5-135

5-135

SÚnat de Belgique

Annales

JEUDI 9 JANVIER 2014 - S╔ANCE DE L'APR╚S-MIDI

(Suite)

Question orale de Mme Elke Sleurs Ó la vice-premiŔre ministre et ministre des Affaires sociales et de la SantÚ publique sur źles cliniques du sein╗ (no 5-1240)

Mevrouw Elke Sleurs (N-VA). - Op 15 december ondertekende de minister twee koninklijke besluiten tot wijziging van het koninklijk besluit van februari 1999 en van april 2007 ter aanpassing van de gespecialiseerde oncologische zorg voor borstkanker. Tevens werd een circulaire gestuurd naar de beheerders van de ziekenhuizen om duiding te geven bij deze wijzigingen.

Tot mijn verbazing en die van de collegae gynaecologen stel ik opnieuw vast dat deze circulaire, al dan niet moedwillig, aangetast is door vergetelheden.

Eerst en vooral is er onduidelijkheid over het multidisciplinair overleg in de borstklinieken. In de circulaire wordt geenszins melding gemaakt van de specialist in verloskunde-gynaecologie als co÷rdinator-moderator van het overleg, noch in de co÷rdinerende, noch in de satellietborstkliniek, niettegenstaande het feit dat het grootste deel van alle Belgische borstkankerpatiŰnten geopereerd wordt door de hiervoor opgeleide gynaecoloog en deze ook actief inspraak heeft in de systemische behandeling en opvolging van deze patiŰnten. Zoals het nu beschreven staat, moeten we er dus vanuit gaan dat de co÷rdinatie enkel in handen komt van een medisch oncoloog.

Anderzijds vragen de gynaecologen zich ook af waarom er nog steeds geen sprake is van de definitie "borstchirurg" of "dedicated breast surgeon", zoals voorgesteld door de Vlaamse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie (VVOG) en door de Nationale Raad voor Ziekenhuisvoorzieningen (NRZV) in september 2011 aan de minister werd gesuggereerd.

Andere onduidelijkheden hebben betrekking op de kwaliteit van de zorg, de ondoenbare administratie en de afwezigheid van sancties voor degenen die de wet naast zich neerleggen.

Ik wens de bezorgdheid van de gynaecologen hierover duidelijk uit te spreken. In het nieuwe koninklijk besluit stelt de minister immers wel eisen aan de satellietborstkliniek betreffende het aantal nieuwe diagnosen, met name minstens 60 per jaar, maar er is geenszins sprake van een minimaal aantal ingrepen per `snijdend arts', ook hier niettegenstaande een advies van de Raad waarin een minimale activiteit van 30 nieuwe diagnoses per jaar voor de borstchirurg wordt aanbevolen. Anderzijds wordt in de co÷rdinerende borstkliniek de aanwezigheid vereist van 2 snijdende artsen die per jaar meer dan 50 ingrepen uitvoeren, maar ook hier vermeldt het koninklijk besluit niets over het minimaal aantal van andere borstchirurgen. Met andere woorden, er kunnen chirurgen blijven opereren die minder dan 30 operaties per jaar uitvoeren. De door de NRZV gevraagde sancties voor degenen die jaarlijks nog steeds enkele borstkankers blijven opereren, ontbreken. Dit komt de kwaliteit van de zorg zeker niet ten goede en is een stap achteruit.

Er rijzen dus heel wat vragen omtrent deze wijzigingen van koninklijke besluiten en de bijbehorende circulaire. Waarom heeft de minister ook ditmaal de belangrijkste arts in de behandeling van het borstcarcinoom niet in die hoedanigheid erkend en brengt ze dus ook de kwaliteit van de zorg in het gedrang door onder andere de minimale vereisten niet duidelijker te definiŰren?

Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, belast met Beliris en de Federale Culturele Instellingen. - Voor een globale analyse van het dossier is het aangeraden om de geco÷rdineerde versie van de teksten te lezen. In de circulaire wordt enkel en alleen toelichting gegeven bij de wijzigingen die worden aangebracht aan het oorspronkelijke koninklijk besluit over het zorgprogramma voor borstkanker.

Als mevrouw Sleurs dat wil, kan ik haar een kopie van de geco÷rdineerde tekst bezorgen. Ze zal dan kunnen vaststellen dat, in tegenstelling tot wat ze beweert, de gynaecologen in de normering over de borstklinieken geenszins worden vergeten. Ze blijven zowel in de co÷rdinerende borstkliniek als in de satellietborstkliniek een voorname plaats bekleden. Zo wordt op geen enkele manier geraakt aan de mogelijkheid voor de gynaecoloog om de medische co÷rdinatie van de borstklinieken op te nemen.

Nogmaals, in de circulaire worden enkel de recente wijzigingen besproken. Dat betekent uiteraard niet dat de bepalingen waaraan geen wijzigingen worden aangebracht, verdwijnen.

Ook blijft zowel voor de co÷rdinerende borstkliniek als voor de satellietborstkliniek een minimale activiteit voorzien voor wat mevrouw Sleurs omschrijft als de `snijdende arts', dus inclusief de gynaecoloog. Die minimale vereiste blijft ook voor satellietborstkliniek gegarandeerd.

Ik wijs er ook op dat in het gewijzigde koninklijk besluit van 26 april 2007, in uitvoering van de ziekenhuiswet, enkel erkenningsnormen voor de ziekenhuizen worden opgelegd. In dit wetgevend kader kunnen geen bijzondere beroepstitels worden gecreŰerd. Mijn administratie onderzoekt momenteel welke de meest aangewezen manier is om in uitvoering van het koninklijk besluit nr. 78 bijzondere erkenningscriteria uit te werken voor de gynaecoloog-oncoloog. Gelet op de beoogde inhoud van de bevoegdheden van die gynaecoloog-oncoloog is het absoluut noodzakelijk dat de Hoge Raad voor geneesheren-specialisten en huisartsen zich uitspreekt over een concept, voordat een ministerieel besluit houdende specifieke erkenningsnormen voor deze beroepstitel kan worden uitgewerkt.

Ten slotte nog iets over de afwezigheid van sancties in geval van niet-naleving van de normen. Wie de normen niet naleeft, kan in het kader van aansprakelijkheidsprocedures in grote moeilijkheden worden gebracht. Dat geldt trouwens ook indien geen goed werk wordt geleverd buiten de opgelegde minimumnormen, bijvoorbeeld wanneer een snijdende arts zonder enige activiteit wordt ingeschakeld. Bovendien worden de erkenningsnormen door de Gemeenschappen toegepast en gecontroleerd. De niet-naleving kan tot een schorsing of een intrekking van de erkenning aanleiding geven.

Mevrouw Elke Sleurs (N-VA). - Ik noteer dat bij de redactie van het besluit rekening is gehouden met de bekommernissen van de gynaecologen. De minister stelt dat de gynaecologen de medische co÷rdinatie kunnen blijven verzorgen en dat een minimumaantal ingrepen vereist is. De gynaecologen hadden hierover een juridisch advies gevraagd. We zullen de geco÷rdineerde versie van de tekst bestuderen.