2-85

2-85

Belgische Senaat

2-85

Handelingen - Nederlandse versie

WOENSDAG 20 DECEMBER 2000 - NAMIDDAGVERGADERING


Waarschuwing: de blauwe kleur geeft aan dat het gaat om uit het Frans vertaalde samenvattingen.


Ontwerp van programmawet (Stuk 2-600) (Evocatieprocedure)

Ontwerp van tijdelijke wet tot invoeging van een artikel 257bis in de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus (Stuk 2-596) (Evocatieprocedure)

Wetsontwerp tot goedkeuring van het Protocol tot wijziging van het Verdrag van 9 februari 1994 inzake de heffing van rechten voor het gebruik van bepaalde wegen door zware vrachtwagens, ter voldoening aan Richtlijn 1999/62/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 17 juni 1999 betreffende het in rekening brengen van het gebruik van bepaalde infrastructuurvoorzieningen aan zware vrachtvoertuigen ondertekend te Brussel op 22 maart 2000 door de regeringen van het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Zweden, en tot wijziging van de wet van 27 december 1994 tot goedkeuring van voormeld Verdrag en tot invoering van een Eurovignet overeenkomstig Richtlijn 93/89/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 oktober 1993 (Stuk 2-583)

Wetsontwerp tot wijziging van artikel 71, eerste lid, 4°, van de nieuwe gemeentewet (Stuk 2-590) (Evocatieprocedure)

Regeling van de werkzaamheden

Vraag om uitleg van mevrouw Nyssens aan de minister van Justitie over «gratie en dienstverlening ten bate van de gemeenschap» (nr. 2-284)

Vraag om uitleg van mevrouw Anne-Marie Lizin aan de minister van Justitie over «de voorbereiding van de bijzondere commissie voor de toepassing van het Verdrag van Den Haag betreffende de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen, die van 22 tot 28 maart 2001 in Den Haag wordt gehouden» (nr. 2-264)

Stemmingen

Vraag om uitleg van mevrouw Anne-Marie Lizin aan de staatssecretaris voor Energie en Duurzame Ontwikkeling over «de administratieve reorganisatie van de nucleaire sector en in het bijzonder van Electrabel, en de invloed ervan op de veiligheid» (nr. 2-296)

Stemmingen

Ontwerp van programmawet (Stuk 2-600) (Evocatieprocedure)

Berichten van verhindering

Bijlage


Voorzitter: de heer Armand De Decker

(De vergadering wordt geopend om 14.10 uur.)

Ontwerp van programmawet (Stuk 2-600) (Evocatieprocedure)

Algemene bespreking van het wetsontwerp in zijn geheel

De heer Hugo Vandenberghe (CVP). - In de parlementaire werkzaamheden is een verwerpelijke bestuurlijke methode ingeburgerd, waarmee we zowel op het einde van het parlementaire jaar als op het einde van het burgerlijke jaar worden geconfronteerd: de programmawet.

In juni hebben we reeds uitvoerig gedebatteerd over deze kwaal, die trouwens zowel door leden van de meerderheid als leden van de oppositie aldus wordt omschreven. We stellen opnieuw vast dat een programmawet wordt voorgesteld die niet aan de echte keuzes beantwoordt. Ze wordt gebruikt om een oneigenlijke wetgevingsmethode te organiseren. Bepalingen die de regering normaal gezien in afzonderlijke wetsontwerpen zou moeten gieten, worden in een programmawet opgenomen in de overtuiging dat de regelgeving zeer snel zal worden goedgekeurd.

De programmawet zelf zou beter een mozaïekwet worden genoemd. Niet dat ze de kenmerken heeft van de kunstwerken die we in Ravenna kunnen bewonderen. Het is een mozaïek, maar de kleuren passen niet bij elkaar en de onderdeeltjes zijn verkeerd geplaatst. Ik kan dan ook alleen maar denken aan de historische woorden van het eminent lid van de meerderheid, de heer Moureaux: "De regering is een ventilator". Ik zou zoiets nooit durven zeggen, maar de heer Moureaux heeft onrechtstreeks onze indruk over de programmawet verwoord. Er staan allerlei bepalingen in die niet bij mekaar passen, ze gaan over de meest uiteenlopende onderwerpen en het politieke gewicht ervan verschilt van artikel tot artikel.

In deze discussie zullen we dan ook geen commentaar leveren bij elk artikel - het zou trouwens onjuist zijn te beweren dat alle bepalingen inhoudelijk niet aanvaardbaar zijn - maar ons beperken tot de belangrijke politieke aspecten.

Sta me niettemin toe een opsomming te geven van alle thema's waarover de Senaat volgens de Grondwet vandaag zou moeten bezinnen: de telecommunicatie, de overheidsbedrijven, de farmaceutische inspectie, LPG, de algemeen socio-economische enquête, de banenplannen, de PWA's, de geneeskundige verzorging, de kruispuntbank, de pensioenen, het asielbeleid, de internationale samenwerking, de landbouw en de Nationale Loterij. Als men een dergelijk groot aantal onderwerpen moet behandelen, laat men de dobbelstenen nog even rollen om op het einde van het jaar te kijken of de Senaat de Lotto heeft gewonnen...

Dit is niet alleen een mozaïek, maar tevens een cocktail. De meerderheid zal die drinken, maar wij niet. We willen het jaar 2001 heelhuids kunnen ingaan. Die cocktail is niet te verteren. De meerderheid zal de middelen die ze eventueel ter beschikking heeft om de overgang van 2000 naar 2001 te vieren, morgen al vervroegd en als het ware anticonceptief moeten aanwenden om de vertering van een dergelijke cocktail te verzekeren.

Wat is de gemeenschappelijke noemer van een dergelijke wet? Indien we hem rekbaar en ruim toepassen, gaat het om een wet die aansluit bij de algemene uitgavenbegroting van 2001. Die begroting is evenwel nog niet goedgekeurd en is nog niet verschenen in het Belgisch Staatsblad, zodat de wereld op zijn kop wordt gezet.

Daarenboven heeft de regering gegrepen naar een paardenmiddel, namelijk de spoedbehandeling, waardoor de Raad van State in korte tijd juridisch advies diende te geven dat bijgevolg niet voldoende onderzocht kan zijn. De Raad van State maakt dan ook algemeen voorbehoud. Op een drafje heeft hij de meest kennelijke fouten ontdekt, maar tijdens de besprekingen zijn nog allerlei bijkomende tekortkomingen naar voren gebracht.

Men verwijt de Senaat voortdurend te beraadslagen volgens "le train des sénateurs", maar dit was voor dit ontwerp van programmawet volstrekt uitgesloten. We moeten immers beraadslagen met de snelheid van de TGV. Minder dan zeven dagen na de evocatie moet alles worden behandeld in de commissies en in openbare vergadering.

Waaruit bestaat de grondwettelijke taak van de Senaat? De Senaat is een politieke reflectiekamer. Het kenmerk daarvan is nadenken. Haast en spoed is daarbij zelden goed. De snelheid die de senatoren wordt opgelegd, is dan ook omgekeerd evenredig met de opdracht die ons door de Grondwet wordt gegeven.

Telkens de programmawet wordt behandeld, reageert de meerderheid, al dan niet officieel of in de wandelgangen, dat dit voor het laatst gebeurt. Dat hebben we in juli gehoord en vandaag opnieuw.

De heer André Flahaut, minister van Landsverdediging. - Vroeger werd er ook met programmawetten gewerkt.

De heer Hugo Vandenberghe (CVP). - Ik wil hier graag aanhalen wat eminente leden van de huidige meerderheid vroeger, toen ze nog in de oppositie zaten, hebben gezegd, onder meer over de programmawetten van eerste minister Dehaene. Voor de ene - hij is nu minister - betekende het bestuur van de heer Dehaene het einde van de democratie, voor de andere waren we in een systeem terechtgekomen à la Hitler en Mussolini. Ik zeg nog geen tiende van wat er destijds werd gezegd.

Iedereen is het er trouwens over eens dat de programmawet politiek een slechte bestuursmethode is. Indien een programmawet toch onvermijdelijk is, dan moet ze worden beperkt tot de echte gevolgen van de budgettaire keuzes. En dat is nu niet het geval. De regering maakt bijvoorbeeld van de programmawet gebruik om het asielbeleid te normeren, of beter: simpelweg te privatiseren, zonder dat daarover een echte maatschappelijke discussie kan worden gevoerd. Een programmawet is aanvaardbaar voor technische en politieke keuzes die in het raam van de begroting moeten worden gemaakt, maar niet voor het bijsturen van het asielbeleid of het organiseren van de volkstelling, die nu een sociaal-economische enquête wordt. Ik zie niet in waarom dit niet in een afzonderlijk wetsontwerp kan worden geregeld, zodat we het kader en de gevolgen ervan degelijk kunnen onderzoeken.

Ik geef toe dat het aantal artikelen van de programmawet is verminderd - en ik denk dat dit toch het gevolg is van ons verzet in juli tegen de programmawet van meer dan 230 artikelen - en dat de teksten technisch-juridisch minder fouten bevatten dan de vorige keer.

De programmawet is niet alleen een politiek document waarmee de regering haar politieke opties duidelijk wil maken, ze houdt ook een keuze in op het vlak van het algemeen regeringsbeleid. De regering is van start gegaan onder het devies "snel en efficiënt". Snel gaat de behandeling van de programmawetten in elk geval wel. In een hoofdartikel in de Financieel Economische Tijd, die we toch niet als een antiliberale krant kunnen beschouwen, lezen we echter onder de titel "Onbehoorlijk bestuur": "Het jaareinde verloopt voor de regering alles behalve in peis en vree. Het kabinet levert slag op diverse fronten en op meer dan één front dreigt de complete chaos."

Ik kom nu tot het asieldossier. Bij de bespreking van het asielbeleid moeten diverse uitgangspunten goed in het oog worden gehouden. Het internationaal rechterlijk asielrecht moet natuurlijk in de eerste plaats worden gewaarborgd. We zijn verplicht de uitgangspunten trouw te blijven. We mogen vreemdelingen die hier al dan niet terecht verblijven ook geen zondebokken maken voor alle maatschappelijke kwalen. Dat is ook niet de bedoeling van de CVP-fractie. Wij zullen trouwens een amendement indienen tegen de privatisering van het asielbeleid.

We hebben alleszins het recht een regeringspolitiek die de eigen prioriteiten niet invult aan te vallen. Dat we het met die politiek niet eens zijn en op de mislukkingen wijzen mag niet worden geïnterpreteerd als een standpunt dat afbreuk doet aan de rechten en de plichten van iedereen die zich in deze situatie bevindt.

De essentiële problemen van de asielstroom, die we reeds in het begin van het jaar hebben aangekaart, zijn niet onder controle. Op de eerste plaats is er het probleem van de instroom. Volgens internationale statistieken staat België in absolute cijfers aan de top van de Europese Unie. Dat betekent dat België meer asielzoekers heeft dan Frankrijk of Duitsland. De door de regering aangekondigde maatregelen zoals de algemene eenmalige regularisatie en de daaropvolgende controle hadden geen enkele invloed op de instroom, die zelfs toegenomen is. Zowel de regularisatiewet als de "snel Belg wet" gaven een verkeerd signaal.

Het asielbeleid is niet beperkt tot het beheersen van de instroom. Er moet ook een adequate procedure en een daaraan gekoppeld uitwijzingsbeleid zijn. Terzake is er niets gebeurd.

Vandaag verscheen er in de Standaard een vrije tribune van OCMW-leden. Het artikel gaat over de bijkomende lasten voor de OCMW's. Er is een verschuiving van de problematiek en er is geen enkele controle meer op het terrein. Volgens de auteurs doet minister Vande Lanotte er nog iets aan. Minister Duquesne doet helemaal niets. Wel liet hij naar aanleiding van de regularisatieprocedure de grenzen door de rijkswacht controleren en liet hij treincontroles uitvoeren, maar in de uitwijzingen is geen verandering gekomen en heel wat asielzoekers bevinden zich opnieuw in de illegaliteit.

Het uitwijzingsbeleid dat parallel zou lopen met de regularisatiecampagne, is op het terrein zonder gevolg gebleven. Van deze regering die beweert naar een snel en efficiënt bestuur te streven, hadden we toch verwacht dat ze haar voorstel voor een nieuwe procedure heel snel bij de Kamer zou indienen, eventueel samen met de andere bepalingen van het asielrecht. Dat is niet gebeurd. Integendeel, van de procedure die dat allemaal moet stroomlijnen, hebben we zelfs het allereerste begin nog niet gezien. Daardoor is de stapsgewijze aanpak van het asielbeleid wel gedoemd om te mislukken: de regering neemt een losstaand initiatief hier, dan weer een ginder, maar het geheel lekt als een vergiet en ze krijgt maar geen vat op de reële toestand. De CVP-fractie heeft verscheidene voorstellen gedaan om alleszins de meest frappante vergissingen recht te trekken. Voor de nationaliteitswet hebben we bijvoorbeeld opnieuw gevraagd de mogelijkheid van het inwinnen van het advies van de procureur des Konings in te voeren. In de commissie voor de Binnenlandse Aangelegenheden kregen wij daarop ten antwoord dat de regering bezig is een evaluatie te maken van de huidige procedure en dat ze het resultaat daarvan wil afwachten. Sommige zaken zijn echter zo vanzelfsprekend dat ze geen evaluatie behoeven. Ik denk bijvoorbeeld aan het feit dat de adviezen van het parket en de staatsveiligheid over de nationaliteitsaanvragen onmogelijk binnen de maand kunnen worden verstrekt, zoals de procedure voorschrijft. Wij hebben daar in het Parlement diverse vragen over gesteld, maar uit het antwoord van de ministers en trouwens ook uit het officiële communiqué van het parket zelf blijkt dat de termijn van een maand niet haalbaar is. Dit veroorzaakt dan weer nodeloze vertragingen én maatschappelijke onvrede.

De regering zei ettelijke duizenden mensen zonder papieren te zullen regulariseren, maar de commissies die daarmee werden belast, blijken van geen kanten in staat om die doelstellingen te realiseren.

In plaats van in de programmawet enkele bepalingen inzake het asielbeleid op te nemen, had de regering beter een apart wetsontwerp over deze problematiek ingediend, samen met een evaluatienota. Dan hadden we daarover een op feiten gebaseerd debat kunnen voeren. Dat is nu niet het geval. Daardoor veroorzaakt de regering niet alleen onbehoorlijk bestuur, maar ook verzuring van de maatschappelijke verhoudingen. Nu horen we wel allerlei oproepen om over deze problematiek niet te vervallen in een al te gemakkelijke polemiek, wat ik hier bewust wil vermijden. Het is echter de regering zelf, die met de methode die ze heeft gekozen en met haar niet uitgediscussieerde en dus onsamenhangende beslissingen, voor bijkomende verzuring in de samenleving zorgt. Ze speelt brandweerman die dan hier, dan ginder een brandje gaat blussen, maar die er niet toe komt om een beleid uit te werken en dat op alle terreinen consequent toe te passen. Het beleid van de regering is noch snel - kijk maar naar de regularisatieprocedure - noch efficiënt, wat dan weer blijkt uit de cijfers over de instroom en de uitwijzing van asielzoekers.

Daarenboven bevat de programmawet een aantal bepalingen in dit verband die voor de CVP-fractie onaanvaardbaar zijn. Het asielbeleid wordt geprivatiseerd door de bepaling dat de opvang voor de verplichte verblijven kan worden toegewezen aan private personen. Allereerst is het de vraag of die taak hoe dan ook kan worden geprivatiseerd. Bovendien moet er een wettelijk kader zijn. Voor de maatschappelijke zorg in de ziekenhuizen en de maatschappelijke zorg voor de ouderlingen in homes bestaat toch ook een wettelijk kader. Men gaat over tot de privatisering van de asielopvang zonder enig ander wettelijk kader, zonder begeleidende maatregelen. Er wordt slecht één woord in de wet gewijzigd en voor het overige worden aan de minister alle bevoegdheden gegeven.

Dat geldt ook voor het opeisingsrecht. De bevoegde minister krijgt een algemene volmacht om verlaten gebouwen te laten opeisen, maar de modaliteiten worden niet nader bepaald. We zullen later bij de bespreking van dit deel terugkomen op onze opmerkingen hierover.

De programmawet bevat een aantal bepalingen die aanvaardbaar zijn en kunnen worden goedgekeurd, maar een aantal andere zijn volkomen ondoelmatig en zijn het resultaat van een politiek vergelijk tussen de meerderheidspartijen. Dat politiek vergelijk is onsamenhangend, hetgeen uit de politieke keuzes van de voorgelegde tekst blijkt.

Ik geef nog één voorbeeld. Minister Picqué heeft het zelf - indirect - toegegeven in de commissie. Bij de tienjaarlijkse volkstelling, waarbij de regering allerlei gegevens uit andere databanken kan hanteren die desgevallend aan de particuliere sector ter beschikking worden gesteld, wordt het belangrijk debat over de privacy niet gevoerd. Het feit dat de bescherming van de privacy, een essentieel punt van de burgerlijke vrijheden, ook met het oog op het misbruik van private informatie, in de programmawet gewoon over het hoofd wordt gezien, is onbegrijpelijk. De regering voert dergelijke bepalingen in, zonder zelfs het advies te vragen van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Dat advies is nochtans één van de sluitstukken van de wet op de privacy. De regering heeft het zelfs niet nuttig geacht dat advies te vragen.

De programmawet vertoont voor een aantal aspecten politieke gebreken. Voor die aspecten biedt de programmawet geen oplossing voor de politieke problemen. Dat zal leiden tot inefficiënt bestuur. Op verschillende domeinen krijgt de regering immers ruime volmachten, maar de minimale rechtswaarborgen worden daarbij uit het oog verloren. Daardoor zal de essentie van het bestuur, met name de efficiëntie en de duurzaamheid, niet worden bereikt omdat al de uitvoeringsbesluiten het voorwerp zullen kunnen uitmaken van juridische en politieke betwistingen, omdat de wetgever zelf de minimale wettelijke zorgvuldigheid niet heeft in acht genomen bij het aanbrengen van deze bepalingen.

De programmawet toont de levenskracht van een regering, toont welke visie de regering ontwikkelt en welke opties ze neemt voor de aanpak van de nieuwe problemen. Het beleid is noch snel, noch efficiënt. Het beleid geeft de indruk dat de regering voor een aantal thema's in een soort paniekvoetbal is terechtgekomen en wordt verlamd door haar interne tegenstellingen en geen duidelijke keuzes kan maken waar de bevolking vandaag recht op heeft.

De heer Wim Verreycken (VL. BLOK). - De regering en de senatoren weten uiteraard dat het werken met programma- of vergaarbakwetten een slecht systeem is. Dit geldt zeker als nogal wat onderdelen van die vergaarbakwet eigenlijk thuishoren in geëigende wetten. Ik denk hier aan de artikelen die de asielwetgeving wijzigen en die eigenlijk een volkomen nieuwe beleidslijn uitzetten, namelijk deze van het privatiseren van de opvang en het opeisingsrecht. Hierover is dus geen grondig debat mogelijk, tenzij in het kader van deze programmawet. Ik kom op beide onderdelen zo dadelijk terug.

In de marge, maar daarom niet minder dwingend, wil ik ook wijzen op de sterke nota met inhoudelijke en taalkundige opmerkingen die de Senaatsdiensten over deze wet maakten. In de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden werd afgesproken dat de Senaatsdiensten contact zouden opnemen met de diensten van de Kamer teneinde na te gaan in hoeverre een en ander bij wijze van taalcorrectie kan worden aangepast. Ik meende dan ook terzake geen amendementen te moeten indienen. Ik reken op het gezond verstand én op de appreciatie van de senatoren en kamerleden voor de Senaatsmedewerkers, zodat hun grondige werk niet naar de prullenbak wordt verwezen.

Ik verbind aan de nota ook een politieke conclusie, namelijk dat de ministers hun dossiers onvoldoende kennen. Hoe anders te verklaren dat een paragraaf 2 wordt toegevoegd aan een wetsartikel dat reeds uit twee paragrafen bestaat. Dat wordt dolle pret voor wie de verwijzingen naar het bewuste artikel en naar paragraaf 2 willen volgen. Er zijn dus twee paragrafen 2. Haal daar maar eens bewijskracht of argumentatie voor een rechtbank uit. Er zijn ook nog aanpassingen in de artikelen aangebracht na het advies van de Raad van State, zonder evenwel de memorie van toelichting te wijzigen. De memorie van toelichting verwijst naar artikelen die over iets totaal anders gaan, terwijl bij sommige artikelen verwezen wordt naar adviezen van de Raad van State waarvan de inhoud onbekend is.

Mijn afkeer voor het systeem van programmawetten kan geenszins mijn zo mogelijk nog grotere afkeer voor taalkundige draken verminderen. Ik wacht dan ook met belangstelling op de reacties van de diensten en van de regering hieromtrent.

De artikelen van de programmawet werden verwezen naar de commissies voor de Financiën en de Economische Aangelegenheden, voor de Sociale Aangelegenheden, voor de Binnenlandse Zaken en de voor Administratieve Aangelegenheden en voor de Buitenlandse Betrekkingen. Ik had de gelegenheid de bespreking in de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden te volgen, zeg maar over het gedeelte dat de asielwetgeving aanpast. En ik vertel zeker niets nieuws, wanneer ik zeg dat zo niet het land, dan toch minstens Vlaanderen, volledig in de ban is van de asielproblematiek.

Laat me eerst zeggen dat ik geen probleem heb met echte politieke vluchtelingen. Ik beklemtoon "echte". Wanneer morgen immers het haatdragende inquisitiecentrum van de eerste minister de vrije hand mocht krijgen, dan kan ikzelf mogelijk in de rol van politiek vluchteling gedwongen worden. De toevoeging "echte" is vanzelfsprekend belangrijk. Vandaag wordt Vlaanderen overspoeld door manifest onechte politieke vluchtelingen, afkomstig uit veilige landen. De regering zou hier onmiddellijk paal en perk kunnen aan stellen door die veilige landen op te nemen in een bindende lijst en door kandidaat-vluchtelingen uit die landen geen bevel tot verlaten van het grondgebied te geven, want dat is eigenlijk een bevel tot onderduiken, maar door hen daadwerkelijk terug te voeren.

Vandaag worden wel de onderdelen van het regeringsbeleid inzake snelle naturalisatie en opvang uitgevoerd, maar niet het derde deel, de repatriëring. De balans van de instroom van duizenden wordt niet in evenwicht gebracht door het terugvoeren van enkelingen. De regering zal de bevolking zeker niet kalmeren door het aankopen van vakantiecentra. Integendeel, de beelden van fitnesszalen, zwembaden en sauna's, gekoppeld aan het afzeggen van vakanties voor brave ziekenfondsleden, versterken de onrust. Gisteren meldde een persoon mij nog dat hij vier maanden op voorhand had moeten boeken voor een verblijf in een vakantiecentrum in Houthalen en dat hij de kerstdagen er nu niet zal kunnen doorbrengen.

De onrust bij de gewone Vlamingen is in elk geval groot en de verklaringen van de minister van Binnenlandse Zaken gooien geen olie op de golven, maar op het vuur. Terwijl hij op de ene plaats verklaarde dat de kandidaat-vluchtelingen geen geld meer krijgen, verklaarde hij elders dat de enkele vluchtelingen die in de zwembaden zullen worden aangetroffen, daarvoor zullen hebben betaald. Zo verklaarde de minister van Binnenlandse Zaken dat Wommelgem, een domein dat door een gewestplan voor militaire activiteiten is bestemd, om dwingende redenen toch als asielcentrum kan worden gebruikt, terwijl hij de dag nadien elders dan weer benadrukte dat een militair domein in Oostende niet als asielcentrum kan worden gebruikt, omdat het gewestplan er enkel militaire activiteiten toestaan. Dergelijke verklaringen zijn natuurlijk niet goed om een en ander te verkopen aan de bevolking, die niet idioot is. Zulke verklaringen stimuleren alleen de onrust.

Ondertussen duikt er een nieuw element op in het debat. Vakbondskleuren worden vertoond bij betogers tegen de eigen ziekenfondsen en tegen het asielbeleid van de regering. Dat is nog nooit gebeurd. Waar vroeger het antwoord op de vragen van televisiejournalisten begonnen met "Goedenavond" of met "Mijn naam is...", beginnen ze nu steevast met "Ik ben geen racist, maar...". Met andere woorden, de volgehouden stigmatisering van de burger die voor zijn mening durft uitkomen, zorgt nu voor een omgekeerde reactie. Eerst spreekt hij de scheldwoorden tegen en onmiddellijk daarop zegt hij toch wat hij denkt. Ik kan de regering verzekeren dat de protesterende burgers daarvoor helemaal geen zetje van een politieke partij nodig hebben. Hun protest is spontaan en gegrond.

De heer André Flahaut, minister van Landsverdediging. - Er is een verschil tussen de domeinen van Lombardsijde en Wommelgem. Er zijn op het ogenblik nog militaire activiteiten in Lombardsijde en niet in Wommelgem.

De heer Wim Verreycken (VL. BLOK). - Dat heeft de minister van Binnenlandse Zaken niet gezegd. Hij verklaarde dat Oostende niet mogelijk was omdat het op het gewestplan als een militair domein is aangeduid.

De heer André Flahaut, minister van Landsverdediging. - Er zijn andere redenen.

De heer Wim Verreycken (VL. BLOK). - In Wommelgem kwam dezelfde minister zeggen dat het domein in geval van nood kan worden gebruikt, hoewel het op het gewestplan ook als een militair domein is ingekleurd. De burger concludeert daaruit dat de burgemeester van Oostende op veilig speelt. Indien de minister gelijk heeft, gaat het om een zware communicatiefout van de regering en daar spelen politieke partijen geen rol in. Die fouten geven aanleiding tot een spontaan en gegrond protest.

Het is onze opdracht het volk te vertegenwoordigen en hier te zeggen wat de burgers denken. Sommige OCMW-voorzitters verklaren vandaag: "Vol is vol" of "Geen 10% van de mensen die zich aanbieden, is politiek vluchteling". Dan zeggen wij dat Vlaanderen onmogelijk het OCMW van de wereld kan zijn en dat oneigenlijke asielzoekers nog dezelfde dag moeten worden teruggevoerd, zonder eerst in vakantiedorpen ondergebracht te worden. In hun landen van herkomst hebben ze trouwens zon en zee genoeg.

Ik heb, tegen beter weten in, toch amendementen ingediend. Ik zal in deze uiteenzetting duidelijk maken waarom en hoe. Tegen beter weten in, omdat de meerderheid geen enkel amendement zal aanvaarden. De Senaat mag wikken, de Kamer zal beschikken. Morgenavond begint het kerstreces en dat zal niet onderbroken worden omdat enkele plichtbewuste senatoren manifeste onjuistheden vonden in deze wet. Bovendien is het zeker dat niemand amendementen van het Vlaams Blok zal aanvaarden. Er bestaat nog zoiets als het cordon sanitaire - of was het cordon vulgaire - uitgevaardigd door zelfverklaarde democraten. Verkiezing na verkiezing, betoging tegen asielcentrum na betoging tegen asielcentrum, tonen steeds meer burgers dat ze de buik vol hebben van de linkse pseudo-democratische arrogantie die dissidente verkozenen probeert te stigmatiseren. Wij dienen dus toch amendementen in omdat het onze kiezers zijn die ons opdrachten geven en niet de gefrustreerde politieke tegenstrevers.

Mijn eerste amendement wijzigt artikel 69. In de huidige redactie wordt enkel de persoon strafbaar, wat nog iets anders is als gestraft, die een vreemdeling - en dan moet hij bovendien nog bijzonder kwetsbaar zijn ten gevolge van zijn onwettige of precaire administratieve toestand - onderdak verleent en daarbij een abnormaal profijt maakt. Ik heb reeds in de commissie gewezen op de onmogelijkheid om "abnormaal profijt" aan te tonen. Het verhuren tegen een bedrag van één frank is even abnormaal. Dit artikel is dus louter advocatenvoer. Mijn amendement spreekt van illegalen en van winst maken, zonder de franjes uit de regeringstekst. Het blijft mogelijk om hulp te verlenen aan mensen in echte noodsituaties, terwijl elk winstoogmerk wordt uitgesloten.

Met een tweede amendement schrap ik artikel 74 uit deze vergaarbakwet. Ik begrijp weliswaar dat de regering wil aantonen dat de massale toestroom van vreemdelingen als het ware een oorlogssituatie creëert en dat ze dus het oorlogsrecht invoert door de minister - of zelfs zijn gemachtigde - toe te laten koudweg gebouwen op te eisen. Dit is in vredestijd nog nooit vertoond. Ik begrijp echter niet dat de regering een fundamenteel recht van de bewoners van dit land, het eigendomsrecht, zo maar door een voorgekauwd koninklijk besluit kan opheffen.

Er werden opmerkingen gemaakt over de privatisering van de opvang. Ik meen dat enkel de overheid echte politieke vluchtelingen tijdelijk kan opvangen, omdat de controle-instrumenten en de mogelijkheid om de politieke vluchtelingen terug te sturen bij het beëindigen van de situatie die de vlucht noodzakelijk maakte, in overheidshanden zijn. We maken vandaag mee hoe verenigingen, zoals het inquisitiecentrum en ook de Liga voor de rechten van de mens, een openbare aanklager kunnen vervangen en daardoor ons rechtstelsel kunnen ondergraven. Ik protesteer er dan ook tegen dat naast die verenigingen nu ook bedrijven worden ingeschakeld om die overheidsplicht in te vullen. In de voormalige Oostbloklanden, maar niet enkel daar, bestaan reisbureaus die een reis naar België en een dramatisch verhaaltje verkopen aan kandidaat-asielvragers. Met deze programmawet zullen ze hun aanbod kunnen uitbreiden tot de eindbestemming, namelijk een bedrijf in België. Het hoofddoel van bedrijven is het maken van winst. Wanneer dus de regering aan een bedrijf honderd frank geeft om iemand op te vangen, terwijl een mensenhandelaarsketen duizend frank wil besteden, dan moeten het sterke naturen zijn die deze winst weigeren.

Uiteraard zal de regering zwaaien met de uitsluitende toewijzing via haar diensten en met zeer fijnmazige controlemogelijkheden, maar al die remmen hebben nooit kunnen beletten dat de georganiseerde misdaad zich verder ontwikkelde. De lijvige Senaatsrapporten tonen dat aan. Nu reeds lezen wij dat een schoonmaakbedrijf zich kandidaat stelde voor de nieuwe taak. Dat schoonmaakbedrijf heeft vele internationale vertakkingen waarover de Belgische overheid geen enkele controlemogelijkheid heeft. Het bedrijf overweegt om in zee te gaan met een bouwbedrijf om nieuwe asielcentra te bouwen met als enige doel het maken van winst.

De regering wil, om een politiek correct multicultureel beeld te gebruiken, de rol spelen van slangenbezweerder. De toekomstige asielbedrijven én de verenigingen spelen de rol van de oosterse slang. Het melodietje dat de slang moet aanhoren klinkt als volgt: "Wij, overheid, hebben angst voor het verwijt van racisme, angst dat men zou zeggen dat wij het Vlaams Blok achterna hollen, dus dans met ons mee". De overheid is echter onmachtig om het noodzakelijke terugkeerbeleid uit te voeren en zorgt er aldus voor dat België in de hele wereld wordt aangeprezen als het land van belofte. De overheid mislukt volkomen in haar rol van slangenbezweerder en wordt zelf geïmmobiliseerd door de starre blik van slangen.

Wij zullen deze vuilbakwet niet goedkeuren.

De heer Vincent Van Quickenborne (VU-ID). - Naar halfjaarlijkse traditie werden de kamerleden en senatoren de voorbije weken en dagen geconfronteerd met een ontwerp van programmawet van de regering-Verhofstadt. Deze regering heeft de mond vol van de nieuwe politieke cultuur, van meer transparantie en van het herstelde vertrouwen van de burger in de politiek, maar als het om de beruchte techniek van de programmawetten gaat, is er weinig of geen verschil met de vorige regeringen. Sommigen zullen zich de nummertjes herinneren van de heren Daems, De Wael en Reynders, die destijds tegen dit soort wetten fulmineerden maar ze vandaag zelf gebruiken. De regering heeft sedert haar aantreden al driemaal gebruikgemaakt van deze wetgevingstechniek, die erin bestaat in een ontwerp van programmawet allerhande uiteenlopende bepalingen samen te brengen.

Hoe zijn de programmawetten tot stand gekomen? Ze werden voor het eerst gebruikt in de crisisjaren, met name op 29 december 1973. De initiële bedoeling was de uitgavendrift van de regering te temperen door snel te interveniëren. Naderhand werd deze techniek gebruikt en misbruikt om één doel te bereiken: delicate dossiers die enigszins met de begroting verband houden aan elkaar te koppelen. Op die manier krijgt elke meerderheidspartij voor een deel haar zin zonder dat ze op de wensen van de anderen kan beknibbelen. Kortom, het is de klassieke koehandel waartegen premier Verhofstadt zich jaren met hand en tand heeft verzet. Ik vraag mij af wat deze regering tegenhoudt om volgend jaar één grote wet te maken met daarin alle beleidsopties, te nemen of te laten. Elke beleidsmaatregel heeft immers te maken met de begroting.

Het probleem met de programmawet is dat er voor de hele ketting van voorstellen die inhoudelijk niets met elkaar te maken hebben, slechts één hindernis moet worden genomen, namelijk de commissies en de plenaire vergaderingen van de Kamer en, na evocatie, van de Senaat. Het onderzoek van verschillende wetsontwerpen darentegen zou ons controle-en amenderingsrecht in de praktijk mogelijk maken. Maar misschien is dat juist wat de regering net niet wil. Ik heb een stuk teruggevonden van de Senaatscommissie voor de Financiën uit het midden van de jaren zeventig. Daarin verklaarde de toenmalige minister van Financiën dat de amendementen van de oppositie excellent en noodzakelijk waren, maar dat ze moesten worden verworpen omdat men geen tijd had.

Het is bovendien duidelijk dat ook deze programmawet de deur heeft opengezet voor de verzuchtingen van lobby's en drukkingsgroepen. De ministers slagen erin om botweg de wensen van die groepen over te nemen zonder zelfs een dossier te kennen. Ik verwijs naar een interessant incident in onze commissie voor de Financiën, die uiteraard achter gesloten deuren vergadert en waar de pers dus geen kennis heeft van kunnen nemen. De minister van Economische Zaken, de heer Picqué, die hier vandaag niet aanwezig is, viel bij de eerste inhoudelijke vraag over de sociaal-economische enquête in 2001 al door de mand. Eerst verklaarde hij dat de wet op de privacy van 8 december 1992 uitdrukkelijk van toepassing is op de gegevens die zouden worden verzameld door het Nationaal Instituut voor de Statistiek, doch tien minuten later verklaarde hij het tegenovergestelde, door te zeggen, verwijzend naar de memorie van toelichting, dat de bescherming die geboden wordt door de wet op de statistiek, voldoende is. Degelijke onkunde is inherent aan de techniek van de programmawet die de parlementaire inbreng en de parlementaire controle tot niets reduceert.

Het is niet verwonderlijk dat de liberalen deze techniek hanteren: het is een klassieke partij die de macht gebruikt en misbruikt naargelang het haar past. Vooral de houding van de groenen is verwonderlijk en teleurstellend, vooral dan die van Ecolo en de heer Morael, de moraalridder van de nieuwe politieke cultuur, die vandaag niet aanwezig is en waarschijnlijk stage loopt bij de NMBS in voorbereiding op zijn voorzitterschap. Tijdens een vergadering van de commissie voor de Financiën en de Economische Aangelegenheden van midden december 1999 verklaarde de heer Morael dat de programmawet van 24 december 1999 de allerlaatste zou zijn. Vandaag zijn we twee programmawetten verder en er is niets veranderd. Integendeel, de slordigheden stapelen zich op.

Ik geef twee voorbeelden. Iedereen kent de programmawet, ook de collega's van de meerderheid. Ik wijs hen op artikel 21 dat beoogt de tienjaarlijkse volkstelling te vervangen door een sociaal-economische enquête. Hiertoe wordt het huidige artikel 9 van de wet op de statistiek van 4 juli 1962 vervangen. Het probleem is dat de andere artikelen van die wet ongemoeid worden gelaten. Dit is een toonvoorbeeld van slechte wetgeving. Na de goedkeuring van de programmawet draagt hoofdstuk III van de wet van 1962 nog steeds de titel "Algemene volkstelling", terwijl die nu net is afgeschaft. Artikel 10 van de wet wordt zonder voorwerp aangezien de tussentijdse statistieken enkel "ter gelegenheid van de algemene volkstelling" kunnen gebeuren. Er komen dus artikelen zonder inhoud bij. Het zij zo, de oppositie dient amendementen in waaraan geen gevolg wordt gegeven.

De voorzitter van de Senaat mag dan wel voor pers en publiek verklaren dat wij toezien op de kwaliteit van de wetgeving. Senatoren van de oppositie die in de schamele tijd die hen is toegemeten, de moeite doen om punctuele kwaliteitsverbeteringen aan te brengen, krijgen geen kans. Als mijn amendementen 58 en 59, die ik uiteraard opnieuw heb ingediend, opnieuw worden weggestemd, dan is mijn vraag aan de leden van de meerderheid en de voorzitter: "Wat baten kaars en bril, als den uil niet zien en wil?" De leden van de meerderheidspartijen zijn misschien geen uilen, het zijn lammetjes die zich genadeloos naar de slachtbank laten leiden.

De meeste leden van de meerderheid weten niet eens wat in de artikelen van de programmawet staat omdat ze die gewoon niet hebben gelezen. Hier en daar toont een bokje zijn horens en dient een amendement in. Dan komt de eerste minister even langs in de Senaat om orde op zaken te stellen en wordt alle verzet ingetrokken.

Het is opnieuw een trieste vertoning in de Senaat. Hopelijk kan ik de leden met mijn tweede voorbeeld overtuigen. Ik heb het over de artikelen met betrekking tot de werkgelegenheid. Ik verwijs naar de nachtelijke vergadering van 20 op 21 juli 2000. Een oppositielid heeft toen een amendement ingediend dat ertoe strekte dat jongeren die minder dan twaalf maanden van een stage genieten ook zouden kunnen deelnemen aan het startbanenplan. Natuurlijk werd dit amendement weggestemd. Niemand luisterde ernaar. De vice-eerste minister verstond de vraag niet; ze werd dan wel in het Nederlands gesteld, maar er is toch vertaling in deze assemblee. Ze vond de vraag dan ook irrelevant. Vandaag stemmen we over artikel 39, dat exact dezelfde inhoud heeft als bovengenoemd amendement.

Snel werken houdt in dat er fouten worden gemaakt. Ik verwijs in dit verband naar artikel 41 van de programmawet dat met retroactieve werking de belastingverlaging in het kader van de maatregelen ter bevordering van de werkgelegenheid beperkt tot de laaggeschoolde jongeren die uit een startbaanovereenkomst komen.

Hooggeschoolden jongeren kunnen dit voordeel niet genieten. Deze fout waarop de oppositie in tempore non suspecto heeft gewezen, wordt nu pas rechtgezet, met als gevolg dat de werkgever die een hooggeschoolde jongere heeft aangenomen met een startbaanovereenkomst het vooropgestelde voordeel ziet verdwijnen.

Het tergende is dat de meerderheid dit heel goed beseft. Omdat het geheugen van de leden van de meerderheid waarschijnlijk bijzonder kort is, wil ik bij wijze van voorbeeld voorlezen wat collega Malcorps heeft gezegd in de nachtelijke zitting van 20 juli 2000: "Ik had een slecht gevoel bij de behandeling van dit ontwerp. We stonden er voor een zeer eigenaardige opdracht: er vond een bespreking plaats, maar het was onmogelijk om in de commissie - of nu in de plenaire vergadering - op een aantal pertinente bedenkingen en kritieken die werden aangereikt, te reageren. Dit is een situatie die zich niet meer mag voordoen. Ik wil de zaak niet dramatiseren, maar ook niet minimaliseren. Het is niet prettig om dagen na elkaar in de commissie te zitten zonder veel te kunnen doen, een scenario dat we vandaag ook zullen meemaken, wellicht tot in de nachtelijke uren."

De heer Malcorps vervolgt: "Een eerste probleem is dat van de timing. De programmawet is vrij laat ingediend door de regering. Er was te weinig tijd voor een degelijke, afdoende behandeling, zowel in de Kamer als in de Senaat. Er was ook te weinig tijd voor de diensten, de fracties en de kabinetten om de verslagen, amendementen enzovoort, grondig te bewerken. De afwerking van al de hier rondgedeelde stukken vergt immers een enorme investering in tijd en personeel. Door de onvermijdelijke tijdsdruk werden een aantal pijnlijke fouten gemaakt, die we nu met zijn allen zouden moeten kunnen rechtzetten...

Een tweede probleem is de opdracht van de Senaat. Wat is de functie van de Senaat? Na een jaar als senator, heb ik dit nog niet duidelijk kunnen zien. Naar mijn mening is de inhoudelijke reflectie het belangrijkste. Dit omvat de grondige analyse van problemen op langere termijn en een grondige inhoudelijke herevaluatie van de wetgeving... Het toezicht op de kwaliteit van het legistieke werk moet er natuurlijk ook zijn. We moeten degelijk legistiek werk leveren... Als we op een aantal pertinente vragen en bedenkingen, ook al zijn ze louter technisch, niet kunnen ingaan, maakt de Senaat zich belachelijk.

Onze fractie gaat helemaal niet akkoord met deze manier van werken. We willen dit in de toekomst niet meer aanvaarden. Het argument van de tijdsdruk is vroeger reeds, bij de behandeling van het snelrecht, aangehaald. Dit moet nu de laatste keer zijn. We vragen met klem dat de timing van de parlementaire behandeling in beide assemblees wordt geëerbiedigd."

De heer Malcorps herhaalt wat de Raad van State reeds meermaals heeft geargumenteerd met betrekking tot de programmawetten. En de heer Malcorps gaat verder: "In de programmawetten is geen sprake meer van een harmonische aaneenschakeling van complementaire bepalingen die normaal voor de samenhang van de wetgeving zorgt door bepalingen die niet hetzelfde belang hebben naast elkaar te plaatsen en door over te stappen van louter redactionele bepalingen naar materiële bepalingen. Op die manier wordt eveneens afgeweken van de normale manier van legifereren. Tenslotte hebben talrijke bepalingen van de programmawetten niet de duurzaamheid die kenmerkend zou moeten zijn voor de wet. Een van de gevolgen van deze wetgevingstechniek is het vooruitzicht dat op korte termijn opnieuw wijzigingen kunnen worden aangebracht. Dit kan een stimulans zijn om eerder gedeeltelijke aanpassingen van de tekst voor te bereiden dan alomvattende hervormingen."

De multipliciteit van de rechtsbronnen, voortdurende wijzigingen, de techniek van mozaïekwetgeving en overregulering brengen mede dat het op rechtszekerheid gebaseerde adagium dat stelt dat iedereen geacht wordt de wet te kennen, vandaag nog meer fictie is geworden. Ik roep de senatoren dan ook op om in eer en geweten elk artikel en elk amendement te toetsen aan hun overtuiging. De Senaat mag zich niet laten leiden door dreigementen van de regering die deze assemblee wil degraderen tot een speeltuin en een hobbykamer. (Applaus)

Mevrouw Magdeleine Willame-Boonen (PSC). - Als fractievoorzitter kom ik zeggen hoe slecht ik deze programmawet vind. Ik stel vast dat de senatoren van de meerderheid niet echt staan te dringen om aan dit debat deel te nemen. Misschien kunnen zij toch de moeite doen om ze goed te keuren?

Het principe van de programmawet is oud, dat wel, maar het is een slechte traditie geworden. Wij hadden gehoopt dat de regering met het oog op de nieuwe politieke cultuur met deze slechte traditie zou breken.

De heer Hugo Vandenberghe (CVP). - De zoveelste belofte...

Mevrouw Magdeleine Willame-Boonen (PSC). - Ik moet toegeven dat het vandaag niet gaat om een omvangrijke programmawet waar alles en nog wat werd ingestopt. Toch is het een belangrijke wet omdat ze belangrijke maatregelen bevat. Het is spijtig dat de regering opnieuw met een programmawet komt omdat enkele maatregelen een grondig debat vragen en de Senaat zijn rol van bezinningskamer had kunnen spelen.

In oktober jongstleden verklaarde de voorzitter van de Senaat dat de debatten niet mochten worden beknot door te korte onderzoekstermijnen. De regering had haar programmawet begin november moeten indienen.

Omdat er in deze kerstperiode rekening moet worden gehouden met termijnen en het dringende karakter van de maatregelen, wordt er op de Senaat een nog grotere druk uitgeoefend dan bij de programmawet die vóór de zomervakantie werd goedgekeurd. Eigenlijk heeft de regering niet het minste respect voor de Senaat.

De voorzitter. - Een beetje meer dan de vorige.

Mevrouw Magdeleine Willame-Boonen (PSC). - Er is in de commissies geen enkele echt interessante discussie geweest en de regering heeft geen enkel amendement aanvaard. Het lijkt erop dat de regering al heeft beslist het tweekamerstelsel of deze bezinningskamer in België af te schaffen en dus ook de mogelijkheid te schrappen om echte maatschappelijke debatten te voeren. Ik geef enkele voorbeelden van kwesties die de regering met de programmawet heeft kunnen omzeilen.

Aangezien de Raad van State van oordeel was dat de toekenning van UMTS-licenties niet bij koninklijk besluit kan worden geregeld, werd dit dossier in de programmawet opgenomen. Bij de toekenning van deze licenties moet nochtans met drie onlosmakelijke aspecten rekening worden gehouden: de ontwikkeling van nieuwe technologieën, de opbrengst en vooral het effect op de volksgezondheid.

Ik zal mij beperken tot commentaar bij de twee laatste, waarover in de programmawet niets staat.

De veiling van nieuwe licenties moest tussen 40 en 60 miljard frank opbrengen om daarmee enkele projecten uit het regeerakkoord te financieren. Ik denk onder meer aan het zilverfonds en een milieuvriendelijker mobiliteit. Door de late en moeizame start van deze veilingoperatie en de vaststelling van een lage minimumprijs - wij hebben daarover een interessant debat tussen minister Daems en de heer Bodson bijgewoond - legt de regering een zware hypotheek op deze projecten.

We mogen ook niet spelen met de gezondheid van de burgers. De discussie over de blootstelling aan niet-ioniserende stralen is in volle evolutie en niemand kan met zekerheid zeggen dat er geen enkel gevaar bestaat. Er wordt algemeen aangenomen dat er slechts vanaf een bepaald niveau van blootstelling gevaar ontstaat. Het was derhalve misschien beter geweest het voorzorgsprincipe in praktijk te brengen en rekening te houden met het advies van de Hoge Gezondheidsraad van 11 oktober 2000, waarin sprake is van en maximumnorm van drie volt per meter. Over dit delicate probleem had een echt maatschappelijk debat moeten worden gevoerd. U hebt dat ontweken met een snel samenwerkingsakkoord, wat bewijst dat niet alleen de volksgezondheid een rol heeft gespeeld.

De verwachte opbrengst van 40 tot 60 miljard mag er niet komen ten nadele van iedere burger. Is de verloochening van het voorzorgsprincipe om de veiling niet in gevaar te brengen een bewijs van verantwoordelijkheidszin?

Het eerste maatschappelijke debat dat omzeild werd is dat over de eerbied voor de privacy. Mijn collega van de Volksunie is hierover al uitgebreid aan het woord geweest, maar ook ik wil daarover nog iets zeggen.

De wens om over moderne, geactualiseerde en gemakkelijk toegankelijke statistieken te beschikken, is op zich niet laakbaar en zelfs gegrond. Welke prijs moet daar echter voor betaald worden op het vlak van de privacy? Er kan niet probleemloos van de goede oude volkstelling naar een algemene socio-economische enquête worden overgeschakeld. Via deze enquête wil de regering gegevens inzamelen over huisvesting, diploma's en opleiding. De verwerking van demografische en sociale gegevens en een zo intensief mogelijk gebruik van informatie uit administratieve registers zijn lovenswaardige doelstellingen.

Nadat ze reeds in mei 2000 de principiële beslissing genomen had, komt de regering nu met deze "belangrijke hervorming" in de vorm van een slecht ineengestoken en onnauwkeurig artikel over de verzameling van persoonsgegevens. Ze omzeilt daarmee iedere mogelijke discussie over de controle door de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en opent de deur voor allerlei misbruiken.

Waarom wil men de bescherming uitschakelen die in de wetten op het Rijksregister en de Kruispuntbank werd ingebouwd? Is de regering bang dat de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en het Toezichtscomité van de Kruispuntbank hun fiat niet zouden geven? Als antwoord op deze vraag verzekert de minister ons alleen met de hand op het hart dat we, wat dit betreft, op onze twee oren mogen slapen. Als de wet de toegang tot gegevens al mogelijk maakt, kan dat alleen mits het democratische principe wordt nageleefd dat iedere overheid in evenwicht moet worden gehouden door beperkingen en procedures die het recht op privé-leven waarborgen, zonder de noodzakelijke controle op het goed functioneren van de instellingen uit het oog te verliezen. Door haar programmawet schakelt de regering iedere bescherming uit.

Toch moeten we geloven dat het NIS een eigen beschermingssysteem ontwikkelt.

Dit is een typisch voorbeeld van misbruik, omdat de controleur en gecontroleerde dezelfde persoon zijn. De Raad van State garandeert niet dezelfde kwaliteit als het mechanisme van de bescherming van het privé-leven. Daarmee is alles gezegd.

Is de minister niet van oordeel dat een dergelijk debat in de Senaat moet worden gevoerd, dat het hier om een echt maatschappelijk probleem gaat? Men wilde de echte vragen ontwijken, onder het voorwendsel dat er haast mee gemoeid was. Het beste bewijs van de minachting voor de Senaat is wel dat men op de Internetsite van het NIS vandaag al kan zien hoe deze socio-economische enquête zal worden gerealiseerd. Men had tenminste kunnen wachten tot de tekst in de Senaat was goedgekeurd.

Dat gegeven versterkt mijn vermoeden over de afschaffing van het tweekamerstelsel.

Wij hadden ook een debat kunnen voeren over de opvang van asielzoekers. De heer Dallemagne zal het daarover nog hebben.

Zich afvragen of de hele opvang van asielzoekers niet aan een marktlogica moet worden onderworpen, is nog niet hetzelfde als een breed maatschappelijk debat in de Senaat.

Zondag las ik in de verslaggeving over het Ecolo-congres dat alles was goedgekeurd. Voor Ecolo bestaat de Senaat dus niet. Als fractievoorzitter dacht ik nochtans dat alles nog niet overal was goedgekeurd.

Met artikel 70 van de programmawet wil de regering de privé-sector bij de organisatie van de opvang betrekken. Ik heb daar problemen mee en ik ben waarschijnlijk niet de enige.

Hoe staat het nu? Tegenover een vaak door individuele tragedies en humanitaire rampen ingegeven verzoek staat een aanbod van een privé-onderneming, in principe met een winstgevend doel, en een regeling door de onzichtbare hand van de markt.

Wie zal deze privé-opvangcentra beheren? Hoe kan worden gegarandeerd dat er geen misbruik zal worden gemaakt van de precaire toestand van de vreemdelingen door diensten aan te bieden en er abnormaal hoge winsten uit te halen?

Welke kwaliteitsnormen zullen er worden opgelegd? Wat zijn de eisen voor de opleiding van het personeel? Welke motieven drijven deze ondernemingen? Hierop niet antwoorden, is het bewijs leveren van een onverantwoord humanitair gedrag.

Ik wens ook te wijzen op een gebrek aan samenhang. Er is enerzijds sprake van een privatisering van opvangcentra waardoor de Staat zich van alle verantwoordelijkheid terzake zou ontdoen en anderzijds van een recht dat aan de minister van Sociale Integratie wordt toegekend om verlaten gebouwen op te eisen voor de opvang van asielzoekers.

Welke logica wordt hier gevolgd?

De privatisering van opvangcentra bewijst dat de overheid ieder engagement op dat vlak van zich afschudt. Daarover zou in de Senaat in ieder geval diepgaand moeten worden gediscussieerd.

Een volgend debat dat in de Senaat had moeten worden gevoerd heeft betrekking op de relatie arts-patiënt.

De regering kondigt een beleid aan om het gebruik van generische geneesmiddelen te stimuleren door het gedrag van de zieken te beïnvloeden en op die manier ook op de artsen druk uit te oefenen.

Deze werkwijze zet de rol van arts, patiënt en apotheker op losse schroeven en dat verdient een heus debat.

In Frankrijk heeft deze methode geen vruchten afgeworpen.

De apotheker moet de substitutietechniek toepassen met als desastreus gevolg dat de patiënt toch het door zijn arts voorgeschreven geneesmiddel eist en het substitutieproduct weigert, tegen welke prijs ook. De Franse artsen moesten de geneesmiddelen onder hun gemeenschappelijke internationale benaming voorschrijven.

Door de patiënt te vragen op hun arts druk uit te oefenen, negeert men de druk die de farmaceutische bedrijven op de artsen uitoefenen, mengt men zich in de relatie patiënt-arts en ontkent men de belangrijke rol van de apotheker.

Verdiende dat geen maatschappelijk debat?

Ik concludeer hieruit dat de betrekkingen tussen de uitvoerende en wetgevende macht in de regeerperiode 1999-2003 moeilijk zijn, maar die zijn nooit eenvoudig geweest.

Deze regering wil snel vooruitgaan en zo communicatief mogelijk optreden, vóór of na de conflicten die ze nu eenmaal moet regelen omdat zo veel filosofische strekkingen moeten worden verzoend. Het Parlement hindert haar daarbij en de Senaat verveelt zich.

De ministers zijn in de commissies heel beleefd en vriendelijk. Ze antwoorden hoffelijk op de meeste van onze vragen. Ze komen aan het bed van deze betwiste instelling zitten, maar kijken ondertussen discreet op hun horloge. De eerste minister stuurt zijn generaals om op de meeste van onze vragen om uitleg te antwoorden. De debatten zijn zelden geanimeerd. Het absenteïsme heerst. Men zoekt enige compensatie door opmerkelijke internationale prominenten zoals de heren Peres en Gorbatsjov uit te nodigen. Dan voert men gepassioneerde debatten, maar niemand laat zich foppen.

De echte politieke debatten worden in de eerste plaats in de pers gevoerd. Dat komt doordat de regering almaar allerlei aankondigingen doet.

De voorzitter. - Ik lees in mijn krant elke dag over de werkzaamheden van de Senaat.

Het zou mij verheugen indien de senatoren tot dezelfde vaststelling kwamen. Het is niet met deze houding dat u uw instelling en uw mandaat verdedigt.

Mevrouw Magdeleine Willame-Boonen (PSC). - Het is uit liefde voor deze Senaat dat ik probeer aan te tonen hoe zijn werking kan worden gecorrigeerd en verbeterd.

Het is waar dat er in de pers soms enkele zinnen verschijnen over de debatten in de Senaat. Op pagina 3 van sommige dagbladen wordt echter niet altijd over de werkzaamheden in de Senaat bericht, tenzij misschien na opzienbarende verklaringen van de ene of andere senator.

De echte politieke debatten hebben plaats in de pers en in de regering zelf, vóór of na haar aankondigingen, om conflicten te beheersen. Om de wanorde een beetje te verdoezelen aanvaardt ze in de Kamer soms enkele amendementen en, indien het niet anders kan, ook al eens in de Senaat, maar nooit bij belangrijke wetten.

Het is de hoogste tijd dat de Senaat ontwaakt en dat er een echte debatcultuur komt.

De heer Frans Lozie (AGALEV). - In deze algemene inleidende bespreking wil ik toch kort iets zeggen over het thema dat ook mevrouw Willame heeft aangehaald, namelijk de programmawet en de rol van de Senaat. Ik ben het ermee eens dat we programmawetten moeten vermijden, maar ik stel toch vast dat ze steeds dunner worden. We zijn dus op de goede weg.

De programmawet valt uiteen in twee grote delen. Enerzijds bevat ze een aantal zaken die dringend geregeld en uitgevoerd moeten worden. Persoonlijk ben ik van oordeel dat de Kamer op dit terrein haar verantwoordelijkheid moet nemen, aangezien zij rechtstreeks de regering controleert en een mandaat geeft. Net zoals voor de begroting moet de Senaat zich met dergelijke zaken minder bezighouden. Anders ligt het wanneer het gaat over fundamentele principes en elementen die in de programmawet insluipen, vaak om praktische redenen, maar er eigenlijk niet in thuishoren. Over deze politiek zeer gevoelige thema's heeft de Senaat wel het recht en de plicht een debat te voeren. Concreet is de opvang van asielzoekers hét politieke thema waaraan de Senaat met recht en reden aandacht besteedt. Ik kom daarop nog terug. Over de andere, meer concrete punten maak ik me minder zorgen. Natuurlijk kunnen daarop ook amendementen worden ingediend, maar dan moeten ze in de commissie wel worden verdedigd. Het spijt me dit te moeten zeggen, mijnheer Van Quickenborne. Ik kan aannemen dat dit niet steeds eenvoudig is en dat er verzachtende omstandigheden zijn, maar soms moet u een keuze maken, net zoals wij allemaal, en de discussie toespitsen op het belangrijkste onderdeel van de programmawet. Iedereen zal het met me eens zijn dat dit het asielbeleid is. Ik heb u daarbij gemist, mijnheer Van Quickenborne.

De heer Vincent Van Quickenborne (VU-ID). - U zult me nog kunnen horen, want ik heb mijn amendementen opnieuw ingediend. Ik kan echter niet tegelijkertijd in vier commissies aanwezig zijn.

De heer Frans Lozie (AGALEV). - Ik had u in elk geval graag in die belangrijke discussie gehoord, want u bent een aangename debater die fundamentele vragen durft stellen. Ik heb u dus gemist. Dat mag ik toch zeggen?

Ik kom nu tot het politieke kernthema: de problematiek van de asielzoekers. Later, wanneer de minister van Maatschappelijke Integratie aanwezig is en de desbetreffende artikelen aan bod komen, zal ik ook ingaan op de technische aspecten, maar nu wil ik het hebben over het algemene politieke probleem. De regering werd de afgelopen maanden geconfronteerd met een grote toestroom van asielzoekers. We kunnen daarbij twee richtingen uit. Ofwel kiezen we ervoor - zoals vroeger ook gebeurde - in het raam van een ontradingsstrategie zo weinig mogelijk opvang te organiseren, de mensen geregeld een bevel te geven om het land te verlaten en hen alle middelen te ontzeggen. Waar ze dan terechtkwamen, was één groot vraagteken.

Ze verdwenen in de natuur. We houden van de natuur, maar we vinden niet dat mensen daarin zo maar aan hun lot moeten worden overgelaten. Vandaar dat we verplicht zijn geweest een grote regularisatiecampagne op te zetten.

De heer Hugo Vandenberghe (CVP). - Die gaat niet vooruit!

De heer Frans Lozie (AGALEV). Het gaat wel degelijk vooruit, mijnheer Vandenberghe.

Nu zullen de 5000 asielzoekers die hier maandelijks aankomen, in open centra worden opgevangen. Ze zullen niet aan hun lot worden overgelaten of worden opgesloten in gesloten centra. Ze zullen ook niet meer worden toegewezen aan een OCMW, dat er zich met een financiële bijdrage kan van afmaken. Nadien worden ze geconcentreerd in grote steden, met alle negatieve gevolgen vandien.

De opvang is de kern van de discussie. Men grijpt alle middelen aan om de poging tot opvang te kelderen en dat kwetst me. Zo maakt men vroegtijdig bekend dat er naar een oplossing wordt gezocht en worden er protestacties georganiseerd.

Er is geen alternatief, die mensen moeten ergens opgevangen worden. De opening van asielcentra zal uiteraard plaatselijk wel voor wat commotie zorgen. De politici zouden de bevolking ervan moeten overtuigen dat dit zowel voor onze eigen bevolking als voor de asielzoekers die hier aankomen, de beste oplossing is. Het alternatief is ze zonder enige middelen de natuur insturen. Dan zal men ons wellicht verwijten dat we de criminaliteit in de hand werken, want die mensen hebben niets en ze kunnen niet anders dan gaan zoeken waar ze iets kunnen vinden.

Er is nu een hele discussie aan de gang over de prachtige vakantiecentra die als asielcentra zullen worden ingericht, maar ze stonden te koop. Sommigen menen, en worden hierbij gesteund door bepaalde politici, dat men ze maar moet onderbrengen in kazernes in plaats van in vakantiecentra. Waarom moeten asielzoekers in minderwaardige gebouwen worden opgevangen als er kwalitatief betere opvang mogelijk is? Het gaat er om dat het vakantiecentrum Zon en Zee beter is dan wat sommige landgenoten zich kunnen veroorloven.

We moeten op korte termijn tienduizend opvangplaatsen creëren, er deed zich een mogelijkheid voor en de regering heeft daar terecht op ingespeeld. Ik vind het onverantwoord dat politici durven beweren dat de centra te luxueus zijn en dat de prijzen van het onroerend goed in de omgeving zullen dalen.

De keuze is simpel: ofwel laten we deze mensen aan hun lot over, met alle risico's vandien inzake grote en kleine criminaliteit, ofwel vangen we alle asielzoekers fatsoenlijk op. Dat is de kern van de discussie. Als we dat eenmaal hebben uitgeklaard, wil ik graag ook discussiëren over de privatisering van de opvang, de rol van de overheid en dies meer. Eerst moeten we de kernvraag oplossen en het eens geraken wat we doen met de 5.000 asielzoekers die elke maand in ons land aankomen. De regering kiest voor opvang. Ik sta daar voor honderd procent achter en ik verwacht van elk weldenkend politicus hetzelfde, ook wanneer dat in zijn eigen buurt voor enige onrust zorgt. Vooral dan heeft een politicus tot taak aan de bevolking duidelijk te maken dat opvang de best mogelijke keuze is.

Mevrouw Sabine de Bethune (CVP). - Ik wil de heer Lozie vragen de verantwoordelijkheid te leggen waar ze thuishoort: niet bij de politicus die een informatie lekt, maar wel bij de politici die het beleid voeren.

Informatie laten uitlekken is misschien niet de beste methode, maar soms kan dat ook een goede zaak voor de democratie betekenen. Ik wil maar zeggen dat het al te gemakkelijk is de verantwoordelijkheid af te schuiven op de politicus die ergens een of andere verklaring heeft afgelegd. Het zijn op de eerste plaats de beleidsvoerders die hun verantwoordelijkheid op de juiste manier op zich moeten nemen en daarover een correctie communicatie moeten voeren.

De heer Frans Lozie (AGALEV). - Iedereen weet maar al te goed dat de minister van Sociale Integratie plaatsen zoekt om mensen op te vangen en dat hij, als hij er een gevonden heeft, eerst de plaatselijke politieke verantwoordelijkheden informeert. Als die samen met hem de bevolking willen informeren, dan gebeurt dat zo, willen ze dat niet, dan neemt de minister alleen die taak op zich. De informatie is dus gegarandeerd, en wel onmiddellijk nadat een locatie is gekozen.

Wie de informatie naar buiten brengt, is niet zo belangrijk. Belangrijk is wel met welke doel dat gebeurt. Ik stel me alleszins zeer grote vragen bij de motieven van de heer De Crem om in dit geval de informatie vroegtijdig te laten uitlekken.

De heer Wim Verreycken (VL. BLOK). - De heer Lozie heeft het over `zogezegde' politici, waarmee hij dan collega's bedoelt die een andere visie verdedigen dan de zijne. Hij voert een hiërarchie van politici in naargelang van de lijst waarop ze verkozen worden. Ik heb daar een probleem mee. Voor mij is iedereen in dit halfrond een volwaardig politicus die het vereiste aantal kiezers achter zich heeft gekregen. Iedereen hier heeft bijgevolg het recht het woord te voeren, zonder enige belemmering en zonder voor `zogezegd' politicus te worden uitgemaakt.

Nog meer heb ik een probleem met de emotionele reactie "Wat is dan het alternatief? Moeten we ze misschien de brousse insturen?". Het alternatief is dat de regering haar terugkeerbeleid - naast snelle regularisatie en de opvang van de echte vluchtelingen de derde poot van haar asielbeleid - echt ten uitvoer brengt. Indien ze, zoals ze zelf aankondigde, een echt terugkeerbeleid zou voeren - wat iets anders is dan een bevel tot het verlaten van het grondgebied uitvaardigen - dan zou dat een volwaardig alternatief zijn. Als de regering zou doen wat ze beloofd heeft, dan zou ze geen 10.000, maar 180 opvangplaatsen nodig hebben. Dat is namelijk het aantal echte politieke vluchtelingen afkomstig uit echt onveilige landen.

Mevrouw Mia De Schamphelaere (CVP). - Collega Lozie wijst op de politieke onverantwoordelijkheid van degenen die het huidige asielbeleid niet zomaar bijvallen. Ik wijs op de zware politieke verantwoordelijkheid van vooral de groene regeringspartijen in dit beleid. Het imago van België als de gemakkelijkste toegangspoort tot West-Europa is het afgelopen jaar tot stand gekomen door een symboolgeladen politiek, niet door een verstandige politiek.

Ik heb voormalig minister Tobback horen zeggen dat er onder zijn beleid in één jaar tijd meer regularisaties zijn gebeurd dan dit jaar. Dit jaar werd een regularisatiecampagne met veel tamtam aangekondigd met en met veel media-aandacht gevoerd, maar op het vlak van realisaties is er nog niets bewezen. Keer op keer stelt de groene fractie vanuit haar eigen groene standpunt, maar ook vanuit een zeker cultureel elitair gevoel, de draagkracht van de bevolking op de proef. Die polarisatie is gevaarlijk voor onze samenleving en bedreigt de integratiemogelijkheden van de samenleving. De groene fractie draagt in het asieldossier de grootste verantwoordelijkheid. Ze verkiest altijd opnieuw de politieke symboolwaarde in de plaats van een coherent beleid, zonder veel politiek gehakketak.. Er moet een consistent en duidelijk beleid komen dat ons land een imago van correctheid en rechtvaardigheid geeft. Zo een imago stelt de groene fractie keer op keer in vraag.

De heer Vincent Van Quickenborne (VU-ID). - Ik wil nog reageren op de persoonlijke opmerkingen van de heer Lozie aan mijn adres.

Zelf legt hij enkele weinigzeggende verklaringen af en geeft aan dat een programmawet niet het meest geschikte instrument is. Ik kijk dan ook uit naar zijn stemgedrag.

De heer Lozie zegt dat ik niet aanwezig zou zijn geweest in de commissie voor de Binnenlandse Zaken. Het personeel van de diensten van de Senaat kan bevestigen dat ik wel aanwezig was. Ik was niet de hele tijd aanwezig, maar de heer Lozie ook niet. Ik heb amendementen ingediend en zal ze ten gepaste tijde toelichten. Mag ik er voorts op wijzen dat ik in drie of vier commissies terzelfder tijd aanwezig moest zijn, aangezien onze fractie, niettegenstaande ze klein is, werk wil verrichten. Zo vond ik het ook belangrijk aanwezig te zijn bij de discussie over de sociaal-economische enquête en de daarmee gepaard gaande privacy.. Ik kon dus niet overal tegelijk zijn.

Als we een discussie ten gronde voeren, zou ik graag hebben dat er ten gronde wordt geantwoord, in plaats van iemand persoonlijk te viseren. Waarom kunnen we niet behoorlijk met elkaar discussiëren?

De heer Frans Lozie (AGALEV). - Wanneer mevrouw De Schamphelaere zegt dat vooral onze fractie strijdt voor een waardige opvang van asielzoekers, doet ze ons te veel eer aan. Die opvang is een verantwoordelijkheid van de hele regering, maar het is waar dat wij daar in de regering zeker de pleitbezorgers van zijn. De opmerking van mevrouw de Schamphelaere aan ons adres beschouwen we veeleer als een compliment.

-De algemene bespreking over het wetsontwerp in zijn geheel is gesloten.

Ontwerp van tijdelijke wet tot invoeging van een artikel 257bis in de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus (Stuk 2-596) (Evocatieprocedure)

Algemene bespreking

De heer Jean-François Istasse (PS), rapporteur. - Onderhavig wetsontwerp werd door de Kamer van Volksvertegenwoordigers overgezonden en op 8 december 2000 door de Senaat geëvoceerd.

Het is de bedoeling een tijdelijke oplossing te vinden voor het toezicht op de geïntegreerde politiediensten.

De wet tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst moet uiterlijk op 1 januari 2001 in werking treden. Volgens het Octopusakkoord moet de juridische controle van deze politiedienst gebeuren door het federaal parket dat door het wetsontwerp op het federaal parket zal worden opgericht. Dat zal echter nog een tijd duren.

Intussen moet er echter een juridische controle zijn en die wordt door onderhavig ontwerp geregeld.

Uw commissie voor de Justitie heeft voornamelijk twee aspecten van het ontwerp onderzocht. Zij heeft zicht eerst gebogen over het probleem van de kwalificatie van het ontwerp. Het oorspronkelijke in de Kamer ingediende wetsvoorstel droeg de kwalificatie "77" of "volmaakt bicamerisme".

Na de aanvaarding van het amendement van de regering kreeg het van de Kamercommissie de kwalificatie "78".

In de commissie werd een grondig debat gevoerd over de inhoud en de procedures, dat in mijn schriftelijk verslag is weergegeven. De commissie heeft de kwalificatie niet meer gewijzigd om de termijnen niet in gevaar te brengen.

Wat betreft de grond van de zaak, waren de meeste commissieleden van oordeel dat de personen die de federale politie tijdelijk moeten controleren over een sterke legitimiteit moeten kunnen beschikken en dat hun aanstelling niet gecontesteerd kan worden.

Het voorstel om het advies van de Hoge raad voor de Justitie te vragen, werd niet gevolgd omdat daardoor het gevaar zou ontstaan dat er niemand op tijd zou kunnen worden benoemd.

Sommige leden stelden vragen bij de pertinentie van de oorspronkelijk voorgestelde oplossing, namelijk de aanwijzing van nationaal magistraten. De minister van Justitie antwoordde daarop dat deze magistraten de controle op de politie onmogelijk met hun huidige controletaken kunnen combineren. Bovendien moet er voor de benoeming van nieuwe nationaal magistraten voortaan een procedure worden gevolgd waardoor deze oplossing onmogelijk is.

Enkele leden dienden een amendement in ertoe strekkende de magistraten die de politie tijdelijk moeten controleren te laten benoemen bij een in ministerraad overlegd besluit.

Dit amendement werd vorige vrijdag aangenomen met negen tegen vier stemmen. Het aldus geamendeerde wetsontwerp werd goedgekeurd met negen tegen drie stemmen bij 1 onthouding.

Indien de Senaat het aldus geamendeerde ontwerp aanneemt, kan het nog op tijd naar de Kamer worden gezonden om het op 1 januari 2001 in werking te laten treden.

De heer Hugo Vandenberghe (CVP). - Ik dank collega Istasse voor zijn keurig verslag. Het verslag is van een veel hogere kwaliteit dan het ontwerp zelf. Mocht ik de keuze hebben dan zou ik zonder moeite het verslag kunnen goedkeuren, maar ik kan spijtig genoeg niet dezelfde waardering opbrengen voor het ontwerp.

De minister van Justitie had de voorbije dagen de ondankbare taak om de commissie voor de Justitie er telkens aan te herinneren dat de besproken ontwerpen onverwijld en zonder amendering dienden te worden goedgekeurd. Dat was het geval voor het ontwerp dat we nu bespreken, maar ook voor het ontwerp van programmawet, het ontwerp over de wijziging van sommige bepalingen van het gerechtelijk wetboek in verband met de gerechtelijke kantons en dat is tevens het geval voor een wetsvoorstel dat nog in de Kamer wordt besproken over het tuchtstatuut voor het griffiepersoneel.

De minister gebruikte daarvoor doorslaggevende argumenten en verklaarde: "Indien de Senaat dat ontwerp niet goedkeurt en het zou durven te amenderen, dan is het einde van het land in zicht." Het algemeen belang zou ineenstorten, mocht dit ontwerp niet worden goedgekeurd. Wee degene die een amendement zou durven in te dienen! Dat is natuurlijk een zuiver gezagsargument, als zou één bepaalde opvatting 's lands belang dienen en een andere daarmee strijdig zijn.

Zoals collega Van Quickenborne reeds zegde bij de bespreking van de programmawet, zijn de omstandigheden waarin wij de ontwerpen moeten behandelen, onaanvaardbaar. De agenda's worden immers voortdurend gewijzigd. Dit ontwerp, dat nochtans donderdag reeds werd behandeld door de commissie, moest vrijdagnamiddag laatsleden opnieuw een spoedbehandeling krijgen. Reeds maanden geleden had ik toegezegd op die dag een toespraak in Louvain-la-Neuve te houden, zodat ik niet aan de eindstemming heb kunnen deelnemen.

Met dit ontwerp rijzen een aantal problemen.

De kwalificatie van het ontwerp is het eerste probleem. Gaat het om een zuiver bicamerale of om een optioneel bicamerale materie? De discussie hierover wordt uitvoerig weergegeven in het verslag en ik verwijs ernaar voor de argumenten die ik heb ontwikkeld.

Aangezien ik dus verhinderd was, heeft collega de Bethune mij vrijdagnamiddag vervangen in de Overlegcommissie en zij heeft mij verslag uitgebracht over de vergadering. De vergadering heeft anderhalf uur geduurd en schijnt zeer woelig verlopen te zijn. Onze opmerking over het zuiver bicamerale karakter van de wet kreeg de steun van een ruime meerderheid in de commissie van Justitie, maar dit punt kon niet op de agenda van de Parlementaire Overlegcommissie worden geplaatst omdat het verzoek niet werd ondertekend door de voorzitter of door acht leden.

Dit moet worden uitgeklaard. De voorzitter van de commissie was verhinderd en mevrouw de Bethune, eerste ondervoorzitter, had het voorzitterschap moeten waarnemen. Werd het verzoek niet ingewilligd, omdat het niet was ondertekend? Heeft niemand getekend? In voorkomend geval begingen wij een onvoorzichtigheid, want 8 commissieleden hadden het verzoek kunnen ondertekenen.

De voorzitter. - Meer dan acht senatoren in de commissie voor de Justitie hebben het verzoek gesteund. Ik was niet aanwezig en de diensten hebben dat punt op de agenda geplaatst omdat 8 senatoren daarom hadden verzocht. Tijdens de Parlementaire Overlegcommissie heb ik vastgesteld dat het verzoek niet door de voorzitter was ondertekend, één van de twee mogelijkheden waarin artikel 5 van de wet voorziet, en evenmin door acht leden van de Overlegcommissie.

De wet bepaalt: "De commissie kan worden aangezocht ofwel door een van de voorzitters, ofwel op schriftelijk verzoek van ten minste acht van haar leden gericht tot de twee voorzitters en ingediend bij de griffie van een van beide assemblees."

Dat is de oorsprong van dit probleem. Aangezien een technische fout werd begaan door dit punt op de agenda te plaatsen zonder het akkoord van de voorzitter of van acht leden van de Overlegcommissie, heb ik het agendapunt afgevoerd. Zo werd dit probleem opgelost en dit in aanwezigheid van de eerste ondervoorzitter.

De heer Hugo Vandenberghe (CVP). - Een gebrek in het recht kan altijd nog hersteld worden. De voorzitter kan het verzoek nog altijd ondertekenen.

De voorzitter. - Natuurlijk, maar ik vond dat niet nodig.

De heer Hugo Vandenberghe (CVP). - Ik was niet aanwezig maar de Kamer heeft een tekst, die volgens artikel 77 van de Grondwet een bicamerale materie was, eenzijdig en zonder formeel amendement gewijzigd.

De voorzitter. - Dat is juist. De Kamer had er beter aan gedaan hiervoor de instemming van de Overlegcommissie te vragen. De voorzitter van de Kamer heeft dat tijdens de bijeenkomst van de Overlegcommissie ook toegegeven.

De heer Hugo Vandenberghe (CVP). - Die tekst werd gewijzigd zonder amendement. Het moest bij amendement gebeuren precies om de andere Kamer ervan te verwittigen dat er een herkwalificatie is en zodat die de nodige procedures kan starten. We hebben dat slechts op het laatste nippertje vastgesteld en zeer snel moeten reageren. Ik had nog voorgesteld dat mevrouw de Bethune het verzoek zou ondertekenen omdat ik uit het antwoord van de voorzitter afleidde dat bij verhindering van de voorzitter ook een ondervoorzitter kon tekenen.

De voorzitter. - Tijdens de bijeenkomst van de Overlegcommissie werd aangetoond dat het niet echt ging om een materie die valt onder artikel 77 van de Grondwet.

De heer Hugo Vandenberghe (CVP). - Ik ben het daar helemaal niet mee eens.

De heer Guy Moens (SP). - Ik breng in herinnering dat de voorstelling van zaken over de al dan niet amendering van artikel 1 niet in overeenstemming is met de feiten. In de Kamer werd het bestaande voorstel volledig door een ander vervangen. Dat andere voorstel kreeg de kwalificatie 78. Het ging niet om een amendering van artikel 1 van het oorspronkelijke voorstel, maar er werd een totaal andere wetgevingstechniek gebruikt waarbij niet meer verwezen werd naar artikel 144bis van het Gerechtelijk Wetboek, maar naar de wet op de geïntegreerde politie.

De heer Hugo Vandenberghe (CVP). - Ik ben het daar volstrekt niet mee eens. Die redenering getuigt van een onvoorstelbare juridische lichtzinnigheid. Ik wijs er ten eerste op dat de nieuwe tekst in de Kamer bij wijze van amendement in het voorstel van de heer Bourgeois is ingevoegd. Het ging dus niet om een aangelegenheid zoals bedoeld in artikel 78 van de Grondwet, maar om een amendement op het voorstel Bourgeois met een andere draagwijdte. Artikel 1 moet echter bij wijze van amendement worden gewijzigd. Wij weten dan onmiddellijk dat er een herkwalificatie is gebeurd en wij kunnen onze opvattingen terzake dan ook tijdig verdedigen. Dat is niet gebeurd.

De grond van de zaak is dat de bevoegdheden van de leden van het toekomstige federale parket tijdelijk beter door federale magistraten kunnen worden uitgeoefend, dat deze materie principieel door artikel 144bis van het Gerechtelijk Wetboek wordt geregeld en dat de organisatie van het openbaar ministerie onder dit hoofdstuk valt. Het is een spitsvondigheid te beslissen dergelijke materies in andere wetten te verpakken zodat ze niet langer vallen onder de toepassing van artikel 77 van de Grondwet. Men zou dit ook kunnen doen voor alle amendementen of voor het hele Gerechtelijk Wetboek. In de privé-sector zou dit "wetsafwending" genoemd worden en het zou er geenszins worden aanvaard.

Gelet op de beslissing van de overlegcommissie, zal ik dit debat niet heropenen.

Ik zal nu uitleggen waarom de CVP-fractie zal tegen stemmen. Het oorspronkelijke door de Kamer aangenomen voorstel bepaalde dat de minister van Justitie, in overleg met de minister van Binnenlandse Zaken, de leden van het openbaar ministerie kon belasten met de taak van federaal magistraat voor de controle op de politie, in afwachting van de inrichting van het federaal parket.

Er werden amendementen ingediend door de CVP-fractie en door de heren Mahoux en Monfils en door andere leden van de meerderheid, die het standpunt verdedigden dat de Hoge Raad voor de Justitie terzake tussenbeide diende te komen. Volgens artikel 151 over de benoemingsactiviteit ten aanzien van belangrijke nieuwe taken die niet als een machtsdelegatie kunnen worden gekwalificeerd, had men de Hoge Raad voor de Justitie moeten inschakelen.

Tijdens de discussie werd het duidelijk dat de meerderheid verdeeld was. Hoewel men de discussie in de commissie voor de Justitie had kunnen voortzetten, werd er besloten de discussie te schorsen. De meerderheid zette haar besprekingen afzonderlijk voort om een oplossing te zoeken voor de probleemsituatie. Er werd voorgesteld de benoeming te laten gebeuren bij een in ministerraad overlegd besluit, in plaats van de ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken daarover te laten beslissen. De meerderheid, die constitutionele, wettelijke en principiële bezwaren had omdat de Hoge Raad voor de Justitie niet wordt ingeschakeld voor de benoeming van deze belangrijke federale magistraten - ik was onder de indruk van hun argumenten - ging vervolgens lunchen. Onder invloed van de aanrukkende wijn verdwenen alle principiële bezwaren als sneeuw voor de zon en eindigde het meningsverschil in een politieke koehandel die erin bestond dat men alle argumenten zou inslikken op voorwaarde dat men in de vergadering van de ministerraad mee mocht beslissen over de benoeming van de kandidaten. Die kandidaten waren reeds door de procureurs-generaal voorgedragen nog vóór de Senaat over de nieuwe wet had gedelibereerd. Een deel van de meerderheid had gedurende een ogenblik blijk gegeven van moed, maar bij het lossen van de eerste patronen, sloegen ze op de vlucht en was niemand nog bereid om voor die beginselen te vechten. Slechts één vraag was van belang: zullen we mee kunnen beslissen wie de controle op de politie zal uitoefenen? Herinnert u zich het octopusakkoord? Ik denk aan de depolitisering van de benoemingen in de magistratuur, de Hoge Raad voor de Justitie om de objectieve werking van de justitie te waarborgen, de controle van een objectieve en onafhankelijke magistraat op de politie ten einde de misbruiken bij de politie te bestrijden. Alle principes werden onmiddellijk opzijgeschoven omdat men de politieke zekerheid had dat men bij deze politieke benoemingen zou worden betrokken.

De heer Mahoux haalde zelfs constitutionele bezwaren aan om het intrekken van zijn amendement te rechtvaardigen. Dat was het toppunt! Nadat werd verwezen naar artikel 151 van de Grondwet, dat bepaalt dat de Hoge Raad op dit vlak bevoegd is, werd een amendement ingetrokken om een politieke benoeming mogelijk te maken met het argument dat het amendement ongrondwettelijk zou zijn. Na dit allemaal te hebben gehoord, hoeven we ons over niets meer te verwonderen. Men beroept zich op het recht, maar zodra dat de machtsuitoefening hindert, wordt er met de grondwettelijke beginselen geen rekening meer gehouden.

Mevrouw Clotilde Nyssens (PSC). - In de commissie voor de Justitie vallen we van de ene verbazing in de andere. Er wordt weliswaar af en toe nog wat wetgevend werk gedaan, maar het is blijkbaar moeilijk zich aan beginselen te houden, of aan wetteksten en nog minder aan het Gerechtelijk Wetboek. Wat gebeurd is, is ongehoord, in de eerste plaats omdat niet kon worden bepaald of het wetsontwerp onder artikel 77 dan wel onder artikel 78 van de Grondwet viel. Het is nochtans duidelijk

artikel 77. Als de benoeming van magistraten in de rechterlijke orde niet tot het hoofdstuk betreffende de rechterlijke organisatie behoort zoals bedoeld in artikel 77 van de Grondwet, weet ik niet meer wat onder dat artikel valt.

We kunnen aannemen dat politie-aangelegenheden niet onder artikel 77 vallen. Volgens mij mag het begrip "rechterlijke organisatie" beperkt worden in de zin van artikel 77 en mag men ervan uitgaan dat het hoofdstuk van het Gerechtelijk Wetboek betreffende de procedures en de bevoegdheden, onder artikel 78 valt. Ik begrijp evenwel niet dat de benoeming van magistraten niet tot de rechterlijke organisatie behoort. De terminologie doet problemen rijzen in de commissie voor de Justitie. Het is niet nodig jurist te zijn om dat te begrijpen. Er zijn grenzen aan het verkeerd gebruik van de artikelen 77 en 78.

Wat daarop volgde is eveneens ongehoord. Eerst zegt de minister van Justitie dat de zaak dringend is want dat de politie vanaf 1 januari moet worden gecontroleerd door magistraten. Hij stelt voor die magistraten zelf te benoemen, na advies van het College van procureurs-generaal. We komen niet te weten over hoeveel magistraten het gaat: waarschijnlijk drie of vier. Dan zegt men ons dat er onderhandelingen aan de gang zijn met een lid van het College en wordt de naam van dat lid genoemd. Er wordt ook gezegd dat de profielen al min of meer zijn vastgelegd, dat er zelfs al personen min of meer zijn aangewezen, aangezien niet veel magistraten vertrouwd zijn met die materie. Met de hulp van het College van procureurs-generaal zouden die personen snel kunnen worden aangewezen. De oppositie probeert te discussiëren over het feit dat het advies van het College van procureurs-generaal wordt gevraagd. We hebben ook vragen bij het woord "detachering", want de maatregel wordt ons voorgesteld als een loutere detachering.

Dan komt er een amendement, merkwaardig genoeg ingediend door de socialisten en Ecolo. Zij eisen het advies van de Hoge Raad voor de Justitie. Wij zijn verheugd over dat amendement, want ons land heeft tenslotte een grondwettelijk orgaan, waarvan de bevoegdheid, krachtens artikel 151 van de Grondwet, bestaat in het aanwijzen en benoemen van magistraten en het uitoefenen van de externe controle op de rechterlijke orde. Wij zijn het dus met de socialisten en met Ecolo eens om het advies van de Hoge Raad voor de Justitie te vragen. Dan rijst echter een praktisch probleem: hoe kan dat advies aan de Hoge Raad worden gevraagd, hoe kan hij samenkomen tussen kerstmis en nieuwjaar? Er wordt ons gezegd dat de procedure lang zal aanslepen. Om magistraten te benoemen, heeft men 255 dagen nodig. Via een wet zouden we ervoor kunnen zorgen dat een kortere termijn wordt opgelegd. Wij wilden ons dus op dat schema baseren, om de nodige garanties voor onafhankelijkheid te krijgen en de Hoge Raad voor de Justitie zijn rol te laten spelen zoals bepaald in artikel 151.

Terwijl we ons nog over een oplossing aan het beraden waren, legt men ons een nieuw en dringend amendement voor over de tijdelijke benoeming van drie of vier magistraten. Het gaat inderdaad om een "ontwerp van tijdelijke wet" in afwachting dat een andere wet wordt goedgekeurd. Deze wet is dus helemaal niet tijdelijk. De magistraten kunnen voor onbepaalde tijd worden benoemd. Eenmaal benoemd zal het moeilijk zijn hen te doen opstappen.

Wellicht zal het om zeer competente magistraten gaan. Ze zullen als enigen in België zulk een verstrekkende controlebevoegdheid hebben over de politie. Ik verzeker u dat de tweede wet over het federale parket ophef zal baren in het parlement. Het advies van de Hoge Raad voor de Justitie zal overigens niet mals zijn.

Een tijdelijke wet is per definitie beperkt in de tijd. De socialisten en Ecolo trekken hun amendement, waarin ze het advies van de Hoge Raad voor de Justitie vragen, in en nu zegt men ons dat deze magistraten niet meer door de minister, maar bij in de ministerraad overlegd ministerieel besluit zullen worden aangewezen. Dat is ongehoord. Ik begrijp dat sommige partijen de keuze van de minister van Justitie niet helemaal vertrouwen. De andere meerderheidspartijen hebben evenwel geen vertrouwen in de regering, die binnenkort de magistraten moet benoemen die de politie zullen controleren.

We weten evenmin hoeveel magistraten er zullen zijn, wat hun taalrol en politieke kleur zal zijn en voor hoe lang ze worden benoemd. Niemand weet wat hun profiel is, behalve dan de minister van Justitie die blijkbaar enkele zeldzame exemplaren op de kop wist te tikken.

Onze fractie zal dit ontwerp uiteraard niet goedkeuren. Wij hadden een amendement ingediend dat deze bevoegdheden aan de nationaal magistraten toevertrouwde. Als deze echt overbelast zijn, volstaat het er een of twee bij te benoemen of hen van sommige opdrachten te ontlasten.

Nieuwe verantwoordelijkheden en opdrachten mogen niet worden toevertrouwd aan politiek benoemde personen.

Mevrouw Martine Taelman (VLD). - Er is bij de oppositie een groot verschil tussen wat ze belijdt in woorden en wat ze doet. De hypocrisie is groot. De oppositie belijdt in woorden dat ze een controle wil op de federale politie vanaf 1 januari 2001. Maar hoe kan hun voorstel tot depolitisering uitvoerbaar zijn tegen 1 januari 2001? Er bestaat daarvoor geen enkele procedure, zeker geen grondwettelijke. Terwijl de heer Vandenberghe schermt met de grondwettelijkheid, bestaat er geen procedure die bepaalt dat de Hoge Raad voor de Justitie een dergelijke benoeming kan doen of beter, want er is geen sprake van benoeming, deze opdracht zou kunnen geven. Hoe kan de oppositie volhouden dat ze vanaf 1 januari 2001 een effectieve controle op de politie wil, terwijl ze een procedure via de Hoge Raad voor de Justitie eist? Dat is praktisch niet mogelijk. Ze kan beter eerlijk zijn en zeggen geen controle op de federale politie te willen en liever te wachten op het federale parket.

De heer Hugo Vandenberghe (CVP). - Ik wil er in de eerste plaats op wijzen, dat de dringende behandeling van bepaalde ontwerpen vandaag, het gevolg is van de zeer grote vertraging in de behandeling van die ontwerpen in de Kamer. Ik verwijt dat niet a priori aan de regering. Ik herinner eraan dat een wetsvoorstel over het federaal parket werd ingediend, omdat er over dat probleem, volgens de pers, binnen de meerderheid maandenlang is gebakkeleid. Ik heb vóór de vakantie meermaals gevraagd waar het ontwerp op het federaal parket bleef. Toen in september bleek dat men in tijdnood zou geraken, heeft men een beroep gedaan op de edelmoedigheid van een aantal kamerleden om het akkoord van de meerderheid als wetsvoorstel in te dienen teneinde de adviezen van de Raad van State en de Hoge Raad voor de Justitie te ontwijken. Tijdens de besprekingen werd vastgesteld dat dit, wegens het belang van de zaak, niet kon. Die adviezen moesten dus toch worden gevraagd. Zodra men dat wist, was het duidelijk dat de goedkeuring in Kamer en Senaat vóór 31 december niet meer mogelijk zou zijn. Had men begin november de nodige initiatieven genomen, dan had men nu niet moeten inroepen dat er op 1 januari 2001 geen controle op de politie zal zijn en ons verwijten dat wij tegen die controle zouden zijn. Dat argument is trouwens niet pertinent. Ten eerste kan men niet de dringende noodzaak voor het land inroepen, als de huidige situatie dit te wijten is aan eigen nalatigheid, vooral niet omdat voortdurend met het devies "snel en efficiënt" wordt gezwaaid. Ten tweede had men tussenformules kunnen bedenken voor de inspraak van de Hoge Raad voor de Justitie, al was het maar door de voordracht of het advies in de tijd te beperken. Het gaat immers toch maar om een tijdelijke maatregel. Ten derde is het niet juist dat op 1 januari 2001 de politiehervorming in al zijn aspecten, in werking treedt. De betreffende tekst bevat verschillende artikelen waarin wordt gezegd dat de bepalingen niet op die datum in werking treden.

Ik dank collega Taelman omdat zij deze discussie is aangegaan. Over het algemeen zwijgt de meerderheid immers. Ze is uitgeteld, vermoeid en heeft geen inspiratie om ook maar op één van onze argumenten te antwoorden. Ik feliciteer dus mevrouw Taelman voor de moed om hier namens de meerderheid deze opmerking te maken, al zal zij wel begrijpen dat ik het niet met haar eens kan zijn.

Mevrouw Gerda Staveaux-Van Steenberge (VL. BLOK). - Mijnheer de voorzitter, ik wil mij eerst tot u richten. U sluit mij volledig uit in dit debat. U laat iedereen aan het woord, laat dan nog de repliek toe en pas daarna mag ik mijn zeg komen doen. Ik ben geen paria en ik wil ook niet als een paria behandeld worden.

De voorzitter. - Mevrouw Taelman had het woord gevraagd. Zij is lid van de VLD-fractie, die de grootste is in de Senaat. Bijgevolg is het normaal dat ik haar het woord heb gegeven.

Mevrouw Gerda Staveaux-Van Steenberge (VL. BLOK). - Ik sluit mij volkomen aan bij wat mijn voorganger van de oppositie heeft gezegd. De heer Vandenberghe heeft het al op flamboyante wijze duidelijk gemaakt, maar toch wou ik zelf ook mijn ongenoegen uiten over de gang van zaken bij de meerderheidspartijen. Het ontwerp werd in de Kamer ingediend als wetsvoorstel. De regering, die snel en efficiënt wil regeren, was evenwel nog niet klaar met het federaal parket en er diende een noodplan te worden bedacht. In de Kamer onthield het Vlaams Blok zich. We stemden niet tegen omdat onze partij van oordeel is dat een gerechtelijke controle op de politie inderdaad noodzakelijk is. We stemden ook niet voor omdat de fractie niet akkoord ging met de procedure tot aanwijzing van de magistraten. Wat er nu in de Senaat gebeurt, grenst aan het onwaarschijnlijke, meer nog het is hallucinant.

Toen het ontwerp van tijdelijke wet in de commissie voor de Justitie werd besproken, bleek dat een overgroot gedeelte van de commissieleden vond dat de ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken niet alleen konden beslissen over de aanwijzing van de magistraten, maar dat dit diende te gebeuren op voordracht van de Hoge Raad voor de justitie. Dit was immers één van de verworvenheden van de octopusakkoorden. In het oorspronkelijk ontwerp was enkel een advies van het college van procureurs-generaal voorgeschreven. Daarom werden amendementen ingediend door mezelf en door de heren Mahoux en Dubié c.s. In de namiddag diende de heer Mahoux c.s. een nieuw amendement in, waarbij de magistraten niet door de minister van Justitie zouden aangewezen worden, maar door de Ministerraad. Een advies van het college van procureurs-generaal was zelfs niet meer nodig. De socialisten en de groenen buigen dus enkel en alleen opdat ze mee benoemingen kunnen doen. Het gaat hier dus weer om politieke benoemingen zoals in het verleden, hoe men ze ook moge noemen, anders was de regering tevreden geweest met de benoeming door de minister van Justitie.

Mijnheer de minister, voor de zoveelste keer bent u dus teruggefloten door de socialisten en de groenen. Onze fractie zal opnieuw een amendement indienen om de aanwijzing van de magistraten op voordracht van de Hoge Raad voor de Justitie te laten gebeuren. Met dit amendement kunnen de meerderheidspartijen akkoord gaan, aangezien ze dit initieel zo hadden ingediend. Met het ontwerp zoals het nu voorligt, kan onze fractie niet akkoord gaan.

De heer Jean-François Istasse (PS). - De kwalificatie vormt een belangrijk probleem. De Kamer heeft ons in een impasse gebracht. We konden ons oorspronkelijk standpunt onmogelijk handhaven. In het licht van de beslissingen die onlangs werden genomen, heeft de fractievoorzitter van de PRL voorgesteld de rechtspraak van de overlegcommissie met betrekking tot deze problemen te herzien. Bij die gelegenheid zou de overlegcommissie zich eens grondig kunnen bezinnen.

Het amendement dat met goedkeuring van de regering werd ingediend, is aanbevelenswaardig omdat daardoor de magistraten op dezelfde manier worden aangewezen als de personen die ze moeten controleren. Wij zullen dit ontwerp goedkeuren omdat er in januari een controleorgaan moet zijn voor de federale politie.

De heer Marc Verwilghen, minister van Justitie. - In de eerste plaats dank ik de heer Istasse voor zijn verslag over de werkzaamheden in de commissie voor de Justitie. Eén zaak is tijdens de debatten zeer duidelijk naar voor gekomen: iedereen was het erover eens dat er een controle moest komen vanwege magistratuur op de politiediensten die vanaf 1 januari 2001 hun politietaken zullen waarnemen.

De discussies spitsten zich op twee problemen toe: de vraag of artikel 77 dan wel artikel 78 van de Grondwet van toepassing was en het probleem van de aanwijzing van de magistraten die voor deze controle zouden instaan. Ik wens hierop even in te gaan omdat ik mij niet van de indruk kan ontdoen dat de zaken niet juist worden voorgesteld.

De discussie of artikel 77 dan wel artikel 78 van de Grondwet van toepassing is, gaat mij als regeringslid principieel niet aan. Het gaat om een betwisting tussen beide kamers. Toch ben ik van mening dat er overtuigende argumenten bestonden voor de stelling dat artikel 78 van toepassing was. De Kamer heeft uiteindelijk ook voor die visie geopteerd. De artikelen die door de tijdelijke wet worden gewijzigd, hebben immers betrekking op de wet van 7 december 1998 tot organisatie van de geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus. Ook deze wet valt onder van artikel 78 van de Grondwet en werd niet door de Senaat geëvoceerd.

Tegelijkertijd werd een theorie ontwikkeld waarbij onder meer artikel 144bis van het Gerechtelijk Wetboek werd aangegrepen om over te stappen naar een toepassing van artikel 77 van de Grondwet. Artikel 144bis van het Gerechtelijk Wetboek is echter nog altijd niet in werking getreden. Dit argument ging dus niet op. Ook bij andere wetten werd niet tot een evocatie overgegaan op basis van een onjuiste kwalificatie. Ik denk hierbij aan de wet betreffende de DNA-analyse in strafzaken of de wet over het tuchtstatuut van personeelsleden van de politiedienst. Voor beide wetten was artikel 77 van de Grondwet van toepassing.

Een tweede probleem is de aanwijzing van de magistraten. Sommigen opteerden voor een aanstelling op basis van artikel 151 van de Grondwet en dus via een interventie van de Hoge Raad voor de Justitie. Welnu, artikel 151 van de Grondwet kent de Hoge Raad geen bevoegdheden toe met betrekking tot de opdrachtgevers. De magistraten die zullen worden aangewezen zullen, zich bezig houden met het toezicht op de politiediensten en niet met het voeren van de strafvordering. Dit wordt een taak voor de federale procureur. Artikel 151 was dan ook niet van toepassing.

Mocht dat echter wel het geval zijn geweest, dan zou de Hoge Raad voor de Justitie noch over een profiel, noch over een procedure beschikken. Mocht hij toch daarover beschikken, zoals voor de federale procureur het geval zal zijn, dan wijs ik erop dat de doorlooptijd 240 dagen bedraagt.

Daarbij hoef ik geen tekening te maken. In het eerste jaar zou door de magistraten geen enkele controle kunnen worden uitgeoefend op de politiediensten.

De aanduiding gebeurt niet via de nationaal magistraten. Zij zijn immers beperkt in aantal. Er waren er twee en nu zijn er drie, maar die hebben de handen vol met de taken die hen zijn toevertrouwd. Indien ze ook zouden moeten instaan voor de controle op de politiediensten, zou dit ten koste gaan van het controlewerk dat ze moeten uitvoeren of van hun werk van nationaal magistraat, en dus van de coördinatie van de strafvordering in dossiers die een nationaal of zelfs een internationaal karakter hebben.

In die omstandigheden is het normaal dat we geen nationale magistraten hebben aangewezen. We hebben daarom een bijzondere procedure uitgewerkt om de magistraten te benoemen bij een in ministerraad overlegd besluit. Ik beschouw dit niet als een bewijs van wantrouwen; integendeel, ik heb altijd gezegd dat het profiel van deze magistraten reeds gekend was, namelijk het profiel dat in de octopuswet wordt gehanteerd voor de federale procureur. Dit betekent dat anciënniteit en kennis van het terrein noodzakelijk zijn. Spijtig genoeg zijn er in de magistratuur niet veel kandidaten die aan de vereiste voorwaarden voldoen om zich kandidaat te stellen.

Ik ben er dan ook van overtuigd dat hoewel de keuze tijdelijk is ze de enige mogelijkheid vormt om op korte termijn een oplossing te bieden voor deze aangelegenheid.

De heer Vandenberghe verwijt me voortdurend de spoedbehandeling in te roepen. Toen ik vroeger voorzitter was van de commissie voor de Justitie, wat ik zowel was onder minister De Clerck als onder minister Van Parys, werd ik vaak met dezelfde motieven geconfronteerd. Voor sommige kon ik begrip opbrengen en voor andere minder.

Ik geef toe dat de spoedbehandeling niet de aangenaamste manier van werken is als men met een hoge werkdruk wordt geconfronteerd. Ik volg de heer Vandenberghe echter niet als hij enerzijds controle op de politiediensten wil, maar anderzijds niet bereid is het middel aan te reiken om die controle op korte termijn te realiseren.

Ik verzoek de Senaat dan ook dit ontwerp goed te keuren.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(Voor de tekst aangenomen door de commissie voor de Justitie, zie stuk 2-596/4.)

De voorzitter. - Artikel 1 luidt:

Op dit artikel heeft de heer Vandenberghe amendement nr. 2 ingediend (zie stuk 2-596/2) dat luidt:

De heer Hugo Vandenberghe (CVP). - Ik maak van deze gelegenheid gebruik om te antwoorden op de argumenten die de minister van Justitie inroept.

Voor mij is het evident dat een wijziging op zijn minst de inwerkingtreding van artikel 144bis van het Gerechtelijk Wetboek betreft. Dat artikel is immers niet van kracht, omdat dit in het licht van de wet op het federaal parket moet gebeuren bij koninklijk besluit. Maar de wet bestaat en de beginselen die erin opgenomen zijn, worden hernomen in de wet op het politieambt.

De werkelijke draagwijdte van het ontwerp is de bepaling dat de bevoegdheden die omschreven zijn in artikel 144bis van het Gerechtelijk Wetboek worden opgedragen aan de in het ontwerp bedoelde magistraten. Met andere woorden, het is evident dat artikel 144bis van het Gerechtelijk Wetboek van kracht wordt vanaf 1 januari 2001, maar dat de bevoegdheden niet worden uitgeoefend door het federaal parket, maar door de ad hoc aangeduide magistraten.

Ik wil de discussie niet nodeloos rekken, maar sta me toe nog twee punten aan te snijden.

Ten eerste, wat de Hoge Raad voor de Justitie betreft, kan worden gediscussieerd over de draagwijdte van artikel 151 van de Grondwet. Niemand heeft beweerd, en dit is ook niet de zin van het amendement, dat de Hoge Raad voor de Justitie de benoemingen diende te doen, maar men kon zijn advies vragen, wat men trouwens wel heeft gedaan voor het ontwerp inzake het federaal parket.

Ten tweede, vanzelfsprekend zijn we voor de controle op de politie. We waren bereid formules ad hoc te zoeken om dit probleem op te lossen, maar door omstandigheden waarop ik niet dieper inga, is dit niet mogelijk gebleken.

Ik trek dit amendement evenwel in, omdat ik de regels wil respecteren. Als de overlegcommissie het conflict heeft beslecht - al is de beslissing slecht - komt het niet aan een assemblee toe hieraan wijzigingen te brengen. Het is niet omdat de Kamer voortdurend blijk geeft hiervoor geen respect te hebben en omdat ik lid ben van de oppositie, dat ik me tot dergelijke kunstgrepen laat verleiden om het de meerderheid moeilijk te maken. Dat komt de geloofwaardigheid van de politiek trouwens niet ten goede.

De voorzitter. - Ik zal de heer De Croo hierover berichten.

De voorzitter. - Artikel 2 luidt:

Op dit artikel heeft de heer Vandenberghe amendement nr. 1 ingediend (zie stuk 2-596/2) dat luidt:

Mevrouw Clotilde Nyssens (PSC). - Zoals ik reeds heb gezegd strekt dit amendement ertoe alle bevoegdheden die tijdelijk aan de magistraten ad hoc zullen worden toevertrouwd, over te hevelen naar de nationaal magistraten.

Eén punt in het antwoord van de minister blijft mij verbazen: deze magistraten zullen geen eigen statuut, profiel of wettelijk kader hebben. Het lijkt me eigenaardig dat dergelijke belangrijke nieuwe opdrachten worden toegewezen aan magistraten waarvan de plaats en het statuut niet in de wet is vastgelegd.

Het aanwijzen van de nationaal magistraten lijkt mij minder risico's in te houden. De minister zal de drie of vier gepaste personen voordragen, maar deze personen zullen zich van de ene dag op andere met de federale politie moeten bezighouden zonder een vooraf vastgesteld kader. Deze bepaling is zeer eigenaardig en om die reden dien ik mijn amendement dat ertoe strekt deze bevoegdheden over te dragen aan de nationaal magistraten opnieuw in.

De heer Philippe Mahoux (PS). - Deze overgangsbepaling komt er enkel omdat de voorziene structuur om de federale politie te controleren, tijdelijk niet kan worden toegepast.

Mevrouw Clotilde Nyssens (PSC). - De heer Mahoux was zo-even niet aanwezig toen we lang hebben gesproken over het tijdelijk karakter van de maatregel. Het is ongelooflijk dat in alle haast bijzondere statuten in elkaar moeten worden geknutseld voor dergelijke belangrijke opdrachten. Er werd geen einddatum voor de opdracht van deze magistraten ad hoc vastgelegd en aangezien het nog wat tijd zal vergen om de wet op het federaal parket goed te keuren zullen deze personen zich inzetten en op hun plaats blijven.

De voorzitter. - Op hetzelfde artikel heeft mevrouw Staveaux-Van Steenberge amendement nr. 6 ingediend (zie stuk 2-596/6) dat luidt:

Mevrouw Gerda Staveaux-Van Steenberge (VL. BLOK). - Ik heb het amendement nummer 3 dat de heer Mahoux in de commissie indiende, overgenomen, omdat ik van oordeel blijf dat een advies van de Hoge Raad voor de Justitie geen vertraging zal opleveren voor de aanwijzing van de magistraten die belast zijn met de controle op de federale politie. Zo een advies is ook nodig voor het federaal parket. De goedkeuring van dit amendement impliceert niet dat we de procedure van artikel 151 van de Grondwet moeten volgen.

-De stemming over de amendementen wordt aangehouden.

Wetsontwerp tot goedkeuring van het Protocol tot wijziging van het Verdrag van 9 februari 1994 inzake de heffing van rechten voor het gebruik van bepaalde wegen door zware vrachtwagens, ter voldoening aan Richtlijn 1999/62/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 17 juni 1999 betreffende het in rekening brengen van het gebruik van bepaalde infrastructuurvoorzieningen aan zware vrachtvoertuigen ondertekend te Brussel op 22 maart 2000 door de regeringen van het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Zweden, en tot wijziging van de wet van 27 december 1994 tot goedkeuring van voormeld Verdrag en tot invoering van een Eurovignet overeenkomstig Richtlijn 93/89/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 oktober 1993 (Stuk 2-583)

Algemene bespreking

De heer Louis Siquet (PS), rapporteur. - De commissie heeft dit wetsontwerp in aanwezigheid van de minister van financiën besproken op 12 en 18 december 2000.

Dit ontwerp heeft de goedkeuring tot doel van het Protocol van 22 maart 2000 dat door de respectieve regeringen van de eurovignetlidstaten werd ondertekend en dat voortvloeit uit de verklaring van de regeringen tijdens de 2142e zitting van de Raad van de Europese Unie.

Voor de inleidende uiteenzetting door de minister van Financiën, de algemene en de artikelsgewijze bespreking verwijs ik naar het schriftelijk verslag.

Er werden twee amendementen ingediend door de heer Vandenberghe. Het eerste strekte ertoe de woorden "artikel 77 van de Grondwet" te vervangen door "artikel 78 van de Grondwet". Dit amendement werd verworpen met negen tegen vier stemmen.

Een tweede amendement strekte ertoe een nieuw artikel 7bis in te voegen en werd verworpen met tien stemmen tegen vier.

Het wetsontwerp in zijn geheel werd eenparig aangenomen door de veertien aanwezige leden.

Het verslag werd eenparig goedgekeurd door de negen aanwezige leden.

De heer Hugo Vandenberghe (CVP). - We blijven een interessante discussie voeren over artikel 77 van de Grondwet. Om aan te tonen dat ik in mijn argumentatie niet partijdig ben, wijs ik erop dat we hier geconfronteerd worden met het `kameeleffect': we zien enkel de neus van de kameel en niet de bult. Zo hanteert de regering artikel 77.

De regering wil hier blijkbaar blijk geven van een zekere grandeur. Daarom geeft ze alle artikelen van het ontwerp met de lange titel - ik zal hem niet helemaal herhalen - over de uitvoering van een richtlijn en een protocol de stempel bicameraal. Het gaat immers om de goedkeurig van een protocol. Wat is het statuut van een protocol tussen bepaalde Europese landen over de invoering van een Eurovignet? Indien het om een internationaal verdrag gaat, dan telt het ontwerp ter goedkeuring van dit verdrag slechts twee artikelen. Een eerste dat aangeeft dat artikel 77 van de Grondwet van toepassing is en een tweede dat aangeeft dat het verdrag wordt goedgekeurd. Een verdrag kunnen we immers niet amenderen of in stukjes goedkeuren. Een verdrag wordt goedgekeurd of niet goedgekeurd.

Omdat het verdrag bepalingen bevat die een weerslag hebben op de wet van 1994, bevat het wetsontwerp wijzigingen van bepalingen van deze wet. De goedkeuring van het verdrag is een materie die onder artikel 77 van de Grondwet valt, maar de formele gevolgen, de wetten uitgevaardigd in uitvoering van het goedgekeurde verdrag, vallen natuurlijk niet onder artikel 77. Als dat wel het geval was, zou dit artikel op zowat de helft van de ontwerpen van toepassing zijn, aangezien onze wetgeving bijna voor de helft bestaat uit de uitvoering van richtlijnen, verdragen en internationale overeenkomsten.

Mijns inziens begaan we hier dus een vergissing, die een precedent zal zijn. Er wordt immers bepaald dat alle bepalingen in uitvoering van een internationaal verdrag bicamerale materie zijn. Ik denk daar anders over en wil iedereen dus waarschuwen, zodat niemand kan opwerpen: `we wisten het niet' of `het is de laatste keer'. Laten we dus goed nota nemen dat de Senaat van oordeel is dat alle wettelijke bepalingen ter uitvoering van een internationaal verdrag bicamerale materie zijn. Zo eindigen we dit jaar met een juridische revolutie van formaat.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(Voor de tekst aangenomen door de commissie voor de Financiën en de Economische Aangelegenheden, zie stuk 2-583/4.)

De voorzitter. - Artikel 1 luidt:

Op dit artikel heeft de heer Vandenberghe amendement nr. 1 ingediend (zie stuk 2-583/2) dat luidt:

De heer Hugo Vandenberghe (CVP). - Ik hoef dit amendement niet meer te verdedigen. Het spreekt voor zich.

-De stemming over dit amendement en over artikel 1 wordt aangehouden.

De voorzitter. - De heren Caluwé en Vandenberghe hebben amendement nr. 2 ingediend (zie stuk 2-583/2) dat luidt:

De heer Hugo Vandenberghe (CVP). - Het is een belangrijk amendement omdat we een bijzonder statuut willen geven aan de voertuigen die uitsluitend worden gebruikt binnen de havenomheining.

We willen tegemoet komen aan de politiek van de regering, gericht op economische groei en verdere ontplooiing van onze havens en de verbetering van hun concurrentiestructuur zodat ze nog beter kunnen concurreren met Rotterdam en Hamburg. We willen de heer Delwaide nog een bijkomende pluim op zijn hoed laten steken.

De wagens die binnen het havengebied circuleren en maar incidenteel gebruik maken van de openbare weg moeten niet onder deze bepalingen vallen. Dit vloeit overigens voort uit artikel 4 van het verdrag van 9 februari 1994. Dergelijke wagens mogen niet onderworpen worden aan het Eurovignet. We moeten dus tegemoetkomen aan de vraag van belangrijke economische verantwoordelijken die alleen het belang van het land op het oog hebben en die bepaling inlassen.

-De stemming over het amendement wordt aangehouden.

-De artikelen 2 tot 7 worden aangenomen.

-De aangehouden stemmingen en de stemming over het wetsontwerp in zijn geheel hebben later plaats.

Wetsontwerp tot wijziging van artikel 71, eerste lid, 4°, van de nieuwe gemeentewet (Stuk 2-590) (Evocatieprocedure)

Algemene bespreking

De voorzitter. - De heer Olivier de Clippele, rapporteur, verwijst naar zijn verslag. -

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(Voor de tekst aangenomen door de commissie voor de Binnenlandse Zaken en de Administratieve Aangelegenheden, zie stuk 2-590/3.)

-De stemming over het wetsontwerp in zijn geheel heeft later plaats.

Regeling van de werkzaamheden

De voorzitter. - Als de minister van Justitie daarmee akkoord gaat, stel ik voor nu de vraag om uitleg te horen van mevrouw Nyssens. (Instemming)

Vraag om uitleg van mevrouw Nyssens aan de minister van Justitie over «gratie en dienstverlening ten bate van de gemeenschap» (nr. 2-284)

Mevrouw Clotilde Nyssens (PSC). - Enkele weken geleden maakte een persartikel melding van een nieuwe vorm van strafuitvoering, die sinds februari van dit jaar wordt toegepast. Aan personen die tot onherroepelijke straffen zijn veroordeeld en om gratie verzoeken, zou worden voorgesteld om gemeenschapswerk te doen in ruil voor de belofte dat het gratieverzoek welwillend zou worden onderzocht. Ik stond daar perplex van. Gratie is een delicaat probleem en gemeenschapswerk wordt meer en meer toegepast. Bevestigt de minister deze praktijk? Zo ja, wat is daar dan de wettelijke grondslag van? Er rijzen vragen over de geldigheid van deze "voorwaardelijke gratie". Niets waarborgt immers dat dit op een echte gratie zal uitdraaien. Gaat de minister zijn bevoegdheid niet te buiten aangezien gemeenschapswerk op die manier aan de rechter ten gronde of aan de met het onderzoek belaste magistraat ontsnapt? Deze praktijk is des te verbazingwekkender nu er al verschillende jaren een grote terughoudendheid bestaat om gratie te verlenen aan opgesloten personen. Blijkbaar heeft men op het ministerie van Justitie trouwens toegegeven dat het een betwistbare praktijk is dat het parket aan verenigingen, die belast zijn met de toepassing van de wet van 29 juni 1964 op het uitstel, de opschorting en de probatie, het toezicht op de uitvoering van het gemeenschapswerk kan toevertrouwen, na een advies aan de diensten voor de gratieverlening. Staat de minister voorlopige invrijheidstellingen toe met het oog op een gratieverlening, wetende dat ook die praktijk betwistbaar is?

De heer Marc Verwilghen, minister van Justitie. - Op de vraag of er sinds februari van dit jaar alternatieve maatregelen worden toegepast in het kader van de gratieverlening is mijn antwoord ja en neen. Ja, omdat er soms een proeftijd aan de gratieverlening wordt verbonden. Tijdens die periode moet er in sommige gevallen gemeenschapswerk worden verricht. Mijn antwoord is neen, omdat het niet om een nieuwe praktijk gaat. Mijn voorganger heeft ze bij wijze van proef ingevoerd. Gelet op het belang dat ik hecht aan alternatieve straffen, heb ik deze werkmethode voortgezet.

Volgens artikel 110 van de grondwet heeft de Koning het recht straffen kwijt te schelden of te verminderen en ze, zoals algemeen wordt aanvaard, om te zetten in andere straffen. De Koning, en dus de minister van Justitie, overschrijdt daarmee zijn bevoegdheden niet. In de praktijk betekent zulks dat de Koning één of meer voorwaarden verbindt aan de kwijtschelding van de straf. Wij spreken dan van een gratie onder opschortende voorwaarde of van een voorwaardelijke gratieverlening. Gratie wordt slechts mogelijk wanneer de voorwaarden zijn vervuld. Die voorwaarden kunnen zijn: de schadeloosstelling van de burgerlijke partij, het presteren van een aantal uren gemeenschapswerk, het volgen van een opleiding, het verbod om tijdens een bepaalde periode nieuwe inbreuken te plegen, enz.

Voorlopige invrijheidstellingen worden sinds jaren niet meer verbonden aan gratieverzoeken. U zegt terecht dat er geen wettelijke grondslag is voor de voorlopige invrijheidstellingen. Ik hoop weldra een wetsontwerp te kunnen voorleggen dat dit aspect van de strafuitvoering regelt.

Mevrouw Clotilde Nyssens (PSC). - Betreft dat aangekondigde wetsontwerp de organieke wet op het gevangeniswezen, dat een gevolg is van de studie van Lieven Dupont, of betreft het een wetsontwerp op de strafuitvoeringsrechtbanken? Binnen welke termijn zal dat ontwerp worden ingediend?

De heer Marc Verwilghen, minister van Justitie. - Het werk op kabinetsniveau is beëindigd. Er zijn nu interkabinettenvergaderingen. Nadat die zijn afgerond, zal ik het ontwerp aan de ministerraad voorleggen, naar ik hoop in februari 2001.

-Het incident is gesloten.

Vraag om uitleg van mevrouw Anne-Marie Lizin aan de minister van Justitie over «de voorbereiding van de bijzondere commissie voor de toepassing van het Verdrag van Den Haag betreffende de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen, die van 22 tot 28 maart 2001 in Den Haag wordt gehouden» (nr. 2-264)

Mevrouw Anne-Marie Lizin (PS). - De toepassing van het verdrag van Den Haag over de internationale ontvoering van kinderen, waaraan de Senaat in mei 2000 een studiedag heeft gewijd, wordt nu in verschillende studiebijeenkomsten onderzocht.

Welke houding neemt de regering daar nu over aan? Zijn de terugkeertermijnen voor het ontvoerde kind kort genoeg? Geeft de toepassing van het verdrag voldoening? Bestaan er daarover al statistieken? Beroepen de Belgische advocaten zich op dat verdrag? Werden de gerechtelijke instanties voldoende geïnformeerd? In welke gevallen wordt de mening van het kind gehoord? Moet de betwiste uitzonderingsclausule worden behouden?

De vierde commissiezitting over de uitvoering van het verdrag zal in maart 2001 in Den Haag plaatsvinden. Zullen in ons land één of meer rechtbanken zich kunnen specialiseren in gevallen waarin het verdrag wordt ingeroepen zodat de rechters zelf specialisten zijn? Heeft de minister een houding bepaald met betrekking tot de interpretatieproblemen van het verdrag van Den Haag, in het bijzonder zijn relatie met artikel 8 van het Europees verdrag voor de rechten van de mens? Heeft de Belgische overheid een duidelijk mandaat om de commissie van maart 2001 voor te bereiden? Zijn de kosten voor de uitvoering van de beslissingen tot terugkeer van de kinderen nog steeds ten laste van de aansprakelijk geachte ouder? Bestaat er een duidelijke regeling over de tenlasteneming van de gerechts- en reiskosten? Heeft de minister een regeling uitgewerkt voor de contacten tussen de benadeelde ouder en het kind tijdens de duur van de procedure van het verdrag? De moeders, vooral de Marokkaanse moeders, rakelen dit punt dikwijls op. Kunnen die moeders, zelfs als de terugkeer niet wordt gevraagd, hulp krijgen om contact te leggen met het kind in het land waarnaar het werd ontvoerd? Beoogt de minister een financiering en een uitgebreidere rol voor het secretariaat van het verdrag van Den Haag? Zijn amendementen vereist om het verdrag strikter toe te passen of is er een gedragscode nodig voor de centrale overheden? Kunnen wij de Belgische antwoorden krijgen op de vragenlijst die door het secretariaat van de conferentie werd voorbereid? Onze commissie wil op 16 januari gedurende een halve dag een werkvergadering over deze problematiek organiseren met de experts van het ministerie.

De heer Marc Verwilghen, minister van Justitie. - Na anderhalf jaar toepassing van het verdrag van Den Haag is het voor ons land te vroeg om een al te strakke houding aan te nemen over de draagkracht ervan in de landen die wij daarmee hebben geconfronteerd. De ervaring met het verdrag van Luxemburg uit 1980 heeft België ertoe gebracht andere procedureregels te volgen om een betere toepassing van beide verdragen mogelijk te maken. Aldus werd een spoedprocedure ingevoerd om zo snel mogelijk te kunnen oordelen over een exequaturaanvraag betreffende een vreemde beslissing aangaande hoede- en bezoekrecht of een vraag tot onmiddellijke terugkeer van een kind. De partijen verschijnen dan binnen de acht dagen na de inschrijving van het verzoekschrift op de algemene rol. Die termijn kan tot drie dagen worden teruggebracht. De voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg doet uitspraak zoals in kort geding.

In België is de toepassing van beide verdragen betrekkelijk bevredigend, maar er zijn nog inspanningen nodig om de practici meer te sensibiliseren. Van hen worden attitudes verwacht die aan het internationaal niveau zijn aangepast. Die sensibilisering is ook nodig voor een adequate toepassing op het ogenblik dat rechters moeten oordelen over grensoverschrijdende problemen van hoede- en bezoekrecht. Er moet op een positieve wijze worden rekening gehouden met het toegenomen personenverkeer.

Ouderlijke ontvoeringen moeten worden ontmoedigd door preventieve maatregelen. Er bestaat een mogelijkheid om daarover binnen de EU te discussiëren met niet-Europese Middellandse Zeelanden. Er moeten garanties komen over de terugkeer van een kind na een bezoek bij de andere ouder in het buitenland, bijvoorbeeld door een preventief exequatur.

De dwanguitvoering van een exequatur of beslissing tot terugkeer is echter problematisch wanneer de ontvoerende ouder het kind niet vrijwillig afgeeft. Dat probleem, dat niet typisch voor België is, verdient een bijzondere aandacht.

De nu beschikbare statistieken over ouderlijke ontvoeringen sinds de inwerkingtreding vermelden 13 gevallen die bij buitenlandse overheden aanhangig werden gemaakt en 19 bij de Belgische overheden. In die statistieken zijn de nog niet beëindigde verzoeken niet opgenomen, evenmin als de gevallen inzake bezoekrecht en de gevallen betreffende de toepassing van het verdrag van Luxemburg.

Het is juist dat de beslissingen zelden worden genomen binnen de door artikel 11 opgelegde termijn, dit is binnen de zes weken nadat de zaak aanhangig werd gemaakt. Ik betreur dat. Toch zijn soms onderzoeksmaatregelen vereist. Indien bijvoorbeeld ernstige argumenten worden aangevoerd door de ontvoerende ouder over een gevaarssituatie voor het kind bij de ouder die het hoederecht heeft, is het evident dat de rechter beslist tot de gepaste onderzoeken en deze vergen tijd.

Tot nu toe werden de meeste gevallen op minnelijk wijze opgelost. Er werden weinig weigeringsbeslissingen uitgesproken door de rechtbanken, namelijk twee in het buitenland en geen enkele in België.

Naar aanleiding van de ratificatie van het verdrag van Den Haag werd ter informatie van de practici beslist in het Gerechtelijk Wetboek een hoofdstuk in te lassen over het grensoverschrijdende hoede- en bezoekrecht. Dat heeft volgens mij het gewenste effect gehad. Het aantal gevallen waarin een advocaat een zaak voorlegt aan de Belgische overheid, die als verzoeker optreedt, bedraagt nu ongeveer 80%. De brochure die het ministerie van Justitie in de komende weken zal publiceren, zal de advocaten ongetwijfeld nog meer voor het verdrag sensibiliseren.

Die brochure kan ook aan de gerechtelijke instanties worden bezorgd. Na ontvangst van het verslag van de bijzondere commissie van het verdrag zullen mijn diensten een omzendbrief, bedoeld om de toepassing van het verdrag te vergemakkelijken, uitwerken en aan de gerechtelijke overheden bezorgen. De omzendbrief zal rekening houden met de resultaten van de werkzaamheden van de bijzondere commissie en in het bijzonder met de interpretatieproblemen. Mijn departement organiseert tevens een opleiding voor magistraten.

In België is de rechtspraak slechts op residuaire wijze gespecialiseerd voor die gevallen waarin de minderjarige zich niet op het grondgebied bevindt en het exequatur van een buitenlandse beslissing wordt gevraagd als voorzorgsmaatregel. Het is natuurlijk mogelijk één of meer rechtsprekende organen te specialiseren. Dat biedt voordelen, maar heeft ook het nadeel dat deze organen niet dicht bij de burger staan. De vereiste onderzoeksmaatregelen moeten trouwens kunnen worden genomen door een rechter die niet vertrouwd is met de situatie van de partijen. Het is ook zeer belangrijk dat de magistraten, die moeten beslissen over het ouderlijk gezag en de voornaamste en de secundaire huisvesting van het kind, op een gepaste wijze rekening kunnen houden met de evolutie van de samenleving en dus met het toegenomen personenverkeer. Het is van essentieel belang dat de nationale rechters zich meer van die problematiek bewust worden om de familiegeschillen op een minder nationalistische wijze op te lossen. Door een meer open houding kunnen zij een essentiële rol vervullen in de ontmoediging van de internationale ontvoeringen van kinderen.

België heeft nog niet veel ervaring inzake het rekening houden met de mening van het kind. Er bestaat nu één geval in België en twee in het buitenland. In die twee gevallen werd rekening gehouden met die mening en werd een weigering uitgesproken.

Het probleem van de uitzonderingsclausule of van de motieven tot weigering ligt zeer gevoelig. In een zo brede context als het verdrag van Den Haag lijkt het me niet mogelijk een dergelijke bepaling volledig uit te sluiten. Volgens mij moet er wel een zo beperkt mogelijke interpretatie aan worden gegeven.

De EU-lidstaten onderzoeken momenteel een ontwerp van reglement over het bezoekrecht, dat elke exequaturprocedure terzake uitsluit. De motieven om de terugkeer van het kind te weigeren na afloop van de bezoekperiode worden beperkt. Er loopt ook een initiatief op het niveau van de Raad van Europa om het grensoverschrijdende bezoekrecht aan te moedigen en de effectieve terugkeer van de kinderen na een bezoekperiode in het buitenland te garanderen.

Ik zie geen enkele moeilijkheid betreffende de relatie tussen het verdrag van Den Haag en het Europees verdrag voor de rechten van de mens. De eerbiediging van de rechten van het kind en van de ouders lijkt me gegarandeerd door het verdrag van Den Haag. De staten moeten de geëigende mechanismen in het leven roepen.

Het probleem van de kosten van de tenuitvoerlegging van de beslissing tot terugkeer van het kind of het bezoekrecht wordt door het verdrag geregeld. De gerechtelijke overheden die over de terugkeer beslissen, hebben de mogelijkheid - niet de verplichting - om de reiskosten van het kind ten laste te leggen van de ontvoerende ouder of de ouder die het bezoekrecht heeft belet. Hetzelfde geldt voor de gerechtskosten.

Er is geen wettelijke bepaling die het omgangsrecht van de benadeelde ouder met het kind tijdens de procedure regelt. De kwestie is delicaat in die gevallen waarin de ontvoerende ouder zijn weigering motiveert door een gevaarssituatie bij de ouder die het hoedrecht heeft. Niets belet de centrale autoriteit de bevoegde rechtbank zich ten voorlopige titel te laten uitspreken over een verzoek in de zin zoals gevraagd door de verzoekende partij. Binnen de minnelijke regeling heeft de centrale autoriteit de mogelijkheid om, eventueel in samenspraak met de gerechtelijke overheden, een overleg met de ontvoerende ouder te organiseren om een contact mogelijk te maken dat voor de ouder en het kind belangrijk kan zijn. In België zijn er nog geen dergelijke vragen geweest, ongetwijfeld omdat de ontvoering elke dialoog uitsluit en een zo snel mogelijke gerechtelijke oplossing zich opdringt. Volgens het verdrag van Den Haag moeten de beslissingen er zijn binnen de zes weken na het aanhangig maken van de zaak. Deze termijn wordt spijtig genoeg dikwijls niet gerespecteerd.

De centrale autoriteit telt nu één adviseur en vijf adjunct-adviseurs, waaronder twee Nederlandstaligen, de ene halftijds en de andere 4/5. Die adjunct-adviseurs hebben ook andere taken, in het bijzonder de terugvordering van alimentatiegeld in het buitenland, de betekening van gerechtelijke akten en het verzamelen van bewijzen in het buitenland. De personeelsformatie is dus zeker niet erg groot te noemen.

We zullen de situatie moeten herzien eens België zijn houding zal hebben bepaald wat de toetredingen tot het verdrag betreft. De toepassingen zullen dan veel talrijker zijn.

Bij de ratificatie van het verdrag heeft België in zijn interne wetgeving procedurele bepalingen ingevoegd om de efficiëntie ervan te versterken. Dat geldt trouwens ook voor het verdrag van de Raad van Europa. Onze zorg is altijd geweest een zo groot mogelijke medewerking te verlenen aan de oplossing van die uiterst droevige gevallen.

Wij verwachten van onze partners hetzelfde als wat we op Belgisch niveau willen bieden. Wij wensen dus de optimale toepassing van het verdrag, naar de geest en naar de letter. Onze experts zullen de voorstellen aan de speciale commissie tot verbetering van de werking van het verdrag steunen. België zal de initiatieven in die zin van de conferentie van Den Haag ondersteunen.

Het probleem van de begroting van die conferentie valt onder de bevoegdheid van mijn collega van Buitenlandse Zaken.

Ik heb geen enkel probleem om de antwoorden mee te delen die België aan het secretariaat van de conferentie zal sturen.

Mevrouw Anne-Marie Lizin (PS). - Mijnheer de minister, wij hebben maar zelden de gelegenheid gekregen om een zo grondige evaluatie te maken van dit verdrag. Ik zou u dus echt willen bedanken voor de manier waarop u hebt geantwoord.

Ik zou desalniettemin een verband willen leggen met de actualiteit. De evolutie van de betrekkingen met Marokko heeft een grote invloed gehad. Marokko had aangekondigd het Verdrag te ondertekenen, maar is blijkbaar nog niet tot de ratificatie ervan overgegaan. Talrijke deelnemers aan het seminarie dat wij daarover in de Verenigde Staten hebben georganiseerd, wilden weten of uw formule een pluspunt is.

Hebben wij er belang bij om specifieke landen als Marokko of landen met een islamitisch rechtsstelsel aan te moedigen het Verdrag te ratificeren? Of is het beter om andere formules uit te proberen zoals u gedaan hebt met Marokko? Hebt u een mening hierover?

De heer Marc Verwilghen, minister van Justitie. -
Natuurlijk heb ik een mening over deze kwestie. Ik heb kunnen vaststellen dat een goed voorbereid, direct contact het probleem kan oplossen, ten minste als beide partijen een oplossing willen. Wij zullen trouwens een soortgelijke inspanning doen voor de gevallen waarbij Tunesië is betrokken.

Deze landen dringen aan op voorkeurcontacten met de Europese Unie. Problemen zoals er rijzen tussen België en Marokko, zijn bij voorbeeld veel talrijker tussen Marokko en Spanje. Ik stel vast dat andere landen zoals Engeland en Duitsland soortgelijke problemen kennen. Zonder misbruik te willen maken, moeten we de wil van deze niet-Europese Middellandse-Zeelanden om met de Europese landen te communiceren, te baat nemen om dit probleem ter tafel te leggen. Ik heb gevraagd om deze problematiek op de agenda te plaatsen van het Belgisch voorzitterschap gedurende het tweede semester van 2001. Ik ben daarvoor des te meer gemotiveerd omdat ik in Marseille heb vastgesteld dat die wil bestaat en dat we er dus gebruik moeten van maken.

-Het incident is gesloten.

Stemmingen

(De naamlijsten worden in de bijlage opgenomen.)

Ontwerp van tijdelijke wet tot invoeging van een artikel 257bis in de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus (Stuk 2-596) (Evocatieprocedure)

De voorzitter. - We stemmen eerst over amendement nr. 1 van de heer Vandenberghe.

Stemming nr. 1

Aanwezig: 46

Voor: 12

Tegen: 34

Onthoudingen: 0

-Het amendement is niet aangenomen.

De heer Hugo Vandenberghe (CVP). - Ik stel vast dat de meerderheid voor deze ontwerpen wel de spoedbehandeling gevraagd heeft, maar dat ze niet in staat is om voor het voor de stemming vereiste aanwezigheidsquorum te zorgen. De CVP-fractie zal daarom nu de vergaderzaal verlaten. (De leden van de fracties van CVP en VU-ID verlaten de zaal)

De voorzitter. - In die omstandigheden stel ik voor de stemmingen te hervatten om 18 uur.

Sommige collega's namen nu deel aan stemmingen in het Vlaams Parlement. Ze kunnen wellicht over een halfuur hier aanwezig zijn.

De heer Philippe Mahoux (PS). - Om over een half uur niet met hetzelfde probleem te worden geconfronteerd, zou het nuttig zijn om na te gaan of de stemmingen in het Vlaams Parlement zijn beëindigd vóór we opnieuw stemmen in de Senaat.

Mevrouw Jeannine Leduc (VLD). - Ik sta sinds een half uur permanent in verbinding met het Vlaams Parlement. Daar hebben de stemmingen over de begroting plaats. Onze collega's gemeenschapssenatoren beloven me onmiddellijk daarna naar hier te komen. We kunnen hen bezwaarlijk het verwijt maken dat ze daar hun plicht vervullen.

Vraag om uitleg van mevrouw Anne-Marie Lizin aan de staatssecretaris voor Energie en Duurzame Ontwikkeling over «de administratieve reorganisatie van de nucleaire sector en in het bijzonder van Electrabel, en de invloed ervan op de veiligheid» (nr. 2-296)

Mevrouw Anne-Marie Lizin (PS). - Kan de staatssecretaris ons zeggen hoe het met de tenlasteneming van de nucleaire passiva van de centrale van Tihange staat?

Mag worden gevreesd voor een wijziging van de statuten van de verantwoordelijke maatschappij, namelijk Electrabel? Wat zou het gevolg zijn van een fusie met een externe maatschappij, vooral op het stuk van de veiligheid?

Zou de staatssecretaris het ermee eens zijn dat de NV Electrabel niet langer haar verantwoordelijkheden terzake op zich neemt? Hoe moet ervoor worden gezorgd dat de verplichtingen op het stuk van veiligheid automatisch worden overgeheveld? De interne hervorming heeft betrekking op de boekhouding, en vooral op de veiligheid. Als de huidige maatschappij niet langer eigenaar is van de centrales, maar vervangen wordt door een fusiemaatschappij of een andere formule, worden de verplichtingen dan overgeheveld en hoe kan de staatssecretaris dit nagaan?

De boekhouding van de volledige private elektriciteitssector zal zich voortaan concentreren in Les Awirs. Betekent dit dat Electrabel afstand neemt van haar verplichtingen ten opzichte van Tihange?

De nieuwe technieken inzake interne veiligheid in Tihange in het kader van het beruchte NUC 21-systeem verminderen de bescherming en de coördinatie ervan. Voortaan vervangen de verticale systemen per reactor de horizontale systemen. Is de staatssecretaris ingelicht over die wijziging? Wat is zijn mening daarover, en vooral over de vermindering van het aantal personen dat in Tihange instaat voor de veiligheid?

De heer Olivier Deleuze, staatssecretaris voor Energie en Duurzame Ontwikkeling. - De bevoegdheden inzake energie zijn gesplitst: enerzijds, het energiebeleid en, anderzijds, de veiligheid, vooral in de kerncentrales. Er is een scheiding tussen de controleur en de gecontroleerde, en dat is een goede zaak.

De vragen die uitsluitend betrekking hebben op de veiligheid vallen onder de bevoegdheid van de minister van Binnenlandse Zaken, en niet de mijne, als regeringslid dat belast is met het energiebeleid.

Ik kan dus antwoorden op bijna alle punten van de eerste vraag. Voor de verplichtingen inzake veiligheid dient mevrouw Lizin zich echter te wenden tot de minster van Binnenlandse Zaken.

Er ontstaat overigens maar een nucleair passief als centrales moeten worden ontmanteld of afval moet worden behandeld en er daarvoor niet voldoende provisie aanwezig is. Het bestaan van kernafval alleen volstaat niet om een passief te creëren. Er bestaan uiteraard wel nucleaire passiva in België, vooral in de Kempen.

Voor de kostprijs van de ontmanteling maakt de controlecommissie een vijfjaarlijkse evaluatie.

De laatste raming van die kosten werd in 1995 gemaakt. De nieuwe evaluatie van de provisies voor de ontmanteling moet dus in 2000 gebeuren. Ik heb het controlecomité dan ook laten weten dat ik een evaluatie verwacht vóór het eind van deze maand.

Inmiddels werd de wet van 12 december 1997 betreffende de inventaris van de radioactieve stoffen aangenomen. Die inventaris wordt gemaakt door de Nationale Instelling, die ook beslist over de omvang van de provisies. Om te bepalen of er een passief is, vergelijkt ze de bestaande radioactieve stoffen en provisies. De Nationale Instelling is bijna klaar met de inventaris van de elf installaties van klasse 1, waaronder de centrale van Tihange. Ik zal die resultaten deze week ontvangen.

In het regeerakkoord staat dat de provisies voor de ontmanteling van de nucleaire centrales voor de opwekking van elektriciteit het onderwerp zullen uitmaken van een toezichtsysteem. Voor de uitvoering van deze tekst heeft de regering mij op 5 april 2000 gevraagd een nota op te stellen die de producenten verplicht aparte rekeningen voor te leggen voor de kerncentrales, die door de Commissie voor de Regulering van de Elektriciteit en het Gas (CREG) worden gecontroleerd. In januari zal ik bij het Parlement een wetsontwerp indienen tot wijziging van de wet van april 1999 waarin onder meer deze verplichting van aparte rekeningen voor de kerncentrales zal worden opgenomen. De regering heeft ook beslist dat de staatssecretaris voor Energie de CREG moet belasten met het opmaken van een inventaris van alle bestaande provisies bij de elektriciteitsproducenten, de NIRAS en het SCK, en een beschrijving van wat met die middelen werd gedaan. De CREG moet voorts een raming maken van de beschikbare provisies en voorstellen formuleren voor het beheer en het gebruik ervan in de toekomst. De bedoeling van deze beslissing van de regering was dubbel: de omvang van die provisies evalueren en, gelet op de ontwikkelingen op de Belgische en de internationale energiemarkt, zekerheid krijgen over het feit dat ze gebruikt kunnen worden voor het doel waarvoor ze werden aangelegd.

Wij hebben besloten het werk te verdelen over de CREG en de Nationale Instelling, aangezien die al door de wet van 1997 belast is met de inventarisering en de raming van de provisies. Dit blijft zo en de CREG zal belast worden met het uitbrengen van een advies over de beschikbaarheid en de veiligheid van die provisies. Daarmee wordt bedoeld de financiële veiligheid en de beschikbaarheid in onverschillig welk scenario. Als de CREG oordeelt dat die in onvoldoende mate is verzekerd, moet zij in dit verband voorstellen formuleren.

Voor de provisies voor ontmanteling en voor afvalbeheer wordt de centrale van Tihange niet als een autonome eenheid beschouwd, noch wat het niveau van de provisies noch wat de beschikbaarheid van het geld betreft. De Belgische kerncentrales die onder andere eigendom zijn van Electrabel, worden als één geheel beheerd.

De vraag of de staatssecretaris er voor is dat de NV Electrabel in dezen geen verantwoordelijkheid meer op zich neemt, is niet aan de orde.

Mevrouw Anne-Marie Lizin (PS). - Ik dank de staatssecretaris voor zijn antwoord. De vraag werd geformuleerd vóór wij kennis hadden gekregen van het rapport van de commissie-Ampère. Ik had dus geen vraag over dat rapport voorbereid.

Ik ben er me terdege van bewust dat een deel van mijn vraag voor minister Duquesne is bestemd, maar wij bestoken hem al met zoveel andere thema's dat ik vond dat we ons met de vragen over kernenergie uitsluitend tot de staatssecretaris konden richten.

Toch zou ik graag weten of u de conclusies van het rapport van de commissie-Ampère denkt te volgen, dan wel of de beslissing van de regering om Tihange stil te leggen wordt gehandhaafd.

De heer Olivier Deleuze, staatssecretaris voor Energie en Duurzame Ontwikkeling. - Het rapport-Ampère is geen rapport van de regering, maar een rapport aan de regering. De regering is niet gebonden door dat rapport maar door de regeringsverklaring.

-Het incident is gesloten.

(De vergadering wordt geschorst om 17.40 uur. Ze wordt hervat om 18.10 uur.)

Stemmingen

(De naamlijsten worden in de bijlage opgenomen.)

Ontwerp van tijdelijke wet tot invoeging van een artikel 257bis in de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus (Stuk 2-596) (Evocatieprocedure)

De voorzitter. - We stemmen nu over amendement nr. 6 van mevrouw Staveaux-Van Steenberge.

Stemming nr. 2

Aanwezig: 49

Voor: 6

Tegen: 40

Onthoudingen: 3

-Het amendement is niet aangenomen.

De voorzitter. - We stemmen nu over het wetsontwerp in zijn geheel.

Stemming nr. 3

Aanwezig: 51

Voor: 41

Tegen: 10

Onthoudingen: 0

-Het geamendeerde ontwerp zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.

Wetsontwerp tot goedkeuring van het Protocol tot wijziging van het Verdrag van 9 februari 1994 inzake de heffing van rechten voor het gebruik van bepaalde wegen door zware vrachtwagens, ter voldoening aan Richtlijn 1999/62/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 17 juni 1999 betreffende het in rekening brengen van het gebruik van bepaalde infrastructuurvoorzieningen aan zware vrachtvoertuigen ondertekend te Brussel op 22 maart 2000 door de regeringen van het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Zweden, en tot wijziging van de wet van 27 december 1994 tot goedkeuring van voormeld Verdrag en tot invoering van een Eurovignet overeenkomstig Richtlijn 93/89/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 oktober 1993 (Stuk 2-583)

De voorzitter. - We stemmen eerst over amendement nr. 1 van de heer Vandenberghe.

Stemming nr. 4

Aanwezig: 51

Voor: 10

Tegen: 41

Onthoudingen: 0

-Het amendement is niet aangenomen.

-Artikel 1 wordt aangenomen.

De voorzitter. - We stemmen nu over amendement nr. 2 van de heren Caluwé en Vandenberghe.

Stemming nr. 5

Aanwezig: 51

Voor: 7

Tegen: 41

Onthoudingen: 3

-Het amendement is niet aangenomen.

De voorzitter. - We stemmen nu over het wetsontwerp in zijn geheel.

Stemming nr. 6

Aanwezig: 51

Voor: 51

Tegen: 0

Onthoudingen: 0

-Het wetsontwerp is aangenomen.

-Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.

Wetsontwerp tot wijziging van artikel 71, eerste lid, 4°, van de nieuwe gemeentewet (Stuk 2-590) (Evocatieprocedure)

Stemming nr. 8

Aanwezig: 51

Voor: 51

Tegen: 0

Onthoudingen: 0

-De Senaat heeft het wetsontwerp ongewijzigd aangenomen.

-Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden met het oog op de bekrachtiging door de Koning.

Ontwerp van programmawet (Stuk 2-600) (Evocatieprocedure)

Algemene bespreking van het onderdeel Sociale Aangelegenheden

De heer Jean-Pierre Malmendier (PRL-FDF-MCC), rapporteur. - Met toepassing van artikel 27, paragraaf 11, alinea 2 van het Reglement van de Senaat, werd de commissie voor de Sociale Aangelegenheden belast met de bespreking van de artikelen 14 tot 17, 24 en 25, 29 tot 68 en 82, maar heeft de bespreking ervan aangevat vóór de eindstemming in de Kamer van volksvertegenwoordigers. De Commissie heeft vergaderd op 11, 13 en 14 december 2000.

Het geheel van de artikelen verzonden naar deze commissie werd aangenomen met acht stemmen bij vijf onthoudingen.

Dit verslag werd eenparig goedgekeurd door de leden die hebben deelgenomen aan de vergadering van 18 december.

Voor het overige verwijs ik naar het schriftelijk verslag dat voortreffelijk werd opgesteld door de diensten. Ik dank ze onder andere voor de ijver die zij hierbij aan de dag hebben gelegd.

Persoonlijk wens ik de regering geluk te wensen met de vooruitgang die zij heeft geboekt en die onze burgers een beetje gelukkiger zal maken.

(Voorzitter: mevrouw Sabine de Bethune, eerste ondervoorzitter.)

Mevrouw Mia De Schamphelaere (CVP). - Ik heb een korte boodschap voor de minister van Tewerkstelling. Ik heb het gedeelte van de programmawet waarvoor zij bevoegd is, doorgenomen en ben tot het besluit gekomen dat mevrouw Onkelinx hard werkt, veel initiatieven neemt en heel wat op gang brengt. Onze fractie vindt eigenlijk dat ze te hard werkt, omdat ze vooral veel overbodig werk verricht. Daarvoor zijn twee oorzaken. Haar kader is te beperkt. Zij heeft een eenzijdige blik op het beleid dat door haar voorgangers werd gevoerd, en op de arbeidsmarkt. De arbeidsmarkt omvat ook de Vlaamse arbeidsmarkt die andere kenmerken vertoont dan de Waalse.

Zij werkt zeer hard vooral om het tot nu toe gevoerde beleid letterlijk te ontsmetten. Het beleid moet worden veranderd; wat werkzaam was, moet afgeschaft of een andere naam krijgen. Dan pas kan worden gezegd dat het werkzaam is. Zo werden de stageplaatsen bij voorbeeld omgevormd tot Rosettabanen. Zij werkt ook te hard omdat ze de zaken voortdurend ingewikkelder maakt, te veel voorwaarden invoert in de reglementering in plaats van ze te vereenvoudigen.

Ten slotte werkt ze te hard door op de Vlaamse krappe arbeidsmarkt een beleid te willen toepassen dat daarvoor niet is geschikt.

Er zijn nog altijd geen voorstellen om de beschikbare arbeidskrachten op een creatieve wijze te verbinden met alle openstaande betrekkingen door bij voorbeeld de arbeidsmobiliteit tussen Wallonië en Vlaanderen te verhogen. Vlaamse bedrijven vinden immers geen volk, terwijl de werkgelegenheid in het Waalse landsgedeelte ver onder die in het Vlaamse ligt.

Onder meer omwille van de krapte op de arbeidsmarkt in Vlaanderen, de vele knelpuntberoepen in de transportsector, in de ziekenhuizen, in de woningbouw dienen wij onze amendementen opnieuw in. Wij willen dat de mogelijkheden die verruimd worden met het + 1-, + 2-, + 3-plan worden uitgebreid tot de 70.000 personen die in de regularisatieprocedure zijn verwikkeld. Wij weten dat ze actief en positief ingesteld zijn en dat ze willen werken. Arbeid kan een element van integratie zijn en het is voor hen psychologisch belangrijk dat ze een activiteit kunnen ontplooien en niet tot non-activiteit worden gedwongen.

Wij houden de meeste van onze amendementen aan en voor wat betreft het toegankelijk maken van de banenplannen voor personen die in de regularisatieprocedure zijn verwikkeld, krijgen wij de steun van Agalev.

-De algemene bespreking van dit onderdeel is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking van het onderdeel Sociale Aangelegenheden

(Voor de tekst aangenomen door de commissie, zie stuk 2-600/7.)

De voorzitter. - Volgende amendementen werden ingediend:

Artikel 14bis (nieuw)

Artikel 30

Artikel 32

Artikel 35

Artikel 36

Artikel 38

Artikel 49

Artikel 50

Artikel 57

Artikel 58

Artikel 59

Artikel 62

Artikel 66

Artikel 68bis (nieuw) tot 68quinquies (nieuw)

(De tekst van de amendementen wordt uitzonderlijk in de bijlage gepubliceerd.)

Mevrouw Mia De Schamphelaere (CVP). - Met amendement nr. 37 strekkende tot het invoegen van een artikel 14bis (nieuw) richten collega Vandenberghe en ik zelf ons tot minister van Volksgezondheid Aelvoet.

In de commissie hebben wij haar voorstel besproken om motoren om te vormen tot LPG-motoren. Eerst en vooral moet de aanvullende verkeersbelasting voor met LPG aangedreven voertuigen worden afgeschaft, zodanig dat het gebruik van LPG-motoren wordt aangemoedigd. Het aanmoedigen van het ombouwen van motoren volstaat niet.

Op die manier kunnen we onze wetgeving trouwens in overeenstemming brengen met een EEG-richtlijn van 19 oktober 1992.

Amendement nr. 5 op artikel 30 strekt ertoe de personen die een regularisatieaanvraag hebben ingediend en een arbeidskaart kunnen krijgen, ook in aanmerking te laten komen voor de banenplannen van minister Onkelinx.

Amendement nr. 6 op artikel 30 komt neer op een technische opmerking, die ook door de Raad van State werd geformuleerd. De vermelding "gerekend van datum tot datum" zorgt voor verwarring en is juridisch niet gangbaar. Het is daarom beter ze te doen vervallen.

Amendement nr. 7 op artikel 32 heeft betrekking op het + 2- en het +3-plan.

Met amendement nr. 8 op artikel 35 willen wij bekomen dat de werkgevers er op voorhand van verwittigd worden dat het banenplan voortliep. Wij vinden het onverantwoord deze maatregel zo plots in werking te laten treden.

Voor de amendementen nr. 9, 10 en 14 op de artikelen 36, 38 en 49 verwijs ik naar de verantwoordingen in het gedrukt stuk.

Amendement nr. 15 op artikel 62 is een belangrijk amendement omdat wij van oordeel zijn dat de regelingen in verband met de kruispuntbank behoren tot de opdrachten van de Koning.

De heer Hugo Vandenberghe (CVP). - Ik zal een algemene toelichting geven bij de amendementen nr. 11, 12 en 13 bij de artikelen 57, 58 en 59. Ik vrees echter dat de regering mijn vraag met betrekking tot deze artikelen niet kan beantwoorden.

De artikelen 57 tot 59 verlenen de regering een algemene volmacht om de gevolgen van de financiële weerslag van sociale akkoorden die betrekking hebben op de gezondheidszorg, onder bepaalde voorwaarden toe te passen bij een in de ministerraad overlegd koninklijk besluit.

Deze algemene volmacht beantwoordt niet aan de vereisten van een volmacht omdat ze niet beperkt is in de tijd. Bijzondere machten moeten aan een aantal voorwaarden voldoen. Zo moeten de uitzonderlijke omstandigheden worden aangetoond die het gebruik van deze machten rechtvaardigen. Voorts moet het om een beperkte periode gaan en moet er een nauwkeurige omschrijving worden gegeven van de overgedragen bevoegdheden. Ik verwijs voor de andere voorwaarden naar de verantwoording bij mijn amendement nr. 13.

De minister zei dat het niet om volmachten gaat. Wat is dan de zin van artikel 59? Als de Koning alles kan regelen, waarom is er dan nog een wettelijke delegatie nodig? Dat de in artikel 59 opgesomde gegevens na een in ministerraad overlegd en door de Koning bekrachtigd besluit moeten worden geformaliseerd, betekent dat de wettelijke bepalingen die betrekking hebben op de punten 1 tot en met 8 van artikel 59 bij een in ministerraad overlegd koninklijk besluit kunnen worden gewijzigd. Dit staat evenwel niet in de tekst. Ofwel gaat het om een regeling waarvoor geen wettelijke delegatie vereist is aangezien de Koning zichzelf in zekere mate bindt, ofwel is het de bedoeling bestaande regels te wijzigen. In het laatste geval ontbreekt in artikel 59 de bepaling dat de aldus goedgekeurde koninklijke besluiten bestaande wetten kunnen wijzigen.

Mevrouw Mia De Schamphelaere (CVP). - Ik heb amendement nr. 15 bij artikel 62 reeds toegelicht.

Amendement nr. 70 bij artikel 66 heeft betrekking op de fondsen die de regering wil opbouwen om de sociale zekerheid in de toekomst te kunnen financieren. Dit is uiteraard verstandig. Wij zijn het er evenwel niet mee eens dat de regering het bedrag dat in deze fondsen wordt gestort, jaarlijks kan aanpassen aan de budgettaire noodwendigheden van het ogenblik. Deze fondsen moeten op een duurzame manier worden gefinancierd.

De heer Hugo Vandenberghe (CVP). - De amendementen nr. 72 en 71 op artikel 66 betreffen het sociaal statuut van de zelfstandigen. De regering doet daarvoor veel te weinig. Vooral de VLD komt haar beloften ten aanzien van de zelfstandigen niet na. Dat komt de politieke geloofwaardigheid niet ten goede. Met onze amendementen willen wij die geloofwaardigheid herstellen.

Mevrouw Mia De Schamphelaere (CVP). - Mijn amendement nr. 72 gaat over het scheppen van de mogelijkheid om in de nodige financiering te voorzien. Mijn amendement nr. 71 preciseert wat er moet verbeteren aan het statuut voor de zelfstandigen in verband met de kinderbijslag en de gezondheidszorg.

-De stemming over de amendementen wordt aangehouden.

De voorzitter. - De agenda van deze vergadering is afgewerkt.

De volgende vergaderingen vinden plaats donderdag 21 december 2000 om 10, 15 en 19 uur.

(De vergadering wordt gesloten om 18.40 uur.)

Berichten van verhindering

Afwezig met bericht van verhindering: de heer Vandenbroeke, wegens ambtsplichten.

-Voor kennisgeving aangenomen.

Bijlage

Naamstemmingen

Stemming nr. 1

Aanwezig: 46
Voor: 12
Tegen: 34
Onthoudingen: 0


Voor

Michel Barbeaux, Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Georges Dallemagne, Sabine de Bethune, Mia De Schamphelaere, Clotilde Nyssens, Roeland Raes, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Hugo Vandenberghe, Vincent Van Quickenborne, Magdeleine Willame-Boonen.


Tegen

Marcel Cheron, Christine Cornet d'Elzius, Mohamed Daif, Olivier de Clippele, Armand De Decker, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Josy Dubié, Paul Galand, André Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Mimi Kestelijn-Sierens, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Kathy Lindekens, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Michiel Maertens, Philippe Mahoux, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Philippe Monfils, Marie Nagy, Francis Poty, Jan Remans, François Roelants du Vivier, Jacques Santkin, Louis Siquet, Martine Taelman, Myriam Vanlerberghe, Iris Van Riet.


Onthoudingen

N.

Stemming nr. 2

Aanwezig: 49
Voor: 6
Tegen: 40
Onthoudingen: 3


Voor

Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Mia De Schamphelaere, Roeland Raes, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Hugo Vandenberghe.


Tegen

Marcel Cheron, Christine Cornet d'Elzius, Mohamed Daif, Olivier de Clippele, Armand De Decker, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Josy Dubié, Paul Galand, André Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Mimi Kestelijn-Sierens, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Kathy Lindekens, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Michiel Maertens, Chokri Mahassine, Philippe Mahoux, Johan Malcorps, Jean-Pierre Malmendier, Philippe Monfils, Marie Nagy, Francis Poty, Didier Ramoudt, Jan Remans, François Roelants du Vivier, Jacques Santkin, Louis Siquet, Martine Taelman, Louis Tobback, Myriam Vanlerberghe, Iris Van Riet, Paul Wille.


Onthoudingen

Michel Barbeaux, Clotilde Nyssens, Magdeleine Willame-Boonen.

Stemming nr. 3

Aanwezig: 51
Voor: 41
Tegen: 10
Onthoudingen: 0


Voor

Marcel Cheron, Christine Cornet d'Elzius, Mohamed Daif, Olivier de Clippele, Armand De Decker, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Josy Dubié, Paul Galand, André Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Mimi Kestelijn-Sierens, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Kathy Lindekens, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Michiel Maertens, Chokri Mahassine, Philippe Mahoux, Johan Malcorps, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Philippe Monfils, Marie Nagy, Francis Poty, Didier Ramoudt, Jan Remans, François Roelants du Vivier, Jacques Santkin, Louis Siquet, Martine Taelman, Louis Tobback, Myriam Vanlerberghe, Iris Van Riet, Paul Wille.


Tegen

Michel Barbeaux, Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Sabine de Bethune, Mia De Schamphelaere, Clotilde Nyssens, Roeland Raes, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Hugo Vandenberghe, Magdeleine Willame-Boonen.


Onthoudingen

N.

Stemming nr. 4

Aanwezig: 51
Voor: 10
Tegen: 41
Onthoudingen: 0


Voor

Michel Barbeaux, Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Sabine de Bethune, Mia De Schamphelaere, Clotilde Nyssens, Roeland Raes, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Hugo Vandenberghe, Magdeleine Willame-Boonen.


Tegen

Marcel Cheron, Christine Cornet d'Elzius, Mohamed Daif, Olivier de Clippele, Armand De Decker, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Josy Dubié, Paul Galand, André Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Mimi Kestelijn-Sierens, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Kathy Lindekens, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Michiel Maertens, Chokri Mahassine, Philippe Mahoux, Johan Malcorps, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Philippe Monfils, Marie Nagy, Francis Poty, Didier Ramoudt, Jan Remans, François Roelants du Vivier, Jacques Santkin, Louis Siquet, Martine Taelman, Louis Tobback, Myriam Vanlerberghe, Iris Van Riet, Paul Wille.


Onthoudingen

N.

Stemming nr. 5

Aanwezig: 51
Voor: 7
Tegen: 41
Onthoudingen: 3


Voor

Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Sabine de Bethune, Mia De Schamphelaere, Roeland Raes, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Hugo Vandenberghe.


Tegen

Marcel Cheron, Christine Cornet d'Elzius, Mohamed Daif, Olivier de Clippele, Armand De Decker, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Josy Dubié, Paul Galand, André Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Mimi Kestelijn-Sierens, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Kathy Lindekens, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Michiel Maertens, Chokri Mahassine, Philippe Mahoux, Johan Malcorps, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Philippe Monfils, Marie Nagy, Francis Poty, Didier Ramoudt, Jan Remans, François Roelants du Vivier, Jacques Santkin, Louis Siquet, Martine Taelman, Louis Tobback, Myriam Vanlerberghe, Iris Van Riet, Paul Wille.


Onthoudingen

Michel Barbeaux, Clotilde Nyssens, Magdeleine Willame-Boonen.

Stemming nr. 6

Aanwezig: 51
Voor: 51
Tegen: 0
Onthoudingen: 0


Voor

Michel Barbeaux, Jurgen Ceder, Marcel Cheron, Christine Cornet d'Elzius, Frank Creyelman, Mohamed Daif, Sabine de Bethune, Olivier de Clippele, Armand De Decker, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Josy Dubié, Paul Galand, André Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Mimi Kestelijn-Sierens, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Kathy Lindekens, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Michiel Maertens, Chokri Mahassine, Philippe Mahoux, Johan Malcorps, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Philippe Monfils, Marie Nagy, Clotilde Nyssens, Francis Poty, Roeland Raes, Didier Ramoudt, Jan Remans, François Roelants du Vivier, Jacques Santkin, Louis Siquet, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Martine Taelman, Louis Tobback, Hugo Vandenberghe, Myriam Vanlerberghe, Iris Van Riet, Magdeleine Willame-Boonen, Paul Wille.


Tegen

N.


Onthoudingen

N.

Stemming nr. 8

Aanwezig: 51
Voor: 51
Tegen: 0
Onthoudingen: 0


Voor

Michel Barbeaux, Jurgen Ceder, Marcel Cheron, Christine Cornet d'Elzius, Frank Creyelman, Mohamed Daif, Sabine de Bethune, Olivier de Clippele, Armand De Decker, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Josy Dubié, Paul Galand, André Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Mimi Kestelijn-Sierens, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Kathy Lindekens, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Michiel Maertens, Chokri Mahassine, Philippe Mahoux, Johan Malcorps, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Philippe Monfils, Marie Nagy, Clotilde Nyssens, Francis Poty, Roeland Raes, Didier Ramoudt, Jan Remans, François Roelants du Vivier, Jacques Santkin, Louis Siquet, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Martine Taelman, Louis Tobback, Hugo Vandenberghe, Myriam Vanlerberghe, Iris Van Riet, Magdeleine Willame-Boonen, Paul Wille.


Tegen

N.


Onthoudingen

N.

Ontwerp van programmawet (Stuk 2-600) (Evocatieprocedure)

Onderdeel Sociale Aangelegenheden

Artikel 14bis (nieuw)

Amendement nr. 37 van de heer Vandenberghe en mevrouw De Schamphelaere (Stuk 2-600/2)

Artikel 30

Amendement nr. 5 van de heer Vandenberghe en mevrouw De Schamphelaere (Stuk 2-600/2)

Amendement nr. 6 van de heer Vandenberghe en mevrouw De Schamphelaere (Stuk 2-600/2)

Artikel 32

Amendement nr. 7 van de heer Vandenberghe en mevrouw De Schamphelaere (Stuk 2-600/2)

Artikel 35

Amendement nr. 8 van de heer Vandenberghe en mevrouw De Schamphelaere (Stuk 2-600/2)

Artikel 36

Amendement nr. 9 van de heer Vandenberghe en mevrouw De Schamphelaere (Stuk 2-600/2)

Artikel 38

Amendement nr. 10 van de heer Vandenberghe en mevrouw De Schamphelaere (Stuk 2-600/2)

Artikel 49

Amendement nr. 14 van de heer Vandenberghe en mevrouw De Schamphelaere (Stuk 2-600/2)

Artikel 50

Amendement nr. 97 van mevrouw De Schamphelaere (Stuk 2-600/2)

Artikel 57

Amendement nr. 11 van de heer Vandenberghe (Stuk 2-600/2)

Artikel 58

Amendement nr. 12 van de heer Vandenberghe (Stuk 2-600/2)

Artikel 59

Amendement nr. 13 van de heer Vandenberghe en mevrouw De Schamphelaere (Stuk 2-600/2)

Artikel 62

Amendement nr. 15 van de heer Vandenberghe en mevrouw De Schamphelaere (Stuk 2-600/2)

Artikel 66

Amendement nr. 16 van de heer Vandenberghe en mevrouw De Schamphelaere (Stuk 2-600/2)

Amendement nr. 70 van mevrouw De Schamphelaere (Stuk 2-600/2)

Amendement nr. 72 van mevrouw De Schamphelaere (Stuk 2-600/2)

Artikel 68bis tot 68quinquies (nieuw)

Amendement nr. 71 van mevrouw De Schamphelaere (Stuk 2-600/2)