2-45

2-45

Belgische Senaat

2-45

Handelingen - Nederlandse versie

DONDERDAG 11 MEI 2000 - NAMIDDAGVERGADERING


Waarschuwing: de blauwe kleur geeft aan dat het gaat om uit het Frans vertaalde samenvattingen.


Wetsontwerp ter bevordering van sociaal verantwoorde productie (Stuk 2-288) (Evocatieprocedure)

Voorstel van resolutie over de sociaal verantwoorde productie (van de heer Marcel Colla, Stuk 2-415)

Inoverwegingneming van voorstellen

Mondelinge vraag

Vraag om uitleg van mevrouw Anne-Marie Lizin aan de vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken over «de samenstelling van de nationale delegaties voor de Olympische spelen» (nr. 2-128)

Mondelinge vragen

Vraag om uitleg van mevrouw Erika Thijs aan de minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu over «het toenemend gebruik van het geneesmiddel Rilatine» (nr. 2-121)

Vraag om uitleg van de heer Michel Barbeaux aan de vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken over «het sturen van waarnemers van de Europese Unie naar Peru voor de tweede ronde van de presidentsverkiezingen» (nr. 2-125)

Vraag om uitleg van de heer Patrik Vankrunkelsven aan de vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken over «de nieuwe militair-strategische houding van de NAVO» (nr. 2-127)

Vraag om uitleg van de heer Jean-François Istasse aan de vice-eerste minister en minister van Mobiliteit en Vervoer over «de aanleg van de "IJzeren Rijn"» (nr. 2-131)

Regeling van de werkzaamheden

Vraag om uitleg van mevrouw Anne-Marie Lizin aan de minister van Binnenlandse Zaken over «de doorlichting van de werking van het Telerad-systeem» (nr. 2-129)

Berichten van verhindering

Bijlage


Voorzitter: de heer Armand De Decker

(De vergadering wordt geopend om 15.10 uur.)

Wetsontwerp ter bevordering van sociaal verantwoorde productie (Stuk 2-288) (Evocatieprocedure)

Voorstel van resolutie over de sociaal verantwoorde productie (van de heer Marcel Colla, Stuk 2-415)

Voorstel tot terugzending

De voorzitter. - We moeten ons uitspreken over het voorstel tot terugzending dat de heer Maertens vanmorgen heeft gedaan.

- Tot terugzending wordt besloten.

Inoverwegingneming van voorstellen

De voorzitter. - De lijst van de in overweging te nemen voorstellen werd rondgedeeld.

Leden die opmerkingen mochten hebben, kunnen die vóór het einde van de vergadering mededelen.

Tenzij er afwijkende suggesties zijn, neem ik aan dat die voorstellen in overweging zijn genomen en verzonden naar de commissies die door het Bureau zijn aangewezen. (Instemming)

(De lijst van de in overweging genomen voorstellen wordt in de bijlage opgenomen.)

Mondelinge vraag

Mondelinge vraag van de heer Marc Hordies aan de vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken en aan de minister van Binnenlandse Zaken over «de uitzetting van enkele honderden Slovaakse en Bulgaarse onderdanen die tot de roma-minderheid behoren» (nr. 2-245)

De voorzitter. - De heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken, antwoordt.

De heer Marc Hordies (ECOLO). - Op verzoek van de minister van Binnenlandse Zaken hebben Gent en Tienen aan verscheidene honderden Slovaakse en Bulgaarse onderdanen per brief gevraagd om binnen de tien dagen contact op te nemen met de sociale diensten van deze steden met het oog op de terugkeer naar hun land van herkomst.

Volgens de pers gedragen de politie en de administratie zich correcter dan zeven maanden geleden. De vrijwillige terugkeer wordt aangemoedigd door de toekenning van een premie en de betrokkenen krijgen de tijd om hun bezigheden stop te zetten of het schooljaar af te maken.

Toch doet deze beslissing veel vragen rijzen, omdat bijna alle uit te wijzen personen behoren tot de zigeunerminderheid uit Oost-Europa.

Vreest de vice-eerste minister niet dat deze minderheid daardoor nog meer als "ongewenst" wordt beschouwd? Zestig jaar geleden was zij samen met de Joodse gemeenschap het grootste slachtoffer van de genocide in Europa. Zij kreeg nooit moreel eerherstel. Het bestaan en de fundamentele rechten van deze etnische gemeenschap moeten worden gerespecteerd, net zoals die van elke andere.

Tijdens de brutale uitwijzingen in oktober 1999 heeft Ecolo de bezwaren van de verenigingen overgenomen met betrekking tot de catastrofale situatie van de zigeuners in Slovakije. Statistieken over werkgelegenheid en sociale bijstand tonen aan dat deze bevolkingsgroep wordt gediscrimineerd. Volgens een correspondente van Le Soir is het werkloosheidspercentage bij de zigeuners 90% tegenover 20% bij de Slovaken.

Enkele collega's-senatoren hebben ter plaatse vastgesteld dat deze gemeenschappen meestal in getto's wonen waar de leefomstandigheden en de sanitaire voorzieningen erbarmelijk zijn.

Nog erger is dat ze het slachtoffer zijn van individuele aanvallen van extreem rechts, van de ordediensten of zelfs van politieke verantwoordelijken. Jan Szlota, oud-voorzitter van de nationale Slovaakse partij, spoort de zigeuners regelmatig aan het land te verlaten.

In de commissie voor de Binnenlandse Zaken hebben we eveneens vernomen dat een soort promotiecampagne wordt gevoerd om deze gemeenschappen ertoe aan te zetten het land te verlaten en naar het westen te gaan. België komt met succes op voor de mensenrechten en volkenrechten in Chili, Oostenrijk en Tsjetjsenië. Ik nodig de regering dan ook uit zich in te zetten voor de erkenning van de zigeuners en voor de verbetering van hun lot.

Welke maatregelen heeft de regering samen met de andere Europese regeringen genomen om de situatie van de zigeuners te verbeteren?

Welke stappen zijn gezet om de Slovaakse regering aan te sporen de fundamentele rechten van de minderheden te respecteren en maatregelen voor positieve discriminatie te nemen?

De heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken. - Mijn collega Duquesne laat weten dat het niet zijn bedoeling is om de betrokkenen als "ongewensten" af te schilderen. Steeds meer personen afkomstig uit Slovakije en Bulgarije vragen asiel. Volgens de administratie van de betrokken steden moest worden gereageerd op de aanwezigheid van grote aantallen illegalen. Als illegalen niet langer uit het land kunnen worden gezet, dan is het ook niet meer nodig om aan vreemdelingen een verblijfsrecht te verlenen. Als de terugkeer alleen vrijwillig kan, dan is er omzeggens geen enkele uitwijzing meer. Dat is niet het regeringsbeleid. Er zou een etnische discriminatie zijn als de zigeuners zouden worden geselecteerd uit de afgewezen Slovaakse en Bulgaarse asielzoekers. Bijna allen beweren zigeuner te zijn. Het kan ook niet dat een uitzetting naar een land onmogelijk wordt als het gaat om een etnische minderheid. Er is vooraf regelmatig contact geweest met de Slovaakse regering en onze regering heeft haar bezorgdheid over het lot van de zigeuners duidelijk gemaakt. We willen bijdragen tot de ontwikkeling van de inwoners van een land dat tot de Europese Unie wil toetreden. Als we aanvaarden dat deze personen illegaal in België blijven, lossen we het probleem niet op, maar verplaatsen we het alleen. Zelfs al hebben verenigingen aangetoond dat deze minderheden in hun land van herkomst worden gediscrimineerd, dan nog mogen we niet vergeten dat het onafhankelijke Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen heeft geoordeeld dat er geen redelijke vrees kan zijn voor vervolging om etnische redenen in hun land van herkomst zoals bepaald in de Conventie van Genève. Evenmin bestaat bij de terugkeer een risico zoals bepaald in artikel 3 van de Conventie ter bescherming van de Mensenrechten.

De beslissing om de onderdanen van twee democratische Midden-Europese landen terug te sturen, komt in eerste instantie toe aan de minister van Binnenlandse Zaken. In mijn antwoord beperk ik me dan ook tot het aspect "Buitenlandse Zaken". Onderdanen van beide landen moeten over een geldig visum beschikken om in België te worden toegelaten. De Benelux heeft een terugkeerakkoord gesloten met Bulgarije en dit land wil samenwerken met de Europese Unie. Met Slovakije wordt over een gelijkaardig akkoord onderhandeld. Ook de Slovaakse overheid wil meewerken.

België neemt deel aan de werkgroep van de EU die zich bezighoudt met het probleem van de zigeuner-minderheid in Centraal- en Oost-Europa. Dit probleem komt ook aan bod in de OVSE en de Raad van Europa en ook de PHARE-programma's besteden er aandacht aan.

Het probleem heeft meer te maken met de mentaliteit dan met het beleid van de lokale overheden.

België heeft voorgesteld in Kosovo miljoenen te besteden aan projecten die het comfort en het onderwijs verbeteren. We hebben contact opgenomen met de heer Kouchner om de middelen ter beschikking te stellen en projecten uit te kiezen die de zigeunergemeenschap beter moeten integreren en helpen. Tastbare resultaten zijn er jammer genoeg nog niet. We hebben voorgesteld om de bouw van twee scholen te financieren, maar de zigeuners zelf geven de voorkeur aan projecten rond hygiëne en gezondheid. We blijven in contact met de Kosovaarse overheden omdat we willen helpen. We wensen dit samenwerkings- en ondersteuningsbeleid voort te zetten, ook bij de opvang van mensen die terugkeren.

In de commissie voor de Binnenlandse Zaken heeft de heer Hordies het algemeen probleem van de opvang van vluchtelingen in Europa aangekaart en gepleit voor een meer positief, voluntaristisch en minder defensief beleid. Ik wil daarover best het gesprek aangaan, maar het moet goed worden voorbereid.

De heer Marc Hordies (ECOLO). - Ik heb onrustwekkende berichten gehoord over wat in Tienen gebeurt. Men heeft het over straatterrorisme tegenover de zigeuners. Verantwoordelijken van de vereniging Opleum beweren dat personen die een regularisatie hebben aangevraagd niet geloven dat de gemeente wil meewerken en ze vragen dan ook geen hulp. Kan de vice-eerste minister zijn collega Duquesne vragen om dit na te trekken en toe te zien op de veiligheid en de regularisaties?

De heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken. - Ik zal de heer Duquesne vragen een antwoord te verschaffen op deze bijkomende vragen.

Vraag om uitleg van mevrouw Anne-Marie Lizin aan de vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken over «de samenstelling van de nationale delegaties voor de Olympische spelen» (nr. 2-128)

Mevrouw Anne-Marie Lizin (PS). - Mijn vraag om uitleg heeft betrekking op de organisatie van de Olympische spelen en op de politieke gevolgen als bijvoorbeeld een delegatie uit Afghanistan wordt toegelaten. De sport en de internationale competities vallen niet onder de gebruikelijke internationale rechtsregels. Het IOC vangt deze situatie enigszins op via een olympisch handvest waar het borg voor staat.

De samenstelling van de nationale delegaties die door de nationale sportbesturen en door het IOC worden aanvaard, druist vaak duidelijk in tegen de internationale verdragen inzake mensenrechten, soms ook tegen embargo's en tegen de internationale instrumenten ter bevordering van de niet-discriminatie van vrouwen.

Dat is het geval voor de eventuele aanwezigheid van een delegatie uit Afghanistan op de Olympische spelen.

Kan de minister bevestigen dat die aanwezigheid niet opportuun zal worden geacht?

Kan de minister hierover contact opnemen met het Belgisch Olympisch Comité, of is dat al gebeurd?

Weet de minister dat zowel het internationaal als het Belgisch olympisch comité er zich in hun handvest toe verbonden hebben 10 % vrouwen op te nemen in hun instelling, hoewel die doelstelling niet wordt gehaald? Wat kan de minister doen ten opzichte van het Belgisch Comité?

De minister zal me waarschijnlijk antwoorden dat sport een communautaire bevoegdheid is. Vindt hij het echter denkbaar dat een Belgische ploeg aantreedt naast ploegen van landen die door de internationale gemeenschap zijn uitgestoten, zoals Afghanistan?

De delegatie van Saoedi-Arabië is evenmin aanvaardbaar, want de rechten van de vrouw en de mensenrechten in het algemeen worden in dat land niet gerespecteerd. Een vrouw heeft er geen enkele kans om olympisch atlete te worden. Volgens het handvest moeten ook vrouwen die kans krijgen. Kan België daar iets aan doen?

De voorzitter. - Ik wijs erop dat ik twee of drie jaar geleden in de Raad van Europa terzake een motie heb doen goedkeuren.

De heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken. - Het Belgisch Olympisch en Interfederaal Comité (BOIC) is een onafhankelijke instelling. Het is lid van het Internationaal Olympisch Comité (IOC) en heeft zich ertoe verbonden het handvest van die instelling na te leven. Dat bepaalt duidelijk dat zowel het IOC als de nationale comités apolitieke instellingen zijn, waarvan de doelstelling inzonderheid is de bevordering van de sport op hoog niveau.

De Olympische spelen worden om de vier jaar georganiseerd. De landen worden uitgenodigd door het IOC. Het BOIC heeft een uitnodiging ontvangen om deel te nemen aan de spelen van Sydney in september 2000, en heeft die uitnodiging aanvaard. Ook landen zoals Afghanistan werden uitgenodigd, die geen respect hebben voor de mensenrechten en nog minder voor de gelijkheid tussen mannen en vrouwen.

Wij kunnen dat betreuren, maar we kunnen er weinig aan doen. Volgens de stichters moeten de Olympische spelen verlopen in een geest van vrede en dialoog tussen de volkeren. De atleten beschouwen het deelnemen aan de spelen als de bekroning van hun carrière.

Ik begrijp en deel de bekommernis van mevrouw Lizin voor de naleving van de mensenrechten, maar alleen het BOIC is terzake bevoegd.

We kunnen onze atleten toch niet verbieden deel te nemen omdat ze atleten zouden kunnen ontmoeten uit landen die de mensenrechten niet respecteren of atleten die het instrument zijn van totalitaire regimes? Door hun aanwezigheid kunnen onze atleten trouwens de waarden van de democratie en van de mensenrechten propageren.

Inzake de aanwezigheid van vrouwen in de structuren van private organisaties zoals het BOIC bestaan er in België geen wettelijke verplichtingen. Ik kan dus niet optreden.

Het staat elke instelling echter vrij eigen regels voor een evenwichtige verdeling te bepalen.

Tussen haakjes wil ik nog zeggen dat ik de meerderheid van mijn fractie in de Kamer heb kunnen overtuigen om het ritssysteem te aanvaarden. Zelfs de conservatieven zijn nu gezwicht voor de argumenten van mevrouw Lizin! Zelf ben ik voor de pariteit en zelfs voor het ritssysteem. (Applaus)

Gelet op de prestaties van onze vrouwelijke atletes, kan ik, met mevrouw Lizin, de minieme aanwezigheid van vrouwen in de delegatie en in de beslissingsorganen van het BOIC enkel betreuren.

Mevrouw Anne-Marie Lizin (PS). - Samen met enkele vrienden uit verschillende landen bereid ik een manifestatie voor in Sydney in verband met de delegatie van Afghanistan. De minister weet wat zulke initiatieven kosten. Wij vragen alleen een morele aanmoediging of iets meer om die actie tot een goed einde te brengen. Ik weet nu dat ik kan steunen op de mening van de minister.

De heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken. - Ik beloof mevrouw Lizin dat ik het uiterste zal doen om haar te helpen.

- Het incident is gesloten.

Mondelinge vragen

Mondelinge vraag van mevrouw Martine Taelman aan de minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu over «het nijpend tekort aan ziekenhuisbedden in de regio Geel-Herentals-Mol» (nr. 2-239)

Mevrouw Martine Taelman (VLD). - Reeds meerdere jaren is er een tekort aan ziekenhuisbedden in de regio Geel-Herentals-Mol. De regio kan volgens de statistieken niet minder dan een verdubbeling van de bedden gebruiken. Dit wordt opgelost door een heel groot aantal patiënten te behandelen in daghospitalisatie. De gemiddelde verblijfsduur per patiënt mag daardoor dan duidelijk beneden het nationale gemiddelde liggen, toch is er in de ziekenhuizen nog steeds een chronisch tekort aan bedden. Dit alles dreigt te wegen op de kwaliteit van de verzorging. Het gevolg is natuurlijk dat heel wat patiënten tot ver buiten de regio dienen te gaan voor een behandeling. Dit brengt dan weer mee dat deze patiënten in de statistieken van die ziekenhuizen buiten de regio terechtkomen en de vicieuze cirkel is rond.

Deze problematiek kwam duidelijker dan ooit in de schijnwerpers te staan door het treinongeluk in Herentals op 28 januari 2000, toen de ziekenhuizen in de regio Geel-Herentals-Mol niet de nodige hulp aan de slachtoffers konden bieden. Er moesten zelfs patiënten naar Zoersel worden afgevoerd.

Hoewel de toestand reeds jaren aansleept, kan hij binnenkort acuut worden met Euro 2000. Ik wil geen rampenscenario voorspellen, maar er moet toch met alle eventualiteiten rekening worden gehouden. Op het vlak van de politiezorg wordt dit evenement zeer grondig voorbereid, maar de voorbereiding op het vlak van de ziekenhuizen wordt blijkbaar minder grondig aangepakt. In de regio Geel-Herentals trainen en verblijven twee ploegen, de Belgische en de Italiaanse. Bovendien wordt de regio doorkruist door de E 313 en de E 34, grote verbindingswegen tussen de steden waar wedstrijden gespeeld worden, en de verblijfsteden.

Daarom had ik graag van de minister vernomen of zij op grond van de cijfers die voorhanden zijn, tot dezelfde vaststellingen komt als de ziekenhuisdirecteurs van de regio. Zo ja, zal zij dan maatregelen nemen met een effect op lange termijn, maar ook op korte termijn om het hoofd te kunnen bieden aan eventualiteiten tijdens Euro 2000?

Mevrouw Magda Aelvoet, minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu. - Het was niet eenvoudig om alle gegevens te verzamelen die nodig waren om een gefundeerd antwoord op deze vraag te kunnen formuleren. Mijn administratie heeft echter een zeer grote inspanning geleverd, zodat ik de vraagsteller zo exact mogelijk kan inlichten over de stand van zaken.

De bezettingsgraad van de ziekenhuizen in de regio Geel-Herentals-Mol ligt inderdaad iets hoger dan het nationale gemiddelde, maar bereikt geenszins het dubbele van het gemiddelde zoals werd gesuggereerd in de geschreven versie van de vraag. Met de gegevens waarover we nu beschikken, kan een uitbreiding van het aantal bedden niet worden verantwoord.

Het is echter wel zo dat de drie ziekenhuizen van de regio ongeveer dezelfde diensten aanbieden, maar dat een aantal diensten waarop een frequent beroep wordt gedaan, met name de diensten voor nierdialyse en voor hartkatheterisatie, ontbreken. Zodoende moeten de patiënten zich voor deze diensten tot verder afgelegen ziekenhuizen wenden.

Dat zou een van de redenen zijn van het huidige fusie-overleg tussen deze drie ziekenhuizen, dat nieuwe mogelijkheden biedt.

Voor de voorbereiding op Euro 2000 hebben wij vooral gekeken naar de ervaringen in het buitenland. Een voldoende aanwezigheid van de politie is het belangrijkste middel om beginnende moeilijkheden onmiddellijk de kop in te drukken. Dat betekent echter geenszins dat de organisatie van de dringende medische hulpverlening van ondergeschikt belang is.

Mijn administratie heeft een vergelijkende studie gemaakt over de verschillende maatregelen die in het buitenland werden genomen tijdens dergelijke evenementen. Frankrijk heeft in 1998 de wereldkampioenschappen georganiseerd. Het kreeg nog meer mensen op bezoek en er waren veel meer wedstrijden dan in België. Leden van mijn administratie hebben tijdens een werkbezoek in Frankrijk vergaderd met de verantwoordelijken van de dringende medische hulpverlening om na te gaan in welke mate er tijdens de spelen een beroep gedaan werd op MUG's, bijzondere spoedgevallendiensten, enzovoort. Ze hebben vastgesteld dat de overlast voor de spoedgevallendiensten bij een goed georganiseerde politionele veiligheid bijzonder klein is. In Frankrijk bedroeg ze maar 0,9%.

We hebben dus twee categorieën van maatregelen genomen. Ten eerste hebben we gezorgd voor een goede en zeer ruime preventief medische hulppost in elk stadion waarin wordt gespeeld. Ten tweede, een beetje naar analogie met de check-up in de ziekenhuizen met het oog op de millenniumbug bij de eeuwwisseling, zijn de interne en externe rampenplannen in alle ziekenhuizen nog eens nauwkeurig gecontroleerd. De ziekenhuizen in de omgeving van stadions en plaatsen waar trainings- en verblijfskampen zijn, zoals in de regio van mevrouw Taelman, worden uiteraard bijzonder onder de loep genomen.

Het kernkabinet heeft eergisteren het licht op groen gezet voor bijkomende maatregelen voor de vier speelsteden zelf. Ik hoop dat ze morgen ook in de Ministerraad zullen worden aanvaard.

We hebben aan het voorbereidende werk dus wel degelijk enkele maanden besteed, wat nodig was om gekke avonturen te voorkomen.

Mevrouw Martine Taelman (VLD). - Ik apprecieer de moeite die het kabinet van de minister zich heeft getroost om op een vrij korte termijn cijfers te verzamelen. Ik begrijp dat dit niet gemakkelijk was. Ik heb mij gebaseerd op statistieken van 1994. Ik kan de minister deze cijfers overhandigen. Ik heb van de betrokken ziekenhuisdirecteurs vernomen dat de toestand sindsdien niet verbeterd is. Integendeel!

Mondelinge vraag van de heer Michiel Maertens aan de minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu over «de hogere kankersterfte op het platteland» (nr. 2-244)

De heer Michiel Maertens (AGALEV). - Volgens een recente Schotse studie zouden in verhouding op het platteland twee tot vier keer meer personen aan kanker sterven dan in de steden. Een oncologe van het Gentse Universitair Ziekenhuis bevestigde dit, maar voegde eraan toe dat het leven op het platteland niet ongezonder is dan in de stad, integendeel. Op het platteland zou er echter later, vaak te laat, worden gediagnosticeerd dan in de stad. De reden die hiervoor wordt aangehaald is de letterlijke en figuurlijke afstand naar en de beperkte aanwezigheid van sterk gespecialiseerde diensten op het platteland. In gebieden met een lage bevolkingsdichtheid is het aanbod aan voorzieningen uiteraard beperkter.

De oncologe merkte daarbij op dat de overheid in dit verband voor een oplossing moet zorgen. Naast een betere voorlichting van artsen en patiënten moet ze een ernstiger doorverwijzingsysteem naar gespecialiseerde centra organiseren. Of men op het platteland dan wel in de stad woont, is hierbij van geen enkel belang. Wij beseffen dat er nood is aan regionale gezondheidsindicatoren. Dit is echter een aangelegenheid die onder de bevoegdheid van de gewesten valt. Eventuele cijfergegevens moeten in elk geval met grote omzichtigheid worden gehanteerd.

Graag had ik van de minister vernomen of zij deze vaststelling kan bevestigen en cijfermatig kan onderbouwen en of zij akkoord kan gaan met de Gentse vaststelling en voorstellen. Aangezien het om een gemengde materie gaat, had ik graag vernomen of zij ter zake reeds contact heeft genomen met haar gewestelijke collega's? Indien dit niet het geval is, wat zijn haar voorstellen in verband met deze contacten?

Welke beleidsopties heeft zij ter zake genomen of zal zij nemen om dit euvel op korte termijn te verhelpen? Het is voor een plattelandsbewoner ongetwijfeld verontrustend wanneer hij verneemt twee tot vier keer meer kans te hebben om aan kanker te overlijden dan een persoon die in de stad woont.

Mevrouw Magda Aelvoet, minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu. - Wij beschikken op het ogenblik niet over statistieken waaruit zou blijken dat er op het platteland meer mensen aan kanker overlijden dan in de stad.

De gezondheidsenquête van 1997 heeft evenwel uitgewezen dat 1% van de 10 000 ondervraagde personen te kennen geven dat zij aan kanker lijden. Verdere analyse van deze gegevens toont aan dat 1,4% van de personen die verklaren aan kanker te lijden, in Brussel woont; 1,5% woont in een andere grote stad; 0,9% woont in de randstedelijke gebieden en 0,6% in de landelijke gebieden. Deze gegevens weerleggen de resultaten van de Schotse studie.

Uit de klinische gegevens van 1996 die onlangs werden gepubliceerd, blijkt dat sommige ziekenhuizen in verhouding vaker te maken krijgen met een welbepaalde problematiek dan andere.

De enige grondige Belgische studie rond kanker dateert reeds van 1994. In deze studie is helemaal geen sprake van significante verschillen inzake kankerprevalentie, afhankelijk van de woonplaats van de betrokkene.

Bovendien moet rekening worden gehouden met de organisatie van de gezondheidszorg in het Verenigd Koninkrijk. De landelijke zones in Schotland zijn groter dan heel Vlaanderen. De resultaten van een Schotse studie kunnen dus niet zonder meer worden getransponeerd naar ons land. De densiteit van de inplanting van de ziekenhuizen is er veel lager en men wordt er geconfronteerd met specifieke fenomenen.

Er werd over dit thema nog geen overleg georganiseerd met alle betrokken ministers van Volksgezondheid. De organisatie van een dergelijk overleg is overigens niet eenvoudig. In ons land zijn zeven personen bevoegd voor deze aangelegenheid: naast de federale minister en twee ministers van het Brussels Gewest moet er eveneens rekening worden gehouden met de agenda van de ministers van de Vlaamse en van de Franstalige Gemeenschap, het Waals Gewest en de Duitstalige Gemeenschap. Ook de minister van Sociale Zaken is rechtstreeks betrokken bij deze problematiek.

Ter gelegenheid van de jongste interministeriële conferentie hebben wij ons evenwel reeds gebogen over het specifieke probleem van borstkanker. Enkele maanden geleden werd ik hierover ondervraagd door mevrouw Willame. De samenwerking rond vaststellingen omtrent bepaalde problemen is op deze conferentie wel degelijk aan bod gekomen.

Wat de concrete follow-up naar aanleiding van deze studie betreft, kan ik de heer Maertens in de eerste plaats meedelen dat de geobserveerde resultaten nader moeten worden geverifieerd aan de hand van de gegevens waarover wij thans in ons land beschikken en die door het wetenschappelijk instituut voor volksgezondheid in kaart zullen worden gebracht. Voorts zullen wij de werkzaamheden van het kankerregister blijven ondersteunen ten einde de overlevingscijfers voor specifieke kankers nauwkeurig te kunnen opvolgen.

Ten slotte werken wij aan een herstructurering van de oncologische zorg dank zij een efficiënt referentiesysteem.

De heer Michiel Maertens (AGALEV). - Het verheugt mij dat de minister hoopvolle verwachtingen schept. Zij verklaart dat wij nog niet over betrouwbare statistieken beschikken, maar dat daaraan wordt gewerkt.

In de pers werd op een onverantwoorde wijze onrust gezaaid. De cijfers waarover wij beschikken bewijzen immers precies het omgekeerde. Ik vraag mij dan ook af wat de wetenschappelijke waarde is van de uitspraken in dit verband van sommige oncologen.

Mondelinge vraag van mevrouw Ingrid van Kessel aan de minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu over «de toegang tot bijzondere beroepsbekwaamheden van verpleegkundigen» (nr. 2-247)

Mevrouw Ingrid van Kessel (CVP). - Het sociaal akkoord voor 2000 stelt dat het begrip `bijzondere beroepstitel' zal worden omgevormd tot een `bijzondere beroepsbekwaamheid' en dat de bijzondere beroepsbekwaamheden in de toekomst enkel nog toegankelijk zullen zijn voor de gegradueerde verpleegkundigen. In het verleden waren de bekwaamheden voor beide beroepsgroepen, de gebrevetteerden-gediplomeerden en de gegradueerden, toegankelijk. Bij de bijzondere beroepstitel was bijna uitsluitend sprake van een instroom van gegradueerden. Het sociaal akkoord heeft het nu over een samensmelting waarbij het beroep enkel nog toegankelijk zou zijn voor gegradueerde verpleegkundigen. Mij is dit allemaal niet zo duidelijk.

Kan de minister verduidelijken welke specialisaties in de toekomst behouden blijven en voor wie ze nog toegankelijk zullen zijn? Wat gebeurt er met de bijzondere beroepstitel intensieve zorg en spoedgevallen?

Ik informeerde in mijn vraag van 16 december 1999 met betrekking tot de beroepstitels van verpleegkundigen - gegradueerde/gediplomeerde. De minister antwoordde toen dat ze tegen eind januari 2000 verduidelijking ging geven. Ze heeft toen ook gezegd dat ze voor het behoud van de A2-opleiding was. Ik heb hierover nadien niets meer vernomen. Ik had dan ook graag wat meer uitleg gekregen.

Mevrouw Magda Aelvoet, minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu. - De onderhandelingen tussen vertegenwoordigers van de kabinetten van mevrouw Onkelinx, de heer Vandenbroucke en mezelf, en de sociale partners hebben zich toegespitst op de situatie en het statuut van de personen die in de gezondheidssector zijn tewerkgesteld. Hierbij werd ook gesproken over de afronding en de uitwerking van de bijzondere beroepsbekwaamheden die in de plaats komen van de bijzondere beroepstitels.

In 1994 werd een uitvoerig koninklijk besluit opgesteld waarin werd vastgelegd welke verschillende titels er zouden komen. In de praktijk is slechts één titel uitgewerkt, namelijk die van de intensieve zorgen en de spoedgevallen. De andere zijn blijven hangen in een koninklijk besluit dat niet verder is geactualiseerd. Tijdens zeer intensieve gesprekken in januari en februari is naar voor gekomen dat het opsluiten van verpleegkundigen in een of andere specialisatie de meervoudige inzetbaarheid sterk ondergraaft. Om die reden waren alle sociale partners vragende partij om niet verder te gaan in de richting van zeer gesloten beroepstitels. Wie in dat regime tien jaar op intensieve zorgen heeft gewerkt, kan niet meer worden ingezet in heel wat andere afdelingen. Dit systeem mocht niet worden veralgemeend. Alle andere specialisaties zoals pediatrie, geestelijke gezondheidszorg, geriatrie, oncologie, medische beeldvorming enzovoort, worden "beroepsbekwaamheden".

De sector heeft wel gevraagd om bijzondere aandacht te schenken aan de sociale geneeskunde. Misschien moet hiervoor een uitzondering worden gemaakt. In één jaar van de driejarige opleiding voor gegradueerde verpleegster kan de nodige kennis niet worden overgebracht. Dit wordt momenteel nog bestudeerd.

De beroepstitel "intensieve zorgen en spoedgevallen" is reeds ingesteld en kan niet van vandaag op morgen worden afgeschaft. Er is beslist een uitloopmaatregel te treffen. De titel blijft voorlopig bestaan en zal met een uitdovend effect na verloop van tijd opnieuw een bijzondere beroepsbekwaamheid worden. Om de zes jaar zal de erkenning worden vernieuwd.

Wat het tweede aspect van de vraag betreft dat betrekking heeft op het onderscheid tussen gebrevetteerde en gegradueerde verpleegkundigen, kan ik meedelen dat de onderhandelingen intussen werden afgerond. Zoals u weet, was hierover overleg en initiatief op het niveau van de gemeenschappen noodzakelijk.

Zoals ik reeds heb gezegd in verschillende provincies waar ik werd uitgenodigd, bevestig ik dat de opleiding van gebrevetteerde verpleegkundige apart blijft bestaan. Niettemin zullen bruggen mogelijk blijven om na een bepaald aantal jaren ervaring als gebrevetteerd verpleegkundige, mits bijscholing te volgen, de overstap te kunnen maken. Na de ene overstap kunnen ook de andere volgen.

Mevrouw Ingrid van Kessel (CVP). - Ik dank de minister voor haar antwoord, maar het is me niet helemaal duidelijk of alle beroepsbekwamingen enkel toegankelijk zullen zijn voor de gegradueerde verpleegkundigen.

In september starten de nieuwe opleidingen. Voor de scholen die de bijzondere opleidingen organiseren - het aanzienlijk aantal verpleegkundigen die deze opleidingen volgen, verrast me telkens weer - is het uitermate belangrijk zo snel mogelijk duidelijkheid te scheppen. Voor wie zijn die opleidingen toegankelijk? Hoe kunnen ze worden georganiseerd in samenspraak met de gemeenschappen? Zijn de beroepsbekwamingen enkel nog toegankelijk voor de gegradueerden?

Mevrouw Magda Aelvoet, minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu. - De beroepsbekwamingen zijn inderdaad alleen toegankelijk voor gegradueerden. Vermits echter een overstap van gebrevetteerde naar gegradueerde mogelijk is, kan een oorspronkelijk gebrevetteerde die gegradueerde geworden is de beroepsbekwaming volgen.

Wat de bekendmaking van deze zaak betreft: ik houd ik hierover morgen een persconferentie.

Mondelinge vraag van de heer Mohamed Daif aan de minister van Sociale Zaken en Pensioenen over «het sociaal statuut van taxichauffeurs» (nr. 2-241)

De heer Mohamed Daif (PS). - Ingevolge een brief van de Unie van Brusselse taxi's heeft de minister artikel 3, 5bis van het koninklijk besluit van 28 november 1969 gewijzigd. Zodoende is het vermoeden dat de betrokkenen onderworpen zijn aan het sociaal statuut van de loontrekkenden uit het KB geschrapt.

De vorige minister, mevrouw Magda De Galan, had de administratie reeds doen nagaan hoe deze zaak kon worden geregeld in het belang van de werknemers van de taxisector.

De wetgeving is echter nog niet gewijzigd en de RSZ eist opnieuw de betaling van achterstallige bijdragen over verschillende jaren.

Heeft het ministerie maatregelen genomen om een einde te maken aan de vervolging van de taxibedrijven?

Hoever staat het met de wijziging van de wetgeving?

De heer Frank Vandenbroucke, minister van Sociale Zaken en Pensioenen. - Omdat de reglementering zou worden gewijzigd, heeft mijn voorgangster, mevrouw De Galan, de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid bij brief van 15 mei 1998 verzocht de vervolgingen met betrekking tot de onderworpenheid van de taxichauffeurs aan het sociaal statuut van de loontrekkenden op te schorten.

Bij mijn aantreden op het kabinet van Sociale Zaken heb ik kennis genomen van het dossier en beslist dit initiatief voort te zetten.

Aan de inspectiediensten werd gevraagd rekening te houden met de opschorting. De minister kan de instelling die belast is met de inning van de bijdragen echter niet dwingen om de wet en de reglementen niet toe te passen.

De Ministerraad heeft een wijziging goedgekeurd van artikel 3, 5°, van het besluit van 28 november 1969. Hierbij werd rekening gehouden met de opmerkingen van de sociale partners in de Nationale Arbeidsraad. Het ontwerp van koninklijk besluit bepaalt dat de vervoerder van personen niet onderworpen is aan het socialezekerheidsstelsel voor loontrekkenden, voor zover hij voldoet aan een aantal voorwaarden. Zo moet hij ten minste 50% bezitten van de aandelen van de onderneming die het voertuig uitbaat, hij moet een vergunning bezitten op zijn eigen naam of op die van de onderneming waarvan hij ten minste 50% van de aandelen bezit, hij moet zelf zijn arbeidsuren en arbeidsdagen kunnen regelen en hij moet zelf kunnen beslissen of hij de ritten voorgesteld door een taxicentrale weigert of aanvaardt.

Het ontwerp van KB werd op 7 april 2000 aan de Raad van State voorgelegd met het verzoek advies uit te brengen binnen de maand.

Ik hoop dat dit KB de zaak naar ieders tevredenheid oplost.

De heer Mohamed Daif (PS). - Ik dank de minister voor zijn antwoord en voor zijn belangstelling voor deze aangelegenheid.

Samen met de personen van de betrokken sector wachten wij de publicatie van de aangekondigde wijziging vol ongeduld af.

Mondelinge vraag van de heer René Thissen aan de minister van Sociale Zaken en Pensioenen over «de verkoop van geneesmiddelen in grote verpakkingen» (nr. 2-242)

De heer René Thissen (PSC). - De regering heeft besloten maatregelen te nemen teneinde de uitgaven voor het geneesmiddelenverbruik onder controle te houden.

We kunnen dit beleid enkel ondersteunen want het is onaanvaardbaar dat de uitgaven verbonden aan het geneesmiddelenverbruik, de uitgaven voor gezondheidszorg zo sterk beïnvloeden. Toch wil ik de aandacht van de minister vestigen op enkele averechtse gevolgen die de patiënten uiteindelijk straffen.

De regering heeft besloten de prijs van de verkoop van geneesmiddelen in grote verpakkingen te verminderen. Naar het schijnt hebben farmaceutische bedrijven reeds gereageerd door de apotheken niet langer te bevoorraden met grote verpakkingen.

Dit heeft twee gevolgen.

Ten eerste heeft de maatregel geen effect op de begroting voor gezondheidszorg.

Ten tweede moeten de patiënten een hogere prijs betalen dan vroeger aangezien geneesmiddelen in kleine verpakking duurder zijn.

Mensen die grote verpakkingen nodig hebben, zijn vaak chronisch zieken. De regering heeft een hele reeks maatregelen genomen ten behoeve van de chronisch zieken. Het gaat dan ook niet op dat deze, door het averechts gevolg van een beslissing, in een moeilijkere situatie zouden terechtkomen.

Is de minister op de hoogte van genoemde praktijken van de farmaceutische industrie? Zo ja, wat gaat hij doen om te voorkomen dat besparingsmaatregelen in de geneesmiddelensector de sociaal verzekerden, en dan vooral de zwaksten onder hen, straffen?

De heer Frank Vandenbroucke, minister van Sociale Zaken en Pensioenen. - De regering heeft inderdaad besloten de prijs voor grote verpakkingen met 20% te verminderen. Dit is een procedureel moeilijke zaak aangezien de minister van Economie de prijzen vastlegt en de minister van Sociale zaken de terugbetaling bepaalt.

De minister van Economie heeft een besluit uitgevaardigd dat de prijs voor grote verpakkingen vermindert. Hij heeft tegelijkertijd aangegeven dat een aantal uitzonderingen mogelijk zijn. Sommige verpakkingen lijken op het eerste gezicht groot, maar zijn bestemd voor specifieke en niet-chronische aandoeningen. De minister heeft ook aangekondigd dat nog andere uitzonderingen kunnen worden overwogen.

De situatie is een beetje ingewikkeld want de leidinggevend ambtenaar van het ministerie van Economische zaken had enkele bedrijven reeds verwittigd dat ze een uitzondering konden genieten, terwijl ik, als minster van Sociale Zaken, nog niet had kunnen nagaan of er ook uitzonderingen op de terugbetaling mogelijk waren.

De minister van Economie en ikzelf hebben besloten nauw samen te werken met de minister van Volksgezondheid teneinde de uitzonderingen aan te passen aan de algemene regel van een prijsvermindering voor grote verpakkingen. Op 1 mei werd een eerste reeks uitzonderingen verleend; een tweede volgt op 1 juni.

Zodoende nemen we een aantal moeilijkheden uit de weg. Ik hoop de apothekers, de farmaceutische industrie en de ziekenfondsen te kunnen inlichten over de op til zijnde uitzonderingen.

Enkele bedrijven hebben de beslissingen niet afgewacht en hebben hun grote verpakkingen van de markt gehaald. Ethisch gezien vind ik dit onaanvaardbaar, maar ik beschik over weinig wettelijke middelen om op te treden. Bedrijven die terugbetaalbare geneesmiddelen produceren, worden geacht die op de markt te brengen. We beschikken echter niet over de nodige koninklijke besluiten om deze verplichting af te dwingen.

Ik hoop de lopende dossiers de komende dagen af te ronden. Ik zal samen met de minister van Economie over de tweede reeks van uitzonderingen beslissen. De bedrijven zullen worden ingelicht en alle bevoorradingsproblemen kunnen worden opgelost. Als sommige bedrijven de apotheken weigeren te bevoorraden, kunnen de artsen alternatieve geneesmiddelen voorschrijven die wel op de markt beschikbaar zijn.

De heer René Thissen (PSC). - Het zou interessant zijn om te weten hoeveel uitzonderingen er zijn. Wie sympathieke maatregelen aankondigt en ze vervolgens met te veel uitzonderingen uitholt, schiet zijn doel voorbij.

Wie vroeger een geneesmiddel kocht tegen een bepaalde prijs, zal nu niet de aangekondigde prijsvermindering van 20% genieten, maar zal integendeel meer betalen omdat het geneesmiddel in een kleine verpakking wordt verkocht.

Het is aangewezen de maatregelen te harmoniseren want het doel zal niet worden bereikt door bepalingen aan te kondigen die nadien niet worden omgezet in koninklijke of in ministeriële besluiten.

Mondelinge vraag van de heer Ludwig Caluwé aan de minister van Sociale Zaken en Pensioenen over «de betoging van de logopedisten en de vrees dat leer- en spraakstoornissen straks niet meer worden terugbetaald» (nr. 2-246)

Mondelinge vraag van mevrouw Myriam Vanlerberghe aan de minister van Sociale Zaken en Pensioenen over «de mogelijke stopzetting van terugbetaling van de logopediesessies door de ziekteverzekering» (nr. 2-248)

De voorzitter. - Ik stel voor deze mondelinge vragen samen te voegen. (Instemming)

De heer Ludwig Caluwé (CVP). - Vanochtend betoogden logopedisten en hun patiënten. De logopedisten hebben al geruime tijd belangrijke grieven. Vaak wordt aan hun eisen door de overheid lippendienst bewezen, maar duurt het wel even voor het beleid ook werkelijk wordt uitgevoerd en dan nog niet eens volledig.

Zo werd vorig jaar plots het officiële honorarium van de logopedisten teruggebracht van 482 frank naar 438 frank. In april 1999 beloofde de toenmalige kabinetschef van Sociale Zaken dat dit onmiddellijk zou worden rechtgezet, maar het duurde wel even voor dit effectief gebeurde, zodat de logopedisten een aantal maanden aan een verminderd tarief moesten werken. Op 20 oktober 1999 verklaarde de huidige minister in de Kamer dat de logopedisten legitieme verzuchtingen hebben. Toch werd de enveloppe voor 2000 uiteindelijk niet vastgelegd op het oorspronkelijk voorziene bedrag van 1.374 miljoen, maar werd ze teruggebracht tot 1.263 miljoen. Resultaat hiervan is dat er nog steeds geen conventie werd afgesloten.

Als klap op de vuurpijl liet de minister op de academische zitting van de Vlaamse Vereniging voor logopedisten op 7 april 2000, de boodschap brengen dat de oplossing voor leerstoornissen niet in de ziekteverzekering mocht worden gezocht. Sindsdien vrezen de ouders van de 25.000 kinderen die momenteel logopedische behandelingen krijgen, dat de terugbetaling zal wegvallen. Niet alleen de logopedisten, maar ook de ouders, zijn nu verontrust. Ik hoop dat de minister, na de betoging van vandaag, positieve antwoorden kan geven, zodat de onrust verdwijnt.

Daarom stel ik hem graag enkele vragen.

Op welke wijze denkt de minister tegemoet te komen aan de verzuchtingen van de zelfstandige logopedisten die ook door hem legitiem worden genoemd? Kunnen de enveloppe en het honorarium worden opgetrokken? Hoe denkt de minister dat er tot een conventie kan worden gekomen?

Hoe ernstig is het voorstel dat op 7 april werd gelanceerd om de RIZIV-terugbetaling voor leermoeilijkheden te schrappen? Wil de minister hier het engagement aangaan dat die schrapping slechts zal geschieden indien met de gemeenschappen het akkoord is bereikt dat zij de kosten van de ouders overnemen? Zal dat akkoord inhouden dat er budgetten naar de gemeenschappen worden overgeheveld?

Zal er daarbuiten in de RIZIV-budgetten nog ruimte zijn voor de schoolkinderen die andere hulp dan logopedie nodig hebben?

Mevrouw Myriam Vanlerberghe (SP). - Net als mijn collega maak ik me zorgen over de berichten over de sector logopedie, die niet alleen vandaag naar aanleiding van de betoging, maar ook in het verleden al in het nieuws kwam. Vandaag lezen we in de krant dat voor een deel van de problemen die met logopedie moeten worden opgelost, terugbetaling niet meer mogelijk is. Ik weet niet hoe ernstig dit bericht is; het artikel was immers, zacht gezegd, verwarrend. Uit respect voor de logopedisten, de betrokken ouders en kinderen zou ik het op prijs stellen dat er op dit punt klaarheid komt. Er leeft heel wat ongerustheid en terecht. Wie een kind met leermoeilijkheden heeft, is vaak aangewezen op de hulp van een logopedist. Als we de terugbetaling stopzetten, zullen heel wat ouders die hulp niet meer kunnen bekostigen en zullen heel wat kinderen niet meer de kans krijgen bijkomende lessen of hulp te krijgen. Ik spreek me niet uit over de vraag of logopedie de beste oplossing is voor sommige leerproblemen. Het is evenwel een feit dat de meeste ouders zich tot logopedisten wenden, overigens op aanraden van school of dokter, en zolang dat zo is, zijn een goede planning en terugbetaling nodig.

Ik wil de minister dan ook volgende vragen stellen. Klopt het dat er een wijziging in de terugbetaling komt? Klopt het dat de budgetten bevroren zijn, zoals een krant meldde? Is de minister de hele wetgeving terzake aan het herbekijken? Kloppen de geruchten dat er onder andere wordt gedacht aan het koppelen van de terugbetaling aan het gezinsinkomen? Ik vraag de minister hierover zoveel mogelijk klaarheid.

De heer Frank Vandenbroucke, minister van Sociale Zaken en Pensioenen. - Er zijn in de media nogal wat voorbarige berichten gelanceerd en hier en daar werden beslissingen bekendgemaakt die nooit werden genomen. Daarom lijkt het me nuttig dat ik mijn antwoord begin met even een en ander op een rij te zetten.

De terugbetaling van de logopedische behandeling van spraak- en leerstoornissen is op het ogenblik als volgt geregeld. In de Commissie voor de overeenkomsten met de logopedisten - dat is het overlegorgaan met paritaire vertegenwoordiging van de beroepsverenigingen van logopedisten en de verzekeringsinstellingen dat binnen het RIZIV bestaat - is enkel de suggestie geopperd om op langere termijn logopedie op school niet meer terug te betalen. De suggestie - geen beslissing dus -kwam trouwens niet van mij, maar als ik me goed herinner van de logopedisten.

De behandeling van spraak- en leerstoornissen situeert zich op de grens van onderwijs en gezondheidszorg. De vraag welke logopedische zorg thuishoort in het onderwijs en welke zorg ten laste valt van de ziekteverzekering is daarom zeker terzake. Aangezien het debat hierover echter nog niet is gevoerd, kan er van een conclusie geen sprake zijn. Als het zover komt, zullen de beroepsverenigingen uiteraard bij het debat worden betrokken. Ze zitten bij de onderhandelingen binnen het RIZIV trouwens altijd mee aan tafel. Ik vind het dan ook vreemd dat ze voor mijn deur komen betogen voor iets waarover ze zelf mee beslissen.

Ik vermoed dat alleszins de Vlaamse minister van Onderwijs met deze kwestie bezig is. Bij de voorbereiding van mijn antwoord op de vragen van de senatoren Caluwé en Vanlerberghe en naar aanleiding van de krantenartikels waarnaar ze verwijzen, heb ik hier en daar mijn licht opgestoken, onder meer inzake de urgentie van de besluitvorming. Men zegt me dat er gesprekken met de logopedisten lopende zijn en dat de conclusies pas tegen september 2001 worden verwacht.

Aangezien er geen sprake is van een beslissing om de terugbetaling te schrappen en ik nooit een dergelijk voorstel heb gedaan, zijn de overige vragen in het verlengde daarvan zonder voorwerp.

Op de specifieke vragen over het budget en de honoraria kan ik het volgende meedelen.

Het budget voor 2000 is vrij aanzienlijk gestegen in vergelijking met dat van het jaar daarvoor. In 1999 bedroeg dat 1,057 miljard en werd er 1,114 miljard uitgegeven. Normaal geeft een dergelijke overschrijding aanleiding tot corrigerende maatregelen. Die hebben we echter niet getroffen, maar het budget voor 2000 opgetrokken naar 1,263 miljard. Dat is een stijging met 20 procent die in feite geplaatst moet worden naast de groeinorm voor de gezondheidszorg, die 2,5% bedraagt.

Inzake de honoraria is de informatie van de heer Caluwé duidelijk niet volledig. Dat daalde op 1 mei 1999 inderdaad van 482 naar 438 frank, om een reden van puur technische aard, namelijk dat het honorarium gekoppeld is aan dat van de kinesitherapie waar de sleutelletter was gedaald. Op 1 juli echter werd het honorarium opgetrokken tot 496 frank en dat voor de rest van het jaar. Dat maakt dat het honorarium voor 1999 neerkwam op 482 frank. Er is nog geen nieuwe overeenkomst gesloten en evenmin werd het honorarium ondertussen geïndexeerd. Het bedraagt bijgevolg nog steeds 482 frank.

In de Overeenkomstencommissie zijn de ziekenfondsen en logopedisten het eens om tegen 1 oktober een nieuwe nomenclatuur in te voeren. Ik kan daar uiteraard niet op vooruit lopen, maar dat zal alleszins een belangrijke stap zijn. Ik heb me dan ook geëngageerd om een verhoging van het honorarium budgettair mogelijk te maken. Het gaat over mensen met een A1-diploma die niet navenant betaald worden.

In ruil voor die honorariumverhoging moeten de logopedisten wel met de ziekenfondsen tot een akkoord komen over de manier waarop ze het logopediebudget onder controle kunnen houden. Om de discussie daarover te vergemakkelijken heb ik aan de sector net als aan andere sectoren van het RIZIV gevraagd dat ze me een driejarenperspectief uittekenen. Ik wil in de ziekteverzekering niet langer werken met een budgetplanning van jaar op jaar, maar de dingen op iets langere termijn bekijken. De verwachtingen voor deze sector verantwoorden heel waarschijnlijk een ernstige stijging, bovenop de twintig procent die we vorig jaar al hebben toegekend.

We zullen het wel eens moeten worden over de beheersingsmechanismen van de uitgavenstijgingen in deze sector. Tegelijktertijd moet er met de ministers van onderwijs een akkoord komen dat duidelijk maakt welke kosten voor onderwijs zijn en welke voor de ziekteverzekering. Ik ga daarbij niet uit van de belangen van mijn budget of van die van de Vlaamse of Waalse minister van Onderwijs, noch van de belangen van de logopedisten. Ik ga wel uit van de belangen van het kind. Het zijn die belangen die de discussie moeten sturen en ik hoop dat er op dat vlak vooruitgang wordt geboekt.

De heer Ludwig Caluwé (CVP). - We zullen de discussie over de honoraria en over de budgettaire aspecten aandachtig volgen en hopen dat er vlug een oplossing komt die de ouders en de logopedisten zekerheid geeft.

Het moet snel duidelijk worden welke instanties de behandeling van leer- en taalstoornissen zullen vergoeden: de ziekteverzekering of het departement van Onderwijs. Graag had ik van de minister ook vernomen of de tekst die op de academische zitting van de Vlaamse Vereniging voor Logopedisten op 7 april is uitgesproken het standpunt van de minister was. Daar is onder meer gezegd: "Slechts als blijkt dat - liefst zo vlug mogelijk na een zorgvuldig multidisciplinair bilan en niet na een systematische logopedische screening van scholen - een therapeutische relatie de enige valabele is, dan pas zou ze moeten worden vergoed door de ziekteverzekering". Voor de betrokkenen is het belangrijk te weten wie daarover zo denkt.

De heer Frank Vandenbroucke, minister van Sociale Zaken en Pensioenen. - De toespraak werd gehouden door dokter Vereecke, een belangrijk ambtenaar van het RIZIV, maar ik voel mij daar verantwoordelijk voor. De suggestie om de terugbetaling te herbekijken komt niet van mij, maar is bij het RIZIV tijdens het overleg geopperd. Die suggestie is logisch en ik heb daar een reactie op gegeven.

Mevrouw Myriam Vanlerberghe (SP). - Wat de minister hier zegt, stemt niet overeen met wat logopedisten en de media vandaag zeggen. Ik hoop dat er snel klaarheid komt. Ik ben het met de minister eens dat het belang van het kind moet primeren en ik hoop dat alle gesprekpartners dat zullen inzien.

Mondelinge vraag van de heer Vincent Van Quickenborne aan de minister van Economie en Wetenschappelijk Onderzoek over «E-forum, de regeringsnota aangaande de elektronische handel » (nr. 2-243)

De heer Vincent Van Quickenborne (VU-ID). -Een aantal weken geleden hebben de voorganger van minister van Economie, de heer Rudy Demotte, samen met zijn collega van Telecommunicatie Rik Daems, op een druk bijgewoonde persconferentie een beleidsnota over de elektronische handel toegelicht. Naar aanleiding daarvan werd een website gelanceerd "E-Forum" met als adres: users.skynet.be/e-forum. De bedoeling was om in interactie met de burger een discussie op gang te brengen om de beleidsnota te verbeteren.

Nader toezicht leert ons echter dat de regering op internetvlak heel graag meesurft op de golven van website en van persconferenties, maar dat het beleid in ons land gekenmerkt wordt door een slakkengang en een negatieve houding ten aanzien van Internet.

Samen met collega Destexhe ben ik reeds een paar keer over dit onderwerp tussengekomen. In mijn vraag wil ik mij toespitsen op het uithangbord van de regering in verband met de genoemde beleidsnota, de website E-forum.

Hoeveel suggesties van de burgers heeft de minister via deze website ontvangen?

Bij het bekijken van de website stelt men een groot amateurisme vast. Blijkens de website is tot op vandaag de minister van economie de heer Demotte.

Denkt de minister dat hij met deze website de ondernemers en de gebruikers kan overtuigen van het gebruik van Internet?

De uitspraak van de journalisten dat minister Daems de minister van Belgacom zou zijn, is blijkbaar juist. De overheid maakt immers gebruik van de "hosting" van een provider, met name Skynet, om de website uit te bouwen. Is het niet wenselijk dat de overheid een beroep zou doen op haar eigen netwerk, met name fgov.be.?

Een ander punt is de problematiek van de reclame. Als men met behulp van de browser surft naar de website in kwestie, komen er reclameboodschappen te voorschijn, onder meer voor Visa. Wordt de Belgische overheid gesponsord voor zijn website? Vindt de minister het niet absurd dat de Belgische staat een beroep moet doen op gratis diensten om een website op poten te zetten?

De verwijzing op de website naar een website van minister Demotte - die blijkens de website nog steeds minister van Economische Zaken is - is uitsluitend Franstalig. Wat is het statuut van deze website? Gaat het om een persoonlijke website? Is deze website in dat geval conform de wet op de verkiezingsuitgaven? Indien het een officiële site van de minister betreft, worden de wetten op het taalgebruik flagrant geschonden.

Graag had ik meer verduidelijking.

De heer Charles Picqué, minister van Economie en Wetenschappelijk Onderzoek. - Mijn voorganger, Rudy Demotte, stelde inderdaad aan de ministerraad een regeringsnota voor over de elektronische handel. Op de ministerraad van 18 februari werd beslist om deze nota aan de betrokken sectoren voor te leggen. De consultatie van de sectoren zal gebeuren in de vorm van drie E-forums tijdens dewelke we het advies van de actoren op het gebied van elektronische handel zullen inwinnen. De kamers van koophandel, de vrije beroepen, de consumentenverenigingen en de verenigingen van de providers zullen daar vertegenwoordigd zijn. Op die manier voldoen we aan een wens naar dialoog en transparantie.

De website waar de heer Van Quickenborne naar verwijst, werd snel ontworpen door het vorige kabinet en werd gratis op Internet geplaatst. Ze had tot doel de oriënteringsnota over de elektronische handel ter beschikking te stellen van de deelnemers aan de inforonde, zodat ze daar kon worden besproken.

De herschikking van de ministerposten verdaagde uiteraard de installatie van E-forum. De nota is nu beschikbaar op de officiële site van het Ministerie van Economische Zaken .De eerste site heeft dus geen reden van bestaan meer. Ik heb dan ook gevraagd ze op te heffen. De verbinding met "suggesties" werd niet geïnstalleerd op die voorlopige site en wij hebben er bijgevolg geen ontvangen.

Ik weet niet welke procedure door mijn voorganger werd gevolgd, maar ik zou er toch willen aan herinneren dat het over een site ging, die gratis een plaats kreeg op het net. Bovendien wordt er op die site geen reclame gemaakt. Ik veronderstel dat er verwarring is met de site van mijn collega, Rik Daems, die toegankelijk is via E-forum.

Ik heb de controlecommissie voor de verkiezingsuitgaven gevraagd na te gaan of met E-forum de wet op de verkiezingsuitgaven wordt overtreden.

Het komt mij niet toe mij uit te spreken over de verbinding met de homepage van mijn voorganger. Ik denk niet dat de wetten op het gebruik van de talen, van toepassing zijn op de persoonlijke homepages. Het probleem dat de heer Van Quickenborne heeft aangesneden, is reëel maar schept geen taalprobleem.

De heer Vincent Van Quickenborne (VU-ID). - Het antwoord van de minister stelt mij teleur. Het is kenmerkend voor de wijze waarop de overheid vandaag de dag omspringt met het Internet.

De minister houdt staande dat zijn voorganger de website, die nu overigens zal worden afgesloten, zeer snel heeft moeten creëren. Er werd toch een persconferentie aan gewijd...

Een bedrijf dat vandaag een website wil installeren, denkt toch eerst vier keer na vooraleer de daad bij het woord te voegen. De amateuristische wijze waarop de regering is te werk gegaan, illustreert haar negatieve houding ten aanzien van het Internet.

Verder wil ik de minister suggereren om straks eens via Netscape naar de bewuste site te surfen. Hij zal dan opmerken dat er reclame wordt gemaakt voor een aantal bedrijven, waaronder Visa. Dat heeft alles te maken met het feit dat men een beroep heeft gedaan op Skynet om die site gratis te bouwen.

De minister houdt overigens staande dat de regering de gelegenheid had om deze site door Skynet te laten bouwen en vervolgens gratis te laten installeren. Staan we dan niet voor een ernstig probleem van belangenvermenging? Waarom geeft de minster die kans niet aan een ander bedrijf? Bestaat er misschien toch een link tussen Belgacom, een bedrijf dat functioneert in de communicatiesector, en de overheid die eigenlijk een neutrale houding dient aan te nemen?

Los van deze discussie hoop ik dat de minister voldoende aandacht zal besteden aan de problematiek rond E-commerce, de elektronische handel. België heeft een achterstand van zes maanden opgelopen ten overstaan van zijn buurlanden en van twee jaar ten overstaan van de Verenigde Staten. Bij de industriële revolutie rond 1850 heeft ons land het voortouw genomen, maar ik heb de indruk dat we vandaag een enorme achterstand oplopen.

Ik stel vast dat de nota over de elektronische handel weinig bekend is, dat geen enkele parlementaire commissie of assemblee hieraan enige aandacht besteedt, terwijl dit thema de politici bij uitstek zou moeten interesseren. Totnogtoe werden we op geen enkele wijze geïnformeerd over wat terzake op Europees vlak gebeurt, noch over de houding van de Belgische regering ten aanzien van ontwerprichtlijnen.

Ik vraag met aandrang dat hieraan in de komende weken en maanden de nodige aandacht zou worden besteed in de commissies en de plenaire vergadering van de Senaat. Zou de minister de betrokken nota kunnen voorstellen en zodoende de discussie met de parlementsleden openen?

Vraag om uitleg van mevrouw Erika Thijs aan de minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu over «het toenemend gebruik van het geneesmiddel Rilatine» (nr. 2-121)

Mevrouw Erika Thijs (CVP). - ADHD, Attention Deficit Hyperactivity Disorder, is een moeilijk te diagnosticeren ziektebeeld dat pas de laatste jaren onderscheiden kan worden van gedragsproblemen die eigen zijn aan het opgroeien. Ik kom zelf uit het onderwijs en had in mijn klas vaak kinderen die niet konden stilzitten.

Als ADHD vastgesteld wordt, wordt meestal Rilatine voorgeschreven. Rilatine behoort tot de familie van de amfetamines en werkt als stimulans in op het centrale zenuwstelsel.

De meningen omtrent dit geneesmiddel zijn verschillend. Tegenstanders wijzen erop dat de hersenen bij jonge kinderen nog niet volledig ontwikkeld zijn en vrezen voor nevenwerkingen zoals depressiviteit en eetstoornissen. Jeugdpsychologe Hedwige Stellamans-Wellens kiest dan ook als oplossing voor de gedragstherapie. Volgens jeugd- en kinderpsychiater Marina Danckaerts van de KULeuven daarentegen is bijna 80 procent van de ADHD-gevallen het gevolg van erfelijke afwijkingen, 10 procent van hersenafwijkingen en slechts een klein deel is terug te brengen tot opvoedkundige problemen thuis of op school.

De verkoop van Rilatine in België is verdubbeld van 1995 tot 1999 van 90.000 tot 200.000 dozen van 20 pilletjes. Deze verdubbeling wordt verklaard als een "inhaalbeweging" omdat het ziektebeeld ADHD pas recent ontdekt is door Belgische huisartsen en specialisten. Gaan wij naar Amerikaanse toestanden waar 1,5 procent van alle kleuters tussen 2 en 5 jaar ofwel Rilatine ofwel antidepressiva slikt?

Ook bij scholieren is Rilatine niet onbekend, vanwege het effect van het verpulverde goedje wanneer het wordt opgesnoven zoals cocaïne. In Amerika en ook in Nederland wordt dit "geneesmiddel" op de speelplaats "gedeald". Volgens hoogleraar Paul Schepens gaat het hier niet om een onschuldig pilletje maar om een echte amfetamine die het centrale zenuwstelsel stimuleert en bij verkeerd en overmatig gebruik tot verslaving, gewelddadig gedrag en psychoses kan leiden.

Daarom had ik graag van de minister vernomen of er aan het voorschrijven van Rilatine een nauwkeurig afgebakend psychologisch en lichamelijk onderzoek voorafgaat dan wel of men zich ook enkel mag baseren op "klachten" waardoor het voorschrijven van Rilatine ook een gemakkelijkheidsoplossing kan zijn.

Heeft men onderzocht in welke mate het gebruik van Rilatine negatieve gevolgen heeft op de lichamelijke en psychologische ontwikkeling van kleuters? Zo ja, houdt men hiermee dan ook rekening? Wat doet de overheid onder het moto "beter voorkomen dan genezen" om te voorkomen dat Rilatine een ware drug wordt bij jongeren zoals men in Amerika en ook al in Nederland kan vaststellen? Kan er gecontroleerd worden of het voorgeschreven geneesmiddel ook werkelijk wordt ingenomen door de patiënt aan wie het werd voorgeschreven? Dit om te voorkomen dat Rilatine als drug wordt verhandeld.

Mevrouw Magda Aelvoet, minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu. - Mevrouw Thijs vraagt of aan het voorschrijven van Rilatine een nauwkeurig lichamelijk en psychisch onderzoek voorafgaat. Ik kan alleen antwoorden dat we ervan uitgaan dat zulks inderdaad gebeurt. Ik heb geen enkele aanwijzing dat de artsen er lichtzinnig mee omspringen. Voor het voorschrijven van medicamenten en de noodzakelijke voorafgaande onderzoeken rekenen wij op de verantwoordelijkheidszin van het medische korps.

Ze vroeg mij ook of onderzoeken hebben aangetoond dat deze medicamenten aan kleuters worden toegediend en of er, bij de toediening aan ADHD-patiënten, eenduidige negatieve gevolgen zijn voor de lichamelijke en psychologische ontwikkeling van het kind. Over het gebruik door kleuters hebben wij geen afzonderlijke gegevens en met betrekking tot de negatieve gevolgen wijs ik erop dat er met dit medicament, zoals trouwens met alle andere medicamenten en zeker met amfetamines, uiterst voorzichtig moet worden omgesprongen. Ook hiervoor rekenen wij op de verantwoordelijkheidszin van de arts.

Ik ben van mening dat de situatie in de Verenigde Staten en Nederland niet kan worden vergeleken met de situatie in België. Bij ons wordt dit geneesmiddel als een verdovend middel beschouwd en de distributie hiervan is aan een uiterst strenge controle onderworpen. Elk comprimé kan als het ware gevolgd worden tot bij het gezin waar het terecht komt. Meer kunnen we niet doen. Ook het gedrag van volwassenen inzake medicatie kan niet volledig worden gecontroleerd. Sommigen respecteren de duur van de medicatie niet, ze wordt onderbroken, hervat, enzovoort. Het is bijvoorbeeld ook mogelijk dat in een gezin een bepaald voorschrift niet werd ingediend en blijft rondslingeren zodat anderen het nadien kunnen gebruiken. We kunnen dat niet controleren.

Mevrouw Thijs wijst terecht op de belangrijke toename van het gebruik van dit medicament. Er wordt mij verzekerd dat dit een normale evolutie is. Als een recent middel op de Belgische markt komt, volgt er eerst een fase waarin het medicament wordt "ontdekt", wat een verklaring is voor de toename in het gebruik. Ik zal vragen om deze evolutie van nabij te volgen.

Mevrouw Erika Thijs (CVP). - De minister zegt dat de toestand in de Verenigde Staten en die in Nederland niet met de onze kunnen worden vergeleken, maar wanneer het in de Verenigde Staten regent, druppelt het ook wel eens bij ons. Ik wijs er op dat het gebruik van het medicament bij ons op vier jaar tijd meer dan verdubbeld is.

In het tijdschrift Semper verscheen deze week weer een enorm grote advertentie voor Rilatine. Dat vraagt toch wel een bijzondere waakzaamheid. Het is natuurlijk gemakkelijker probleemkinderen in de klas een pilletje te doen slikken dan ze extra te begeleiden en ze eventueel andere taken te geven waarbij ze zich goed voelen, want daar gaat het vaak om. Ik heb zelf tien jaar voor de klas gestaan en ken de problemen. Wij moeten niet kiezen voor een gemakkelijkheidsoplossing. Ook hier is het beter te voorkomen dan te genezen. Er moet tijdig worden ingegrepen zodat praktijken zoals in Nederland, waar Rilatine op de speelplaatsen van de scholen wordt verhandeld, geen ingang vinden. Het is nu al moeilijk genoeg om de scholen drugsvrij te houden.

De heer Patrik Vankrunkelsven (VU-ID). - Ik heb reeds enkele schriftelijke vragen gesteld omtrent deze problematiek.

Het is al te gemakkelijk de verantwoordelijkheid af te wentelen op de artsen.

De cijfers wijzen op een verdubbeling, op bijna een verdrievoudiging van het gebruik van Rilatine. Ik beschouw het voorschrijven van dit geneesmiddel niet als een gemakkelijkheidsoplossing, het is helemaal géén oplossing. Vaak wordt Rilatine voorgeschreven voor kinderen die niet aan ADHD lijden, maar die onaangepast gedrag vertonen omdat zij niet opgewassen zijn tegen de stress in onze samenleving. Wij hebben hier te maken met een samenlevingsprobleem, dat individuele artsen moeilijk kunnen beoordelen. Het is de taak van de overheid om de wetenschappelijke wereld hierover epidemiologisch onderzoek te doen verrichten en eventueel sturend op te treden. Vele artsen zijn zich wellicht niet bewust van de problematiek en schrijven het product al te gemakkelijk voor aan kinderen die alleen maar gestresseerd of zenuwachtig zijn. Ik vermoed geen kwade bedoelingen, maar dring erop aan dat de minister dit probleem ernstig neemt, onderzoek laat uitvoeren en enigszins sturend optreedt ten opzichte van het artsenkorps.

Mevrouw Magda Aelvoet, minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu. - Mijn antwoord was duidelijk. Bij vele geneesmiddelen constateert men aanvankelijk een take off en is er naderhand een stabilisatie. Ik heb mevrouw Thijs beloofd de evolutie van het gebruik van dit geneesmiddel te zullen opvolgen. Indien er een blijvende toename wordt geconstateerd, moeten er maatregelen worden genomen.

Ik wil erop wijzen dat Rilatine in België als verdovingsmiddel is gecatalogeerd en dat het door de arts moet worden voorgeschreven. De heer Vankrunkelsven weet zeer goed dat de minister zich hierin op generlei wijze mengt. Elk voorstel van een minister om het voorschrijfgedrag van de artsen te beïnvloeden, stuit op hevige tegenstand. Dat de heer Vankrunkelsven pleit voor sturende maatregelen vanwege de minister, is dan ook heel vermakelijk. Ik raad hem aan hierover een artikel te publiceren in De Huisarts. Ik zal niet moeilijk doen en het probleem opvolgen.

De heer Patrik Vankrunkelsven (VU-ID). - In dit verband is er geen sprake van een take off. Dit geneesmiddel is al zeker twintig jaar oud. Een dergelijke plotselinge stijging is onrustwekkend.

Ik geef toe dat ik al vaak verwijten heb gekregen naar aanleiding van mijn opmerkingen dat de politiek soms sturend zou moeten optreden. Ik zal deze opvatting in elk geval blijven verdedigen en vraag de minister een initiatief te nemen.

- Het incident is gesloten.

Vraag om uitleg van de heer Michel Barbeaux aan de vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken over «het sturen van waarnemers van de Europese Unie naar Peru voor de tweede ronde van de presidentsverkiezingen» (nr. 2-125)

De heer Michel Barbeaux (PSC). - De tweede ronde van de presidentsverkiezingen in Peru zal plaatshebben op 28 mei eerstkomend.

Een Belgische parlementaire delegatie, bestaande uit leden van Kamer en Senaat, waaronder mevrouw Thijs en ikzelf, heeft als internationaal waarnemer de eerste ronde van de deze presidentsverkiezingen bijgewoond en heeft kunnen vaststellen dat deze niet zeer democratisch zijn verlopen.

We hebben vastgesteld dat de overheidsmiddelen tijdens de verkiezingscampagne grotendeels zijn gebruikt om de herverkiezing van de huidige president te bevorderen en dat tegen de overige kandidaten lastercampagnes zijn gevoerd. We hebben ook vastgesteld dat de ingediende klachten relatief zelden een gevolg krijgen omdat het gerecht ondergeschikt is aan de politieke macht: van de rechters is immers maar een derde vastbenoemd.

De bekendmaking van de verkiezingsuitslag, de dag van de verkiezingen, was ook nogal verbazend.

In de eerste voorspellingen na het sluiten van de kiesbureaus, werd de heer Toledo, de uitdager van de huidige president, als winnaar aangewezen. Daarna werd de heer Fujimori, met 48 % van de stemmen., als winnaar naar voren geschoven Zijn score steeg tot bijna 49,8 % en zou zelfs meer dan 50% bereikt hebben als de Verenigde Staten, bij monde van mevrouw Albright, niet hadden verklaard dat het uitblijven van een tweede ronde zeker zou wijzen op fraude. Dat hebben wij trouwens ook verklaard tijdens de persconferentie die we op het einde van onze waarnemingsopdracht in de Belgische ambassade hebben gegeven. Op die conferentie, met Belgische, Nederlandse en Britse parlementsleden hebben we de analyse gemaakt waarvan ik hier een korte samenvatting heb gegeven. Na een uiteenzetting van onze waarnemingen waren we het er allen over eens dat de tweede verkiezingsronde niet in dezelfde omstandigheden mocht verlopen als de eerste.

Om het belang van de waarnemingsopdracht tijdens de tweede ronde te versterken, hebben de zeven parlementsleden van deze drie landen gevraagd dat de Europese Unie, naast de nationale delegaties,ook zelf een aantal waarnemers zou sturen. De Kamer stuurt twee volksvertegenwoordigers en de Senaat twee senatoren. Gelet echter op de stappen van de Verenigde Staten en de vereniging van Amerikaanse Staten, is het belangrijk dat ook de Europese Unie waarnemers stuurt.

De Peruviaanse minister van Buitenlandse Zaken had het voorzitterschap van de Europese Unie overigens voor de eerste ronde al gevraagd om waarnemers te sturen.. Omdat de Europese Unie daar toen niet op gereageerd heeft, werden er nationale delegaties gestuurd.

Graag vernam ik of de regering dit verzoek om voor de tweede verkiezingsronde een Europese delegatie te sturen, steunt en of ze bereid is hiervoor financieel bij te dragen. Welke initiatieven zal de Belgische regering nemen voor de tweede ronde van de presidentsverkiezingen?

Wij hebben kunnen vaststellen dat een groot gedeelte van de Peruviaanse bevolking voorstander is van de democratie. Dit blijkt uit de belangrijke rol van plaatselijke NGO's die waarnemer hadden gestuurd naar de plaatselijke kiesbureaus en talrijke jongeren hadden gemobiliseerd voor een doorzichtig en democratisch verkiezingsproces. Ik vraag de vice-eerste minister dan ook dat België deze waarnemingsopdracht zou steunen.

De heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken. - Ik heb kennis genomen van het perscommuniqué dat de Nederlandse, Britse en Belgische waarnemers -waaronder ook u, mijnheer Barbeaux- hebben opgesteld over de eerste ronde van de presidentsverkiezingen in Peru en de daaraan voorafgaande dagen. Er werd trouwens een kopie naar mijn kabinet gestuurd. Dat communiqué maakt gewag van onregelmatigheden en manipulaties, met name wat de toegang tot de media voor de kandidaten van de oppositie betreft. Andere onafhankelijke organisaties die de campagne en de verkiezingen ter plaatse hebben gevolgd, hadden dezelfde opmerkingen.

België maakt zich, net als de Europese Unie, zorgen over het verloop van de presidentsverkiezingen en de manier waarop de stemmen geteld werden. We moeten hier zeker voorbehoud maken aangaande het respect van de elementaire principes die aan de basis liggen van democratische verkiezingen, met name de vrijheid en transparantie.

De vraag welke initiatieven kunnen genomen worden voor de tweede ronde, werd aangesneden op de vergaderingen die regelmatig door de Latijns-Amerikadeskundigen van de lidstaten worden gehouden. Het Voorzitterschap en de Europese Commissie zijn niet van plan waarnemers te sturen omdat ze niet over voldoende tijd beschikken om de nodige fondsen vrij te maken, aldus de Europese Unie. De Belgische vertegenwoordigers hebben het voorstel om waarnemers te sturen, verdedigd. De Europese Unie is wel bereid om de waarnemingsmissies ter plaatse te coördineren. De wetgevende macht moet beslissen of er volksvertegenwoordigers en/of senatoren worden gestuurd. Het Parlement moet ook de kosten daarvoor dragen. Het spreekt vanzelf dat ik een dergelijk initiatief zeker zal steunen. Ik zal ook al het mogelijke doen om te helpen op logistiek gebied. Ik heb de voorzitters van beide Kamers trouwens een brief gestuurd waarin ik hen aanspoor overleg te plegen om waarnemers te sturen naar deze tweede verkiezingsronde. Ik heb menen te begrijpen dat dit zal gebeuren.

De voorzitter. - Wij zullen het inderdaad doen.

De heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken. - Ik wacht met belangstelling op het verslag van die missie. Ik herinner eraan dat alle logistieke steun van het departement ter beschikking staat van de waarnemers. Ik kan ook mensen die gespecialiseerd zijn in dat werelddeel detacheren om de parlementaire delegatie ter plaatse bij te staan.

De heer Michel Barbeaux (PSC). - Ik dank de vice-eerste minister voor zijn antwoord.

Ik wens erop te wijzen dat wij tijdens de eerste ronde zeer goed ontvangen zijn door de heer Ambassadeur en zijn diensten. Ze hebben ervoor gezorgd dat de Belgische missie in de beste omstandigheden kon verlopen. De Belgische ambassade heeft ons veel informatie gegeven, heeft deuren voor ons geopend, heeft ons geholpen met de vertaling en ons alle nodige logistieke hulp gegeven.

Ik dank de vice-eerste minister voor de extra hulp die hij ons voorstelt.

Ik betreur dat het Voorzitterschap en de Europese Commissie niet de tijd of het nodige geld hebben gevonden om een Europese delegatie te sturen. De Unie stelt wel voor om de nationale delegaties te coördineren, maar gelet op het initiatief van de Amerikaanse delegaties, inzonderheid van de organisatie van Amerikaanse Staten, is het toch jammer dat Europa geen delegatie stuurt.

De heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken. - Ik begrijp het ongenoegen van de heer Barbeaux, vooral omdat als reden tijdgebrek wordt ingeroepen.

Als dit de echte reden is, wat ik geloof, is het inderdaad frustrerend. Ook op het gebied van de internationale samenwerking worden dit dikwijls als reden ingeroepen. Men moet dan ook niet verbaasd zijn dat de publieke opinie dit niet altijd begrijpt en vindt dat de Europese Unie te bureaucratisch is. Ik deel de bezorgdheid van de heer Barbeaux. Telkens ik de gelegenheid heb, wijs ik trouwens op dit negatieve aspect van de werking van de Gemeenschap.

- Het incident is gesloten.

Vraag om uitleg van de heer Patrik Vankrunkelsven aan de vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken over «de nieuwe militair-strategische houding van de NAVO» (nr. 2-127)

De heer Patrik Vankrunkelsven (VU-ID). - Twee weken geleden heb ik over dit onderwerp een vraag gesteld aan minister Flahaut. Uit zijn antwoord heb ik echter opgemaakt dat ik mij moest wenden tot vice-eerste minister Michel, zijn echte baas.

Momenteel wordt binnen de NAVO het militair-strategisch document MC400/1 herzien en wordt de nieuwe versie MC400/2 voorbereid die op de NAVO-top in Firenze op 24 en 25 mei ter goedkeuring zou worden voorgelegd. Deze vraag is ook van belang in het licht van de toetsingsconferentie inzake het non-proliferatieverdrag, die van 24 april tot 19 mei in New York plaatsheeft. Op deze conferentie wordt immers geëvalueerd hoe de geest van het non-proliferatieverdrag, de totale kernontwapening, wordt nageleefd.

De voorlopige versie van het MC400/2 voorziet in een rol voor kernwapens in de counterproliferatiestrategie tegen chemische en biologische massavernietigingswapens. Dit heeft minister van Defensie Flahaut in de Senaat op 27 april jongstleden bevestigd. Toch wil ik aan de vice-eerste minister bijkomende vragen stellen, die binnen zijn bevoegdheid liggen.

Ten eerste, komt het aanvaarden van deze counterproliferatierol voor kernwapens niet neer op het aangaan van een nieuwe verbintenis in NAVO-verband? Is dit geen al te ruime interpretatie van het strategische concept dat in april 1999 op de NAVO-top te Washington is vastgelegd? Minister Flahaut stelde dat deze nieuwe versie een uitwerking was van een algemeen concept. Is de Belgische regering het eens met deze interpretatie? Welke actie onderneemt de regering in verband met deze evolutie?

Ten tweede houdt dit nieuwe concept ook een mogelijke rol in voor kernwapens bij out-of-area-operaties? Schendt deze nieuwe counterproliferatierol voor kernwapens niet de negatieve veiligheidsgaranties die de kernwapenstaten geven? Houdt dit niet in dat de kernwapenstaten die normaliter geen gebruik maken van kernwapens bij conflicten met landen die over geen kernwapens beschikken, nu zeggen dat ze dit mogelijk toch zullen doen, zij het dan tegen biologische en chemische wapens?

Ten derde, ondergraaft deze herziening van het MC400/1 niet de lopende NPT Review Conference?

Ten vierde stellen we vast dat heel de besluitvorming geschiedt achter de rug van het Parlement en zelfs van de regering. Is de vice-eerste minister bereid een parlementair debat te organiseren over de nucleaire ontwapeningsagenda die werd voorgesteld door de landen van de New Agenda Coalition en de UNO-resolutie? België heeft zich bij de stemming hierover onthouden, wat ik betreur. Ik weet dat de vice-eerste minister heet niet met mij eens is, maar misschien is er in het Parlement een meerderheid die dit wel wenst te steunen. Om die reden meen ik dat hierover in een parlementaire democratie moet worden gedebatteerd.

De heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken. - Ik kan de heer Vankrunkelsven meedelen dat ik bereid ben een parlementair debat te organiseren. Op een ander gebied moet ik hem echter teleurstellen.

Het strategisch concept van de NAVO dat op de NAVO-top van Washington in april 1999 werd goedgekeurd, is het enige politieke referentiedocument voor de NAVO-strategie en blijft, ondanks de interpretatie die de heer Vankrunkelsven verbindt aan NAVO-document MC400. In zijn antwoord van 27 april heeft de minister van Landsverdediging dit militair document gesitueerd. Sindsdien is er geen wijziging gekomen in het strategisch concept van de NAVO.

In zijn tweede vraag bouwt de heer Vankrunkelsven voort op zijn stelling van de eerste vraag, namelijk dat er sprake is van een nieuwe strategie. Er is geen nieuwe strategie. Het non-proliferatieverdrag handelt over het bezit, de overdracht en de productie van kernwapens en niet over de strategische concepten waarin zulke wapens figureren.

Vermits er geen nieuwe besluitvorming is over een nieuwe NAVO-strategie, vervalt de veronderstelling waarop de vierde vraag van de heer Vankrunkelsven gebaseerd is. A fortiori is er geen sprake van besluitvorming achter de rug van het Parlement. Niettemin was het een mooi spel.

De heer Patrik Vankrunkelsven (VU-ID). - Ik dank de vice-eerste minister voor zijn mooie uitleg, die volgens mij kadert in een spel dat minder fraai is.

Volgens een persbericht bevestigde kolonel Frank Salis, een woordvoerder van de NAVO, in een interview op 25 april jongstleden dat de negentien NAVO-lidstaten "are bent on widening the role for nuclear weapons in alliance strategy". Met andere woorden, veertien dagen geleden bevestigde de woordvoerder van de NAVO dat de NAVO-strategie omtrent kernwapens wordt verruimd. Hierover zou ik toch graag de mening van de vice-eerste minister kennen.

Bovendien zouden NAVO-ambassadeurs op 9 mei, dus gisteren, hun goedkeuring hebben gehecht aan het nieuwe document MC400/2, wat zij verdedigen als volgt: omdat de alliantie geen biologische of chemische wapens heeft, "it can only threaten by nuclear weapons". Met andere woorden, landen die geen nucleaire, maar wel biologische en chemische wapens hebben, kan de NAVO enkel bedreigen met haar nucleaire wapens. In het NPT heeft de NAVO deze landen echter de garantie gegeven dat ze niet zal dreigen, laat staan aanvallen, met nucleaire wapens.

Hiermee keur ik uiteraard niet goed dat landen biologische wapens hebben, maar dit standpunt van de NAVO wijkt af van het oorspronkelijk strategisch concept, wat de woordvoerder trouwens bevestigt. Daarom vind ik het niet helemaal fair dat de vice-eerste minister antwoordt dat dit helemaal kadert in de strategie die in april 1999 werd overeengekomen.

Volgens het persbericht bevestigde de woordvoerder ook "that NATO ambassadors intend to give political approval to NATO's new strategic doctrine before May 9." Ik ben het er niet mee eens dat ons land instemt met deze veranderde strategie, die zou kaderen in het concept dat in april 1999 werd overeengekomen. Hierover bestaat binnen de NAVO blijkbaar ook discussie. Anders moet u de NAVO-woordvoerder, de heer Salis, bij de volgende bijeenkomst terechtwijzen omdat hij zijn boekje te buiten is gegaan.

De heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken. - Ik wil graag dieper op dit onderwerp ingaan en meer antwoorden geven tijdens een echt debat over dit onderwerp. Het is een beetje te gemakkelijk hierover enkel onder ons te debatteren. Rond zulke gevoelige thema's kan ons land niet alleen werken; we moeten rekening houden met het standpunt van de anderen. Het is allemaal een kwestie van invloed van de verschillende staten. Een echt parlementair debat zou eigenlijk voor mij veel comfortabeler zijn, want nu krijg ik bijna elke week vragen over mijn houding, mijn standpunt op dit vlak. Dergelijke vragen stellen is zeer gemakkelijk, want wie ze stelt - ik maak hen geen verwijten, het is een normale zaak - draagt in die kwestie geen echte politieke verantwoordelijkheid tegenover onze partners.

Ik sta dus open voor zo'n debat en voor een wijziging van ons standpunt, als men mij tenminste kan overtuigen dat we daar belang bij hebben rekening houdend met onze belangen in the circle of influence in de wereld, want ik ben niet naïef of gek. Ik wil rekening houden met wat het Parlement eventueel beslist, maar wil niet meegaan in een te simplistische aanpak van de problemen. Ik stel voor dat we het debat dus breed opentrekken en van gedachten wisselen, maar ik ben natuurlijk niet de voorzitter van de Senaat.

De heer Patrik Vankrunkelsven (VU-ID). - Ik wil hier even op ingaan. Ik heb van de minister geen heel duidelijk antwoord gekregen op de vraag welke houding hij op de NAVO-bijeenkomst zal aannemen. Ik ben het echter met hem eens dat vragen over bepaalde details van de militaire en nucleaire strategie het mij wat gemakkelijker maken om stekelig te zijn en de minister wat moeilijker om duidelijke antwoorden te geven. Ik begrijp dat wel. Daarom hoop ik dat de voorzitter van de Senaat goed heeft geluisterd en dat we onze assemblee misschien weer wat werk kunnen bezorgen, boeiend werk, in de vorm van een debat over deze problematiek.

De voorzitter. - Ik zal hierover met veel plezier een debat organiseren. In dat geval zal ik ook zelf het woord nemen om mijn standpunt uiteen te zetten, onder andere over de evolutie in de Russische strategie betreffende kernwapens tijdens de afgelopen weken. Dat is een van de elementen die interessant en essentieel zijn om tot een Belgisch standpunt te komen.

De heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken. - Ik sta open voor zo'n debat, maar het behoort niet tot mijn prerogatieven de Senaat in dezen advies te geven. Indien er een dergelijk debat wordt gehouden, moeten wij de mening van experts en de standpunten van de verschillende partners horen. Wie zich op zulk een politiek terrein geïsoleerd opstelt, kan geen enkele invloed uitoefenen. Men mag niet de indruk wekken dat België de evolutie van dit dossier op die manier kan beïnvloeden.

Ik wil de heer Vankrunkelsven meedelen dat ik geen definitief standpunt heb omdat deze materie voortdurend evolueert. U weet zeer goed dat de Amerikanen op dit ogenblik met de Russen onderhandelen over een reeks nieuwe strategieën die ook de Europeanen aangaan. Gisteren heb ik nog een onderhoud gehad met de Russische minister van buitenlandse zaken, de heer Ivanov, over onder meer de betrekkingen tussen Rusland en de NAVO.

Ook wij zijn voorstander van nucleaire ontwapening, maar die moet op een evenwichtige manier en met de nodige waarborgen gebeuren. Men mag niet de indruk wekken dat de standpunten diametraal tegenover elkaar staan en dat we met goeden en slechten te maken hebben. Zwart-wittegenstellingen zijn niets voor mij.

De voorzitter. - Mijnheer de vice-eerste minister, ik wil er nog aan toevoegen dat er aanzienlijke vooruitgang wordt geboekt in de nucleaire ontwapening. Op het einde van de jaren `70 hadden Rusland en de Verenigde Staten elk meer dan 30 000 kernkoppen, wat totaal absurd was.

De Doema heeft de START II-akkoorden na jaren aarzelen goedgekeurd. Kernwapens waren immers het laatste overblijfsel van de Russische supermacht. De kernkoppen zullen thans aan beide zijden tot ten hoogste 5000 à 6000 stuks worden gereduceerd. De NAVO-leden, dus ook de Verenigde Staten, zijn bovendien bereid te onderhandelen over een START III-akkoord, waardoor het aantal kernkoppen aan beide zijden op minder dan 1000 zou worden gebracht. Dit betekent dat de ontwapeningswedloop, waarop wij allen hopen, aan de gang is. De vice-eerste minister heeft er evenwel op gewezen dat men de zaken niet afzonderlijk mag bekijken. Er moet immers ook een debat worden gevoerd over de raketafweersystemen.

Wij komen langzamerhand in de post-nucleaire periode en tot in een beschermingssysteem tegen alle soorten soort raketten. Wij moeten ook rekening houden met de chemische en bacteriologische wapens en met het feit dat sommige onstabiele regeringen, zoals die van Irak en Iran, zulke wapens bezitten. Kernwapens maken deel uit van een afschrikkingstrategie, maar gelukkig neemt hun belang gestadig af.

De heer Patrik Vankrunkelsven (VU-ID). - Ik wil zeker niet zeggen dat de pacifisten de enige goeden zijn, want ik ben ervan overtuigd dat de aanhangers van de afschrikkingstrategie vaak hetzelfde doel hebben, namelijk het bewaren van de vrede. Ik wil het dus zeker niet zo scherp stellen. Ik hoop dat we het debat ten gronde kunnen voeren.

- Het incident is gesloten.

(Voorzitter: de heer Jean-Marie Happart, ondervoorzitter.)

Vraag om uitleg van de heer Jean-François Istasse aan de vice-eerste minister en minister van Mobiliteit en Vervoer over «de aanleg van de "IJzeren Rijn"» (nr. 2-131)

De heer Jean-François Istasse (PS). - Mijn vraag om uitleg heeft betrekking op de Belgisch-Nederlandse overeenkomst over de heringebruikname van de IJzeren Rijn. In de streek van Verviers werd er in sociaal-economische kringen vol ontgoocheling op deze beslissing van enkele weken geleden gereageerd.

Ik wil het nog even hebben over het antwoord dat u op 30 maart jongstleden hebt gegeven op de vragen die u in de Kamer over deze overeenkomst werden gesteld. In de eerste plaats verbaast het mij dat u met dit dossier een oplossing denkt te vinden voor het dichtslibben van de wegen als gevolg van het goederenvervoer. U deelt blijkbaar de mening van Agalev-volksvertegenwoordiger Vanoost, die heeft berekend dat vijftien treinen per dag over het historische tracé van de IJzeren Rijn een vermindering van 750 vrachtwagens over de weg betekent en bijgevolg een dagelijkse afname van de files met vijf kilometer. Indien dit inderdaad het geval was, zouden wij de overeenkomst uiteraard toejuichen.

Deze denkwijze lijkt mij een beetje te simplistisch want er wordt geen rekening gehouden met lijn 24, die Wallonië en Belgisch Limburg doorkruist, en waarlangs het goederenvervoer van Antwerpen naar Duitsland en naar het zuiden plaatsvindt. Wij vrezen dat de goederentreinen van lijn 24 bij heringebruikname van de IJzeren Rijn over die lijn zullen rijden.

Indien er voor de rest niets verandert, zal de heringebruikname van deze lijn het wegvervoer dus niet beïnvloeden.

Voorts houdt men overwegend rekening met macro-ecologische belangen, die overigens nog moeten worden aangetoond, en minder met specifieke, maar reële, ecologische belangen in een Nederlands gebied dat moet worden beschermd. Als inwoner van Verviers zou ik niet graag te horen krijgen dat men in naam van macro-ecologische belangen, waarbij men de vermindering van het wegverkeer ten voordele van het spoorverkeer beoogt, een spoorweg door de Hoge Venen zou laten lopen! Ik kan het protest van de Nederlandse milieubeschermers begrijpen tegen de plannen voor intensief goederenverkeer langs een spoorlijn door een Nederlands natuurgebied. Uit krantenartikels blijkt dat er in Antwerpse economische kringen wordt gelobbyd om de beweringen van de Nederlandse milieubeschermers te minimaliseren.

Wat mij vooral verontrust, zijn de te verwachten economische gevolgen. Tal van sprekers hebben er in de Kamer op gewezen dat het onverantwoord zou zijn een miljard te besteden - in een Frans tijdschrift heeft men het zelfs over vijf miljard - aan de voorlopige heringebruikname van de IJzeren Rijn, zelfs als er vijftien treinen per dag over deze lijn zouden rijden. U beschouwt dit miljard als een geringe investering in vergelijking met de kosten die een definitieve heringebruikname met zich meebrengen. Er wordt al te lichtzinnig over dergelijke investeringen beslist.

In plaats van een vermindering van het vrachtvervoer over de weg zal de heringebruikname van de IJzeren Rijn in de eerste plaats leiden tot een evenredige vermindering van het gebruik van lijn 24. Aangezien slechts 50% van de capaciteit van deze lijn wordt benut, kan men zich afvragen of de duur betaalde heringebruikname van de IJzeren Rijn economisch wel verantwoord is. Het zou veel goedkoper zijn de nodige werkzaamheden te verrichten om lijn 24 performanter te maken. Men zou beter wachten met de heringebruikname van de IJzeren Rijn tot lijn 24 volledig verzadigd is. Wij weten dat men dit niet zal doen.

De regering heeft beloofd de nodige investeringen te zullen doen voor de renovatie van het viaduct van Moresnet. Volgens sommigen volstaat hiertoe een bedrag van 600 miljoen, maar betrouwbare experts zijn van oordeel dat er meer ingrijpende werken moeten worden uitgevoerd, die ongeveer twee miljard zullen kosten.

Wat bedoelt de regering dus eigenlijk met "noodzakelijke investeringen"? Welke waarborgen biedt de NMBS? Ik kan het optimisme van de Ecolo-volksvertegenwoordigers van het arrondissement Verviers niet delen. Een lid van de Volksunie verklaarde in de Kamer dat het bestaan van lijn 24 het resultaat is van Waals lobbywerk en verzette zich ertegen dat men in deze lijn investeert. Ik ben bang dat men gehoor zal geven aan dergelijke uitspraken en dat de gevraagde investeringen niet zullen worden toegekend.

De verklaring van de minister dat die investeringen zullen worden besproken tijdens de nakende onderhandelingen over het tienjarenplan van de NMBS, is eveneens een reden tot ongerustheid. De goedkeuring van deze investering brengt de andere noodzakelijke investeringen voor het spoor in Wallonië immers in gevaar. Aangezien het gaat om een reactie op een eis van het noorden van het land, moeten de investeringen voor de modernisering van lijn 24 worden toegekend in het kader van een speciaal budget.

Uw Waalse collega, de heer Daras, gaf onlangs in zijn antwoord op een vraag van de heer Thissen het standpunt van de Waalse regering weer en benadrukte het belang van de renovatie van het viaduct van Moresnet, de verbetering van lijn 24 inzake toelaatbaar gewicht per as en het belang van de renovatie van lijn 39. Hij verklaarde dat deze dossiers, wat de spoorwegen betreft, tot de prioriteiten van de Waalse regering behoren.

Wat zijn de gevolgen voor het verkeer van de eventuele wederingebruikneming van de IJzeren Rijn, rekening houdend met de daaruit voortvloeiende daling van het spoorverkeer op lijn 24? Wat zijn de vooruitzichten voor het verkeer op lijn 24 na de definitieve wederingebruikneming van de IJzeren Rijn? Wat verstaat u onder "noodzakelijke investeringen" voor de renovatie van lijn 24, in het bijzonder voor de moeilijkste schakel, namelijk de modernisering of vervanging van het viaduct van Moresnet? Gaat het om een eenvoudige aanpassing of om een grondige vernieuwing? Op hoeveel schat u de kosten voor deze werken? De aangehaalde cijfers schommelen immers tussen 600 miljoen en twee miljard.

Zal de federale regering van de NMBS een speciaal budget eisen voor de financiering van deze investeringen om te voorkomen dat de overige onontbeerlijke investeringen in Wallonië in het gedrang komen?

De heer Louis Siquet (PS). - Ik wil in dit verband wijzen op het probleem van het station van Montzen. Dit station op lijn 24 biedt immers werk aan ongeveer 160 personen. Hun werkgelegenheid hangt af van het onderhoud en de uitbreiding van het goederenvervoer over deze lijn. Indien men de lijn moderniseert, kan de vervoerscapaciteit worden verdubbeld en is de werkgelegenheid verzekerd. De wederingebruikneming van de IJzeren Rijn mag de ontwikkeling van het station van Montzen niet in gevaar brengen. Het biedt immers heel wat mogelijkheden.

Het is een economisch gezien gunstig gelegen multimodaal platform aan het drielandenpunt tussen Maastricht, Luik en Aken, in de nabijheid van het industriegebied van Montzen en van belangrijke verkeerswegen.

Welke gevolgen zal de IJzeren Rijn hebben voor het verkeer in het station van Montzen en vooral voor de werkgelegenheid?

Zijn er plannen om dit station te ontwikkelen? Werd hiervoor al een bedrag uitgetrokken op de begroting?

De heer Johan Malcorps (AGALEV). - Ik wil hier zeker niet de Antwerpse havenbelangen of de Antwerpse economie verdedigen, maar we moeten duidelijk keuzes maken in de manier waarop we in de toekomst het vervoer van goederen zullen organiseren. Als ecologist durf ik beweren dat het belangrijk is niet alles via vrachtwagens te vervoeren. We moeten in eerste instantie kiezen voor de waterwegen, dan voor de spoorwegen en in laatste instantie voor de vrachtwagens. We mogen niet aan communautair opbod doen, maar in alle delen van het land investeren in het spoor. De belangen van economie, ecologie en milieu kunnen in een duurzame ontwikkeling vaak samengaan. Daarom is het belangrijk dat er voor de Antwerpse haven een nieuwe ontsluiting komt en dat er in Oostelijke richting een kortere weg kan worden gevonden naar Mönchengladbach en naar Nederland. Mönchengladbach ligt nu niet onmiddellijk naast Montzen; er moet dus naast de bestaande lijn een andere ontsluiting komen. Het ene moet evenwel niet gaan ten koste van het ander. Als ecologisten moeten we de kaart trekken van het verkeer per spoor.

Ik ben ook gevoelig voor een aantal problemen die door de milieubeweging in Nederland over het traject van de IJzeren Rijn worden opgeworpen. Als men voor een "modal split" kiest moet men ervoor zorgen dat de treinen ergens kunnen rijden. Het is natuurlijk veel goedkoper een bestaand tracé te herwaarderen dan miljarden investeringen te doen. In Nederland wordt nu een discussie gevoerd tussen de voor- en tegenstanders van de Betuwe-lijn, Noordtak en Zuidtak. Sommigen vinden het beter gebruik te maken van de IJzeren Rijn. Er gaan uiteraard ook milieukosten mee gepaard, maar zowel op federaal als op Vlaams niveau moet men, in het raam van een goed nabuurschap, zoveel mogelijk open staan voor een constructieve discussie met de plaatselijke overheden en de milieubewegingen. Ik hoop dat men naar de beste oplossing zoekt voor het nationale park De Meinweg, zodat de noden van een duurzame mobiliteit niet in conflict komen met de noden van het natuurbehoud.

Mevrouw Isabelle Durant, vice-eerste minister en minister van Mobiliteit en Vervoer. - Ik deel de bezorgdheid van de heer Malcorps en van mijn Nederlandse collega's voor het ecologische aspect van de zaak.

Ik ben voorstander van het heropenen van de IJzeren Rijn, die tot in het begin van de jaren 90 in gebruik was. De wederingebruikneming van een bestaande lijn biedt immers zowel macro-ecologische als economische voordelen.

Men moet niet wachten tot de verbinding Antwerpen-Montzen is verzadigd om te investeren in de IJzeren Rijn, temeer daar ik het goederenverkeer benader vanuit een algemene visie en vanuit een complementariteitslogica.

De kosten voor de wederingebruikneming van de IJzeren Rijn zijn nog niet definitief bepaald.

Er werd een trilaterale groep opgericht met Belgen, Nederlanders en Duitsers om de onderhandelingen over de heropening te volgen. Een milieueffectrapport was uit juridisch oogpunt niet onontbeerlijk, maar leek ons wel de correcte aanpak.

De investeringen voor de eenvoudige ingebruikname van het bestaande, niet-geëlektrificeerde spoor voor een beperkt aantal treinen kunnen ingeschreven blijven in het tienjarenplan 1996-2005.

De investeringen voor het geheel van de werken aan de IJzeren Rijn worden geschat op 1,320 miljard frank en zullen worden ingeschreven in het toekomstige tienjarenplan 2001-2010. De NMBS zal het gedeelte van de kosten voor de werken op Belgisch grondgebied voor haar rekening nemen.

Over de verdeling van de kosten voor de werken op Nederlands grondgebied moet de trilaterale groep nog onderhandelen.

De termijnen voor het uitvoeren van de werken hangen af van de bijzonderheden van de wederingebruikneming. Daarover werd echter nog geen akkoord bereikt. Momenteel bestaat er alleen een politiek akkoord.

In een algemene benadering van het goederentransport vormt de zuidelijke verbinding met het Ruhrgebied het tweede en volkomen complementaire element van dit dossier.

De haven van Antwerpen is één van de belangrijkste toegangspoorten voor het vrachtvervoer naar het Zuiden. Met het oog op de uitbreiding van het vrachtvervoer moeten beide verbindingen met het Ruhrgebied dus worden gemoderniseerd. Door de slechte staat van de spoorwegbrug te Moresnet geldt er momenteel een beperking op de snelheid en het gewicht van de treinen op de zuidelijke verbinding.

Gedurende de renovatiewerken aan de brug van Moresnet dient het verkeer te worden omgelegd. Daartoe zal lijn 39 tussen Welkenraedt en Montzen opnieuw in gebruik moeten worden genomen. Een bedrag van 600 à 650 miljoen frank zal hiervoor in het tienjarenplan worden ingeschreven. De werken zullen einde 2001 worden aangevat en zullen twee à drie jaar in beslag nemen. Zodoende dreigt er voor een capaciteit van meer dan vijftien treinen per dag geen concurrentie met de IJzeren Rijn.

Volgens recente prognoses neemt de havenactiviteit in Antwerpen toe. Verwacht wordt dat de tonnenmaat zal stijgen van 26 miljoen ton in 1998 tot 42,6 miljoen ton in 2010. De geleidelijke ingebruikname van een tweede verbinding met Duitsland lijkt dus verantwoord.

Het totale vrachtvervoer over de West-Oostverbinding zal naar schatting van de huidige 3,69 miljoen ton stijgen tot 9,9 miljoen ton in 2010; 3,89 ton zal langs Montzen en 5,2 miljoen langs de IJzeren Rijn worden vervoerd.

In zijn verslag heeft het Planbureau gewezen op het de verantwoordelijkheid van de transportsector voor het broeikaseffect. Om de in Kyoto aangegane verbintenissen te kunnen nakomen, moeten wij op de ingebruikname van beide spoorlijnen mikken.

Ik hoop dat de vraagsteller en zijn collega's uit Verviers het tienjareninvesteringsplan terzake zullen goedkeuren. Verder hoop ik dat het aantal arbeidsplaatsen in het station van Montzen zal aangroeien met de toename van het goederenverkeer.

De spoorwegbrug te Moresnet moet worden gerenoveerd zodat het toegelaten gewicht per as voor de zuidelijke lijn even hoog is als voor de noordelijke lijn en er geen concurrentienadeel ontstaat.

De heer Jean-François Istasse (PS). - Ik noteer dat volgens u de IJzeren Rijn en lijn 24 elkaar aanvullen. Van mijn kant herinner ik er u echter aan dat lijn 24 al bestaat en haar capaciteit slechts voor 50% wordt benut.

Ik betreur dat u op het ogenblik van de ondertekening van het akkoord voor de IJzeren Rijn geen investeringen voor lijn 24 hebt geëist. U bevestigt wel dat u er u toe hebt verbonden lijn 24 te moderniseren.

Aangezien lijn 24 voor Antwerpen momenteel de enige operationele goederenlijn is, moet zij eerst worden gemoderniseerd. Ik vraag me wel af of 600 of 650 miljoen hiervoor zullen volstaan. Er worden ook andere bedragen genoemd. Andere prioritaire plannen voor het Waalse goederentransport mogen hieronder echter niet lijden.

Wij delen echter uw bezorgdheid voor de fundamentele problemen, namelijk de mobiliteit en het wegwerken van het broeikaseffect. Het goederenvervoer per spoor moet zeker worden ontwikkeld.

Mevrouw Isabelle Durant, vice-eerste minister en minister van Mobiliteit en Vervoer. - De fundamentele problemen die u aanraakt, interesseren ons allen. De Senaat heeft overigens beslist een debat te organiseren over de mobiliteit.

Het vrachtvervoer zowel per spoor als over het water vormt hierin een belangrijk hoofdstuk. Het spoor is alleszins één van de mogelijke alternatieven. Het verheugt me dat de Senaat zich met de kwestie wil bezighouden.

- Het incident is gesloten.

Regeling van de werkzaamheden

De voorzitter. - Het Bureau stelt voor volgende week deze agenda voor:

Donderdag 18 mei 2000 te 15 uur

Inoverwegingneming van voorstellen.

Mondelinge vragen.

Wetsvoorstel tot wijziging van de wet van 7 februari 1994 om het beleid van ontwikkelingssamenwerking te toetsen aan de eerbied voor de rechten van de mens (van de heer Philippe Mahoux c.s.); Gedr. St. 2-14/1 tot 4.

Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 24 van de wet van 20 juli 1971 op de begraafplaatsen en de lijkbezorging (van mevrouw Jeannine Leduc c.s.); Gedr. St. 2-258/1 tot 5. (Pro memorie)

Evocatieprocedure

Wetsontwerp houdende oprichting van een centraal bestand van berichten van beslag, delegatie, overdracht en collectieve schuldenregeling, alsook tot wijziging van sommige bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek; Gedr. St. 2-281/1 tot 3.

Vanaf 16.30 uur :

Naamstemmingen over de afgehandelde agendapunten in hun geheel.

Stemming over de motie ingediend tot besluit van het debat over de evaluatie van het Actieplatform van de Wereldvrouwenconferentie van Peking.

Vragen om uitleg :

- van de heer Philippe Monfils aan de Minister van Justitie over "het niet-naleven door de kabelmaatschappijen van de overeenkomsten die ze met de auteursverenigingen hebben gesloten" (nr. 2-130);

- van mevrouw Clotilde Nyssens aan de Minister van Justitie over "de uitvoering van de wet houdende oprichting van een Informatie- en Adviescentrum inzake de schadelijke sektarische organisaties en van een Administratieve coördinatiecel inzake de strijd tegen schadelijke sektarische organisaties " (nr. 2-133);

- van de heer Alain Zenner aan de Minister van Sociale Zaken en Pensioenen over "de houding van de RSZ ten opzichte van de verzoeken om een gerechtelijk akkoord en de verzoeken van gefailleerden om verschoonbaar verklaard te worden" (nr. 2-126);

- van mevrouw Erika Thijs aan de Minister van Sociale Zaken en Pensioenen over "het attest tot terugbetaling van Tamoxifen, zowel wat betreft de indicatie als de dosis" (nr. 2-136).

- De Senaat is het eens met deze regeling van de werkzaamheden.

(De vergadering wordt geschorst om 17.50 uur. Ze wordt hervat om 18.00 uur.)

Vraag om uitleg van mevrouw Anne-Marie Lizin aan de minister van Binnenlandse Zaken over «de doorlichting van de werking van het Telerad-systeem» (nr. 2-129)

Mevrouw Anne-Marie Lizin (PS). - Mijnheer de minister, u hebt hier vijf weken geleden aangekondigd dat de werking van Telerad zou worden doorgelicht.

Werd het bedrijf dat met deze opdracht zal worden belast, reeds gekozen?

Welk precies mandaat bevat het bestek? Over welke periode loopt het? Welke zaken zullen worden onderzocht?

Zal de doorlichting betrekking hebben op de overeenstemming van de geleverde apparaten met het oorspronkelijke bestek en met de voorwaarden van de aanbesteding?

Zal de doorlichting de voorwaarden van de definitieve oplevering van het Telerad kunnen onderzoeken en de evolutie ervan in de loop van de jaren?

Welke garanties inzake onafhankelijkheid eist u bij de keuze van het bedrijf dat met de doorlichting wordt belast?

De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken. - Op 22 maart 2000 heeft de Ministerraad beslist een openbare aanbesteding voor het doorlichten van het Teleradnetwerk te doen. Zodra deze is beëindigd, zal ik meer omstandige inlichtingen kunnen bezorgen.

Overeenkomstig de vigerende reglementering heeft de Ministerraad geopteerd voor een versnelde gunningsprocedure.

Zowel de functionele als de financiële aspecten van het systeem moeten worden doorgelicht, zodat de doeltreffendheid van het bestaande systeem kan worden vergeleken met het eerste gedeelte van de "mission statement", die erin bestond om via een systeem van meetpalen abnormaal hoge niveaus van gammastraling op een beperkt aantal plaatsen op ons grondgebied in real-time automatisch te signaleren.

De doorlichting beoogt de totstandbrenging van een systeem dat de basisopdracht met een minimum aan werkings- en personeelskosten zo goed mogelijk waarborgt. De doorlichting moet uiterlijk op 7 juli 2000 zijn afgerond.

Ik kan u verzekeren dat er streng op het objectieve verloop van zowel de inschrijvings- als van de gunnningsprocedure zal worden toegezien. Ik sta erop dat wie de aanbesteding uitvoert, volledige onafhankelijkheid kan waarborgen.

Mevrouw Anne-Marie Lizin (PS). - Ik zou een bijkomende vraag willen stellen. Mijnheer de minister, ik dank u weliswaar voor uw antwoord, maar u verstaat de kunst om zeer minzaam te antwoorden zonder de essentie te onthullen, namelijk wie de doorlichting zal uitvoeren. Is dat een geheim?

De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken. - Neen, mevrouw, maar ik denk dat mij terecht zou kunnen worden verweten dat ik een naam vrijgeef nog vóór de openbare aanbestedingsprocedure is afgerond. Ik ken trouwens de naam niet van de firma die uiteindelijk in aanmerking zal worden genomen.

Mevrouw Anne-Marie Lizin (PS). - De onafhankelijkheid kan inderdaad moeilijk anders worden gewaarborgd dan door het formeel gescheiden houden van de functies. Fabricom heeft het materiaal geleverd en is een andere firma dan Electrabel, maar de verwevenheid in dezen is zo groot en de nucleaire expertise buiten Electrabel zo zeldzaam, dat het op ons grondgebied echt moeilijk is om onafhankelijkheid te garanderen.

Misschien is er in Wallonië wel expertise aanwezig die aan de greep van Electrabel ontsnapt? Persoonlijk denk ik dan aan het Instituut voor radioelementen in Fleurus.

Belangrijk in de affaire-Telerad is het tijdstip waarop een alarmsignaal wordt uitgezonden. Het meetresultaat moet in real time worden doorgegeven en er moet ogenblikkelijk en automatisch een alarmsignaal worden uitgezonden als uit de verzamelde gegevens blijkt dat er zich iets abnormaals voordoet. Het mechanisme moet op gang komen zonder dat enige menselijke tussenkomst is vereist.

Zult u erop toezien dat de doorlichting ook de werking van het alarmsysteem betreft?

De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken. - Ik heb de oproep tot inschrijving op de aanbesteding laten publiceren. Ik weet dat ik zeer waakzaam moet zijn. Er kunnen inderdaad gekruiste participaties bestaan - ik maak een zeer algemene bedenking - en in voorkomend geval zullen de betrokken firma's van de gunning worden uitgesloten.

- Het incident is gesloten.

De voorzitter. - De agenda van deze vergadering is afgewerkt.

De volgende vergadering vindt plaats donderdag 18 mei 2000 om 15 uur.

(De vergadering wordt gesloten om 18.10 uur.)

Berichten van verhindering

Afwezig met bericht van verhindering: mevrouw Cornet d'Elzius, om gezondheidsredenen, de heer Santkin, wegens ambtsplichten, mevrouw de Bethune en de heer De Grauwe, in het buitenland, en de heer Ceder, wegens andere plichten.

- Voor kennisgeving aangenomen.

Bijlage

Indiening van voorstellen

Wetsvoorstellen

Artikel 81 van de Grondwet

Wetsvoorstel tot wijziging van het Wetboek van strafvordering inzake de kosteloosheid van de inzage in het dossier voor sommige burgerlijke partijen (van de heer Jean-Pierre Malmendier; Gedr. St. 2-426/1).

Wetsvoorstel tot invoeging van een artikel 19bis in de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen (van de heer Philippe Monfils; Gedr. St. 2-427/1).

Wetsvoorstel betreffende de cumulatie van een overlevingspensioen en een uitkering wegens ziekte, invaliditeit of onvrijwillige werkloosheid (van de heer René Thissen; Gedr. St. 2-428/1).

- Deze voorstellen zullen worden vertaald, gedrukt en rondgedeeld.

- Er zal later over de inoverwegingneming worden beslist.

In overweging genomen voorstellen

Wetsvoorstel

Artikel 81 van de Grondwet

Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 25, eerste lid, van de provinciekieswet (van de heer Francis Poty; Gedr. St. 2-404/1).

- Verzonden naar de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden.

Voorstel van bijzondere wet

Artikel 77 van de Grondwet

Voorstel van bijzondere wet tot wijziging van artikel 50 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen (van de heer René Thissen c.s.; Gedr. St. 2-386/1).

- Verzonden naar de commissie voor de Institutionele Aangelegenheden.

Samenstelling van commissies

Met toepassing van artikel 21-4, tweede zin, van het Reglement werden de volgende wijzigingen in de samenstelling van de commissie doorgevoerd :

Commissie voor de Sociale Aangelegenheden

Plaatsvervangers :

Mevrouw Jeannine Leduc vervangt mevrouw Mimi Kestelijn-Sierens (09.05.2000).

Bij de Senaat is een voorstel ingediend om in de commissie voor politieke vernieuwing de heer Wim Verreycken door de heer Jurgen Ceder als lid te vervangen.

Vragen om uitleg

Het Bureau heeft volgende vragen om uitleg ontvangen:

van Mevrouw Clotilde NYSSENS aan de Minister van Justitie over «de uitvoering van de wet houdende oprichting van een Informatie- en Adviescentrum inzake de schadelijke sektarische organisaties en van een Administratieve coördinatiecel inzake de strijd tegen schadelijke sektarische organisaties» (nr. 2-133)

van de heer Johan MALCORPS aan de Vice-Eerste Minister en Minister van Mobiliteit en Vervoer en aan de Minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu over «het federaal plan ter bestrijding van verzuring en troposferische ozon» (nr. 2-134)

van Mevrouw Meryem KAÇAR aan de Vice-Eerste Minister en Minister van Mobiliteit en Vervoer over «de weekendongevallen» (nr. 2-135)

van Mevrouw Erika THIJS aan de Minister van Sociale Zaken en Pensioenen over «het attest tot terugbetaling van tamoxifen, zowel wat betreft de indicatie als de dosis» (nr. 2-136)

van de heer Mohamed DAIF aan de Vice-Eerste Minister en Minister van Buitenlandse Zaken over «het standpunt en de acties van België ten aanzien van de Iraakse kwestie» (nr. 2-137)

- Deze vragen worden naar de plenaire vergadering verzonden .

Non-Evocatie

Bij boodschap van 10 mei 2000 heeft de Senaat aan de Kamer van volksvertegenwoordigers terugbezorgd, met het oog op de koninklijke bekrachtiging, het volgende niet geëvoceerde wetsontwerp :

Wetsontwerp tot wijziging van de artikelen 145(1) en 145(5) van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (Gedr. St. 2-403/1).

- Voor kennisgeving aangenomen

Boodschappen van de Kamer

Bij boodschappen van 4 mei 2000 heeft de Kamer van volksvertegenwoordigers aan de Senaat overgezonden, zoals ze ter vergadering van die dag werden aangenomen :

Artikel 78 van de Grondwet

Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 4 april 1995 houdende fiscale en financiële bepalingen (Gedr. St. 2-421/1).

- Het wetsontwerp werd ontvangen op 5 mei 2000; de uiterste datum voor evocatie is maandag 22 mei 2000.

- De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 4 mei 2000.

Wetsontwerp betreffende de gezinsbemiddeling (Gedr. St. 2-422/1).

- Het ontwerp werd ontvangen op 5 mei 2000; de uiterste datum voor evocatie is maandag 22 mei 2000.

- De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 4 mei 2000.

Wetsontwerp tot opheffing van artikel 150, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering (Gedr. St. 2-423/1).

- Het ontwerp werd ontvangen op 5 mei 2000; de uiterste datum voor evocatie is maandag 22 mei 2000.

- De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 4 mei 2000.

Kennisgeving

Herziening van artikel 147, tweede lid, van de Grondwet, om de woorden «behalve bij het berechten van ministers en leden van de Gemeenschaps- en Gewestregeringen» op te heffen (van mevrouw Nathalie de T' Serclaes c.s.; Gedr. St. 2-318/1).

- De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 4 mei 2000 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.

Arbitragehof - Arresten

Met toepassing van artikel 113 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van het Arbitragehof kennis aan de voorzitter van de Senaat van :

- het arrest nr. 46/2000, uitgesproken op 3 mei 2000, inzake de beroepen tot vernietiging van artikel 1675/8, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, ingevoegd door artikel 2, § 2, van de wet van 5 juli 1998 betreffende de collectieve schuldenregeling en de mogelijkheid van verkoop uit de hand van de in beslag genomen onroerende goederen, ingesteld door de Franse Orde van advocaten bij de balie te Brussel en G.-A. Dal en door de Orde van advocaten bij de balie te Luik en G. Rigo (rolnummers 1599 en 1604, samengevoegde zaken);

- het arrest nr. 47/2000, uitgesproken op 3 mei 2000, inzake het beroep tot vernietiging van artikel 3 van het Waalse Gewest van 16 juli 1998 houdende wijziging van het decreet van 25 juli 1991 betreffende de belasting op de afvalstoffen in het Waalse Gewest, ingesteld door de gemeente Herstal (rolnummer 1640);

- het arrest nr. 48/2000, uitgesproken op 3 mei 2000, inzake de prejudiciële vragen betreffende artikel 307bis van het Burgerlijk Wetboek, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Luik en door het Hof van Beroep te Brussel (rolnummers 1646 en 1683, samengevoegde zaken);

- het arrest nr. 49/2000, uitgesproken op 3 mei 2000, inzake de prejudiciële vraag betreffende artikel 361 van het Burgerlijk Wetboek, gesteld door het Hof van Beroep te Brussel (rolnummer 1686);

- het arrest nr. 50/2000, uitgesproken op 3 mei 2000, inzake de prejudiciële vraag betreffende artikel 21, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, gesteld door de Raad van State (rolnummer 1673);

- het arrest nr. 51/2000, uitgesproken op 3 mei 2000, inzake de prejudiciële vraag betreffende de artikelen 2, 5 en 12 van de wet van 7 augustus 1974 tot instelling van het recht op een bestaansminimum, gesteld door het Hof van Beroep te Luik (rolnummer 1482);

- het arrest nr. 52/2000, uitgesproken op 3 mei 2000, inzake de vordering tot schorsing van de artikelen 8, 15, § 1, 20, derde lid, 21, 27, eerste lid, 34, 36, 4., 54, § 1, 58, derde lid, 62 en 71, vierde lid, 4., van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers, ingesteld door de BVBA Ramses en de BVBA Talis (rolnummer 1903);

- het arrest nr. 53/2000, uitgesproken op 3 mei 2000, inzake de prejudiciële vragen betreffende de artikelen 346, eerste lid, 368, § 3, eerste lid, en 370, § 1, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, gesteld door de Jeugdrechtbank te Luik (rolnummer 1662).

- Voor kennisgeving aangenomen.