2-250

2-250

Belgische Senaat

2-250

Handelingen - Nederlandse versie

DONDERDAG 12 DECEMBER 2002 - OCHTENDVERGADERING


Waarschuwing: de blauwe kleur geeft aan dat het gaat om uit het Frans vertaalde samenvattingen.


Wetsontwerp betreffende de bijzondere opsporingsmethoden en enige andere onderzoeksmethoden (Stuk 2-1260)

Wetsontwerp tot wijziging van de wetgeving betreffende de bescherming van de goederen van personen die wegens hun lichaams- of geestestoestand geheel of gedeeltelijk onbekwaam zijn die te beheren (Stuk 2-1087) (Evocatieprocedure)

Wetsontwerp tot wijziging van de artikelen 49, tweede lid, en 52, vierde lid, van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming (Stuk 2-1223)

Wetsontwerp tot wijziging van de artikelen 285 en 285bis van het Gerechtelijk Wetboek en tot invoeging van een artikel 43septies in de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken (Stuk 2-1224)

Wetsontwerp tot wijziging van artikelen 308 en 309 van het Gerechtelijk Wetboek (Stuk 2-1261)

Regeling van de werkzaamheden


Voorzitter: de heer Armand De Decker

(De vergadering wordt geopend om 10.15 uur.)

Wetsontwerp betreffende de bijzondere opsporingsmethoden en enige andere onderzoeksmethoden (Stuk 2-1260)

Algemene bespreking

De voorzitter. - In afwachting van de komst van de rapporteur, mevrouw Taelman, geef ik het woord aan de heer Vandenberghe.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Verschillende onderzoekscommissies in Kamer en Senaat hebben, tijdens de huidige en de vorige zittijd, aangedrongen op een wettelijke regeling van de bijzondere opsporingsmethoden. De vraag naar een wettelijk kader werd in het verleden gesteld, onder meer vanuit de bendecommissies, de commissie-Dutroux en de commissie Georganiseerde Criminaliteit van de Senaat. Terzake is bijvoorbeeld het Tweede Tussentijds Verslag 1997-1998 van de Opvolgingscommissie bijzonder verrijkend.

Ook vanuit het Comité I wordt gepleit voor een wettelijke regeling voor de bijzondere opsporingstechnieken die door de Staatsveiligheid worden gehanteerd.

De bijzondere opsporingsmethoden zijn een realiteit op het terrein die al vele jaren geregeld wordt via geheime omzendbrieven uit 1990 en 1992. Een wettelijke regeling was dus een absolute noodzaak, ook en vooral gelet op artikel 8 van het EVRM en de rechtspraak van het Europese Hof Mensenrechten dat de wettelijke basis voor bijzondere opsporingstechnieken altijd heeft onderstreept. Dat nu eindelijk aan de bijzondere opsporingsmethoden een wettelijke basis wordt gegeven, kan de volledige goedkeuring van de CD&V-fractie wegdragen.

Ik wijs er echter onmiddellijk op dat de huidige aanpak voor de Vlaamse christen-democraten beter had gekaderd in een meer globale aanpak van de georganiseerde criminaliteit. De minister weet dat ik meermaals heb gepleit voor een algemene antimaffiawet. De huidige aanpak, hoe verdienstelijk ook, heeft een vertragend effect en laat andere problemen onaangeroerd. Zo blijft de vraag of de Staatsveiligheid telefoontap kan uitvoeren. In een interview met vijf procureurs des Konings in de Financieel Economische Tijd van vorige zaterdag, verklaart de nieuwe procureur des Konings van Brussel, de heer De Gryse, dat de georganiseerde criminaliteit in alle sectoren van het leven steeds verder doordringt. We slagen er dus niet in dit probleem onder controle te krijgen, integendeel, het wordt steeds groter. De aanpak via verschillende wetten is meer een soort salamipolitiek dan een coherente aanpak van de georganiseerde criminaliteit.

In dit verband heb ik tijdens de bespreking in de commissie ook gewezen op een nieuw fenomeen dat mijns inziens de volgende jaren nog aan betekenis zal winnen, namelijk de link tussen de georganiseerde, zware criminaliteit en terroristische activiteiten. Om dergelijke vormen van criminaliteit aan te pakken, is er nood aan een anticiperende overheid. Een goed doordachte antimaffiawet zou een voorbeeld kunnen zijn van het proactief optreden van de overheid, die al te vaak reactief handelt.

In verband met het voorliggende ontwerp wil ik twee grote vaststellingen doen. Een eerste betreft het evenwicht tussen de nodige rechtsbescherming en de nood aan soepelheid. Een tweede behandelt een aantal meer specifieke opmerkingen in verband met de tekst.

Mijn eerste punt is dus het evenwicht tussen rechtsbescherming en het vermijden van contrastrategieën. De nood aan een wettelijk kader is evident en kan door iedereen worden ondersteund. De parketten en politiediensten zijn vragende partij voor een duidelijke wettelijke regeling. Bijzondere opsporingmethoden houden vaak een verregaande inbreuk in op de privacy van personen en wijken vaak sterk af van de gewoonlijk gehanteerde onderzoeksprocedures. Niet zelden is de grens met een inbreuk op de rechten van de verdediging en het recht op een eerlijk proces flinterdun. De wetgever moet op dit punt dus voorzichtig zijn. Dit bleek ook duidelijk in de hoorzittingen. Het gebruiken van bijzondere opsporingstechnieken kan natuurlijk gemakkelijk aanleiding geven tot misbruiken.

Tegelijk moeten we vermijden een té gedetailleerd beschrijving te geven van de wijze waarop de opsporingsmethodes worden uitgevoerd om het uitwerken van contrastrategieën door de georganiseerde criminaliteit te voorkomen. Het uitwerken van een wet die de bijzondere opsporingstechnieken een wettelijk kader biedt, is dus steeds een moeilijke evenwichtsoefening.

In dit verband is het zeker geen overbodige luxe om onder meer bij onze noorderburen te rade te gaan en rekening te houden met de ruime praktijkervaring die zij reeds hebben opgedaan, zowel op het vlak van uitschuivers door de uitvoerende politiediensten - de minister zal zich zonder twijfel de IRT-affaire herinneren die aanleiding heeft gegeven tot de parlementaire onderzoekscommissie-Van Traa - als op het vlak van het uitwerken van een nieuwe wetgeving inzake bijzondere opsporingsmethodes.

Het evenwicht tussen beide bekommernissen is ontegensprekelijk altijd delicaat. De CD&V-fractie is van oordeel dat het ontwerp dat we vandaag bespreken in het algemeen dit evenwicht goed tracht te bereiken. Tijdens de bespreking in de commissie hebben verscheidene leden geprobeerd de tekst toch nog verder te verbeteren en evenwichtiger te maken. Op een paar punten van deze discussie zal ik nu verder ingaan met specifieke opmerkingen, die meteen ook betrekking hebben op de amendementen die we opnieuw hebben ingediend.

Ik begin met de strafuitsluitende verschoningsgrond en het recht van overheidsambtenaren en meer bepaald politiediensten om wederrechtelijke handelingen te plegen. Ik begrijp volkomen dat vermeden moet worden dat criminele organisaties gebruik kunnen maken van de zogenaamde `lakmoesproef' en dat daarom de publicatie van een lijst van toelaatbare inbreuken in het Belgisch Staatsblad bijzonder delicaat is. De minister heeft dit in de commissie trouwens herhaaldelijk onderstreept.

Toch vraag ik me af of er niet ergens een absolute grens moet zijn, los van de feiten of criminele organisaties die door de politiediensten worden onderzocht. In dit verband kunnen we denken aan het niet aantasten van de fysieke integriteit van personen. Moet de samenleving dit niet principieel als norm vastleggen, zonder de toepassing van de bijzondere methodes onmogelijk te maken?

In dit verband stelde de Raad van State trouwens vast dat het bezwaarlijk toelaatbaar lijkt dat de staat zijn eigen ambtenaren kan toestaan bepaalde soorten strafbare feiten te begaan, terwijl diezelfde staat krachtens de artikelen 2, 3 en 4 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens eenieders recht op leven moet beschermen en foltering, onmenselijke of vernederende handelingen, slavernij en dwangarbeid moet verbieden.

In deze context moeten we er ook op wijzen dat het internationaal recht inderdaad reeds absolute grenzen stelt, zoals bijvoorbeeld het verbod op foltering. Naar mijn oordeel kan hierop in geen enkel geval een uitzondering worden gemaakt en de wet kan ook niet in die zin worden gelezen, noch rechtstreeks, noch onrechtstreeks. Dit geldt echter niet voor alle mensenrechten en daarom kan eventueel toch een zekere grens overwogen worden.

Bepaalde noodsituaties waarin politieambtenaren in de praktijk toch kunnen terechtkomen en waarbij de diensten effectief geweld gebruiken, kunnen bovendien nog steeds ondervangen worden met de bestaande rechtsfiguren, zoals de wettige zelfverdediging.

In mijn uiteenzetting in de commissie heb ik als oplossing voor dit probleem gepleit voor de opheffing van de wederrechtelijkheid in plaats van te zeggen dat er geen misdrijf is.

Een tweede opmerking betreft de vereiste van proportionaliteit bij een observatie, die een verregaande inbreuk op de privacy van de burger kan uitmaken, temeer daar ze niet is aangekondigd. Volgens de huidige tekst is de proportionaliteit enkel vereist voor de observaties die gebruik maken van technische hulpmiddelen. Het lijkt ons beter ook voor de gewone observaties de proportionaliteit in de wet op te nemen. Onnodig te zeggen dat we moeten vermijden dat voor allerlei kleinere feiten systematische observaties worden georganiseerd.

Een derde aandachtspunt betreft de wettelijke basis voor de bijzondere politionele onderzoekstechnieken. De wet machtigt de Koning om daar een regeling voor uit te werken, zoals de pseudokoop, de gecontroleerde aflevering en dergelijke. Deze technieken zijn onontbeerlijk in de strijd tegen de zware criminaliteit. Dit staat trouwens duidelijk te lezen in de verslagen van de Opvolgingscommissie inzake de Georganiseerde Criminaliteit. Voor de rechtszekerheid en gelet op het verregaande karakter van de gehanteerde technieken, lijkt het ons evenwel aangewezen in de wet zelf duidelijk te omschrijven welke technieken in ons land toegelaten zijn. Dit is een materie die de wetgever niet mag overlaten aan de Koning, hij moet daarover zelf expliciet en duidelijk uitspraak doen.

Een vierde punt slaat op inkijkoperaties met het oog op het verzamelen van bewijsmateriaal. De tekst van het ontwerp maakt die mogelijk. Voor de CD&V-fractie zou de inkijkoperatie beter worden teruggeschroefd tot de eerste en de derde finaliteit. Het speurend rondkijken en het binnendringen van de woning om afluisterapparatuur te plaatsen zijn aanvaardbaar. Het verzamelen van harde bewijzen die men bij een inkijkoperatie vindt, zou uitsluitend mogen gebeuren middels een rechtsgeldig huiszoekingsbevel in aanwezigheid en met kennis van de verdachte, desgevallend in onmiddellijke navolging van de inkijkoperatie. Vanzelfsprekend is dit een afweging die de wetgever moet maken, aangezien dit het verdere verloop van het gerechtelijk onderzoek of opsporingsonderzoek sterk kan beïnvloeden.

Dit zijn de kanttekeningen die de CD&V-fractie maakt bij dit ontwerp, dat in globo evenwel onze steunt zeker verdient. Onze fractie zal evenwel rond de gemaakte punctuele opmerkingen tijdens de plenaire vergadering opnieuw amendementen indienen ten einde ze opnieuw ter discussie te stellen.

(Voorzitter: mevrouw Sabine de Bethune, eerste ondervoorzitter.)

Mevrouw Martine Taelman (VLD), rapporteur. - De commissie voor de Justitie van de Senaat heeft dit wetsontwerp besproken tijdens de vergaderingen van 15 en 22 oktober, 6 en 13 november en 10 december 2002.

Het ontwerp regelt een aantal opsporingsmethoden die als bijzonder gekenmerkt worden door het heimelijk karakter, de mogelijke inbreuk op de fundamentele grondrechten, de eventuele aantasting van het beginsel van de loyaliteit in de bewijsgaring en door het feit dat ze het recht op een billijk proces in gevaar kunnen brengen. Alhoewel de meeste methoden reeds in de praktijk worden toegepast, zijn ze voorlopig nog gebaseerd op een precaire juridische basis, namelijk circulaires. Het uitwerken van een wettelijke basis moet volgens de regering ten goede komen aan de rechten van de verdediging, aan de eisen van een billijke procesvoering en aan de verzuchtingen van de betrokkenen zoals politieambtenaren en rechtzoekenden.

Het ontwerp regelt drie methoden, te weten de observatie, de infiltratie en de informantenwerking, en legt de basis voor de technieken die worden toegepast binnen die methoden. Daarnaast worden nog vijf andere methoden omschreven die nauw aanleunen bij de opsporingsmethoden, maar die niet als bijzonder worden omschreven. Hier gaat het over de inkijkoperatie, het gericht afluisteren, het onderscheppen van post, de uitgestelde tussenkomst en het inwinnen van gegevens over bankrekeningen en banktransacties.

Sommige punten van het ontwerp lokten heel wat discussie uit. Het ging onder meer over de rol van de onderzoeksrechter in het geheel en over de kennisgeving van de bijzondere opsporingsmethoden aan de persoon op wie ze zijn toegepast.

De rode draad doorheen de tekst wordt gevormd door subsidiariteit en proportionaliteit. De methoden zijn enkel toepasbaar als de overige middelen van onderzoek niet lijken te volstaan en daarenboven moet de gebruikte maatregel in verhouding staan tot de zwaarte van het misdrijf en tot het beoogde doel. Het proportionaliteitsbeginsel en de subsidiariteitsvereiste gelden niet voor de informantenwerking. Belangrijk is ook dat er een verbod is ingesteld op provocatie. Met bewijsmiddelen verkregen door provocatie wordt geen rekening gehouden.

De permanente controle over de uitvoering van de bijzondere opsporingsmethoden op het niveau van de magistratuur ligt bij de procureur des Konings, zelfs al is er sprake van een gerechtelijk onderzoek. De procureur des Konings dient in een aantal gevallen ook de federale procureur op de hoogte te brengen. Op het niveau van de politiediensten ligt de controle bij een daartoe speciaal aangewezen officier. Achteraf is er ook steeds een post factum controle mogelijk door de raadkamer en de kamer van inbeschuldigingstelling. Politieke controle is mogelijk via de jaarverslagen. De rol van de onderzoeksrechter is zowel controlerend, gelet op de soms ernstige bedreigingen van fundamentele rechten, als puur reactief.

Het ontwerp huldigt het principe dat er in het kader van de bijzondere opsporingsmethoden geen misdrijven mogen worden gepleegd, maar bevat toch een aantal uitzonderingen op deze regel. Zo is er een strafuitsluitende verschoningsgrond ingevoerd voor politieambtenaren die zich in bepaalde omstandigheden toch genoodzaakt zien om een misdrijf te plegen. Voorts wordt er een onderscheid gemaakt tussen voorzienbare en onvoorzienbare misdrijven en kan in een aantal gevallen een rechtvaardigingsgrond worden ingeroepen.

De commissie voor de Justitie heeft verscheidene hoorzittingen gehouden, waarop ik kort zal ingaan. Voor meer details verwijs ik naar het schriftelijk verslag.

De heer Vandermeersch, onderzoeksrechter en vertegenwoordiger van de Association syndicale des magistrats, zegt dat die vereniging vragende partij is voor een wetgevend initiatief in deze materie. Niettemin ziet hij wel enkele knelpunten. Zo haalt hij onder meer de mogelijke aantasting van de persoonlijke levenssfeer aan en de discussie rond het geheime karakter van de methoden. Er zou meer transparantie moeten komen met betrekking tot het vertrouwelijke dossier. De heer Vandermeersch heeft ook problemen met de rol van de onderzoeksrechter, die volgens hem louter instrumenteel zou worden. De politie krijgt een grotere bevoegdheid toebedeeld en het parket een meer centrale rol.

De heer Quairiat, eveneens van de ASM, pleit voor een evenwichtige benadering van het geheel. Alhoewel de wetgeving zeker broodnodig is, dient er alleszins ook met andere aspecten rekening te worden gehouden, zoals de persoonlijke levenssfeer en de mensenrechten in het algemeen.

De vertegenwoordiger van de Liga voor mensenrechten, de heer Lode Van Outrive, en van de Ligue des droits de l'homme, mevrouw Maïté De Rue, laten een deels gelijklopend discours horen. Zo zegt mevrouw De Rue dat het wetsontwerp wel verwacht en gewenst is, maar beide verenigingen zien toch verschillende tekortkomingen opduiken. Ze vinden het toepassingsgebied van het ontwerp te ruim en zien een verschuiving van de rechterlijke macht naar de uitvoerende macht, waardoor onder meer de rol van de onderzoeksrechter verminderd wordt ten voordele van het parket.

De heren Thomas en De Schutter van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer merken op dat de commissie in haar adviezen steeds de voorkeur geeft aan het systeem van een onderzoeksrechter en de controlewaarborgen die deze biedt. De Commissie is in hoofdzaak ingegaan op de problemen die kunnen rijzen inzake de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de wetgeving hierrond. Ze heeft de legaliteit, de transparantie, de controleerbaarheid, de subsidiariteit en de proportionaliteit onderzocht en ter zake weinig of geen bijzondere opmerkingen gemaakt.

De heer Henry, vertegenwoordiger van de Union professionelle des magistrats, stelt dat de UPM tevreden is met dit wetsontwerp, maar dat de specifieke bepaling van artikel 47undecies van het ontwerp, dat handelt over de wettigheidscontrole, de procedure nodeloos verzwaart.

Als laatste kwamen de heren Bosquet en De Baerdemaeker van de Ordre des barreaux francophones et germanophone aan de beurt. Volgens hen brengt de tekst de normale uitoefening van de rechten van de verdediging in gevaar.

Tijdens de commissiewerkzaamheden maken verschillende leden van de Senaatscommissie opmerkingen. Alle leden zijn het er evenwel uitdrukkelijk en unaniem over eens dat een wetgevend kader dringend noodzakelijk is.

De heer Vandenberghe haalt aan dat in het verleden reeds verschillende instanties gewezen hebben op de noodzaak van een wettelijke regeling voor de bijzondere opsporingstechnieken. Ook hij is voorstander van een wettelijke regeling, aangezien dit voordelen kan bieden. Niettemin betreurt hij dat er geen algemene wetgeving inzake de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit tot stand is gekomen en dat we nu terechtkomen in een vorm van `salamiwetgeving'. Hij heeft ook vragen met betrekking tot de bewijsmiddelen en het toepassingsgebied van het ontwerp.

Ook de heer Guilbert kaart enkele problemen aan, zoals de rol van de onderzoeksrechter en de mogelijkheid dat politiemensen in een aantal gevallen misdrijven kunnen plegen. Verder doen zich volgens de heer Guilbert ook problemen voor met betrekking tot de notie van het geheim, de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de rechten van de verdediging.

Volgens de heer Mahoux balanceert men met de opgesomde technieken tussen een verbetering inzake de efficiëntie van de opsporing en het respect voor de rechten van de verdediging. Hij heeft ook opmerkingen bij de rol van de onderzoeksrechter. Hij vraagt zich af of de tussenkomst van het parket efficiënter zal zijn dan deze van de onderzoeksrechter. Hij heeft ook vragen bij het begrip `provocatie'.

Mevrouw de T' Serclaes vindt het feit dat de bijzondere opsporingsmethoden het voorwerp uitmaken van een controle door het gerecht, een belangrijk element. Zoals de andere sprekers gaat ze in op de rol van de onderzoeksrechter en op de controle op de bijzondere opsporingstechnieken, die in het ontwerp uitsluitend toevertrouwd wordt aan de procureur des Konings. Een ander probleem is volgens haar het vertrouwelijk dossier.

Mevrouw Nyssens doet opmerken dat een evenwicht moet worden gevonden tussen de efficiëntie van het opsporen van misdrijven en het respect voor de rechten van de verdediging. Ze heeft vragen bij het ruime toepassingsgebied van de wet, maar ook bij de rol van de onderzoeksrechter. Ze heeft ook bedenkingen bij de praktische toepasbaarheid van de wet en de transparantie en de tegensprekelijkheid van het geheel.

In zijn antwoord verwijst de minister van Justitie naar de parlementaire onderzoekscommissies die de noodzaak hebben onderstreept van een wettelijk kader voor de bijzondere opsporingsmethoden. Dat de strijd tegen de georganiseerde criminaliteit in aparte wetten wordt gegoten, kan worden betreurd, maar heeft niet belet dat de ontwerpen steeds op diepgaande manier werden uitgespit.

Hij merkt op dat de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer een gunstig advies heeft gegeven bij het ontwerp. De rol die de onderzoeksrechter toegewezen krijgt, is gebaseerd op het feit dat die rechter in wezen slechts reactief optreedt. Als de onderzoeksrechter de controle over de bijzondere opsporingsmethoden zou krijgen, zouden deze methoden niet meer kunnen worden aangewend in het kader van de proactieve recherche.

Inzake het toepassingsgebied zijn er volgens de minister twee ankerpunten: de wet op de voorlopige hechtenis en het Schengenakkoord. Een ander punt waarover hij duidelijkheid wil scheppen, betreft het vertrouwelijk dossier. Dit is een absolute noodzaak, gelet op het geheime karakter van de methoden. De processen-verbaal zullen dan ook maar na afsluiting van het strafdossier bij het dossier kunnen worden gevoegd. Er wordt een zeer specifieke controle ingesteld.

De minister meent dat het om verschillende redenen niet wenselijk is een limitatieve lijst op te stellen van misdrijven die door politiemensen kunnen worden gepleegd. Het is onmogelijk om elke situatie waarin een politieman kan verzeilen, te voorzien. Zo'n lijst zou het voor het criminele milieu makkelijk maken een dergelijk misdrijf uit te lokken om de politie-infiltrant te ontmaskeren.

Er worden amendementen ingediend door de heren Vandenberghe en Guilbert en door mevrouw Nyssens. Voor de artikelsgewijze bespreking verwijs ik naar het schriftelijk verslag. De commissie heeft het ontwerp ongewijzigd aangenomen met 9 stemmen bij 1 onthouding.

Tot slot een technische opmerking. In de door de Kamer aangenomen tekst, stuk 1688/015, is op pagina 13 in artikel 47undecies in de Nederlandstalige tekst een vertaalfout geslopen. Waar `regelmatigheidscontrole' staat, moet `wettigheidscontrole' staan.

Ik geef nu een aantal beschouwingen namens de VLD-fractie. Ons strafrecht dateert grotendeels uit de negentiende eeuw. Op verschillende vlakken hinken zowel het Strafwetboek als het strafprocesrecht hopeloos achter op onze hedendaagse maatschappij. Zo wordt aan de onderzoeksrechter een centrale rol toegekend in het gerechtelijk onderzoek. Nochtans is reeds geruime tijd een evolutie merkbaar. In de praktijk ligt de opsporing grotendeels bij de politie en het openbaar ministerie. Er is over de jaren heen een politionele verzelfstandiging opgetreden. Dat heeft verschillende kritieken op het strafrecht uitgelokt.

We moeten nagaan of de onderzoeksrechter nog een centrale rol dient te spelen, zeker ten aanzien van de bijzondere opsporingsmethoden. De onderzoeksrechters worden nu al overbelast, terwijl de politie evolueert van een los verband van laaggeschoolde speurders naar een modern opsporingsapparaat met goed opgeleide mensen.

Er wordt dan ook gerefereerd aan rechtsfiguren zoals de rechter-commissaris in Nederland of de Ermittlungsrichter in Duitsland, die beide veeleer de rechter van het onderzoek zijn. Het debat kan dus ruimer bekeken worden. Moet ons strafrecht niet grondig worden herzien?

De noodzaak om een wetgeving voor de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit in het leven te roepen, is belangrijk. België is wegens verschillende redenen een zeer aantrekkelijk land voor de georganiseerde misdaad: de centrale ligging in Europa, de aanwezigheid van verschillende Europese en internationale instellingen, de relatieve economische welvaart, ...

De hedendaagse maatschappij is geëvolueerd naar een risicomaatschappij die de burger niet langer 100 percent veiligheid kan garanderen. Iedereen maakt kans om het slachtoffer van een strafbaar feit te worden. Het is de taak van de overheid ervoor te zorgen dat deze kans zo klein mogelijk wordt gehouden. Een dergelijke inperking van de risico's kan met een preventief beleid. Voorkomen is nog steeds beter dan genezen. De bijzondere opsporingsmethoden kaderen ten dele in deze politieke visie, aangezien ze proactief werken.

Een efficiënte aanpak van de georganiseerde criminaliteit impliceert een proactieve recherche, anders zal men zich niet kunnen toespitsen op het criminele samenwerkingsverband of op de criminele organisatie. Bij de klassieke, gewone opsporingsmethode, wordt er alleen rekening gehouden met die éne dader die verantwoordelijk is voor de daden die men opspoort en berecht. In de criminele organisatie bevinden die geviseerde personen zich echter meestal op het laagste niveau, waardoor de leiders buiten schot blijven. De traditionele opsporingsmethoden gaan er ook veelal van uit dat de normovertreder individueel handelt en maar toevallig tot bendevorming overgaat.

Indien we niet ingaan op de vraag naar bijzondere opsporingsmethoden, zal de typische voorbereidingsfase bij de georganiseerde criminaliteit volledig aan de aandacht van het opsporingsapparaat ontsnappen omdat de wettelijke mogelijkheden tot vooronderzoek niet tot die typische fase kunnen doordringen.

De jaarverslagen inzake de georganiseerde criminaliteit tonen in ruime mate aan dat de georganiseerde criminaliteit in België voet aan grond heeft. In 2000 waren 223 onderzoeken naar criminele organisaties. Dat is minder dan de jaren voordien, maar daarvoor kunnen verschillende verklaringen zijn, onder meer een betere contrastrategie. In 23,8% van de in het jaar 2000 onderzochte dossiers was er namelijk sprake van contrastrategieën. In 2000 waren 1577 verdachten betrokken bij onderzoeken naar de georganiseerde misdaad. Het ging om misdrijven zoals illegale handel in verdovende middelen, witwassen en heling, criminaliteit ten opzichte van personen en illegale winsten. Het totaal van het onderzochte vermogensvoordeel bedroeg maar liefst 46,5 miljard frank! De strijd tegen de georganiseerde criminaliteit moet dus in de hoogste versnelling blijven.

Het ontwerp is de wettelijke bevestiging van wat reeds meer dan 10 jaar in de praktijk toegepast wordt, maar zich door omstandigheden in een grijze zone bevindt. Al jaren passen de opsporingsdiensten, politie en openbaar ministerie in België bijzondere opsporingstechnieken toe. Ze baseren zich daarvoor op twee circulaires van in het begin van de jaren negentig. Die wettelijke grond is eigenlijk maar drijfzand en biedt alle betrokkenen, zowel politie als rechtonderhorigen, onvoldoende rechtsbescherming en rechtszekerheid.

Vroeger overheerste de idee dat dergelijke methoden niet in het strafrecht moesten worden ingeschreven wegens het geheime karakter ervan. Denken we maar aan het bureau de sûreté te Parijs, dat in 1720 al gelijkaardige methoden toepaste. Gelet op de tijdsgeest van toen niet echt een voordeel...

Het beste voorbeeld van de evolutie in de ons omringende rechtsstaten is wel Nederland, omdat dat land het best met België kan worden vergeleken. Nederland heeft naar aanleiding van enkele grote schandalen rond de politiewerking ook parlementaire onderzoekscommissies opgericht. De belangrijkste is de Parlementaire Enquêtecommissie Opsporingsmethoden, beter bekend als de commissie-Van Traa, die in 1995-1996 werkte. De interessantste conclusie van deze commissie was dat de wetgever te weinig expliciete, wettelijke regels inzake de opsporing heeft uitgewerkt. Zowel wetgever als rechter hadden te gemakkelijk aangenomen dat de algemene opsporingsbevoegdheid en algemene rechtsbeginselen de bijzondere opsporingsmethoden konden normeren. Inmiddels is deze lacune weggewerkt door de wet op de bijzondere opsporingsbevoegdheden, verder de wet-BOB genoemd. Die wet is op 26 november 1998 door de Tweede Kamer aangenomen en op 1 februari 2000 in werking getreden.

Dit wetsontwerp is een gedeeltelijke omzetting, met de nodige aanpassingen, van wat onder invloed van de samenleving in de praktijk reeds bestond. De omzendbrieven regelden al de bijzondere opsporingstechnieken die ontstaan zijn uit onderzoeken naar het grootbanditisme en de hormonenhandel. Ettelijke onderzoekscommissies hebben dit thema onder de loep genomen en hebben gepleit voor een wettelijke verankering. In 1998 werd in artikel 28bis van het Wetboek van strafvordering trouwens een inleidende zin ingeschreven. Het is dus de hoogste tijd om het begrip verder in concreto uit te werken.

Het is de verdienste van de huidige minister van Justitie dat eindelijk werk gemaakt wordt van een wettelijke regeling van de bijzondere opsporingsmethoden. Dat kadert trouwens in het beleid van de regering om van de aanpak van de georganiseerde misdaad een prioriteit te maken. Ondertussen zijn zowel in Kamer als Senaat verschillende ontwerpen definitief goedgekeurd. Ik verwijs naar de wetgeving betreffende het federale parket, de anonieme getuigen, de beschermde getuigen, het afnemen van verklaringen met behulp van audiovisuele media.

In 1995 stelde de VLD al dat er nood was aan een goede omkadering van de bijzondere politietechnieken en dat er voor deze materie ook een wettelijke omschrijving moest komen. Voor alle betrokkenen, zowel de politiediensten als de rechtsonderhorigen, werd het hoog tijd dat er rechtszekerheid kwam. Mijn fractie zal het ontwerp dan ook enthousiast goedkeuren.

Mevrouw Clotilde Nyssens (CDH). - De CDH is uiteraard niet tegen het principe van een wetgeving betreffende de bijzondere opsporingsmethoden. Toch vinden we dat die technieken, gelet op de inbreuken die ze vormen op de fundamentele rechten en beginselen van onze democratische samenleving, slechts in zeer precieze situaties mogen worden aangewend en alleen wanneer het echt nodig is. Er moet overigens een strenge controle worden uitgeoefend op het gebruik van die methoden.

Ik heb met belangstelling de hoorzittingen gevolgd in de senaatscommissie voor de Justitie en ik denk dat het wetsontwerp nog altijd niet voldoende tegemoet komt aan de kritiek die de verschillende actoren hadden op de tekst. In het ontwerp worden drie soorten technieken beschreven:

1º De `bijzondere opsporingsmethoden': observatie, infiltratie en informantenwerking.

2º De `andere opsporingsmethoden': het onderscheppen van post, het gericht afluisteren, de inkijkoperatie, de uitgestelde tussenkomst en het inwinnen van gegevens over bankrekeningen en banktransacties.

3º de technieken die kunnen worden toegepast bij één van de in 1º of 2º bedoelde methoden en die bij koninklijk besluit zullen worden bepaald, zoals de pseudo-koop.

Het verschil tussen de eerste en de tweede soort technieken bestaat erin dat voor de eerste soort een vertrouwelijk dossier wordt opgesteld, terwijl voor de tweede alle stukken bij het gerechtelijk dossier worden gevoegd, dat door de partijen kan worden geraadpleegd.

De Raad van State wijst erop dat dit onderscheid dubbelzinnig is. Men had dezelfde regeling moeten uitwerken voor de methoden die op dezelfde wijze een inbreuk vormen op onze individuele vrijheden.

De Raad van State wijst er ook op dat de verwijzing naar een koninklijk besluit voor het bepalen van de technieken die de facto een inbreuk vormen op het respect voor de persoonlijke levenssfeer niet in overeenstemming is met artikel 22 van de Grondwet. Daarvoor was een wet nodig. Het feit dat deze technieken worden aangewend voor methoden die wel in een wet werden gedefinieerd, volstaat niet om de naleving van de grondwetsbepaling te verzekeren. Ik heb in de commissie een amendement ingediend om de tekst in dat opzicht te verbeteren.

Het toepassingsgebied hangt af van de gebruikte techniek.

1º Observatie zonder het gebruik van technische middelen, informantenwerking en de uitgestelde tussenkomst kunnen worden aangewend zonder een bepaalde strafrechtelijke drempel te overschrijden.

2º Observatie met gebruik van technische middelen, het onderscheppen van post en het inwinnen van bankgegevens kunnen worden aangewend voor overtredingen waarop een correctionele hoofdgevangenisstraf van een jaar of meer staat.

3º Observatie met behulp van een technisch middel dat het mogelijk maakt zicht te verwerven op of in een woning, infiltratie, inkijkoperaties en gericht afluisteren kunnen worden aangewend voor de overtredingen bedoeld in artikel 90ter, §§2 tot 3 van het Wetboek van strafvordering of de overtredingen begaan in het kader van een criminele organisatie.

Ik heb daarop de volgende opmerkingen. Observatie, zelfs zonder technische middelen, is een inmenging in de private levenssfeer en zou niet voor alle soorten overtredingen mogen worden toegepast.

Overeenkomstig de rechtspraak mag informantenwerking slechts subsidiair en uitzonderlijk worden toegepast. De Raad van State wees er overigens op dat de voorwaarden waaronder die informanten mogen deelnemen aan de rechtsbedeling in de wet moeten worden vastgelegd. Ook in dat verband heb ik een amendement ingediend.

Een hoofdgevangenisstraf van één jaar is een onaanvaardbare drempel. Observatie waarbij gebruik wordt gemaakt van technische middelen, het onderscheppen van briefwisseling en het inwinnen van bankgegevens zou moeten worden voorbehouden voor de zwaarste misdaden. In dit geval wordt het proportionaliteitsbeginsel met de voeten getreden. Dat principe werd door de parlementaire onderzoekscommissie inzake de georganiseerde criminaliteit in herinnering gebracht. Men had het toepassingsgebied niet mogen definiëren op grond van de straf, maar wel via een limitatieve opsomming van misdrijven.

De verwijzing naar de artikelen 90ter van het Wetboek van Strafvordering en 324bis van het Strafwetboek houdt wellicht evenmin steek, want de opsomming van artikel 90ter is zeer uitgebreid, te uitgebreid om het gebruik van bijzondere technieken te rechtvaardigen.

Uiteindelijk is het aanwenden van bijzondere opsporingsmethoden enkel gerechtvaardigd in de strijd tegen de zware en de georganiseerde misdaad. Dat wordt overigens erkend in de memorie van toelichting, maar de tekst zelf spreekt dat tegen.

Deze methodes kunnen zowel reactief als proactief worden gebruikt.

De discussie over de interpretatie van artikel 28bis van het Wetboek van Strafvordering, met toepassing waarvan bijzondere opsporingsmethoden kunnen worden aangewend voor proactief onderzoek, is nog niet eens gesloten en dit ontwerp doet al een zeer uitgebreid beroep op het begrip proactiviteit.

Om bijzondere opsporingstechnieken te kunnen gebruiken, moet er conform het proportionaliteitsbeginsel voldoende informatie voorhanden zijn over het bestaan of de voorbereiding van een misdrijf of informatie op grond waarvan verondersteld kan worden dat bepaalde individuen strafbare feiten plegen of zeer binnenkort zullen plegen.

Ander punt van kritiek: dit ontwerp breidt de bevoegdheden van de procureur des Konings op onevenredige wijze uit ten nadele van de onderzoeksrechter. Wij hebben daarover lang gediscussieerd in de commissie voor de Justitie. Noch bij het verlenen van de machtigingen, noch bij de controle op de toepassing van de bijzondere opsporingsmethoden wordt de rolverdeling geëerbiedigd.

De procureur des Konings die het opsporingsonderzoek leidt, mag in principe geen enkele dwangmaatregel nemen, noch de individuele vrijheden schenden. De onderzoeksrechter leidt het strafonderzoek en staat garant voor onze individuele vrijheden.

Volgens het ontwerp kan de procureur des Konings machtiging verlenen om over te gaan tot observatie, infiltratie, het onderscheppen en in beslag nemen van de post, het openen van de post in geval van ontdekking op heterdaad, de uitgestelde tussenkomst en het inwinnen van bankgegevens. In spoedgevallen mag de machtiging zelfs mondeling worden gegeven. Alleen de machtigingen voor inkijkoperaties en voor gericht afluisteren moeten door de onderzoeksrechter worden verleend.

De procureur des Konings kan dus machtiging verlenen voor handelingen die de individuele vrijheden schenden. Om het proportionaliteitsbeginsel te eerbiedigen, zou alleen de onderzoeksrechter een machtiging mogen verlenen voor observaties die langdurig zijn of waarbij technische middelen worden ingezet, voor infiltraties, voor het onderscheppen en het in beslag nemen van de post en voor het inwinnen van bankgegevens.

De procureur des Konings oefent de controle uit op de bijzondere onderzoeksmethoden, ook als zij worden toegepast in het kader van een gerechtelijk onderzoek. In dat laatste geval heeft de procureur des Konings een dubbele rol als uitvoerder en als controleur. Hier schendt het wetsontwerp mijns inziens de artikelen 55 en 56 van het Wetboek van Strafvordering die bepalen dat het gerechtelijk onderzoek onder het gezag en de leiding van de onderzoeksrechter wordt gevoerd. Ik verwijs hiervoor naar tal van amendementen van collega's alsook naar mijn eigen amendementen 6 en 8.

Het verbod op politieprovocatie zoals omschreven in de rechtsleer en de rechtspraak wordt niet uitdrukkelijk in het ontwerp vermeld. Ook de gevolgen van de politieprovocatie worden onvoldoende geëxpliciteerd, met name de onontvankelijkheid van de vervolging van de delinquent. Omdat de dossiers vertrouwelijk zijn, kan de delinquent overigens moeilijk aantonen dat er geprovoceerd werd.

Ander punt van kritiek: het ontwerp machtigt de politieambtenaren om strafbare feiten te plegen in het kader van een bijzondere opsporingsmethode.

Een voorafgaande opmerking: infiltratie veronderstelt dat de politieagent een misdrijf pleegt, zoals het aannemen van een valse identiteit. Het wetsontwerp gaat echter veel verder: politieagenten krijgen de toestemming om, onder bepaalde voorwaarden, misdrijven te plegen bij het gebruik van om het even welke bijzondere opsporingsmethode, zoals observatie of het contact met informanten.

Verder zijn er geen beperkingen voor de toegelaten misdrijven, behalve dat er evenredigheid moet bestaan tussen het gepleegde misdrijf en het nagestreefde doel. Het zou beter zijn geweest om minstens een negatieve lijst op te stellen met alle misdrijven die een politieagent nooit mag begaan, zoals de vrijwillige aantasting van de fysieke integriteit van een persoon. Op dit punt werden verschillende amendementen ingediend en ik begrijp niet waarom ze werden verworpen. Het minste wat men in een democratie kan doen, is aan politieagenten beperkingen op te leggen inzake de misdrijven die ze mogen plegen, zelfs binnen het kader van de bijzondere opsporingsmethoden.

Het ontwerp slaagt er niet in een evenwicht te vinden tussen de veiligheid van politieagenten die een bijzondere opsporingsmethode toepassen enerzijds en het respect voor de rechten van de verdediging anderzijds. Zo vormt het vertrouwelijk dossier, dat de vervolgde partij niet mag inzien, een schending van het recht op een eerlijk proces, zoals vervat in het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.

Het ontwerp bepaalt onder andere dat politieagenten om hun eigen veiligheid te beschermen, mogen nalaten een proces-verbaal op te stellen. Hierdoor dreigt het gerechtelijk dossier dat de verdediging ter inzage krijgt, onvolledig te zijn.

De drie criteria die het Europees Hof voor de rechten van de mens vooropstelt om het gebruik van anonieme getuigen te rechtvaardigen, zouden moeten worden toegepast om het gebruik van vertrouwelijke dossiers te rechtvaardigen. Die criteria zijn de volgende: 1º er moeten relevante en voldoende redenen aanwezig zijn om een dergelijk dossier aan te leggen; 2º het moet zo zijn dat een veroordeling niet uitsluitend kan steunen op elementen die het voorwerp hebben uitgemaakt van een tegensprekelijk debat; 3º mechanismen moeten worden ingesteld ter compensatie van de moeilijkheden waarop de verdediging vanwege de vertrouwelijke aard van sommige elementen is gestoten. Het ontwerp bevat geen enkele compensatie voor de moeilijkheden die voortvloeien uit de afwezigheid van processen-verbaal. De rechten van de verdediging zullen niet verzekerd zijn aangezien de rechter kennis zal hebben van elementen waartoe de verdachte geen toegang heeft.

Bovendien zal de rechter ten gronde nooit kunnen nagaan of de procedure werd gevolgd aangezien hij de vertrouwelijke verslagen, die in handen van de procureur des Konings blijven, niet kan inzien. De onderzoeksrechter kan ze wel inzien, maar hij kan geen wijzigingen aanbrengen.

Kortom, mijn fractie steunt de basisidee van dit ontwerp, maar heeft toch meerdere opmerkingen.

1.Het ontwerp houdt een onevenredige schending in van enkele fundamentele rechten en individuele vrijheden, zoals de tegenspraak, de rechten van de verdediging, het recht op een eerlijk proces en het principe van het respect voor de persoonlijke levenssfeer.

2.Het ontwerp houdt een ongerechtvaardigde veralgemening van de proactiviteit in.

3.De procureur des Konings krijgt te veel macht, ten nadele van de onderzoeksrechter.

4.Het probleem van de provocatie door de politie, dat onlosmakelijk verbonden is met de bijzondere opsporingsmethoden, wordt niet afdoende geregeld.

5.De mogelijkheid voor politieagenten om misdrijven te plegen in het kader van een bijzondere opsporingsmethode wordt niet met voldoende precisie en de nodige zorgvuldigheid omschreven.

6.Te veel misdrijven komen in aanmerking voor bijzondere opsporingsmethoden.

7.De controle op de uitoefening van deze methoden zorgt voor problemen.

Mijn fractie zal zich bij de stemming dan ook onthouden.

De heer Michel Guilbert (ECOLO). - Wij betwisten niet dat er een wettelijke regeling moet komen voor de bijzondere opsporingstechnieken die de politie aanwendt in de strijd tegen de zware criminaliteit. Integendeel, wij zijn vragende partij. De georganiseerde misdaad is steeds beter georganiseerd en moet met aangepaste middelen worden bestreden.

Er moeten echter dringend regels worden vastgelegd, zodat de politie wettelijk en in een duidelijk afgelijnd kader kan optreden. In de memorie van toelichting herinnert de minister er overigens aan dat de meeste onderzoeksmethoden reeds in de praktijk worden toegepast, zij het op een precaire juridische basis.

Het wetsvoorstel breidt het toepassingsgebied van deze methoden echter te sterk uit. In de plaats van duidelijkheid krijgen we vaagheid.

Sinds 11 september hebben verschillende landen hun wetgeving verstrakt om zich beter tegen het terrorisme te kunnen wapenen. Onder dit voorwendsel worden echter grenzen overschreden en individuele vrijheden bedreigd.

Ook anderen zijn ongerust over dit ontwerp.

Zo heeft de orde van Franstalige en Duitstalige balies het over een tekst die de vrijheid op een nooit eerder geziene wijze verkracht. De orde vreest dat de deur wordt opengezet voor een politiestaat. De kritiek is dus bijzonder hard.

De orde hekelt het feit dat de macht van de politie sterk toeneemt en dat ze alleen nog door het parket wordt gecontroleerd, dat politieambtenaren in bepaalde omstandigheden strafbare feiten mogen begaan, dat de macht van de onderzoeksrechter met betrekking tot de eerbiediging van de grondwettelijke rechten en meer bepaald de privacy aanzienlijk wordt ingeperkt, dat niet in nietigheden of sancties wordt voorzien, dat de controle door de onderzoeksrechters op het gerechtelijk onderzoek aanzienlijk afneemt en, ten slotte, dat de rechten van de verdediging in het gedrang komen.

De orde denkt dat deze methoden gebruikt kunnen worden voor welk misdrijf dan ook en dat bepaalde wijken of steden gecriminaliseerd dreigen te worden.

De Association syndicale des Magistrats uitte gelijkaardige bezwaren. De vereniging had het over een onterechte uitbreiding van de proactiviteit, de gebrekkige gerechtelijke controle, de marginalisering van de rol van de onderzoeksrechter en de afwezigheid van sancties voor hen die de regels niet respecteren.

De ASM wijst erop dat het ontwerp afwijkt van artikel 28bis van het Wetboek van strafvordering dat het pro-actief onderzoek definieert en volgens hetwelk geen inbreuk mag worden gepleegd op de individuele rechten en vrijheden, behoudens afwijkingen. Het pro-actief onderzoek en de daarvoor toegepaste methoden moeten beperkt blijven tot duidelijk omschreven en controleerbare hypothesen, wat in het ontwerp ontbreekt.

De voorwaarde voor de instelling van een pro-actief onderzoek, namelijk de dreiging of de bijna zekerheid dat een misdrijf zal worden gepleegd, staat niet in het ontwerp, waaruit de ASM concludeert dat het niet meer gaat om technieken van gerechtelijke politie, maar om het inwinnen van inlichtingen. Gezien de verwijzing naar het weinig restrictieve artikel 90ter is het toepassingsveld van deze methoden overigens te ruim.

In een tekst die in de commissie werd rondgedeeld, zegt Emmanuel Berger, onderzoeker aan het Centre d'Histoire du Droit et de la Justice, dat dit wetsontwerp niet meer of niet minder de rechterlijke macht naar de uitvoerende macht laat afglijden, dat het betwistbare praktijken op het terrein legaliseert, de macht van de procureur aanzienlijk versterkt en de geheimhouding ondersteunt.

Ook de Raad van State was erg kritisch, evenals de Liga voor Mensenrechten en de Ligue des Droits de l'Homme, die uiting hebben gegeven aan hun ongerustheid ten aanzien van de eerbiediging van de fundamentele rechten, bezorgd zijn over de banalisering van technieken die een uitzondering zouden moeten blijven, betreuren dat het toepassingsgebied veel verder reikt dan wat de ministeriële circulaires op dit ogenblik toestaan en vaststellen dat de politie nu al de neiging vertoont die methoden te gebruiken voor minder belangrijke misdrijven. Ze vinden dan ook dat bepaald moet worden welke misdrijven met deze methoden kunnen worden bestreden.

De Liga's voor Mensenrechten hekelen ook de marginalisering aan van de rol van de onderzoeksrechter en de inbreuken op de eerlijke procesvoering en op de privacy. De Franstalige liga gaat zelfs zover te zeggen dat de democratie in gevaar is.

We zijn het eens met de Ligue des Droits de l'Homme dat het debat ook aandacht had moeten schenken aan de individuele vrijheden die onze maatschappij wil opofferen voor de strijd tegen de georganiseerde criminaliteit.

De kern van de zaak is immers of deze methoden verenigbaar zijn met de eisen van een justitie in een rechtsstaat, namelijk de eerbied voor de waardigheid van de personen, het loyaliteitsprincipe, de eerbied voor de privacy, de zoektocht naar de waarheid door middel van de tegenspraak?

Deze bijzondere opsporingsmethoden tasten een aantal principes aan waarop de procedure van strafvordering berust: het legaliteitsprincipe, het principe volgens hetwelk het misdrijf het optreden van de gerechtelijke politie wettigt, de openbaarheid, de tegenspraak die hier wordt beknot door het behoud van het geheim tot in de fase van tegenspraak, het loyaliteitsprincipe in de bewijsvoering.

We zouden dit alles kunnen aanvaarden in de strijd tegen de georganiseerde criminaliteit en de bendevorming. Dit ontwerp is echter zo ruim dat gevreesd kan worden voor de eerbiediging van de privacy, het recht op veiligheid en op een billijk proces.

We hebben ook problemen met de rol van de onderzoeksrechter die herleid wordt tot een notaris of een rapporteur, en met het de geheimhouding die de rechten van de verdediging beknot: hoe kan het recht op tegenspraak worden gewaarborgd als de elementen van het dossier geheim blijven? Andere problemen zijn dat de onderzoekers strafbare feiten kunnen begaan die vooraf gedekt zijn door de procureur, ook bij observatie, en ten slotte het gebrek aan duidelijkheid bij de concrete uitwerking van deze technieken.

Om de tekst opnieuw in evenwicht te brengen en afwijkingen bij de toepassing ervan te vermijden, hebben we 27 amendementen ingediend. U hebt ze allemaal verworpen omdat u ze ongegrond achtte. De tekst is nochtans veel te vaag. Daarom verwachten wij dat u ons duidelijkheid verschaft, mijnheer de minister.

Er zijn heel wat vragen, maar ik zal me beperken tot twee essentiële punten die duidelijk moeten worden afgebakend: het toepassingsveld van de methoden en de rol van de onderzoeksrechter.

Ten eerste, het toepassingsveld. Het beginpunt van het onderzoek is vrij vaag, het hoeft zelfs niet om een strafbaar feit te gaan. Het risico op afwijkingen en op willekeur is ongetwijfeld aanwezig en het valt te vrezen dat de technieken soms als doel op zich zullen worden gebruikt in plaats van als middel om misdrijven tegen te gaan.

De grens van een jaar opsluiting of de verwijzing naar artikel 90ter zijn onaanvaardbaar. Het evenredigheidsprincipe, dat deel uitmaakt van elke reglementering inzake bijzondere opsporingsmethoden, is geschonden. Dergelijke methoden moeten worden voorbehouden voor de zwaarste feiten. De opvolgingscommissie inzake de georganiseerde criminaliteit heeft daar overigens op aangedrongen.

Het toepassingsveld moet strikt worden omschreven door middel van een opsomming van de strafbare feiten die het gebruik van deze methoden wettigen. Zullen ze weldra worden gebruikt door politieagenten die twee jongeren op een parking zien rondwandelen en vermoeden dat het om potentiële dieven van autoradio's gaat? De gevallen waarin deze methoden worden toegepast moeten duidelijk worden omschreven om te vermijden dat de politiediensten informatie inwinnen onder het mom van een gerechtelijk onderzoek.

Het tweede punt betreft de rol van de onderzoeksrechter. Damien Vandermeersch verklaarde in de commissie dat de onderzoeksrechter nog enkel als alibi zal dienen. De bijzondere methoden zijn niet uitsluitend bestemd voor proactieve recherche - men had kunnen eisen dat het criminele karakter van de feiten moet worden aangetoond -, er kunnen misdrijven zijn gepleegd en personen worden verdacht en bijgevolg kan de onderzoeksrechter een onderzoek gelasten waarbij bijzondere methoden worden gebruikt. Door dit ontwerp wordt hij onrechtmatig buiten spel gezet.

Het feit dat hij verslag moet uitbrengen bij de Raadkamer, zoals bepaald in artikel 47undecies, zonder de geringste onderzoeksdaad te mogen stellen, is een verarming van de rol van de onderzoeksrechter. In feite kan hij de regelmatigheid van het onderzoek niet waarborgen. Waarom moet hij verslag uitbrengen over een dossier dat hij niet heeft behandeld?

Hoe kan de onderzoeksrechter de wettelijkheid van een onderzoek waarborgen als hij geen enkele controle heeft over het gebruik van bijzondere opsporingsmethoden? Kan de huidige verdeling niet worden gehandhaafd tussen de functie van de onderzoeksrechter, die per definitie onafhankelijk is, en die van de procureur, die partij is bij het proces?

Mijnheer de minister, uw antwoord zal de doorslag geven bij het bepalen van ons standpunt ten opzichte van deze tekst. Ik herhaal dat wij een wettelijk kader onontbeerlijk vinden, maar wij maken ons zorgen over de toepassing ervan en over het eerbiedigen van de rechtsstaat.

Mevrouw Meryem Kaçar (AGALEV). - Dit ontwerp kadert in de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit. In het regeerakkoord van 1999 heeft de regering zich voorgenomen de strijd tegen deze vorm van criminaliteit als een prioriteit te beschouwen. Ook de Groenen hebben hun medewerking hieraan verleend en zullen dat blijven doen, want deze kwaal hoort niet thuis in een democratische samenleving.

Het wetsontwerp geeft de bijzondere opsporingsmethoden een wettelijke basis. Dat is een aanzienlijke en noodzakelijke verbetering ten opzichte van de huidige praktijk waarbij het aanwenden van deze technieken een schijnlegitimiteit krijgt via door het publiek onbekende schimmige omzendbrieven en waarbij elke democratische en juridische controle ver te zoeken is. Een reglementering was ook nodig op basis van de rechten van de verdediging. Het siert de regering en de minister van Justitie dan ook dat ze daarvan werk hebben gemaakt, op aansporing van de verschillende parlementaire onderzoekscommissies. Positief in het wetsontwerp is dat uitlokking of provocatie verboden blijft, overeenkomstig de rechtspraak van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens, hoewel dat niet expliciet werd vermeld en de burgerinfiltratie daar niet in voorkomt omwille van het gevaar dat ermee verbonden is.

Het debat over de bijzondere opsporingsmethoden, zoals observatie, inkijkoperatie, direct afluisteren, onderscheppen en lezen van de post, leidt ook de discussie in over de eerbiediging van sommige fundamentele rechten en vrijheden, zoals het recht op de eerbiediging van het privé-leven en de rechten van de verdediging. Er moet een delicaat evenwicht worden gevonden tussen, enerzijds, de noodwendigheden van een efficiënte misdaadbestrijding waarvoor een goed uitgerust bestuur nodig is en, anderzijds, het respect voor de fundamentele rechten in een democratische samenleving.

De groene fractie is dan ook op haar hoede als ze een inperking of uitholling van deze rechten opmerkt, ook al gaat het om de efficiëntie van de misdaadbestrijding. Die rechten zijn zo fundamenteel dat inbreuken erop evenredig moeten zijn met het beoogde doel, namelijk de aanpak van de georganiseerde criminaliteit, en dat een onafhankelijke controle moet worden gehouden.

De strafbare feiten die een politiefunctionaris zou begaan tijdens een opdracht of waarvoor de procureur een machtiging zou verlenen, mogen niet ernstiger zijn dan de feiten die men via de bijzondere opsporingsmethoden tracht te achterhalen. De evenredigheid met het beoogde doel moet steeds voor ogen worden gehouden.

Ik wil het in het bijzonder nog hebben over de privacy en de rechten van de verdediging. Alle maatregelen waarin het wetsontwerp voorziet, zijn ingrijpend voor het privé-leven van de burgers. Volgens ons strafrecht ziet de onderzoeksrechter als onafhankelijke instantie toe op mogelijke inbreuken hierop. Voorliggend ontwerp bepaalt dat voor sommige onderzoeksmethodes de onderzoeksrechter machtiging geeft, terwijl voor andere alleen de procureur des Konings die machtiging mag verlenen. Op die wijze verschuift de uitoefening van de juridische controle op de eerbiediging van het recht op privacy van de onderzoeksrechter naar de procureur des Konings. Wij hadden liever gehad dat, overeenkomstig de wet-Franchimont, alleen de onderzoeksrechter bevoegd gebleven was voor de controle op alle bijzondere opsporingsmethoden die een inbreuk vormen op dat recht.

Wat de rechten van verdediging betreft, zitten we in de context van de bijzondere opsporingsmethodes met een vertrouwelijk dossier, waarin alle vertrouwelijke verslagen worden opgenomen en dat noch voor de verdediging, noch voor de feitenrechter toegankelijk is. Zelfs de onderzoeksrechter heeft geen vat op het vertrouwelijk dossier omdat hij de elementen daarin niet mag gebruiken. Wij blijven bezorgd over het feit dat het recht op een tegensprekelijk debat wel eens in het gedrang zou kunnen komen omdat de verdediging niet alle stukken heeft of niet alle informatie kent. De andere kant van de medaille is dat de feitenrechter wel eens het proces ongedaan kan maken omwille van het onrechtmatig gebruik van de bijzondere opsporingsmethoden en zelfs een technische vrijspraak kan uitspreken. Ook de informantenwerking verdient onze waakzaamheid, aangezien deze bijzondere opsporingsmethode niet beperkt wordt door het proportionaliteitsbeginsel, noch door het subsidiariteitsbeginsel.

Het gebruik van bijzondere opsporingsmethodes dient alleen in subsidiaire orde gebruikt te worden voor de zware georganiseerde criminaliteit en zeker niet om enkel gegevens omtrent een persoon te verzamelen en te stockeren, zoals bij de operatie- Rebel in het verleden, omdat in een democratische samenleving de bescherming van de fundamentele rechten en vrijheden, zoals het recht op privacy en de rechten van verdediging, niet zomaar kunnen ingeperkt worden of het voorwerp kunnen uitmaken van een inbreuk.

Recherchemanagement kan niet tot in het absolute doorgetrokken worden zonder juridische controle daarop. Daarom is dit wetsontwerp noodzakelijk. De Agalev-fractie zal het goedkeuren, maar met inachtneming van een gezonde dosis waakzaamheid.

De heer Philippe Mahoux (PS). - Ik kom niet terug op alles wat over dit wetsontwerp al werd gezegd. In de debatten in de commissie is ons voorbehoud met betrekking tot de rechten van de verdediging, de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en de toepassing van de evenredigheidsregel duidelijk tot uiting gekomen. We hebben de antwoorden van de minister gehoord. We hebben veel preciseringen gekregen. We hebben ook rekening gehouden met het werk van onze collega's van de Kamer.

Het is van fundamenteel belang dat de controle op de toepassing van deze wet wordt verzekerd. De recente gebeurtenissen hebben aangetoond dat, als er geen interne controles worden uitgevoerd, het gevaar bestaat dat sommigen zich het recht toe-eigenen om die controles zelf uit te oefenen. Ik dring er dan ook op aan dat, wat de dagelijkse toepassing van deze wet betreft, alles in het werk wordt gesteld om de grote criminaliteit efficiënter te bestrijden. Dat lijkt mij essentieel, maar ook het respect voor de regels van de democratie en de rechtsstaat moeten worden verzekerd, waaronder de rechten van de verdediging en de persoonlijke levenssfeer.

De heer Marc Verwilghen, minister van Justitie. - Dit debat toont aan hoe gevoelig een materie als de bijzondere opsporingsmethodes ligt. Dat lijkt mij ook volkomen normaal want het voorliggend ontwerp regelt een aantal opsporingsmethodes die als bijzonder worden aangezien door hun heimelijk karakter, door het feit dat ze betrekking hebben op fundamentele rechten, doordat ze betrekking hebben op het beginsel van de loyaliteit in de bewijsgaring en door de mogelijke aantasting van de rechten op een billijk proces.

Het regeringsbeleid voorziet in een globale aanpak van de georganiseerde criminaliteit en van het zware banditisme. Mijnheer Vandenberghe, we hebben al meer dan eens spreekwoordelijk de degens gekruist, wanneer we het hadden over de wijze van aanpak. Bij de regering heeft de klemtoon altijd gelegen op het bekomen van meer en kwalitatief beter bewijs in strafzaken, maar telkens met inachtneming van de rechten van verdediging.

Er werd gepleit voor een globale antimaffiawet. Wij hebben echter geopteerd voor een stapsgewijze invulling, onder meer door de wet op de anonieme getuigen. Ik verwijs ook naar het verslag, dat verschillende andere wetgevingen opsomt, zoals de bescherming van bedreigde getuigen, het gebruik van audiovisuele middelen, de inbeslagname en de verbeurdverklaring in strafzaken en de mogelijkheid om de bewijslast te verdelen. Het zijn stuk voor stuk etappes die daarin kunnen thuishoren. U bent terecht nog verder gegaan. Er zijn inderdaad nog een aantal andere zaken die mijns inziens ook dringend moeten geregeld worden. U stelde bijvoorbeeld dat de Staatsveiligheid ook over de administratieve tap zou moeten beschikken. Ik denk dat U gelijk hebt en dat die materie kan thuishoren in een antimaffiawet.

De politieke realiteit heeft ons evenwel geleerd dat het niet altijd eenvoudig is om een grote constructie tot stand te brengen en dat het aantal weerstanden die daardoor worden opgeroepen eigenlijk nog toenemen.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Ik twijfel niet aan het goede inzicht van de minister. Als ik echter zie welke programmawet de regering indient en als ik als antwoord krijg dat het onmogelijk is om grote constructies met alle regelingen door het parlement te krijgen en ik moet mij tijdens de kerst- en nieuwjaarsdagen door de programmawet worstelen, dan vind ik dat toch enigszins ongeloofwaardig.

De heer Marc Verwilghen, minister van Justitie. - Ik ben geen voorstander van programmawetten. Ik kan me trouwens nauwelijks inbeelden dat men bijvoorbeeld een grote antimaffiawet in een programmawet zou opnemen. Op dat vlak zitten we op dezelfde golflengte.

Dit ontwerp regelt een aantal onderzoeksmethoden die eigenlijk niet zo nieuw zijn, want ze worden in de praktijk al toegepast. Naar aanleiding van verschillende parlementaire onderzoekscommissies is evenwel gebleken op welke precaire basis dat is gebeurd.

De ministeriële omzendbrieven van 24 april 1990 en 5 maart 1992 zijn onvoldoende als wettelijke basis.

Zowel de rechtsleer, de rechtspraak als diverse parlementaire onderzoekscommissies hebben aangetoond dat er op dit vlak ondoorzichtigheid en onzekerheid was. Een wettelijk karakter zorgt voor een ondubbelzinnige normering, meer transparantie en een duidelijkere controle.

Het overheidsoptreden dat wordt waargenomen door de procureur des Konings, via de parketten, de onderzoeksrechter en de politie, krijgt een solide basis. De controlemechanismen, de operationele uitwerking van de opsporingen, de rapportage, de nauwkeurige beschrijving van het plegen van misdrijven tijdens de uitvoering en het toezicht op de onderzoeksverrichtingen nemen het wantrouwen om dergelijke technieken toe te passen in de praktijk voor een stuk weg.

Niet alleen de rechten op de verdediging en de eisen van een billijke procesvoering zullen daarmee gebaat zijn, maar er wordt ook tegemoetgekomen aan de verzuchtingen van de politie-ambtenaren die alle belang hebben bij een duidelijk wettelijk kader. Dit wetgevende initiatief is alleszins een stap in die richting.

Ik wil nog even terugkomen op bepaalde problemen die door mevrouw Nyssens en de heer Guilbert werden aangehaald.

Aangezien de in het ontwerp geregelde methoden een inbreuk kunnen vormen op de fundamentele rechten, wensten sommigen de aanwending ervan uitsluitend toe te vertrouwen aan de onderzoeksrechter. De onderzoeksrechter treedt echter alleen in de reactieve fase op. Die keuze hebben we in 1998 bij de invoering van de wet-Franchimont bewust gemaakt. Dat standpunt impliceert echter dat de bewuste methoden niet mogelijk zouden zijn in het kader van de pro-actieve recherche, die evenwel bijdraagt tot een betere preventie en dus tot bemoedigende resultaten in het kader van de onderzoeken die we voeren.

Daarom staan in de tekst een aantal compromissen, zoals bijvoorbeeld artikel 16 van het ontwerp, dat artikel 28septies van het Wetboek van strafvordering aanvult.

Ik begrijp ook dat sommigen zich vragen stellen over het toepassingsgebied van de bijzondere opsporingsmethoden. De precedenten die op dat gebied bestaan, zouden een geruststelling moeten zijn voor wie zich daarover zorgen maakt.

Wat de opmerking van de heer Guilbert over de wet op de voorlopige hechtenis betreft, vraag ik mij af wat voor iemand erger kan zijn dan hem van zijn vrijheid te beroven. We kennen die wet in haar huidige vorm al sinds 1990. Ze heeft haar doelstellingen bereikt, al is kritiek op een aantal punten mogelijk.

Ook de Schengenakkoorden nemen dezelfde basisteksten over en werken volgens dezelfde methoden.

Mevrouw Clotilde Nyssens (CDH). - U legt veel nadruk op de wet op de voorlopige hechtenis.

U zegt dat ze bewijst dat ze haar doelstellingen heeft bereikt. Ik hoor echter vaak dat dit niet het geval is en dat die wet, over het algemeen, te vaak wordt gebruikt. Heeft de wetgever een slechte keuze gemaakt of gebruiken de magistraten de wet verkeerd? Elke dag hoor je zeggen dat de doelstelling niet bereikt wordt.

De heer Marc Verwilghen, minister van Justitie. - In 1509 zei Erasmus al dat de rechtspraak de moeilijkste wetenschap is omdat ze de ene verklaring na de andere geeft en dat de toepassing van die verklaringen voor nog meer problemen zorgt.

De wet op de voorlopige hechtenis heeft de verdienste dat ze bestaat. Ik weet echter dat er kritiek op wordt gegeven en dat sommigen vinden dat ze te ruim wordt toegepast.

De wet op de voorlopige hechtenis en de Schengenakkoorden, die door tal van Europese landen moeten worden toegepast, bieden ons een houvast.

We mogen ook niet vergeten dat we werken volgens het principe van de subsidiariteit en de evenredigheid. Die twee sleutelbegrippen zullen ervoor zorgen dat de bewuste methoden niet geregeld zullen worden toegepast en dat de reactie van het gerecht evenredig is met de ernst van de feiten.

Ik kom nu tot de kennisgeving van de bijzondere opsporingsmethoden aan de persoon die er het voorwerp van is, om de legitimiteit ervan te kunnen controleren. Er rijst meer bepaald een probleem als dergelijke methoden worden gebruikt in het kader van een opsporingsonderzoek dat later wordt geseponeerd. Een laattijdige kennisgeving zou de hervatting van de onderzoeken definitief kunnen bezwaren aangezien een seponering tijdelijk is zolang de strafvordering niet vervallen is.

Nadat de nodige amendementen waren ingediend, heeft de Kamercommissie voor de Justitie uiteindelijk een aanvaardbare tekst goedgekeurd die bruikbaar is op het terrein. Ik ben er dus, net als de heer Mahoux, van overtuigd dat deze zaak grondig werd behandeld.

De controle van de geseponeerde dossiers waarin bijzondere opsporingsmethoden werden gebruikt, is altijd verzekerd door de hiërarchie van het openbaar ministerie, in casu door de procureur-generaal. Er is echter ook voorzien in een politieke controle, want er moeten een aantal statistische gegevens worden opgenomen in de jaarlijkse verslagen van het College van procureurs-generaal en van de federale procureur. In dat kader is het overigens niet meer nodig voor de raadkamer te verschijnen na afloop van een onderzoek waarvoor een beroep werd gedaan op informanten.

Het ontwerp regelt drie methodes: de observatie, de infiltratie en de informantenwerking. De basis wordt gelegd voor de technieken die bij deze methodes worden toegepast. Een aantal aanverwante, reeds gedeeltelijk in de praktijk door oneigenlijk gebruik bestaande rechtsfiguren, worden eveneens als bijzonder aangemerkt, onder meer de inkijkoperatie, het gericht afluisteren, het onderscheppen van de post, de uitgestelde tussenkomst en het inwinnen van gegevens over bankrekeningen en banktransacties. Ik zal hier niet dieper op ingaan, maar om elk misverstand te vermijden wil ik er wel op wijzen dat deze methodes uitsluitend een gerechtelijke finaliteit hebben en dus alleen mogen aangewend worden door politieambtenaren die op de koop toe onder permanente controle staan van de magistratuur.

De rode draad doorheen de tekst is er een van subsidiariteit en proportionaliteit. Als de overige middelen van onderzoek niet lijken te volstaan zal men dit middel aanwenden. Het strafrechtelijke feit waaromtrent men het bewijs poogt te verkrijgen moet voldoen aan een bepaald strafminimum of moet een welbepaalde strafrechtelijke kwalificatie hebben, anders kan men de methode niet toepassen.

De permanente controle over de uitvoering van de bijzondere opsporingsmethoden ligt op het niveau van de magistratuur bij de procureur des Konings, ook als ze werd bevolen door de onderzoeksrechter. Ik weet dat een aantal onderzoeksrechters het daar niet makkelijk mee hebben. In geval van gerechtelijk onderzoek beslist de onderzoeksrechter zelf welke methode hij beveelt, wijzigt of stopzet. Ook hij oefent controle uit op de uitvoering van deze methode van zodra zijn ambt is gevat. Niettemin blijft ook in dat geval de procureur des Konings zijn bevoegdheid van controle behouden. In wezen onstaat hier dus een dubbele controle.

De machtigingen in dit verband, verleend door de onderzoeksrechter, worden trouwens door de procureur des Konings ten uitvoer gelegd. Dat gebeurt nu ook. Een aanhouding gebeurt niet op instructie van de onderzoeksrechter, maar van de procureur des Konings.

Het vertrouwelijke dossier heeft aanleiding gegeven tot een misverstand. Sommigen denken dat een vertrouwelijk dossier hetzelfde is als een geheim dossier. Dat is helemaal niet zo. De vertrouwelijkheid bestaat erin dat bepaalde gegevens die betrekking hebben op personen en methodes, worden afgeschermd. Alle andere informatie stroomt door naar het strafdossier. De rechten van de verdediging kunnen op die manier niet worden geschonden.

Met betrekking tot het gebruik van bijzondere opsporingsmethoden, zijn er voldoende controlemechanismen in het wetsontwerp opgenomen.

Op het niveau van de politiediensten, meer bepaald binnen de gedeconcentreerde gerechtelijke dienst, ligt de controle over de uitvoering van de bijzondere opsporingsmethoden bij een officier die daartoe is aangewezen door de directeur-generaal van de algemene directie van de gerechtelijke politie, na advies van de procureur des Konings.

Een gerechtelijke controle post factum, en dan nog naar aanleiding van een kennisname van het dossier binnen de door het Wetboek van strafvordering reeds voorziene omstandigheden, kan gebeuren door de raadkamer en de kamer van inbeschuldigingstelling.

Het ontwerp bepaalt tevens dat, wanneer bijzondere opsporingsmethoden worden toegepast in zijn arrondissement, de procureur des Konings de federale procureur daarvan moet inlichten, en omgekeerd.

Artikel 47quater van het Wetboek van strafvordering verbiedt de politieprovocatie. Een politieambtenaar mag geen bijzondere opsporingsmethoden gebruiken om een verdachte ertoe te brengen strafbare feiten te plegen die hij niet zinnens was te plegen. Elke afwijking van deze regel zal de onontvankelijkheid van de strafvordering met betrekking tot het uitgelokte feit met zich brengen.

Het ontwerp wil klaarheid scheppen in de kwestie van strafbare feiten die worden gepleegd bij de toepassing van bijzondere opsporingsmethoden. Artikel 47quinquies van het Wetboek van strafvordering bepaalt dat bij de toepassing van de bijzondere opsporingsmethoden geen strafbare feiten mogen worden gepleegd, maar er wordt voorzien in een aantal uitzonderingen.

Wanneer ondanks alles toch strafbare feiten worden gepleegd, wordt onder bepaalde omstandigheden een verschonende en strafuitsluitende verschoningsgrond ingeroepen.

Strikt noodzakelijke feiten, die voorzienbaar zijn en die in evenredigheid staan tot het nagestreefde doel, kunnen worden begaan met voorafgaande toestemming van de procureur des Konings. Magistraten die een machtiging verlenen genieten eveneens van de vernietiging van het strafbaar karakter. De niet-voorzienbare strafbare feiten vallen onder hetzelfde regime als de procureur des Konings onverwijld op de hoogte word gebracht en hij van oordeel is dat zij hiervoor in aanmerking komen. Ten slotte wordt ook in een rechtvaardigingsgrond voorzien. Zo wordt aan de minister van Justitie en aan de minister van Binnenlandse Zaken toegestaan dat zij bijzondere organisatorische maatregelen nemen die strikt noodzakelijk zijn om de afscherming van de identiteit en de veiligheid van de politieambtenaren te garanderen bij de voorbereiding en de uitvoering van hun opdracht. Onder deze maatregelen sorteert onder andere de organisatie en de uitbouw van een safe-house voor undercover agenten.

De mensen op het terrein wachtten al lang op dit instrument. Zij zullen nu efficiënter kunnen optreden in de strijd tegen het zware banditisme en de georganiseerde misdaad. Onder strikte voorwaarden kunnen zij de bijzondere opsporingsmethoden nu wettelijk toepassen. Over die methoden zal er evenwel nog uitgebreid worden gedebatteerd. De procureurs-generaal en de federale procureur moeten immers geregeld rekenschap geven van de aanwending ervan. Ze zullen uiteraard worden onderworpen aan evaluaties en aan een permanente politieke controle. Wij zullen ons dus ongetwijfeld nog over deze wet moeten buigen.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(De tekst aangenomen door de commissie voor de Justitie is dezelfde als de tekst van het door de Kamer van volksvertegenwoordigers overgezonden ontwerp. Zie stuk Kamer 50-1688/15.)

De voorzitter. - Artikel 4 luidt:

Op dit artikel heeft de heer Vandenberghe amendement 40 ingediend (zie stuk 2-1260/3) dat luidt:

Op hetzelfde artikel heeft de heer Vandenberghe amendement 44 ingediend (zie stuk 2-1260/3) dat luidt:

Op hetzelfde artikel heeft de heer Vandenberghe amendement 45 ingediend (zie stuk 2-1260/3) dat luidt:

Op hetzelfde artikel heeft de heer Vandenberghe amendement 46 ingediend (zie stuk 2-1260/3) dat luidt:

Op hetzelfde artikel heeft de heer Vandenberghe amendement 47 ingediend (zie stuk 2-1260/3) dat luidt:

Op hetzelfde artikel heeft de heer Vandenberghe amendement 48 ingediend (zie stuk 2-1260/3) dat luidt:

Op hetzelfde artikel heeft de heer Vandenberghe amendement 60 ingediend (zie stuk 2-1260/3) dat luidt:

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Ik verwijs naar de schriftelijke verantwoording.

De voorzitter. - Artikel 8 luidt:

Op dit artikel heeft de heer Vandenberghe amendement 49 ingediend (zie stuk 2-1260/3) dat luidt:

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Ik verwijs naar de schriftelijke verantwoording.

-De stemming over de amendementen en over de artikelen 4 en 8 wordt aangehouden.

-De overige artikelen worden zonder opmerking aangenomen.

-De aangehouden stemmingen en de stemming over het wetsontwerp in zijn geheel hebben later plaats.

Wetsontwerp tot wijziging van de wetgeving betreffende de bescherming van de goederen van personen die wegens hun lichaams- of geestestoestand geheel of gedeeltelijk onbekwaam zijn die te beheren (Stuk 2-1087) (Evocatieprocedure)

Algemene bespreking

De heer Philippe Mahoux (PS), rapporteur. - In de commissie hebben wij lang gedebatteerd over dit wetsontwerp dat bij de Kamer werd ingediend door de heer Goutry. Meer dan een honderdtal amendementen werden ingediend.

Ik zal onze gedachtewisselingen niet in detail weergeven. Ik ben zo vrij daarvoor te verwijzen naar het schriftelijk verslag.

Dit wetsontwerp heeft tot doel de moeilijkheden bij de toepassing van de wet van 10 juli 1991 op het voorlopig bewind op te lossen. Er werd vastgesteld dat vrederechters op moeilijkheden stuiten bij het beheer van de goederen van beschermde personen.

Enerzijds liet het beheer zelf van het patrimonium van onbekwame personen te wensen over en anderzijds werd er onvoldoende rekening gehouden met de wensen van de onbekwame persoon.

Het ontwerp waarborgt een veel preciezere en regelmatige controle door de vrederechter en een mogelijkheid om overleg te plegen met een vertrouwenspersoon die door de beschermde persoon wordt aangewezen.

De vertrouwenspersoon kan helpen bij de controle op het bewind. Wanneer hij vaststelt dat de voorlopige bewindvoerder tekort schiet in zijn plichten, kan hij de vrederechter verzoeken om de beschikking tot aanwijzing van een voorlopig bewindvoerder te herzien.

De voorlopige bewindvoerder kan een naaste zijn van de beschermde persoon, vermits deze laatste in een verklaring te kennen kan geven wie zijn voorkeur geniet als bewindvoerder, mocht hij onbekwaam worden om zijn goederen te beheren.

De Koning kan het aantal mandaten beperken dat de voorlopige bewindvoerder gelijktijdig uitoefent. Het is de bedoeling de bewindvoerder te verplichten om ernstig werk te leveren.

Om het beheer van de goederen zo transparant mogelijk te laten verlopen, moet de voorlopige bewindvoerder de beschermde personen inlichten over de handelingen die hij verricht, tenzij de rechter hem daarvan vrijstelt; in voorkomend geval licht hij de vertrouwenspersoon in.

De controle door de vrederechter wordt versterkt.

De voorlopige bewindvoerder is voortaan verplicht om verslag uit te brengen bij de vrederechter een maand nadat hij zijn aanwijzing heeft aanvaard, vervolgens jaarlijks, en ten slotte dertig dagen na het aflopen van zijn mandaat. Zo kan de vrederechter het beheer van de goederen van de beschermde persoon volgen en beter nagaan of eventuele klachten gegrond zijn.

Om misbruik te voorkomen werd ook uitgebreid ingegaan op de vergoeding van de bewindvoerder.

Er werd sterk benadrukt dat sommige functies onverenigbaar zijn met de taak van voorlopig bewindvoerder. Er werd aan toegevoegd dat de voorlopige bewindvoerder niet kan worden gekozen onder de verantwoordelijken of de personeelsleden van de instelling waar de te beschermen persoon verblijft.

Wij hebben een evenwicht nagestreefd tussen de organisatie van de bescherming van de goederen van de onbekwame personen en de eerbied voor een bepaalde autonomie en voor de persoonlijke levenssfeer van de beschermde persoon.

Dit ontwerp beoogt alleen het beheer van de goederen en niet de persoon zelf. Het is soms moeilijk om een grens te trekken. Dat kwam scherp naar voren tijdens de discussie over de bepaling dat de beschermde persoon maar in het huwelijk kan treden als hij zijn huwelijkscontract door de vrederechter laat goedkeuren.

Het wetsontwerp werd eenparig aangenomen door de aanwezige leden.

Ik heb nog enkele persoonlijke bedenkingen.

Het wetsontwerp is een grote verbetering. Ik was onlangs aanwezig op een colloquium waarop betrokkenen uit beide landsgedeelten meenden dat de tekst een verbetering aanbracht aan de wetgeving. Er wordt geluisterd naar de persoon die moet worden beschermd; hij kan een bewindvoerder naar keuze voorstellen, zoals een familielid dat zijn goederen kent en ze kan beheren. Bovendien kan de beschermde persoon een vertrouwenspersoon uitkiezen die hem kan uitleggen hoe zijn goederen worden beheerd, mocht hij geen affectieve band met de bewindvoerder hebben.

Ik heb reeds gezegd dat de vrederechter beter controle zal kunnen uitoefenen op het beheer door de bewindvoerder. Dat is belangrijk; het ontwerp strekt ertoe een transparant beheer te verzekeren en een zo groot mogelijk vertrouwen tot stand te brengen in het beheer van de goederen van personen die zelf niet voor het beheer kunnen instaan.

Ook de beperking van het aantal mandaten van een bewindvoerder zal bijdragen tot een beter beheer. We hebben dit probleem besproken. Ik was van mening dat het aantal beschermde personen waarvoor de voorlopige bewindvoerder instaat, mocht worden vastgelegd. Uiteindelijk hebben we beslist deze opdracht aan de Koning toe te vertrouwen. We zullen erop toezien wat terzake wordt beslist.

Samen met mevrouw de T 'Serclaes heb ik een reeks amendementen ingediend die werden aangenomen. Ze zullen het beheer van de goederen van beschermde personen vergemakkelijken.

Ook hebben we de volgende bepaling besproken: "Deze familieleden kunnen persoonlijk op de zitting verschijnen en vragen gehoord te worden." Een dergelijke dwingende bepaling die de rechter ertoe verplicht alle familieleden die dat wensen, te horen, zou tot onnodige overlast bij de rechtbanken kunnen leiden. Bovendien moet de vrederechter terughoudend en discreet zijn en hij mag niets onthullen aan personen die hem vragen stellen over het beheer van de goederen van de beschermde persoon.

Krachtens een amendement zouden de families de vrederechter altijd hun gevoelen en hun wens om te worden gehoord, kenbaar kunnen maken. De rechter moet dan oordelen of het gerechtvaardigd of wenselijk is om op dit verzoek in te gaan.

Op grond van artikel 6, §3 van de wet moet de bewindvoerder aan de vrederechter bijzondere machtiging vragen om een reeks rechtsdaden te stellen. De verplichting om aan de vrederechter machtiging te vragen mag de procedures die enkel tot doel hebben het patrimonium van de beschermde persoon te beschermen of zijn rechten op het patrimonium te doen gelden, niet vertragen.

In het gewijzigde wetsontwerp is geen machtiging vereist voor de tenuitvoerlegging van huurcontracten, tot bewoning zonder akte of bewijs, tot sociale wetgeving ten gunste van de bescherming van de beschermde persoon en tot de burgerlijke partijstelling.

De bedoeling van dit amendement was om sommige elementen van goed beheer ten voordele van de beschermde persoon niet aan de vrederechter voor te leggen en de betrokken personen het recht toe te kennen te worden gehoord.

We hebben ook gesproken over de bezoldiging van de bewindvoerder. Artikel 8 bepaalt dat die bij de uitoefening van zijn mandaat, buiten de in de wet vastgelegde bezoldigingen, geen enkele bezoldiging of voordeel mag ontvangen, van welke aard ook.

Het artikel was nogal onduidelijk. Het verbod moet ook van toepassing zijn voor de vrederechter die het dossier behandelt, voor iedere persoon die de beschermde persoon heeft verzorgd en voor elke instelling waarin de beschermde persoon woont.

Dit verbod is niet van toepassing als de voorlopige bewindvoerder een familielid is, want dat zou betekenen dat die wordt uitgesloten van de erfenis, wat niet de bedoeling van het wetsontwerp is.

Velen onder ons hebben erop gewezen dat het wetsontwerp geen betrekking heeft op het toezicht op de persoon, maar enkel op het beheer van zijn goederen.

Er is ook gesproken over een eventueel huwelijk van de beschermde persoon en de vraag of het huwelijkscontract aan de vrederechter moet worden voorgelegd. Natuurlijk moet de vrederechter zich niet uitspreken over de wenselijkheid van het huwelijk; het doel is de bescherming van de goederen van de personen die wil huwen. Om die reden wensten we niet dat het huwelijkscontract aan de vrederechter wordt voorgelegd.

Dit ontwerp is een stap vooruit. Het zal een betere controle van de voorlopige bewindvoerder mogelijk maken zonder hem op voorhand verdacht te maken.

Het regelmatig verslag aan de vrederechter is een fundamenteel element van de wetgeving.

De mogelijke beperking van het aantal personen dat door dezelfde bewindvoerder wordt beschermd, en diens kwalificatie lijken me belangrijk.

Ook de mogelijkheid voor de beschermde persoon om tussen te komen bij de aanwijzing van de voorlopige bewindvoerder en het bestaan van een vertrouwenspersoon zijn positief.

Al die maatregelen, die bedoeld zijn voor moeilijke situaties, gaan in de richting van een zeer humanistische aanpak van dit probleem, aangezien het ontwerp tegelijkertijd streeft naar het respect en de bescherming van de persoon die onder voorlopig bewind geplaatst is.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Ik dank de heer Mahoux voor zijn uitvoerig verslag. Daardoor kan mijn toelichting bondig zijn.

Het initiatief om artikel 488bis van het Burgerlijk Wetboek aan te passen gaat uit van volksvertegenwoordiger Luc Goutry die daarvoor nauw heeft samengewerkt met de practici. Het wetsontwerp werd grondig besproken zowel in de Senaat als in de Kamer. In de senaatscommissie werden zelfs verschillende amendementen aangenomen. De behandeling van het wetsontwerp heeft andermaal de noodzaak aangetoond van een tweede kamer met wetgevende bevoegdheid. Ik heb het al vaker gezegd, een tweede kamer geeft de burger een mogelijkheid tot beroep. Als een tekst is goedgekeurd in de Kamer, en die moet nog naar een tweede kamer, dan kunnen daar nog wijzigingen worden aangebracht als de burger die nodig acht. Die tweede kamer kan dan los van partijpolitieke overwegingen de teksten objectief verbeteren. Als we in deze legislatuur een inventaris zouden maken, zouden we zien dat een behandeling in een tweede kamer vaak nuttig zou zijn geweest, precies zoals dat voor deze tekst nuttig is geweest. Bij de behandeling van voorliggende tekst hebben we rekening gehouden zowel met de opmerkingen van de betrokken verenigingen als van de vrederechters.

Ik vind het normaal dat artikel 488bis wordt aangepast. Sinds 1991, het jaar van de laatste wetswijziging terzake, is de visie over personen die wegens hun lichaams- of geestestoestand onbekwaam zijn hun goederen te beheren, erg geëvolueerd. Vandaag gaat veel meer aandacht dan toen naar de rechtspositie van de geheel of gedeeltelijk onbekwame.

De maatregel om het beheer van het vermogen van een onbekwame toe te wijzen aan een derde heeft tot doel de betrokkene te beschermen tegen misbruiken en is zeker verantwoord in een consumptiemaatschappij als de onze. Anderzijds moet er wel voor worden gewaakt dat die bescherming door een derde geen nieuwe vorm van voogdij inhoudt en ook niet de levenskwaliteit of de privacy van de betrokkene beperkt. De persoon aan wie het beheer van het vermogen door de vrederechter wordt toegewezen, moet zich willen inleven in de persoon van de geestelijk onbekwame. Hij mag niet een louter administratief beheerder zijn. Hij moet de soms niet altijd voor de hand liggende beslissingen van de betrokkene respecteren en hem tegelijkertijd beschermen tegen misbruiken.

We hebben daarover een interessante discussie gevoerd en zoals bleek op de studiedag die vrijdag werd gehouden, zijn de verenigingen die zich bezig houden met de bescherming van de geestelijk onbekwamen in het algemeen heel tevreden over dit wetgevend initiatief.

De oprichting van een centraal register van door de te beschermen personen afgelegde verklaringen en de bepaling door de Koning van de instanties die daartoe gratis toegang hebben, zullen voor overzichtelijkheid en transparantie zorgen. Het bijhouden van een dergelijk register zal inderdaad de rechtszekerheid van rechtshandelingen waarborgen en zal ook de bijzondere positie van de beschermde persoon, zijn omgeving en de voorlopige bewindvoerder ten goede komen, omdat achteraf minder betwistingen kunnen ontstaan.

Het is ook een goede zaak dat zowel de beschermde persoon zelf, als zijn familie en in het bijzonder de echtgenoot of echtgenote, wettelijk en feitelijk samenwonende, de vertrouwenspersoon - indien dit iemand anders is - en de voorlopige bewindvoerder nauw betrokken worden bij elke stap van het voorlopig bewind. Er is voor gezorgd dat de personen die bij een concreet menselijk geval betrokken zijn, ook zoveel mogelijk bij elke procedurele stap worden betrokken. Ze worden opgeroepen per gerechtsbrief en staan de vrederechter, indien nodig, te woord, zodat die een totaalbeeld van de situatie krijgt. Belangrijk is ook dat de naaste familie en de te beschermen persoon een grotere inspraak krijgen in de aanstelling van de bewindvoerder. Wellicht moet worden betreurd dat de beschermde persoon niet wordt gehoord wanneer, om een of andere reden, het als bewindvoerder aangesteld familielid of de vertrouwenspersoon die omtrent de opvolging een verklaring heeft afgelegd, niet meer in staat is om de bewindvoering voort te zetten en de vrederechter op basis van die verklaring een opvolger moet aanwijzen. We dienen dan ook nogmaals ons amendement nr. 22 in dat ertoe strekt artikel 488bis, f), paragraaf 3, derde lid, aan te vullen. Die bepaling werd al door amendement 52 van de heer Goutry in de Kamer aan de tekst toegevoegd, maar is bij het drukken blijkbaar weggevallen.

Ook aan de vrederechter zelf wordt opgedragen bij voorkeur een naast familielid of een vertrouwenspersoon als bewindvoerder aan te wijzen. Ik verwijs hiervoor naar artikel 488bis, c), paragraaf 1, alinea 2. Dat is zeer positief omdat aangenomen wordt dat de emotionele band met de naaste familie nog altijd een goed uitgangspunt is om zich in de problemen van de betrokkene in te leven. Al moet men natuurlijk ook voor ogen houden dat dit in vele families, zeker in deze tijd van individualisering, niet meer voor de hand ligt en dat in vele gevallen in de toekomst een professionele voorlopige bewindvoerder zal moeten worden aangewezen, mede in het licht van de samenstelling van het vermogen en met het oog op een waarborg tegen belangenvermenging in de familie.

De wetgever heeft er goed aan gedaan de voorlopige bewindvoerder te onderwerpen aan een strenge controle, zowel bij de aanstelling, waaraan de Koning voorwaarden kan verbinden, als bij de opvolging van het voorlopig bewind en meer bepaald door middel van de verslagen die bij het begin, jaarlijks en op het einde moeten worden gemaakt. Bovendien kan de vrederechter bij gemotiveerde beslissing ambtshalve of op verzoek van een belanghebbende een einde maken aan het voorlopig bewind of de bevoegdheden wijzigen, natuurlijk niet zonder de voorlopige bewindvoerder zelf te hebben gehoord.

Zoals de heer Mahoux in zijn verslag heeft aangehaald, is er ook een belangrijke verduidelijking aangebracht in verband met de terugbetaling van de kosten die de voorlopige bewindvoerder maakt. Gezien de zeer verschillende samenstelling van de vermogens van de onbekwamen, dekt de vergoeding ten belope van 3% van het inkomen in een aantal gevallen zelfs de kosten van het beheer niet.

De wet van 1991 stelde al dat de 3% op het inkomen moest worden gezien als een ereloon en dat daarnaast de kosten moesten worden aangerekend. Zoniet zou een aantal onbekwamen niemand bereid hebben gevonden om voor hen als voorlopig bewindvoerder op te treden. De verduidelijking die we hier hebben aangebracht moet nog meer rechtszekerheid geven.

Ik besluit met een opmerking over het aantal dossiers die bewindvoerders mogen beheren, al vind ik de discussie niet echt relevant. Het ontwerp bepaalt dat de Koning dat aantal vastlegt. Mij lijkt dat geen juist uitgangspunt. Ik maak daarover graag een vergelijking met de curatoren bij faillissementen. Curator Van Buggenhout kon het faillissement van Sabena maar goed beheren, omdat hij er al zeer veel andere voor zijn rekening neemt en omdat zijn kantoor de voorbije jaren honderden faillissementen heeft afgewerkt. Precies wegens zijn specifieke deskundigheid, zijn organisatie en zijn grote kennis van het dossier kan een dergelijk kantoor een dienstverlening aanbieden die veel groter is dan een kantoor dat maar incidenteel tot curator van een faillissement wordt aangesteld. Zoals ik al meer in de Senaat heb geargumenteerd zegt het aantal op zich niet veel. In het recht is één plus één niet altijd gelijk aan twee, maar het is zeer moeilijk om dat aan niet-juristen uit te leggen. Een faillissement van één tafel en vier stoelen is nu eenmaal niet hetzelfde als een faillissement van een onvoorstelbaar nog bestaand actief en tegelijk een onvoorstelbaar groot passief met bovendien de afwikkeling van de schulden uit een vorig faillissement enzovoorts.

Hetzelfde geldt voor het beheer van de goederen van een onbekwame. Als die een groot vermogen bezit, heeft de voorlopige bewindvoerder een grote opdracht, maar als hij alleen moet controleren of de wettelijke vergoeding werd geïnd en als de onbekwame geen andere inkomen heeft, dan is zijn opdracht veel kleiner en zijn er zelden problemen. Ik wijs er nog op dat sommige advocaten zich specialiseren in het begeleiden van onbekwamen, ook al is dat werk niet spectaculair en weinig lucratief. De enige stabiliteit die de advocaten daarbij hebben, is dat ze een aantal dossiers kunnen beheren van mensen die onder het toepassingsgebied van deze wet vallen. Dat heeft niets te maken met winstbejag, maar komt doordat de zaken gespecialiseerd zijn en veel werk en veel verplaatsingen vergen, zodat ze daar in feite een voltijdse aandacht aan moeten kunnen besteden. Om al die redenen is hun secretariaat helemaal met het oog op dat soort werk georganiseerd. Derhalve vind ik het demagogisch te zeggen dat een voorlopig bewindvoerder maar twintig dossiers kan behandelen. Gelijkaardig argument werd destijds ook gebruikt om te zeggen dat magistraten voortaan geen les meer mochten geven aan de universiteiten. Dat zou tijdverlies zijn, zo werd beweerd. Zou dat ook geen tijdwinst kunnen zijn? Zou het niet kunnen dat professoren bij het consulteren van een dossier onmiddellijk zien wat de oplossing is, terwijl anderen het niet zien. Hetzelfde geldt hier: hoe meer dossiers een bewindvoerder heeft behandeld en nog beheert, hoe sneller hij het probleem vat en een oplossing ziet. Nogmaals het is demagogisch het aantal dossiers vast te leggen.

Ik vind wel dat de vrederechter een controle moet uitoefenen op het aantal. Door een jaarlijkse controle op het beheer van de voorlopige bewindvoerder kan de vrederechter zich een beeld vormen van de uren of dagen werk die die nodig heeft voor het besturen van het vermogen en kan hij oordelen of het verantwoord is om de voorlopige bewindvoerder nog nieuwe opdrachten te geven.

Ik ben altijd al een tegenstander geweest van `tapijtbombardementen' of het inroepen van cijfers om juridische problemen op te lossen. Vandaag wordt graag verwezen naar klaarheid en duidelijkheid. Dat is een mythologie geworden die veel succes heeft, maar die er vaak toe leidt dat de problemen verkeerd worden aangepakt.

Het zijn niet de cijfers die borg staan voor de oplossing, maar de inzet en de professionele organisatie. De vrederechter is de meest geschikte persoon om jaar in jaar uit te oordelen hoe het vermogen van kwetsbare burgers - en hun aantal neemt steeds toe ingevolge de veroudering van de bevolking - het best wordt beschermd. Het gaat niet op de begeleiding van de voorlopige bewindvoerder af te bouwen. Dat zou niet in het voordeel zijn van de geestesonbekwamen.

Mevrouw Clotilde Nyssens (CDH). - De bescherming van de goederen van personen die wegens hun lichaams- of geestestoestand geheel of gedeeltelijk onbekwaam zijn die te beheren, is een heel gevoelige materie.

Vorige vrijdag op het colloquium van de NVHVG was ik ten zeerste onder de indruk van de uiteenzettingen, vooral die van de heer Vieujean. De personen en verenigingen die zich met die problematiek bezighouden, geven blijk van een buitengewone menslievendheid. De juristen, advocaten en professoren die gespecialiseerd zijn in deze materie, beschikken niet enkel over een hoge technische intelligentie, ze houden zich ook bezig met mensen die bescherming en respect nodig hebben. Het gerecht moet de zwakkeren beschermen, maar anderzijds moeten we ook respect hebben voor de wil van het individu. Het is niet omdat iemand zwak lijkt, dat zijn vrijheid volledig moet worden beknot. De verenigingen die zich met deze mensen bezighouden, geven blijk van buitengewoon veel tact.

Bepaalde zaken vereisen een tweede lezing. Ik heb op de valreep nog het initiatief genomen om dit ontwerp te evoceren nadat verscheidene vrederechters daarop hadden aandrongen. En ik denk dat het goed was.

Het duurt een tijdje vooraleer alle betrokkenen - vrederechters, advocaten, voorlopige bewindvoerders, familieleden en verenigingen - kennis hebben genomen van een tekst die door de Kamer is goedgekeurd. Gedurende de behandeling in de senaatscommissie hebben we tientallen brieven gekregen van advocaten en vrederechters. We hebben nuttig werk geleverd. De CDH zal het ontwerp goedkeuren, ook al is het niet perfect. Ik hoop dat de Kamer alles niet opnieuw door elkaar zal halen. De Senaat heeft de tekst aanzienlijk gewijzigd.

Het oorspronkelijke voorstel van de heer Goutry, ligt nu uiteindelijk in de Senaat voor in de vorm van een aangepaste versie van de wet van 10 juli 1991. In genoemde wet was er weinig ruimte voor de te beschermen persoon. In voorliggend wetsontwerp daarentegen neemt hij een centrale plaats in. Dat blijkt uit tal van bepalingen:

1. Iedereen heeft de mogelijkheid een verklaring af te leggen voor de vrederechter of de notaris, waarin hij zijn voorkeur uitspreekt over de aanstelling van een voorlopige bewindvoerder ingeval hij onbekwaam zou worden om zijn goederen te beheren. De persoon staat centraal en dat is een belangrijke vooruitgang.

2. De familieleden, samenwonenden of vertrouwenspersonen die als voorlopige bewindsvoerder werden aangewezen, kunnen een verklaring afleggen waarin ze een eventuele opvolger aanwijzen.

3. Het verzoek tot aanwijzing van een voorlopige bewindvoerder kan suggesties bevatten met betrekking tot de keuze van een bepaalde persoon.

4. De familie van personen die onbekwaam zijn, wordt bij de organisatie van het voorlopig bewind en bij de keuze van de bewindvoerder te betrokken.

5. De te beschermen persoon kan zich laten bijstaan door een vertrouwenspersoon.

In de wet van 1991 was vrijwel geen sprake van een vertrouwenspersoon. In de huidige tekst komt hij vaak voor. Hij wordt door de te beschermen persoon gekozen of door de vrederechter aangewezen. De bewindvoerder brengt verslag uit bij de vertrouwenspersoon. Hij legt hem zijn eerste verslag voor, de jaarrekeningen, de rekeningen bij het einde van zijn opdracht en de informatie die de beschermde persoon niet kan begrijpen. De bewindvoerder overlegt persoonlijk met de beschermde persoon of met zijn vertrouwenspersoon. De vertrouwenspersoon is tevens de toeziende voogd; hij oefent toezicht uit op de bewindvoerder. Indien de vertrouwenspersoon vaststelt dat de voorlopige bewindvoerder tekort schiet in de uitoefening van zijn taak, moet hij de vrederechter verzoeken `de beschikking te herzien'. De functie van de vertrouwenspersoon is vrij ondoorzichtig. Men had in het wetsontwerp een bepaling moeten opnemen inzake de onverenigbaarheid van de opdracht van vertrouwenspersoon met die van voorlopige bewindvoerder. Als de vertrouwenspersoon tegelijkertijd ook voorlopige bewindvoerder is, heeft de beschermde persoon geen enkele borg, wat strijdig is met de doelstelling van het ontwerp. Ik hoop dat er in de praktijk geen verwarring zal zijn over de twee functies en dat ze duidelijk van elkaar worden gescheiden.

In andere bepalingen wordt gepleit voor een grotere persoonlijke betrokkenheid van de voorlopige bewindvoerder. Hij moet geregelde contacten onderhouden met de beschermde persoon of met de vertrouwenspersoon, rekening houden met de materiële levensvoorwaarden en met het leefkader van de beschermde persoon, en daarover een verslag opstellen.

Deze aanpassingen zouden het voorlopig bewind menselijker moeten maken, in het bijzonder wanneer het onmogelijk is die taak door een verwante te laten uitvoeren.

Kunnen die wijzigingen worden beschouwd als een uitbreiding van de bescherming van de goederen zoals vastgelegd in de wet van 1991 tot de bescherming van de persoon? We hebben in de commissie lang gedebatteerd over de vraag of het wetsontwerp er in de eerste plaats toe strekte de bescherming of het beheer van de goederen te versterken dan wel of de wijziging van de wet van 1991 moest worden aangegrepen om de bescherming uit te breiden tot de onbekwame persoon. De voorlopige bewindvoerder kan geen beslissing nemen over de keuze van een rusthuis of over de medische zorg voor de beschermde persoon.

Het ontwerp bepaalt evenwel dat de voorlopige bewindvoerder de beschermde persoon kan bijstaan en hem ook kan vertegenwoordigen. De logische orde, die in 1991 niet werd erkend, is hersteld: de vrederechter die de onbekwaamheid van de beschermde persoon vaststelt, zal bijgevolg de bevoegdheden van de bewindvoerder bepalen.

Het systeem van het voorlopig bewind moet soepel zijn opdat het kan worden aangepast aan de toestand van de beschermde persoon. Sommige advocaten zijn evenwel van oordeel dat dit tot onduidelijkheid kan leiden inzake de bevoegdheden van de voorlopige bewindvoerder, dat het verwarring kan teweegbrengen bij derden, dat het aantal gevallen van voorlopig bewind zal toenemen omdat ook minder uitgesproken gevallen van onbekwaamheid in aanmerking kunnen komen en dat het onduidelijkheid kan creëren over de prestaties van de voorlopige bewindvoerders. We moeten dus waken over de correcte toepassing van deze bepalingen.

De vraag blijft in hoeverre de beschermde persoon bekwaam is tot het stellen van handelingen die niet aan de voorlopige bewindvoerder kunnen worden overgelaten.

De voorlopige bewindvoerder kan niet in rechte optreden namens de beschermde persoon. We moeten ervan uitgaan dat de beschermde persoon bekwaam is tot het stellen van handelingen. Niet onbekwaamheid, maar juridische bekwaamheid moet de regel zijn. Sommigen beschouwen de bijzondere machtiging om de goederen van de beschermde persoon te vervreemden in het kader van een schenking, als een teken dat de beschermde persoon onbekwaam is de goederen al dan niet tegen vergoeding te vervreemden. Die interpretatie wordt echter niet alom gedeeld in de rechtsleer en de rechtspraak.

Volgens het wetsontwerp kan de beschermde persoon slechts geldig schenken onder levenden of bij testament, na machtiging door de vrederechter. Dit betekent dat hij zijn goederen om niet kan vervreemden, maar alleen mits machtiging door de vrederechter en a contrario dat hij er buiten die voorwaarden niet over kan beschikken om niet, zelfs niet bij testament.

Twee vragen blijven. Waarom werden de bepalingen inzake de uiterste wilbeschikkingen op een lijn gezet met die inzake de schenkingen? Op dit domein zou de beschermde persoon zijn volle bekwaamheid moeten behouden. Ik heb dan ook een amendement ingediend.

Ten tweede meen ik dat ook de machtiging door de voorlopige bewindvoerder wenselijk zou zijn, aangezien hij garant staat voor de financiën van de beschermde persoon. Ook hierop heb ik een amendement ingediend.

Wat het huwelijk betreft bepaalt het ontwerp dat de beschermde persoon slechts kan huwen mits sluiting van een huwelijkscontract goedgekeurd door de vrederechter. Het lijkt me dat die bepaling enkel betrekking heeft op de toestand van de personen. We moeten ervan uitgaan dat de beschermde persoon bekwaam is om een huwelijk te sluiten. Bovendien zal de bepaling geen oplossing bieden voor bepaalde problemen zoals een eventueel huwelijk in het buitenland, een huwelijk zonder machtiging door de vrederechter of de nietigheid van het huwelijk wegens de onbekwaamheid.

Het is trouwens mogelijk dat in een huwelijkscontract enkel staat dat de partijen het wettelijk stelsel volgen. Wat is de draagwijdte van deze nieuwe eis? Het zou beter zijn geweest te bepalen dat de beschermde persoon geen huwelijksclausule mag bedingen die van het gemeen recht afwijkt, tenzij met goedkeuring van de vrederechter. Er mag niet worden geraakt aan de bekwaamheid van personen die onder het voorlopig bewind worden geplaatst, vooral niet als het om hun staat gaat.

Het ontwerp gaat wat het huwelijk betreft te ver. Tijdens het colloquium heb ik duidelijk gehoord dat de vrijheid van deze personen moest worden beschermd. Hun goederen moeten tot op zekere hoogte worden beschermd, zonder dat hierbij hun fundamentele vrijheden, zoals het rechten om een huwelijk te sluiten, in het gedrang komen.

Het ontwerp verbetert ook de controle op de voorlopige bewindvoerder: de vastlegging van de termijn voor de indiening en van de inhoud van het eindverslag. Het aantal dossiers dat een voorlopige bewindvoerder onder zijn hoede mag hebben zal bij koninklijk besluit worden beperkt. In de wet had ook kunnen worden opgenomen dat de sancties waarin in de wet is voorzien, zouden kunnen worden toegepast als de vastgestelde termijnen voor de indiening van de schriftelijke verslagen worden overschreden. Het gebrekkige of trage financiële beheer van sommige bewindvoerders wordt vaak in het licht gesteld.

Ik betreur dat de bepalingen in verband met de vaststelling en de vernieuwing van de termijn van het mandaat door een amendement van de regering werden geschrapt. De aanbeveling 99 (4) van het Comité van ministers van de Raad van Europa beveelt een periodieke toetsing van maatregelen van onbekwaamheid aan.

De lijst van daden die de voorlopige bewindvoerder slechts mag stellen na machtiging door de vrederechter werd bijgewerkt; hierbij werd met name rekening gehouden met de rechtspraak en de beperkingen die artikel 410 van het Burgerlijk Wetboek aan de voogd oplegt.

De mogelijkheid dat de voorlopige bewindvoerder de handelszaak van de beschermde persoon voortzet, is zeker een belangrijke vernieuwing. De vrederechter kan aan de rechtbank van koophandel vragen een bijzondere bewindvoerder aan te wijzen.

Een andere belangrijke vernieuwing heeft betrekking op de geneeskundige verklaring. De vrijstelling van geneeskundige verklaring in spoedeisende gevallen werd geschrapt teneinde de betrokken persoon te beschermen. In dat geval gaat de vrederechter na of wel degelijk om een dringende noodzaak gaat. Hij stelt een geneesheer-deskundige aan die gelast wordt de te beschermen persoon te onderzoeken en, indien nodig, een geneeskundige verklaring op te stellen.

Toch betreur ik dat mijn amendement dat ertoe strekt de inhoud van de geneeskundige verklaring omstandig weer te geven, werd verworpen.

Ik verwijs ook naar de bepaling die ertoe strekt een duidelijk onderscheid te maken tussen het vermogen van de beschermde persoon en dat van de voorlopige bewindvoerder. Die bepaling zorgt voor een betere bescherming van de belangen van de beschermde persoon.

In het ontwerp werden nog andere verbeteringen aangebracht, zoals het openen van een dossier bij de griffie van het vredegerecht, waaraan inzonderheid de verschillende verslagen van de voorlopige bewindvoerder worden toegevoegd. Dat dossier is niet toegankelijk voor het publiek. Zonder voorafgaande toestemming hebben alleen de beschermde persoon, zijn advocaat en de voorlopige bewindvoerder toegang tot dat dossier. Elke andere persoon moet de voorafgaande toestemming van de vrederechter vragen om het volledig of gedeeltelijk te mogen raadplegen. In het ontwerp staat daarover niets, evenmin als over het beroepsgeheim van de voorlopige bewindvoerder.

De verkoop van de roerende en onroerende goederen van de beschermde persoon geschiedt voortaan overeenkomstig de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot de roerende en onroerende goederen van minderjarigen. Dat is een vooruitgang.

In geval van bevoegdheidsconflicten tussen de vrederechters, blijft de vrederechter die de voorlopige bewindvoerder heeft aangewezen bevoegd tenzij hij beslist het dossier over te zenden aan de vrederechter van het kanton van de nieuwe verblijfplaats van de beschermde persoon. Daarmee is een probleem opgelost dat in de praktijk bestond.

Tot besluit vind ik dat de tekst in de goede richting gaat. Ik denk dat de verenigingen en de juristen en advocaten die aan het colloquium van vorige vrijdag hebben deelgenomen, het daar allemaal mee eens waren. Er werden bepaalde correcties voorgesteld. We mogen de stemming over deze tekst in de Senaat niet langer uitstellen. In tegendeel, het is hoogtijd om de tekst terug naar de Kamer te sturen. Ik ben benieuwd hoe die erop zal reageren, gelet op de belangrijke rol van de Senaat terzake. Ik zou uiteraard graag hebben dat de tekst nog tijdens deze legislatuur wordt goedgekeurd.

De vraag rijst nu of de regeling van de onbekwaamverklaring en de gerechtelijk raadsman niet kan worden vervangen door de voorlopige bewindvoering, waarvan de naam uiteraard moet worden gewijzigd.

Tijdens het colloquium van vrijdag viel het mij op dat, wanneer het gaat om bekwaamheid of onbekwaamheid, onmiddellijk de meer algemene vraag rijst of het geen tijd is om die materie geheel te herzien en de verschillende bestaande regelingen te vereenvoudigen.

In zijn huidige vorm geeft het wetsvoorstel de rechter de bevoegdheid om de beschermde persoon een bewindvoerder aan te wijzen die hem kan vertegenwoordigen als voogd of hem kan bijstaan als gerechtelijk raadsman, of die de onbekwame kan bijstaan voor bepaalde akten of hem vertegenwoordigen voor andere. Hij kan de taak van die beschermer uitbreiden tot alle juridische akten of tot sommige van die akten.

Dat zou veronderstellen dat, enerzijds, de huidige redenen voor de onbekwaamverklaring of het onder toezicht plaatsen van een gerechtelijk raadsman - bijvoorbeeld de gebruikelijke staat van zwakzinnigheid of krankzinnigheid en de zwakheid van geest - het instellen van een voorlopige bewindvoering mogelijk maken en, anderzijds, dat die bewindvoering kan worden uitgebreid tot andere dan vermogensaangelegenheden en dat ze inzonderheid inhoudt dat de beschermde persoon, zo nodig en onder toezicht van de rechter, moet worden verzorgd, dat hem een verblijfplaats moet worden gezocht en dat hij ertoe moet worden gebracht zijn oude woonplaats op te geven.

Daarmee zou een oplossing kunnen worden gevonden voor de noodsituaties die zo vaak voorkomen. We moeten er in elk geval voor zorgen dat een dergelijke reglementering van de persoonlijke rechten in overeenstemming is met het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

Ik wil de zwakkeren beschermen, maar niet bovenmatig, want we hebben soms de neiging die mensen te infantiliseren.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(Voor de tekst geamendeerd door de commissie voor de Justitie, zie stuk 2-1087/8.)

De voorzitter. - Artikel 2 luidt:

Op dit artikel hebben mevrouw De Schamphelaere en de heer Vandenberghe amendement 118 ingediend (zie stuk 2-1087/9) dat luidt:

Op hetzelfde artikel hebben mevrouw De Schamphelaere en de heer Vandenberghe amendement 119 ingediend (zie stuk 2-1087/9) dat luidt:

Op hetzelfde artikel hebben mevrouw De Schamphelaere en de heer Vandenberghe amendement 120 ingediend (zie stuk 2-1087/9) dat luidt:

-De stemming over de amendementen wordt aangehouden.

-De aangehouden stemmingen en de stemming over het wetsontwerp in zijn geheel hebben later plaats.

Wetsontwerp tot wijziging van de artikelen 49, tweede lid, en 52, vierde lid, van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming (Stuk 2-1223)

Algemene bespreking

De voorzitter. - Mevrouw Taelman verwijst naar haar schriftelijk verslag.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(De tekst aangenomen door de commissie voor de Justitie is dezelfde als de tekst van het door de Kamer van volksvertegenwoordigers overgezonden ontwerp. Zie stuk Kamer 50-1557/4.)

-De artikelen 1 tot 3 worden zonder opmerking aangenomen.

-Over het wetsontwerp in zijn geheel wordt later gestemd.

Wetsontwerp tot wijziging van de artikelen 285 en 285bis van het Gerechtelijk Wetboek en tot invoeging van een artikel 43septies in de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken (Stuk 2-1224)

Algemene bespreking

De voorzitter. - Mevrouw de T' Serclaes verwijst naar haar schriftelijk verslag.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(Voor de tekst geamendeerd door de commissie voor de Justitie, zie stuk 2-1224/4.)

-De artikelen 1 tot 4 worden zonder opmerking aangenomen.

-Over het wetsontwerp in zijn geheel wordt later gestemd.

Wetsontwerp tot wijziging van artikelen 308 en 309 van het Gerechtelijk Wetboek (Stuk 2-1261)

Algemene bespreking

De voorzitter. - De heer Ramoudt verwijst naar zijn schriftelijk verslag.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(Voor de tekst verbeterd door de commissie voor de Justitie, zie stuk 2-1261/4.)

-De artikelen 1 tot 4 worden zonder opmerking aangenomen.

-Over het wetsontwerp in zijn geheel wordt later gestemd.

Regeling van de werkzaamheden

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Ik wens het woord te nemen in de bespreking van het wetsontwerp tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek inzake rechtsbijstand dat nu aan de orde is. Ik kan mijn uiteenzetting echter nu niet houden aangezien het Bureau om 12.30 uur vergadert. Ik heb die manier van werken ook vorige week al aangeklaagd. Ik stel voor dat we de bespreking uitstellen tot vanmiddag.

De heer Marc Verwilghen, minister van Justitie. - Als de volgorde van de agenda wordt gerespecteerd, kan ik ervoor zorgen dat ik deze namiddag aanwezig ben.

De voorzitter. - We zullen dit punt van de agenda en ook de vragen om uitleg aan de minister van Justitie deze namiddag behandelen na de mondelinge vragen. (Instemming)

We zetten onze werkzaamheden voort vanmiddag om 15 uur.

(De vergadering wordt gesloten om 12.45 uur.)