluit dat er geen verschil gezien wordt op het gebied van bloedingen bij profylactische toediening van behandelde of niet-behandelde bloedplaatjes. De Hoge Gezondheidsraad geeft de aanbeveling het effect op patiënten met ernstige bloedingen te bestuderen.

In een gerandomiseerde dubbelblinde studie met behandelde en niet-behandelde bloedplaatjesconcentraten bereid uit buffy coats, was de prevalentie van bloedingen vergelijkbaar. Bij een gelijke totale dosis van bloedplaatjes werden ook geen significante verschillen gezien in opbrengst van de transfusie, zoals gemeten aan de hand van een hemogram post-transfusie, de corrected count increment.

Het wettelijke kader van de hemovigilantie in ons land is goed gestructureerd.

De ziekenhuizen en bloedinstellingen dienen sinds november 2005 ernstige ongewenste bijwerkingen bij afname of toediening van bloedcomponenten en voorvallen in verband met de kwaliteit of de veiligheid van bloedcomponenten te melden aan het hemovigilantiecentrum van het Federaal Agentschap voor geneesmiddelen en gezondheidsproducten.

De ziekenhuisbloedbank dient over procedures te beschikken om alle relevante informatie omtrent ernstige ongewenste bijwerkingen en voorvallen zo snel mogelijk te melden en aan het hemovigilantiecentrum door te sturen.

Het transfusiecomité van het ziekenhuis wordt betrokken bij het uitwerken van de procedures.

In elk ziekenhuis en in elke bloedinstelling werden contactpersonen voor hemovigilantie aangesteld. De ernstige ongewenste bijwerkingen bij ontvangers van bloed en bloedcomponenten en de ernstige ongewenste voorvallen die de kwaliteit en de veiligheid van bloed en bloedderivaten kunnen beïnvloeden, worden aan de hand van gestandaardiseerde elektronische meldingsformulieren aan het hemovigilantiecentrum van het FAGG gemeld.

Het FAGG analyseert en volgt de meldingen inzake hemovigilantie en maakt ieder jaar een verslag op. De manpower inzake hemovigilantie is voldoende. Bovendien kan het FAGG steeds een beroep doen op de Hoge Gezondheidsraad en zijn experts.

In het kader van de aan de ziekenhuizen toegekende budgettaire middelen zullen in 2010 proefprojecten voor hemovigilantie worden uitgewerkt. Voor de ziekenhuizen, die over een verplichte ziekenhuisbloedbank beschikken, wordt gedacht aan een financiering van een arts en verpleegkundige die de werking van de transfusiecomités zullen ondersteunen. Dit concept werd immers naar voren gebracht door de Nationale Raad voor ziekenhuisvoorzieningen in zijn advies over hemovigilantie van 2005. Het concept dat de Raad voorstelt, sluit nauw aan op het model van de ziekenhuishygiëne. De bedoeling van de proefprojecten is na te gaan wat de concrete behoeften aan middelen zijn. Op basis van de resultaten van de testfase kan in een latere fase de financiering veralgemeend worden. Hiervoor is er een enveloppe ter waarde van 4,5 miljoen euro.

Bij de voorbereiding van de adviezen over pathogeeninactivatie van de Hoge Gezondheidsraad werd melding gemaakt van mogelijke bloedingsproblemen in verband met de toediening van behandelde bloedplaatjes. In het kader van de hemovigilantie meldde één ziekenhuis aan het FAGG een aantal gevallen waarbij de therapeutische efficiëntie in verband met de toediening van behandelde bloedplaatjes bij bloedingen ter discussie gesteld werd. De gevallen werden gedocumenteerd en tijdens een vergadering met de betrokkenen besproken. De meerderheid van de bloedplaatjes werd na vijf dagen bewaring toegediend. Als maatregel werd afgesproken dat enkel nog bloedplaatjes met een maximale bewaringsduur van vijf dagen worden toegediend. Deze maatregel komt overeen met de aanbeveling van de Hoge Gezondheidsraad in verband met de toediening van met INTERCEPT behandelde bloedplaatjes. De bloedinstellingen worden schriftelijk op de hoogte gebracht van de adviezen inzake pathogeeninactivatie van de Hoge Gezondheidsraad.

In een officieel schrijven werd na 15 mei jongstleden aan de studiecoördinator van de HOVON 82-studie nadere inlichtingen gevraagd over de analyse van de studiegegevens. Andere contacten voordien hadden geen bijkomende informatie opgeleverd.

Op het Amerikaans congres van de American Association of Blood Banks werden gegevens van een interim analyse van de HOVON 82-studie voorgesteld. Een samenvatting van de voorstelling verscheen reeds in Transfusion, voor het congres plaatsvond. Het FAGG is op de hoogte van de inhoud van de presentatie, maar wacht op de resultaten van de analyse van alle gegevens van de volledige studie. Het had dan ook geen zin om iemand voor deze presentatie naar de Verenigde Staten te sturen.

De heer Louis Ide (Onafhankelijke). - Ik haal een belangrijk, zeer positief punt uit het antwoord, namelijk de financiering van de transfusiecomités. Dat zal het enthousiasme en het engagement van de mensen die er werken, zeker opkrikken.

Ik heb echter ook gehoord dat er wel degelijk meldingen waren van bloedingen. Alvast in één ziekenhuis waren er een aantal gevallen nadat er behandelde bloedplaatjes werden gebruikt, zo geeft de minister toe. Men wijt de bloedingen aan de leeftijd van de behandelde bloedplaatjes. Het gaat over vijf dagen, waar men normaal tot zeven dagen gaat. Dat is zeer ernstig, te meer daar de HOVON 82-studie in een tussentijdse analyse ook al problemen had opgeworpen. In die studie heeft men het onderzoek naar de behandelde bloedplaatjes gewoon stopgezet omdat er significant meer bloedingen waren.

Daarom ben ik zeer verontrust en stel ik me de vraag waarmee we bezig zijn. Sinds de publicatie van het koninklijk besluit hierover gebruikt het Croix Rouge systematisch en gegeneraliseerd de bloedplaatjes met INTERCEPT. Ik raad de minister aan een en ander grondig te bespreken met de verantwoordelijken van het FAGG en de Hoge Gezondheidsraad en contact op te nemen met de mensen van de Stichting HOVON, want niet alleen uit de preliminaire maar ook uit de definitieve resultaten zal blijken dat er een probleem is.

Vraag om uitleg van mevrouw Cindy Franssen aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, belast met Maatschappelijke Integratie over «het verminderen van de ongelijkheden op gezondheidszorggebied» (nr. 4-1139)

De voorzitter. - De heer Etienne Schouppe, staatssecretaris voor Mobiliteit, antwoordt.

Mevrouw Cindy Franssen (CD&V). - Eind oktober 2009 stelde de Europese Commissie haar Mededeling `Solidariteit in de gezondheid: vermindering van de ongelijkheid op gezondheidsgebied in de EU' voor. Hiermee bevestigt ze opnieuw haar engagement inzake het terugdringen van de bestaande ongelijkheden in de gezondheidszorg in de Europese Unie. Tegelijk roept ze de lidstaten op om zelf ook bijkomende inspanningen te leveren om de ongelijkheden aan te pakken.

Hoewel de kwaliteit van de gezondheidszorg in de meeste lidstaten van de Unie over het algemeen hoog is en de inwoners langer en vaak ook langer gezond leven, is er nog steeds sprake van grote ongelijkheden. Die ongelijkheden bestaan zowel tussen de verschillende lidstaten onderling als binnen de individuele lidstaten.

Ook in België is er sprake van een substantiële gezondheidsgradiënt. Zowel voor de algemene gezondheidstoestand en levensverwachting, als voor het gebruik van de diensten van de gezondheidszorg zijn er duidelijke ongelijkheden tussen de verschillende socio-economische klassen. Vorige week nog bleek uit een studie van de Christelijke Mutualiteit dat een op de acht Belgische gezinnen het moeilijk heeft om de uitgaven voor gezondheidszorg te betalen. De grootste problemen op dit vlak hebben, aldus het onderzoek, alleenstaanden, eenoudergezinnen en vooral alleenstaande moeders, gezinnen onder de armoededrempel, gezinnen met een gezinslid met een handicap en gezinnen die een woning huren.

CM-voorzitter Marc Justaert noemde die gaten in het sociale vangnet terecht onaanvaardbaar. Ik citeer hem: `Ongelijkheden op het vlak van gezondheid worden veroorzaakt door een breed geheel van socio-economische factoren. Omdat deze factoren in grote mate beïnvloed kunnen worden door het handelen van personen, overheden en andere stakeholders, zijn ze zeker niet onvermijdbaar.

Aangezien solidariteit één van de basisprincipes is van onze gezondheidszorg, is het ontoelaatbaar dat de gezondheid van een persoon en de toegankelijkheid van de gezondheidsdiensten in aanzienlijke mate afhankelijk is van de positie die men inneemt in de samenleving.'

Welke stappen zal de minister doen om te voorkomen dat een steeds grotere groep mensen in financiële moeilijkheden komt door te hoge gezondheidskosten?

Welke maatregelen plant de minister daarnaast om de structurele ongelijkheden in de gezondheidszorg binnen afzienbare tijd substantieel terug te dringen?

Zal ze een beroep doen op de hulp die Europa biedt om de aanpak van de lidstaten te ondersteunen en zo ja, op welke manier? Zal ze hiervoor samenwerken met de regionale overheden die dit dossier eveneens opvolgen? Zo ja, in welke vorm zal dit gebeuren?

De heer Etienne Schouppe, staatssecretaris voor Mobiliteit. - Ik lees het antwoord van minister Onkelinx.

De toegang tot de zorg voor de hele bevolking is een prioriteit in het regeerakkoord. Ik heb dus niet gewacht op een mededeling van de Europese Gemeenschap, noch op een studie van het christelijke ziekenfonds om in dit verband verbeteringen aan te brengen.

Met het Kankerplan en het plan `prioriteit aan chronisch zieken' hebben we in de periode 2008-2010 een bedrag van 380 miljoen euro kunnen investeren in een betere dekking van de behoeften van de chronisch zieken en de kankerpatiënten.

Ik geef een opsomming van de andere maatregelen die in 2008 werden genomen:

Het RIZIV heeft 2 000 000 euro vrijgemaakt voor de inrichting van bedden voor zware afhankelijkheid.

De maatregel bestaande uit het niet indexeren van het remgeld voor de geneesmiddelen sinds 1 januari 2009 kost 6 000 000 euro.

De maatregel bestaande uit de harmonisering naar omlaag van al het remgeld voor de geneesmiddelen, met of zonder generieken, kost 20 000 000 euro.

We hebben de groeinorm van 4,5% van de globale budgettaire doelstelling van de verplichte ziekteverzekering behouden, ondanks de economische en budgettaire crisis.

De herintroductie van de terugbetaling van botdensitometrie voor de doelgroepen kost 7 miljoen euro.

De verhoging van het terugbetalingspercentage voor tandsteenverwijdering kost 1,7 miljoen euro.

De gratis conserverende tandverzorging werd uitgebreid tot jongeren van 15 jaar. Die maatregel kost 5,4 miljoen euro.

Het jaarlijks mondonderzoek is voortaan terugbetaald tot 57 jaar. Die maatregel kost een half miljoen euro.

De invoering van een tegemoetkoming voor de terugbetaling van een eerste orthodontische behandeling kost 3 miljoen euro.

De uitbreiding van de doelgroep voor ZIV-tegemoetkoming voor de chirurgische tandextractie kost 2,2 miljoen euro.

De terugbetaling van het glutenvrije dieet voor patiënten die aan coeliakie of glutenintolerentie lijden, is opgetrokken van 19 naar 38 euro. Die maatregel kost 1,1 miljoen euro.

De tegemoetkoming in de kosten voor de elastomeerpompen, draagbare pompen waarmee de patiënt zelf pijnstillers of morfine kan inspuiten, kost 1 miljoen euro.

In de verpleegkundige thuiszorg werd het remgeld verminderd. Het bedraagt 200 euro per maand voor een forfait B en 270 euro per maand voor een forfait C. Voor de niet-Omnio-patiënten die aan een chronische aandoening lijden en verpleegkundige zorg nodig hebben, werd de terugbetaling opgetrokken tot 85%. Die maatregel kost 7,7 miljoen euro.

De voortzetting van de progressieve vermindering van het remgeld voor de kinesitherapie kost 11,9 miljoen euro.

De uitbreiding van de terugbetaling van de steunkousen voor ouderen met extreme veneuze insufficiëntie of met veneuze insufficiëntie te wijten aan lymfoedeem kost 1 miljoen euro.

De progressieve vermindering van het remgeld voor bepaalde implantaten kost 17 miljoen euro.

De terugbetaling van de nieuwe technieken en implanteerbare materialen, thans ten laste van de patiënt, kost 10 miljoen euro.

De verhoging van de terugbetaling van de hoorapparaten kost 6,4 miljoen euro.

De voortzetting van de uitvoering van het zorgprogramma voor geriatrische patiënten kost 5 miljoen euro.

De financiering van de materiële bijstand in het kader van de opvang van chronische pijn kost 2,3 miljoen euro.

De indexering van het forfait voor de palliatieve patiënten kost 0,6 miljoen euro.

De opname in de MAF van de bedragen voor de implantaten ten laste van de patiënt kost 15 miljoen euro.

Op die wijze werd in 2008 minstens 100 miljoen euro geïnvesteerd in de verbetering van de toegang tot de zorg voor diverse types van verstrekkingen.

Hierbij komt nog 16 miljoen voor het verbeteren van de forfaits voor de chronisch zieken: de verdubbeling van de forfaits voor de categorie thuisverpleging en de verhoging met 50% van de forfaits voor de categorieën integratie van de personen met een handicap en hulp aan ouderen.

Ook de begroting 2009 voorziet in maatregelen om de toegang tot de zorg te versterken, met name 40 miljoen extra voor de chronisch zieken - onder meer alzheimer-, diabetes- en multiple sclerosepatiënten - de terugbetaling van de vervoerkosten, het ten laste nemen van de chronische pijn en telemonitoring, nieuwe middelen voor de gespecialiseerde residentiële structuren en de invoering van de maximumfactuur voor chronisch zieken.

Er wordt in totaal 10 miljoen euro extra uitgetrokken om de toegang tot de tandverzorging te versterken. Ik denk onder andere aan gratis tandverzorging tot 18 jaar, uitbreiding van de leeftijdsgrens voor het jaarlijks mondonderzoek tot 58 jaar, gratis tandextractie tot 58 jaar.

Jonge meisjes zullen zich vanaf 12 jaar en tot 18 jaar gratis kunnen laten vaccineren tegen baarmoederhalskanker.

Er komt een extra prijsdaling met 2% van de `oude' geneesmiddelen, namelijk geneesmiddelen die sinds minstens 12 jaar worden terugbetaald en een gemiddelde prijsdaling met 1% van alle terugbetaalde geneesmiddelen.

Er gaat 2,4 miljoen euro naar de vermindering van het remgeld voor de meest afhankelijke patiënten die thuisverpleging nodig hebben en 7,5 miljoen euro naar de vermindering van het remgeld voor kinesitherapeutische zorg.

De concrete maatregelen voor de verpleegkundigen als salaristoeslag voor verpleegkundigen in de rusthuizen en de rust- en verzorgingstehuizen en voor de verpleegkundigen met avonddienst in de ziekenhuizen kosten 7 miljoen euro.

De vermindering van het remgeld voor de zorgverstrekking aan de meest afhankelijke patiënten kost 2,4 miljoen euro.

Met de begroting 2010 van de verplichte ziekteverzekering gaan we op deze weg voort.

Er komen nieuwe dalingen van het remgeld voor kinesitherapie, de afschaffing van de supplementen in een tweepersoonskamer voor iedereen, nieuwe prijsdalingen voor de geneesmiddelen en nog andere maatregelen.

Het statuut van de chronisch zieke zal gedefinieerd worden en het ziekenhuisprogramma voor de hemato-oncologische pediatrische zorg zal een realiteit worden.

Een andere maatregel is de toegang tot het BIM-statuut voor de eenoudergezinnen, de langdurig werklozen van meer dan 50 jaar en de begunstigden van het Stookoliefonds die slechts over een laag inkomen beschikken.

We kunnen natuurlijk altijd proberen beter te doen, maar volgens mij is de balans van de huidige regeerperiode meer dan positief op het gebied van de gerichte inspanningen voor het verbeteren van de toegang tot de zorg.

Zoals u er zelf op wijst, hangt de ongelijkheid van de toegang tot de zorg van veel factoren af. Zelfs de meest gulle wet betreffende de verplichte verzekering geneeskundige verzorging alleen kan niet alle ongelijkheden in verband met de toegang tot de zorgverstrekking uit de wereld helpen. Er moeten ook andere beleidsvormen, op alle beleidsniveaus, geactiveerd worden: promotie en opvoeding betreffende gezondheid voor de gemeenschappen, voldoende en financieel toegankelijk aanbod voor hulp in het dagelijkse leven voor het Waalse en Brusselse gewest en voor de Vlaamse gemeenschap, werkgelegenheidsbeleid, voldoende vervangingsinkomens van de sociale zekerheid, maatschappelijke integratie, beleid op het gebied van leefmilieu, enzovoorts.

In de verplichte ziekteverzekering zal ik doorgaan met mijn beleid van gerichte maatregelen voor verstrekkingen in de gezondheidszorg die nu niet of te weinig worden terugbetaald en voor mensen die zeer veel zorg nodig hebben, zoals de chronisch zieken, kankerpatiënten of ouderen.

De automatische indexering van de vervangingsinkomens van de sociale zekerheid of de maatschappelijke integratie en de selectieve binding van de lage toelagen met het welzijnsniveau moeten behouden blijven.

We voeren het federaal plan voor de armoedebestrijding verder uit, met name de vereenvoudiging van de toekenning van het recht op een verhoogde tegemoetkoming, het gemakkelijker maken van de toepassing van de derdebetalersregeling voor verstrekte zorg.

Door de budgettaire situatie van de federale Staat en van de sociale zekerheid zullen in de komende jaren geen spectaculaire maatregelen kunnen worden genomen, zoals sommige aanbevelingen van de Christelijke Mutualiteiten. Ik zal de beschikbare middelen echter zo goed mogelijk gebruiken voor het verbeteren van de bestaande toestand, zoals ik al doe sinds 2008.

Op het vlak van de sociale zekerheid en de verplichte ziekteverzekering meer in het bijzonder, zijn de lidstaten als enige bevoegd binnen de Europese Unie. De verschillende bestaande internationale studies klasseren België bij de koplopers inzake toegang tot de gezondheidszorg. Om ons land te helpen, zou ik eerst en vooral willen dat de Europese Unie ermee ophoudt een beleid te voeren of aan te moedigen dat leidt tot een vermindering van de overheidsmiddelen om tegemoet te komen aan de collectieve behoeften van de bevolking, waaronder de gezondheidszorg.

In de Interministeriële Conferentie Volksgezondheid is er een echte coördinatie van eenieders inspanningen op verschillende vlakken. Elkeen heeft het recht initiatieven te nemen om nieuwe projecten voor te stellen die gemeenschappelijk moeten worden uitgevoerd. Ik ben een fervente voorstandster van de voortzetting van deze dynamiek en zelfs van de uitdieping en uitbreiding ervan. Elk beleidsniveau beschikt over hefbomen om te strijden tegen de ongelijkheden inzake gezondheid - en niet alleen betreffende de toegang tot de gezondheidszorg - en ik hoop dat elkeen handelt binnen zijn bevoegdheid. Dit moet echter wel uitgevoerd worden in het kader van de huidige verdeling van de bevoegdheden met betrekking tot het gezondheidszorgbeleid.

Mevrouw Cindy Franssen (CD&V). - De staatssecretaris zal wellicht ook zo vriendelijk zijn mijn repliek aan de minister mee te delen.

Niemand betwijfelt dat er al veel gebeurt voor de toegankelijkheid van de gezondheidszorg, maar uit de recentste cijfers blijkt dat er nog meer moet gebeuren. Gelukkig maken de Christelijke Mutualiteiten al jarenlang regelmatig studies om de vinger aan de pols te houden en de Matteüseffecten in het beleid blijvend onder de aandacht te brengen.

Hier bestaan twee sleutelwoorden: de automatische toekenning van rechten en de derdebetalersregeling. Als de middelen beperkt zijn, moeten wij ons afvragen of we ze niet beter inzetten voor de doelgroepen met de grootste behoeften.

Vraag om uitleg van de heer Louis Ide aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, belast met Maatschappelijke Integratie en aan de minister van Justitie over «het medisch wapenattest» (nr. 4-1140)

De voorzitter. - De heer Etienne Schouppe, staatssecretaris voor Mobiliteit, antwoordt.

De heer Louis Ide (Onafhankelijke). - Vorig jaar heb ik reeds een vraag gesteld over het medische attest dat artsen dienen uit te reiken wanneer een burger een wapen in zijn bezit wil hebben. Het betreft vraag om uitleg 4-548. De ministers antwoordden toen dat artsen niet verantwoordelijk gesteld kunnen worden wanneer de eigenaar zijn wapen kwaadwillig gebruikt. Ik was toen tevreden met dit antwoord. Verder stipuleerden de ministers dat er overleg zou komen met de artsenverenigingen. Men ging deze nieuwe administratieve taak voor de arts zelfs opnemen in de bijscholingen en de universitaire cursussen.

Na bijna een jaar lijkt er nog steeds geen echte duidelijkheid te bestaan omtrent het uitreiken van een attest bij de artsen. Sommige artsen weigeren gewoonweg deze attesten uit te reiken. Dat duidt op onwetendheid en onduidelijkheid in de sector. Daardoor moeten sommige andere artsen attesten uitschrijven aan mensen die zijn doorverwezen door hun collega-arts, die geen attest wou voorschrijven. Voor alle duidelijkheid: de artsen die weigerden een attest te schrijven, deden dit niet op een bepaalde medische grond.

In punt 3 van het antwoord stond: `Het thans voorgeschreven medisch attest is vergelijkbaar met hetgeen nodig is voor het verkrijgen van een rijbewijs.' Het is me niet geheel duidelijk wat hiermee bedoeld wordt.

Bij mijn weten wordt rijgeschiktheid niet geattesteerd door een arts, maar legt de betrokkene zelf een verklaring af. Op de website van CARA staat het volgende: `Elke kandidaat wordt verzocht om na het geslaagd theorie-examen een verklaring betreffende zijn lichamelijke en geestelijke toestand te ondertekenen (artikel 41 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998). Zijn medische toestand dient in overeenstemming te zijn met bijlage 6 van de medische minimumnormen zoals beschreven in het koninklijk besluit van 23 maart 1998. De kandidaat ondertekent een eerste verklaring betreffende zijn visuele functies. Wanneer de kandidaat meent een visuele stoornis of oogaandoening te hebben of deze heeft, mag hij deze verklaring niet ondertekenen. Indien hij dit toch doet legt hij op dat ogenblik een valse verklaring af. In dergelijke situatie dient de kandidaat zich te wenden tot een oogarts die een attest van rijgeschiktheid model X zal afleveren.'

Verder is op de website van CARA te lezen: `... door een aangeboren letsel, een ziekte of een ongeval heb je moeite met het besturen van een motorvoertuig. Met andere woorden, je hebt een verminderde functionele vaardigheid die een invloed heeft op het besturen van een motorvoertuig (bromfiets, motorfiets, auto, vrachtwagen of bus). In dat geval zal de arts je doorverwijzen naar het CARA.'

De arts heeft volgens artikel 46 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 de plicht om zijn patiënt ervan in te lichten dat zijn lichamelijke of geestelijke toestand niet meer in overeenstemming is met de medische minimumnormen. Deze moet op zijn beurt zijn rijbewijs inleveren bij de bevoegde overheid, binnen vier werkdagen na de inkennisstelling ervan. De arts komt dus pas op dit ogenblik in actie en niet bij iedereen die een rijbewijs aanvraagt. Is de situatie dan toch anders dan bij de wapendracht?

Men kan zich overigens afvragen of een arts de gerechtelijke instanties op de hoogte mag brengen indien hij van mening is dat een patiënt niet meer in staat is zich veilig te verplaatsen met een motorvoertuig. De Nationale Raad van de Orde van geneesheren was in een advies van 15 december 1990 van oordeel dat indien de arts gewetensvol besluit dat de betrokken persoon een ongeval kan veroorzaken met zware gevolgen voor hemzelf/haarzelf of voor derden, deze `noodsituatie' rechtvaardigt dat de arts de procureur des Konings op de hoogte brengt van zijn twijfels in verband met de rijgeschiktheid van deze persoon. Is dit dan ook zo voor de wapendracht?

Gaat volgens de ministers de vergelijking tussen het tekenen van een geschiktheidsattest voor het rijbewijs door de kandidaat zelf en het geven van een wapenattest door de arts op? De verantwoordelijkheid voor de juistheid van het attest ligt bij een kandidaat voor een rijbewijs immers bij de persoon zelf.

Indien dat niet zo is, bevestigen zij dan dat de arts niet verantwoordelijk kan worden gesteld wanneer hij of zij een wapenattest geeft en de drager dit wapen misbruikt?

Wat met de verantwoordelijkheid van de arts die een wapenattest gaf aan een persoon, terwijl een eerste/andere arts weigerde een attest te geven - om niet-medische redenen, bijvoorbeeld uit overtuiging, maar dat kan de tweede arts niet weten - en deze persoon alsnog het wapen misbruikt?

Wordt de arts geacht - net zoals voor de ongeschiktheid voor het rijbewijs - vermoedelijke problemen te signaleren aan de procureur des Konings?

Zou, gelet op het belang van het attest, een centraal organisme om attesten uit te reiken niet efficiënter zijn? Dat voorkomt bij de artsen willekeur, potentiële gewetensbezwaren en medisch-legale problemen en maakt de interpretatie over de geschiktheid van wapendracht uniform.

Hadden de ministers al contacten met de artsenverenigingen, syndicaten en de Orde der geneesheren over deze problematiek? Welke initiatieven werden genomen om dit bekend te maken, bijvoorbeeld via bijscholingen?

De heer Etienne Schouppe, staatssecretaris voor Mobiliteit. - Ik lees het antwoord van de minister van Justitie.

De vergelijking tussen het medisch attest voor de kandidaat-wapenbezitters en het attest dat wordt gevraagd in het kader van het behalen van het rijbewijs gaat maar gedeeltelijk op, zoals de heer Ide terecht opmerkt. Misschien is het eerste beter te vergelijken met het medisch attest dat wordt gevraagd door vele sportverenigingen. Het gaat immers niet over een verklaring van de kandidaat zelf.

De verantwoordelijkheid van de attesterende arts beperkt zich tot wat hij zelf weet op het ogenblik dat hij het attest opstelt. Als de arts bijvoorbeeld kennis heeft van een ernstig alcoholprobleem, mag hij geen attest geven. Maar als later zou blijken dat iemand, die volgens de arts in staat is om een wapen veilig te manipuleren, er misbruik van maakt ten gevolge van een voor de arts onbekend medisch probleem, dan is de arts niet verantwoordelijk.

Een arts heeft het recht een attest te weigeren op principiële gronden, maar het is dan wenselijk dat hij dat kenbaar maakt. In het kader van een aanvraag voor een wapenbezitsvergunning wordt de betrokkene dan gedwongen naar een andere, vrij te kiezen arts te gaan. Voor een wapendrachtvergunning is die keuze niet vrij. Een arts die gevraagd wordt naar een attest zonder de betrokkene goed te kennen, zou dit attest alleen mogen uitreiken na onderzoek. De arts die op een onbezonnen manier een attest uitreikt - bijvoorbeeld zonder rekening te houden met een medisch probleem dat hij had moeten detecteren bij eenvoudig onderzoek - kan aansprakelijk worden gesteld.

Er bestaat geen wettelijke plicht om de procureur des Konings op de hoogte te brengen van bepaalde risico's. Het niet-melden kan aanleiding geven tot nog veel grotere gevaren voor de openbare orde dan op het gebied van verkeer. De arts moet dus naar eer en geweten de afweging maken tussen de bescherming van zijn beroepsgeheim en het algemeen belang.

Een centraal georganiseerde medische keuring van de kandidaat-wapenbezitters kan bepaalde voordelen hebben. Dan gaan we evenwel voorbij aan het feit dat in de meerderheid van de gevallen de gewone huisarts, die de betrokkene vaak al jaren opvolgt, de best geplaatste persoon is om zijn patiënt te beoordelen.

Sinds vorig jaar heb ik hierover geen vragen of opmerkingen ontvangen vanuit de medische wereld. Ik ga ervan uit dat men zich aan de situatie heeft aangepast en steeds tracht te zoeken naar pragmatische oplossingen.

De heer Louis Ide (Onafhankelijke). - Ik vrees dat dit antwoord veel vragen zal oproepen. Artsen kunnen namelijk aansprakelijk gesteld worden, bijvoorbeeld wanneer ze een attest uitreiken aan een persoon met een alcoholprobleem. Nu is alcoholisme net een zeer grijze pathologie die moeilijk in te schatten valt, omdat ze zoveel vormen kan aannemen. Zal na dit antwoord überhaupt nog één arts een attest willen uitreiken? Daar moeten we toch nog eens goed over nadenken.

Ik blijf erbij dat de attesten het best door een centraal orgaan worden beheerd, eventueel in samenwerking met de huisartsen. Op die manier krijgen we meer uniformiteit en komt er een oplossing voor de aansprakelijkheid van de huisartsen.

Vraag om uitleg van mevrouw Freya Piryns aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, belast met Maatschappelijke Integratie over «de vergoeding voor het verplichte consult in het kader van een euthanasieverzoek» (nr. 4-1142)

De voorzitter. - De heer Etienne Schouppe, staatssecretaris voor Mobiliteit, toegevoegd aan de eerste minister, antwoordt.

Mevrouw Freya Piryns (Groen!). - Bij elk euthanasieverzoek is er steeds een tweede of derde consult nodig dat door een andere dan de behandelende arts wordt uitgevoerd. Voor de artsen is dit consult meestal tijdrovend want het duurt drie à vier uur. Het is ook psychologisch zwaar en vergt dikwijls een verre verplaatsing naar de woning van de patiënt. Toch worden de artsen hiervoor niet vergoed. In Nederland daarentegen krijgt een arts voor een consult een forfaitair bedrag van 280 euro. De Nederlandse artsen volgden hiervoor wel een speciale opleiding.

Bij het RIZIV wordt er voor een tweede of derde advies bij de levenseindeproblematiek jaarlijks 180 000 euro opzijgezet. Dat geld is er dus, maar er is nog een koninklijk besluit nodig om het effectief te kunnen gebruiken.

Hoever staat het met dat besluit? Waarom is het er nog niet? Is het al in opmaak?

De heer Etienne Schouppe, staatssecretaris voor Mobiliteit. - Ik lees het antwoord van de minister.

Reeds eind vorig jaar is de inhoud van een eerste ontwerp van koninklijk besluit ter zake aan bod gekomen in de Nationale Commissie Geneesheren-Ziekenfondsen. De gewone inschrijving in de nomenclatuur van geneeskundige verstrekkingen als een specifieke verstrekking waarvoor de gangbare regeling van attestering en tegemoetkoming via het ziekenfonds van toepassing is, bleek niet wenselijk voor dit verplichte consult opgenomen in de wet op de euthanasie van 28 mei 2002, gezien de ethische aspecten en de bepalingen van genoemde wet over de eerbiediging van de anonimiteit van de betrokken persoon.

De alternatieve benadering die bestond in het afsluiten van overeenkomsten tussen het Verzekeringscomité en de organisaties die ijveren voor een menswaardig levenseinde, stootte evenwel ook op technische problemen. Zo moet de kwaliteit van de speciale opleidingen voor het consult kunnen worden gegarandeerd. Dergelijke opleidingen kunnen ook nog niet overal op dezelfde manier aan geïnteresseerde artsen worden aangeboden.

Het bedrag van 180 000 euro voorzien in de RIZIV-begroting, is volgens de bepalingen van het nationaal akkoord geneesheren-ziekenfondsen 2008 bestemd voor `medisch advies bij palliatieve patiënten'. Dit geeft aan dat bij de technische uitwerking van een regelgeving ter zake er zekerheid moet kunnen worden geboden dat in de problematiek rond het menswaardig levenseinde in alle gevallen absoluut respect wordt opgebracht voor de individuele wil van de ongeneeslijk zieke patiënt waarbij zonder verbetenheid zowel palliatieve zorg als euthanasie in beschouwing worden genomen. Dit fundamenteel ethisch aspect maakt een technische uitwerking er bepaald niet makkelijker op.

In de voorbije maanden werd nagegaan op welke manier een oplossing voor deze moeilijkheden kan worden uitgewerkt. Ik verneem dat er op het terrein enige evolutie merkbaar is. Ik heb bijgevolg goede hoop dat binnenkort een aangepast ontwerp van koninklijk besluit kan worden voorgesteld dat de goedkeuring kan wegdragen van elkeen die met de problematiek is begaan.

Mevrouw Freya Piryns (Groen!). - De minister heeft goede hoop dat er binnen afzienbare tijd een oplossing kan komen. Dat lijkt me echter onvoldoende. Ik begrijp dat het technisch allemaal niet zo eenvoudig ligt. In onze buurlanden slaagt men er echter wel in om een regeling uit te werken.

Ik ben het er absoluut mee eens dat bij beslissingen rond het levenseinde respect moet worden opgebracht voor eenieders wil. Palliatieve zorg is net zo belangrijk als euthanasie. Het kan echter niet dat artsen die telkens opnieuw met een euthanasieverzoek worden geconfronteerd en daar tijd voor maken, daarvoor niet worden vergoed.

De minister moet de betrokkenen rond de tafel brengen en mag niet blijven afwachten tot de commissie een oplossing voorstelt.

Vraag om uitleg van mevrouw Sabine de Bethune aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, belast met Maatschappelijke Integratie over «de toegang van minderjarigen tot betaalbare en discrete gezondheidszorg» (nr. 4-1146)

De voorzitter. - De heer Etienne Schouppe, staatssecretaris voor Mobiliteit, antwoordt.

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Begin dit jaar wees Kamerlid Lieve Van Daele de vice-eersteminister via een parlementaire vraag op het probleem van betaalbare en discrete gezondheidszorg voor minderjarigen. Het Vlaamse Kinderrechtencommissariaat signaleert dat probleem vandaag opnieuw.

In de praktijk zien we dat de ziekenfondsen een raadpleging bij de dokter of een laboratoriumtest via een overschrijving op de zichtrekening van de ouders terugbetalen. Op die manier worden de ouders via hun rekeninguittreksels op de hoogte gebracht van de medische consultatie.

Dat systeem weerhoudt jongeren ervan om voor bijvoorbeeld een bloedonderzoek, bijvoorbeeld uit vrees voor ongeplande zwangerschap of een seksueel overdraagbare aandoening, naar een dokter te stappen. Vele minderjarigen kunnen immers het volledige bedrag van de doktersconsultatie niet betalen.

Nochtans zijn minderjarigen die over voldoende onderscheidingsvermogen beschikken, juridisch bekwaam om zelf een arts te raadplegen. Onze basiswetgeving kent aan minderjarigen een zelfstandige rechtsuitoefening toe op medisch vlak en garandeert hen een recht op privacy, ook tegenover de ouders.

In haar antwoord op de vraag van collega Van Daele stelt minister Onkelinx dat er momenteel geen structurele oplossing bestaat voor dit probleem en dat een arts niet verplicht is om de derdebetalersregeling, waarbij men enkel het remgeld betaalt aan de zorgverstrekker, toe te passen. Nochtans zou dat een mogelijke oplossing kunnen zijn.

De minister noemt als mogelijke oplossing de bestaande aidsreferentiecentra waar men terecht kan voor een gratis aidstest. Die vindt men enkel in enkele grote steden en ze bieden niet voor iedereen een oplossing. De minister zegt ook dat jongeren kunnen aankloppen bij een centrum voor gezinsplanning voor een gratis consultatie en eventuele medische tests.

Dat is echter alleen zo in Wallonië waar men de Centres de planning et de consultation familiale et conjugale heeft. In Vlaanderen zijn er geen centra voor gezinsplanning meer. De vroegere CGSO's en CLG's zijn deel geworden van de Centra voor Algemeen Welzijnswerk, CAW's. De huidige CAW's bieden geen gynaecologische en medische consultaties aan. Slechts zeer uitzonderlijk hebben sommige Jongeren Advies Centra - JAC's, een deelactiviteit van een CAW - een samenwerking met een arts die in het JAC consultaties doet.

Vindt de minister het nuttig om minderjarigen toegang te verlenen tot een betaalbare en discrete gezondheidszorg via een algemene toepassing van de derdebetalersregeling?

De geconventioneerde centra voor gezinsplanning zouden in de loop van 2009 voor de interministeriële conferentie Volksgezondheid een advies opstellen dat richtinggevend zal zijn voor het toekomstige gezondheidsbeleid inzake aids en soa's. Is dat advies reeds bekend? Wat zijn de krachtlijnen?

De heer Etienne Schouppe, staatssecretaris voor Mobiliteit. - Ik lees het antwoord van minister Onkelinx.

De mogelijkheid en niet de verplichting om de derdebetalersregeling toe te passen maakt deel uit van het algemene evenwicht dat inherent is aan ons systeem van akkoorden en overeenkomsten tussen verzekeringsorganismen en zorgverstrekkers. Een minderheid van die laatste groep weigert die regeling om puur ideologische redenen toe te passen. Daarnaast blijken de administratieve formaliteiten die de derdebetalersregeling meebrengt, voor de zorgverstrekkers ook nu nog de voornaamste rem op de toepassing van het systeem.

Nu MyCareNet tot alle categorieën van ambulante zorgverstrekkers is uitgebreid, zal het papieren getuigschrift voor verstrekte hulp geleidelijk worden afgeschaft. Die administratieve hinderpaal zal verdwijnen. Ten vroegste in 2012 kan dan met de zorgverstrekkers het debat worden aangegaan om hen ertoe aan te zetten om de derdebetalersregeling meer toe te passen en om de situaties waarbij het toepasbaar is te herzien.

Ik ben er a priori niet tegen gekant dat de adolescenten uitdrukkelijk worden opgenomen op de lijst van de patiënten voor wie de derdebetalersregeling van toepassing is, ook al hebben ze krachtens de huidige wettelijke bepalingen al toegang tot het systeem.

Het advies van de geconventioneerde centra voor gezinsplanning waarover mevrouw de Bethune het heeft, stond nooit op de agenda van de Interministeriële Conferentie Volksgezondheid en wordt er ook niet officieel verwacht. Indien iemand het initiatief neemt om het op de agenda van de Interministeriële Conferentie te zetten, dan heb ik er zelf niets op tegen dat het in overweging wordt genomen en besproken.

Vraag om uitleg van mevrouw Lieve Van Ermen aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, belast met Maatschappelijke Integratie en aan de minister voor Ondernemen en Vereenvoudigen over «de spectaculaire prijsstijging van de hospitalisatieverzekeringen» (nr. 4-1147)

De voorzitter. - De heer Etienne Schouppe, staatssecretaris voor Mobiliteit, antwoordt.

Mevrouw Lieve Van Ermen (LDD). - Ik citeer uit een persartikel van 27 oktober 2009. `Hospitalisatieverzekeringen zijn spectaculair duurder geworden en hebben een minder goede dekking', schrijft Test-Aankoop in zijn novembernummer van Budget & Recht. Bovendien zijn de verschillen tussen hospitalisatieverzekeringen bij ziekenfondsen en die bij privéverzekeraars sterk afgevlakt.

Een van de beste contracten voor een hospitalisatieverzekering is er een van een ziekenfonds, met name van Hospitalia, oordeelt Test-Aankoop. In vergelijking met 2004 zijn de premies over het algemeen sterk toegenomen. `Stijgingen met vijftig, honderd en soms zelfs tweehonderd procent zijn de laatste jaren geen uitzondering meer', luidt het. `Vooral bij Ethias stellen we grote stijgingen vast.'

In vergelijking met een vijftal jaar geleden is de situatie er dus op achteruitgegaan. Zo zijn er minder verzekeringsmaatschappijen en is de concurrentie van keuzemogelijkheden voor de consument dus geslonken. Bovendien bieden verzekeraars nu dikwijls een minder goede dekking aan dan vroeger.

Bevestigt de minister deze gegevens? Zijn ze haar bekend? Wat is de visie van de minister op deze problemen? Welke maatregelen zal zij treffen om ervoor te zorgen dat er voldoende concurrentie is in deze sector en de premies zo laag mogelijk blijven? Is er in dit verband overleg geweest tussen de verschillende ministers in de regering?

De heer Etienne Schouppe, staatssecretaris voor Mobiliteit. - Ik lees het antwoord dat mij werd bezorgd door minister Reynders.

De gegevens uit het geciteerde artikel zijn mij bekend. Ik vestig er echter de aandacht op dat niet alle verzekerden in de private hospitalisatieverzekering even sterk door de prijsverhogingen werden getroffen. De zwaarste prijsstijgingen waren er in de individuele ziekteverzekering voor oudere personen. Verschillende factoren hebben tot deze forse verhogingen geleid. Een daarvan was, zoals u weet, een reëel probleem van rechtsonzekerheid in verband met de wet van 10 juli 2007. Die onzekerheid hebben we weggenomen met de wet van 17 juni 2009, die strikte grenzen stelt aan premieverhogingen. Momenteel bestudeert de Raad van State trouwens een koninklijk besluit tot instelling van `medische indexen'.

Ik ben de mening toegedaan dat ziekteverzekering in de eerste plaats een opdracht blijft voor het socialezekerheidsstelsel. Samenwerking met de privésector is nodig in de mate dat de verzekeringnemers dekking zoeken voor kosten die niet door het socialezekerheidsstelsel worden terugbetaald. De overheid dient de toegankelijkheid en de betaalbaarheid van een dergelijk aanvullend systeem te garanderen.

Samen met mijn collega van Sociale Zaken en Volksgezondheid wil ik een poging doen om een markt te creëren waarop verzekeraars en ziekenfondsen met elkaar in concurrentie kunnen treden tegen gelijke marktvoorwaarden. Morgen wordt in tweede lezing een wetsontwerp aan de Ministerraad voorgelegd dat voor die nivellering zorgt, met het oog op een betere concurrentie en een grotere consumentenbescherming. In één moeite door wil ik ook de fiscale mogelijkheden ontwikkelen voor een betere toegankelijkheid van de producten, ongeacht het netwerk dat ze aanbiedt, met de grootste waarborgen voor de verzekerde, in het bijzonder gewaarborgde toegankelijkheid tot een bepaalde leeftijd en volledige dekking van de vooraf bestaande toestanden.

Mevrouw Lieve Van Ermen (LDD). - Ik dank de minister voor het antwoord. Het is goed dat morgen een wetsontwerp aan de Ministerraad wordt voorgelegd. In alle kranten staat dat de premies enorm verhogen, ook in de autoverzekering. De premies volstaan niet om de schade te dekken die door zware vrachtwagens wordt veroorzaakt. Als we de ziektekosten steeds meer op verzekeringsmaatschappijen blijven afwentelen, is er geen andere oplossing dan de premies op te trekken, waarschuwt de heer Dhondt van Assuralia. Het verheugt mij dat de concurrenten gelijke kansen krijgen. Dat is een gevoelig punt voor een liberale partij.

Vraag om uitleg van de heer Louis Ide aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, belast met Maatschappelijke Integratie over «de parkeerproblematiek voor gezondheidswerkers» (nr. 4-1161)

De voorzitter. - De heer Etienne Schouppe, staatssecretaris voor Mobiliteit, antwoordt.

De heer Louis Ide (Onafhankelijke). - De parkeerproblematiek bij gezondheidswerkers heb ik eerder al aangekaart bij de minister. Op 29 januari 2009 antwoordde de minister: `Het parkeerprobleem van de gezondheidswerkers die huisbezoeken afleggen, in het bijzonder in een stedelijk milieu, is een probleem dat mijn aandacht heeft en dat ik inderdaad heb ingeschreven in mijn algemene beleidsnota. Het parkeerprobleem doet de gezondheidswerkers veel belangrijke tijd verliezen om niet te spreken van het boeterisico.

Ik heb mijn collega van Binnenlandse Zaken over de zaak opnieuw aangesproken, zodat hij een initiatief kan nemen. Ik heb hem eraan herinnerd dat er lokale initiatieven bestaan, maar dat een uniforme regeling voor het hele grondgebied nuttig zou zijn. Ik wacht thans op zijn antwoord. Samen met hem en de actoren op het terrein zullen we oplossingen zoeken die het mogelijk maken, niet alleen voor de artsen, maar ook voor de verpleegkundigen en de kinesisten, om in de zones met parkeerproblemen te parkeren op plaatsen waar het thans volgens de wegcode verboden is, uiteraard met respect voor de veiligheid van alle burgers.'

Op mijn vraag van 5 maart 2009 naar de verdere afhandeling van de problematiek antwoordde de minister: `Zoals ik al heb gezegd ligt de oplossing van dat probleem overwegend in handen van de minister van Binnenlandse Zaken. Eind vorig jaar heb ik hem daarover dan ook aangeschreven. Onlangs heb ik de nieuwe minister van Binnenlandse Zaken opnieuw over de problematiek aangeschreven en hem uitgenodigd voor overleg over een globale oplossing voor heel het Belgische grondgebied.'

De wil leek duidelijk aanwezig bij alle betrokken partijen, namelijk de minister van Justitie, de staatssecretaris van Mobiliteit en bij de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. Nu blijkt dat de minister van Justitie en de staatssecretaris van Mobiliteit hun verantwoordelijkheid willen ontlopen. Wat vindt de minister van de houding van haar collega's? Aangezien de problematiek ook de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid aanbelangt, vroeg ik mij af wat ze gaat doen. Zal ze actie ondernemen en eventueel met de betrokken partijen rond de tafel gaan zitten om snel tot een oplossing te komen?

De heer Etienne Schouppe, staatssecretaris voor Mobiliteit. - Ik lees het antwoord van minister Onkelinx.

Zoals voorheen ben ik nog altijd begaan met het probleem dat de heer Ide aankaart, en dat overigens past in de ruimere problematiek van de mobiliteit en de veiligheid van de gezondheidswerkers die bij patiënten aan huis moeten gaan. Ik kan hieromtrent meedelen dat op 23 november eerstkomend een uitgebreide campagne over de veiligheid van de huisartsen gelanceerd wordt.

Zoals de senator er in zijn vraag aan herinnert, heb ik sinds ik in functie trad de verschillende ministers van Binnenlandse Zaken over de parkeerproblemen van de gezondheidswerkers geïnterpelleerd. Momenteel is mijn collega, staatssecretaris voor Mobiliteit, Etienne Schouppe, voor dit dossier bevoegd. Onze respectievelijke medewerkers hebben diverse mogelijkheden onderzocht om het probleem op te lossen.

Een mogelijkheid zou zijn het definiëren van een bepaalde tolerantie ten overstaan van gezondheidswerkers die moeten parkeren in het kader van de huisbezoeken. Hun voertuigen zouden duidelijk identificeerbaar moeten zijn, zodat de andere weggebruikers die tolerantie in vergelijking met de andere voertuigen kunnen begrijpen.

Momenteel draaien er in diverse gemeenten van het land al systemen op proef. In Brussel is er bijvoorbeeld een overeenkomst waarbij de artsen een blauwe parkeerschijf gebruiken. In Antwerpen maken artsen gebruik van een speciale parkeerkaart, waarop het adres van het kabinet van de arts staat.

Om tot een consensus te komen die voor het hele land kan gelden, wordt er een werkgroep opgestart met vertegenwoordigers van Justitie, Binnenlandse Zaken, Mobiliteit en Volksgezondheid.

Ik zal uiteraard niet nalaten de heer Ide op de hoogte te houden van de resultaten van de werkgroep.

Tot daar het antwoord van mevrouw Onkelinx. Ten persoonlijke titel voeg ik daaraan toe dat ik minister Onkelinx vanochtend hierover heb gesproken, want de minister van Justitie noch ikzelf hadden kennis van de werkgroep waarover zij in haar antwoord spreekt. Naar verluidt is de brief onderweg om ons daarvoor uit te nodigen.

De heer Louis Ide (Onafhankelijke). - Ik ben blij dat ik als senator sneller geïnformeerd ben dan de minister. Dat gebeurt niet vaak. Ik dank minister Onkelinx omdat zij het initiatief blijft steunen en zal geregeld het onderwerp blijven aankaarten.

Vraag om uitleg van de heer Patrik Vankrunkelsven aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, belast met Maatschappelijke Integratie over «de situatie omtrent apparaten om bloedstolling te meten (INR-apparaten)» (nr. 4-1156)

De voorzitter. - De heer Etienne Schouppe, staatssecretaris voor Mobiliteit, antwoordt.

De heer Patrik Vankrunkelsven (Open Vld). - Ik heb de minister al vaak attent gemaakt op de situatie omtrent de INR-apparaten. Graag had ik opnieuw een stand van zaken gekregen van de bespreking van dit dossier in de organen van het RIZIV. Daar werd gezegd dat het INR-apparaat ter beschikking zou komen van de huisartsen en dat de laboratoria zouden instaan voor de regelmatige controle van die apparaten.

De heer Etienne Schouppe, staatssecretaris voor Mobiliteit. - Ik lees het antwoord van minister Onkelinx.

Het KCE heeft zijn conclusies bekendgemaakt betreffende de technische waarde, de diagnostische precisie en de voordelen die patiënten kunnen halen uit het gebruik van draagbare bloedstollingmeters die door de behandelende geneesheer of de patiënt zelf kunnen worden gebruikt.

Er zijn momenteel geen gegevens beschikbaar die aantonen dat het gebruik van de draagbare bloedstollingmeter in de huisartsgeneeskunde een voordeel oplevert voor de gezondheid van de patiënt in vergelijking met de courante praktijk.

Het gebruik van dit toestel is wel minder duur voor de verzekering voor geneeskundige verzorging dan de uitvoering van eenzelfde aantal INR-tests in het laboratorium, maar een stijging van het aantal tests met draagbare bloedstollingmeters gaat steeds gepaard met een toename van het aantal contacten met de huisarts, zodat er geen besparingen worden gerealiseerd.

Het KCE stelt vast dat er momenteel onvoldoende solide bewijzen zijn om het gebruik van draagbare bloedstollingmeters door een huisarts of in een antistollingkliniek aan te bevelen.

Een werkgroep ad hoc van de technisch geneeskundige raad van het RIZIV heeft dit dossier al onderzocht. Die werkgroep zal de conclusies van het rapport van het KCE grondig bestuderen.

Het voorstel dat ertoe strekt de laboratoria voor klinische biologie aansprakelijk te stellen voor de kwaliteitscontrole van het materiaal dat door derden, in dit geval de huisarts, wordt gebruikt, is complex, zowel op het reglementaire vlak als op het vlak van de praktische organisatie. Een tegemoetkoming van de verzekering voor geneeskundige verzorging heeft in dat geval aanzienlijke budgettaire gevolgen.

De heer Patrik Vankrunkelsven (Open Vld). - Ik ben het niet helemaal met het antwoord eens. Er is blijkbaar onderzoek verricht. Er bestaan echter nog andere studies. Volgens de gegevens waarover ik beschik, is het gebruik van draagbare bloedstollingmeters helemaal niet duurder.

Het stuit mij vooral tegen de borst dat ervan uitgegaan wordt dat er per definitie meer huisartscontacten zijn als de huisartsen de metingen zelf doen. Dat is niet juist. Nu nemen de huisartsen bloed af, bezorgen ze het bloedstaal aan het laboratorium, en nemen een tweede keer contact op met de patiënt voor de uitslag. Indien de huisarts, zoals in het buitenland, de bloedstolling zelf meet met een INR-apparaat, kunnen die handelingen in één keer gebeuren. Sommige laboratoria lobbyen echter om dat verhinderen.

Vraag om uitleg van de heer Patrik Vankrunkelsven aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, belast met Maatschappelijke Integratie over «de uitbreiding van de derdebetalersregeling naar minderjarigen» (nr. 4-1157)

De voorzitter. - De heer Etienne Schouppe, staatssecretaris voor Mobiliteit, antwoordt.

De heer Patrik Vankrunkelsven (Open Vld). - Mijn vraag betreft de toepassing van de wet op de patiëntenrechten. De welzijnspraktijk signaleert een probleem met de toegang tot de gezondheidszorg voor minderjarigen. Een raadpleging bij de dokter of een labotest wordt via een overschrijving op de zichtrekening door het ziekenfonds terugbetaald. Dat ouders dan via de rekeninguittreksels automatisch van de medische consultatie op de hoogte worden gebracht, kan voor minderjarigen drempelverhogend werken. Het weerhoudt hen ervan om zelf naar een arts te stappen, bijvoorbeeld bij een ongeplande zwangerschap of een seksueel overdraagbare aandoening. Om te verhinderen dat de ouders die zaken toch te weten zouden komen, moeten ze het volledige bedrag ten laste nemen.

Onze basiswetgeving kent minderjarigen nochtans een zelfstandige rechtsuitoefening toe op medisch vlak en garandeert minderjarigen een recht op privacy, ook tegenover de ouders. Minderjarigen met voldoende onderscheidingsvermogen zijn juridisch bekwaam om zelf een arts te raadplegen. Ze kunnen zelf toestemming geven voor een medische behandeling. De arts heeft een beroepsgeheim, ook ten aanzien van de ouders van de minderjarige. Als het recht op privacy van minderjarigen tegenover hun ouder of ouders niet in de terugbetalingsregeling van de medische zorg wordt gegarandeerd, dan zullen minderjarigen de facto niet zelf naar een arts durven stappen. Het volledige bedrag van de doktersconsultatie betalen is voor veel minderjarigen immers niet mogelijk.

Graag vernam ik of de minister om bovenvermelde redenen bereid is de derdebetalersregeling uit te bereiden tot minderjarigen.

De heer Etienne Schouppe, staatssecretaris voor Mobiliteit. - Ik lees het antwoord van minister Onkelinx.

De derdebetalersregeling is geregeld bij koninklijk besluit van 10 oktober 1986 tot uitvoering van artikel 53, §1, negende lid, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkering, gecoördineerd op 14 juli 1994.

Artikel 6, eerste lid, van bovengenoemd koninklijk besluit voorziet in een verbod tot toepassing van de derdebetalersregeling voor de prestaties die het opsomt. Artikel 6, tweede lid, somt een aantal uitzonderingssituaties op waarop het verbod niet van toepassing is.

Het laatste lid bepaalt dat het Verzekeringscomité van de dienst voor Geneeskundige Verzorging van het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering voorwaarden kan uitvaardigen waarin een uitzondering op het verbod op de derdebetalersregeling kan worden toegestaan.

De uitzonderingsbepalingen, die het Verzekeringscomité toestaat, worden opgesomd in de rondzendbrief nr. 2009/327 van 6 augustus 2009 van de dienst Geneeskundige Verzorging.

Die rondzendbrief licht artikel 6, tweede lid, 5º, van bovengenoemd koninklijk besluit toe. Op grond van dat artikel is het verbod op de derdebetalersregeling niet van toepassing op een rechthebbende die zich in een occasionele individuele financiële noodsituatie bevindt. Het gaat om de situatie waarin de verzekerde niet onmiddellijk kan betalen en een uitgestelde betaling niet mogelijk of om sociale redenen niet wenselijk is.

Eén van de gevallen die in de rondzendbrief worden genoemd, is de raadpleging voor rechthebbenden die om deugdelijke redenen wensen dat de factuur niet ter betaling wordt aangeboden aan de gerechtigde die het recht doet ingaan.

Via die bepaling kunnen minderjarigen die om deugdelijke redenen niet wensen dat hun ouders op de hoogte zijn van hun raadpleging bij de dokter, de toepassing van de derdebetalersregeling vragen.

De heer Patrik Vankrunkelsven (Open Vld). - Ik wens hierop te reageren, hoewel het me niet duidelijk is welk gevolg aan onze reacties wordt gegeven. Het verheugt me dat de minderjarigen de mogelijkheid hebben een beroep te doen op de derdebetalersregeling. Welzijnswerkers op het terrein stellen echter vast dat de minderjarigen, noch de artsen van die mogelijkheid op de hoogte blijken te zijn. Het lijkt me dan ook nuttig ten minste de gezondheidswerkers hierover beter voor te lichten.

Vraag om uitleg van mevrouw Christiane Vienne aan de vice-eersteminister en minister van Ambtenarenzaken, Overheidsbedrijven en Institutionele Hervormingen over «de stiptheid van de treinen» (nr. 4-1137)

De voorzitter. - De heer Etienne Schouppe, staatssecretaris voor Mobiliteit, antwoordt.

Mevrouw Christiane Vienne (PS). - Volgens Infrabel waren in 2008 90,2% van de treinen op tijd. De cijfers voor de eerste twee trimesters van 2009 zijn ongeveer hetzelfde, namelijk 89,3% en 89,9%. Het globale resultaat is dus goed, maar die gemiddelde cijfers zijn niet representatief voor het hele land.

Sommige lijnen werken zeer goed en vertonen zeer weinig vertraging, maar voor andere ligt het resultaat ver beneden het nationale gemiddelde. Op de lijn Rijsel-Luik of Brussel-Moeskroen bijvoorbeeld komen er zeer vaak vertragingen voor, wat aanzienlijke gevolgen heeft op de aansluitingen. Treinen die met vertraging worden aangekondigd, worden zelfs gewoon afgeschaft. De impact op het dagelijks leven van de reiziger, zowel op beroeps- als op privévlak, laat zich raden.

In Nord Éclair is vandaag een artikel verschenen waarin staat dat de NMBS meestal niet heeft gezorgd voor pendeltreinen om de aansluitingen te verzekeren, hoewel ze had beloofd dat te doen, en dat veel passagiers in Doornik vastzaten. Soms worden er pendeltreinen ingelegd tussen Doornik en Moeskroen, maar nooit tussen Doornik en Rijsel.

Hoe valt die toestand te verklaren?

Worden sommige lijnen, zoals de lijnen via Moeskroen en Rijsel, verwaarloosd? Het personeel van de stations en de pendelaars hekelen vaak die hinder, maar zonder enig resultaat.

Betekent de mededeling van Infrabel dat 90% van de treinen op tijd zijn, dat er werkelijk zo een hoog percentage treinen op tijd is of dat ze slechts een beperkte vertraging, van bijvoorbeeld enkele minuten, oplopen? Een kleine vertraging kan al volstaan om een aansluiting te missen. Moeten de stiptheidscriteria in het beheerscontract met Infrabel bijgevolg niet worden gepreciseerd? Is er een plan uitgewerkt of zal er een worden uitgewerkt om de stiptheid op alle Belgische spoorlijnen te verbeteren?

De heer Etienne Schouppe, staatssecretaris voor Mobiliteit. - Ik lees het antwoord van de vice-eersteminister.

In het derde trimester van 2009 lag de stiptheid van de lijnen Rijsel-Luik en Moeskroen-Brussel inderdaad beneden het gemiddelde voor het hele net. Voor de IC D-treinen Rijsel-Luik bedroeg de gemiddelde stiptheid 87,6% en voor de IC H-treinen Moeskroen-Brussel 85,9%.

Die lijnen worden zeker niet verwaarloosd, maar ze werden meer getroffen door materiaalschade of door infrastructuurproblemen.

De stiptheid van de lijn Rijsel-Luik werd ook in negatieve zin beïnvloed door incidenten veroorzaakt door derden - een botsing met een voertuig of met een persoon, diefstal van kabels of kwaadwillig opzet.

Bovendien moeten de treinen van de lijn Brussel-Moeskroen bij hun aankomst in Moeskroen na 18 minuten al terugkeren naar Brussel, zodat een vertraging van meer dan acht minuten niet kan worden ingehaald.

De stiptheid wordt berekend op basis van alle treinen die met een vertraging van minder dan zes minuten aankomen. Die marge is in overeenstemming met de regel die op Europese schaal worden gehanteerd. Bij een vertraging van minder dan zes minuten wordt de verbinding met de andere treinen in de meeste gevallen verzekerd. Daartoe bestaan bijzondere wachttijden, die in de stations worden vermeld.

Sinds 2007 worden er, naast de cijfers over de globale stiptheid op de site van Infrabel, bijkomende statistieken over de stiptheid gepubliceerd.

De NMBS en Infrabel beschikken over actieplannen om de stiptheid te verbeteren. Die plannen betreffen een betere regeling van het spoorverkeer, het voorzien in bijkomende tijd bij de uitwerking van de uurregelingen zodat de vertragingen beter kunnen worden ingehaald, maatregelen om de betrouwbaarheid van de infrastructuur te verbeteren - onder andere de vernieuwing en het onderhoud van de bovenleidingen, het terugdringen van het aantal storingen aan overwegen en de vermindering van de impact ervan -, snellere interventies bij schade aan de infrastructuur, de vermindering van het aantal incidenten veroorzaakt door derden en de vermindering van het aantal pannes en defecten aan de treinen. Die plannen bevatten ook maatregelen om de klanten beter te informeren over de vertragingen, de oorzaken ervan, de vooruitzichten en de vervoersalternatieven.

De NMBS en Infrabel zijn bereid alle maatregelen te nemen die de stiptheid kunnen verbeteren en die de klanten beter wegwijs kunnen maken bij problemen. Er werden werkgroepen opgericht om die problemen te onderzoeken.

Mevrouw Christiane Vienne (PS). - De dag van de jongste tariefverhoging van de NMBS is mijn trein meer dan twee uur blijven stilstaan tussen Moeskroen en Doornik. Een reiziger zei: `Dat spreekt vanzelf: we betalen meer, dus mogen we langer blijven.' (Men glimlacht)

Vraag om uitleg van de heer Yves Buysse aan de vice-eersteminister en minister van Ambtenarenzaken, Overheidsbedrijven en Institutionele Hervormingen over «de eventuele verkoop van de Oesterparking aan de stad Brugge» (nr. 4-1159)

De voorzitter. - De heer Etienne Schouppe, staatssecretaris voor Mobiliteit, antwoordt.

De heer Yves Buysse (VB). - Aan de achterkant van het NMBS-station in Brugge, aan de kant van Sint-Michiels, ligt de Oesterparking. Reeds enkele jaren is de NMBS op de hoogte van de plannen van het Brugse stadsbestuur om die grond te gebruiken als de site waarop de nieuwe en dringend gewenste Beurshalle zal worden gebouwd.

In een schrijven van 4 januari 2005 bevestigde de NMBS al de bereidheid om te onderhandelen over een grondoverdracht aan de stad Brugge met het oog op de realisatie van de Beurshalle. De vorm waaronder de overdracht zou geschieden - erfpacht of eventueel verkoop - diende nog te worden besproken.

Die toezegging werd ondertussen bijna vijf jaar geleden gedaan. Tot nu blijken de onderhandelingen tussen de NMBS en het Brugse stadsbestuur in het slop te zitten.

Kan de minister een stand van zaken geven in dit dossier? Hoe komt het dat de onderhandelingen niet afgerond kunnen worden? Tegen wanneer denkt de NMBS klaar te zijn voor het vestigen van een zakelijk recht op de bedoelde gronden?

De heer Etienne Schouppe, staatssecretaris voor Mobiliteit. - Ik lees het antwoord van minister Vanackere.

De onderhandelingen met het Brugse stadsbestuur over een eventuele grondoverdracht aan de stad Brugge zitten zeker niet in het slop, maar zijn tijdelijk opgeschort. De NMBS Holding wacht op een initiatief van de stad Brugge om die onderhandelingen te hervatten. Naar verluidt dient de stad Brugge eerst een aantal andere dossiers af te ronden.

Nadat het stadsbestuur duidelijkheid heeft gebracht in verband met, onder andere, de verkeersafwikkeling aan de kant van Sint-Michiels van het station en de bijbehorende impact op grondinnames, kan worden bepaald welke gronden van de NMBS Holding effectief kunnen worden overgedragen. Op dat ogenblik zullen de onderhandelingen worden voortgezet.

De heer Yves Buysse (VB). - Vandaag zijn we bijna vijf jaar verder en, of de onderhandelingen nu opgeschort zijn dan wel in het slop zitten, ik kan alleen maar vaststellen dat de eerste steen van de Beurshalle nog niet voor morgen is. Ik betreur dat enorm en met mij vele organisatoren en vele Bruggelingen.

Vraag om uitleg van de heer Franco Seminara aan de vice-eersteminister en minister van Werk en Gelijke Kansen, belast met het Migratie- en asielbeleid over «de verschillen tussen het statuut van arbeiders en van bedienden» (nr. 4-1131)

De voorzitter. - De heer Etienne Schouppe, staatssecretaris voor Mobiliteit, antwoordt.

De heer Franco Seminara (PS). - Dagelijks gaan bedrijven failliet en worden honderden arbeiders ontslagen; vandaar mijn vraag over de broosheid van het arbeidersstatuut.

Ik weet dat de minister bekommerd is om de duizenden arbeiders die dag na dag voor hun job moeten vechten in een moeilijke economische context en dat ze voortdurend inspanningen doet om hen te steunen. In dit verband verdient de arbeidsovereenkomst tussen de arbeider en zijn werkgever blijvende aandacht.

Momenteel bestaan er hoofdzakelijk twee arbeidsovereenkomsten: die van de arbeider en die van de bediende, respectievelijk voor de uitoefening van handenarbeid en intellectuele arbeid. De werkomstandigheden voor zowel arbeiders als bedienden zijn de afgelopen decennia dermate gewijzigd dat beide categorieën nu over gespecialiseerde en gerichte competenties moeten beschikken.

Informatica, nieuwe technologieën en geavanceerd materieel zijn niet langer voorbehouden voor bedienden en kaderleden. Met de evolutie van de arbeid zijn ook de functies gewijzigd, waardoor arbeiders niet langer alleen handenarbeid verrichten. Dat onderscheid, dat tijdens het industriële tijdperk is ontstaan, stemt niet noodzakelijk meer overeen met de nieuwe functies van de arbeider.

Het huidige economische model is hoofdzakelijk gebaseerd op diensten en nieuwe technologieën. De scheidingslijn tussen handenarbeid en intellectuele arbeid is flinterdun en elke werknemer moet over een mix van competenties beschikken. Toch zijn er nog te veel, ouderwetse, verschillen tussen het statuut van arbeider en dat van bediende.

Ik denk hierbij aan de proefperiode, de opzeggingstermijn, de carensdag en het gewaarborgd loon bij ziekte.

De proefperiode bedraagt voor arbeiders zeven tot veertien dagen en voor bedienden één tot twaalf maanden. Bovendien bedraagt de opzeggingstermijn tijdens die proefperiode voor arbeiders nul dagen, tegenover zeven dagen voor de bedienden.

Een bediende beschikt dus over een langere opzeggingstermijn om bij ontslag een nieuwe baan te zoeken of zijn persoonlijke financiële toestand in orde te brengen. Voor arbeiders is die termijn veel korter.

Het is ook betreurenswaardig, en zelfs onrechtvaardig, dat de carensdag voor arbeiders niet wordt toegepast in geval van een ziekte van minder dan veertien dagen. De arbeider zou net als de bediende recht moeten hebben op een gewaarborgd loon vanaf de eerste ziektedag.

Bedienden krijgen vanaf de eerste maand van de arbeidsongeschiktheid het gewaarborgd loon. Voor arbeiders zijn alleen de eerste twee weken ongeschiktheid ten laste van de werkgever. Een ziekte van langer dan twee weken heeft voor hen dan ook financiële gevolgen.

Wat rechtvaardigt nog het onderscheid tussen het statuut van arbeiders en dat van bedienden? Is er, gelet op de evolutie van de arbeidsmarkt, geen sprake van een ongelijke behandeling?

Denkt de minister dat een verbetering van het statuut van arbeiders met betrekking tot de vier aangehaalde punten op korte of middellange termijn mogelijk is?

De heer Etienne Schouppe, staatssecretaris voor Mobiliteit. - Ik lees het antwoord van minister Milquet.

Mijn departement doet inderdaad veel en gewaardeerde inspanningen om de nefaste gevolgen van de economische crisis op te vangen. De eerste doelstelling is ontslagen vermijden.

De heer Seminara stelt terecht dat de arbeidsovereenkomst voor arbeiders, en in het bijzonder de ontslagvoorwaarden, zorgwekkend zijn. Ik heb er overigens nooit een geheim van gemaakt dat ik hoop dat de sociale partners hun gesprekken over de harmonisering van de statuten van bedienden en arbeiders tot een goed einde kunnen brengen.

De discussie gaat over veel meer dan een technische kwestie. De sociale partners hebben aangegeven dat ze dit dossier naar zich toe willen trekken. Voorrang moet dan ook worden gegeven aan het sociale overleg, de bijdrage en de eigen verantwoordelijkheid van de sociale partners. De harmonisering moet niet alleen betrekking hebben op het arbeidsrecht, maar ook op het socialezekerheidsrecht. De evaluatie die zal worden gemaakt in het kader van de verlenging van de crisismaatregelen, zal daarbij een van belang zijn.

De harmonisering van de statuten moet aansluiten bij de analyse en de herziening van de functieclassificatie. Hierbij gaat het onder andere over het wegwerken van de discriminaties op basis van geslacht en leeftijd. Als een akkoord uitblijft, zal het debat in het parlement worden voortgezet op basis van voorstellen die de regering zal uitwerken.

Tijdens deze regeerperiode moeten we een oplossing vinden waarbij rekening wordt gehouden met de evolutie van de arbeidswereld en de samenleving in haar geheel. Ik zal daaraan in mijn volgende beleidsnota aandacht besteden.

In de meest recente rechtspraak wordt erop gehamerd dat dit onderscheid moet worden weggewerkt. Vooral voor handenarbeid waarbij rechtstreeks gebruikt wordt gemaakt van nieuwe technologieën, lijkt dat onderscheid momenteel verouderd. Ik wijs er echter op dat het Grondwettelijk Hof reeds heeft geoordeeld dat het wettelijke onderscheid tussen arbeiders en bedienden en de respectieve statuten van die twee categorieën geen onwettige discriminatie inhoudt.

Ik kom dan bij de vier punten die in de vraag werden aangehaald. De proefperiode bedraagt voor arbeiders minimaal zeven en maximaal veertien dagen en voor bedienden minimaal een maand en maximaal zes tot twaalf maanden, afhankelijk van het feit of het brutoloon voor 2009 lager of hoger is dan 35 638 euro.

Het klopt echter niet helemaal dat de opzeggingstermijn voor arbeiders tijdens de proefperiode nul dagen bedraagt. Het is immers verboden om zonder zwaarwichtige reden een einde te stellen aan die proefperiode gedurende de eerste zeven dagen.

De opzeggingstermijn in geval van ontslag van een bediende tijdens de proefperiode is inderdaad zeven dagen. Een verbreking zonder zwaarwichtige reden is slechts mogelijk na de eerste maand van de proefperiode.

In een arbeidsovereenkomst voor werklieden kunnen beide partijen daarentegen overeenkomen dat de werkgever gedurende de eerste zes maanden een opzegtermijn van zeven dagen zal hanteren, waardoor arbeiders en bedienden `op gelijke voet' worden behandeld.

De wettelijke bepalingen inzake de proefperiodes zijn dan ook niet de eerste prioriteit bij de harmonisering van de statuten.

Een volgende punt zijn de opzeggingstermijnen. In de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 75 van 20 december 1999 zijn de opzeggingstermijnen voor werklieden vastgelegd, tenzij krachtens een koninklijk besluit of een collectieve arbeidsovereenkomst opzeggingstermijnen van toepassing zijn, die van de wettelijke termijnen afwijken; hetzij voor de werklieden collectieve akkoorden van toepassing zijn, die voorzien in een eigen stelsel van verruimde stabiliteit van werkgelegenheid of inkomen via aanvullende bestaanszekerheidsregelingen of via equivalente regelingen.

De opzeggingstermijnen zijn de volgende: voor minder dan zes maanden anciënniteit: 28 dagen; tussen zes maanden en minder dan vijf jaar: 35 dagen; tussen vijf en minder dan tien jaar: 42 dagen; tussen tien en minder dan vijftien jaar: 56 dagen; tussen vijftien en minder dan twintig jaar: 84 dagen; twintig of meer jaar anciënniteit: 112 dagen.

Wat de bedienden betreft, bedragen de minimumopzeggingstermijnen drie maanden voor bedienden die minder dan vijf jaar tewerkgesteld zijn. Die termijn wordt met drie maanden verlengd bij aanvang van elke nieuwe periode van vijf jaar dienst bij dezelfde werkgever. Voor arbeiders en bedienden bestaan dus inderdaad verschillende opzeggingstermijnen.

Dat verschil wordt traditioneel gekoppeld aan de bepalingen betreffende het willekeurige ontslag van arbeiders. Het Grondwettelijk Hof heeft in die zin geoordeeld: `De beperking van de toelaatbare redenen van ontslag, de omkering van de bewijslast en de forfaitaire vaststelling van de vergoeding zijn maatregelen die de vordering kunnen vergemakkelijken die door een arbeider wegens willekeurig ontslag wordt ingesteld. Ze staan dus in verband met de nagestreefde doelstelling om de niveaus van bescherming geleidelijk dichter bij elkaar te brengen: verre van een ongelijkheid tot stand te brengen, heeft de wetgever, inzake vastheid van betrekking, enkel een verschil in behandeling doorgevoerd vanuit de bekommernis om een ander verschil in behandeling te compenseren, namelijk dat inzake de opzeggingstermijn, dat de bedienden bevoorrecht.' (Arbitragehof, 21.6.2001, arrest nr. 84/2001, rolnr. 1869, motivering B.6.)

Algemeen wordt erkend dat de `gunstiger' regeling voor een willekeurig ontslag voor arbeiders een compensatie is voor de minder gunstige regeling voor een `normaal' ontslag.

Er blijven echter grote verschillen bestaan en die worden nog sterker in de verf gezet nu in de huidige crisisperiode ontslagen om economische redenen vallen.

Dit is een gevoelig punt en ik hoop dat de sociale partners hiervoor een overlegde oplossing vinden. Ook het probleem van de motivering van ontslagen houdt hiermee verband.

Het derde punt is de carensdag. Dat is een verschil uit vergane tijden. Hoewel die dag in veel sectoren al is afgeschaft, ben ik van mening dat niets het behoud van dat systeem rechtvaardigt. Ik hoop dat de sociale partners snel het nodige doen om dat onderscheid weg te werken, en dat zonder het aan andere thema's te koppelen. De afschaffing van de carensdag zal ook moeten worden toegepast op de regelingen voor bedienden die in een dergelijke dag voorzien (arbeidsovereenkomsten voor een bepaalde termijn van minder dan drie maanden of in een proefperiode, na minimaal één maand dienst).

Wat het gewaarborgd loon betreft werd in de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 12bis van 26 februari 1979 (en de wijzigingen CAO nr. 12ter tot 12sexies) aan de werkgevers de verplichting opgelegd de werklieden een gewaarborgd loon te betalen dat hoger is dan vastgelegd in de wet van 3 juli 1978. Het wordt afgestemd op de regeling voor de bedienden die tewerkgesteld zijn in het kader van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde duur van minder dan drie maanden.

Ik herinner eraan dat de tussenkomst van de werkgever, in tegenstelling tot wat de heer Seminara beweert, niet beperkt is tot de eerste veertien dagen. De werkgever moet gedurende vier weken tussenkomen (ten bedrage van bepaalde percentages en rekening houdend met een maximumvergoeding van 142,0392 euro per dag, in 2009, in het vijfdagenstelsel).

Die overeenkomsten moeten de werknemers gedurende een periode van vier weken een gewaarborgd loon garanderen dat minstens gelijk is aan hun belastbaar loon. In de praktijk bestaan er dus geen fundamentele verschillen meer, maar die verschillen zijn nog niet verdwenen. We moeten erkennen dat de sociale partners op dit vlak al lang een constructief sociaal overleg voeren.

De heer Franco Seminara (PS). - België is een van de laatste Europese landen waar die discriminatie bestaat. Ik herinner eraan dat het Arbitragehof in 1993 heeft verklaard dat dit verschil strijdig was met de Grondwet en dat er een einde aan moest worden gemaakt, zonder evenwel een termijn op te leggen.

Vraag om uitleg van mevrouw Caroline Désir aan de minister van Buitenlandse Zaken over «de presidentsverkiezingen in Tunesië» (nr. 4-1141)

De voorzitter. - De heer Etienne Schouppe, staatssecretaris voor Mobiliteit, antwoordt.

Mevrouw Caroline Désir (PS). - Zondag 25 oktober werden in Tunesië presidentsverkiezingen gehouden. President Zine El Abidine Ben Ali werd, niet echt onverwacht, herverkozen voor een vijfde ambtstermijn met een `behoorlijk' resultaat van 89,64%.

Onze fractie is steeds gevoelig geweest voor de situatie van de mensenrechten in dat deel van de Maghreb. We waren bezorgd over de manier waarop de jongste verkiezingen zijn verlopen.

Ik ga niet dieper in op het feit dat aan de oppositie bijna geen zichtbaarheid werd gegeven tijdens de verkiezingsperiode, op de manier waarop de oppositie verhinderd werd haar werk te doen, op het feit dat sommige buitenlandse journalisten gedwongen werden onmiddellijk het vliegtuig terug te nemen bij hun aankomst op Tunesisch grondgebied, op de bedreigingen die de president tijdens een interview de zaterdag voor de verkiezingen heeft geuit tegen degenen die westerse journalisten hebben ingeschakeld om het resultaat van de verkiezingen in twijfel te trekken nog voor de telling van de stemmen en op wie `de wet streng zal worden toegepast'. Die dreiging is inmiddels uitgevoerd: een Tunesische journalist, die zeer kritische artikels schrijft over het regime, werd gearresteerd.

De dag na de verkiezingen moeten de verdedigers van de mensenrechten opnieuw een verharding van het regime ondergaan. Wat is het standpunt van de minister in dat verband, rekening houdend met wat ik heb vermeld? Hoe staat het met de samenwerking tussen ons land en Tunesië? Zijn er partnerships met de onafhankelijke civiele maatschappij?

In juni laatstleden heeft de Senaat een voorstel van resolutie aangenomen. Daarin vragen we de Belgische regering de Tunesische regering te herinneren aan haar verbondenheid aan de mensenrechten en de grondvrijheden, zoals zij worden vermeld in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, met name artikel 19 dat stelt dat een ieder recht heeft op vrijheid van mening en van meningsuiting, wat ook het recht inhoudt niet te worden lastiggevallen vanwege zijn mening. We vragen de Belgische regering ook de vrijlating te vragen van mensen die enkel zijn opgesloten omdat zij gebruik hebben gemaakt van hun vrijheid van meningsuiting, van vereniging of van vergadering. Welk gevolg werd aan die nog steeds actuele resolutie gegeven?

De heer Etienne Schouppe, staatssecretaris voor Mobiliteit. - Ik lees het antwoord van de minister van Buitenlandse Zaken.

Tunesië is een bijzonder geval in het noordelijk Middellandse Zeegebied. De sociale en economische indicatoren van het land verbeteren voortdurend. De situatie van de vrouw behoort tot de beste van de landen in de regio. De strijd tegen de clandestiene immigratie en de strijd tegen het terrorisme vormen twee pijlers van de Noord-Zuidsamenwerking. In 1996 heeft Tunesië een associatieverdrag met de Europese Unie ondertekend, wat vooral een versterking van de economische banden tussen de twee entiteiten meebracht.

De vooruitgang op sociaal en economisch vlak is duidelijk, maar Tunesië vertoont een zekere achterstand op het vlak van de politieke vrijheden. Hoewel Tunesië er prat op gaat de democratische waarden hoog in het vaandel te dragen en de meeste verdragen inzake mensenrechten te hebben ondertekend, moeten we vaststellen dat er een kloof is tussen de principes en de praktijk.

Volgens onze ambassade in Tunis heeft het verloop van de verkiezingen opnieuw sommige democratische tekortkomingen onder de aandacht gebracht: alomtegenwoordigheid van president Ben Ali en de RCD, zijn partij, muilkorven van de oppositie, verscherping van de repressie van de onafhankelijke stemmen, gezagsgetrouwheid van instellingen die het neutrale karakter van de verkiezingen zouden moeten waarborgen.

Onze ambassade heeft meer gedaan dan een de situatie analyseren: onze diplomaten hebben onder meer contacten onderhouden met alle actoren van de oppositie, zowel van de echte oppositie als de afhankelijke, ze hebben door hun aanwezigheid acties van vertegenwoordigers van de civiele maatschappij en van verdedigers van de mensenrechten gesteund. Na de verkiezingen heeft onze ambassade in Tunis actief deelgenomen aan een Europees initiatief dat de verschillende democratische tekortkomingen tijdens de verkiezingsperiode opsomde. Onze diplomaten hebben ook Radhia Nasraoui bezocht, een advocate die de mensenrechten verdedigt en tijdens de verkiezingen door de politie onder druk werd gezet. Ze volgen de situatie op van mensen die gedurende die periode wegens hun standpunten door de overheid werden mishandeld.

Onze bekommernis voor het respect voor de mensenrechten en grondvrijheden overstijgt het kader van de verkiezingen, tijdens welke inderdaad alle slechte praktijken aan bod kwamen.

Meer in het algemeen behoren we met de acties en standpunten van onze diplomatie in Tunis tot de actieve groep op het vlak van het respect voor de mensenrechten, overeenkomstig de resolutie van de Senaat, maar eveneens overeenkomstig de doelstellingen die zijn geschetst voor ons voorzitterschap van de Raad Mensenrechten in Genève, en meer in het algemeen in overeenstemming met de hoofdlijnen van onze diplomatie.

België onderhoudt dus als federale staat, in een constructieve samenwerking, open bilaterale relaties met Tunesië. Die relaties zijn gebaseerd op de erkenning van de verworvenheden en op sterke stimulansen voor de uitvoering van de politieke hervormingen die nodig zijn voor het waarborgen van de vrijheden, in overeenstemming meet het politieke onderdeel van de associatieovereenkomst tussen Tunesië en de EU. Dat onderdeel zal misschien worden versterkt door de ondertekening van een advanced status. Daartoe onderhoudt onze ambassade in het bijzonder regelmatige contacten met de leden van de burgermaatschappij en de verdedigers van de mensenrechten.

Mevrouw Caroline Désir (PS). - Ik ben blij dat er een onderscheid wordt gemaakt tussen Tunesië als `goede leerling' op economisch en sociaal vlak en Tunesië als `verzamelplaats voor slechte praktijken'. We moeten waakzaam blijven op dat punt.

Ik ben ook blij dat de Belgische ambassade in Tunis bijzonder actief is op het vlak van de eerbied voor de mensenrechten.

Vraag om uitleg van de heer Louis Ide aan de minister van Justitie en aan de staatssecretaris voor Mobiliteit over «de parkeerproblematiek voor gezondheidswerkers» (nr. 4-1160)

De voorzitter. - Mijnheer Ide, nu kan u niet meer zeggen dat u met een afwezige spreekt. De heer Schouppe is speciaal voor u gekomen!

De heer Louis Ide (Onafhankelijke). - Waarvoor mijn dank, mijnheer Schouppe. Deze vraag is overigens ook gericht tot de minister van Justitie. Het antwoord van minister Onkelinx heb ik al gekregen.

Staatssecretaris Schouppe was enkele maanden geleden nog voorstander van een veralgemeende afwijkende regeling. Ik citeer de staatssecretaris: `Ik ben wel bereid om samen met de minister van Justitie, die daarvoor in feite bevoegd is, ervoor te zorgen dat er een nationale uniforme richtlijn komt voor politie en parketten inzake de voorwaarden en omstandigheden waarin dokters en zorgverleners kan worden toegestaan om foutief te parkeren. Daarover is op dit ogenblik reeds overleg aan de gang met het College van procureurs-generaal.

Gelet op hun opdracht, is het wenselijk faciliterend op te treden voor dokters en zorgverleners, maar dat moet gebeuren onder strikte en uitzonderlijke voorwaarden, met een aangepast controlebeleid. De regeling die in sommige regio's al tot ieders voldoening bestaat, wordt dus het best op een uniforme wijze uitgebreid over het hele grondgebied, zodat ook op plaatsen waar dergelijke afspraken vandaag niet zijn gemaakt, de faciliteiten voor dokters zullen gelden. Dat zal ook de huidige onvrede wegnemen.'

Door dat antwoord kwam de bal in het kamp van de minister van Justitie terecht die op 15 oktober meedeelde: `Het College van Procureurs-generaal heeft een advies uitgebracht en wees op de mogelijkheden waarin de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer reeds voorziet. Volgens artikel 29, §2, kunnen de steden en gemeenten een parkeerkaart afgeven die de houder ervan recht geeft op een bijzondere parkeerregeling en hem in voorkomend geval toestaat te parkeren op voorbehouden plaatsen, juncto artikel 2.51 van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg. Die parkeerkaart kan worden toegekend aan bepaalde groepen, zoals dokters of thuisverpleegkundigen. Het komt de staatssecretaris voor Mobiliteit toe de lokale overheden uit te nodigen om de nodige reglementering uit te vaardigen. Ik nam hiervoor reeds contact op met mijn collega voor Mobiliteit.'

Het dossier kwam daardoor weer terecht bij de staatssecretaris voor Mobiliteit, hier aanwezig. Die verklaarde: `Ik kan mij bevoegdheidshalve niet engageren voor oplossingen die afhangen van Justitie, terwijl er lokaal diverse oplossingen zijn.'

Ik wil erop wijzen dat minister Onkelinx vragende partij is van deze maatregel en dat hij zelfs in haar beleidsbrief staat. De staatssecretaris weet dat intussen want hij heeft zonet nog het antwoord van minister Onkelinx voorgelezen.

Kunnen beide ministers mij een afdoende verklaring geven voor hun besluit om eigenlijk niets te doen? Is het niet mogelijk tot een uniforme regeling te komen, wat reeds werd aangekondigd voor de regionale verkiezingen? Is de staatssecretaris voorstander van zo'n oplossing? Kunnen alle ministers niet eens samen zitten en werk maken van een regeling, zodat ik hier niet meer uitentreuren op terug moet komen?

Het antwoord van mevrouw Onkelinx stemde mij alvast positief. Ik hoop van de staatssecretaris eveneens een gunstig antwoord te krijgen.

De heer Etienne Schouppe, staatssecretaris voor Mobiliteit. - Zoals de heer Ide intussen weet, is er al overleg geweest tussen de minister van Justitie en mezelf. Mijn antwoord stemt dan ook overeen met dat van de minister van Justitie.

Het is geenszins de bedoeling de heer Ide van het kastje naar de muur te sturen. Noch de minister van Justitie, noch ikzelf wensen onze respectieve verantwoordelijkheden in deze materie te ontlopen.

Daarom wil ik, ook in naam van mijn collega van Justitie, klaar en duidelijk het volgende zeggen: we zijn niet van plan om in de verkeersreglementering een bepaling in te lassen waarbij artsen en beoefenaars van gezondheidsberoepen in overtreding mogen parkeren. We wensen ter zake geen straffeloosheid in te bouwen, geen aanleiding te geven tot misbruiken of geen precedenten te scheppen voor andere beroepscategorieën.

Wanneer een arts zich om een dringende reden in overtreding moet parkeren, dan dient dit principieel als een overtreding te blijven worden beschouwd, waarbij na eventuele vaststelling van die overtreding aan justitie moet kunnen worden uitgelegd waarom dat noodzakelijk was. Daarover bestaan trouwens in bepaalde steden al een aantal afspraken tussen artsen, de politie en het parket. Het College van Procureurs-generaal ziet een specifiek controle- en vervolgingsbeleid op nationaal vlak blijkbaar niet zitten en wijst op de bestaande mogelijkheden op lokaal vlak.

Ik kan bijgevolg alleen maar vaststellen dat Justitie geen straffeloosheid wenst in te bouwen in het vervolgingsbeleid, terwijl ik dit ook niet wens te doen in de verkeersreglementering, waarvoor ik bevoegd ben.

De heer Ide verwijst ook naar de beleidsnota van de minister van Volksgezondheid, waarin zij aandacht vraagt voor de parkeerproblematiek van de huisarts op huisbezoek. Ingevolge het overleg dat er is geweest op het niveau van de beleidscellen, kan ik zeggen dat het geenszins gaat om maatregelen zoals de heer Ide vraagt.

Ik ben niet bevoegd om mij te engageren voor oplossingen die afhangen van justitie, terwijl ik mij ook niet wens te engageren in de voorstellen die werden gedaan om artsen en beoefenaars van gezondheidsberoepen in overtreding te laten parkeren. Er zijn immers verschillende oplossingen mogelijk op lokaal vlak, die bovendien het voordeel hebben dat ze daar kunnen worden toegepast waar ze echt noodzakelijk zijn.

Collega Onkelinx kondigde al aan een werkgroep op te richten. Wij wachten af wat daaruit zal voortkomen, maar wanneer het College van Procureurs-generaal collectief een bepaalde houding heeft aangenomen over deze specifieke problematiek, en zolang die houding onveranderd blijft, kunnen wij niet anders dan de verkeerswetgeving toepassen zoals die moet worden toegepast. Het is duidelijk dat het College geen voorstander is van uitzonderingsregime omdat men niet weet waar men daarmee uitkomt. Zodra mevrouw Onkelinx een initiatief neemt, zal ik samen met de collega's van Justitie en Binnenlandse Zaken zoeken naar nieuwe mogelijkheden op lokaal vlak, in overleg met de gemeentebesturen, de politie, de artsen en het parket.

De heer Louis Ide (Onafhankelijke). - Lokale initiatieven zijn per definitie fragmentarisch. Als arts redeneer ik vanuit een praktisch probleem. Ook al ben ik geen jurist, ik begrijp dat we geen misbruiken kunnen tolereren. Ik heb eveneens begrip voor de problematiek van de straffeloosheid die zou kunnen ontstaan.

Vóór het reces werd aangekondigd dat er een oplossing zou komen. In De Standaard bijvoorbeeld is een artikel verschenen waarin wordt verwezen naar het antwoord van de staatssecretaris voor Mobiliteit op een vraag van een lid van de Kamer. De artsen hoopten dus op een gelukkige afloop. Nu lijkt de oplossing evenwel verder dan ooit.

Ik klamp mij vast aan de werkgroep die mevrouw Onkelinx zal organiseren. Misschien kan men op een of andere manier een gedoogbeleid voeren. Artsen moeten vandaag torenhoge boetes betalen. Sommigen verzetten zich daartegen om een signaal te geven. Omdat de situatie uit de hand begint te lopen, herhaal ik mijn pleidooi voor een uniforme richtlijn die voor het hele land geldt, zodat zorgverstrekkers geen parkeerproblemen meer hebben.

De heer Etienne Schouppe, staatssecretaris voor Mobiliteit, toegevoegd aan de eerste minister. - Als de heer Ide tussen de regels leest, geven de procureurs-generaal te kennen dat ze geen algemene maatregel aanvaarden, maar wel akkoord gaan met elke specifieke oplossing op grond van de plaatselijke omstandigheden. De expliciete verwijzing naar de lokale politie, de gemeente- en stadsbesturen, het parket en de artsenverenigingen lijkt me een duidelijke hint dat er oplossingen gevonden kunnen worden.

Vraag om uitleg van mevrouw Sabine de Bethune aan de minister van Ontwikkelingssamenwerking over «het nieuw Indicatief Samenwerkingsprogramma met Burundi» (nr. 4-1145)

De voorzitter. - De heer Etienne Schouppe, staatssecretaris voor Mobiliteit, toegevoegd aan de eerste minister, antwoordt.

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Op 22 oktober 2009 vond de Gemengde Commissie België-Burundi plaats waarbij een nieuw Indicatief Samenwerkingsprogramma werd afgesloten voor de periode 2010-2013. De bilaterale hulp zal fors stijgen, van 60 miljoen euro voor 2007-2009 naar 150 miljoen euro voor 2010-2013. Het programma zal toegespitst zijn op de sectoren landbouw, gezondheidszorg en onderwijs. Bijzondere aandacht zal ook gaan naar governance en de corruptiebestrijding.

Een bijkomende enveloppe van 50 miljoen euro wordt toegekend als aan een aantal voorwaarden wordt voldaan.

Er zijn signalen dat in de aanloop van de verkiezingen in 2010 de democratische ruimte bedreigd wordt, met name de vrijheid van vereniging en meningsuiting. Onder meer de ngo-koepel 11.11.11 heeft die problemen aangekaart.

Aan welke voorwaarden moet Burundi voldoen om aanspraak te kunnen maken op de extra 50 miljoen euro?

Wordt een deel van de enveloppe aangewend voor gedelegeerde hulp? Zo ja, over welk bedrag gaat het? Aan wie zal die gedelegeerde hulp worden toegekend en voor welke programma's?

Werden er in het ISP afspraken vastgelegd omtrent begrotingshulp? Zo ja, om welke bedragen gaat het en wat zijn de bepalingen van de overeenkomst?

Worden er door de Belgische ontwikkelingssamenwerking middelen vrijgemaakt voor de verkiezingen van 2010? Werden in dit kader afspraken gemaakt omtrent de onafhankelijkheid van de verkiezingscommissie CENI?

Heeft de staatssecretaris met zijn Burundese collega in het kader van Gemengde Commissie afspraken gemaakt over de vrijwaring van de democratische ruimte in Burundi voor pers, civiele samenleving en oppositiepartijen?

De heer Etienne Schouppe, staatssecretaris voor Mobiliteit. - Ik lees het antwoord van minister Michel.

Burundi zal een bijkomend bedrag van maximaal 50 miljoen euro krijgen na de verkiezingen van 2010. De toekenning van die bijdrage is afhankelijk van de volgende voorwaarden.

1. Een verklaring door een missie van electorale waarnemers (Europese Unie en Belgische parlementsleden indien aanwezig) dat de verkiezingen van 2010 in het algemeen eerlijk zijn verlopen.

2. De goedkeuring van de Stratégie nationale de gouvernance door het politieke forum van de Groupe de Coordination des Partenaires en het begin van de uitvoering van die strategie.

3. Een CPIA indicator (Country Policy and Institutional Assessment, een indicator van de Wereldbank) hoger of op hetzelfde niveau als de huidige 2,5.

4. Opeenvolgende positieve reviews van de Poverty Reduction and Growth Facility door het Internationaal Monetair Fonds.

De resultaten van de evaluatie van deze voorwaarden zullen worden besproken tijdens de bijzondere vergadering van het bijzonder Partnercomité van 2011. Dit comité zal een voorstel doen aan de twee regeringen over de verdeling van het overeengekomen bedrag.

Wat de tweede vraag betreft, wordt in het ISP Burundi voorzien in een totaal budget van 30 miljoen euro voor de gedelegeerde samenwerking. Bepaalde activiteiten in sectoren die niet als prioritair werden weerhouden, zullen dus ondersteund kunnen worden door gedelegeerde samenwerking, op expliciete vraag van de Burundese partij. Acties ter ondersteuning van de corruptiebestrijding, voor de gelijkheid tussen man en vrouw, voor de vermindering van de effecten van de klimaatsverandering, op milieugebied of betreffende de reïntegratie van voormalige strijders zullen in dit kader overwogen kunnen worden.

In het ISP Burundi wordt in geen algemene begrotingshulp voorzien. België heeft zich trouwens meer gespecialiseerd in sectorale budgettaire hulp. Slechts uitzonderlijk doet België aan algemene begrotingshulp. Tot op heden bestaat er nog geen functioneel sectoraal mechanisme voor budgettaire hulp in Burundi.

De Belgische ontwikkelingssamenwerking neemt deel aan het gemeenschappelijk onderwijsfonds, het mogelijk embryo voor een toekomstige sectorale budgettaire hulp. Een evaluatie van de uitvoeringsprocedures van het gemeenschappelijk onderwijsfonds wordt nu gemaakt en een aanpassing van die procedures is gepland. De toepassing van die werkwijze in andere sectoren is afhankelijk van een positieve evaluatie van dit gemeenschappelijk onderwijsfonds. De toepassing van deze uitvoeringsbepaling op andere sectoren zal eveneens afhangen van het bestaan van goed uitgewerkte strategische sectorale plannen die door de verschillende partners werden goedgekeurd, van een coherente ontwikkelingsstrategie en van een progressieve ingebruikname op middellange termijn van het Cadre de Dépenses in de staatsbegroting. Transparante en duidelijke opvolgings- en uitvoeringsmechanismen van de begroting zijn eveneens een voorwaarde.

De Belgische ontwikkelingssamenwerking heeft aan Burundi een bedrag van 2 miljoen euro toegekend voor de voorbereiding en organisatie van de verkiezingen van 2010, door middel van een bijdrage aan het fiduciaire fonds van het UNDP. Het Indicatief Samenwerkingsprogramma onderstreept duidelijk het belang van het goede verloop van een transparant electoraal proces. In mijn gesprekken met de Burundese overheden benadruk ik geregeld het belang van de komende stembusgang en van de onafhankelijkheid van de CENI voor het goede verloop van deze verkiezingen. Tijdens zijn recente bezoek aan België hebben we de voorzitter van de CENI, Pierre Claver Ndayicariye, ontvangen. Tijdens dit onderhoud kwam de werking van de CENI uitvoerig aan bod.

Over democratie en mensenrechten heb ik uitdrukkelijk gesproken in de marge van de Gemengde Commissie in Brussel op 22 oktober jongstleden, zowel met President Nkurunziza als met de Burundese minister van Buitenlandse Betrekkingen en Internationale Samenwerking.

In mijn onderhoud met minister Nsanze heb ik duidelijk gemaakt dat de verhoging van onze ontwikkelingssamenwerking in Burundi moest worden beschouwd als een blijk van vertrouwen, maar ook dat de weg die nog moet worden afgelegd zeer lang is. Ik heb hem dus duidelijk gemaakt dat we bezorgd zijn over de vrijheid van de politieke partijen in de aanloop naar de verkiezingen en meer bepaald over het bestaan van milities. Ik heb hem eveneens herhaald dat we niet kunnen instemmen met de clausule die homoseksualiteit in het strafwetboek strafbaar maakt.

Vraag om uitleg van mevrouw Sabine de Bethune aan de minister van Ontwikkelingssamenwerking over «de inspanningen van België ter bevordering van de geboorteregistratie in landen in het Zuiden» (nr. 4-1165)

De voorzitter. - De heer Etienne Schouppe, staatssecretaris voor Mobiliteit, antwoordt.

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - In 2005 waren volgens Unicef 48 miljoen kinderen bij hun geboorte niet geregistreerd. Ondanks het feit dat sindsdien miljoenen kinderen werden geregistreerd, worden jaarlijks nog steeds 51 miljoen kinderen, of 40%, niet in de geboorteregisters opgenomen. Gemiddeld wordt in alle ontwikkelingslanden samen de helft van de kinderen niet geregistreerd. In sub-Saharaans Afrika en Zuidelijk Azië loopt dat op tot 64% van alle kinderen.

Het recht om onmiddellijk na de geboorte geregistreerd te worden en een naam en een nationaliteit te krijgen wordt expliciet vermeld in artikel 7 van het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind, IVRK. Het is een recht op zich, maar het vormt ook een basisvoorwaarde voor de realisatie van andere kinderrechten. Geen geboortebewijs betekent geen toegang tot onderwijs of gezondheidszorg. Zonder geboortebewijs kunnen kinderen later niet deelnemen aan staatsexamens of een baan bij de overheid krijgen, geen bedrijf opstarten of kredieten en/of microfinanciering aanvragen. Ze kunnen niet gaan stemmen. Geboorteregistratie is belangrijk voor de bescherming van kinderen tegen geweld en uitbuiting. Geboorteregistratie is ook belangrijk voor overheden zelf. Goede bevolkingsstatistieken zijn immers cruciaal voor het plannen en uitvoeren van een adequaat beleid dat tegemoetkomt aan de noden van de bevolking.

Plan International voerde vijf jaar lang wereldwijd campagne om geboorteregistratie in het Zuiden te bevorderen. Op 16 november 2009 sluit Plan de campagne af met de lancering van het rapport Count Every Child: the right to birth registration. Plan International toont in dat rapport aan dat investeringen om geboorteregistratie te bevorderen wel degelijk vruchten afwerpen. Evenwel moeten alle overheden en donoren inspanningen blijven doen opdat alle kinderen in de wereld worden geregistreerd.

In juni 2005 stelde ik naar aanleiding van de jaarlijkse campagne van Plan België over geboorteregistratie al een vraag om uitleg aan toenmalig minister van Ontwikkelingssamenwerking De Decker over de Belgische inspanningen terzake. In zijn antwoord erkende minister De Decker het belang van geboorteregistratie en bevestigde hij dat België via de multilaterale samenwerking met Unicef en de gemeentelijke ontwikkelingssamenwerking aandacht aan die kwestie besteedde en dat hij de inspanningen zou voortzetten.

Naar aanleiding van de twintigste verjaardag van het IVRK op 20 november aanstaande en met het oog op het belang van geboorteregistratie voor de realisatie van kinderrechten in het Zuiden heb ik de volgende vragen voor de minister.

Beschikt de minister over recente geboorteregistratiecijfers in de partnerlanden van de Belgische ontwikkelingssamenwerking? Zo ja, wat zijn die cijfers?

Welke initiatieven heeft België sinds 2005 genomen ter bevordering van geboorteregistratie in het Zuiden, via eigen projecten en programma's, steun aan multilaterale en steun aan indirecte actoren?

Op welke manier is geboorteregistratie opgenomen in de indicatieve samenwerkingsprogramma's met de verschillende partnerlanden van de Belgische ontwikkelingssamenwerking?

Wat zijn de intenties voor de toekomst en welke concrete initiatieven heeft de minister voor 2010 vastgelegd ter bevordering van geboorteregistratie van kinderen in het Zuiden?

De heer Etienne Schouppe, staatssecretaris voor Mobiliteit. - Ik lees het antwoord van minister Michel.

We beschikken niet over bevestigde cijfers voor al onze partnerlanden. Wanneer geboorteregistratie problematisch blijkt te zijn, krijgt deze kwestie wel bijzondere aandacht, onder andere in de mensenrechtenrapporten die de posten jaarlijks opmaken of in de basisnota die de attachés Internationale Samenwerking opstellen ter voorbereiding van de gemengde commissies. Sinds kort wordt het Platform kinderrechten in ontwikkelingssamenwerking systematisch uitgenodigd bij de voorbereiding van deze gemengde commissies, die op hun beurt dienen ter voorbereiding van een nieuw indicatief samenwerkingsprogramma. Dat is de gelegenheid om onder meer de kinderrechtensituatie te bespreken en, indien nodig, een specifieke problematiek aan te kaarten.

De initiatieven die België sinds 2005 heeft genomen werden opgenomen in de strategienota over kinderrechten in ontwikkelingssamenwerking, die in maart 2008 aan het Parlement werd voorgesteld.

Bij de politieke dialoog met de overheden van de partnerlanden wordt geregeld gewezen op het belang van geboorteregistratie.

Op het terrein waren er specifieke ondersteuningsacties, meer bepaald in het kader van partnerschappen tussen Belgische en Congolese steden en gemeenten, die onder andere tot doel hebben de capaciteiten van lokale overheden inzake burgerlijke stand, onder meer inzake geboorteregistratie, te versterken.

Onze bijdrage aan de algemene werkingsmiddelen van Unicef maakt het deze organisatie eveneens mogelijk haar acties rond kinderbescherming, met inbegrip van geboorteregistratie, te versterken. Deze bijdrage bedroeg 18,6 miljoen euro in 2009, een aanzienlijke stijging ten opzichte van 2008.

Tijdens de politieke dialoog met de overheden van de partnerlanden ter voorbereiding van de gemengde commissies is het bevorderen van kinderrechten, en dus ook geboorteregistratie, een essentieel punt. Indien de situatie dit zou vereisen en het partnerland er vragende partij voor is, kan een specifieke steun gegeven worden in het kader van de gedelegeerde samenwerking.

In 2010 zullen we ons samen met de overheden van de partnerlanden blijven inzetten voor geboorteregistratie. We wensen eveneens de politieke dialoog met het Platform kinderrechten in ontwikkelingssamenwerking te versterken om samen de belangrijkste problemen te kunnen identificeren en er een gepast antwoord op te formuleren.

Vraag om uitleg van de heer Guy Swennen aan de minister van Binnenlandse Zaken over «de milieupolitie» (nr. 4-1143)

De voorzitter. - De heer Etienne Schouppe, staatssecretaris voor Mobiliteit, antwoordt.

De heer Guy Swennen (sp.a). - Meerdere politieambtenaren in ons land zijn in het bezit van een zogenaamd Vlarembrevet en zijn dan ook aangesteld als toezichthoudend ambtenaar inzake milieu.

Sinds 1 mei 2009 is het nieuwe Vlaamse milieuhandhavingsdecreet van kracht. Dat maakt dat politiemensen met zo'n Vlarembrevet, en in de toekomst met het brevet conform het milieuhandhavingsdecreet, een specifieke opleiding hebben gevolgd en uiteraard dienen te slagen in het bijbehorende examen.

Uit navraag blijkt evenwel dat deze `milieupolitie' niet in alle lokale politiezones op dezelfde manier wordt `ingedeeld'. In de meeste gevallen maken ze deel uit van de lokale recherche, maar soms worden ze ook bij de wijkpolitie ingedeeld.

Gelet op de specifieke deskundigheid en kwalificatie lijkt het mij logisch dat er daarin uniformiteit komt en meer bepaald dat de milieupolitie algemeen bij de lokale recherche wordt ingedeeld.

Wat denkt de minister over een veralgemeende indeling bij de lokale recherche en hoe denkt ze dat te bewerkstelligen?

De heer Etienne Schouppe, staatssecretaris voor Mobiliteit. - Ik lees het antwoord van de minister.

Het Vlaamse Handhavingdecreet van 21 december 2007 bepaalt inderdaad dat personeelsleden van een politiezone door het politiecollege kunnen worden aangewezen als toezichthouders. Het betreft hier uiteraard personen die beschikken over het voorziene bekwaamheidsbewijs, in casu het Vlaremattest. In voorkomend geval komt het de betrokken korpschef toe deze mensen organisatorisch te plaatsen waar hij/zij dit het meest opportuun acht.

Ik ben niet bevoegd om de gemeentelijke overheden te verplichten politiemensen, laat staan leden van de lokale recherche, als toezichthouders aan te duiden.

Vraag om uitleg van de heer Guy Swennen aan de staatssecretaris voor Begroting, voor Migratie- en asielbeleid, voor Gezinsbeleid en voor de Federale Culturele Instellingen over «de studie met betrekking tot echtscheiding en co-ouderschap» (nr. 4-1144)

De voorzitter. - De heer Etienne Schouppe, staatssecretaris voor Mobiliteit, antwoordt.

De heer Guy Swennen (sp.a). - In een brief van 19 november 2008 aan de heer Patrik Vankrunkelsven, voorzitter van de commissie voor de Justitie van de Senaat, betreffende mijn wetvoorstel kondigde de staatssecretaris aan dat hij een studieopdracht zou lanceren omtrent echtscheiding en verblijfsco-ouderschap. De resultaten mogen tegen september van dit jaar worden verwacht.

Aangezien we intussen ruim een maand verder zijn, kreeg ik graag de stand van zaken van die studie en de timing waartegen ze klaar zal zijn.

De heer Etienne Schouppe, staatssecretaris voor Mobiliteit. - Ik lees het antwoord van staatssecretaris Wathelet.

Toen ik in december 2008 de studie betreffende familiale bemiddeling lanceerde, heb ik terzelfder tijd bij de Universiteit van Luik een studie besteld met betrekking tot de evaluatie van de wet op het gelijkmatig verdeeld verblijf.

Het betreft geen evaluatie van de echtscheidingswet.

De conclusies werden eind oktober bezorgd en worden momenteel door ons geanalyseerd.

Net zoals wij dit deden voor de studie omtrent familiale bemiddeling, zijn wij voornemens een algemene bijeenkomst te organiseren waarop de Universiteit haar studie komt voorstellen en hierover een gedachtewisseling plaats kan vinden.

In het verlengde van die studie zal een bijkomend onderzoek gevoerd worden naar jongvolwassenen die in hun kindertijd en/of adolescentie het gelijkmatig verdeeld verblijf ervaren hebben. Op die manier zullen wij een breder overzicht hebben van de ervaringen van de bevolking en de `kinderen' die in deze verblijfsregeling volwassen werden.

De heer Guy Swennen (sp.a). - Er wordt niets gezegd over de timing. Ik hoop dat dit niet naar de Griekse kalender wordt verwezen.

Vraag om uitleg van mevrouw Cindy Franssen aan de staatssecretaris voor Maatschappelijke Integratie en Armoedebestrijding over «het ontmoedigen van bedelen in de Brusselse metrostations» (nr. 4-1138)

De voorzitter. - De heer Etienne Schouppe, staatssecretaris voor Mobiliteit, antwoordt.

Mevrouw Cindy Franssen (CD&V). - Sinds 15 oktober weerklinkt om de dertig minuten de volgende boodschap in de metrostations in Brussel: `Wij herinneren u eraan dat bedelen in de metro verboden is. Gelieve dit niet aan te moedigen'. De MIVB ving het idee op in Parijs en neemt het sinds kort over in haar eigen stations.

Deze boodschappen hebben volgens de MIVB tot doel het veiligheidsgevoel van de reizigers te verhogen. De MIVB reageert daarmee naar eigen zeggen op het toenemend aantal klachten dat ze ontvangt `over opdringerige en agressieve bedelaars in en rond onze metrotoestellen'. De boodschappen passen bovendien in een bredere strategie die de vervoersmaatschappij toepast. Vanaf deze maand wilde de MIVB ook de bedelaars actief benaderen met de vraag om het station te verlaten. Dat gaat gelukkig niet door.

In de media liet de staatssecretaris al verstaan dat hij zeer ontevreden is met dit initiatief van de MIVB. `De staatssecretaris roept de MIVB op om de oorzaken van de armoede aan te pakken. De vervoersmaatschappij zou zich kunnen engageren om aan oplossingen te werken voor de bedelaars, eventueel in samenwerking met welzijnsorganisaties die zich het lot van armen en daklozen aantrekken', deelde zijn woordvoerder mee. De staatssecretaris stelde ook voor om naar het voorbeeld van de NMBS een cel Preventie en sociale veiligheid op te richten met het oog op een verhoogd veiligheidsgevoel bij de reizigers, in plaats van toevlucht te zoeken tot repressieve maatregelen. Ook de Liga voor de mensenrechten volgde deze visie.

Heeft de staatssecretaris naar aanleiding van dit incident al overleg gehad met de MIVB? Vandaag meldt Metro dat hij samen met zijn Brusselse collega de MIVB oproept om samen te komen met verenigingen waar armen het woord nemen. Welk resultaat heeft het overleg opgeleverd?

Welke andere stappen heeft de staatssecretaris gedaan om de samenwerking tussen de MIVB en de thuislozen en bedelaars die vaak in de stations vertoeven, te verbeteren? Is hij bereid om bij te dragen tot het uitwerken van nieuwe initiatieven, zoals de door hemzelf voorgestelde cel Preventie en sociale veiligheid? Zo ja, op welke manier?

Meer algemeen, welke maatregelen heeft hij al genomen inzake de problematiek van de dakloosheid, om de hulp aan thuislozen te versterken en het aantal thuislozen in Brussel en de rest van het land te doen dalen, zoals bepaald werd in het federaal plan Armoedebestrijding?

De heer Etienne Schouppe, staatssecretaris voor Mobiliteit. - In zijn antwoord maakt staatssecretaris Courard uiteraard geen melding van het resultaat van het overleg waar senator Franssen naar vraagt. Ik lees dan ook het antwoord zoals de staatssecretaris het mij heeft bezorgd.

Ik heb inderdaad de MIVB opgeroepen op zich constructiever en minder stigmatiserend op te stellen in de problematiek van de daklozen in de metrostations. De MIVB valt onder de bevoegdheid van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Vanuit de federale overheid kan ik dan ook alleen maar deze oproep doen en de MIVB aanraden om samen te werken met de vele organisaties die op het Brusselse grondgebied actief zijn rond armoedebestrijding.

Uiteraard ben ik bereid mee te zoeken naar oplossingen. Ik heb samen met de NMBS en Frankrijk, Duitsland en Italië, bij Europa een project Hope in stations ingediend. Overal in Europa bestaat immers hetzelfde probleem. Het project beoogt oplossingen aan te reiken om daklozen in stations opnieuw aansluiting te doen vinden bij de maatschappij door diensten beter te coördineren en toegankelijker te maken. Dit is een constructievere oplossing dan reizigers aan te sporen geen geld aan bedelaars te geven.

Dakloosheid bestrijden is een belangrijk programmapunt in ons federaal armoedeplan. In dit kader werd overleg georganiseerd over het winterplan in samenwerking Defensie, de OCMW's en de sociale instellingen om de bestaande hulpverlening in de winterperiode - het uitdelen van kleding en dekens en het ter beschikking stellen van kazernes - verder te optimaliseren. Er werd eveneens overleg opgestart met mijn collega van Justitie over illegale uithuiszettingen en over de problematiek van de huurwaarborg,

In het kader van het Belgisch Voorzitterschap wordt ten slotte een speciale conferentie over dakloosheid georganiseerd waaraan de daklozen zelf participeren.

Er is ook een studie aan de gang om de werking van de OCMW's op het vlak van dakloosheid verder te verbeteren door het verzamelen van best practices.

De voorzitter. - De agenda van deze vergadering is afgewerkt.

De volgende vergaderingen vinden plaats op donderdag 19 november om 10 uur en om 15 uur.

(De vergadering wordt gesloten om 20.50 uur.)

Berichten van verhindering

Afwezig met bericht van verhindering: mevrouw Stevens, om gezondheidsredenen, mevrouw Pehlivan en de heer Fourny, wegens andere plichten.

-Voor kennisgeving aangenomen.

Bijlage

Naamstemmingen

Stemming 1

Aanwezig: 57
Voor: 56
Tegen: 0
Onthoudingen: 1

Voor

Yves Buysse, Dirk Claes, Berni Collas, Alain Courtois, Hugo Coveliers, Marie-Hélène Crombé-Berton, John Crombez, José Daras, Sabine de Bethune, Armand De Decker, Christine Defraigne, Jean-Jacques De Gucht, Michel Delacroix, Francis Delpérée, Caroline Désir, Alain Destexhe, Roland Duchatelet, Jan Durnez, Philippe Fontaine, Richard Fournaux, Cindy Franssen, Benoit Hellings, Nele Jansegers, Zakia Khattabi, Nahima Lanjri, Nele Lijnen, Philippe Mahoux, Vanessa Matz, Philippe Monfils, Philippe Moureaux, Caroline Persoons, Freya Piryns, Jean-Paul Procureur, Els Schelfhout, Franco Seminara, Ann Somers, Guy Swennen, Martine Taelman, Cécile Thibaut, Dominique Tilmans, Elke Tindemans, Bart Tommelein, Hugo Vandenberghe, Pol Van Den Driessche, Anke Van dermeersch, Luckas Vander Taelen, Lieve Van Ermen, Freddy Van Gaever, Joris Van Hauthem, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, Karim Van Overmeire, Tony Van Parys, Marc Verwilghen, Christiane Vienne, Olga Zrihen.

Onthoudingen

Louis Ide.

Stemming 2

Aanwezig: 57
Voor: 57
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

Voor

Yves Buysse, Dirk Claes, Berni Collas, Alain Courtois, Hugo Coveliers, Marie-Hélène Crombé-Berton, John Crombez, José Daras, Sabine de Bethune, Armand De Decker, Christine Defraigne, Jean-Jacques De Gucht, Michel Delacroix, Francis Delpérée, Caroline Désir, Alain Destexhe, Roland Duchatelet, Jan Durnez, Philippe Fontaine, Richard Fournaux, Cindy Franssen, Benoit Hellings, Louis Ide, Nele Jansegers, Zakia Khattabi, Nahima Lanjri, Nele Lijnen, Philippe Mahoux, Vanessa Matz, Philippe Monfils, Philippe Moureaux, Caroline Persoons, Freya Piryns, Jean-Paul Procureur, Els Schelfhout, Franco Seminara, Ann Somers, Guy Swennen, Martine Taelman, Cécile Thibaut, Dominique Tilmans, Elke Tindemans, Bart Tommelein, Hugo Vandenberghe, Pol Van Den Driessche, Anke Van dermeersch, Luckas Vander Taelen, Lieve Van Ermen, Freddy Van Gaever, Joris Van Hauthem, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, Karim Van Overmeire, Tony Van Parys, Marc Verwilghen, Christiane Vienne, Olga Zrihen.

Stemming 3

Aanwezig: 57
Voor: 57
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

Voor

Yves Buysse, Dirk Claes, Berni Collas, Alain Courtois, Hugo Coveliers, Marie-Hélène Crombé-Berton, John Crombez, José Daras, Sabine de Bethune, Armand De Decker, Christine Defraigne, Jean-Jacques De Gucht, Michel Delacroix, Francis Delpérée, Caroline Désir, Alain Destexhe, Roland Duchatelet, Jan Durnez, Philippe Fontaine, Richard Fournaux, Cindy Franssen, Benoit Hellings, Louis Ide, Nele Jansegers, Zakia Khattabi, Nahima Lanjri, Nele Lijnen, Philippe Mahoux, Vanessa Matz, Philippe Monfils, Philippe Moureaux, Caroline Persoons, Freya Piryns, Jean-Paul Procureur, Els Schelfhout, Franco Seminara, Ann Somers, Guy Swennen, Martine Taelman, Cécile Thibaut, Dominique Tilmans, Elke Tindemans, Bart Tommelein, Hugo Vandenberghe, Pol Van Den Driessche, Anke Van dermeersch, Luckas Vander Taelen, Lieve Van Ermen, Freddy Van Gaever, Joris Van Hauthem, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, Karim Van Overmeire, Tony Van Parys, Marc Verwilghen, Christiane Vienne, Olga Zrihen.

Stemming 4

Aanwezig: 56
Voor: 56
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

Voor

Yves Buysse, Dirk Claes, Berni Collas, Alain Courtois, Hugo Coveliers, Marie-Hélène Crombé-Berton, John Crombez, José Daras, Sabine de Bethune, Christine Defraigne, Jean-Jacques De Gucht, Michel Delacroix, Francis Delpérée, Caroline Désir, Alain Destexhe, Roland Duchatelet, Jan Durnez, Philippe Fontaine, Richard Fournaux, Cindy Franssen, Benoit Hellings, Louis Ide, Nele Jansegers, Zakia Khattabi, Nahima Lanjri, Nele Lijnen, Philippe Mahoux, Vanessa Matz, Philippe Monfils, Philippe Moureaux, Caroline Persoons, Freya Piryns, Jean-Paul Procureur, Els Schelfhout, Franco Seminara, Ann Somers, Guy Swennen, Martine Taelman, Cécile Thibaut, Dominique Tilmans, Elke Tindemans, Bart Tommelein, Hugo Vandenberghe, Pol Van Den Driessche, Anke Van dermeersch, Luckas Vander Taelen, Lieve Van Ermen, Freddy Van Gaever, Joris Van Hauthem, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, Karim Van Overmeire, Tony Van Parys, Marc Verwilghen, Christiane Vienne, Olga Zrihen.

Stemming 5

Aanwezig: 57
Voor: 47
Tegen: 7
Onthoudingen: 3

Voor

Yves Buysse, Dirk Claes, Berni Collas, Alain Courtois, Hugo Coveliers, Marie-Hélène Crombé-Berton, John Crombez, Sabine de Bethune, Armand De Decker, Christine Defraigne, Jean-Jacques De Gucht, Michel Delacroix, Francis Delpérée, Caroline Désir, Alain Destexhe, Roland Duchatelet, Jan Durnez, Philippe Fontaine, Richard Fournaux, Cindy Franssen, Nele Jansegers, Nahima Lanjri, Nele Lijnen, Philippe Mahoux, Vanessa Matz, Philippe Monfils, Caroline Persoons, Jean-Paul Procureur, Els Schelfhout, Franco Seminara, Ann Somers, Guy Swennen, Martine Taelman, Dominique Tilmans, Elke Tindemans, Bart Tommelein, Hugo Vandenberghe, Pol Van Den Driessche, Anke Van dermeersch, Freddy Van Gaever, Joris Van Hauthem, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, Karim Van Overmeire, Tony Van Parys, Marc Verwilghen, Christiane Vienne.

Tegen

José Daras, Benoit Hellings, Zakia Khattabi, Philippe Moureaux, Freya Piryns, Cécile Thibaut, Luckas Vander Taelen.

Onthoudingen

Louis Ide, Lieve Van Ermen, Olga Zrihen.

Stemming 6

Aanwezig: 56
Voor: 56
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

Voor

Yves Buysse, Dirk Claes, Berni Collas, Alain Courtois, Hugo Coveliers, Marie-Hélène Crombé-Berton, John Crombez, José Daras, Sabine de Bethune, Armand De Decker, Christine Defraigne, Jean-Jacques De Gucht, Francis Delpérée, Caroline Désir, Alain Destexhe, Roland Duchatelet, Jan Durnez, Philippe Fontaine, Richard Fournaux, Cindy Franssen, Benoit Hellings, Louis Ide, Nele Jansegers, Zakia Khattabi, Nahima Lanjri, Nele Lijnen, Philippe Mahoux, Vanessa Matz, Philippe Monfils, Philippe Moureaux, Caroline Persoons, Freya Piryns, Jean-Paul Procureur, Els Schelfhout, Franco Seminara, Ann Somers, Guy Swennen, Martine Taelman, Cécile Thibaut, Dominique Tilmans, Elke Tindemans, Bart Tommelein, Hugo Vandenberghe, Pol Van Den Driessche, Anke Van dermeersch, Luckas Vander Taelen, Lieve Van Ermen, Freddy Van Gaever, Joris Van Hauthem, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, Karim Van Overmeire, Tony Van Parys, Marc Verwilghen, Christiane Vienne, Olga Zrihen.

In overweging genomen voorstellen

Wetsvoorstellen

Artikel 77 van de Grondwet

Wetsvoorstel met betrekking tot de rechtspleging voor het Hof van Cassatie in strafzaken (van de heer Hugo Vandenberghe c.s.; Stuk 4-1488/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Artikel 81 van de Grondwet

Wetsvoorstel tot wijziging van tabel A gevoegd als bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven wat het rouwdrukwerk betreft (van mevrouw Anke Van dermeersch en de heer Freddy Van Gaever; Stuk 4-1486/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden.

Wetsvoorstel tot wijziging van het Strafwetboek wat de ontvluchting van gevangenen betreft (van mevrouw Anke Van dermeersch en de heer Hugo Coveliers; Stuk 4-1487/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 71 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, wat de instelling van een beroep betreft (van mevrouw Christine Defraigne; Stuk 4-1490/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.

Voorstellen van resolutie

Voorstel van resolutie betreffende de investeringen in hernieuwbare energie en het afsluiten van een Europees verdrag van hernieuwbare energie "EURENEW" (van de heer Berni Collas c.s.; Stuk 4-1466/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden.

Voorstel van resolutie betreffende de prioriteit voor gezondheidszorg, inclusief seksuele en reproductieve gezondheid, tijdens het Belgisch EU-voorzitterschap (van mevrouw Marleen Temmerman c.s.; Stuk 4-1485/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.

Voorstel van resolutie teneinde het genderevenwicht binnen de Europese Commissie te bevorderen en ervoor te zorgen dat een van de vier symbolische functies van de Europese Unie wordt bekleed door een vrouw (van de heer Alain Destexhe c.s.; Stuk 4-1492/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.

Vragen om uitleg

Het Bureau heeft volgende vragen om uitleg ontvangen:

-Deze vragen worden naar de plenaire vergadering verzonden.

Evocatie

De Senaat heeft bij boodschap van 5 november 2009 aan de Kamer van volksvertegenwoordigers ter kennis gebracht dat tot evocatie is overgegaan, op die datum, van het volgend wetsontwerp:

Wetsontwerp houdende fiscale en diverse bepalingen (Stuk 4-1469/1).

-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden.

Indiening van wetsontwerpen

De regering heeft volgende wetsontwerpen ingediend:

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en de Regering van de Republiek Turkije inzake het verrichten van betaalde werkzaamheden door bepaalde gezinsleden van het diplomatiek en consulair personeel, ondertekend te Istanboel op 31 oktober 2008 (van de Regering; Stuk 4-1489/1).

-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.

Wetsontwerp houdende instemming met het Verdrag tussen het Koninkrijk België en het Koninkrijk der Nederlanden over de terbeschikkingstelling van een penitentiaire inrichting in Nederland ten behoeve van de tenuitvoerlegging van bij Belgische veroordelingen opgelegde vrijheidsstraffen, gedaan te Tilburg (Nederland) op 31 oktober 2009 (van de Regering; Stuk 4-1491/1).

-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.

Informele mededeling van een verdrag

Bij brief van 26 oktober 2009 heeft de vice-eersteminister en minister van Financiën, aan de Senaat ter kennisgeving overgezonden, de tekst van de Overeenkomst tussen België en Andorra, ondertekend op 23 oktober 2009.

Deze tekst zal tevens worden gepubliceerd op de website van de Federale Overheidsdienst Financiën www.fiscus.fgov.be.

Deze Overeenkomst werd nog niet aan de Kamers ter goedkeuring voorgelegd.

-Verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.

Mededeling van koninklijke besluiten

Bij brief van 9 november 2009 heeft de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid aan de Senaat overgezonden, voor de publicatie in het Belgisch Staatsblad, overeenkomstig artikel 3bis, 3de lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, het ontwerp van koninklijk besluit voor advies voorgelegd aan de Raad van State van volgende koninklijke besluiten:

-Verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.

Grondwettelijk Hof - Arresten

Met toepassing van artikel 113 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van het Grondwettelijk Hof kennis aan de voorzitter van de Senaat van:

-Voor kennisgeving aangenomen.

Grondwettelijk Hof - Prejudiciële vragen

Met toepassing van artikel 77 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van het Grondwettelijk Hof aan de voorzitter van de Senaat kennis van:

-Voor kennisgeving aangenomen.

Grondwettelijk Hof - Beroepen

Met toepassing van artikel 76 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van het Grondwettelijk Hof kennis aan de voorzitter van de Senaat van:

-Voor kennisgeving aangenomen.

College van procureurs-generaal

Bij brief van 22 oktober 2009 heeft de minister van Justitie, overeenkomstig artikel 143bis, §7, van het Gerechtelijk Wetboek, aan de Senaat overgezonden, het jaarverslag van het College van procureurs-generaal voor 2008-2009.

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding

Bij brief van 13 oktober 2009 heeft de directeur van het Centrum voor gelijkheid van kansen en racismebestrijding, overeenkomstig artikel 6 van de wet van 15 februari 1993 tot oprichting van een Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding, aan de Senaat overgezonden, het jaarverslag 2008 "Mensenhandel en -smokkel".

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie en de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden.

Directie-generaal internationale samenwerking - Belgische technische coöperatie

Bij brief van 7 oktober 2009 heeft de voorzitter van de Belgische technische coöperatie, overeenkomstig artikel 30, §3, vierde lid, van de wet van 21 december 1998 tot oprichting van de "Belgische Technische Coöperatie" in de vorm van een vennootschap van publiek recht aan de Senaat overgezonden, het jaarverslag voor 2008.

-Verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.

Centrale Raad voor het Bedrijfsleven

Bij brief van 7 oktober 2009 heeft de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven, overeenkomstig artikel 1 van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven aan de Senaat overgezonden:

goedgekeurd tijdens zijn plenaire vergadering van 7 oktober 2009.

-Verzonden naar de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden.

Instituut voor Gerechtelijke Opleiding

Bij brief van 14 oktober 2009 heeft de directeur van het Instituut voor Gerechtelijke Opleiding, overeenkomstig artikel 10 van de wet van 24 juli 2008 tot wijziging van de wet van 31 januari 2007 inzake de gerechtelijke opleiding en tot oprichting van het Instituut voor gerechtelijke opleiding, aan de Senaat overgezonden, het verslag van de raad van bestuur - stand van zaken op 1 oktober 2009.

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Europees Parlement

Bij brief van 23 oktober 2009 heeft de voorzitter van het Europees Parlement aan de Senaat overgezonden:

aangenomen tijdens de vergaderperiode van 7 en 8 oktober 2009.

-Verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging en naar het Federaal Adviescomité voor Europese Aangelegenheden.