2-272

2-272

Belgische Senaat

2-272

Handelingen - Nederlandse versie

DONDERDAG 27 FEBRUARI 2003 - OCHTENDVERGADERING


Waarschuwing: de blauwe kleur geeft aan dat het gaat om uit het Frans vertaalde samenvattingen.


Wetsontwerp tot invoeging van een artikel 10, 6ļ in de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering (Stuk 2-779)

Wetsontwerp houdende instemming met het samenwerkingsakkoord tussen de Federale Staat, de Duitstalige Gemeenschap, de Franse Gemeenschap en de Vlaamse Gemeenschap betreffende het gesloten centrum voor voorlopige plaatsing van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd (Stuk 2-1323)

Wetsontwerp houdende toekenning van de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie aan bepaalde ambtenaren van de fiscale administraties ter beschikking gesteld van de federale politie (Stuk 2-1410) (Evocatieprocedure)

Wetsontwerp houdende wijziging van het bijvoegsel bij het Gerechtelijk Wetboek - Gebiedsomschrijving en zetel van hoven en rechtbanken (Stuk 2-1438)

Wetsontwerp tot hervorming van de adoptie (Stuk 2-1428) (Evocatieprocedure)

Wetsontwerp tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek wat de adoptie betreft (Stuk 2-1429)

Wetsvoorstel tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek inzake adoptie en tot aanvulling van de wet van 31 maart 1987 tot wijziging van een aantal bepalingen betreffende de afstamming door artikel 121 (van mevrouw Clotilde Nyssens, Stuk 2-66)

Wetsvoorstel tot hervorming van de regels van het Burgerlijk Wetboek betreffende de adoptie (van de heer Philippe Monfils, Stuk 2-88)

Problematiek van de niet-begeleide minderjarigen (Stuk 2-1199)

Vraag om uitleg van mevrouw Mia De Schamphelaere aan de minister van Justitie over ęde weigering van de eerste minister en de minister van Justitie de beroepsorganisatie van de griffiers te horen aangaande de hervorming van hun statuut en hun takenĽ (nr. 2-971)

Vraag om uitleg van de heer Jan Steverlynck aan de minister van Justitie over ęde stand van zaken voor wat betreft de opwaardering van het statuut en de taken van de griffier en de parketsecretarisĽ (nr. 2-972)

Berichten van verhindering


Voorzitter: mevrouw Sabine de Bethune, eerste ondervoorzitter

(De vergadering wordt geopend om 10.10 uur.)

Wetsontwerp tot invoeging van een artikel 10, 6ļ in de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering (Stuk 2-779)

Algemene bespreking

Mevrouw Clotilde Nyssens (CDH), rapporteur. - Ik verwijs naar mijn schriftelijk verslag.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(De tekst aangenomen door de commissie voor de Justitie is dezelfde als de tekst van het door de Kamer van volksvertegenwoordigers overgezonden ontwerp. Zie stuk Kamer 50-1179/3.)

-De artikelen 1 tot 3 worden zonder opmerking aangenomen.

-Over het wetsontwerp in zijn geheel wordt later gestemd.

Wetsontwerp houdende instemming met het samenwerkingsakkoord tussen de Federale Staat, de Duitstalige Gemeenschap, de Franse Gemeenschap en de Vlaamse Gemeenschap betreffende het gesloten centrum voor voorlopige plaatsing van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd (Stuk 2-1323)

Algemene bespreking

De voorzitter. - Mevrouw Erika Thijs, rapporteur, verwijst naar haar schriftelijk verslag.

Mevrouw Clotilde Nyssens (CDH). - De zogenaamde Everbergwet ging ervan uit dat een samenwerkingsakkoord wordt afgesloten. Het verheugt me dat het wetsontwerp betreffende dit akkoord vůůr het einde van de zittijd bij het Parlement wordt ingediend.

In de pers is geregeld sprake over het gebruik dat magistraten al dan niet van maken van het centrum. Zelf ben ik getroffen door de verschillen tussen de Vlaamse en de Franse Gemeenschap. Vooral Franstalige jongeren zouden naar Everberg worden gestuurd. Enkele dagen geleden vernam ik dat plaatsen die bestemd zijn voor Nederlandstaligen, door Franstaligen worden ingenomen.

Moet deze wet in overleg met de gemeenschappen worden herzien of moet het aantal plaatsen dat door de gemeenschappen is vastgelegd, ongewijzigd blijven? De gemeenschappen spelen een belangrijke rol in de sociale en psychologische begeleiding van de jongeren die tijdelijk in het centrum worden opgevangen bij gebrek aan opvang in andere instellingen en in de gesloten instellingen van de gemeenschappen.

Schiet het systeem volgens de minister alleen tekort omdat de magistraten slecht ingelicht zijn over de beschikbare plaatsen in de andere instellingen van gemeenschappen? Spruit het probleem voort uit het feit dat magistraten die een delinquente jongere moeten plaatsen, niet onmiddellijk precies weten welke plaatsen beschikbaar zijn en de jongere dan maar naar Everberg sturen? Moet het informatiesysteem worden herzien of is de behoefte groter aan Franstalige kant?

Is de verklaring voor het verschillend gebruik dat de gemeenschappen van dit centrum maken, dat zij een ander jeugdbeleid voeren of dat de objectieve behoeften verschillen? Brussel is een grote stad waar meer jongeren Frans dan Nederlands spreken. Ik kan dus begrijpen dat de behoeften niet dezelfde zijn. Er vonden onderhandelingen plaats met de gemeenschappen over het aantal beschikbare plaatsen. Moet dit aantal worden herzien? Het samenwerkingsakkoord voorziet dat de gemeenschappen over dit punt kunnen opnieuw kunnen onderhandelen.

De heer Marc Verwilghen, minister van Justitie. - Het centrum van Everberg zou niet nodig zijn als de gemeenschappen over voldoende plaatsen in gesloten centra zouden beschikken. Daar wringt het schoentje. Op een bepaald ogenblik moesten we beslissen over de opening van het centrum van Everberg. In het samenwerkingsakkoord hebben wij voorzien in een aantal plaatsen en de verdeling daarvan. Wij houden ons aan dat akkoord dat het resultaat is van een onderhandeling.

Ik denk niet dat er een andere manier is om de plaatsen te verdelen tussen Vlaanderen en WalloniŽ. Eigenlijk heeft de Vlaamse Gemeenschap meer plaatsen dan de Franse Gemeenschap. In Brussel rijst een probleem. Als hoofstad van BelgiŽ heeft deze stad een grote bevolkingsconcentratie. Er kunnen zich dus meer ernstige problemen voordoen, wat bepaalde jeugdrechters ertoe aanzet strengere maatregelen te treffen voor het ene landsgedeelte dan voor het andere.

De magistraten worden in real time ingelicht over de beschikbare gesloten plaatsen in de gemeenschappen. Alleen als al die plaatsen bezet zijn, beslissen ze tot een plaatsing in Everberg, met inachtneming van de voorwaarden waarin de wet voorziet om die maategel te mogen nemen.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Everberg is een federale instelling geworden, meer bepaald een onderafdeling van de strafinrichting Sint-Gillis onder het directoraat-generaal van de Strafinrichtingen bij het ministerie van Justitie. De federale overheid staat in voor de overbrenging, de veiligheid, de infrastructuur en de kosten met uitzondering van die die expliciet voor rekening van de gemeenschappen zijn.

Die oplossing steunt op de stelling van de Raad van State dat de federale overheid bevoegd is voor het omschrijven en uitvoeren van maatregelen ten aanzien van als misdrijf omschreven feiten die zijn gepleegd door minderjarigen en voor zover die maatregelen hoofdzakelijk of uitsluitend een maatschappijbeveiligend karakter hebben. Het gaat derhalve om de residuaire bevoegdheid van de federale overheid.

De hulpverlening en de opvoedkundige aspecten van de plaatsing zijn in handen van de gemeenschappen. De gemeenschappen staan ook in voor de heroriŽntatie van de jongeren. Die kunnen overigens slechts tijdelijk in Everberg worden geplaatst. Opvallend is dat de gekozen oplossing in dit opzicht gelijkt op de oplossing die door CD&V werd voorgesteld in haar voorstel van resolutie van oktober 2000, wat erop wijst dat de regering bijzonder nalatig is geweest. De regering heeft dus tot eind februari gewacht om een juridische basis te geven voor de praktische noodoplossing die Everberg is en die het gevolg is van de afschaffing van artikel 53 van de jeugdbeschermingswet. Overigens herinner ik eraan dat in Everberg enkel jongens kunnen worden geplaatst.

De leiding is in handen van een directiecomitť dat bestaat uit een federale en twee gemeenschapsdirecteurs. Het taalkader stemt overeen met de federale wetgeving en met het Vlaamse decreet ter zake. De federale ambtenaren gebruiken de drie landstalen en de gemeenschapsambtenaren moeten de decretale bepalingen volgen, volgens dewelke de taal van de jongeren bepalend is voor het taalgebruik. Het statuut van het personeel wordt bepaald door de federale overheid en door de gemeenschappen. Bij de opstart werd voorzien in vijf Nederlandstalige en vijf Franstalige ambtenaren en er werden garanties gegeven voor de Duitstaligen.

Herhaaldelijk heb ik er in deze legislatuur op gewezen dat het Arbitragehof mij zou volgen. Voor de meerderheid waren dat nutteloze waarschuwingen, maar ik weet dat de kiezer daar op grond van de verslagen anders over zal oordelen. Vandaag waarschuw ik nogmaals de meerderheid om geen misbruik te maken van samenwerkingsovereenkomsten. Samenwerkingsovereenkomsten kunnen we niet amenderen en houden een bevoegdheidsverschuiving in. Dat kan tot allerlei juridische moeilijkheden leiden. Ook bij de bespreking van het Heilige-Polycarpusakkoord heb ik op dat probleem gewezen. Niet voor niets kreeg dat akkoord de naam van Polycarpus mee. Dat is namelijk de heilige die in des situations de dťtresse wordt aangeroepen.

Zoals tijdens de bespreking van de Everbergwet al is gezegd, heeft paarsgroen in dat dossier paniekvoetbal gespeeld. Al in 1999 werd de afschaffing van artikel 53 in het vooruitzicht gesteld. De regering bleef echter twee jaar stilzitten. Ze was verlamd door een gebrek aan cohesie rond een grondige hervorming van de wet van 1965. Die cohesie is er trouwens nog altijd niet. Door knutselwerk van het ergste soort is de Everbergwet in werking getreden zonder dat er juridisch solide garanties waren op het vlak van pedagogische begeleiding en trajectbegeleiding. Die aspecten komen nu aan bod in het samenwerkingsakkoord dat voorligt.

Pas nu kan dat akkoord aan het Parlement ter stemming worden voorgelegd. Intussen werden in Everberg al maanden jongeren opgenomen. Zoals ik al zei stelde CD&V in 2000 al via een resolutie een samenwerkingsakkoord voor tot oprichting van een federale inrichting voor jeugddelinquenten.

Ik kom nogmaals terug op de talrijke, ook juridische, problemen die nog kunnen opduiken wegens de ongelooflijke improvisatie bij de oprichting van het centrum. Er werden voorlopige containers geplaatst zonder bouwvergunning. Verbouwingswerken werden uitgevoerd tijdens de periode van het openbaar onderzoek. De aanhogingen werden aangebracht zonder enige vergunning. De bomen werden gerooid zonder enige vergunning. De huidige bestemming van het gebouw is strijdig met de bestemming die is opgenomen in het gewestplan. De wet op de overheidopdrachten werd systematisch overschreden. Er is geen enkel veiligheids- en crisisinterventieplan opgesteld. Over de desbetreffende middelen van de zonale politie bestaat veel onduidelijkheid. Ziedaar een lijst van fouten, die zeker niet volledig is. Het is moeilijk een regeringsdaad op te noemen waarbij zoveel wetten tegelijkertijd zijn overtreden.

Na zulke vaststelling kunnen we de voorliggende tekst dan ook niet goedkeuren, hoe goed we ook beseffen dat het probleem van de jeugddelinquentie moet worden aangepakt. De voorgestelde regeling is niet conform aan de beginselen van de rechtsstaat.

Wat de grond van de zaak betreft, stellen we inzake de hervorming van de wet van 1965 weinig visie vast. De regering doet alleen aan window-dressing. De Everbergwet en het bijbehorende samenwerkingsakkoord bewijzen dat de regering geen visie heeft op wat de samenleving moet doen ten aanzien van jeugdig delinquent gedrag. Everberg is enkel opgericht om het capaciteitsprobleem in de gemeenschappen op de lossen, maar kadert niet in een herstelgerichte aanpak en is zeker geen bewijs van een nieuw jeugdrecht.

De regering en haar machteloze meerderheid durven zelfs de discussie niet aangaan zodat een sereen debat over jeugddelinquentie geen kans maakt. Nochtans vraagt ook het kinderrechtencommissariaat een fundamenteel debat over dat belangrijke probleem.

De uitzonderlijk korte termijn gedurende dewelke de jongeren in Everberg verblijven, maakt een zinvol pedagogisch project onmogelijk. In die zin is de keuze voor Everberg strijdig met artikel 5 van het EVRM. Everberg heeft nauwelijks een meerwaarde ten opzichte van de vroegere huizen van arrest die bedoeld werden in het opgeheven artikel 53. De vraag kan ook worden gesteld of Everberg wel in overeenstemming is met het arrest-Bouamar dat vereist dat een opsluiting in elk geval gepaard moet gaan met een volwaardig pedagogisch project.

Hoever staat de regering nu met de beloofde ontwerpen die het voorontwerp jeugdsanctierecht moeten doen vergeten. Ik verwijs naar het akkoord dat het kernkabinet vorig jaar had bereikt, maar waarvan ik geen uitvoering zie. Het ging om drie versnipperde ontwerpen die eigenlijk geen echte vernieuwing van de wet van 1965 inhouden, maar enkel neerkomen op symptoombestrijding. Het eerste ontwerp beoogde een uitbreiding van het arsenaal van maatregelen. CD&V kan dat maar ondersteunen voor zover het ook gaat om herstelgerichte en responsabiliserende straffen. Het tweede ontwerp betrof de uitbreiding van de uithandengeving. Voor CD&V is dat geen oplossing. In het derde ontwerp werd het inschakelen van minderjarigen in criminele activiteiten als autonoom misdrijf geviseerd.

In deze legislatuur zal er niets meer terecht komen van een nieuw jeugdsanctierecht en ook de beloofde miniontwerpen laten op zich wachten. Het zou interessant zijn mocht de minister ons ten minste een stand van zaken kunnen geven over die drie punten van het miniakkoord over jeugdcriminaliteit.

Er is nog altijd een capaciteitsprobleem in Vlaanderen. Dat wordt niet aangepakt. De meerderheidpartijen falen in meerdere opzichten in het dossier van de jeugdcriminaliteit. Op Vlaams niveau zijn er dringende noden. Er moeten meer plaatsen komen in gesloten instellingen en ook meer personeel dat gemotiveerd blijft. In de plaats van in Antwerpen een halfopen instelling te creŽren, zou er beter meer capaciteit worden gecreŽerd in de gesloten instellingen. De beveiligingsgedachte is niet de hoofddoelstelling van de gemeenschapsinstellingen, maar het kan wel een belangrijk aandachtspunt zijn. Waarom neemt de groene minister ter zake geen initiatief? Er is veel blabla, maar intussen zijn er elk jaar honderden ontsnappingen. Er moeten meer plaatsen komen voor jongeren met drugsproblemen en met psychiatrische problemen. Het preventiebeleid is evenmin een hoogvlieger. De partijen die vandaag het Everberg-samenwerkingsakkoord goedkeuren, schieten schromelijk te kort op het Vlaamse niveau.

Een volgende aandachtspunt betreft de verhouding tussen misdrijven en problematische opvoedingssituaties. De regering heeft nog steeds geen werk gemaakt van een gedifferentieerde aanpak van delinquent gedrag, enerzijds, en problematische opvoedingssituaties, anderzijds. Dat was nochtans een eis uit de resoluties van het Vlaams parlement van het einde van de vorige legislatuur. Waarom wordt daar geen werk van gemaakt? Belangrijke parlementaire conclusies worden systematisch genegeerd.

Meer fundamenteel is de vraag naar de grondhouding van de regering, die de eigenlijke oorzaak vormt van de inertie en het falen van de paarsgroene meerderheid. Deze libertaire meerderheid heeft geen normendiscours, wat nochtans noodzakelijk is in een discussie over opvoeding. De overheid moet ook op dat punt een duidelijk beleid voeren en de moed hebben normstellend op te treden, ook en vooral ten opzichte van jonge mensen, anders wordt zelfs preventie een onmogelijke opdracht. Het uitblijven van een normstellend maar toch humaan jeugdsanctierecht en de diffuse signalen die de overheid in de drugsdiscussie uitzendt, zijn aanwijzingen dat de regering geen inhoudelijke keuze durft te maken. Dat zorgt voor een nefaste ontwikkeling.

Ten slotte wil ik nogmaals wijzen op de gebreken van de procedure in de Everbergwet. Hoewel dat punt niet onmiddellijk het voorwerp uitmaakt van het samenwerkingsakkoord, is het direct relevant in het dossier. Het ontwerp vertoont een aantal fundamentele tekortkomingen. Zo beantwoordt de procedure helemaal niet aan artikel 5 van het EVRM. Het ontwerp van de regering ontwikkelt namelijk een quasi-strafrechtelijke visie op het jeugddelinquentierecht. Derhalve moet volgens de vaste rechtspraak van het Hof van de Rechten van de Mens te Straatsburg de procedure ook beantwoorden aan de minimale vereisten inzake vrijheidsberoving bedoeld in artikel 5 en inzake de behandeling ten gronde bedoeld in artikel 6 van het EVRM. De regering heeft zich in ruime mate gebaseerd op de wet op de voorlopige hechtenis, doch zonder de essentiŽle procedurele waarborgen over te nemen. In het bijzonder wordt de verplichting om de minderjarigen te verhoren en hen op de hoogte te brengen van de feiten die aanleiding geven tot de plaatsing, niet in de ontworpen tekst opgenomen.

Gelet op het quasi-strafrechtelijk karakter van de voorgestelde maatregel moeten dezelfde waarborgen worden geboden als voor de voorlopige hechtenis. Het zou onbegrijpelijk zijn dat de wetgever strengere procedurele voorwaarden zou opleggen voor volwassenen dan voor minderjarigen.

Toen we vorig jaar in 24 uur in Kamer en Senaat de Everbergwet moesten goedkeuren, heb ik gezegd dat de aanpak van de regering in deze materie kenmerkend was voor haar beleid. Dat beleid wordt gekenmerkt door improvisatie, blufpoker en haastwerk en houdt geen rekening met de beginselen van de rechtsstaat. De overheid is niet betrouwbaar omdat ze de essentie van de problemen niet aanpakt, maar alles bedekt onder het schuim van de dag.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(De tekst aangenomen door de commissie voor de Justitie is dezelfde als de tekst van het door de Kamer van volksvertegenwoordigers overgezonden ontwerp. Zie stuk Kamer 50-1865/3.)

-De artikelen 1 tot 3 worden zonder opmerking aangenomen.

-Over het wetsontwerp in zijn geheel wordt later gestemd.

Wetsontwerp houdende toekenning van de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie aan bepaalde ambtenaren van de fiscale administraties ter beschikking gesteld van de federale politie (Stuk 2-1410) (Evocatieprocedure)

Algemene bespreking

Mevrouw Meryem KaÁar (AGALEV), corapporteur. - Ik verwijs naar mijn schriftelijk verslag.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Het wetsontwerp beoogt de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de Procureur des Konings en van arbeidsauditeur toe te kennen aan de ambtenaren van de fiscale administraties die krachtens de wet van 30 maart 1994 tot uitvoering van het globaal plan op het stuk van de fiscaliteit, gewijzigd bij de wet van 13 maart 2002, ter beschikking zijn gesteld van de federale politie. Tot op heden dienden deze ambtenaren zich steeds te laten bijstaan door magistraten. Dit was geen ideale noch efficiŽnte situatie, met dubbel werk en tijdverlies tot gevolg. Het ontwerp is dus een verstandige maatregel.

Er werd beslist de wet retroactief in werking te laten treden op dezelfde datum als de wet van 13 maart 2002. Die wet bevat het principe van de terbeschikkingstelling van de ambtenaren bij de federale politie en is op 1 januari 2001 in werking getreden. Volgens de minister was de terugwerkende kracht nodig opdat er geen rechtsonzekerheid zou bestaan over de rechtsgeldigheid van de reeds gestelde onderzoeksdaden. Het aan de Raad van State voorgelegde voorontwerp bevatte nochtans geen enkele bepaling in die zin. Plots dook ze op in het bij de Kamercommissie ingediende ontwerp, als laatste alinea van het toenmalige artikel 2. Dat gebeurde niet bij regeringsamendement. Ze kwam gewoon uit het niets tevoorschijn.

We hebben deze deus ex machina ontdekt bij de bespreking van het ontwerp in de senaatscommissie. De regering rekende waarschijnlijk op de lankmoedigheid van de senatoren. We hebben echter een amendement ingediend en hadden een lange discussie over het probleem. Toen bleek dat de regering niet kon verantwoorden waarom deze wet retroactieve kracht moet krijgen. Terugwerkende kracht is enkel verantwoord onder strikte voorwaarden. Deze bestonden niet. Daarom kunnen we het ontwerp niet goedkeuren.

De heer Philippe Mahoux (PS). - Aan dit soort teksten terugwerkende kracht geven, lijkt mij noch vanuit principieel, noch vanuit praktisch standpunt gegrond. De betrokken ambtenaren hebben immers verschillende keren bevestigd dat zij nooit de titel van officier van gerechtelijke politie hebben gebruikt. Wij hebben ons dus lang afgevraagd waarom dit wetsontwerp terugwerkende kracht moest hebben.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(Voor de tekst geamendeerd door de commissie voor de Justitie, zie stuk 2-1410/4.)

-De stemming over het wetsontwerp in zijn geheel heeft later plaats.

Wetsontwerp houdende wijziging van het bijvoegsel bij het Gerechtelijk Wetboek - Gebiedsomschrijving en zetel van hoven en rechtbanken (Stuk 2-1438)

Algemene bespreking

De heer Philippe Mahoux (PS), rapporteur. - Ik verwijs naar mijn schriftelijk verslag.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(De tekst aangenomen door de commissie voor de Justitie is dezelfde als de tekst van het door de Kamer van volksvertegenwoordigers overgezonden ontwerp. Zie stuk Kamer 50-2147/5.)

-De artikelen 1 tot 5 worden zonder opmerking aangenomen.

-Over het wetsontwerp in zijn geheel wordt later gestemd.

Wetsontwerp tot hervorming van de adoptie (Stuk 2-1428) (Evocatieprocedure)

Wetsontwerp tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek wat de adoptie betreft (Stuk 2-1429)

Wetsvoorstel tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek inzake adoptie en tot aanvulling van de wet van 31 maart 1987 tot wijziging van een aantal bepalingen betreffende de afstamming door artikel 121 (van mevrouw Clotilde Nyssens, Stuk 2-66)

Wetsvoorstel tot hervorming van de regels van het Burgerlijk Wetboek betreffende de adoptie (van de heer Philippe Monfils, Stuk 2-88)

Algemene bespreking

De voorzitter. - Ik stel voor deze wetsontwerpen en wetsvoorstellen samen te bespreken. (Instemming)

Mevrouw Martine Taelman (VLD), corapporteur. - Mevrouw de T' Serclaes en ik verwijzen naar ons schriftelijk verslag.

(Voorzitter: de heer Jean-Marie Happart, ondervoorzitter.)

Mevrouw Clotilde Nyssens (CDH). - Op het einde van een regeerperiode worden aan een wetsontwerp in de tweede Kamer gewoonlijk niet veel woorden meer vuil gemaakt. Over een belangrijk onderwerp zoals adoptie kan ik er echter het zwijgen niet toe doen. Het verheugt me dat dit ontwerp vandaag ter stemming voorligt.

De tekst is de omzetting in Belgisch recht van het Verdrag van Den Haag van 29 mei 1993 inzake de bescherming van kinderen en de samenwerking op het gebied van de interlandelijke adoptie, dat de behartiging van de belangen van het kind vooropstelt. Er worden talrijke wijzigingen in positieve zin aangebracht. Sommige ervan zijn terug te vinden in het wetsvoorstel dat ik heb ingediend en dat de hervorming van de binnenlandse adoptie beoogt.

Het voorstel werd samengevoegd met het ontwerp. Het had onder meer betrekking op het verstrekken van informatie aan de kandidaat-adoptieouders over de gevolgen van de adoptie, op advies en op informatie omtrent de mogelijkheden om problemen op te lossen, op de beoordeling door de jeugdrechtbank van de geschiktheid van de personen die wensen te adopteren, op de verplichte vorming voor de kandidaat-adoptieouders, op de vereenvoudiging van de adoptieprocedure door de afschaffing van de adoptieakte in de eerste fase en van de homologatieprocedure in de tweede fase en de vervanging ervan door ťťn enkele gerechtelijke procedure.

Het voorstel had tevens betrekking op de mogelijkheid tot adopteren voor niet gehuwde koppels, de verlaging tot twaalf jaar van de leeftijd die vereist is om in zijn adoptie te kunnen toestemmen, de verduidelijking van de gevolgen van de volle adoptie van een kind door de nieuwe echtgenoot van een ouder van dat kind of door de persoon met wie de ouder van dat kind samenwoont, de mogelijkheid om bij mislukking van een eerste gewone of volle adoptie een nieuwe adoptieprocedure te voeren als er redenen voorhanden zijn die zulks rechtvaardigen, zonder evenwel de eerste volle adoptie te herroepen. Het voorstel had verder betrekking op de procedure tot herziening van adopties bij ernstige inbreuken - ontvoering van, verkoop van, handel in kinderen of mishandeling -, de invoering van een mechanisme tot omzetting van de eenvoudige adoptie in volle adoptie, de volledige erkenning van de adopties gerealiseerd in het kader van het Verdrag, een striktere controle op de adopties die niet onder de toepassing van het Verdrag vallen en de registratie van buitenlandse beslissingen inzake adoptie bij de centrale federale autoriteit.

De wet moet evenwel worden aangevuld met een samenwerkingsakkoord - ik denk dat daartoe al contacten werden genomen - en zelfs met decreten, want de decretale wetgeving moet aan de nieuwe wet worden aangepast met het oog op de onontbeerlijke harmonisering van de diverse bevoegdheden en opdrachten van de federale en gemeenschapsoverheden terzake. Niettegenstaande de antwoorden van de vertegenwoordiger van de minister in de commissie voor de Justitie ben ik nog altijd ongerust over de overgangsmaatregelen voor bepaalde categorieŽn van adoptanten.

De overgangsmaatregelen hebben betrekking op zes soorten situaties. We hebben daar in de commissie langdurig over gesproken, maar volgens mij hebben we geen duidelijkheid gekregen over alle situaties.

Volgens de vertegenwoordiger van de minister moeten, in het geval van een interlandelijke adoptie, twee situaties kunnen worden geregeld rekening houdend met de weg die de adoptanten gedurende maanden hebben afgelegd en die de facto al past in de geest van de nieuwe wet.

Het gaat om adoptanten die door de Franse gemeenschap werden begeleid. Zij werden voorbereid en hebben met gunstig gevolg een psychisch-medisch-sociaal onderzoek doorstaan, uitgevoerd door een door die gemeenschap erkende adoptieorganisatie. Zij staan op de wachtlijst van een land waarmee die organisatie mag samenwerken en hebben bij de buitenlandse bevoegde overheden al dan niet een volledig dossier ingediend, maar die overheden hebben nog geen beslissing genomen omtrent de toewijzing van een kind.

Het zou gaan om 364 koppels of ongehuwden. Men zou deze adoptanten niet mogen verplichten een nieuwe voorbereiding, georganiseerd door de Franse Gemeenschap, te volgen of ze onderwerpen aan een nieuw advies van die gemeenschap over hun psychosociale geschiktheid. De jeugdrechtbank zou zich onmiddellijk moeten kunnen uitspreken over hun respectieve geschiktheid op basis van een dossier van de Franse Gemeenschap waarin bevestigd wordt dat ze een voorbereiding hebben gevolgd en dat haar advies bevat over hun psychosociale geschiktheid.

Er kunnen zich echter twee andere situaties van interlandelijke adoptie voordoen waarmee de vertegenwoordiger van de minister geen rekening heeft gehouden. Ik verwacht een antwoord van de minister van Justitie in verband met die gevallen, want te veel ouders zijn nog ongerust en willen weten welke stappen ze eventueel opnieuw moeten zetten.

De vertegenwoordiger van de minister had het in de commissie voor de Justitie vooral over twee hypotheses van interlandelijke adoptie: de adoptanten die wachten op de toewijzing van het kind en de adoptanten aan wie een kind werd toegewezen en die het buitenlandse vonnis of de buitenlandse beslissing tot adoptie hebben gekregen.

Het ontbreken van overgangsmaatregelen blijft evenwel een probleem vormen voor de adoptanten die zich tussen die twee fases bevinden, namelijk de adoptanten aan wie officieel een kind werd toegewezen maar die nog wachten op het buitenlandse vonnis of de buitenlandse beslissing tot adoptie. In het commissieverslag dat wij gisteren hebben goedgekeurd, staat geen antwoord van de minister op dat probleem.

Het betreft adoptanten die een voorbereiding hebben gekregen of die het voorwerp hebben uitgemaakt van een medisch-psycho-sociologisch onderzoek door een door de Franse Gemeenschap erkende adoptie-instelling en van wie de naam voorkomt op de wachtlijst van een land waarmee dat centrum mag samenwerken.

Het kan gaan om adoptanten die geen dossier hebben bij de bevoegde buitenlandse autoriteiten, maar aan wie conform de bepalingen van de Franse Gemeenschap een kind werd toegewezen. Zes koppels of ongehuwde personen zouden zich in deze fase van de procedure bevinden; het betreft onder meer een koppel dat een dossier voorbereidt voor de adoptie van een kind uit HaÔti of Madagaskar dat werd toegewezen op basis van een voorstel van de erkende adoptie-instelling in samenwerking met haar partner uit HaÔti of Madagaskar, waar de betrokken kindertehuizen door de lokale autoriteiten werden erkend.

Het is echter ook mogelijk dat de adoptanten een dossier bij de bevoegde buitenlandse autoriteiten hebben en dat hun door diezelfde autoriteit een kind werd toegewezen. Er zijn 61 koppels of ongehuwde personen die zich in die situatie bevinden. Zo is er een koppel dat reeds een dossier bij de bevoegde buitenlandse autoriteiten heeft ingediend voor de adoptie van een kind uit China, Madagaskar of Rusland en dat wacht om zich naar het betrokken land te kunnen begeven om het kind af te halen of om het vonnis van de adoptie te horen.

Deze concrete gevallen tonen aan dat het belangrijk is de koppels gerust te stellen die soms al een foto van het kind hebben ontvangen en al een procedure hebben opgestart, maar die niet weten of de nieuwe dan wel de oude wet op hun dossier van toepassing is.

In beide gevallen bestaat het gevaar dat de procedure die de adoptanten reeds hebben doorlopen en die gebaseerd is op de nieuwe wet, niet wordt erkend, en dat de procedure langer aansleept, met als gevolg dat het kind langer in de instelling moet verblijven. De mogelijkheid bestaat dat de procedure in het land van oorsprong en de procedure in BelgiŽ elkaar overlappen, wat in het land van oorsprong tot verwarring kan leiden en tot uitstel van de uiteindelijke beslissing over de adoptie.

We moeten een oplossing vinden voor deze twee groepen van kandidaten die bij de besprekingen in de commissie over het hoofd werden gezien. Ik wens dat een aanvaardbare oplossing wordt gevonden in het kader van het samenwerkingsakkoord tussen de gemeenschappen en het ministerie van Justitie dat thans wordt uitgewerkt. De adoptanten mogen niet opnieuw worden verplicht om de voorbereiding te volgen die door de Franse Gemeenschap wordt georganiseerd of om opnieuw aan een evaluatie van hun psychosociale geschiktheid te worden onderworpen. Het zou misplaatst zijn hen te verplichten het parcours opnieuw te doorlopen.

Een gemengde commissie, samengesteld uit vertegenwoordigers van de centrale federale- en deelstaatautoriteiten en magistraten zou deze gevallen individueel kunnen onderzoeken teneinde na te gaan of het vonnis over de geschiktheid van de adoptanten noodzakelijk is, gelet op de voortgang van de adoptieprocedure in het buitenland. De jeugdrechtbank zou zich onmiddellijk moeten kunnen uitspreken over de geschiktheid op basis van het dossier van de Franse Gemeenschap, dat een verklaring bevat over de verplichte voorbereiding en waarin de psychosociale geschiktheid wordt beoordeeld.

Als het volledige dossier van de adoptanten reeds bij de bevoegde buitenlandse autoriteiten is ingediend, is het wellicht beter dat de nieuwe wet slechts ten dele wordt toegepast en dat vrijstelling wordt verleend van het geschiktheidsvonnis of van het verslag van het openbaar ministerie en de verzending van dat verslag naar het buitenland. Tot zover de internationale adoptie en de moeilijke gevallen waarvoor de minister nog geen oplossing heeft gegeven.

Tijdens de commissiebesprekingen werden adoptie in BelgiŽ en interlandelijke adoptie vaak zonder onderscheid besproken. Bij adoptie in BelgiŽ moeten er eveneens overgangsmaatregelen komen voor de adoptanten die onder de regeling van de Franse Gemeenschap vallen. Het betreft adoptanten die een voorbereiding hebben gekregen en op hun geschiktheid werden beoordeeld door een door de Franse Gemeenschap erkende adoptie-instelling. Ze staan op een wachtlijst van die instelling, maar er werd geen akte van adoptie noch een homologatieverzoek bij de jeugdrechtbank ingediend.

Zo is er een koppel dat 14 maanden geleden via een door de Franse Gemeenschap erkende instelling een adoptieaanvraag heeft ingediend voor een in BelgiŽ geboren kind en dat wacht op een kind. Er zouden 33 koppels zijn die zich in een dergelijke situatie bevinden. De overgangsmaatregel die de vertegenwoordiger van de minister in de commissie heeft voorgesteld, zou verhinderen dat de adoptanten opnieuw een voorbereiding moeten volgen of aan een nieuw psychosociaal onderzoek worden onderworpen. Als ze een verzoek tot de jeugdrechtbank richten in het kader van de eigenlijke adoptie, moet deze een vonnis van adoptie kunnen vellen op basis van het dossier van de Franse Gemeenschap, waarin wordt verklaard dat ze een voorbereiding hebben gekregen en dat ze geschikt zijn om een kind te adopteren.

Voor de adoptanten die een voorbereiding hebben gekregen en die zijn onderworpen aan een medisch-psycho-sociologisch onderzoek in een door de Franse Gemeenschap erkende adoptie-instelling, en die al een akte van adoptie of een homologatieverzoek bij de Jeugdrechtbank hebben ingediend, stelt artikel 21 van het ontwerp de volgende oplossing voor: "Wanneer een akte van adoptie werd opgesteld of bij de rechtbank een verzoek tot homologatie of uitspraak van de adoptie werd ingediend voor de datum van inwerkingtreding van deze wet, blijft het vroegere recht van toepassing." Dit artikel zou op dertig koppels van toepassing zijn. Het betreft koppels die al een kind in hun gezin hebben opgenomen en die wachten op het homologatievonnis van de jeugdrechtbank.

Ik haal deze gevallen aan omdat er in de commissie voor de Justitie vrijwel uitsluitend is gesproken over de overgangsmaatregelen en er maar heel weinig aandacht is geschonken aan de hervorming die door de Kamer is goedgekeurd. We hebben heel wat vragen gekregen van mensen die zich ongerust maken over de nieuwe wet en vrezen dat ze de adoptieprocedure moeten herbeginnen.

We hebben het ook uitgebreid gehad over de geschiktheid van de kandidaat-adoptant. Het is niet gemakkelijk voor een instelling of voor een rechter om zich uit te spreken over een dergelijk gevoelig onderwerp. Ouders die kinderen op de wereld zetten wordt ook niet gevraagd te bewijzen dat ze wel geschikt zijn om een kind op te voeden.

Adoptie is een avontuur. Sommige adopties zijn geslaagd, maar andere mislukken. We kennen een aantal gevallen en de jeugdrechtbanken worden vaak geconfronteerd met adolescenten die problemen hebben met hun pleegouders.

Ouders die blijk geven van edelmoedigheid en die een lange en moeilijke procedure hebben doorlopen om een kind te kunnen adopteren, krijgen vaak problemen met hun kinderen wanneer die de adolescentieleeftijd bereiken.

Om die reden wordt in het huidige ontwerp niet geraakt aan het juridische principe van de herroepbaarheid van de volle adoptie, die een levenslange verbondenheid impliceert. Nochtans bepaalt het ontwerp dat een kind dat reeds is geadopteerd, zelfs wanneer het om een volle adoptie gaat, nogmaals kan worden geadopteerd ingeval van mislukking of bij zeer zware moeilijkheden. Het ontwerp gaat op dat vlak zeer ver, gelet op het feit dat een nieuwe adoptie voor geen van de betrokken partijen gemakkelijk is.

Het laatste punt dat in de commissie aan bod is gekomen, had betrekking op de vraag wie het sociologisch onderzoek moet uitvoeren. Het Verdrag van Den Haag bepaalt dat de kandidaat-adoptanten voortaan bekwaam en geschikt om te adopteren moeten worden verklaard. Door wie zal dat worden beoordeeld? Momenteel wordt het onderzoek uitgevoerd door de gemeenschappen in het kader van de reglementering van de adoptie-instellingen. We hebben herhaaldelijk gevraagd of de adoptie-instellingen die bevoegdheid zullen behouden dan wel of de beoordeling zal worden toevertrouwd aan de diensten van de jeugdrechtbanken. Het is immers de jeugdrechter die zich moet uitspreken over de bekwaamheid en de geschiktheid van de kandidaat-adoptanten.

Het samenwerkingsakkoord moet duidelijk bepalen wie verantwoordelijk is voor de uitvoering van het sociologisch onderzoek. Er zijn in andere dossiers al genoeg problemen geweest tussen de federale overheid en de gemeenschappen.

Ik meen te hebben begrepen dat de sociale diensten van de jeugdrechtbanken op dat vlak voortaan een belangrijke rol hebben. Ik pleit nogmaals voor duidelijkheid in het samenwerkingsakkoord.

Ten slotte dring ik erop aan dat er overgangsmaatregelen worden uitgewerkt voor de gevallen die ik heb aangehaald en waarvoor in de commissie geen oplossing is gegeven. De Franse Gemeenschap heeft ons een nota bezorgd met alle problemen die zich kunnen voordoen, zowel bij adoptie in BelgiŽ als bij interlandelijke adoptie. Er moet rekening worden gehouden met de lange en moeilijke weg die sommige kandidaat-adoptanten al hebben afgelegd. Zowel de federale overheid als de overheden van de deelstaten moeten de betrokken personen de nodige inlichtingen verstrekken in afwachting van de inwerkingtreding van de nieuwe wet.

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Onze fractie zal dit voorstel goedkeuren. Er is immers dringend nood aan rechtszekerheid in deze materie. We moeten dan ook dringend overgaan tot de ratificatie van de internationale conventie terzake, zodat we ze kunnen vertalen in interne wetgeving. In het raam van de conventie moeten we er mee voor zorgen dat een einde wordt gemaakt aan een aantal misbruiken op internationaal niveau.

Het verheugt ons dat deze aangelegenheid, waarover we tijdens de vorige legislatuur langdurig hebben onderhandeld, eindelijk op de agenda staat. Dat neemt niet weg dat we een aantal kanttekeningen maken, ook na de bespreking in de Kamer. Die hebben, enerzijds, betrekking op de overgangsmaatregelen en het in voege treden van deze wet en, anderzijds, op het feit dat dit ontwerp inzake adoptie in de Senaat veel te snel moest worden afgehandeld. Dat laatste is wel begrijpelijk omdat men deze materie op de valreep nog wil goedkeuren vůůr het einde van de legislatuur, maar daardoor konden we de adoptieproblematiek niet in een ruimere context plaatsen. Nochtans is daar dringend nood aan.

Over de overgangsmaatregelen is in de commissie uitgebreid van gedachten gewisseld en ook de regering heeft nog een aantal argumenten aangereikt. Toch vinden we dat er meer duidelijkheid moet komen over die overgangsmaatregelen, zowel in het belang van de adoptieouders als van de adoptiekinderen. Sommige gezinnen hebben al maanden of jaren geleden een adoptieaanvraag ingediend en zijn nog steeds verwikkeld in de procedure. De nu bestaande overgangsmaatregelen moeten worden verruimd, in het belang van de adoptant en van de toekomstige geadopteerde. Volgens de huidige wet vallen alleen de aanvragen waarover al een vonnis werd geveld en waarbij het kind in BelgiŽ werd geboren niet onder de nieuwe regeling. Wij denken dat die overgangsmaatregel moet worden verruimd tot de honderden kandidaat-adoptanten die, soms na maanden of meer dan een jaar wachten, tot de bestaande procedure van beginseltoestemming werden toegelaten. Ook in het Franstalige landsgedeelte hebben vele kandidaat-adoptanten met succes een medisch-psychisch-sociaal onderzoek doorstaan overeenkomstig het decreet relatif ŗ l'aide ŗ la jeunesse. We vinden dat, zowel aan Nederlandstalige als aan Franstalige kant, in het raam van de decretale bevoegdheden van de Gemeenschappen reeds een wettelijk criterium voorhanden is dat het mogelijk maakt de ingezette procedure te erkennen in een eerder stadium dan het vellen van een vonnis.

Daarbij is het zeker mogelijk rekening te houden met de specificiteit van de procedure aan Nederlandstalige en aan Franstalige kant.

We pleiten ervoor dat dit in de wet zou worden erkend. We hebben een nieuwe overgangsbepaling voorgesteld, waarbij het vroegere recht van toepassing blijft, wanneer door de kandidaat-adoptant of adoptant de beginseltoestemming is verkregen, zoals bedoeld in artikel 20 van het besluit van de Vlaamse regering van 19 april 2002, of wanneer het medisch en psychosociaal onderzoek, bedoeld in artikel 50 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 4 maart 1991, met positief resultaat werd beŽindigd. Dat is de geest van ons amendement. We denken immers dat het zowel ten aanzien van de adoptanten als van de toekomstige geadopteerde onrechtvaardig zou zijn als ze verplicht zouden worden alle stappen van de procedure over te doen. Het gaat natuurlijk niet over dossiers, maar over mensen voor wie de tijd niet stilstaat of kan teruggedraaid worden. Wij menen dat dit amendement ook tegemoetkomt aan de opmerkingen van de erkende Vlaamse adoptiecentra en van de Vlaamse centrale autoriteit inzake adoptie, Kind en Gezin evenals van de ACAI, de Franstalige centrale autoriteit inzake internationale adoptie.

We hebben in de commissie een subsidiair amendement ingediend, dat we nu ook opnieuw indienen. Ingeval het eerste amendement niet aanvaard kan worden, willen we hiermee aan de Koning de verplichting opleggen kandidaat-adoptanten over de nieuwe wet in te lichten, zodat ze alsnog een vonnis kunnen krijgen om de ingezette procedure te laten valideren in het raam van de nieuwe wet.

Ik zal daar nu niet verder op ingaan. Mevrouw Nyssens heeft daarnet al op genuanceerde wijze het probleem van de overgangsmaatregelen gesteld. Het is ook aan bod gekomen in de commissie en het wordt genuanceerd weergegeven in het verslag. We wilden hier enkel benadrukken dat we menen dat een andere overgangsmaatregel mogelijk is, die voldoende rechtszekerheid biedt en de ingezette procedures erkent.

Een tweede punt dat de CD&V-fractie aan de orde wil brengen, is de problematiek van de voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen. Het punt staat op de agenda van deze vergadering omdat we later vandaag gaan stemmen over een rapport van de kinderrechtencommissie van de Senaat. Met betrekking tot dit ontwerp willen we verwijzen naar een aantal artikelen uit titel XIII, hoofdstuk 6 van de jongste programmawet, betreffende de voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen. We menen dat die artikelen moeten worden ingevoegd in het Burgerlijk Wetboek, in een nieuw hoofdstuk 3bis met als titel `voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen'. Het is niet verantwoord dat de voormelde materie op een verloren plaats blijft staan in een programmawet; het is logisch dat ze wordt ingevoegd in het Burgerlijk Wetboek en ze moet perfect aansluiten bij de adoptiewetgeving zoals die vandaag wordt gewijzigd. Ik meen mij te herinneren dat de minister eerder al beloofd heeft deze problematiek te regelen, samen met het dossier van de hervorming van het voorlopig bewind over onbekwamen. Vandaag stellen we vast dat dit niet is gebeurd. Nu de adoptie wordt behandeld, is het daarvoor het gepaste moment. We kunnen nu in de plenaire vergadering de voorgestelde invoeging in het Burgerlijk Wetboek nog doorvoeren.

Als het vandaag niet gebeurt, zal het volgende parlement in het Burgerlijk Wetboek meer duidelijkheid moeten brengen in de zin van ons amendement.

We hebben een tweede amendement ingediend over het in voege treden van het voogdijstatuut voor niet-begeleide minderjarigen. De programmawet voerde dit statuut in. Het treedt echter pas in voege na een samenwerkingsakkoord tussen de gemeenschappen over de gehele problematiek van de opvang van niet-begeleide minderjarige vreemdelingen. De CD&V-fractie vindt dat beide problemen niet gekoppeld moeten worden in de tijd. Uiteraard zijn we voorstander van een akkoord met de gemeenschappen over de opvang en de financiering van niet-begeleide minderjarige vreemdelingen. We vinden het echter niet verantwoord dat het in voege treden van het voogdijstatuut afhangt van de totstandkoming van een dergelijk akkoord. We zijn ťťn van de weinige landen van de Europese Unie die nog geen statuut hebben voor niet-begeleide minderjarige vreemdelingen. We worden dus door Europa gedwongen om een dergelijk statuut in te voeren. Dat gebeurde in de programmawet, maar voorlopig nog zonder concrete resultaten vermits er nog geen samenwerkingsakkoord tussen de gemeenschappen is. Ons amendement wil dit statuut onmiddellijk invoeren zonder rekening te houden met een eventueel akkoord met de gemeenschappen.

We maken van de discussie over de adoptiewetgeving gebruik om nog twee andere belangrijke problemen in verband met de adoptie te regelen en wij hopen dat de Senaat onze amendementen terzake zal goedkeuren.

Het probleem van de kosten van de adoptieprocedure wordt niet rechtstreeks door het ontwerp geregeld. Het vloeit er echter uit voort, zeker voor wat de internationale adoptie betreft. We hebben dat in de commissie kort besproken. We hebben het probleem anderhalf jaar geleden ook in de commissie FinanciŽn behandeld naar aanleiding van een wetsvoorstel dat ik had ingediend. De discussie kon echter nog niet worden afgerond. Uit gesprekken met adoptieouders blijkt dat de onkostennota's zeer hoog kunnen oplopen. Voor een internationale adoptieprocedure is een kostprijs van tien duizend euro niet uitzonderlijk.

In andere Europese landen bestaan regelingen om deze kosten fiscaal aftrekbaar te maken of komen gezinnen die de financiŽle kosten van een adoptie dragen zelfs in aanmerking voor subsidies of financiŽle ondersteuning. De overheid beschikt dus over die twee instrumenten om de kosten te beperken voor de gezinnen die wensen te adopteren, waardoor adoptie sociaal toegankelijker wordt. In ons amendement beperken we ons tot het fiscale instrument omdat dit tot de bevoegdheid van de federale wetgever behoort; subsidiŽring is een bevoegdheid van de gemeenschappen.

We stellen voor om in het Wetboek inkomstenbelastingen in titel II, hoofdstuk III, afdeling II, een nieuwe onderafdeling IIquinquies in te voegen die bepaalt dat een belastingvermindering wordt verleend voor de uitgaven verricht in het kader van een adoptieprocedure ten belope van maximaal 8.750 euro. Een aantal kosten kan hetzij volledig, hetzij gedeeltelijk in mindering worden gebracht. Dit is een verantwoorde en wenselijke aanpassing die de financiŽle drempel voor een adoptie zou verlagen. Een adoptieprocedure mag niet alleen toegankelijk zijn voor zeer vermogende mensen. Een gezinsvriendelijke fiscaliteit is hiertoe ťťn instrument.

De CD&V-fractie wenst nogmaals een lans te breken voor een verruiming van het adoptieverlof. Tijdens deze regeerperiode werd het adoptieverlof voor werknemers tot tien dagen verlengd, zodat het werd gelijkgesteld met het vaderschapsverlof. We hebben deze maatregel mee goedgekeurd, maar vinden tegelijkertijd dat dit verlof in een ander daglicht moet worden gesteld. Het adoptieverlof heeft een heel eigen karakter. Het is een `hechtingsverlof' waarbij het adopterende gezin het kind leert kennen en eraan gehecht raakt.

De eerste kennismaking van een kind met het adoptiegezin is cruciaal voor het welslagen van de adoptierelatie op lange termijn. Mevrouw Nyssens heeft adoptie daarnet een avontuur genoemd. Een kind adopteren is inderdaad een mooie, maar geen gemakkelijke gezinsopdracht. Daarom moeten de voorwaarden voor adoptie zodanig worden georganiseerd dat de kans op slagen maximaal is.

De regeling die we voorstellen is zeker niet volmaakt. We zijn evenwel van oordeel dat voor adoptieouders een bijzonder adoptieverlof moet bestaan dat - vanuit het principe van gelijkheid van alle gezinsvormen en non-discriminatie van alle kinderen en van alle ouders - het best kan worden afgestemd op het moederschapsverlof. Ik weet wel dat beide met elkaar niet te vergelijken zijn, maar we gebruiken dit aanknopingspunt om een weging mogelijk te maken.

Het door ons ingediend amendement strekt ertoe het adoptieverlof voor werknemers op minimum acht weken te brengen en daarmee af te stemmen op het adoptieverlof voor ambtenaren, dat gelukkig gunstiger is.

Een ander amendement strekt ertoe adoptieverlof in te voeren voor wie een zelfstandigenstatuut heeft, waardoor alle ouders gelijk worden behandeld.

Ik benadruk nogmaals dat deze factoren geen garantie vormen op het welslagen van een goede gezinsrelatie, maar ze dragen er wel toe bij.

Ik ben me ervan bewust dat deze wetsontwerpen in het verlengde liggen van een internationale conventie, maar ik betreur het dat in Kamer en Senaat, waar dergelijke aangelegenheden grondig moeten worden besproken, niet dieper werd ingegaan op deze kwestie. Volgens mij is dit een gemiste kans. Iedereen weet immers hoe lang het kan duren vooraleer een punt op de politieke agenda wordt geplaatst. Als het dan eindelijk geagendeerd wordt, moet men die gelegenheid benutten om te discussiŽren over de grond van het dossier en al zijn consequenties, waaronder de regeling van het adoptieverlof.

Mevrouw Martine Taelman (VLD). - Het verheugt de VLD uitermate deze wetsontwerpen eindelijk te kunnen goedkeuren. Het gaat immers om belangrijke en degelijke wetsontwerpen die kunnen steunen op een groot draagvlak. Getuige hiervan de goedkeuring ervan door alle democratische partijen in de Kamer.

Deze belangrijke wetsontwerpen maken het mogelijk het Verdrag van Den Haag inzake de bescherming van kinderen en de samenwerking op het gebied van de interlandelijke adoptie, eindelijk effectief te kunnen toepassen in BelgiŽ.

De noodzaak hiervan wordt aangetoond door de doelstellingen van het Verdrag zelf: het waarborgen dat bij interlandelijke adoptie het hoger belang van het kind wordt gediend en de fundamentele rechten die hem volgens het internationale recht toekomen, worden geŽerbiedigd, het invoeren van een samenwerkingsverband tussen de Verdragssluitende Staten teneinde te verzekeren dat deze waarborgen in acht worden genomen en ontvoering, verkoop van of handel in kinderen aldus worden voorkomen en tenslotte het waarborgen van de erkenning van adopties die overeenkomstig het Verdrag in verdragssluitende staten tot stand zijn gekomen.

Ook in ons land is de toepassing van het Verdrag dringend nodig. De Vlaamse wetgeving terzake heeft niet alleen geleid tot herhaalde veroordelingen door de Raad van State wegens bevoegdheidsoverschrijding, maar ook tot wanpraktijken bij het afleveren van de `beginselverklaring'. Op deze wanpraktijken, die in de commissie aan bod zijn gekomen, zal ik hier niet verder ingaan.

Het belangrijkste voor ons is dat we vanaf nu te maken krijgen met een gerechtelijke procedure, die de nodige waarborgen biedt inzake objectiviteit, rechtszekerheid, inzage in het dossier, enzovoort en dat de geschiktheid van de kandidaat-adoptanten bij rechterlijke uitspraak wordt vastgesteld. We zijn dus niet tegen een `beginselverklaring' of `geschiktheidsattest' - het Verdrag legt dit trouwens op ter bescherming van de rechten van het kind - wel tegen een systeem van toekenning dat kan leiden tot willekeur en dat werkt op basis van een advies van personen die niet altijd beschikken over de nodige maturiteit, opleiding en knowhow.

Artikel 363-1 had onze bijzondere aandacht, omdat daarrond op het terrein vele vragen zijn. Dit artikel bepaalt dat de adoptant en de bloedverwanten van het kind of enige andere persoon die het onder zijn bewaring heeft of van wie de toestemming in de adoptie vereist is, niet met elkaar in contact mogen komen zolang bepaalde andere artikelen niet in acht zijn genomen. Deze bepaling gaat verder dan het Verdrag van Den Haag, dat bepaalt dat dit contact niet mag plaatsvinden zolang de geschiktheid tot adopteren en de adopteerbaarheid van het kind niet zijn vastgesteld. Artikel 363-1 legt een aantal bijkomende voorwaarden op, zodat contact niet mogelijk blijkt zolang de adoptieprocedure niet nagenoeg volledig rond is. In de praktijk blijkt echter dat bepaalde herkomstlanden eisen dat kandidaat-adoptanten een aantal keren contact hebben met het kind. Het is dan ook logisch dat bij mensen die uit die landen willen adopteren, heel wat onzekerheid bestaat over de gevolgen van dit artikel. Ik ben blij dat de regering hierover duidelijkheid heeft verschaft door te verklaren dat, op basis van het laatste zinsdeel van artikel 363-1 en de memorie van toelichting, deze contacten toch mogelijk zijn indien de staat van herkomst van het kind dit vereist.

Daarnaast wil ik nog een punt lichten uit de niet al te lange, maar interessante discussie die we in de commissie hebben gevoerd, namelijk de vraag naar de overgangsbepalingen en het lot van de kandidaat-adoptanten die in de huidige procedure zitten. Hierbij verwijs ik naar het schriftelijk verslag, waarin een overzicht van de regering is opgenomen van alle hypotheses en de gevolgen van het wetsontwerp. Dit geeft de nodige zekerheid aan kandidaat-adoptanten en herleidt eventuele vertragingen tot een verwaarloosbaar minimum.

De inwerkingtreding en de concrete effecten van dit wetsontwerp hangen samen met de bevoegdheid van de gemeenschappen. We kunnen enkel hopen en erop aandringen dat er snel een samenwerkingsakkoord wordt gesloten en dat de gemeenschappen van de gelegenheid gebruik zullen maken om hun decreten aan te passen. Zo kunnen ze meer transparante en minder zware procedures uitwerken, een betere nazorg organiseren en de kosten voor een adoptie drukken. In Vlaanderen is een voorstel van decreet in die zin overigens al ingediend. Zodra we dit wetsontwerp hebben goedgekeurd en de Kamer onze technische aanpassingen heeft aanvaard, kan het in het Vlaams Parlement worden besproken.

Belangrijk voor de VLD is dat ook samenwonenden de mogelijkheid tot adoptie wordt geboden, evenwel op voorwaarde dat het koppel al drie jaar op een permanente en affectieve wijze samenwoont. Op die manier wil men erover waken dat de geadopteerde in een stabiel familiekader wordt opgevangen. De vraag kan worden gesteld waarom deze voorwaarde voor gehuwden niet geldt?

Voortaan wordt er ook meer rekening gehouden met de mening van het kind zelf. Zo zal de toestemming van het kind vereist zijn vanaf de leeftijd van 12 jaar en wordt er meer aandacht besteed aan het horen van de minderjarige, ook beneden de 12 jaar.

Over het geheel wil ik nog eens herhalen dat we blij zijn dat de homologatieprocedure verlaten wordt en dat de rechter heel de procedure begeleidt, hetgeen de nodige rechtszekerheid biedt. Jammer is wel dat de kandidaat-adoptanten niet de inhoud zullen kennen van het verslag dat de rechtbank naar de federale centrale autoriteit zal sturen. Zij krijgen geen kopie om de procedure volgens het Verdrag verder te zetten en om fraude te voorkomen: sommigen zouden immers geneigd kunnen zijn om zelf op zoek te gaan naar een land of instelling die een kind kunnen aanbieden, waardoor opnieuw het gevaar op kinderhandel kan ontstaan. Hier was het toch interessant geweest om hen tenminste inzage te geven in dat verslag.

Tenslotte betreuren wij het ook dat er nog enkele technische aanpassingen dienden te gebeuren. Gevolg is dat we nog enkele weken moeten wachten vooraleer dit ontwerp wet zal zijn. Het zou echter ongehoord zijn om een onvolledige en onjuiste wet te stemmen.

Wij zullen er in ieder geval bij onze collega's in de Kamer op aandringen om zo snel mogelijk tot de definitieve stemming over te gaan. Ik hoop dat ook de andere fracties dit zullen doen.

Het is duidelijk dat de VLD-fractie dit wetsontwerp met overtuiging zal goedkeuren.

De heer Philippe Mahoux (PS). - Ik zou allereerst de kwaliteit van het verslag van mevrouw de T' Serclaes en mevrouw Taelman willen onderstrepen. Het geeft onze discussies zeer precies weer en belicht de vragen die wij ons stellen.

De minister moet ons in de plenaire vergadering zeggen wat het lot zal zijn van de kandidaat-adoptanten die met een adoptieprocedure zijn begonnen en in de overgangsperiode met een grote onzekerheid dreigen te worden geconfronteerd, als de federale overheid hun niet behoorlijk informeert.

Adoptanten gaan vaak een lijdensweg en moeten sterk gemotiveerd zijn. Wij mogen hun dus geen extra moeilijkheden berokkenen en moeten de procedure zo duidelijk mogelijk maken.

Met dit ontwerp willen wij onze wetgeving in overeenstemming brengen met het internationaal recht, meer bepaald met het Verdrag van Den Haag, dat op 29 mei 1993 werd ondertekend.

Wie de moeilijkheden kent waarmee echtparen bij adoptie krijgen af te rekenen - en dat is een eufemisme - kan niet anders dan tevreden zijn met een initiatief dat de adoptie organiseert. Toch sta ik te kijken van sommige wezenlijke elementen van deze regeling.

Krachtens dit ontwerp moeten de kandidaat-adoptanten in een vonnis van een jeugdrechter geschikt worden verklaard. Het Verdrag van Den Haag schrijft voor dat de bevoegde overheid van het adoptieland zich ervan moet vergewissen dat de toekomstige adoptieouders wettelijk bekwaam en geschikt zijn voor adoptie. Dit wetsontwerp voorziet toch wel in verbazend veel overheden om die geschiktheid te waarderen: het parket, de jeugdrechtbank, de diensten die belast zijn met het sociaal onderzoek, en de diensten van de gemeenschappen, die gemachtigd zijn een advies uit te brengen.

Al deze overheden kunnen in de procedure tussenbeide komen om te bepalen of iemand geschikt is om ouder te worden. Ik vind dat abnormaal. De overheid dreigt zich diepgaand te mengen in de persoonlijke levenssfeer van de kandidaat-adoptanten

Dat wordt nagegaan of de ouders aan alle juridische voorwaarden voldoen om te kunnen adopteren en of zij geen oneerlijke bedoelingen hebben, ligt voor de hand. Een waardering uitspreken over hun sociaal-psychologische geschiktheid lijkt me echter niet helemaal legitiem. Voor ouders van biologische kinderen gebeurt dat immers ook niet.

Er werden ons heel wat voorbeelden gegeven van overdreven indringende onderzoeken. Ik kan maar moeilijk aanvaarden dat men een min of meer objectieve analyse probeert te maken van de iemands geschiktheid om een kind te adopteren. Deze behandeling vormt een discriminatie ten aanzien van ouders die een kind willen verwekken en dat soms doen met de hulp van de wetenschap, waardoor men nog moeilijk kan spreken van een zuiver `natuurlijke' conceptie.

In de commissie kwam ook de mogelijkheid aan bod om een adoptie te herroepen. Artikel 356-4 van het ontwerp bepaalt dat volle adoptie onherroepelijk is. Als echter wordt vastgesteld dat aan het verzoek tot adoptie een ontvoering van, een verkoop van of een handel in kinderen is voorafgegaan, kan een adoptie worden herzien. Artikel 347-1 maakt melding van de mogelijkheid om een nieuwe adoptie tot stand te brengen. Deze nieuwe adoptie kan enkel plaatsvinden als daarvoor zeer gewichtige redenen bestaan en als deze nieuwe adoptie op verzoek van het openbaar ministerie wordt uitgesproken.

In de commissie heeft de vertegenwoordiger van de minister verklaard dat de mogelijkheid om over te gaan tot een nieuwe adoptie uitzonderlijk is en niet strijdig met het principe dat een adoptie onherroepelijk is. Dat is niet ernstig, de wet voorziet wel degelijk in de mogelijkheid om een adoptie te herroepen.

Ook al kan een adoptie alleen in bijzondere omstandigheden worden herzien, de herziening doet problemen rijzen voor de rechtszekerheid van de adoptieve handeling zelf. Anderzijds mag er mijns inziens geen onderscheid worden gemaakt tussen de verhouding tussen biologische ouders en hun kinderen, en de verhouding tussen adoptieouders en het geadopteerde kind. Dezelfde beschermingsmechanismen moeten gelden voor een biologisch en voor een geadopteerd kind.

In welbepaalde gevallen voorziet ons recht in de ontheffing uit de ouderlijke macht, waarbij een ouder elk recht over een kind verliest. Waarom wordt niet in dezelfde voorwaarden voorzien om een adoptie te herroepen?

In de commissie heeft de vertegenwoordiger van de minister beklemtoond dat, als een eerste adoptie mislukt, tot een nieuwe adoptie kan worden overgegaan. Voor mij zijn dat vage bewoordingen. Voor biologische kinderen kan de band met het ouderlijk gezag om welbepaalde redenen worden verbroken, voor geadopteerde kinderen wordt dat niet duidelijk gezegd. Ik betreur dat.

Wij hebben ons ook gebogen over de vraag wie bevoegd is om het sociaal onderzoek te voeren op grond waarvan de rechter uitspraak moet doen over de geschiktheid van de ouders om te adopteren. Wordt dat voortaan een opdracht voor de sociale diensten van de gemeenschappen of voor de federale overheid?

Ik herhaal dat ik enig voorbehoud maak bij het begrip geschiktheid om te adopteren.

Beide gemeenschappen hebben decreten voorbereid opdat kandidaat-adoptanten zich zouden voorbereiden op de adoptie en een geschiktheidscertificaat zouden behalen alvorens te kunnen adopteren via de kanalen van de gemeenschappen. Geen enkele federale wet bepaalt echter dat de kandidaat-adoptant op de adoptie voorbereid moet zijn, sociaal-psychologisch moet worden begeleid of dat er een verslag moet worden opgesteld door sociale diensten.

De gemeenschappen hebben dat naar zich toegetrokken en zijn meteen tegemoetgekomen aan de noodzaak om het risico van mensenhandel te beperken. Zij hebben een leemte opgevuld, maar dit ontwerp zet dat initiatief op de helling. De justitieassistenten van de jeugdrechters moeten de sociale onderzoeken voeren. Zij kunnen wel inlichtingen inwinnen bij de diensten van de gemeenschappen om te voorkomen dat sommige onderzoeken twee keer worden gevoerd.

Wij moeten dus zeer aandachtig toezien op het samenwerkingsakkoord dat moet worden gesloten tussen de federale regering en de gemeenschappen om duidelijk te bepalen voor welke aspecten van het geschiktheidsonderzoek de federale overheid bevoegd is en welke tot de bevoegdheid van de gemeenschappen blijven behoren.

Voor de personen die willen adopteren, is het van fundamenteel belang dat de bevoegdheden van de respectieve instellingen duidelijk worden bepaald, zodat de ingewikkelde procedure die ze moeten volgen, eenvoudiger wordt.

Ook de rechtszekerheid moet worden gegarandeerd. Ik beklemtoon dit element in het bijzonder, net als het begrip onomkeerbaarheid of onherroepelijkheid in juridische terminologie. Volgens mij moet de procedure zo onomkeerbaar mogelijk zijn.

In de aanloop naar de adoptie, vooral de interlandelijke adoptie, bestaat de eerste fase uit de eerste contacten, dikwijls met het land van herkomst van het kind. Daarna volgen de foto's. Vanaf dat ogenblik wordt al een affectieve band gesmeed tussen het kind dat zal worden geadopteerd en de adoptieouders. Met dat hele verloop moet rekening worden gehouden. Als in die fase geen duidelijkheid heerst, vooral met betrekking tot het bewijs van geschiktheid, krijgen de adoptieouders een ingewikkelde opdracht en kan de band die wordt gesmeed, worden verstoord.

Ik leg sterk de nadruk op de overgangsperiode, in het licht van wat ik heb gezegd over de onontbeerlijke rechtszekerheid. Wat houdt die overgangsperiode in? Als ik de strekking van de tekst goed heb begrepen, blijft de oude procedure van toepassing zodra men zich heeft gericht tot de vrederechter, die in de huidige stand van zaken bevoegd is.

De minister moet in de plenaire vergadering opnieuw preciseren welke overgangsmaatregelen zullen worden toegepast en zijn departement moet contact opnemen met de gemeenschappen, ook al kunnen de gemeenschapssenatoren het van hem overnemen in hun respectieve assemblees. In ieder geval moeten de ouders die een adoptieprocedure hebben ingezet, duidelijk worden geÔnformeerd over de wijziging van de wet.

Ondanks de opmerkingen die ik heb geformuleerd en het voorbehoud dat ik heb met betrekking tot de geschiktheid om ouder te zijn en de minieme doch reŽle mogelijkheid om de adoptie te herroepen, zal onze fractie het ontwerp goedkeuren.

Mensen die een kind willen adopteren, wachten immers al lang op dit ontwerp, dat de adopties doorzichtiger en veiliger moet maken.

Ik wil helemaal geen kritiek uitbrengen op het werk dat de gemeenschappen hebben gedaan, maar de ontwerpen en voorstellen die wij vandaag bespreken waren nodig, gelet op de soms verdachte situaties bij sommige verenigingen.

Het was nodig de controle op die verenigingen te versterken en de toekomstige adoptieouders meer rechtszekerheid te geven. Nu moeten nog de respectieve bevoegdheden van de federale overheid en van de gemeenschappen in een samenwerkingsakkoord worden verduidelijkt.

De heer Paul Galand (ECOLO). - Onze fractie zal dit wetsontwerp goedkeuren.

Ik ben het ermee eens dat er een einde moet worden gemaakt aan de onzekerheid van degenen die een adoptieprocedure hebben opgestart. Deze wet moet een geruststelling voor hen betekenen.

De heer Marc Verwilghen, minister van Justitie. - Jaren intense werkzaamheden resulteren vandaag eindelijk in een omvangrijke en consistente hervorming van onze adoptiewetgeving. In het ontwerp dat de Senaat nu behandelt, staat alleen het welzijn van het kind centraal. Met dit ontwerp wil ons land het Verdrag van Den Haag inzake de internationale samenwerking en de bescherming van kinderen op het gebied van de interlandelijke adoptie in voege laten treden. Dat werd hoog tijd, aangezien dit Verdrag al dateert van 29 mei 1993 en BelgiŽ pas als vijftigste land dit Verdrag in zijn nationale wetgeving omzet.

Het ontwerp weerspiegelt de principes en de doeleinden van het Verdrag van Den Haag. Vanuit de bezorgdheid om het kind centraal te plaatsten beoogt het ontwerp een zo groot mogelijke subsidiariteit van de adoptie ten opzichte van het behoud van het kind in zijn milieu van herkomst. Pas wanneer dit milieu blijvend afbreuk doet aan het hoger belang van het kind, wordt de adoptie uitgesproken. Dat hoger belang wordt daarbij getoetst aan de fundamentele rechten die het kind geniet krachtens verscheidene internationale verdragen, resoluties en aanbevelingen inzake kinderrechten. Het samenwerkingsverband tussen de verdragsluitende staten verzekert dat de waarborg inzake het belang van het kind in acht wordt genomen en dat ontvoering en verkoop van of handel in kinderen wordt voorkomen. Uitwisseling van gegevens over de kandidaat-adoptanten en over het kind zorgt er bovendien voor dat de adoptie zoveel mogelijk kansen op welslagen mee krijgt. Het Verdrag bevordert ook de erkenning van rechtswege door adoptie, die overeenkomstig het Verdrag in de verdragsluitende staten en daardoor met alle waarborgen omgeven, zijn totstandgekomen. Om dit te verwezenlijken wordt in iedere staat een centrale autoriteit opgericht die over deze doelstellingen waakt en worden strikte grond- en procedurele voorwaarden voor adoptie uitgewerkt.

Men heeft tevens de gelegenheid benut om een nieuw intern adoptierecht uit te werken vanuit een streven om een aantal aspecten van de adoptieprocedure en van de adoptie zelf te moderniseren, te actualiseren, rationeler te maken en hier en daar ook te vereenvoudigen.

Het wetsontwerp wijzigt het adoptierecht op verschillende punten:

Daarmee heb ik het kader geschetst waarin de nieuwe adoptiewetgeving moet worden gesitueerd. Verschillende sprekers wijzen erop dat er in onze procedure een voorbereiding op de adoptie bestaat, maar dat die soms tot al te grote bemoeienis leidt. Men heeft ook andere onregelmatigheden die op het terrein zijn vastgesteld, vooral bij de interlandelijke adoptie, opnieuw ter sprake gebracht. Daarom vind ik het belangrijk nog eens op de overgangsbepalingen te wijzen.

Ik begrijp bepaalde sprekers zeer goed. Zij verwijzen naar mensen die reeds een procedure hebben aangevat en mogelijk door de nieuwe wet verplicht zullen worden te herbeginnen of anders een investering zullen verliezen die zij te goeder trouw hebben gedaan.

Ik kom terug op de overgangsbepalingen. Er kan bezwaarlijk een overgangsbepaling worden ingevoerd met betrekking tot een procedure of een voorwaarde van materieel recht die niet in de federale adoptiewet is opgenomen. Het gaat om de voorbereidende vorming. We loochenen het nut van die voorbereiding niet, maar het komt niet toe aan de Gemeenschap of aan een administratief orgaan over een voorwaarde van adoptie te oordelen. Enkel de rechterlijke macht kan daarover oordelen. Dit wordt ook bevestigd door het advies van de Raad van State. Er werd voor gekozen om de jeugdrechter daarover te laten oordelen. Er moet een overgangsbepaling zijn voor de adoptieprocedures die al aan de gang zijn. Artikel 21 voorziet hierin.

Ik begrijp dat u naar mogelijke problemen verwijst en dat u duidelijkheid vraagt. Die duidelijkheid is er.

Artikel 21 kan tegemoet komen aan al de verschillende hypothesen die zich kunnen voordoen.

De eerste hypothese is dat de kandidaat-adoptanten aan het begin van de procedure staan en nog geen informatie of een opleiding hebben gekregen. Dan is uiteraard de nieuwe procedure van toepassing.

De tweede hypothese is dat de kandidaat-adoptanten reeds een voorbereiding hebben genoten, maar dat ze nog geen onderzoek hebben ondergaan. In dat geval kunnen de Gemeenschappen een attest overhandigen.

Ik heb er bij de gemeenschappen op aangedrongen dat ze het nodig doen.

Als de Senaat deze wet goedkeurt en ze na amendering in de Kamer opnieuw moet bespreken, is het evident dat we nauw met de gemeenschappen moeten samenwerken. Ik heb bij de gemeenschappen aangedrongen op alle mogelijke waarborgen. Ze hebben me enigszins gerustgesteld. Om elk misverstand te voorkomen, zal ik erop letten dat dit punt in het samenwerkingsakkoord wordt opgenomen.

De derde hypothese is dat de kandidaat-adoptant de voorbereiding en de opleiding heeft gekregen en het onderzoek aangaande de geschiktheid heeft ondergaan. In dat geval kan de maximumduur van twee maanden voor het onderzoek worden verminderd, aangezien de gegevens over het reeds gevoerde onderzoek kunnen volstaan na eventuele controle.

Ten slotte zijn er, voornamelijk bij de internationale adoptie, de procedures waarbij de matching-fase al begonnen is. Als de kandidaat-adoptanten nog geen kind is toegewezen, moeten zij en de centrale autoriteit van de Gemeenschap beschikken over het vonnis, over de geschiktheid en over het rapport van het Openbaar Ministerie. De overbrenging van het kind kan pas plaatsvinden wanneer aan die voorwaarden is voldaan. Op dit punt speelt het samenwerkingsakkoord met de Gemeenschappen een belangrijke rol.

Als er in de matching-fase wel een kind werd toegewezen aan de kandidaat-adoptanten, volgt hetzij een vonnis in het land van herkomst waarop de overschrijving van de akte van de burgerlijke stand of de procedure voor erkenning in BelgiŽ kan volgen, of wordt er in BelgiŽ bij de vrederechter of de notaris een adoptieakte opgesteld. In dat geval is de overgangsbepaling van artikel 21 van toepassing.

Het is geenszins mijn bedoeling het probleem te minimaliseren van de kandidaat-adoptanten die de door de gemeenschappen verstrekte voorbereiding reeds vůůr de inwerkingtreding van de wet hebben gevolgd. Deze mensen mogen er niet toe verplicht worden de gerechtelijke procedure van het Burgerlijk Wetboek tot homologatie of uitspraak van de adoptie over te doen.

De persoon die bij de inwerkingtreding van de wet al een voorbereiding heeft doorlopen en in het bezit is van een akte van adoptie verleden door een notaris of een vrederechter of die vůůr de inwerkingtreding van deze wet bij de jeugdrechtbank een verzoek tot homologatie van die akte of tot uitspraak van de adoptie heeft ingediend, kan de procedure voortzetten overeenkomstig de huidige wetgeving. Daartoe strekt de overgangsbepaling van artikel 21 van het wetsontwerp.

Ik bevestig ook dat de federale overheid zich ertoe verbindt de gemeenschappen uit te nodigen om alle betrokken personen op de hoogte te brengen van de nieuwe bepalingen en informatie te verstrekken om de procedure van de vorige wet voort te kunnen zetten.

Tot slot wil ik erop wijzen dat op het terrein de verwachtingen ten aanzien van het ontwerp hoog gespannen zijn. Wij hebben er dan ook alle belang bij dat het snel wet wordt. Nu ik een aantal garanties heb gegeven en toezeggingen heb gedaan, wil ik de Senaat uitnodigen om het ontwerp goed te keuren, zodat het nog vůůr het einde van de zittingperiode zijn beslag kan krijgen in de Kamer.

Ondertussen zet ik de onderhandelingen met de gemeenschappen, die in een goede sfeer verlopen, verder.

Mevrouw Clotilde Nyssens (CDH). - De minister heeft herinnerd aan het kader en de algemene regels inzake overgangsbepalingen. Natuurlijk is artikel 21 `gemakkelijk' eens men voor de vrederechter of de jeugdrechter staat.

Ik begrijp de intentie van de minister. Hij onderstreept dat de gevallen die deze procedure voorafgaan worden opgelost binnen het kader van het samenwerkingsakkoord.

Ik wens echt dat in het samenwerkingsakkoord een aanvaardbare oplossing wordt gevonden voor de twee hypotheses inzake interlandelijke adoptie die ik heb aangehaald. De bestaande wettekst bevat hiervoor immers geen regeling. Ik denk dat het mogelijk is om binnen het kader van het samenwerkingsakkoord een oplossing te vinden.

De tekst van het samenwerkingsakkoord circuleert reeds. De partijen zijn bereid om een oplossing te vinden. In het samenwerkingsakkoord moeten de verschillende hypotheses nauwkeurig worden geregeld.

De heer Philippe Mahoux (PS). - Het samenwerkingsakkoord zal ons worden voorgelegd. We zullen het dus moeten bespreken.

Mevrouw Clotilde Nyssens (CDH). - U weet dat wij niets meer te zeggen hebben als ons een dergelijk akkoord wordt voorgelegd.

De heer Philippe Mahoux (PS). - Dat is niet waar, en zeker niet in een soortgelijke aangelegenheid.

Als de wet wordt aangenomen, hebben we nog altijd geen samenwerkingsakkoord. Dat betekent dat de jeugdrechtbanken bevoegd zullen zijn, maar dat de vrederechters bevoegd blijven tot de inwerkingtreding van de wet. Dat is de regel. De rechtbanken kunnen dus naar eigen inzicht, maar zich baserend op de wet en onze werkzaamheden, bepalen of onderzoeken nodig zijn en zij geven het attest van geschiktheid om te adopteren. Dat biedt meer rechtszekerheid dan het huidige systeem.

Bij aangelegenheden als deze is het persoonsgebonden aspect niet volledig afwezig. De gemeenschappen moeten dus hun rol spelen, er moet eventueel een samenwerkingsakkoord worden gesloten en alles moet zo efficiŽnt mogelijk verlopen. Het samenwerkingsakkoord mag echter niet leiden tot overlapping. Als we vinden dat de rechtbanken bevoegd zijn en dat ze voldoende personeel hebben om de onderzoeken te verrichten, kan die taak hen gerust worden toegewezen. Als maar geen parallelle bevoegdheden in het leven worden geroepen waardoor niemand er nog iets van begrijpt, zeker de adoptieouders niet.

Mevrouw Clotilde Nyssens (CDH). - Mijn parlementaire loopbaan is nog kort, maar ik heb nooit meegemaakt dat een samenwerkingsakkoord door de Senaat werd gewijzigd. We hebben dat vanochtend nog gezien met het akkoord over Everberg. Het is onmogelijk zo'n akkoord te wijzigen, want er zijn te veel partijen bij betrokken. Het belangrijke politieke ogenblik is dat waarop de kabinetten van de Franse en de Vlaamse Gemeenschap en de minister de tekst opstellen. Als het akkoord ons wordt voorgelegd, is alles al geregeld.

De partijen kennen het dossier veel beter dan wij. Zij kennen perfect de interlandelijke adoptiesituaties. De nota van de Franse Gemeenschap is in dat opzicht bijzonder verhelderend. Ik zou dus willen dat men zich ertoe verbindt om niets verloren te laten gaan.

De vertegenwoordiger van de minister heeft gezegd dat voortaan de personeelsleden en eventueel de justitieassistenten, eerder dan de gemeenschappen, de onderzoeken zullen voeren. Ik ben daar niet tegen, maar dan moet wel voor middelen worden gezorgd. We mogen ook de politieke deskundigheid van de gemeenschappen terzake niet verliezen. Er wordt al tien jaar aan dit wetsontwerp gewerkt: het Verdrag van Den Haag dateert van 1993. Drie of vier ministers hebben aan het voorontwerp gewerkt. De heer Verwilghen heeft het geluk een werk af te ronden waarmee tien jaar geleden begonnen is, vooral door magistraten en terzake bevoegde ambtenaren van de Franse Gemeenschap. De diensten van de Franse Gemeenschap doen hun werk over het algemeen zeer goed en deskundig. Ze geven de kandidaat-adoptanten geen rapport. Ze benadrukken dat adoptie niet eenvoudig is. De kandidaten moeten dus worden ingelicht en voorbereid. Die deskundigheid mag niet verdwijnen. Ik beklaag de justitieassistenten die dit werk zullen moeten doen zonder middelen. Het belangrijke politieke ogenblik situeert zich nu, want het samenwerkingsakkoord wordt de komende dagen afgerond.

De heer Philippe Mahoux (PS). - Het werk van de gemeenschappen is bijzonder belangrijk en, voor zover ik weet, wordt het goed gedaan. Ik heb altijd gezegd dat het belangrijk is dat de gemeenschappen initiatieven nemen, want op federaal niveau geraakten wij er niet uit. Dat moeten we toegeven.

De deskundigheid van de gemeenschappen mag niet verloren gaan, maar de zaken moeten volkomen duidelijk zijn. Als wordt vastgesteld dat de jeugdrechtbanken onvoldoende personeel, onvoldoende maatschappelijk werkers hebben om dat werk te doen, als via een samenwerkingsakkoord zeer duidelijk wordt beslist dat de gemeenschappen dat soort werk kunnen doen, dan heb ik daar geen bezwaar tegen. In geen geval mogen er mťťr onderzoeken komen. Dat fundamentele probleem moet worden opgelost via samenwerkingsakkoorden.

Er is nog geen samenwerkingsakkoord en als er geen komt, is er altijd nog de wet die bepaalt dat de jeugdrechtbanken beslissen en dat ze indien nodig een onderzoek mogen voeren. Ik heb liever dat de situatie duidelijk geregeld is, op rechtskundig gebied, dan dat er onduidelijkheid heerst. Toch is het wenselijk dat een goed samenwerkingsakkoord wordt gesloten en dat het, dankzij de ervaring van de gemeenschappen, zo efficiŽnt mogelijk is.

Mevrouw Nathalie de T' Serclaes (MR), corapporteur. - We moeten ook vertrouwen op het gezond verstand van de mensen en de rechters. De rechters zullen voor hun beslissingen in de overgangsperiode wel rekening houden met de stappen die al gedaan zijn. We mogen niet de indruk wekken dat de juridische problemen zo acuut zijn dat het niet mogelijk zou zijn een beslissing te nemen. We kunnen de ouders die al betrokken zijn bij een adoptieprocedure geruststellen. Zij moeten niet alles opnieuw beginnen. Ik vertrouw op de rechters.

De heer Paul Galand (ECOLO). - We hebben hier een mooi voorbeeld van wat een samenwerkingsfederalisme kan zijn. Dat is ons aller doelstelling. Ik vind dat een rechter gebruik mag maken van ernstige documenten die steunen op de deskundigheid van de gemeenschappen. Het zou nog meer geruststellend zijn als dat werd vastgelegd in een samenwerkingsakkoord. Zoals mevrouw de T' Serclaes vind ik dat we vertrouwen moeten hebben in het gezond verstand van allen.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking van het wetsontwerp tot hervorming van de adoptie (Stuk 2-1428) (Evocatieprocedure)

(Voor de tekst geamendeerd door de commissie voor de Justitie, zie stuk 2-1428/5.)

De voorzitter. - Artikel 21 luidt:

Op dit artikel hebben de dames De Schamphelaere en de Bethune amendement 11 ingediend (zie stuk 2-1428/3) dat luidt:

Op amendement 11 hebben de dames De Schamphelaere en de Bethune het subsidiair amendement 14 ingediend (zie stuk 2-1428/6) dat luidt:

Mevrouw de Bethune heeft amendement 2 ingediend (zie stuk 2-1428/2) dat luidt:

Mevrouw de Bethune heeft amendement 3 ingediend (zie stuk 2-1428/2) dat luidt:

De dames De Schamphelaere en de Bethune hebben amendement 10 ingediend (zie stuk 2-1428/3) dat luidt:

Mevrouw de Bethune heeft amendement 16 ingediend (zie stuk 2-1428/6) dat luidt:

Artikel 25 luidt:

Op dit artikel hebben de dames De Schamphelaere en de Bethune amendement 12 ingediend (zie stuk 2-1428/3) dat luidt:

Op hetzelfde artikel hebben de dames De Schamphelaere en de Bethune amendement 15 ingediend (zie stuk 2-1428/6) dat luidt:

Mevrouw de Bethune heeft amendement 4 ingediend (zie stuk 2-1428/2) dat luidt:

-De stemming over de amendementen wordt aangehouden.

-De aangehouden stemmingen en de stemming over het wetsontwerp in zijn geheel hebben later plaats.

Artikelsgewijze bespreking van het wetsontwerp tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek wat de adoptie betreft (Stuk 2-1429)

(De tekst aangenomen door de commissie voor de Justitie is dezelfde als de tekst van het door de Kamer van volksvertegenwoordigers overgezonden ontwerp. Zie stuk Kamer 50-1367/5.)

-De artikelen 1 tot 4 worden zonder opmerking aangenomen.

-Over het wetsontwerp in zijn geheel wordt later gestemd.

Problematiek van de niet-begeleide minderjarigen (Stuk 2-1199)

Bespreking

Mevrouw Marie-Josť Laloy (PS), corapporteur - Mevrouw KaÁar en ikzelf zullen namens de werkgroep `Rechten van het kind' verslag uitbrengen over de problematiek van de niet-begeleide minderjarigen. De werkgroep werd voorgezeten door mevrouw de T' Serclaes.

Volgens het HCV zijn de helft van de vluchtelingen in de wereld niet-begeleide minderjarigen. In BelgiŽ werden 2.000 niet-begeleide minderjarigen geteld, waarvan de helft asielzoekers zijn. De problematiek betreft dus een zeer groot aantal personen.

Het doel van onze werkzaamheden was na te gaan met welke problemen die kinderen worden geconfronteerd en aanbevelingen te formuleren voor de regering. Dit gebeurde in de geest van de verklaring die de minister van Buitenlandse Zaken aflegde naar aanleiding van een vergadering in de Senaat op 29 mei 2002 over de follow-up van de `What do you think?'-operatie. Hij zei toen: "Het belangrijkste moet nog gebeuren, namelijk de concrete verwezenlijking van de verbintenissen die in New York zijn aangegaan. We gaan zo snel mogelijk werk maken van een nationaal actieplan dat binnen een jaar klaar zou moeten zijn. Het nieuwe project zal gezamenlijk worden uitgevoerd door de federale overheden en die van de deelgebieden. Net als in het verleden zullen alle actieve krachten in ons land daarbij worden betrokken om de kinderen een betere wereld te bieden."

Dan kom ik tot de werkmethode. De werkgroep bezocht een aantal instellingen zoals Child Focus, 'T Huis in Aalst, het Centre MENA van het OCMW van Assesse. Er werden hoorzittingen georganiseerd en er was een ontmoeting met een groep niet-begeleide minderjarigen, waarop verschillende thema's werden besproken.

We hebben verschillende nationale en internationale wetteksten bestudeerd, in het bijzonder het Verdrag inzake de rechten van het kind. Artikel 22 van dat Kinderrechtenverdrag handelt specifiek over minderjarige vluchtelingen. De eerste paragraaf kent alle in het Verdrag opgesomde rechten expliciet toe aan kinderen die vluchteling zijn, met deze bijkomende draagwijdte dat het hier gaat om een kwetsbare groep. De overheid dient aldus te zorgen voor extra bijstand en bescherming. Het betreft hier alle minderjarige vluchtelingen, zowel begeleide als niet-begeleide.

Andere inspiratiebronnen zijn de resolutie van 26 juni 1997 van de Raad van de Europese Unie inzake niet-begeleide minderjarige onderdanen van derde landen en de richtlijnen van het Hoog Commissariaat voor de vluchtelingen van de Verenigde Naties met betrekking tot de niet-begeleide minderjarige asielzoekers.

In zijn inleiding verklaart het HCV het volgende: "Wat die beweegredenen voor de asielaanvraag ook mogen zijn, niet-begeleide minderjarigen hebben vaak weinig of geen inspraak gehad in de beslissing die hen in deze moeilijke en kwetsbare toestand gebracht heeft. Wat hun immigratiestatuut ook moge zijn, zij hebben specifieke noden die gelenigd moeten worden."

We hebben over deze problematiek een aantal verhelderende vaststellingen gedaan.

Vooreerst blijkt het zeer moeilijk de omvang van het verschijnsel in ons land nauwkeurig te bepalen. In het verslag vindt u onder meer cijfers van de Dienst Vreemdelingenzaken. Volgens die cijfers komen er maandelijks zo'n 100 minderjarigen in BelgiŽ aan.

De Vlaamse Gemeenschap telde 560 niet-begeleide minderjarigen in 2000 en de Franse Gemeenschap telde er 1467 in 2001.

Child Focus behandelt momenteel 550 dossiers van verdwenen niet-begeleide minderjarigen.

Volgens Child Focus wordt met de term `niet-begeleide minderjarige' bedoeld: "Elke onderdaan van een Staat, die niet behoort tot de Europese Economische Ruimte, die de leeftijd van 18 jaar nog niet bereikt heeft en die het Belgisch grondgebied binnenkomt of er verblijft zonder dat de vader, de moeder, de wettelijke voogd of de echtgeno(o)t(e) hem/haar vergezelt."

De resolutie van de Raad van de Europese Unie van 26 juni 1997 heeft betrekking op onderdanen van derde landen jonger dan 18 jaar die zonder begeleiding van een volwassene, die krachtens de wet of het gewoonterecht voor hen verantwoordelijk is, op het grondgebied van een lidstaat aankomen, voor de duur dat zij niet daadwerkelijk onder de hoede staan van zo'n volwassene.

In de omzendbrief van de minister van Binnenlandse Zaken van 26 april 2002 wordt onder niet-begeleide minderjarige vreemdeling verstaan elke persoon die jonger dan 18 jaar is, die niet begeleid wordt door een persoon die krachtens de nationale wet van de minderjarige het ouderlijk gezag of de voogdij over hem uitoefent en die onderdaan is van een land dat geen lid is van de Europese Economische Ruimte.

In de nota over het beleid en de procedures inzake niet-begeleide minderjarige asielzoekers wordt aangegeven dat een niet-begeleide minderjarige een persoon is die jonger is dan achttien jaar, behalve als de meerderjarigheid vroeger bereikt wordt krachtens de wetgeving die op hem van toepassing is, en die gescheiden is van zijn beide ouders en die niet ten laste valt van een volwassene die krachtens de wet of de gewoonte voor hem verantwoordelijk is.

Kenmerkend voor de juridische situatie van een niet-begeleide minderjarige is dus de afwezigheid van een wettelijke voogd of verantwoordelijke.

Daarom moet dringend werk gemaakt worden van de ministeriŽle besluiten betreffende de aanwijzing van een wettelijke voogd.

We hebben uiteraard aandacht besteed aan het verontrustende fenomeen van de verdwijningen.

We hebben ons daarvoor gebaseerd op het jaarverslag over 2001 van Child Focus en op een in 2002 gepubliceerde studie over de verdwijning van niet-begeleide minderjarigen en van minderjarige slachtoffers van mensenhandel. De cijfers tonen de ernst van het probleem aan. Door de uiteenlopende omstandigheden van de verdwijningen ligt een eenduidige conclusie niet voor de hand: het kan gaan om vrijwillig weglopen, ontvoering of verandering van bestemming.

De studie van Child Focus is gebaseerd op 255 verdwijningsdossiers die geanalyseerd werden om er algemene tendensen uit af te leiden met betrekking tot de leeftijd, het geslacht, de nationaliteit, de duur van het verblijf, de plaats van verdwijning en een eventueel verband met mensenhandel of mensensmokkel.

Wat het geslacht en de leeftijd betreft, wordt vastgesteld dat de statistieken betreffende de leeftijd niet altijd juist zijn, gelet op de moeilijkheid om de exacte leeftijd van die jongeren vast te stellen. Eenenzestig procent van de niet-begeleide minderjarigen die in BelgiŽ in 2001 werden geregistreerd, is tussen 16 en 18 jaar oud. Van de vermiste minderjarigen behoort slechts 44% tot die leeftijdsgroep. Het is bijgevolg zeer moeilijk de leeftijd en het geslacht van alle niet-begeleide minderjarigen in BelgiŽ te vergelijken.

Het vaststellen van de leeftijd van een minderjarige is een ingewikkelde operatie die zowel onder de bevoegdheid van de Dienst Vreemdelingenzaken als van het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen valt. Zoals mevrouw De Vroede, substituut bij de procureur des Konings te Brussel (jeugdparket), aangaf, "De objectieve bepaling van de leeftijd gebeurt meestal bij wijze van een bot- of tandenonderzoek. Helaas is een dergelijk onderzoek weinig betrouwbaar om de leeftijd van jongeren die bijna meerderjarig zijn nauwkeurig te bepalen. Meisjes, bijvoorbeeld, hebben een volwassen beendergestel op hun zeventiende. Vanaf die leeftijd is het dus onmogelijk vast te stellen of een meisje al dan niet minderjarig is."

De vaststelling dat er omtrent de leeftijd gelogen is, is nooit een afdoende reden om een aanvraag te weigeren en de betrokkene geniet het voordeel van de twijfel.

Wat de begeleiding van en de opvangstructuur voor niet-begeleide minderjarigen betreft, hebben we aandacht besteed aan de bevoegdheidsverdeling tussen de federale regering en de gemeenschappen, die de opvang van de minderjarigen in goede omstandigheden bemoeilijkt.

In een aantal gevallen worden bepaalde minderjarigen rekening houdend met hun specifieke situatie (minderjarige delinquent, minderjarige die het slachtoffer is van mensenhandel, enz.) door de jeugdrechter geplaatst. Momenteel is er duidelijk plaatsgebrek in de gespecialiseerde centra voor niet-begeleide minderjarigen. Minderjarige vreemdelingen worden vaak opgevangen in centra voor Belgische probleemjongeren, hetgeen vanzelfsprekend de begeleiding bemoeilijkt. Dit brengt mee dat dringend specifieke centra voor dergelijke minderjarigen moeten worden opgericht.

We hebben gepoogd de oorzaken van de toenemende migratie van niet-begeleide minderjarigen te achterhalen. In 75% van de gevallen zijn ze tussen 16 en 18 jaar, maar als gevolg van armoede en werkloosheid sturen ouders hun kinderen op steeds jongere leeftijd weg op zoek naar een of ander land van belofte.

We hebben langdurig de voorwaarden voor de vrijwillige terugkeer van kinderen onderzocht, met name de identificatie van de familie van de minderjarige en de wil van die familie om hem op te vangen.

De Internationale Organisatie voor Migratie spant zich al jarenlang in voor preventie en hulp bij de terugkeer en de herintegratie, alsook voor de bescherming van slachtoffers van mensenhandel en voor technische bijstand aan landen die de georganiseerde misdaad bestrijden. We hebben vastgesteld dat de steeds jongere slachtoffers van dit soort migratie vaak niet-begeleide minderjarigen zijn. Netwerken van georganiseerde misdaad blijken een steeds grotere rol te gaan spelen. De opvang van de kinderen wordt dan een alarmerend probleem aangezien de mensenhandelaars niet alleen het transport maar ook de opvang en het werk op straat organiseren. Bovenop deze moeilijke omstandigheden komen vaak nog medische en psychische problemen. De meeste niet-begeleide minderjarigen in BelgiŽ en elders in Europa worden gedwongen om in de prostitutie te stappen.

Anderen worden economisch uitgebuit of gedwongen tot ongeoorloofde activiteiten, zoals diefstal. Kinderen moeten vaak ook de straat op om te bedelen omdat dat het medeleven van voorbijgangers opwekt.

De omvang van de pedofiele netwerken, het groeiende gebruik van het internet voor de verspreiding van pedofiele diensten, de vraag op de seksmarkten in West-Europa zijn belangrijke factoren die de handel in minderjarigen met het oog op seksuele uitbuiting in de hand werken.

Hoewel daar nog weinig grondige studies over bestaan, vormt ook de vraag naar organen voor transplantatie een probleem. Dat zullen we misschien nog nader moeten onderzoeken.

Tijdens de ontmoeting die op 20 november 2002 op initiatief van UNICEF in de Senaat werd georganiseerd, hebben we met talrijke kinderen een reeks onderwerpen kunnen bespreken, zoals de opvang, een bijzondere procedure voor minderjarige vluchtelingen, leerplicht, rechtstoegang, vrijetijdsbesteding en integratie.

Na alle essentiŽle punten te hebben overlopen die de commissie nog zou moeten bestuderen, heeft de werkgroep gepoogd een aantal aanbevelingen aan de regering op te stellen met het oog op een betere toekomst voor alle kinderen die op de vlucht zijn. Mevrouw KaÁar zal die aanbevelingen voor u toelichten.

Mevrouw Meryem KaÁar (AGALEV), corapporteur. - Ik zal de verslaggeving van mevrouw Laloy vervolledigen met een toelichting bij de 13 aanbevelingen die de werkgroep `Rechten van het Kind' heeft geformuleerd.

De eerste aanbeveling heeft tot doel de kwantitatieve gegevens betreffende de niet-begeleide minderjarige vluchtelingen, asielzoekers of niet, te centraliseren.

De werkgroep heeft vastgesteld dat er een manifest gebrek is aan duidelijke cijfers. De cijfers van de Dienst Vreemdelingenzaken betreffen slechts minderjarigen die een asielaanvraag hebben ingediend en dus niet minderjarigen die hier illegaal verblijven en waarmee de overheid alleen kennismaakt bij politiecontroles.

Alleen het parket van Brugge heeft een informatiebestand aangelegd dat als voorbeeld kan dienen voor de andere gerechtelijke arrondissementen. De werkgroep vraagt bijgevolg dat de federale overheid betrouwbare statistieken opstelt en dat ze een centrale plaats aanwijst waar gegevens betreffende niet-begeleide minderjarige vluchtelingen in ons land worden verzameld.

Deze centralisering van gegevens moet niet alleen een beter beeld geven van de omvang van dat verschijnsel, en dus een efficiŽnte monitoring mogelijk maken, netwerken van mensenhandel in deze sector opsporen en hun oorsprong achterhalen, maar moet ook bijdragen tot het opzetten van een aangepast beleid in de landen van herkomst van deze jongeren.

De tweede aanbeveling betreft de snelle inwerkingtreding van de wet op de voogdij over minderjarigen.

Het ontwerp betreffende de voogdij over niet-begeleide minderjarigen werd in het kader van de programmawet goedgekeurd. Het koninklijk besluit tot uitvoering van de wet is afhankelijk van de totstandkoming van een overeenkomst tussen de federale Staat en de gemeenschappen.

De werkgroep vraagt dat de wet zo snel mogelijk in werking treedt, alleszins vůůr 1 september 2003, wanneer de machtiging waarover Child Focus beschikt om niet-begeleide minderjarigen op te sporen, niet meer geldig zal zijn.

De derde aanbeveling vraagt een zo betrouwbaar mogelijke wetenschappelijke methode te ontwikkelen om de leeftijd van de minderjarigen te bepalen.

Bij twijfel over de leeftijd van niet-begeleide minderjarige vreemdelingen wordt momenteel een botonderzoek uitgevoerd. Dat is vaak een probleem voor meisjes, bij wie op 17 jaar de uitrijping van de beenderstructuur voltooid is en moeilijk kan worden bepaald of ze al dan niet meerderjarig zijn. Zolang er geen betrouwbare wetenschappelijke methode voorhanden is, moet de minderjarige het voordeel van de twijfel genieten. Die bepaling staat ook in de wet tot oprichting van een dienst voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen.

In de vierde aanbeveling vragen we dat alle overheidsinstanties dezelfde definitie van de niet-begeleide minderjarige vreemdelingen hanteren.

De wet tot oprichting van een dienst voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen bevat een definitie van het begrip `niet-begeleide minderjarige'. We vragen bijgevolg dat alle autoriteiten en overheidsinstantie zich voortaan op die definitie baseren.

De vijfde aanbeveling betreft het verband tussen de verdwijningen van niet-begeleide minderjarige vreemdelingen en mensenhandel. Dat verschijnsel moet op de voet worden gevolgd. Zowel Child Focus als de magistraten wijzen erop dat tal van minderjarige vreemdelingen verdwijnen.

Volgens Child Focus zou dat onder meer te wijten zijn aan het feit dat heel wat minderjarigen in ons land slechts in transit zijn. Substituut Van Damme van Brugge heeft erop gewezen dat minderjarigen vaak uit andere landen afkomstig zijn dan meerderjarige asielzoekers. Een ander deel van de verdwijningen heeft betrekking op jonge meisjes die het slachtoffer zijn van prostitutienetwerken en op minderjarige gehandicapten die worden misbruikt in de bedelarij.

Om die netwerken te bestrijden, formuleert de werkgroep de volgende aanbevelingen: de minderjarigen moeten worden begeleid naar de plaats waar ze onderdak krijgen, er moet worden voorzien in strengere straffen voor kindersmokkelaars en voor misdadigers die hun kwetsbare slachtoffers inzetten in de prostitutie of in de bedelarij en Child Focus moet de opdracht krijgen dit verschijnsel permanent op te volgen, ook na september 2003.

De zesde aanbeveling heeft betrekking op de asielaanvraag van niet begeleide minderjarigen. De asielwetgeving bevat geen specifieke bepaling voor de minderjarigen. Ik verwijs in dit verband naar de resolutie van de Raad van de Europese Unie van 26 juni 1997 betreffende de niet-begeleide minderjarigen die onderdaan zijn van derde landen, die de verplichting van de lidstaten tegenover de minderjarigen vastlegt. Voorts is er het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind en de nota van de Hoge Commissaris voor de vluchtelingen inzake het te volgen beleid en de procedures voor niet-begeleide kinderen die asiel willen aanvragen.

De werkgroep pleit voor een prioritaire behandeling van de dossiers van de niet-begeleide minderjarigen.

Hoewel er binnen de Dienst Vreemdelingenzaken een bureau niet-begeleide minderjarigen bestaat, zijn er nog problemen. Daarom dringt de werkgroep aan op een specifieke opvang door speciaal daartoe opgeleide mensen.

Er moet in het bijzonder aandacht worden besteed aan de kwaliteit van het interview. De werkgroep vraagt in het bijzonder dat de termijn van drie dagen tussen de aankomst en het eerste verhoor wordt verlengd tot vijf dagen, dat wordt toegezien op de kwaliteit van het interview, met de medewerking van een bekwame tolk en een persoon van hetzelfde geslacht wanneer het gaat om een minderjarige die het slachtoffer is van seksuele agressie, dat er rekening mee wordt gehouden dat minderjarigen vaak problemen hebben om zich uit te drukken of hun eigen situatie uit te leggen, zeker wanneer ze dramatische gebeurtenissen hebben meegemaakt in hun land van herkomst.

Er wordt tevens gevraagd dat de voogd of de advocaat bij het onderhoud aanwezig mag zijn.

Mevrouw Laloy heeft de inhoud van de nota van 1 maart 2002 reeds uiteengezet. De werkgroep wenst deze nota om te zetten in een verordenende tekst zodat de praktijken van de Dienst Vreemdelingenzaken tegenover niet-begeleide minderjarigen doorzichtiger worden.

Het probleem van de huisvesting en de opvang van niet-begeleide minderjarige vreemdelingen is groot. De aanbevelingen verwijzen dan ook uitdrukkelijk naar de internationale regels. Die bepalen duidelijk en specifiek in welke omstandigheden de minderjarigen kunnen worden gehuisvest. Ik verwijs in dit verband naar de aanbevelingen van het Comitť voor de rechten van het kind en de resolutie van de EU.

Een ander punt in de asielprocedure betreft de bijlage 26. Op onze hoorzitting met niet-begeleide minderjarige vreemdelingen van 20 november 2002 hebben verscheidene jongeren duidelijk te kennen gegeven dat ze die bijlage als stigmatiserend ervaren. De werkgroep vraagt de administratie dan ook dat document te vervangen door identiteitspapieren die vergelijkbaar zijn met die van andere minderjarigen in ons land.

In een zevende aanbeveling vragen we aandacht voor de niet-begeleide minderjarige vreemdelingen die het slachtoffer zijn van mensenhandel. De werkgroep wenst dat het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding dit aspect van de mensenhandel in zijn volgend verslag bespreekt. Hij beveelt aan dat dit verslag wordt opgesteld in samenwerking met allen die in dergelijke dossiers optreden: Child Focus, de Dienst Vreemdelingenzaken, politiediensten en magistraten.

Een achtste aanbeveling betreft de gezinshereniging. Dat moet een prioriteit zijn in het belang van het kind. Op het ogenblik wordt de toepassing van het principe van de gezinshereniging bemoeilijkt door heel wat concrete problemen onder meer inzake de identificatie van de gezinnen, het bewijzen van de afstamming enzovoort. Van de vier aandachtspunten in dit verband wens ik te benadrukken dat kinderen jonger dan 12 jaar steeds moeten worden begeleid bij een gezinshereniging of bij een repatriŽring, zodat men zeker is van hun veiligheid en van de opvang ter plaatse. Zo kunnen nieuwe `Tabita-dossiers' worden voorkomen.

In een negende aanbeveling vragen we een repatriŽringsbeleid dat rekening houdt met het belang van het kind. Uit de cijfers van de IOM blijkt dat ongeveer 13.600 niet-begeleide minderjarigen in 1999 een asielaanvraag in de EU indienden. Dat is 5,3% van alle asielzoekers. De cijfers stijgen voortdurend en zijn zorgwekkend. Daarom vragen wij aandacht voor een heel goed begeleide terugkeer van de minderjarigen, indien zij wensen terug te keren naar het land van oorsprong. Dat moet professioneel gebeuren en de voogd moet ervan op de hoogte zijn. Bovendien nemen we de aanbeveling van het Comitť voor de rechten van het kind over volgens hetwelk de follow-up van de terugkeer van de niet-begeleide minderjarige moet worden uitgebreid en verbeterd.

De tiende aanbeveling heeft betrekking op de rol van het parket en van de jeugdrechters. Deze laatsten worden immers geconfronteerd met niet-begeleide minderjarigen, maar ze stemmen hun beleid onvoldoende op mekaar af. Daarom beveelt de werkgroep aan om op federaal niveau een samenwerkingsakkoord te sluiten met alle instanties die met niet-begeleide jongeren worden geconfronteerd.

De elfde aanbeveling is gericht op een beter overleg tussen de verschillende bevoegde overheidsinstanties, zowel op federaal als op gemeenschapsniveau. Daarom vraagt de werkgroep dat de bevoegde ministers zo snel mogelijk een overlegcomitť oprichten.

De twaalfde aanbeveling heeft betrekking op de registratie bij de geboorte. Dat kinderen in een aantal landen bij de geboorte niet worden ingeschreven, is een groot probleem voor de niet-begeleide minderjarigen. Ze kunnen dan immers niet wettelijk bewijzen dat ze minderjarig zijn. Kinderen zonder geboortecertificaten zijn in zekere zin kinderen zonder rechten, wat hen nog kwetsbaarder maakt tegenover de criminele netwerken. Ook met betrekking tot gezinshereniging is het voor hen zeer moeilijk of zelfs onmogelijk hun verwantschap te bewijzen. De werkgroep dringt erop aan dat elk kind bij de geboorte geregistreerd wordt en beveelt aan om, vooral in het kader van de ontwikkelingssamenwerking, stappen in die zin te ondernemen.

In een dertiende en laatste aanbeveling vraagt de werkgroep dat in landen van oorsprong een preventiebeleid wordt gevoerd. We stellen immers vast dat de meeste niet-begeleide minderjarige vreemdelingen in ons land afkomstig zijn uit landen met grote sociaal-economische problemen of uit conflictgebieden. Vele jongeren pogen een uitzichtloze situatie te ontvluchten om elders een nieuwe toekomst op te bouwen. De werkgroep beschouwt het als zijn verantwoordelijkheid ervoor te zorgen dat die jongeren weer hoop krijgen op een toekomst in hun eigen land. Hij vraagt de regering dan ook hulp en steun te verlenen aan kinderen en jongeren in hun land van herkomst. De Afrikaanse landen waaruit die minderjarigen komen, onder andere Congo en Rwanda, verdienen bijzondere aandacht.

Het verslag werd eenparig goedgekeurd door de zes aanwezige leden. Ik dank alle commissieleden.

Mevrouw Nathalie de T' Serclaes (MR). - Ik dank de beide rapporteurs. Ze hebben een interessant, volledig en menselijk beeld gegeven van de werkzaamheden van de werkgroep. Het verslag is ook belangrijk voor onze toekomstige werkzaamheden, want we moeten de problematiek van de niet-begeleide minderjarigen van nabij blijven volgen.

Zoals mevrouw Laloy al zei, hebben wij op 20 november laatstleden, in het kader van de internationale dag van de rechten van het kind, niet-begeleide minderjarige asielzoekers gehoord. We hebben dus gehandeld volgens de verwachtingen van het International Verdrag inzake de rechten van het kind. Dit aspect benadrukt nog meer de menselijke dimensie van het verslag.

Als de komende weken ook de bijlagen worden gepubliceerd, vormt het verslag een gegevensbank voor elkeen die belangstelling heeft voor deze problematiek. Het zal immers alle - op binnenlands en internationaal gebied - beschikbare documentatie bevatten over de problematiek van de niet-begeleide minderjarigen.

Bepaalde aanbevelingen in het verslag vind ik bijzonder interessant.

De eerste aanbeveling - het verschijnsel beter kennen - is fundamenteel. Ik heb gisteren van de Dienst Vreemdelingenzaken de statistieken met betrekking tot het jaar 2002 ontvangen. Uit die cijfers - die bij het verslag zullen worden gevoegd - blijkt dat in ons land elke maand een vijftigtal niet-begeleide minderjarige asielzoekers aankomen. In ons land zijn in 2002 245 meisjes en 345 jongens aangekomen. De helft daarvan komt uit Afrika, de andere helft uit Oost-Europese landen. Van de Afrikanen komt 20% uit Congo. Het valt ook op dat 30% van de jonge asielzoekers jonger zijn dan vijftien jaar.

Deze cijfers zijn nauwkeuriger dan de cijfers waarover wij in de commissie beschikten. De analyse van de Dienst Vreemdelingenzaken is dus preciezer geworden dan vroeger.

Toch is nog niet alles duidelijk. Zoals mevrouw Laloy in het verslag al zei, zijn we niet volledig op de hoogte van het aantal minderjarigen die in ons land verblijven en niet in bovengenoemde statistieken werden opgenomen. Op dat gebied moet dus nog een belangrijke inspanning worden geleverd.

De tweede aanbeveling heeft betrekking op de voogdij over de minderjarigen. Het verheugt ons dat in de programmawet een belangrijke wetgevende tekst werd opgenomen die deze problematiek kan doen vooruitgaan, al is het een merkwaardig procťdť. We moeten er echter voor zorgen dat deze tekst, die nu nog virtueel is, concrete gestalte krijgt.

We moeten ook al nadenken over wat we in de volgende zittingsperiode zullen doen. De circulaire van 1 maart 2002, die de aanzet vormt tot een specifiek recht voor de minderjarigen in het kader van de asielprocedures, moet in een regelgeving worden omgezet. De niet-begeleide minderjarigen bevinden zich in een bijzondere situatie. Ze moeten van onze Staten een specifieke bescherming krijgen. Dat moet duidelijker in de teksten worden vermeld, maar we moeten ervoor zorgen dat die wettelijke bepalingen het niet mogelijk maken dat minderjarigen worden gebruikt om anderen naar onze landen aan te zuigen.

Het derde element dat onze aandacht verdient, heeft betrekking op de verdwijningen en de kinderhandel. Samen met de leden van de democratische partijen van deze assemblee heb ik een wetsvoorstel ingediend. Ik zou graag hebben dat het, tenminste door de Senaat, nog vůůr de ontbinding van het Parlement wordt besproken. Die tekst voorziet in strengere straffen voor kindersmokkelaars en voor wie deze kinderen uitbuit in de prostitutie of in de bedelarij. Het is belangrijk dat we in dat opzicht een duidelijk signaal geven.

Ik wil het ook nog hebben over het delicate probleem van de terugkeer, de repatriŽring en de gezinshereniging. Aangezien 30% van de minderjarige asielzoekers jonger is dan vijftien jaar, moeten we rekening houden met het Verdrag inzake de rechten van het kind, waarin bepaald wordt dat het kind in de eerste plaats recht heeft op zijn eigen gezin. Soms is het echter heel moeilijk om de gezinnen te vinden. Sommige gezinnen verblijven in andere Europese landen die de minderjarigen niet op hun grondgebied willen toelaten. Ook op dat gebied moet tijdens de volgende zittingsperiode nog veel worden gedaan, eerst op Europees niveau, opdat die kinderen hun ouders kunnen terugvinden. Gezinshereniging is ťťn van de belangrijke bepalingen van het Internationale Verdrag inzake de rechten van het kind.

Bovendien mogen deze kinderen slechts worden gerepatrieerd of uit het land worden gezet als ze worden begeleid en als men zeker is dat ze ter plaatse worden opgevangen. Als de kinderen het slachtoffer zijn van mensenhandel, moeten we hen toekomstplannen kunnen voorstellen in het land waar ze naartoe gaan, ongeacht of dit hun land van herkomst is of een ander gastland. We hebben een verantwoordelijkheid ten opzichte van die niet-begeleide minderjarigen. We weten dat 50% onder hen uit Afrika komt, en 20% daarvan uit Congo, een land dat ons dierbaar is. We hebben nog werk in die landen, we moeten zorg dragen voor de situatie van de kinderen in de ontwikkelingslanden, vooral via ontwikkelingssamenwerking en alles wat in hun voordeel speelt. We moeten die kinderen ook een toekomst geven in hun land, in hun gezin. Dat is wat we wensen voor onze kinderen, voor alle kinderen in de wereld.

Mevrouw Martine Taelman (VLD). - Gelet op het gevorderde uur en het uitstekend verslag van de rapporteurs, maar ook op het feit dat mevrouw de T' Serclaes al een aantal punten heeft aangehaald, zal ik heel kort reageren.

Het is belangrijk dat de Senaat zich over dit probleem heeft gebogen, omdat er toch nog een aantal verrassende zaken naar voren zijn gekomen, zoals het gebrek aan kwantitatieve gegevens. We hadden daarover al een vermoeden, maar we hadden niet verwacht dat het zo erg zou zijn. Ik ben blij dat mevrouw de T' Serclaes hier heeft bevestigd dat de Dienst Vreemdelingenzaken zich ook bewust geworden is van het probleem en dat men daar nu ook statistieken bijhoudt.

Ook wat de voogdijregeling betreft, kunnen we ons aansluiten bij wat hier al is gezegd. We zijn blij dat door de programmawet wordt voorzien in een voogdijregeling voor de niet-begeleide minderjarigen. Dit maakt dat er wordt tegemoetgekomen aan een belangrijk deel van de aanbevelingen.

De werkgroep vindt deze regeling van cruciaal belang, en vraagt de regering nogmaals erop toe te zien dat de regeling tijdig van kracht wordt.

Een heikel punt blijft het onderbrengen van minderjarigen in een gesloten asielcentrum. De VLD kan meegaan in de conclusies van de werkgroep dat dit enkel in bepaalde uitzonderlijke omstandigheden is toegestaan. Dat mag enkel tijdelijk zijn en het kan slechts gebeuren bij afwezigheid van een valabel alternatief, ter bescherming van de minderjarige en met de garantie op een kindvriendelijke opvang. Het probleem is immers dat de overheid momenteel over te weinig opvangcapaciteit beschikt. Bovendien is opvang deels een bevoegdheid van de gemeenschappen. De VLD vraagt dat de betrokken ministers dan ook hun verantwoordelijkheid op zich nemen zodat een dergelijke maatregel in de toekomst kan worden vermeden.

In het geheel van de asiel- en migratiepolitiek moet er extra aandacht gaan naar de meest kwetsbaren, namelijk de niet-begeleide minderjarigen. Het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind dat BelgiŽ mee heeft ondertekend, verbindt ons ertoe de minderjarigen te beschermen, steeds af te wegen welke beslissing het belang van het kind het beste dient en te zorgen voor een aangepaste opvang.

Deze regering heeft op dat vlak een aantal belangrijke stappen gedaan, waaronder de invoering van een voogdijregeling voor niet-begeleide minderjarige vreemdelingen. Haar opvolgers wacht nog de belangrijke opdracht deze wet uit te voeren en te voorzien in aangepaste opvangmogelijkheden.

Mevrouw Clotilde Nyssens (CDH). - Ik onderschrijf het verslag. Toch werden twee punten in het ongewisse gelaten omdat de werkgroep er niet unaniem de politieke verantwoordelijkheid voor op zich wou nemen.

Het betreft met name de gesloten instellingen. Wij hebben ons daarvoor beperkt tot algemene regels. Die worden trouwens opgesomd in het Verdrag voor de rechten van het kind en de interpretatie daarvan door het Comitť van GenŤve. Over dat politiek probleem werd dus niets definitiefs beslist.

Ook het probleem van de toegang tot het grondgebied van niet-begeleide minderjarigen werd niet geregeld. Moet al dan niet automatisch toegang worden verleend? De werkgroep had niet de politieke moed om hierover een beslissing te nemen.

De minister zou ons vůůr 18 mei moeten zeggen wat hij wil doen inzake de inwerkingtreding. Zal hij een koninklijk besluit nemen of geeft hij de voorkeur aan een samenwerkingsakkoord? Kunnen die problemen als lopende zaken worden afgehandeld?

Wat de relaties met justitie betreft, ben ik sterk getroffen door bepaalde hoorzittingen, onder meer die met mevrouw De Vroede. Werden er aan de parketten van de jeugdrechtbanken via omzendbrieven of protocollen richtlijnen of onderrichtingen gegeven over de behandeling van vreemde minderjarigen die op ons grondgebied worden aangetroffen of kleine misdrijven hebben gepleegd? Welke richtlijnen werden als voorzorgsmaatregel aan de magistraten gegeven in verband met `minderjarigen in gevaar'?

Mevrouw Meryem KaÁar (AGALEV). - Namens Agalev en Ecolo wens ik drie punten te onderstrepen.

Allereerst vinden we het belangrijk dat cijfermateriaal wordt verzameld om een gericht beleid te kunnen voeren.

De asielprocedure is heel belangrijk omdat de rechten van verdediging van niet begeleide minderjarigen daarin een rol spelen.

We hebben inderdaad geen politiek standpunt ingenomen over de gesloten centra. We hebben ons beperkt tot de algemene internationale regels volgens dewelke de infrastructuur aangepast moet zijn aan minderjarigen. De federale overheid is bevoegd voor asielaanvragen van minderjarigen. De gesloten centra verhinderen dat niet-begeleide minderjarigen in handen vallen van mensenhandelaars. Het gaat om een noodzakelijk kwaad. De infrastructuur moet echter worden aangepast. Tegelijk moet worden geÔnvesteerd waarbij de federale en gemeenschapsniveaus moeten worden overstegen.

Ten slotte hopen we dat de voogdijregeling voor niet-begeleide minderjarigen zo snel mogelijk tot stand komt.

De heer Marc Verwilghen, minister van Justitie. - Namens de regering spreek ik mijn waardering uit voor het werk van de werkgroep die ook een aantal aanbevelingen heeft gedaan waarmee in de wettelijke bepalingen rekening wordt gehouden.

De aanbevelingen hebben niet alleen betrekking op Justitie. Mijn collega's zullen zich eveneens moeten inspannen om gevolg te geven aan de aanbevelingen.

Momenteel is de voogdij over de niet-begeleide minderjarige het belangrijkst. De wet werd in december 2002 goedgekeurd, maar het koninklijk besluit betreffende de samenstelling en de werking van de dienst moet nog worden uitgevaardigd.

Er zijn al verschillende interkabinettenvergaderingen geweest en er werd overleg gepleegd met de mensen van het terrein. Normaal gezien zal het koninklijk besluit binnen twee weken klaar zijn. Het zal aan de Ministerraad worden voorgelegd en de minister van Begroting moet zijn goedkeuring geven.

Deze werkzaamheden moeten snel worden afgerond. Tegen september moeten alle nodige maatregelen genomen zijn, zodat de wet zo snel mogelijk in werking kan treden en we de monitoring van de kinderen, een taak die onder andere aan Child Focus was toevertrouwd, opnieuw in handen kunnen nemen. We zijn ons hiervan allemaal bewust. Ik hoop dat we deze stap in de komende weken kunnen doen.

-De bespreking is gesloten.

-De stemming over de aanbevelingen van de commissies voor de Justitie en voor de Sociale Aangelegenheden heeft later plaats.

Vraag om uitleg van mevrouw Mia De Schamphelaere aan de minister van Justitie over ęde weigering van de eerste minister en de minister van Justitie de beroepsorganisatie van de griffiers te horen aangaande de hervorming van hun statuut en hun takenĽ (nr. 2-971)

Mevrouw Mia De Schamphelaere (CD&V). - Er circuleren geruchten dat de Copernicus-hervorming ook zou worden toegepast op de rechterlijke organisatie. Tussen de ministeries van Justitie en Ambtenarenzaken zouden daarover problemen zijn gerezen.

De griffiers hebben vernomen dat de overheid diverse hervormingen voorbereidt die hun ambt raken. Enerzijds vormen die hervormingen een bedreiging voor hun statuut, anderzijds kunnen zij de goede werking van de rechterlijke organisatie in gevaar brengen.

Op het kabinet worden diverse besprekingen gevoerd en er wordt een wetsontwerp voorbereid. Volgens dat ontwerp zou de functie van griffier worden afgeschaft en zouden de betrokkenen uit de rechterlijke orde worden gelicht en voortaan als gewone ambtenaren worden beschouwd, die onder het Copernicus-plan vallen.

Die intenties staan diametraal tegenover het gegeven dat de griffier bijstand verleent aan de rechter en samen met hem de zetel van de rechterlijke orde uitmaakt.

De overkoepelende vereniging van griffiers heeft herhaaldelijke malen geprobeerd over de kwestie te worden gehoord, echter zonder het minste resultaat. Een van de bekommernissen van de vereniging is de oprichting van een Raad voor griffiers, naar analogie van de Hoge raad voor de magistratuur, teneinde de benoemingen doorzichtiger te maken en een aantal andere aspecten van het beroep te bespreken. Er werd daartoe een petitie ondertekend door 78% van de griffiers, maar tot op heden heeft nog geen overleg plaatsgehad.

Daarom eisen de griffiers om in elk overleg dat hen aangaat te worden vertegenwoordigd door vrij verkozen mandatarissen. Tevens wensen ze te worden geÔnformeerd over alle voorstellen tot wijzigingen van hun statuut.

Ik heb de volgende vragen voor de minister.

Wat is de stand van zaken in dit dossier? Welke wijzigingen wenst de regering voor te stellen? Denkt ze er daadwerkelijk aan het Copernicus-plan toe te passen op het ambt van griffier?

Waarom weigert de regering de beroepsorganisatie van griffiers of enige andere vorm van werkelijke vertegenwoordiging van de griffiers als officiŽle gesprekspartner te erkennen?

Waarom weigert de regering een Raad voor griffiers op te richten, naar analogie met de Hoge Raad voor de magistratuur?

Het Arbitragehof stelde in zijn arrest van 16 december 1998 het volgende: "Het enkele feit dat het ambt van griffier weliswaar gedeeltelijk bij het ambt van parketsecretaris aanleunt is geen voldoende verantwoording om de griffiers binnen het toepassingsgebied van de wet van 19 december 1974 te brengen, nu hun ambt in meer aspecten aanleunt bij dat van de magistraten, gegeven zijnde dat het ambt van griffier nauw verbonden is met het begrip rechtbank. Ten slotte zijn de magistraten en de griffiers van de rechterlijke orde aan eenzelfde stelsel van onverenigbaarheden onderworpen, wat onder meer inhoudt dat beide ambten onverenigbaar zijn met de uitoefening van een bij de verkiezing verleend openbaar mandaat, waardoor de wetgever de neutraliteit en objectiviteit heeft willen waarborgen van personen die aan de uitoefening van de gerechtelijke ambten deelnemen".

Uit die vaststelling van het Arbitragehof blijkt duidelijk dat griffiers een wezenlijke functie vervullen in het geheel van de rechterlijke organisatie. Zullen griffiers ook in de toekomst worden beschouwd als een integraal deel van de rechterlijke macht?

De heer Marc Verwilghen, minister van Justitie. - In de verste verte is er geen sprake van het afschaffen van het ambt van griffier. De veronderstelling dat de griffiers voortaan gewone ambtenaren zouden worden die onder het Copernicus-plan vallen, geeft blijk van een verkeerde inschatting van de geplande hervorming.

In antwoord op de vragen zal ik eerst de hervorming bondig toelichten en daarna de hardnekkige misverstanden weerleggen, die bestaan bij de beroepsgroep die mevrouw De Schamphelaere verdedigt.

Ten eerste wil ik het hebben over de context van de onderhandelingen.

Het personeel van de griffies en de parketten heeft acties gevoerd ter ondersteuning van de eisen van het gemeenschappelijk vakbondsfront. Die gingen namelijk over 1% weddeverhoging, 92% van de bruto maandwedde als vakantiegeld en de herziening van de loopbanen. Die acties hebben geleid tot het sociaal akkoord van 23 oktober 2002. Daarin werden onder meer vastgelegd: de onderhandelingsagenda voor herziening van loopbanen, de bezoldiging van het personeel van griffies en parketten, de arbeidsvoorwaarden onder meer op het vlak van discipline, verlof, welzijn en preventie op het werk.

De griffiers zijn niet onderworpen aan een syndicaal statuut. Daarom engageert de overheid zich om de nieuwe regelingen voor de secretarissen ook op hen toepasbaar te maken. Dat is trouwens nodig om een coherent beleid, gebaseerd op de principes van een modern human resources-beleid, op te zetten voor alle personeelsleden niet-magistraten.

Een tweede punt betreft de inhoud en draagwijdte van de hervorming. Enerzijds gaat het om een nieuw personeelsbeleid. De krachtlijnen zijn: het introduceren van een personeelsbeleid en - beheer gebaseerd op de inhoud van de uitgeoefende functie, het uitbouwen van een marktconforme beloning, het uitbouwen van een competentiegericht loopbaan- en ontwikkelingsbeleid, het creŽren van transparantie in de doorgroeimogelijkheden en loopbaanperspectieven en het verbeteren van de relatie tussen medewerker en leidinggevende.

Anderzijds gaat het om de modernisering van de werking van de griffies en de parketten. Daarvoor zou men het systeem van de business process reengineering opstarten om te komen tot efficiŽnte werkprocessen.

Het is een misverstand te denken dat het de bedoeling zou zijn een ambtenarenstatuut op te leggen aan het gerechtspersoneel.

Het feit dat `niet-magistraten' gerechtspersoneel worden genoemd, geeft precies weer dat ze een aparte personeelsgroep zijn die behoort tot de rechterlijke organisatie. Het is niet de bedoeling van die personeelsgroep ambtenaren te maken. We willen alleen een nieuw statuut invoeren, dat gebaseerd is op de vijf vermelde krachtlijnen inzake modern personeelsbeleid.

Een ander misverstand is dat we het ambt van griffier willen afschaffen of loskoppelen van de rechterlijke macht. Bepalen wie al dan niet tot de rechterlijke orde behoort, is geen punt van de hervorming. Aan de bevoegdheden van de `niet-magistraten' wordt niet geraakt. De onderdelen van het statuut die bij wet moeten worden geregeld, zullen bij wet worden geregeld. Het ontwerpstatuut zal bovendien voor advies aan de Raad van State worden voorgelegd. Er is dus duidelijk geen sprake van een ongelijke behandeling van de griffiers ten opzichte van de magistraten.

Het derde misverstand betreft de vraag van een belangengroep om erkend te worden als officiŽle gesprekspartner.

De wet van 19 december 1974 bepaalt officieel de partners aan de onderhandelingstafel. Blijkbaar zijn de inhoud en de draagwijdte van die wet onvoldoende bekend. Bovendien gaan de onderhandelingen niet over de griffiers.

Ik vestig er de aandacht op dat slechts bij de afsluiting van de onderhandelingen zal blijken of een definitief akkoord met betrekking tot de realisatie van het nieuwe personeelsbeleid kan worden gesloten. In voorkomend geval moet het akkoord worden omgezet in ontwerpen van wet en in ontwerpen van uitvoeringsbesluiten, die de geŽigende procedure moeten doorlopen.

Met betrekking tot de vraag in verband met de eventuele oprichting van een Raad voor griffiers naar analogie met de Hoge Raad voor de magistratuur kan ik meedelen dat mij geen Hoge Raad voor de magistratuur bekend is. Als spreekster de Hoge Raad voor de justitie bedoelt, wijs ik erop dat die niet bedoeld is voor het behartigen van de belangen van welke personeelsgroep ook.

Rekening houdend met de noodzaak te komen tot een consistent en geÔntegreerd personeelsbeleid, vind ik het niet aangewezen de reeds bestaande belangengroepen te officialiseren. Het spreekt echter vanzelf dat deze belangengroepen die niet aan de officiŽle onderhandelingen kunnen deelnemen, het recht hebben mij hun standpunt mede te delen. Ik bepaal echter zelf of ik het opportuun acht hen hieromtrent te horen.

Ik hoop met deze informatie voldoende duidelijkheid te hebben gegeven over deze hervorming, waarvan ik garandeer dat het allerminst de bedoeling is aan de fundamenten van het ambt van griffier te raken.

Mevrouw Mia De Schamphelaere (CD&V). - Het blijft natuurlijk de vraag hoe griffiers betrokken kunnen worden bij hervormingen die hun aanbelangen. Dat kan voor hen onmogelijk via syndicale weg of via een vertegenwoordigend orgaan. Dat is toch wel een leemte in onze overlegdemocratie. De griffiers moeten ten minste de kans krijgen hun aanbevelingen op een officiŽle manier kenbaar te maken.

De heer Marc Verwilghen, minister van Justitie. - Het Gerechtelijk Wetboek bepaalt uitdrukkelijk dat griffiers worden vertegenwoordigd door de magistratuur. Via dat kanaal wordt met hen overleg gepleegd. Overigens worden er gesprekken gevoerd met de top van de magistratuur ter vertegenwoordiging van onder meer de griffiers.

-Het incident is gesloten.

Vraag om uitleg van de heer Jan Steverlynck aan de minister van Justitie over ęde stand van zaken voor wat betreft de opwaardering van het statuut en de taken van de griffier en de parketsecretarisĽ (nr. 2-972)

De heer Jan Steverlynck (CD&V). - Enkele punten die ik wilde aanhalen, kwamen daarnet al aan bod, maar ik wil de problematiek van de griffiers en parketsecretarissen wat ruimer bekijken.

Het onderdeel Justitie van het regeerakkoord `De brug naar de eenentwintigste eeuw', vermeldt heel uitdrukkelijk de opwaardering van het statuut en de taken van de griffier en de parketsecretaris. Nu, aan het einde van de legislatuur, stellen we vast dat op dat punt weinig effectief werk werd verzet. De recente protestverklaringen van de personeelsleden van de Vlaamse rechtbanken en parketten in verband met de vergoedingen waren al een teken aan de wand. Er heerst inderdaad ongenoegen.

Er werd al gesproken over organisatie, statuut en bezoldiging, maar de inspanningen voor een efficiŽnt management, voor het ter beschikking stellen van de nodige financiŽle en materiŽle middelen en voor het uitbouwen van een informaticastructuur voor griffies en parketsecretariaten blijven minimaal. Ook enige vorm van beheersautonomie of het uittekenen van een visie die de taakverdeling tussen magistraat en griffier/parketsecretaris kan optimaliseren en waarbij de magistraat zich kan richten op de jurisdictionele functies en de griffier/parketsecretaris op het efficiŽnt beheer van de rechtbank/parket, is niet aan de orde. Nochtans is voor de magistraat op het terrein van de procespraktijk, organisatie en productie de griffier zijn beste begeleider.

In het antwoord op de vraag om uitleg van senator Nyssens en ook daarnet is de minister al uitvoerig ingegaan op de sociaalrechtelijke aspecten, maar in verband met de modernisering van griffies en parketsecretariaten wil ik toch nog volgende vragen stellen.

Kan de minister een overzicht geven van Šlle wettelijke en regelgevende maatregelen die hij deze legislatuur heeft genomen ter uitvoering van dit stuk van het regeerakkoord? Wat is de precieze stand van zaken? Op welke wijze werden de vertegenwoordigers van de griffiers hierbij betrokken? De minister heeft daarnet verklaard dat de griffiers niet betrokken werden omdat het niet gaat om een wijziging van het statuut. Het streven naar een optimalisering van werkprocessen houdt echter wel degelijk verband met de visie op en de invulling van het beroep.

Eind oktober 2002 kondigde de minister aan dat het informaticaproject Phenix, dat de dertien huidige informaticasystemen op elkaar moet afstemmen, in zijn eindfase was en begin 2003 operationeel zou zijn, met de ontwikkeling van de eerste testsites. Dit zou een elektronische gegevensuitwisseling met de externe partners van rechtbanken, politie en advocatuur erg vergemakkelijken. Wat is de stand van zaken?

Kan de minister meer toelichting geven bij het door hem en minister Daems aangekondigd meerjarenplan om voor de gerechtsgebouwen een aantal grote renovatie- en bouwprojecten te budgetteren?

Welke initiatieven werden genomen om de continue opleiding en vorming van griffiers, parketsecretarissen en ondersteunend personeel te waarborgen?

Is de minister voorstander van het instellen van een tweehoofdige managementstructuur van korpsoverste en hoofdgriffier, om de werking van de rechtbank ook formeel te organiseren en te structureren? Is de minister voorstander van een financiŽle beheersautonomie in hoofde van de hoofdgriffier met een eigen enveloppe, wat de flexibiliteit en de werking van de dienst ongetwijfeld ten goede komt?

Is de minister van oordeel dat de belofte in het regeerakkoord om te komen tot een opwaardering van het ambt van de griffier en de parketsecretaris, reeds enige vorm van invulling heeft gekregen in deze legislatuur?

De heer Marc Verwilghen, minister van Justitie. - De opwaardering van het statuut en de taken van de griffier en de parketsecretaris situeert zich in het ruimere kader van de modernisering van de werking van de griffies en de parketten.

Op sommige van de acht vragen van de heer Steverlynck heb ik reeds een antwoord gegeven naar aanleiding van de vraag van zijn collega.

Over Phenix, het allesomvattende informaticaproject voor de rechterlijke orde, kan ik u melden dat in oktober 2002 een eerste versie van de analyse werd opgeleverd. Deze analyse had tot doel alle werkprocessen voor alle profielen binnen de rechterlijke orde, van vredegerecht tot hof van cassatie, in kaart te brengen en vervolgens te vertalen in schermen.

Door middel van intensieve workshops en plaatsbezoeken met de leden van de rechterlijke orde werden inmiddels de schermen geperfectioneerd. Nog vorige week heeft de federale openbare dienst Justitie een lastenboek uitgebracht om de achterliggende technologie, servers, databanken en beveiliging aan te schaffen. In overleg met de rechterlijke orde werden een aantal kandidaturen weerhouden voor de testsites, waar in de loop van de volgende maanden Phenix geÔmplementeerd zal worden.

De filosofie van Phenix is om niet langer het IT-systeem van de rechterlijke orde als een stand alone-systeem te organiseren, maar mits de nodige beveiliging als een systeem dat intensief elektronisch communiceert met alle actoren die bij de rechtsvinding betrokken zijn. Zo werden reeds een aantal afspraken geconcretiseerd met de federale politie en vonden al verschillende gesprekken plaats met de balies.

De projecten binnen het meerjarenplan 2004-2007 voor de gerechtsgebouwen en de gevangenissen hebben het akkoord van de Inspectie van FinanciŽn, geaccrediteerd bij de federale overheidsdienst Justitie bekomen. Het advies van de Inspectie van FinanciŽn, geaccrediteerd bij de Regie der Gebouwen bevat enkele opmerkingen die werden weerlegd of waaraan werd tegemoetgekomen. Het meerjarenplan wordt op 28 februari op het kernkabinet besproken.

Eťn van de onderdelen van de lopende onderhandelingen is precies het installeren van een consistent opgebouwde opleidingsstructuur die voor alle niet-magistraten zal bedoeld zijn. Hiervoor zal onder meer een opleidingscommissie worden opgericht die het opleidingsprogramma zal bepalen en waarin vertegenwoordigers zullen zetelen van de verschillende personeelsgroepen om te garanderen dat deze opleidingen aan de reŽle behoeften tegemoetkomen.

In afwachting voorziet het in 2000 opgerichte opleidingscomitť in diverse opleidingen voor het gerechtspersoneel. Er is dus absoluut geen vacuŁm. Integendeel, het wordt erg geapprecieerd.

Het antwoord op de zevende vraag is neen. Het risico op kortsluiting en conflicten met een tweehoofdige managementstructuur is te groot. Daarentegen ben ik voorstander van een managementteam, voorgezeten door de korpsoverste en bestaande uit verantwoordelijken van de verschillende beleidsdomeinen. De financiŽle beheersautonomie van de hoofdgriffier, voor zover ze er komt, moet toegewezen worden aan het managementteam. Dit sluit niet uit dat bepaalde functies financiŽle verantwoordelijkheid inhouden, maar dit is een kwestie van correcte organisatorische toewijzing.

Het antwoord op de laatste vraag is positief. De op stapel staande hervorming van de griffies en parketten is ongetwijfeld een krachtig instrument om het ambt van griffier en parketsecretaris in een modern en dynamisch perspectief te laten evolueren.

Tijdens de gesprekken met de korpsoversten en met de magistratuur over het lot van de griffiers, hebben de magistraten zich wel degelijk laten bijstaan door griffiers die ze overigens zelf hebben geselecteerd en die weten hoe de zaken in elkaar zitten.

De heer Jan Steverlynck (CD&V). - De minister beweert wel dat hij opkomt voor een herwaardering van het ambt van griffier, maar tegelijk verlaat hij het denkspoor van het tweehoofdig leiderschap van griffier en magistraat. Nochtans is sinds de wetgeving van 1997 de autonomie van de griffier zoals vastgelegd in artikel 172 en 173 van het Gerechtelijk Wetboek sterk vergroot. Op de wet van 1997 zijn er wel nooit uitvoeringsbesluiten gevolgd. De herwaardering van het griffiersambt kwam echter wel opnieuw voor in het regeerakkoord van 1999 en in het beleidsplan van 2000 van de minister van Justitie. Toch gaat de minister nu een andere richting uit en wil hij een managementcomitť, waarbij de functie en de taak van de griffier helemaal onduidelijk wordt. Ik heb de indruk dat hij hier toch een flinke bocht maakt, die alleen is ingegeven door situaties waar de korpschef en de griffier niet tot een goede verstandhouding komen. Waarschijnlijk zijn dat maar uitzonderingen, want op heel veel plaatsen verstaan die elkaar perfect en is het tweehoofdig management een perfecte oplossing voor de rechterlijke macht.

De heer Marc Verwilghen, minister van Justitie. - Er is geen sprake van een bocht te maken, we willen slechts garanderen dat ieder binnen zijn domein en zijn bevoegdheid blijft. De heer Steverlynck haalt aan dat de samenwerking tussen griffier en magistraat dikwijls probleemloos verloopt, maar dat is dan meestal te danken aan het feit dat ieder binnen zijn bevoegdheden blijft. Als minister van Justitie bots ik spijtig genoeg maar te vaak wel op problemen. Meestal is de oorzaak dat ofwel de magistraat ofwel de griffier niet binnen zijn taak bleef. Met dit ontwerp willen we de rol van elk van de twee concretiseren, zonder afbreuk te doen aan de opdrachten van elk van hen. De taken worden alleen beter op elkaar afgestemd, zodat er voortaan minder conflicten zullen voorkomen.

De heer Jan Steverlynck (CD&V). - Wat is precies de functie van de griffier in het nieuwe managementcomitť?

De heer Marc Verwilghen, minister van Justitie. - Hij behandelt alle materies die betrekking hebben op de taak van de griffier en die geen enkel verband hebben met rechtsprekende functies.

-Het incident is gesloten.

De voorzitter. - We zetten onze werkzaamheden voort vanmiddag om 15 uur.

(De vergadering wordt gesloten om 13.40 uur.)

Berichten van verhindering

Afwezig met bericht van verhindering: de heer Caluwť, om gezondheidsredenen, de heer Van den Brande, met opdracht in het buitenland, mevrouw Nagy en de heer Morael, wegens ambtsplichten, de heer Colla, wegens andere plichten.

-Voor kennisgeving aangenomen.