4-57

4-57

Belgische Senaat

4-57

Handelingen - Nederlandse versie

DONDERDAG 8 JANUARI 2009 - NAMIDDAGVERGADERING


Waarschuwing: de blauwe kleur geeft aan dat het gaat om uit het Frans vertaalde samenvattingen.


Verzoekschrift

Inoverwegingneming van voorstellen

Mondelinge vragen

Vraag om uitleg van de heer Pol Van Den Driessche aan de vice-eersteminister en minister van FinanciŽn en Institutionele Hervormingen over ęde bestemming van de oude rijkswachtkazerne in BruggeĽ (nr. 4-624)

Vraag om uitleg van de heer Louis Ide aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over ęde functies van algemeen directeur en adjunct-algemeen directeur van het Federaal Kenniscentrum voor GezondheidszorgĽ (nr. 4-626)

Vraag om uitleg van de heer Louis Ide aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over ęhet discrete overleg omtrent de numerus claususĽ (nr. 4-627)

Vraag om uitleg van de heer Louis Ide aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over ęeen hogere terugbetaling voor witte tandvullingenĽ (nr. 4-628)

Vraag om uitleg van de heer Patrik Vankrunkelsven aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over ęde stijging van het aantal rokersĽ (nr. 4-635)

Vraag om uitleg van de heer Patrik Vankrunkelsven aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over ęhuisartsen in opleidingĽ (nr. 4-639)

Vraag om uitleg van mevrouw Lieve Van Ermen aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over ęde wantoestanden waarmee kandidaat-specialisten geconfronteerd wordenĽ (nr. 4-636)

Vraag om uitleg van de heer Josy Dubiť aan de vice-eersteminister en minister van Buitenlandse Zaken over ęhet praaien door de Turkse marine van vaartuigen langs de kust van de Republiek CyprusĽ (nr. 4-625)

Vraag om uitleg van mevrouw Martine Taelman aan de minister van Justitie over ęgevangenisstraffen in het land van herkomstĽ (nr. 4-630)

Vraag om uitleg van de heer Geert Lambert aan de minister van Justitie over ęhet drugsbeleidĽ (nr. 4-633)

Vraag om uitleg van de heer Alain Destexhe aan de minister van Justitie over ęsekten en godsdienstvrijheidĽ (nr. 4-637)

Vraag om uitleg van mevrouw Nahima Lanjri aan de minister van Maatschappelijke Integratie, Pensioenen en Grote Steden over ęde uitbreiding van de Lokale Opvanginitiatieven (LOI's)Ľ (nr. 4-634)

Vraag om uitleg van de heer Josy Dubiť aan de minister van Landsverdediging over ęde evolutie van de militaire situatie in Afghanistan en de dreigingen op de bevoorrading van onze troepenĽ (nr. 4-638)

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de minister voor Ondernemen en Vereenvoudigen over ęde verkoop via het internetĽ (nr. 4-632)

Vraag om uitleg van mevrouw Nahima Lanjri aan de minister van Migratie- en Asielbeleid over ęhet overleg met het middenveld over de vreemdelingenproblematiekĽ (nr. 4-623)

Vraag om uitleg van de heer Marc Elsen aan de minister van Migratie- en Asielbeleid over ęhet voorontwerp van wet inzake buitenlandse studentenĽ (nr. 4-631)

Vraag om uitleg van de heer Marc Elsen aan de minister van Binnenlandse Zaken over ęde toekomst van de cel educatie en preventieĽ (nr. 4-629)

Vraag om uitleg van mevrouw Nele Jansegers aan de minister van Binnenlandse Zaken over ęde beschikbaarheid van volmachtformulieren voor de komende verkiezingen bij de gemeentelijke dienstenĽ (nr. 4-640)

Regeling van de werkzaamheden

Berichten van verhindering

Bijlage


Voorzitter: de heer Armand De Decker

(De vergadering wordt geopend om 15.05 uur.)

Verzoekschrift

De voorzitter. - Bij brief van 22 december 2008 heeft de heer Frank Aerts aan de Senaat een verzoekschrift overgezonden over de inspraak van eigenaars in het gemeentelijk beleid ten aanzien van tweede verblijven.

-Verzonden naar de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden.

Inoverwegingneming van voorstellen

De voorzitter. - De lijst van de in overweging te nemen voorstellen werd rondgedeeld.

Leden die opmerkingen mochten hebben, kunnen die vůůr het einde van de vergadering mededelen.

Tenzij er afwijkende suggesties zijn, neem ik aan dat die voorstellen in overweging zijn genomen en verzonden naar de commissies die door het Bureau zijn aangewezen. (Instemming)

(De lijst van de in overweging genomen voorstellen wordt in de bijlage opgenomen.)

Mondelinge vragen

Mondelinge vraag van de heer Philippe Mahoux aan de minister van Landsverdediging over ęde discriminaties waarvan oorlogswezen het slachtoffer zijnĽ (nr. 4-547)

De heer Philippe Mahoux (PS). - Ik heb van de vertegenwoordigers van de vereniging Kinderen van het Vaderland vernomen dat oorlogswezen worden gediscrimineerd, vooral op het gebied van de erkenning van die hoedanigheid en de compensaties die eraan zijn verbonden.

Mijnheer de minister, ik vestig uw aandacht op drie discriminaties die mij niet onberoerd laten:

Kunt u die informatie bevestigen? Denkt u aan een initiatief om die discriminatie te doen verdwijnen?

Ik maak van deze vraag gebruik om u mede te delen of eraan te herinneren dat de oorlogswezen de wens uitspreken in het Frans `pupilles de la nation' te worden genoemd in plaats van `orphelins de la nation'.

De heer Pieter De Crem, minister van Landsverdediging. - Voor een aanpassing van de wetgeving met het oog op de erkenning van nieuwe categorieŽn of een nieuwe benaming moet de wettelijke procedure worden gevolgd.

De eisen van de oorlogswezen maken inderdaad deel uit van het geheel van de eisen van de gemeenschap van oud-strijders en oorlogsslachtoffers.

Die eisen moeten overeenkomstig de wet onderzocht worden in het Contactcomitť van de vaderlandslievende verenigingen opdat het Comitť, in voorkomend geval, de door de wet van 8 augustus 1981 opgerichte Hoge Raad voor oorlogsinvaliden, oud-strijders en oorlogsslachtoffers kan vatten door middel van een eisenbundel.

De Hoge Raad heeft het Contactcomitť van de vaderlandslievende verenigingen trouwens gevraagd om een nieuwe eisenbundel in te dienen, opgesteld in orde van voorrang.

Ik heb mijn administratie gevraagd om me dat prioriteitendossier zo snel mogelijk te overhandigen.

Ik houd u vanzelfsprekend op de hoogte van de verdere afwikkeling van dit dossier.

De heer Philippe Mahoux (PS). - Ik dank de minister voor die informatie. Ik zal de betrokken organisaties op de hoogte brengen van zijn antwoord en hen aanraden hun werk voort te zetten, zowel langs de parlementaire weg als via de verenigingen van oorlogsslachtoffers.

De heer Pieter De Crem, minister van Landsverdediging. - Ik verneem dat zij dat gedaan hebben.

De heer Philippe Mahoux (PS). - Welke weg ze ook volgen, ik ben van oordeel dat hun eisen gegrond zijn.

Mondelinge vraag van mevrouw Anne Delvaux aan de minister van Landsverdediging over ęde operatie `Verboden kou te hebben'Ľ (nr. 4-553)

Mevrouw Anne Delvaux (cdH). - Sinds enkele jaren komt het departement Landsverdediging de daklozen te hulp tijdens de winterperiode, als ondersteuning van de hulp door de OCMW's.

Dit jaar is de operatie Winter gestart op 24 november en ze eindigt in principe eind maart 2009.

Die actie heeft als doel in een opvangplaats te voorzien in elke provincie en dekens en materiaal uit te delen.

Bovendien is de voortzetting en intensivering van de samenwerking met het departement Landsverdediging op het vlak van opvang en hulp aan daklozen een maatregel uit het Federaal Plan Armoedebestrijding.

De strijd tegen de armoede moet in de eerste plaats gebaseerd zijn op structurele maatregelen, maar sommige situaties, zoals de huidige extreme koude, vergen dringende oplossingen.

Kan de minister een voorlopige balans geven van de acties die werden gevoerd in het kader van de operatie Winter dit jaar? Welke provincies zijn betrokken bij de actie? Welk budget werd er dit jaar aan de operatie Winter besteed en moet er nog aan worden besteed?

We hebben vernomen dat sommige gemeenten moeilijkheden ondervinden om hulp te krijgen van het departement Landsverdediging wegens procedureproblemen. Kan de aanvraagprocedure en de coŲrdinatie tussen het departement Landsverdediging, enerzijds, en de OCMW's en de verenigingen voor daklozen, anderzijds, worden vereenvoudigd?

Heeft het departement dit jaar meer steun verleend voor de opvang van daklozen in vergelijking met vorige winters, zoals in het Federaal Plan Armoedebestrijding is bepaald?

De heer Pieter De Crem, minister van Landsverdediging. - Landsverdediging heeft in elke provincie in opvangmogelijkheid voor de daklozen voorzien met onderdak voor de nacht en een warme maaltijd. Het departement Landsverdediging heeft al veel kledij en ander materiaal voor de winter uitgedeeld. Alle provincies zijn bereid de gebouwen open te stellen. Tot nu toe werd van die mogelijkheid enkel in de provincie Luik gebruik gemaakt. Er worden elke nacht tussen de 20 en 25 daklozen opgevangen.

Dit jaar zijn in totaal, voor alle provincies samen, 303 beschikbare plaatsen in de militaire kwartieren.

De procedure is zeer eenvoudig. De erkende opvangcentra moeten enkel contact opnemen met de militaire commandant van de betrokken provincie en de daklozen laten vergezellen door een of twee sociale werkers.

Volgens de richtlijnen mag een provincie waarin de opvangcapaciteit overschreden wordt een bijkomend opvangcentrum openen.

De bijkomende kosten van die actie, meer bepaald het ter beschikking stellen van infrastructuur en personeel, bedroegen vorig jaar 21 000 euro. De balans van dit jaar zal worden opgemaakt bij de afsluiting van de actie.

Mevrouw Anne Delvaux (cdH). - Het is een uitstekende actie want de daklozen kunnen kleding en dekens en medische follow-up krijgen. Ze kunnen worden opgevangen met hun gezelschapsdier, wat in de centra voor nachtopvang niet het geval is.

De procedure is echter vrij log. Blijkbaar werden enkel in Luik mensen opgevangen. Talrijke organisaties doen geen beroep op die oplossing. De minister antwoordt dat contact moet worden opgenomen met de militaire commandant, maar het is niet eenvoudig een oplossing te bieden voor een noodsituatie 's nachts. Kan de procedure niet minder ingewikkeld worden gemaakt voor zeer dringende gevallen?

Voor het overige ben ik tevreden met het antwoord van de minister.

De heer Pieter De Crem, minister van Landsverdediging. - De procedure is mijns inziens zeer eenvoudig, maar ik zal rekening houden met de opmerkingen van de senator en haar een antwoord bezorgen.

Mondelinge vraag van de heer Freddy Van Gaever aan de vice-eersteminister en minister van FinanciŽn en Institutionele Hervormingen over ęhet dossier-Kaupthing BankĽ (nr. 4-544)

De heer Freddy Van Gaever (VB). - Voor het kerstreces wilde ik de regering enkele vragen stellen over het Kaupthingdossier. Door de regeringscrisis heb ik dat niet kunnen doen. Inmiddels is er veel veranderd in het dossier en zijn sommige vragen niet meer pertinent. De feiten zijn echter dezelfde gebleven.

Een paar tienduizenden Belgische spaarders hebben hun geld toevertrouwd aan een volgens hen Belgische bank, een bank die de toelating had gekregen hier spaargelden te ophalen. Jan Modaal begrijpt het niet meer. Langs de ene kant van de straat is er een bank met IJslands kapitaal, aan de overzijde Fortis met Frans kapitaal. Denkend aan de Grondwet, die zegt dat alle Belgen gelijk zijn voor de wet, meent hij dat ook alle banken die in BelgiŽ opereren, gelijk zijn voor de wet. Blijkt echter dat de lat niet voor iedereen gelijk ligt. De mensen worden ongerust, radeloos en soms agressief. Als de man in de straat vanmorgen verneemt dat gevaarlijke gangsters worden vrijgelaten wegens een procedurefout, begrijpt hij het niet meer.

In verband met Kaupthing heeft de regering al veel inspanningen gedaan, waarvoor mijn dank. Het is echter niet duidelijk. De berichten die via de media worden verspreid, spreken elkaar tegen. Men leest over een garantie van 20 000, 50 000 of 100 000 euro. De overheid zou voor 75, 100 of 150 miljoen euro tussenkomen. Men spreekt over akkoorden met Luxemburg waarvan niemand weet wat die juist behelzen.

Hoever staat het nu met het dossier?

Wat is het resultaat van de onderhandelingen met Luxemburg?

Wat is de toekomst van het bankfiliaal in ons land?

De heer Didier Reynders, vice-eersteminister en minister van FinanciŽn en Institutionele Hervormingen. - De Belgische overheid is niet verplicht om in het Kaupthingdossier tussen te komen. Het gaat om een Luxemburgse bank van IJslandse origine. De regering heeft, na maanden onderhandelingen tussen de regering-Leterme en de Luxemburgse regering, een principiŽle beslissing genomen.

Allereerst is BelgiŽ bereid een risico te dragen van 75 tot 100 miljoen euro. Ingeval van faillissement is BelgiŽ bereid bij te passen voor een schadevergoeding tot 100 000 euro per klant en per rekening, net als voor de Belgische banken. De schadevergoeding door de Luxemburgse overheid bedraagt 20 000 euro; het bedrag van 20 000 tot 100 000 euro wordt gelijk verdeeld tussen de Belgische en de Luxemburgse overheid. Voor BelgiŽ bedraagt het financiŽle risico daardoor 75 tot 100 miljoen euro, voor Luxemburg bijna 400 miljoen euro.

Onze prioriteit blijft echter een overname van de bank. De Luxemburgse regering heeft daartoe een overeenkomst ondertekend met een Libisch fonds. Wij zijn bereid met de Luxemburgse regering een overeenkomst te sluiten voor een lening van de Belgische overheid aan de Luxemburgse regering met hetzelfde risico, namelijk van 75 tot 100 miljoen euro.

Ik zal op de volgende Ministerraad voorstellen om de Luxemburgse regering een lening toe te staan met het oog op de overname van de bank. We mogen de klanten echter geen rad voor de ogen draaien: de bank kan volgens de Luxemburgse regering en de Libische kandidaat-overnemer slechts vanaf begin april worden overgenomen. De klanten doen er dus goed aan om nu het voorschot van 20 000 euro per klant te vragen dat de Luxemburgse overheid sinds enkele weken uitbetaalt.

Daarna zien we wel wat er gebeurt. Ofwel wordt de bank overgenomen, waarbij de Belgische staat een risico draagt. Ofwel gaat de bank failliet of in vereffening; in dat geval zijn de tegoeden tot 100 000 euro gewaarborgd.

Ik herhaal nogmaals dat de Belgische regering niet verplicht was op te treden. We hebben echter een goede samenwerking met de Luxemburgse regering, zoals ook in de dossiers Fortis en Dexia is gebleken. Bovendien had de bank meer dan 20 000 Belgische klanten.

Mondelinge vraag van mevrouw JoŽlle Kapompolť aan de vice-eersteminister en minister van FinanciŽn en Institutionele Hervormingen over ęde conservatieve en corporatistische aard van de hervorming van de regels inzake het spaarboekjeĽ (nr. 4-549)

Mevrouw JoŽlle Kapompolť (PS). - Tot mijn grote verrassing werd het koninklijk besluit dat de regels voor het spaarboekje hervormt, gepubliceerd in het Staatsblad van 22 december 2008. Ik betreur niet alleen het stiekeme karakter van de hervorming, maar ook de inhoud ervan.

De maximale basisrente wordt afgestemd op die van de Europese Centrale Bank (ECB) terwijl de enige premie die overblijft, de getrouwheidspremie, afhankelijk wordt van de basisrente. Die twee maatregelen zullen elke concurrentie tussen banken onmogelijk maken, zodat de spaarrekening minder aantrekkelijk dreigt te worden dan andere, meer risicovolle producten.

Door regels op te leggen die de vergoeding van de spaarder aanzienlijk beperken, hebt u ervoor gekozen de spaarder te laten betalen voor de uitwassen in een gedeelte van de bankwereld. De hervorming zal ertoe leiden dat de grootbanken hun leiderspositie in dit segment kunnen vastklikken. Bovendien leidt u de spaarders naar producten die misschien wel rendabeler, maar risicovoller zijn.

In uw koninklijk besluit van 7 december roept u de urgentie in. Waarom? Wil u daarmee de grootbanken bevoordelen?

Waarom hebt u, in volle financiŽle crisis, uw hervorming niet in alle openheid aan het parlement voorgelegd? Waarom hebt u geopteerd voor zowel conservatieve als corporatistische wijzigingen, waardoor het onmogelijk wordt de spaarders interessantere producten aan te bieden?

Vreest u niet dat de spaarder uiteindelijk de voorkeur zal geven aan risicovollere producten?

De heer Didier Reynders, vice-eersteminister en minister van FinanciŽn en Institutionele Hervormingen. - Mevrouw Kapompolť beweert dat een koninklijk besluit vrijwel stiekem werd genomen. Het werd nochtans uitgebreid besproken in Kamer en Senaat. Ik hoop dat zij daarbij aanwezig was. We hebben ook getracht rekening te houden met wat gezegd werd op de vergaderingen met de vertegenwoordigers van de Nationale Bank en van de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen (CBFA), in aanwezigheid van leden van Kamer en Senaat. Ik ken weinig departementen waar over een ontwerp van koninklijk besluit zoveel wordt gedebatteerd.

Het koninklijk besluit houdt rekening met de consensus in Kamer en Senaat over de invoering van een maximumbasisrente voor de spaarrekeningen en de vereenvoudiging van het premiestelsel. We hebben de aangroeipremie afgeschaft en alleen de getrouwheidspremie behouden als een percentage van de basisrente. Op dit ogenblik wordt een basisrente toegekend van 4 tot 4,25%, vermeerderd met een getrouwheidspremie van 0,01%. Iedereen was het erover een dat een hervorming nodig was. We hebben het advies van de CBFA gevolgd.

Waarom de urgentie? Wegens de termijn voor het advies van de Raad van State. De banken moeten de aanpassing kunnen doorvoeren tegen 1 april. Op dit ogenblik verandert er niets. De banken zullen hun getrouwheids- en hun aangroeipremies samensmelten. Ze zullen rekening moeten houden met de huidige ECB-rentevoet. Conform de marktregels zal de rente blijven dalen. U kan niet verlangen dat de spaarders een zeer hoge rente blijven krijgen als de referentierente van de Centrale bank daalt.

Wat me echter het meest verrast in uw vraag, is de verwijzing naar de concurrentie. Blijkbaar wenst u dat de consument wordt benaderd met campagnes zoals die van de Luxemburgse bank van IJslandse oorsprong. De Belgische overheid loopt daardoor een risico. Ondanks dat ze daartoe niet verplicht is, is ze bereid dat risico te nemen ten behoeve van de twintigduizend klanten die zich hebben laten meeslepen door een praktijk die u voorstaat, namelijk dat marginale instellingen op onze markt buitensporige rentevoeten kunnen aanbieden die tot even buitensporige faillissementen kunnen leiden.

Uiteindelijk zal u uw vraag om meer regulering moeten zien te verzoenen met uw vraag om meer neoliberalisme voor spaarrekeningen zonder controle, zonder maximumrente, met voorwaarden die niet houdbaar zijn. In mijn opvatting van liberalisme is er plaats voor regulering.

Na de besprekingen in Kamer en Senaat, na de vertegenwoordigers van de Nationale Bank en van de CBFA te hebben gehoord, na een formeel advies van de CBFA, zijn we tot een tekst gekomen die u misschien niet bevalt omdat hij beperkingen oplegt aan de markt van de spaarrekeningen. Voor mij als minister van FinanciŽn betekent de tekst echter een geruststelling omdat hij zal verhinderen dat ik in toekomst nog besluiten aan de ministerraad zal moeten voorleggen zoals dat van deze week in verband met de Kaupthing Bank.

Mevrouw JoŽlle Kapompolť (PS). - Wat mij in de hervorming niet bevalt, is dat de spaarders in deze crisis worden vergeten. Als er in verband met de door u genoemde bank een misverstand bestaat, dan is dat uw schuld. U hebt het toezicht over de CBFA die op de hoogte was van de moeilijkheden van de bank, maar niet is opgetreden tegen het opbod. De CBFA moet de spaarders beschermen door hen te waarschuwen voor mogelijke gevaren.

Op het niveau van de macrofinanciŽle stabiliteit vrees ik dat de concurrentie op de markt van de spaarrekeningen vervangen wordt door een concurrentie tussen de spaarrekening en andere financiŽle producten die veel risicovoller zijn voor de spaarders.

Mondelinge vraag van de heer FranÁois Roelants du Vivier aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over ęde niet-terugbetaling van tamoxifen (Nolvadex) bij bepaalde behandelingen van borstkankerĽ (nr. 4-546)

De heer FranÁois Roelants du Vivier (MR). - Ik wil het opnieuw hebben over een onderwerp dat mij erg ter harte gaat en dat ook verschillende leden van onze fractie met belangstelling volgen.

Na lezing van het kankerplan van de minister blijkt dat tamoxifen, een antioestrogeenmiddel voor de behandeling van sommige vormen van borstkanker, niet wordt terugbetaald voor borstkanker bij mannen. Hoewel bij mannen borstkanker aanzienlijk minder voorkomt dan bij vrouwen, neemt het aantal toch stilaan toe. In de EU overlijden ongeveer duizend mannen per jaar aan die vorm van kanker.

De resultaten van de IBIS-studie (International Breast Cancer Intervention Study) werden vorige lente voorgesteld tijdens de derde Europese conferentie over borstkanker. Die klinische studie werd uitgevoerd in zes landen - Groot-BrittanniŽ, Finland, BelgiŽ, AustraliŽ en Nieuw-Zeeland - op 7000 vrouwen in goede gezondheid, maar met een verhoogd risico op borstkanker. Ze had tot doel de preventieve werking van tamoxifen te onderzoeken. De eerste resultaten lijken een belangrijke daling aan te tonen van 33% bij vrouwen die tamoxifen namen in vergelijking met zij die een placebo ontvingen.

Een studie naar borstkanker aan de tweede borst bij vrouwen die vroeger al borstkanker hadden, wees eveneens op een belangrijke daling met 46% dankzij tamoxifen.

Wordt, gelet op die resultaten en het miskende probleem van borstkanker bij mannen, in BelgiŽ de terugbetaling van tamoxifen onderzocht als preventief middel of als behandeling tegen borstkanker bij mannen?

Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. - Tamoxifen is inderdaad een antioestrogeenmiddel voor de behandeling van sommige vormen van kanker. Het bestaat in ons land als originele molecule Nolvadex en in de vorm van verschillende generische middelen.

Borstkanker komt meestal bij vrouwen tot ontwikkeling, maar ook mannen worden erdoor getroffen. Deze kwestie werd trouwens aangesneden door een mannelijk slachtoffer van deze kanker tijdens de rondetafelbijeenkomsten die hebben geleid tot het kankerplan.

De terugbetaling van tamoxifen gebeurt na voorafgaand akkoord van de adviserend geneesheer van het ziekenfonds. Dat geldt ook voor mannen.

Ik citeer de cijfers van de gegevensbank Farmanet 2006. Op een totaal van 27 652 patiŽnten die tamoxifen kregen terugbetaald waren er 329 mannen, hetzij 1% van mannelijke patiŽnten met borstkanker. Dat komt overeen met cijfers in het buitenland.

De IBIS-studie werd vorig jaar besproken tijdens een groot wetenschappelijk congres over borstkanker. In absolute cijfers bedroeg de daling van het aantal borstkankergevallen 0,9%. Na een gemiddelde behandelingsduur van 50 maanden ontwikkelde 2,8% van de patiŽnten die een placebo ontvingen borstkanker, tegen 1,9% in de groep die tamoxifen kreeg.

In het algemeen is de terugbetaling van een geneesmiddel onderworpen aan registratie. Die wordt gegeven na analyse van alle beschikbare studies, ongeacht of de resultaten positief dan wel negatief zijn, en dat zowel op het vlak van efficiŽntie als inzake ongewenste bijwerkingen. Zoals de IBIS-studie uitwijst en zoals naar voor werd gebracht op het wetenschappelijk congres is tamoxifen niet vrij van ongewenste bijwerkingen.

Er wordt dus een afweging gemaakt tussen de voordelen en de risico's en daarvan hangt de registratie af. Ik wacht dus de beslissing van de registratieautoriteiten af.

Momenteel is de indicatie preventie niet geregistreerd en kan terugbetaling dus niet worden overwogen.

Ik blijf de kankerproblematiek, en die van borstkanker in het bijzonder, op de voet volgen. Er worden in het kankerplan nieuwe bepalingen voorzien inzake onderzoek, de toegang tot en de kwaliteit van de verzorging en de therapeutische en esthetische opvang van slachtoffers van borstkanker. Ik kan u daar binnenkort meer over zeggen.

Mondelinge vraag van mevrouw Nele Jansegers aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over ęde stofwisselingsziekte MLDĽ (nr. 4-551)

Mondelinge vraag van mevrouw Vera Dua aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over ęde problematiek van patiŽnten met een weesziekte naar aanleiding van de actie `Red Sandra'Ľ (nr. 4-555)

De voorzitter. - Ik stel voor deze mondelinge vragen samen te voegen. (Instemming)

Mevrouw Nele Jansegers (VB). - De jongste weken is in Vlaanderen een actie op touw gezet om een meisje uit Temse, dat lijdt aan een zeldzame maar dodelijke stofwisselingsziekte, te redden van een gewisse dood. Volgens de pers lijdt het meisje net als vijf andere kinderen in BelgiŽ, aan de stofwisselingsziekte MLD, metachromatische leukodystrofie. Naar verluidt bestaat er een geneesmiddel, Metazym, dat de ziekte kan tegenhouden, maar dat is peperduur. Er is sprake van zowat een miljoen euro voor een behandeling van twee jaar.

Een woordvoerder van de Belgische afdeling van Shire HGT, de firma die Metazym produceert, verklaart echter dat het geneesmiddel nog in ontwikkeling is en daardoor nog niet beschikbaar. De vader van het meisje zou dus, zelfs als hij voldoende geld zou ophalen, het geneesmiddel voor zijn dochter niet kunnen kopen.

De tijd dringt nochtans voor het meisje en haar lotgenootjes. Hun fysieke toestand gaat er zienderogen op achteruitgaat.

Over de beschikbaarheid, het nut en de toepasbaarheid van het middel doen tegenstrijdige berichten de ronde. Daarom lijkt het ons nuttig eerst daarover enige klaarheid te scheppen. Vervolgens willen we vernemen wat de overheid kan en vooral wil ondernemen om het leven van het meisje en dat van haar lotgenootjes te redden.

Is het medicijn Metazym al ergens beschikbaar? Of bevindt het zich nog in een proeffase? Zijn de resultaten in de proeffase twijfelachtig of zelfs negatief en is daarom misschien het medicijn nergens ter wereld verkrijgbaar?

Is het medicijn in BelgiŽ en/of in Europees verband al geregistreerd? Indien niet, kan het dan worden toegediend in de veronderstelling dat het al beschikbaar is?

Bestaat momenteel de mogelijkheid het betrokken meisje het geneesmiddel toch toe te dienen als het beschikbaar zou zijn? Welke rol kan het Bijzonder Solidariteitsfonds van het RIZIV spelen en zal het die rol ook vervullen? Hoe zit het in dat geval met de behandelende artsen? Kunnen die in de gegeven omstandigheden juridisch gezien begeleidend optreden?

Kan de Belgische regering, naar het voorbeeld van Denemarken, instaan voor de financiering van de experimentele behandeling van het meisje en de kinderen die momenteel in ons land aan de ziekte lijden en zal ze dat in voorkomend geval ook doen?

Mevrouw Vera Dua (Groen!). - Ik ben me ervan bewust dat dit een delicaat dossier is. Toch wilde ik hierover een mondelinge vraag stellen. In de kerstperiode is beroering ontstaan toen een Vlaamse TV-zender uitgebreid aandacht besteedde aan het lot van Sandra, een meisje dat lijdt aan de zeldzame stofwisselingsziekte metachromatische leukodystrofie.

In de reportage werd gesteld dat een behandeling mogelijk is, maar dat die 1 080 000 euro kost, zijnde 45 000 euro per maand, wat onbetaalbaar is voor de familie. Tengevolge daarvan startte een solidariteitsactie en werden overal acties gevoerd om de familie te helpen.

Achteraf werden de feiten enigszins genuanceerd, onder meer door verklaringen van de betrokken farmaceutische firma en van de woordvoerder van de farmaceutische sector, waaruit bleek dat het bedoelde geneesmiddel nog in een experimentele fase zit en dus niet in aanmerking komt voor terugbetaling of voor enige tegemoetkoming vanwege de overheid.

Aangezien ik geen expert ben, wil ik me niet uitspreken over dit individuele geval. Ik stel wel vast dat op het ogenblik 65 000 Belgen lijden aan een erg zeldzame ziekte - een zogenaamde weesziekte - waarvoor er nog geen geneesmiddelen of geneeskundige verzorging bestaan of waarvoor de geneesmiddelen nog in een testfase zitten en nog niet worden terugbetaald. Dat zijn dan ook 65 000 persoonlijke drama's en gezinsdrama's. En dat kan inderdaad leiden tot wat we onlangs zagen, een soort `wanhoopsdaden' van de familie waarbij de bevolking wordt aangesproken om steun te geven en er blijkbaar heel wat mensen positief en medelevend reageren.

De vraag is op welke manier de overheid in dergelijke gevallen ondersteuning kan geven. Dergelijke solidariteitsacties kunnen immers slagen voor ťťn kind, maar vormen uiteraard geen structurele oplossing voor de vele andere gevallen, hoe goed de intenties van alle betrokkenen ook zijn. Er bestaat een Bijzonder Solidariteitsfonds dat patiŽnten helpt die niet kunnen worden verzorgd doordat een geneeskundige verstrekking niet wordt terugbetaald of te duur is.

In hoeverre kan het Solidariteitsfonds voor financiering zorgen in gevallen van zeldzame stofwisselingsziektes? Kan het dat doen in dit specifieke geval, al begrijp ik dat de minister zich misschien niet over individuele gevallen kan uitspreken?

Voor hoeveel gevallen per jaar is er een financiering van de geneeskundige verzorging door het Solidariteitsfonds en voor welk bedrag? Kan dat fonds met andere woorden de bestaande noden opvangen?

Wordt op een andere manier hulp en ondersteuning gegeven aan personen of families die met een weesziekte worden geconfronteerd?

Vanaf wanneer en dus in welke ontwikkelingsfase van een geneesmiddel of geneeskundige verzorging is een financiering door het fonds mogelijk?

Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. - De criteria voor de financiering door het Bijzonder Solidariteitsfonds van het RIZIV zijn vastgelegd in artikel 25 van de ZIV-wet. De beslissing tot financiering is gebaseerd op het onderzoek van het individuele dossier, ingediend door de sociaal verzekerde via zijn ziekenfonds. Bij een zeldzame ziekte is het essentiŽle criterium daarbij het feit of de behandeling - om het even of het gaat om een geneesmiddel of een andere vorm van zorgverstrekking - in de internationale wetenschappelijke kwaliteitsliteratuur door de bevoegde medische autoriteiten wordt erkend als zijnde efficiŽnt voor de patiŽnt.

In 2005 leverde het Solidariteitsfonds in 1 928 dossiers een financiŽle bijdrage, op een totaal van 2 945 behandelde dossiers. Dat was goed voor 7 184 528 euro.

In 2006 telden we 1 508 positief beoordeelde dossier op een totaal van 2 402, goed voor 9 510 977 euro.

In 2007 ten slotte ging het om 1 437 dossiers op een totaal van 2 524, en 11 205 651 euro.

Het college van geneesheren-directeurs van het RIZIV heeft gemiddeld dertien dagen nodig om een beslissing te nemen over aanvragen voor een tegemoetkoming die door de verzekeringsinstellingen worden ingediend. Er bestaat thans in de verplichte ziekteverzekering geen enkele reglementering voor een specifieke tenlasteneming van de verzorging van patiŽnten die aan een weesziekte lijden.

In het kader van mijn programma `Voorrang aan de chronisch zieken' heb ik op 8 december jongstleden het RIZIV wel gevraagd een werkgroep ad hoc op te richten die mij voor eind maart een voorstel zal doen inzake de erkenningscriteria voor patiŽnten met een chronische aandoening. Mijn voorstel, waarop de werkgroep zich zal baseren, omvat alle patiŽnten die lijden aan een weesziekte, waaraan minstens ťťn op de tweeduizend mensen lijdt. In de toekomst zullen alle patiŽnten met dat statuut automatisch genieten van een specifieke hulp vanwege het RIZIV of van ons globale systeem van sociale zekerheid. De stuurgroep van het programma `Voorrang voor chronisch zieken', die bestaat uit vertegenwoordigers van de ziekenfondsen, het RIZIV en de Federatie van patiŽntenverenigingen werkt op het ogenblik aan een voorstel inzake een mogelijke specifieke hulp. Om die administratief eenvoudig te houden pleit ik voor een maximale terugbetaling van de zorgverlening, zonder daaraan een voorwaarde te verbinden van het bestaan van een of andere ziekte. Het is daarbij evident dat het aantal prestaties zal verschillen van pathologie tot pathologie.

De ziekenfondsen bieden hun leden in hun aanvullende verzekering vaak tegemoetkomingen aan voor de grote uitgaven waarmee patiŽnten soms worden geconfronteerd en die niet gedekt worden door de verplichte ziekteverzekering. Ik denk bijvoorbeeld aan de dienst Medi'kids van de Franstalige socialistische ziekenfondsen, die naast een eerste bedrag dat ten laste van de gezinnen blijft, alle kosten ten laste neemt in verband met een ernstige en dure ziekte bij kinderen.

Bij behandelingen die nog in de experimentele fase verkeren, gebeurt het geregeld dat farmaceutische bedrijven gratis geneesmiddelen verschaffen aan de patiŽnten die er nood aan hebben. Metazym van de firma Shire is nog steeds in het experimentele stadium en meer bepaald in fase III, namelijk die waarbij de efficiŽntie van het medicament op vrijwilligers wordt getest. Het mag dus nog nergens in de Europese Unie op de markt worden gebracht en het wordt derhalve ook nergens terugbetaald door de sociale zekerheid. Rekening houdend met de wettelijke criteria voor de tegemoetkoming van het Bijzonder Solidariteitsfonds, kan het in dit stadium dus niet het voorwerp zijn van eender welke tegemoetkoming van genoemd fonds.

De verplichte ziekteverzekering voorziet thans in geen enkele bijdrage voor experimentele behandelingen, tenzij voor zeldzame uitzonderingen via bepaalde studieovereenkomsten, ten laste van het budget van de administratiekosten van het RIZIV.

Indien in de toekomst een dergelijk initiatief wordt genomen, is het beter de bijdrage niet te beperken tot eender welke lijst van ziektebeelden, maar algemene criteria te definiŽren voor de terugbetaling van experimentele behandelingen.

Mevrouw Vera Dua (Groen!). - Ik ben verbaasd dat er nu nog moet worden begonnen met de samenstelling van een werkgroep om de criteria voor de bijdrage bij weesziekten te bepalen. Ik ben wel blij dat de werkgroep er eindelijk komt.

Ik ben het volkomen eens met de minister dat de farmaceutische industrie de kosten voor de patiŽnt draagt als een geneesmiddel nog in een experimentele fase is. In dit specifieke geval blijkt echter dat de patiŽnt tussen de mazen van het net valt: de patiŽnt wordt door de farmaceutische firma niet toegelaten tot het experiment, en het Bijzonder Solidariteitsfonds en het RIZIV stellen dat de efficiŽntie van het geneesmiddel nog onvoldoende is bewezen. Het eindresultaat is dat de patiŽnt om financiŽle redenen niet kan deelnemen aan het experiment. Ik stel dan ook voor dat de minister deze specifieke problematiek aan de toekomstige werkgroep voorlegt. Mensen die ten einde raad willen deelnemen aan een experiment moeten daartoe de mogelijkheid krijgen, al dan niet met overheidssteun.

Mevrouw Nele Jansegers (VB). - Wij blijven op onze honger zitten. De oprichting van een werkgroep is een klassiek antwoord op alle problemen waarvoor de regering geen oplossing heeft. De werkgroep zou er in maart misschien komen, maar dan is het misschien al een beetje te laat voor het meisje in kwestie.

We kunnen niet begrijpen dat het meisje dat niet aan de voorwaarden van een experiment van een farmaceutische firma voldoet, en evenmin terugbetaling van het RIZIV kan krijgen, geen enkele mogelijkheid heeft om aan het medicijn te komen, zelfs al willen haar ouders of mensen die solidair zijn, het medicijn volledig betalen. Het is schrijnend: er bestaat een geneesmiddel en de patiŽnte zou er eventueel mee kunnen worden geholpen, maar we krijgen geen antwoord op de vraag of dit meisje aan het medicijn kan komen, eventueel zonder terugbetaling door de overheid.

Mondelinge vraag van mevrouw Sabine de Bethune aan de vice-eersteminister en minister van FinanciŽn en Institutionele Hervormingen over ęde uitvoeringsbesluiten van de wet van 1 juni 2008 betreffende de invoering van een belastingvermindering voor aandelen in ontwikkelingsfondsenĽ (nr. 4-554)

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - De wet houdende de invoering van een belastingvermindering voor aandelen in ontwikkelingsfondsen voor microfinanciering in ontwikkelingslanden en houdende de vaststelling van de voorwaarden voor de erkenning als ontwikkelingsfonds werd op 4 juli 2008 in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd en trad op dezelfde dag ook in werking.

Een aantal bevoegdheden in de wet werden aan de Koning toegewezen. Uitvoeringsbesluiten zijn vereist.

Volgens mijn informatie zijn in het Belgisch Staatsblad tot op vandaag nog geen uitvoeringsbesluiten gepubliceerd.

Bij de ingang van het nieuwe fiscale jaar kreeg ik van de minister graag een antwoord op enkele vragen.

Werden de nodige uitvoeringsbesluiten al genomen? Zo neen, waarom niet? Wat is de stand van zaken?

Zal de wet van toepassing zijn op aandelen verworven in het belastingjaar 2009 waarin een recht op belastingvermindering geldt?

Heeft de minister al een procedure uitgewerkt voor de toekenning en de intrekking van de erkenning van een ontwikkelingsfonds, zoals bepaald in artikel 3, ß3? Zo ja, waaruit bestaat de procedure?

De heer Didier Reynders, vice-eersteminister en minister van FinanciŽn en Institutionele Hervormingen. - De wet waarvan sprake is nog niet van toepassing. De besluiten werden opgesteld en het besluit tot vaststelling van de toekenning en de intrekking van de erkenning als ontwikkelingsfonds wordt nog steeds bestudeerd. Er wordt ook onderzocht wie bevoegd is om de erkenning te verlenen.

Ik heb wel weet van een ingebrekestelling door de Europese Commissie met betrekking tot artikel 3 van de wet.

De Europese Commissie is van oordeel dat de wet een onverenigbaarheid kan bevatten. Artikel 3, ß1, van de wet bepaalt immers wat volgt: `Om te kunnen worden erkend als ontwikkelingsfonds moet de verzoekende organisatie of de verzoekende afdeling van een organisatie voldoen aan volgende criteria: 1ļ Ze heeft de rechtsvorm naar Belgisch recht aangenomen van: a) een coŲperatieve vennootschap met erkenning in de zin van het koninklijk besluit van 8 januari 1962 tot vaststelling van de voorwaarden tot erkenning van de nationale groeperingen van coŲperatieve vennootschappen of b) een coŲperatieve vennootschap met een sociaal oogmerk in de zin van artikel 661 van het Wetboek van Vennootschappen;'.

De Commissie oordeelt dat de wetgeving dientengevolge een verschillende behandeling invoert naargelang van de vestiging van de vennootschap en dat de vennootschappen naar buitenlands recht en de aandeelhouders ervan minder gunstig worden behandeld.

Mijn diensten onderzoeken de opmerkingen van de Europese Commissie en zullen er in de loop van de maand op antwoorden.

In die context is het momenteel niet gemakkelijk te voorzien in een procedure voor de toekenning en intrekking van de erkenning als ontwikkelingsfonds.

Mijn administratie heeft de uitvoeringsbesluiten met betrekking tot artikel 4 van voornoemde wet evenwel al voorbereid en zodra ontwikkelingsfondsen kunnen worden erkend, zal ik die besluiten uitvaardigen.

Zoals ik aan de voorzitter heb meegedeeld, kan mijn administratie de uitvoeringsbesluiten en het antwoord op de opmerkingen van de Europese Commissie voor de Commissie voor de FinanciŽn komen toelichten. Indien nodig kan de wet worden gewijzigd.

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Ook ik heb vernomen dat de Europese Commissie bezwaren maakt. Het is waarschijnlijk beter te wachten tot de FOD FinanciŽn de uitvoeringsbesluiten en het antwoord aan de Commissie klaar heeft alvorens hier nog verdere vragen over te stellen. Ik vind het uitstekend dat deze kwestie in de commissie voor de FinanciŽn zal worden besproken.

Mondelinge vraag van de heer Hugo Vandenberghe aan de vice-eersteminister en minister van Buitenlandse Zaken over ęde dramatische gevolgen van het gasdispuut tussen Rusland en OekraÔne voor sommige Europese landenĽ (nr. 4-556)

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Het gasdispuut tussen Rusland en OekraÔne zorgt voor zware problemen in heel wat Europese landen. In Bulgarije en Slowakije, die erg afhankelijk zijn van Russisch gas en over weinig gasreserves beschikken, is de noodtoestand uitgeroepen. Landen als RoemeniŽ kunnen zich redden met eigen gaswinning, nog altijd goed voor 60% van het verbruik. Andere getroffen lidstaten trachten alternatieve gasbronnen of -routes aan te boren.

In Bulgarije, dat voor 90% van zijn gastoevoer afhangt van Rusland, hebben duizenden mensen de voorbije nachten in extreme koude moeten doorbrengen omdat de centrale verwarming niet werkte. Ook vele scholen en bedrijven dienen de deuren te sluiten. De economische gevolgen kunnen immense proporties aannemen.

Binnen de Europese Unie tracht men duidelijkheid te krijgen over de ware toedracht van het probleem. Zo waarschuwde EU-Commissievoorzitter Barroso gisteren nog dat het onaanvaardbaar is dat Europese burgers gegijzeld worden in een bilateraal conflict tussen Rusland en OekraÔne. Het is inderdaad mensonwaardig burgers te gijzelen in het ijs.

Graag had ik dan ook van de vice-eersteminister vernomen welke dringende initiatieven de Belgische regering zal nemen om de Europese instanties er verder toe te bewegen voldoende druk uit te oefenen op Rusland en OekraÔne, zodat dit conflict zo spoedig mogelijk gedeblokkeerd kan worden.

De heer Karel De Gucht, vice-eersteminister en minister van Buitenlandse Zaken. - Hoewel BelgiŽ niet rechtstreeks door dit geschil getroffen wordt, volgt de regering het toch op de voet omdat er evidente geostrategische belangen in het spel zijn. Het is onaanvaardbaar dat Europese landen de gevolgen dragen van een geschil tussen Rusland en OekraÔne.

Deze zaak wordt binnen de EU doorlopend en op verschillende niveaus behandeld. Vandaag nog wordt ze besproken op de vergadering van de ministers van Buitenlandse Zaken in Praag en terzelfder tijd ontvangt de Europese Commissie in Brussel een delegatie van Gazprom. Er komt een buitengewone Raad Energie indien het probleem niet op korte termijn wordt opgelost. De Unie slaagt erin een gezamenlijke boodschap uit te brengen.

BelgiŽ schaart zich achter de Europese aanpak, die erin bestaat beide partijen op hun verantwoordelijkheid te wijzen om het geschil op te lossen en de leveringen aan de EU te normaliseren. De reputatie van beide landen als betrouwbare energiepartner staat op het spel. De EU is geen betrokken partij, maar is bereid haar goede diensten aan te bieden.

In de toekomst mag de EU niet meer het slachtoffer worden van dergelijk bilateraal geschil. We moeten pleiten voor een duurzame oplossing en voor meer transparantie en het oprichten van duidelijke early warning-mechanismen met beide landen.

Deze zaak toont aan dat de EU verder werk moet maken van een geloofwaardig gemeenschappelijk energiebeleid. Ik verheug mij in dat verband over de discussies die de komende maanden zullen plaatsvinden over het Actieplan voor energiezekerheid en solidariteit. De EU moet inderdaad actie ondernemen om haar energietoekomst veilig te stellen en haar essentiŽle belangen te vrijwaren. Het belang van goede interconnecties tussen de lidstaten, waardoor het niet meer mogelijk is een land af te zonderen, en van de diversificatie van de energiebevoorrading, zowel naar energiebronnen als naar geografische oorsprong en aanvoerroutes, dient te worden onderstreept.

De raad Algemene Zaken en Externe Betrekkingen van 26 januari biedt de gelegenheid om, onder meer tegen de achtergrond van het conflict tussen OekraÔne en Rusland, de maatregelen te bespreken die de EU kan nemen om haar energiezekerheid en de solidariteit tussen de lidstaten te bevorderen.

Dit is in eerste instantie een politieke aangelegenheid. Nu rekenen een aantal landen vooral op hun bilaterale betrekkingen met Rusland en opteren ze daarom minder voor een Europees energiebeleid, dat volgens hen als een agressieve houding van Europa kan worden opgevat.

De Europese Unie is veruit het grootste economische blok ter wereld. Los van de Russische intenties, die niet slecht zijn tegenover de EU, kan Europa het zich niet veroorloven voor zijn energie afhankelijk te zijn van Rusland. Dat vereist een Europees beleid waarin alle distributiesystemen met elkaar verbonden worden, zodat het niet meer mogelijk is dat ťťn land wordt getroffen. Tevens moet de aanvoer gediversifieerd worden, met rechtstreekse verbindingen met Centraal-AziŽ, wat een zeer ingewikkeld probleem is, omdat de Kaspische Zee op dat traject ligt en, aangezien het om een meer gaat, alle oeverstaten akkoord moeten gaan alvorens daar een pijpleiding kan worden gelegd.

Het zal ook belangrijke financiŽle inspanningen vergen. Daar ontkomt Europa niet aan, want ooit zou Rusland zijn gas wel degelijk als politiek wapen kunnen gebruiken.

Hieruit blijkt nogmaals dat de Europese Unie een zeer interessant project is.

Mondelinge vraag van mevrouw Lieve Van Ermen aan de vice-eersteminister en minister van Ambtenarenzaken, Overheidsbedrijven en Institutionele Hervormingen over ęde winterperikelen bij de NMBSĽ (nr. 4-548)

Mevrouw Lieve Van Ermen (LDD). - In de barre weersomstandigheden van de afgelopen dagen opteerden vele landgenoten om voor het woon-werkverkeer de wagen te ruilen voor de trein. Helaas bleven vele reizigers letterlijk in de kou staan.

De barre weersomstandigheden werden vooraf duidelijk voorspeld en aangekondigd. Hoe komt het dan dat de `hofleverancier' NMBS niet voorbereid was om een correcte dienstverlening te kunnen garanderen in deze omstandigheden? Welke voorzorgen werden genomen?

Hoeveel treinvertragingen waren er sinds maandagochtend 5 januari 2009? Ikzelf heb er vijf uur over gedaan om van Kalmthout naar Brussel en terug te gaan.

Waarom worden bij problemen op bepaalde trajecten ook nog eens op piekuren korte treinen ingezet in plaats van gebruikelijke dubbeldekstreinen? Op hoeveel trajecten was dit het geval?

Is de minister ervan op de hoogte dat in sommige stations zonder loket nog steeds geen nieuwe dienstregelingen hangen? Bovendien zijn er veelal onvoldoende brochures met dienstregelingen beschikbaar. In Kalmthout, waar ongeveer 800 passagiers per dag passeren, zijn er maar een honderdtal brochures. Wat zal de minister ondernemen om dit euvel te verhelpen?

Hoe zit het met de compensatie voor de pendelaars die de dupe waren van het wanbeleid van de NMBS? Kan de minister meedelen welk bedrag de NMBS sinds maandagochtend 5 januari 2009 als compensatie voor de treinvertragingen verschuldigd is?

(Voorzitter: de heer Hugo Vandenberghe, eerste ondervoorzitter.)

De heer Steven Vanackere, vice-eersteminister en minister van Ambtenarenzaken, Overheidsbedrijven en Institutionele Hervormingen. - Ik ben het ermee eens dat bij extreme winterkoude het openbaar vervoer zijn superioriteit en performantie en dus zijn concurrentiepositie ten opzichte van de auto moet kunnen aantonen. Toch waren de streekgenoten van mevrouw Van Ermen die hetzelfde traject met de auto deden, niet noodzakelijk beter af.

Ik wil wel hulde brengen aan de personeelsleden van de NMBS, die in bijzonder moeilijke omstandigheden zeer goed hebben gewerkt om de dienstverlening te verzekeren. De NMBS treft elk jaar een aantal maatregelen om het hoofd te bieden aan de gevolgen van extreme weersomstandigheden. Vůůr de winter worden specifieke nazichten en onderhoudswerken aan het rollend materieel uitgevoerd om de betrouwbaarheid bij hevige koude te verhogen. Tijdens de vorstperiode worden voertuigen in dienst gehouden tijdens de nacht en het weekend om de ritvaardigheid te garanderen. Daar worden bestuurders en technisch personeel voor ingezet. In de werkplaatsen worden extra herstelploegen ingeschakeld om tussen te komen in geval van defect materieel.

Bij aankoop van nieuw materieel doet men proeven om te zien hoe dit weerstaat aan bepaalde temperaturen, maar the proof of the pudding is in the eating. Ondanks voorafgaande proeven met recente materieeltypes, hebben de weersomstandigheden geleid tot een belangrijk aantal defecten, die oorzaak waren van vertragingen en niet-beschikbaarheid van materieel. Daarnaast zijn we de afgelopen dagen ook geconfronteerd met enkele bijkomende problemen.

Een paar belangrijke incidenten, waaronder de bovenleidingbreuk in Leuven, hebben de desorganisatie van het verkeer geaccentueerd, waardoor materieel niet steeds op de gepaste plaats kon uitwijken. Door deze tekorten was de NMBS genoodzaakt om treinen met verminderde samenstellingen in dienst te houden.

Op het niveau van Infrabel Netwerk worden elk jaar de onderstaande preventieve maatregelen genomen: controle en/of aanvullen van de voorraadstoffen zoals strooizout, en van wintergerelateerd gereedschap en kleding, nazicht van de wisselverwarming en het eventuele herstel van vastgestelde defecten, actualisering van de lokale regelgeving `winterplan', organisatie van interventies van de sneeuwploegen, aanpassing van het sneeuwruimplan op basis van het door de diensten Infrastructuur opgestelde schema inzake taakverdeling onder de verschillende directies en anticipatie op specifieke en lokale aspecten.

De meesten, ook in deze assemblee, erkennen dat het professionalisme van de NMBS om te reageren op de extreme omstandigheden wel waardering verdient, maar de communicatie met betrekking tot de situatie kan inderdaad beter. Als aanvulling op de Traffic Control van Infrabel is er een Reizigersdispatching opgericht die de NMBS volop aan het uitbouwen is. Bijkomende software werd aangekocht om de doorstroming van de juiste informatie naar de medewerkers te optimaliseren, zodat die tijdig en beter met de clientŤle kunnen communiceren.

Momenteel is het niet mogelijk een overzicht te geven van alle vertragingen sinds maandagochtend 5 januari 2009, omdat de statistieken van de vertragingen op weekbasis worden geproduceerd. Ik wil die cijfers wel geven wanneer ze beschikbaar zijn.

In elk station en in elke stopplaats hangen de gele dienstregelingsaffiches met de treinen bij vertrek. Elke week worden die dienstregelingsaffiches door de Network Intervention Teams gecontroleerd. Er is geen structureel tekort aan affiches en geen structureel probleem voor het ophangen ervan. Wel gebeurt het dat affiches verdwijnen of informatiedragers worden vernield. Dankzij de wekelijkse controles worden deze problemen vrij snel gedetecteerd en bijgestuurd. Het valt dus niet uit te sluiten dat er in sommige gevallen tijdelijk onvoldoende informatie beschikbaar is, maar dat is geen structureel probleem.

De brochures met dienstregelingen werden vanaf 1 december 2008 in voldoende mate ter beschikking gesteld van het publiek. Op vraag van de stations wordt de voorraad nadien geregeld aangevuld.

De compensatieregels voor treinvertragingen zijn van toepassing onder de gebruikelijke voorwaarden, zowel voor langdurige als frequente vertragingen. Het is voorbarig om het voor deze periode toe te kennen bedrag op te geven. Het enige cijfer dat momenteel beschikbaar is, is het aantal dossiers dat tot op heden werd ontvangen, namelijk 439.

Mevrouw Lieve Van Ermen (LDD). - Ik vind het vreemd dat de kou in Zwitserland geen belemmering is en dat de treinen daar wel pŁnktlich rijden. De informatieverstrekking moet zeker verbeterd worden. Dat is trouwens ook de eerste verzuchting van de Bond van trein-, tram- en busgebruikers.

We konden in De Standaard het verhaal lezen van de jonge vrouw die van Maastricht via Luik naar Gent moest en die aan het loket te horen kreeg dat men pas vijf minuten van tevoren kon zeggen wanneer er een trein zou binnenkomen. In het station Oude God is geen loket en daar waren de gele affiches nog niet aangeplakt, men zou geen tijd hebben om ze op te hangen. Op de perrons in Brussel kan men de reizigers niet adviseren over welke trein hen het snelst naar hun bestemming kan brengen, want de personeelsleden weten zelf van niets.

In deze tijd, waar men via het internet kan opzoeken waar er files zijn, zou men toch ook aan de loketten van de treinstations moeten kunnen zeggen waar welke trein zich bevindt.

Mondelinge vraag van mevrouw Christine Defraigne aan de minister van Justitie over ędoodgeboren kinderen of kinderen die levend geboren worden maar overlijden voordat hun geboorte is aangegevenĽ (nr. 4-545)

De voorzitter. - De heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Begroting, toegevoegd aan de eerste minister, en staatssecretaris voor Gezinsbeleid, toegevoegd aan de minister van Werk, en wat de aspecten inzake personen- en familierecht betreft, toegevoegd aan de minister van Justitie, antwoordt.

Mevrouw Christine Defraigne (MR). - De rondzendbrief van 10 juni 1999 betreffende de invoeging van een artikel 80bis in het Burgerlijk Wetboek aangaande de akte van aangifte van een levenloos kind bepaalt: `Wanneer het kind leefde op het ogenblik van de vaststelling van de geboorte door de ambtenaar van de burgerlijke stand, de door hem toegelaten geneesheer of gediplomeerde vroedvrouw, doch komt te overlijden voordat de geboorte wordt aangegeven, dienen een akte van geboorte en een overlijdensakte te worden opgemaakt, en geen akte van aangifte van een levenloos kind.'

De draagwijdte van deze zin is niet duidelijk omdat hij geen enkele aanwijzing geeft over de duur van de zwangerschap.

Geldt die bepaling ook voor kinderen die levend worden geboren vůůr de grens van 180 dagen?

Wat gebeurt er als een kind levend wordt geboren vůůr die 180 dagen maar overlijdt voordat de geboorte is aangegeven?

Betekent dit dat een geboorteakte moet worden opgemaakt en dat die een naam en een voornaam moeten bevatten zoals artikel 57 van het Burgerlijk Wetboek vereist, terwijl voor een levenloos geboren kind van minder dan 180 dagen oud volgens de rondzendbrief van 10 juni 1999 geen enkel document wordt opgemaakt? De rondzendbrief verduidelijkt: `Er dient te worden aan herinnerd dat de akte van aangifte van een levenloos kind slechts wordt opgemaakt indien de geboorte heeft plaatsgevonden meer dan zes maanden na de verwekking.' Er wordt niets in vermeld over het kind dat levend geboren wordt maar overlijdt voordat de geboorte is aangegeven. Ook het Burgerlijk Wetboek zegt daarover niets.

Dat alles zaait twijfel. Sommige ambtenaren van de burgerlijke stand weigeren bij gebrek aan duidelijke richtlijnen op dat vlak een geboorteakte op te maken, zelfs als het kind levend is geboren. De ouders zijn door die weigering, die ze niet begrijpen, geschokt.

Het debat wordt nu opgerakeld omdat een collega parlementslid een wetsvoorstel heeft ingediend om duidelijkheid te scheppen. Ik denk dat op twee vlakken moet worden gewerkt, en dat er tegelijk voor moet worden gezorgd dat de verworvenheden van de wet van 3 april 1990 betreffende de vrijwillige zwangerschapsonderbreking niet worden onderuitgehaald.

Dit kan een technisch probleem lijken, maar het heeft wel praktische, psychologische en affectieve gevolgen voor de rouwende ouders. Wat is het standpunt van de minister ter zake?

De heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Begroting, toegevoegd aan de eerste minister, en staatssecretaris voor Gezinsbeleid, toegevoegd aan de minister van Werk, en wat de aspecten inzake personen- en familierecht betreft, toegevoegd aan de minister van Justitie. - Ik lees het antwoord van de minister.

Het overlijden van een kind voor de geboorte of in een gevorderd stadium van de zwangerschap is altijd een zeer moeilijk moment. Het juridisch arsenaal moet dit niet nog moeilijker maken.

De rondzendbrief van 10 juni 1999 betreffende de invoeging van een artikel 80bis in het Burgerlijk Wetboek aangaande de akte van aangifte van een levenloos kind bepaalt dat dit artikel voorziet in de opmaak van een akte van aangifte van een levenloos kind door de ambtenaar van de burgerlijke stand wanneer een kind is overleden op het ogenblik van de vaststelling van de geboorte door de ambtenaar van de burgerlijke stand of de door hem toegelaten geneesheer of gediplomeerde vroedvrouw.

Dezelfde rondzendbrief bepaalt dat de akte van aangifte van een levenloos kind slechts wordt opgemaakt indien de geboorte heeft plaatsgevonden meer dan zes maanden na de verwekking. Het betreft wat gemeenzaam de 180-dagenregel wordt genoemd. De akte wordt ingeschreven op haar dagtekening in het register van de akten van overlijden.

Die situatie moet worden onderscheiden van die van een kind dat levend wordt geboren. Daarom preciseert de rondzendbrief dat, wanneer het kind leefde op het ogenblik van de vaststelling van de geboorte door de ambtenaar van de burgerlijke stand, de door hem toegelaten geneesheer of gediplomeerde vroedvrouw, doch komt te overlijden voordat de geboorte wordt aangegeven, een akte van geboorte en een overlijdensakte dienen te worden opgemaakt, en geen akte van aangifte van een levenloos kind.

Het beslissende criterium om over een kind in leven te spreken is de vaststelling van leven. Dat impliceert niet dat een minimale zwangerschapsduur moet overschreden zijn. Eens de geboorte van een levend kind werd vastgesteld door de bevoegde persoon, wordt een geboorteakte opgemaakt.

De parallelle lectuur van de verschillende teksten kan wellicht een zekere verwarring teweegbrengen.

Er moet dus een duidelijk onderscheid worden gemaakt tussen de geboorte van een levend kind - de notie tijd doet hier niet ter zake - en een levenloos kind waarvoor de 180-dagenregel geldt. Over dit laatste bestaat discussie. Ik heb al een aantal vragen over dat onderwerp beantwoord.

Men zou een oplossing kunnen utwerken die de ouders de mogelijkheid geeft de geboorte van een levenloos kind aan te geven, los van de duur van de zwangerschap, teneinde het rouwproces te vergemakkelijken.

Mevrouw Christine Defraigne (MR). - Ik dank u voor het duidelijke antwoord. Het beslissende criterium is dus de vaststelling van leven. De 180-dagenregel speelt geen rol.

Als een geboorteakte wordt opgemaakt omdat het kind leeft, kan dit kind, logisch gezien, dus ook een naam krijgen.

De heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Begroting, toegevoegd aan de eerste minister, en staatssecretaris voor Gezinsbeleid, toegevoegd aan de minister van Werk, en wat de aspecten inzake personen- en familierecht betreft, toegevoegd aan de minister van Justitie. - De geboorteakte vermeldt uiteraard de naam.

Mevrouw Christine Defraigne (MR). - Volgens mij is de rondzendbrief daarover niet helemaal duidelijk. Het is wellicht raadzaam hem aan te passen met de preciseringen die u geeft. Het debat over de andere gevallen moet in elk geval worden gevoerd.

De heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Begroting, toegevoegd aan de eerste minister, en staatssecretaris voor Gezinsbeleid, toegevoegd aan de minister van Werk, en wat de aspecten inzake personen- en familierecht betreft, toegevoegd aan de minister van Justitie. - Inderdaad. Bij levend geboren kinderen is er blijkbaar geen probleem. Er moet ook worden nagegaan of de praktijk overal dezelfde is, of de ziekenhuizen dezelfde regels toepassen. Ik heb het dan over het kind dat overlijdt voordat de akte wordt opgemaakt. Voor die gevallen is een verduidelijking nodig.

Ik bevestig dat ik bereid ben elk debat over het andere deel van de problematiek aan te gaan.

Mondelinge vraag van mevrouw Anke Van dermeersch aan de minister van Justitie en aan de minister van Binnenlandse Zaken over ęde manifestaties in verband met het conflict in de GazastrookĽ (nr. 4-550)

Mevrouw Anke Van dermeersch (VB). - De voorbije twee weken werden in ons land protestmanifestaties gehouden tegen het IsraŽlische militaire offensief in de Gazastrook. Sommige manifestaties liepen volledig uit de hand. Verontrustend is dat verschillende jongeren bewapend waren met molotovcocktails, wapenstokken, peperspray en zo meer. Er werd ook geprobeerd de woning van een joods gezin in Borgerhout en een synagoge in Vorst in brand te steken.

Bij protestmanifestaties in Brussel ontstonden rellen waarbij auto- en winkelruiten werden vernield. Het geweld in ons land lijkt recht evenredig toe te nemen met het geweld in de Gazastrook.

Ik heb een reeks vragen voor de minister van Binnenlandse Zaken.

Weten de minister en de inlichtingendiensten welke organisaties of personen verantwoordelijk zijn voor de oproepen tot manifesteren, die ook per sms worden verstuurd? Is er een verband tussen de gewelddadige manifestaties in Antwerpen en Brussel? Zijn het dezelfde `organisatoren' die dergelijke ordeverstoringen organiseren?

Nemen de lokale besturen bij de aanvragen tot dergelijke manifestaties altijd contact op met de crisiscel van Binnenlandse Zaken? Brengen zij na een risicoanalyse advies uit? Zo ja, hoe luidde het voor de gevallen die ik aanhaalde? In hoeverre is dat advies bindend voor de lokale besturen?

Verleent de federale politie bijstand aan de lokale politie? Hoeveel manschappen werden in voorkomend geval tijdelijk naar de betrokken politiezones gedetacheerd? Werden nog andere middelen ter beschikking gesteld van de lokale besturen? Zo ja, welke?

Het is niet ondenkbaar dat in bepaalde extremistisch islamitische milieus wordt opgeroepen om rellen te veroorzaken of joodse doelwitten in ons land aan te vallen of te viseren. Heeft men daar aanwijzingen voor? Volgt de staatsveiligheid deze problematiek op de voet? Zijn er bij de inlichtingendiensten verscherpte maatregelen van kracht? Wordt er gecontroleerd wat in de bekende extremistische moskeeŽn wordt gepredikt?

Hoe staat de minister tegenover toekomstige aanvragen voor dergelijke manifestaties, gelet op het veiligheidsrisico dat eraan verbonden is?

Ik heb ook vragen voor de minister van Justitie.

Hoeveel personen werden in dit verband gearresteerd? Hoeveel personen werden effectief voorgeleid en/of aangehouden? Werden er ook minderjarige verdachten gearresteerd? Welk gevolg werd hieraan gegeven?

Worden deze misdrijven met enige prioriteit behandeld in de parketten?

Is er overleg tussen de parketten en de politiediensten naar aanleiding van de escalaties? Gaan de parketmagistraten mee op het terrein?

In de Vroegegroentenstraat in Vorst werd geprobeerd brand te stichten in een joodse synagoge. De daders spoten brandversnellers op de toegangspoort en probeerden zo brand te stichten. Toen de lokale politie ter plaatse de vaststellingen kwam doen, kreeg zij naar eigen zeggen van de parketmagistraat met wachtdienst te horen dat een kort verhoor van de conciŽrge en enkele foto's voldoende waren voor de vaststellingen en het onderzoek ter plaatse. Kan de minister dit bevestigen? Kon de parketmagistraat met dienst hier niet meer initiatieven nemen, bijvoorbeeld het gerechtelijke labo vorderen voor een degelijk sporenonderzoek?

De parketmagistraten van de gerechtelijke arrondissementen Antwerpen en Brussel treden blijkbaar op een verschillende manier op. Waar men in Antwerpen kort op de bal probeert te spelen, reageert men in Brussel veeleer op een lakse manier. Heeft de FOD Justitie richtlijnen rondgestuurd om het beleid van de parketten ter zake op elkaar af te stemmen?

De heer Guido De Padt, minister van Binnenlandse Zaken. - Ik heb op 4 januari een werkvergadering belegd met de directeur-generaal van OCAD en de directeur-generaal van het crisiscentrum. Ik heb mij door hen laten informeren over het niveau van de dreiging en de maatregelen die al zijn genomen. Dat gaf mij onmiddellijk een goed beeld van de mogelijke weerslag van de gebeurtenissen in de Gazastrook op ons land, in het bijzonder op Antwerpen, Brussel en Ukkel.

De verzenders van de sms-oproepen tot manifesteren kunnen niet worden opgespoord. Daar is trouwens geen wettelijke grond voor. Meestal worden mobiele telefoons met betaalkaarten gebruikt of worden de oproepen via het internet verspreid. De politie- en inlichtingendiensten hebben geen aanwijzingen dat het altijd dezelfde personen of organisaties zijn die oproepen tot gewelddadige manifestaties in Brussel en Antwerpen. Er zou dus geen verband zijn tussen de gebeurtenissen in die twee steden.

Het crisiscentrum is op de hoogte van de aanvragen tot manifestaties. Het centrum onderhoudt hierover goede contacten met de lokale besturen. Ik heb de burgemeesters van Brussel en Antwerpen trouwens persoonlijk meegedeeld dat ik met de directeurs-generaal van OCAD en het crisiscentrum heb vergaderd en dat ze steeds op ons een beroep kunnen doen.

Op 6 januari jongstleden heeft ook een coŲrdinatievergadering plaatsgevonden over de weerslag van het IsraŽlisch-Palestijns conflict op BelgiŽ. Die vergadering werd ook bijgewoond door vertegenwoordigers van de lokale politiediensten van Antwerpen en Brussel en van de inlichtingendiensten. We hebben een risicoanalyse gemaakt op basis van de beschikbare elementen.

De federale politie verleent altijd bijstand aan de lokale politie als die met een capaciteitstekort kampt. Die regel geldt ook in normale omstandigheden. Voor de huidige problemen houdt de federale politie bovendien nog 100 agenten extra ter beschikking en dat 24 uur op 24. Zij kunnen waar nodig onmiddellijk worden ingezet. Naast manschappen stelt de federale politie, op vraag van de lokale politie, ook materieel ter beschikking dat kan worden ingezet om de openbare orde te handhaven, bijvoorbeeld een waterkanon en een helikopter.

De minister van Justitie meldt mij dat er tot op heden geen aanwijzingen zijn dat het IsraŽlisch-Palestijns conflict naar BelgiŽ wordt getransponeerd. Het is echter niet uit te sluiten dat heethoofden in de beide bevolkingsgroepen zich geroepen voelen om individuele acties te ondernemen of op te roepen tot manifestaties.

De lokale overheden moeten oordelen over de aanvragen tot manifestaties. De burgemeester moet dus bij elke aanvraag tot betoging onderzoeken welke risico's er zijn voor de openbare orde en of er al dan niet toestemming kan worden gegeven.

Voorts meldt de minister van Justitie mij dat de pogingen tot manifestaties in Brussel aanleiding hebben gegeven tot een administratief-politieel optreden. Er zijn geen gerechtelijke arrestaties of voorleidingen geweest.

Het openbaar ministerie is voor het overige waakzaam en pleegt overleg met de politiediensten met het oog op het verlenen van de nodige bijstand en het vervullen van zijn wettelijke taak.

Indien de omstandigheden van een manifestatie en meer in het bijzonder de risico-inschatting het vereisen, is er een uitgebreide vertegenwoordiging van het openbaar ministerie in de crisiscel.

Op 5 januari 2009 was er een poging tot brandstichting aan de synagoge in de Vroegegroentenstraat in Vorst. Er werd een kleine hoeveelheid van een onbekend product op de metalen toegangspoort gegooid en daarna werd geprobeerd de poort in brand te steken. De toegangspoort is zwartgeblakerd, maar vertoont geen andere beschadiging. Het onderzoek loopt, maar er zijn nog geen aanwijzingen dat die feiten verband houden met het conflict in Gaza.

Mevrouw Anke Van dermeersch (VB). - Op 31 december hadden de eerste demonstraties in Antwerpen plaats, maar de minister is pas op 4 januari in actie geschoten.

Ik heb enkele bijkomende vragen voor de minister van Binnenlandse Zaken.

Waren de inlichtingendiensten al vroeger op de hoogte? Hebben ze de minister geÔnformeerd teneinde een zicht te krijgen op de situatie die in Antwerpen echt wel explosief was? Het antwoord op die vragen is belangrijk om te weten of de inlichtingendiensten inderdaad over inlichtingen beschikken.

Heeft het gemeentebestuur van Antwerpen contact opgenomen met de crisiscel Binnenlandse Zaken? Heeft die cel het probleem vooraf ingeschat, gelet op de gespannen situatie in mijn stad? Zo ja, welke bijstand werd precies gevraagd?

Ik heb geen antwoord gekregen op mijn vraag of de inlichtingendiensten controleren wat in de bekende extremistische moskeeŽn wordt gepredikt. Houdt een afdeling van de inlichtingendiensten zich hiermee bezig? Zijn er medewerkers die de taal machtig zijn en begrijpen wat wordt gepredikt? Wordt er effectief gecontroleerd?

Ook het antwoord van de minister van Justitie doet bijkomende vragen rijzen.

Worden de gepleegde misdrijven prioritair behandeld? Is er een prioriteitenlijst? Ik veronderstel dat niet werd overgegaan tot gerechtelijke arrestaties omdat men de daders voorlopig nog niet kent en het gerechtelijke onderzoek moet worden afgewacht. Voor brandstichting bij nacht kan men in ieder geval wel worden aangehouden. Het is dus belangrijk dat hier kort op de bal wordt gespeeld. Ik herhaal dan ook mijn vraag waarom het gerechtelijk labo niet werd ingeschakeld voor dergelijke incidenten die symbolisch zijn voor een maatschappelijk probleem van samenleven. Het departement Justitie moet laten weten dat deze zaak ernstig wordt genomen en alle mogelijke onderzoeksmiddelen vorderen, onder meer het sporenonderzoek.

De heer Guido De Padt, minister van Binnenlandse Zaken. - Het crisiscentrum en de politiediensten werken niet alleen als ze daartoe een signaal krijgen van de minister van Binnenlandse Zaken, maar zijn altijd alert. Dat was niet anders op 31 december en 1 januari.

Na kennis te hebben genomen van de feiten heb ik op zondagochtend de burgemeester van de betrokken gemeenten gevraagd me in te lichten over de stand van zaken. Gisteren nog heb ik de burgemeester van Brussel ontmoet en contact opgenomen met Patrick Janssens, de burgemeester van Antwerpen. Ik heb in mijn kabinet bovendien de voorzitter van de Senaat ontvangen in zijn hoedanigheid van burgemeester van Ukkel, wat toch aangeeft dat we met deze problematiek constant bezig zijn en dat we permanent een dreigingsanalyse maken. Ik heb vernomen dat er geen enkele reden is om aan te nemen dat er op dit ogenblik in ons land enige terroristische dreiging is.

Ook dat is belangrijk voor de bevolking.

Gisterochtend hebben we in het crisiscentrum 2,5 uur vergaderd met alle betrokken partijen, namelijk de politie en de DirCo van Antwerpen en Brussel en de directeur-generaal van het crisiscentrum, om een update en een analyse van de situatie te maken.

Wat de gerechtelijke kant van de zaak betreft, doen politie en gerecht natuurlijk hun werk en worden alle onderzoeken gedaan die nodig zijn om de daders van de criminele feiten te vatten. Dat is evident. Inlichtingen over deze concrete dossiers kunnen en mogen we echter niet geven.

Mevrouw Anke Van dermeersch (VB). - En hoe zit het met de moskeeŽn?

De heer Guido De Padt, minister van Binnenlandse Zaken. - We zijn bezig met het opstellen van een lijst van alle mogelijke belangen die bedreigd kunnen zijn. Ik denk daarbij onder andere aan moskeeŽn en joodse scholen. Daarbij wordt ook bepaald op welke plaatsen in geval van dreiging prioritair voor bewaking moet worden gezorgd. We kunnen nu eenmaal niet alle belangen 24 uur op 24 bewaken.

Mondelinge vraag van mevrouw Martine Taelman aan de minister van Justitie over ęde nieuwe wapenwet en de vernietiging van de ingeleverde wapensĽ (nr. 4-552)

Mevrouw Martine Taelman (Open Vld). - In juni 2006 werd de nieuwe wapenwet van kracht en ze werd intussen ook al aangepast.

Mensen die geen sportschuttersvergunning, jachtverlof of beroepsschuttersvergunning hadden - en die ook niet op korte termijn wilden behalen - moesten hun wapens bij de lokale politie inleveren. Wie dat niet deed, riskeert zware straffen en boetes wegens illegaal wapenbezit. Een circulaire uit juni 2006 regelde de te volgen procedure door de politiediensten. De wapens konden naamloos worden ingeleverd, maar moesten worden geregistreerd. Nadien werden de ingeleverde wapens per provincie verzameld om in Gent en Luik vernietigd te worden.

Er zou nu blijken dat er verschillende wapens door de mazen van het net zijn geglipt en niet ter vernietiging zijn aangeboden.

Vandaar mijn vragen aan de minister.

Klopt het dat er - zoals de media melden - verschillende gerechtelijke onderzoeken zijn opgestart wegens onregelmatigheden bij lokale politiediensten? Zo ja, in welke gerechtelijke arrondissementen? Of is het een probleem dat overal te lande kan worden vastgesteld?

Zijn er statistieken bijgehouden van het aantal ingeleverde versus het aantal vernietigde wapens? Zo ja, zijn er discrepanties en hoe groot zijn die? Zo neen, waarom werd dat aspect niet gecontroleerd?

Werden er in de zones of per provincie steekproeven gedaan of controles uitgevoerd op de correcte uitvoering van de procedure van vernietiging en registratie?

Nu de amnestieperiode voorbij is en men wapens niet meer naamloos kan inleveren, worden er uiteraard nog altijd wapens in beslag genomen die moeten worden vernietigd. Is de procedure waterdicht? Zo niet, wordt ze herbekeken?

Een van de problemen destijds was de onbetrouwbaarheid van het centraal wapenregister. Zijn er inmiddels initiatieven genomen om het te updaten?

De heer Stefaan De Clerck, minister van Justitie. - Het is mij een genoegen opnieuw in de Senaat te komen. Ik groet de voorzitter en de senatoren en wens hen een gelukkig nieuwjaar.

(Applaus)

De nieuwe wapenwet bepaalt inderdaad dat wapens die werden afgestaan omdat hun eigenaar geen vergunning kon of wenste te verkrijgen, door de lokale politiediensten moesten worden ingezameld om ze te laten vernietigen bij ArcelorMittal, dat hiervoor zijn vriendelijke medewerking verleende. Op deze regel bestond maar ťťn uitzondering: zeldzame en didactisch interessante exemplaren mochten aan openbare musea en aan politiescholen worden geschonken.

Er deden in het verleden al geruchten de ronde dat sommige politieambtenaren van hun positie misbruik hebben gemaakt om ingeleverde wapens voor zichzelf of voor verkoop aan derden - zowel getipte particulieren als wapenhandelaars - achter te houden. Dat is uiteraard een misdrijf en tevens een onaanvaardbare en zware beroepsfout, zeker in hoofde van politieambtenaren die moeten toezien op de naleving van de wet. Hiermee wordt de reputatie en de geloofwaardigheid van de politie als geheel besmeurd, maar ook de wet zelf komt daarmee in het gedrang. Wanneer nog meer aanwijzingen van achterhouding worden gevonden, moet uiteraard ook mijn collega van Binnenlandse Zaken de politieambtenaren ter verantwoording roepen.

Ik benadruk dat de onderzoeken die nu zijn opgestart, slechts een kleine minderheid van de politiezones in dit land betreffen. Het overgrote deel van de politieambtenaren vervult zijn taak op een verantwoordelijke manier en te goeder trouw. Het probleem situeert zich bij een klein aantal zones, verspreid over het hele land, waar politieambtenaren die zich met wapens bezighouden, onvoldoende verantwoordelijk handelen en hun privťbelangen laten voorgaan. In veel gevallen gaat het om wapenkenners, die echter door een te grote liefde voor wapens in de verleiding komen over de schreef te gaan. Er zijn inderdaad cijfers bijgehouden over de aantallen ingeleverde en vernietigde wapens, maar die zijn hier van weinig nut. Het laten verdwijnen van sommige wapens gebeurde immers door ze van bij de ontvangst niet in te schrijven en geen ontvangstbewijs af te geven, soms met akkoord van de eigenaar. Zo zijn er geen sporen. Ik ben er niet van op de hoogte of er ook steekproeven werden gedaan.

De inzameling van de te vernietigen wapens, die nog op kleine schaal doorgaat, was in principe een goede procedure. Een rechtsstaat moet vertrouwen op zijn politiediensten. Jammer genoeg bevatten die grote organisaties soms ook minder betrouwbare leden, tegen wie nu wordt opgetreden. Ik heb evenwel het volste vertrouwen in de gerechtelijke diensten, die op het ogenblik de nodige onderzoeken voeren naar de laakbare praktijken van enkele personen.

Ik beschik niet over de cijfers en plaatsen van deze praktijken, waar mevrouw Taelman naar vroeg. Op het ogenblik spreekt men alleen over bepaalde personen in bepaalde arrondissementen, beperkt in aantal maar wel gespreid over het hele land.

Wat ten slotte het centraal wapenregister betreft, moet ik meedelen dat dit nog niet op punt staat of behoorlijk functioneert. Dit werd ook aangetoond door het Comitť P. Er wordt al jaren gewerkt aan een nieuwe databank met performante informatica. Daarnaast moet van de herregistratie van alle wapens die nu gebeurt, gebruik gemaakt worden om de bestaande fouten uit de gegevens te halen. Het centraal wapenregister is evenwel een onderdeel van de federale politie en valt dan ook onder de bevoegdheid van de minister van Binnenlandse Zaken.

Mevrouw Martine Taelman (Open Vld). - Kan de minister zeggen wanneer het centraal wapenregister up-to-date zal zijn?

De heer Stefaan De Clerck, minister van Justitie. - Ik kan nog geen timing voorleggen. Bij mijn aantreden als minister van Justitie en mijn kennismaking met de politiediensten en het departement Binnenlandse Zaken ben ik begonnen met de opstelling van de lijst van de prioritaire dossiers inzake informatisering. Het strafregister en wapenregister behoren tot de prioritaire dossiers. Ik kan echter nog geen datum voor een updating in het vooruitzicht stellen.

Vraag om uitleg van de heer Pol Van Den Driessche aan de vice-eersteminister en minister van FinanciŽn en Institutionele Hervormingen over ęde bestemming van de oude rijkswachtkazerne in BruggeĽ (nr. 4-624)

De voorzitter. - De heer Bernard Clerfayt, staatssecretaris voor de Modernisering van de Federale Overheidsdienst FinanciŽn, de Milieufiscaliteit en de Bestrijding van de fiscale fraude, toegevoegd aan de minister van FinanciŽn, antwoordt.

De heer Pol Van Den Driessche (CD&V). - De oude rijkswachtkazerne aan de Predikherenrei in Brugge staat al enkele jaren leeg. Diverse plannen werden gelanceerd, maar niet een ervan werd tot op heden uitgevoerd.

De site is gelegen in het centrum van Brugge, op een plaats waar er een acuut parkeerprobleem is. Het stadsbestuur van Brugge plant op deze site een ondergrondse parking voor 200 voertuigen. Ook de handelaars uit de buurt zijn hier vragende partij voor. Daarnaast zijn er ook plannen om op de site een nieuw gebouw voor het Rijksarchief Brugge te bouwen. Dat is geen overbodige luxe, want de huidige behuizing is echt te klein. Een nieuw en aangepast gebouw kan de nood aan betere huisvesting voor het Rijksarchief oplossen.

De plannen kunnen rekenen op de goedkeuring van het Brugse stadsbestuur, maar het project kreeg een negatief advies van de Inspectie van FinanciŽn.

Volgt de minister de plannen om op die site een ondergrondse parking en een nieuw gebouw voor het Rijksarchief te bouwen?

Wat zijn de redenen van het negatief advies van de Inspectie van FinanciŽn?

Welke voorstellen heeft de minister om op deze site op korte termijn iets te realiseren?

De heer Bernard Clerfayt, staatssecretaris voor de Modernisering van de Federale Overheidsdienst FinanciŽn, de Milieufiscaliteit en de Bestrijding van de fiscale fraude, toegevoegd aan de minister van FinanciŽn. - Ik lees het antwoord van minister Reynders.

Mijn medewerkers en ik volgend dit project voor de renovatie van het federale onroerende patrimonium en voor een nuttige herbestemming van een historisch waardevol gebouw van nabij.

De Regie der Gebouwen heeft een aanbesteding uitgeschreven voor de studie, de bouw en de financiering van het Rijksarchief en de bouw van een ondergrondse parking. De Inspectie van FinanciŽn meent dat de prijs van de offerte die op grond van de bovenvermelde procedure als beste offerte wordt voorgesteld, te hoog is. Aangezien de aanbestedingsprocedure nog loopt, moet de nodige voorzichtigheid aan de dag worden gelegd bij het verstrekken van informatie over dit project.

Het Rijksarchief te Brugge heeft dringend nood aan een nieuw onderkomen. De Ministerraad heeft zich eerder al akkoord verklaard voor die nieuwe huisvesting op de vermelde site. De bouw kan snel beginnen indien de thans lopende aanbestedingsprocedure tot gunning van het project leidt. Daarom heeft de minister van FinanciŽn bij de minister van Begroting een beroep ingesteld tegen het negatieve advies van de Inspectie van FinanciŽn. Indien een nieuwe aanbestedingsprocedure moet worden uitgeschreven zal dit ongetwijfeld leiden tot een aanzienlijke vertraging van het project.

De heer Pol Van Den Driessche (CD&V). - Ik begrijp dat procedures moeten worden gevolgd, maar er moet dringend iets gebeuren met de site. De noden zijn groot. Ik hoop dat het project niet op de lange baan wordt geschoven.

Vraag om uitleg van de heer Louis Ide aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over ęde functies van algemeen directeur en adjunct-algemeen directeur van het Federaal Kenniscentrum voor GezondheidszorgĽ (nr. 4-626)

De voorzitter. - De heer Bernard Clerfayt, staatssecretaris voor de Modernisering van de Federale Overheidsdienst FinanciŽn, de Milieufiscaliteit en de Bestrijding van de fiscale fraude, toegevoegd aan de minister van FinanciŽn, antwoordt.

De heer Louis Ide (Onafhankelijke). - De programmawet van 24 december 2002 bevatte de oprichting van het Kenniscentrum, een organisatie die tot doel heeft om allerhande gegevens in verband met de gezondheidszorg te verzamelen teneinde de gezondheidszorg verder te kunnen optimaliseren.

De programmawet bevatte ook allerhande artikelen om de oprichting en de werking van dat Kenniscentrum te regelen. In artikel 270 lezen we bijvoorbeeld hoe de raad van bestuur eruit ziet en in artikel 271 alle bepalingen in verband met het personeel. In dat artikel staat dat de algemeen directeur en adjunct-algemeen directeur de leiding hebben over het Kenniscentrum en dat beiden behoren tot een verschillende taalrol. Op dit moment zijn dit respectievelijk Jean-Pierre Closon en Gert Peeters. Hetzelfde artikel bepaalt dat die mandaten voor 6 jaar vastliggen. Onlangs nam dokter Ramaekers ontslag als algemeen directeur. Tot op heden is de heer Closon waarnemend algemeen directeur.

Daarom had ik van de minister graag vernomen of de functie van directeur van het Kenniscentrum al is vacant verklaard? Aan welke vereisten moet de kandidaat voldoen? Moet de directeur van het Kenniscentrum een arts zijn? Wanneer wordt de procedure afgerond?

De heer Bernard Clerfayt, staatssecretaris voor de Modernisering van de Federale Overheidsdienst FinanciŽn, de Milieufiscaliteit en de Bestrijding van de fiscale fraude, toegevoegd aan de minister van FinanciŽn. - Ik lees het antwoord van minister Onkelinx.

Na het vertrek van de heer Dirk Ramaekers op 1 juli 2008 heeft minister Onkelinx aan de minister van Ambtenarenzaken gevraagd om zo snel mogelijk te starten met de procedure om de algemeen directeur van het Federaal Kenniscentrum te vervangen. Die procedure kon echter niet meer vůůr het einde van 2008 worden gestart.

De kandidaat moet voldoen aan volgende vereisten: houder zijn van een functie van niveau 1 of kunnen deelnemen aan een vergelijkende selectie voor een functie van niveau 1; beschikken over het diploma van arts; beschikken over nuttige professionele ervaring in de expertisedomeinen van het Federaal Kenniscentrum of over managementervaring.

Artikel 5 van het koninklijk besluit van 20 februari 2003 houdende de aanduiding en de uitoefening van de managementfuncties bij het Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg bepaalt uitdrukkelijk: `Voor deelname aan de selectie van algemeen directeur dient men te beschikken over het diploma van arts.'

SELOR zou de procedure in de loop van de komende weken lanceren en we hopen dat ze voor de zomer kan worden afgerond.

Vraag om uitleg van de heer Louis Ide aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over ęhet discrete overleg omtrent de numerus claususĽ (nr. 4-627)

De voorzitter. - De heer Bernard Clerfayt, staatssecretaris voor de Modernisering van de Federale Overheidsdienst FinanciŽn, de Milieufiscaliteit en de Bestrijding van de fiscale fraude, toegevoegd aan de minister van FinanciŽn, antwoordt.

De heer Louis Ide (Onafhankelijke). - Op 27 november 2008 stelde ik al een vraag omtrent het discrete overleg over de numerus clausus, een overleg dat volgens Artsenkrant drie weken zou duren. De minister antwoordde dat minister Simonet van de Franse Gemeenschap contact met haar had opgenomen over de numerus clausus. De minister verwees toen ook naar de planningscommissie, waarin alle vertegenwoordigers samen zouden moeten zitten om een adequate planning uit te werken.

Nu we enkele weken verder zijn, had ik graag van de minister vernomen of ze aanwezig was op het overleg dat op initiatief van mevrouw Simonet heeft plaatsgevonden? Wie waren allemaal aanwezig op de vergaderingen? Wie vertegenwoordigde welke organisatie? Betrof het uitsluitend Franstalige vertegenwoordigers? Was de FEF aanwezig? Was de VVS aanwezig?

Was het VGSO aanwezig? Was de studentenkoepel van de Vlaamse universiteiten aanwezig?

Is het mogelijk om het VGSO een vertegenwoordiging met stemrecht te verlenen in de planningscommissie zelf en niet alleen in de werkgroep, aangezien die vereniging in het veld staat?

De heer Bernard Clerfayt, staatssecretaris voor de Modernisering van de Federale Overheidsdienst FinanciŽn, de Milieufiscaliteit en de Bestrijding van de fiscale fraude, toegevoegd aan de minister van FinanciŽn. - De vergadering waarnaar u verwijst, werd bijeengeroepen en georganiseerd door minister Simonet, die in de Franse Gemeenschap bevoegd is voor hoger onderwijs. Op die vergadering, waaraan noch ik, noch minister Simonet konden deelnemen, waren twee van mijn medewerkers, twee leden van het kabinet van mevrouw Simonet en een lid van het kabinet van de minister-president van de Franse gemeenschap aanwezig.

Op vraag van mevrouw Simonet hebben mijn medewerkers herinnerd aan de inhoud van het laatste besluit betreffende de medische planning en de staat van voortgang van het kadaster van de gezondheidswerkers. Het kadaster boekte de afgelopen maanden een flinke vooruitgang en via terreinstudies wordt nu verder de informatie ingewonnen die nodig is voor een serene en objectieve discussie inzake de planning. Voor de huisartsen en de tandartsen zullen in maart concrete resultaten bekend zijn. Er zijn ook studies over de diverse specialisaties.

De medewerkers van mevrouw Simonet deelden mee dat ze de rectoren en de decanen van de faculteiten geneeskunde van de Franstalige universiteiten ontmoet hebben, evenals vertegenwoordigers van de studenten, vertegenwoordigers van de sector van het medisch onderzoek en leidinggevenden van verschillende sectoren van de preventiegeneeskunde. Een aantal gesprekspartners zeiden ongerust te zijn wegens de tekorten in bepaalde sectoren.

Op basis hiervan stelde minister Simonet een rapport op inzake de numerus clausus, bestemd voor de regering van de Franse Gemeenschap. Zelf blijf ik de voorkeur geven aan een dialoog met de actoren op het terrein en met de vertegenwoordigers van de twee gemeenschappen.

De vakbondsvertegenwoordiging in de planningcommissie moet voldoen aan de gewone vereisten, namelijk leden hebben die huisartsen en specialisten zijn. Bij het VGSO is dat niet het geval. Die vereniging vertegenwoordigt vooral de huisartsen. Mijn medewerkers staan uiteraard open voor een dialoog met de vertegenwoordigers van het VGSO, zodat de specificiteit van deze vereniging in de planningcommissie aan bod kan komen.

De heer Louis Ide (Onafhankelijke). - De minister moet weten dat ik het hier over het VGSO heb en niet over het SVH. Uit het antwoord maak ik op dat de minister denkt dat ik doel op het Syndicaat van Vlaamse Huisartsen, die alleen huisartsen groepeert.

Ik wens dat het VGSO, de Vlaamse Vereniging van de studenten geneeskunde, bij het overleg van de planningscommissie betrokken wordt. Ik vraag dat omdat de VVS, de Vlaamse Vereniging van Studenten, die alle studenten in Vlaanderen verenigt, niet meer gedragen wordt door alle subgeledingen van de studentenbeweging. Het VGSO heeft een andere visie op de numerus clausus dan de VVS, die niet meer representatief is.

Tevens hoop ik dat mevrouw Onkelinx contact houdt met de twee gemeenschappen, ook wat de invulling van de verschillende specialiteiten betreft.

De heer Bernard Clerfayt, staatssecretaris voor de Modernisering van de Federale Overheidsdienst FinanciŽn, de Milieufiscaliteit en de Bestrijding van de fiscale fraude, toegevoegd aan de minister van FinanciŽn. - Ik zal uw rechtzetting aan de minister doorgeven. Haar kabinet staat open voor elke dialoog met vertegenwoordigers van studenten en huisartsen.

Vraag om uitleg van de heer Louis Ide aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over ęeen hogere terugbetaling voor witte tandvullingenĽ (nr. 4-628)

De voorzitter. - De heer Bernard Clerfayt, staatssecretaris voor de Modernisering van de Federale Overheidsdienst FinanciŽn, de Milieufiscaliteit en de Bestrijding van de fiscale fraude, toegevoegd aan de minister van FinanciŽn antwoordt.

De heer Louis Ide (Onafhankelijke). - Tandartsen kunnen bij het vullen van een gaatje in een tand kiezen tussen een witte of een grijze vulling. Als men het gezondheidsaspect prioritair in rekening neemt, is voor de patiŽnt en voor het milieu een witte vulling beter dan een grijze. Een grijze vulling bevat immers kwik.

Voor witte vullingen is er echter geen apart nomenclatuurnummer. Dat is jammer, want nu moeten tandartsen steeds op het briefje schrijven dat ze een meerprijs aanrekenen wegens de hoge kostprijs van de witte vulling. Ze rekenen de meerprijs terecht aan.

Een apart nomenclatuurnummer, aangepast aan de gebruikte stoffen, met terugbetaling voor de patiŽnt zou soelaas bieden. De patiŽnt betaalt niet nodeloos te veel en voor de tandarts is het een vereenvoudiging.

Is de minister zich bewust van de problematiek?

Kan de minister zich vinden in de idee van een apart nomenclatuurnummer aangepast aan de gebruikte stoffen en met passende terugbetaling voor de patiŽnt?

Is de minister zinnens hieromtrent een initiatief te nemen?

De heer Bernard Clerfayt, staatssecretaris voor de Modernisering van de Federale Overheidsdienst FinanciŽn, de Milieufiscaliteit en de Bestrijding van de fiscale fraude, toegevoegd aan de minister van FinanciŽn. - Ik lees het antwoord van minister Onkelinx.

Ik ben op de hoogte van de problematiek inzake de veiligheid van het gebruik van amalgaam bij tandvullingen. De discussies hieromtrent op het niveau van de Europese Raad werden opgevolgd en ik heb kennis genomen van het verslag van het wetenschappelijk comitť SCENIHR dat daarover werd opgesteld.

In samenspraak met de partners binnen de Nationale Commissie Tandheelkundigen-Ziekenfondsen werden de nodige stappen gedaan om vanuit de verplichte ziekteverzekering in een bijkomende vergoeding te voorzien voor de adhesieve technieken, die de zogenaamde witte vullingen opleveren.

Sinds 1 juli 2008 wordt er immers via een nieuw nomenclatuurnummer in een bijkomend honorarium voorzien voor het gebruik van adhesieve technieken bij vullingen en/of kroonopbouwen op blijvende tanden. Die bijkomende vergoeding wordt ook voorzien omdat deze techniek een minder invasieve werkwijze in de conserverende verzorging mogelijk maakt en er aldus toe bijdraagt dat het natuurlijke gebit van de patiŽnt langer kan behouden blijven.

De heer Louis Ide (Onafhankelijke). - Ik heb begrepen dat het nieuwe nomenclatuurnummer dus ook kan worden aangewend voor de gewone conserverende tandheelkunde.

Vraag om uitleg van de heer Patrik Vankrunkelsven aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over ęde stijging van het aantal rokersĽ (nr. 4-635)

De voorzitter. - De heer Bernard Clerfayt, staatssecretaris voor de Modernisering van de Federale Overheidsdienst FinanciŽn, de Milieufiscaliteit en de Bestrijding van de fiscale fraude, toegevoegd aan de minister van FinanciŽn antwoordt.

De heer Patrik Vankrunkelsven (Open Vld). - Uit een enquÍte, gehouden in opdracht van de Stichting tegen Kanker en gefinancierd door de FOD Volksgezondheid, blijkt dat het aantal dagelijkse rokers in ons land significant stijgt. Waar het in 2007 nog 27% betrof, was het in 2008 30%.

De stijging is volgens deskundigen geen toeval. In 2008 werd immers geen accijnsverhoging op tabaksproducten doorgevoerd. Ook blijven nieuwe maatregelen, zoals een rookverbod in cafťs, uit.

Uit dezelfde enquÍte blijkt dat 70% van de ondervraagden voorstander is van het vermelden van het nummer van de Tabak Stop Lijn op alle sigarettenpakjes.

Is de minister bereid om, in overleg met haar collega's, de informatie op de sigarettenpakjes uit te breiden met het nummer en het webadres van de Tabak Stop Lijn?

Is de minister van plan om, na overleg met haar collega's, in 2009 de accijnzen op tabaksproducten opnieuw te verhogen?

Het rookverbod, dat nu geldt voor restaurants, sportkantines en andere openbare plaatsen, geldt niet voor cafťs. Is de minister zich ervan bewust dat die onduidelijke regelgeving mogelijk ook een oorzaak zou kunnen zijn van het stijgend aantal rokers en is zij van plan om dat in de toekomst te verhelpen?

De heer Bernard Clerfayt, staatssecretaris voor de Modernisering van de Federale Overheidsdienst FinanciŽn, de Milieufiscaliteit en de Bestrijding van de fiscale fraude, toegevoegd aan de minister van FinanciŽn. - Ik lees het antwoord van minister Onkelinx.

Wat de wetgeving inzake de etikettering van tabaksproducten betreft, heb ik mijn administratie opdracht gegeven om een aantal wijzigingen uit te werken. Waarschuwingen, waarbij een foto of een illustratie wordt gecombineerd met een tekst, zullen binnenkort ook verplicht worden voor pakjes roltabak en er wordt een rotatiesysteem van de drie beschikbare reeksen gecombineerde waarschuwingen ingevoerd. Het nummer van de Tabak Stop Lijn zal worden ingelast in de 42 beschikbare gecombineerde waarschuwingen zodat het steeds vermeld zal zijn op alle pakjes sigaretten en roltabak. De nieuwe besluiten ter zake zijn momenteel in voorbereiding.

Taksen op tabaksproducten behoren tot de bevoegdheid van de minister van FinanciŽn. Ik pleit er echter voor dat zijn administratie in het fiscaal beleid betreffende tabaksproducten rekening zou houden met volksgezondheidscriteria en dat mijn administratie van Volksgezondheid zou worden geraadpleegd wanneer er een beslissing wordt genomen in die materie. Het is immers bewezen dat de prijs van tabaksproducten doorslaggevend is om het verbruik ervan te doen dalen.

Een wetsvoorstel van 4 februari 2008 betreffende een algemeen rookverbod in gesloten plaatsen toegankelijk voor het publiek en ter bescherming van werknemers tegen tabaksrook werd bij de Kamer ingediend. Het is in dit kader dat de administratie, het middenveld en de economische actoren in mei werden gehoord in de Gemengde Commissie Volksgezondheid.

Op basis van hun evaluatie van de naleving van het rookverbod in de horeca en rekening houdend met de volksgezondheid, heeft de FOD Volksgezondheid zich bij die gelegenheid uitgesproken voor de invoering van een algemeen rookverbod in openbare plaatsen en voor een harmonisering van de regels.

De werkzaamheden werden dus aangevat in de Commissie Volksgezondheid en zullen in voorkomend geval worden voortgezet in de Senaat.

De heer Patrik Vankrunkelsven (Open Vld). - Het antwoord op de eerste twee vragen was duidelijk. Wat de derde vraag betreft, had ik graag het standpunt vernomen van de minister of van de regering.

De heer Bernard Clerfayt, staatssecretaris voor de Modernisering van de Federale Overheidsdienst FinanciŽn, de Milieufiscaliteit en de Bestrijding van de fiscale fraude, toegevoegd aan de minister van FinanciŽn. - In het antwoord wordt wel vermeld dat de FOD Volksgezondheid te vinden is voor een algemeen rookverbod in alle openbare plaatsen.

Vraag om uitleg van de heer Patrik Vankrunkelsven aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over ęhuisartsen in opleidingĽ (nr. 4-639)

De voorzitter. - De heer Bernard Clerfayt, staatssecretaris voor de Modernisering van de Federale Overheidsdienst FinanciŽn, de Milieufiscaliteit en de Bestrijding van de fiscale fraude, toegevoegd aan de minister van FinanciŽn, antwoordt.

De heer Patrik Vankrunkelsven (Open Vld). - In het verleden heb ik al aangedrongen op een beter statuut voor huisartsen in opleiding, de vroegere hibo's, nu haio's.

In een vorige vraag kondigde de minister aan dat ze het koninklijk besluit, dat normaal op 1 juli 2008 in werking moest treden, zou uitstellen tot uiterlijk 1 juli 2009. De wijziging moest toen wel nog voorgelegd worden aan de Ministerraad.

Wat is de stand van zaken in dit dossier en wanneer zal het besluit in werking treden?

De heer Bernard Clerfayt, staatssecretaris voor de Modernisering van de Federale Overheidsdienst FinanciŽn, de Milieufiscaliteit en de Bestrijding van de fiscale fraude, toegevoegd aan de minister van FinanciŽn. - Ik lees het antwoord van minister Laurette Onkelinx.

Ik bevestig dat het nieuwe statuut voor de huisartsen in opleiding in werking zou moeten treden op 1 juli 2009.

In 2008 werden talrijke overlegvergaderingen georganiseerd met de vertegenwoordigers van de stagemeesters, de huisartsen in opleiding, de departementen huisartsengeneeskunde en de artsensyndicaten.

Het statuut zal uit twee delen bestaan: een statuut van loontrekkende, gelijk aan dat van de specialisten in opleiding in de ziekenhuizen, met sociale bescherming inzake kinderbijslag, ziekte- en zwangerschapsverlof, en de mogelijkheid een statuut van zelfstandige in bijberoep aan te vragen, waarmee de wachtdienstprestaties die meer bedragen dan de wettelijk verplichte 120 uur, gedekt worden. Het statuut zal eveneens een kader omvatten dat de uurroosters en het aantal patiŽntencontacten definieert.

De nodige budgetten werden vrijgemaakt en de uitvoeringsbesluiten worden nu uitgewerkt door het RIZIV en de FOD. Op 16 januari eerstkomend is een coŲrdinatievergadering gepland. De teksten zullen daarna worden voorgelegd aan de Ministerraad en vervolgens aan de Raad van State.

De Nederlandstalige interuniversitaire vzw die de uitvoering van het nieuwe statuut zal coŲrdineren is reeds opgericht en de statuten van de Franstalige vzw zijn eveneens klaar.

(Voorzitter: de heer Armand De Decker.)

Vraag om uitleg van mevrouw Lieve Van Ermen aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over ęde wantoestanden waarmee kandidaat-specialisten geconfronteerd wordenĽ (nr. 4-636)

De voorzitter. - De heer Bernard Clerfayt, staatssecretaris voor de Modernisering van de Federale Overheidsdienst FinanciŽn, de Milieufiscaliteit en de Bestrijding van de fiscale fraude, toegevoegd aan de minister van FinanciŽn, antwoordt.

Mevrouw Lieve Van Ermen (LDD). - Het onderwerp van mijn vraag ligt me na aan het hart omdat ik zelf lid ben van de Belgische vereniging specialisten cardiologen en van de Erkenningscommissie Cardiologie.

Sinds 1999 moet een deel van het universitair onderwijs gelijktijdig hebben plaatsgevonden met de opleiding van de eerste twee jaren. Sindsdien wordt de Vereniging voor Belgische Specialisten (VBS) steeds vaker geconsulteerd door kandidaat-specialisten die ten einde raad zijn omdat ze noch bij hun stagemeester(s) noch bij de administratie van de FOD Volksgezondheid gehoor vinden voor de problemen en wantoestanden waarmee ze worden geconfronteerd.

Een correcte toepassing van de bestaande erkenningscriteria en een correcte informatie van de kandidaat-specialisten zouden nochtans heel wat problemen kunnen voorkomen.

Samenvattend brengen we enkele belangrijke wettelijk vastgelegde basisprincipes in herinnering. We wijzen er meteen op dat alleen de federale overheid bevoegd is voor de erkenning van de beroepstitels.

De kandidaat-specialist is volkomen autonoom in de samenstelling van zijn stageplan dat hij ter goedkeuring voorlegt aan de erkenningscommissie van zijn specialisme.

De kandidaat-specialist kiest vrij de coŲrdinerende stagemeesters en stagediensten met wie hij vůůr de aanvang van zijn opleiding een stageovereenkomst afsluit.

Het stageplan moet van bij de aanvang van de opleiding helemaal bepaald en ingevuld zijn. Noch de kandidaat-specialist noch de stagemeester kan eenzijdig de componenten van het erkende stageplan wijzigen.

De erkenning van de kandidaat-specialist gebeurt door de erkenningscommissie van het specialisme die paritair is samengesteld. De erkenningsaanvraag op het einde van de stages dient vergezeld te zijn van een attest dat aantoont dat de kandidaat met vrucht een specifieke universitaire opleiding heeft gevolgd tijdens zijn eerste twee opleidingsjaren. Dat attest moet worden afgeleverd zodra de kandidaat met vrucht het academisch onderricht heeft beŽindigd.

Sedert de `academisering' stelt men in het universitaire opleidingsmilieu een zekere neiging tot infantilisering vast van de geneesheer-specialist in opleiding (GSO), een mengeling van minimaliserende perceptie van de officiŽle regelgeving en dus ook van de rechten en plichten van de GSO, en van de behoefte om zelf regels in de eigen dienst, per specialisme, per faculteit en zelfs interuniversitair, te bepalen en de GSO te beschouwen als studentjes.

Er is dringend nood aan een daadwerkelijk Habeas corpus van de kandidaat-specialist. Dat veronderstelt dat de wettelijke regels correct worden toegepast en dat het academische onderricht enerzijds en de praktijkgerichte beroepsopleiding anderzijds duidelijk worden losgekoppeld. De kandidaat-specialist moet zijn recht op vrije keuze kunnen uitoefenen en hij moet het initiatief kunnen nemen om naast het universitaire onderricht de praktijk, de technische routine en de trainingskwaliteit te verwerven die hij noodzakelijk acht.

Wat het theoretisch, academisch onderricht betreft, moet hij vrij een faculteit kunnen kiezen en zelfs van onderricht kunnen veranderen. Voor zijn beroepsopleiding moet de kandidaat-specialist volledig autonoom kunnen beslissen in welke erkende opleidingsdiensten binnen het volledige beschikbaar aanbod van stageplaatsen hij zijn stageplan wenst te implementeren. Dat stageplan moet hij autonoom kunnen opstellen voor zijn volledige opleiding.

Ik heb geen enkel bezwaar tegen de inrichting van academisch onderricht als onderdeel van de specialisatieopleiding. Wel ben ik gekant tegen een `academisering' die gebruikt wordt om de wettelijke waarborgen ter bescherming van de GSO tot niets te herleiden en het beroepsgerichte aandeel aan te tasten. De overheid zou ernstig moeten overwegen om de academische impact op de specialisatieopleidingen in te perken. Ze zou best twee keer nadenken over wat vandaag gebeurt. Er mag niet worden geraakt aan de rechten van de GSO! Van een gelegaliseerde versie van allerhande praktijken die uit de `academisering' zijn gegroeid kan geen sprake zijn!

In een recente publicatie van het Verbond van Belgische Geneesheren Specialisten wordt uitvoerig toegelicht wat verkeerd loopt. De rechtspositie van de GSO wordt dikwijls gereduceerd tot die van een studentje dat gedwongen wordt om tot na zijn dertigste adolescent te blijven in een relatie van `slaafje-patroon'.

Meer bepaald gaat het om volgende elementen.

Het tweede lid van artikel 10 van het koninklijk besluit van 21 april 1983, ingelast bij koninklijk besluit van 16 maart 1999 bepaalt dat het stageplan moet vergezeld zijn van `een attest dat aantoont dat de kandidaat door een faculteit geneeskunde aanvaard is voor de discipline waarin hij opgeleid wil worden'.

De Belgische universiteiten hanteren die bepaling van artikel 10 echter als een drukmiddel om zich het exclusieve beheer toe te eigenen, niet alleen van de selectie van de kandidaten en zelfs de keuze van het specialisme, maar ook van de invulling van het stageplan. De GSO wordt gedwongen om de volledige beslissingsbevoegdheid over zijn professionele toekomst af te staan. Hij stelt geen stageplan meer op: het wordt hem opgelegd, te nemen of te laten.

De werkelijkheid is nog harder. Het stageplan moet volgens artikel 12, ß2,2ļ betrekking hebben op de volledige opleiding, met het oog op de erkenning door de Commissie. Die formele waarborg vond dokter Rombouts destijds zo belangrijk. In de praktijk wordt het plan vaak alleen ingevuld voor het eerste jaar en vervolgens jaar na jaar geÔmplementeerd. Zo weten mensen, die soms al een gezin hebben, pas in mei waar ze in juli aan de slag moeten, moeten gaan wonen en eventueel hun kinderen naar school moeten sturen.

Nochtans bepaalt artikel 16 dat `noch de kandidaat, noch de stagemeester eenzijdig veranderingen mogen aanbrengen'. Zonder een volledig goedgekeurd en contractueel uitvoerbaar stageplan is de beginnende GSO een paria zonder wilsbeschikking. Hij kan alleen maar slikken wat hem wordt opgelegd. Bovendien dreigt het economische belang van de stagedienst de belangen van de kandidaat-specialist te verdringen.

Artikel 12, ß1,4ļ van het koninklijk besluit van 21 april 1983, ingelast bij koninklijk besluit van 16 maart 1999, stipuleert dat wanneer het stageplan in meerdere stagemeesters voorziet - en alleen in dit geval -, de kandidaat-specialist een van hen moet aanwijzen als `stagemeester-coŲrdinator'. In werkelijkheid dringt de `stagemeester-coŲrdinator' zichzelf op in uitvoering van een denkbeeldige opdracht of volmacht die zou voortvloeien uit het voornoemd attest uitgereikt door de faculteit. Voortaan stelt de GSO niet langer zijn vertrouwenspersoon, zijn `persoonlijke coach', aan. In de meeste gevallen stelt de academische stagemeester zichzelf aan als `coŲrdinator' en beslist hij autoritair over het stageparcours van de kandidaat.

Als die laatste een deel van zijn opleiding in een erkende stagedienst van een perifeer ziekenhuis wil volbrengen om bepaalde speciale of routinevaardigheden te verwerven, dan zal de beslissing daaromtrent afhangen van de goede wil van zijn `coŲrdinator', die gewoonweg kan beslissen in functie van zijn eigen noden of van die van zijn dienst. Sommige GSO's stellen een dergelijke vraag, eerst schuchter, daarna steeds nadrukkelijker. Sommigen dringen zo lang aan tot ze op hun plaats worden gezet met kleine dreigementen of represailles, zoals de vermelding van karakterproblemen in een stageverslag, en schikken zich vervolgens in hun lot.

Gelukkig hebben de meeste bazen ontegensprekelijk uitstekende menselijke relaties met hun kandidaat-specialisten, maar het valt te betreuren dat de wettelijke regels, waarvan de GSO's niets weten, steeds minder worden gerespecteerd door de baas, die nochtans als opleider geacht wordt de regels te kennen en er zijn stagiair-geneesheer over in te lichten, in plaats van ze zo te interpreteren en toe te passen dat hij zichzelf de uitsluitende beslissingsmacht toe-eigent over het stageparcours van de GSO.

De perverse effecten van die inbreuken op de onderlinge verhoudingen tussen stagemeesters laten uiteraard hun sporen na op het parcours van de kandidaat. Sommige perifere stagemeesters doen alles wat de academische stagemeester hen opdraagt, onder de nauwelijks verholen bedreiging dat anders hun rol wel eens zou kunnen worden herleid tot die van stagemeester zonder assistenten, wat een waar drama is in een perifeer ziekenhuis.

De organisatie van filiŤres of netwerken door de universiteiten heeft eveneens een beperkende invloed op de wettelijke vrijheid van de kandidaat-specialist om zelf zijn stagemeester te kiezen. Het is een organisatorisch misverstand dat het bestaan van die netwerken het academisch milieu het recht zou toekennen om de wettelijke keuzevrijheid van de GSO aan banden te leggen of om een erkend perifeer stagemeester te verhinderen stagecontracten te sluiten in antwoord op de vrije keuze van een GSO.

Sommige universitaire diensthoofden trekken met een grenzeloze creativiteit op zoek naar GSO-jaren, zelfs in de context van de louter administratieve aspecten van de opleidingsprocedure.

Zonderling is dat in april jongstleden plots het advies van de Hoge Raad van Geneesheren-specialisten en Huisartsen werd gevraagd omtrent de invoering van een redelijke termijn voor het indienen van de erkenningsaanvraag op het einde van de opleiding. Bezorgde kandidaat-specialisten kregen onlangs van ambtenaren van de FOD te horen dat het de bedoeling was om de kandidaten een bijkomend stagejaar op te leggen ingeval er, zes maanden na het einde van de stages, nog stukken zouden ontbreken in hun dossier. Het lijkt nogal logisch dat de vereiste opleidingsduur wordt opgelegd in de bijzondere criteria, alsook de maximale termijn binnen welke de stagemeester ervoor moet zorgen dat de kandidaat de nodige informatie en stukken verkrijgt, en binnen welke de administratie die de dossiers opvolgt, de ontbrekende stukken tijdig opvraagt.

Er zijn niet alleen universiteiten in ons land, maar ook centres of excellence waarvan de faam de landsgrenzen overschrijdt. Met de Bologna Directive moeten GSO's over de eigen grenzen heen kunnen plannen, binnen Europa. Waarom verloopt dat in ons land zo stroef? Welke maatregelen zal de minister nemen om de scheefgetrokken situatie recht te zetten?

Beschikt de minister over cijfers? Hoeveel GSO's zijn er dit jaar in BelgiŽ, Vlaanderen, Brussel en WalloniŽ tewerkgesteld? Hoeveel prestaties werden door de kandidaat-specialisten uitgevoerd en bij het RIZIV in rekening gebracht op naam van de stagemeester?

De heer Bernard Clerfayt, staatssecretaris voor de Modernisering van de Federale Overheidsdienst FinanciŽn, de Milieufiscaliteit en de Bestrijding van de fiscale fraude, toegevoegd aan de minister van FinanciŽn. - Ik lees het antwoord van minister Onkelinx.

Ik heb eveneens met interesse kennis genomen van de publicatie van de VBS-GBS, met als titel `De kandidaat-specialist en het verdriet van de academisering'. Ik vrees echter dat een deel van wat in dat document beweerd wordt een misleidende veralgemening is. Ik denk inderdaad dat de fundamentele principes van de opleiding van de geneesheren-specialisten en van de huisartsen in BelgiŽ ruimschoots worden gerespecteerd.

Desalniettemin ben ik uiteraard bereid om met mijn administratie de concrete problemen te onderzoeken waarmee de kandidaat-specialisten te maken krijgen en na te gaan hoe een en ander kan worden aangepakt, daarbij uiteraard rekening houdend met het globale kader waarin de opleiding wordt georganiseerd.

De kandidaten die tijdens een of ander jaar een opleiding in het buitenland volgen - dat kan gaan van Frankrijk tot Zwitserland en Vietnam - worden permanent door de erkenningscommissies gevolgd. De erkenningsregels beperken echter het aantal jaren verblijf in het buitenland. Ik herinner eraan dat we inderdaad het principe van de kwaliteitswaarborg hanteren. De geneesheer in opleiding komt daarbij niet op de eerste, maar op de tweede plaats. De patiŽnt staat centraal en moet ook centraal staan.

Het is derhalve essentieel dat alle opleidingen een coherent geheel vormen, borg staan voor het verwerven van alle competenties die in BelgiŽ van een geneesheer met de titel van specialist worden verwacht en in overeenstemming zijn met de erkenningscriteria.

Een opleiding elders kan zeker kwalitatief hoogstaand zijn, maar men hanteert er niet dezelfde werkprincipes en technieken. Volgens mij is het essentieel dat de commissies hun werk kunnen doen en dat ze over objectieve elementen beschikken om de kwaliteit van de opleidingen te evalueren. Dat gebeurt nu door de voorkeur te geven aan opleidingen in BelgiŽ, in erkende en controleerbare stagediensten.

Enkele situaties moeten waarschijnlijk wel beter worden opgevolgd, maar ook bepaalde elementen van de wetgeving moeten worden geactualiseerd. Mijn administratie onderzoekt op het ogenblik de situatie om een globaal overzicht te krijgen en op termijn wetswijzigingen te kunnen voorstellen om de processen te moderniseren. Ik weet dat de Hoge Raad en de administratie zich constant inspannen om in die zin vooruit te gaan.

De cijfergegevens die mevrouw Van Ermen vroeg, zijn niet beschikbaar. Artsen in opleiding worden niet geteld volgens de plaats waar ze stage lopen, omdat ze tijdens hun opleiding verschillende stageplaatsen hebben. Op 1 september 2008 waren er in het totaal 3 160 kandidaat-specialisten in opleiding. Daarbij moeten we nog 149 personen voegen die kandidaat zijn voor het verkrijgen van een bijzondere beroepstitel, zoals bepaald in artikel 2 van het koninklijk besluit van 25 november 1991, houdende de lijst van bijzondere beroepstitels voorbehouden aan de beoefenaars van de geneeskunde, met inbegrip van de tandheelkunde.

Tot slot ben ik van oordeel dat de werking van het huidige systeem uiteraard kan worden verbeterd - en ik ben bereid daaraan te werken samen met mijn administratie en de actoren op het terrein - maar dat het niet nodig is het hele systeem zelf op losse schroeven te zetten.

Mevrouw Lieve Van Ermen (LDD). - De minister heeft duidelijk een andere invalshoek en geeft geen antwoord op mijn vragen. In de erkenningscommissies zijn de universiteiten rechter en partij. Ze dienen mede het stageplan in en kiezen uit het aanbod zelf eerst de kandidaten met de beste punten voor de disciplines waarvoor ze de meeste kandidaten nodig hebben. Daar wringt het schoentje. Er zijn in BelgiŽ ook centres of excellence die even goed voor opleidingen kunnen zorgen, maar universiteiten hebben het monopolie. Dat is een heel autoritair systeem. Natuurlijk moet de patiŽnt centraal staan, maar ook met de geneesheer-specialist mag niet gesold worden, en dat gebeurt nu wel. Het kan toch niet dat een kandidaat pas in mei weet welke stageplaats hij het jaar nadien zal hebben en die plaats niet kan kiezen, maar opgelegd krijgt. De erkenningscommissies zijn paritair samengesteld, maar het gewicht van de universiteiten daarin is in de praktijk veel te groot.

Vraag om uitleg van de heer Josy Dubiť aan de vice-eersteminister en minister van Buitenlandse Zaken over ęhet praaien door de Turkse marine van vaartuigen langs de kust van de Republiek CyprusĽ (nr. 4-625)

De voorzitter. - de heer Bernard Clerfayt, staatssecretaris voor de Modernisering van de Federale Overheidsdienst FinanciŽn, de Milieufiscaliteit en de Bestrijding van de fiscale fraude, toegevoegd aan de minister van FinanciŽn, antwoordt.

De heer Josy Dubiť (Ecolo). - Op 13 november jongstleden heeft een vaartuig van de Turkse oorlogsvloot twee vaartuigen onder Noorse vlag achtervolgd die in opdracht van de regering van de Republiek Cyprus onderzoek deden in de exclusieve economische zone, op 27 zeemijl ten zuidwesten van de Cypriotische kust.

Het Turkse vaartuig heeft de twee onderzoeksvaartuigen bedreigd en gaf het bevel hun activiteiten onmiddellijk stop te zetten en zich terug te trekken uit de Cypriotische territoriale wateren, omdat ze zich in de Turkse exclusieve economische zone zouden hebben bevonden. Omdat ze vreesden voor het leven van de bemanning en voor hun vaartuigen, hebben de twee schepen zich teruggetrokken.

Op 19 en 24 november hebben Turkse oorlogsschepen twee vaartuigen achtervolgd die gecharterd waren door Cyprus voor onderzoek in de exclusieve economische zone. Ze werden ertoe gedwongen hun activiteiten te staken en terug te keren naar de Cypriotische territoriale wateren.

Die twee incidenten vonden plaats ten zuiden van de Cypriotische kust; dat van 24 november deed zich voor op slechts 13 zeemijl van de kust en op nauwelijks ťťn mijl buiten de territoriale wateren van de Republiek Cyprus.

De incidenten tonen aan dat Turkije het soevereine recht van de Republiek Cyprus, die lid is van de Europese Unie, blijft betwisten om de natuurlijke hulpbronnen in zijn exclusieve economische zone te ontginnen. Dat is in tegenspraak met het internationaal recht, meer bepaald het VN-Zeerechtverdrag, dat deel uitmaakt van het communautaire acquis.

Een dergelijke houding van een land dat wil toetreden tot de Europese Unie, houdt een schending in van zijn verplichtingen inzake de eerbiediging van de soevereiniteit en territoriale integriteit van een lidstaat.

Kan de minister, gelet op de solidariteit die alle lidstaten van de Europese Unie moet verenigen, meedelen welke maatregelen hij zal nemen om de Turkse autoriteiten duidelijk te maken dat een dergelijk gedrag onaanvaardbaar is en de toetreding van Turkije tot de Europese Unie kan vertragen of zelfs beletten?

De heer Bernard Clerfayt, staatssecretaris voor de Modernisering van de Federale Overheidsdienst FinanciŽn, de Milieufiscaliteit en de Bestrijding van de fiscale fraude, toegevoegd aan de minister van FinanciŽn. - Ik lees het antwoord van de minister van Buitenlandse Zaken.

De geschillen tussen de Turkse Republiek met Griekenland en de Republiek Cyprus betreffende de afbakening van de territoriale wateren en de exclusieve economische zones in de EgeÔsche en in de Middellandse Zee, maken het voorwerp uit van juridische en technische dossiers waarin BelgiŽ noch partij, noch scheidsrechter is.

Als het meningsverschil blijft bestaan, moeten de geschillen vroeg of laat voor de Division for Ocean Affairs and the Law of the Sea van de VN worden gebracht, die het VN-Zeerechtverdrag moet toepassen. Die overeenkomst stipuleert in artikel 286 dat bij meningsverschillen, de geschillen op vraag van een van de partijen, voor de hoven en rechtbanken die ter zake bevoegd zijn, kunnen worden gebracht. Dat zijn onder meer het Internationaal Zeerechttribunaal, het Internationaal Hof van Justitie en de arbitragerechtbanken samengesteld overeenkomstig de bijlagen VII en VIII van genoemd verdrag.

Ik kom nu tot het toetredingsproces van Turkije tot de EU. Op de bijeenkomst met 27 van de Raad Algemene Zaken en Externe Betrekkingen van 8 december 2008, hebben de ministers van Buitenlandse Zaken van de EU

a) `met spijt vastgesteld dat Turkije tijdens het voorbije jaar slechts beperkte voortgang heeft geboekt, meer in het bijzonder wat de politieke hervormingen betreft.'

b) `herhaald dat Turkije ondubbelzinnig moet streven naar relaties van goed nabuurschap en een vreedzame regeling van geschillen overeenkomstig het Handvest van de Verenigde Naties, meer in het bijzonder door, indien nodig, een beroep te doen op het Internationaal Hof van Justitie. In dat opzicht spoort de Unie Turkije ertoe aan elke vorm van dreiging, bron van enigheid of actie die de relaties van goed nabuurschap en de vreedzame regeling van geschillen kan schaden te vermijden.'

c) `betreurd dat Turkije nog niet heeft voldaan aan de verplichting het Aanvullende Protocol bij het Associatieverdrag volledig uit te voeren en dat het evenmin voortgang heeft geboekt op de weg naar een normalisatie van zijn betrekkingen met de Republiek Cyprus.'

d) en `eraan herinnerd dat die voortgang nu dringend verwacht wordt.'

BelgiŽ laat niet na Ankara systematisch op te roepen om voortgang te boeken op de Kopenhagencriteria, met inbegrip van de verplichtingen in het kader van het Aanvullende Protocol bij het Associatieverdrag. Twee zaken moeten duidelijk zijn:

a) de deur van de EU blijft open voor Turkije en het vooruitzicht op toetreding is en blijft voor Turkije de beste stimulans om de noodzakelijke hervormingen door te voeren;

b) het tempo van de onderhandelingen zal blijvend afhangen van de door Ankara geboekte voortgang om aan de vereiste voorwaarden te voldoen.

De heer Josy Dubiť (Ecolo). - Deze verduidelijking verheugt me.

Wat het punt b) betreft, is het evident dat de interventie van de Turkse oorlogsvloot onaanvaardbaar is.

Voor het overige schaar ik mij achter de geformuleerde voorstellen. Persoonlijk heb ik geen enkel principieel bezwaar tegen een eventuele toetreding van Turkije tot de Europese Unie, op middellange of lange termijn, maar wel op voorwaarde dat de EU-regels worden nageleefd.

Vraag om uitleg van mevrouw Martine Taelman aan de minister van Justitie over ęgevangenisstraffen in het land van herkomstĽ (nr. 4-630)

De voorzitter. - De heer Bernard Clerfayt, staatssecretaris voor de Modernisering van de Federale Overheidsdienst FinanciŽn, de Milieufiscaliteit en de Bestrijding van de fiscale fraude, toegevoegd aan de minister van FinanciŽn, antwoordt.

Mevrouw Martine Taelman (Open Vld). - In antwoord op mijn vraag om uitleg van 10 april 2008 liet de minister van Justitie weten dat er tot dan toe maar tien gevangenen onvrijwillig naar hun land van herkomst waren overgebracht om daar hun gevangenisstraf uit te zitten.

In een krantenartikel van 15 april 2008 beloofde de minister, via zijn woordvoerder, om de criteria aan te scherpen zodat meer gevangenen naar hun land van herkomst kunnen worden overgebracht. Uit zijn antwoord op een vraag om uitleg van collega Anke Van dermeersch van einde december 2008 maak ik echter op dat we ondertussen aan zestien veroordeelden zitten die hun straf in hun land van herkomst uitzitten. In negen maanden tijd zijn er dus maar zes gevangenen bijgekomen die onvrijwillig naar hun land van herkomst zijn overgebracht.

Zijn de criteria inzake gevonniste personen zonder echte band met ons land inmiddels aangescherpt, zodat die gevangenen naar hun land van herkomst kunnen worden overgebracht om daar hun straf uit te zitten? Zo ja, wanneer gebeurde dat? Zo neen, waarom gebeurde dat nog niet? Zo ja, welke zijn de nieuwe criteria?

Plant de minister initiatieven om de landen die het protocol van de Raad van Europa niet hebben geratificeerd, aan te zetten een bilateraal verdrag met ons land te sluiten, zodat ook gevangenen uit die landen kunnen worden overgebracht? Zo ja, welke stappen worden concreet gedaan?

Is de minister van plan om een bilateraal verdrag te onderhandelen met landen als Turkije en AlbaniŽ, waarvan een behoorlijk aantal gedetineerden in onze gevangenissen zitten? Zo ja, welke timing en stappen wil hij nemen? Zo neen, waarom neemt hij deze beleidsbeslissing niet?

De heer Bernard Clerfayt, staatssecretaris voor de Modernisering van de Federale Overheidsdienst FinanciŽn, de Milieufiscaliteit en de Bestrijding van de fiscale fraude, toegevoegd aan de minister van FinanciŽn. - Ik lees het antwoord van minister De Clerck.

De criteria op basis waarvan een overbrenging zonder het akkoord van de gedetineerde mogelijk is, zijn vastgelegd in het Additioneel Protocol van 1997 bij de Conventie van de Raad van Europa. De procedures om in de praktijk tot een overbrenging over te gaan, nemen veel tijd in beslag omdat zowel in het land van veroordeling als in het land van herkomst van de gedetineerde een aantal onderzoeken moeten worden verricht, adviezen ingewonnen en beslissingen getroffen. Daarna volgt nog de fase van de praktische regelingen voor de feitelijke overdracht.

De periode tussen een eerste aanvraag voor overbrenging en de effectieve overdracht van de gedetineerde, is daardoor vrij lang. Ze varieert van land tot land en van geval tot geval, doch het is geen uitzondering wanneer een dossier negen tot tien maanden in beslag neemt alvorens alle procedurestappen volledig zijn doorlopen.

Mijn departement is op het ogenblik bezig om, in overleg met de betrokken externe instanties, zoals de DVZ en de Federale Politie, een aantal maatregelen uit te werken om die tijdspanne in te korten. Deze maatregelen kunnen echter alleen betrekking hebben op het Belgische deel van de procedures.

BelgiŽ kan uiteraard landen niet dwingen om tot het Additioneel Protocol voor verplichte overbrenging toe te treden, maar het maakt van zijn bilaterale contacten in de justitiŽle sector vrij stelselmatig gebruik om voor die ondertekeningen een lans te breken. Op het ogenblik wordt met AlbaniŽ concreet onderzocht hoe we een bilateraal akkoord over de overbrenging van gedetineerden zonder hun instemming kunnen afsluiten.

Hierover zijn trouwens ook op politiek niveau reeds contacten geweest. Een dergelijk bilateraal akkoord zal desgevallend duidelijk binnen de krijtlijnen en principes van de desbetreffende instrumenten van de Raad van Europa blijven.

BelgiŽ heeft ook interesse om met andere landen een overbrengingsakkoord te sluiten. Daarvoor wordt actief gezocht naar geÔnteresseerde kandidaat-landen. Die akkoorden hebben niet alleen tot doel een kader te scheppen om vreemde gedetineerden hun straf te laten uitzitten in hun land van herkomst, veeleer dan in BelgiŽ, mede met het oog op de verbeterde reÔntegratieperspectieven, maar ook om landgenoten die in het buitenland in de gevangenis zitten, de mogelijkheid te geven om de soms minder goede detentievoorwaarden in een buitenlandse gevangenis te ruilen voor een gevangenis in BelgiŽ.

Vraag om uitleg van de heer Geert Lambert aan de minister van Justitie over ęhet drugsbeleidĽ (nr. 4-633)

De voorzitter. - De heer Bernard Clerfayt, staatssecretaris voor de Modernisering van de Federale Overheidsdienst FinanciŽn, de Milieufiscaliteit en de Bestrijding van de fiscale fraude, toegevoegd aan de minister van FinanciŽn, antwoordt.

De heer Geert Lambert (Onafhankelijke). - In BelgiŽ kennen we vandaag een `gedoogbeleid' voor cannabis, wat in de praktijk betekent dat het bezit en kweken van cannabis de laagste prioriteit krijgt van de parketten.

In Nederland is een debat aan de gang over het verstrengen van hun gedoogbeleid, wat kan leiden tot een strengere aanpak van de coffeeshops. Daardoor kan de thuiskweek in BelgiŽ wel eens sterk groeien.

Is de minister van plan om het huidige beleid te wijzigen? Is er over het thema al overleg geweest met de parketten?

De heer Bernard Clerfayt, staatssecretaris voor de Modernisering van de Federale Overheidsdienst FinanciŽn, de Milieufiscaliteit en de Bestrijding van de fiscale fraude, toegevoegd aan de minister van FinanciŽn. - Ik lees het antwoord van minister De Clerck.

Ik ben blij met de vraag, want zo kan ik de reikwijdte van het zogenaamde gedoogbeleid toelichten. Er bestaan heel wat misverstanden over dat beleid. Cannabis is volgens de Belgische drugswetgeving, in overeenstemming met de opeenvolgende internationale verdragen op dat vlak, nog altijd een illegale drug. Het bezit van illegale drugs is en blijft strafbaar. In BelgiŽ bestaat dus geen gedoogbeleid in de zin van een decriminalisering, of het niet langer beschouwen van een gedrag als een misdrijf of als een strafbaar gedrag.

Een vroegere regering heeft wel getracht een strafbaar gedrag, waarop een strafrechtelijke sanctie staat, in de praktijk te laten leiden tot een depenalisering door wettelijk te verhinderen dat het openbaar ministerie de daders kon vervolgen doordat sommige strafbare feiten niet langer werden geverbaliseerd en geen proces-verbaal werd opgesteld. Het Grondwettelijk Hof heeft de wetgever terecht teruggefloten zodat we zijn teruggekeerd naar de toestand van vůůr de wetswijziging waarbij telkens een proces-verbaal moet worden opgesteld voor elk feit van cannabisbezit, zelfs in het geval van een meerderjarige die slechts een gebruikershoeveelheid bij zich heeft voor eigen gebruik. Alle strafbare feiten inzake drugs worden dus geregistreerd en er wordt op zijn minst een vereenvoudigd proces-verbaal opgemaakt. De mogelijkheid om te reageren is dus altijd aanwezig. Omtrent dit alles is in het verleden heel wat foutieve communicatie verspreid, waardoor bij de bevolking een verkeerde perceptie is ontstaan. Het zogenaamde gedoogbeleid bestaat er enkel in dat een gedifferentieerd beleid wordt gevoerd op het vlak van het vervolgingsbeleid. Overigens was een dergelijk beleid ook vroeger al de gangbare praktijk in de parketten, lang voor er sprake was van een gedoogbeleid. De ministeriŽle richtlijnen aan het College van Procureurs-generaal bepalen dat aan het bezit door een meerderjarige van een hoeveelheid cannabis of enige geteelde plant voor persoonlijk gebruik de laagste prioriteit in het vervolgingsbeleid wordt gegeven.

Inbreuken met verzwarende omstandigheden, verstoring van de openbare orde, aanzetten tot gebruik, gebruik door minderjarigen enzovoorts vallen hier niet onder en hebben dus alvast een hogere prioriteit.

Voor in de wet bepaalde strafbare feiten bij andere strafrechtelijke fenomenen is het gebruikelijk om een gedifferentieerd vervolgingsbeleid in een richtlijn uit te tekenen en dat in functie van bepaalde parameters.

Het uitgetekende vervolgingsbeleid kan men bezwaarlijk onredelijk of niet-realistisch noemen en wordt als dusdanig dan ook niet ter discussie gesteld.

In het verleden hebben we al te veel tijd en energie gestoken in het bepalen van wat niet moet worden vervolgd; nu moeten we tijd steken in de vervolging van prioritaire fenomenen, zoals bepaald in het nationaal veiligheidsplan: aanpak van de drugshandel, drugshandel en drugsgerelateerde criminaliteit, en het uitwerken van het beleid ter zake. Dat is interessanter dan de oude discussie te heropenen.

We moeten wel beter communiceren met de bevolking. In die optiek zouden we het beter hebben over een ontradingsbeleid.

Alle beleidsniveaus dienen daartoe samen te werken en de op te richten algemene cel drugsbeleid zal die samenwerking zeker vergemakkelijken.

We gaan ook beter samenwerken met Nederland en een gemeenschappelijk beleid voor de aanpak van het drugstoerisme in de grensregio uittekenen. Zo hopen we te vermijden dat een strenger beleid bij onze noorderburen neveneffecten ressorteert in BelgiŽ. We werken aan een Euregionaal actieplan, zoals trouwens aanbevolen in de studie De Ruyver-Fijnaut inzake een gezamenlijke beheersing van de drugsgerelateerde criminaliteit in de Euregio Maas-Rijn. In dat kader vindt overigens overleg plaats met de parketten en met het College van Procureurs-generaal.

Vraag om uitleg van de heer Alain Destexhe aan de minister van Justitie over ęsekten en godsdienstvrijheidĽ (nr. 4-637)

De voorzitter. - De heer Bernard Clerfayt, staatssecretaris voor de Modernisering van de Federale Overheidsdienst FinanciŽn, de Milieufiscaliteit en de Bestrijding van de fiscale fraude, toegevoegd aan de minister van FinanciŽn, antwoordt.

De heer Alain Destexhe (MR). - Het Belgische religieuze landschap is sinds enkele tientallen jaren aanzienlijk veranderd, onder meer door de migratiestromen, de nieuwe bekeringen van Belgen en het opduiken van nieuwe filosofische en religieuze bewegingen.

De politie heeft op 19 oktober 2008 een huiszoeking gedaan in de gurdwara van Vilvoorde, de belangrijkste sikhtempel in BelgiŽ. Ze had plaats in het midden van een plechtigheid die voor de sikhs erg belangrijk is, te vergelijken met de kerst- of paasmis van de katholieken. Het gaat om een lezing ter herdenking van de 300ste verjaardag van de heilige teksten van het sikhisme, die 48 uur duurt en niet wordt onderbroken. De bewuste huiszoeking heeft in die gemeenschap dan ook hevige beroering veroorzaakt. De politie, die trouwens slecht voorbereid was, is de tempel binnengevallen in het kader van de ontmanteling van een Indiaas netwerk van mensenhandelaars.

Ik heb me naar aanleiding van dit incident afgevraagd hoe het met de godsdienstvrijheid in BelgiŽ en in het bijzonder met het verband tussen godsdiensten en sekten is gesteld. Het Belgische recht erkent het grondwettelijke beginsel van godsdienstvrijheid, dat door het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens wordt beschermd. De erkenning van een godsdienst is echter een politieke beslissing die vooral financieringsdoeleinden heeft, maar losstaat van het grondwettelijke beginsel van godsdienstvrijheid.

De recente huiszoeking in de tempel van Vilvoorde is voor de sikhgemeenschap een stimulans om de erkenning van haar godsdienst aan te vragen omdat ze, wellicht ten onrechte, denkt dat alleen de erkende godsdiensten beschermd worden door de grondwet en het EVRM, en dat die erkenning dergelijke acties van de politie kan voorkomen.

Kunt u, om die gemeenschap gerust te stellen, duidelijkheid scheppen over de vraag of een godsdienst al dan niet erkend moet zijn om eerbied te krijgen voor de religieuze plaatsen? Bestaat er in dat opzicht een verschil tussen erkende en niet-erkende godsdiensten?

Volgens het verslag van de Parlementaire Onderzoekscommissie `sekten' van maart 1997, bevindt BelgiŽ zich in een buitengewone toestand. Aan de ene zijde heeft het `erkende' godsdiensten en aan de andere zijde zijn er de andere, waarvan de meeste als `sekten' worden beschouwd. Er bestaat echter geen enkele juridische definitie van het begrip `godsdienst', noch van het begrip `sekte'. Bij mijn weten komen in de wet slechts de termen `erkende eredienst' en `schadelijke sekte' voor, wat niet bijdraagt tot een beter begrip van het verschil tussen een `godsdienst' en een `sekte'. De verwarring hierover lijkt groot en kan aanleiding geven tot absoluut onrechtvaardige situaties.

Het is niet de eerste keer dat men in BelgiŽ, al dan niet terecht, een religieuze of filosofische minderheid in verband brengt met echte of vermeende criminele activiteiten en dat in religieuze plaatsen huiszoekingen plaatshebben. Er lijkt zich een tendens af te tekenen volgens welke een `sekte' geen `godsdienst' zou zijn en `sekten' de godsdienstvrijheid zouden misbruiken, een opvatting die door het hof van Beroep in Brussel zou zijn veroordeeld. Dat hof heeft onderstreept dat zelfs een beweging die als een sekte zou kunnen worden gekwalificeerd, onder de bepalingen inzake godsdienstvrijheid en vrijheid van vereniging valt die in het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens zijn ingeschreven.

BelgiŽ werd op het vlak van godsdienstvrijheid trouwens met de vinger gewezen door internationale instanties als de OVSE en de VN en wordt elk jaar vermeld in het Annual Report on International Religious Freedom van het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse zaken.

Mijnheer de minister, kunt u mij zeggen hoe kan worden opgetreden tegen religieuze bewegingen die de vrijheid verkrachten en tegen schadelijke sekten zonder het non-discriminatiebeginsel te schenden?

De recente huiszoeking in de gurdwara te Vilvoorde verontrust de leden van de niet-erkende religieuze minderheden. Sommige medeburgers vinden de manier van optreden tegenover de religieuze plaatsen zorgwekkend en beschouwen ze als een ernstige bedreiging van de godsdienstvrijheid. Huiszoekingen in religieuze plaatsen vereisen specifieke maatregelen. Er wordt gevreesd dat de huiszoeking in kwestie een gevaarlijk precedent is.

Wat is uw visie daarop? Welke garanties kan de Staat bieden om te voorkomen dat dergelijke situaties zich nog voordoen?

De heer Bernard Clerfayt, staatssecretaris voor de Modernisering van de Federale Overheidsdienst FinanciŽn, de Milieufiscaliteit en de Bestrijding van de fiscale fraude, toegevoegd aan de minister van FinanciŽn. - Ik lees het antwoord van de minister van Justitie.

Ik leg er eerst de nadruk op dat in dit dossier een gerechtelijk onderzoek is ingesteld. Ik zal mij dus van verdere commentaar onthouden.

De erkenning van de erediensten in BelgiŽ is vooral bedoeld om die erediensten te financieren. Op het federale niveau betekent dat de uitbetaling van de wedden en pensioenen van de bedienaars van de erkende erediensten, terwijl de financiering op regionaal niveau bedoeld is voor het deficit van de lokale organisaties - parochies, gemeenschappen - en allerlei werken op het gebied van onderhoud en oprichting van gebouwen bestemd voor die erediensten.

De definitie van een plaats van eredienst valt onder de interne bevoegdheid van een al dan niet erkende eredienst. De overheid moet zich daar niet in mengen. Het strafrecht maakt echter geen enkel onderscheid tussen de plaatsen van eredienst, of ze nu behoren tot erkende dan wel tot niet-erkende erediensten. Als in het kader van een onderzoek moet worden opgetreden, beslist de bevoegde overheid daarover.

De wet van 2 juni 1998 tot uitvoering van de wet houdende oprichting van een Informatie- en Adviescentrum inzake de schadelijke sektarische organisaties en van een Administratieve coŲrdinatiecel inzake de strijd tegen schadelijke sektarische organisaties beoogt alleen de schadelijke sektarische organisaties die in artikel 2 worden gedefinieerd.

Buiten die definitie houdt de erkenning van een eredienst geen enkel oordeel in over de niet-erkende erediensten; de erediensten kunnen een erkenning aanvragen, maar zijn daar niet toe verplicht.

De heer Alain Destexhe (MR). - Ik begrijp dat de minister geen commentaar wil geven op een lopende zaak, maar het lijkt me onaanvaardbaar dat de politie overgaat tot een huiszoeking tijdens een belangrijke plechtigheid van een in BelgiŽ erkende godsdienst, of die nu moslim, joods of christelijk is.

Wij steunen allen de strijd tegen de misdaad, maar ook de niet-erkende erediensten hebben recht op respect. In dit geval wist de politie of de gerechtelijke overheid waarschijnlijk niet hoe belangrijk deze plechtigheid is omdat ze misschien niet vertrouwd is met deze minder verspreide en dus minder bekende godsdienst.

Vraag om uitleg van mevrouw Nahima Lanjri aan de minister van Maatschappelijke Integratie, Pensioenen en Grote Steden over ęde uitbreiding van de Lokale Opvanginitiatieven (LOI's)Ľ (nr. 4-634)

De voorzitter. - De heer Bernard Clerfayt, staatssecretaris voor de Modernisering van de Federale Overheidsdienst FinanciŽn, de Milieufiscaliteit en de Bestrijding van de fiscale fraude, toegevoegd aan de minister van FinanciŽn, antwoordt.

Mevrouw Nahima Lanjri (CD&V). - Aangezien het opvangnetwerk volledig verzadigd is, moet er dringend een oplossing worden gevonden. De minister nam reeds enkele maatregelen om nieuwe plaatsen te creŽren. Er werden 500 extra tijdelijke opvangplaatsen gecreŽerd. Ook werd beslist financiŽle in plaats van materiŽle hulp te verlenen aan asielzoekers die al vijf jaar in een procedure zitten en aan asielzoekers met kinderen die al vier jaar in een procedure zitten, aldus een rondschrijven aan de OCMW's.

De financiŽle steun wordt niet onmiddellijk ingevoerd voor iedereen, maar enkel voor diegenen die al zo lang in de asielprocedure zitten dat ze eigenlijk voor een regularisatie in aanmerking komen. De asielzoekers moeten dan zelf een woning zoeken met de financiŽle middelen die ze van de overheid krijgen.

Dit zijn zeker lofwaardige initiatieven, maar wij vragen ons toch af of er op die manier echt bijkomende plaatsen zullen worden gecreŽerd. We hebben de noodkreten van de OCMW's de voorbije maand gehoord. We moeten niettemin de vraag durven stellen of sommige OCMW's het statuut van de LOI niet zullen veranderen en de asielzoekers in de betreffende woning laten wonen, terwijl het niet langer om een LOI-woning gaat. Ze zullen dan proberen om elders een LOI-woning in te richten, zodat die mensen niet moeten verhuizen. We kunnen dat begrijpen.

We zien daarentegen wel dat er gemeenten zijn die voor het eerst opvangcapaciteit willen creŽren of hun opvangcapaciteit willen uitbreiden om zo meer asielzoekers te kunnen huisvesten. Zij tonen zich bereid om extra plaatsen te creŽren. Ondanks hun goede wil krijgen zij echter vaak geen erkenning of uitbreiding van een LOI door de regering.

Dat was onlangs nog het geval in Brasschaat. Het is dus niet altijd zo dat de gemeentebesturen geen inspanningen willen doen. Wij beseffen dat het financieel moeilijke tijden zijn, maar betreuren dat lokale initiatieven zoals in Brasschaat niet worden gesteund, temeer omdat asielzoekers nu worden opgevangen in structuren voor daklozen, wat toch niet de bedoeling kan zijn.

De toestand in de noodopvang, ook voor daklozen, is werkelijk schrijnend. Is de minister van mening dat de door haar genomen maatregelen voldoende zijn om extra plaatsen te creŽren?

Geldt er nog steeds een moratorium op de uitbreiding of inrichting van LOI's of was de weigering in Brasschaat enkel het gevolg van het, hopelijk tijdelijke, probleem van de penibele financiŽle toestand van de federale regering?

Heeft de minister weet van andere gemeenten die een LOI aanvragen of willen uitbreiden? Hoeveel opvangplaatsen in de LOI's werden tot dusver geweigerd? Is zij bereid om de vraag van die gemeenten in de toekomst te steunen?

Neemt de minister zelf nog nieuwe initiatieven voor tijdelijke en structurele opvangplaatsen, die op korte termijn zullen worden uitgevoerd?

De heer Bernard Clerfayt, staatssecretaris voor de Modernisering van de Federale Overheidsdienst FinanciŽn, de Milieufiscaliteit en de Bestrijding van de fiscale fraude, toegevoegd aan de minister van FinanciŽn. - Ik lees het antwoord van mevrouw Arena.

Het gaat inderdaad om tijdelijke plaatsen, bedoeld om een conjuncturele overdruk op te vangen. In die zin verschilt het initiatief van het creŽren van bijkomende structurele plaatsen. Zodra de nieuwe asielprocedure op kruissnelheid is en de achterstand bij de behandeling van dossiers uit het verleden is weggewerkt, moet de doorstroom sneller kunnen en zijn tijdelijke plaatsen overbodig.

Het moratorium op de uitbreiding van het aantal plaatsen in de lokale opvanginitiatieven, de LOI's, is nog steeds van kracht. Er is dus noch een politiek akkoord, noch budgettaire ruimte om in de LOI's nieuwe plaatsen te creŽren.

Een tiental gemeenten hebben een aanvraag tot uitbreiding ingediend. Een uitbreiding van de LOI's is echter niet mogelijk zolang het moratorium van kracht is.

Er loopt momenteel een projectoproep om via het Europees Vluchtelingenfonds het aantal tijdelijke opvangplaatsen uit te breiden. In het Belgisch Staatsblad van 24 november 2008 werd een oproep gepubliceerd. Een van de prioriteiten is: `voorzieningen treffen en/of begeleiden en ondersteunen van de asielaanvragers en vluchtelingen op het vlak van huisvesting; enerzijds conjuncturele antwoorden, ťťn jaar maximum, formuleren op het niveau van de verzadiging van het opvangnetwerk en anderzijds de erkende vluchtelingen ondersteunen bij het zoeken naar een woning.' Op 9 december 2008 werd een informatieve nota voor de OCMW's verstuurd naar de drie regionale verenigingen van steden en gemeenten. Die nota nodigt de OCMW's uit om in het kader van het EVF projecten in te dienen inzake huisvesting en specifieke begeleiding. In dat opzicht mogen alle OCMW's die geÔnteresseerd zijn in het opstarten van bijvoorbeeld nachtasiel of noodopvangplaatsen vůůr 31 januari 2009 projectvoorstellen indienen bij de cel EVF van Fedasil, verantwoordelijke autoriteit in BelgiŽ voor het EVF.

Mevrouw Nahima Lanjri (CD&V). - Ik stel vast dat slechts noodmaatregelen worden genomen. Er wordt verwezen naar het feit dat de nieuwe asielprocedure de proceduretermijn zal verkorten wanneer ze volledig in werking zal zijn. Minister Turtelboom verzekerde dat die termijn inmiddels tot acht maanden is teruggebracht. Dat wil echter niet zeggen dat zolang die procedure niet ten volle van kracht is, er geen oplossingen moeten komen voor de mensen die daardoor langer in de materiŽle opvang moeten zitten. Ik vind het dan ook niet evident dat alleen tijdelijke maatregelen worden genomen en noodopvang wordt aangeboden, die bovendien in veel gevallen wordt voorzien bij de daklozen. Dat is een heel andere doelgroep.

Ik vraag nogmaals met aandrang om de opvang te herbekijken en om na te gaan of het moratorium, na evaluatie en binnen de budgettaire mogelijkheden, kan worden opgeschort. Op zijn minst zou men die mogelijkheid moeten bieden aan de gemeenten die zelf bereid zijn om vluchtelingen op te nemen.

Het is bovendien dringend tijd om de opvangwet te evalueren. Ik heb in de wet een evaluatie ťťn jaar na de inwerkingtreding laten opnemen. Die termijn is al voorbij. Er mag dus niet langer worden getalmd.

Vraag om uitleg van de heer Josy Dubiť aan de minister van Landsverdediging over ęde evolutie van de militaire situatie in Afghanistan en de dreigingen op de bevoorrading van onze troepenĽ (nr. 4-638)

De voorzitter. - De heer Bernard Clerfayt, staatssecretaris voor de Modernisering van de Federale Overheidsdienst FinanciŽn, de Milieufiscaliteit en de Bestrijding van de fiscale fraude, toegevoegd aan de minister van FinanciŽn, antwoordt.

De heer Josy Dubiť (Ecolo). - Ik maak me ernstig zorgen over de recente militaire evolutie in Afghanistan.

Toen ik onlangs met de minister van Buitenlandse Zaken op bezoek was in Kaboel en Kandahar, had ik de gelegenheid onder vier ogen een lang gesprek te voeren met de Belgische kolonel die verantwoordelijk is voor onze troepen ter plaatse. Die uitstekende militair, allesbehalve een `vechtersbaas', zei me dat de militaire situatie snel verergert. De rebellen controleren 50 tot 70% van het land en de bijna 70 000 geallieerde soldaten zijn niet langer bij machte de situatie te controleren.

De toenemende onveiligheid legt een hypotheek op de lopende ontwikkelingsprojecten. Die krijgen nu al veel te weinig financiŽle middelen terwijl de militaire uitgaven voortdurend stijgen.

Die Belgische militair beklemtoonde vooral de extreme kwetsbaarheid van de alliantie op het vlak van de bevoorrading van brandstof, levensmiddelen en wapens. Meer dan 70% wordt vanuit Pakistan aangevoerd met vrachtwagens en tankwagens via de gevaarlijke Khyberpas, een grensgebied dat in handen is van de Taliban en hun Pakistaanse islamitische medestanders, waar het risico op aanslagen groot is.

Met stoutmoedige aanvallen door honderden Taliban en hun medestanders zijn honderden vrachtwagens met militair materiaal in Peshawar in Pakistan verbrand en vernietigd. Sindsdien weigeren privťtransporteurs nog naar Afghanistan te rijden. Het konvooi van privťvrachtwagens die de Amerikaanse en de NAVO-troepen bevoorraden ligt dus op dit moment stil.

Die aanvallen illustreren de strategie van de rebellen: ze focussen op de gevoelige plekken en ze nemen geen grote risico's. Er zouden slechts twee doden gevallen zijn. Blijkbaar opereren de Taliban en hun Pakistaanse medestanders, min of meer naar eigen goeddunken, ten oosten van de Durandlijn in de grensstreken met Afghanistan die vooral bevolkt worden door Pathanen. Terzelfder tijd klaagt de regering Karzai - die steeds machtelozer wordt en impopulair - westerse `schoonheidsfoutjes' aan, met als gevolg dat de lokale bevolking wordt opgezet tegen de westerse strijdkrachten die in de ogen van veel Afghanen van een bevrijdingsleger geŽvolueerd zijn naar een bezettingsleger.

Kortom, de situatie wordt steeds rampzaliger, zowel op militair als op politiek vlak.

Hoe evalueert de minister de situatie?

Hoe kan de bevoorrading van brandstof, levensmiddelen en munitie van onze troepen worden verzekerd als de toegangswegen vanuit Pakistan onbruikbaar worden? Kan een beveiliging van die essentiŽle wegen, met inbegrip van de wegen in Pakistan, door de Amerikaanse troepen worden overwogen?

Is de minister voorstander van de vervolging van rebellen die vluchten naar het naburige Pakistan?

Hoe kan de ontwikkelingssamenwerking worden voortgezet of uitgebreid en de veiligheid van de medewerkers ter plaatse worden verzekerd in het steeds gevaarlijker wordend land?

Welke strategie wordt gevolgd om uit die conflictsituatie te raken en binnen welke tijdsspanne kan dat gebeuren?

De heer Bernard Clerfayt, staatssecretaris voor de Modernisering van de Federale Overheidsdienst FinanciŽn, de Milieufiscaliteit en de Bestrijding van de fiscale fraude, toegevoegd aan de minister van FinanciŽn. - Ik lees het antwoord van de minister.

Op militair vlak voeren de rebellen in Afghanistan operaties tegen de ISAF en tegen de strijdkrachten van de coalitie. Die trachten de Afghaanse bevolking en de internationale gemeenschap te doen geloven dat de situatie op het vlak van de veiligheid verslechtert.

Op politiek vlak verwachten we een vooruitgang in het democratiseringsproces, vooral dankzij de geplande verkiezingen in de loop van dit jaar.

De ISAF onderzoekt alternatieven voor de bestaande verbindingswegen met Pakistan. Een doorgang via het noorden van Afghanistan wordt overwogen.

Voor de beveiliging van de verbindingswegen in Afghanistan zijn de ISAF en de Afghaanse veiligheidstroepen in het algemeen verantwoordelijk. De Pakistaanse autoriteiten blijven verantwoordelijk voor de beveiliging van bevoorradingskonvooien van de ISAF die via Pakistan rijden.

De NAVO wenst de rebellenproblemen in Afghanistan meer op regionaal niveau op te lossen. Zo heeft ze onlangs de hulp en de samenwerking van de Pakistaanse regering gevraagd om het probleem van het `toevluchtsoord' voor de rebellen in Pakistan aan te pakken.

De beste manier om de ontwikkelingssamenwerking in Afghanistan te bevorderen is informatiecampagnes voeren over het nut en de noodzaak ervan, zodat de samenwerking meer zichtbaar wordt en bijgevolg door de Afghaanse bevolking gemakkelijker wordt aanvaard.

De hoeksteen van het engagement van de ISAF is vorming van Afghaanse veiligheidstroepen via de oprichting van Operational Mentoring and Liaison Teams (OMLT). Die moeten op termijn autonoom de veiligheid in hun land in stand kunnen houden. BelgiŽ werkt daaraan mee; sinds 5 januari 2009 biedt een OMLT advies, vorming en ondersteuning aan een Afghaans bataljon in Kunduz.

Een andere prioriteit van de ISAF is de heropbouw van het land via Provincial Reconstruction Teams (PRT). BelgiŽ is vertegenwoordigd in het PRT van Kunduz. Beide processen vergen enorm veel tijd en investeringen van de ISAF.

De heer Josy Dubiť (Ecolo). - De antwoorden van de minister zijn zeer ontgoochelend. Wie een politieke verbetering ziet, neemt zijn wensen voor werkelijkheid. Niemand, zelfs niet de politieke en militaire verantwoordelijken ter plaatse, gelooft dat.

De minister beweert dat de oplossing in de `Afghanisering' ligt. Recente voorbeelden tonen aan dat dit verre van juist is. Ik denk aan de Amerikaanse poging om de oorlog in Vietnam te `vietnamiseren'. We weten waartoe dat geleid heeft.

De Sovjets hadden al hetzelfde gedaan toen ze Afghanistan verlieten in februari 1989. Ze zijn in goede omstandigheden vertrokken. Ze hadden een redelijk sterk Afghaans leger opgericht dat twee en een half jaar stand heeft gehouden en daarna in elkaar is gestort omdat sommigen van kamp veranderden - ik denk aan Dostum, een communistisch Oezbeeks generaal. We moeten ons niet te veel illusies maken. Wie de regio kent, weet dat ideologische beloften niet geloofwaardig zijn en dat alles mogelijk is.

Ik ben er niet gerust in. De minister heeft niet geantwoord op mijn belangrijkste vraag, namelijk hoe de bevoorrading van de troepen kan worden verzekerd. Zullen de konvooien van vrachtwagens worden hervat? De minister zegt dat men eraan denkt via het noorden van Afghanistan te reizen. Volgens mijn informatie weigeren Pakistaanse privť-chauffeurs tot op vandaag nog steeds de leveringen te hervatten. Hoe kunnen onze troepen worden bevoorraad? Hoe bevoorraden de Amerikanen hun troepen?

Men zou de bevoorrading per vliegtuig kunnen doen, maar dat kost fortuinen.

Kortom, het antwoord van de minister kan mijn bezorgdheid geenszins milderen.

We hebben inderdaad een PRT in Kunduz, maar de regio, die tot nu toe redelijk gespaard is gebleven, heeft met ernstige problemen te kampen. Er werden onlangs aanslagen gepleegd op de markt van Kunduz. De rebellie wint terrein en ik ben zeer ongerust over wat komen gaat.

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de minister voor Ondernemen en Vereenvoudigen over ęde verkoop via het internetĽ (nr. 4-632)

De voorzitter. - De heer Bernard Clerfayt, staatssecretaris voor de Modernisering van de Federale Overheidsdienst FinanciŽn, de Milieufiscaliteit en de Bestrijding van de fiscale fraude, toegevoegd aan de minister van FinanciŽn, antwoordt.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - In ons land vinden steeds meer mensen hun weg op het internet, niet alleen om informatie over producten of diensten te zoeken, maar ook het shoppen op het internet zit in de lift.

In 2007 ging de onlineverkoop in vergelijking met 2006 er met 46 procent op vooruit, tot bijna 1 miljard euro. In 2008 zou daar nog eens 20 tot zelfs 30 procent bijkomen. Naast de onlineaankopen nemen ook de financiŽle transacties een hoge vlucht. Men rekent op een groei van zowat 50 procent. De verkoop van cd's, dvd's en allerhande elektronica blijft het goed doen op internet, maar in 2008 komen ook de textiel- en modesector nadrukkelijk op het voorplan.

Nochtans loopt het in ons land niet zo'n vaart als in Groot-BrittanniŽ, bijvoorbeeld, waar in 2007 zowat 27 miljoen Britten op internet spullen aankochten. BelgiŽ telt meer dan 3000 internetwinkels. Ter vergelijking: Nederland telt er intussen ruim 14 000. De onlineverkoop in BelgiŽ verschaft werk aan zo'n 32 500 werknemers.

Welke conclusies trekt de minister uit deze cijfergegevens en de vergelijking met het buitenland hieromtrent?

Acht de minister het wenselijk maatregelen te nemen om de internethandel te stimuleren en eenvoudiger te maken?

Hoeveel dossiers betreffende misbruik bij internethandel werden het voorbije jaar opgesteld?

Welke maatregelen wil de minister nemen om misbruik in deze sector tegen te gaan of om, met andere woorden, de internethandel veiliger te maken?

De heer Bernard Clerfayt, staatssecretaris voor de Modernisering van de Federale Overheidsdienst FinanciŽn, de Milieufiscaliteit en de Bestrijding van de fiscale fraude, toegevoegd aan de minister van FinanciŽn. - De elektronische handel wordt geregeld door richtlijn 2000/31/EG van 8 juni 2000 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij, met name de elektronische handel, in de interne markt en door richtlijn 1997/7/EG van 20 mei 1997 betreffende de bescherming van de consument bij op afstand gesloten overeenkomsten. Deze richtlijnen laten weinig bewegingsruimte voor nationale wetgevende initiatieven.

Niettemin ben ik van mening dat de internethandel ook door een hervorming van de wet van 14 juli 1991 betreffende de handelspraktijken gestimuleerd kan worden. De sector laat immers weten dat, bijvoorbeeld, het verbod op het eisen van betaling voor het aflopen van de bedenktermijn een serieuze hinderpaal vormt voor de Belgische internethandelaars. Deze verplichting bestaat in onze buurlanden niet en zorgt ervoor dat de buitenlandse internetwinkels een concurrentieel voordeel hebben.

Daarom pleit ik reeds enige tijd voor de afschaffing van dit verbod. Binnen de regering zijn de onderhandelingen over de hervorming van de handelspraktijkenwet aan de gang en mijn voorstel wordt daarin meegenomen.

De algemene directie Controle en Bemiddeling ADCB, van de FOD Economie ontving in het afgelopen jaar 568 klachten in verband met handel via internet, waarvan ongeveer de helft betrekking had op buitenlandse dienstverleners. De klachten zijn zeer uiteenlopend en handelen meestal over bepalingen inzake overeenkomsten op afstand, gedwongen aankopen, bedrog, ongevraagde elektronische reclame en spam en de niet-levering van producten of diensten.

Om de veiligheid en het vertrouwen in de handel via het internet te verbeteren en de ontwikkeling ervan te ondersteunen en te verzekeren, zijn reeds vele initiatieven genomen. De cel Internetbewaking van de ADCB verzekert een permanente controle van de handel via het internet en verzorgt de behandeling van klachten van consumenten en ondernemingen. De cel werkt hiervoor intensief samen met de Federal Computer Crime Unit, FCCU, van de federale politie via het meldpunt www.ecops.be. Op internationaal niveau werkt de cel onder andere samen met buitenlandse autoriteiten via het Consumer Protection Cooperation Network, CPC, een netwerk van nationale handhavingsinstanties, dat is ingesteld bij verordening 2006/2004/EG betreffende samenwerking met betrekking tot consumentenbescherming om grensoverschrijdende problemen aan te pakken.

Bijkomend zal de FOD Economie op korte termijn een didactische en pedagogische website lanceren, onder de vorm van een pseudocommerciŽle website, waardoor ondernemingen en consumenten op een interactieve manier van hun rechten en plichten inzake elektronische handel kennis kunnen nemen. Daarnaast geeft de FOD Economie een groot aantal brochures uit, die ook online verkrijgbaar zijn via de website van de FOD Economie, www.economie.fgov.be, over onder andere ongevraagde elektronische reclame en spam, oplichting, bedrog en internetcriminaliteit.

Tot slot komt er een intensieve samenwerking met publieke en privťpartners in het kader van de strijd tegen spam. De FOD Economie zal actief deelnemen aan de discussiefora en initiatieven die door de groep SpamSquad op www.spamsquad.be worden georganiseerd.

Vraag om uitleg van mevrouw Nahima Lanjri aan de minister van Migratie- en Asielbeleid over ęhet overleg met het middenveld over de vreemdelingenproblematiekĽ (nr. 4-623)

De voorzitter. - De heer Bernard Clerfayt, staatssecretaris voor de Modernisering van de Federale Overheidsdienst FinanciŽn, de Milieufiscaliteit en de Bestrijding van de fiscale fraude, toegevoegd aan de minister van FinanciŽn, antwoordt.

Mevrouw Nahima Lanjri (CD&V). - Een evenwichtig asiel- en migratiebeleid is van groot belang. Om in deze materie tot een akkoord te komen dat voor iedereen aanvaardbaar is, is systematisch overleg met het middenveld nodig. Overleg is niet alleen nodig binnen de regering - de premier zet de inspanningen van Yves Leterme ter zake voort - en het parlement, maar ook met het middenveld. De organisaties die zich bezighouden met de vreemdelingenproblematiek hebben immers in de loop der jaren een zekere expertise opgebouwd. Dag in, dag uit, zijn ze op het terrein actief. Ook de regering werkt met die organisaties samen, zoals het Rode Kruis, Caritas, het Centrum voor gelijkheid van kansen en racismebestrijding en zo meer. Helaas bestaat er op het ogenblik nog geen systematisch overleg.

Nochtans voorziet de vreemdelingenwet in een mogelijkheid dergelijk overleg te organiseren. Artikel 31 van de wet bepaalt dat er een Raad van Advies voor de Vreemdelingen wordt opgericht, `die gelast is een voorafgaand, met redenen omkleed advies uit te brengen over alle ontwerpen en voorstellen van wet, decreet of ordonnantie betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, die hem door de voorzitter van ťťn van beide Wetgevende Kamers of van ťťn der Gemeenschaps- of Gewestraden, dan wel de Verenigde vergadering van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie worden voorgelegd'.

De samenstelling van die raad zou wel moeten worden aangepast zodat er naast de afgevaardigden van de federale en de deelstaatregeringen ook vertegenwoordigers van het middenveld kunnen worden opgenomen. Zij kunnen net als dat bij andere adviesraden het geval is, hun deskundigheid en expertise aanreiken.

Ik stel helaas vast dat de raad niet meer samenkomt. De wet blijft dode letter.

Is de minister overtuigd van het belang van een systematisch overleg met de verschillende organisaties uit het middenveld? Is zij van plan om een dergelijk systematisch overleg op te starten? Heeft zij hieromtrent al enkele initiatieven genomen?

Wat is de mening van de minister over de Raad van Advies voor Vreemdelingen? Denkt zij dat die raad een nuttige rol kan spelen? Zal zij de raad in de toekomst laten bijeenkomen? Is zij er voorstander van om het middenveld in de raad te integreren? Tijdens de regeringsonderhandelingen over de oranjeblauwe regering was hierover een akkoord gesloten, maar het punt is in het regeerakkoord weggevallen.

De heer Bernard Clerfayt, staatssecretaris voor de Modernisering van de Federale Overheidsdienst FinanciŽn, de Milieufiscaliteit en de Bestrijding van de fiscale fraude, toegevoegd aan de minister van FinanciŽn. - Ik lees het antwoord van minister Turtelboom.

Een systematisch overleg met de organisaties uit het middenveld lijkt me niet enkel raadzaam, het is ook nodig om een evenwichtig vreemdelingenbeleid te voeren. Als minister verantwoordelijk voor het migratie- en asielbeleid, heb ik vanaf mijn aantreden contacten gelegd met verschillende organisaties die op dat terrein actief zijn. Ik probeer met een zekere regelmaat die contacten voort te zetten en in de mate van het mogelijke ga ik ook in op de vraag van die organisaties om hen te woord te staan.

Ook de Dienst Vreemdelingenzaken heeft als administratieve overheid regelmatig ontmoetingen met verenigingen uit het middenveld. Ik denk hierbij in het bijzonder aan het Belgisch Comitť voor Hulp aan Vluchtelingen, het Forum Asiel & Migraties, Coordination et Initiatives pour Rťfugiťs et …trangers en Vluchtelingenwerk Vlaanderen, waarmee directe contacten worden onderhouden. Mijn administratie en ikzelf zijn steeds bereid om een discussie over bepaalde beleidskeuzes of problemen aan te gaan. Ook kunnen de ombudsmannen zich steeds tot de DVZ wenden.

Ik meen dat mijn medewerkers en ikzelf de afgelopen maanden voldoende hebben aangetoond dat we bereikbaar zijn voor het middenveld en dat geen nieuwe initiatieven nodig zijn.

De Raad van Advies voor Vreemdelingen bestaat wettelijk gezien nog steeds, maar hij komt in de praktijk sinds lange tijd niet meer samen. Het mandaat van de laatste effectieve leden is verstreken op 2 augustus 1996 en werd niet meer vernieuwd. De raad heeft de opdracht een voorafgaand advies uit te brengen over alle ontwerpen en voorstellen van wet, decreet of ordonnantie betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen.

Aangezien over wetgevende initiatieven inzake migratie nagenoeg steeds op Europees niveau wordt beslist en die tendens in de toekomst enkel nog zal toenemen, ben ik van mening dat het weinig zin heeft om de raad opnieuw in te richten.

Mevrouw Nahima Lanjri (CD&V). - Ik vind het niet meer dan logisch dat de ministers elk in hun vakdomein geregelde contacten onderhouden met experts en de organisaties op het terrein.

Artikel 31 van de vreemdelingenwet voorziet in de oprichting van een raad die niet alleen de regering, maar ook het parlement moet adviseren. Dat die sinds 2006 niet meer is samengekomen, betekent dus ook dat de parlementsleden zijn advies niet meer hebben kunnen inwinnen over door hen ingediende wetsvoorstellen.

Ik ben het ermee eens dat Europa een steeds grotere impact heeft. Europa bakent het kader af maar de lidstaten implementeren de door Europa uitgestippelde regels. Overigens als alles duidelijk was, zouden we ons nu niet in een impasse bevinden. Er is nog te veel ruimte voor interpretatie en keuzes.

Daarom acht ik het onontbeerlijk dat de raad opnieuw aan het werk gaat. Ik weet ook wel dat de regering en het parlement de uiteindelijke beslissing nemen al dan niet rekening houdend met de adviezen. Het lijkt me wel essentieel dat we de wet volgen. Ik ben het dan ook niet eens met de minister, die de raad overbodig acht. Ik dring erop aan de raad opnieuw te activeren en te dynamiseren.

Vraag om uitleg van de heer Marc Elsen aan de minister van Migratie- en Asielbeleid over ęhet voorontwerp van wet inzake buitenlandse studentenĽ (nr. 4-631)

De voorzitter. - De heer Bernard Clerfayt, staatssecretaris voor de Modernisering van de Federale Overheidsdienst FinanciŽn, de Milieufiscaliteit en de Bestrijding van de fiscale fraude, toegevoegd aan de minister van FinanciŽn, antwoordt.

De heer Marc Elsen (cdH). - Mijn vraag aan minister Turtelboom houdt verband met een vraag die ik vroeger heb gesteld, maar waarop ik niet het gewenste volledige antwoord heb gekregen.

De minister bereidt op dit ogenblik een wetsontwerp voor tot beperking van de toekenning van visa aan buitenlandse studenten teneinde misbruiken ter zake terug te schroeven.

Het voornemen van de minister om misbruiken van bepaalde studenten te bestrijden, mag dan volstrekt lovenswaardig zijn, het komt erop aan om maatregelen te nemen die in verhouding staan tot het beoogde doel. Bijgevolg lijkt het me gepast ons te baseren op relevante cijfers, zoals het percentage toegekende visa, het percentage studenten met een visum die slagen of nog, het percentage van studenten die na het beŽindigen van hun studie naar hun land terugkeren.

Bijgevolg kreeg ik graag enkele preciseringen van de minister.

Hoeveel van het totaal aantal de jongste vijf jaar uitgereikte studentenvisa werden hernieuwd? Hoeveel keer leidde een niet-hernieuwing van een studentenvisum tot een wijziging van statuut, tot het statuut van migrerend werknemer of tot het statuut van gezinshereniging?

Gaat de dienst Vreemdelingenzaken, om op een correcte manier misbruiken te bekampen en op te lossen, na hoeveel personen dankzij een studentenvisum een diploma hebben behaald en hoeveel gediplomeerden naar hun land van oorsprong terugkeren?

De heer Bernard Clerfayt, staatssecretaris voor de Modernisering van de Federale Overheidsdienst FinanciŽn, de Milieufiscaliteit en de Bestrijding van de fiscale fraude, toegevoegd aan de minister van FinanciŽn. - Mijn administratie beschikt spijtig genoeg niet over statistische gegevens met betrekking tot studentenvisa. Dat heeft hoofdzakelijk te maken met een gebrek aan middelen. Desalniettemin rust mijn administratie zich op dit ogenblik uit met een doeltreffender informaticasysteem dat beter is afgestemd op haar behoeften.

De desbetreffende statistische gegevens zijn het resultaat van twee analyses die werden uitgevoerd door de dienst `monitoring van de diplomatieke en consulaire posten van de dienst Vreemdelingenzaken' om de bestaande regelgeving te evalueren.

De eerste globale analyse werd gerealiseerd in oktober 2007 en heeft betrekking op de visa die werden uitgereikt voor het academiejaar 2005-2006 in landen waar we een groot aantal studentenvisa registreren, namelijk China, Marokko, Kameroen, de Democratische Republiek Congo, RoemeniŽ, Vietnam, Algerije, Rwanda en Canada. Voor dat academiejaar werden in totaal 2624 visa uitgereikt voor zowel voorbereidende jaren als voor het hoger onderwijs.

Uit de studie blijkt dat van 2624 studenten met een visum er 616 een voorbereidend jaar volgen, terwijl slechts 140 van hen met het oog daarop een visum hadden aangevraagd. Meer dan de helft, 1864 studenten, hebben de richting gevolgd die ze op hun visumaanvraag hadden vermeld, hetzij onmiddellijk, hetzij na een voorbereidend jaar, maar slechts 967 van hen zijn in het jaar 2006-2007 dezelfde richting blijven volgen. 474 studenten hebben een andere studierichting gekozen dan die welke ze op hun visumaanvraag hadden vermeld, hetzij onmiddellijk, hetzij na een voorbereidend jaar. 947 studenten waren het daaropvolgend academiejaar niet meer ingeschreven en 141 personen met een visum hebben zich nooit ingeschreven.

Op de 2007 studenten van de 2624 die een studentenvisum voor het hoger onderwijs hadden ontvangen, zijn er slechts 931, minder dan de helft, het daaropvolgende academiejaar in dezelfde onderwijsinstelling ingeschreven gebleven; 186 van hen zijn van richting veranderd, 141 hebben geen inschrijving en 714 hebben geen inschrijving meer genomen.

De tweede, meer gerichte analyse werd afgerond in 2008 en had betrekking op visa voor Marokkaanse studenten voor het academiejaar 2005-2006 en op de studieloopbaan van de betrokkenen in 2006-2007 in BelgiŽ. Marokko is immers een van de landen waaruit de meeste studenten afkomstig zijn. Alles samen werden er voor het academiejaar 2005-2006 471 visa aan Marokkaanse studenten uitgereikt.

Uit die analyse blijkt dat 269 van die 471 studenten in het academiejaar 2007-2008 nog altijd ingeschreven waren. 82 onder hen zijn na een mislukking wegens slechte resultaten of wegens schoolverzuim van onderwijsinstelling moeten veranderen. Van de 269 die in het academiejaar 2007-2008 in dezelfde onderwijsinstelling zijn ingeschreven gebleven, heeft slechts een zeer klein percentage zijn jaar met succes beŽindigd. Sommigen zijn in dezelfde instelling ingeschreven gebleven, maar dan niet in hetzelfde jaar.

Tot besluit hebben we dankzij die rapporten de hoofdproblemen waarmee de bevoegde overheden te maken hebben, klaar en objectief weten af te lijnen. Ook de verbindingsambtenaren of de experts van de dienst Vreemdelingenzaken die jaarlijks naar de Belgische diplomatieke en consulaire posten worden gezonden, hebben die problemen kunnen oplijsten, meer bepaald in Kameroen, Marokko, de Democratische Republiek Congo, Algerije en China.

Die rapporten hebben bepaalde misbruiken en vervalsingen aan het licht gebracht waaraan studenten zich als dader of mededader schuldig maken, of waarvan studenten het slachtoffer zijn, namelijk vervalsing van documenten - valse inschrijvingsbewijzen of valse getuigschriften van tenlasteneming -, met name bij de vernieuwing van de verblijfsvergunning, een praktijk die vooral gangbaar is onder Chinezen, zwartwerk, misbruik van procedure, die erin bestaat een andere aanvraag in te dienen zodra men zich op ons grondgebied bevindt, zoals een naturalisatieaanvraag, een aanvraag van verblijfsvergunning ingevolge huwelijk met een Belg - een praktijk die hoofdzakelijk onder Marokkanen gangbaar is -, een aanvraag van verblijfsvergunning om humanitaire redenen of een asielaanvraag.

De huidige regelgeving biedt mijn administratie geen enkel instrument om die gevallen van fraude of misbruik van procedure te bestrijden aangezien op eenvoudig voorleggen van door de wet bepaalde documenten de facto een studentenvisum wordt uitgereikt.

Ik wil die situatie dus te verhelpen met een wetswijziging. Dat neemt echter niet weg dat het wetsontwerp past in een meer globaal kader van harmonisering van de nationale wetgevingen in de lidstaten van de Europese Unie. Zo vloeien de voorwaarden waaraan een student moet voldoen om hier legaal te verblijven, direct voort uit de omzetting van richtlijn 2004/114/EG van 13 december 2004. Die richtlijn reikt de instrumenten aan om misbruik te voorkomen en te bestrijden. Het is mijn bedoeling om die op te nemen in onze wetgeving. Het spreekt vanzelf dat echte studenten welkom blijven.

De heer Marc Elsen (cdH). - Het argument dat men niet over de instrumenten beschikt om de resultaten van zijn beleid te toetsen, lijkt me nogal zwak. Als men beslist om een beleid te voeren, dan moet men zich de instrumenten verschaffen om de resultaten en de relevantie ervan te kunnen verifiŽren. Toch blijken er bepaalde statistische middelen voorhanden te zijn, aangezien de minister zopas interessante cijfergegevens heeft aangehaald.

Men moet er weliswaar voor zorgen dat procedures niet worden misbruikt, maar dat betekent nog niet dat men alles op een hoopje mag gooien.

Een student komt in zijn studieloopbaan soms tegenslagen tegen of verandert van richting, maar dat betekent nog niet dat het hem aan studiemotivatie ontbreek. Men moet alles naar zijn juiste waarde weten te schatten.

We zullen nauwlettend blijven toezien op de ontwikkelingen in de wetgeving ter zake, die ook de minister voorstaat, en meer bepaald op de omzetting van de Europese richtlijn, ook al dient de toepassing van die richtlijn te passen in een algemeen migratiebeleid. Het komt er dus op aan dat de andere aspecten van dat beleid parallel hiermee worden ontwikkeld.

De heer Bernard Clerfayt, staatssecretaris voor de Modernisering van de Federale Overheidsdienst FinanciŽn, de Milieufiscaliteit en de Bestrijding van de fiscale fraude, toegevoegd aan de minister van FinanciŽn. - Men kan moeilijk beweren dat er geen middelen werden vrijgemaakt. Misschien zijn de beschikbare middelen wel ontoereikend voor het grote aantal aanvragen, waarvan sommige frauduleus zijn. Men kan ongetwijfeld middelen vrijmaken om de rechtmatige visumaanvragen te behandelen door misbruiken te bestrijden en zich met eerbiediging van de Europese regelgeving toe te leggen op het uitwerken van een geschikte procedure voor wie aan de voorwaarden voldoet.

De heer Marc Elsen (cdH). - Misschien zijn er ook follow-upinstrumenten nodig. Het is bijvoorbeeld belangrijk om te kunnen nagaan hoeveel studenten na hun opleiding naar hun land van oorsprong terugkeren.

Vraag om uitleg van de heer Marc Elsen aan de minister van Binnenlandse Zaken over ęde toekomst van de cel educatie en preventieĽ (nr. 4-629)

De voorzitter. - De heer Bernard Clerfayt, staatssecretaris voor de Modernisering van de Federale Overheidsdienst FinanciŽn, de Milieufiscaliteit en de Bestrijding van de fiscale fraude, toegevoegd aan de minister van FinanciŽn, antwoordt.

De heer Marc Elsen (cdH). - Onlangs werd ik door verschillende schooldirecties aangesproken op de mogelijke afschaffing van de Cel Educatie en Preventie.

Nochtans komt die door de scholen uiterst gewaardeerde dienst tegemoet aan een reŽle behoefte. In het raam van de voorlichting en opvoeding tot verkeersveiligheid biedt hij een brede waaier aan activiteiten aan voor leerlingen van het lager en middelbaar onderwijs, rekening houdend met de vereisten van hun leeftijd: een mobiel verkeersparcours, een handigheidsparcours, fietsrally's, promotie voor het dragen van de veiligheidsgordel met een `tuimelwagen'.

Het opvoedend werk waaraan de agenten van de cel educatie en preventie zich met ernst en professionalisme wijden, wordt in brede kringen erkend.

Spijtig genoeg verneem ik dat de cel, hoofdzakelijk om financiŽle redenen, gedoemd is om te verdwijnen. De personeelsinkrimping van vier naar drie personen per provincie en het gebrek aan voertuigen om het materiaal voor de activiteiten te vervoeren, zou de goede werking van de dienst wel eens in het gedrang kunnen brengen en op termijn de afschaffing ervan in de hand werken.

Naast het aanleren aan onze jongeren van de verkeersveiligheid en het hen bewust maken voor de gevaren op de weg is er ook een belangrijk relationeel aspect. Tijdens die activiteiten kan de politie positieve contacten leggen met de leerlingen, met name met de jongsten onder hen die ze slechts zelden ontmoet. Dat kan alleen maar ten goede komen aan het imago dat jongeren hebben van de behoeders van de wetten die het fundament vormen van het leven in gemeenschap!

Ik ben ervan overtuigd dat die ondersteuningsdienst absoluut behouden moet blijven, willen we de voorlichting, de preventie en de opleiding van kinderen en adolescenten onder de best mogelijke voorwaarden blijven organiseren.

Daarom had ik graag vernomen welke toekomst voor de Cel Educatie en Preventie van de federale politie is weggelegd. Is er vandaag echt sprake van om de werking van de dienst te wijzigen of hem op termijn zelfs af te schaffen? Mocht dat inderdaad het geval zijn, wat ik samen met tal van schoolhoofden en politieagenten die deze opdracht ter harte nemen, ten zeerste zou betreuren, kunt u me dan zeggen hoelang en onder welke omstandigheden de dienst zijn opdracht nog kan blijven vervullen?

De heer Bernard Clerfayt, staatssecretaris voor de Modernisering van de Federale Overheidsdienst FinanciŽn, de Milieufiscaliteit en de Bestrijding van de fiscale fraude, toegevoegd aan de minister van FinanciŽn. - Ik lees het antwoord van de minister van Binnenlandse Zaken.

Net als u en ik, erkent de federale politie de meerwaarde op pedagogisch vlak van de cellen educatie en preventie. Momenteel is er dus geen sprake van om de dienst te wijzigen of af te schaffen. Dat belet ons echter niet om eens in algemene termen na te denken over de inzet van zijn totale capaciteit.

Vraag om uitleg van mevrouw Nele Jansegers aan de minister van Binnenlandse Zaken over ęde beschikbaarheid van volmachtformulieren voor de komende verkiezingen bij de gemeentelijke dienstenĽ (nr. 4-640)

De voorzitter. - De heer Bernard Clerfayt, staatssecretaris voor de Modernisering van de Federale Overheidsdienst FinanciŽn, de Milieufiscaliteit en de Bestrijding van de fiscale fraude, toegevoegd aan de minister van FinanciŽn, antwoordt.

Mevrouw Nele Jansegers (VB). - Op 7 juni van dit jaar zullen er in ons land regionale en Europese verkiezingen zijn. Of dat de enige en eerste verkiezingen dit jaar zullen zijn, moeten we nog afwachten. Het kan in ons land snel gaan.

In een wetsvoorstel dat collega Yves Buysse en ikzelf tijdens de vorige legislatuur indienden, stelden we voor dat gemeentebesturen altijd een volmachtformulier voor verkiezingen ter beschikking zouden hebben. Uit een steekproef die we deden, bleek immers dat in de meeste gemeenten volmachtformulieren maar een paar weken voor de verkiezingen beschikbaar zijn. Nochtans zijn er steeds meer mensen die voor een lange periode op reis gaan of in het buitenland verblijven. Wie bijvoorbeeld vandaag vertrekt voor een verblijf in het buitenland van zes maanden of een jaar, zal in zijn of haar gemeente waarschijnlijk nog geen volmachtformulier kunnen afhalen voor de verkiezingen van 7 juni, laat staan voor eventuele vervroegde federale verkiezingen ...

Vandaar de volgende vragen.

Kunnen mensen die in de komende weken of maanden op reis vertrekken al een volmachtformulier krijgen voor de verkiezingen van 7 juni in hun gemeente of bij de FOD Binnenlandse Zaken? Zo ja, kan dit formulier dan ook gelden voor eventuele vervroegde federale verkiezingen? Zo niet, hoe kan ervoor worden gezorgd dat deze mensen toch bij volmacht kunnen stemmen op 7 juni of bij eventuele vervroegde verkiezingen?

Is de minister gewonnen voor het idee om een `tijdloos' volmachtformulier te ontwerpen en ervoor te zorgen dat zo'n document permanent ter beschikking is in de gemeenten, zodat mensen die voor een lange tijd op reis gaan, steeds een volmacht aan familie of vrienden kunnen geven voor het geval er verkiezingen zijn in de periode dat ze niet in het land verblijven? Zo'n formulier zou bijvoorbeeld op de website van de FOD Binnenlandse Zaken ter beschikking kunnen zijn. internetgebruikers kunnen het dan zelf downloaden en printen en gemeenten kunnen hetzelfde doen voor inwoners die daar om vragen. Het zou bijvoorbeeld ťťn jaar geldig kunnen zijn vanaf de datum van ondertekening door de volmachtgever.

Indien de minister voor zo'n `tijdloos' formulier gewonnen is, wanneer kan het dan beschikbaar zijn op de webstek van de FOD Binnenlandse Zaken en wanneer krijgen de gemeenten daarbij de nodige richtlijnen?

De heer Bernard Clerfayt, staatssecretaris voor de Modernisering van de Federale Overheidsdienst FinanciŽn, de Milieufiscaliteit en de Bestrijding van de fiscale fraude, toegevoegd aan de minister van FinanciŽn. - Ik lees het antwoord van de minister van Binnenlandse Zaken.

Het volmachtformulier dat gebruikt moet worden bij de Europese en regionale verkiezingen van 7 juni 2009 zal in de loop van de maand januari op de website van mijn administratie worden gepubliceerd. De kiezer zal dus de mogelijkheid hebben om het te downloaden en er de naam in te vullen van de volmachthebber die hij kiest.

Het model van dit formulier werd bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 24 augustus 2002 als bijlage 1 bij het koninklijk besluit dat dit model vastlegt. In feite moet de burger er enkel de naam van de gemachtigde op vermelden en de verkiezingen waarvoor deze aanwijzing geldt. Het model dat bekendgemaakt werd in het Belgisch Staatsblad van 24 augustus 2002 kan dus bij elke verkiezing worden gebruikt.

Artikel 2 van het koninklijk besluit van 10 april 1995, dat het model vastlegt, bepaalt dat wanneer er verschillende verkiezingen tegelijkertijd georganiseerd worden, wat het geval zal zijn op 7 juni 2009, de volmacht verplicht geldt voor al deze gelijktijdige verkiezingen en dat er in dat geval slechts ťťn volmachthebber kan worden aangewezen.

Krachtens artikel 147bis, ß1.7, van het Algemeen Kieswetboek moeten de kiezers die per volmacht wensen te stemmen wegens een vakantieverblijf in het buitenland op de dag van de verkiezingen, hiervoor een aanvraag indienen bij de burgemeester van hun woonplaats ten laatste de dag vůůr de verkiezing. Na indiening van de nodige bewijsstukken krijgen ze van de burgemeester een attest dat bevestigt dat ze zich in de onmogelijkheid bevinden om zich persoonlijk aan te melden in het stembureau. De gemachtigde die ze gekozen hebben, krijgt de toestemming om in hun naam te stemmen na overlegging van dat attest en van het volmachtformulier dat naar behoren werd ingevuld door de volmachtgever en de gemachtigde.

Regeling van de werkzaamheden

De voorzitter. - Het Bureau stelt voor volgende week deze agenda voor:

Donderdag 15 januari 2009 om 15 uur

Inoverwegingneming van voorstellen.

Actualiteitendebat en mondelinge vragen.

Evaluatie van de thematische verloven; Stuk 4-944/1.(Pro memorie)

Om 17 uur: Naamstemming over het afgehandelde agendapunt.

Vragen om uitleg:

-De Senaat is het eens met deze regeling van de werkzaamheden.

De voorzitter. - De agenda van deze vergadering is afgewerkt.

De volgende vergadering vindt plaats donderdag 15 januari om 15 uur.

(De vergadering wordt gesloten om 19.10 uur.)

Berichten van verhindering

Afwezig met bericht van verhindering: de heer Van den Brande, in het buitenland, mevrouw Lizin, om gezondheidsredenen, de heren Duchatelet en Verwilghen, wegens andere plichten.

Bijlage

Indiening van een voorstel

Het volgende voorstel werd ingediend:

Voorstel tot herziening van de Grondwet:

Herziening van artikel 10, tweede lid, tweede zinsdeel, van de Grondwet (Verklaring van de wetgevende macht, zie "Belgisch Staatsblad" nr. 131, tweede uitgave, van 2 mei 2007, van de heer Francis Delpťrťe; Stuk 4-1075/1).

-Dit voorstel zal worden vertaald, gedrukt en rondgedeeld.

-Dit voorstel zal worden verzonden naar de Commissie voor de Institutionele Aangelegenheden.

In overweging genomen voorstellen

Wetsvoorstellen

Artikel 81 van de Grondwet

Wetsvoorstel tot verbetering van de regeling inzake verlof voor bijstand of verzorging van een zwaar ziek gezins- of familielid en inzake palliatief verlof (van mevrouw Anne Delvaux en de heer Marc Elsen; Stuk 4-1070/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.

Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 39 van de Arbeidswet van 16 maart 1971 inzake het verplicht opnemen van moederschapsrust (van de heer Jean-Jacques De Gucht c.s.; Stuk 4-1076/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.

Wetsvoorstel wat het woonverbod voor veroordeelden voor bepaalde zedenfeiten betreft (van de heer Guy Swennen en mevrouw Nele Lijnen; Stuk 4-1077/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Wetsvoorstel tot toekenning aan alle betrokkenen met de Belgische nationaliteit van een herstelpensioen voor de burgerlijke slachtoffers van de oorlog 1940-1945 en hun rechthebbenden (van de heer Marc Elsen en mevrouw Anne Delvaux; Stuk 4-1078/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.

Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 1 van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis, teneinde op het moment van de aanhouding nieuwe rechten toe te kennen aan de persoon die van zijn vrijheid is benomen (van mevrouw Christine Defraigne en de heer Alain Courtois; Stuk 4-1079/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Wetsvoorstel tot wijziging van de wet van 20 december 2002 betreffende de minnelijke invordering van schulden van de consument, wat de gerechtsdeurwaarders betreft (van de heer Wouter Beke c.s.; Stuk 4-1080/1).

-Verzonden naar de commissie voor de FinanciŽn en voor de Economische Aangelegenheden.

Wetsvoorstel tot wijziging van de wetgeving inzake consumenten- en hypothecair krediet wat betreft de reclame (van de heer Wouter Beke c.s.; Stuk 4-1081/1).

-Verzonden naar de commissie voor de FinanciŽn en voor de Economische Aangelegenheden.

Wetsvoorstel tot wijziging van de artikelen 594, 596, 621 en 626 van het Wetboek van Strafvordering, met het oog op de aanpassing van de procedure voor het herstel in eer en rechten voor veroordelingen wegens aanranding van de eerbaarheid of verkrachting van minderjarigen (van mevrouw Els Van Hoof c.s.; Stuk 4-1084/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Wetsvoorstel tot wijziging van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie teneinde de overeenkomsten inzake mobiele telefonie te reglementeren en de naleving van de consumentenrechten te waarborgen (van de heren Marc Elsen en Jean-Paul Procureur; Stuk 4-1085/1).

-Verzonden naar de commissie voor de FinanciŽn en voor de Economische Aangelegenheden.

Wetsvoorstel tot wijziging van de Archiefwet van 24 juni 1955 (van de heer Alain Destexhe; Stuk 4-1086/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Institutionele Aangelegenheden.

Wetsvoorstel tot wijziging van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, met betrekking tot de aftrek van bijkomende kosten die verband houden met het verwerven of het behoud van een woning (van de heer Wouter Beke c.s.; Stuk 4-1087/1).

-Verzonden naar de commissie voor de FinanciŽn en voor de Economische Aangelegenheden.

Wetsvoorstel tot aanvulling van de artikelen 189ter en 235ter van het Wetboek van Strafvordering (van de heer Hugo Vandenberghe c.s.; Stuk 4-1091/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Voorstellen van resolutie

Voorstel van resolutie tot invoering van een gepaste wetgeving ter bevordering van het gebruik van aardgasvoertuigen (van de heer Wouter Beke c.s.; Stuk 4-1082/1).

-Verzonden naar de commissie voor de FinanciŽn en voor de Economische Aangelegenheden.

Voorstel van resolutie inzake preventie en behandeling van osteoporose bij patiŽnten (van mevrouw Christine Defraigne c.s.; Stuk 4-1083/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.

Vragen om uitleg

Het Bureau heeft volgende vragen om uitleg ontvangen:

-Deze vragen worden naar de plenaire vergadering verzonden.

Indiening van wetsontwerpen

De Regering heeft volgende wetsontwerpen ingediend:

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst tussen het Koninkrijk BelgiŽ en het Koninkrijk Marokko tot het vermijden van dubbele belasting en tot het voorkomen van het ontgaan en het ontduiken van belasting inzake belastingen naar het inkomen, ondertekend te Brussel op 31 mei 2006 (van de Regering; Stuk 4-1088/1).

-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.

Wetsontwerp houdende instemming met de Stabilisatie- en associatieovereenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun Lidstaten, enerzijds, en BosniŽ en Herzegovina, anderzijds, en met de Slotakte, gedaan te Luxemburg op 16 juni 2008 (van de Regering; Stuk 4-1089/1).

-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.

Wetsontwerp houdende instemming met het Besluit van de Raad van de Europese Unie van 7 juni 2007 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen (van de Regering; Stuk 4-1090/1).

-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.

Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding

Bij brief van 18 december 2008 heeft de directeur van het Centrum voor gelijkheid van kansen en racismebestrijding, overeenkomstig artikel 6 van de wet van 15 februari 1993 tot oprichting van een Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding, aan de Senaat overgezonden, het "Jaarverslag Algemene werking 2007".

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie en de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden.

Nationale Arbeidsraad

Bij brief van 30 december 2008 heeft de Voorzitter van de Nationale Arbeidsraad, overeenkomstig artikel 1 van de organieke wet van 29 mei 1952 tot inrichting van de Nationale Arbeidsraad, aan de Senaat overgezonden het advies nr. 1.662 over het wetsvoorstel tot bevordering van de werkgelegenheid van werknemers van buitenlandse origine, goedgekeurd tijdens zijn plenaire vergadering van 22 december 2008.

-Verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.

Centrale Raad voor het Bedrijfsleven

Bij brief van 29 december 2008 heeft de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven, overeenkomstig artikel 1 van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven aan de Senaat overgezonden:

goedgekeurd tijdens zijn plenaire vergadering van 17 december 2008.

-Verzonden naar de commissie voor de FinanciŽn en voor de Economische Aangelegenheden.

Economische Overheidsbedrijven - Fonds voor Spoorweginfrastructuur

Bij brief van 18 december 2008 heeft de minister van Ambtenarenzaken en Overheidsbedrijven, overeenkomstig artikel 27, ß3, van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, aan de Senaat overgezonden, de jaarrekeningen, de beheersverslagen en het verslag van het College van Commissarissen over de jaarrekeningen voor 2005, 2006 en 2007.

-Verzonden aan de commissie voor de FinanciŽn en voor de Economische Aangelegenheden.

Nationale instelling voor radioactief afval en verrijkte splijtstoffen (NIRAS)

Bij brief van 24 december 2008 heeft de minister van Klimaat en Energie, overeenkomstig artikel 179, ß2, 13ļ, van de wet van 8 augustus 1980 betreffende de budgettaire voorstellen 1979-1980 aan de Senaat overgezonden, het jaarverslag 2007 van de Nationale instelling voor radioactief afval en verrijkte splijtstoffen.

-Verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.

Europees Parlement

Bij brief van 17 december 2008 heeft de voorzitter van het Europees Parlement aan de Senaat overgezonden:

aangenomen tijdens de vergaderperiode van 3 en 4 december 2008.

-Verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging en naar het Federaal Adviescomitť voor Europese Aangelegenheden.