5-2805/2

5-2805/2

Belgische Senaat

ZITTING 2013-2014

1 APRIL 2014


Wetsontwerp houdende de invoeging van boek XI, « Intellectuele eigendom » in het Wetboek van economisch recht en houdende invoeging van bepalingen eigen aan boek XI in de boeken I, XV en XVII van hetzelfde Wetboek


Evocatieprocedure


AMENDEMENTEN


Nr. 1 VAN DE DAMES MAES EN VERMEULEN

Art. 3

In het voorgestelde artikel XI.210, § 3, de volgende wijzigingen aanbrengen :

1/ in het tweede lid, de volgende woorden doen vervallen : « van de krachtens paragraaf 4 aangewezen beheersvennootschap », vervangen door de woorden « de uitvoerende kunstenaar »;

2/ in het tweede lid, de woorden « die vennootschap » vervangen door de woorden « die vennootschap of uitvoerende kunstenaar ».

Verantwoording

Op verzoek van de uitvoerende kunstenaar zijn de producenten verplicht om alle informatie te verstrekken over de jaarlijkse aanvullende vergoeding. Dit wetsontwerp legt deze mogelijkheid tot verzoek evenwel bij de beheersvennootschap, terwijl artikel 1 van de EU-richtlijn voorschrijft dat dit aan de uitvoerende kunstenaar zelf toekomt. Wij wensen de EU-bepaling correct om te zetten in nationaal recht.

Nr. 2 VAN DE DAMES MAES EN VERMEULEN

Art. 3

Het voorgestelde artikel XI.212 aanvullen met het volgende lid :

« De bepalingen in dit artikel doen geen afbreuk aan de bestaande overeenkomsten die reeds werden gesloten voor 1 januari 2015. »

Verantwoording

Het huidige artikel 41 van de auteurswet stelt dat de uitvoerende kunstenaar en de producent zich niet kunnen verzetten tegen de mededeling van hun prestatie op een openbare plaats. Deze beperking van exclusieve rechten van de uitvoerende kunstenaars en de producenten heeft als tegenprestatie de betaling van een billijke vergoeding.

Volgens het voorontwerp wordt het toepassingsgebied van de billijke vergoeding voortaan uitgebreid tot « elke openbare uitvoering » en niet langer tot bij een mededeling « op een openbare plaats ».

Dit is een belangrijke wetswijziging die de facto het einde zou betekenen van de zogenaamde Unisono-regeling. Met dit systeem kunnen bedrijven via een « one stop shop » een contract sluiten waardoor zij van alle betrokken rechthebbenden de toestemming krijgen om muziek af te spelen op de werkvloer. Deze regeling die in 2009 tot stand kwam met een akkoord tussen de ondernemersorganisaties en de beheersvennootschappen telt momenteel 12 000 contracten. Door deze wetswijziging komen deze stuk voor stuk op de helling te staan. De onmiddellijke afschaffing ervan zou een grote administratieve rompslomp en een financiële aderlating veroorzaken voor de producenten.

Nr. 3 VAN DE DAMES MAES EN VERMEULEN

Art. 3

In het voorgestelde artikel XI.213 de eerste zin van het tweede lid vervangen als volgt :

« De koning bepaalt, na raadpleging van zowel de rechthebbenden als de gebruikers, het bedrag van de billijke vergoeding, die verschillend kan zijn naargelang de betrokken sector. »

Verantwoording

De koning bepaalt het bedrag van de billijke vergoeding voor het gebruik van de prestaties. Evenwel ontbreekt het hier aan een evenwichtig beslissingskader, waarbij raadpleging van zowel rechthebbenden als gebruikers noodzakelijk is en dus verplicht zou moeten zijn. Wij stellen voor om de tekst van het wetsontwerp aan te vullen in die zin.

Nr. 4 VAN DE DAMES MAES EN VERMEULEN

Art. 3

Het voorgestelde artikel XI.225 aanvullen met een § 6, luidend als volgt :

« § 6. De bepalingen in dit artikel doen geen afbreuk aan de bestaande overeenkomsten die reeds werden gesloten voor 1 januari 2015. Voor die overeenkomsten blijven de oorspronkelijke bepalingen van de wet van 30 juni 1994 van toepassing. »

Verantwoording

Het recht om de kabeldoorgifte toe te staan of te verbieden is een exclusief recht dat onderworpen is aan verplicht collectief beheer. Dit recht is overdraagbaar en indien hier niets uitdrukkelijk over wordt bepaald, vermoed te zijn overgedragen aan de producent. Naast dit exclusief moreel recht wordt evenwel een (eveneens) overdraagbaar vermogensrecht op kabelvergoeding voor acteurs en individuele kunstenaars ingevoerd dat enkel collectief kan worden geïnd (dus ook hier verplicht collectief beheer).

Door de nieuwe bepaling vervat in het wetsontwerp ontstaat er echter rechtsonzekerheid. De wijzigingen in artikel XI.225 over de kabeldoorgifte mogen enkel van toepassing zijn op audiovisuele werken die worden gemaakt na 1 januari 2015 en mogen geen afbreuk doen aan productieovereenkomsten die tot die dag worden ondertekend (inclusief alle overeenkomsten die hieruit voortkomen). Voor alle audiovisuele werken en productiecontracten van voor 1 januari 2015 moet de wet van 1994 van toepassing blijven.

Nr. 5 VAN DE DAMES MAES EN VERMEULEN

Art. 3

In het voorgestelde artikel XI.225, § 3 aanvullen met het volgende lid :

« De paragrafen 1 en 2 zijn niet van toepassing op de rechten die een omroeporganisatie uitoefent in het kader van zijn eigen uitzendingen. »

Verantwoording

Het ontworpen artikel XI.224 voorziet in § 3 reeds in een uitzondering voor omroeporganisaties die rechten uitoefenen in het kader van de eigen uitzendingen. Wij wensen overeenkomstig het ontworpen artikel XI.224 deze logica door te trekken naar het ontworpen artikel XI.225, wat betreft het recht op kabelvergoeding.

Dit amendement is de bestendiging van de huidige rechtspraktijk en verzekert ook de goede naleving van artikel 10 van de « Sabcat »-richtlijn.

De aanpassing is noodzakelijk om de contractuele vrijheid te vrijwaren en om de rentabiliteit van de audiovisuele exploitatie te verzekeren. Audiovisuele werken zijn reeds verkocht voor de realisatie ervan, zodat ook producenten moeten beschikken over het recht op vergoeding.

Deze wetswijziging zet de memorie van toelichting om in wet.

Nr. 6 VAN DE DAMES MAES EN VERMEULEN

Art. 3

In het voorgestelde artikel XI.252, § 3, eerste lid, de volgende woorden doen vervallen :

« De Koning kan dit percentage aanpassen en een onderscheid maken op basis van objectieve en niet-discriminatoire criteria. »

Verantwoording

Het ontworpen artikel XI.252 is een duidelijke stap in de goede richting, namelijk een wettelijke begrenzing van de maximale overheadkosten die collectieve beheersvennootschappen mogen maken om hun werking te financieren.

Wij betreuren echter dat de minister al onmiddellijk de deur open zet om deze begrenzing te ontwijken — de Koning krijgt immers de delegatie om dit percentage aan te passen en beheersvennootschappen ongelijk te behandelen. Wij stellen voor om dit achterpoortje te sluiten.

Nr. 7 VAN DE DAMES MAES EN VERMEULEN

Art. 3

In het voorgestelde artikel XI.252, § 2 aanvullen als volgt :

« De beheersvennootschappen zorgen er in ieder geval voor dat zij jaarlijks minstens vijftien procent van het gemiddelde van de laatste drie boekjaren geïnde rechten hebben verdeeld. Wanneer de beheersvennootschappen nalaten om deze maatregel te nemen, kan dit leiden tot verlies van de vergunning bedoeld in artikel 37 van de wet van 30 juni 1994. »

Verantwoording

Het voorgestelde artikel XI.252 is een duidelijke stap in de goede richting, namelijk een wettelijke begrenzing van de maximale overheadkosten die collectieve beheersvennootschappen mogen maken om hun werking te financieren.

De indieners wensen nog een stap verder te gaan en stellen voor dat de erkende beheersvennootschappen verplicht jaarlijks minstens vijftien procent van het gemiddelde van de laatste drie boekjaren geïnde rechten verdelen. Wanneer beheersvennootschappen dit nalaten kan dit leiden tot verlies van de vergunning bedoeld in artikel 67 van de wet van 30 juni 1994. Het verlenen van de vergunning is een voorrecht van de minister van Economische zaken.

Lieve MAES.
Sabine VERMEULEN.