5-106 | 5-106 |
De heer Wilfried Vandaele (N-VA). - In januari stelde minister Vande Lanotte een voorontwerp van Marien Ruimtelijk Plan of MRP voor, waarin hij de ruimtelijke ordening van het Belgische deel van de Noordzee wil regelen voor de periode 2013-2019. Ik stelde hem daarover reeds vragen in de plenaire vergadering, in de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden van de Senaat en ook in het Vlaams parlement.
In het MRP kleurt hij ruimte in voor een energieatol, om de energie van de windturbineparken op zee op te slaan en op een later tijdstip te gebruiken via het valmeersysteem.
Aanvankelijk kleurde hij één zone in voor een dergelijk atol, namelijk op de Wenduinebank, op drie kilometer voor de kust van De Haan. Ik wees er toen op dat een dergelijk eiland in het plan voor de Vlaamse Baaien ingetekend staat op dertig kilometer afstand, bij de Thorntonbank. Intussen raakten de resultaten bekend van de studie van het Milieu- en energietechnologie Innovatie Platform, het MIP. Over de mogelijke inplantingsplaatsen vermeldt de studie de door de minister gekozen Wenduinebank niet eens als een optie. Als eerste keuze vermeldt die studie Zeebrugge, in aansluiting bij de havenontwikkeling, en als tweede keuze de Thorntonbank, in aansluiting bij de windturbineparken.
Vorige week liet de minister weten dat hij, nog voordat het openbaar onderzoek over het MRP van start gaat, Zeebrugge zal toevoegen als mogelijke inplantingsplaats, niet ter vervanging van de Wenduinebank - wat mij logisch zou lijken - maar erbovenop. Hij wil twee concessies toekennen, voor twee eilanden.
Los van de wenselijkheid, haalbaarheid en betaalbaarheid, stel ik mij de volgende vraag: waarom neemt de minister de Thorntonbank niet op als mogelijke locatie voor een energieatol, nochtans de tweede beste keuze volgens de MIP-studie, in de plaats van de Wenduinebank die in deze studie niet eens wordt vermeld?
De heer Johan Vande Lanotte, vice-eersteminister en minister van Economie, Consumenten en Noordzee. - De studie van ECOREM was in maart 2013 voltooid. We hebben er kennis van genomen. Jammer genoeg was ze niet eerder klaar.
De lezing van die studie door de heer Vandaele is ietwat speciaal, want de Thorntonbank is volgens die studie geen tweede keuze. Ze is volgens die studie zelfs geen optie meer, omdat ze niet betaalbaar en economisch niet haalbaar is, net zoals de andere offshoreoplossingen. Dat is volgens de studie te wijten aan de diepte en de zware weersomstandigheden waardoor de bouw van zwaardere structuren noodzakelijk is.
Er waren drie voorstellen voor offshoreoplossingen en een voorstel voor een locatie dicht bij de kust. De dichtbij-oplossing blijkt de enige haalbare. Tegelijk zegt de studie letterlijk dat men geen exhaustieve studie naar alternatieven heeft gemaakt. Men heeft alleen de vergelijking gemaakt tussen de mogelijkheden offshore en onshore en geconcludeerd dat offshore te duur is.
De locatie op de Wenduinebank werd voorgesteld omdat de geologische randvoorwaarden er positief zijn. De bathymetrie bracht een gesloten sedimentbalans aan het licht, wat betekent dat men bij het opbouwen geen zand zal moeten aanvoeren. Andere voordelen zijn dat het ver genoeg van de scheepvaart ligt en dat men bij de bouw kan aansluiten op de natuurlijke bank.
Op grond van die criteria werd beslist dat de Wenduinebank een goede locatie was. We hebben met de studie van ECOREM rekening gehouden, maar niet als een stand alone. In de studie wordt de oplossing ook niet als een op zich staande oplossing gezien: als de haven wordt uitgebreid, waarvoor een deel van de kosten wordt betaald, kan dat worden gebruikt om een deel van het energievalmeer aan te leggen.
Het is een interessant alternatief. Aangezien er twee mogelijkheden zijn en aangezien niet de regering beslist - de beslissing ligt bij de privé-investeerders - hebben we beide mogelijkheden opengelaten. Ik heb daarover herhaaldelijk met het kabinet van mevrouw Crevits overlegd en er is ook over gesproken met de haven van Zeebrugge. We zijn nu tot een conclusie gekomen die voor alle partijen aanvaardbaar is. De privé-investeerders zullen moeten nagaan wat ze van beide mogelijke oplossingen vinden. De ene oplossing is wel een stand alone - oplossing, terwijl de andere dat niet is. Dat kan een impact hebben op de timing.
De heer Wilfried Vandaele (N-VA). - Ik heb in de studie niet gelezen dat de locatie Thorntonbank niet haalbaar en niet betaalbaar zou zijn. Ik heb wel gelezen dat de kostprijs 1,2 miljard bedraagt voor de Thorntonbank en 900 miljoen voor Zeebrugge. Dat is eigenlijk niet zo'n groot verschil. Men moet 25 meter diep graven op de Wenduinebank. Op de Thorntonbank moet men minder diep graven. De Vlakte van de Raan en de Gotebank zijn nog duurder dan Thornton.
Destijds werd ook gezegd dat windturbines op de Thorntonbank technisch niet haalbaar en niet betaalbaar waren, maar uiteindelijk staan ze er toch, en niet op de Wenduinebank of op de Vlakte van de Raan. Het is een vergelijkbare discussie.
Volgens mij is de Wenduinebank geen goede keuze. Het is een ongerepte strook heel dicht bij de kust. Daarom denk ik dat het draagvlak veel groter zal zijn voor Zeebrugge en zeker ook voor de Thorntonbank. In Zeebrugge is een combinatie mogelijk met een havenuitbreiding en eventueel met een corridor waar de binnenschepen naar de Westerschelde kunnen varen. Op de Thorntonbank is een combinatie mogelijk met een stopcontact op zee.
Ik zou de minister willen vragen, nu het nog kan, de Thorntonbank toch op te nemen in het Marien Ruimtelijk Plan of minstens te vermelden dat wat de zone voor "stopcontacten" op zee betreft, de Thorntonbank eventueel kan worden gecombineerd met een energie-eiland met een valmeer.