2-218 | Belgische Senaat | 2-218 |
Waarschuwing: de blauwe kleur geeft aan dat het gaat om uit het Frans vertaalde samenvattingen.
Inoverwegingneming van voorstellen
In overweging genomen voorstellen
Directie-generaal internationale samenwerking - Belgische technische coöperatie
Voorzitter: de heer Armand De Decker
(De vergadering wordt geopend om 14.20 uur.)
De voorzitter. - Bij de Senaat is een voorstel ingediend om in de commissie voor de Sociale Aangelegenheden de heer Theo Kelchtermans door mevrouw Erika Thijs te vervangen als plaatsvervangend lid. (Instemming)
De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Terwijl wij in het zweet onzes aanschijns debatteren over zaken van algemeen belang, bevindt de eerste minister zich samen met Eddy Merckx op de Franse wegen. Ik zou een schorsing van de vergadering kunnen vragen, zodat wij de Ronde van Frankrijk op de televisie kunnen volgen. De oppositie heeft immers de taak de activiteiten van de uitvoerende macht te controleren en na te gaan wat de politieke gevolgen van die activiteiten zijn. Misschien kan de quæstuur overwegen televisieschermen in het halfrond aan te brengen zodat we de zaken der wereld tijdens de interessante uiteenzettingen van de senatoren kunnen volgen.
Dit maar om te wijzen op de lichtzinnigheid van de eerste minister, die vakantie neemt op een ogenblik dat het parlement tientallen wetten bespreekt. Een meerderheid met enige fierheid zou aandringen op zijn aanwezigheid om de goedkeuring van de ingediende wetsontwerpen te helpen bepleiten.
Ik wil even terugkomen op het debat van vanmorgen. Mevrouw Taelman is nu wel als enige vertegenwoordigster van de Vlaamse meerderheid aanwezig om de minister van Justitie rugdekking te verlenen. De Vlaamse meerderheid durft niet op de tribune te komen, laat staan dat ze aan het debat deelneemt. Over de standpunten van de heer Vankrunkelsven, die beweerde dat hij geen VLD'er is, zal ik het straks nog hebben.
Dit is een eigenaardig debat. De argumenten die door CD&V en Vlaams Blok zijn aangehaald, zijn niet de onze, maar die van de Vlaamse balie te Brussel en van de hele juridische wereld. Kenmerkt de Vlaamse juridische wereld zich door overdreven partijpolitieke kortzichtigheid of door een principiële aanhankelijkheid aan de oppositiepartijen? Neen, de Vlaamse juridische wereld is een kritische wereld. Het juridisch leven is intellectueel creatief en bijgevolg ook kritisch.
Dit brengt me bij de opmerkingen van de Agalev-Ecolo-fractie. Eigenlijk moet ik enkel Ecolo noemen, want Agalev heeft gezwegen. Ecolo staat toch altijd de meertaligheid en het nieuwe unionisme voor! Wij verdedigen hier namens de Vlaamse publieke opinie het principe van de tweetalige rechters. Ecolo doet dit af als kortzichtig en zegt dat ik de eentaligheid verdedig. Ik kan mij misschien soms onduidelijk uitdrukken, maar ons verwijten dat wij, die de tweetaligheid van de rechters verdedigen, ons in een eentalig Vlaams getto opsluiten, gaat wel erg ver. Ik weet dat sommige ministers de gewoonte hebben om buitenlandse staatshoofden een quotering te geven. Zelf durf ik zoiets niet te doen, maar mocht ik het beleid van de regering moeten quoteren, dan weet ik niet of er cijfers zijn die laag genoeg zijn.
Er ligt inderdaad een historische evolutie aan de basis van dit probleem. Minister Wathelet heeft een vergissing begaan toen hij in het begin van de jaren negentig het verbod instelde voor een rechter van de rechtbank van eerste aanleg in een andere taal recht te spreken dan de zijne. Ik heb dat toen niet onderkend. De obstructie van de taalwetgeving werd toen georganiseerd. Er waren immers voldoende tweetalige kandidaten, maar ze hadden het nadeel over een Vlaams diploma te beschikken. De Franstaligen wilden echter verhinderen dat Vlamingen in Franstalige zaken rechtspraken.
Men is echter niet consequent geweest, want deze regel werd niet doorgetrokken naar het Hof van beroep te Brussel en het Hof van cassatie. Voor het Hof van beroep te Brussel bestaan geen taalvereisten. Ik heb ooit in de eerste kamer van het hof van beroep te Brussel gepleit voor een rechter die ik bij een andere procedure als onderzoeksrechter gewraakt had. Ik had namelijk op de griffie nagegaan of de onderzoeksrechter, die een aanhoudingsbevel voor mijn cliënt had uitgevaardigd, over een grondige kennis van het Nederlands beschikte. De onderzoeksrechter in kwestie had geen taalexamen afgelegd en bijgevolg was het aanhoudingsbevel en heel de procedure nietig. Welnu, die onderzoeksrechter zat later de eerste kamer van het hof van beroep te Brussel voor.
Sommigen verwijzen naar de statistieken. Wie wil liegen, kan zich altijd op statistieken beroepen. De discussie gaat niet zozeer over het aantal Nederlandstalige of Franstalige zaken als criterium. Dat geeft voor Brussel trouwens een vertekend beeld, onder andere door de vestiging van talrijke vennootschappen en de aanwezigheid van vreemdelingen. De discussie gaat veeleer over het taalgemengd karakter van de dossiers.
Waarom heeft het toneelstuk Le mariage de Mademoiselle Beulemans zoveel succes? Precies om het taalgemengd karakter ervan! De Brusselaars snoepen van dat Frans-Nederlands Brussels met eigen accenten. Ik had verwacht dat de Brusselse senatoren de Brusselse eigenheid zouden verdedigen, daarbij verwijzend naar hoger vermeld meesterwerk.
Mevrouw Clotilde Nyssens (CDH). - Justitie is geen theater.
De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Over dit onderwerp een essay schrijven lijkt me een uitstekend idee te zijn. De essentie van het proces is natuurlijk het theater!
Ik had verwacht dat de Brusselse senatoren erop zouden wijzen dat Brussel altijd "open" is geweest en dus als overgangsmaatregel een compromis zouden uitwerken, met een aangepast taalexamen over de functionele kennis voor een aantal bijzitters in de rechtbank. Een compromis bleek evenwel niet mogelijk te zijn. De regering heeft twee kwalen willen cumuleren: de aanpassing van het taalexamen, enerzijds, en het uitbreiden van het aantal toegevoegde rechters, anderzijds.
Volgens de voorzitter van het Vlaams Parlement had de federale regering beloofd dat de maatregel inzake de toegevoegde rechters tijdelijk zou zijn. Nu is zelfs van die tijdelijkheid geen sprake meer. Vandaar het verzet van de voorzitter van het Vlaams Parlement.
De minister argumenteert dat het Gerechtelijk Wetboek al impliceert dat de toegevoegde rechters tijdelijk zijn. Zo speelt hij op woorden, want de tijdelijkheid die wij voor de toegevoegde eentalige rechters voorstaan, is van een andere aard. Nul is wiskundig hetzelfde als niets, maar beide begrippen zijn in het recht verschillend. De tijdelijkheid van de eentalige rechters houdt in dat ze gedurende een viertal jaar kunnen functioneren als overgangsfase tijdens de zoektocht naar tweetalige rechters. De tijdelijkheid van de toegevoegde rechters daarentegen bestaat erin dat ze definitief benoemd zijn voor de rest van het leven, maar dat hun opdracht tijdelijk in Nijvel of Brussel moet worden uitgeoefend.
De heer Dubié vroeg me naar mijn standpunt met betrekking tot de redelijke termijn. Mijn antwoord is dat men met de redelijke termijn redelijk moet zijn. Ik heb in zeer veel zaken de redelijke termijn bepleit. Een redelijke termijn is een termijn waarbinnen een geschil in redelijkheid kan worden afgehandeld. Nu geeft de regering echter de indruk dat het antwoord op deze uitdaging, hét middel om de redelijke termijn te bereiken, enkel en alleen te vinden is in het benoemen van eentalige rechters.
Laten we even kijken of in het Hof van beroep te Brussel, waar er geen taalvereisten zijn, de redelijke termijn wordt gerespecteerd? Jammer genoeg niet. Enkele weken geleden heb ik nog een vaststelling gevraagd en ik kreeg het bericht dat de organisatie van de pleidooien het vooralsnog niet mogelijk maakt een datum voor het pleiten te geven. Dat er een verband is tussen de taalvereiste en het respecteren van de redelijke termijn wordt dus tegengesproken door de realiteit in het Hof van beroep te Brussel. Op zich is het schrappen van de tweetaligheid dus geen waarborg voor het naleven van de redelijke termijn.
Een van de vorige sprekers heeft onderstreept dat er een verschil is tussen de Franse en de Nederlandse cultuur bij het mondeling behandelen van zaken. Het volstaat een zitting van een Franstalige strafkamer bij te wonen om vast te stellen dat er per ochtend één of twee strafzaken kunnen worden behandeld, omdat de uiteenzettingen veel langer zijn dan de toespraken van de senatoren. Zodra een voorzitter onderbreekt, roepen de advocaten "droit de la défense, droit de la défense". Er is een andere cultuur.
Mevrouw Clotilde Nyssens (CDH). - Maar men moet rekening houden met deze cultuur.
De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Maar dan mag men niet beweren dat de redelijke termijn van de taal van de rechter afhangt.
De redelijke termijn wordt in landen met een Latijnse rechtscultuur veel moeilijker nageleefd dan in landen met een Germaanse rechtscultuur. Kijk naar Nederland en Duitsland. Zijn daar problemen zoals in België? Kijk daarentegen naar Italië, Spanje, Portugal. Die landen hebben al heel wat internationale veroordelingen gekregen voor het niet naleven van de redelijke termijn. Het theater speelt in de Latijnse juridische cultuur een veel grotere rol dan bijvoorbeeld bij Nederlanders en Duitstaligen met hun meer zakelijke behandeling.
De voorzitter. - Mijnheer Vandenberghe, in de algemene bespreking had u een spreektijd van een half uur. Uw repliek duurt nu al twintig minuten. Ik denk dat het tijd wordt om te landen.
De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Ik had de landing trouwens al ingezet, mijnheer de voorzitter. Ik wilde aantonen dat de Nederlandstaligen minder theater maken. Ik begrijp echter niet dat men zo geagiteerd kan reageren wanneer een Vlaming aan de kaak stelt dat de tweetaligheid in Brussel wordt verlaten. Dat is de kern en ik begrijp niet dat dit op grond van de openheid van geest wordt betwist.
-De algemene bespreking is gesloten.
(De tekst aangenomen door de commissie voor de Justitie is dezelfde als de tekst van het door de Kamer van volksvertegenwoordigers overgezonden ontwerp. Zie stuk Kamer 50-1459/6.)
-Artikel 1 wordt aangenomen.
De voorzitter. - Mevrouw Staveaux-Van Steenberge heeft amendement 1 ingediend (zie stuk 2-1207/2) dat luidt:
Een artikel 1bis (nieuw) invoegen, luidende:
"Art. 1bis. - In artikel 43, §5, eerste lid, van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
A) de woorden "tweederde van alle magistraten" worden vervangen door de woorden "respectievelijk tweederde van alle magistraten van de Franse taalgroep en tweederde van alle magistraten van de Nederlandse taalgroep";
B) het lid wordt aangevuld als volgt: "Ook de toegevoegde magistraten worden in deze berekening betrokken."
De heer Vandenberghe en mevrouw De Schamphelaere hebben amendement 14 ingediend (zie stuk 2-1207/2) dat luidt:
Een artikel 1bis (nieuw) invoegen, luidend als volgt:
"Art. 1bis. - In artikel 4, §2, van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken wordt de zin "De rechter doet op staanden voet uitspraak" vervangen door "De rechter beslist bij gemotiveerde beschikking binnen 8 dagen."
Mevrouw Mia De Schamphelaere (CD&V). - Ons amendement 14 strekt ertoe om een nieuw artikel in te voegen. Het luidt als volgt: "In artikel 4, paragraaf 2, van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken wordt de zin "De rechter doet op staande voet uitspraak" vervangen door "De rechter beslist bij gemotiveerde beschikking binnen 8 dagen."
De wet op het gebruik der talen in gerechtszaken voorziet in de mogelijkheid tot wijziging van de taal van de rechtspleging na de inleidende akte. Voor procedures voor de rechtbanken met zetel op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gebied, voor de vrederechters van Kraainem, Sint-Genesius-Rode en Wolvertem, of voor de rechtbanken in het Duitstalige gebied kan een taalwijziging worden aangevraagd door de verweerder.
Het is de taak van de rechter om de ernst van de vraag tot taalwijziging na te gaan en namelijk te onderzoeken of de verweerder al dan niet een "voldoende kennis" bezit van de taal die gebruikt werd in de inleidende akte.
In artikel 4 van de wet op het taalgebruik in gerechtszaken staat dat de rechter hierover "op staande voet uitspraak doet". Zijn vonnis moet bovendien gemotiveerd zijn. Op die wijze heeft de wetgever een vlugge afhandeling van de vraag tot taalwijziging mogelijk willen maken. De rechtsleer heeft hier terecht bedenkingen bij. De vraag rijst inderdaad of de wet op die wijze de rechter wel de mogelijkheid biedt om met volle kennis van zaken te oordelen over de taalwijziging. Uit de praktijk blijkt dat heel wat rechters ter zitting onmogelijk een gemotiveerd vonnis kunnen uitbrengen. Het ontbreekt hen aan de tijd en de mogelijkheid om de eventuele stukken te onderzoeken waardoor een motivering uitblijft. Uit de rechtspraktijk blijkt de noodzaak om de verplichting "op staande voet uitspraak te doen" uit de wet te lichten.
Teneinde de vraag tot taalwijziging toch op een snelle wijze te laten behandelen, willen we dat een gemotiveerd vonnis binnen 8 dagen na de inleidende zitting wordt geveld, waarbij de zaak alsdan opnieuw op rol wordt gebracht. Op die wijze wordt de mogelijkheid geboden om een motivering uit te schrijven en de nodige opzoekingen te doen in de rechtsleer en rechtspraak. Een verplichte uitspraak binnen 8 dagen zal evenmin een vertraging meebrengen op de rechtsgang. Een gemotiveerd vonnis biedt de zekerheid dat de procedure verloopt in de taal die zowel eiser als verweerder voldoende kennen, hetgeen de rechtszekerheid alleen maar ten goede kan komen.
Mevrouw Gerda Staveaux-Van Steenberge (VL. BLOK). - Ons amendement strekt ertoe een artikel 1bis (nieuw) in te voegen. Het luidt als volgt: "Artikel 1bis. In artikel 43, §5, eerste lid, van dezelfde wet worden volgende wijzigingen aangebracht:
A) de woorden "twee derde van alle magistraten" worden vervangen door de woorden "respectievelijk twee derde van alle magistraten van de Franse taalgroep en twee derde van alle magistraten van de Nederlandse taalgroep";
B) het lid wordt aangevuld als volgt: "Ook de toegevoegde magistraten worden in deze berekening betrokken."
Tot op vandaag zijn het in hoofdzaak de Nederlandstalige magistraten die ervoor zorgen dat de twee derde-taalregel binnen de rechtbanken gehaald wordt. Zo leverden 31 van de 33 Nederlandstalige magistraten het bewijs van kennis van de andere landstaal, terwijl dat slechts bij 19 van de 50 Franstalige magistraten het geval is en bij geen enkele van de 17 toegevoegde magistraten. Ook bij de arbeidsrechtbank en de rechtbank van koophandel zorgen vooral de Nederlandstaligen voor de nodige taalkennis.
Dat onevenwicht wordt hersteld door voor elke taalgroep te bepalen dat er voldoende magistraten zijn met kennis van de andere landstaal. De Vlamingen zijn vandaag immers de dupe van het systeem: eentalige Nederlandstalige magistraten mogen niet meer worden aangesteld, terwijl er aan Franstalige kant vele tientallen eentaligen benoemd zijn. Nochtans hebben de Vlamingen meer redenen om eentaligen naar voren te schuiven: Halle-Vilvoorde is immers een eentalig gebied. Mocht daarvoor een apart gerechtelijk arrondissement bestaan, dan moesten er bijna geen rechters het bewijs leveren van de kennis van de andere landstaal.
Van de gelegenheid wordt tegelijk gebruik gemaakt om de verplichte verhouding van twee derde "tweetalige" magistraten ook toe te passen op de toegevoegde magistraten. Vandaag wordt het systeem van de toegevoegde magistraten immers misbruikt om de taalwetgeving te omzeilen.
De voorzitter. - Mevrouw Staveaux-Van Steenberge heeft amendement 2 ingediend (zie stuk 2-1207/2) dat luidt:
Een artikel 1ter (nieuw) invoegen, luidende:
"Art. 1ter. - Artikel 43quater, eerste lid, van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken wordt vervangen als volgt:
"Veertig procent van de magistraten van de zetel van het Hof van cassatie en veertig procent van de leden van het parket bij dit Hof moeten, door hun diploma, bewijzen dat zij de examens van licentiaat in de rechten in het Frans hebben afgelegd; zestig procent van de leden van het Hof en van het parket moeten, door hun diploma, bewijzen dat zij de examens van licentiaat in de rechten in het Nederlands hebben afgelegd."
De heer Vandenberghe en mevrouw De Schamphelaere hebben amendement 15 ingediend (zie stuk 2-1207/2) dat luidt:
Een artikel 1ter invoegen, luidend als volgt:
"Art. 1ter. - Artikel 43, §5, lid 1 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken wordt aangevuld met de woorden:
"Het overige derde moet het bewijs leveren van een hogere kennis van de andere taal door het afleggen van het tweede examen bepaald in artikel 43quinquies, §1, vierde lid."
Mevrouw Gerda Staveaux-Van Steenberge (VL. BLOK). - Ons amendement 2 heeft tot doel de wantoestanden bij het Hof van cassatie recht te trekken. De regeling voor de lagere rechtbanken moet zeker toegepast worden voor het Hof van Cassatie. Het is de bedoeling een artikel 1ter (nieuw) in te voegen, luidende: "Artikel 43quater, eerste lid, van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken wordt vervangen als volgt: Veertig procent van de magistraten van de zetel van het Hof van Cassatie en veertig procent van de leden van het parket bij dit Hof moeten, door hun diploma, bewijzen dat zij de examens van licentiaat in de rechten in het Frans hebben afgelegd; zestig procent van de leden van het Hof en van het parket moeten, door hun diploma, bewijzen dat zij de examens van licentiaat in de rechten in het Nederlands hebben afgelegd."
Op die wijze wordt eindelijk komaf gemaakt met de schrijnende achterstelling van de Nederlandstaligen bij het Hof van Cassatie. De verhouding 60/40 bij de bevolking wordt zo doortrokken tot in het hoogste rechtscollege. Hierdoor zal de behandeling van Nederlandstalige dossiers versnellen, zodat we eindelijk tot een gelijkberechtiging van Nederlands- en Franstaligen kunnen komen. Door de democratisering van het Hof van Cassatie zullen de arresten van dat hof ongetwijfeld worden gekenmerkt door een meer rationele en pragmatische inslag.
Uiteraard impliceert een dergelijke wetswijziging dat alle benoemingen betrekking zullen hebben op Nederlandstaligen, tot het nieuwe evenwicht bereikt is.
Mevrouw Mia De Schamphelaere (CD&V). - Met amendement 15 willen we eveneens een artikel 1ter invoegen, luidende als volgt: "Artikel 43, §5, lid 1, van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken wordt aangevuld met de woorden: Het overige derde moet het bewijs leveren van een hogere kennis van de andere taal door het afleggen van het tweede examen bepaald in artikel 43quinquies, §1, vierde lid."
Het is niet alleen noodzakelijk dat twee derde van de Brusselse magistraten een beperkte functionele kennis van de andere taal heeft, die bewezen wordt door het afleggen van een eerste examen waaruit moet blijken dat ze anderstalige getuigen kunnen horen en anderstalige stukken kunnen begrijpen. Volgens de taalwet zijn er in Brussel ook magistraten nodig die de rechtspleging kunnen voortzetten in de andere taal en die een aanhoudingsbevel in de andere taal kunnen uitvaardigen. Daarom is het bewijs van een gevorderde functionele kennis door het afleggen van het tweede examen door een derde van de magistraten vereist. Het amendement sluit daarenboven aan bij de voorstellen van procureur des Konings, de heer Dejemeppe, die de behoeften van de Brusselse rechtbank als volgt formuleerde: "Tous les magistrats de première instance devraient, en effet, à Bruxelles disposer d'un bagage minimum", waarmee hij een veralgemeende tweetaligheid bedoelde.
De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Ik vind het onaanvaardbaar dat de commissie voor de Justitie waar ik lid van ben, vergadert op het ogenblik dat we uitgerekend dit belangrijk ontwerp behandelen. Ofwel moet de bespreking van dit ontwerp worden verdaagd, ofwel de vergadering van de commissie voor de Justitie. Ik vraag daarover een stemming.
De voorzitter. - Mijnheer Vandenberghe, voor de bespreking in de commissie is de aanwezigheid van de minister niet vereist. We wisten allemaal dat het vandaag zo kon lopen. U spreekt vooral voor uzelf.
De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Ik heb in de Senaat nog nooit meegemaakt dat de commissie voor de Justitie vergadert op het ogenblik dat in plenaire vergadering een ontwerp betreffende Justitie wordt behandeld. Onze vroegere collega Lallemand zou dat zeker nooit hebben geduld.
De voorzitter. - Ik begrijp uw bezorgdheid. Ik stel voor dat we in plenaire vergadering voortgaan met de twee wetsontwerpen betreffende Justitie en dat de vergadering in de commissie wordt geschorst tot we hier met de mondelinge vragen beginnen (Instemming).
De voorzitter. - Mevrouw Staveaux-Van Steenberge heeft amendement 3 ingediend (zie stuk 2-1207/2) dat luidt:
Een artikel 1quater (nieuw) invoegen, luidende:
"Art. 1quater. - Artikel 43quater, derde lid, van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken wordt vervangen als volgt:
"Bovendien moeten vijftien leden van de zetel, waaronder de eerste voorzitter en de voorzitter, en acht leden van het parket, waaronder de procureur-generaal en de eerste advocaat-generaal, het bewijs leveren van de kennis van de Nederlandse en van de Franse taal."
De heer Vandenberghe en mevrouw De Schamphelaere hebben amendement 16 ingediend (zie stuk 2-1207/2) dat luidt:
Een artikel 1quater invoegen, luidend als volgt:
"Art. 1quater. - Artikel 43bis, §3, van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken wordt aangevuld met een vierde lid, luidend als volgt:
"De overige raadsheren moeten het bewijs leveren van de eenvoudige kennis van de andere taal door het afleggen van het eerste examen bepaald in artikel 43quinquies, §1, derde lid."
Mevrouw Gerda Staveaux-Van Steenberge (VL. BLOK). - Amendement 3 heeft tot doel een artikel 1quater in te voegen luidende:
"Artikel 43quater, derde lid, van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken wordt vervangen als volgt:
"Bovendien moeten vijftien leden van de zetel, waaronder de eerste voorzitter en de voorzitter, en acht leden van het parket, waaronder de procureur-generaal en de eerste advocaat-generaal, het bewijs leveren van de kennis van de Nederlandse en van de Franse taal."
Vandaag moeten slechts zes op dertig leden van het hoogste rechtscollege en slechts drie leden van het parket-generaal het bewijs leveren van de kennis van de andere landstaal en dat terwijl juist van al de leden van dit hoogste rechtscollege mag verwacht worden dat zij het best geïnformeerd zijn omtrent de evoluties in rechtspraak en rechtsleer in beide landsgedeelten. Vanzelfsprekend moeten zeker ook de voorzitter en de ondervoorzitter de andere landstaal machtig zijn.
Mevrouw Mia De Schamphelaere (CD&V). - Amendement 16 heeft tot doel een artikel 1quater in te voegen luidende als volgt:
"Artikel 43bis, §3, van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken wordt aangevuld met een vierde lid, luidend als volgt: "De overige raadsheren moeten het bewijs leveren van de eenvoudige kennis van de andere taal door het afleggen van het eerste examen bepaald in artikel 43quinquies, §1, derde lid."
Het is niet omdat ten minste een derde van de raadsheren van het Hof van Beroep te Brussel volgens het ontwerp de gevorderde kennis van de ander taal moeten bewijzen, via het tweede examen, dat de overige raadsheren helemaal geen kennis zouden moeten hebben van de andere taal.
Vooral in het rechtsgebied Brussel is tenminste een minimale kennis van de andere taal, dus via het eerste examen, vereist om als raadsheer te functioneren, bijvoorbeeld om de rechtslitteratuur en de rechtsspraak in de andere taal te raadplegen, voor onderling overleg en discussie, en om voeling te hebben met het sociale gebeuren.
Het "eerste" eenvoudige examen bedoeld in het wetsontwerp maakt de veralgemening van die taalkennis mogelijk. Procureur des Konings Dejemeppe wees reeds op de noodzaak van een veralgemeende tweetaligheid te Brussel.
De voorzitter. - Mevrouw Staveaux-Van Steenberge heeft amendement 4 ingediend (zie stuk 2-1207/2) dat luidt:
Een artikel 1quinquies (nieuw) invoegen, luidende:
"Art. 1quinquies. - Artikel 43quater van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de talen in gerechtszaken, laatst gewijzigd bij de wet van 2 augustus 2000, wordt aangevuld met het volgende lid:
"De magistraten bij het Hof van Cassatie zetelen uitsluitend in de taal van hun diploma."
De heer Vandenberghe en mevrouw De Schamphelaere hebben amendement 17 ingediend (zie stuk 2-1207/2) dat luidt:
Een artikel 1quinquies (nieuw) invoegen, luidend als volgt:
"Art. 1quinquies. - Artikel 43quater, eerste lid, van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, ingevoegd bij de wet van 10 oktober 1967, wordt vervangen als volgt:
"Veertig procent van de magistraten van de zetel van het Hof van Cassatie en veertig procent van de leden van het parket bij dit hof moet, door het diploma, bewijzen de examens van het doctoraat of het licentiaat in de rechten in het Frans te hebben afgelegd; zestig procent van de leden van het hof en van het parket moet, door het diploma, bewijzen de examens van het doctoraat of het licentiaat in de rechten in Nederlands te hebben afgelegd."
Mevrouw Gerda Staveaux-Van Steenberge (VL. BLOK). - Amendement 4 heeft als doel een artikel 1quinquies (nieuw) in te voegen.
Zeker bij het Hof van Cassatie is het elementair dat de dossiers worden behandeld door magistraten die zitting hebben in de taal van hun diploma. Het gaat immers om een basisregel van onze taalwetgeving in gerechtszaken. Vanzelfsprekend moet deze maatregel gepaard gaan met het verhogen van het aantal Nederlandstalige magistraten. Niet alleen zal dit ervoor zorgen dat de werklast eerlijker tussen Nederlandstalige en Franstalige magistraten wordt verdeeld. Bovendien zal hierdoor de grote achterstand langs Nederlandstalige kant kunnen worden weggewerkt.
De rechtsonderhorigen hebben recht op een gelijke behandeling, ook inzake de duur van hun zaak.
Mevrouw Mia De Schamphelaere (CD&V). - Amendement 17 heeft als doel een artikel 1quinquies (nieuw) in te voegen.
De wet van 6 mei 1997 bracht het aantal raadsheren in het Hof van Cassatie op 28 en het aantal advocaten-generaal op 12. Het Hof van Cassatie vroeg 6 bijkomende raadsheren, waardoor het totaal op 30 zou komen. Dat is nodig, gelet op de grote gerechtelijke achterstand die nog toeneemt.
Het Hof ging aanvankelijk akkoord met het voorstel om 5 bijkomende raadsheren te benoemen, met een doorbreking van de taalpariteit tot gevolg. Dat is de logica zelve. De pariteit kan immers niet meer worden verantwoord. Zestig procent van de bevolking behoort tot het Nederlandstalige gedeelte, veertig procent tot het Franstalige. Ook bij het aantal ingeleide zaken is de verhouding per taalrol ongeveer 60% Nederlandstalig, 40% Franstalig. Bovendien is de huidige pariteit driemaal onrechtvaardig voor de Vlamingen: Nederlandstalige rechtzoekenden moeten veel langer - tot nu toe twee en een halve keer zo lang als de Franstaligen - op een uitspraak wachten. Nederlandstalige magistraten moeten veel harder werken dan hun Franstalige collega's. Vlamingen maken 60% van de bevolking uit en hebben toch minder kansen op een benoeming in een topfunctie in de magistratuur.
De voorzitter. - De heer Vandenberghe en mevrouw De Schamphelaere hebben amendement 18 ingediend (zie stuk 2-1207/2) dat luidt:
Een artikel 1sexies (nieuw) invoegen, luidend als volgt:
"Art. 1sexies. - In artikel 43quater, vierde lid, van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken wordt, na de eerste zin, de volgende zin ingevoegd:
"De overige leden van de zetel en van het parket moeten het bewijs leveren van de eenvoudige kennis van de andere taal door het afleggen van het eerste examen bepaald in artikel 43quinquies, §1, derde lid."
Mevrouw Mia De Schamphelaere (CD&V). - Het is niet omdat zes leden van de zetel van het Hof van Cassatie op een totaal van dertig en slechts drie leden van het parket volgens het ontwerp de gevorderde kennis van de andere taal moeten bewijzen dat de overige leden niet de minste kennis zouden moeten hebben van de andere taal.
Het Hof van Cassatie kan zijn taak die voornamelijk bestaat in het bewaren van de eenheid in de rechtspraak, niet volbrengen zonder leden die dankzij hun kennis van de andere taal hun functie volwaardig kunnen uitoefen o.m. ook raadplegen van rechtsliteratuur en jurisprudentie in de andere taal.
De voorzitter. - Artikel 2 luidt:
Artikel 43quinquies van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken, gewijzigd bij de wetten van 28 juni 1974 en van 23 september 1985, wordt vervangen als volgt:
"Art. 43quinquies. - §1. - De kennis van de andere taal dan die waarin de examens van doctor of licentiaat in de rechten werden afgelegd, wordt bewezen door te slagen in een examen, aangepast aan de vereisten van de betrokken functie, al naar gelang deze al dan niet een geschreven actieve taalkennis inhoudt.
Daartoe wordt voorzien in twee soorten examens.
Het eerste examen is een examen handelend over zowel de actieve en passieve mondelinge kennis als de passieve schriftelijke kennis van de andere taal. Het bewijs van deze kennis wordt vereist, onverminderd hetgeen is bepaald in het volgende lid, in al die gevallen waarin deze wet de kennis van de andere taal vereist.
Het tweede examen is een examen handelend over zowel de actieve en passieve mondelinge kennis als de actieve en passieve schriftelijke kennis van de andere taal. Het bewijs van deze kennis wordt vereist in hoofde van de magistraten bedoeld in de artikelen 43, §4, eerste lid, 43, §4bis, tweede lid, 43bis, §4, eerste lid, 45bis en 49, §2, eerste en derde lid; evenals in hoofde van de magistraten die, overeenkomstig artikel 43, §5, vierde en vijfde lid, de procedure verder zetten, alsook in hoofde van de magistraten bedoeld in de artikelen 43bis, §1, tweede lid, 43bis, §3, derde lid, 43ter, §1, tweede lid, 43ter, §3, tweede lid, 43quater, derde lid, 46 en 49, §3, wanneer zij, overeenkomstig de bepalingen van deze wet, zetelen in de andere taal dan de taal van hun diploma en in hoofde van de vrederechters bedoeld in artikel 7, §1bis van deze wet. Diezelfde kennis van het tweede type wordt vereist in de hoofde van de magistraten die tijdelijk de functie uitoefenen van de korpsoversten waarvan de kennis van de andere taal wordt vereist.
§2. Alleen de afgevaardigd bestuurder van SELOR - Selectiebureau van de Federale Overheid is bevoegd om de bewijzen uit te reiken van de kennis van de andere taal dan die waarin de kandidaat examens van de graad van doctor of licentiaat in de rechten heeft afgelegd.
§3. De samenstelling van de examencommissies en de voorwaarden waaronder de bewijzen van de kennis van de andere taal mogen worden uitgereikt worden bepaald bij koninklijk besluit vastgesteld na beraadslaging in de Ministerraad.".
Op dit artikel heeft mevrouw Staveaux-Van Steenberge amendement 5 ingediend (zie stuk 2-1207/2) dat luidt:
Dit artikel vervangen door hoofdstukken II tot VI (nieuw), luidend als volgt:
"Hoofdstuk II
Wijzigingen van het Gerechtelijk Wetboek
Art. 2. - In artikel 69 van het Gerechtelijk Wetboek, wordt een vierde lid ingevoegd, luidend als volgt:
"Inzake de gerechtelijke kantons van het administratieve arrondissement Brussel-Hoofdstad wint de Koning het advies in van de in het vorige lid vermelde personen, van de beide voorzitters van de rechtbanken van eerste aanleg en van de beide procureurs des Konings."
Art. 3. - In artikel 72 van hetzelfde Wetboek wordt een tweede lid ingevoegd, luidende:
"In het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad wordt de bevoegdheid van de arrondissementsrechtbank bepaald door de taal van de rechtspleging van de betrokken zaak."
Art. 4. - Artikel 73 van hetzelfde Wetboek wordt aangevuld met het volgende lid:
"In afwijking van het eerste lid zijn er in het arrondissement Brussel twee rechtbanken van iedere in het eerste lid vermelde soort: Nederlandstalige en Franstalige. De Nederlandstalige zijn bevoegd voor het gehele grondgebied van het arrondissement; de Franstalige rechtbanken zijn bevoegd voor het grondgebied van het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad."
Art. 5. - In artikel 150 van hetzelfde Wetboek wordt een derde lid ingevoegd, luidend als volgt:
"In afwijking van het eerste lid zijn er in het arrondissement Brussel twee procureurs des Konings, die het ambt van openbaar ministerie respectievelijk bij de Nederlandstalige en Franstalige rechtbanken uitoefenen."
Art. 6. - In artikel 412, 1º, van hetzelfde Wetboek wordt een tweede lid ingevoegd, luidend als volgt:
"In het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad wordt de waarschuwing aan de vrederechters gegeven door de voorzitter van de Nederlandstalige of de Franstalige rechtbank van eerste aanleg, afhankelijk van de taal van het licentiaatsdiploma van de vrederechter."
Art. 7. - Artikel 3.5 van het Bijvoegsel van het Gerechtelijk Wetboek wordt geschrapt.
Artikel 3 van hetzelfde bijvoegsel, wordt aangevuld met een §2, luidende:
"§2. In het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad worden twee politierechtbanken opgericht: een Nederlandstalige en een Franstalige. Deze rechtbanken hebben rechtsmacht over het grondgebied van de twee kantons Anderlecht, van de negen kantons Brussel, van de twee kantons Elsene, van de kantons Etterbeek, Jette en Oudergem, van de drie kantons Schaarbeek en van de kantons Sint-Gillis, Sint-Jans-Molenbeek, Sint-Joost-ten-Node, Sint-Pieters-Woluwe, Ukkel en Vorst."
Art. 8. - Artikel 4.4, tweede lid, van hetzelfde Bijvoegsel wordt vervangen als volgt:
"De zetels van beide rechtbanken van eerste aanleg, van beide arbeidsrechtbanken en van beide rechtbanken van koophandel zijn gevestigd te Brussel."
Art. 9. - Artikel 5, 2º, van hetzelfde Bijvoegsel wordt vervangen als volgt:
A) Het tweede lid wordt vervangen door de volgende bepaling:
"2º te Brussel, waarvan het rechtsgebied de provincie Vlaams-Brabant en het administratief arrondissement Brussel omvat.";
B) Artikel 5, 5º, van hetzelfde Bijvoegsel wordt vervangen als volgt:
"5º te Bergen, waarvan het rechtsgebied de provincies Henegouwen en Waals-Brabant omvat."
Hoofdstuk III
Wijziging van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken
Art. 10. - Artikel 1 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken wordt vervangen door de volgende bepaling:
"Artikel 1 - Voor de burgerlijke rechtbanken, rechtbanken van koophandel en de arbeidsrechtbanken die hun zetel hebben in de provincies Henegouwen, Luxemburg en Namen, in de arrondissementen Nijvel, Luik, Hoei, en Verviers alsook voor de Franstalige rechtbanken van het arrondissement Brussel, wordt de gehele rechtspleging in het Frans gevoerd."
Art. 11. - Artikel 2 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt:
"Art. 2. - Voor de burgerlijke rechtbanken, rechtbanken van koophandel en de arbeidsrechtbanken die hun zetel hebben in de provincies Antwerpen, Oost-Vlaanderen, West-Vlaanderen en Limburg, in het arrondissement Leuven alsook voor de Nederlandstalige rechtbanken van het arrondissement Brussel wordt de gehele rechtspleging in betwiste zaken in het Nederlands gevoerd."
Art. 12. - Artikel 3 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt:
"Art. 3. - De Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg en arrondissementsrechtbank, de Nederlandstalige arbeidsrechtbank en rechtbank van koophandel van het arrondissement Brussel zijn bij uitsluiting bevoegd voor alle zaken waarvan de bevoegdheid wordt bepaald door een plaats op het grondgebied van Halle-Vilvoorde."
Art. 13. - In artikel 4 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
A) Paragraaf 1 wordt vervangen als volgt:
"§1. Behoudens de gevallen van artikel 3 wordt de bevoegdheid van de rechtbanken in het Gerechtelijk arrondissement Brussel als volgt geregeld:
Een Nederlandstalige rechtbank is bevoegd, wanneer de verweerder woonachtig is in het Nederlandse taalgebied; een Franstalige rechtbank is bevoegd wanneer de verweerder woonachtig is in het Franse taalgebied; de eiser heeft de vrije keuze; wanneer de verweerder woonachtig is binnen Brussel-19 of geen gekende woonplaats heeft in België. In dat geval wordt de rechtspleging voor dezelfde rechtbank voortgezet, tenzij de verweerder, voor alle verweer en alle exceptie, zelfs van onbevoegdheid, vraagt dat de rechtspleging in de andere taal wordt voortgezet."
B) Paragraaf 3 wordt opgeheven.
Art. 14. - Artikel 5 van dezelfde wet wordt opgeheven.
Art. 15. - Artikel 7bis van dezelfde wet wordt opgeheven.
Art. 16. - Artikel 15 van dezelfde wet wordt opgeheven.
Art. 17. - In artikel 16 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
A) Paragraaf 1 wordt vervangen als volgt:
"§1. De Nederlandstalige correctionele rechtbank van het arrondissement Brussel is bevoegd wanneer de verdachte in het Nederlandse taalgebied woont; de Franstalige correctionele rechtbank is bevoegd wanneer de verdachte in het Franse taalgebied woont. Indien de verdachte woonachtig is binnen Brussel-19, wordt de bevoegdheid van resp. de politierechtbank en de correctionele rechtbank bepaald door de taal waarin hij zijn verklaringen in het onderzoek en, bij ontstentenis hiervan, in het vooronderzoek, heeft afgelegd. In alle andere gevallen is volgens de noodwendigheden van de zaak, de Nederlandstalige of de Franstalige politierechtbank of correctionele rechtbank bevoegd.";
B) Paragraaf 2, vijfde lid, wordt vervangen als volgt:
"Wanneer de verdachte de taal niet verstaat, waarvan hij het gebruik voor de rechtspleging vraagt, zal dit feit worden vermeld in het proces-verbaal van de onderzoeksmagistraat of op het zittingsblad der terechtzitting, de zaak wordt dan ambtshalve naar de anderstalige rechtbank verwezen.";
C) Paragraaf 3 wordt opgeheven.
Hoofdstuk IV
Benoemingsvoorwaarden voor magistraten en griffiers inzake taalkennis
Art. 18. - In artikel 43, §1, van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
A) In §1 wordt het eerste zinsdeel vervangen als volgt: "Niemand kan in de rechtbanken vermeld in artikel 1 worden benoemd tot" en wordt de graad "doctoraat" vervangen door "licentiaat";
B) Paragraaf 2 wordt vervangen als volgt:
"§2. Niemand kan in de rechtbanken vermeld in artikel 2 worden benoemd tot een der in §1 vermelde ambten, indien uit zijn diploma niet blijkt dat hij de examens van licentiaat in de rechten in het Nederlands heeft afgelegd.";
C) Paragraaf 3 wordt geschrapt;
D) In §4, worden de woorden "werkend of plaatsvervangend rechter in een politierechtbank of van een toegevoegd rechter in een vredegerecht of een politierechtbank" vervangen door de woorden "van een toegevoegd vrederechter of van een voorzitter van een politierechtbank";
E) Paragraaf 4bis wordt geschrapt;
F) Paragraaf 5 wordt vervangen door de volgende bepaling:
"§5. Niemand kan worden benoemd in de rechtbanken van eerste aanleg, de arbeidsrechtbanken en de rechtbanken van koophandel die hun zetel hebben in Brussel, evenals in de parketten van de procureur des Konings en van de arbeidsauditeurs bij die rechtbanken, indien hij geen kennis van de andere landstaal kan aantonen.".
G) Paragraaf 11 wordt opgeheven;
H) Paragraaf 12, eerste en tweede lid, worden vervangen als volgt:
"Niemand kan tot notaris worden benoemd in één der vredegerechtskantons van het administratief arrondissement Halle-Vilvoorde indien hij niet bewijst, door zijn diploma, dat hij zijn examens van het licentiaat in het notariaat in het Nederlands heeft afgelegd. Niemand kan tot notaris worden benoemd in één der vredegerechtkantons van het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad indien hij niet bewijst de Nederlandse en de Franse taal te kennen.".
Art. 19. - In artikel 43bis van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
A) Paragraaf 1, eerste lid, wordt vervangen als volgt:
"Niemand kan tot een gerechtelijk ambt in het hof van beroep te Luik, het hof van beroep te Bergen of de Franstalige afdeling van het hof van beroep te Brussel worden benoemd, indien uit zijn diploma niet blijkt dat hij de licentiaatexamens in de rechten in het Frans heeft afgelegd.".
B) Paragraaf 2, eerste lid, wordt vervangen als volgt:
"Niemand kan tot een gerechtelijk ambt in het hof van beroep te Gent, het hof van beroep te Antwerpen of de Nederlandstalige afdeling van het hof van beroep te Brussel worden benoemd, indien uit zijn diploma niet blijkt dat hij de licentiaatexamens in de rechten in het Nederlands heeft afgelegd.".
C) Paragraaf 3 wordt vervangen als volgt:
"§3. Niemand kan benoemd worden tot een gerechtelijk ambt in het hof van beroep te Brussel indien hij geen basiskennis van de andere landstaal kan aantonen. Niemand kan tot voorzitter van het hof van beroep te Brussel worden benoemd, indien hij het bewijs niet levert, door zijn diploma, dat hij zijn licentiaatexamens in de rechten in het Nederlands heeft afgelegd en indien hij het bewijs niet levert van de kennis van de Nederlandse en de Franse taal.".
D) Paragraaf 4 wordt vervangen als volgt:
"§4. Niemand kan tot procureur-generaal worden benoemd bij het hof van beroep te Brussel indien uit zijn diploma niet blijkt dat hij zijn licentiaatexamens in de rechten in het Nederlands heeft afgelegd en indien hij het bewijs niet levert van de kennis van de Nederlandse en de Franse taal.".
Art. 20. - In artikel 43ter van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
A) Paragraaf 1, eerste lid, wordt vervangen als volgt:
"Niemand kan tot een gerechtelijk ambt in het arbeidshof te Luik, het arbeidshof te Bergen of de Franstalige afdeling van het arbeidshof te Brussel worden benoemd, indien uit zijn diploma niet blijkt dat hij de licentiaatexamens in de rechten in het Frans heeft afgelegd.".
B) Paragraaf 2, eerste lid, wordt vervangen als volgt:
"Niemand kan tot een gerechtelijk ambt in het arbeidshof te Gent, het arbeidshof te Antwerpen of de Nederlandstalige afdeling van het arbeidshof te Brussel worden benoemd, indien uit zijn diploma niet blijkt dat hij de licentiaatexamens in de rechten in het Nederlands heeft afgelegd.".
C) §3, van dezelfde wet wordt vervangen als volgt:
"§3. Niemand kan benoemd worden tot een gerechtelijk ambt in het arbeidshof of in het hof van beroep te Brussel, indien hij geen basiskennis van de andere landstaal kan aantonen. Niemand kan tot voorzitter van bet arbeidshof van Brussel worden benoemd, indien hij het bewijs niet levert, door zijn diploma, dat hij zijn licentiaatexamens in de rechten in het Nederlands heeft afgelegd en indien hij het bewijs niet levert van de kennis van de Nederlandse en de Franse taal.".
Art. 21. - In artikel 43quater van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
A) Het eerste lid wordt vervangen als volgt:
"Minstens 60% van de magistraten van de zetel van het Hof van cassatie en 60% van de leden van het parket bij dit Hof moeten, door hun diploma, bewijzen dat zij hun licentiaatexamens in de rechten in het Nederlands hebben afgelegd; het overige gedeelte van de leden van het Hof en van het parket moeten, door hun diploma, bewijzen dat zij hun licentiaatexamens in de rechten in het Frans hebben afgelegd.".
B) Het derde lid wordt voorafgegaan door het volgende lid:
"Niemand kan benoemd worden tot magistraat in het Hof van cassatie, indien hij geen basiskennis bezit van het Frans en het Nederlands."
Art. 22. - In artikel 45 van dezelfde wet worden het eerste, derde en vierde lid vervangen als volgt:
"Minstens 60% van de advocaten bij het Hof van Cassatie moeten, door hun diploma, bewijzen dat zij hun licentiaatexamens in het Nederlands hebben afgelegd; het overige deel van deze advocaten moeten, door hun diploma, bewijzen dat zij hun licentiaatexamens in het Frans hebben afgelegd."
Art. 23. - In artikel 46 van dezelfde wet vervallen de volgende woorden: "en in de kantons Kraainem, Sint-Genesius-Rode en Wolvertem moeten de vrederechter en een plaatsvervangende vrederechter".
Art. 24. - In artikel 53 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
A) Paragraaf 1, eerste lid, wordt vervangen als volgt:
"Niemand kan benoemd worden tot het ambt van griffier bij een in artikel 1 vermelde rechtbank, indien hij het bewijs niet levert van de kennis van de Franse taal.";
B) Paragraaf 1, derde lid, wordt opgeheven;
C) Paragraaf 2, eerste lid, wordt vervangen als volgt:
"Niemand kan benoemd worden tot het ambt van griffier bij een in artikel 2 vermelde rechtbank, indien hij het bewijs niet levert van de kennis van de Nederlandse taal.";
D) Paragraaf 2, derde lid, wordt opgeheven;
E) Paragraaf 3 wordt vervangen als volgt:
"§3. Niemand kan benoemd worden tot het ambt van griffier bij een rechtbank met zetel in het arrondissement Brussel-Hoofdstad, indien hij geen basiskennis bezit van het Nederlands en het Frans.
Niemand kan benoemd worden tot het ambt van hoofdgriffier bij het hof van beroep of het arbeidshof te Brussel of van hoofdgriffier bij een vredegerecht met zetel in het arrondissement Brussel-Hoofdstad, indien hij het bewijs niet levert van de kennis van beide landstalen.";
F) In §5 vervallen de woorden "Kraainem, Sint-Genesius-Rode en Wolvertem".
Art. 25. - In artikel 54 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 20 december 1957, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
A) In §1, eerste lid, worden de woorden "of van het hof van beroep te Brussel" geschrapt;
B) In §1, tweede lid, wordt de eerste zin vervangen door de volgende bepaling:
"Zestig procent van de griffiers bij het Hof van Cassatie moeten het bewijs leveren van de kennis van het Nederlands; veertig procent van de griffiers bij het Hof van Cassatie moeten het bewijs leveren van de kennis van het Frans. Niemand kan worden benoemd tot het ambt van griffier bij het Hof van Cassatie, indien hij het bewijs niet levert van de basiskennis van beide landstalen."
Hoofdstuk V
Kaders van rechtbanken en parketten
Art. 26. - In de bijlage bij de wet van 3 april 1953, betreffende de rechterlijke inrichting worden de vermeldingen in artikel 1 betreffende het hof van beroep te Brussel vervangen als volgt:
"Zetel Brussel: 1 eerste voorzitter, 1 procureur-generaal, 1 hoofdgriffier;
Zetel Brussel - Nederlandstalige afdeling: 10 voorzitters, 21 raadsheren, 8 advocaten-generaal, 10 substituten-procureurs-generaal, 1 griffier-hoofd van dienst, 12 griffiers, 5 klerkengriffiers;
Zetel Brussel - Franstalige afdeling: 7 voorzitters, 14 raadsheren, 6 advocaten-generaal, 8 substituten-procureurs-generaal, 1 griffier-hoofd van dienst, 8 griffiers, 3 klerken-griffiers".
Art. 27. - In de bijlage bij dezelfde wet, worden de vermeldingen betreffende het arrondissement Brussel, tabel III, rechtbanken van eerste aanleg vervangen door de volgende getallen:
"Zetel Brussel-Nederlands: 1 voorzitter, 9 ondervoorzitters, 39 rechters, 15 plaatsvervangende rechters, 1 procureur des Konings, 47 substituut-procureurs des Konings, 1 hoofdgriffier;
Zetel Brussel-Frans: 1 voorzitter, 9 ondervoorzitters, 39 rechters, 15 plaatsvervangende rechters, 1 procureur des Konings, 47 substituut-procureurs des Konings, 1 hoofdgriffier."
Art. 28. - In de tabel "Aantal eerste-substituut-procureurs des Konings in de rechtbanken van eerste aanleg - Maximumaantal eerste substituut-procureurs des Konings" van de bijlage bij dezelfde wet, vervangen bij de wet van 11 juli 1994, wordt het getal betreffende de zetel Brussel vervangen door de volgende getallen:
"Zetel Brussel-Nederlands: 15;
Zetel Brussel-Frans: 15".
Art. 29. - In artikel 1 van de wet van 7 juli 1969 tot vaststelling van de personeelsformatie van de arbeidshoven en -rechtbanken worden de volgende wijzigingen aangebracht:
A) in de tabel "Arbeidshoven", vastgesteld in artikel 1 van de wet van 7 juli 1969 tot vaststelling van de personeelsformatie van de arbeidshoven en -rechtbanken, worden de getallen betreffende het arrondissement Brussel vervangen door de volgende getallen:
"Zetel Brussel: 1 eerste voorzitter, 1 hoofdgriffier;
Zetel Brussel - Nederlandse afdeling: 1 voorzitter, 4 raadsheren, 2 advocaten-generaal, 1 substituut-generaal, 1 griffier-hoofd van dienst, 4 griffiers, 3 klerken-griffiers;
Zetel Brussel - Franse afdeling: 1 voorzitter, 3 raadsheren, 1 advocaat-generaal, 1 substituut-generaal, 1 griffier-hoofd van dienst, 2 griffiers, 2 klerken-griffiers";
B) in de tabel "Arbeidsrechtbanken", vastgesteld in artikel 1 van dezelfde wet, worden de getallen betreffende het arrondissement Brussel vervangen door de volgende getallen:
"Brussel-Nederlands: 1 voorzitter, 2 ondervoorzitters, 10 rechters, 1 arbeidsauditeur, 2 eerste substituten arbeidsauditeurs, 6 substituten-arbeidsauditeurs, 1 hoofdgriffier, 2 griffiers-hoofd van dienst, 12 griffiers, 4 klerken-griffiers; Brussel-Frans: 1 voorzitter, 2 ondervoorzitters, 10 rechters, 1 arbeidsauditeur, 2 eerste substituten arbeidsauditeurs, 6 substituten-arbeidsauditeurs, 1 hoofdgriffier, 2 griffiers-hoofd van dienst, 11 griffiers, 4 klerken-griffiers."
Art. 30. - In de tabel vastgesteld in artikel 1 van de wet van 15 juli 1970 tot vaststelling van personeelsformatie van de rechtbanken van koophandel en tot wijziging van de wet van 10 oktober 1967 houdende het Gerechtelijk Wetboek, worden de vermeldingen betreffende het arrondissement Brussel vervangen door de volgende getallen:
"Zetel Brussel-Nederlands: 1 voorzitter, 2 ondervoorzitters, 9 rechters, 1 hoofdgriffier, 1 griffier - hoofd van dienst, 8 griffiers, 5 klerken-griffiers;
Zetel Brussel-Frans: 1 voorzitter, 2 ondervoorzitters, 9 rechters, 1 hoofdgriffier, 1 griffier-hoofd van dienst, 8 griffiers, 5 klerken-griffiers".
Art. 31. - In de tabel die voorkomt in het enig artikel van de wet van 16 juli 1970 tot vaststelling van de personeelsformatie van de politierechtbanken, worden de getallen betreffende de zetel Brussel vervangen door de volgende getallen:
"Zetel Brussel-Nederlands: 5 rechters, 1 hoofdgriffier, 5 griffiers, 2 klerk-griffiers;
Zetel Brussel-Frans: 5 rechters, 1 hoofdgriffier, 5 griffiers, 2 klerk-griffiers".
Art. 32. - In de tabel vastgesteld bij artikel 1 van de wet van 14 december 1970 tot vaststelling van de personeelsformatie van de plaatsvervangende rechters in de arbeidsrechtbanken en in de rechtbanken van koophandel, worden de getallen betreffende de zetel Brussel vervangen door de volgende getallen:
""Brussel-Nederlands: 8 arbeidsrechtbanken, 12 rechtbanken van koophandel;
Brussel-Frans: 8 arbeidsrechtbanken, 12 rechtbanken van koophandel".
Art. 33. - In de tabel die voorkomt in artikel 1 van de wet van 22 maart 1973 tot vaststelling van de formatie van de griffiers-hoofden van dienst van de rechtbanken van eerste aanleg, wordt het getal betreffende de zetel Brussel vervangen door de volgende getallen:
""Zetel Brussel-Nederlands: 2;
Zetel Brussel-Frans: 2".
Art. 34. - In de tabel die voorkomt in artikel 1 van de wet van 2 juli 1975 tot vaststelling van de personeelsformatie van de rechtbanken van eerste aanleg, vervangen bij de wet van 11 juli 1994 en gewijzigd bij de wet van 27 december 1994, worden de getallen betreffende de zetel Brussel vervangen door de volgende getallen:
""Zetel Brussel-Nederlands: 1 hoofdgriffier, 2 griffiers-hoofd van dienst, 30 griffiers, 10 klerk-griffiers;
"Zetel Brussel-Frans: 1 hoofdgriffier, 2 griffiers-hoofd van dienst, 30 griffiers, 10 klerk-griffiers".
Hoofdstuk VI
Inwerkingtreding
Art. 35. - Deze wet treedt in werking op 1 januari van het jaar dat volgt op het jaar waarin ze in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt."
Op amendement 5 heeft mevrouw Staveaux-Van Steenberge het subsidiair amendement 8 ingediend (zie stuk 2-1207/2) dat ertoe strekt dit artikel te schrappen.
Op amendement 8 heeft mevrouw Staveaux-Van Steenberge het subsidiair amendement 9 ingediend (zie stuk 2-1207/2) dat luidt:
Dit artikel vervangen als volgt:
"Art. 2. - Artikel 43quinquies, derde en vierde lid van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken, gewijzigd bij de wetten van 28 juni 1974 en 23 september 1985, wordt vervangen als volgt:
"Het eerste examen is een examen handelend over zowel de actieve en passieve mondelinge kennis als de actieve en passieve schriftelijke kennis van de andere taal. Het bewijs van deze kennis is vereist voor alle functies waarvoor de kennis van de andere landstaal als vereiste wordt vermeld.
Het tweede examen is een examen handelend over de passieve schriftelijke en passieve mondelinge kennis van de andere taal. Deze kennis is vereist voor alle functies bij de rechtbanken en parketten die hun zetel hebben te Brussel-Hoofdstad.".
Op hetzelfde artikel hebben de heer Vandenberghe en mevrouw De Schamphelaere amendement 10 ingediend (zie stuk 2-1207/2) dat luidt:
Dit artikel vervangen door de hoofdstukken I tot IX (nieuw), luidende:
"HOOFDSTUK I
Wijzigingen van het Gerechtelijk Wetboek
Art. 2. - In het Gerechtelijk Wetboek wordt een artikel 65ter ingevoegd, luidend als volgt:
"Art. 65ter. - §1. Voor de vredegerechten en de politierechtbanken met zetel binnen het administratief arrondissement Halle-Vilvoorde worden de adviezen van de procureur des Konings bedoeld in dit hoofdstuk ingewonnen bij de procureur des Konings bij de Nederlandstalige rechtbanken in het gerechtelijk arrondissement Brussel; voor de vredegerechten en de politierechtbank met zetel binnen het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad worden deze adviezen ingewonnen bij de beide procureurs des Konings.
§2. Voor de vredegerechten en de politierechtbanken met zetel binnen het administratief arrondissement Halle-Vilvoorde worden de opdrachten van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg bedoeld in dit hoofdstuk vervuld door de voorzitter van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg; voor de vredegerechten en de politierechtbank met zetel binnen het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad worden deze opdrachten vervuld in overleg door beide voorzitters van de Nederlandstalige en de Franstalige rechtbank van eerste aanleg in het gerechtelijk arrondissement Brussel."
Art. 3. - Artikel 73 van hetzelfde Wetboek wordt aangevuld met het volgende lid:
"In het gerechtelijk arrondissement Brussel zijn er twee arrondissementsrechtbanken, twee rechtbanken van eerste aanleg, twee arbeidsrechtbanken en twee rechtbanken van koophandel, telkens een Nederlandstalige en een Franstalige. Voor deze rechtbanken worden de in dit hoofdstuk bedoelde adviezen van de procureur des Konings of de arbeidsauditeur ingewonnen bij de procureur des Konings of de arbeidsauditeur bij deze rechtbank."
Art. 4. - Artikel 74 van hetzelfde wetboek wordt aangevuld met het volgende lid:
"In het gerechtelijk arrondissement Brussel, bestaan de Nederlandstalige en de Franstalige arrondissementsrechtbank, naargelang het geval uit de voorzitters van de respectievelijk Nederlandstalige en Franstalige rechtbank van eerste aanleg, arbeidsrechtbank en rechtbank van koophandel of uit de rechters die hen in deze rechtbanken vervangen."
Art. 5. - In artikel 88, §1, van hetzelfde wetboek, gewijzigd bij de wet van 15 juli 1970, worden volgende wijzigingen aangebracht:
A. het derde lid wordt opgeheven;
B. het vierde lid wordt vervangen als volgt:
"Om de drie jaar brengt de voorzitter van elke rechtbank met zetel in het gerechtelijk arrondissement Brussel verslag uit bij de minister van Justitie omtrent de behoeften van de dienst, op grond van het aantal zaken die gedurende de laatste drie jaren zijn behandeld."
Art. 6. - Artikel 137 van hetzelfde wetboek wordt aangevuld met het volgende lid:
"In het gerechtelijk arrondissement Brussel verricht of gelast het openbaar ministerie bij de Nederlandstalige en bij de Franstalige rechtbanken de handelingen die tot zijn bevoegdheid behoren op het gebied van opsporing, vervolging of gerechtelijk onderzoek enkel binnen het administratief arrondissement Halle-Vilvoorde, respectievelijk het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad, onverminderd artikel 23 van het Wetboek van strafvordering."
Art. 7. - Aan artikel 150 van hetzelfde wetboek worden volgende wijzigingen aangebracht:
A. Voor het eerste lid worden de woorden "§1" ingevoegd;
B. Het artikel wordt aangevuld met een §2, luidend als volgt:
"§2. In het gerechtelijk arrondissement Brussel zijn er twee procureurs des Konings. Een procureur des Konings oefent onder het toezicht en de leiding van de procureur-generaal het ambt van openbaar ministerie uit bij de Nederlandstalige arrondissementsrechtbank, de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg, de Nederlandstalige rechtbank van koophandel van het arrondissement en bij de politierechtbanken met zetel in het administratief arrondissement Halle-Vilvoorde en in zaken voor de politierechtbanken in het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad wanneer de taal van de rechtspleging het Nederlands is.
Een procureur des Konings oefent onder het toezicht en de leiding van de procureur-generaal het ambt van openbaar ministerie uit bij de Franstalige arrondissementsrechtbank, de Franstalige rechtbank van eerste aanleg, de Franstalige rechtbank van koophandel van het arrondissement en bij de politierechtbanken van het arrondissement, wanneer de taal van de rechtspleging het Frans is. Deze procureur des Konings wordt bijgestaan door een eerste substituut-procureur des Konings, met het oog op het overleg bedoeld in artikel 150bis en de coördinatie van het opsporings- en vervolgingsbeleid en de strafvordering in het gerechtelijk arrondissement."
Art. 8. - In hetzelfde wetboek wordt een artikel 150bis ingevoegd, luidend als volgt:
"Art. 150bis. - §1. De procureurs des Konings van het gerechtelijk arrondissement Brussel vormen samen een coördinatiecollege, Bureau voor coördinatie genaamd, dat onder het gezag van de procureur-generaal staat.
Het Bureau voor coördinatie beslist bij consensus over alle maatregelen die nodig zijn voor:
1º de coherente uitwerking en de coördinatie van het strafrechtelijk beleid in het gerechtelijk arrondissement Brussel;
2º de goede algemene en gecoördineerde werking van het openbaar ministerie bij de Nederlandstalige en de Franstalige rechtbanken en de politierechtbanken van het gerechtelijk arrondissement Brussel;
3º de opstelling en uitvoering van samenwerkingsakkoorden tussen beide parketten met het oog op de coördinatie van, enerzijds, de opsporing en het gerechtelijk onderzoek en, anderzijds, de uitoefening van de strafvordering en strafuitvoering in het gerechtelijk arrondissement Brussel.
Indien het Bureau voor coördinatie geen consensus bereikt, neemt de procureur-generaal de noodzakelijke maatregelen om de toepassing van de wet te waarborgen.
§2. Het Bureau voor coördinatie kan zich voor de uitvoering van zijn opdrachten laten bijstaan door leden van het openbaar ministerie bij de Franstalige of Nederlandstalige rechtbank.
§3. Het Bureau voor coördinatie vergadert minstens eenmaal per maand, op eigen initiatief of op verzoek van de procureur- generaal of van de minister van Justitie."
Art. 9. - Artikel 151bis, tweede lid, van hetzelfde wetboek, ingevoegd bij de wet van 4 augustus 1986, wordt aangevuld als volgt:
"Wanneer zij hun ambt uitoefenen in het gerechtelijk arrondissement Brussel, worden zij geplaatst onder het toezicht en de rechtstreekse leiding van de procureur des Konings die het openbaar ministerie uitoefent bij de rechtbank waarbij zij de strafvordering uitoefenen."
Art. 10. - Artikel 186bis, eerste lid, van hetzelfde wetboek, ingevoegd bij de wet van 22 december 1998, en vervangen bij de wet van 13 maart 2001, wordt aangevuld als volgt:
"In het gerechtelijk arrondissement Brussel treedt de voorzitter van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg op als korpschef van de vrederechters, de rechters in de politierechtbank, de toegevoegde vrederechters en de toegevoegde rechters in de politierechtbank zetelend in de vredegerechten en de politierechtbanken met zetel binnen het administratief arrondissement Halle-Vilvoorde. De voorzitters van de Nederlandstalige en de Franstalige rechtbank van eerste aanleg in het gerechtelijk arrondissement Brussel treden gezamenlijk op als korpschef van de vrederechters, rechters in de politierechtbank, toegevoegde vrederechters en toegevoegde rechters in de politierechtbank zetelend in de vredegerechten en de politierechtbank met zetel binnen het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad.
Art. 11. - Artikel 196 van hetzelfde wetboek, vervangen bij de wet van 22 december 1998, wordt opgeheven.
Art. 12. - Artikel 206, derde lid, van hetzelfde wetboek wordt opgeheven.
Art. 13. - Artikel 216 van hetzelfde wetboek wordt aangevuld met het volgende lid:
"Om tot werkend of plaatsvervangend raadsheer in sociale zaken te worden benoemd in het Arbeidshof met zetel te Brussel, moet men in het bezit zijn van een studiegetuigschrift of diploma van Nederlands of Frans onderwijs. De raadsheer mag slechts zitting houden in zaken van dezelfde taal als het getuigschrift of het diploma dat hij bezit."
Art. 14. - In artikel 259quater, §6, tweede lid, van hetzelfde wetboek, ingevoegd bij de wet van 6 mei 1997, hernummerd en vervangen bij de wet van 22 december 1998, worden de woorden "voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, de arbeidsrechtbank en de rechtbank van koophandel te Brussel en procureur des Konings bij de rechtbank van eerste aanleg te Brussel", vervangen door de woorden "voorzitter van de Nederlandstalige of Franstalige rechtbank van eerste aanleg, arbeidsrechtbank en rechtbank van koophandel te Brussel en de procureurs des Konings bij de Nederlandstalige of Franstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel".
Art. 15. - In hetzelfde wetboek wordt een artikel 287quinquies ingevoegd, luidend als volgt:
"Art. 287quinquies. - Voor de Nederlandstalige en Franstalige rechtbanken in het gerechtelijk arrondissement Brussel worden de in deze titel bedoelde adviezen van de procureur des Konings enkel ingewonnen bij de procureur des Konings bij de in dezelfde bepaling bedoelde rechtbank."
Art. 16. - Artikel 288, achtste lid, van hetzelfde wetboek, gewijzigd bij de wet van 17 februari 1997, wordt aangevuld als volgt:
"In het gerechtelijk arrondissement Brussel geschiedt de installatie van de vrederechters en de rechters in de politierechtbank met zetel in het administratief arrondissement Halle-Vilvoorde, hun plaatsvervangers, hun hoofdgriffiers, griffiers en adjunct-griffiers voor een kamer van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg-, de installatie van de vrederechters en de rechters in de politierechtbank met zetel in het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad, hun plaatsvervangers, hun hoofdgriffiers en adjunct-griffiers geschiedt voor een kamer van de Nederlandstalige of de Franstalige rechtbank van eerste aanleg, naargelang de taal van het diploma van licentiaat of doctor in de rechten dan wel naargelang de bewezen taalkennis."
Art. 17. - Artikel 357, §1, van hetzelfde wetboek, vervangen bij de wet van 29 april 1999 en gewijzigd bij de wet van 28 maart 2000, wordt aangevuld met een 7º, luidende:
"7º een weddebijslag van 2 602,89 EUR voor de magistraten bedoeld in artikel 43, §5, van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, die het bewijs leveren van de kennis van de andere taal dan diegene in welke zij hun examens van licentiaat in de rechten hebben afgelegd, op grond van een examen georganiseerd overeenkomstig artikel 43quinquies of artikel 43septies van diezelfde wet."
Art. 18. - Artikel 398 van hetzelfde wetboek, gewijzigd bij de wet van 4 maart 1997, wordt aangevuld als volgt:
"In het gerechtelijk arrondissement Brussel heeft enkel de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg een recht van toezicht op de vredegerechten en de politierechtbanken met zetel in het administratief arrondissement Halle-Vilvoorde."
Art. 19. - Artikel 412, §2, 1º, van hetzelfde wetboek wordt aangevuld ais volgt:
"aan de vrederechters en de rechters in de politierechtbank met zetel in het administratief arrondissement Halle-Vilvoorde, door de voorzitter van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement Brussel; aan de vrederechters en de rechters in de politierechtbank met zetel in het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad, door de voorzitter van de Nederlandstalige of de Franstalige rechtbank van eerste aanleg, naargelang de taalrol waar deze rechters toe behoren."
Art. 20. - Artikel 515, eerste lid, van hetzelfde wetboek, gewijzigd bij de wet van 6 april 1992, wordt aangevuld als volgt:
"In het gerechtelijk arrondissement Brussel wordt het advies ingewonnen van beide procureurs des Konings."
Art. 21. - In het tweede deel, boek IV, van hetzelfde wetboek wordt een hoofdstuk XI ingevoegd met als opschrift "Algemene bepaling", dat een artikel 555quinquies bevat, luidend als volgt:
"Art. 555quinquies. - In het gerechtelijk arrondissement Brussel worden de adviezen en opdrachten van de procureur des Konings zoals bedoeld in dit boek, verricht door de procureur des Konings bij de Nederlandstalige of Franstalige rechtbank van eerste aanleg, naargelang de taal van het diploma van licentiaat of doctor in de rechten van de betrokken gerechtsdeurwaarder, plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder of kandidaat-gerechtsdeurwaarder."
Art. 22. - In artikel 569, tweede en derde lid, van hetzelfde wetboek, respectievelijk vervangen bij de wet van 22 april 1999 en ingevoegd bij de wet van 28 juni 1984, worden de woorden "is alleen de rechtbank van eerste aanleg te Brussel" vervangen door de woorden "Zijn alleen de rechtbanken van eerste aanleg te Brussel."
Art. 23. - In hetzelfde wetboek wordt een artikel 622bis ingevoegd, luidend als volgt:
"Art. 622bis. - De Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg, arbeidsrechtbank, rechtbank van koophandel en arrondissementsrechtbank van het gerechtelijk arrondissement Brussel zijn bij uitsluiting bevoegd voor alle zaken waarvoor de bevoegdheid wordt bepaald door een plaats in het administratief arrondissement Halle-Vilvoorde, alsmede voor alle zaken binnen het rechtsgebied dat hun door de wet is toegekend, wanneer de taal van de rechtspleging het Nederlands is.
De Franstalige rechtbank van eerste aanleg, arbeidsrechtbank, rechtbank van koophandel en arrondissementsrechtbank van het gerechtelijk arrondissement Brussel zijn bevoegd voor alle zaken binnen het rechtsgebied dat hun door de wet is toegekend, wanneer de taal van de rechtspleging het Frans is."
Art. 24. - In artikel 627 van hetzelfde wetboek worden de volgende wijzigingen aangebracht:
A. in het 11º, ingevoegd bij de wet van 11 april 1989, worden de woorden "voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel" vervangen door de woorden "voorzitter van de Nederlandstalige of Franstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel";
B. in het 10º en het 14º, respectievelijk ingevoegd bij de wetten van 24 april 1970 en 10 februari 1998, worden de woorden "voorzitter van de rechtbank van koophandel te Brussel" telkens vervangen door de woorden "voorzitter van de Nederlandstalige of Franstalige rechtbank van koophandel te Brussel".
Hoofdstuk II
Wijziging van het bijvoegsel bij het Gerechtelijk Wetboek
Art. 25. - In artikel 4, punt 7, tweede lid, van het bijvoegsel bij het Gerechtelijk Wetboek. - Gebiedsomschrijving en zetel van hoven en rechtbanken - worden de woorden "rechtbank van eerste aanleg, van de arbeidsrechtbank en van de rechtbank van koophandel" vervangen door de woorden "rechtbanken van eerste aanleg, van de arbeidsrechtbanken en van de rechtbanken van koophandel".
Hoofdstuk III
Wijziging van de wet van 7 mei 1999, houdende wijziging, wat het tuchtrecht voor de leden van de rechterlijke orde betreft, van het Gerechtelijk Wetboek
Art. 26. - Artikel 408bis, tweede lid, vierde streepje, van hetzelfde wetboek, ingevoegd bij de wet van 7 mei 1999, wordt aangevuld als volgt: "de voorzitter van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement Brussel ten aanzien van de vrederechters en de rechters in de politierechtbank van de Nederlandse taalrol van dit arrondissement; de voorzitter van de Franstalige rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement Brussel ten aanzien van de vrederechters en de rechters in de politierechtbank van de Franstalige taalrol van ditzelfde arrondissement;"
Hoofdstuk IV
Wijziging van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken
Art. 27. - In artikel 1 van de wet van 15 juni 1915 op het gebruik der talen in gerechtszaken, vervangen bij de wet van 23 september 1985, worden tussen het woord "Verviers," en het woord "wordt" de woorden "alsook voor de Franstalige rechtbanken in het arrondissement Brussel," ingevoegd.
Art. 28. - In artikel 2 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 23 september 1985, worden tussen het woord "Leuven," en het woord "wordt" de woorden "alsook voor de Nederlandstalige rechtbanken in het arrondissement Brussel," ingevoegd.
Art. 29. - In artikel 3, tweede lid, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 10 oktober 1967 en gewijzigd bij de wet van 11 juli 1994, worden de woorden "Hij is eveneens van toepassing op de vorderingen die worden ingesteld voor de rechtbank van eerste aanleg, de arbeidsrechtbank, de rechtbank van koophandel en, wanneer de vordering het bedrag vastgesteld in artikel 590 van het Gerechtelijk Wetboek overschrijdt," vervangen door de woorden "Hij is eveneens van toepassing op de vorderingen die het bedrag vastgesteld in artikel 590 van het Gerechtelijk Wetboek overschrijden en die worden ingesteld voor".
Art. 30. - In artikel 4 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 9 augustus 1963, 10 oktober 1967, 23 september 1985 en 11 juli 1994, worden volgende wijzigingen aangebracht:
A) in §1, derde lid, worden de woorden "dat de rechtspleging in de andere taal wordt voortgezet" vervangen door de woorden "dat de rechtspleging voor de anderstalige rechtbank wordt voortgezet dan wel, indien de zaak aanhangig is voor de vrederechter of de politierechtbank, in de andere taal wordt voortgezet";
B) in §3 worden de woorden "Dezelfde aanvraag tot voortzetting in de andere taal" vervangen door de woorden "Dezelfde aanvraag, tot voortzetting voor de anderstalige rechtbank dan wel in de andere taal".
Art. 31. - Artikel 6, §2, eerste lid, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 23 september 1985, wordt aangevuld als volgt: "Indien deze taal verschilt van de taal die werd gebruikt voor het opmaken van de akte tot inleiding van het geding, verwijst de rechter de zaak naar de anderstalige rechtbank, tenzij deze zaak aanhangig is voor de vrederechter of de politierechtbank."
Art. 32. - Artikel 12 van dezelfde wet wordt aangevuld met een tweede lid, luidend als volgt:
"De ambtenaren van het openbaar ministerie bij de Franstalige rechtbank van het gerechtelijk arrondissement Brussel maken voor hun daden van rechtsvervolging en van onderzoek gebruik van het Frans, indien de verdachte in het Frans taalgebied woonachtig is; van het Nederlands, indien de verdachte in het Nederlands taalgebied woonachtig is; van het Frans of het Nederlands, indien de verdachte woonachtig is in het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad, naar gelang hij zich, voor zijn verklaringen, in het onderzoek, en bij ontstentenis hiervan, in het vooronderzoek, van een of andere dezer talen heeft bediend. In alle andere gevallen wordt, volgens de noodwendigheden der zaak, het Frans of het Nederlands gebruikt."
Art. 33. - Artikel 21, eerste lid, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 23 september 1985, wordt aangevuld als volgt:
"In voorkomend geval verwijst de rechter de zaak naar de anderstalige rechtbank, tenzij deze zaak aanhangig is voor de politierechtbank."
Art. 34. - In artikel 43 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
A) in §4, eerste lid, vervangen bij de wet van 10 oktober 1967, worden de woorden "voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, de rechtbank van koophandel of de arbeidsrechtbank" vervangen door de woorden "voorzitter van de Nederlandstalige of Franstalige rechtbanken van eerste aanleg, rechtbanken van koophandel of de arbeidsrechtbanken" en de woorden "procureur des Konings, arbeidsauditeur" door de woorden "procureur des Konings of arbeidsauditeur bij deze rechtbanken";
B) paragraaf 4, tweede en derde lid, ingevoegd bij de wet van 17 juli 2000, wordt vervangen als volgt:
"In de Nederlandstalige rechtbanken van eerste aanleg, de arbeidsrechtbanken en de rechtbanken van koophandel in het arrondissement Brussel kan niemand benoemd worden tot het ambt van voorzitter, ondervoorzitter, rechter of plaatsvervangend rechter, van procureur des Konings of substituut-procureur des Konings, van arbeidsauditeur of substituut-arbeidsauditeur bij deze rechtbanken, indien uit zijn diploma niet blijkt dat hij de examens van het licentiaat in de rechten in het Nederlands heeft afgelegd. In de Franstalige rechtbanken van eerste aanleg, de arbeidsrechtbanken en de rechtbanken van koophandel in het arrondissement Brussel kan niemand benoemd worden tot het ambt van voorzitter, ondervoorzitter, rechter of plaatsvervangend rechter, indien uit zijn diploma niet blijkt dat hij de examens van licentiaat in de rechten in het Frans heeft afgelegd."
C) in §5, gewijzigd bij de wetten van 10 oktober 1967, 15 juli 1970 en 23 september 1985 en 4 augustus 1986, worden het eerste en het derde lid vervangen door de volgende leden:
"In de Nederlandstalige en Franstalige rechtbanken van eerste aanleg, de arbeidsrechtbanken en de rechtbanken van koophandel die hun zetel hebben te Brussel, zijn ten minste een derde magistraten die het bewijs leveren van ten minste een voldoende kennis van respectievelijk de Franse of de Nederlandse taal. Elk alleenzetelend magistraat in deze rechtbanken dient een voldoende kennis te bewijzen van de andere taal dan diegene in welke hij zijn examens van licentiaat in de rechten heeft afgelegd; in kamers met drie rechters dient ten minste een van de rechters deze voldoende kennis van de andere taal te bewijzen. De procureur des Konings en de arbeidsauditeur bij de Franstalige rechtbanken dienen door hun diploma te bewijzen dat zij de examens van licentiaat in de rechten in het Frans hebben afgelegd. In het parket van de procureur des Konings en het parket van de arbeidsauditeur bij deze rechtbanken, zijn ten minste een derde magistraten die door hun diploma bewijzen dat zij de examens van licentiaat in de rechten in het Frans hebben afgelegd, en ten minste een derde magistraten die door hun diploma bewijzen dat zij de examens van licentiaat in de rechten in het Nederlands hebben afgelegd. Bovendien moeten twee derden van alle magistraten van deze parketten het bewijs leveren van de kennis van de Nederlandse en van de Franse taal. In elke sectie van het parket bij de Franstalige rechtbanken met zetel te Brussel, is ten minste een eerste substituut-procureur des Konings of een substituut-procureur des Konings werkzaam die door zijn diploma bewijst dat hij de examens van licentiaat in de rechten in het Nederlands heeft afgelegd. Bovendien moeten twee substituut-procureurs des Konings, gespecialiseerd in fiscale aangelegenheden, door hun diploma bewijzen dat zij de examens van licentiaat in de rechten, de ene in het Nederlands, de andere in het Frans, hebben afgelegd. De eerste substituut-procureur des Konings bedoeld in artikel 150 van het Gerechtelijk Wetboek dient door zijn diploma te bewijzen dat hij de examens van licentiaat in de rechten in het Nederlands heeft afgelegd, en moet tevens het bewijs leveren van de kennis van de Franse taal op grond van een examen door de Koning georganiseerd overeenkomstig artikel 43quinquies."
Art. 35. - In dezelfde wet wordt een artikel 43septies ingevoegd, luidend als volgt:
"Art. 43septies. - Voor de magistraten bedoeld in artikel 43, §5, wordt het bewijs van de voldoende kennis van de andere taal dan die waarin zij de examens van licentiaat in de rechten hebben afgelegd, geleverd door te slagen voor een door de Koning georganiseerd examen.
Art. 36. - In artikel 53 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 20 december 1957, 15 februari 1961, 9 augustus 1963, 23 september 1985, 11 juli 1994 en 21 december 1994, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
A) paragraaf 1, eerste lid, wordt vervangen door de volgende bepaling:
"Niemand kan worden benoemd tot het ambt van griffier bij een in artikel 1 vermeld rechtscollege, indien hij het bewijs niet levert van de kennis van het Frans.";
B) paragraaf 1, derde lid, wordt opgeheven;
C) paragraaf 2, eerste lid, wordt vervangen door de volgende bepaling:
"Niemand kan worden benoemd tot het ambt van griffier bij een in artikel 2 vermeld rechtscollege, indien hij bewijs niet levert van de kennis van het Nederlands.";
D) in §2, tweede lid, worden de woorden "van het hof van beroep te Gent of" opgeheven;
E) paragraaf 3, eerste lid, wordt aangevuld als volgt:
"Bij de Nederlandstalige en Franstalige rechtbanken in het arrondissement Brussel dient een derde van de griffiers bij deze rechtbanken het bewijs te leveren van de kennis van beide landstalen."
Hoofdstuk V
Wijzigingen van de wet van 3 april 1953 betreffénde de rechterlijke inrichting
Art. 37. - In tabel III van de bijlage bij de wet van 3 april 1953 betreffende de rechterlijke inrichting, gewijzigd bij de wetten van 11 juli 1994, 27 december 1994, 21 november 1996, 20 juli 1998 en 28 maart 2000, worden de getallen betreffende de zetel Brussel vervangen als volgt: "Zetel Brussel-Nederlandstalig: 1 voorzitter, 10 ondervoorzitters, 30 rechters, 9 plaatsvervangende rechters, 1 procureur des Konings, 31 substituut-procureurs des Konings, 1 hoofdgriffier.
Zetel Brussel-Franstalig: 1 voorzitter, 10 ondervoorzitters, 55 rechters, 17 plaatsvervangende rechters, 1 procureur des Konings, 60 substituut-procureurs des Konings, 1 hoofdgriffier."
Art. 38. - In de tabel "Aantal eerste-substituut-procureurs des Konings in de rechtbanken van eerste aanleg" van de bijlage bij dezelfde wet, vervangen bij de wet van 20 juli 1998, wordt het getal betreffende de zetel Brussel vervangen als volgt:
"Zetel Brussel-Nederlandstalig: 10;
Zetel Brussel-Franstalig: 20."
Art. 39. - In de tabel "Aantal substituut-procureurs des Konings gespecialiseerd in fiscale aangelegenheden in de rechtbanken van eerste aanleg - begrepen in het aantal substituutprocureurs des Konings" van de bijlage bij dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 20 juli 1998, wordt het getal betreffende de zetel Brussel vervangen als volgt:
"Zetel Brussel-Nederlandstalig: 1;
Zetel Brussel-Franstalig: 3."
Hoofdstuk VI
Wijzigingen van de wet van 7 juli 1969 tot vaststelling van de personeelsformatie van de arbeidshoven en -rechtbanken
Art. 40. - In artikel 1 van de wet van 7 juli 1969 tot vaststelling van de personeelsformatie van de arbeidshoven en -rechtbanken worden in de tabel "Arbeidsrechtbanken", vervangen bij de wet van 6 juli 1967 en gewijzigd bij de wetten van 13 november 1979, 23 september 1985, 23 juni 1989, 28 december 1990 en 12 januari 1993, de getallen betreffende de zetel Brussel vervangen als volgt:
"Zetel Brussel-Nederlandstalig: 1 voorzitter, 2 ondervoorzitters, 7 rechters, 1 arbeidsauditeur, 2 eerste substituten-arbeidsauditeurs, 6 substituten-arbeidsauditeurs, 1 hoofdgriffier, 1 griffier-hoofd van dienst, 8 griffiers, 3 klerken-griffîers; Zetel Brussel-Franstalig: 1 voorzitter, 2 ondervoorzitters, 13 rechters, 1 arbeidsauditeur, 3 eerste substituten-arbeidsauditeurs, 6 substituten-arbeidsauditeurs, 1 hoofdgriffier, 2 griffiers-hoofd van dienst, 16 griffiers, 5 klerken-griffiers."
Hoofdstuk VII
Wijzigingen van de wet van 15 juli 1970 tot vaststelling van de personeelsformatie van de rechtbanken van koophandel en tot wijziging van de wet van 10 oktober 1967 houdende het Gerechtelijk Wetboek
Art. 41. - In de tabel die voorkomt in artikel 1 van de wet van 15 Juli 1970 tot vaststelling van de personeelsformatie van de rechtbanken van koophandel en tot wijziging van de wet van 10 oktober 1967 houdende het Gerechtelijk Wetboek, vervangen bij de wet van 25 juli 1974 en gewijzigd bij de wetten van 23 september 1985, 28 december 1990, 30 maart 1994 en 20 juli 1998, worden de getallen betreffende de zetel Brussel vervangen als volgt:
"Zetel Brussel-Nederlandstalig: 1 voorzitter, 2 ondervoorzitters, 7 rechters, 1 hoofdgriffier, 1 griffierhoofd van dienst, 6 griffiers, 4 klerken-griffiers; Zetel Brussel-Franstalig: 1 voorzitter, 2 ondervoorzitters, 11 rechters, 1 hoofdgriffier, 1 griffier-hoofd van dienst, 11 griffiers, 7 klerken-griffiers."
Art. 42. - In de tabel voorkomend in artikel 2 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 17 juli 1997, wordt het getal betreffende de zetel Brussel vervangen als volgt:
"Zetel Brussel-Nederlandstalig: 56.
Zetel Brussel-Franstalig: 98."
Hoofdstuk VIII
Wijzigingen van de wet van 14 december 1970 tot vaststelling van de personeelsformatie van de plaatsvervangende rechters in de arbeidsrechtbanken en in de rechtbanken van koophandel
Art. 43. - In het enig artikel van de wet van 14 december 1970 tot vaststelling van de personeelsformatie van de plaatsvervangende rechters in de arbeidsrechtbanken en in de rechtbanken van koophandel worden de getallen betreffende de zetel Brussel in de tabel vervangen als volgt:
"Zetel Brussel-Nederlandstalig: 5 arbeidsrechtbanken, 8 rechtbanken van koophandel. Zetel Brussel-Franstalig: 10 arbeidsrechtbanken, 15 rechtbanken van koophandel."
Hoofdstuk IX
Wijzigingen van de wet van 2 juli 1975 tot vaststelling van de personeelsformatie van de rechtbanken van eerste aanleg
Art. 44. - In de tabel die voorkomt in artikel 1 van de wet van 2 juli 1975 tot vaststelling van de personeelsformatie van de rechtbanken van eerste aanleg, vervangen bij de wet van 11 juli 1994 en gewijzigd bij de wet van 27 december 1994, worden de getallen betreffende de zetel Brussel vervangen als volgt:
"Zetel Brussel-Nederlandstalig: 1 hoofdgriffier, 3 griffiers-hoofd van dienst, 25 griffiers. Zetel Brussel-Franstalig: 1 hoofdgriffier, 4 griffiers-hoofd van dienst, 43 griffiers."
Op amendement 10 hebben de heer Vandenberghe en mevrouw De Schamphelaere subamendement 13 ingediend (zie stuk 2-1207/2) dat luidt:
Een artikel 34bis invoegen, luidend als volgt:
"Art. 34bis. - Artikel 43quinquies, derde lid tot vijfde lid, wordt vervangen als volgt:
""Alleen de afgevaardigd bestuurder van Selor - Selectiebureau van de Federale Overheid - is bevoegd om de bewijzen uit te reiken van de kennis van de andere taal dan die waarin de kandidaat examens van de graad van doctor of licentiaat in de rechten heeft afgelegd.
De samenstelling van de examencommissie en de voorwaarden waaronder de bewijzen van de kennis van de andere taal mogen worden uitgereikt, worden bepaald bij koninklijk besluit vastgesteld na beraadslaging in de Ministerraad."
Op artikel 2 van het wetsontwerp hebben de heer Vandenberghe en mevrouw De Schamphelaere amendement 19 ingediend (zie stuk 2-1207/2) dat luidt:
In de voorgestelde tekst van artikel 43quinquies, §1, eerste lid, in fine, de woorden "al naargelang deze functie al dan niet een geschreven actieve taalkennis inhoudt" vervangen door de woorden "al naar gelang deze functie een eenvoudige of een gevorderde taalkennis inhoudt".
Op hetzelfde artikel hebben de heer Vandenberghe en mevrouw De Schamphelaere amendement 20 ingediend (zie stuk 2-1207/2) dat luidt:
De voorgestelde tekst van artikel 43quinquies aanvullen met een §4, luidend als volgt:
"§4. De gegevens over de door een taalexamen bewezen kennis van de andere taal die een magistraat heeft, worden beschikbaar gehouden op de griffies van de betrokken rechtbanken. Zij worden jaarlijks bekendgemaakt in de reglementen van de hoven en rechtbanken en in de jaarboeken van het Hof van cassatie."
Mevrouw Gerda Staveaux-Van Steenberge (VL. BLOK). - Het subsidiair amendement 8 op amendement 5 wil artikel 2 doen vervallen. Deze wetswijziging komt op een volstrekt eenzijdige manier tegemoet aan de desiderata van de Franstalige partijen, waarbij de tweetalige rechtbank van Brussel-Halle-Vilvoorde meer dan ooit wordt teruggebracht tot een rechtbank van eentaligen.
Door op eenzijdige wijze de Franstalige belangen te dienen, wordt bovendien het breekijzer weggeworpen om de splitsing van het gerechtelijk arrondissement te forceren, nochtans een eis van de Vlaamse regering. Het ligt trouwens in de logica van een verminderde tweetaligheid dat de huidige tweetalige rechtbank in Brussel zou worden opgesplitst in twee eentalige rechtbanken.
Ook op andere vlakken blijven de Vlamingen in de kou staan. Zo is er de gerechtvaardigde eis langs Vlaamse kant om van alle nieuwe magistraten minstens een receptieve kennis van de andere landstaal te eisen. Ook zou het niet meer dan logisch zijn dat de twee derden die bewijs moeten leveren van de kennis van de andere landstaal, binnen elke taalgroep worden gevonden, zodat het niet langer de Franstaligen zijn die het gros van de eentaligen kunnen leveren.
Tenslotte blijft een wijziging van de taalwetgeving in gerechtszaken voor ons onaanvaardbaar wanneer niet tegelijk de onrechtvaardigheden bij het Hof van Cassatie worden rechtgezet.
Amendement 5 en de toelichting ervan beslaan 20 bladzijden, ik verwijs dus naar stuk 1207/2.
Het amendement 9 behoudt het huidige niveau van taalkennis dat vandaag vereist is voor alle functies waarvoor de kennis van de andere landstaal wordt gevraagd.
Tegelijk voert het een veel lichtere, passieve taalkennisvereiste in voor alle kandidaat-magistraten die willen werken bij een parket of een rechtbank die in Brussel gevestigd is. Het gaat immers niet op dat er magistraten benoemd of tewerkgesteld kunnen worden, ik denk hier aan de toegevoegde rechters, in een tweetalig arrondissement die geen enkele notie hebben van de andere landstaal. Zij worden immers verondersteld de vergaderingen van de rechtbank of het parket te kunnen volgen en minstens de rechtspraak van de eigen rechtbank te kunnen begrijpen. Dit betekent dat in de toekomst geen enkele magistraat meer benoemd of aangesteld mag worden bij het Hof van Cassatie, het federaal parket, het hof van beroep van Brussel, het parket-generaal bij dit hof en bij Cassatie, de rechtbanken van eerste aanleg, het parket, het arbeids-, en het krijgsauditoraat, zonder minimale, passieve kennis van de andere landstaal. Dit geldt vanzelfsprekend ook voor toegevoegde magistraten, de aanvullende kamers bij het hof van beroep en de bijzitters in de arbeidsrechtbank en de rechtbank van koophandel.
De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Amendement 10 is het enige alternatief op middellange termijn voor de oplossing van alle problemen in verband met de werking van de rechtbank van Brussel. Ik denk daarbij niet alleen aan de taal, maar ook aan de complexiteit van de criminaliteit in enerzijds Brussel en anderzijds Halle-Vilvoorde. Dit zijn immers twee verschillende entiteiten. We stellen bijgevolg geen geografische, maar een functionele splitsing van de rechtbank voor, naar analogie met de functionele splitsing van de balie, die perfect werkt. De Nederlandstalige rechtbank zou de zaken van Halle-Vilvoorde en de Nederlandstalige zaken van Brussel krijgen en de Franstalige rechtbank de Franstalige zaken van het Brussels hoofdstedelijk gewest en de zaken van de Franstalige burgers die in de rand van Brussel wonen en een beroep kunnen doen op de faciliteitenregeling.
In het openbaar ministerie zou er een parket komen voor Halle-Vilvoorde en een parket voor Brussel met het oog op de specifieke criminaliteit, de veiligheidspolitiek en taalvereisten van de twee gebieden. Dat is een oplossing van het gezond verstand. De balie heeft al meer dan vijftien jaar bewezen dat dit een zeer goede oplossing is wanneer beide taalgemeenschappen elkaar begrijpen. Ik denk dan ook dat ze te verkiezen is boven een eenzijdige wijziging van de taalwetgeving.
Mevrouw Mia De Schamphelaere (CD&V). - Met subamendement 13 op amendement 10 willen wij invoegen dat alleen de afgevaardigde bestuurder van Selor, het selectiebureau van de federale overheid, bevoegd is voor het toekennen van de bewijzen van de kennis van de andere taal dan die waarin de kandidaat examens van de graad van dokter of licentiaat in de rechten heeft afgelegd.
De samenstelling van de examencommissie en de voorwaarden waaronder de bewijzen van de kennis van de andere taal mogen worden uitgereikt, worden bepaald bij koninklijk besluit vastgesteld na beraadslaging in de Ministerraad.
Met amendement 19 wensen wij duidelijk te maken dat bepaalde magistraten een gevorderde kennis van de andere taal moeten hebben om bij wijze van uitzondering op de algemene regel in de andere taal recht te spreken, maar dat er voor de andere magistraten niet de minste reden is om van het grondprincipe, namelijk dat men altijd recht spreekt in de taal van het diploma, af te wijken.
De lijst van de magistraten die het examen van gevorderde kennis van de andere taal moeten afleggen, maakt dit onderscheid niet.
Amendement 20 strekt ertoe een verduidelijking in te voegen. In paragraaf 4 willen wij bepaald zien dat de gegevens over de door een met taalexamen bewezen kennis van de andere taal van een magistraat, beschikbaar worden gehouden op de griffies van de betrokken rechtbanken. Zij moeten jaarlijks bekend worden gemaakt in de reglementen van de hoven en rechtbanken en in de jaarboeken van het Hof van Cassatie. Het invoeren van het nieuwe systeem van functionele kennis van de andere taal geeft aanleiding tot drie onderscheiden niveaus van taalkennis, namelijk de grondige, de gewone en de eenvoudige kennis van het type II. Het is voor de rechtzoekende van groot belang dat hij weet in welke mate de magistraat die over hem oordeelt, hem kan begrijpen. Daarom moeten de taal van het diploma en de aard van het afgelegde taalexamen openbaar worden gemaakt.
De voorzitter. - Artikel 3 luidt:
Een artikel 66 wordt ingevoegd in de wet van 15 juni 1935 betreffende de taalwetgeving in gerechtszaken:
"Art. 66.- De magistraten die op de datum van inwerkingtreding van artikel 43quinquies zoals gewijzigd door de wet van ..., de kennis van de andere taal dan deze waarin zij hun doctoraat of licentie in de rechten hebben behaald, bewezen hebben, worden geacht geslaagd te zijn voor het taalexamen bedoeld in artikel 43quinquies, §1, vierde lid".
Mevrouw Staveaux-Van Steenberge stelt voor dit artikel te schrappen (amendement 6, zie stuk 2-1207/2).
De heer Vandenberghe en mevrouw De Schamphelaere stellen eveneens voor dit artikel te schrappen (amendement 11, zie stuk 2-1207/4).
Mevrouw Gerda Staveaux-Van Steenberge (VL. BLOK). - Amendement 6 strekt ertoe artikel 3 te doen vervallen. Dat is het logische gevolg van amendement 5 dat handelt over de splitsing van het arrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde. Wij gaan evenwel verder en pleiten voor de territoriale splitsing van Brussel-Halle-Vilvoorde.
Mevrouw Mia De Schamphelaere (CD&V). - Amendement 11 strekt ertoe artikel 3 te doen vervallen. Dat is mogelijk op voorwaarde dat de glasheldere oplossing van ons amendement 10 wordt aanvaard.
De voorzitter. - Artikel 4 luidt:
Deze wet treedt in werking op de datum bepaald bij koninklijk besluit vastgesteld na beraadslaging in de ministerraad.
Mevrouw Staveaux-Van Steenberge stelt voor dit artikel te schrappen (amendement 7, zie stuk 2-1207/2).
De heer Vandenberghe en mevrouw De Schamphelaere stellen eveneens voor dit artikel te schrappen (amendement 12, zie stuk 2-1207/2).
Mevrouw Gerda Staveaux-Van Steenberge (VL. BLOK). - Amendement 7 op artikel 4 is het logische gevolg van amendement 5. Als dat amendement wordt aanvaard, vervalt artikel 4.
Mevrouw Mia De Schamphelaere (CD&V). - Amendement 12 heeft dezelfde motivatie als amendement 11.
-De stemming over de amendementen en over de artikelen 2, 3 en 4 wordt aangehouden.
-De aangehouden stemmingen en de stemming over het wetsontwerp in zijn geheel hebben later plaats.
(De tekst aangenomen door de commissie voor de Justitie is dezelfde als de tekst van het door de Kamer van volksvertegenwoordigers overgezonden ontwerp. Zie stuk Kamer 50-1496/7.)
-Artikel 1 wordt aangenomen.
De voorzitter. - Artikel 2 luidt:
In artikel 86bis van het Gerechtelijk Wetboek, ingevoegd bij de wet van 10 februari 1998 en gewijzigd bij de wet van 28 maart 2000, wordt tussen het eerste en het tweede lid het volgende lid ingevoegd:
"In afwijking van het bepaalde in het vorige lid, kan het aantal toegevoegde rechters voor het rechtsgebied van het Hof van beroep te Brussel of van het Arbeidshof te Brussel, meer dan een achtste bedragen van het totaal aantal magistraten van de zetel van de rechtbanken van eerste aanleg, van de rechtbanken van koophandel en van de arbeidsrechtbanken gelegen binnen dit rechtsgebied, zonder echter een vierde van dit aantal te overschrijden."
Mevrouw Staveaux-Van Steenberge stelt voor dit artikel te schrappen (amendement 1, zie stuk 2-1208/2).
Op dit artikel heeft mevrouw Staveaux-Van Steenberge eveneens amendement 2 ingediend (zie stuk 2-1208/2) dat luidt:
In artikel 86bis van het Gerechtelijk Wetboek, ingevoegd bij de wet van 10 februari 1998 en gewijzigd bij de wet van 28 maart 2000, wordt de zin in het tweede lid "Behoudens verlenging ... verstreken" vervangen door de woorden: "Hun opdracht eindigt na verloop van "één jaar".
Op amendement 2 heeft mevrouw Staveaux-Van Steenberge subamendement 3 ingediend (zie stuk 2-1208/2) dat luidt:
De woorden "na verloop van één jaar" vervangen door de woorden "na verloop van twee jaar".
Op amendement 2 heeft mevrouw Staveaux-Van Steenberge subamendement 4 ingediend (zie stuk 2-1208/2) dat luidt:
De woorden "na verloop van één jaar" vervangen door de woorden "na verloop van drie jaar".
Op amendement 2 heeft mevrouw Staveaux-Van Steenberge subamendement 5 ingediend (zie stuk 2-1208/2) dat luidt:
De woorden "na verloop van één jaar" vervangen door de woorden "na verloop van vier jaar".
Op hetzelfde artikel hebben de heer Vandenberghe en mevrouw De Schamphelaere amendement 6 ingediend (zie stuk 2-1208/2) dat luidt:
Het voorgestelde nieuw lid aanvullen als volgt:
"Deze mogelijkheid blijft bestaan tot het einde van het tweede jaar volgend op de inwerkingtreding van deze bepaling."
Op hetzelfde artikel hebben de heer Vandenberghe en mevrouw De Schamphelaere amendement 7 ingediend (zie stuk 2-1208/2) dat luidt:
In het voorgestelde nieuwe lid de woorden "of van het arbeidshof te Brussel" en "en van de arbeidsrechtbanken" doen vervallen.
Op hetzelfde artikel hebben de heer Vandenberghe en mevrouw De Schamphelaere amendement 8 ingediend (zie stuk 2-1208/2) dat luidt:
De in dit artikel voorgestelde toevoeging aanvullen met het volgende lid:
"Ten aanzien van deze rechters is artikel 43, §5, van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken van toepassing."
Op hetzelfde artikel hebben de heer Vandenberghe en mevrouw De Schamphelaere amendement 9 ingediend (zie stuk 2-1208/2) dat luidt:
De in dit artikel voorgestelde toevoeging aanvullen met het volgende lid:
"De toegevoegde rechters genieten een bijzondere weddentoeslag, die door de Koning wordt bepaald. Deze toeslag kan er echter onder geen beding toe leiden dat toegevoegde magistraten een hoger salaris zouden genieten dan magistraten die hun kennis van de andere landstaal hebben aangetoond."
Op artikel 2 van het wetsontwerp hebben de heer Vandenberghe en mevrouw De Schamphelaere amendement 10 ingediend (zie stuk 2-1208/2) dat luidt:
In het voorgestelde artikel 86bis, tweede lid, de woorden "een vierde" vervangen door de woorden "een zesde".
Mevrouw Gerda Staveaux-Van Steenberge (VL. BLOK). - Dit wetsontwerp heeft uitsluitend tot doel de taalwet te omzeilen en het tweetalig karakter van de Brusselse rechtbank uit te hollen. Alles moet daarom in het werk worden gesteld om te vermijden dat deze wet wordt goedgekeurd. Amendement 1 strekt ertoe artikel 2 te doen vervallen.
Amendement 2 betreft de tijdelijkheid van de toegevoegde rechters. De minister had beloofd dat het slechts om een tijdelijke maatregel ging.
Ik zal de amendementen 2, 3, 4 en 5 samen behandelen. De woorden "behoudens verlenging ... verstreken" moeten worden vervangen door de woorden "Hun opdracht eindigt na verloop van één jaar". De Raad van State heeft geadviseerd de tijdelijkheid in de wet in te schrijven. De woorden "na verloop van één jaar" moeten worden vervangen door de woorden "na verloop van twee jaar", vervolgens "na verloop van drie jaar" en "na verloop van vier jaar".
Mevrouw Mia De Schamphelaere (CD&V). - Met amendement 7 willen we in artikel 2 "of van het arbeidshof te Brussel" en "van de arbeidsrechtbanken" doen schrappen. De regel inzake toegevoegde rechters is bedoeld om situaties van achterstand op te lossen. Het is echter algemeen bekend dat een dergelijk probleem nauwelijks bestaat bij de arbeidsgerechten in het rechtsgebied van het hof van beroep te Brussel, zodat het volkomen zinloos is de bedoelde regeling betrekking te laten hebben op het arbeidshof te Brussel.
Amendement 10 strekt ertoe de woorden "een vierde" te vervangen door de woorden "een zesde".
De plotse verdubbeling van het aantal toegevoegde rechters in het rechtsgebied van het hof van beroep van Brussel geeft blijk van een erg maximalistische invulling van dit instrument. Een verdubbeling van het aantal toegevoegde rechters die er meteen toe leidt dat niet minder dan een kwart van de Brusselse effectieven een toegevoegd statuut zou krijgen, is een te krachtig medicijn voor een probleem waarvoor niet eens een diagnose werd gesteld. Als men dan toch ten onrechte voor dit middel opteert, verdient het aanbeveling dit met enige voorzichtigheid te doen en het aantal toegevoegde benoemingen te beperken tot een zesde van het aantal effectieven.
Ik kom nu tot amendement 6. Terecht heeft de Raad van State gewezen op het dubbelzinnige karakter van de benoeming van toegevoegde rechters om de problematiek van achterstand in de Brusselse rechtbanken op te lossen. Ik citeer uit het advies van de Raad: "In casu kan de wetgever met gebruikmaking van artikel 86bis van het Gerechtelijk Wetboek het aantal toegevoegde rechters voor het rechtsgebied van het hof van beroep te Brussel verhogen, op voorwaarde dat de geplande maatregelen tijdelijk zijn in afwachting van structurele maatregelen die het mogelijk maken om de bestaande buitengewone situatie definitief te beëindigen."
Conform de talloze verklaringen van Nederlandstalige vertegenwoordigers van de meerderheid, dient deze tijdelijkheid in de wet zelf verankerd te worden, en dit om te vermijden dat het instrument van de toegevoegde rechters zou worden gebruikt op een wijze die ingaat tegen de eigenlijke bedoelingen van de wetgever bij de invoering van het oorspronkelijke artikel 86bis.
Op artikel 2 dienen wij ook amendement 8 in. Onze fractie is van oordeel dat de voorgestelde wijziging van het Gerechtelijk Wetboek niet alleen niet mag leiden tot een structurele omzeiling van de wet, maar geen enkele omzeiling van de wet kan verantwoorden. De wetgever van 1935 heeft de taalvereisten in de wet op het taalgebruik in gerechtszaken ingeschreven om de rechtzoekenden waarborgen te bieden in het licht van de kwaliteit van de hun verstrekte rechtsbedeling. Dit gebeurde met name in het besef dat de feitelijke situaties die in een tweetalig gebied aan het oordeel van een rechter worden voorgelegd zich niet noodzakelijk schikken naar een rigide opdeling in het Nederlands en het Frans.
Er is daarenboven geen enkele waarborg dat de toegevoegde rechters enkel zullen worden belast met dossiers die volledig (partijen, stukken, getuigen) in de taal van hun diploma zijn gesteld. Teneinde de waarborgen voor de rechtzoekenden volop te garanderen willen wij dat ook de wet op het gebruik van talen in gerechtszaken op hen van toepassing wordt.
Op artikel 2 dienen wij nog amendement 9 in. Mocht dit amendement niet worden aangenomen, dan zou er sprake zijn van een "eentaligheidspremie", die moeilijk te verantwoorden is.
De voorzitter. - De heer Vandenberghe en mevrouw De Schamphelaere hebben amendement 11 ingediend (zie stuk 2-1208/4) dat luidt:
Een artikel 2bis (nieuw) invoegen, luidende:
"Art. 2bis. - In hetzelfde artikel wordt het tweede lid aangevuld als volgt:
"De verlenging van de opdracht van toegevoegde rechters dient bijzonder gemotiveerd te worden met het oog op het voortbestaan van de concrete omstandigheden die hun aanvankelijke benoeming hebben gerechtvaardigd."
Mevrouw Mia De Schamphelaere (CD&V). - De verlenging van de opdracht mag niet verworden tot een quasi-automatisme, maar dient uitdrukkelijk onderzocht en gemotiveerd te worden. Het spreekt voor zich dat een verlenging enkel verantwoord kan worden op grond van het voortbestaan van de concrete omstandigheden die aanleiding hebben gegeven tot de oorspronkelijke benoeming van de toegevoegde rechter. Indien deze omstandigheden niet langer bestaan of een relevante wijziging hebben ondergaan, dient overgegaan te worden tot een nieuwe aanwijzing, veeleer dan tot een verlenging.
De voorzitter. - De heer Vandenberghe en mevrouw De Schamphelaere hebben amendement 12 ingediend (zie stuk 2-1208/4) dat luidt:
Een artikel 2ter (nieuw) invoegen, luidende:
"Art. 2ter. - In hetzelfde artikel wordt na het zevende lid een nieuw lid ingevoegd als volgt:
"De benoemingen in het rechtsgebied van het hof van beroep van Brussel, die plaatsvinden nadat de grens van een achtste van het totale aantal magistraten werd bereikt, dienen op een bijzondere wijze gemotiveerd te worden, in het licht van de specifieke problemen van het rechtsgebied, en meer bepaald in het licht van de taalsituatie bij de betrokken rechtbanken. Met name dient aangetoond te worden dat de benoeming geen afbreuk zal doen aan het globale taalevenwicht binnen de Brusselse rechtbank."
Mevrouw Mia De Schamphelaere (CD&V). - De mogelijkheid tot het benoemen van bijkomende toegevoegde rechters in het rechtsgebied van het hof van beroep te Brussel is een uitzondering op de algemene regel van artikel 86bis, die bijgevolg een bijzondere motivering behoeft. Het spreekt voor zich dat deze motivering verband dient te houden met de in de memorie van toelichting aangehaalde bijzondere gronden voor het invoeren van dit instrument.
De voorzitter. - De heer Vandenberghe en mevrouw De Schamphelaere hebben amendement 13 ingediend (zie stuk 2-1208/2) dat luidt:
Een artikel 2quater (nieuw) invoegen, luidende:
"Art. 2quater. - In hetzelfde artikel wordt het zevende lid aangevuld als volgt:
"In ieder geval wint de Koning het gemotiveerd advies in van de stafhouders bij de balies bij de rechtbanken van het betrokken rechtsgebied."
Mevrouw Mia De Schamphelaere (CD&V). - Het instrument van de toegevoegde rechters is bedoeld om problemen van gerechtelijke achterstand te verhelpen. Deze problemen hebben echter niet louter betrekking op de organisatie van de rechtbank zelf, maar zijn tevens nauw verbonden met de verhoudingen tussen de rechtbanken en de rechtzoekenden en hun vertegenwoordigers, leden van de balie. Aangezien uit verschillende concrete voorbeelden gebleken is dat goede afspraken tussen de balie en de rechtbanken de achterstand gevoelig kunnen reduceren, lijkt het op zijn minst noodzakelijk te zijn eerst na te gaan of dit minder ingrijpende middel geen voldoende antwoord kan zijn op het probleem van de achterstand. Daartoe dient deze vraag ook besproken te worden met de vertegenwoordigers bij uitstek van de balie, namelijk de stafhouders.
De voorzitter. - Artikel 3 luidt:
In de tabel III "Rechtbanken van eerste aanleg" gevoegd bij de wet van 3 april 1953 betreffende de rechterlijke inrichting, vervangen bij de wet van 20 juli 1998 en gewijzigd bij de wet van 28 maart 2000, wordt in de kolom met als opschrift "Toegevoegde substituutprocureurs des Konings/Per rechtsgebied" het cijfer "17" dat voorkomt tegenover de zetels behorend tot het rechtsgebied van het hof van beroep te Brussel, vervangen door het cijfer "34".
Op dit artikel hebben de heer Vandenberghe en mevrouw De Schamphelaere amendement 14 ingediend (zie stuk 2-1208/2) dat luidt:
In dit artikel het cijfer "34" vervangen door het cijfer "25".
Mevrouw Mia De Schamphelaere (CD&V). - Dit amendement is de logische emanatie van amendement 10.
-De stemming over de amendementen en over de artikelen 2 en 3 wordt aangehouden.
-De aangehouden stemmingen en de stemming over het wetsontwerp in zijn geheel hebben later plaats.
De voorzitter. - De lijst van de in overweging te nemen voorstellen werd rondgedeeld.
Leden die opmerkingen mochten hebben, kunnen die vóór het einde van de vergadering mededelen.
Tenzij er afwijkende suggesties zijn, neem ik aan dat die voorstellen in overweging zijn genomen en verzonden naar de commissies die door het Bureau zijn aangewezen. (Instemming)
(De lijst van de in overweging genomen voorstellen wordt in de bijlage opgenomen.)
De heer Josy Dubié (ECOLO). - Ik wil het nogmaals hebben over de oorlogsdreiging tegen Irak, al heb ik niet de minste sympathie voor dat bloedige militaire bewind. Eind de jaren 80 ben ik immers naar Iraaks Koerdistan gereisd en heb ik daar de gevolgen kunnen zien van de verschrikkelijke moordpartij die president Saddam Hoessein in Halabja heeft voltrokken, en waarbij een deel van de bevolking van Koerdische oorsprong werd vergast. Oorlog is nooit een middel om een conflict op te lossen. De remedie is over het algemeen erger dan de kwaal. Dat blijkt vandaag nog uit de talrijke Amerikaanse "vergissingen" in de theoretisch "propere" oorlog in Afghanistan.
Mijn vraag gaat over hetzelfde onderwerp als de vraag die ik op donderdag 28 maart heb gesteld. De minister heeft mij toen uitgebreid geantwoord dat de Europese Unie, onder Spaans voorzitterschap, geweigerd heeft in te gaan op zijn suggestie om die zaak op de agenda van de Europese raad van ministers te zetten. Hij zei dat de Europese Unie niet in staat is om over deze zaak met één stem te spreken en evenmin om zijn voorstel te aanvaarden om de heer Solana of de trojka naar Irak te sturen of bepaalde Iraakse autoriteiten uit te nodigen naar Europa om hen te vragen de VN-resoluties na te leven. Hij zei ook dat, als de vraag door de Europese Unie wordt gesteld, er misschien een kans bestond dat Irak zijn houding zou veranderen.
Nu rijst die vraag plots opnieuw. In de internationale pers - inzonderheid in de New York Times - wordt nadrukkelijk gesproken over een nakende massale aanval op Irak. Maar er zijn vooral de recente verklaringen van president George W. Bush dat de Verenigde Staten een ander regime willen in Irak en dat zij Saddam Hoessein met alle middelen zullen omverwerpen.
Wat bedoelen onze Amerikaanse bondgenoten met de uitdrukking "alle middelen"?
In het kader van de toepassing van artikel 5 van het Noord-Atlantisch Verdrag is België nog altijd gebonden door zijn verbintenis van september 2001 om te helpen bij de bestrijding van het terrorisme en steun te bieden aan de Verenigde Staten, die op 11 september 2001 het slachtoffer werden van externe agressie. Thans rijst de vraag naar de grenzen van die verbintenis.
Is België bereid een aanval op Irak te steunen of er eventueel aan deel te nemen als de VN-Veiligheidsraad geen expliciete resolutie uitvaardigt in het kader van hoofdstuk 7 van het Handvest en aldus een militaire actie tegen Irak toelaat?
Als België daar niet toe bereid is - wat kan worden afgeleid uit de vorige verklaringen die de minister hier heeft afgelegd - moeten onze Amerikaanse bondgenoten dan niet worden verwittigd dat België zich geenszins gebonden acht door de toepassing van artikel 5 van het Navo-Verdrag als het komt tot een aanval tegen Irak die door de Veiligheidsraad niet is toegelaten?
Heeft de regering haar pogingen voortgezet om in dit dossier tot een gemeenschappelijk Europees standpunt te komen? Met welk resultaat?
Op 28 maart heeft de minister gezegd dat hij namens België zou doen wat hij niet op Europees gebied kan doen. Wat heeft hij gedaan en wat zal hij nog doen om een vreedzame oplossing te vinden voor wat jammer genoeg lijkt op de voorbereiding van een onafwendbare illegale aanvalsoorlog?
De heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken. - Ik stel samen met u vast dat nieuwe geruchten de ronde doen over een eventuele aanval tegen Irak. Persoonlijk heb ik uit de persconferentie van de Amerikaanse president afgeleid dat de dreiging inderdaad werd bevestigd. Ik wil me onthouden van speculaties op basis van hypotheses, ook al had ik na de persconferentie de indruk dat alle middelen zouden worden gebruikt om het regime van Saddam Hussein, voor wie ik geen enkele sympathie koester, omver te werpen.
Wat artikel 5 van het Noord-Atlantisch Verdrag betreft, kan ik enkel herhalen wat ik in maart al zei. Enerzijds is het belangrijk dat de strijd tegen het internationale terrorisme niet wordt verward met de situatie in Irak. Anderzijds zijn we niet van plan de coalitie tegen het terrorisme te verbreken of af te zwakken. Als de vraag van artikel 5 wordt gesteld, zullen we op dat ogenblik overleggen wat er moet gebeuren.
Ik zal geen moeite sparen om op de daartoe geëigende fora te zoeken naar een politieke en diplomatieke oplossing voor de kwestie-Irak. Ons standpunt is duidelijk: Irak moet de resoluties van de Veiligheidsraad naleven en in het bijzonder de VN-inspecteurs laten nagaan of er geen massavernietigingswapens meer in het land zijn. Dat is nodig voor de veiligheid en de stabiliteit van de regio. Ik steun ook ten volle de dialoog tussen VN-secretaris-generaal Kofi Annan en de Iraakse autoriteiten. Op 4 en 5 juli jl. heeft een nieuwe gespreksronde plaatsgevonden in Wenen. De permanente vertegenwoordiger van het Verenigd Koninkrijk, die nu aan de beurt is om het voorzitterschap van de Veiligheidsraad waar te nemen, heeft het belang van de voortzetting van die dialoog bevestigd. De Iraakse delegatie is naar Bagdad teruggekeerd. Irak moet nu de tijd krijgen om een standpunt te bepalen op basis van de besprekingen in Wenen.
Ik betreur dat mijn voorstel aan het Spaanse EU-voorzitterschap dode letter is gebleven. Ik had voorgesteld dat de Europese Unie in eigen naam aan Irak zou zeggen wat haar verwachtingen waren met betrekking tot de VN-resoluties en het werk van inspecteurs.
Ik betreur evenzeer de afwijzing van de vraag van de Belgische eerste minister om de kwestie-Irak op de top van Barcelona te bespreken.
Ik neem elke gelegenheid te baat om deze kwestie ter sprake te brengen. Tijdens de vergadering van de Raad Algemene Zaken op de top van Sevilla heb ik opnieuw de gelegenheid gehad om de zaak aan te kaarten in het kader van het Midden Oosten-dossier.
Ik zal de Iraakse minister van Buitenlandse Zaken ontvangen, ofschoon men mij dat van diverse kanten heeft afgeraden. Ik zal hem onze verwachtingen met betrekking tot de VN-resoluties en de inspecteurs kenbaar maken.
Helaas kan ik thans niets anders dan de Europese Unie steeds weer oproepen een initiatief te nemen zodat er een ander formeel kader ontstaat. Ik bedoel daarmee dat als de Europese Unie precies hetzelfde vraagt als wat de Amerikanen eisen, het antwoord van Irak misschien positiever zal zijn.
Ik heb zelfs goede redenen om te denken dat de Iraakse houding zou verschillen naargelang de vraag uitgaat van de Europese Unie, de Verenigde Staten of de Verenigde Naties. De Europese Unie is thans niet in staat deze politieke kans aan te grijpen. Ik neem daarvan akte, maar verder kan ik niet gaan. Ik breng die zaak geregeld te berde.
Vandaag wordt op Europees niveau gewoon geweigerd deze kwestie te bespreken. Vele landen geven evenwel toe dat, mochten de Amerikanen Irak aanvallen, er zeer grote problemen zullen rijzen tussen de regeringen en hun publieke opinie, ook in ons land. Ik weet niet welk standpunt wij zouden moeten innemen als het zover komt. België kan in ieder geval niet verweten worden dat het niet gesuggereerd heeft om in verband met dit dossier een Europees initiatief te nemen. Ik heb dezelfde mening en maak dezelfde analyse als de heer Dubié. Het stoort mij bijzonder dat men niet alleen weigert over deze zaak te spreken, maar ze zelfs niet op de agenda wil plaatsen.
De heer Josy Dubié (ECOLO). - Het verheugt mij dat de minister het initiatief genomen heeft om volgende week de Iraakse minister van Buitenlandse Zaken te ontmoeten. Deze ontmoeting zou uiteraard meer gewicht hebben als ze georganiseerd werd in een Europees kader. Ik betreur dat het onderwerp taboe is. We staan misschien voor een oorlog, waarvan niemand vandaag de gevolgen kan inschatten, niet alleen ter plaatse maar ook op intern Europees gebied. We mogen niet uit het oog verliezen welke gevolgen een oorlog tegen Irak kan hebben voor de talrijke inwoners van Arabische afkomst in Europa.
In het begin van zijn antwoord zei de minister dat hij niet wilde speculeren op basis van een hypothetische aanval van de Verenigde Staten tegen Irak. Welnu, als de Amerikaanse president zelf verklaart dat de Verenigde Staten een ander regime willen in Irak en alle middelen zullen aanwenden om Saddam Hoessein omver te werpen, gaat het volgens mij niet om een hypothese, maar om een vaste wil.
Wat artikel 5 van het Noord-Atlantisch Verdrag betreft...
De voorzitter. - Mijnheer Dubié, als u zo een lange uiteenzetting wil houden, stel ik u voor een vraag om uitleg te stellen. Dan zouden ook andere fracties aan het debat kunnen deelnemen en hun mening geven, wat de minister van Buitenlandse Zaken zou helpen in dit dossier. In ieder geval toont dit alles aan dat de Europese Unie nog niet volledig soeverein is.
De heer Didier Ramoudt (VLD). - Ik wil me allereerst verontschuldigen dat ik te laat ben, maar in het Vlaams Parlement werd er volop gestemd en ik kan maar op één plaats tegelijk zijn.
In de media konden we vernemen dat een Belgisch vissersvaartuig uit Zeebrugge voor de Engelse kust is vergaan. De lichamen van twee opvarenden werden geborgen, de andere twee zijn nog vermist, maar zijn vermoedelijk ook omgekomen. Het onderzoek naar de oorzaak van het ongeval is nog altijd bezig en er is op dat punt dus nog geen uitsluitsel. De reder verklaarde terecht dat een vissersvaartuig opnieuw kan worden aangekocht, maar dat de mensenlevens onherroepelijk verloren zijn. Vier families worden dus geconfronteerd met het leed en verdriet van het verlies van een dierbare en één familie zelfs met het verlies van een 17-jarige scheepsjongen die voor het eerst echt op zee ging.
In verscheidene sectoren bestaat er een vorm van slachtofferhulp om de families en/of degenen die nauw betrokken zijn bij de slachtoffers van een ongeval, ramp of desgevallend een misdrijf, in de moeilijke periode te begeleiden. Collega Maertens en ikzelf hebben op 2 juli 2001 een wetsvoorstel in verband met het sociaal statuut van de zeevisser ingediend. Het werd voor het eerst behandeld op 6 februari 2002. In de Kamer werd op 17 april 2002 een gelijkaardig voorstel ingediend, maar om duistere redenen werden beide voorstellen nog altijd niet ten gronde behandeld. Misschien bieden ze wel de mogelijkheid om nabestaanden in dergelijke gevallen te helpen.
Hoe dan ook, moeten we nu rekening houden met de actuele situatie. Graag vernam ik dan ook van de minister of er in de visserijsector naar analogie met andere sectoren een gestructureerde vorm van slachtofferhulp is opgezet. Zo ja, hoe verloopt dat dan? Zo nee, welke maatregelen neemt de minister om dat te verhelpen?
Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Werkgelegenheid. - Het ongeval waarover de heer Ramoudt spreekt, is een menselijk drama en het is des te erger daar een jonge man en drie van zijn kameraden het leven verloren. Ik bied de families mijn innige deelneming aan. Jammer genoeg gebeuren er nog te vaak dergelijke ongevallen op zee.
De zeevisserijsector heeft maatregelen genomen om bij zware of dodelijke ongevallen de families op de meest menselijke wijze te verwittigen. Het Fonds voor Arbeidsongevallen is de verzekeraar van de zeevisserijsector. Een sociaal assistente zal de eerstvolgende dagen de getroffen families bezoeken en hen informeren over hun rechten die voortvloeien uit de arbeidsongevallenwet. Sommige externe preventiediensten doen een beroep op gespecialiseerde diensten in omstandigheden zoals deze van Zeebrugge. Ik heb de voorzitter van de paritaire commissie belast de opportuniteit voor het oprichten van een specifieke omkadering voor de slachtoffers en hun naasten op de agenda te plaatsen.
De heer Didier Ramoudt (VLD). - De minister kan natuurlijk niet meer zeggen dan wat nu van toepassing is. Het Fonds voor Arbeidsongevallen heeft 25.000 euro gereserveerd voor het Vissersfonds. Dat is nagenoeg niks.
Drie van de omgekomen vissers waren niet gehuwd, maar samenwonend. Dat vergemakkelijkt de zaken niet. Ik hoop dat er werk wordt gemaakt van het sociaal statuut van de zeevissers. Alles is klaar, er is geen enkele reden om het niet te implementeren. We zijn bereid om onze voorstellen aan te passen. We wensen dat iedere visser een volwaardig statuut heeft en dat zijn nabestaanden worden beschermd.
De heer Vincent Van Quickenborne (VU-ID). - In Israël is een politieke storm opgestoken over het regeringsbesluit van zondag jongstleden om Israëlische Arabieren het recht te ontzeggen land te kopen van het Joods Agentschap, een paragouvernementele organisatie. Met dit besluit ontkracht de regering een uitspraak van het Hooggerechtshof, dat een Arabische familie het recht gaf in het joodse dorp Katzir land te verwerven.
93% van alle grond in Israël wordt beheerd door de Israel Land Authority en dit volgens wel erg aparte regels. Die zijn vastgelegd in drie wetten uit 1960. Hierin wordt bepaald dat alle `staatsgrond' beheerd zal worden volgens de principes van het Joods Nationaal Grondfonds. Deze organisatie, gesticht in 1901, verwerft grond en "draagt het eigendom ervan over naar heel het joodse volk". Bijgevolg is 93% van alle grond in Israël sinds de stichting van de staat in 1948, niet toegankelijk voor niet-joden, voor de twintig procent Arabische staatsburgers. Daarom volgde snel de goedkeuring van een amendement aan de landwet dat de beslissing van het Hooggerechtshof ongedaan moest maken. De protesten bij Israëlische politici bleven niet uit.
Getuigt een dergelijk amendement niet van racisme? Tast dit niet het "democratisch" gehalte van de staat Israël aan? Welke is de houding van de Belgische regering ten aanzien van dit besluit? Wordt hiermee geen inbreuk gedaan op de mensenrechtenbepaling, opgenomen in het Associatieverdrag dat is afgesloten tussen de EU en Israël?
De heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken. - De vraag van de heer Van Quickenborne heeft te maken met de beslissing van de Israëlische regering van vorige zondag, die bij de Knesset een ontwerp heeft ingediend dat de mogelijkheid inhoudt om landeigendommen uitsluitend voor joden te reserveren
Ik kan hem alvast meedelen dat deze beslissing in Israël zelf een politieke storm heeft veroorzaakt en dat de regering de hele zaak opnieuw onder de loep zal nemen. De beperkingen waarmee Arabische Israëli's worden geconfronteerd wanneer zij onroerende eigendommen verwerven, is al een probleem sinds het ontstaan van Israël. In het jaar 2000 velde het Opperste Gerechtshof terzake een arrest dat in principe discriminatie in het verwerven van eigendom onmogelijk moest maken.
Het ontwerp dat vorige zondag door de regering werd besproken, ging daar regelrecht tegen in. De storm van protest in Israël zelf, die vooral kwam van leden van de Labourpartij, van mensenrechtenorganisaties en zelfs van de Israëlische president Katsav, heeft de regering echter gedwongen om het project opnieuw in overweging te nemen en er de discriminerende elementen uit te verwijderen.
Ik heb onze ambassadeur in Israël gevraagd deze controverse op de voet te volgen, met zijn Europese collega's overleg te plegen en mij zonder verwijl in te lichten over de verdere ontwikkeling van dit dossier. Los van de principiële kant van de zaak, meen ik dat de toestand in de regio en in Israël van die aard zijn dat we best nieuwe spanningen tussen de verschillende bevolkingsgroepen voorkomen.
Mevrouw Martine Taelman (VLD). - Tijdens recente kermissen doken er speelgoedwapens op van B&G International met als referte "F-71100 Chalon-sur-Saône - Fusil d'assaut Detoni 50811" en met een kracht van 0,23 joule. De kleine ronde kogeltjes van dit geweer doorboren met gemak een stuk karton. Op de doos van het wapen staat - enkel in het Frans - vermeld: Distribution interdite aux mineurs en Ne jamais diriger le tir vers une personne. Il est recommandé d'utiliser des lunettes de protection.
Het is onthutsend te constateren dat dergelijke speelgoedwapens in een speelgoedkraam op een kermis worden verkocht. Op de doos staat wel dat ze niet aan minderjarigen mogen worden verkocht, maar een speelgoedkraam op een kermis is per definitie voor minderjarigen en voor kinderen bedoeld. Dit wapen vormt een ernstig gevaar omdat de kinderen zich niet bewust zijn van de kracht van wat voor hen gewoon speelgoed is en ze de Franstalige waarschuwingen op de doos al helemaal niet kunnen lezen. Ze kunnen zichzelf of iemand anders verwonden.
Is de minister op de hoogte van het bestaan van deze zogenaamde speelgoedwapens? Wordt de verkoop gecontroleerd om te verhinderen dat dit speelgoed aan minderjarigen verkocht wordt? Is de minister van plan deze speelgoedwapens te laten onderzoeken en eventueel uit de handel te nemen?
Mevrouw Magda Aelvoet, minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu. - Ik ben op de hoogte van het bestaan van dat product. Het gaat hier echter niet over speelgoed, maar over sport- of in sommige gevallen zelfs verweerwapens, die vallen onder de wapenwetgeving. De verkoop van deze wapens is bijgevolg op papier geregeld. Zo moet de verkoper erkend zijn als wapenhandelaar en mogen deze wapens niet verkocht worden aan minderjarigen.
Het probleem is echter dat heel wat speelgoedwinkels een vergunning hebben om zulke wapens te verkopen. De vergunning wordt uitgereikt door de provinciegouverneur. Door de verkoop van dergelijke wapens in speelgoedwinkels geeft men de indruk aan de consumenten dat het gaat om speelgoed dat beantwoordt aan de zeer strenge eisen van de speelgoedreglementering.
In de Europese eenheidsmarkt kunnen wij de grenzen voor deze producten niet sluiten. De wapens uit de handel nemen kan bijgevolg niet. Wat we wel kunnen is de verkoop regelen. Reeds in 1998 hebben mijn diensten voorgesteld een verbod in te stellen op de verkoop van sport- en andere wapens in winkels waar ook speelgoed wordt verkocht. Bij de herziening van de wapenwet, die op dit moment wordt bespreken, wordt rekening gehouden met deze vraag. In artikel 14bis van de wet wordt een 9º ingevoegd, dat bepaalt dat het verboden is wapens, daarin begrepen namaakwapens, en speelgoed te verkopen in éénzelfde handelszaak.
Na de publicatie van de wijziging zullen we dus een wettelijk instrument hebben om de verkoop van deze wapens in speelgoedwinkels te verbieden. Hierdoor zal het voor de consumenten duidelijk zijn dat het niet gaat over speelgoed, maar over echte wapens. Dat zal de verspreiding van deze zogenaamde speelgoedwapens sterk beperken.
Op het gebruik van de talen is de wet van 14 juli 1991 betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en bescherming van de consument van toepassing. Artikel 13 van deze wet bepaalt dat de vermeldingen op de etiketten, de gebruiksaanwijzingen en de garantiebewijzen ten minste moeten opgesteld zijn in de taal of de talen van het taalgebied waar de producten of diensten op de markt worden gebracht. Dat betekent dat in de tweetalige gebieden de vermeldingen in beide landstalen moeten opgesteld zijn. In de eentalige gebieden is alleen de taal van het taalgebied verplicht. Geregeld doet de Economische Inspectie controles en worden bij overtreding ook de gepaste maatregelen genomen.
Mevrouw Clotilde Nyssens (CDH). - Enkele dagen geleden schreven de kranten over een medische vergissing die aanleiding heeft gegeven tot een eigenaardige medisch begeleide voortplanting in Engeland, waar een blanke vrouw twee zwarte baby's op de wereld heeft gezet. Belgische artsen hebben in de pers verklaard hoe ze tewerk gaan om dit soort situaties in ons land te voorkomen.
In België wordt de medisch begeleide voortplanting geregeld bij koninklijke besluiten, die de erkenning van centra waar die praktijk wordt toegepast, voorschrijven.
Oefent de overheid controle uit om dit soort dramatische vergissingen te voorkomen? Wat zijn de voorwaarden voor de erkenning van die centra? Bestaat er een lijst van die centra? Moeten geen extra maatregelen worden getroffen om te voorkomen dat dergelijke vergissingen bij ons gebeuren? Volgens de pers zou zich in Engeland en in Nederland al een geval hebben voorgedaan. Professor Englert zegt zelfs dat hij eens naar Nederland gegaan is om een soortgelijke medische vergissing bij ons te voorkomen. Hoe reageert de minister van Volksgezondheid op die feiten?
Mevrouw Magda Aelvoet, minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu. - In België bepaalt het koninklijk besluit van 15 februari 1999 alle normen waaraan de zorgprogramma's "reproductieve geneeskunde" moeten voldoen om erkend te worden. Dit KB maakt een onderscheid tussen centra voor medisch begeleide voortplanting van het type A en centra van het type B.
Voor de centra van het type A hebben de erkenningsnormen betrekking op het type en de inhoud van de zorg, de vereiste infrastructuur, de kwaliteit en de kwaliteitsbewaking. De centra van het type B moeten bovendien nog aan andere normen voldoen. Naast de activiteiten van een centrum van het type A moeten zij ook in volgende activiteiten voorzien: de adequate behandeling van gameten, het herplaatsen van embryo's en het invriezen en bewaren van gameten en embryo's.
Er bestaat geen specifieke wetgeving voor de controle op de centra voor medisch begeleide voortplanting. In artikel 18 van het koninklijk besluit van 15 februari 1999 wordt evenwel bepaald dat het geheel van het zorgprogramma "reproductieve geneeskunde" B onder leiding staat van een geneesheer-specialist in de gynaecologie-verloskunde, die verantwoordelijk is voor het geheel van de klinische dienstverlening alsook voor de opvolging van de protocollen, de continuïteit van de dienstverlening, de uitrusting, de registratie en de kwaliteitsopvolging van het hele zorgprogramma.
Eigenlijk verzekert elk centrum voor medisch begeleide voortplanting zelf de kwaliteitscontrole van zijn producten en de controle op het gebruik van de gameten, onder meer de traceerbaarheid van de gameten.
Het is wel moeilijk om de lijst van de in België erkende centra te krijgen. De normen voor de erkenning van de centra worden weliswaar uitgevaardigd door de federale administratie, maar de erkenning gebeurt door de gemeenschappen. Bovendien werden die bevoegdheden van de Franse Gemeenschap overgeheveld naar het Waalse en het Brusselse Gewest. Ik beschikt over een lijst die in 1995 werd opgesteld door de VZW "Belgian Register for Assisted Procreation" (BELRAP). De lijst van de in België erkende centra voor medisch begeleide voortplanting, die sedert de publicatie van het koninklijk besluit van 15 februari 1999 is opgemaakt, wijkt daarvan niet af, behalve het feit dat één of twee kleine centra verdwenen zijn en kleine centra gefusioneerd zijn. We werken die lijst thans bij op basis van de gegevens van onze collega's van de gemeenschappen en de gewesten. In afwachting geef ik reeds de lijst van de centra die lid zijn van BELRAP en de bijgewerkte lijst van de in de Vlaamse Gemeenschap erkende centra, met aanduiding van type A of B.
Zoals ik al zei, organiseert elk centrum zelf de controle op de kwaliteit en de identificatie van de gameten, maar bestaan er terzake geen precieze regels. Uit een enquête bij verschillende centra blijkt wel dat voor de identificatie van de gameten een zeer precies etiketteringssysteem wordt toegepast, dat er een geautomatiseerd etiketteringssysteem van spermavlokken bestaat, dat de etikettering op naam van de patiënte gebeurt en dat die etikettering primeert, dat het recipiënt en het deksel gewoonlijk wel maar niet systematisch worden geëtiketteerd, dat de identiteitskaart van de betrokkenen wordt gevraagd om spellingfouten in de naam te vermijden.
Niettegenstaande al deze voorzorgsmaatregelen blijft een vergissing altijd mogelijk.
De exacte identificatie en de controle van de identificatie van de gameten is één van de belangrijkste bekommernissen van de centra. Een harmonisering van deze voorzorgsmaatregelen in de verschillende erkende centra is evenwel wenselijk.
Mevrouw Clotilde Nyssens (CDH). - Ik dank de minister voor haar antwoord en ik ben het eens met haar conclusie. De pers heeft verklaard op welke wijze de naam van de betrokkene wordt aangebracht: ofwel op het deksel ofwel op de bodem van het petrischaaltje. Ik was verbaasd dat er verschillende methodes bestonden, want daardoor neemt de kans op een menselijke vergissing toe. In dit geval veroorzaakt een fout moeilijk te verwerken psychologische en identiteitsproblemen.
De heer Ludwig Caluwé (CD&V). - Op 13 juni ondervroeg ik de minister over de conformiteit van de inplanting van een windmolenpark op de Vlakte van de Raan met de langetermijnvisie op het Schelde-estuarium en het mogelijke protest van Nederland. De minister antwoordde mij, tot mijn ontzetting, dat ze zich niet gebonden voelde door de langetermijnvisie. Ze zei ook dat er nog een gesprek met Nederland zou plaatsvinden op 17 juni. Ondertussen heeft de minister op 25 juni toch beslist om een vergunning af te leveren. Op 5 juli raakte bekend dat Nederland via zijn ambassadeur in België formeel zijn ongenoegen te kennen gegeven heeft.
Hoe is het overleg op 17 juni verlopen? Waarom heeft de minister de vergunning op 25 juni toch afgeleverd ondanks de Nederlandse bezwaren? Waarom ontkende het kabinet op 5 juli aanvankelijk de berichten dat Nederland tegen deze beslissing protest aantekent? Zal de minister nog overleg plegen met Nederland? Zo ja, welke resultaten kan dit opleveren? Is de minister er zich van bewust dat het negeren van de langetermijnvisie in verband met de verdere uitdieping van de Schelde, de Nederlanders argumenten geeft om zich op het vlak van deze uitdieping ook strakker op te stellen?
Mevrouw Magda Aelvoet, minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu. - Het overleg met Nederland op 17 juni verliep constructief. Wij hebben kennis genomen van de resterende opmerkingen van Nederland. Zij hadden nog vragen bij de veiligheidszone van 400 meter tussen de buitenste rij windmolens en de grens met Nederland. Zij vroegen om die uit te breiden tot 500 meter maar dan wel volledig binnen de Belgische territoriale wateren. Nu is 100 meter van die zone gelegen in de Nederlandse territoriale wateren.
Nederland stelde zich ook vragen bij de risicoanalyse van onze administratie. Wij hebben daarop geantwoord dat dit bezwaar weinig geloofwaardig is omdat Nederland voor zijn eigen windmolenproject in Egmond aan Zee een milieuvergunning toekent zonder een risicoanalyse te hebben uitgevoerd.
Nederland verwijst ook naar "de aantasting van het open gebied van de Westerscheldemonding", dat aan bod komt in de beleidsintenties tussen Vlaanderen en Nederland die in het memorandum van Vlissingen van 4 maart 2002 te lezen zijn, en ook naar de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening. Nederland past echter haar criterium van "12 zeemijl uit de kust" niet toe op het eigen windmolenproject in de territoriale zee in Egmond aan Zee dat op 10 km van de Nederlandse kust gelegen is.
Er werd toch een vergunning afgeleverd omdat België soeverein is in zijn zeegebieden en in het kader van het Verdrag van Espoo alleen verplicht is tot informatie en overleg met Nederland, wat systematisch is gebeurd. Alle informatie is vanaf het begin overgezonden aan Nederland en op 30 oktober 2001 en 17 juni 2002 heeft overleg plaatsgehad. Op 25 juni heb ik mijn ministeriële besluiten betekend aan Nederland.
Het kabinet ontkende de berichten van het Nederlands protest omdat die berichten eenvoudigweg niet bestonden. Slechts één krant had het bericht over het protest de wereld ingestuurd. Het persbericht van verleden week waarin werd gesteld dat Nederland de windmolens verder in zee wil, is vertrokken vanuit de Brusselse vestiging van het Nederlandse persagentschap ANP maar was, tegen de deontologische regels in, gebaseerd op een anonieme bron. ANP Nederland heeft bijgevolg dit bericht overgenomen van ANP Brussel zonder de bron te checken.
In het persbericht werd gezegd dat het standpunt uitging van Verkeer en Waterstaat, maar bij navraag werd dit op 5 juli formeel ontkend door officiële regeringskringen in Den Haag. Het bewijs hiervoor is dat dit bericht nooit werd verspreid door het officieel voorlichtingsorgaan van de Nederlandse overheid, noch door het ministerie Verkeer en Waterstaat, dat steeds alle persberichten die van zijn departement afkomstig zijn, trouw publiceert op zijn website. Van dit bericht is geen spoor op de website van Verkeer en Waterstaat. Vorige week donderdag heb ik overigens contact gehad met de Nederlandse ambassadeur op mijn kabinet. In een constructief gesprek heeft de ambassadeur de Nederlandse zorgen verwoord, maar hij heeft bevestigd dat er geen sprake is van een formeel protest.
De inspraak- en overlegronden zijn dus beëindigd. Iedereen weet dat de uitdieping van de Westerschelde een politiek probleem is, maar dat dit probleem zich niet situeert op het niveau van de Nederlandse regering. Het is bekend dat het moeilijk was om in Zeeland enkele zaken te doen aanvaarden, onder meer een bijkomende uitdieping van de Westerschelde. De ambassadeur heeft mij dat meegedeeld in het gesprek dat ik met hem heb gehad. De Nederlanders zullen hun houding in het dossier van de Westerschelde dus geenszins verstrakken omdat zij een aantal "zorgen", dat woord is letterlijk gebruikt, onder de aandacht hebben gebracht. Ik heb de ambassadeur trouwens ook gerustgesteld over de 500 meter, omdat ze zich vooral afvroegen of de noodzakelijke politiële controle op een goede manier zal kunnen verlopen. De technici zeggen mij dat het mogelijk is om de controleschepen waarover wij beschikken binnen de zone van 400 meter te houden. We moeten ons dus absoluut niet in de Nederlandse territoriale wateren begeven.
De heer Ludwig Caluwé (CD&V). - Ik heb toch enkele bedenkingen bij het antwoord van de minister.
Egmond aan Zee, dat ik goed ken, ligt niet in de buurt van scheepvaartroutes, wat voor de Vlakte van de Raan wel het geval is. Over Egmond aan Zee bestaat er ook geen afspraak tussen Vlaanderen en Nederland terwijl er wel was afgesproken dat de Vlakte van de Raan ongeschonden zou blijven, dat het gebied niet zou worden versnipperd en dat het geen andere bestemming zou krijgen.
U spreekt de berichten van het Nederlandse ministerie tegen. Ik begrijp dan niet goed waarom verschillende Nederlandse kranten bevestigen dat er protest was, dat u dat ontkent, maar dat het nadien toch werd bevestigd. Wat was dan de aanleiding voor de artikelen in de Haagsche Courant, en in de Provinciale Zeeuwse Courant? Daar staat toch manifest in dat er protest is.
Dat protest is waarschijnlijk nog niet overgenomen door de politieke overheid, daar er nog geen regering is. We zullen zien welke houding de nieuwe regering zal aannemen. Als de LPF de portefeuille Verkeer en Waterstaat in handen krijgt, zoals het er nu naar uitziet, zou het mij echter niet verwonderen dat dit protest formeel zal worden overgenomen en dat de beslissing over de windmolens een invloed zal hebben op de houding van Nederland ten opzichte van het uitdiepen van de Westerschelde, maar dat is voor uw partij waarschijnlijk geen prioriteit, integendeel. Ik heb de indruk dat u dat er graag bijneemt om die uitdieping onmogelijk te maken.
De heer Philippe Mahoux (PS). - Sinds enkele maanden kunnen de meeste gemeenten toegang krijgen tot het internet via adsl. Dat betekent een belangrijke besparing voor de gemeenten, want met dit abonnement hebben ze voor een forfaitair bedrag 24 uur op 24 toegang tot internet. Belgacom is technisch gezien klaar, maar heeft nog een erkenning van de minister van Binnenlandse Zaken nodig om toegang te krijgen tot publilink.
Volgens de administratie zou het dossier wel vorderen, maar is het nog lang niet klaar. De minister weet dat de gemeenten budgettaire problemen hebben. Elke maand die verstrijkt, betekent een belangrijk verlies. Wanneer een particulier een adsl-aansluiting vraagt, krijgt hij die binnen een week. Kan de minister mij verduidelijkingen geven over die erkenning, de termijn voor de toekenning ervan en de redenen die deze termijn verantwoorden?
Ik herhaal dat de gemeenten met de nieuwe aansluiting grote besparingen kunnen doen en in de huidige omstandigheden is dat zeer belangrijk.
De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken. - Het datatransmissienet Publilink werd oorspronkelijk in september 1997 erkend. Aangezien Belgacom Dexia vervangen heeft als operator is een nieuwe erkenning nodig.
Deze nieuwe erkenningsprocedure is ook verantwoord door de technologische evolutie, inzonderheid door de introductie van adsl als toegang tot internet. Dit verhoogt de snelheid van de gegevensoverdracht en het aantal behandelde gegevens. Mijn diensten moeten echter de maatregelen die de operator genomen heeft voor de bescherming van het net ernstig controleren.
Volgens mijn diensten zal die controle binnen veertien dagen afgerond zal zijn. Als de operator voldoet aan de veiligheidsnormen, krijgt hij de erkenning.
De heer Philippe Mahoux (PS). - Ik dank de minister voor zijn precies antwoord. Ik ga nog denken dat het volstaat een vraag te stellen om een gemeentelijk probleem op te lossen.
Mevrouw Clotilde Nyssens (CDH), rapporteur. - De commissie voor de Justitie heeft verschillende vergaderingen gewijd aan dit wetsvoorstel. Zij keurde het goed met acht stemmen tegen één en één onthouding.
De leden van de commissie werden voldoende geïnformeerd over de materie dank zij hoorzittingen.
Het voorstel, ingediend door de heer Happart, wil de samenhang en het evenwicht tussen eigenaars en pachters niet verbreken. Het beoogt daarentegen twee verbeteringen om te vermijden dat afbreuk wordt gedaan aan de toepassing en de geest van de wet van 1988 wanneer de verpachter de pachtovereenkomst opzegt.
De heer Happart meldde dat financiële ondernemingen al te vaak landbouwgoederen verwerven tegen betaling, wat een verhoging van de grondprijs veroorzaakt, waardoor de landbouwer het bedrijf niet zelf kan kopen. De financiële onderneming geeft de ondernemer dan zijn opzegging om het bedrijf persoonlijk te exploiteren. Vervolgens neemt ze een landbouwkundige - ondernemer of landbouwingenieur - in dienst. Op die manier hopen de ondernemingen Europese subsidies te ontvangen die dikwijls groter zijn dan het pachtgeld dat ze van een landbouwer kunnen krijgen, en kunnen ze hun geld uitzetten.
De indiener van het voorstel stelt twee wijzigingen in de pachtwet voor. De eerste wijziging heeft als doel te voorkomen dat een vruchtgebruik - van een bepaalde of onbepaalde duur - wordt gevestigd ten voordele van een natuurlijk of rechtspersoon als middel om de geest van de wet te omzeilen.
De tweede wijziging heeft als doel de wetsartikels te verfijnen die betrekking hebben op de opzegmodaliteiten en de redenen die de eigenaar kan inroepen om zijn grond terug te nemen om hem zelf te exploiteren. Er moet worden voor gezorgd dat de woorden "aanstaande exploitant" daadwerkelijk verwijzen naar de personen die in de opzegging aangewezen zijn om de exploitatie op zich te nemen en daadwerkelijk arbeid op de grond te verrichten. Er volgde een interessante discussie, meer bepaald over twee gerechtelijke beslissingen.
Tijdens de hoorzittingen hebben we de heer Lejeune gehoord, advocaat bij de balie te Luik en afgevaardigd door het Syndicat national des propriétaires, de vertegenwoordiger van de Fédération wallonne des agriculteurs, eveneens advocaat, en ook een vertegenwoordiger van de Boerenbond. De debatten gingen in hoofdzaak over de duur van de landbouwpacht en over de noodzaak om een lange termijn in te voeren voor de pachter.
De heer Happart bleef de idee van een levenslange pachtovereenkomst verdedigen. Hij wenste de opzegmodaliteiten niet te versoepelen wegens het gevaar dat de commerciële ondernemingen de pacht zouden overnemen en de grond zouden laten exploiteren door iemand anders dan de pachter of zijn familie.
Na enige aarzeling heeft de heer de Clippele een amendement ingediend. Het staat hem vrij het eventueel opnieuw in te dienen in de plenaire vergadering.
De heer Philippe Monfils (MR). - De heer de Clippele heeft zijn amendement ingetrokken.
Mevrouw Clotilde Nyssens (CDH), rapporteur - Volledigheidshalve vermeld ik niettemin dat de heer de Clippele in de commissie een amendement heeft ingediend.
De commissie, die ervan overtuigd was dat het evenwicht tussen de pachters en de eigenaars werd geëerbiedigd, heeft zich uitgesproken ten gunste van het wetsvoorstel. Ze was van oordeel dat deze twee technische verbeteringen moesten worden aangebracht om het omzeilen van de pachtduur te vermijden ten voordele van exploitanten die er geen zijn.
De heer Jean-Marie Happart (PS). - Ik dank de rapporteur voor de getrouwe weergave van de werkzaamheden van de commissie. Ze is zich bewust van de toestand die zich voordoet in de landbouw.
Dit voorstel heeft als doel de pachtwet die eind de jaren 80 werd aangenomen, te actualiseren. Als de duur van hun pacht overeenkomt met die hun leningen kunnen de landbouwers, die dikwijls zware investeringen moeten doen, hun financiële verplichtingen nakomen. De landbouwwereld verkeert in een crisis. De plannen van de Europese commissarissen doen ons vrezen voor een nieuwe verslechtering van de situatie. Sinds de goedkeuring van de wet in 1988 is het aantal landbouwers met de helft gedaald. Die dramatische evolutie gaat verder. Het gevaar bestaat dat de landbouwbevolking ontoereikend is om het landschap in stand te houden en om een minimale voedselzekerheid, zowel kwalitatief als kwantitatief, te waarborgen. Het was dus belangrijk dat de Senaat zich over dit wetsvoorstel boog, dat de positie van de huurders tegenover de eigenaars moet verbeteren.
De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - De CD&V-fractie zal het voorstel van de heer Happart steunen ten einde wetsontduikingen van het pachtrecht te voorkomen.
De landbouwbevolking is de jongste jaren al door zoveel onheil geteisterd en mag niet het slachtoffer worden van wetsontduiking. De heer Happart heeft erop gewezen dat het landbouwareaal de jongste jaren aanzienlijk is ingekrompen. Het regionaal beleid inzake herbestemming van de landbouwgronden heeft daarop natuurlijk een belangrijke invloed. De regionale assemblees moeten er dan ook de nodige aandacht aan besteden.
Mevrouw Clotilde Nyssens (CDH), rapporteur. - Mijn fractie zal het voorstel dat ik daarnet heb toegelicht uiteraard steunen.
-De algemene bespreking is gesloten.
(De tekst aangenomen door de commissie voor de Justitie is dezelfde als de tekst van het wetsvoorstel. Zie stuk 2-401/1.)
-De artikelen worden zonder opmerking aangenomen.
-De stemming over het wetsontwerp in zijn geheel heeft later plaats.
De heer Michel Barbeaux (CDH), rapporteur. - De commissie voor de Sociale Aangelegenheden heeft drie vergaderingen gewijd aan de bespreking van het wetsvoorstel van de heer Steverlynck.
De wet van 22 maart 2001 tot instelling van een inkomensgarantie voor ouderen (IGO), die het vroegere gewaarborgde inkomen voor bejaarden verving, is nadelig voor de leden van kloostergemeenschappen omdat zij op hetzelfde adres wonen.
Zij zullen immers nooit als alleenstaanden worden beschouwd waardoor zij nooit méér dan het basisbedrag van de inkomensgarantie zullen ontvangen. Bovendien worden alle inkomsten samengeteld en vervolgens gedeeld door het aantal kloosterlingen. Daardoor hebben zij geen recht meer op het basisbedrag.
De wet voorziet nochtans uitdrukkelijk in een uitzondering voor de personen die gedomicilieerd zijn in een rust- en verzorgingstehuis of in een psychiatrisch verzorgingstehuis. Deze uitzondering moet voorkomen dat mensen die opgenomen worden in dergelijke instellingen hun recht op de IGO zouden verliezen.
Het voorstel strekt ertoe in de wet van 22 maart 2001 de uitzondering, die reeds bestaat voor de personen in een rust- of verzorgingstehuis of in een psychiatrische instelling, uit te breiden tot de leden van een kloostergemeenschap.
De heer Steverlynck wijst er bovendien op dat het parlement inmiddels het wetsontwerp betreffende de maximumfactuur in de verzekering voor geneeskundige verzorging heeft goedgekeurd. Hierin worden de leden van kloostergemeenschappen op gelijke voet geplaatst met de personen in een rust- en verzorgingstehuis en dus beschouwd als alleenstaanden.
De heer Steverlynck vraagt voor de leden van de kloostergemeenschappen een coherentie tussen de wetgeving met betrekking tot de IGO en die met betrekking tot de maximumfactuur. In de ene wet worden ze als alleenstaanden beschouwd en in de andere als samenwonenden. De indiener van het wetsvoorstel vindt dit een discriminatie.
Ik sluit mij bij hem aan. Ik vraag mij bovendien af welke regel van toepassing is op de bewoners van een rusthuis voor kloosterlingen. Worden zij beschouwd als bewoners van een rust- en verzorgingstehuis of als leden van een kloostergemeenschap?
Ik heb ook een amendement ingediend met betrekking tot het probleem van oudere personen die bij hun kinderen inwonen.
De heer Malmendier is van oordeel dat een klooster gezien moet worden als een gemeenschap, gebaseerd op het principe van de solidariteit en dat de leden dus niet als alleenstaanden kunnen worden beschouwd.
De vertegenwoordiger van de minister antwoordt dat de IGO alle samenwonenden op dezelfde manier wilde behandelen, onafhankelijk van de samenlevingsvorm. De IGO is een residuair recht dat slechts wordt toegekend op basis van de middelen van de aanvrager en op basis van de bestaansmiddelen van de personen met wie de aanvrager samenleeft.
De minister stelt vervolgens dat onze samenleving steeds minder kloosterlingen telt en dat deze kloosterlingen ook een minder uitgesproken sociale rol hebben.
De heer Steverlynck is ontgoocheld. Hij stelt vast dat de bejaarde kloosterlingen in het verleden heel wat maatschappelijk nuttige, doch dikwijls onbezoldigde, arbeid hebben verricht.
De heer Malmendier merkt op dat het niet eenvoudig is om te bepalen wat precies bedoeld wordt met "kloostergemeenschap".
Na de belofte van de vertegenwoordiger van de minister dat de minister rekening zou houden met mijn amendement, meer bepaald in het kader van de begroting voor 2003, heb ik dit amendement bij de stemmingen ingetrokken.
Het wetsvoorstel van de heer Steverlynck is verworpen met vijf tegen vier stemmen. Tot zover het verslag.
Persoonlijk en namens de CDH betreur ik de houding van de vertegenwoordiger van de minister en van de meeste commissieleden ten opzichte van een voorstel dat een einde wil maken aan een onrechtvaardigheid en dat een coherentie op het wetgevend vlak wil invoeren.
Het voorstel wil een einde maken aan de ongelijke behandeling van enerzijds personen die in een rust- en verzorgingstehuis verblijven en als alleenstaanden beschouwd worden en anderzijds personen die in een kloostergemeenschap leven en als een feitelijk gezin beschouwd worden met alle financiële gevolgen van dien.
In de wet betreffende de maximumfactuur worden ze dan weer wel als alleenstaanden beschouwd. Ik kan de verschillende redeneringen niet goed volgen.
Bovendien werden de kloosterlingen in de vroegere wetgeving betreffende het gewaarborgd inkomen voor bejaarden wel als alleenstaanden beschouwd. Die wet hield slechts rekening met het inkomen van de aanvrager en de echtgeno(o)t(e), maar het laatste is natuurlijk niet van toepassing op de kloosterlingen.
In de kloostergemeenschappen zullen er voortaan twee soorten kloosterlingen zijn: zij die het oude gewaarborgd inkomen voor bejaarden genoten en de nieuwe, die geen recht zullen hebben op de IGO omdat rekening zal worden gehouden met het inkomen van de andere leden van de kloostergemeenschap.
Ik ben het eens met de opmerking van de heer Steverlynck dat deze personen in de samenleving waardevol en nuttig werk verricht hebben, vaak op vrijwillige basis en dus gratis met het gevolg dat ze geen recht hebben op een pensioen en nu zelfs niet op een inkomensgarantie voor ouderen. Dat is onrechtvaardig en ik verzoek de regering haar houding te herzien.
De heer Jan Steverlynck (CD&V). - Ik dank de rapporteur voor zijn duidelijk verslag, maar ik betreur dat de minister van Sociale Zaken hier niet aanwezig is.
Met deze tussenkomst wens ik de aandacht te vestigen op de inconsequente manier waarop momenteel de kloosterlingen in twee verschillende wetgevingen worden behandeld.
In de wetgeving over de maximumfactuur worden de religieuzen die in gemeenschap leven als alleenstaanden beschouwd. Dat is niet het geval in de wetgeving over de inkomensgarantie voor ouderen. In die regeling worden ze als een groep beschouwd. Om die discriminatie weg te werken, heb ik een wetsvoorstel ingediend. Dat strekt ertoe religieuzen in het kader van de wet op de inkomensgarantie voor ouderen ook als alleenstaanden te beschouwen.
De inkomensgarantie voor ouderen geeft ouderen die niet over voldoende eigen bestaansmiddelen beschikken, recht op een uitkering. De inkomensgarantie steunt op een individueel basisrecht. Het basisbedrag wordt met 50% verhoogd wanneer de gerechtigde een alleenstaande is. Een gezin is volgens de wet een geheel van mensen die op hetzelfde adres wonen. Voor de religieuzen die in een groep en op hetzelfde adres wonen, heeft de definitie "gezin" nefaste gevolgen. Ze worden niet als alleenstaande beschouwd, met het gevolg dat ze nooit meer dan het basisbedrag ontvangen. Bovendien worden alle inkomsten samengeteld en vervolgens gedeeld door het aantal kloosterlingen. Daardoor zullen religieuzen in veel gevallen zelfs geen recht meer hebben op het basisbedrag van de inkomensgarantie. Daarenboven moeten bij elke nieuwe aanvraag alle bestaansmiddelen van alle kloosterlingen die in de gemeenschap leven, opnieuw in rekening worden gebracht. Wanneer er een wijziging plaatsvindt in de samenstelling van de religieuze gemeenschap, moet de wijziging van de bestaansmiddelen worden gemeld. Dat geeft een enorme administratieve rompslomp.
De wet op de inkomensgarantie voor ouderen voorziet uitdrukkelijk in een uitzondering voor de personen die in een rust- en verzorgingstehuis of in een psychiatrisch verzorgingstehuis zijn gedomicilieerd. Die uitzondering voorkomt dat mensen die in een dergelijke instelling worden opgenomen, hun recht op de inkomensgarantie verliezen.
Mijn wetsvoorstel strekt er toe die uitzondering uit te breiden tot al degenen die deel uitmaken van een religieuze gemeenschap.
Ondertussen werd het wetsontwerp betreffende de maximumfactuur in de verzekering voor geneeskundige verzorging goedgekeurd. De wet bepaalt hoeveel aan remgeld voor medische verzorging individuen en gezinnen maximaal moeten betalen. In de wet op de maximumfactuur worden zowel de leden van de kloostergemeenschappen als de personen in een rust- en verzorgingstehuis als alleenstaanden beschouwd. Personen die zijn opgenomen in een rust- en verzorgingstehuis worden zowel voor de inkomensgarantie als voor de maximumfactuur als alleenstaanden beschouwd. Voor hen bestaat dus duidelijk een coherente regeling, die niet bestaat voor de leden van de kloostergemeenschappen.
Tijdens de besprekingen in de commissie liet minister Vandenbroucke uitschijnen dat hij de inkomensgarantie niet wil aanpassen voor de religieuzen. Hij wil alleen administratieve logheid tegengaan. Ik ben het vooral niet eens met het argument van de minister dat "onze samenleving minder kloosterlingen telt en dat deze kloosterlingen een minder uitgesproken sociale rol hebben zodat men zich moet afvragen of onze samenleving wel bereid is om deze kloosterlingen dit residuair recht van de inkomensgarantie voor ouderen toe te kennen zonder supplementair onderzoek". Die redenering is een miskenning van de historische waarheid over onze religieuzen. Net de bejaarde kloosterlingen hebben in het verleden heel wat maatschappelijk nuttige, doch vaak onbezoldigde arbeid verricht. Het weekblad Tertio stelt: "Het stemt in elk geval tot nadenken dat uitgerekend de pioniers van de gezondheids- en ouderenzorg de dupe dreigen te worden van een inconsequente en onrechtvaardige regeling van de minister van Sociale Zaken".
Ik vraag dan ook nogmaals een consequente behandeling van de religieuzen. Ze zijn zelf vragende partij voor een aanpassing in de wet op de inkomensgarantie. Als die er komt, krijgen hulpbehoevende bejaarde religieuzen de zekerheid dat ze met een minimum aan administratieve verplichtingen een beroep kunnen doen op de inkomensgarantie. Bovendien zal de maatregel weinig budgettaire gevolgen hebben aangezien, zoals de minister zegt, onze samenleving steeds minder kloosterlingen telt.
Als de plenaire vergadering mijn wetsvoorstel niet goedkeurt, dan moet opnieuw worden nagedacht over het systeem van de maximumfactuur.
De wetgeving is incoherent voor de religieuzen en moet dus worden aangepast. Ik hoop dat de minister en de leden van de meerderheid het hiermee eens kunnen zijn.
-De algemene bespreking is gesloten.
-De stemming over de conclusie van de commissie heeft later plaats.
De voorzitter. - De heer Geens verwijst naar zijn schriftelijk verslag.
-De algemene bespreking is gesloten.
(De tekst aangenomen door de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging is dezelfde als de tekst van het wetsontwerp. Zie stuk 2-1094/1.)
-De artikelen 1 en 2 worden zonder opmerking aangenomen.
-Over het wetsontwerp in zijn geheel wordt later gestemd.
De voorzitter. - De heer Jean-Marie Dedecker verwijst naar zijn schriftelijk verslag.
-De algemene bespreking is gesloten.
(De tekst aangenomen door de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging is dezelfde als de tekst van het wetsontwerp. Zie stuk 2-1114/1.)
-De artikelen 1 en 2 worden zonder opmerking aangenomen.
-Over het wetsontwerp in zijn geheel wordt later gestemd.
De heer Philippe Mahoux (PS). - Ik verwijs naar mijn schriftelijk verslag.
-De algemene bespreking is gesloten.
(De tekst aangenomen door de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging is dezelfde als de tekst van het wetsontwerp. Zie stuk 2-1115/1.)
-De artikelen 1 en 2 worden zonder opmerking aangenomen.
-Over het wetsontwerp in zijn geheel wordt later gestemd.
De voorzitter. - De heer Maertens verwijst naar zijn schriftelijk verslag.
-De algemene bespreking is gesloten.
(De tekst aangenomen door de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging is dezelfde als de tekst van het wetsontwerp. Zie stuk 2-1122/1.)
-De artikelen 1 en 2 worden zonder opmerking aangenomen.
-Over het wetsontwerp in zijn geheel wordt later gestemd.
De voorzitter. - Mevrouw Willame-Boonen verwijst naar haar schriftelijk verslag.
-De algemene bespreking is gesloten.
(De tekst aangenomen door de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging is dezelfde als de tekst van het wetsontwerp. Zie stuk 2-1123/1.)
-De artikelen 1 en 2 worden zonder opmerking aangenomen.
-Over het wetsontwerp in zijn geheel wordt later gestemd.
De heer Theo Kelchtermans (CD&V). - Ik verwijs naar mijn schriftelijk verslag.
-De algemene bespreking is gesloten.
(De tekst aangenomen door de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging is dezelfde als de tekst van het wetsontwerp. Zie stuk 2-1124/1.)
-De artikelen 1 en 2 worden zonder opmerking aangenomen.
-Over het wetsontwerp in zijn geheel wordt later gestemd.
De voorzitter. - De heer Geens verwijst naar zijn schriftelijk verslag.
-De algemene bespreking is gesloten.
(De tekst aangenomen door de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging is dezelfde als de tekst van het wetsontwerp. Zie stuk 2-1125/1.)
-De artikelen 1 en 2 worden zonder opmerking aangenomen.
-Over het wetsontwerp in zijn geheel wordt later gestemd.
De heer Philippe Mahoux (PS). - Ik verwijs naar mijn schriftelijk verslag.
-De algemene bespreking is gesloten.
(De tekst aangenomen door de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging is dezelfde als de tekst van het wetsontwerp. Zie stuk 2-1126/1.)
-De artikelen 1 en 2 worden zonder opmerking aangenomen.
-Over het wetsontwerp in zijn geheel wordt later gestemd.
De voorzitter. - De heer Maertens verwijst naar zijn schriftelijk verslag.
-De algemene bespreking is gesloten.
(De tekst aangenomen door de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging is dezelfde als de tekst van het wetsontwerp. Zie stuk 2-1127/1.)
-De artikelen 1 en 2 worden zonder opmerking aangenomen.
-Over het wetsontwerp in zijn geheel wordt later gestemd.
De voorzitter. - Mevrouw Willame-Boonen verwijst naar haar schriftelijk verslag.
-De algemene bespreking is gesloten.
(De tekst aangenomen door de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging is dezelfde als de tekst van het wetsontwerp. Zie stuk 2-1128/1.)
-De artikelen 1 en 2 worden zonder opmerking aangenomen.
-Over het wetsontwerp in zijn geheel wordt later gestemd.
De heer Theo Kelchtermans (CD&V). - Ik verwijs naar mijn schriftelijk verslag.
-De algemene bespreking is gesloten.
(De tekst aangenomen door de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging is dezelfde als de tekst van het wetsontwerp. Zie stuk 2-1129/1.)
-De artikelen 1 en 2 worden zonder opmerking aangenomen.
-Over het wetsontwerp in zijn geheel wordt later gestemd.
De voorzitter. - De heer Geens verwijst naar zijn schriftelijk verslag.
-De algemene bespreking is gesloten.
(De tekst aangenomen door de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging is dezelfde als de tekst van het wetsontwerp. Zie stuk 2-1130/1.)
-De artikelen 1 en 2 worden zonder opmerking aangenomen.
-Over het wetsontwerp in zijn geheel wordt later gestemd.
De voorzitter. - De heer Destexhe verwijst naar zijn schriftelijk verslag.
-De algemene bespreking is gesloten.
(De tekst aangenomen door de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging is dezelfde als de tekst van het wetsontwerp. Zie stuk 2-1131/1.)
-De artikelen 1 en 2 worden zonder opmerking aangenomen.
-Over het wetsontwerp in zijn geheel wordt later gestemd.
De heer Philippe Mahoux (PS). - Ik verwijs naar mijn schriftelijk verslag.
-De algemene bespreking is gesloten.
(De tekst aangenomen door de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging is dezelfde als de tekst van het wetsontwerp. Zie stuk 2-1152/1.)
-De artikelen 1 tot 3 worden zonder opmerking aangenomen.
-Over het wetsontwerp in zijn geheel wordt later gestemd.
De voorzitter. - De heer Maertens verwijst naar zijn schriftelijk verslag.
-De algemene bespreking is gesloten.
(De tekst aangenomen door de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging is dezelfde als de tekst van het wetsontwerp. Zie stuk 2-1161/1.)
-De artikelen 1 tot 3 worden zonder opmerking aangenomen.
-Over het wetsontwerp in zijn geheel wordt later gestemd.
De heer Josy Dubié (ECOLO). - Na de ineenstorting van de Sovjet-Unie zijn de landen die er deel van uitmaakten op uiteenlopende wijze geëvolueerd. Landen als Estland, Letland, Litouwen en Rusland zijn teruggekeerd naar de democratie, waarover we ons alleen maar kunnen verheugen. Spijtig genoeg zijn andere blijven hangen in een uiterst autoritaire politieke opvatting. Azerbeidzjan en Armenië hebben oorlog gevoerd en we kennen de autoritaire regimes van Oezbekistan en Tadzjikistan. Het minst sympathieke regime is dat van Wit-Rusland.
Tijdens het Belgische voorzitterschap van de Europese Unie in 2001 heeft de minister zijn steun betuigd aan een Europese poging om bij de autoriteiten van Wit-Rusland volledige klaarheid te krijgen over de onopgehelderde verdwijningen van politieke tegenstanders.
Daarenboven heeft België op 8 en 9 februari 2001 deelgenomen aan een trojka van de regionale directeurs van de Europese Unie naar Wit-Rusland. Een van de agendapunten was precies de bezorgdheid van de Europese Unie over die verdwijningen.
Wat hebben Europa en België gedaan in verband met die verdwijningen? Met welk resultaat?
De heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken. - In februari 2001 heeft een trojka van regionale directeurs van de EU, waaraan België heeft deelgenomen, de bezorgdheid van Europa geuit over de niet opgehelderde verdwijningen. Ze kreeg hierop het antwoord dat de EU haar "paternalistische" houding tegenover Wit-Rusland moest wijzigen.
In oktober 2001 heeft de EU, onder het Belgische voorzitterschap, gebruik gemaakt van de benoeming van de heer Gennadi Novitski tot eerste minister van Wit-Rusland om haar verwachtingen inzake het respect voor de mensenrechten en de fundamentele vrijheden opnieuw kenbaar te maken. Ze heeft meer in het bijzonder haar wens onderstreept om de verschillende verdwijningen opgehelderd te zien.
In december 2001 hebben de leiders van de EU-missies in Minsk gemeld dat het proces van de verdachten in de kidnapping van de journalist Dmitri Zavadski, die sinds juli 2000 verdwenen is, in Minsk plaatsvond achter gesloten deuren. Twee leden van de antiterroristische eenheid Almaz worden beschuldigd van zeven moorden, vijf gewapende overvallen en twee kidnappings. Volgens de pers zou de leider van de bende, Ignatovich, gehandeld hebben in opdracht van de president. De OVSE had gevraagd om het proces bij te wonen, maar heeft geen toestemming gekregen. Er werd geen enkel overtuigend bewijs in verband met de verdwijning van Zavadski aan het licht gebracht.
Dat brengt me tot een meer algemene commentaar op het beleid van de EU. Nog tijdens het Belgische voorzitterschap werd vastgesteld dat het beleid waartoe was besloten in de Raad Algemene Zaken van oktober 1997 - een embargo op de ministeriële ontmoetingen en het weren uit Europese en internationale instanties - beperkingen heeft. Een werkelijke vooruitgang op het vlak van de democratisering en het respect voor de mensenrechten kon niet worden bereikt. Daarom werd begonnen met een interne gedachteoefening, die onder het Spaanse voorzitterschap geleid heeft tot een beleid van benchmarks.
In die benadering worden verschillende opeenvolgende fases van relaties bepaald. Afhankelijk van de vooruitgang in Wit-Rusland op bepaalde gebieden zou de EU op haar beurt een stap zetten naar de normalisering van de relaties. De stappen gebeuren geleidelijk en voorwaardelijk, zodat de EU een stimulans behoudt voor de democratie en de rechtsstaat. De bevrijding van de politieke gevangenen, onder ander Bandazjevski en Klimov, evenals een nieuw onafhankelijk onderzoek van de verdwijningen, meer bepaald van Zavadski, Gontsjar, Krasovski en Zacharenko, maken expliciet deel uit van de eisen van de EU.
De bevrijding van Andrei Klimov op 25 maart en de daaropvolgende publieke verklaring van president Loekasjenko dat hij zich wil houden aan de toetredingsvoorwaarden tot de Raad van Europa zijn de eerste bemoedigende tekenen.
Toch heeft de EU haar beleid van benchmarks bevroren omdat de autoriteiten van Wit-Rusland de werking van de missie van de OVSE voortdurend belemmerden. Zo werd bijvoorbeeld geweigerd om het visum te verlengen van de adjunct-chef van de missie van de raadgevende waarnemersgroep van de OVSE.
De Europese Unie heeft daarom een protestverklaring gepubliceerd op 4 juni laatstleden.
Voorts bereidt de EU zich voor om haar grote bezorgdheid te uiten over het proces en de veroordeling van twee journalisten, Nikolai Markevich en Pavel Mozheiko van het dagblad Pagonya. Dat proces bevestigt dat de onafhankelijke media in Wit-Rusland nog steeds worden vervolgd.
De heer Josy Dubié (ECOLO). - Ik dank de minister voor zijn antwoord en ik neem akte van de stappen die werden ondernomen. Jammer genoeg zijn ze niet zeer doeltreffend. Denkt de minister niet dat het nuttig kan zijn om de Russische autoriteiten hierover aan te spreken? De Russische regering heeft waarschijnlijk meer mogelijkheden om druk uit te oefenen op de regering van Wit-Rusland dan de Europese Unie. Is het niet raadzaam, gezien onze goede relaties met Rusland, via dat kanaal te ijveren voor een versoepeling en een democratisering van het regime van Wit-Rusland? Ik vraag de minister daarover na te denken.
-Het incident is gesloten.
De voorzitter. - De heer Malmendier verwijst naar zijn schriftelijk verslag.
Mevrouw Erika Thijs (CD&V). - Met deze nieuwe regelgeving tracht de regering de zwaksten in onze samenleving te beschermen tegen de negatieve gevolgen van de liberalisering van de energiesector. Toegegeven: dit wetsontwerp bevat een aantal positieve elementen. Er wordt voorzien in begeleiding en hulp, dat wil zeggen in een preventieve en curatieve aanpak. Bovendien neemt de overheid op basis van vooraf bepaalde criteria en in verhouding tot de geschatte effecten van de maatregel de personeelskosten ten laste.
Er zijn echter ook negatieve elementen. De praktijk wijst uit dat hulpbehoevenden zich niet melden bij een dreigend probleem, maar pas op het ogenblik dat het water hen aan de lippen staat. Van preventie zal er in de praktijk dus weinig sprake zijn. De regering beseft dit maar al te goed en schreef daarom in de wet een tweede mogelijkheid in, namelijk het effectief betalen van de rekeningen. De bevolking zal immers enkel vragen om de rekening over te nemen, terwijl er van begeleiding nauwelijks sprake zal zijn. Een steuntrekker moet trouwens elke maand kiezen welke rekeningen hij kan vereffenen. We weten allemaal dat hij niet alle schulden kan betalen. De keuze wordt dan bijzonder eenvoudig: de energierekening wordt doorgeschoven naar het OCMW.
Bovendien wordt de groep steuntrekkende vreemdelingen die ingeschreven zijn in het vreemdelingenregister, niet meegerekend en dat geeft een zeer vertekend beeld van de risicogroep. Precies deze mensen maken immers aanspraak op dergelijke financiële hulp.
De correcte steuntrekker, die prioritair zijn energierekeningen betaalt, wordt in feit gestraft. Hij kan op geen enkele manier een terugbetaling bekomen, terwijl iemand, die zelfs geen steuntrekker hoeft te zijn, naar het OCMW kan gaan om zijn energierekening door de samenleving te laten betalen.
Bepaalde van onze vragen werden nog altijd niet beantwoord. Misschien kan de minister dat zodadelijk doen. We vragen ons immers af waarom de regering kiest voor een regeling voor de energiekosten en niet voor andere problemen, zoals de huur. Is dit een beschermingsmaatregel voor de energiesector?
Waarom krijgt een openbaar bestuur de opdracht met de energieleveranciers te onderhandelen over afbetalingsplannen? Hierdoor krijgen deze bedrijven de boodschap dat de klanten niet meer zelf bij machte zijn te onderhandelen. Wij denken dat de sector zich hierdoor steeds rigider zal opstellen wanneer het om afbetalingsplannen gaat. De realiteit wijst immers uit dat er nog slechts afbetalingstermijnen van zes maanden worden gehanteerd, te rekenen vanaf de factuurdatum. Op het ogenblik van de onderhandelingen zijn er al ten minste twee of drie maanden voorbij en blijven er voor de afbetalingstermijn uiteindelijk nog slechts een drietal maanden over. Dat is natuurlijk niet haalbaar. De energiebedrijven weten dat ook en gooien het op een akkoord met het OCMW, dat wel zal betalen.
De afgelopen weken kwam de problematiek in de actualiteit. De verantwoordelijkheid wordt weer eens doorgeschoven van het winstgevende particuliere bedrijf naar het OCMW. De CD&V meent dat het op termijn niet haalbaar is om alles door te schuiven naar de gemeenten.
Met amendement nummer 3 willen we in artikel 6 na de woorden "aantal vreemdelingen ingeschreven in het bevolkingsregister..." de woorden "en in het vreemdelingenregister" toevoegen. Nadat de personeelstoelagen zijn uitgekeerd wordt het saldo over de OCMW's verdeeld. Het is bestemd om hen de mogelijkheid te bieden om hulpgelden ter betaling van facturen toe te kennen aan personen met betalingsmoeilijkheden. De verdeling gebeurt à rato van het aantal bestaansminimumgerechtigden plus het aantal vreemdelingen ingeschreven in het bevolkingsregister die financiële steun genieten. De steungenietende vreemdelingen ingeschreven in het vreemdelingenregister worden ten onrechte niet meegeteld. Het is precies die groep die vaak betalingsmoeilijkheden heeft en zeker ook aanspraak zal maken op de nieuwe mogelijkheden die de wet zal bieden.
Amendement nummer 4 strekt ertoe artikel 6 aan te vullen met een nieuw lid, luidende "het steunverlenende OCMW kan de verleende tegemoetkomingen terugvorderen." Vanuit pedagogisch oogpunt is het vaak belangrijk om de verleende hulp geheel of gedeeltelijk terug te vorderen. Dit is vooral het geval bij hulp aan gezinnen die in principe een toereikend inkomen hebben om hun rekening te betalen, maar het geld veeleer aan allerhande consumptie besteden dan aan basisvoorzieningen. Bovendien ontstaat een vorm van onbillijkheid tussen mensen met eenzelfde inkomen die vaak met veel moeite hun facturen zelf hebben betaald en zij die bij het OCMW aankloppen.
Indien de wet niet expliciet in de terugvorderbaarheid voorziet, kunnen de arbeidsrechtbanken de verleende tegemoetkomingen niet terugvorderbaar beschouwen.
De heer Marc Verwilghen, minister van Justitie. - Ik vervang minister Vande Lanotte en ik verwijs naar de omstandige uiteenzetting die in de Kamer werd gegeven en die in beknopte vorm in de Senaat werd herhaald. De amendementen van mevrouw Thijs werden in de commissie behandeld, ik verwijs hiervoor naar het verslag.
-De algemene bespreking is gesloten.
(De tekst aangenomen door de commissie voor de Sociale Aangelegenheden is dezelfde als de tekst van het door de Kamer van volksvertegenwoordigers overgezonden ontwerp. Zie stuk Kamer 50-1664/8.)
De voorzitter. - Artikel 6 luidt:
Teneinde in de opdrachten bedoeld in artikel 2, 2º, te voorzien, verdeelt de federale Staat jaarlijks, na aftrek van de noodzakelijke middelen voor de financiering van de in artikel 4 bedoelde maatregelen, het saldo van de fondsen bedoeld in artikel 7 over de OCMW's op basis van de som van het aantal gerechtigden op bestaansminimum of gerechtigden op maatschappelijke integratie en het aantal vreemdelingen ingeschreven in het bevolkingsregister die recht hebben op financiële steun van het OCMW op 1 januari van het voorgaande jaar.
Dit saldo moet exclusief aangewend worden voor:
- een tegemoetkoming inzake de aanzuivering van niet-betaalde rekeningen en/of
- maatregelen in het kader van een preventief sociaal energiebeleid.
Op dit artikel heeft mevrouw Thijs amendement 3 ingediend (zie stuk 2-1163/3) dat luidt:
In het voorgestelde artikel tussen de woorden "aantal vreemdelingen ingeschreven in het bevolkingsregister" en de woorden "die recht hebben op financiële steun" de woorden "en in het vreemdelingenregister" toevoegen.
Op hetzelfde artikel heeft mevrouw Thijs amendement 4 ingediend (zie stuk 2-1163/3) dat luidt:
Dit artikel aanvullen met een nieuw lid, luidende:
"Het steunverlenende OCMW kan de verleende tegemoetkomingen terugvorderen."
-De stemming over de amendementen wordt aangehouden.
-De aangehouden stemmingen en de stemming over het wetsontwerp in zijn geheel hebben later plaats.
De heer Jean Cornil (PS). - Het Centrum voor gelijkheid van kansen en racismebestrijding en de Liga voor mensenrechten hebben zich in oktober 2000 burgerlijke partij gesteld tegen drie verenigingen die aanleunen bij het Vlaams Blok. De burgerlijke partijen baseren zich op artikel 3 van de wet van 30 juli 1981 die het aanzetten tot rassenhaat beteugelt.
Op 29 juni 2001 achtte de 46ste kamer van de correctionele rechtbank van Brussel zich onbevoegd voor de behandeling van deze feiten aangezien het om een politiek misdrijf gaat, dat moet worden beoordeeld door het Hof van Assisen. Het parket van Brussel, het Centrum en de Liga hebben dezelfde dag nog beroep aangetekend.
Een jaar later heeft het parket-generaal de datum van het proces bij het Hof van Beroep nog altijd niet vastgelegd. Bij mijn weten is er geen achterstand in de behandeling van de Nederlandstalige dossiers van het parket van het Hof van Beroep van Brussel. Wat is de huidige stand van dit dossier?
De heer Marc Verwilghen, minister van Justitie. - Mijn antwoord zal kort zijn. De procureur-generaal bij het Hof van Beroep van Brussel deelt mij mee dat dit dossier op 10 september eerstkomend bij het Hof van Beroep van Brussel geagendeerd is.
De heer Jean Cornil (PS). - Ik dank de minister voor dit duidelijk antwoord.
Mevrouw Iris Van Riet (VLD). - In januari 2000 werd tijdens een bijeenkomst van de Verenigde Naties in Genève in voorbereiding van de conferentie Peking 5+ een initiatief genomen voor een mogelijke vijfde wereldconferentie voor vrouwen in 2005. Dit initiatief kreeg veel steun van de niet-gouvernementele organisaties en is op de VN-bijeenkomst in New York in juni 2000 besproken.
De regeringen van de landen die lid zijn van de VN keurden er unaniem een politieke verklaring goed om in 2005, 10 jaar na Peking en 20 jaar na Nairobi, een nieuw initiatief terzake in overweging te nemen.
De NGO's vragen de regeringen nu om hun verbintenis om een wereldconferentie voor vrouwen te organiseren in 2005 te bevestigen. Op dit ogenblik zijn alle mogelijke opties over de vorm van de conferentie nog open. Het kan gaan over een bijzondere vorm van wereldconferentie, een globale top of een speciale sessie. De regering van Finland heeft bijvoorbeeld al toegezegd een actieve politiek voor de vijfde wereldconferentie voor vrouwen na te streven. Maar elke regering moet, alleen of samen met andere regeringen, een initiatief nemen.
België heeft steeds intens mee gewerkt aan de voorbereiding van de internationale vrouwenconferenties en er ook aan deelgenomen en ook in de opvolging liet ons land zich niet onbetuigd. Op 6 maart 1996 werd de zogenaamde Pekingwet aangenomen waardoor het Parlement een verslag moet krijgen over de opvolging van het platform dat in 1995 in Peking werd goedgekeurd.
Wat is de houding van België tegenover de vraag van de NGO's om in 2005 een vijfde wereldconferentie voor vrouwen te organiseren?
De heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken. - België heeft inderdaad de verbintenissen onderschreven die zijn vervat in paragraaf 9 van de politieke verklaring van de buitengewone zitting van de Algemene Vergadering van de Verenigde naties, genaamd "vrouwen in het jaar 2000: gelijkheid tussen de geslachten, ontwikkeling en vrede voor de XXIste eeuw" die gehouden werd in juni 2000. In die paragraaf wordt bepaald dat de tenuitvoerlegging van het Actieplan van Peking regelmatig moet worden onderzocht met het oog op de samenkomst van alle betrokken partijen in 2005 om tien jaar na aanname van de Verklaring en het Actieprogramma van Peking de geboekte vooruitgang te evalueren en, indien nodig, nieuwe initiatieven te overwegen.
Het specifieke mandaat voor de "Peking + 10" dient natuurlijk nog te worden opgesteld. Dat gebeurt in internationale onderhandelingen waarbij compromissen soms onvermijdelijk zijn. Die onderhandelingen zijn nog niet begonnen.
Wat de follow-up van de grote VN-conferenties betreft, is de Europese Unie van mening dat op de eerste plaats de aanbevelingen en de conclusies van de laatste conferentie concreet en op doeltreffende wijze moeten worden opgevolgd. Het doel is niet automatisch om de vijf of tien jaar een follow-up-conferentie bijeen te roepen, maar om geval per geval een nieuwe wereldconferentie op te zetten, als na onderzoek van de specifieke situatie blijkt dat de doelstellingen van de vorige conferentie aldus dichterbij kunnen worden gebracht.
België zal echter binnen de Vijftien ijveren om de holistische benadering die reeds werd gebruikt voor ons nationaal verslag, ook doorgang te doen vinden bij de Verenigde Naties.
De NGO's zullen, als erkende belanghebbende partijen bij het voorbereidingsproces, worden geconsulteerd wanneer wij die standpunten formuleren.
-Het incident is gesloten.
De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Op 29 juni 2002 las ik in een krant: "Het gerechtelijk arrondissement Brussel heeft voor de hele zone Halle-Vilvoorde slechts vijf substituten. Dat is één substituut per 100.000 inwoners. De Nederlandstalige Brusselse substituten trekken aan de alarmbel. Ze zitten op het tandvlees."
De benoemingen van toegevoegde rechters dienen volgens het vandaag gewijzigde artikel 86bis van het Gerechtelijk Wetboek te gebeuren volgens de behoeften van de dienst. Uit recente cijfers die de Nederlandstalige magistraten van het Brusselse parket meedelen, blijkt echter dat de "behoeften van de dienst" niet steeds zijn wat op het eerste gezicht lijkt.
Eerst en vooral blijkt dat in de praktijk de verhouding twee derden / één derde niet wordt gerespecteerd in de feitelijke werking van het parket. Inclusief gerechtelijke stagiairs ligt deze verhouding momenteel immers op 26,1% Nederlandstaligen tegenover 73,9% Franstaligen.
Die verhouding staat in schril contrast met de feitelijke werkdruk. Rekening houdend met vier verschillende indicatoren, namelijk dossiers doorgegeven tot alle doeleinden, dossiers doorgegeven ter informatie, onderzoeken en nieuwe dossiers, zou de verhouding veeleer 33,5% Nederlandstaligen tegenover 66,5% Franstaligen moeten zijn.
Bijgevolg rijst dan ook de vraag hoe de minister gebruik denkt te maken van de mogelijkheden die hem worden geboden door het gewijzigde artikel 86bis van het Gerechtelijk Wetboek. Zal er rekening worden gehouden met de behoeften van de dienst, namelijk een tekort aan Nederlandstaligen in verhouding tot het aantal Nederlandstalige zaken?
De heer Marc Verwilghen, minister van Justitie. - Tot nader order zijn gerechtelijke stagiairs geen magistraten. De heer Vandenberghe rekent ze dus ten onrechte mee bij het bepalen van de taalverhouding bij de magistraten van het parket van eerste aanleg te Brussel.
De cijfers waarover wij beschikken, geven een verhouding van 70% Franstalige zaken tegenover 30% Nederlandstalige. De cijfers in de vraag wijken daarvan 3,9% af. Die enkele procenten zijn niet van aard om iets fundamenteels te veranderen aan de werkverdeling volgens de taal van de zaken.
In de vraag wordt voortdurend gealludeerd op het parket van eerste aanleg te Brussel. Daaruit leid ik af dat de vraag de toewijzing van toegevoegde substituten betreft. Ik wijs erop dat artikel 86bis uitsluitend handelt over de toewijzing van toegevoegde rechters. De toewijzing van toegevoegde substituten geschiedt op basis van verslagen van de bevoegde gerechtelijke overheden aan de minister. De korpschef moet als manager bij de vraag naar toegevoegde magistraten erop toezien dat de dossiers, ongeacht de taal waarin ze zijn gesteld, binnen eenzelfde tijdsduur worden afgehandeld en dat de werklast gelijk over alle magistraten wordt verdeeld. Dat betekent dat, als er te weinig magistraten van de Nederlandstalige rol zijn, er ééntalige toegevoegde substituten van de Nederlandse taalrol zullen moeten worden aangewezen.
De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Mijn cijfers komen uit de verslagen die in mei zijn verspreid. Dat bewijst nogmaals dat statistieken relatief zijn.
Het ligt voor de hand dat het formeel niet artikel 86bis betreft, maar het is ook duidelijk dat deze wet zowel de verhoging van het aantal eentalige rechters als van het aantal eentalige substituten beoogt.
Wie zal er uiteindelijk beslissen over de evaluatie van de behoeften van de dienst vooraleer kan worden overgegaan tot het open verklaren van eentalige vacatures voor de functie van substituut te Brussel? Dat was mijn vraag. Uit het antwoord leid ik af dat de korpsoverste aan de minister een voorstel moet doen.
De heer Philippe Monfils (MR). - De wet van 8 augustus 1997 betreffende het centraal strafregister werd op 24 augustus 2001 gepubliceerd.
Vreemd genoeg zijn de artikelen 9 en 10 van deze wet nog steeds niet in werking getreden. In deze artikelen worden de veroordelingen vastgelegd die niet mogen worden vermeld in het uittreksel dat de betrokkene krijgt, evenals voorschriften met betrekking tot de vervallenverklaringen, de ontzettingen en andere.
Er worden twee redenen genoemd voor de niet-inwerkingtreding. Enerzijds moeten de strafregisters van de gemeenten worden verbonden met het centrale strafregister en anderzijds moet het informaticaprogramma van het centraal strafregister worden aangepast aan de artikelen 9 en 10.
Hoewel het om technische aanpassingen gaat, zouden deze artikelen volgens sommigen pas over enkele jaren in werking treden. Dit is zeer verontrustend. De minister heeft in een rondzendbrief aan de provincies en de gemeenten de inhoud van de nieuwe wet toegelicht. Het gebeurde echter zonder wettelijke basis en dit is zeer verontrustend als in dat verband een geschil rijst.
Hoe komt het dat het zolang duurt om louter technische informaticaproblemen op te lossen? Meent de minister niet dat er haast moet worden gemaakt? Wanneer zullen deze bepalingen van kracht worden?
De heer Marc Verwilghen, minister van Justitie. - De gemeenten kunnen met het centraal strafregister worden verbonden via het netwerk van het nationaal register door gebruik te maken van de mogelijkheden van het UME-project, Universal messaging engine. Het programma zelf zou niet moeten worden aangepast. Het gaat om een uitreksel dat moet worden aangepast wat betreft de regels voor het uitwissen.
De artikelen 9 en 10 van de wet van 8 augustus 1997 betreffende het centraal strafregister voorzien in de uitreiking van uittreksels aan particulieren door de gemeenten. De Koning zal de inwerkingtreding van de artikelen bepalen.
De gemeentelijke strafregisters vallen onder de bevoegdheid van de minister van Binnenlandse Zaken. Een werkgroep onderzoekt hoe ze met het centraal strafregister kunnen worden verbonden. Ik heb mijn collega al gevraagd de werkzaamheden te versnellen.
Het gaat niet alleen om een technisch probleem. De wetgever heeft terecht waarborgen vastgelegd waardoor het tamelijk lang duurt alvorens gemeentelijke overheden toegang krijgen tot het centraal strafregister.
In afwachting van de inwerkingtreding van de artikelen 9 en 10 reiken de gemeenten, zoals bepaald in de rondzendbrief van 30 augustus 2001, getuigschriften van goed zedelijk gedrag uit.
De heer Philippe Monfils (MR). - Kan u ons aangeven binnen welke termijn de artikelen in werking zullen treden? Zal het inderdaad nog jaren duren of is het een kwestie van maanden?
De heer Marc Verwilghen, minister van Justitie. - Het zal binnen enkele maanden zijn geregeld.
De heer Philippe Monfils (MR). - Laten we het hopen.
De voorzitter. - Het woord is aan mevrouw Kestelijn-Sierens voor een mondeling verslag.
Mevrouw Mimi Kestelijn-Sierens (VLD). - De commissie heeft het wetsontwerp besproken tijdens haar vergadering van 10 juli 2002, in aanwezigheid van de minister van Financiën. Aangezien de plenaire vergadering er zich nog vandaag moet over uitspreken, werd mij verzocht een mondeling verslag uit te brengen.
De minister gaf in zijn inleidende uiteenzetting toelichting bij het doel en de structuur van de investeringsmaatschappij.
De Inter-Amerikaanse Investeringsmaatschappij is een autonome regionale financiële instelling, opgericht als filiaal van de Inter-Amerikaanse Ontwikkelingsbank.
Deze maatschappij bestaat als orgaan van de Inter-Amerikaanse Ontwikkelingsbank, naast een multilateraal investeringsfonds en een concessioneel luik, namelijk het Fonds voor Bijzondere Verrichtingen.
België is tot op heden alleen lid van de bank en het Fonds voor Bijzondere verrichtingen, maar wil nu ook participeren in de investeringsmaatschappij.
De maatschappij telt 36 lidstaten waarvan 26 regionale in Latijns-Amerika, de Caraïben en de Verenigde Staten van Amerika, en 10 niet-regionale namelijk Oostenrijk, Denemarken, Frankrijk, Duitsland, Israël, Japan, Nederland, Spanje en Zwitserland.
Het kapitaal bedraagt 203,7 miljoen USD.
België heeft lang geaarzeld om toe te treden, onder meer omdat er een overlapping was van de activiteiten van de maatschappij met die van de bank en omdat de Belgische banken en ondernemingen al aan de activiteiten konden deelnemen zonder dat België zelf lid was.
België kende nochtans een belangrijke evolutie in zijn economische betrekkingen met Latijns-Amerika en het leek dan ook interessant om de investeringen en exportmogelijkheden te ondersteunen door een lidmaatschap van deze internationale instelling.
De investeringsmaatschappij is bovendien ook een instrument dat een rol kan spelen in de ontwikkeling van de Latijns-Amerikaanse landen, zodat België beschikt over een bijkomend instrument voor ontwikkelingshulp in deze regio.
De kapitaalsverhoging van 500 miljoen USD, waartoe in mei 1999 werd beslist, bood België de kans om toe te treden.
Van de 50.000 nieuwe aandelen werden er 4.729 gereserveerd voor de lidstaten van de bank, waaronder België, die tot de investeringsmaatschappij wensten toe te treden.
De belangstelling van België past ook in de onderhandelingen op de top van de staatshoofden van Zuid-Amerika, de Caraïben en de Europese Unie van 28 en 29 juni 1999 in Rio de Janeiro.
In de slotresolutie van deze top werd het accent gelegd op een adequaat niveau van investeringen en op de transfer van technologieën tussen de regio en de Europese Unie op het domein van de KMO's. Dat is precies de doelstelling van deze investeringsmaatschappij.
Daar België belangstelling had getoond, kreeg ons land de mogelijkheid om 0,34% van het kapitaal te onderschrijven.
België vroeg om budgettaire redenen evenwel om zijn aandeel tot 0,24% te beperken.
Tot zover de toelichting van de minister.
Er werden tijdens de bespreking talrijke vragen gesteld.
De heer Roelants du Vivier juichte het Belgische initiatief toe, maar vroeg zich af waarom het aandeel van België zo beperkt was in vergelijking met andere landen zoals Portugal en de Skandinavische landen.
De minister antwoordde dat Portugal met Zuid-Amerika natuurlijk een heel andere relatie heeft. Hij verwijst ernaar dat België ook een grotere participatie heeft in de Afrikaanse Ontwikkelingsbank dan bijvoorbeeld Finland.
De heer Maertens verwees naar het advies van de Raad van State dat suggereert om het wetsontwerp samen te behandelen met het ontwerp dat de omzetting van de Belgische verbintenis in intern recht omzet. Hij vroeg of daaraan werd tegemoetgekomen.
De minister antwoordde dat er in de Kamer een wetsontwerp is ingediend dat in de omzetting voorziet. Het is de bedoeling een bedrag in te schrijven in de begroting om de verbintenis van België inzake de toetreding tot de Investeringsbank te regelen.
Dat ontwerp zal samen met het onderhavig ontwerp in de Kamer worden behandeld. Er is voorzien in de betaling van 1,690 miljoen USD voor de periode 2001-2007.
In antwoord op de vraag van de heer Steverlynck verklaarde de minister dat België zelf heeft gevraagd zijn participatie in de Investeringsmaatschappij te verminderen tot 0,24%, maar dat een participatie tot 0,34% mogelijk was omdat het een aandeel in de bank bezit, wat recht geeft op een evenwaardige participatie in de Investeringsmaatschappij.
Op mijn vraag hoe het komt dat niet alle lidstaten van de Europese Unie deelnemen, heeft de minister geantwoord dat hij in de Europese Raad steeds heeft aangedrongen op een Europese aanwezigheid in de regionale ontwikkelingsbanken. Dat geldt ook voor de Wereldbank en het IMF. De Amerikaanse collega's dringen trouwens aan op een Europese vertegenwoordiging. Op het ogenblik is dat evenwel onmogelijk omdat verscheidene Europese lidstaten zich ertegen verzetten. Op de Ecofinraad werd er evenwel een principeakkoord gesloten om op lange termijn naar één zetel te streven voor de EU.
Wat de vraag van de heer Steverlynck betreft over de implicaties van de crisis in Argentinië, blijkt dat er inderdaad een weerslag is, maar deze situeert zich eerder op het niveau van de Investeringsbank zelf dan op dat van de Investeringsmaatschappij.
De artikelen 1 en 2, alsmede het ontwerp in zijn geheel, werden eenparig aangenomen door de 11 aanwezige leden.
-De algemene bespreking is gesloten.
(De tekst aangenomen door de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden is dezelfde als de tekst van het wetsontwerp. Zie stuk 2-1204/1.)
-De artikelen 1 en 2 worden zonder opmerking aangenomen.
-Over het wetsontwerp in zijn geheel wordt later gestemd.
Mevrouw Clotilde Nyssens (CDH). - Het Internationaal Strafgerechtshof is maandag 1 juli 2002 officieel van start gegaan. De strijd tegen de daders van genocide, oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid kan eindelijk een realiteit worden.
Velen verwelkomen deze nieuwe stap in de bescherming van de mensenrechten.
De tegenstand van zeer invloedrijke landen toont echter aan dat binnen de internationale gemeenschap geen consensus bestaat over het Internationaal Strafgerechtshof. De houding van deze landen, en vooral van de Verenigde Staten, kan andere landen ertoe aanzetten de Conventie van Rome van 1998 niet ratificeren.
Bovendien is in andere staten, die rechtstreeks betrokken zijn bij daden die in het Statuut van het Hof als misdaden worden omschreven, weinig goede wil aanwezig om deze misdaden te veroordelen. Mensenrechtenorganisaties hebben dit gebrek aan belangstelling trouwens vaak aangeklaagd.
België heeft vanaf het begin een belangrijke rol gespeeld bij de oprichting van het Internationaal Strafgerechtshof. Ons land moet de totstandkoming van een internationaal strafrecht blijven promoten, vooral dan op Europees vlak.
Ik heb de volgende vragen.
Welke inspanningen zal de minister op bilateraal vlak doen om zoveel mogelijk landen aan te moedigen de Conventie van Rome van 1998 zo snel mogelijk te ratificeren?
Is het zijn bedoeling om van dit nieuwe instrument voor de bescherming van de mensenrechten een echte spil te maken van het buitenlands beleid van de Europese Unie? Hoe kan de Unie druk uitoefenen op landen die weigerachtig staan tegenover de engagementen binnen het kader van dit Hof? Welke maatregelen kan de Europese Unie nemen in haar buitenlands beleid? Zal België de ratificatie van de Conventie van Rome als voorafgaande voorwaarde stellen voor de toetreding van nieuwe landen tot de Europese Unie, net zoals het geval was voor de ondertekening van de Europese Conventie voor de Rechten van de Mens? Is het denkbaar dat een dergelijke voorwaarde wordt opgenomen in de economische akkoorden met andere landen, bijvoorbeeld in de ACS-akkoorden?
Wat zal de houding van de minister zijn tegenover landen waar momenteel daden worden gepleegd die door het Internationaal Strafgerechtshof kunnen worden veroordeeld? Ik denk meer bepaald aan de Democratische Republiek Congo. Dat land heeft de Conventie op 11 april 2002 geratificeerd.
De heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken. - Sinds verschillende jaren kijkt België op geen enkele inspanning om zoveel mogelijk landen te overtuigen om het Statuut van het Internationaal Strafgerechtshof te ondertekenen en te ratificeren. Zo werd vorig jaar met de begroting "Preventieve diplomatie en mensenrechten" van Buitenlandse Zaken een conferentie in Praag gefinancierd waarop de landen van Centraal en Oost-Europa werden aangemoedigd het Statuut zo snel mogelijk te ratificeren.
Tijdens zijn voorzitterschap heeft België er systematisch voor gepleit dat het Internationaal Strafgerechtshof een universeel Hof zou zijn. Het spreekt trouwens boekdelen dat het aantal ratificaties dat nodig is voor de inwerkingtreding van het Statuut van Rome sneller werd bereikt dan verwacht.
Ik probeer zoveel mogelijk landen van het zuidelijk halfrond warm te maken voor het Internationaal Strafgerechtshof. We gaan momenteel na hoe deze bezorgdheid kan worden geïntegreerd in ons beleid inzake bilaterale hulp, vooral dan met Centraal Afrika. Sommige traditionele partnerlanden hebben onze hulp gevraagd om hun intern recht in overeenstemming te brengen met het Statuut van het Hof. België wil echter niet alleen zoveel mogelijk landen voor toetreding winnen; eens de toetreding een feit is, mag ze geen dode letter blijven.
Het Internationaal Strafgerechtshof is reeds een van de prioriteiten van het buitenlands beleid van de Europese Unie. Deze heeft in juni 2001 een gemeenschappelijk standpunt ingenomen over het hof. De eerste doelstelling is het universeel karakter en de effectieve inwerkingtreding te promoten. Dit gemeenschappelijk standpunt, dat in juni 2002 werd hernieuwd, nodigt de lidstaten ook uit om de integriteit van het Statuut van het Hof te respecteren. Op basis van dit gemeenschappelijk standpunt hebben we heel wat demarches gedaan bij landen die het Statuut van Rome nog niet hebben ondertekend of geratificeerd.
Het acquis communautaire bestaat uit de verdragen van Europese Unie. Het statuut van het Internationaal Strafgerechtshof maakt daar geen deel van uit. De criteria voor toetreding, waaronder ook de politieke criteria, werden in 1993 in Kopenhagen vastgelegd. Het lijkt me zeer moeilijk om op het einde van de onderhandelingsprocedure een bijkomende voorwaarde op de leggen. Desalniettemin beschikken de landen die het Statuut van Rome hebben geratificeerd zeker over een troef bij de toetredingsonderhandelingen. Op Turkije na hebben trouwens alle kandidaat-lidstaten het statuut ondertekend.
Titel II van het nieuwe akkoord van Cotonou gaat over de politieke dimensie van de samenwerking tussen de Europese Unie en de ACS-landen. Er wordt in gezegd dat de eerbied voor de mensenrechten, de democratische principes en de rechtsstaat, waarop het partnerschap tussen de ACS en de Europese Unie is gebaseerd, het interne en internationale beleid van de partners inspireert en een essentieel onderdeel van het akkoord is. Artikel 11 van het akkoord bepaalt ook dat de partijen een actief, globaal en geïntegreerd beleid voeren voor de bevordering van de vrede en de preventie en regeling van conflicten. Dit akkoord bevindt zich in de ratificatieprocedure; het is dus moeilijk er nu nog een nader omschreven voorwaarde aan toe te voegen. Dit punt staat niettemin op de agenda van de politieke dialoog met de ACS-landen die het Statuut nog niet hebben ondertekend of geratificeerd.
Mochten zich gevallen voordoen waarbij bijvoorbeeld burgers uit de Democratische Republiek Congo daden zouden hebben gepleegd die door het Hof kunnen worden veroordeeld, dan zal België de betrokken landen aansporen om nauw met het Hof samen te werken.
-Het incident is gesloten.
De voorzitter. - Bij de Senaat is een voorstel ingediend om in de commissie voor de Sociale Aangelegenheden de heer Michiel Maertens door de heer Frans Lozie te vervangen als plaatsvervangend lid. (Instemming)
(De naamlijsten worden in de bijlage opgenomen.)
De voorzitter. - We stemmen over amendement 14 van de heer Vandenberghe.
Stemming 1
Aanwezig: 59
Voor: 14
Tegen: 44
Onthoudingen: 1
-Het amendement is niet aangenomen.
De voorzitter. - We stemmen over amendement 1 van mevrouw Staveaux-Van Steenberge.
Stemming 2
Aanwezig: 62
Voor: 6
Tegen: 48
Onthoudingen: 8
-Het amendement is niet aangenomen.
De voorzitter. - We stemmen over amendement 2 van mevrouw Staveaux-Van Steenberge.
Stemming 3
Aanwezig: 62
Voor: 6
Tegen: 48
Onthoudingen: 8
-Het amendement is niet aangenomen.
De voorzitter. - We stemmen over amendement 15 van de heer Vandenberghe.
Stemming 4
Aanwezig: 62
Voor: 14
Tegen: 47
Onthoudingen: 1
-Het amendement is niet aangenomen.
De voorzitter. - We stemmen over amendement 3 van mevrouw Staveaux-Van Steenberge.
Stemming 5
Aanwezig: 62
Voor: 6
Tegen: 48
Onthoudingen: 8
-Het amendement is niet aangenomen.
De voorzitter. - We stemmen over amendement 16 van de heer Vandenberghe.
Stemming 6
Aanwezig: 61
Voor: 14
Tegen: 46
Onthoudingen: 1
-Het amendement is niet aangenomen.
De voorzitter. - We stemmen over amendement 4 van mevrouw Staveaux-Van Steenberge.
Stemming 7
Aanwezig: 62
Voor: 6
Tegen: 48
Onthoudingen: 8
-Het amendement is niet aangenomen.
De voorzitter. - We stemmen over amendement 17 van de heer Vandenberghe.
Stemming 8
Aanwezig: 61
Voor: 14
Tegen: 46
Onthoudingen: 1
-Het amendement is niet aangenomen.
-Dezelfde stemuitslag wordt aanvaard voor amendement 18 van de heer Vandenberghe. Het amendement is dus niet aangenomen.
De voorzitter. - We stemmen over amendement 8 van mevrouw Staveaux-Van Steenberge.
Stemming 9
Aanwezig: 62
Voor: 6
Tegen: 48
Onthoudingen: 8
-Het amendement is niet aangenomen.
-Dezelfde stemuitslag wordt aanvaard voor de amendementen 5 en 9 van mevrouw Staveaux-Van Steenberge. Deze amendementen zijn dus niet aangenomen.
De voorzitter. - We stemmen over amendement 10 van de heer Vandenberghe.
Stemming 10
Aanwezig: 62
Voor: 14
Tegen: 47
Onthoudingen: 1
-Het amendement is niet aangenomen.
-Dezelfde stemuitslag wordt aanvaard voor de amendementen 13, 19 en 20 van de heer Vandenberghe. Deze amendementen zijn dus niet aangenomen.
De voorzitter. - We stemmen nu over artikel 2.
Stemming 11
Aanwezig: 62
Voor: 47
Tegen: 14
Onthoudingen: 1
-Artikel 2 is aangenomen.
De voorzitter. - We stemmen over amendement 6 van mevrouw Staveaux-Van Steenberge.
Stemming 12
Aanwezig: 61
Voor: 6
Tegen: 47
Onthoudingen: 8
-Het amendement is niet aangenomen.
De voorzitter. - We stemmen over amendement 11 van de heer Vandenberghe.
Stemming 13
Aanwezig: 62
Voor: 14
Tegen: 48
Onthoudingen: 0
-Het amendement is niet aangenomen.
De voorzitter. - We stemmen nu over artikel 3
Stemming 14
Aanwezig: 62
Voor: 47
Tegen: 14
Onthoudingen: 1
-Artikel 3 is aangenomen.
De voorzitter. - We stemmen over amendement 7 van Staveaux-Van Steenberge.
Stemming 15
Aanwezig: 62
Voor: 6
Tegen: 48
Onthoudingen: 8
-Het amendement is niet aangenomen.
De voorzitter. - We stemmen over amendement 12 van de heer Vandenberghe.
Stemming 16
Aanwezig: 61
Voor: 14
Tegen: 47
Onthoudingen: 0
-Het amendement is niet aangenomen.
De voorzitter. - We stemmen nu over artikel 4
Stemming 17
Aanwezig: 62
Voor: 47
Tegen: 14
Onthoudingen: 1
-Artikel 4 is aangenomen.
De voorzitter. - We stemmen nu over het wetsontwerp in zijn geheel.
Stemming 18
Aanwezig: 62
Voor: 45
Tegen: 15
Onthoudingen: 2
-Het wetsontwerp is aangenomen.
-Het zal aan de Koning ter bekrachtiging worden voorgelegd.
De voorzitter. - We stemmen eerst over amendement 1 van mevrouw Staveaux-Van Steenberge.
Stemming 19
Aanwezig: 63
Voor: 6
Tegen: 48
Onthoudingen: 9
-Het amendement is niet aangenomen.
-Dezelfde stemuitslag wordt aanvaard voor de amendementen 2 tot 5 van mevrouw Staveaux-Van Steenberge. Deze amendementen zijn dus niet aangenomen.
De voorzitter. - We stemmen nu over amendement 7 van de heer Vandenberghe en mevrouw De Schamphelaere.
Stemming 20
Aanwezig: 62
Voor: 15
Tegen: 46
Onthoudingen: 1
-Het amendement is niet aangenomen.
-Dezelfde stemuitslag wordt aanvaard voor de amendementen 10, 6, 8 en 9 van de heer Vandenberghe en mevrouw De Schamphelaere. Deze amendementen zijn dus niet aangenomen.
De voorzitter. - We stemmen nu over artikel 2.
Stemming 21
Aanwezig: 64
Voor: 48
Tegen: 16
Onthoudingen: 0
-Artikel 2 is aangenomen.
De voorzitter. - We stemmen over amendement 11 van de heer Vandenberghe en mevrouw De Schamphelaere.
Stemming 22
Aanwezig: 64
Voor: 15
Tegen: 48
Onthoudingen: 1
-Het amendement is niet aangenomen.
-Dezelfde stemuitslag wordt aanvaard voor de amendementen 12, 13 en 14 van de heer Vandenberghe en mevrouw De Schamphelaere. Deze amendementen zijn dus niet aangenomen.
De voorzitter. - We stemmen nu over artikel 3.
Stemming 23
Aanwezig: 64
Voor: 48
Tegen: 16
Onthoudingen: 0
-Artikel 3 is aangenomen.
De voorzitter. - We stemmen nu over het wetsontwerp in zijn geheel.
Mevrouw Gerda Staveaux-Van Steenberge (VL. BLOK). - We hebben vanochtend reeds uitvoerig onze bezwaren tegen dit wetsontwerp toegelicht. De minister heeft vanochtend uitgelegd waarom de taalwet van 1935, waarvoor de Vlamingen jarenlang strijd hebben gevoerd, overboord moet worden gegooid. Hij zei dat de verfransing van de Brusselse rechtbank en het opleggen van eentalige Franstalige rechters nodig is om de gerechtelijke achterstand in Brussel weg te werken.
Dat er een gerechtelijke achterstand van drie jaar of meer is in Brussel kunnen we nog moeilijk geloven nu de minister hier zojuist verklaard heeft dat het proces tegen een politieke partij in Brussel binnen de tijdspanne van één jaar kan worden aangevat. Uiteraard zijn wij gevaarlijke misdadigers waarbij alle moordenaars en verkrachters in het niet verzinken! Of zou het toch waar zijn dat het uitschakelen van een politieke tegenstrever vóór juli 2003 veel belangrijker is dan elke democratische gedrevenheid? Mijnheer de minister, zet uw kruistocht tegen de democratie maar voort. De kiezer heeft altijd gelijk!
De voorzitter. - We stemmen nu over het wetsontwerp in zijn geheel.
Stemming 24
Aanwezig: 64
Voor: 48
Tegen: 16
Onthoudingen: 0
-Het wetsontwerp is aangenomen.
-Het zal aan de Koning ter bekrachtiging worden voorgelegd.
De voorzitter. - We stemmen eerst over amendement 3 van mevrouw Thijs.
Stemming 25
Aanwezig: 64
Voor: 13
Tegen: 45
Onthoudingen: 6
-Het amendement is niet aangenomen.
De voorzitter. - We stemmen nu over amendement 4 van mevrouw Thijs.
Stemming 26
Aanwezig: 64
Voor: 9
Tegen: 49
Onthoudingen: 6
-Het amendement is niet aangenomen.
De voorzitter. - We stemmen nu over het wetsontwerp in zijn geheel.
Stemming 27
Aanwezig: 64
Voor: 49
Tegen: 0
Onthoudingen: 15
-Het wetsontwerp is ongewijzigd aangenomen. Bijgevolg wordt de Senaat geacht te hebben beslist het niet te amenderen.
-Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden met het oog op de bekrachtiging door de Koning.
Stemming 28
Aanwezig: 63
Voor: 57
Tegen: 6
Onthoudingen: 0
-Het wetsvoorstel is aangenomen.
-Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.
De voorzitter. - Wij stemmen over de conclusie van de commissie, die voorstelt dit wetsvoorstel te verwerpen.
Stemming 29
Aanwezig: 63
Voor: 44
Tegen: 19
Onthoudingen: 0
-De conclusie is aangenomen.
-Bijgevolg is het wetsvoorstel verworpen.
Stemming 30
Aanwezig: 64
Voor: 64
Tegen: 0
Onthoudingen: 0
-Het wetsontwerp is aangenomen.
-Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.
Stemming 31
Aanwezig: 64
Voor: 64
Tegen: 0
Onthoudingen: 0
-Het wetsontwerp is aangenomen.
-Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.
-Voor dit wetsontwerp wordt de uitslag van stemming 31 aanvaard.
-Het wetsontwerp is aangenomen.
-Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.
-Voor dit wetsontwerp wordt de uitslag van stemming 31 aanvaard.
-Het wetsontwerp is aangenomen.
-Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.
-Voor dit wetsontwerp wordt de uitslag van stemming 31 aanvaard.
-Het wetsontwerp is aangenomen.
-Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.
-Voor dit wetsontwerp wordt de uitslag van stemming 31 aanvaard.
-Het wetsontwerp is aangenomen.
-Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.
-Voor dit wetsontwerp wordt de uitslag van stemming 31 aanvaard.
-Het wetsontwerp is aangenomen.
-Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.
-Voor dit wetsontwerp wordt de uitslag van stemming 31 aanvaard.
-Het wetsontwerp is aangenomen.
-Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.
-Voor dit wetsontwerp wordt de uitslag van stemming 31 aanvaard.
-Het wetsontwerp is aangenomen.
-Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.
-Voor dit wetsontwerp wordt de uitslag van stemming 31 aanvaard.
-Het wetsontwerp is aangenomen.
-Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.
-Voor dit wetsontwerp wordt de uitslag van stemming 31 aanvaard.
-Het wetsontwerp is aangenomen.
-Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.
-Voor dit wetsontwerp wordt de uitslag van stemming 31 aanvaard.
-Het wetsontwerp is aangenomen.
-Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.
De heer Philippe Mahoux (PS). - Ik stel vast dat deze overeenkomst werd ondertekend in 1990.
-Voor dit wetsontwerp wordt de uitslag van stemming 31 aanvaard.
-Het wetsontwerp is aangenomen.
-Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.
-Voor dit wetsontwerp wordt de uitslag van stemming 31 aanvaard.
-Het wetsontwerp is aangenomen.
-Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.
-Voor dit wetsontwerp wordt de uitslag van stemming 31 aanvaard.
-Het wetsontwerp is aangenomen.
-Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.
-Voor dit wetsontwerp wordt de uitslag van stemming 31 aanvaard.
-Het wetsontwerp is aangenomen.
-Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.
De voorzitter. - Ik stel voor deze vragen om uitleg samen te voegen. (Instemming)
Mevrouw Fatma Pehlivan (SP.A). - Op 3 mei 1999 werd het Executief van de Moslims van België bij koninklijk besluit erkend als officiële gesprekspartner voor de overheid en werden tal van verantwoordelijkheden en te realiseren doelstellingen aan dat orgaan toegewezen.
Met deze vraag om uitleg wil ik te weten komen in welke mate de doelstellingen reeds gerealiseerd zijn inzake onderwijs, sociale aangelegenheden en moskeeën.
Werden er sinds de oprichting al nieuwe leerkrachten aangeworven in het onderwijs en voldoet het aantal leerkrachten aan de vraag? Hoe zit het met de permanente opleiding die de leraren werd beloofd? Werd er reeds een volwaardig lesprogramma opgesteld en hoe zit het met de inspectie van de lessen?
Hoever staat het met het aalmoezeniersschap in de gevangenissen, de hospitalen, het leger en de rusthuizen en met de permanente vorming van die aalmoezeniers?
Wat is de stand van zaken met betrekking tot het verlenen van percelen op de openbare begraafplaatsen voor moslims?
Hoever staat het met het statuut van de moskeeën en de imams en met de procedure voor de erkenning van de plaatsen van eredienst?
Tot slot zou ik graag weten hoever het staat met het controlesysteem voor de rituele slachting en de toekenning van het halal-label aan vlees voor consumptie in België en voor de uitvoer naar moslimlanden?
De heer Wim Verreycken (VL. BLOK). - Een moslimverantwoordelijke pleitte onlangs voor een versterking van de Staatsveiligheid met de bedoeling organisaties en personen, die nochtans aan de controle van het Executief van de Moslims onderworpen zijn, beter te kunnen controleren. Zijn pleidooi komt erop neer dat de Belgische staat verantwoordelijk zou zijn voor het toenemende moslimfundamentalisme.
De eerste concrete vraag die ik me daarbij stel is de volgende. Wanneer zullen álle senatoren - en niet enkele zoals dat nu blijkbaar het geval is - inzage hebben in het verslag van de Staatsveiligheid over het moslimfundamentalisme in België? De media hebben daar al uitvoerig over bericht. Dat zou erop kunnen wijzen dat senatoren voor een lek hebben gezorgd, al durf ik dat niet te veronderstellen.
Tweede vraag. Is er enig overleg tussen de diensten van de minister en de gemeenschapsministers van onderwijs, teneinde de moslimleerkrachten te toetsen op hun gehechtheid aan onze wetten? Ik hou hier zeker geen pleidooi voor federale inmenging in gemeenschapsaangelegenheden. Ik wil alleen weten of de gemeenschapsministers van onderwijs informatie krijgen van de Staatsveiligheid - en dat gaat de minister van Justitie aan - over de fundamentalistische ingesteldheid van kandidaat-leerkrachten.
Derde vraag. Worden toekomstige moslimaalmoezeniers onderworpen aan een toetsing door de Staatsveiligheid of volstaat het dat zij voorgedragen worden door de Moslimraad, het Executief of een ambassade?
Wordt hun gehechtheid aan onze wetten getoetst vóór ze een opdracht krijgen?
Vierde vraag. Hoeveel vrouwen zitten er nu eigenlijk in de representatieve moslimorganen? Toen ik deze vraag stelde aan de vorige minister van Justitie, de heer Van Parys, antwoordde hij dat we dat pas zouden weten na de verkiezingen, maar dat er in elk geval vrouwelijke kandidaten waren. Hoeveel vrouwen zijn er dus uiteindelijk verkozen en hoeveel mannen? We willen ook graag de verhouding tussen beide groepen kennen.
Vijfde vraag. Hoeveel imams komen in aanmerking voor de jaarwedde van circa 13.520 euro, iets meer dan een half miljoen Belgische frank? Werd een bovengrens gesteld op het aantal imams dat op die wedde aanspraak kan maken?
Zesde vraag. De tekorten van de kerkfabrieken komen ten laste van de gemeentebegroting. Dat is het gevolg van de confiscatie van de kerkbezittingen tijdens de Franse bezetting. Zullen zonder dergelijke historische rechtvaardiging, de tekorten van de moskeeën ook worden doorgeschoven naar de provincie- of gemeentebegroting?
Laatste vraag. Hoe wordt de controle op de inhoud van de toespraken van de imams georganiseerd?
Die vragen lijken me niet overbodig voor een en ander in de praktijk wordt omgezet en om te voorkomen dat ongecontroleerde leerkrachten, aalmoezeniers en imams op de bevolking worden losgelaten.
Mevrouw Anne-Marie Lizin (PS). - Ik wens een democratische mening te geven over de moeilijkheden die we ondervinden om tot een duidelijke relatie te komen met alle erediensten op ons grondgebied, en vooral met het Executief van de Moslims.
Onder impuls van de voorzitter heeft de begeleidingscommissie van het Comité I in haar verslag benadrukt dat een duidelijk onderscheid moet worden gemaakt. Enerzijds is er het geheel van de moslimgemeenschap; anderzijds is er een deel van die gemeenschap dat er terecht kan van worden verdacht niet alleen extremistische standpunten in te nemen, die een oproep tot haat en misdaad inhouden en daarom reeds onwettelijk zijn, maar ook een hele reeks acties te ondernemen, waaronder de rekrutering voor terroristische activiteiten, onder andere in het buitenland.
Tot onze verbazing hebben we vastgesteld dat ook in de andere richting een amalgaam werd gemaakt. Zo doet de moslimgemeenschap, of in elk geval het Executief, alsof ze niet heeft gelezen hoe nauwkeurig we in onze analyse wilden zijn. Het Executief maakt zelf een amalgaam van alle activiteiten van de moslimgemeenschap, alsof die in haar geheel wordt aangevallen.
Juist deze politieke onwil binnen de moslimgemeenschap om de extremistische fractie en de rol bij de organisatie van terroristische acties te erkennen, is gevaarlijk. Hiertegen moeten de ministers optreden. De regering moet het verslag nauwkeurig lezen zodat ze actie kan ondernemen.
Sommige zaken moeten worden verduidelijkt. In hoeverre moeten we een oproep tot moord tolereren? De moslimgemeenschap mag zeggen dat het beleid van Bush fout is, iedereen doet dat. Het is echter abnormaal om te zeggen dat alle Amerikanen en ook hun leiders, moeten worden vermoord. We moeten duidelijk vastleggen hoever publicaties die op ons grondgebied verschijnen, kunnen gaan.
Ook de standpunten over de gelijkheid tussen mannen en vrouwen moeten worden uitgeklaard. In de Franse gemeenschap werd dit probleem aangekaart en minister Hazette heeft een goed antwoord gegeven. Lessen in een koranschool die meisjes aanraden te aanvaarden dat op ze twaalfjarige leeftijd moeten trouwen en dat vrouwen om morfologische redenen thuis moeten blijven, gaan in tegen het Belgische recht en de Grondwet, die de gelijkheid tussen mannen en vrouwen vooropstellen. We moeten tot een georganiseerd discours komen en de draagwijdte van het probleem inschatten.
Ik heb de minister onlangs ondervraagd over de gevangenissen. Hij moet zijn werk voortzetten. Hij antwoordde dat rekening wordt gehouden met de rekrutering in gevangenissen. Er zitten daar mensen die de wet hebben overtreden. Ze kunnen makkelijker worden overgehaald om de wet te blijven overtreden als ze ervan kunnen worden overtuigd dat ze handelen in naam van de jihad.
We mogen niet blind blijven. Ik wenste als democraat onmiddellijk na de vorige spreker mijn standpunt uiteen te zetten. De regering moet de ernst inzien van het debat dat we samen met het Comité I hebben opgestart.
Mevrouw Fatma Pehlivan (SP.A). - Ik wil graag nog even het woord nemen vóór de minister antwoordt om een duidelijk onderscheid te maken tussen mijn invalshoek en die van de heer Verreycken. Mijn bezorgdheid gaat uit naar de moslimgemeenschap, naar de 90 of 95 procent die ook bezorgd is om wat er gebeurt en met wie de overheid te weinig communiceert. Dat heb ik de plenaire vergadering en de minister willen duidelijk maken. De moslimgemeenschap ervaart het amalgaam dat doorgaans wordt gemaakt en waarop ook mevrouw Lizin heeft gewezen, als negatief.
De voorzitter. - We hebben er juist voor gezorgd in het verslag elk amalgaam te vermijden.
Daarom heb ik de leden van het Executief van de Moslims meegedeeld hoe ongelukkig hun brief was en hoezeer hij mij heeft geschokt. Als vertegenwoordigers van een eredienst dragen ze een verantwoordelijkheid en mogen ze in geen geval generaliseren.
Mevrouw Mia De Schamphelaere (CD&V). - Een tweetal weken geleden stelde ik de minister van Justitie een vraag over de organisatie van de islam. Ik deed dat op basis van het jaarverslag van het Centrum voor gelijke kansen en racismebestrijding, CGKR. In het jaarverslag stond dat het betreurenswaardig is dat de gewone islamitische gelovigen eind 2001 door een samenspel van omstandigheden, waar niemand winnaar bij is, niet krijgen waar ze recht op hebben, namelijk een eerste reeks erkende islamitische gemeenschappen en erkende moskeeën.
Er moet zo snel mogelijk een grondwettelijke regeling komen voor iets waar ook de moslimgelovigen recht op hebben, meer bepaald een Belgische organisatie van de islam en een Belgische, Vlaamse of Franstalige financiering van de bedienaars van de eredienst en een Vlaamse opleiding voor de moslimleerkrachten.
De moeilijkheid ligt nog altijd bij de representatieve organen van de islam sinds de verkiezingen ervan in 1999, die toen werden beschouwd als een grote stap in de organisatie van een Europese islam. Door de strubbelingen binnen de representatieve mosliminstanties wordt momenteel echter nog geen enkele bedienaar van de islamitische eredienst door de Belgische overheid gefinancierd.
Deze vaststelling is verontrustend. Immers, zolang de grondwettelijk vastgelegde Belgische financiering ontbreekt, moeten de moskeegemeenschappen leven bij gratie van buitenlandse financiering. Precies daarom zijn ze vatbaarder voor meer politiek-radicale en fundamentalistische strekkingen.
Onze samenleving staat voor een uitdaging: constructief omgaan met de islam. Daarom moet de moslimgemeenschap de wettelijk gewaarborgde faciliteiten krijgen. Een volwaardige erkenning kan bijdragen tot een grotere doorzichtigheid en openheid vanwege de moslimgelovigen en een beter begrip vanwege de andere burgers in ons land. Bovendien brengt de financiële erkenning van de islamitische eredienst ook een grotere verbondenheid en betrokkenheid van de moslimgemeenschap met zich.
In antwoord op mijn vraag van 27 juni wees de minister erop dat de overheid zich niet moet bemoeien met de verhouding tussen het Executief en de Assemblee en dat het executief de enige gesprekspartner is voor de overheid. Er werden twee bemiddelaars aangesteld om vast te stellen of een verdere werking van de organen van de moslimgemeenschap nog mogelijk is. Naar verluidt zijn de twee bemiddelaars parlementsleden. Volgens de minister moeten er geen nieuwe verkiezingen worden georganiseerd. Op mijn vraag of er een verband is tussen de onmogelijkheid om een evenwichtige vertegenwoordiging te bereiken en het gebrek aan erkenning en financiering van de moskeegemeenschappen antwoordde de minister bevestigend. Voor een aantal erkenningsdossiers zou er geen probleem zijn, maar de bal ligt in het kamp van de moslimgemeenschap, die moet meedelen of ze bereid is dossiers in te dienen voor de moskeeën waarvoor er geen problemen zijn.
In de berichtgeving over het recente conflict betreffende het Executief van de moslims wordt melding gemaakt van de activiteiten van het CGKR. Welke activiteiten ontplooiden de medewerkers van het centrum in deze zaak? Waren ze gedekt door de bevoegde overheid of gebeurden deze activiteiten in overleg met het kabinet?
In het kort geding betreffende de positie van het Executief was de Belgische staat geen partij. Zal de Belgische staat in de rechtszaak ten gronde als partij vrijwillig tussenbeide komen, gezien de rol die het departement van Justitie heeft gespeeld bij het tot stand komen en het in stand houden van het Executief?
Wie zijn de twee bemiddelaars over wie de minister sprak? Wat is hun specifieke bekwaamheid? Wat is hun precieze opdracht? Welke termijn werd hen gegeven om hun opdracht te voleindigen? Wat zijn de consequenties als de bemiddelaars niet slagen in hun opdracht?
Welke consequenties moeten de gemeenschappen en gewesten verbinden aan het feit dat het Executief momenteel niet kan functioneren als geloofwaardige gesprekspartner voor de islamitische gemeenschappen?
Is het mogelijk om een kopie te ontvangen van het reglement van inwendige orde van het Executief en van het door de vorige regering goedgekeurde document Modalités relatives à la formation d'un organe Chef de Culte pour les Musulmans de Belgique, mars 1998? Er zou ook een verslag bestaan met een analyse over de wijze waarop het departement Justitie is omgegaan met de mosliminstanties, waaraan twee uitmuntende constitutionalisten, de professoren Delpérée en Uyttendaele, zouden hebben meegewerkt. Kan de minister daar toelichting bij verstrekken en het bewuste verslag aan de geïnteresseerde senatoren bezorgen?
De heer Marc Verwilghen, minister van Justitie. - Aangezien de drie vragen erg uiteenlopen, zal ik ze niet samen maar ieder apart beantwoorden.
Mevrouw Pehlivan wijs ik er in de eerste plaats op dat de minister van Justitie alleen bevoegd is voor aspecten die de temporaliën van de erkende erediensten aangaan. Sedert de bijzondere wet van 13 juli 2001 waardoor diverse bevoegdheden werden overgedragen aan de gewesten en gemeenschappen, is deze bevoegdheid beperkt tot de erkenning van de erediensten en de aspecten in verband met de representatieve organen en de uitbetaling van de wedden en pensioenen van de bedienaars van de erkende erediensten. Ik zal mij in mijn antwoord dan ook beperken tot de aspecten waarvoor ik bevoegd ben.
Inzake de leerkrachten gaat het om een bevoegdheid van de gemeenschappen. Enkel de aalmoezeniers bij strafinrichtingen vallen onder mijn bevoegdheid. Er is op het ogenblik een koninklijk besluit klaar dat de formaties van de aalmoezeniers, de islamconsulenten en de moreel consulenten bij de strafinrichtingen vastlegt. Het ligt nu bij de minister van Begroting voor advies.
Het probleem van de opleiding van de aalmoezeniers is een interne aangelegenheid van de betrokken eredienst.
De regeling inzake de begraafplaatsen is een bevoegdheid van de minister van Binnenlandse Zaken.
Voor de rituele slachtingen is de minister van Volksgezondheid bevoegd.
Voor het overige kan ik enkel antwoorden op de vraag over het statuut van de imams, aangezien de erkenning van de lokale gemeenschappen onder de bevoegdheid van de gewesten ressorteert. Die erkenning is echter onderworpen aan een aantal voorafgaandelijke beslissingen in verband met de rangorde van de bedienaars van de islamitische eredienst in België. Daartoe zijn er door mijn diensten teksten voorgesteld aan het Executief van de Moslims, maar door interne moeilijkheden heeft dit daar nog geen standpunt over kunnen innemen.
Aan de heer Verreycken kan ik antwoorden dat het verslag over het moslimfundamentalisme niet werd opgemaakt door de Veiligheid van de Staat. Het betreft hier een toezichtonderzoek van het Comité I onder de benaming "Rapport van het onderzoek naar de manier waarop de inlichtingendiensten aandacht hebben voor extremistische en terroristische islamitische activiteiten". Alleen het Comité I kan dus beoordelen of dat verslag openbaar mag worden gemaakt. Gedeelten van dit verslag zijn al via de pers bekendgemaakt. De toenmalige administrateur-generaal van de Staatsveiligheid, mevrouw Timmermans, achtte dat in een nota van 30 mei 2002 niet opportuun, maar het is in ieder geval alleen het Comité I dat daarover echt uitspraak kan doen.
Het onderwijs behoort tot de bevoegdheid van de Gemeenschappen en het staat hen vrij de adviezen die zij wensen, in te winnen.
De Islamconsulenten bij de strafinrichtingen worden onderworpen aan een onderzoek door de bevoegde diensten. Eventueel kan de toegang tot de strafinrichting worden geweigerd.
Het Executief van de Moslims van België werd samengesteld bij koninklijk besluit van 4 mei 1999. Bij de samenstelling waren er veertien mannen en twee vrouwen. Door onder meer vertrek en overlijden, zijn er thans nog elf mannen en twee vrouwen.
Het aantal imams dat zal worden betaald met middelen van de begroting van het ministerie van Justitie, is als gevolg van de bijzondere wet van 13 juli 2001 houdende overdracht van een aantal bevoegdheden naar de Gewesten, afhankelijk van de beslissingen die de Gewesten nemen in het kader van hun bevoegdheid om lokale gemeenschappen te erkennen. Gelet op het feit dat dit implicaties heeft voor het budget van de federale overheid wordt in de samenwerkingsakkoorden tussen de Gewesten en de federale overheid, waarvan de voorbereiding bezig is, voorzien in een overlegprocedure en een adviesbevoegdheid van de federale overheid.
Artikel 8 van de wet van 10 maart 1999 tot wijziging van de wet van 5 april 1962 houdende erkenning van de wijzigingen aan het aartsbisdom Mechelen en van de oprichting van het bisdom Antwerpen, de wet van 4 maart 1870 op de temporaliën van de erediensten en het keizerlijk decreet van 30 december 1809 op de kerkfabrieken bepaalt in het zesde lid dat de geldelijke tegemoetkomingen van de gemeenten ten voordele van de bedienaars van de erediensten en de besturen der erediensten, bepaald in de vorige artikelen ten laste komen van de provincies en van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest wat betreft de islamitische en orthodoxe erediensten. Deze tekst is dus duidelijk en de provincies of het Brussels Hoofdstedelijk Gewest zullen de tekorten op de begroting van de lokale gemeenschappen moeten dragen. Het principe van de gelijke behandeling van de erediensten primeert.
Mijn antwoord op de vragen van mevrouw De Schamphelaere luidt als volgt.
In het kader van het islamdossier is het belangrijk een beroep te kunnen doen op personen die gemakkelijk toegang hebben tot de Moslimgemeenschap. Binnen het Centrum voor gelijke kansen en racismebestrijding is die mogelijkheid aanwezig en het ministerie van Justitie heeft dan ook sedert jaren een overeenkomst met het Centrum, waarbij het ministerie van Justitie een beroep kan doen op de expertise van een personeelslid van het Centrum. Er is regelmatig rapportage geweest over de aanwezigheid van een persoon van het Centrum op het Executief.
Het kortgeding dat werd ingeleid voor de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel betrof een probleem van interne orde. Als gevolg van de interne moeilijkheden binnen het Executief en de daaruit voorvloeiende disfuncties hadden een aantal leden van het Executief het initiatief genomen om de huidige voorzitter op een vergadering uit zijn functies te ontheffen. Tegen die beslissing werd door de voorzitter en een aantal leden van de Constituante een geding aangevat, waarbij de huidige voorzitter van het Executief als partij is tussenbeide gekomen.
De vraag luidde daarbij of de leden van het Executief die een collectief voorzitterschap hadden opgericht, op basis van het reglement van Inwendige Orde als voorzitter een dergelijke werkwijze konden vooropstellen en of zij de titel van voorzitter konden voeren.
Het ligt niet in mijn bevoegdheid om mij met interne aangelegenheden van de representatieve organen van de erkende erediensten bezig te houden. De Belgische Staat heeft dan ook er voor gekozen om de neutraliteit in dit conflict te bewaren en is niet tussenbeide gekomen. Om die redenen zal de Belgische Staat ook niet vrijwillig tussenbeide komen in het geding ten gronde.
Er werden inderdaad als gevolg van een beslissing van het kernkabinet, twee bemiddelaars aangesteld. Het gaat om de Heer Philippe Moureaux en Mevrouw Meryem Kaçar. Zij zijn bekend met de Moslimgemeenschap in België. Hun opdracht bestaat erin om aan de hand van contacten binnen de Moslimgemeenschap na te gaan of er nog voldoende vertrouwen bestaat om het huidige Executief nog te laten functioneren. De uitspraak van de kortgedingrechter heeft vooralsnog niet de nodige sereniteit teruggebracht. Aan de hand van hun contacten zullen zij een voorstel formuleren. Er is geen termijn bepaald voor het voltooien van die opdracht.
De vraag over de consequenties indien de bemiddelaars niet slagen, is hypothetisch. Afhankelijk van de inhoud van het rapport van de bemiddelaars, zal de situatie op dat ogenblik worden geëvalueerd.
Door de interne moeilijkheden binnen het Executief worden er op dit ogenblik geen beslissingen genomen. Zolang de bemiddelingsopdracht niet is beëindigd, denk ik trouwens dat het voor het Executief is aangewezen om enkel de lopende zaken te behartigen en geen beslissingen ten gronde te nemen. Daarvoor dient er een klimaat van vertrouwen en samenwerking te bestaan, hetgeen nu niet het geval blijkt te zijn. Uiteraard kunnen er contacten plaatsvinden met de Gewesten, maar er zijn veelvuldige contacten tussen de Gewesten en mijn diensten, waar het islamdossier ook ter sprake komt. Ik vestig trouwens de aandacht op het feit dat eerst een aantal beslissingen ten gronde moeten worden genomen over de hiërarchie binnen de Islam in België, vooraleer kan worden overgaan tot beslissingen in verband met de lokale gemeenschappen. Een antwoord op de teksten die door mijn diensten aan het Executief daarover werden voorgelegd, is er niet gekomen.
Het Reglement van inwendige orde, dat mij, overeenkomstig de bepalingen van artikel 3 van het koninklijk besluit van 3 mei 1999 houdende erkenning van het Executief van de Moslims van België werd overgemaakt, is nooit door het voltallige Executief goedgekeurd. Dat is gebleken uit de vergaderingen die begin 2001 werden gehouden. In die zin meen ik dat het niet nuttig is dat document over te maken. Bovendien werd dit document slechts ter informatie overgemaakt en komt het mij niet toe daarop enige opmerking te maken, aangezien het een interne aangelegenheid betreft. Er werd dan ook slechts akte genomen van de ontvangst van het document.
De tekst van het document dat door de vorige regering werd goedgekeurd inzake de modaliteiten inzake de verkiezingen van een orgaan - hoofd van eredienst is een werkdocument dat werd voorgelegd aan de ministerraad in 1998. Ik meen dan ook dat ik dat document, dat betrekking heeft op het geheim van de beraadslagingen van de federale regering en van de verantwoordelijke overheden die er van afhangen of waarbij een federale overheid is betrokken, niet kan overhandigen.
Mevrouw Fatma Pehlivan (SP.A). - Ik dank de minister voor zijn duidelijke antwoorden, meer bepaald over de opdrachten van het Executief en de ministeriële bevoegdheden dienaangaande. Tegen einde 2002 zouden toch een aantal van de vooropgezette doelstellingen moeten verwezenlijkt zijn, opdat het Executief het vertrouwen van de moslimgemeenschap kan winnen.
De heer Wim Verreycken (VL. BLOK). - Ik dank de minister voor zijn nauwgezette antwoorden op mijn vragen. Mijn laatste vraag over de controle op de toespraken van de imams heeft hij echter overgeslagen. Die vraag is belangrijk in het licht van een zeer schokkend rapport uit Nederland waar de controle op die toespraken wel degelijk werd georganiseerd. Betekent het uitblijven van een antwoord, dat ons land niet controleert of wordt de controle nog voorbereidt? Wij mogen toch niet toelaten dat er opjuttende toespraken worden gehouden zonder dat wij er iets van af weten.
De heer Marc Verwilghen, minister van Justitie. - Mijnheer de voorzitter, ik heb die vraag niet willen ontwijken, ze is gewoon aan mijn aandacht ontsnapt. De controle wordt gedaan door de diensten van de Staatsveiligheid.
Mevrouw Mia De Schamphelaere (CD&V). - Ik heb nogmaals begrepen dat er op het ogenblik te weinig vertrouwen is in het Executief. Er is een gebrek aan positieve samenwerking met de Assemblee zodat er geen echte beslissingen kunnen worden genomen. Er worden enkel lopende zaken afgehandeld.
De opdracht die beide parlementsleden hebben gekregen, is dus van het grootste belang. Ik hoop echt dat zij stappen vooruit kunnen doen en dat er opnieuw vertrouwen groeit. Zo lang de dossiers voor erkenning en subsidiëring geblokkeerd zijn, blijft de buitenlandse financiering spelen, blijft het risico op radicalisering aanhouden en blijft er onvoldoende transparantie, openheid en verbondenheid van de moskeegemeenschap met de Belgische samenleving.
-Het incident is gesloten.
(Voorzitter: de heer Jean-Marie Happart, ondervoorzitter.)
Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Mijn vraag betreft het beleid van de minister inzake terugkeer en schijnhuwelijken. Ik wil ze met een concreet voorbeeld verduidelijken. Een Marokkaanse jongeman is opgesloten in het gesloten centrum in Merksplas. Hij heeft hier een vriendin met wie hij wil huwen. Bovendien verklaart het paar dat zij een kind verwachten. Hun vorige huwelijksaanvraag werd geweigerd. Afgelopen dinsdag werd voor de tweede keer geprobeerd de betrokken uit te wijzen. Hierbij werd hij nogal zwaar aangepakt. Deze uitwijzing heeft uiteindelijk niet kunnen plaatsvinden, maar de betrokkene zit wel nog steeds vast in het centrum in Merksplas.
De advocaat heeft artikel 9, §3 van de vreemdelingenwet ingeroepen in een poging om de betrokkene vooralsnog hier te houden, maar blijkbaar meent de Belgische overheid dat een vaste relatie hebben en een kind verwachten niet voldoende humanitaire redenen zijn om in België te mogen blijven. Zo wordt dat alleszins door de betrokkenen ervaren.
Op basis van welke criteria beslist de minister dat een vreemdeling in België mag verblijven om te huwen?
Onder welke omstandigheden wordt het vaderschap van een vreemdeling beschouwd als een humanitaire reden in de zin van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980?
In welke mate kan men nog spreken van een schijnhuwelijk wanneer in een relatie reeds een kind werd verwekt? Wat zijn de instructies van de minister hieromtrent? Bestaan er instructies? Hoe vindt de minister dat zijn diensten moeten optreden in het licht van de vigerende wetgeving en van het beleid inzake schijnhuwelijken?
De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken. - Ik zal mij niet uitspreken over het door mevrouw de Bethune geciteerde individuele geval. Het Reglement van de Senaat sluit dit soort vragen immers uit.
Het huwelijk is voor een illegaal in het algemeen geen beletsel om naar zijn land terug te keren en er een visum voor gezinshereniging in de vereiste vorm aan te vragen.
Er zijn dus geen uitzonderlijke omstandigheden in de zin van artikel 9.3 van de vreemdelingenwet van 1980, zoals bijvoorbeeld de onmogelijkheid om terug te keren naar het land van herkomst, die de regularisatie van het verblijf van de vreemdeling in België zou rechtvaardigen.
In de praktijk wordt er rekening mee gehouden dat de illegaal met een geldig paspoort en een visa in het land is gekomen, maar dat die vervallen zijn op het ogenblik van de aanvraag tot vestiging naar aanleiding van zijn huwelijk.
Er zijn ook humanitaire gevallen waarbij de terugkeer niet wordt overwogen, namelijk omdat de illegale persoon ten minste zes maand zwanger is.
De zwangerschap toont alleen aan dat het niet om een schijnhuwelijk gaat, al kan dat ook bij de geboorte van een kind niet worden uitgesloten.
De officier van de burgerlijke stand kan bovendien perfect weigeren een huwelijk in te zegenen wanneer hij van het parket een negatief advies krijgt.
De officieren van de burgerlijke stand werden, in het kader van de strijd tegen schijnhuwelijken, gesensibiliseerd in verband met de schijnhuwelijken die in België worden gesloten. Overeenkomstig de omzendbrief van 17 december 1999 kunnen zij de nodige enquêtes verrichten om er zeker van te zijn dat het niet om een schijnhuwelijk gaat.
Op 11 oktober 2000 heb ik de burgemeesters bovendien een omzendbrief gestuurd om hun medewerking te vragen voor een geïntegreerde aanpak van de schijnhuwelijken door bijvoorbeeld het uitwisselen van statistische gegevens.
Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Wanneer een vreemdeling een Belgisch kind heeft of verwacht dan is dat dus geen reden om geregulariseerd te worden, conform de vreemdelingenwetgeving? Ik vind dit en verregaande stelling die ik laat voor rekening van de regering en de diensten van de minister. Ik kan begrijpen dat er in sommige gevallen tegenindicaties zijn, maar ik dacht dat ten minste kan worden gesteld dat een vader van een kind, al dan niet geboren, recht heeft op gezinshereniging. De minister heeft dat laatste weliswaar niet ontkend, maar hij heeft wel gezegd dat de vreemdeling terug naar zijn land moet om gezinshereniging te vragen. In het geval dat ik voor ogen heb, verloopt de administratieve afhandeling bijzonder moeilijk. Ik ben van oordeel dat een gezinshereniging dan ook mogelijk moet zijn.
De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken. - Gelet op de misbruiken en de pogingen tot misbruik moeten we veeleisend zijn.
Niets belet de betrokkene om alle formaliteiten te vervullen. Bepaalde signalen mogen niet aan de buitenwereld worden gegeven. Ik hoef niet te wijzen op de dramatische situaties waartoe deze misbruiken hebben geleid.
-Het incident is gesloten.
Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Naar aanleiding van de topontmoeting in Barcelona worden we overstelpt met berichten over de wereldwijd woekerende aids-epidemie.
Naar ik heb vernomen zouden een aantal met het HIV-virus besmette asielzoekers op het ogenblik in hechtenis worden gehouden met het oog op hun uitwijzing. Gesloten centra en gevangenissen zouden niet over de mogelijkheid beschikken om deze personen de gepaste verzorging te verlenen. Tevens zijn er problemen in verband met hun verzorging in het buitenland.
Wat is het beleid van de minister dienaangaande? Hoeveel aids-patiënten van vreemde nationaliteit worden thans in hechtenis gehouden met het oog op hun repatriëring? Welke maatregelen worden er getroffen voor hun verzorging? In welke omstandigheden wordt een besmetting met het HIV-virus als een voldoende humanitaire reden beschouwd om af te zien van uitwijzing?
De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken. - Momenteel zijn er in de gesloten centra geen zieke aids-patiënten aanwezig.
Aids-patiënten worden in de medische diensten van de gesloten centra op dezelfde manier verzorgd als Belgen. Daartoe werken ze samen met de gespecialiseerde diensten van de verschillende universitaire en academische ziekenhuizen en met het Tropisch Instituut te Antwerpen. Het medisch team geeft HIV-patiënten voorlichting inzake seksueel overdraagbare aandoeningen en verstrekt hen medisch-psychische ondersteuning.
De bewoners van gesloten centra worden niet systematisch gescreend op HIV besmetting Er wordt evenwel selectief gescreend op HIV wanneer er daartoe klinische indicaties zijn of wanneer de bewoners risicogedrag vertonen. Het gaat daarbij om drugsgebruikers en personen die met een andere SOA besmet zijn.
Het is onmogelijk een eenduidig cijfer te geven over het aantal seropositieve patiënten die zouden zijn uitgewezen of gerepatrieerd.
Ernstig zieke personen, dus ook ernstig zieke aids-patiënten, worden overigens nooit gerepatrieerd of uitgewezen aangezien de artsen geen fit to fly afleveren.
Aids-patiënten van wie de toestand stabiel is en die de gepaste medische behandeling volgen, kunnen wel worden gerepatrieerd of uitgewezen.
Of de centrumarts hiertegen al dan niet medisch bezwaar aantekent, hangt van vele factoren af. Zo roept de centrumarts in de meeste gevallen een medisch bezwaar in voor patiënten van Afrikaanse origine. De medische voorzieningen zijn in Afrika immers veelal onbestaand of de kosten voor een medische behandeling zijn er voor de betrokkenen onbetaalbaar.
Voor bewoners die uit andere landen komen hangt de ondertekening door de centrumarts van de fit to fly veelal af van de opvangstructuren ter plaatse en van de kwaliteit van de gegeven verzorging. Elk geval wordt dus afzonderlijk beoordeeld en geëvalueerd door de centrumartsen.
Het aantal Aids-patiënten in de gesloten centra is volgens de medische diensten vrij beperkt. Op ongeveer 10.500 nieuwe inschrijvingen in de gesloten centra tussen januari 2001 tot en met mei 2002, werd voor ongeveer 25 bewoners met Aids een medische behandeling gestart.
Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Ik zal deze informatie doorgeven aan de NGO's die mij omtrent dit probleem hebben gesensibiliseerd. Het verheugt me dat er in de gesloten centra weinig zieke aids-patiënten zijn.
De vraag was ook of degenen die met het HIV-virus besmet zijn, goed worden opgevangen. Mij werd gesignaleerd dat dit niet het geval is. Kan de minister nagaan of dit klopt?
Ik pleit er ook voor dat de minister nagaat of binnen het kader van de projecten voor de vrijwillige terugkeer meer inspanningen kunnen worden gedaan met betrekking tot aids-preventie en dergelijke. Wij moeten alle krachten bundelen om de aids-preventie en -verzorging in alle projecten te stroomlijnen.
De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken. - Ik meen dat mijn antwoord duidelijk was, maar ik zal de vraag voorleggen aan mijn administratie.
-Het incident is gesloten.
De voorzitter. - Ik stel voor deze vragen om uitleg samen te voegen. (Instemming)
De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken, antwoordt namens de heer Didier Reynders, minister van Financiën.
De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - De Financieel Economische Tijd van 29 juni jongstleden meldde dat de Nationale Bank haar minderheidsaandeelhouders zou hebben benadeeld door verschillende vastgoedtransacties ver onder de marktprijs te hebben gedaan.
Twee transacties vallen in het bijzonder op. Op 10 januari 2002 verkocht de Nationale Bank van België een pand in Hasselt voor 942.000 euro aan de vennootschap Cobogra. Die verkocht het pand een maand later bij authentieke akte voor 2,3 miljoen euro aan de NMBS. De onderhandse overeenkomst met de NMBS zou zelfs drie dagen na de verkoop door de Nationale Bank zijn gesloten. Ik stel vast dat de prijs waartegen de Nationale Bank het pand verkocht heeft, kleiner is dan vijf twaalfden van de prijs waartegen hetzelfde pand 3 dagen later aan de NMBS werd verkocht. De minister, een eminent jurist, kent ongetwijfeld de artikelen 1674 en 1675 van het Burgerlijk Wetboek. Volgens mij is hier sprake van een benadeling van meer dan zeven twaalfden ten laste van de verkoper.
De verkoper kan normaal maar zelden de ontbinding van de verkoop vorderen.
De Nationale Bank verkocht een onroerend goed dat een maand later aan de NMBS werd verkocht tegen een prijs die meer dan zeven twaalfden hoger is dan de aanvankelijke verkoopprijs. Dat is toch wel vreemd, tenzij de evolutie van de grondprijzen in Hasselt deze stijging kan verklaren. Of gaat het om een fictieve prijs? Dat zou de zaak nog erger maken.
Ik vraag me dan ook af of de minister de regeringscommissaris niet de opdracht moet geven de Nationale Bank te vragen een burgerlijke vordering in te stellen om de ontbinding van die verkoop te bekomen wegens benadeling van het openbaar domein.
Het volgend dossier is zo mogelijk nog bevreemdender.
Volgens de Financieel Economische Tijd verkocht de Nationale Bank van België op 29 mei 2002 om 10.30 uur 's ochtends twee panden in Kortrijk voor ruim 520.000 euro aan de Société immobilière et garage du Phare. Amper een uur later werden de panden voor ruim 991.000 euro verkocht aan de Federale Kas voor het Beroepskrediet. Werd deze overeenkomst wel te goeder trouw gesloten? Is de derde verkrijger te goeder trouw?
De koper sluit een overeenkomst met een openbare instelling, die volgens de hypotheekbewaarder de eigenaar is, en weet dat hij een uur later kan verkopen aan een derde verkrijger tegen het dubbele van die prijs. Hier kan volgens mij geen sprake zijn van goede trouw bij het sluiten van een overeenkomst.
Waarom onderhandelt de Federale Kas voor het Beroepskrediet trouwens met de Société immobilière et garage du Phare over een eigendom van de Nationale Bank? De Federale Kas weet om 11.30 uur dat de Nationale Bank eigenaar is, want de termijn om authentieke akten over te schrijven in het register van de hypotheekbewaarder neemt nu eenmaal verschillende weken in beslag.
Met andere woorden, hoe komt het dat de derde verkrijger onderhandelt met de koper over een eigendom waarvoor hij het dubbele van de prijs moet betalen, terwijl de Nationale Bank volgens het register van de hypotheekbewaarder daarvan de eigenaar is? Waarom onderhandelt de Federale Kas niet met de eigenaar?
Geef toe dat dit bevreemdend is. De vragen die de minderheidsaandeelhouders volgens de Financieel Economische Tijd over deze transacties stellen, zijn dan ook terecht.
Zijn deze transacties en de omstandigheden ervan onderzocht? Is er een verklaring voor het prijsverschil? Hoe zal de Nationale Bank de burgerlijke belangen verdedigen, indien blijkt dat onze vragen pertinent zijn?
De heer Vincent Van Quickenborne (VU-ID). - De vraag van collega Vandenberghe is interessant omdat ze een perspectief opent op de zaak van de Nationale Bank van België. Een tijd geleden kwam de Nationale Bank in het nieuws door een actie van de minderheidsaandeelhouders, vertegenwoordigd door Deminor, tegen een aantal onregelmatigheden. Het dossier neemt steeds interessantere vormen aan, aangezien blijkt dat bepaalde beweringen wel degelijk beantwoorden aan de werkelijkheid.
Eerst was er de discussie over de noodzaak om de Nationale Bank van België, een beursgenoteerd bedrijf, in te schrijven op de lijst van de Commissie voor het Bank- en Financiewezen. De minister van Financiën wimpelde dat voorstel aanvankelijk af, maar gaf uiteindelijk toe.
Nu worden we geconfronteerd met bevreemdende transacties in onroerend goed, waarvan de heer Vandenberghe er al een aantal heeft opgesomd. Er rijzen hierbij vragen, al was het maar omdat de Staat en de Nationale Bank duidelijk en misschien wel bewust verlies hebben geleden.
Vanochtend heeft de minister in de commissie voor de Financiën tijdens de bespreking van het wetsontwerp op de hervorming van het financieel toezicht, verklaard dat hij aanwezig was als vertegenwoordiger van de Belgische Staat en de Nationale Bank en de belangen verdedigde niet van minderheidsaandeelhouders, maar wel van de Belgische Staat en van de Bank. Wie dit dossier bekijkt, kan niet anders dan concluderen dat hij dit niet al te best deed, tenzij hij handelde met medeweten van de Bank en dan is enige toelichting toch wel op zijn plaats.
Misschien zijn de transacties waarvan collega Vandenberghe gewag maakt, slechts het topje van de ijsberg. Er hebben er immers nog andere plaatsgehad. Ik verwijs naar een transactie in Oostende waarvan enkel de verkoopprijs en de koper bekend zijn - opnieuw de Société immobilière et Garage du Phare - en de datum, namelijk december 1998, dus nog onder een andere minister van Financiën. Niet bekend is de prijs waaraan de verschillende goederen zijn doorverkocht. Kan de minister de prijs en het tijdstip van doorverkoop meedelen? Wat was de bedoeling van de doorverkoop?
Een andere transactie is misschien nog interessanter en vond niet ver van het parlement plaats. In 1998 wordt een gebouw van de Nationale Bank, waarvan de prijs toen op 140 miljoen Belgische frank werd vastgesteld, aan het EHSAL doorverkocht. Niet bekend is de doorverkoopprijs en het precieze tijdstip van verkoop en doorverkoop. Ook daarover kreeg ik uiteraard graag informatie. Niet onbelangrijk: de heer Hubert Detremmerie - de collega's welbekend - was op dat ogenblik tegelijk voorzitter van EHSAL en censor bij de Nationale Bank. De vraag rijst dan uiteraard of er hier sprake is van een belangenconflict en of de heer Detremmerie zich onthouden heeft bij de stemmingen over de verkoop van het gebouw aan EHSAL.
Kan de minister tot slot zeggen wie er schuil gaat achter de vennootschappen Cobogra - blijkbaar een doorverkoopvennootschap - en de Société immobilière et Garage du Phare? Wie waren op dat ogenblik de voorzitter en de leden van de raad van bestuur en welke activiteiten hadden en hebben ze?
De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken. - Ziehier het antwoord van minister Reynders.
Wat Hasselt betreft, werd de verkoopovereenkomst tussen de Bank en Cobogra ondertekend op 17 september 2001 en de akte verleden op 10 januari 2002. De overeenkomst tussen Cobogra en de NMBS werd ondertekend op 7 februari 2002, dit is na het verlijden van de akte waarbij de Bank partij was. Op geen enkel ogenblik waren de Bank, als oorspronkelijke verkoper, en de NMBS als uiteindelijke koper, samen in de markt wat ditzelfde gebouw betreft. Volgens alle bekende en geverifieerde feiten dateert de belangstelling van de NMBS voor dit gebouw van na de ondertekening van de verkoopovereenkomst door de Bank.
Inzake Kortrijk heeft de Bank op 7 januari 2002 de Société immobilière et Garage du Phare per aangetekende brief meegedeeld dat haar bod aanvaard was. De verkoopovereenkomst werd door de Bank ondertekend op 14 februari 2002 en de akte verleden op 29 mei 2002. De Bank is nog bezig de haar tot vorige maand onbekende feitelijke gegevens op te vragen met betrekking tot de doorverkoop tussen SIGP en de Federale Kas voor het Beroepskrediet. Ook hier zou de belangstelling van de uiteindelijke koper, de FKBK, dateren van na het akkoord van de Bank met het bod uitgebracht door SIGP. Het bewust pand stond trouwens te koop sedert 25 juli 2000 en alleen SIGP heeft een bod ingediend.
Op de eerste vraag van de heer Vandenberghe is het antwoord dat op het ogenblik dat de Bank beslist een gebouw te koop te stellen dat ze voor haar bedrijfsuitoefening niet meer nodig heeft, ze een beroep doet op experts in onroerend goed teneinde haar verkoopprijs op basis van een realistische waardering te kunnen vaststellen.
De waarde in normale vrijwillige verkoop van het oude agentschap te Hasselt werd op 7 mei 2001 op 37,5 miljoen frank geraamd. De bedongen verkoopprijs tussen de Bank en Cobogra, namelijk 38 miljoen frank, overtreft dit bedrag. De Bank kon op dat ogenblik dus concluderen dat de verkregen prijs de werkelijke waardering weergaf van het pand.
De Bank doet opmerken dat haar onroerend goed voorzien is van talrijke bouwkundige beveiligingselementen in gewapend beton die niet noodzakelijk beantwoorden aan de behoeften van een koper, maar daarentegen de waarde van het goed naar beneden halen.
Tweede vraag. Het komt in de eerste plaats aan de bank toe de beslissing te nemen en niet aan de minister van Financiën. Het directiecomité van de Bank heeft, op basis van alle intussen bekend geraakte feiten, beslist voor Hasselt twee vorderingen in te stellen. Een vordering inzake de aansprakelijkheid van haar deskundige en een vordering inzake benadeling voor meer dan zeven twaalfden.
Derde vraag. Het intern onderzoek dat de Bank heeft gestart, is nog niet afgerond.
Vierde vraag. De regering heeft geen onderzoek laten instellen over de marktprijs van de panden. De Nationale Bank is een instelling die autonoom wordt beheerd door haar eigen organen. De minister van Financiën heeft geen reden om tussenbeide te komen in het beheer van de Nationale Bank.
Nu kom ik tot de vragen van de heer Van Quickenborne. Wat betreft de verkoop van het agentschap van de Nationale Bank te Oostende kunnen volgende gegevens worden meegedeeld. In 1994 besloot de bank het agentschap te Oostende om te vormen tot een representatiekantoor. Hierdoor was de voorzijde van het gebouw niet langer nuttig voor de bedrijfsexploitatie en werd dat deel te koop gesteld. De voorzijde van het gebouw werd op 2 oktober 1998 tegen de prijs van 14 miljoen frank verkocht aan de Société Immobilière et Garage du Phare. Er waren andere kandidaat-kopers, maar geen enkele andere kandidaat deed uiteindelijk een bod.
De achterzijde van het gebouw, dat inmiddels door de bank als representatiekantoor werd gebruikt, werd vervolgens op 6 december 2000 verkocht tegen de prijs van 4 miljoen frank aan de koper die reeds eigenaar was van de voorzijde. Deze verkoop dient te worden gesitueerd in het kader van de afbouw van het nationale net van representatiekantoren van de bank.
Tweede vraag. Wat betreft de doorverkopen van de Société Immobilière et Garage du Phare, het tijdstip en de bedoeling van de transacties van deze vennootschap kan ik slechts die informatie kunnen verstrekken die ofwel door deze vennootschap vrijwillig ter beschikking wordt gesteld ofwel door de minister wordt aangevraagd bij het kantoor van de hypotheekbewaarder. De bedoelde vennootschap is een vastgoedontwikkelaar die op eigen verantwoordelijkheid en risico zijn vastgoedzaken beheert.
Derde vraag. Wat betreft de gegevens van de verkoop van de Nationale Bank aan EHSAL kan ik het volgende meedelen: koper: EHSAL, datum van de verkoop: 29 december 1998, prijs: 140 miljoen frank, waarvan 40 miljoen frank onmiddellijk werden betaald en vervolgens 5 miljoen frank gedurende 20 jaar zonder rente.
Het is van belang te vermelden dat de Nationale Bank en EHSAL niet alleen aanpalende buren waren, maar ook reeds in een toestand van mede-eigendom en onverdeeldheid verkeerden en het zowel qua gemeenschappelijk beheer als qua veiligheid weinig opportuun was voor de bank om een derde partij in dit gebouwencomplex binnen te brengen. Rekening houdend daarmee en met nog andere factoren was EHSAL de meest aangewezen koper.
Vierde vraag. De censoren van de bank komen niet tussenbeide in beslissingen inzake aan- of verkoop van gebouwen, die tot de uitsluitende bevoegdheid behoren van het directiecomité van de bank.
Vijfde vraag. Wat betreft de vennootschappen Cobogra en Société Immobilière et Garage du Phare kan de minister alleen meedelen dat de gegevens over het vennootschapsdossier beschikbaar zijn in de bijlagen van het Belgisch Staatsblad of bij de balanscentrale kunnen worden verkregen. Voor het overige verwijs ik naar het standpunt zoals onder punt twee geformuleerd.
De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Ik dank de minister voor zijn bijzonder omstandig antwoord.
De onroerendgoedtransactie in Hasselt zal dus leiden tot een dubbele burgerlijke vordering. Dat is een duidelijk signaal.
In Kortrijk loopt het onderzoek over de data van de onroerendgoedtransactie voort. De Nationale Bank aanvaardde op 7 januari 2002 het bod van de verkrijger. Op 14 februari werd de onderhandse akte ondertekend en op 29 mei 2002 werd de authentieke akte verleden. Het is van essentieel belang te weten wanneer de onderhandse verkoop aan de derde verkrijger, de Federale Kas voor het Beroepskrediet, heeft plaatsgegrepen. De akte is immers maar verleden op 29 mei 2002 en de notarissen hebben twee maanden voor de overschrijving, waardoor de einddatum valt op 29 juli 2002. Ik neem aan dat het goed rechtstreeks aan de verkrijger is verkocht, maar als de nieuwe verkrijger bij de bewaarder van hypotheken de eigendomstitel consulteerde, had hij vastgesteld dat de Nationale Bank eigenaar is. Ik zal de minister in de toekomst hierover opnieuw ondervragen.
Ik heb vandaag enkel deze twee onroerendgoedtransacties onder ogen genomen, omdat alleen al bij de omstandigheden waarin ze plaatsvonden, heel wat vraagtekens kunnen worden geplaatst.
De heer Vincent Van Quickenborne (VU-ID). - De minister stelt mij andermaal teleur.
Over de transactie in Oostende zegt hij dat hij geen gegevens heeft. Blijkbaar moet een zaak eerst in de krant staan, voordat hij bereid is in de Senaat ernstige informatie te verstrekken. Het lijkt me in elk geval van het grootste belang goed te weten voor welke prijs, op welk tijdstip en met welk doel het gebouw in Oostende is doorverkocht.
Op de vraag wie er schuil gaat achter de vennootschap Société Immobilière et Garage du Phare, verwijst de minister naar informatie die publiek beschikbaar is. Het zou hem sieren hierover volledige klaarheid te scheppen. Hij had deze informatie zelf al, aangezien hij over de bevoegde diensten beschikt om die inlichtingen in te zamelen en ze ons te bezorgen.
-Het incident is gesloten.
De voorzitter. - De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken, antwoordt namens de heer Didier Reynders, minister van Financiën.
De heer Vincent Van Quickenborne (VU-ID). - Naar verluidt werkt de regering momenteel aan een wetsontwerp dat een wettelijk kader moet geven aan instellingen voor collectieve beleggingen of ICB's voor institutionele beleggers. Het wetsontwerp is het gevolg van het nastreven van een nichestrategie op het vlak van de investeringsfondsen. Er is een groeiende belangstelling vanwege de institutionele beleggers voor ICB's. De huidige wet van 4 december 1990 regelt dat niet. Ik steun dan ook het initiatief van de regering, daar de Belgische institutionele promotoren nu hun toevlucht moeten zoeken in het Groothertogdom Luxemburg, Frankrijk en Duitsland, ten nadele van de Belgische financiële instellingen.
Momenteel worden ICB's onderworpen aan een jaarlijkse belasting van 0,06%. Overweegt de minister het tarief aan te passen voor de "institutionele fondsen" teneinde dit instrument competitief te maken ten opzichte van onze buurlanden?
De werkgroep BeFiCom stelde in zijn aanbevelingen van eind 2001 dat België zo snel mogelijk de twee richtlijnen van 21 januari 2001 moet omzetten, die de richtlijn 85/611 betreffende de ICB's van effecten wijzigen. Is de minister bereid die aanbevelingen op te volgen en, naar aanleiding van het wetsontwerp tot omzetting van de richtlijnen, ook de wet van 4 december 1990 en in voorkomend geval de wet van 11 april 1995 te wijzigen?
De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken. - Momenteel is er geen wetsontwerp in de maak om een wettelijk kader te geven aan instellingen voor collectieve beleggingen voor institutionele beleggers. Er bestaat dus geen ontwerp om de jaarlijkse belasting van 0,06% voor deze collectieve beleggingen aan te passen.
De richtlijnen tot wijziging van de richtlijn 85/611/EG dienen uiterlijk 13 augustus 2003 in Belgisch recht omgezet te zijn. Momenteel bereidt de Commissie voor het Bank- en Financiewezen de omzetting van die richtlijnen voor. Het lijkt zinvol om de omzetting van die richtlijnen in onderdelen op te splitsen. Een eerste onderdeel heeft betrekking op de omzetting van de zogenaamde productrichtlijn, die de toegelaten beleggingen uitbreidt voor ICB's die onder de richtlijn vallen. Dat kan gebeuren door een wijziging van het koninklijk besluit van 4 maart 1991 met betrekking tot bepaalde instellingen voor collectieve beleggingen.
Een tweede onderdeel betreft de omzetting van de richtlijn die betrekking heeft op de beheersvennootschappen en het vereenvoudigd prospectus, wat wijzigingen aan de wet van 4 december 1990 vergt.
In een laatste onderdeel zou eventueel de herziening van een aantal aspecten van het wetgevende kader van de beleggingsinstellingen aan bod komen.
Een dergelijke aanpak biedt de vereiste soepelheid en maakt het mogelijk om snel te reageren mocht blijken dat sommige lidstaten de productrichtlijn vroegtijdig willen omzetten in hun nationaal recht, zodanig dat de daaruit voortvloeiende concurrentiële nadelen voor de Belgische beleggingsinstellingen kunnen worden ondervangen. Een snelle en passende wijziging van het koninklijk besluit van 4 maart 1991 kan de Belgische beleggingsinstellingen in staat stellen de verruimde beleggingsmogelijkheden toe te passen, die de productrichtlijn omschrijft.
-Het incident is gesloten.
De heer René Thissen (CDH). - De toekomst van de spoorweg, meer bepaald van de NMBS, is de jongste weken zeer actueel: enerzijds vanwege de aanstelling van een nieuwe gedelegeerd bestuurder en anderzijds vanwege de tegenstrijdige verklaringen binnen de regering inzake het behoud van het federale karakter van de NMBS.
Het kiezen van de nieuwe gedelegeerd bestuurder was, op zijn zachtst gezegd, niet gemakkelijk. Na veel strubbelingen hebt u de regering de kandidatuur van de heer Karel Vinck doen goedkeuren, oud-voorzitter van het zeer Vlaamse VEV.
Gelet op de regionalistische ingesteldheid van de heer Vinck werden u vragen gesteld over het risico van zijn benoeming voor het behoud van het federaal karakter van de NMBS. Hierop antwoordde u dat de heer Vinck zich zou bezighouden met het beheer van de spoorwegmaatschappij en dat de regering belast was met de behandeling van de institutionele vraagstukken met betrekking tot de NMBS en dat ze de NMBS haar opdrachten via het beheerscontract oplegt.
Dit antwoordt verbaast mij. Enerzijds gaat het voorbij aan de invloed van de gedelegeerd bestuurder op de keuze van de investeringen en vooral op hun uitvoering. Is dat niet de reden waarom de heer Schouppe in het verleden een te Vlaams beleid werd verweten? Het lijkt mij duidelijk dat de heer Vinck, wiens beheerderscapaciteiten ik geenszins betwist, de regionalisering van de NMBS desgewenst kan voorbereiden. Door hem te kiezen, toont u aan dat u bereid bent dat risico te nemen.
Anderzijds krijgt uw antwoord een geheel andere weerklank als men het plaatst naast de verklaring waarin de heer Vande Lanotte vorige week pleitte voor een snelle regionalisering van de NMBS. Aangezien hij deel uitmaakt van de regering en een invloed heeft die sommigen hem benijden, vrees ik dat de regering niet in staat is de rol te spelen die u haar meent te kunnen toekennen op het vlak van het behoud van het federale karakter van de NMBS.
Een gedelegeerd bestuurder die de Vlaamse zaak en de regionalisering van de NMBS genegen is, gesteund door de eerste minister aan wie hij zijn benoeming dankt, en een vice-eerste minister die openlijk voor de regionalisering van de NMBS pleit: dat zijn zaken die ons verontrusten.
Ik veronderstel dat de heer Vinck zijn functie met kennis van de toestand van het bedrijf zal opnemen. Heeft hij daartoe al iets ondernomen? Er zijn geruchten dat de schuld van de NMBS veel groter is dan verwacht. Er zou sprake zijn van tientallen miljarden euro.
In de pers staat dat de toestand over zes maanden opnieuw zal worden geëvalueerd. Voorziet het akkoord daarin? Ik heb vernomen dat de heer Karel Vinck niet enkel gedelegeerd bestuurder, maar ook directeur van het bezoldigingscomité en van het strategisch comité wou worden. Hij zou zijn slag toch niet helemaal hebben thuisgehaald. Wat is er precies aan de gang? Ik vind het belangrijk daarover informatie te krijgen.
Het zal misschien blijken dat de schuld van de NMBS veel groter is dan verwacht. In dat geval rijst de vraag of de heer Vande Lanotte zijn verklaring heeft afgelegd als minister van Begroting dan wel als regionalist. Als minister van Begroting zou het zijn bedoeling kunnen zijn de schuld over te hevelen naar instanties waarvoor hij niet bevoegd is. Zijn regionalistische reflex is evenwel ook te begrijpen.
Mevrouw Isabelle Durant, vice-eerste minister en minister van Mobiliteit en Vervoer. - Ik dank de heer Thissen voor zijn uiteenzetting. Hij zal moeten toegeven dat het veeleer om commentaar dan om een specifieke vraag gaat.
In de eerste plaats moet men opletten met bepaalde uitspraken. Misschien weet de heer Thissen meer dan ik, maar het gaat wellicht te ver om te beweren dat de heer Vinck voorstander is van de regionalisering van de NMBS. De heer Vinck is een Vlaming. Iedereen weet dat hij als directeur van het VEV confederale standpunten heeft verdedigd. De vorige spoorbaas, de heer Schouppe, die tijdens de vorige regeerperiode werd gekozen, was ook een Vlaming. De wet waarborgt de taalpariteit voorzitter-gedelegeerd bestuurder. Bovendien is er een tweede handtekening vereist van de andere taalrol dan die van de gedelegeerd bestuurder.
De heer Vinck heeft formeel verklaard de federale beleidslijn te volgen. Zolang ik deze functie bekleed, zal ik er nauwgezet op toezien dat zowel de heer Vinck als de andere leidinggevende ambtenaren die onder mijn departement vallen, die lijn volgen. De wet die de Senaat heeft goedgekeurd, bevat een reeks elementen die het federale karakter van de NMBS moeten waarborgen.
Men mag de zaken niet overdrijven. Dat betekent niet dat ik blind ben voor het gevaar van een mogelijke regionalisering. De uitlatingen van de Vlaamse politieke beleidsvoerders, ook van mijn collega Vande Lanotte, rechtvaardigen die vrees voor regionalisering. Dat hoeft overigens niet te verwonderen want gedurende drie jaar is alles in het werk gesteld om te beletten dat sommige zaken die niet in de regeringsverklaring zijn opgenomen, op de ene of de andere manier toch worden gerealiseerd.
Die eisen maken al drie jaar deel uit van het debat. Bij de goedkeuring van de wet heeft de PSC erop gewezen dat we met het samenwerkingsakkoord inzake het investeringsplan de weg openden naar de regionalisering. Het feit dat de heer Thissen me thans vraagt of de aanwijzing van de heer Vinck een bijkomende stap in de richting van de regionalisering is, betekent dat de wet die werd goedgekeurd op dat vlak niet echt funest is.
Voor het overige herhaal ik mijn standpunt en mijn bezorgdheid. In een land zoals België, dat niet groter is dan een Duits Land of een Franse regio, heeft regionalisering geen enkele zin. Ze zou meer problemen creëren dan oplossen. Bovendien is ze niet noodzakelijk in het voordeel van degenen die erop aandringen. De 60/40-verdeelsleutel is ongetwijfeld de minst slechte, maar als we objectieve criteria toepassen, moeten we de sleutel misschien omkeren of een volledig andere sleutel toepassen aangezien het Waalse landsgedeelte heuvelachtig is.
Als we de spoorweg opnieuw gezond willen maken en het spoorvervoer een belangrijke rol willen laten spelen op het vlak van de mobiliteit, moeten we ons veeleer bezighouden met het lot van de arbeiders en van de reizigers in plaats van ons druk te maken over nieuwe institutionele constructies en scenario's te verzinnen waarbij het spoor meer te verliezen dan te winnen heeft.
Mijn standpunt is duidelijk en zolang ik verantwoordelijk ben voor dit dossier, zal ik er niet van afwijken. Ik zal bijzonder waakzaam zijn, onder meer in het Uitvoerend Comité van ministers van Mobiliteit, dat we hebben opgericht in het kader van het samenwerkingsakkoord. Dit comité, dat reeds een eerste keer is samengekomen, moet de opvolging van het investeringsplan controleren om het risico van een feitelijke regionalisering uit te sluiten. Het comité bestaat uit de vier bevoegde ministers: de federale minister en de drie gewestministers. Dit belet de gedelegeerd bestuurder of een andere persoon beslissingen te nemen inzake infrastructuur die niet overeenstemmen met het investeringsplan. We moeten evenwel ook rekening houden met andere zaken dan het investeringsplan die eventueel tot regionalisering zouden kunnen leiden.
Op dit ogenblik vertrouw ik op de verklaringen van de heer Vinck. Hij zal in een federaal kader werken en wordt omringd - dat gebiedt de wet - door een aantal door ons gekozen mechanismen en door het Uitvoerend Comité van de ministers van Mobiliteit.
Er wordt gewerkt aan de "boedelbeschrijving". Het is normaal dat een nieuwe baas de tijd neemt om een inventaris op te maken. Hij zal de raad van bestuur een bedrijfsplan voorleggen; dat is overigens de conditio sine qua non voor de gedeeltelijke schuldovername in het kader van de begroting 2003. Die overname zal geleidelijk gebeuren en niet zonder een bedrijfsplan met maatregelen tot beperking van de beheersschuld, dus niet enkel de historische schuld. Er zijn dramatische tekorten, de toestand is zeer ernstig. Het lopend tekort voor dit jaar bedraagt 177 miljoen euro. Momenteel wordt er gewerkt aan het berekenen van de algemene schuld. Het bedrag van 310 miljard Belgische frank moet nog worden bevestigd. De toestand is bijzonder zorgwekkend en rechtvaardigt mijn standpunt over de regionalisering. De topprioriteit is het financieel herstel teneinde de werking te verzekeren.
Het is onmogelijk een pas goedgekeurde wet aan te passen aan de wensen van de gedelegeerd bestuurder. Eventuele aanpassingen mogen niet raken aan de geest of de letter van de wet.
We zijn bereid tegemoet te komen aan de eisen van de nieuwe spoorbaas om hem in staat te stellen zijn werk te doen. Daartoe hebben we een werkgroep opgericht, die bestaat uit de heren Deneef en Vinck en vier experts - twee Franstaligen en twee Nederlandstaligen - in corporate governance. Ze zullen samenwerken op basis van hun dagelijkse ervaring en volgens de principes van goed beheer, maar aangepast aan wat de NMBS vandaag is en rekening houdend met de wet. Ze moeten de regering eventuele wijzigingen voorstellen van reglementen, statuten en zelfs van wetteksten. De doelstelling is steeds dezelfde: een beter beheer en meer transparantie op het vlak van de financiële toestand. Dat is zowel in het belang van de Staat, die hoofdaandeelhouder is, als van de onderneming. Vóór het einde van het jaar moet de werkgroep ons gegevens bezorgen of voorstellen doen, die uiteraard rekening zullen houden met de mening en de wensen van voorzitter en gedelegeerd bestuur. Die gegevens en voorstellen moeten evenwel worden getoetst aan de ervaring van de eerste drie à vier maanden met betrekking tot de werking van de verschillende comités die de beheerraad omringen.
Ten slotte werden een aantal andere zaken geregeld, zoals de interne en de externe communicatie, die tot de bevoegdheid behoort van het management.
Voorts zal nog wel blijken of het nodig is de statuten, de reglementen of een wettekst te wijzigen. Uiteraard kunnen er ook zuiver technische wijzigingen worden aangebracht die te maken hebben met de leeftijd van de "kapitein". Het spreekt vanzelf dat hij zijn functie in een wettelijk kader moet kunnen uitoefenen, maar zijn geboortedatum heeft niets te maken met de geest van de wettekst. Over de wettekst zullen we het opnieuw hebben zodra we de voorstellen hebben ontvangen.
(Voorzitter: mevrouw Sabine de Bethune, eerste ondervoorzitter.)
De heer René Thissen (CDH). - De verklaringen van de minister bewijzen dat we redenen hebben om ons ongerust te maken. Ze zegt zelf dat de heer Vinck zich als voorzitter van het VEV zeer Vlaamsgezind opstelde. Dat is natuurlijk geen tekortkoming, maar het kan tot beslissingen leiden waarmee niet alle Franstaligen het eens zijn. Ik noteer dat de heer Vinck zich ertoe heeft verbonden in een federaal kader te werken en dat hij zijn opdracht met een federale ingesteldheid zal uitvoeren. Tijdens het debat over het wetsontwerp hebben we herhaaldelijk gezegd dat de regering toegevingen heeft gedaan die tot regionalisering kunnen leiden. Wij hebben ons daartegen verzet. We zouden helemaal niet hebben aanvaard dat de wil tot regionalisering werd versterkt op beslissingsniveau.
De minister heeft verklaard dat thans een "boedelbeschrijving" wordt opgemaakt. Er werd een enorme schuld werd vastgesteld en ik vrees dat er nog lijken uit de kast zullen vallen. Als de minister niet uit eigen beweging naar het parlement komt om de toestand toe te lichten die door de nieuwe gedelegeerd bestuurder is vastgesteld, zal ik haar een nieuwe vraag om uitleg stellen. De toestand is wellicht nog erger dan we vermoeden. Dat zal vragen doen rijzen betreffende de mogelijkheid tot schuldovername en betreffende de toekomstige kapitaalvorming. We mogen niet vergeten dat de minister in haar plan heeft laten opnemen dat de NMBS zelf 90 miljard moet vinden om haar investeringen mogelijk te maken. Als de schuld groter blijkt dan verwacht, zal het moeilijk zijn die 90 miljard te vinden. We komen daar nog op terug.
-Het incident is gesloten.
De heer Michel Barbeaux (CDH). - Volgens de wet van 10 augustus 2001 tot verzoening van de arbeid en de levenskwaliteit heeft elke werknemer voortaan het recht gedurende tien dagen afwezig te zijn van het werk voor de geboorte of de adoptie van een kind.
In artikel 15 van het koninklijk besluit van 19 november 1998 betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen staat dat een verlof van vier werkdagen wordt toegestaan voor de bevalling van de echtgenote of de persoon met wie de ambtenaar op het tijdstip van de gebeurtenis samenleeft.
Houdt de invoering van een vaderschapsverlof van tien dagen voor de contractuele werknemers geen discriminatie in tegenover de statutaire ambtenaren, die slechts vier dagen omstandigheidsverlof krijgen?
Werden initiatieven genomen om ook de statutaire ambtenaren 10 dagen vaderschapsverlof te geven?
Waarom bevat het koninklijk besluit, dat het koninklijk besluit van 19 november 1998 wijzigt en dat is ondertekend door de ministers Van den Bossche en Onkelinx, geen enkele bepaling om het vaderschapsverlof aan te passen, terwijl toch verschillende wijzigingen werden aangebracht inzake verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen?
Zal de minister het koninklijk besluit van 1998 opnieuw wijzigen teneinde de contractuele en de statutaire ambtenaren in de federale openbare besturen gelijk te behandelen wat betreft het vaderschapsverlof?
De heer Luc Van den Bossche, minister van Ambtenarenzaken en Modernisering van de openbare besturen. - Een procedure is aan de gang om het koninklijk besluit van 19 november 1998 betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen aan te passen.
Een van de geplande wijzigingen is de verhoging van het aantal dagen vaderschapsverlof voor de statutaire federale ambtenaren. Het omstandigheidsverlof voor statutaire ambtenaren zal van vier tot acht dagen worden verhoogd en tijdens die periode wordt de volledige wedde betaald. Voor de contractuelen stijgt het aantal dagen vaderschapsverlof van drie naar tien dagen, waarvan de drie eerste dagen volledig ten laste van de werkgever vallen en de zeven volgende voor 82% worden vergoed door de sociale zekerheid. Het evenwicht tussen de situatie van de statutairen en de contractuelen wordt daardoor hersteld.
Over het ontwerp werd onderhandeld in het comité A. Er werd een akkoord gesloten en de tekst ligt momenteel ter goedkeuring op het kabinet van de minister van Begroting. Het ontwerp zal daarna zo spoedig mogelijk aan de Ministerraad worden voorgelegd.
Het koninklijk besluit van 10 juni 2002 dat het besluit betreffende de verloven wijzigt, was reeds voor advies voorgelegd aan de Raad van State. Het was technisch niet meer mogelijk om de verhoging van het aantal dagen vaderschapsverlof in datzelfde besluit door te voeren zonder een nieuwe vertraging te veroorzaken.
Daarom werd gekozen voor een andere wijziging. Het spreekt voor zich dat ik het nodige doe om dit nieuwe ontwerp zo spoedig mogelijk tot een goed einde te brengen.
-Het incident is gesloten.
De voorzitter. - Mevrouw Magda Aelvoet, minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu, antwoordt namens zichzelf en De heer Didier Reynders, minister van Financiën.
De heer Johan Malcorps (AGALEV). - Het heeft er alle schijn van dat grote hoeveelheden vers fruit in België worden ingevoerd via de Antwerpse haven zonder dat er enige controle op de kwaliteit gebeurt bij inklaring door de douanediensten. De douane staat immers onder sterke druk van zowel bedrijven als havenbesturen om de afhandelingstijd voor invoerverrichtingen zo beperkt mogelijk te houden. Dit wordt blijkbaar als een troef beschouwd in de concurrentiestrijd tussen de zeehavens.
Men wil bij voorbeeld geen fruittrafieken verliezen aan de haven van Rotterdam. De vraag is echter of hierdoor geen risico's genomen worden voor de volksgezondheid en of er geen schrijnende concurrentievervalsing ontstaat ten opzichte van inheems fruit dat van bij de aanvang veel strikter wordt gecontroleerd. De heer Happart zal mij allicht wat dat betreft gelijk geven.
Bij de invoer van fruit op de fruitkaaien in onze havens legt Europa een wettelijke gezondheids- en kwaliteitscontrole op. Ik verwijs daarvoor naar de EEG-verordening 2251-92 van 29 juli 1992 inzake de kwaliteitscontrole van verse groenten en fruit en naar het koninklijk besluit van 11 december 1992 betreffende de handel in verse groenten.
Ambtenaren van de dienst Plantenbescherming van het Ministerie van Landbouw dienen een fytosanitair certificaat af te leveren. Deze regeling is van kracht sinds 1993.
Fruitfirma's die werkzaam zijn in particuliere depots in de Antwerpse haven hebben sindsdien de gewoonte om te werken met voorlopige aangiften via `globalisatiedocumenten'. Die documenten worden één keer per week voor een hele reeks van vrachtwagens opgesteld. Het fruit werd dus ingeklaard en vrijgegeven voor consumptie op de Belgische markt zonder de vereiste goedkeuringscertificaten. Die certificaten werden wel achteraf bezorgd door de keuringsdienst.
Hiertegen kwam verzet van de bevoegde verificateur en inspecteur, maar de gewestelijke douanedirectie gaf hieraan geen gevolg. Integendeel, begin 2000 werd deze informele regeling geformaliseerd door de Antwerpse douanedirectie, in overleg met het Ministerie van Landbouw. Bij lossen van het schip en inslag van het fruit in het entrepot was er geen keuringscertificaat nodig, enkel nog een document `laat volgen', een voorlopig vrijgavedocument, waardoor impliciet de toelating tot wegneming, maar dus ook tot afvoer en het op de markt brengen van het fruit wordt gegeven. Binnen een maand moet men dan een keuringscertificaat kunnen voorleggen. In theorie moet het fruit dan kunnen teruggebracht worden om alsnog gecontroleerd te worden. Dat laatste is vrij hallucinant want dit is in de feiten onmogelijk: het gaat om vers fruit dat werd vrijgegeven voor consumptie en dat is tegen dan al lang verorberd. Als klap op de vuurpijl blijkt dat ook de `voorlopige vrijgavedocumenten' meestal pas bezorgd worden als het fruit al lang vertrokken is.
Ten slotte blijft ook de erkenning als `particulier entrepot' al jaren aanslepen. In feite werken de twee grote fruitfirma's te Antwerpen met een publiek entrepot type B, waarbij de douane meer controle dient te doen op "in- en uitslag" van fruit. Quod non.
Het zou hierbij vooral gaan om vers fruit dat bestemd is voor de Belgische markt, maar voor fruit in transit wordt soms ook reeds een inklaring gedaan voor heel de Europese Unie. De gevolgen van het gebrek aan controle kunnen dus ook verder reiken dan de Belgische markt.
Kan de minister van Financiën mij meedelen of hij op de hoogte is van de regeling die werd ingesteld door de Antwerpse douanedirectie? Draagt deze zijn goedkeuring weg? Wordt hiermee voldoende tegemoet gekomen aan alle Belgische en Europese besluiten inzake gezondheids- en kwaliteitscontrole aan de buitengrenzen van de Unie, maar ook inzake invoerrechten?
Kan de minister mij meedelen of zij op de hoogte is van de afspraak die gemaakt werd tussen diensten van Landbouw, die intussen onder het Federaal Voedselagentschap en dus onder haar verantwoordelijkheid ressorteren, en de douanediensten terzake en of zij hiermee instemt? Wordt er met deze afspraken in voldoende mate tegemoetgekomen aan de Belgische en Europese besluiten inzake gezondheid en kwaliteitscontrole?
Zijn er voor alle vormen van commercialisering voldoende inlandse sluitende fytosanitaire controles op de kwaliteit van het ingevoerd fruit, meer bepaald voor de volksgezondheid, vooraleer het effectief op de markt en op ons bord terechtkomt? Wordt daarbij niet impliciet betrouwd op een vermeende controle bij de invoer? Graag verwijs ik hierbij ook naar de hoge concentraties aan pesticidenresten die vooral in ingevoerd fruit werden aangetroffen zoals ik in een vorige parlementaire vraag reeds aankaartte. Het gaat echter om veel meer dan residu's, het gaat om de gezondheid van ingevoerd fruit in het algemeen. Vindt de minister het nodig bepaalde procedures aan te passen? Is er zicht op de naleving van dezelfde procedures bij de invoer van groenten, aardappelen, granen en veevoeders?
Mevrouw Magda Aelvoet, minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu. - De invoer van groenten en fruit is aan een reeks controles onderworpen.
Er is ten eerste de systematische fytosanitaire controle met aflevering van het fytosanitair invoercertificaat. Hierbij controleert men de afwezigheid van voor planten schadelijke organismen. De controle heeft helemaal geen invloed op de voedselveiligheid.
Er is ten tweede de systematische kwaliteitscontrole met aflevering van het controlegetuigschrift bij invoer en ten derde een mogelijke steekproefcontrole op aanwezige residuen met het oog op de voedselveiligheid.
De werking in een haven als Antwerpen wordt gekenmerkt door de enorme volumes die er verhandeld worden. Jaarlijks wordt er ongeveer 600.000 ton goederen ingevoerd, die aan een fytosanitaire controle onderworpen wordt en 370.000 ton wordt gecontroleerd op de kwaliteit. Veruit 90% van deze goederen is voor andere Europese landen bestemd. In 2000 werd er 7.440 ton, of 2%, groenten en fruit geweigerd op grond van kwaliteitsgebreken. België situeert zich hiermee op het niveau van de ons omringende landen.
De enorme volumes moeten uiteraard anders aangepakt worden dan op kleine invoerplaatsen. De sterkte van de haven van Antwerpen is trouwens voor een deel te danken aan de verregaande administratieve vereenvoudiging. Vrijwel alle transacties worden door twee forwarding agents uitgevoerd. Individuele zendingen worden tot grotere gehelen gegroepeerd, wat de administratieve vereenvoudiging sterk ten goede komt. Alle operaties worden door een transparant informaticasysteem ondersteund zodat ze te allen tijde opgevolgd en getraceerd kunnen worden.
In dat opzicht werd destijds de regeling van voorlopige en geglobaliseerde aangiften uitgewerkt. Deze regeling werd inderdaad in 2000 geformaliseerd en bevat onder andere volgende elementen. Bij de aankomst voert het FAVV de kwaliteits- en/of fytosanitaire controles uit. Zodra het op grond van de eigen vaststellingen en eventueel aanvullende elementen voldoende gegarandeerd is dat de goederen aan de voorschriften beantwoorden, wordt het voorlopig vrijgavedocument afgeleverd. De tijdspanne nodig om tot deze beslissing over te gaan, hangt af van diverse factoren zoals het product, de herkomst, de verzender, de ervaringen van het verleden of de kwaliteitssystemen toegepast door de verzender en/of de invoerder. Het sein voor het vrijgeven van de goederen wordt pas na deze beoordeling gegeven.
De goederen kunnen pas na aflevering van het voorlopige vrijgavedocument de haven verlaten. Later worden de definitieve invoerdocumenten afgeleverd, op basis van de afgeleverde voorlopige vrijgavedocumenten. De controle van de individuele zendingen is bijgevolg gebaseerd op de risicoanalyse uitgevoerd op de betreffende situatie.
De goederen die niet onmiddellijk weggeladen worden, worden aan een monitoringcontrole onderworpen. Bij vaststelling van een kwaliteitsachteruitgang worden deze partijen individueel geblokkeerd.
De betrokken firma's hebben er destijds inderdaad voor gepleit om bij de invoer uit te gaan van een automatische vrijgave van de goederen en om enkel in een blokkeringsmogelijkheid te voorzien. Het ministerie van Middenstand en Landbouw, nu FAVV, heeft dit principe nooit aanvaard. Het voorlopige vrijgavedocument blijft het sein voor de toestemming om de goederen te laten vertrekken. Goederen die zonder vrijgavedocument weggeladen worden, krijgen trouwens geen definitief invoercertificaat zodat de douaneprocedure niet kan worden afgerond.
Artikel 7 van de verordening nr. 1148/2001 voorziet trouwens in de erkenning van sommige derde landen waardoor de verplichte systematische kwaliteitscontrole bij invoer wegvalt. Op dit ogenblik hebben een viertal derde landen een erkenning bekomen. Tal van andere landen hebben dergelijke erkenning reeds aangevraagd. De EU voorziet bovendien in een wijziging van artikel 6 van voornoemde verordening, waarbij het principe van het gericht uitvoeren van controles bij invoer op grond van een risicoanalyse, nog zal worden uitgebreid.
Met het oog op het verzekeren van de voedselveiligheid werden de jongste vier jaar door mijn diensten 500 monsters groenten en fruit van vreemde oorsprong genomen. Hierbij werden in 13% van de gevallen overschrijdingen vastgesteld. Voor producten uit derde landen bedroeg het weigeringspercentage 8,4% ten opzichte van 17% voor producten ingevoerd uit lidstaten. De havenproducten vormen bijgevolg geen groter risico dan de andere ingevoerde producten. Het gaat hier wel degelijk om gerichte controles die vooral probleemproducten, zoals bijvoorbeeld druiven, viseren. Veel van de overschrijdingen hebben te maken met het feit dat voor een aantal fruitsoorten die niet in België geteeld worden, geen residutoleranties bestaan. Deze overschrijdingen vormen dan ook meestal geen directe bedreiging voor de volksgezondheid. Mochten er op grond van verdere analyseresultaten vermoedens van aanwezigheid van ernstige residuen bestaan, dan is het perfect mogelijk de goederen onmiddellijk aan een preventieve controle te onderwerpen.
De huidige controleprocedure is bijgevolg voldoende sluitend om de naleving van de voorschriften te kunnen waarborgen. Om de voedselveiligheid nog te verbeteren, is veeleer een verhoging van de budgettaire en personele middelen aangewezen dan striktere bepalingen.
Minister Reynders laat weten dat de administratie van de douane in het kader van haar opdracht meewerkt aan de uitoefening van de kwaliteitscontroles in de sector groenten en fruit alsook aan de fytosanitaire controles. Tot op heden is het ministerie van Landbouw, waar momenteel een belangrijke herstructurering wordt gerealiseerd, de bevoegde autoriteit in deze materie. De samenwerking beperkt zich meestal tot het vragen van de voorlegging van het vereiste certificaat alvorens aan de goederen een douanebestemming wordt toegestaan.
De administratie van Financiën is op de hoogte van de bijzondere procedure die wordt toegepast ten gunste van de firma's Belfruco en Norexa. De procedure voorziet in het afleveren onder bepaalde voorwaarden van een voorlopig vrijgavedocument, opgesteld door een ambtenaar van het federaal agentschap. Deze procedure geniet de goedkeuring van de minister van Financiën.
De heer Johan Malcorps (AGALEV). - Of de wettelijke bepalingen goed of slecht zijn, is niet relevant. De vraag is of de procedures efficiënt worden toegepast. Ik heb vernomen dat de controles minimaal zijn. De minister heeft verklaard dat er steekproeven worden uitgevoerd. Voor aanzienlijke hoeveelheden ingevoerde groenten en fruit zouden, zelfs zonder minimale controle, voorlopige vrijgavedocumenten worden afgegeven.
Ik pleit niet voor striktere bepalingen, maar voor een striktere toepassing van de procedures. Tevens moet er meer personeel worden ingezet om de controles uit te voeren. Fruit en groenten kunnen immers niet dagenlang worden opgeslagen tot er een controle kan worden uitgevoerd.
-Het incident is gesloten.
De heer Jean-Marie Happart (PS). - Ik heb geluisterd naar de vorige vraag om uitleg en ik veronderstel dat er bij de controles Europese en geen nationale normen gehanteerd worden.
De verstrenging van de normen voor residuen van bestrijdingsmiddelen, die eenzijdig werd opgelegd aan de fruittelers, veroorzaakt een concurrentievervalsing ten opzichte van Europese producenten die alleen de Europese normen moeten naleven.
De consument haalt niet noodzakelijk voordeel uit deze maatregel omdat de andere Europese landen de Belgische normen niet moeten volgen. Buitenlands fruit wordt hier nog altijd verhandeld en verbruikt.
Welke maatregel zal de minister nemen om deze concurrentievervalsing die nadelig is voor de producenten en de verbruikers uit de wereld te helpen?
Mevrouw Magda Aelvoet, minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu. - De stelling dat de normen voor residuen van bestrijdingsmiddelen verzwaard zijn en concurrentievervalsing veroorzaken, moet worden gerelativeerd.
De normen die in België gelden werden nationaal of Europees vastgelegd en in beide gevallen volgens hetzelfde principe. Er werd rekening gehouden met de niveaus van de potentiële residuen die het gevolg zijn van het gebruik van fytofarmaceutische producten op de wettelijk voorgeschreven manier. De niveaus werden bepaald op basis van wetenschappelijke studies.
Deze normen hebben een dubbel doel, namelijk de bescherming van de volksgezondheid en de controle op het correcte gebruik van fytofarmaceutische producten.
De nationale norm houdt alleen rekening met de in België toegestane landbouwpraktijken. Op Europees niveau worden alle in de Europese Unie toegestane praktijken onderzocht en baseert men zich op de praktijk die de meeste risico's inhoudt.
Voor de pesticiden waarop geen Europese wetgeving van toepassing is, stelt men van land tot land andere normen vast, vanzelfsprekend gebonden aan wat nationaal is toegelaten. Het is moeilijk om al die verschillen op te sommen en te verklaren.
Daaruit kan men dus besluiten dat de evolutie van de normen met betrekking tot de residuen voortvloeit uit de evolutie van de toegestane landbouwpraktijken en niet omgekeerd. Het betekent ook dat de producenten die de producten correct gebruiken niet het risico lopen schade te ondervinden wegens het niet-naleven van de normen met betrekking tot de residuen. Het naleven van normen die strenger zijn dan in de andere Europese landen kan integendeel een kwaliteitsmerk zijn en de afzet van onze producten bevorderen. De argumenten kwaliteit en gezondheid winnen immers terrein ten opzichte van het argument prijs.
Het is anderzijds waar dat de landbouwproducenten nadeel kunnen ondervinden van het verdwijnen van sommige fytofarmaceutische producten om toxicologische of milieuredenen of omdat de fabrikant het product niet meer levert. Dat was onder meer het geval voor daminozide, dat in België in het begin van de jaren 90 verboden werd en in Nederland nog niet. Daminozide is een groeiregulator die de commerciële waarde van appels verhoogt. De Belgische fruittelers waren gedurende enkele jaren van oordeel dat ze in een situatie van concurrentievervalsing zaten ten opzichte van hun Nederlandse collega's. De beslissing om daminozide te verbieden ging gepaard met een terugkeer naar de nultolerantie voor de residuen, wat de invoer van appelen die in Nederland met dat product behandeld waren illegaal maakte. De nultolerantie werd later uitgebreid uit tot de Europese Unie, waardoor alle lidstaten verplicht werden de bestaande toelatingen in te trekken.
Er kan concurrentieverstoring zijn wanneer producten in sommige landen toegelaten worden en in andere niet. In dat geval wordt natuurlijk geen enkel residu getolereerd. Dergelijke scheeftrekkingen kunnen maar verdwijnen door een evaluatie van de actieve bestanddelen van de fytofarmaceutische producten, gerealiseerd in het kader van de richtlijn 91/414/EEG.
Voor sommige bestanddelen, zoals captaan, kunnen de lidstaten uitzonderlijk nog een residunorm bepalen die minder streng is dan de Europese norm, maar de meeste Europese normen worden in de Unie uniform toegepast. In het geval van captaan heeft België van deze mogelijkheid enkel gebruik gemaakt voor braambessen en aalbessen. Ik ken geen enkele lidstaat die voor de belangrijke appel- en perenteelt minder strenge normen hanteert.
Mijn administratie kan u meer details geven over de genoemde en andere moleculen die volgens u de concurrentie kunnen verstoren. Als onze normen strenger zijn, is dat omdat wetenschappelijke studies dat rechtvaardigen en omdat we bezorgd zijn voor de gezondheid van de verbruiker.
Mijn diensten weten dat de producenten problemen ondervinden als bepaalde producten verdwijnen. Binnen de budgettaire mogelijkheden laten zij wetenschappelijke studies uitvoeren met het oog op het vinden van alternatieve oplossingen en het behoud van fytofarmaceutische producten die in kleine culturen bruikbaar zijn.
De heer Jean-Marie Happart (PS). - De lijst met fytofarmaceutische producten is niet dezelfde in alle Europese landen. Als producent weet ik dat sommige producten die in Europa volkomen legaal zijn, bij ons verboden zijn maar dat men ze in het buitenland kan aanschaffen.
De minister zegt dat de consument een hogere prijs betaalt aan de producent omdat onze normen strenger zijn, maar dat is een illusie. Slechts 10 tot 15% van de verbruikers kunnen zich immers de luxe veroorloven om voor sommige producten een hogere prijs te betalen. Ik ben er dan ook zeker van dat de concurrentievervalsing en de catastrofale verliezen de fruitsector in grote moeilijkheden brengen.
Wanneer wij uitvoeren, zijn wij verplicht de Belgische normen na te leven terwijl de landen die naar België uitvoeren alleen met de Europese normen rekening moeten houden. De normen voor schimmelwerende producten, insecticiden of acariciden zijn echter zeer verschillend. Wij worden dus twee keer gestraft. De grootste klanten zijn de grootwarenhuizen die industriële hoeveelheden afnemen en niet in franken, maar in centiemen rekenen. Om de concurrentie met Frankrijk, Spanje en Nederland te kunnen aangaan, moeten we ons fruit tegen belachelijk lage prijzen verkopen. De producenten worden twee keer gestraft en de verbruiker wordt er niet beter van.
Wij moeten gelijke tred houden met Europa. Het is goed dat er nieuwe ideeën gelanceerd worden, maar ik aanvaard niet dat de Belgische producent en verbruiker systematisch worden benadeeld. De verbruiker is ervan overtuigd dat het fruit dat hij eet, voldoet aan de strenge Belgische normen, maar dat is niet waar. De Belgische producent wordt gestraft omdat hij niet aan dezelfde prijs kan produceren.
Ons land lijdt een dubbel verlies. We betalen zelf de prijs van de doorgedreven reglementeringen. Als het de bedoeling is de landbouw geleidelijk aan te doen verdwijnen, zijn we natuurlijk op goede weg. Tal van fruittelers geven er de brui aan. De aardbeienkwekers van Sint-Truiden wijken uit naar Marokko of andere warme landen en komen in België aardbeien verkopen die voldoen aan de Europese normen!
Als dat zo voortgaat, kunnen we in België niets meer produceren, omdat we de concurrentie niet meer aankunnen.
-Het incident is gesloten.
De voorzitter. - De agenda van deze vergadering is afgewerkt.
De volgende vergadering vindt plaats dinsdag 16 juli 2002 om 14.00 uur.
(De vergadering wordt gesloten om 20.25 uur.)
Afwezig met bericht van verhindering: de heer Dallemagne, om gezondheidsredenen.
-Voor kennisgeving aangenomen.
Stemming 1
Aanwezig: 59
Voor: 14
Tegen: 44
Onthoudingen: 1
Voor
Yves Buysse, Ludwig Caluwé, Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Sabine de Bethune, Mia De Schamphelaere, Jacques D'Hooghe, Theo Kelchtermans, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Jan Steverlynck, Erika Thijs, Hugo Vandenberghe, Joris Van Hauthem, Wim Verreycken.
Tegen
Michel Barbeaux, Sfia Bouarfa, Marcel Cheron, Marcel Colla, Christine Cornet d'Elzius, Jean Cornil, Armand De Decker, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Josy Dubié, Paul Galand, André Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Mimi Kestelijn-Sierens, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Michiel Maertens, Philippe Mahoux, Johan Malcorps, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Jacky Morael, Clotilde Nyssens, Fatma Pehlivan, Francis Poty, Didier Ramoudt, Jan Remans, François Roelants du Vivier, Louis Siquet, Martine Taelman, René Thissen, Jacques Timmermans, Louis Tobback, Myriam Vanlerberghe, Vincent Van Quickenborne, Magdeleine Willame-Boonen, Paul Wille.
Onthoudingen
Patrik Vankrunkelsven.
Stemming 2
Aanwezig: 62
Voor: 6
Tegen: 48
Onthoudingen: 8
Voor
Yves Buysse, Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Joris Van Hauthem, Wim Verreycken.
Tegen
Michel Barbeaux, Sfia Bouarfa, Marcel Cheron, Marcel Colla, Christine Cornet d'Elzius, Jean Cornil, Armand De Decker, Jean-Marie Dedecker, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Josy Dubié, Paul Galand, André Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Mimi Kestelijn-Sierens, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Michiel Maertens, Philippe Mahoux, Johan Malcorps, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Philippe Monfils, Jacky Morael, Clotilde Nyssens, Fatma Pehlivan, Francis Poty, Didier Ramoudt, Jan Remans, François Roelants du Vivier, Louis Siquet, Martine Taelman, René Thissen, Jacques Timmermans, Louis Tobback, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, Vincent Van Quickenborne, Iris Van Riet, Magdeleine Willame-Boonen, Paul Wille.
Onthoudingen
Ludwig Caluwé, Sabine de Bethune, Mia De Schamphelaere, Jacques D'Hooghe, Theo Kelchtermans, Jan Steverlynck, Erika Thijs, Hugo Vandenberghe.
Stemming 3
Aanwezig: 62
Voor: 6
Tegen: 48
Onthoudingen: 8
Voor
Yves Buysse, Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Joris Van Hauthem, Wim Verreycken.
Tegen
Michel Barbeaux, Sfia Bouarfa, Marcel Cheron, Marcel Colla, Christine Cornet d'Elzius, Jean Cornil, Armand De Decker, Jean-Marie Dedecker, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Josy Dubié, Paul Galand, André Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Mimi Kestelijn-Sierens, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Michiel Maertens, Philippe Mahoux, Johan Malcorps, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Philippe Monfils, Jacky Morael, Clotilde Nyssens, Fatma Pehlivan, Francis Poty, Didier Ramoudt, Jan Remans, François Roelants du Vivier, Louis Siquet, Martine Taelman, René Thissen, Jacques Timmermans, Louis Tobback, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, Vincent Van Quickenborne, Iris Van Riet, Magdeleine Willame-Boonen, Paul Wille.
Onthoudingen
Ludwig Caluwé, Sabine de Bethune, Mia De Schamphelaere, Jacques D'Hooghe, Theo Kelchtermans, Jan Steverlynck, Erika Thijs, Hugo Vandenberghe.
Stemming 4
Aanwezig: 62
Voor: 14
Tegen: 47
Onthoudingen: 1
Voor
Yves Buysse, Ludwig Caluwé, Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Sabine de Bethune, Mia De Schamphelaere, Jacques D'Hooghe, Theo Kelchtermans, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Jan Steverlynck, Erika Thijs, Hugo Vandenberghe, Joris Van Hauthem, Wim Verreycken.
Tegen
Michel Barbeaux, Sfia Bouarfa, Marcel Cheron, Marcel Colla, Christine Cornet d'Elzius, Jean Cornil, Armand De Decker, Jean-Marie Dedecker, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Josy Dubié, Paul Galand, André Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Mimi Kestelijn-Sierens, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Michiel Maertens, Philippe Mahoux, Johan Malcorps, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Philippe Monfils, Jacky Morael, Clotilde Nyssens, Fatma Pehlivan, Francis Poty, Didier Ramoudt, Jan Remans, François Roelants du Vivier, Louis Siquet, Martine Taelman, René Thissen, Jacques Timmermans, Louis Tobback, Myriam Vanlerberghe, Vincent Van Quickenborne, Iris Van Riet, Magdeleine Willame-Boonen, Paul Wille.
Onthoudingen
Patrik Vankrunkelsven.
Stemming 5
Aanwezig: 62
Voor: 6
Tegen: 48
Onthoudingen: 8
Voor
Yves Buysse, Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Joris Van Hauthem, Wim Verreycken.
Tegen
Michel Barbeaux, Sfia Bouarfa, Marcel Cheron, Marcel Colla, Christine Cornet d'Elzius, Jean Cornil, Armand De Decker, Jean-Marie Dedecker, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Josy Dubié, Paul Galand, André Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Mimi Kestelijn-Sierens, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Michiel Maertens, Philippe Mahoux, Johan Malcorps, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Philippe Monfils, Jacky Morael, Clotilde Nyssens, Fatma Pehlivan, Francis Poty, Didier Ramoudt, Jan Remans, François Roelants du Vivier, Louis Siquet, Martine Taelman, René Thissen, Jacques Timmermans, Louis Tobback, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, Vincent Van Quickenborne, Iris Van Riet, Magdeleine Willame-Boonen, Paul Wille.
Onthoudingen
Ludwig Caluwé, Sabine de Bethune, Mia De Schamphelaere, Jacques D'Hooghe, Theo Kelchtermans, Jan Steverlynck, Erika Thijs, Hugo Vandenberghe.
Stemming 6
Aanwezig: 61
Voor: 14
Tegen: 46
Onthoudingen: 1
Voor
Yves Buysse, Ludwig Caluwé, Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Sabine de Bethune, Mia De Schamphelaere, Jacques D'Hooghe, Theo Kelchtermans, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Jan Steverlynck, Erika Thijs, Hugo Vandenberghe, Joris Van Hauthem, Wim Verreycken.
Tegen
Michel Barbeaux, Sfia Bouarfa, Marcel Cheron, Marcel Colla, Christine Cornet d'Elzius, Jean Cornil, Jean-Marie Dedecker, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Josy Dubié, Paul Galand, André Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Mimi Kestelijn-Sierens, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Michiel Maertens, Philippe Mahoux, Johan Malcorps, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Philippe Monfils, Jacky Morael, Clotilde Nyssens, Fatma Pehlivan, Francis Poty, Didier Ramoudt, Jan Remans, François Roelants du Vivier, Louis Siquet, Martine Taelman, René Thissen, Jacques Timmermans, Louis Tobback, Myriam Vanlerberghe, Vincent Van Quickenborne, Iris Van Riet, Magdeleine Willame-Boonen, Paul Wille.
Onthoudingen
Patrik Vankrunkelsven.
Stemming 7
Aanwezig: 62
Voor: 6
Tegen: 48
Onthoudingen: 8
Voor
Yves Buysse, Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Joris Van Hauthem, Wim Verreycken.
Tegen
Michel Barbeaux, Sfia Bouarfa, Marcel Cheron, Marcel Colla, Christine Cornet d'Elzius, Jean Cornil, Armand De Decker, Jean-Marie Dedecker, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Josy Dubié, Paul Galand, André Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Mimi Kestelijn-Sierens, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Michiel Maertens, Philippe Mahoux, Johan Malcorps, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Philippe Monfils, Jacky Morael, Clotilde Nyssens, Fatma Pehlivan, Francis Poty, Didier Ramoudt, Jan Remans, François Roelants du Vivier, Louis Siquet, Martine Taelman, René Thissen, Jacques Timmermans, Louis Tobback, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, Vincent Van Quickenborne, Iris Van Riet, Magdeleine Willame-Boonen, Paul Wille.
Onthoudingen
Ludwig Caluwé, Sabine de Bethune, Mia De Schamphelaere, Jacques D'Hooghe, Theo Kelchtermans, Jan Steverlynck, Erika Thijs, Hugo Vandenberghe.
Stemming 8
Aanwezig: 61
Voor: 14
Tegen: 46
Onthoudingen: 1
Voor
Yves Buysse, Ludwig Caluwé, Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Sabine de Bethune, Mia De Schamphelaere, Jacques D'Hooghe, Theo Kelchtermans, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Jan Steverlynck, Erika Thijs, Hugo Vandenberghe, Joris Van Hauthem, Wim Verreycken.
Tegen
Michel Barbeaux, Sfia Bouarfa, Marcel Cheron, Marcel Colla, Christine Cornet d'Elzius, Jean Cornil, Armand De Decker, Jean-Marie Dedecker, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Josy Dubié, Paul Galand, André Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Mimi Kestelijn-Sierens, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Michiel Maertens, Philippe Mahoux, Johan Malcorps, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Philippe Monfils, Jacky Morael, Clotilde Nyssens, Fatma Pehlivan, Francis Poty, Didier Ramoudt, Jan Remans, François Roelants du Vivier, Martine Taelman, René Thissen, Jacques Timmermans, Louis Tobback, Myriam Vanlerberghe, Vincent Van Quickenborne, Iris Van Riet, Magdeleine Willame-Boonen, Paul Wille.
Onthoudingen
Patrik Vankrunkelsven.
Stemming 9
Aanwezig: 62
Voor: 6
Tegen: 48
Onthoudingen: 8
Voor
Yves Buysse, Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Joris Van Hauthem, Wim Verreycken.
Tegen
Michel Barbeaux, Sfia Bouarfa, Marcel Cheron, Marcel Colla, Christine Cornet d'Elzius, Jean Cornil, Armand De Decker, Jean-Marie Dedecker, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Josy Dubié, Paul Galand, André Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Mimi Kestelijn-Sierens, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Michiel Maertens, Philippe Mahoux, Johan Malcorps, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Philippe Monfils, Jacky Morael, Clotilde Nyssens, Fatma Pehlivan, Francis Poty, Didier Ramoudt, Jan Remans, François Roelants du Vivier, Louis Siquet, Martine Taelman, René Thissen, Jacques Timmermans, Louis Tobback, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, Vincent Van Quickenborne, Iris Van Riet, Magdeleine Willame-Boonen, Paul Wille.
Onthoudingen
Ludwig Caluwé, Sabine de Bethune, Mia De Schamphelaere, Jacques D'Hooghe, Theo Kelchtermans, Jan Steverlynck, Erika Thijs, Hugo Vandenberghe.
Stemming 10
Aanwezig: 62
Voor: 14
Tegen: 47
Onthoudingen: 1
Voor
Yves Buysse, Ludwig Caluwé, Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Sabine de Bethune, Mia De Schamphelaere, Jacques D'Hooghe, Theo Kelchtermans, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Jan Steverlynck, Erika Thijs, Hugo Vandenberghe, Joris Van Hauthem, Wim Verreycken.
Tegen
Michel Barbeaux, Sfia Bouarfa, Marcel Cheron, Marcel Colla, Christine Cornet d'Elzius, Jean Cornil, Armand De Decker, Jean-Marie Dedecker, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Josy Dubié, Paul Galand, André Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Mimi Kestelijn-Sierens, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Michiel Maertens, Philippe Mahoux, Johan Malcorps, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Philippe Monfils, Jacky Morael, Clotilde Nyssens, Fatma Pehlivan, Francis Poty, Didier Ramoudt, Jan Remans, François Roelants du Vivier, Louis Siquet, Martine Taelman, René Thissen, Jacques Timmermans, Louis Tobback, Myriam Vanlerberghe, Vincent Van Quickenborne, Iris Van Riet, Magdeleine Willame-Boonen, Paul Wille.
Onthoudingen
Patrik Vankrunkelsven.
Stemming 11
Aanwezig: 62
Voor: 47
Tegen: 14
Onthoudingen: 1
Voor
Michel Barbeaux, Sfia Bouarfa, Marcel Cheron, Marcel Colla, Christine Cornet d'Elzius, Jean Cornil, Armand De Decker, Jean-Marie Dedecker, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Josy Dubié, Paul Galand, André Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Mimi Kestelijn-Sierens, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Michiel Maertens, Philippe Mahoux, Johan Malcorps, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Philippe Monfils, Jacky Morael, Clotilde Nyssens, Fatma Pehlivan, Francis Poty, Didier Ramoudt, Jan Remans, François Roelants du Vivier, Louis Siquet, Martine Taelman, René Thissen, Jacques Timmermans, Louis Tobback, Myriam Vanlerberghe, Vincent Van Quickenborne, Iris Van Riet, Magdeleine Willame-Boonen, Paul Wille.
Tegen
Yves Buysse, Ludwig Caluwé, Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Sabine de Bethune, Mia De Schamphelaere, Jacques D'Hooghe, Theo Kelchtermans, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Jan Steverlynck, Erika Thijs, Hugo Vandenberghe, Joris Van Hauthem, Wim Verreycken.
Onthoudingen
Patrik Vankrunkelsven.
Stemming 12
Aanwezig: 61
Voor: 6
Tegen: 47
Onthoudingen: 8
Voor
Yves Buysse, Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Joris Van Hauthem, Wim Verreycken.
Tegen
Michel Barbeaux, Sfia Bouarfa, Marcel Cheron, Marcel Colla, Christine Cornet d'Elzius, Jean Cornil, Jean-Marie Dedecker, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Josy Dubié, Paul Galand, André Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Mimi Kestelijn-Sierens, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Michiel Maertens, Philippe Mahoux, Johan Malcorps, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Philippe Monfils, Jacky Morael, Clotilde Nyssens, Fatma Pehlivan, Francis Poty, Didier Ramoudt, Jan Remans, François Roelants du Vivier, Louis Siquet, Martine Taelman, René Thissen, Jacques Timmermans, Louis Tobback, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, Vincent Van Quickenborne, Iris Van Riet, Magdeleine Willame-Boonen, Paul Wille.
Onthoudingen
Ludwig Caluwé, Sabine de Bethune, Mia De Schamphelaere, Jacques D'Hooghe, Theo Kelchtermans, Jan Steverlynck, Erika Thijs, Hugo Vandenberghe.
Stemming 13
Aanwezig: 62
Voor: 14
Tegen: 48
Onthoudingen: 0
Voor
Yves Buysse, Ludwig Caluwé, Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Sabine de Bethune, Mia De Schamphelaere, Jacques D'Hooghe, Theo Kelchtermans, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Jan Steverlynck, Erika Thijs, Hugo Vandenberghe, Joris Van Hauthem, Wim Verreycken.
Tegen
Michel Barbeaux, Sfia Bouarfa, Marcel Cheron, Marcel Colla, Christine Cornet d'Elzius, Jean Cornil, Armand De Decker, Jean-Marie Dedecker, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Josy Dubié, Paul Galand, André Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Mimi Kestelijn-Sierens, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Michiel Maertens, Philippe Mahoux, Johan Malcorps, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Philippe Monfils, Jacky Morael, Clotilde Nyssens, Fatma Pehlivan, Francis Poty, Didier Ramoudt, Jan Remans, François Roelants du Vivier, Louis Siquet, Martine Taelman, René Thissen, Jacques Timmermans, Louis Tobback, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, Vincent Van Quickenborne, Iris Van Riet, Magdeleine Willame-Boonen, Paul Wille.
Stemming 14
Aanwezig: 62
Voor: 47
Tegen: 14
Onthoudingen: 1
Voor
Michel Barbeaux, Sfia Bouarfa, Marcel Cheron, Marcel Colla, Christine Cornet d'Elzius, Jean Cornil, Armand De Decker, Jean-Marie Dedecker, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Josy Dubié, Paul Galand, André Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Mimi Kestelijn-Sierens, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Michiel Maertens, Philippe Mahoux, Johan Malcorps, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Philippe Monfils, Jacky Morael, Clotilde Nyssens, Fatma Pehlivan, Francis Poty, Didier Ramoudt, Jan Remans, François Roelants du Vivier, Louis Siquet, Martine Taelman, René Thissen, Jacques Timmermans, Louis Tobback, Myriam Vanlerberghe, Vincent Van Quickenborne, Iris Van Riet, Magdeleine Willame-Boonen, Paul Wille.
Tegen
Yves Buysse, Ludwig Caluwé, Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Sabine de Bethune, Mia De Schamphelaere, Jacques D'Hooghe, Theo Kelchtermans, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Jan Steverlynck, Erika Thijs, Hugo Vandenberghe, Joris Van Hauthem, Wim Verreycken.
Onthoudingen
Patrik Vankrunkelsven.
Stemming 15
Aanwezig: 62
Voor: 6
Tegen: 48
Onthoudingen: 8
Voor
Yves Buysse, Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Joris Van Hauthem, Wim Verreycken.
Tegen
Michel Barbeaux, Sfia Bouarfa, Marcel Cheron, Marcel Colla, Christine Cornet d'Elzius, Jean Cornil, Armand De Decker, Jean-Marie Dedecker, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Josy Dubié, Paul Galand, André Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Mimi Kestelijn-Sierens, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Michiel Maertens, Philippe Mahoux, Johan Malcorps, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Philippe Monfils, Jacky Morael, Clotilde Nyssens, Fatma Pehlivan, Francis Poty, Didier Ramoudt, Jan Remans, François Roelants du Vivier, Louis Siquet, Martine Taelman, René Thissen, Jacques Timmermans, Louis Tobback, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, Vincent Van Quickenborne, Iris Van Riet, Magdeleine Willame-Boonen, Paul Wille.
Onthoudingen
Ludwig Caluwé, Sabine de Bethune, Mia De Schamphelaere, Jacques D'Hooghe, Theo Kelchtermans, Jan Steverlynck, Erika Thijs, Hugo Vandenberghe.
Stemming 16
Aanwezig: 61
Voor: 14
Tegen: 47
Onthoudingen: 0
Voor
Yves Buysse, Ludwig Caluwé, Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Sabine de Bethune, Mia De Schamphelaere, Jacques D'Hooghe, Theo Kelchtermans, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Jan Steverlynck, Erika Thijs, Hugo Vandenberghe, Joris Van Hauthem, Wim Verreycken.
Tegen
Michel Barbeaux, Sfia Bouarfa, Marcel Cheron, Marcel Colla, Christine Cornet d'Elzius, Jean Cornil, Armand De Decker, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Josy Dubié, Paul Galand, André Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Mimi Kestelijn-Sierens, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Michiel Maertens, Philippe Mahoux, Johan Malcorps, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Philippe Monfils, Jacky Morael, Clotilde Nyssens, Fatma Pehlivan, Francis Poty, Didier Ramoudt, Jan Remans, François Roelants du Vivier, Louis Siquet, Martine Taelman, René Thissen, Jacques Timmermans, Louis Tobback, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, Vincent Van Quickenborne, Iris Van Riet, Magdeleine Willame-Boonen, Paul Wille.
Stemming 17
Aanwezig: 62
Voor: 47
Tegen: 14
Onthoudingen: 1
Voor
Michel Barbeaux, Sfia Bouarfa, Marcel Cheron, Marcel Colla, Christine Cornet d'Elzius, Jean Cornil, Armand De Decker, Jean-Marie Dedecker, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Josy Dubié, Paul Galand, André Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Mimi Kestelijn-Sierens, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Michiel Maertens, Philippe Mahoux, Johan Malcorps, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Philippe Monfils, Jacky Morael, Clotilde Nyssens, Fatma Pehlivan, Francis Poty, Didier Ramoudt, Jan Remans, François Roelants du Vivier, Louis Siquet, Martine Taelman, René Thissen, Jacques Timmermans, Louis Tobback, Myriam Vanlerberghe, Vincent Van Quickenborne, Iris Van Riet, Magdeleine Willame-Boonen, Paul Wille.
Tegen
Yves Buysse, Ludwig Caluwé, Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Sabine de Bethune, Mia De Schamphelaere, Jacques D'Hooghe, Theo Kelchtermans, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Jan Steverlynck, Erika Thijs, Hugo Vandenberghe, Joris Van Hauthem, Wim Verreycken.
Onthoudingen
Patrik Vankrunkelsven.
Stemming 18
Aanwezig: 62
Voor: 45
Tegen: 15
Onthoudingen: 2
Voor
Michel Barbeaux, Sfia Bouarfa, Marcel Cheron, Marcel Colla, Christine Cornet d'Elzius, Jean Cornil, Armand De Decker, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Josy Dubié, Paul Galand, André Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Mimi Kestelijn-Sierens, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Michiel Maertens, Philippe Mahoux, Johan Malcorps, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Philippe Monfils, Jacky Morael, Clotilde Nyssens, Fatma Pehlivan, Francis Poty, Didier Ramoudt, Jan Remans, François Roelants du Vivier, Louis Siquet, Martine Taelman, René Thissen, Jacques Timmermans, Louis Tobback, Myriam Vanlerberghe, Vincent Van Quickenborne, Magdeleine Willame-Boonen, Paul Wille.
Tegen
Yves Buysse, Ludwig Caluwé, Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Sabine de Bethune, Mia De Schamphelaere, Jacques D'Hooghe, Theo Kelchtermans, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Jan Steverlynck, Erika Thijs, Hugo Vandenberghe, Luc Van den Brande, Joris Van Hauthem, Wim Verreycken.
Onthoudingen
Jean-Marie Dedecker, Patrik Vankrunkelsven.
Stemming 19
Aanwezig: 63
Voor: 6
Tegen: 48
Onthoudingen: 9
Voor
Yves Buysse, Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Joris Van Hauthem, Wim Verreycken.
Tegen
Michel Barbeaux, Sfia Bouarfa, Marcel Cheron, Marcel Colla, Christine Cornet d'Elzius, Jean Cornil, Armand De Decker, Jean-Marie Dedecker, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Josy Dubié, Paul Galand, André Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Mimi Kestelijn-Sierens, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Michiel Maertens, Philippe Mahoux, Johan Malcorps, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Philippe Monfils, Jacky Morael, Clotilde Nyssens, Fatma Pehlivan, Francis Poty, Didier Ramoudt, Jan Remans, François Roelants du Vivier, Louis Siquet, Martine Taelman, René Thissen, Jacques Timmermans, Louis Tobback, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, Vincent Van Quickenborne, Iris Van Riet, Magdeleine Willame-Boonen, Paul Wille.
Onthoudingen
Ludwig Caluwé, Sabine de Bethune, Mia De Schamphelaere, Jacques D'Hooghe, Theo Kelchtermans, Jan Steverlynck, Erika Thijs, Hugo Vandenberghe, Luc Van den Brande.
Stemming 20
Aanwezig: 62
Voor: 15
Tegen: 46
Onthoudingen: 1
Voor
Yves Buysse, Ludwig Caluwé, Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Sabine de Bethune, Mia De Schamphelaere, Jacques D'Hooghe, Theo Kelchtermans, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Jan Steverlynck, Erika Thijs, Hugo Vandenberghe, Luc Van den Brande, Joris Van Hauthem, Wim Verreycken.
Tegen
Michel Barbeaux, Sfia Bouarfa, Marcel Cheron, Marcel Colla, Christine Cornet d'Elzius, Jean Cornil, Armand De Decker, Jean-Marie Dedecker, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Josy Dubié, Paul Galand, André Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Mimi Kestelijn-Sierens, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Michiel Maertens, Philippe Mahoux, Johan Malcorps, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Philippe Monfils, Jacky Morael, Clotilde Nyssens, Fatma Pehlivan, Francis Poty, Didier Ramoudt, Jan Remans, François Roelants du Vivier, Louis Siquet, Martine Taelman, René Thissen, Jacques Timmermans, Louis Tobback, Myriam Vanlerberghe, Vincent Van Quickenborne, Iris Van Riet, Magdeleine Willame-Boonen, Paul Wille.
Onthoudingen
Patrik Vankrunkelsven.
Stemming 21
Aanwezig: 64
Voor: 48
Tegen: 16
Onthoudingen: 0
Voor
Michel Barbeaux, Sfia Bouarfa, Marcel Cheron, Marcel Colla, Christine Cornet d'Elzius, Jean Cornil, Armand De Decker, Jean-Marie Dedecker, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Josy Dubié, Paul Galand, André Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Mimi Kestelijn-Sierens, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Michiel Maertens, Philippe Mahoux, Johan Malcorps, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Philippe Monfils, Jacky Morael, Marie Nagy, Clotilde Nyssens, Fatma Pehlivan, Francis Poty, Didier Ramoudt, Jan Remans, François Roelants du Vivier, Louis Siquet, Martine Taelman, René Thissen, Jacques Timmermans, Louis Tobback, Myriam Vanlerberghe, Vincent Van Quickenborne, Iris Van Riet, Magdeleine Willame-Boonen, Paul Wille.
Tegen
Yves Buysse, Ludwig Caluwé, Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Sabine de Bethune, Mia De Schamphelaere, Jacques D'Hooghe, Theo Kelchtermans, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Jan Steverlynck, Erika Thijs, Hugo Vandenberghe, Luc Van den Brande, Joris Van Hauthem, Patrik Vankrunkelsven, Wim Verreycken.
Stemming 22
Aanwezig: 64
Voor: 15
Tegen: 48
Onthoudingen: 1
Voor
Yves Buysse, Ludwig Caluwé, Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Sabine de Bethune, Mia De Schamphelaere, Jacques D'Hooghe, Theo Kelchtermans, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Jan Steverlynck, Erika Thijs, Hugo Vandenberghe, Luc Van den Brande, Joris Van Hauthem, Wim Verreycken.
Tegen
Michel Barbeaux, Sfia Bouarfa, Marcel Cheron, Marcel Colla, Christine Cornet d'Elzius, Jean Cornil, Armand De Decker, Jean-Marie Dedecker, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Josy Dubié, Paul Galand, André Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Mimi Kestelijn-Sierens, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Michiel Maertens, Philippe Mahoux, Johan Malcorps, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Philippe Monfils, Jacky Morael, Marie Nagy, Clotilde Nyssens, Fatma Pehlivan, Francis Poty, Didier Ramoudt, Jan Remans, François Roelants du Vivier, Louis Siquet, Martine Taelman, René Thissen, Jacques Timmermans, Louis Tobback, Myriam Vanlerberghe, Vincent Van Quickenborne, Iris Van Riet, Magdeleine Willame-Boonen, Paul Wille.
Onthoudingen
Patrik Vankrunkelsven.
Stemming 23
Aanwezig: 64
Voor: 48
Tegen: 16
Onthoudingen: 0
Voor
Michel Barbeaux, Sfia Bouarfa, Marcel Cheron, Marcel Colla, Christine Cornet d'Elzius, Jean Cornil, Armand De Decker, Jean-Marie Dedecker, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Josy Dubié, Paul Galand, André Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Mimi Kestelijn-Sierens, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Michiel Maertens, Philippe Mahoux, Johan Malcorps, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Philippe Monfils, Jacky Morael, Marie Nagy, Clotilde Nyssens, Fatma Pehlivan, Francis Poty, Didier Ramoudt, Jan Remans, François Roelants du Vivier, Louis Siquet, Martine Taelman, René Thissen, Jacques Timmermans, Louis Tobback, Myriam Vanlerberghe, Vincent Van Quickenborne, Iris Van Riet, Magdeleine Willame-Boonen, Paul Wille.
Tegen
Yves Buysse, Ludwig Caluwé, Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Sabine de Bethune, Mia De Schamphelaere, Jacques D'Hooghe, Theo Kelchtermans, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Jan Steverlynck, Erika Thijs, Hugo Vandenberghe, Luc Van den Brande, Joris Van Hauthem, Patrik Vankrunkelsven, Wim Verreycken.
Stemming 24
Aanwezig: 64
Voor: 48
Tegen: 16
Onthoudingen: 0
Voor
Michel Barbeaux, Sfia Bouarfa, Marcel Cheron, Marcel Colla, Christine Cornet d'Elzius, Jean Cornil, Armand De Decker, Jean-Marie Dedecker, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Josy Dubié, Paul Galand, André Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Mimi Kestelijn-Sierens, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Michiel Maertens, Philippe Mahoux, Johan Malcorps, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Philippe Monfils, Jacky Morael, Marie Nagy, Clotilde Nyssens, Fatma Pehlivan, Francis Poty, Didier Ramoudt, Jan Remans, François Roelants du Vivier, Louis Siquet, Martine Taelman, René Thissen, Jacques Timmermans, Louis Tobback, Myriam Vanlerberghe, Vincent Van Quickenborne, Iris Van Riet, Magdeleine Willame-Boonen, Paul Wille.
Tegen
Yves Buysse, Ludwig Caluwé, Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Sabine de Bethune, Mia De Schamphelaere, Jacques D'Hooghe, Theo Kelchtermans, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Jan Steverlynck, Erika Thijs, Hugo Vandenberghe, Luc Van den Brande, Joris Van Hauthem, Patrik Vankrunkelsven, Wim Verreycken.
Stemming 25
Aanwezig: 64
Voor: 13
Tegen: 45
Onthoudingen: 6
Voor
Michel Barbeaux, Ludwig Caluwé, Sabine de Bethune, Mia De Schamphelaere, Jacques D'Hooghe, Theo Kelchtermans, Clotilde Nyssens, Jan Steverlynck, Erika Thijs, René Thissen, Hugo Vandenberghe, Luc Van den Brande, Magdeleine Willame-Boonen.
Tegen
Sfia Bouarfa, Marcel Cheron, Marcel Colla, Christine Cornet d'Elzius, Jean Cornil, Armand De Decker, Jean-Marie Dedecker, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Josy Dubié, Paul Galand, André Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Mimi Kestelijn-Sierens, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Michiel Maertens, Philippe Mahoux, Johan Malcorps, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Philippe Monfils, Jacky Morael, Marie Nagy, Fatma Pehlivan, Francis Poty, Didier Ramoudt, Jan Remans, François Roelants du Vivier, Louis Siquet, Martine Taelman, Jacques Timmermans, Louis Tobback, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, Vincent Van Quickenborne, Iris Van Riet, Paul Wille.
Onthoudingen
Yves Buysse, Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Joris Van Hauthem, Wim Verreycken.
Stemming 26
Aanwezig: 64
Voor: 9
Tegen: 49
Onthoudingen: 6
Voor
Ludwig Caluwé, Sabine de Bethune, Mia De Schamphelaere, Jacques D'Hooghe, Theo Kelchtermans, Jan Steverlynck, Erika Thijs, Hugo Vandenberghe, Luc Van den Brande.
Tegen
Michel Barbeaux, Sfia Bouarfa, Marcel Cheron, Marcel Colla, Christine Cornet d'Elzius, Jean Cornil, Armand De Decker, Jean-Marie Dedecker, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Josy Dubié, Paul Galand, André Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Mimi Kestelijn-Sierens, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Michiel Maertens, Philippe Mahoux, Johan Malcorps, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Philippe Monfils, Jacky Morael, Marie Nagy, Clotilde Nyssens, Fatma Pehlivan, Francis Poty, Didier Ramoudt, Jan Remans, François Roelants du Vivier, Louis Siquet, Martine Taelman, René Thissen, Jacques Timmermans, Louis Tobback, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, Vincent Van Quickenborne, Iris Van Riet, Magdeleine Willame-Boonen, Paul Wille.
Onthoudingen
Yves Buysse, Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Joris Van Hauthem, Wim Verreycken.
Stemming 27
Aanwezig: 64
Voor: 49
Tegen: 0
Onthoudingen: 15
Voor
Michel Barbeaux, Sfia Bouarfa, Marcel Cheron, Marcel Colla, Christine Cornet d'Elzius, Jean Cornil, Armand De Decker, Jean-Marie Dedecker, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Josy Dubié, Paul Galand, André Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Mimi Kestelijn-Sierens, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Michiel Maertens, Philippe Mahoux, Johan Malcorps, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Philippe Monfils, Jacky Morael, Marie Nagy, Clotilde Nyssens, Fatma Pehlivan, Francis Poty, Didier Ramoudt, Jan Remans, François Roelants du Vivier, Louis Siquet, Martine Taelman, René Thissen, Jacques Timmermans, Louis Tobback, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, Vincent Van Quickenborne, Iris Van Riet, Magdeleine Willame-Boonen, Paul Wille.
Onthoudingen
Yves Buysse, Ludwig Caluwé, Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Sabine de Bethune, Mia De Schamphelaere, Jacques D'Hooghe, Theo Kelchtermans, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Jan Steverlynck, Erika Thijs, Hugo Vandenberghe, Luc Van den Brande, Joris Van Hauthem, Wim Verreycken.
Stemming 28
Aanwezig: 63
Voor: 57
Tegen: 6
Onthoudingen: 0
Voor
Michel Barbeaux, Sfia Bouarfa, Ludwig Caluwé, Marcel Cheron, Marcel Colla, Christine Cornet d'Elzius, Jean Cornil, Sabine de Bethune, Armand De Decker, Jean-Marie Dedecker, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Alain Destexhe, Jacques Devolder, Jacques D'Hooghe, Josy Dubié, Paul Galand, André Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Theo Kelchtermans, Mimi Kestelijn-Sierens, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Michiel Maertens, Philippe Mahoux, Johan Malcorps, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Philippe Monfils, Jacky Morael, Marie Nagy, Clotilde Nyssens, Fatma Pehlivan, Francis Poty, Didier Ramoudt, Jan Remans, François Roelants du Vivier, Louis Siquet, Jan Steverlynck, Martine Taelman, Erika Thijs, René Thissen, Jacques Timmermans, Louis Tobback, Hugo Vandenberghe, Luc Van den Brande, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, Vincent Van Quickenborne, Iris Van Riet, Magdeleine Willame-Boonen, Paul Wille.
Tegen
Yves Buysse, Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Joris Van Hauthem, Wim Verreycken.
Stemming 29
Aanwezig: 63
Voor: 44
Tegen: 19
Onthoudingen: 0
Voor
Sfia Bouarfa, Marcel Cheron, Marcel Colla, Christine Cornet d'Elzius, Jean Cornil, Armand De Decker, Jean-Marie Dedecker, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Jacques Devolder, Josy Dubié, Paul Galand, André Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Mimi Kestelijn-Sierens, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Michiel Maertens, Philippe Mahoux, Johan Malcorps, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Philippe Monfils, Jacky Morael, Marie Nagy, Fatma Pehlivan, Francis Poty, Didier Ramoudt, Jan Remans, François Roelants du Vivier, Louis Siquet, Martine Taelman, Jacques Timmermans, Louis Tobback, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, Vincent Van Quickenborne, Iris Van Riet, Paul Wille.
Tegen
Michel Barbeaux, Yves Buysse, Ludwig Caluwé, Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Sabine de Bethune, Mia De Schamphelaere, Jacques D'Hooghe, Theo Kelchtermans, Clotilde Nyssens, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Jan Steverlynck, Erika Thijs, René Thissen, Hugo Vandenberghe, Luc Van den Brande, Joris Van Hauthem, Wim Verreycken, Magdeleine Willame-Boonen.
Stemming 30
Aanwezig: 64
Voor: 64
Tegen: 0
Onthoudingen: 0
Voor
Michel Barbeaux, Sfia Bouarfa, Yves Buysse, Ludwig Caluwé, Jurgen Ceder, Marcel Cheron, Marcel Colla, Christine Cornet d'Elzius, Jean Cornil, Frank Creyelman, Sabine de Bethune, Armand De Decker, Jean-Marie Dedecker, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Jacques D'Hooghe, Josy Dubié, Paul Galand, André Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Theo Kelchtermans, Mimi Kestelijn-Sierens, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Michiel Maertens, Philippe Mahoux, Johan Malcorps, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Philippe Monfils, Jacky Morael, Marie Nagy, Clotilde Nyssens, Fatma Pehlivan, Francis Poty, Didier Ramoudt, Jan Remans, François Roelants du Vivier, Louis Siquet, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Jan Steverlynck, Martine Taelman, Erika Thijs, René Thissen, Jacques Timmermans, Louis Tobback, Hugo Vandenberghe, Luc Van den Brande, Joris Van Hauthem, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, Vincent Van Quickenborne, Iris Van Riet, Wim Verreycken, Magdeleine Willame-Boonen, Paul Wille.
Stemming 31
Aanwezig: 64
Voor: 64
Tegen: 0
Onthoudingen: 0
Voor
Michel Barbeaux, Sfia Bouarfa, Yves Buysse, Ludwig Caluwé, Jurgen Ceder, Marcel Cheron, Marcel Colla, Christine Cornet d'Elzius, Jean Cornil, Frank Creyelman, Sabine de Bethune, Armand De Decker, Jean-Marie Dedecker, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Jacques D'Hooghe, Josy Dubié, Paul Galand, André Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Theo Kelchtermans, Mimi Kestelijn-Sierens, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Michiel Maertens, Philippe Mahoux, Johan Malcorps, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Philippe Monfils, Jacky Morael, Marie Nagy, Clotilde Nyssens, Fatma Pehlivan, Francis Poty, Didier Ramoudt, Jan Remans, François Roelants du Vivier, Louis Siquet, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Jan Steverlynck, Martine Taelman, Erika Thijs, René Thissen, Jacques Timmermans, Louis Tobback, Hugo Vandenberghe, Luc Van den Brande, Joris Van Hauthem, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, Vincent Van Quickenborne, Iris Van Riet, Wim Verreycken, Magdeleine Willame-Boonen, Paul Wille.
Wetsvoorstellen
Artikel 77 van de Grondwet
Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 259ter van het Gerechtelijk Wetboek, teneinde de benoemingsprocedure van magistraten te versnellen (van mevrouw Clotilde Nyssens; Stuk 2-1236/1).
-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.
Artikel 81 van de Grondwet
Wetsvoorstel tot oprichting van een fonds voor het vergoeden van slachtoffers van een besmetting als gevolg van een bloedtransfusie (van de heer Alain Destexhe; Stuk 2-1231/1).
-Verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.
Het Bureau heeft volgende vragen om uitleg ontvangen:
van de heer Michiel Maertens aan de minister van Sociale Zaken en Pensioenen over "de differentiatie en de financiering voor wat betreft de ouderenzorg" (nr. 2-848)
van de heer Jean-Marie Happart aan de minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu over "blaasworm" (nr. 2-849)
van de heer Vincent Van Quickenborne aan de vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken over "het eventueel opnemen van de Hezbollah in de lijst van de terroristische organisaties" (nr. 2-851)
-Deze vragen worden naar de plenaire vergadering verzonden.
De Senaat heeft bij boodschap van 10 juli 2002 aan de Kamer van volksvertegenwoordigers ter kennis gebracht dat tot evocatie is overgegaan, op die datum, van:
Wetsontwerp betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties (Stuk 2-1232/1).
-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Justitie.
Bij boodschap van 9 juli 2002 heeft de Senaat aan de Kamer van volksvertegenwoordigers terugbezorgd, met het oog op de koninklijke bekrachtiging, het volgende niet geëvoceerde wetsontwerp:
Wetsontwerp tot wijziging van verschillende bepalingen teneinde inzonderheid de verjaringstermijnen voor de niet-correctionaliseerbare misdaden te verlengen (Stuk 2-1211/1).
-Voor kennisgeving aangenomen.
Bij boodschappen van 4 juli 2002 heeft de Kamer van volksvertegenwoordigers aan de Senaat overgezonden, zoals ze ter vergadering van dezelfde dag werden aangenomen:
Artikel 77 van de Grondwet
Wetsontwerp tot wijziging van de wet betreffende de afschaffing of herstructurering van instellingen van openbaar nut en andere overheidsdiensten, gecoördineerd op 13 maart 1991 (Stuk 2-1233/1).
-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Institutionele Aangelegenheden.
Artikel 80 van de Grondwet
Wetsontwerp betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties (Stuk 2-1232/1).
-Het wetsontwerp werd ontvangen op 5 juli 2002; de uiterste datum voor evocatie is woensdag 10 juli 2002.
De Regering heeft volgend wetsontwerp ingediend:
Wetsontwerp houdende instemming met het Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden, en met de Bijlagen I en II, gedaan te Aarhus op 25 juni 1998 (Stuk 2-1235/1).
-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.
Met toepassing van artikel 113 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van het Arbitragehof kennis aan de voorzitter van de Senaat van:
-Voor kennisgeving aangenomen.
Bij brief van 3 juli 2002 heeft de voorzitter van het Rekenhof, overeenkomstig artikel 30, §3, vierde lid, van de wet van 21 december 1998 tot oprichting van de "Belgische Technische Coöperatie" in de vorm van een vennootschap van publiek recht aan de Senaat overgezonden, het verslag in verband met de tenuitvoerlegging van de taken van openbare dienst door de vennootschap van publiek recht "Belgische Technische Coöperatie" tijdens het boekjaar 2001.
-Verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.
Bij brieven van 15 en 24 mei en van 14, 18, 19, 24 en 25 juni 2002 hebben de gouverneur van de provincie Henegouwen en de burgemeesters van Hotton, Profondeville, Sint-Pieters-Woluwe, Aiseau-Presles, Namen, Héron, Moeskroen, Pepinster, Theux, Écaussinnes en Seraing aan de Senaat overgezonden een motie met het verzoek te werken in het voordeel van de bevrijding van mevrouw Ingrid Betancourt.
-Verzonden naar de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden.
Bij brief van 17 juni 2002 heeft de Koninklijke Vlaamse Academie van België voor Wetenschappen en Kunsten aan de Senaat overgezonden een motie betreffende de telling van de verkiezingen.
-Verzonden naar de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden.
Bij brief van 3 juli 2002 heeft de gouverneur van de provincie Luik aan de Senaat overgezonden een motie van de provincieraad betreffende de publiciteit voor tabak tijdens de Grand Prix Formule I van Francorchamps.
-Verzonden naar de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden.