2-70

2-70

Belgische Senaat

2-70

Handelingen - Nederlandse versie

DONDERDAG 12 OKTOBER 2000 - NAMIDDAGVERGADERING


Waarschuwing: de blauwe kleur geeft aan dat het gaat om uit het Frans vertaalde samenvattingen.


Overlijden van oud-senatoren

Inoverwegingneming van voorstellen

Mondelinge vragen

Vraag om uitleg van de heer Mohamed Daif aan de minister van Binnenlandse Zaken over «de regularisatieoperatie van de mensen zonder papieren» (nr. 2-220)

Regeling van de werkzaamheden

Berichten van verhindering

Bijlage


Voorzitter: de heer Armand De Decker

(De vergadering wordt geopend om 15.15 uur.)

Overlijden van oud-senatoren

De voorzitter. - De Senaat heeft met groot leedwezen kennis gekregen van het overlijden van de heer Georges Cardoen, gewezen senator voor het arrondissement Brussel, en van de heer Joseph Smitz, gewezen provinciaal senator voor Luik.

Uw voorzitter heeft het rouwbeklag van de vergadering aan de familie van onze betreurde gewezen medeleden betuigd.

Inoverwegingneming van voorstellen

De voorzitter. - De lijst van de in overweging te nemen voorstellen werd rondgedeeld.

Leden die opmerkingen mochten hebben, kunnen die vóór het einde van de vergadering mededelen.

Tenzij er afwijkende suggesties zijn, neem ik aan dat die voorstellen in overweging zijn genomen en verzonden naar de commissies die door het Bureau zijn aangewezen. (Instemming)

(De lijst van de in overweging genomen voorstellen wordt in de bijlage opgenomen.)

Mondelinge vragen

Mondelinge vraag van de heer Hugo Vandenberghe aan de eerste minister over «het plotselinge ontslag van de heer Pierre Chevalier, staatssecretaris voor Buitenlandse Handel, en het beweerde misbruik door de CVP-oppositie» (nr. 2-343)

De heer Hugo Vandenberghe (CVP). - Uiteraard zal ik geen vragen stellen over de zaak zelf, waarvoor de Belgische justitie tot nader order trouwens niet bevoegd is. Bovendien moet het vermoeden van onschuld ook worden ingeroepen voor politici, wat in ons land evenwel niet evident is. Daarenboven kan een advocaat in een verkeerd daglicht worden gesteld en kunnen de personen die hij verdedigt, van de situatie misbruik maken. Mijn vragen concentreren zich dan ook op de politieke dimensies van het probleem, met name op de werking van de Belgische justitie in dit dossier en de verklaringen die gisteren en vandaag door de eerste minister en door de heer Chevalier werden afgelegd.

De heer Chevalier zou in 1998 in betichting zijn gesteld wegens oplichting en misbruik van vertrouwen. Een eerste rogatoire commissie van de Zwitserse gerechtelijke diensten van Basel zou toen hebben plaatsgehad. De huiszoeking van eergisteren zou een tweede rogatoire commissie geweest zijn, een vervolg van het onderzoek. Dat de heer Chevalier wegens misbruik van vertrouwen en oplichting door de gerechtelijke diensten van Basel in betichting is gesteld zou in juli 2000 zijn meegedeeld aan de eerste minister en de minister van Justitie.

Is het normaal dat een staatssecretaris die in betichting wordt gesteld van misdrijven met een belangrijke morele dimensie, namelijk misbruik van vertrouwen en oplichting, in functie blijft? De heer Chevalier wordt weliswaar, niettegenstaande de regionalisering van Buitenlandse Handel, als staatssecretaris van Buitenlandse Handel vervangen, maar zou een bijkomende opdracht krijgen als staatssecretaris voor Afrikaanse Zaken.

In september zou de heer Chevalier de grote Afrika-politiek in de praktijk brengen. Zo werd dat aangekondigd. Ik wil geen verband leggen tussen de betichting en Afrika, maar in elk geval zou de staatssecretaris de Afrikapolitiek dynamiseren, wat op zich een goede zaak zou zijn.

Ik begrijp de deontologie van de regering dus niet goed. Wanneer ze in juli verneemt dat de heer Chevalier wordt beticht van oplichting en misbruik van vertrouwen, kan hij in functie blijven, maar wanneer er in oktober een huiszoeking komt, moet hij onmiddellijk ontslag nemen. Dat geeft de indruk dat men staatssecretaris kan blijven als men beticht is, zolang de zaak maar niet in de openbaarheid komt, want een huiszoeking heeft natuurlijk een publieke dimensie.

De eerste minister verwijst naar het geheim van het onderzoek. Daar zijn we het volkomen mee eens. Wij hebben niet het geheim van het onderzoek geschonden; wij lopen niet rond met het dossier. Het geheim van het onderzoek bestond in juli, maar ook gisteren en eergisteren. Ik zie echter een contradictie in de omstandigheden die aanleiding geven tot het ontslag van de heer Chevalier, aangezien hij in juli - voor zover ik weet - van dezelfde zaken beticht werd en toch geen ontslag nam. Graag vernam ik dan ook waarom in juli bepaalde zaken politiek niet relevant zijn en in oktober wel.

Bovendien wordt beweerd dat het dossier licht weegt. Volgens de pers heeft de heer Chevalier verklaard dat deze zaak voor de Zwitserse autoriteiten gesloten is. Welke Zwitserse autoriteiten hebben besloten en medegedeeld dat de zaak licht weegt? Vanzelfsprekend is het niet de procureur-generaal van Gent die kan oordelen over de toepassing van het Zwitsers recht en over het belang van een bepaalde zaak, want hij beschikt niet over het dossier.

De voorzitter. - Mijnheer Vandenberghe, u hebt een mondelinge vraag ingediend, geen vraag om uitleg.

De heer Hugo Vandenberghe (CVP). - Ik dank u voor deze opmerking, mijnheer de voorzitter, maar ik ben al meer dan halfweg. In de Kamer is er overigens meteen een minidebat met interpellaties georganiseerd. Wat ik vraag is dus zinvol en politiek relevant en het antwoord van de eerste minister is natuurlijk nog belangrijker.

Het is dus van belang te weten of de verklaringen kloppen en op basis van welke verklaringen van welke Zwitserse overheid kan worden gezegd dat het dossier licht weegt of dat het onderzoek is afgesloten. Stemmen de verklaringen van de Belgische eerste minister overeen met deze van de Zwitserse overheden?

Dan is er ook "la fuite en avant": de CVP krijgt in België van alles de schuld, dus ook van het ontslag van de heer Chevalier. De CVP was van plan de eerste minister te interpelleren en dus neemt de staatssecretaris ontslag, want anders zou de CVP daar misbruik van kunnen maken. Indien iedere minister ontslag zou nemen wanneer een tegenstander misbruik wil maken van iets wat de minister wordt aangewreven... Wie recht in zijn schoenen staat, moet geen ontslag nemen, maar zich verdedigen. Het ligt natuurlijk in de lijn van de politieke gedachtegang en ideologie van de heer Slangen om het ontslag met deze aanval in te kleden, maar we begrijpen niet op welk concreet element de regering zich baseert om ons dit te verwijten.

Ik zal de eerste minister zeer dankbaar zijn voor zijn antwoord, dat ook het publiek de nodige verduidelijkingen en verklaringen moet bieden. Zo niet geeft de regering eens te meer munitie aan partijen die ze hoort te bestrijden.

De heer Guy Verhofstadt, eerste minister. - Ik weet niet of de handelswijze van de regering munitie aanreikt voor extreem-rechtse partijen. Ik heb eerder de indruk dat de insinuaties vanmiddag in de Kamer van volksvertegenwoordigers, die eigenlijk ook hier onderhuids doorklinken, de voedingsbron zijn voor extreem-rechts.

Op 18 juli werd ik door de minister van Justitie ervan op de hoogte gebracht dat hij van zijn administratie een dossier had gekregen waarin gevraagd werd toestemming te geven voor een internationale rogatoire opdracht. Ik had toen een dubbele keuze. Ofwel roep ik de staatssecretaris bij mij en schend ik op de meest manifeste manier het geheim van het onderzoek, waarop de heer Hugo Vandenberghe mij zou vragen waarom ik het geheim van het onderzoek heb geschonden. Ofwel ontvang ik de informatie van de minister van Justitie in mijn functie van eerste minister en om het geheim van het onderzoek niet te schenden spreek ik er niet over met de betrokkene, want er moeten onderzoeksdaden worden gesteld. Ik opteerde voor dat laatste. Dat was niet zo gemakkelijk, want de heer Chevalier is een persoonlijke vriend.

Het is ongelooflijk dat de heer Vandenberghe mij verwijt dat ik, die al op 18 juli door de minister van Justitie op de hoogte werd gebracht, het geheim van het onderzoek niet heb geschonden. Had ik de heer Chevalier toen op de hoogte gebracht, dan zou de heer Vandenberghe geen mondelinge vraag hebben gesteld, maar mijn ontslag hebben geëist.

Niet de houding van de regering, maar de insinuaties van de heer Vandenberghe en zijn tegenstrijdige standpunten lijken me eerder extreem-rechts aan te moedigen.

Op de vraag wat nu de werkelijke reden van het ontslag is, kan ik het volgende antwoorden. De huiszoeking vond eergisterenochtend plaats om 7 uur. Nadat de huiszoeking was afgelopen, heb ik via de minister van Justitie een verslag gevraagd aan het parket-generaal om te kunnen oordelen over de ernst van de zaak. Dat verslag was opgesteld voor de minister van Justitie. Zoals ik gisteren ook heb gezegd in mijn toelichting aan de pers, meen ik dat het vanuit juridisch oogpunt om geen zwaar dossier gaat. Over een dergelijke zaak ontstaat uiteraard nogal gemakkelijk politieke heisa. Dat is overigens nu al het geval. Men kan zich indenken wat er zou gebeurd zijn en welke duivels de heer Vandenberghe zou hebben ontbonden indien de staatssecretaris geen ontslag had genomen.

Ik heb een langdurig gesprek gehad met de heer Chevalier. We hebben dezelfde mening. Het is moeilijk om nog als staatssecretaris te functioneren, niet omdat hij zich iets te verwijten heeft of omdat hij schuld zou hebben, maar wel omdat hij als iemand van de uitvoerende macht nu eenmaal met wordt geconfronteerd met een in verdenkingstelling door het Zwitsers gerecht, ook al is het als raadsman van een cliënt.

Het is dus om die reden dat de heer Chevalier ontslag heeft genomen. Enkele senatoren roepen nu uit dat dit toch geen voldoende reden is. Veronderstel dat hij dat niet had gedaan, dan zouden diezelfde senatoren na het bekendmaken van de huiszoeking moord en brand hebben geschreeuwd en het ontslag van de heer Chevalier gevraagd. Ik twijfel daar geen seconde aan!

De heer Vandenberghe vraagt mij ten slotte ook waarom de regering als enige reden van ontslag politiek misbruik van de CVP-oppositie opgeeft. Waar haalt hij het dat ik namens de regering over de CVP-oppositie heb gesproken?

De heer Hugo Vandenberghe (CVP). - De heer Chevalier heeft dat alleszins gedaan.

De heer Guy Verhofstadt, eerste minister. - Ik raad u aan om uw vraag in de toekomst wat preciezer te formuleren, mijnheer Vandenberghe. Nu staat er in de tekst van de vraag: "Waarop steunt de regering..." - en dat is niet de heer Chevalier, maar ikzelf, want ik ben de enige die namens de regering een verklaring heeft afgelegd - "... om als enige reden van ontslag politiek misbruik van de CVP-oppositie mee te delen?". Ik heb daar nooit over gesproken. Misschien is het eerste wat bij de CVP spontaan opwelt dat ik dat zal doen. Dat kan ik mij best indenken, maar ík heb over de CVP-oppositie niet gesproken, noch in mijn verklaring tegenover de pers gisteren, noch daarnet in de Kamer. Ik zal dat ook vandaag in de Senaat niet doen.

Daarmee meen ik afdoende antwoord te hebben gegeven op de vraag die mij werd gesteld. Indien u het mij toestaat, mijnheer de voorzitter, voeg ik daar graag nog de bijkomende elementen aan toe die ik in de Kamer naar voren heb gebracht. Ten eerste, is deze zaak niet in de regering besproken, alleen in het kernkabinet. Uiteraard heb ik dat op de hoogte gebracht van het feit dat een lid van de regering met een huiszoeking werd geconfronteerd. Ten tweede, ben ik op 18 juli op de hoogte gebracht van de in verdenkingstelling.

Tot slot pleit ik ervoor om dit soort zaken op een serene manier te behandelen, onder meer door daar in Kamer en Senaat serene vragen over te stellen, in plaats van, zoals de heer Vandenberghe zelf zei, insinuaties te maken die alleen maar extreem-rechts in het daglicht stellen. Ik verzeker u: de interpellatie van de heer Annemans daarnet in de Kamer was één opsomming van insinuaties. Ik vraag de heer Vandenberghe met aandrang met deze strategie van extreem-rechts niet mee te doen. Die is hem bij de gemeenteraadsverkiezingen van een paar dagen geleden trouwens al voldoende zuur opgebroken. (Applaus)

De heer Wim Verreycken (VL. BLOK). - Ik zeg voor een keer eens geen woord en nu heb ik het nog gedaan!

De heer Hugo Vandenberghe (CVP). - Mijnheer de voorzitter, ik wil reageren.

De voorzitter. - Mijnheer Vandenberghe, u gaat de bepalingen van ons reglement inzake mondelinge vragen dan wel te buiten.

De heer Hugo Vandenberghe (CVP). - Mogelijk wel, mijnheer de voorzitter, maar de senatoren moeten de problemen die de publieke opinie beroeren, hier toch ter sprake kunnen brengen.

De eerste minister antwoordt niet op mijn vraag, maar op insinuaties die hij mij toeschrijft. Dat is bijzonder kras! In plaats van mijn vraag te beantwoorden, legt hij mij allerlei insinuaties in de mond die ik niet heb geuit, maar eigenlijk van de heer Annemans zijn. Kunnen we hier nog vragen stellen en daar een behoorlijk antwoord op krijgen?

Ten tweede heb ik niet gezegd dat de eerste minister de heer Chevalier in juli had moeten inlichten dat er een rogatoire commissie op komst was. Ik heb enkel gezegd dat er twee vragen voor een rogatoire commissie geweest zijn. (Protest van de eerste minister)

De heer Chevalier is in juli in verdenking gesteld voor oplichting en misbruik van vertrouwen. De regering was daarvan op de hoogte. Mijn vraag was daarom waarom ze de heer Chevalier toen niet heeft gevraagd ontslag te nemen. Dat is iets totaal anders dan hem op de hoogte te brengen van de komst van een rogatoire commissie! Door iets te lossen over een huiszoeking zou de eerste minister inderdaad het geheim van het onderzoek schenden. Indien hij alleen had gevraagd om ontslag te nemen wegens de betichting van oplichting, was dat niet het geval.

Daarenboven kan ik moeilijk aannemen dat het louter toeval is dat de huiszoeking, waar in juli 2000 al sprake van was, pas op 10 oktober plaatsvindt, twee dagen na de gemeenteraadsverkiezingen. De eerste minister had het deontologisch probleem waarmee hij werd geconfronteerd, in ieder geval beter moeten aanpakken.

Ik neem er akte dat van dat de eerste minister zich distantieert van de verklaring van de heer Chevalier, die ik op de televisie heb horen zeggen dat de CVP-oppositie misbruik zou maken van het dossier. Het is daartegen dat ik heb willen reageren. Ik neem er nota van dat de eerste minister hier zegt dat daar geen aanwijzingen voor bestonden.

Ten slotte ben ik het ermee eens dat we over dit soort zaken op een serene manier moeten debatteren, niet het minst omdat de eer van een persoon hier in het geding is. Aan de andere kant mag de regering geen enkele senator in naam van de sereniteit verbieden vragen te stellen over problemen die de publieke opinie beroeren. De sereniteit in het maatschappelijk leven en in de juridische sfeer wordt alleen ondergraven wanneer men met trucs probeert de waarheid te verstoppen.

De heer Guy Verhofstadt, eerste minister. - De insinuaties die de heer Vandenberghe maakt over het tijdstip van het onderzoek en van de huiszoeking, neem ik niet. Het is de rechterlijke macht die daarover beslist en het principe van de scheiding der machten is mij veel te heilig om daar op wat voor manier ook in tussenbeide te komen. Het feit dat hij dit vermoedt, zegt allicht meer over de praktijken van het verleden dan over mij.

Mondelinge vraag van de heer Philippe Mahoux aan de eerste minister en aan de vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken over «de openbare diensten en de wereldhandel» (nr. 2-338)

Mondelinge vraag van mevrouw Marie Nagy aan de vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken over «de onderhandelingen over de liberalisering van de diensten die werden gehouden op 5 en 6 oktober laatstleden in het kader van de Wereldhandelsorganisatie» (nr. 2-341)

De voorzitter. - Ik stel voor deze mondelinge vragen samen te voegen. (Instemming)

De heer Philippe Mahoux (PS). - De Raad voor de handel in diensten van de Wereldhandelsorganisatie kwam op 5 en 6 oktober jongstleden in Genève in plenaire vergadering bijeen. Ook de domeinen gezondheidszorg en onderwijs zouden bij de huidige onderhandelingen over de handel in diensten zijn betrokken.

Bij deze onderhandelingen wordt niet naar openheid gestreefd. Dit verontrust ons, te meer omdat we vernomen hebben dat domeinen worden behandeld die tot de overheidssector behoren. Het betreft hier een belangrijke politieke kwestie. Deze domeinen kunnen niet als commerciële diensten worden beschouwd. Het is een ethisch probleem.

De Algemene overeenkomst over de handel in diensten is trouwens niet van toepassing op de overheidsdiensten. We kennen uiteraard de verschillende standpunten die hieromtrent worden ingenomen door de Verenigde Staten en Europa.

De regering had zich ertoe verbonden het parlement in te lichten over het verloop van de onderhandelingen over de handel in diensten. Ik zou willen vernemen welke standpunten België en de Europese Unie ter zake innemen. Deze problemen belangen in hoge mate ons parlement aan. Hoe zullen de onderhandelingen overigens in de toekomst verder verlopen?

Mevrouw Marie Nagy (ECOLO). - Ik deel de bezorgdheid van de heer Mahoux. Naar aanleiding van de jongste vergadering van de Wereldhandelsorganisatie in Seattle, vorig jaar, hebben we kunnen vaststellen hoezeer het ontwikkelingsmodel van de vrijhandel zoals de Wereldhandelsorganisatie (WTO) dat verdedigt, door sociale bewegingen overal ter wereld wordt gecontesteerd.

Na de overeenkomst van Marrakech beginnen we nu aan een nieuwe handelsronde, ditmaal over de diensten. Volgens de overeenkomst zijn de openbare diensten waarvoor geen concurrentie bestaat, uit de onderhandelingen gesloten. Gezondheidszorg en onderwijs worden niettemin beschouwd als diensten waarbij concurrentie een rol kan spelen, zodat de WTO erover kan onderhandelen. Men weet echter hoe weinig deze organisatie rekening houdt met sociale rechtvaardigheid en milieu.

De Wereldbank en het IMF wezen er een jaar geleden al op dat de grote internationale instellingen problemen scheppen, meer in het bijzonder voor de ontwikkelingslanden.

Ik heb dus een vraag over het verdere verloop van deze besprekingen te meer daar de Europese Unie onderwijs en gezondheidszorg en meer bepaald de ziekenhuizen en de ziekteverzekering, bij de onderhandelingen wil betrekken. Wat denkt de regering over deze onderhandelingen en over het standpunt van de Europese Unie? Kunnen we een parlementair debat organiseren, komt er een grotere openheid en zullen we de kans krijgen om het optreden van de WTO in domeinen die van wezenlijk belang zijn voor de sociale samenhang, af te remmen?

Ik dank de minister omdat hij een speciale inspanning heeft willen leveren om hier vanmiddag aanwezig te zijn.

De heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken. - Ik zal achtereenvolgens antwoorden op de vragen over het verband tussen de algemene handelsronde en de onderhandelingen over de diensten, de timing, de deelname van de Europese Unie, de Belgische houding en ten slotte over de sectoren gezondheidszorg en onderwijs binnen de Wereldhandelsorganisatie.

De ministerconferentie van de WTO in Seattle betekende wel een mislukte start van een nieuwe handelsronde, maar de built-in agenda, namelijk de verplichting opgenomen in de slotakte van de Uruguay Round om onderhandelingen aan te vatten over de landbouw en de diensten, bleef onveranderd. Deze onderhandelingen gingen begin dit jaar van start. Binnen de Europese Unie is men niettemin van oordeel dat resultaten in deze sectoren alleen mogelijk zijn als de onderhandelingen ingebed worden in een nieuwe handelsronde waarin alle WTO-leden hun gading kunnen vinden.

De Raad Diensten van de WTO werd belast met de uitvoering van de Algemene overeenkomst over de handel in diensten die in 1994 tijdens de Uruguay Round werd afgesloten. Als deze raad in plenaire vergadering bijeenkomt, kan er ook onderhandeld worden over de built-in agenda. Tijdens de voorbereidende werkzaamheden die tot nog toe plaatsvonden, werd domein per domein de handel in diensten onderzocht en werd elk lid gevraagd zijn belangen en wensen naar voren te brengen. De timing voor het jaar 2001 ligt nog niet vast, maar de Raad Diensten wil in maart 2001 een algemene evaluatie houden. Met de nieuwe Amerikaanse regering zullen dan afspraken kunnen worden gemaakt over het toekomstige verloop van de werkzaamheden. Er werd nog geen einddatum voor de onderhandelingen vooropgesteld en er is dan ook geen sprake van een resultaatsverbintenis. Dit zet de Europese stelling kracht bij dat onderhandelingen alleen kunnen slagen in het kader van een globale onderhandelingsronde.

Hoewel de dienstensector nog gedeeltelijk tot de bevoegdheid van de nationale staten behoort, zijn de lidstaten overeengekomen, de Europese Commissie opdracht te geven de WTO-onderhandelingen in Genève te voeren. De Commissie is natuurlijk gebonden door het mandaat dat de Raad van 25 oktober 1999 haar voor de ministerconferentie van Seattle gaf. Bovendien zijn de lidstaten nauw bij de werkzaamheden betrokken via het Comité 133 Diensten, dat tweemaal per maand in Brussel bijeenkomt. België is in dit Comité door mijn diensten vertegenwoordigd. Men behandelt er bijvoorbeeld verzoeken voor de liberalisering van de handel met andere WTO-lidstaten die voor de uitvoer van Europese en uiteraard ook van Belgische diensten van belang zijn.

Voor de Belgische stellingnamen wordt uiteraard nauw samengewerkt met de technische ministeries. Er wordt ook permanent gedialogeerd met de vertegenwoordigers van de particuliere sector en met de talrijke betrokken ngo's. Vóór en na Seattle hebben we trouwens ook uitleg gegeven aan het Parlement. Ik blijf natuurlijk bereid telkens daarom wordt gevraagd en ook telkens ik dat nodig vind, de stand van de besprekingen in Genève te komen toelichten. Het gaat inderdaad nog om besprekingen. Voor de landbouw en de diensten is op dit ogenblik nog geen sprake van onderhandelingen. De beschuldiging van een gebrek aan openheid, vind ik ongegrond.

De regels van de Algemene overeenkomst zijn van toepassing op alle diensten. De enige uitzondering heeft betrekking op de overheidsdiensten, d. w. z. de diensten die niet commercieel zijn en niet het voorwerp uitmaken van mededinging met een of meerdere dienstenverstrekkers.

Wil dit zeggen dat de Algemene overeenkomst van toepassing is op de sectoren gezondheidszorg en onderwijs en dat aan de vrijmaking ervan wordt gewerkt? Ik kan het geacht lid geruststellen. Ikzelf en de voltallige regering zijn ten zeerste gehecht aan het behoud van het onderwijs en de gezondheidszorg, zoals die door ons land in de loop van de jaren werden uitgebouwd. Er kan niet worden geraakt aan het recht op gratis onderwijs of aan de toegankelijkheid van de geneeskundige verzorging, ook niet in naam van de vrijheid van handel.

Ons land heeft de universele dienstverlening inzake onderwijs en gezondheidszorg trouwens niet uitgebouwd via een overheidsmonopolie, maar via de vrijheid van onderwijs en de vrije verstrekking van geneeskundige zorgen, waarbij de overheid er wel voor zorgt dat iedereen ervan kan genieten. Daarnaast wordt er vandaag in ons land onderwijs en beroepsopleiding verstrekt waarvoor moet worden betaald en bestaat er ook privé-geneeskunde. Dit is niet in tegenspraak met de universele dienstverlening door de overheid, maar betekent daarentegen een nuttige en wenselijke aanvulling.

Het is zelfs zo dat de subsidiëring van het onderwijs en de gezondheidszorg door de Belgische overheid volgens regels die zij zelf bepaalt, het haar mogelijk maakt de toegang ervan voor iedereen te garanderen. De subsidiëring valt alleszins niet onder de Algemene overeenkomst en wat ons betreft is de subsidiëring van de twee genoemde sectoren op dit ogenblik niet aan de orde. Ik ben ervan overtuigd dat de andere lidstaten van de Unie en de overgrote meerderheid van WTO-lidstaten er net zo over denken. Ik wil ervoor zorgen dat dit zo blijft.

Binnen de Uruguay Round heeft de Europese Unie verbintenissen aangegaan die betrekking hebben op de geneeskundige, diergeneeskundige, paramedische en farmaceutische beroepen, evenals op het basis-, secundair, hoger en volwassenenonderwijs. Ook de ziekenhuisdiensten komen op de lijst voor. Voor al deze verbintenissen geldt het algemeen voorbehoud dat de subsidiëring door de overheid mogelijk moet blijven. Ik zal het geachte lid een tabel bezorgen met de verbintenissen die de Europese Unie binnen de Uruguay Round aanging in de sectoren onderwijs en gezondheidszorg.

Ik zal het Parlement zeker informeren over de onderhandelingen.

De heer Philippe Mahoux (PS). - Wat betreft de houding van de Belgische regering, voel ik me gerustgesteld door het eerste gedeelte van het antwoord. Het gemengde karakter van de sectoren onderwijs en gezondheidszorg doet evenwel het probleem rijzen van het belang dat men aan het openbare gedeelte en aan het privé-gedeelte hecht. De minister zal moeten toegeven dat de houding van de Verenigde Staten en van bepaalde Europese landen niet helemaal met zijn verklaringen overeenstemt. We moeten dus waakzaam blijven.

De opmerking over het gebrek aan openheid was niet aan het adres van de regering gericht. Als parlementslid en als burger ben ik ontgoocheld over het gebrek aan informatie over alles wat de wereldhandel aanbelangt. Het begon met multilaterale akkoord over de investeringen op het kasteel van La Muette, waarvan de naam goed gekozen was. Het was via het Internet dat we moesten vernemen dat er onderhandelingen werden gevoerd. De druk van een aantal Parlementen betekende toen het einde van het akkoord over de investeringen. Ik wil vermijden dat we niet tijdig worden geïnformeerd over dergelijke fundamentele onderhandelingen, die aan de krachtverhouding tussen de Amerikaanse en Europese systemen raken. Ik ben ervan overtuigd dat de minister ons op de hoogte zal houden. Ik noteer dat hij daartoe zelf het initiatief zal nemen. We zullen niet nalaten hem verder te ondervragen.

Mevrouw Marie Nagy (ECOLO). - De houding van de regering lijkt me correct. Het probleem ligt zowel bij de Unie als bij de Wereldhandelsorganisatie. Na Seattle was er veel kritiek op de werking en de evaluatieregels van de WTO. Men had gehoopt dat de organisatie zou nadenken over haar werking, maar we stellen vast dat de besprekingen over de diensten opnieuw worden ingezet, alsof er niets aan de hand is. Ik vind dit nogal verontrustend.

Wellicht moeten we ons afvragen of de werking van de WTO al dan niet grondig moet worden herzien, zodat de overeenkomsten die tot stand komen rechtvaardig zijn en rekening houden met de Europese keuzes inzake economische en sociale ontwikkeling en niet op de eerste plaats met de Amerikaanse.

De heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken. - Ik ben het volledig eens met de sprekers, maar dit debat is nu niet aan de orde.

Ik ga ook akkoord met mevrouw Nagy dat de WTO moet worden gereorganiseerd. Maar we moeten wachten tot Europa voldoende gewicht in de schaal kan werpen bij dergelijke onderhandelingen. Dit probleem duikt ook op in andere domeinen en dossiers en in andere organisaties. We moeten dus onze opvattingen blijven verdedigen. Ik erken dat deze op dit ogenblik misschien weinig concreet zijn. Maar we moeten waakzaam blijven en samen actie blijven voeren.

Mondelinge vraag van de heer Mohamed Daif aan de vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken over «de houding en het optreden van België ten aanzien van het Palestijnse drama» (nr. 2-337)

De voorzitter. - Vooraleer het woord te geven aan de heer Daif, zou ik hem eraan willen herinneren dat de vice-eerste minister over dit onderwerp een uitgebreide uiteenzetting heeft gegeven in de commissie.

De heer Mohamed Daif (PS). - Allereerst wil ik de minister mijn verontschuldigingen aanbieden voor mijn afwezigheid in de commissie.

De huidige losbarsting van geweld in Palestina, doet ons terugdenken aan de verschrikkelijkste momenten in de geschiedenis van het Nabije Oosten. Op een ogenblik dat de vredesbesprekingen volledig vastliepen, is de Israëlische regering van Ehoud Barak zo lichtzinnig geweest om Ariel Sharon toe te laten een bezoek te brengen aan de Tempelberg, de derde heilige plaats van de islam; maar tevens een historisch symbool voor Palestina. Het bezoek van de extremistische politieke leider en gekend tegenstander van het vredesproces, werd ervaren als een provocatie en heeft de woede gewekt van de Palestijnen. De confrontaties tussen het Israëlische leger en de betogers zijn uit de hand gelopen. Op enkele dagen tijd werden een vijftigtal personen, waaronder ook kinderen, gedood en werden er honderden mensen gekwetst: het waren overwegend Palestijnen en Arabieren met de Israëlische nationaliteit. Galilea, Gaza en Cisjordanië zijn werkelijk in staat van oorlog. De beelden uit de Palestijnse gebieden zijn ondraaglijk: de wereld zal zich blijvend het trieste beeld herinneren van het twaalfjarig Palestijns kind dat te Netzarim in de Gazastrook voor de camera's werd afgemaakt.

De Franse regering heeft de weloverwogen provocatie van Ariel Sharon bij monde van haar minister van Buitenlandse Zaken, Hubert Védrine, en van haar eerste minister, Lionel Jospin, zeer snel veroordeeld. Voor zo ver ik weet, heeft onze regering zich nog niet uitgesproken over de dramatische gebeurtenissen in het Midden-Oosten. Maar misschien heeft de minister dat gisteren in haar naam gedaan? Vanwaar dat stilzwijgen? Mijnheer de minister, welke initiatieven heeft u genomen en welke plannen heeft u ten aanzien van onze Europese partners? Heeft de top van de ministers van Buitenlandse Zaken van de Europese Unie overwogen een reddende hand uit te steken om het vredesproces uit het slop te halen en een einde te maken aan deze oorlog?

De heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken. - De verenigde commissies van Kamer en Senaat hebben inderdaad een discussie gewijd aan deze problematiek. Die discussie is uitgemond in een zeer brede consensus. Ik heb van mijn kant een aantal principeverklaringen afgelegd die op de steun konden rekenen van een groot aantal parlementsleden, zowel van de meerderheid als van de oppositie. Ik zou de heer Daif dus willen suggereren om er het beknopt verslag op na te lezen.

Wat er ook van zij, op 2 oktober heb ik uiting gegeven aan mijn ongerustheid en deze van België over de spiraal van geweld. Ik heb de bloedige balans betreurd van de confrontaties in Jeruzalem, in de bezette gebieden en in Israël. Ik heb ook de buitenmaatse repressie betreurd. Van bij het begin heb ik krachtig geprotesteerd tegen de onvergeeflijke en volstrekt hatelijke provocatie van Sharon op de Tempelberg.

Op 5 oktober heb ik dit standpunt aan een delegatie van Arabische ambassadeurs meegedeeld. Ik heb een oproep gedaan alles in het werk te stellen om de kalmte op het terrein snel te herstellen zodat het vredesproces van een gewisse dood kan worden gered. Het zou onaanvaardbaar zijn dat zij die het vredesproces naar het leven staan, hun slag thuishalen. Spijtig genoeg wijzen de jongste gebeurtenissen erop dat de situatie escaleert.

Wij kunnen dus alleen een nieuwe oproep tot kalmte lanceren. De internationale instanties zullen hun verantwoordelijkheid moeten opnemen als ze het vredesproces een kans willen geven.

Ik heb mijn steun toegezegd aan het Palestijns verzoek om een internationale onderzoekscommissie op te richten waaraan wij eventueel kunnen deelnemen en de hoop uitgesproken dat de weigering van eerste minister Barak niet definitief zou zijn. Ik heb de Arabische ambassadeurs beloofd om mijn Europese collega's hierover opnieuw aan te spreken en ik ben deze belofte nagekomen. In verscheidene gemeenschappelijke verklaringen heeft de Europese Unie het buitensporig gebruik van geweld overigens krachtig veroordeeld en haar steun toegezegd aan de oprichting van een internationale onderzoekscommissie. Een dergelijke commissie biedt het onbetwistbaar voordeel dat ze een politieke tribune geeft aan Arafat om zijn troepen tot koelbloedigheid aan te manen. Naar aanleiding van de gesprekken met mevrouw Albright op 4 oktober in Parijs, heeft het voorzitterschap van de Europese Unie zich kunnen onderhouden met de heren Arafat en Barak en de inspanningen voor het bewerkstelligen van een vergelijk aangemoedigd. De situatie in het Nabije Oosten kan ook ter sprake komen in de rand van de aanstaande Raad Algemene Zaken. Ondanks de verschrikkelijke gebeurtenissen van de jongste dagen hopen we dat voorrang wordt gegeven aan het bijleggen van het conflict zodat opnieuw kan worden onderhandeld over een definitieve regeling die een duurzame vrede in de regio kan waarborgen.

De heer Mohamed Daif (PS). - Ik dank de vice-eerste minister voor zijn antwoord. Volgens de informatie waarover ik beschik, wordt er van de commissievergadering van gisteren geen beknopt verslag gemaakt.

De heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken. - Gisteren werd beslist dat er uitgebreide notulen zouden worden opgesteld. Er moet dus een document bestaan.

De heer Philippe Mahoux (PS). - Ten titel van inlichting wil ik erop wijzen dat het een vergadering was van de verenigde commissies van Kamer en Senaat. Ik veronderstel dus dat de diensten van de Kamer zoals gewoonlijk zullen instaan voor het opmaken van een verslag.

De heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken. - Aldus werd beslist door de commissieleden die aan de werkzaamheden hebben deelgenomen.

Mondelinge vraag van de heer Johan Malcorps aan de vice-eerste minister en minister van Mobiliteit en Vervoer over «de ongevallen die veroorzaakt worden door vrachtwagens» (nr. 2-339)

De heer Johan Malcorps (AGALEV). - In de maand september kwamen vier mensen op tragische wijze om. Vrachtwagenchauffeurs die rechts afsloegen aan een kruispunt, merkten een fietsende moeder met kind, een tienjarige fietser en een bromfietser niet op, met de dood als gevolg. De chauffeurs konden in hun zijspiegel de zwakke weggebruiker rechts van hun voertuig niet zien. Voor dit probleem van de dode hoek bestaan nochtans technische oplossingen. De Nederlandse overheid, die zich al een tijd van dit probleem bewust is, liet oplossingen uitwerken door het TNO-instituut, bijvoorbeeld een derde spiegel met een motortje, een camera met kleine monitor of - wat de beste oplossing is - kleine bolle spiegels, de zogenaamde DOBLI-spiegels voor de dode of blinde hoek. In Nederland stimuleert de overheid truckers door middel van subsidies om te investeren in die veiligheidsmaatregelen. De Belgische vervoermaatschappijen zeggen dat ze geen geld hebben voor investeringen voor de verkeersveiligheid van de zwakke weggebruikers. Ze vinden dat de overheid mee moet betalen of verschuilen zich achter het ontbreken van Europese regels terzake.

Hoewel er dit jaar met dit soort ongevallen al tien doden zouden zijn gevallen, dreigt er niets te gebeuren. Volgens het Belgisch Instituut voor de Verkeersveiligheid zou een vrachtrijder gemiddeld vijf keer per dag een weggebruiker naast het eigen voertuig niet opmerken. Het risico op nieuwe ongelukken is dan ook onaanvaardbaar groot.

Is de minister van plan transportbedrijven te steunen in het zoeken naar een oplossing voor de dode hoek? Ik dacht dat de minister vroeger al een voorstel in die zin had aangekondigd. Is de minister voorstander van een verplichting van veiligheidsinvesteringen, eventueel op tijdelijke basis, in afwachting van een Europese regelgeving?

Mevrouw Isabelle Durant, vice-eerste minister en minister van Mobiliteit en Vervoer. - Ik ben het met de heer Malcorps eens dat het onaanvaardbaar is dat er jaarlijks tien à vijftien fietsers omkomen na een dodelijke aanrijding door rechts afslaande vrachtwagens, temeer omdat er technische oplossingen bestaan voor het probleem van de dode hoek. Wachten op een Europese regeling van dit probleem is niet voldoende.

Op 26 juni 2000 heeft de Europese Transportraad een resolutie goedgekeurd waarin wordt gesteld dat de Europese richtlijn over achteruitkijkspiegels prioritair moet worden aangepast. Ik hoop dat we dit dossier in het kader van het Belgische voorzitterschap bij voorrang kunnen behandelen, want het is absoluut noodzakelijk dat voor dit probleem een oplossing wordt gevonden, zoals ik reeds heb gezegd op de recentste Europese Raad.

In afwachting moet er wel iets gebeuren.

Op 29 juni zijn er rondetafelgesprekken gevoerd met de transportsector. Er was een akkoord om die gesprekken voort te zetten, maar dat was niet mogelijk omdat er intussen, zoals bekend, in september andere problemen zijn opgedoken in de transportsector. Ik wil ook het overleg met de constructeurs voortzetten en heb aan FEBIAC gevraagd tot welke inspanning de constructeurs bereid zijn nog vóór de invoering van een Europese regeling. Aan de transportsector zullen we vragen welke maatregelen ze kunnen nemen in afwachting van een Europese regelgeving.

In principe ben ik niet gekant tegen een subsidieregeling zoals in Nederland. Het is een manier om iets te doen in afwachting van een Europese oplossing. Ik vind het een interessante regeling, maar ik kan nog niet zeggen of ik ze zal volgen.

Aan de sensibilisatie van de zwakke weggebruikers moet echter ook worden gewerkt. Zij moeten leren beseffen dat chauffeurs ze niet altijd zien. In verband met de sensibilisatie van de zwakke weggebruikers heb ik contacten met slachtofferverenigingen die hierover voorstellen hebben.

In afwachting van een Europese regeling hoop ik in de komende maanden enkele initiatieven te kunnen nemen om tijdelijke oplossingen aan te moedigen.

Op Europees vlak is een oplossing van dit probleem niet voor iedereen een prioriteit. Nederland is heel actief. Ik werk met mijn Nederlandse collega aan dit dossier en hoop dat we samen met andere Europese collega's die ook belang hechten aan dit probleem, invloed kunnen uitoefenen om zo vlug mogelijk een Europese oplossing te bereiken.

Ik ben mij dus bewust van het probleem. Ik werk samen met de vereniging van slachtoffers, met de transportsector en met de constructeurs om tot een oplossing te komen voor het probleem van de dode hoek.

Mondelinge vraag van de heer Ludwig Caluwé aan de minister van Telecommunicatie en Overheidsbedrijven en Participaties over «de daling van de tarieven voor de vaste telefonie» (nr. 2-342)

De voorzitter. - De heer Olivier Deleuze, staatssecretaris voor Energie en Duurzame Ontwikkeling, antwoordt namens de heer Rik Daems, minister van Telecommunicatie en Overheidsbedrijven en Participatie.

De heer Ludwig Caluwé (CVP). - Naar aanleiding van andere vragen over hetzelfde onderwerp heeft de minister altijd beklemtoond dat de Belgische tarieven voor het gebruik van het internet tot de laagste ter wereld horen. Ik heb daarbij altijd een vraagteken geplaatst. Sinds 17 september moet ik de minister echter gelijk geven, want op die dag heeft zijn collega, de Iraakse minister van Telecommunicatie, de tarieven voor internetjaarabonnementen vastgelegd tussen 3.000 dollar en 12.000 dollar voor buitenlandse residenten en 2.500 dollar tot 8.000 dollar voor de Iraki zelf. Nu begrijp ik met wie hij België vergeleek, toen hij op mijn vorige vragen rond de internettarieven antwoordde dat België terzake op internationaal vlak niet slecht scoort.

Ik zal het vandaag echter niet hebben over de torenhoge internettarieven, maar mij beperken tot de nieuwe tarieven voor vaste telefonie, die sinds 1 oktober door Belgacom werden ingevoerd. Ik stel vast dat de minister hierover niet erg fier is vermits hij zich ervoor schuwt hierop zelf het antwoord te verstrekken.

A priori en volgens de reclamespotjes blijft deze ingreep beperkt tot drie punten: het afschaffen van het interzonaal tarief, de prijsverlaging van oproepen naar mobiele netwerken en een aantal prijsverlagingen voor internationale oproepen.

Wie zich goed informeert, vindt echter ook volgende elementen terug: de daluren gaan in vanaf 19.00 u in plaats van 18.00 uur, de abonnementskosten stijgen, de 30% korting na 10 minuten valt weg, de forfaitair aangerekende drie minuten worden vervangen door een tarificatie per minuut, wel mits een forfait per oproep.

Ik wil de minister hier niet overladen met cijfers, maar hij zal mij gelijk geven wanneer ik stel dat deze tariefdaling voor de meerderheid van de residentiële gebruikers neerkomt op een tariefstijging. Sinds het aantreden van de minister van Telecommunicatie is dit de derde stijging op rij binnen de Belgacom-groep.

Erkent de minister deze situatie? Hoe past dit in de regeringsverklaring en onze Europese engagementen?

Zal de minister in dezen initiatieven nemen, aangezien Belgacom hier misschien wel misbruik maakt van zijn dominante positie op de Belgische telecommarkt?

De heer Olivier Deleuze, staatssecretaris voor Energie en Duurzame Ontwikkeling. - Ik wil eerst mijn collega, minister Daems, verontschuldigen. Hij heeft me verzocht namens de regering te antwoorden op de vraag met betrekking tot de prijshervorming bij Belgacom, die sinds 1 oktober jongstleden van kracht is geworden. Belgacom preciseert dat de heer Caluwé een aantal elementen van de hervorming aangeeft, maar dat de hiernavolgende aanvullingen niet uit het oog mogen worden verloren.

Ten eerste nemen de nationale daluren een aanvang vanaf 19 uur en niet langer vanaf 18 uur.

De door de heer Caluwé verstrekte informatie is correct wat betreft de nationale oproepen. Deze wijziging beantwoordt aan een wijziging in het telefoneergedrag van de gebruikers, die meer dan voorheen in de vooravond telefoneren.

Belgacom blijft één van de operatoren met de ruimste daluren in Europa. Per week beloopt het aantal daluren meer dan het dubbele van de spitsuren.

Terwille van de duidelijkheid en de overzichtelijkheid werd het beginuur van de daluren voor internationale oproepen in overeenstemming gebracht met dat van de nationale oproepen en vastgelegd op 19 uur. Vroeger begonnen de daluren voor internationale oproepen pas te lopen om 20 uur.

Ten tweede worden de abonnementsgelden geüniformiseerd, wat in bijna 75% van de gevallen geen aanleiding geeft tot een prijsverhoging. De tariefverschillen tussen kleine, middelgrote en grote zones vonden hun oorsprong in het aantal aan zonaal tarief bereikbare personen in de betrokken zone. Aangezien alle abonnees voortaan aan het nieuwe nationale tarief bereikbaar zijn, heeft dit onderscheid niet langer een reden van bestaan. Het zou zelfs als een vorm van discriminatie kunnen worden beschouwd.

De eventuele verhoging van de telefoonfactuur zal dus tot een strikt minimum beperkt blijven.

Ten derde wordt de prijsvermindering van 30% na 10 minuten gesprekstijd afgeschaft. Slechts 10% van de nationale oproepen overschrijden de 10 minuten. In de andere 90% van de gevallen zal deze maatregel dus geen enkele weerslag hebben op de factuur. Voor de internetoproepen, die de 10 minuten meestal overschrijden, blijft de vermindering van 30% echter behouden.

Ten vierde verdwijnt voor de berekening van de verbindingskosten het begrip minimum aangerekende gespreksduur, zoals bijvoorbeeld de drie minuten voor zonale oproepen. De nieuwe berekeningswijze is veel eenvoudiger en doorzichtiger voor de klant en is gebaseerd op de reële gespreksduur. De verbindingskosten worden aangerekend per seconde en dit vanaf de eerste seconde. Zodoende zullen de facturen voor de gesprekken van korte duur ook billijker zijn.

Ten vijfde betekent de voorgestelde tariefaanpassing voor de overgrote meerderheid van de klanten een tariefverlaging en geen tariefverhoging. Op jaarbasis zal de omzet van Belgacom door deze tariefaanpassing verminderen met een bedrag van 7 tot 8 miljard Belgische frank.

Minister Daems ziet dus niet in waarom deze tariefaanpassing strijdig zou zijn met de Europese verbintenissen van ons land. Hij wenst zich niet uit te spreken over vermeend machtsmisbruik van Belgacom, aangezien dit buiten zijn bevoegdheid valt. Belgacom is van mening dat het zijn wettelijke en reglementaire verplichtingen naleeft, met inbegrip van de concurrentiespelregels.

De heer Ludwig Caluwé (CVP). - Ik dank de staatssecretaris voor het voorlezen van het antwoord. Het lijkt mij weinig zinvol dat ik hierover met hem, niet bevoegd voor de materie, in discussie treed. Ik stel nogmaals vast dat de minister niet zelf het antwoord wenste te verstrekken. Ik beschouw dit als een vorm van vluchtmisdrijf. Hij gaat blijkbaar helemaal niet prat op de tariefaanpassing van Belgacom op 1 oktober jongstleden.

De regel voor de prijsvermindering na tien minuten is gelukkig behouden voor internetverbindingen, maar de 2 frank die forfaitair per verbinding wordt aangerekend, ook als de mens geen aansluiting krijgt met het internetserver, zou het best worden afgeschaft. Ook na een mislukte poging van 2 seconden worden deze 2 frank immers aangerekend. Bij herhaalde pogingen kan deze berekeningswijze de factuur dus snel doen oplopen. Men zou deze 2 frank kunnen laten vallen voor verbindingen die niet langer duren dan 10 seconden. Technisch is dat zeer makkelijk vast te stellen en op die manier kan meteen een misbruik worden weggewerkt.

Mondelinge vraag van de heer Patrik Vankrunkelsven aan de staatssecretaris voor Energie en Duurzame Ontwikkeling over «de liberalisering van de energiemarkt» (nr. 2-344)

De heer Patrik Vankrunkelsven (VU-ID). - Ik twijfel niet aan de bedoelingen van de staatssecretaris om het spel dat op de elektriciteitsmarkt wordt gespeeld in goede banen te leiden. Ik stel echter vast dat Electrabel voor deze regering wel een heel erg bevoorrechte partner blijft die, bij wijze van spreken, tijdens de Ministerraad mee aan de tafel zit.

Ik stel vast dat er in twee dossiers weinig vooruitgang wordt geboekt. Ten eerste loopt België met betrekking tot de liberalisering van de energiemarkt ernstige vertraging op, zelfs meer dan een jaar. Zo kunnen de verbruikers van meer dan 20 GWU per jaar en de intercommunales nog steeds geen stroom kopen op de vrije markt. Het onafhankelijke beheer van het transmissienet laat bovendien nog steeds op zich wachten. Hoe ziet de timing eruit? Wanneer zal de onafhankelijke transmissiebeheerder er zijn? Wanneer zal de vrije aankoop van elektriciteit op het net gegarandeerd worden?

Met betrekking tot een ander dossier, namelijk de radioactiviteit, stel ik vast dat de overeenkomst voor de financiering van de sanering van Belgoproces, site 1 en site 2, afgelopen is. Er was een afspraak met de energiesector om deze sanering tussen 1995 en 2000 te helpen betalen. Het akkoord loopt dus ten einde, maar de sanering is zeker niet voltooid. Hoe staat het met de onderhandelingen om ook de energieproducenten in de verdere betaling van de sanering van deze sites te betrekken? Of is het de bedoeling dat alleen de overheid de verdere sanering betaalt? Hoeveel procent zal de overheid voor haar rekening nemen? Een oplossing dringt zich op aangezien de werkzekerheid bij Belgoproces en bijgevolg ook de sanering van deze sites in het gedrang komen.

De heer Olivier Deleuze, staatssecretaris voor Energie en Duurzame Ontwikkeling. - Ik geef geen commentaar op de opmerking van senator Vankrunkelsven dat Electrabel tijdens de vergaderingen van de Ministerraad als het ware mee aan tafel zit. De collegialiteit tegenover de regering verbiedt mij dat.

Ik kan u wel zeggen dat de regering op 5 april 2000 met betrekking tot de elektriciteit een aantal sociale maatregelen heeft genomen. Zo zullen de personen die sociale tarieven krijgen, de factuur voor hun elektriciteitsverbruik vanaf januari 2001 met ongeveer 6000 frank per jaar zien dalen. Dat is toch in tegenspraak met het beeld dat de heer Vankrunkelsven over Electrabel heeft opgehangen.

In verband met de aanstelling van een onafhankelijk beheer van het transmissienet zijn er twee knelpunten. Er is ten eerste de waarde van het net. Dat is geen geheim. Bovendien is het nog niet zeker wat het aandeelhouderschap is van die transportnetbeheerder. Over deze twee knelpunten zijn er onderhandelingen aan de gang. De Commissie voor Regulering van Elektriciteit en Gas heeft een college van 3 revisoren aangesteld die tegen 15 december aan de CREG en via de CREG aan de regering verslag moeten uitbrengen over hun schatting van de waarde van het net en over de afschrijvingspolitiek van het Controlecomité. Over die afschrijvingspolitiek zijn er immers betwistingen en we zouden natuurlijk niet graag zien dat het niet in aanmerking nemen van die afschrijvingspolitiek tot gevolg zou hebben dat de elektriciteitsverbruiker het net twee keer zou betalen.

Wat dit betreft, kan men niet beweren dat mij het mes op de keel wordt gezet. Het is beter nog even te wachten tot er een goede oplossing wordt gevonden dan onze toevlucht te moeten nemen tot een vlugge, maar slechte oplossing.

Wat de liberalisering van de energiemarkt betreft, zijn er twee belangrijke operatoren, de CREG - Commissie voor Regulering van Elektriciteit en Gas - en de transportnetbeheerder. Wij moeten wachten tot er een akkoord wordt bereikt tussen de operatoren.

Met haar beslissing van 5 april 2000 tot liberalisering van de energiemarkt beoogde de regering in de eerste plaats een verlaging van de prijzen voor de residentiële verbruikers. Anderzijds worden er maatregelen genomen voor het stimuleren van groene elektriciteit, zoals warmtekrachtkoppeling en windenergie.

Er werd een procedure opgestart om een goede oplossing te realiseren met betrekking tot de transportnetbeheerder, die een onafhankelijke positie moet innemen ten opzichte van de producenten. De regering heeft op 22 september 2000 in tweede lezing een koninklijk besluit goedgekeurd inzake het corporate governance van de transportnetbeheerder.

Ik wens mij niet uit te spreken over de onverenigbaarheid van het lidmaatschap van de raad van beheer van de NIRAS met het ambt van senator en dank de heer Vankrunkelsven voor zijn vraag over de financiering van de sanering van de nucleaire sites.

De problemen van BP1 zijn opgelost. Het is altijd duidelijk geweest dat Belgoproces 1 ten laste van de overheid is en blijft.

De conventie met betrekking tot de betaling van de reinigingskosten van een deel van de site van BP2 moet vóór december 2000 worden verlengd. Niet de overheid, maar de privé-sector moet deze reinigingskosten dragen. Ik vrees dat ik er niet zal in slagen vóór december 2000 een akkoord te bereiken met de energieproducenten over de verlenging van de conventie. Ik ben er evenwel zeker van dat er in 2001 noch bij Belgoproces noch bij de NIRAS sociale problemen zullen rijzen wegens het eventueel niet bereiken van een akkoord met de energieproducenten. Deze instellingen dienen geen stringente sociale maatregelen te nemen. Ten slotte wil ik benadrukken dat de overheid niet zal betalen voor de sanering van BP2.

De heer Patrik Vankrunkelsven (VU-ID). - Ik ben niet tevreden met het antwoord op mijn vraag over het beheer van het transmissienet. Indien er geen akkoord komt, moet het transmissienetbeheer eventueel met enkele jaren worden uitgesteld. Het gevolg hiervan is dat het openstellen van de markt en de invoer van elektriciteit uit het buitenland op de helling komen te staan. De transmissiecapaciteit is op dit ogenblik immers te beperkt.

U beschouwt het aandeelhouderschap van de transmissiebeheerder als een deel van de problematiek. Ik vind het onaanvaardbaar dat Elektrabel aandeelhouder zou zijn van deze transmissienetbeheerder.

Voorts hebt u verwezen naar de onverenigbaarheid van mijn lidmaatschap van de raad van beheer van de NIRAS met mijn senatorambt. Ik ben het ermee eens dat de saneringskosten van BP2 door de privé-sector moeten worden betaald en ik heb dit in de raad van beheer van de NIRAS bepleit.

De heer Olivier Deleuze, staatssecretaris voor Energie en Duurzame Ontwikkeling. - Wat de tweede vraag betreft, zit de regering op dezelfde golflengte als u zelf.

Wat de eerste vraag betreft, kan ik zeggen dat het geen drie of vier jaar zal duren. De regering vindt de aanwezigheid van Electrabel als aandeelhouder in de transportnetbeheerder geen probleem als die aanwezigheid niet overheersend is. Zij heeft ook een KB goedgekeurd om de onafhankelijkheid van de transportnetbeheerder te verzekeren. Dat KB handelt over corporate governance.

Vraag om uitleg van de heer Mohamed Daif aan de minister van Binnenlandse Zaken over «de regularisatieoperatie van de mensen zonder papieren» (nr. 2-220)

De heer Mohamed Daif (PS). - Tot op vandaag werd slechts een zeer klein gedeelte van de regularisatieaanvragen door de Regularisatiecommissie behandeld. In een gemeente als Sint-Joost, die symbool staat voor het fenomeen van de mensen zonder papieren, werden slechts een zestigtal positieve en negatieve antwoorden verstrekt. Acht maanden na de termijn van indiening, werd nog maar 10% van de aanvragen door de Commissie behandeld. Deze traagheid is onaanvaardbaar. Onlangs waren er alarmerende geruchten over de slechte werking van de Regularisatiecommissie. De mensen die uit de clandestiniteit zijn getreden om hun verblijf op ons grondgebied te regulariseren, zijn vreselijk bang. Er moet een einde komen aan die malaise.

Er is heel wat achterstand omdat de regularisatiekamers er slechts met moeite in slagen een jurisprudentie uit te werken die een administratieve afhandeling van de eenvoudigste dossiers door het secretariaat mogelijk moet maken. Waarom? Omdat het secretariaat gekozen heeft voor een onderzoek van de dossiers criterium per criterium. Bijgevolg is met het onderzoek van de dossiers ingediend op grond van het vierde criterium zoals bepaald in artikel 2 van de wet van 22 december 1999, nog nauwelijks begonnen. Het vierde criterium voor de regularisatie is overigens moeilijk te vatten. Het maakt het mogelijk voor mensen zonder papieren die sinds zes jaar in België verblijven, of vijf jaar voor gezinnen met schoolgaande kinderen, om voor hun aanvraag humanitaire redenen en duurzame sociale banden in te roepen. Gezien de wettelijke bepalingen zal geen enkele dossier op deze grond ooit voldoende volledig en expliciet zijn. De regularisatiekamers en het secretariaat zullen dus de nodige soepelheid aan de dag moeten leggen en voor ogen houden dat het om een regularisatie- en niet om een uitdrijvingsoperatie gaat.

Mijn vragen luiden als volgt.

Ik zou graag weten wat de minister aan de achterstand wil doen. Zal hij de nodige maatregelen nemen om de werkzaamheden van het secretariaat en de kamers beter te stroomlijnen?

Ik zou graag het aantal door de kamers verstrekte adviezen kennen, alsook de aantallen positieve of negatieve besluiten die de minister heeft getekend.

Mevrouw Clotilde Nyssens (PSC). - Ik heb de verklaring gelezen die de minister gisteren in de Kamer heeft afgelegd en zal mij dus tot enkele vragen beperken.

Mijnheer de minister, ik heb begrepen dat de volgende dagen belangrijk zullen zijn, aangezien u morgen en overmorgen vergadert met de betrokken actoren, uw administratie, het secretariaat en de magistraten van de kamers om de procedureproblemen te analyseren en om na te gaan hoe het gestelde doel, waar iedereen achter staat, namelijk het afronden van de regularisatieoperatie, vóór de maand juli, kan worden bereikt.

Uit de pers en uit uw verklaringen blijkt dat het de ambtenaren die met de behandeling van de dossiers zijn belast, ontbreekt aan een adequaat beheersplan

(Voorzitter: mevrouw Sabine de Bethune, eerste ondervoorzitter.)

Het grote aantal dossiers, de nieuwe procedure, de samenwerking met de magistraten en de haast rechterlijke bevoegdheid van de kamers, die u nauw aan het hart ligt, zorgen voor spanningen. Het ontbreekt aan een beheersplan en aan overleg over de manier van werken.

Mijnheer de minister, ik sta erop dat de actoren zich loyaal opstellen, echt tot een oplossing willen komen en dat eenieders rol duidelijk wordt afgelijnd, zowel op het niveau van het secretariaat als op dat van de administratie, de griffies, de kamers, de dienst Vreemdelingenzaken en uw departement. Ik heb gehoord dat u aan alle betrokkenen gevraagd hebt voorstellen te doen voor een beheers- en een financieel plan

Ik deel uw opvatting dat eerst de inzet van de beschikbare krachten dient te worden geoptimaliseerd alvorens het personeel uit te breiden. Ik vraag me af of het niet voldoende is het aantal zittingen met magistraten op te drijven. Ik denk dat er nu twee zittingen zijn per week. Kunnen dat er geen vier worden? Kunnen de magistraten niet langer worden gedetacheerd? Nu worden ze niet voltijds ter beschikking gesteld, maar naar verluidt zou de minister van Justitie bereid zijn hun disponibiliteit te verhogen.

Kan het secretariaat niet aan iedere ambtenaar een quotum van te behandelen dossiers opleggen? Als elke ambtenaar vijf, zes of zeven dossiers per dag moet afwerken, zal de operatie binnen de gestelde termijn kunnen worden afgerond.

Ik moet toegeven dat ik het probleem van de aanvullende stukken niet begrijp. Volgens sommigen liggen ze in dozen en laden, maar volgens anderen wordt er rekening mee gehouden en worden ze gescand. Dit is dus tegenstrijdige informatie. Ik vind dat die stukken in de dossiers moeten worden opgenomen.

Mijnheer de minister, ik nodig u uit de nodige druk uit te oefenen opdat het management zijn personeel efficiënt doet werken en opdat de kamers een jurisprudentie ontwikkelen. Ik geloof dat de magistraten zaterdag vergaderen, maar het is wenselijk spoed te zetten achter deze opdracht, zodat er behoorlijk werk kan worden geleverd.

Mevrouw Meryem Kaçar (AGALEV). - Ik ben het eens met wat de vorige twee sprekers hebben gezegd. Ik wil daar twee zaken aan toevoegen. Ik zou namelijk willen weten of de minister een eindtermijn heeft vooropgesteld binnen dewelke alle dossiers moeten zijn behandeld. Ik zou ook willen weten wat het standpunt is van de regering in verband met het recht op steun van personen die de regularisatie hebben aangevraagd. Op dit moment is immers bij het Arbitragehof een zaak hangende die is ingediend door de Liga voor de Mensenrechten. De Liga meent dat het gelijkheidsbeginsel geschonden wordt als die personen geen recht hebben op steun.

De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken. - U weet dat ik mij enorm heb ingezet om deze operatie op te zetten en te doen slagen, en dit om drie redenen. De eerste reden is dat het een rechtvaardige operatie is. De Staat heeft zich niet binnen redelijke termijnen kunnen uitspreken over een aantal dossiers. Als dat wel het geval was, heeft hij niet altijd de gevolgen gedragen van de genomen beslissingen. De Staat draagt dus een deel van de verantwoordelijkheid en een aantal personen moesten dus de gelegenheid krijgen om uit de clandestiniteit te geraken.

De tweede reden waarom ik wil dat deze operatie slaagt, is dat ik een hervorming van de asielwetgeving voorbereid. Het is voor iedereen en vooral voor de aanvragers belangrijk dat een beroep kan worden gedaan op commissies van rechtsprekende aard. Als deze operatie niet slaagt, zal men mij morgen misschien zeggen dat ze een mislukking is en dat alle jurisdictionele organen traag en ondoeltreffend werken. Men zou eraan toevoegen dat het, gelet op het aantal dossiers, beter is een administratieve formule te hanteren en meer bevoegdheid te geven aan de minister. Ik geloof echter wel dat jurisdictionele procedures nodig zijn om de problemen objectief op te lossen. Dat is ook de wens van de Europese Commissie. Ik hoop dat ik volgend jaar, tijdens het Belgisch voorzitterschap, deze ideeën ingang kan doen vinden.

De derde reden is dat achter deze dossiers mensen en gezinnen schuilgaan. Ik begrijp hun ongerustheid en hun twijfels. Ze hebben echter geen reden tot ongerustheid, want van bij de aanvang heb ik mij ertoe verbonden deze operatie tot een goed einde te brengen, en dat zal ik ook doen.

Zoals mevrouw Nyssens zei, bestaan er relatieproblemen, maar die horen eerder in de lagere scholen dan in een regularisatiecommissie thuis. Ik denk ook dat het werk niet professioneel genoeg wordt georganiseerd. Mevrouw Nyssens had het over een beheersplan. Ik denk dat dit nuttig kan zijn. Ik geloof ook dat men, als men jurisdictionele organen opricht, denkt over enorm veel tijd te beschikken en dat het tijdsverloop wordt beschouwd als een garantie voor degelijkheid. Ik heb die commissie vanaf het begin verdedigd omdat men wou dat ze onafhankelijk was. Ik zou het dan ook paradoxaal vinden dat het Parlement, dat die onafhankelijkheid wou, mij zou vragen tussenbeide te komen.

Ik ben meermaals tussenbeide gekomen, omdat ik mij uiteraard dezelfde vragen stelde als u. Ik heb mij afgevraagd waarom het zolang duurde voordat een eerste algemene vergadering werd samengeroepen om tot vaste rechtspraak te komen. Ik had gevraagd dat die vergadering zou plaatsvinden in juli, maar het is september geworden. Ik heb mij afgevraagd waarom getalmd werd om mij dossiers toe te zenden die volgens mij weinig aanleiding gaven tot betwisting. Ik vraag mij nu nog af waarom mij bepaalde dossiers niet worden toegezonden terwijl al enige vaste rechtspraak tot stand is gekomen. Van bij de aanvang zijn effectieve en plaatsvervangende leden aangesteld, ik vraag mij dan ook af waarom die niet optimaal worden ingezet, zodat het aantal kamers kan worden verdubbeld. Ik vraag mij ook af waarom bij de eerste algemene vergadering niet alle effectieve en plaatsvervangende leden zijn samengeroepen om vaste rechtspraak tot stand te brengen. Ik heb het daar moeilijk mee en aangezien al mijn tussenkomsten en mijn suggesties en aanbevelingen aan ieder lid afzonderlijk zonder gevolg zijn gebleven, heb ik daarvan melding gemaakt op het kernkabinet. Bovendien ontmoet ik morgen de leden van het coördinatiecomité, namelijk de administrateur, de eerste voorzitter en de vice-eerste voorzitter.

Ik zal hen zeggen dat ik geen verklaringen wens, maar dat ze zich er duidelijk toe moeten verbinden hun werkzaamheden tegen 1 juli volgend jaar af te ronden en dat ze mij hun werkwijze moeten toelichten. Er zijn aanbevelingen en suggesties, onder andere dat men met mekaar moet praten. Het gaat hier immers niet om louter administratieve aangelegenheden, maar om menselijke problemen. Zo kan, het niet verder. Ik krijg verslagen met tegenstrijdige cijfers, wat wijst op een gebrek aan communicatie. Morgen wil ik duidelijkheid.

Ik beschik over de volgende cijfers. We hebben 32.662 dossiers ontvangen met betrekking tot meer dan 50.000 personen. Het secretariaat heeft 5.691 dossiers behandeld, het heeft mij 1.757 dossiers overgezonden met een positief advies en het heeft 2.221 dossiers naar de kamers gezonden. Het heeft 1.713 negatieve adviezen uitgebracht over onvolledige dossiers. Als ik aanvullende stukken ontvang, wat het geval was voor 250 dossiers, stuur ik het dossier naar de kamers. Die hebben mij ongeveer 420 dossiers overgezonden, waarvan 90% met een positief advies. Ik heb nu al 531 beslissingen genomen, 483 positieve, 48 negatieve, dus ook 90% positieve beslissingen. In ongeveer 25 gevallen heb ik de dossiers teruggezonden naar de kamers. Ik wil mij niet bemoeien met de rol van de kamers, maar de minister heeft het recht om te vragen of ze zeker zijn dat ze de wet naleven. Ik heb 16 dossiers niet in aanmerking genomen om redenen van openbare orde. In mijn kabinet zijn 800 dossiers aangekomen waarover ik maar een beslissing kan nemen nadat een onderzoek is uitgevoerd betreffende de openbare orde.

Gelukkig bestaat er in België geen centrale gegevensbank met betrekking tot de openbare orde. De gegevens zijn dus verspreid en fragmentarisch. Ik wil rechtvaardig zijn ten opzichte van de aanvragers. Het is niet omdat ooit tegen iemand een proces-verbaal is opgesteld, zelfs wegens ernstige feiten, dat hij effectief moet worden veroordeeld, ook al zou met die feiten rekening kunnen worden gehouden vanuit het standpunt van de openbare orde. Ik laat dus in verschillende diensten opzoekingen doen, voor sommige gevallen ook bij de parketten, die overigens al overbelast zijn en het al heel moeilijk hebben om binnen een maand de dossiers inzake de nationaliteitsverwerving te behandelen.

Ik heb ook de dienst vreemdelingenzaken duidelijke instructies gegeven: voor de meeste gevallen meen ik dat ik binnen achtenveertig uur een antwoord moet kunnen krijgen. Er zijn echter ook moeilijker gevallen. Jammer genoeg betekenen sommige aanvragers een gevaar voor de openbare orde. Hun dossier moet grondiger worden onderzocht, want ik wil een ernstige beslissing.

Ik wil u nog op twee punten wijzen, zodat u geen verkeerde conclusies trekt uit de cijfers die ik heb gegeven. Het verschil tussen het aantal adviezen van het secretariaat en de kamers en het aantal beslissingen dat ik heb genomen, kan worden verklaard door de termijn die noodzakelijk is voor opzoekingen met betrekking tot de openbare orde. Daarom heb ik dus nog maar ongeveer 500 beslissingen genomen over de 1.700 dossiers die ik heb ontvangen. Voor het onderzoek betreffende de openbare orde geldt vanaf nu dus een termijn van 48 uur voor de meeste dossiers. Het aantal positieve beslissingen is niet representatief en mag dus niet worden geëxtrapoleerd. Sommige beslissingen worden bij voorrang genomen, bijvoorbeeld in geval van ernstige ziekte; dossiers die aanleiding kunnen geven tot een negatieve beslissing vergen een langere procedure: terugzending naar de kamers en mogelijkheid om het dossier te vervolledigen.

Wanneer een dossier onvolledig is, moet de betrokkene daarvan door de gemeentepolitie op de hoogte worden gebracht. De aanvrager heeft dan drie dagen om te reageren. De gemeenten gaan echter niet snel te werk, ofwel vinden ze de betrokkene niet. Dat vertraagt dus de behandeling van sommige dossiers. Misschien moet ik de gemeenten daarvoor bijkomende instructies geven.

Ik heb dus alles in het werk gesteld om de regularisatiecampagne binnen de gestelde termijn af te ronden. De commissie moet een beheersplan opstellen. Ik zal daar vanaf morgen werk van maken.

Geruchten dat het secretariaat de aanvullende stukken niet heeft geklasseerd, werden door de administrateur formeel tegengesproken. Ik heb dat niet zelf gecontroleerd. Ik heb bepaalde personen gevraagd dynamischer en professioneler te werk te gaan. Als dat niet helpt zal ik de regering voorstellen drastische maatregelen te nemen.

Sommigen zouden willen dat ik zeg dat al wie op 1 juli niet is geregulariseerd, automatisch wordt geregulariseerd. De regularisatie geschiedt geval per geval. Het is dankzij deze ernstige werkwijze dat de bevolking deze operatie heeft aanvaard, wat niet het geval zou zijn geweest voor een algemene regularisatie.

Er komt ook geen tweede regularisatiecampagne, maar de problemen uit het verleden moeten worden geregeld. De achterstand bij alle instellingen moet worden weggewerkt en er moet een objectieve en snelle procedure worden uitgewerkt, zodat beslissingen kunnen worden genomen zonder dat de aanvragers als gevolg van de duur van de procedure in de clandestiniteit terechtkomen.

De sociale bijstand behoort niet tot mijn bevoegdheid, maar ik denk dat de regering dat belangrijke probleem in de komende dagen zal aanpakken. De harmonisering van de omstandigheden van de opvang wordt ook op Europees gebied bestudeerd. Als dat probleem niet wordt geregeld, ontstaat er een tragische vorm van shopping tussen de Europese landen en zullen de mensen proberen naar het land te gaan waar ze denken in de beste omstandigheden terecht te komen. De Europese landen weten goed dat hun sociale bijstandsregeling veel beter is dan die van de landen waaruit die mensen komen en dat er dus een aanzienlijke aantrekkingskracht van uitgaat. Op Europees niveau wordt ook nagegaan in welke mate men niet zou moeten proberen het probleem van de opvang op te lossen door huisvesting aan te bieden in de plaats van financiële middelen toe te kennen. Die zaak moet in alle openheid worden bestudeerd. Ik wil dat daarover een beslissing wordt genomen en dat men weet wat de gevolgen daarvan zijn.

Ook andere problemen zijn gerezen. Op Europees niveau zou men de Staten de mogelijkheid willen geven lijsten van "veilige landen" op te stellen. Daarmee worden vooral de landen bedoeld aan onze oostelijke buitengrenzen, die later partners van de Europese Unie zullen zijn. De meeste asielaanvragen komen echter uit landen waarvan wij het democratisch karakter hebben erkend. Asielaanvragen uit politieke of religieuze overwegingen zijn dan ook moeilijk te begrijpen. Ofwel beantwoordt een land aan de voorwaarden voor asiel, ofwel kan er niet worden gesproken van integratie in de Europese Unie. Dat sluit niet uit dat asielaanvragen in bepaalde gevallen gerechtvaardigd zijn. In dat geval moeten volgens de Europese Unie procedures worden aangewend die misbruik uitsluiten, want in de meeste gevallen worden de asielaanvragen geweigerd; voor sommige landen worden ze zelfs allemaal geweigerd.

Ik herhaal dus dat ik alles in het werk zal stellen opdat de procedure tegen 1 juli eerstkomend is afgerond.

De heer Mohamed Daif (PS). - Ik dank de minister voor zijn antwoord. Het verheugt mij dat hij zich bewust is van de ernst van het probleem. Wij worden dagelijks aangesproken door mensen zonder papieren die bang zijn. Daarom willen wij dat er zo spoedig mogelijk oplossingen komen om dat menselijk leed te verhelpen. Het secretariaat beschikt over 200 personen; in vergelijking met de kamers is dat vrij veel. De regering heeft dus de nodige middelen uitgetrokken om de dossiers sneller te behandelen. Alleen de onvolledige of ingewikkelde dossiers belanden bij de kamers. Het verheugt mij ook dat morgen een vergadering plaatsvindt met de personen die deze zaak moeten behandelen. Ik hoop dat de minister zijn invloed aanwendt om hen ertoe aan te zetten snel en humaan te werken en rekening te houden met de drama's die zich op de straat afspelen.

De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken. - Voor de achterstand is er waarschijnlijk een gedeelde verantwoordelijkheid. De betrokken diensten zijn collectief verantwoordelijk en moeten overleg plegen om oplossingen te vinden en de afhandeling van de dossiers te bespoedigen.

-Het incident is gesloten.

Regeling van de werkzaamheden

De voorzitter. - Gaat de Senaat akkoord om vertrouwen te geven aan het Bureau om de agenda van de volgende week te bepalen? (Instemming)

-De Senaat gaat tot nadere bijeenroeping uiteen.

(De vergadering wordt gesloten om 17.05 uur.)

Berichten van verhindering

Afwezig met bericht van verhindering: de heren Geens en Remans, wegens andere plichten, de heer Hordies, in het buitenland, de dames Kestelijn-Sierens en Taelman, om gezondheidsredenen.

-Voor kennisgeving aangenomen.

Bijlage

In overweging genomen voorstellen

Wetsvoorstellen

Artikel 81 van de Grondwet

Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 209 van het Wetboek van registratie-, hypotheek- en griffierechten (van de heer Olivier de Clippele; Gedr. St. 2-146/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden.

Wetsvoorstel tot bepaling van het statuut van de thuisassistent (van mevrouw Mia De Schamphelaere c. s.; Gedr. St. 2-458/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.

Wetsvoorstel tot wijziging van de artikelen 82 en 83 van de hypotheekwet van 16 december 1851, wat betreft de keuze van de woonplaats (van de heer Olivier de Clippele; Gedr. St. 2-463/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden.

Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 219 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (van de heer Olivier de Clippele; Gedr. St. 2-468/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden.

Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 4 van het keizerlijk decreet van 30 december 1809 op de kerkfabrieken (van de heer Frank Creyelman; Gedr. St. 2-473/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Wetsvoorstel betreffende de rechten van de patiënt (van de heer Patrik Vankrunkelsven; Gedr. St. 2-474/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.

Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 104 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, wat de aftrekbaarheid van adoptiekosten betreft (van mevrouw Sabine de Bethune; Gedr. St. 2-482/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden.

Wetsvoorstel tot instelling van een betaalde borstvoedingspauze (van mevrouw Sabine de Bethune c. s.; Gedr. St. 2-495/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.

Wetsvoorstel tot invoeging van een artikel 54bis in de wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten (van de heer Philippe Monfils; Gedr. St. 2-496/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Wetsvoorstel houdende instelling van een Hoog Comité voor de Sport (van de heer Philippe Monfils; Gedr. St. 2-497/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Wetsvoorstel tot oprichting van een Instituut voor gelijke kansen voor mannen en vrouwen (van mevrouw Sabine de Bethune c. s.; Gedr. St. 2-498/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.

Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 42 van de gecoördineerde wetten van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer (van de heer Philippe Monfils; Gedr. St. 2-501/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden.

Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 54 van de wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten (van de heer Philippe Monfils; Gedr. St. 2-533/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Wetsvoorstel tot regeling van de prostitutie (van mevrouw Meryem Kaçar en de heer Frans Lozie; Gedr. St. 2-541/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Wetsvoorstel houdende diverse structurele maatregelen teneinde de gerechtelijke achterstand weg te werken in burgerlijke zaken (van mevrouw Clotilde Nyssens; Gedr. St. 2-546/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Voorstellen van resolutie

Voorstel van resolutie over de coördinatie van het drugsbeleid (van mevrouw Ingrid van Kessel c. s.; Gedr. St. 2-459/1).

-Verzonden naar de verenigde commissies voor de Justitie en voor de Sociale Aangelegenheden.

Voorstel van resolutie over het federale plan inzake duurzame ontwikkeling (van de heren Johan Malcorps en Marc Hordies; Gedr. St. 2-472/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.

Voorstel van resolutie over het vluchtelingenbeleid (van mevrouw Erika Thijs c. s.; Gedr. St. 2-484/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden.

Voostel van resolutie over Cyprus (van de heren Philippe Monfils en Louis Siquet; Gedr. St. 2-494/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.

Voorstel van resolutie betreffende het recht op terugkeer voor de Palestijnse vluchtelingen (van de heer Michiel Maertens c. s.; Gedr. St. 2-507/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.

Vragen om uitleg

Het Bureau heeft volgende vragen om uitleg ontvangen:

van Mevrouw Nathalie DE T' SERCLAES aan de Minister van Landsverdediging over "de ongewenste intimiteiten bij het leger" (nr. 2-222)

van de heer Michiel MAERTENS aan de Vice-Eerste Minister en Minister van Buitenlandse Zaken over "de evaluatie van de akkoorden tussen België enerzijds en de Europese Unie anderzijds met de staat Israël" (nr. 2-223)

van Mevrouw Sabine de BETHUNE aan de Minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu over "de oprichting van een federaal Borstvoedingscomité" (nr. 2-224)

van Mevrouw Sabine de BETHUNE aan de Minister van Justitie over "de follow-up van het Wereldcongres tegen commerciële en seksuele uitbuiting van kinderen, Stockholm 1996" (nr. 2-225)

-Deze vragen worden naar de plenaire vergadering verzonden.

Evocatie

De Senaat heeft bij boodschap van 10 oktober 2000 aan de Kamer van volksvertegenwoordigers ter kennis gebracht dat tot evocatie is overgegaan, op die datum, van:

Wetsontwerp tot wijziging van verscheidene wetsbepalingen inzake de voogdij over minderjarigen (Gedr. St. 2-509/1).

-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Non-evocaties

Bij boodschappen van 12 oktober 2000 heeft de Senaat aan de Kamer van volksvertegenwoordigers terugbezorgd, met het oog op de koninklijke bekrachtiging, de volgende niet geëvoceerde wetsontwerpen:

Wetsontwerp tot invoering van het gebruik van telecommunicatiemiddelen en van de elektronische handtekening in de gerechtelijke en de buitengerechtelijke procedure (Gedr. St. 2-511/1).

Wetsontwerp tot wijziging van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de Openbare Centra voor Maatschappelijk Welzijn met het oog op een wijziging van de Franse benaming van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (Gedr. St. 2-512/1).

-Voor kennisgeving aangenomen.

Kamer van volksvertegenwoordigers

Bij boodschap van 10 oktober 2000 heeft de Kamer van volksvertegenwoordigers aan de Senaat laten weten dat zij zich ter vergadering van die dag geconstitueerd heeft.

-Voor kennisgeving aangenomen.

Wijziging van de samenstelling van de regering

Bij brief van 11 oktober 2000 heeft de eerste minister een afschrift overgezonden van het koninklijk besluit van dezelfde datum houdende ontslag van de heer Pierre Chevalier, staatssecretaris voor Buitenlandse Handel, en benoeming van mevrouw Anne-Marie Neyts-Uyttebroeck in deze functie.

-Voor kennisgeving aangenomen.

Raad van State

Bij brief van 9 oktober 2000 heeft de eerste voorzitter van de Raad van State aan de Senaat overgezonden, overeenkomstig artikel 119 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, het activiteitenverslag over het gerechtelijk jaar 1996-1997.

-Neergelegd ter Griffie.

Rekenhof

Bij brief van 5 oktober 2000 zendt de Eerste Voorzitter van het Rekenhof aan de Senaat, het verslag over het onderzoek van de bestanden met betrekking tot de leerlingentelling, overgemaakt door de Franse en Vlaamse Gemeenschap in toepassing van artikel 3, §1, van de wet van 23 mei 2000 tot bepaling van de criteria bedoeld in artikel 39, §2, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten.

-Neergelegd ter Griffie.

Bij dienstbrief van 6 oktober 2000 zendt het Rekenhof aan de Senaat, in toepassing van artikel 34 van het Reglement van Orde van het Rekenhof van 5 februari 1998, het overzicht van de door senatoren geraadpleegde dossiers en de daartoe gevoerde briefwisseling vanaf 3 december 1999 tot en met 6 oktober 2000.

-Ter kennisgeving aangenomen.